XXV  MUZIEK LEEREN *

Keesjewil graag leeren pianospelen. Als kindje van anderhalf jaar luisterde hij reeds met gespannen aandacht naar de liedjes, die ik voor hem zong en speelde. En, hij houdt veel van mij, zijn muziekonderwijzeres, want al kan hij mij niet als zijn suikertante waardeeren, toch wel als zijn suikertjestante, daar ik gewoonlijk de feesten, als, zijn verjaardag, St. Nicolaas, vacantiepretjes onder mijn presidium heb.

Keesjewil graag leeren pianospelen. Als kindje van anderhalf jaar luisterde hij reeds met gespannen aandacht naar de liedjes, die ik voor hem zong en speelde. En, hij houdt veel van mij, zijn muziekonderwijzeres, want al kan hij mij niet als zijn suikertante waardeeren, toch wel als zijn suikertjestante, daar ik gewoonlijk de feesten, als, zijn verjaardag, St. Nicolaas, vacantiepretjes onder mijn presidium heb.

Mijn taak lijkt gemakkelijk.

Keesjewilgraag leeren pianospelen. Maar kan de stakkerd het helpen, dat Moeder genoodzaakt is, de piano, zoover mogelijk verwijderd van Vaders kantoor, te plaatsen, juist aan de zijde van zijn paradijs?

Zijn paradijs! Een zeldzaam groote stadstuin, waarvan het voorgedeelte door de volle zon beschenen, den aanblik levert eener keur van bloemen en planten. Daarin een afgescheiden tuintje voor Keesje. Het einde van de laan, zoo mag ik waarlijk den langen tuin noemen, een lommerrijk plekje onder de eeuwenoude kastanje-, eike- en vruchtboomen. En last not least ... het duivenpaleis, dat een woning biedt aan verschillende soorten, wel dertig. Dààr is voor Keesje het „al”. Ieder der beestjes, heeft naar aard en uiterlijk een naam van hem gekregen. Hij laat ze in zijn fantasie heel wat beleven. Geestdriftige verhalen krijg ik steeds te hooren over zijn uitverkorenen.

Maar Keesjewilgraag leeren pianospelen. En daar gaat het dan toch maar, vol moed. Eéne, tweéë, driéë, éene, tweéë, driéë, dat al gauw in een lijzig, verveeldaccent overslaat. Eìne, twèie, drèie, èìne, twèie, drèie......

Plots wordt mijn hals half omgedraaid, onder den uitroep: „kijk us, tàntetje, grijs doffertje is alleen uitgevlogen!”

„Gedeelde vreugde is dubbele vreugde”. Ik heb Doffertjes behouden Heimkehr medegenoten.

Langzaam, hem vriendelijk toelachend, draai ik mijn Keesje, door middel van de pianokruk weêr op zijn plaats.

Na een diepen zucht voor het doffertje en een hartelijken kus aan mij, hoor ik weêr gauw „Eéne, tweéë, driéë, éene, tweéë, driéë......”

„Leelijk beest!” „Fort!” „Weg!” Rood van opwinding en met gebalde vuistjes is Keesje naar het andere venster gestormd, toen hij het schrikbarende tumult hoorde. Aan zijn kant had ik reeds geprobeerd het gordijn neer te laten. Verbeeldt u toch, daar staat buurpoes met gekromden rug uit alle macht te blazen, tegen de angstig kirrende jongen, die door hare moeder in de til waren achtergelaten. Buurmans waakhond versterkt het orkest.

Ik stel Keesje gerust, door hem er aan te herinneren, dat de til zoo geplaatst is, dat de duifjes onmogelijk door een hond of een poes te bereiken zijn.

Nog grimmende onder den indruk van zijn pas ondervonden woede, laat het kind toe, dat ik hem, met mijn arm om zijn lijfje geslagen, op de kruk terugbreng.

Meteen zeg ik bij ingeving: „Nu benoem ik jou tot hoofdofficier”. Gauw hebben we de vingers naar mindere grootte, in afdalende rangen ingedeeld. Het wordt nu voor Keesje een eerezaak, dat niemand deserteert of zelfs uit den pas gaat. Binnen korten tijd hebben de vingertjes onder zijn, door mij beïnvloed commando, de verplichte houding aangenomen. En na eenige weken speelt Keesje „die Wacht am Rhein”—stukjeuit een Liederkrans voor pasbeginnenden—zonder fout, met alleraardigste voordracht, uit het hoofd. Door het voortdurend inspecteeren van zijn troep, gingen de oogen maar steeds van het blad op de vingertjes. Zoo oefende hij zich in 't van het blad lezen, en uit het hoofd spelen.

De lessen werden voor Keesje een verheugenis. Kort daarop haalde ik hem van een partijtje bij een zijner vriendjes. „Wat speelde Keesje vanmiddag kranig het Duitsche volkslied. Zoo heelemaal zonder fout uit het hoofd!” De gastvrouw kwam me reeds in de gang tegemoet om haar opgetogenheid te uiten.

„Dat moet u Jan ook eens trachten te leeren. Hij is vandaag zeven jaar geworden en wil nu ook graag beginnen met muziekles te nemen.” Ik beloofde het de Moeder. Ik kon dat met goed vertrouwen doen.

Kees is een concertliefhebber.

Ik heb uit den aard der zaak van niet vele leerlingen „een pianist(e)” kunnen maken. Maar ik heb ze toch alle, behalve een paar abnormale uitzonderingen, muzikaal ontwikkeld. Dat is de opvoeder(ster) verplicht tegenover zijn (haar) pupil, om te voorkomen, dat deze, ouder geworden zijnde, een levensgenot zou missen, een tijdpasseering, die hem voor geestelijke en moreele afdwalingen zal kunnen behoeden.

Bij het onderricht geven is het noodig, dat men bij het kind belangstelling wekt voor de onvermijdelijke, vaak eentonige oefeningen. En daartoe is hèt middel, gebeurtenissen aanknoopen aan hunne persoonlijke waarnemingen en idealen.

KleineMilly liet zich van aanleg als bijzonder zacht en volgzaam kennen. Plotseling, ze is nu twee en een half jaar, uit zich haar eerste ernstig verzet.

KleineMilly liet zich van aanleg als bijzonder zacht en volgzaam kennen. Plotseling, ze is nu twee en een half jaar, uit zich haar eerste ernstig verzet.

Milly wil 's morgens niet meer slapen gaan. Moeder geeft voorloopig toe. Telkens blijkt weer, dat het kind wel degelijk behoefte heeft aan een ochtenddutje. Wanneer ze 's middags met haar op de wandeling even stilstaat voor een winkel, dommelt de kleine vaak onverwachts in. Maar is er 's morgens sprake van het bedje, dan windt Milly zich zóó op, dat het geheele gezin er bij te pas komt en daarna is aan slapen geen denken meer. Moeder begint er de laatste dagen niet over, want het kind raakt er door van streek en is den geheelen dag voor niemand en niets meer toegankelijk. Op mijn raad wil ze toch nog maar eens een poging wagen en ik laat Milly's tegenstribbelingen eenige dagen onbemerkt langs me gaan. Den derden morgen stel ik de hummel voor, samen „huisje” te gaan spelen, in de groote kamer, waar bij dag haar ledikantje gezet wordt. Deze kamer is rustig gelegen. We halen zoowat haar geheelen speelinboedel voor den dag en het vrije gedeelte van den vloer wordt als huis ingedeeld. Een keurig salonameublementje is dadelijk in het centrum smaakvol gearrangeerd. Poppenbadje krijgt zijn plaats in de gefingeerde badkamer, waar geen onderdeel, al is het maar van papier geknutseld, gemist wordt. Een comfortabel ingerichte slaapkamer mag toch in geen enkele woning ontbreken, zou ik meenen. De aanwezige Indische stoel gauw maar tot mijn, respectievelijk Moeders bed gemetamorphoseerden we hebben Milly's ledikantje vooral ook niet vergeten. Wat een werken en zorgen! Hè... We zuchten er beiden van. Alleen al de dagelijksche beurt, die Mina gewoon is te geven, heeft zooveel in.Kanhet anders dan dat we moe worden,heelmoe. Pseudomoedertje wel zóó erg, dat ze om half elf reeds naar bed verlangt. Nu wil het kleine „aapje” ook zoograaggaan slapen. Zonder te mopperen, laat ze zich uitkleeden en in haar eigen bedje leggen. Ik haast me op de sofa. Ze koekeloert nog een poosje door de spijltjes naar me en valt in een rustigen slaap, waaruit ze na anderhalf uur wakker wordt, verkwikt voor den geheelen dag. Al korter duurt de volgende dagen mijn medespelen. Ten slotte voert Milly de komedie op haar eigen houtje op en gaat nog maanden daarna, op tijd, vol animo haar nuttig slaapje „spelen”.

Iets „moeten” doen en iets „willen” doen, kan dezelfde bezigheid tot een hel en een hemel maken. Zeker voor het kleine kind, dat nog geen plichtsbesef kent, de voor- of nadeelen van een handeling niet weet te overwegen en dat slechts rekening houdt met de lust- en onlustgevoelens, die door een of andere opdracht gewekt worden. De taak, die ons redelijk en gewoon toeschijnt, kan voor het kind soms onoverkomelijk zijn. Onze waardebepaling staat vaak lijnrecht tegenover elkaâr.

Wanneer we bij het normale kind een plotseling ernstig verzet, door verzet trachten te breken, bereiken we het tegendeel. We verbitteren onzen kleinen opstandeling, hij voelt zich miskend, onrechtvaardig behandeld en stelt zijn slechtst humeur er tegenover. Laten we hem, door geduld en liefde leeren de opgegeven taak tewillenvolvoeren. Met een beetje tact lukt het elke opvoeder(ster). Bij het abnormale absoluut onhandelbare kind, rest ons helaas vaak niet anders, dan het verzet, door het verzet te compenseeren.Doch ook bij hen slechts, mogen we daartoe overgaan, nadat we alle zachtere middelen vergeefs hebben beproefd. Deze gevallen zijn gelukkig „de uitzonderingen” voor mijn overweging.

Naschrift. Dit is een staaltje van de paedagogiek van „met een zoet lijntje”, onderdeel der omkoopings-paedagogiek, die ik voor mij—in het algemeen gesproken—voor een gevaarlijk falsifikaat houd.

Mevr.X. deelde eenige dagen mijn kamer in plaats van twee kleine nichtjes van acht en tien jaar.

Mevr.X. deelde eenige dagen mijn kamer in plaats van twee kleine nichtjes van acht en tien jaar.

„Hoe is het mogelijk!” riep ze verbaasd uit, toen we 's avonds van een concert thuiskwamen.

Er lag op mijn nachtkastje van ieder kind een briefje, met een trouw verslag van hun doen en laten dien avond. Ze hadden er zelfs een stukje van haar avondlekkers ingerold. Die billets-doux deponeerden de kinderen vaker, ofschoon ik ze daar nooit om gevraagd had. Ik copieer het briefje van de kleinste:

„Lieve Tant! Om zeven uur mijn lesje gekend. Tot half acht met Mies geknikkerd. Bij Truitje in het kuiltje van de keuken. Even krijgertje gespeeld in de gang. Niet met Truitje. Uitgegleden. Knie een pukkebeetje geschaafd. Geeneens gehuild. Acht uur in bed. Hartelijk gekust. Melkopgedronken! Nan.”

„Lieve Tant! Om zeven uur mijn lesje gekend. Tot half acht met Mies geknikkerd. Bij Truitje in het kuiltje van de keuken. Even krijgertje gespeeld in de gang. Niet met Truitje. Uitgegleden. Knie een pukkebeetje geschaafd. Geeneens gehuild. Acht uur in bed. Hartelijk gekust. Melkopgedronken! Nan.”

Hoe besefte dit kind warm, waarmede ze me voldoen kon. Eerst het werk maken, daarna spelen, flink zijn bij een kleinen tegenslag, op tijd naar bed gaan, kortom haar plicht. Haar gehoorzaamheid kwam voort uit eigen energie, uit innerlijke kracht.

„Hoe is het mogelijk!”, herhaalde Mevr. X. nog steeds.

„Zou ik dat mijn kinderen eens kunnen leeren!”

„Ik heb in mijn aanwezigheid al zooveel moeite om ze tot hun plicht te dwingen. Wanneer ik uit wil gaan, moet ik zorgen, dat het schoolwerk voor dien tijd in orde is. Ik reken er dan maar op, dat niet één van dekinderen op tijd naar bed gaat, dat... ja eigenlijk, zoowat alles in het honderd loopt.”

Ik, die Mevr. X. in den omgang met haar kinderen kende, zou niet anders verwacht hebben. Ze was een goedhartige, doch wilszwakke persoonlijkheid. Ze wist niet te bevelen. Ze miste den sterken wil voor hetonmerkbareinwerken op hare omgeving. Ze had dien wil ook nimmer geoefend, als verwend, eenig kind. Haar optreden was niet in staat de vrijwillige gehoorzaamheid van de kinderen te wekken. Ze bracht nu vaak uit onmacht „den dril” in praktijk, waarbij het innerlijke van den opvoedeling niets wint. Ze soebatte, commandeerde, dreigde, strafte. Het laatste zelden, maar meest onredelijk. Wanneer ze „au bout de son latin” kwam, ze door haar onmacht het meest noodige voor het kind, niet wist gedaan te krijgen. Dan was ze door de opgewondenheid, te hard en onredelijk, waarom de kinderen, met hun aangeboren zin voor rechtvaardigheid, haar minder liefhadden. In hare aanwezigheid kreeg ze daarmede wel wat gedaan, maar dra was de folterstoel veilig achter slot, of alles vloog uit den band.

Ze verlangde, dat ik haar leerde, hare kinderen even ver te brengen als de onze, die ons liefhadden, vertrouwden, die voelden, dat hun geluk, ons geluk was. Dat mijn ziel en hart in hun opging. Wat bij Moeder X. werkelijk evenzeer het geval was.

Ik raadde haar vóór alles, den wil te sterken. Slechts met een sterken wil kan men anderen bevelen = inwerken op hun wil.

Ze zou zelf 's middags stipt op tijd thuiskomen van de wandeling, geen voorgenomen werk noodeloos uitstellen, op tijd opstaan, in alles ongeëvenaarde stiptheid betrachten. Nimmer schreeuwen of heftig worden. Haar opdracht slechts éénmaal geven en kalm. Daarvoor heeft het kind respect. Het was voor haar een zeer moeielijke raad om op te volgen. Ik werd nogdikwijls geroepen om bij te springen. Maar mocht tot mijn groote voldoening al weer gauw constateeren: „Waar een wil is, is een weg.”

MijnheerFrackers plotseling overleden! Het geheele gezin loopt samen op het schokkende bericht en is verslagen. Eén roep hooren we, van wat hij voor ons allen geweest is, de trouwe, eerlijke, hartelijke vriend.

MijnheerFrackers plotseling overleden! Het geheele gezin loopt samen op het schokkende bericht en is verslagen. Eén roep hooren we, van wat hij voor ons allen geweest is, de trouwe, eerlijke, hartelijke vriend.

Wat een zuchten, wat een klagen, wat een loftuitingen van alle kanten, ook van het personeel, waarvoor hij altijd zoo gul en minzaam was. Zelfs ons vijfjarig jongste baasje is er stil van. Dat treft ons. We oordeelen hem gevoelig, aanhankelijk.

Hij wordt geknuffeld, getroost.

Na het eten komt de kleine Remy als gewoonlijk een half uur bij mij spelen voor dat hij naar bed gaat.

„Huilt U omdat Mijnheer Frackers dood is?” vraagt hij belangstellend.

„DatmoetU niet doen, broertje vindt het zoo naar”, zegt hij op een ontstemden toon.

Ik herstel me spoedig en ga hem opgewekte verhaaltjes vertellen.

—Het kind is nog te jong, om onder den indruk te mogen blijven van een diep zieleleed.—

Op tijd komt Juf hem halen.

Bij het afscheid pakt hij mij nog eens innig en zegt dankbaar: „Nacht,zoete,lievetante... ga nou maar weer huilen”, animeert Remy, terwijl hij van mijn schoot springt.

We mogen niet te gauw „victorie kraaien” bij het beoordeelen van de karaktertrekken onzer kleine kinderen en zeker nooit in hun bijzijn. Wat maaral te vaak gedaan wordt. Geef het kindslechtswat het toekomt. Waar noodig, eer minder dan meer. Hun altruïstische neigingen zijn meest in dienst van hun egoïsme.

We zouden door niet diep genoeg in hun wezen te dringen, het egoïsme bevorderen. We willen het tegendeel.

Eenfiere jongen, onze oudste... 'n „Baasje” eigenlijk. Het is de eenige bijzondere aanmerking, die we op het kind maken. Misschien tilt Moeder hem wel wat over het paard, door hem reeds in vele ernstige zaken in te wijden.

Eenfiere jongen, onze oudste... 'n „Baasje” eigenlijk. Het is de eenige bijzondere aanmerking, die we op het kind maken. Misschien tilt Moeder hem wel wat over het paard, door hem reeds in vele ernstige zaken in te wijden.

Piet is heel verstandig, maar toch pas tien jaar. Hij spreekt zijn meestal goed oordeel te beslist uit en Moeder hecht er veel waarde aan. Wat hij merkt.

Rrrrrrrrrt...... gaat de bel, zoolang tot er opengedaan wordt. Een opgewonden troepje stormt binnen.

„En een penkalapotlood van Rob, een fleschje kleurinkt van Bert, een pak chocolade van...” alle kinderen schreeuwen door elkaar. Op een verjaardag wordt door ons veel getolereerd. De twee prentbriefkaarten, die hij van zijn onderwijzer gekregen heeft zijn voor Piet wel het meest waardevolle geschenk. Hij ziet er gemeenlijk niet naar om, maar deze kaarten streelen zijn eigenwaarde.

„Nu komt nog delekkersteverrassing”, grapt Moeder in haar vreugderoes. Het maakt de kinderen gulzig. Ze vallen haast aan, op het groote stuk taart, dat de ledige boterhammetjes, tot een koningsmaal verhoogt. „Zie toch eerst eens hoe leuk”, zegt Moeder argeloos en nadat Piet het opschrift van de taart gelezen heeft—Aan den jarigen zoon van mijn Dokter, uit dankbaarheid, Bakker N., in sierlijke suikerletters als gecalligrapheerd op het plateau—is hij doodsbleek en roept gekrenkt uit:

„Maarikhad ze zelf mogen deelen, de taart is van mij!”

Moeder, uit het veld geslagen, verweert zich (zeer onhandig) met „vanjouis niets,ikheb over alles te beschikken.”

Piet loopt weg met tranen in de oogen, nog driftig uitstootende „ik wil niets van de taart eten!”

Hij spoedt zich naar zijn kamertje.

Moeder, wij allen, zijn ontdaan.

—Toen Vader vanmorgen bij een zijner patiënten binnenkwam, liep het jarige kind met een feeststrik op den schouder rond. Het ventje was pas hersteld van een ernstige ziekte. Hé, vertelt de dokter, mijn oudste jongen viert vandaag ook zijn geboortedag. De Vader van het patiëntje grijpt blijde de gelegenheid aan om zijn dokter te verrassen.—

„Ga jij eens met hem spreken. Je kunt hem wel kalmeeren”, stelt Moeder me voor.

„Nu liever niet! Met een opgewonden kind is niet te praten. Hij kan best een maaltje overslaan. Piet gaat stellig op tijd naar school. Daar zal hij kalm worden. Ik zal hem vanmiddag aan de deur opwachten.”

„Dag tante”, zegt Piet gemaakt vroolijk, als hij 's middags uit school komt. „Is er al bezoek in de huiskamer?”

„De tantes zijn er en Mevr. X.”...... Hij aarzelt......

„Je kunt het toch wel zacht tot Moeder zeggen, dat het vanzelf sprak, dat zij de taart zou verdeelen. Dat ishaartaak!” Wanneer ik als huisgenoote een taart krijg, zou ik ze immers ook door Moeder laten deelen.

„Maar hij is tòch van mij”, streeft hij tegen.

„Nu ja... krijg jij een geschenk van iemand die je heelemaal niet kent?... Waarvoor is bakker N. je zoo dankbaar?... het was een attentie aan Vader bewezen, het gezin ter eere van je verjaardag te tracteeren, dat voel je nu wel. Zoo vatte Moeder het op.”

Als uit een droom ontwaakt, kijkt Piet me met opengesperde oogen verhelderd aan.

„Maar Moeder zei dan toch, dat zij altijd over alles beschikken mocht en ik nooit zelf iets mocht bezitten.”

„Je deedt Moeder onrecht en daarnaar antwoordde ze. Heb je ooit ervaren, dat Moeder iets van je weggenomen heeft! Je moogt de chocolade, die je krijgt, toch altijd zelf deelen. Heeft Moeder ooit zonder je toestemming een ander kind met je speelgoed laten spelen?”

Verruimd vliegt Piet naar Moeder en maakt het voorgevallene op zijn eigen innemende wijze bij haar goed.

Het was treffend, 's middags aan tafel, terwijl hij het bijzondere portie taart zat te smullen, Piet te hooren uitroepen: „Lekker Moes!”... „dank U vriendelijk!”... „fijn Moes!”...

Allen waren heel tevreden en opgewekt. Moeder, Vader, Piet, de zusjes en broertjes en... ik niet het minst.

Geen lange redeneeringen, waarbij het kind altijd wel iets vindt, om zijn inzicht te verdedigen. Met het korte woord, dat aansluit aan zijn innerlijke ervaring heb ik altijd mijn opvoedelingen tot een juist inzicht weten te brengen. Dat woord moet slechts aangebracht worden wanneer het kind kalm is.

Naschrift. De geachte inzendster schrijft mij hierbij nog het volgende: „Ik heb het geval als „beschreven” behandeld. Daarna debatteerden we er nog met velen over, w.o. medici en juristen. De moraal verlangt natuurlijk, dat we aan de waarheid niets toevoegen of veranderen om voor haar te getuigen. Wat ik tot het kind zeg omtrent den bezitter van de taart is wel juist, maarjuridischis de taart zeker van het kind. In dat geval had Moeder wel kunnen wachtentot het kind thuis is en dan zeggen: „Nu, je vindt het zeker wel goed, dat ik ze verdeel” of zoo iets. Bij mijn redeneering tot het kind laat ik weg, dat de taart van hem is. Ik zeg wel: „nu ja...” waarmede ik bedoel: „de taart is wel van jou, maar eigenlijk van Vader”. Is mijn redeneering, die hier succes had, uit een paedagogisch-moraal oogpunt juist?” En dan vraagt zij mij, hoe ik er over denk en wat ik c.q. zou gezegd hebben.

Mijn antwoord is: als ik iets op dit verhaaltje aan te merken heb, dan is het zeker niet op de redeneering, waarmede Piet overwonnen werd. Want die acht ik volkomen juist. Eerder zou ik twijfel kunnen koesteren of Piet's gedrag wel volkomen historisch juist is voorgesteld. Want een zoo sterkjuridischbegrip van eigendom is bij kinderen zeldzaam. Zij hebben weleen zekerbegrip van eigendom, maar juridisch getint is het niet. Het is veel naiever, veel ruimer, hoe zal ik zeggen? veel vloeiender. Ook al gebruiken zij, bij gebrek aan andere, daarvoor dezelfde woorden, die wij voor den juridischen eigendom gebruiken. „Dat hoort van mij” beteekent in hun mond zoo iets als: „daarop heb ik een bijzondere betrekking, meer dan iemand anders. Daarover heb ik dus ook meer te zeggen dan iemand anders.” Wanneer er op een verjaardag een taart op tafel komt, dan gevoelt de jarige al heel licht daarop zulk een bijzondere betrekking, ook al staat er geen opdracht aan hem op. Een betrekking van juridischen eigendom is dat echter niet; mogelijk evenwel, dat het feit, dat er een opdracht op staat, er een ietwat meer juridischen tint aangeeft, vooral bij een kind, dat daarvoor aanleg en temperament heeft. Maar, de hoofdzaak is toch altijd, dat de taart in nauwere betrekking staat tot hem dan tot één van de anderen. Aan dat gevoel zal in de meeste gevallen voldaan zijn, wanneer bij de verdeeling de jarige het eerste stuk krijgt, wat geloofik iedereen van zelf zal doen, zoo natuurlijk is het. Voor zelf-uitdeelen komt een taart uit den aard der zaak niet in aanmerking. Dat is goed voor een doos flikjes of confituren, die het kind op zijn verjaardag krijgt. Die is inderdaad „van hem” en daarvan deelt hij dan uit; dat is een deel—en als het goed is, niet het kleinste deel—van het genot, dat hij ervan heeft. Maar een taart in stukken deelen behoort niet tot de functies van een kind, en bovendien, wat belangrijker is: een taart isper sebestemd om te dienen als een tractatie voor de gansche familie. Dat weet ieder kind heel goed en daarom kan er ook geen sprake zijn van een juridisch eigendoms- en verdeelingsrecht over een taart, ook al staat er honderdmaal een opdracht op, en een kind, dat daarop aanspraak maakt, heeft m.i. ongelijk. In het onderhavige geval kwam er bij, dat de taart feitelijk een dankbetuiging was aan den vader, zooals dan ook zeer terecht Piet onder het oog wordt gebracht.

Dat alles neemt niet weg, dat Piet, in den bovenbedoelden zin, een zekere bijzondere betrekking had op de taart, enin zooverreis ongetwijfeld,—indien werkelijk (het verhaal is op dit punt niet overmatig duidelijk) de taart nog vóór dat die bijzondere betrekking tot haar recht was gekomen, reeds door moeder was in stukken gedeeld—een inbreuk gemaakt op het kinderlijk gevoel. Niet echter op het eigendomsgevoel (ook al gebruikte Piet zulke uitdrukkingen) maar op het gevoel, dat bij kinderen, gelijk Mej. Asscher ook weet, bijzonder sterk ontwikkeld is en altijd met verstand ontzien moet worden: het gevoel van recht en gerechtigheid.

Er is dan zeker een fout begaan, die verergerd werd door Moeders onhandig antwoord (als ook dit historisch is). Maar dat gaf Piet natuurlijk niet het recht om op te spelen. Nu hij het toch deed, moest hij terecht gebracht worden. Hoe? Wel, daarvoor zouik geen betere manier weten dan de hier geschilderde, die m. i. in de slotopmerking ook volkomen juist wordt gemotiveerd.

Vermicellitaartwas nu eenmaal een zwak van Prop en hij mocht er maar weinig van hebben, omdat de jongen te zwaar werd.

Vermicellitaartwas nu eenmaal een zwak van Prop en hij mocht er maar weinig van hebben, omdat de jongen te zwaar werd.

Waar de hartstocht spreekt, zwijgt het weinige verstand van het kind. Het handelt verkeerd.

Als regel is bij ons de provisiekast niet gesloten. We hebben betrouwbare dienstmeisjes, die reeds vele jaren bij ons in betrekking zijn. Nooit werd nog iets vermist.

Toen de vermicellitaart voor den tweeden middag op tafel kwam, vertoonde ze duidelijke sporen van sabotage. Moeder schrikte er van.

Prop's hevig protest, terwijl niemand hem beschuldigde, was voor allen een duidelijke aanwijzing, dat hij het delict gepleegd had. Met klem herhaalde hij steeds: „ikheb de taart sedert gisteren niet gezien!”

Daar we er kat noch hond op na houden, beslis ik, met den blik van verstandhouding, die gezinsleden onderling zoo goed verstaan, „Moeder, de muizen hebben stellig ervan gesnoept, gooi de taart maar weg”; en terwijl ik doe alsof ik de daad bij het woord wil voegen, grijpt Prop mijn arm en roept schreiend uit: „Ikben er aan geweest, en ik zal het nooit,nooitweer doen!”

—De begeerte naar de taart, had het schaamtegevoel verdrongen.—

„Ik zal de taart toch maar tot morgen wegzetten, nu heeft er zeker niemand lust in”, stelde ik voor, ten einde tijd te winnen om te overdenken, hoe Prop moest aangepakt worden.

We waren nauwelijks met ons beiden alleen of het jonge moedertje riep wanhopig uit: „maar die ontdekking is vreeselijk, Prop oneerlijk!”

„Ze is heelemaal niet vreeselijk”, stel ik gerust. „Prop is pas zes jaar. Hij heeft zich niet beheerscht. We zullen hem nog moeten leeren weerstand te bieden aan een dergelijke verzoeking. Zijn leugen was een gevolg van de vrees niets meer van de heerlijke taart te krijgen, als zijn vergrijp ontdekt werd. Dat bleek toen hij bekende.”

„Maarikheb als kind toch niet gesnoept”, jammert Moeder voort.

„Misschien herinner je je het niet meer.”

„O vast niet, ik werd er zelfs om geprezen.”

„Zie je wel, dat hetnietsnoepen bij een klein kind als bijzonder wordt aangemerkt.”

„Hij mag nu van de taart niets meer hebben.”

„Ik zou hem wel wat geven. Het kind heeft beterschap beloofd, laten we hem vertrouwen.”

„En dan voortaan alles angstvallig te moeten afsluiten.”

„Juist alles openlaten, als vroeger. Je taak is toch niet het kind het snoepen te beletten, maar hem er toe te brengen, het snoepen te laten. Ik geloof sterk in de macht van het vertrouwen. Door hem het vertrouwen te ontzeggen, vervalt hij van kwaad tot erger. Dat leert de ervaring.”

Ik kreeg het patiëntje in behandeling.

Eenige dagen later zitten we samen gemoedelijk zijn „Humpty Dumpty” te spelen.

Niet zoo gauw valt de domme August van zijn paard, of een clown rijdt er op weg.

„Hier”, beveelt Prop. „Ik zal je wel helpen”, troost Prop August en wipt hem meteen weêr op zijn eigendom, terwijl hij den dief in het zand doet tuimelen.

„Mag de clown ook niet eens rijden?”

„Ja-e, maar niet op August zijn paard!”

„Maar Pierre heeft er geen.”

„Dan moet hij Augustvragenof hij mag.”

Zijn overtuigd oordeel is zeer aanmoedigend voor mijn voorgenomen experiment.

„Wat hoest je”, merkt Prop op.

„Jammer, dat ik mijn witte dropjes heb vergeten mede te nemen”.—Prop versmaadt ze lang niet.—Ik aarzel... „Wil jij het doosje misschien voor me uit mijn kast halen? Zou je het kunnen? Maar breng vooral den sleutel weêr mede, en draag het doosje heel voorzichtig, dat de dropjes niet op den grond rollen. Je bent nu wel groot genoeg om zoo iets klaar te spelen.”

Met majestueuze langzaamheid, het sleutelbosje voor zich uit houdende, stapt hij weg.

„De kast is goed gesloten. Ik heb het doosje stevig dichtgedrukt en er nog een papier om heengedaan”, stelt Prop me gerust.

Als een slotvoogd aan zijn „Heer en Meester”, zoo plechtig overhandigt Prop me de sleutels weer. Wij blijven allen in Prop bijzonder vertrouwen stellen. Juist hem worden de gewichtige postjes opgedragen. Hij heeft zich sedert vier jaar niet vergrepen.

Prop zal later, even als zijn Moeder, kunnen uitroepen: „Men heeft mij er zelfs om geprezen!”

Desmiddags ging ik dikwijls een kleinen neef tegemoet, die bij den heer S. op de Reguliersgracht school ging. Een ander neefje, ruim zes jaar, hij zat in de tweede klas, vertrouwde zijn Moeder gewoonlijk toe aan een dienstmeisje. Het gebeurde wel dat dit meisje te laat kwam, dan holde Dirk maar vast naar buiten. Eens bemerkte ik bij mijn komst een heele opschudding dicht bij de school. Een vrouw uit het volk werd besprongen door een kleinen woesteling, die haar uit alle macht sloeg en schopte, tot leedvermaak van zijn vriendjes en de omstanders. Zij allen toch vonden dat het kind onrecht aangedaan werd. Zoodra Dirk mij in het oog kreeg, vloog hij op me af, klampte zich aan mijn rokken vast en brak in snikken uit. Daarop vertelde mij de vrouw, nog geheel overstuur, de oorzaak van zijn driftaanval.

Desmiddags ging ik dikwijls een kleinen neef tegemoet, die bij den heer S. op de Reguliersgracht school ging. Een ander neefje, ruim zes jaar, hij zat in de tweede klas, vertrouwde zijn Moeder gewoonlijk toe aan een dienstmeisje. Het gebeurde wel dat dit meisje te laat kwam, dan holde Dirk maar vast naar buiten. Eens bemerkte ik bij mijn komst een heele opschudding dicht bij de school. Een vrouw uit het volk werd besprongen door een kleinen woesteling, die haar uit alle macht sloeg en schopte, tot leedvermaak van zijn vriendjes en de omstanders. Zij allen toch vonden dat het kind onrecht aangedaan werd. Zoodra Dirk mij in het oog kreeg, vloog hij op me af, klampte zich aan mijn rokken vast en brak in snikken uit. Daarop vertelde mij de vrouw, nog geheel overstuur, de oorzaak van zijn driftaanval.

De arme Moeder, diep bewogen bij het ophalen van hare pas geleden groote smart, overtuigde me, werkelijk haar plicht gedaan te hebben.

Drie maanden geleden was haar eenig kind, een jongen in den leeftijd van Dirk, dood thuis gebracht. Spelende langs het smalle, blauwe randje van de kade, was hij in de gracht gegleden en jammerlijk verdronken. Bij het plotseling ontwaren van Dirks waaghalzerij, had ze in moederlijke opwelling, den jongen naar het midden van de kade gesleept en hem een klap gegeven.

Ik kalmeerde Dirk door hem te doen begrijpen, waaròm die vreemde vrouw hem aldus behandeld had. Hij voelde nu wel, dat het hier geen machtsmisbruikwas. Ik liet het kind de vrouw beloven, dat hij nooit meer op het kantje van de kade zou spelen.

Ook Dirk had niets misdaan.

Bestaat er één echte jongen, die niet telkens weer de moeilijkheden en het gevaar zoekt?

Het is zijn natuurlijke oefening in zelfvertrouwen, moed, zelfbeheersching, in zedelijke krachten.

Maarikwil er voor waken, dat hij de juiste grens niet overschrijdt, n' en déplaise Jan Ligthart, die het begaan van elke gekozen waaghalzerij, een onmisbare factor acht voor het winnen in willen en kunnen.

Ik raad u, uw kleine jongens niet toe te staan langs de leuning van de trappen naar beneden te glijden, waar de afgrond gaapt, langs de dakgoot te wandelen of op het randje van de kade te balanceeren.

Evenals ik onzen achtjarigen Jo, die met een stalen gezicht zijn lepeltje chinine slikt—terwijl hij tegen zijn zusjes er op snoeft, dat ze zoo lekker smaakt—belet, de geheele flesch te ledigen.

Hij beweerde het gaarne te willen.

Johnney, aardig ventje, met lange dikke, blonde krullen is meest in het artistieke fluweelen pakje gestoken, waarop de antieke kanten kraag. Hij wordt in de wandeling „de kleine Lord” genoemd. Daarbij zingt hij mooi. Zelfs exploiteerde men hem onlangs op een weldadigheidsmatinée en moest het kind, na het zingen van een sentimenteel liedje, een ommegang doen voor de uitgehongerde oorlogskinderen.

Johnney, aardig ventje, met lange dikke, blonde krullen is meest in het artistieke fluweelen pakje gestoken, waarop de antieke kanten kraag. Hij wordt in de wandeling „de kleine Lord” genoemd. Daarbij zingt hij mooi. Zelfs exploiteerde men hem onlangs op een weldadigheidsmatinée en moest het kind, na het zingen van een sentimenteel liedje, een ommegang doen voor de uitgehongerde oorlogskinderen.

Ik zou dat niet toegestaan hebben, maar het was mijn zaak niet. Wat wel mijn zaak was en er mede verband houdt, is het volgende.

Ik ben bij mijn neefje in Den Haag gelogeerd.

John weet, dat ik veel van muziek houd. En elken morgen ontplooit nu het nachtegaaltje, zonder éénige aankondiging, om half vijf, in mijn „nächste Nähe”, zijn stem. Meegesleept door zijn enthousiasme en in navolging van zijn groote zus, werpt hij zich op de meest vermetele modulaties, volgt de nieuwste en populairste liedjes, het zijn cadenzen om er den adem bij te verliezen. Opeens hoor ik de klanken dalen en in het diepst van zijn keel murmelen, als het stroomen van een beekje. Wat me hoop geeft op ons beider weer indommelen. Eilacie, even spoedig hoor ik zijn stem zich weer verheffen, meer en meer zwellen en ze is voor goed in mijn gehoorsfeer. Ze zingt opvolgend zacht, helder, schitterend, aandoenlijk, maar welk karakter ze ook weêrgeeft, de zang prikkelt me ondraaglijk na mijn vermoeiende dagreisjes. Daar moet ik een stokje voor steken, 't koste wat het wil.

Reeds aan het ontbijt stel ik zijn Moeder smeekendvoor: „Zou U misschien willen zorgen, dat John 's morgens wat later begint te zingen, om zeven uur is wel vroeg genoeg en......”

„Ik zou het niet durven”, valt ze me angstig in de rede, „hij is er zoo trotsch op. Dat zou juist iets voor jou zijn om het hem te vragen. Ik stel het elken dag uit.”

Na veel en ernstig nadenken zet ik 's avonds eer hij naar bed gaat, met mijn liefste accent in, als wijlen La Fontaine's vos: „John, wat zing je 's morgens toch beeldig mooi!”—zijn borstje zwelt.—„Maar John, ik ben elken morgen nog zoo moe. Begin wat later en zing dan wat langer, dan heb ik er meer aan.”

Hoogst beleedigd, verontwaardigd slingert hij me nasaal terug: „Maar Nicht, dan kùnt u nog niet uit logeeren gaan,ikzing 's morgens vroeg.”

Dat komt er van als je kleine jongens als volwassen menschen waardeert. Op hun talenten valt nog allerminst te rekenen. Meestal worden bij zulk een behandeling dergelijke kinderen in hun later leven teleurgesteld.

Willyzit met haar popje te spelen.

Willyzit met haar popje te spelen.

Tot mijn groote verbazing, doet het zachtaardige Moedertje niet anders dan haar kindje bestraffen. Maar popje is vandaag ook heel lastig.—Althans op de wijze zooals kinderen ook meestal lastig zijn, wanneer je het onmogelijke van ze verlangt.—Popje weigert haar dikke beentjes in de te nauwe kousjes te schieten, ze wil met haar te slappen lendenen absoluut niet rechtop blijven zitten, ze wil zelfs door een defect aan het mechaniek, niet meer „Mámá, Pápá” roepen, welke moeite Willy zich er ook voor geeft.

„Je bent een echte nare pop,” daarmede sluit Wil haar onwaardige séance en gooit vernederend haar telg in een hoek.

„Ja zeker, nu wil ik een poosje met Zusje spelen”, zeg ik. Ze zet zich lievig op mijn schoot.

„Oef! Weg! Je bent veel te zwaar”, vinnig ik en ik zet haar meteen op den grond.

„Dat kan ik toch niet helpen”, zegt ze pruilend.

„Maar Wil, Popje kon het ook niet helpen, dat haar beentjes te dik waren voor de kousjes, dat haar ruggetje niet sterk genoeg was, om zich recht op te houden enz. enz.”

„Nu doe ik nog liever met jou, dan jij met je eigen kindje deedt, want ik gooi je niet in een hoek!”

„O ja maar dat is nog al duidelijk,Ubent ooktante E.enikspeelde, ik wasjuf.”

„Ikheb Nicht Tina vanmorgen beloofd, dat je Lotje voorloopig elken Zaterdagmiddag komt halen om met haar te wandelen. Ze mag dan bij ons blijven eten.” „Goed Ma,” antwoordde ik uit de volheid van mijn hart.

„Ikheb Nicht Tina vanmorgen beloofd, dat je Lotje voorloopig elken Zaterdagmiddag komt halen om met haar te wandelen. Ze mag dan bij ons blijven eten.” „Goed Ma,” antwoordde ik uit de volheid van mijn hart.

Lotje was het oudste, kreupele dochtertje van Tina, Moeders petekind, dat in de week van haar geboorte ouderloos geworden was. Moeder had zich als jonge tante, ze was zelve toen nog maar dertien jaar, het lot van het weesje bijzonder aangetrokken.

Na haar huwelijk was Tina in Den Haag gaan wonen en twaalf jaar later kwam zij zich in Amsterdam vestigen.

Haar elfjarig dochtertje Lotje, een meisje van mijn leeftijd, was dus voor ons een vreemde.

„We krijgen morgen weer een nieuwertje in ons clubje, een achternichtje van me,” zoo kondigde ik Lotje 's middags bij mijn vriendinnetjes aan.

„Een leukerd?” vroeg bazige Ro dadelijk.

Eerst toen werd me de moeilijkheid bewust van mijn instemming met Moeders belofte.

Geprikkeld kaatste ik terug: „Ze is mank, maar ze wordt tòch lid.”

„Kan ze dan een verre wandeling doen? En meê krijgertje spelen en stuivertje wisselen?” Spelletjes die we gewoonlijk als halve wilden uitvoerden.

„Dan doen we eens wat kortere wandelingen. In Artis kan ze op een bank zitten terwijl wij om haar heen spelen. Dat is gezellig voor het kind.”

„O, voorhaar, maarikvind het suf door zulk een stumperd aan banden gelegd te worden. Hoeft ze danlid van een club te zijn?... Wat gaat jou dat vreemde kind aan?... Jemoethaar toch niet meênemen van je Ma?... Bespòttelijk!”

Ro's woorden wonden me steeds meer op.

Meer suggestibel dan een ander kind, begon ik nu toch ook wel iets onrechtvaardigs te vinden in Moeders eisch: een dergelijke opoffering voor een dartel kind.

Heel ontstemd ging ik naar huis, onderweg steeds nijdiger repeteerende: Ik heb Nicht beloofd...ikheb nicht beloofd...ikheb nicht beloofd... ZouMagaarne met Lotje wandelen?, vroeg ik me heftig af. Mijn opstand werd al wilder tegen Moeder's afspraak tot... ik bij het binnentreden van onze huiskamer plotseling door een gevoel van wijding werd bevangen.

De sabbathlichten brandden, de ceremonieën waren voorbereid en Moeder trad me in de met bloemen versierde feestkamer als Gods beeld van liefde en zachtheid tegemoet. Met een van blijde aandoening trillende stem, fluisterde ze me als een zoet geheimpje toe. „Jij moogt dit mooie naaikistje zelf aan Lotje brengen morgen, ze is geslaagd voor de industrieschool.”

Heerlijk! Die arme Nicht Tina heeft de hulp van de kinderen zoo noodig, nu haar man ziekelijk is.

Mijn opstand was overwonnen. Ik zou niet één woord van ontheiliging in die liefdevolle zaak, niet één woord van tegenspraak, niet één woord ter verdediging van eigen belang meer hebben kunnen te berde brengen, omdat... de gedachten er aan eenvoudig uit mijn hart verbannen waren. Na eenige malen bedekte spotzucht en onwil bij Ro tegenover de arme Lotje te hebben bemerkt, sloot ik als Presidente met algemeen goedvinden, Ro buiten ons clubje „Om der vriendschaps wille”. En sedert dien tijd nam ik het zachte Lotje in het slot van mijn Nachtgebed op:

„Dat wensch ik Ma, Pa, Aal, broer, de zusjes,Lotje...” en ik bleef mijn woord in daad getrouw. Het kreupele kind mocht nog meer in mijn liefde deelen, dan ze ooit zonder mijn vuurproef zou hebben gedaan.

We kunnen niet iedereen helpen. Maar wanneer het lot ons met misdeelden tezamen brengt en een wensch tot steunen in ons harte opwelt, mogen we niet versagen, welken tegenstand we ook te overwinnen hebben. Dat moet ook het kind leeren.

Waar het beeld der broederschap wordt verlevendigd als in Moeders gezin,zalhet kind nimmer versagen.

Elke Moeder wil haar kinderen die kracht bijbrengen.


Back to IndexNext