DE FASHIONABELE DINEUR.

[1]Fortuintje (volksuitdrukking).[2]Borreltjes.

[1]Fortuintje (volksuitdrukking).

[2]Borreltjes.

Voor den man, van wien ik in deze regelen het portret en de beschrijving wil leveren, weet ik inderdaad geen goeden Hollandschen naam.

„De fatsoenlijke eter”? Neen! dat drukt niet uit wat hij is.—„De deftige gast”? Evenmin!—„De tafelvriend van goeden huize”? Misschien zou die naam iets beter zijn, maar ’t is toch de rechte niet. Neen! er is bepaald in onze taal geen geheel geschikte uitdrukking om aan te toonen, wat ik met „den fashionabelen dineur” bedoel.

’t Is zonderling, maar het mengsel van Engelsch en Fransch schijnt noodig te zijn om met twee woorden den persoon te kenschetsen, dien ik op ’t oog heb; misschien ligt er wel het bewijs in, dat hij oorspronkelijk een „niet inheemsch” type is, maar—ik ben er zeker van—velen van hen, die dit schetsje lezen, zullen hem hier of daar hebben ontmoet.

Wellicht wisten zij vóór dezen niet, dat de hoogstfatsoenlijke gast, dien zij aan tafel ontmoeten, mijn model is geweest; misschien komen zij, na ’t lezen van dit opstel, tot de gevolgtrekking, dat de uiterst beleefde, spraakzame, beschaafde en bovenal vormelijke man, die hun over- of nabuur was, tot het gild der „dineurs” behoorde.

Valt u dus voor hem een goede kernachtige naam in, geachte lezer,—ik houd mij aanbevolen om dien over te nemen.

De fashionabele dineur is meestal een man op zekeren leeftijd, ongehuwd en van goede, dikwijls van aristocratische familie; ik heb er zelf een gekend, die rechtstreeks van een oud Provinciaal regeeringsgeslacht afstamde en nooit verzuimde om die familiebetrekking, in den loop van zijn gesprek, op even handige als kiesche manier, een oogenblik te laten doorschemeren.

Hij had bepaald een zeker talent om op die afstamming te wijzen, zonder dat het den argeloozen toehoorder opviel hoe hij het deed. Met een peinzende uitdrukking op zijn gelaat en een vriendelijk glimlachje om zijn lippen, kon hij met zijn zacht brouwende stem tegen den een of ander, die hem geschikt voorkwam, zeggen, zoo natuurlijk mogelijk: „Hoe meer ik u aanzie, hoe meer ’t mij frappeert, dat u sprekend gelijkt op Jonker Van Daelen, den intiemsten vriend van mijn oom Baron Van Rompselaar. Of is u misschien inderdaad familie van de Van Daelens?—Niet? O! maar de gelijkenis is bepaald buitengewoon frappant, kolossaal!”

Een tweeden niet onhandigen „truc” gebruikte hij, wanneer er geen gelegenheid was om van de toevallige gelijkenis partij te trekken. ’t Is niet moeilijk om aan tafel het gesprek langzaam aan tusschen de soep en den pudding zoodanig te leiden, dat men eindelijk komt waar men wezen wil. Zoo wist hij het dikwijls, door verschillende wendingen, op liefdadige instellingen te brengen, en als hij ’t op de hoogte had, waar hij zijn moest, begon hij met een zeker pathos: „Liefdadige instellingen, Mevrouw?—Ik acht envereer ze; maar! .... mij hebben ze drie ton gekost.—U lacht? Neen! ’t isparôle d’honneur, de zuivere waarheid. Voor een jaar of twaalf was ik, of werd ik beschouwd als de eenige erfgenaam van Barones Van Bronkenhorst, geboren Freule Sprang van Schramade, de eenige zuster van mijn moeder. Zij was weduwe en kinderloos; ik was haar petekind.—Wat blijkt nu na haar dood? Ze heeft haar geheele vermogen aan liefdadige instellingen vermaakt, behalve een klein legaat aan mijn neef Jonkheer Van Brijnen,—notabene om daarvoor een hondenasyl te stichten! Ridicuul!—Ja, zij was altijd excentriek, hoogst excentriek.”

In de meeste gevallen zou de fashionabele dineur een Mr. voor zijn naam hebben gehad, wanneer hij niet met een onoverwinnelijke vrees en afschuw voor examens ware ter wereld gekomen, een vrees, die hij trots jaren van studie, niet kon overwinnen en die hem noodzaakte om vóór het „summa cum laude” afscheid van de universiteit te nemen. Familie en vrienden deden alles wat zij konden om hem te doen vergeten, dat hij nooit kon slagen in het vinden van een voor hem passende betrekking; ’t was ook zoo moeilijk, want hij kon en mocht, om zijn afstamming, niet maar ’t eerste ’t beste baantje aannemen.

Een huwelijk uit berekening mislukte hem evenzeer als een verbintenis, die hij uit zuivere genegenheid trachtte te sluiten, en daarom werd hij, bewust dat zelfs het pogen grootsch is in ’t worstelperk des huwelijks, als célibatair te oud om zich nogmaals aan Amors grillen te wagen. Misschien ook hielden andere redenen van meer ingrijpenden aard hem terug van Hymens boot; hij was immers lang „jongeheer” geweest en...... Niemand zou hebben kunnen of willen zeggen wàt hem terughield, maar iets of meerdere ietsen kunnen soms geldigebeletselen zijn om..... Neen! laten we niet verder vragen: de man is te fashionabel om zoo onbescheiden te zijn.

Niemand zal, wanneer hij een fashionabelen dineur voor ’t eerst ontmoet, in hem een man vermoeden, die met een verleden heeft te kampen gehad, om eindelijk op meer dan rijpen leeftijd door ’t onverbiddelijke noodlot te worden gedoemd, om, zooals men ’t wel eens vulgair uitdrukt, „zijn kostje hier en daar op te halen.”

Toch is het de waarheid: want rijk is hij nooit, behoeftig zelden, arm nog minder. Zijn vermogen staat eenvoudig niet in evenredige verhouding tot zijn eigen stand en afstamming, en evenmin past het bij de maatschappelijke stelling van hen, bij wie hij dineert.

Meestal bestaat hij van een kleine lijfrente, die hem door een of anderen aristocratischen oom of tante is nagelaten; in ’t adresboek komt hij daardoor onder de rubriek „particulieren” of „renteniers” voor. Zoodra ge hem ziet, zegt ge dadelijk: dat is een hoogst fatsoenlijk man, goed verzorgd in alle opzichten, wat kleeding en vormen betreft; en als ge hem hoort spreken, wordt ge aanstonds overtuigd, dat alles wat naar ’t ordinaire zweemt, hem volkomen vreemd is. In den loop van het gesprek, zal hij u voortdurend in verbazing brengen door den onmetelijken schat van gemeenplaatsen, die hem ten dienste staan. Hij vertelt u met een beminnelijk glimlachje, dat hij gestudeerd heeft, ten minste dat hij student is geweest; en met een zekeren weemoed fluistert hij u in, zoodra hij na een of ander familie-diner de pianino ziet openen, dat hij „au beau milieu de sa jeunesse” veel aan muziek heeft gedaan, maar dat, door alles wat hij ondervonden heeft, zijn stem niet meer is wat ze eenmaal was. Soms is die vertrouwelijke mededeeling een verkorte bede om hem totzingen(?) te verleiden.—Wee u, zoo ge u laat vangen!

„J’ai dit la romance”, vertelt hij aan een ieder, die ’t hooren wil; en wanneer hij dat zachte woordje: „dit” met een soort van zoetelijken glimlach over zijn min of meer gastronomisch ontwikkelde lippen, doet suizelen, herinnert hij u onwillekeurig aan den troubadour van voorheen, die aan de minnehoven, voor adellijke jonkvrouwen en burchtdames stem en speeltuig liet klinken.

„De romance moet nietgezongenworden”, beweert hij; „il faut la dire.” Wees voorzichtig, dat ge niet in den lach schiet, want hij zou ’t u hoogst kwalijk nemen, al zou het timbre van zijn stem u ook dadelijk „volkomen vergeving van zonden” verzekeren. Ge kunt u immers zonder gerechte vroolijkheid uit zijn Lucullisch ontwikkelden mond geen „Rêve parfum au frais murmure” voorstellen, evenmin als ge u verbeelden kunt, dat de opgepofte, korte handjes van den min of meer dikbuikigen heer, die u met diepen ernst van zijn talenten staat te vertellen, ooit citersnaar of pianotoetsen hebben gestreeld.

Natuurlijk houdt ge uit beleefdheid uw gelaat in bedwang; bovendien, de man is geen gewone bluffer of ophakker. Integendeel, hij is door en door fijn, fatsoenlijk en net; alle gewone ploertigheid is hem vreemd.

In zijn spreken, uiterlijk en manieren is en blijft hij „eengentleman” van top tot teen. Of niet nu en dan door de poriën van zijn volmaakt fashionabel omhulsel een klein reukje van bekrompenheid en bescheiden grootspraak heenwasemt, wil ik niet beslissen, maar in allen gevalle wordt dat toch belangrijk gewijzigd door den geur vanJockey-clubofNew-mown-hay-essence, die u uit zijn zakdoek tegenwaait, wanneer hij dien met voorname deftigheid even in de hand neemt, om daarmee voorzichtig zijn veelal iets te hoog voorhoofd af te betten, als hij, na de vermoeiendebezigheid van het dineeren, van tafel opstaande, u plechtig verzekert, dat hij „gecharmeerd is van uw alleraangenaamst gezelschap”.

Met tact weet hij des winters na ’t diner, zonder dat iemand hem ook maar in de verste verte van onbescheidenheid zou kunnen beschuldigen, het beste plaatsje aan den open haard te bezetten, en met echte virtuositeit kiest hij in een ondeelbaar oogenblik uit het kistjeRegalia-comme-il-faut, dat men hem aanbiedt, de beste sigaar. Terwijl hij zijn koffie „savoureert”, geniet hij „als kenner” die Havana, zonder te dampen als een stoomboot en daardoor een ander overlast aan te doen. Hij zou iemand „lastig zijn?” O, foei! dat is onmogelijk. Hij is—vraag het maar aan al de dames, die hij kent—de meest galante, de beleefdste en voorkomendste cavalier, die zonder onderscheid voor alle vrouwen—mits fatsoenlijke—een kleinen dienst overheeft, een dienstje soms zóó klein, dat een „gewoon heer” het niet zou durven bewijzen. Daardoor nemen de dames hem dan ook algemeen „en amitié”. Hij zegt het zelf en derhalve zal het wel waar zijn, want—jokken, neen! daarvoor is hij veel te fashionabel.

Komt het eens voor, dat hij een enkele maal van ’t een of ander een niet geheel juiste voorstelling geeft, dan doet hij dat alleen, omdat het volstrekt onvermijdelijk, noodzakelijk is om—„en amitié” te blijven; waar ’t doel goed is, wordt ook voor hem ’t middel spoedig heilig.

Eigenaardig is het, dat hij dit goede doel nooit uit ’t oog verliest bij families, waar hij zijn „vasten dag” heeft, en treffend is het om te aanschouwen, hoe hij op die „vaste dagen” prijs stelt. Ontvalt hem zoo’n steunpilaar van zijn bestaan, oogenblikkelijk ziet hij rond naar een plaatsvervanger. Gewoonlijk vindt hij dien, door zich bij vrienden van vrienden in te leiden met een: „Veroorlooft u mijMevrouw, dat ik u eens een visite kom maken? Ik ben zoo gecharmeerd van uw aangenaam gezelschap, dat....”

Meestal gelukt hem die manoeuvre, want ’t is voor veel familiën, die nogal eens diners geven, wel iets waard iemand „au besoin” te hebben: meestal toch doen de heeren opgeld.

Ook als „veertiende” komt de „dineur” niet zelden uitmuntend te stade; terwijl hij als „chapeau” voor dames van een zekeren leeftijd, die niet in de termen vallen om door de jongelui te worden begeleid, veel dienst kan doen, als de kruier te vroeg of in ’t geheel niet komt.

’t Is inderdaad een genot om hem te zien dineeren; want hoewel hij een lekkerbek is in den overtreffenden trap, een epicurist, die met ongeloofelijke juistheid op de punt van zijn tong den jaargang der wijnen weet te schatten en onfeilbaar vast elke afwijking in geur of smaak van een of ander gerecht ontdekt, is hij, zoodra hij in zijn hoedanigheid van „dineur” optreedt, volkomen optimistisch gestemd. Hij verzekert u met zooveel plechtige overtuiging, dat de ossenhaas „om te zuigen” is, dat ge waarlijk meent een trouweloosheid van uw gebit te ontdekken, als ge zelf met moeite die vezelachtige zelfstandigheid vermaalt.

Zoodra hij met een zekere, aandoenlijke beslistheid verkondigt, dat de doperwtjes „superber” en „délicaat” zijn, schaamt ge u, dat ge een oogenblik den moed hebt gehad er iets aangebrands aan te proeven.

Wanneer ge gevoel hebt voor de kunst van dineeren, gaat ge, bijna zonder het zelf te weten, hem navolgen in de meesterlijke wijze, waarop hij de punt van zijn servet in de holte tusschen adamsappel en halsboord steekt; hij doet dat zóó handig, zóó zorgvuldig en „chic”, dat geonmiddellijk beseft, hoe hoog de man staat als „Dineur”, hoe ver hij het heeft gebracht in de kunst van hoogst fatsoenlijk dineeren. Let op! hoe hij vork en mes hanteert; ’t is met volkomen meesterschap. Zie naar hem, als hij, tusschen duim en wijsvinger, zijn wijnkelk opneemt. Doet hij het niet juist alsof hij een bedauwd rozenblaadje aanvat? Geef u de moeite op te merken, hoe keurig hij zijn lepel in evenwicht houdt, en met hoeveel sierlijke zorgeloosheid hij met zijn stukje brood weet te spelen, als er niets gewichtigers voor hem te doen is. Aan ’t dessert zoekt hij zijn wederga in ’t ontkleeden van een Chinaasappel, waarvan hij de schil tot allerlei aardige doeleinden weet te gebruiken; niemand dan hij, ontdoet, met zooveel innige toewijding en snelheid, een sappige perzik van haar donzig huidje, maar ontegenzeggelijk is hij een phoenomeen, als ge ziet hoe hij noten ontleedt en bereidt in de perelende „Oeil de Perdrix”, die hem steevast een vriendelijken glimlach om de lippen toovert. In dat gewichtig oogenblik geeft hij gewoonlijk één of, als de champagne bijzonder goed is, twee „uien” van zijn répertoire ten beste. Uit beleefdheid en omdat hij toch waarachtig zoo’n „uitstekend nette vent” is, lachen enkele gasten die hem kennen om die anecdoten, al zijn ze ook even oud als zijn gewoonte om vóórdat hij begint te vertellen te zeggen: „Misschien kennen de heeren en dames deze aardigheid al, maar...”

Verlies hem geen seconde uit het oog, want ge kunt ontzaglijk veel van hem leeren; hij verstaat het „dineeren”, zooals niemand anders. Geen wonder: ’t is ook het eenige wat hij met voorliefde doet, het eenige waarmee hij zijn leven verslijt—neen! in stand houdt.

Zijn gesprekken aan tafel zijn ongetwijfeld voor den opmerkeruiterst leerrijk en belangwekkend, ten minste wanneer die opmerker te gelijk leeren wil, hoe men onder ’t eten zijn dame moet bezighouden. Opéra’s, concerten enz. bezoekt de fashionabele dineur, uit den aard van zijn beurs en vak, niet of hoogst zelden, maar toch weet hij er met tact over te babbelen; hij put zijn gunstig of ongunstig oordeel, zonder dat iemand het merkt, uit de kranten, die hij elken avond van a tot z leest, en zonder aarzelen geeft hij zijn meening te kennen over deze of gene zangeres of acteur, soms zelfs zóó apodictisch, dat men dadelijk begrijpt dat zijn geoefende voelhorens hem hebben medegedeeld, dat hij naast of over iemand zit, die er nog minder verstand van heeft dan hij zelf. Zijn onderhoud met anderen, regelt zich altijd naar de geaardheid en gezindheid van hem of haar, die het toeval naast hem plaatst. Mevrouw X, zijn tafelbuurtje, is streng orthodox; oogenblikkelijk dweept hij met dominé Heiler of vindt de preeken van den zendeling Indicus overheerlijk en dierbaar. Is de coquette, maar min of meer bekrompen en oppervlakkige juffrouw Y hem als dame toebedeeld, dan verbaast hij u door zijn kennis van „robes Présidente, coiffure à la Japonnaise” en „plissés en biais;” wanneer ge hem met haar hoort, praten, zoudt ge—indien ge hem niet als „medegast” kendet, oogenblikkelijk uw neus er onder willen verwedden, dat hij een dameskleedermaker is of een confectie-magazijn bestuurt. Doet hij—in veel gevallen gebruiken bijgeloovige families den braven man daarvoor—als veertiende gast dienst en plaatst het toeval hem niet naast een dame, maar naast een heer, dikwijls nog wel een heer, op wien ’t minder aankomt, dan is hij politicus, maar altijd occasie-politicus, dat wil zeggen: hij verkent eerst zorgvuldig zijn nevenman, en al naarmate deze behoudend, radicaal, liberaal of clericaal is, sympathiseert hij beurtelings met een dier richtingen;hij verandert als een kameleon van kleur, zoodra de omstandigheden het gebieden.

Over whisten, omberen en trekjes redeneert hij met grondige kennis en niet zonder recht, want hij speelt fijn, uiterst oplettend en meestal zóó gelukkig, dat hij minstens de fooi van meid of knecht verdient; ’t hoort ook geheel en al bij zijn vak, want bij veel families wordt ’s winters, na ’t diner een kaartje gelegd. Ligt zijn naamkaartje op het servet, naast het slabbetje van een der kleinen, dan is hij dadelijk een hartstochtelijk kindervriend; maar vindt hij het nevens dat der kinderlooze Mevrouw A, dan is hij het oogenblikkelijk volkomen met haar eens, dat kinderen heel aardig kunnen zijn, maar dat het toch oneindig veel beter is: er géén, dan zoo „plebeïsch veel” te hebben.

Alle richtingen, alle gezindheden, liefhebberijen, voorliefden en hekels zijn in hem vertegenwoordigd, en daarom vindt iedereen hem „een aangenaam welopgevoed mensch”, namelijk zoolang men hem aan eet- en speeltafel ontmoet.

Zoodra de tafel is opgeheven, kunt ge den man, dien ge nog slechts voor de helft hebt gezien en leeren kennen, geheel bestudeeren.

Met een glimlach van voldaanheid, overtuigd dat hij naar plicht en geweten, als een ridder zonder blaam of vrees, heeft gedaan wat zijn mond vond om te doen, kunt ge hem dan rond zien kijken met een blik, die beter dan woorden zegt: „Ik tart een ieder om mij te overtreffen.”

Beschouw hem nu eens goed. Zaagt ge ooit een beter pas gesneden en zorgvuldiger afgewerkten zwarten rok dan den zijnen? Namelijk als ’t groot diner is; bij meer huiselijke maaltijden verschijnt hij in een zwart lakensche sluitjas van goed fatsoen en voldoende qualiteit. Zijn overhemd is altijd onberispelijk wit en gesteven evenals zijn staande boord, en een beter gemaakte pantalon dan de zijne hebt ge nooit ontmoet.

Keurige manchetten kijken uit zijn mouwen en de gouden knoopen van circa 2 centimeters middellijn schitteren als kleine zonnen boven het sneeuwwit linnen, dat zijn goed verzorgde handen omvat.

’t Is een lust om zijn „au fainéant” of „au chinois” gegroeide en gesneden nagels te bekijken. Wit gebrabd aan den uitersten rand, gepolijst op de ronding en rozig getint aan den wortel, passen ze volkomen bij zijn dikke vleezige handjes, die door haar blanke reinheid, zoowel als door haar week, zacht uiterlijk zijn trots uitmaken. Ze bewijzen duidelijk, dat zij geen ander werk kunnen doen dan ’t onvermijdelijkste bij het toilet van haar meester of ’t allernoodigste aan de speeltafel. Nauwelijks kan men gelooven, dat zulke ronde, weeke, wasachtige vingers onschuldige pianinotoetsen zoo onbarmhartig kunnen martelen.

Wáár de „dineur” zich scheren laat, wordt zeker met opzet niet bekendgemaakt, want ongetwijfeld zou de barbier, die zulk een kunstwerk kan verrichten,al te veelte doen krijgen, immers met een loep zelfs is geen stoppeltje aan kin en wangen te ontdekken; en waren de aristocratisch gesneden bakkebaarden niet op ’s mans gelaat als tegenbewijs te zien, niemand zou willen gelooven, dat hij ooit aanleg had tot een baard.

Dat hij „rouge de théâtre” of „carmin des bayadères” gebruikt, is niet met grond aan te nemen, al schijnen zijn lieve bolle koontjes het u ook lachend toe te blozen. O! neen, hij heeft geen hulpmiddelen der kunst noodig, want de vriendelijke natuur goot dien dageraadschijn over de verhevenheden van zijn vleezig gelaat, zoodat de maanlichtachtige bleekheid der overige meer vlakke gedeelten evenals de kleine, maar helderblauwe oogen er grillig bij afsteken. Als het alpengloeien in den avondstond, spelen na het diner rozige tinten op de punt van zijn regelmatig gevormdenneus, en om de zinnelijk gesneden lippen van zijn meestal te grooten mond.

Als hij eet of lacht, ontwaart ge twee en dertig tanden, die door hun buitengewone regelmatigheid en witte kleur u een oogenblik in verlegenheid brengen, omdat ge niet weet of moeder natuur, dan wel een mannelijk tandheelkundig individu uw bewondering verdient. ’t Zwarte haar, dat hij eenmaal in overvloed bezat, is nu voor het grootste gedeelte ergens anders. Zijn voorhoofd is daardoor buitengewoon hoog; maar aan de slapen en soms ook bij den eersten halswervel is nog haar genoeg overgebleven om het bewijs te leveren, dat de goede man inderdaad met eere grijs wordt. Een paar volle zware, zwarte wenkbrauwen trachten intusschen het tegendeel te betoogen, tenzij de kapper, die de eer heeft hem te bedienen, uit de school wou klappen of de „teinture capillaire”, die hij verkoopt, wel overal met even goed gevolg aan te wenden is. Op zijn neus, en afwisselend op zijn vest ter hoogte van zijn fraaie horlogeketting, vertoont zich eenpince-nez, die er „gedistingeerd” uitziet; en wanneer ge den „fashionabelen dineur” over het mollige tapijt in de kamer langzaam en deftig ziet op en neer wandelen, blinken zijn verlakte schoenen, behoudens hier of daar een enkel spatje bovenop, u zoo nieuw en krakend tegen, dat ge onmiddellijk begrijpt, dat ze voor deze gelegenheid expresselijk vervaardigd of bewaard zijn en door gutta-percha overschoenen in plaats van door een rijtuig weldadig beschermd werden.

Ziehier dan het beeld van den „fashionabelen dineur” geschetst, wanneer hij in zijn kwaliteit als zoodanig optreedt. Hoe hij er uitziet en wat hij doet, zoodra zijn plichthem niet meer roept, zal ik trachten nog met korte woorden mee te deelen.

’t Is reeds lang morgen; bijna is het middag en de zon schijnt vriendelijk tusschen de franjes door van de neergelaten gordijnen, voor de vensters der voorkamer, zoodat op het min of meer verschoten vloerkleed enkele heldere plekken en strepen het patroon doen herleven. Een vrij goed, maar erg ouderwetsch en met hoezen voorzien ameublement dommelt in ’t gedempte licht, en slaperig, stijf, voornaam kijken eenige familieportretten uit hun grauwig gouden lijsten u na, als ge u langs een tafel—waarop eenige boeken liggen, die eertijds in prachtband werden gebonden—naar de achterkamer begeeft.

Ontbloot eerbiedig uw hoofd, want ge zijt in ’t heilige der heiligen! Ge hebt een drempel overschreden, waarover nog nooit een van de fashionabele kennissen en vrienden des „dineurs” den voet zette. Ge zijt er nu eenmaal, maak dus van de aangeboden gelegenheid gebruik, en zie rond. Nu is hij thuis, dat is te zeggen voor u—omdat ge onzichtbaar zijt; voor ieder ander sterveling is hij altijd „UIT.” Alleen op zijn verjaardag ontvangt hij eenige belangstellende vrienden en kennissen; dan zien de meubelen er versch gewreven uit en de voorname familieleden schijnen op hun portretten te glimlachen over de advokaten borrel, die hij—ge moet niet zeggen dat ik het u verklapt hebt—’s morgens zelf heeft gemaakt, „omdat hij dan zeker is dat er alles in komt.” Kom nu met mij mede, zachtjes? Hij slaapt misschien nog. Neen! het met groen saai omhangen ledikant herbergt hem dien we zoeken, niet meer. Over een kleerknaap hangt rustend de zwarte rok, dien gij onlangs zoo mooi vondt, en daaronder droomt het vest, verpoozend van de uitspanning des vorigen maaltijds. Netjes in tweeën gevouwen vleit zich de pantalon op denstoel er naast, tegen het onbesmette overhemd, dat met vermoeide slappe mouwen over de leuning bungelt, terwijl de manchetten bijna den grond raken en de gouden knoopen daaraan ondeugend fonkelen in een zonnestraaltje, dat onder de reet der deur doorsluipt.—Onwillekeurig ziet ge rond naar de eigenaar van de bottines, die zorgvuldig met een wit doekje bedekt, naast den stoel verscholen, zich, alleen door één van haar glimmende neusjes verraden hebben. Ge ontwaart hem niet. Hij staat ook niet voor de waschtafel, waarop tal van flesschjes en potjes met geheimzinnigen inhoud u allerlei onbescheiden vragen op de lippen brengen; ook voor den scheerspiegel op standaard is hij niet bezig; evenmin ontdekt ge hem zittend aan de kleine tafel, waarop hij boord en das met zijn horloge en den verderen inhoud van zijn zakken heeft neêrgelegd. Hij is nergens te vinden. Zou hij reeds weer bezig zijn met het uitoefenen van zijn...? Stil, laat hij uw vraag niet hooren: ge zoudt hem plotseling voor goed en geheel onzichtbaar maken.Houd u dood—doodstil en volg de kleine lichtschemering die u, uit een tot nog toe niet opgemerkte zijdeur, wenkt.

Hij is in het allerheiligste van het heilige der heiligen, en waant zich onbespied. In ’s hemelsnaam voorzichtig. Houd uw adem in, indien ge hem zien wilt, want, bemerkt hij uwe nadering ook maar bij instinct—als met een tooverslag zoudt ge hem geheel en al zien verdwijnen; en .. ’t is heusch de moeite waard om hem gade te slaan.

Stil dus! sluip, onhoorbaar zacht, nader. Ziet ge hem nu? Niet?—Wat ziet ge dan? Zeg ’t mij maar zachtjes, ik ben bescheiden, zoolang het noodig is.

Een man gehuld in een emeritus kamerjapon, die wanhopige pogingen doet om, behalve een beverschen borstrok met witbeenen knoopen en een dito onderbroek met loshangendebandjes, twee somber afhangende sokken te verbergen, omdat zij treurig over neergetrapte pantoffels zakken.

Een geelig witte nachtdas begrenst van onderen een slaperig gelaat, dat over ’t voorhoofd den met gaatjes gebreiden rand van een gruwelijk burgerlijke pluimmuts voelt streelen.

Maar dat is immers de man niet, dien wij zoeken? Ja zeker! hij is het wel, maar ge hebt hem nog niet anders dan „in zijn vak” ontmoet en in huisgewaad ziet iemand er, gemeenlijk, eenigszins anders uit dan in „gala.” Hij is pas opgestaan; ge kunt het hem niet kwalijk nemen, ’t diner bij de Verhovens duurde gisteren buitengewoon lang en deBourgognewas erg zwaar; hij drinkt ze gaarne, maar voelt er zich nooit „heel lekker” op den volgenden dag—’t kan echter niet anders, zijn vak brengt dergelijke kleine „misères” mede.

Houdt u nog een oogenblik bedaard en zie naar ’t geen hij doet.

Hij gaapt. Hemel! wat gaapt hij leelijk, lang en lui. Welk een minimum van tanden, en hoe waterig kijkt hij uit zijn oogen! Hij rekt zich uit, met de armen omhoog en gaapt nog eens. Wat doet hij nu? Hij kijkt naar een petroleumtoestel dat op het aanrecht—waarachtig! we zijn in een keukentje verzeild—staat. Hij draait de pitten wat op en ziet met alle aandacht naar het water dat hij warmt om zich te kunnen scheren....?

Neen! dat denkt ge maar. Kijk dan ook oplettender s. v. p.: hij heeft immers geen keteltje, maar een pannetje boven de vlam staan....

Wat zou daarin zijn? Wellicht het een of andere chemische preparaat; wie weet! misschien is de „fashionabledineur” een verkapt alchimist die, in zijn vrijen tijd, naar „’t levens Elixir” of naar „den steen der wijzen” zoekt.

St! ziet ge hem nu naar dien donkeren hoek vankeukentje sluipen? ’t Is alsof hij vreest dat men hem hooren zal, zoo zachtjes loopt hij. Ha! dáár bewaart hij zijn ingrédiënten, dáár in dat geheime kastje in den muur. Laten we nu goed toekijken, misschien komen we er achter, hoe hij goud maakt. Hebt ge opgemerkt, dat hij een zwart geheimzinnig uitziend fleschje in de eene hand heeft genomen? Ziet geweldat hij in de andere een blikken busjehoudt?

Hoe jammer! daar draait hij zich om en staat met den rug naar ons toe; nu kunnen we niet zien welke bestanddeelen hij in ’t pannetje werpt.—Ga een eindje met mij achter uit. ’t Mocht eens gevaarlijk goed zijn, dat ontploft en uw gelaat zengt, en.....

Groote Goden! hij neemt een lepel, steekt dien in ’t pannetje en .... heusch! hij proeft van—de hemel mag weten, wàt—hij kookt.

Onnoozele, begrijpt ge nu nog niet, wat ge daar ziet?

Och ’t is zoo doodeenvoudig. Kijk maar eens even op den scheurkalender in de voorkamer.

Nu, welken datum?

Acht en twintig Maart!

Juist, ’t is in ’t laatst van de maand: dan houdt hij om geldige redenen niet van restauratie oftable d’hôteen—toevallig heeft hij heden geen uitnoodigingen.

O!.....

Vat ge ’t nu?

Ik geloof het wel, arme fashionabele man!

’t Is voor een eerzaam kruidenier, die min of meer pokdalig, weduwnaar en kippig is en een drukke zaak heeft, bepaald een ongeluk, wanneer hij een mooie dochter bezit, die jolig en goedlachsch, niet besluiten kan om als een hofjesjuffrouw achter de neteldoeksche schuifgordijntjes van een sombere binnenkamer te blijven kniezen, maar nu en dan zich verstout, met dezen of genen winkelklant een praatje te houden, of in den deurpost staande, naar ’t vroolijke zonnetje en de voorbijgangers te kijken.

Laat ik u daar eens iets van vertellen, tot nut en leering van alle brave kruideniers, alle ondeugende jongelui en aardige meiskens.

Op den Nieuwendijk woonde sedert jaren een zekere Bommers, die een ouderwetschen kruidenierswinkel hield en jaar in jaar uit, met een vettig glimmend lustren jasje aan en een dito petje op ’t hoofd, achter zijn toonbank stond, om naast een winkelknecht, die er even oudbakken en kleverig uitzag als hijzelf, koffie, krenten, suiker en andere zoetigheid af te wegen, of petroleum, stroop en patentolie te verkoopen.

Bommers was niet alleen kruidenier, maar tevens vaderen wel van een Jetje, dat in de buurt, om haar frisch blozend gelaat, lachende blauwe oogen en kastanjebruin haar als „mooi Jetje” bekend, door de jongelui, die in de nabijheid woonden, meer bijzonder „’t lachebekje” werd genoemd, omdat ze zoo’n vriendelijk rood mondje had, dat met twee schalksche kuiltjes in haar donzige wangen zoo aardig en prettig lachte, als deze of gene klant,generis masculini, met haar een grapje maakte, als zij toevallig in vaders winkel stond of op de stoep een luchtje schepte.

Behalve vijgen, sukade, rozijnen en andere versnaperingen, verkocht Bommers ook sigaren, die, hoe gevaarlijk groenachtig geel en gespikkeld ze er ook uitzagen, eensklaps bij de omwonende jongelui bijzonder in trek kwamen, zóó zelfs dat Jan de winkelknecht er zich over verwonderde en grinnikend aan zijn meester durfde zeggen: „Ik geloof, dat die spreeuwen”—Jans geliefkoosde benaming voor despes patriae—„een stuk leer in d’r mond hebben in plaats van ’n tong; want als ze die bokkies lekker vinden, dan....” Jan liet den volzin onvoltooid en ’t was misschien maar gelukkig. Als eenig antwoord meesmuilde de patroon, zette den handel in sigaren met kracht door, en bracht meteen den prijs der „bokkies” van zes op vier voor een dubbeltje. „Je moet maar zeggen, dat ze opgeslagen zijn, hoor Jan! Ze nemen ze toch”, zei hij op zekeren dag. Jan pruttelde in zich zelf: „Smakelijk rooken!” en hij dacht er bij: „Als Jetje in den winkel is, kan ik ze voor drie centen evengoed verkoopen.” ’t Was geen onlogische Jan!

Vlak tegenover Bommers’ winkel, woonde op een kamer van de eerste verdieping Herman Stam, een jolig medisch student, die, wanneer hij niet studeerde, zijn beenen enpantoffels op de vensterbank voor ’t publiek ten toon stelde, of zijn vroolijk, open gelaat naar buiten stak en deftig rookend uit een lange pijp, dikwijls vrij lang en vrijmoedig in den kruidenierswinkel tegenover hem tuurde. Waarom? Och! eenvoudig uit belangstelling om te zien of er veel klanten inliepen. Zóó beweerde hij ten minste tegen zijn hospita, die hem eenmaal had gevraagd: „Meheir! wat ziet uwee toch an dien ouwen kruideniersrommel? Ik heb al driemaal geklopt, maar uwee hoorde me niet, zóó was je an ’t kijken.” ’t Goede mensch had niet gezien, dat de jonge juffrouw Bommers juist op dat oogenblik in den kruidenierswinkel stond en wel in de geopende deur, van waar zij, ze kon het heusch niet helpen, Hermans bruine oogen en den dampenden kop van zijn gouwenaar kon zien. Zij vond, dat hij zoo gezellig en deftig rookte, en knikte—uit louter buurschap—hem toe.

’t Was opmerkelijk, dat sedert dien tijd de zware en lichte van de vier, die Bommers verkocht, bij Herman en eenigen van zijne vrienden, buitengewoon in trek begonnen te komen. Elken dag verschenen geregeld drie of vier van die vroolijke snaken in den winkel en vroegen ieder voor één dubbeltjePuantos Infamosvan de vier, zwaar of licht, naar dat ’t zoo uitkwam,—’t was hun om ’t even. De winkelknecht had reeds een paar malen bescheiden aangemerkt: „Ze heeten Upmann-sigaren, heeren!” Maar met het leukste gezicht van de wereld had Herman, namens zijn vrienden, geantwoord: „O zoo! heeten ze Upmann? Dank je voor de communicatie, ’t is wel mogelijk, maar wij kennen ze niet onder dien naam en zeggen dus kortheidshalve: „Puantos Infamos”.” Jan zweeg tegenover dit argument.

De oude Bommers zag wel is waar met genoegen, dat zijn debiet in sigaren iederen dag toenam, maar toch konhij zich niet ontveinzen, dat diePuantos-klanten ijselijk lang bleven praten, niet met hem, maar met zijn aardig levenslustig dochtertje, dat heel toevallig altijd in den winkel stond, als de jongelui kwamen, en tegen hen, maar in ’t bijzonder tegen Herman Stam, heel erg vriendelijk was.

Met schrik en een vaderlijke hartklopping—ook een kruidenier heeft een gevoelig hart—zag de oude Bommers, dat Herman soms tweemaal op één dag zich aan deInfamoste goed deed, en eens zelfs had Bommers, zonder dat de student het wist, gezien, dat de medische jongeling het oogenblik dat hij zich omdraaide, om uit den oliebak een paar kan patentolie af te meten, bliksemsnel waarnam om Jetjes middel te omvatten en een poging te doen om haar een kusje te ontstelen. Wel is waar had de roover, in plaats van een zoen, een fermen duw tegen den schouder gekregen, maar Jetje had daarbij zoo smakelijk gelachen en zoo glunder gekeken, dat vader het toch raadzaam oordeelde om na dien dag, zoodra de heeren studiosi in den winkel kwamen, zijn dochter met een: „Kind, ga jij ereis van den zolder wat touw voor me halen”, te verwijderen. Jan de winkelknecht grinnikte dan inwendig van plezier, maar vroeg te gelijk met ’t leukste gezicht van de wereld: „Opsteken, meneer?” en streek met kracht een ouderwetschen lucifer over ’t doosje, zoodat de phosphor knetterend ontvlamde en de zwavellucht den klanten in den neus kwam, een beleefdheid waardoor hij zich herhaaldelijk een: „Vade retro, Satanas!”—dat hij niet begreep—op den hals haalde.

Ten gevolge van deze niet onhandige vaderlijke manoeuvre van Bommers, nam het debiet derPuantos Infamosniet meer toe, want nadat ’t herhaaldelijk was gebleken dat Jetje, zoodra „de heeren” zich vertoonden, onzichtbaar werd, begonnen Herman en zijn vrienden allerlei aanmerkingente maken, en noemden met een zekere minachting, de heerlijkePuantos„bokkies”, een woord dat den winkelbediende een heimelijken glimlach ontlokte, als wilde hij zeggen: „Ge komt langzaam aan tot de jaren des onderscheids, vriendjes!”

’t Debiet verliep eindelijk totaal, en toen het laatste kistje was leegverkocht aan schippers en buitenlui, die ze „voor de acht” kregen, omdat het—zooals Bommers zei—een opruiming was, besloot de kruidenier den handel in sigaren voorgoed op te geven en zich voortaan alleen tot ’t Koloniale vak te bepalen.

Nauwelijks was de laatste derInfamosverdwalmd tusschen de lippen van een Marker visscher, die haar als toegift op een ons suiker en een half ons thee had aangenomen, of Jetjes aardig gezichtje kwam weer te voorschijn in den winkel.

Zonderling! een paar dagen later ontdekten Herman en zijn vrienden een plotselinge dagelijksche behoefte aan vijgen, rozijnen en amandelen.

Bommers had inwendig het land en behandelde de jongelui zoo stuursch mogelijk, maar zij bleven van hun kant uiterst beleefd en fatsoenlijk, informeerden altijd naar den staat van „meneers gezondheid”, prezen zijn goede waar en kochten elken dag à contant een zekere hoeveelheid vijgen of rozijnen.

Toen ten gevolge daarvan Jetje weer onzichtbaar werd, vroegen zij belangstellend, of de juffer soms ongesteld of grieperig was, terwijl Herman, als semi-arts, dadelijk een gratis behandeling aanbood. De kruidenier sloeg min of meer onheusch dit aanbod af en zei zelfs een woord, dat naar „zoetekauwen” of „snoepende jongens” zweemde. De studenten lachten vriendelijk, presenteerden hoffelijk het gekochte, eerst aan Jan en daarna aan den patroon,met de woorden: „Geneert jelui niet; proeft maar eens mee!” en kwamen den volgenden dag terug met de verzekering, dat ze nergens zulke puike, overheerlijke waar konden krijgen en dat ’t hun speet, dat Jetje zoo onzichtbaar bleef.

Om den handel in vijgen enz. evenals dien in sigaren, plotseling op te geven, ging evenmin aan, als om zijn levenslustig dochtertje voortdurend in de achterkamer opgesloten te houden, en daarom besloot de kruidenier voor het meisje bij een bloedverwant buiten de stad belet te vragen en haar uit logeeren te zenden.

Bommers was zoo dom niet als hij er wel uitzag en keek scherper dan men van zijn kippigheid zou hebben durven verwachten. Glimlachend, neen! grinnikend, zag hij op den middag dat hij Jetje uitliet, toen zij met Jan den knecht, die haar koffertje bracht, naar ’t station ging, hoe Herman Stam zijn krullebol uit ’t venster stak en met groote verwonderde oogen ’t meisje naziende, zuchtend uitriep: „Dag Jet—dag engel—goeie reis! Denk aan me!”

Hij zag wel, dat Jetje weer omkeek en vriendelijk knikte, maar dàt hinderde hem niet. Handenwrijvend ging hij weer achter zijn toonbank staan en meesmuilde: „Dat valt je tegen, hé knaapie!” En toen een oogenblik daarna een paar van de vijgen-habituésbinnenkwamen, woog hij buitengewoon ruim en zei vriendelijk: „Pas ontvangen, ’n versche zending, heeren,—echt Smirnaasch goed!”

Op Hermans kamer ging het den volgenden avond zeer levendig toe. Dikke rookwolken maakten het achttal jongelieden, dat er bijeen was, bijna onzichtbaar en deden de lamp walmen, zóó erg, dat ’t zelfs voor studentenlongen nauwlijks houdbaar werd in het niet al te groote vertrek.Als de stem van een Jupiter Tonans uit de wolken, klonk eindelijk die van Herman, boven het gelach en gepraat uit. „Kerels!” riep hij: „luistert nu eens een oogenblik en zet de deur wat open, want waarachtig de lamp gaat anders uit.”

’t Rumoer bedaarde en de nevel trok een weinig op. Toen vervolgde hij, op de tafel zittend en met een flesch, bij gebrek aan een presidentshamer, stilte gebiedend: „Mannen, broeders! wat moeten we met den snoodaard doen, die, als een krenterige, pokputtige Paris, mij mijn Helena,vulgoJetje, ontroofde?”

„Laat ’mPuantos Infamosrooken tot in eeuwigheid, dat ’s straf genoeg!” riep er een.

„Voer hem krenten, totdat er de dood op volgt!” schreeuwde een ander.

„Doe ’m hertrouwen, dat’s nog erger!” meende een derde.

„Vul hem met keukenstroop en vijgen en noem hem dan „zoetekauw”,” lachte een vijgenklant. Ieder gaf een andere manier van wraakneming aan en allen schetterden, schreeuwden en lachten dooreen, totdat het geraas zóó sterk werd, dat Herman met zijn flesch nogmaals stilte moest gebieden en met heftige stem, vol nadruk, sprak: „Mijne heeren! ik stel deze motie voor: Laten we kalm overleggen, hoe we op exemplaire wijze den aterling zullen straffen, die ’t pronkjuweel der schepping, Jetje, uit onze nabijheid durfde verbannen.—Ja! meneeren, de ellendeling kon de zon niet in het water zien schijnen; hij gedoogde niet, dat ik zijn spruit—de hemel weet, hoe hij zulk een lief dochtertje gekregen heeft—kuste. Een kus in eeren, mag niemand weren!—Toch heeft deze krenten- en vijgenploert zich verstout zulks te doen. De smaad, mij en mijncommilitonesaangedaan, eischt wraak,—niet waar, mijne heeren?—Wraak!”

„Wraak! Wraak!” klonk het in koor, begeleid door een gestamp en gestommel, zóó hevig, dat Hermans grijze hospita verschrikt naar boven en de kamer binnenkwam, terwijl ze vroeg: „Meheeren, breekt den boel asjeblieft niet af!”—Juist op dat oogenblik gilde een van de acht: „Zij zal gezoend worden, dat zweren we!”—een eedsaflegging, die de oude hospita met een: „’t Is zonde—wat zal me nou overkomen!” eerst de handen ineen deed slaan, om ze oogenblikkelijk daarna schaamachtig voor de oogen te brengen.

Deze maagdelijke beweging ontlokte aan een der wraaklustigen de vriendelijke woorden: „Vrees niets, eerzame, eenzame, deugdzame: wij zijn geen antiquaren.”

„We hebben wel de antieken lief, maar we kussen slechts moderne individuen,” riep een ander. En Herman voegde er bij:

„Van uw eerbiedwaardigen toer zal geen haar worden gekrenkt; ga heen in vrede.” En toen de juffrouw met een schouderophalend gesproken: „Jelui bent nog niet droog achter je ooren,” vertrokken was, vervolgde hij:

„Mannen broeders! zweert met mij, dat Jetje Bommers zal gezoend worden.”

„Dat zweren wij!” brulde ’t koor.

„Gezoend in tegenwoordigheid van den ouden krentenkooper!”

„Wij zweren!”

De vergadering ging over in geheime zitting.

Sedert ruim drie weken was in Bommers’ winkel geen enkele vijg of amandel, geen lood rozijnen zelfs, aan studenten verkocht geworden en met een glimlach van voldoening dacht de vader-kruidenier er over na, dat ’t in zijnwinkel nu veel stemmiger en rustiger toeging dan vroeger. Ook Jan de knecht had reeds eenige malen aangemerkt: „’t Is toch wel zoo plezierig achter de toonbank, nu die jonge spreeuwen hier den boel niet meer opscheppen; ze hadden ook altijd wat anders te reclameeren, dan over u, dan over mijn. Soms zeien ze met een vrindelijk gezicht: „Zeg, winkel-os! goed wegen, hoor je!” Dan weer vroegen ze beleefd: „Is jou kippige patroon waarachtig de heuschelijke vader van Jetje?” Ze namen eeuwig en altijd een loopje met uwe en mijn en toch waren ze altijd netjes; maar voor mijn part kan zoo’n klandizie wegblijven.” En in stilte dacht hij er bij: „De jongejuffrouw ook, want als zij terugkomt, zal ’t lieve leven wel weer van voren af aan beginnen.” Bommers zweeg, grinnikte, wreef zich de handen en—verkocht koloniale waren.

Aan alle aardsche zaken komt een einde, zoo ook aan Jetjes logeeren bij de tante buiten. Ze was bijna een maand lang van huis geweest en zou ’s avonds met den trein van 7.30 terugkomen. Voor de deur van den kruidenierswinkel stond een vigilante met een imperiaal er op en vader Bommers was juist gereed, om Jetje in eigen persoon van ’t station te gaan afhalen, toen een welgekleed jongmensch, met een gunstig, deftig, ja! bijna stemmig uiterlijk, zijn winkel binnentrad en beleefd vroeg:

„Heb ik ’t genoegen meneer Bommers te zien?”

„Om U te dienen.”

„U handelt in koloniale waren?”

„Natuurlijk!”

„Ooken-gros?”

„Zeker!”

„Kan ik U een oogenblik spreken?”

„Ja, hm!.... ik sta op ’t punt om uit te gaan.”

„’t Is een dringende zaak, meneer, een particuliere aangelegenheid, die geen uitstel duldt.”

„Hum! Hum! ik moet iemand van ’t spoor halen, maar..” Bommers keek op zijn horloge, „een paar minuten heb ik nog over. Wanneer u dus....”

„In ’n paar minuten? Neen, mijn waarde heer, dat gaat niet. ’t Spijt me, maar dan zal ik u niet langer ophouden. ’t Was anders een zaak geheel in uw eigen belang, waarover ik u wilde spreken; een spoedeischende zaak, die ik u alleen onder vier oogen kan toevertrouwen. Enfin! als ’t u onmogelijk is, dan....”

Het jongmensch zag er zóó bedaard en fatsoenlijk uit, sprak zóó kalm, overtuigend en met klem, dat Bommers te gelijk nieuwsgierig en verlegen werd.

Wat te doen?—Een oogenblik aarzelde hij nog, maar toen nam hij zijn hoed af, zette dien op de toonbank, krauwde even in ’t spaarzame grijze haar, dat zijn schedel versierde, mompelde: „’t Is meer dan hoog tijd,” en zei toen luid tot den winkelknecht: „Jan! ga jij dan maar met de vigilante naar ’t station en haal de jongejuffrouw; dan zal ik dezen heer te woord staan.” Bommers zag niet, hoe een fijn glimlachje van voldoening over ’t gelaat van zijn bezoeker vloog.

Jan trok haastig zijn jas aan, zette in vergissing den hoed van zijn patroon op en holde den winkel uit; onder ’t heengaan wierp hij nog een blik op den bezoeker en pruttelde in zich zelf: „’t Is me toch precies alsof ik dien snuiter al ereis meer heb gezien.”

Toen de knecht vertrokken was, vroeg Bommers: „Nu, meneer?”

Het jongmensch boog even en sprak uitermate beleefd: „Meneer! laat me in de eerste plaats u beleefdelijk dankzeggen voor de heusche,gentlemanlikemanier, waarop u mij behandelt; ik had nauwelijks durven hopen, dat u mij eenige oogenblikken van uw kostbaren tijd zou willen afstaan.”

De kruidenier zag zijn bezoeker min of meer verwonderd aan en mompelde iets als: „O! volstrekt niet, integendeel,” enz. Hij stond met zijn rug naar de straatdeur gekeerd en zag daardoor niet, dat eenige vroolijk lachende gezichten om het hoekje van de deur naar binnen keken, maar aanstonds weer verdwenen, zoodra hij zich slechts even bewoog. Hij zag evenmin, dat, terwijl de bezoeker verder sprak, door een hand een grooten ouderwetschen heerenhoed om ’t hoekje van de deur in den winkel werd gezet.

„Meneer Bommers,” zei ’t beleefde jongmensch, „ik ben hier gekomen om met u over ’t artikel stroop te spreken.”

„Over stroop?”

„Juist meneer, over stroop—s-t-r-o-o-p!”

„Maar had dat dan zoo’n haast, dat u...?”

„Oordeel zelf, meneer Bommers. Stroop is een artikel dat een toekomst heeft: primo omdat in iedere huishouding stroop wordt gebruikt: secundo omdat de geheele wereld stroop noodig heeft....”

„Maar meneer!”

„Wees zoo goed mij even te laten uitspreken. De wereld—dat wil zeggen de menschen—zijn allen vatbaar voor stroop; die ’t meest met den strooppot loopt, komt ’t snelst vooruit. Zegt niet de vanouds beroemde Judels in zijn onovertreffelijkechansonnetteS-t-r-o-o-p, dat ieder mensch, wanneer zijn eigenbelang het vordert, dit nuttige, zoete voedingsmiddel gebruikt? Judels was niet alleen een komiek, maar ook een philosoof.—O, mijnheer, wanneer u eerst, slechts begrijpen kunt, hoever men met stroopsmeren komt, dan zult u beseffen hoe....”

De oude Bommers was onder dit gesprek langzaam aan tot achter zijn toonbank teruggeweken; hij keek het jongmensch met groote oogen aan, als wilde hij zeggen: „Ik geloof, dat jij niet goed bent,” en toen de deftige jonkman verder ging met zijn beschouwingen over stroop, ’t nut en de aanwending daarvan in ’t maatschappelijk leven, zich daarbij in vuur redeneerde, herhaaldelijk heftig gesticuleerde en met de vlakke hand eenige malen op het blad der toonbank sloeg, werd Bommers angstig, want zulke taal was voor hem te machtig, en ’t zweet brak hem uit, toen hij zijn bezoeker hoorde zeggen: „Stroop, meneer Bommers, is de melk der samenleving, de quintessence der beschaving en de hefboom waarmee het sociaal evenwicht kan worden geregeld. S-t-r-o-o-p geeft in zes letters de oplossing van ’t moeielijk probleem: vrijheid, gelijkheid en broederschap.”

„Maar dat is een gek, een ongelukkige uit Meerenberg ontsnapt,” dacht de kruidenier, die eindelijk kans zag om in den woordenstroom, die hem dreigde te overstelpen, een dam te werpen door stotterend te vragen: „Maar meneer, wat beduidt nu dit alles?”

Weer wenkte een hand om ’t hoekje van de deur, maar de kruidenier zag het niet; ’t jongmensch wèl, en toen Bommers, zijn vraag kalmer herhalend, zei: „Wat wou u nu eigenlijk?” klonk het antwoord hem als een donderslag in de ooren: „Vijf pond beste stroop, als ’t u blieft!”

„Vijf pond str-o-o-p?—Waarin?”

„In dezen hoed, waarde heer.” Met een snelle wending had de jonkman den gereedstaanden hoed gegrepen en voor den verbaasden winkelier op de toonbank gezet.

„In dien h-oe-d?”

„Juist!—Maar den hoed eerst tarren asjeblieft! Ik wil mijn gewicht hebben,” en de klant zag hem dreigend aan.

Bommers’ oogen werden achter zijn bril zoo groot en rond als theeschoteltjes en, met een zekeren angst, zag hij zijn overbuur aan. Ja, in de oogen van dien klant schitterde een waanzinnige vonk: ’t was ongetwijfeld zóó, als hij reeds had gedacht,—een gek. Bliksemsnel vloog hem de gedachte door ’t hoofd: met zulke menschen moet men voorzichtig zijn en toegevend; daarom veranderde hij dadelijk zijn gelaatsuitdrukking en zei met zachte stem, als sprak hij tot een verwend knaapje:

„’n Aardig idee, meneer,—stroop in een hoed.”

„Ja, hé? En als je eerst eens wist, burger Bommers, waarom ik die in een hoed haal!”

Terwijl Bommers den hoed tarde en daarna langzaam de vijf pond stroop er in liet loopen, vervolgde zijn bezoeker, op eenigszins somberen toon:

„’t Is een drama, meneer!—neen! een tragédie.—Zal u goed wegen, vijf pond?”

„Ja! ja!—Kijk maar, ruim gewogen!” en de winkelier zette den hoed met stroop vlak voor zijn klant neer; deze nam het hoofddeksel met beide handen bij den rand op, rook er in en sprak toen op somberen toon verder: „’t Ruikt bijna als bloed!”—Bommers verschoot van kleur.—„Weet u wat de Nemesis is?—Niet?—O, neen! u is immers niet klassiek ontwikkeld.—Luister dus.—Een vriend van mij, een boezemvriend, is doodelijk beleedigd door een poen, een wanschapen vaderlijk wezen, dat Amor in ’t gezicht slaat en Venus haat.—O! meneer! dat eischt wraak! Wrr-a-a-k!”

Bommers kreeg ’t nog benauwder dan een oogenblik van te voren, want ’t jongmensch begon nu heusch te doen, alsof hij „stapel” was. Plotseling wierp hij een rijksdaalder op tafel, maar hield de hand er op en zei: „Daar ligt geld, meneer,—’t slijk der aarde”, en toen plotselingvriendelijk lachend: „Ik krijg ƒ1.50 terug asjeblieft.”

Bommers kon van achter de toonbank niet zien, dat de hand, die om ’t hoekje van de voordeur voortdurend wenken had gegeven, nu eensklaps zeer duidelijke en heftige bewegingen maakte. Hij wilde zich reeds bukken, om uit de winkellade een daalder kleingeld te nemen, toen zijn klant den rijksdaalder nogmaals vasthield en uitriep:

„Weet ge wat mijn wraak zal zijn, meneer? Den ellendeling, die mijn vriend heeft beleedigd en gehoond, zet ik dezen hoed op!”

Daar schoot de kruidenier plotseling in een lach; ’t denkbeeld, iemand met zoo’n hoed op te zien, was zelfs voor hem te comisch om er niet om te lachen, en giegelend riep hij:

„Origineel! heel origineel! Dat ’s een koopje voor wien ’t treft—hè! hè! hè! hè!”—Bommers lachte, dat hij schudde.

„Ja, edele vriend! dat is ’t zeker!” antwoordde ’t jongmensch; hij liet den rijksdaalder los, en Bommers, die kippig was en zich ongaarne met wisselen vergiste, bukte voorover naar de winkellade.

Juist op dat oogenblik vernam men op straat een luid gejoel en gedruisch: een open kales, waarin vier studenten waren gezeten, hield stil voor den kruidenierswinkel; een der studenten, die een reusachtigen bouquet in de hand hield, sprong nog voordat het rijtuig geheel stilstond er uit, en opende het portier van de vigilante, die met Jan op den bok en Jetje binnenin er achter reed.

Hoffelijk buigend hielp hij de schoone bij het uitstappen, en vol verwondering zag Bommers op,—om zijn dochter te zien.—Neen!—plotseling zakten vijf pond stroop hem door de haren en over de oogen en dreef een krachtige slag den ouden „kachelpijp” over zijn neus. De arme vaderzei juist: „Genadige hemel! daar is...” ’t Woord Jetje stierf reeds in den zoeten zondvloed, die hem overstelpte, maar toch kon hij nog verstaan, dat de zonderlinge bezoeker hem daemonisch lachend zijn eigen woorden teruggaf: „Origineel! heel origineel! Een koopje voor wien ’t treft!”

Er was niets aan te doen; Jan werd eenvoudig boven op de toonbank gezet en onschadelijk gemaakt. En Jetje? Zij werd—o! snoodheid—achtmaal in eer en deugd gezoend, onder de oogen .... neen! in tegenwoordigheid van haar vader, die, toen hij een half uur later na veel moeite, ontstroopt was, aanging als een razende Roeland en op die „vervloekelingen” schold, totdat Jan hem toevoegde: „Meheer, neem me niet kwalijk, maar je zag d’r toch effetief komiek uit!” Toen stortten de fiolen van zijn toorn zich eensklaps uit over den armen winkelknecht en eerst ’s avonds laat kwam hij tot kalmte en vond zijn winkeliers- neen! vaderlijken glimlach terug, omdat zijn dochter hem vertelde, dat zij buiten bij tante een vrijer had opgedaan, die heusch en echt van trouwen sprak en—niet met stroop liep.


Back to IndexNext