EEN MASSAGEKUUR.

[1]Vondel, Gijsbrecht.

[1]Vondel, Gijsbrecht.

Freiherr von Hattersdorff zu Wiesenbrückwas met een tamelijk goed pensioen en een aanmerkelijke hoeveelheid heupjicht uit den Pruissischen krijgsdienst getreden en logeerde met zijn corpulente „Frau Gemahlin” en zijn „Fräulein Tochter,” een spichtige, achtentwintigjarige, groezelige blondine, met de bevallige vormen eener asperge, sedert eenige weken te Wiesbaden, om daar, indien mogelijk, zooal niet genezing, dan toch verlichting voor zijn pijnlijke kwaal te vinden.

Iederen morgen om halfzeven kon men geregeld het drietal bij den „Kochbrunnen” vinden. Papa zette voortdurend een gezicht als een oorwurm en kneep de lippen opeen, waarover elke vijf minuten een „Himmeldonnerwetter” scheen te zullen rollen, indien hij ze opende onder den stoppeligen, grijzen knevel. Met de eene hand leunde hij op den omvangrijken arm van zijn geduldige gade en met de andere op een stok, die, minder onwillig dan zijn rechterheup, hem eenige verlichting en gemak bij het gaan bezorgde. Driemaal, vóórdat de klok in deKurhalleacht uren sloeg, opende hij zijn aan Rijnwijn en Beierschbier gewenden mond, om met echten heldenmoed een groot glas warm Kochbrunnenwasser te verzwelgen, echter niet zonder bij iedere teug de woorden: „Grässlich,” „Abscheulich” of „Verdammtes Zeug” te doen hooren.

Mama dronk eveneens van het zilte vocht, terwijl zij de zoete hoop koesterde om gedurende de badkuur van den Overste eenige kilo’s aan gewicht te verliezen; en „Fräulein Tochter” slurpte met een paar bleeke, spitse lipjes uit een glazen pijpje hetzelfde heilzame nat, omdat zij wel eens had gehoord, dat ’t Wiesbadener water dikker maakte en voordeelig op tint, bloedarmoede en huidvlekken werkte.

’t Scheen inderdaad, alsof het geneeskrachtige water gezegend werkte, want de oude krijgsheld begon eenige verlichting te bespeuren. Na ’t gebruik van een tiental warme baden en ongeveer zesmaal zooveel glazen bronwater, liep hij iets minder moeielijk en sleepte zich langzaam aan naar de beroemdetable-d’hôtein ’t HôtelDahlheim. Met een zucht van verlichting, nam hij plaats aan tafel en een glimlach van innig welgevallen verhelderde zijn gelaat, toen hij zijn min of meer rooden neus en grijzen knevel weer voelde doortrekken met de geuren van allerlei spijs en gebraad.

Op zijn kamers—hij woonde met de zijnen in een bescheiden „HôtelGarni”—leefde hij uiterst eenvoudig, maar toen het drietal de table d’hôte weer kon bezoeken, bewezen zij eenparig, dat zij voor meer uitgebreide diners ook iets voelden en voor de drie Mark, die zij per hoofd verteerden, het noodige wilden genieten, al was ’t dan ook maar om den hôtelier de eer te geven die hem toekwam.

Met onbegrijpelijke virtuositeit verwerkte, zoowel de asperge-achtige jonge dame, als de meer bolvormige mama, groote hoeveelheden gekookte en gebraden spijs. Papa, diewaarschijnlijk het geldelijke evenwicht voor den hôtelier wilde bewaren, at weinig maar dronk des te meer en verklaarde elken middag aan het dessert, als hij met glimmend voorhoofd en kleine oogjes, na de boter en kaas, het laatste teugje uit zijn glas dronk en zijn grijzen knevel met zijn servet afwischte, dat „der Wein famos,—das Wasser vom Kochbrunnen aber, unter der Kanone teufelmässig, niederträchtig gemeines Zeug” was.

Reeds op den eersten dag had de kolonel zijn aanvankelijke beterschap met een flesch Rijnwijn, gesteund door een flesch oudenBourgogneen geholpen door eenHochheimer-mousseux, waarvan Mama en dochter echter ook het hare kregen, begroet en nu ging hij voort met iederen dag die beterschap opnieuw te herdenken, afwisselend metNuits, Château la RoseofJohannisberger, die hem na ’t diner steeds een hoogere gelaatskleur, een slaapje en bij ’t ontwaken een knorrige luim bezorgden.

’t Duurde niet lang of de Ischias, die in den beginne voor ’t in- en uitwendige water de vlucht had willen nemen, kon de uitnoodiging van zijn vriendenBourgogneen Rijnwijn, om weerom te komen, niet weerstaan, en de Overste zat, na een dag of veertientable d’hôte, op een morgen in zijn kamer „als een blok” in zijn stoel en met zijn hand op de heup te kermen.

Een dag later brulde en tierde hij zóó geweldig, dat Mama uit medelijden tranen met tuiten huilde enFräulein Tochterhet op haar zenuwen kreeg, doordien zij de meer dan ordinaire soldatenvloeken van haar lieven papa niet langer kon aanhooren zonder zichzelve erg onfatsoenlijk te vinden.

„Himmelhöllenhund Sakrement!dat’s te erg.Schwefelelement!laat een dokter komen!” bulderde de Overste met een stem, als stond hij voor zijn bataillon.

„Maar welken dokter, lieve man?” vroeg sidderend mevrouw.

„’t Dondert niet! den eerste den besten,—maar niet zoo’n ouwen pruik, zoo’n lapzalver; ik moet er een van de nieuwe richting, een specialiteit heb...Au! Schwerenoth!’k word nog gek van de pijn. O,sakkrrrement!die satansche heup,” schreeuwde de Overste tot ergernis van zijn dochter, die met trillende lippen hem toevoegde:

„O! papa, u bezondigt je heusch!”

„Dat’s wel mogelijk!—maar ’t kan me niet schelen.Au! Himmeldonnerwetter!”

Mama schelde vol angst den kellner en verzocht hem den eersten den besten dokter te doen roepen.

Een paar passen verder in de straat dan het HôtelGarnistond op een koperen naamplaat aan den deurpost van een bescheiden woonhuis:

„Dr. Otto Druff, Special-Artz für Massage, etc.”

De kellner wipte met zijn servet over den arm de stoep van het hotel af, dien van den dokter op en stond een oogenblik later tegenover den medicus, een knap, vriendelijk man, met een gunstig uiterlijk, die hem op zijn vraag: „Dokter, of u dadelijk in ons Hôtel wil komen? Overstevon Hattersdorff zu Wiesenbrück, heeft zoo’n verschrikkelijken aanval van jicht, op No. 26,” onmiddellijk antwoordde:

„Zeker, zeer gaarne!” En toen hij vroeg: „Ik versta je immers goed: ’t is Overstevon Hattersdorff?” schitterde er plotseling iets in het oog van den dokter, dat men voor boosaardige vreugde had kunnen houden, indien men niet wist, dat medici gewoonlijk ver boven deze minder edele aandoening verheven zijn.

„Ik kom oogenblikkelijk; in tien minuten ben ik bij den Overste.”

„Uitstekend, Dokter!”

Een bescheiden tikje klonk op de deur van No. 26.

Twee dames, die eensklaps opsprongen, riepen te gelijk: „Binnen!”

Op den drempel verscheen de dokter en boog.

„O! U is zeker de dokter? Kom binnen, als ’t u blieft! O, mijn man heeft zoo verschrikkelijk naar u verlangd,” zei de zenuwachtige, dikke dame, en haar spruit voorstellend, voegde zij er bij: „Mijn dochterIldegard,—ook ’n beetje nerveus, want papa is inderdaad half razend en erg, heel erg ongemakkelijk door de pijn.”

De dokter boog even voor de spichtigeIldegard, die zeer voornaam een nijging maakte, en terwijl zij uit haar zeegroene oogen een schaamachtig onderzoekenden blik opDr. Otto Druffsloeg, zuchtte zij in stilte: „O! wat ’n lief mensch schijnt dat te zijn.”

„Mag ik u verzoeken, Dokter? Mijn man is in de slaapkamer.”

„Gaarne, Mevrouw!”

De Overste lag in schuinsche houding in een fauteuil en kermde, vloekte en raasde afwisselend.

„Herr Oberst!”

„Herr Doktor!”

Een paar minuten keek Aesculapius den kranken Mars oplettend aan. Toen hij hem goed had opgenomen en bekeken, flikkerde het vonkje boosaardigheid weer eenondeelbaaroogenblik in des dokters oogen en bewogen zijnlippen zich onmerkbaar tot een glimlach, terwijl hij met deelnemende stem vroeg:

„U lijdt zeker ontzaglijk veel, Overste?”

„O! om er helsch van te worden, Dokter!”

„Maar lieve man!”

„O foei, Papa!”

„Wees zoo goed eens even op te staan.”

„Opstaan?” De kolonel zag den dokter aan, als wilde hij zeggen: Man! ben je dol? en herhaalde: „Opstaan?—Onmogelijk!”

„’t Moet, Overste; anders kan ik niet oordeelen over den toestand van uw been en heupgewricht. Mag ik u dus verzoeken?” Kermend en klagend werkte de Overste zich langzaam met groote inspanning een eind omhoog, totdat hij met dikke angstdroppels op ’t voorhoofd, op één been balanceerend, met beide handen op den fauteuil leunend, den medicus smeekend aanzag.

De dokter greep snel den kranken voet, rukte dien met geweld naar beneden en bewoog daarna het been krachtig heen en weer, zoodat de Overste doodsbleek werd en bijna flauw van pijn, met een zacht kermend: „Jezus-Maria-Joseph”, in den stoel terugzonk.

Mevrouw was bij dit tafereel achter in een hoek van de kamer gaan staan, om haar tranen den vrijen loop te kunnen laten, en de dunneIldegardzweefde nader, ten einde papa’s kloppende slapen met watEau de Colognete wasschen. Medelijdend hield zij den zachtkreunenden lijder haar batisten zakdoekje onder den neus, totdat de dokter op bevelenden toon zei: „Komaan! kleed u nu maar eens uit.” Toen nam zij de vlucht, en terwijl zij beproefde te blozen, wierp zij een vernietigenden blik op den aesculaap, als wilde zij zeggen: „Zulk een woord in mijn bijzijn...? Foei, mijnheer, foei!”

Mama namIldegardsplaats in en hielp haar gemaal bij ’t ontkleeden zijner extremiteiten, totdat de dokter zei: „Zóó is ’t genoeg.—Ga nu eens voorover op uw bed liggen; dan zal ik u onderzoeken, Overste.”

Met zaakkundige hand bevoelde en betastte de medicus ’t been, ’t heupgewricht en den rug van den lijder en zei toen, langzaam en met klem:

„Overste, u kan geheel genezen, maar alleen op twee voorwaarden.”

„Zoo! En die zijn, Dokter?”

„1º. Totale onderwerping aan het diëet, dat ik u voorschrijven zal.”

„2º. Moed om een pijnlijke behandeling te ondergaan. U heeft toch moed?”

Een flauwe glimlach omspeelde de lippen van den krijgsman, toen hij antwoordde:

„Moed?—Ik ben soldaat, Dokter!—Maar aan pijn heb ik een verd.mden hekel. Moet ik soms geopereerd worden?—Ga je gang maar, Dokter; maar dan onder chloroform, asjeblieft.”

„O God—neen! niet snijden!” steunde mevrouw, doodsbleek wordend.

Uit de andere kamer klonk een klein gilletje; ’t sleutelplaatje viel plotseling neer voor ’t slot derporte-brisée, waardoor ten duidelijkste bleek, datIldegarduit de andere kamer door ’t sleutelgat de treurige groep had bekeken en alles had gehoord en verstaan.

„Snijden?” vroeg de dokter lachend. „Geen kwestie van, Mevrouw!—Wrijven, masseeren, volgens de methode van Dr.Mezgeruit Amsterdam; ik ben specialiteit in de massage;’t is het eenige middel, waardoor mijnheer uw echtgenoot kan herstellen.”

Een zucht van verlichting ontsnapte den krijgsman,terwijl hij nog steeds vooroverliggend, met zijn hoofd schuins op het kussen, in zijn baard bromde: „Anders niet? Maakt de kerel daar zoo’n drukte over?”—en luid voegde hij den dokter toe: „Dan maar dadelijk, Dokter; hoe eerder, hoe beter. Knijp dan maar!”

„Uitstekend, Overste; we kunnen dadelijk beginnen”. De dokter trok zijn jas uit, ontdeed zich van zijn vest, en toen Mevrouwvon Hattersdorffverschrikt vroeg: „Dokter, u gaat u toch niet uitkl...?” viel hij haar lachend in de rede met: „Pardon! ik maak ’t me alleen maar wat gemakkelijker; er is nog al kracht noodig voor zoo’n massage.”Druffknoopte zijn manchetten los, stroopte zijn hemdsmouwen op, toonde een paar buitengewoon zwaar gespierde armen en vroeg: „Heeft u ook een weinig zoete olie, Mevrouw? ’k Gebruik anderscold cream, maar de Overste ligt nu zoo goed in positie, dat ik....”

„O! Dokter, mijn dochter heeft toevalligcold creamop haar toilet.—Ildegard!geef decold creameens!”

Deporte-briséewerd zoover geopend, datIldegard, die nog voorzichtigheidshalve de eene hand voor haar kuische oogen hield, de andere met het potjecold creamer in, om het hoekje kon steken, terwijl zij fluisterde: „Hier, Mama!”

„Als ’t u blieft, Dokter!”

„Dank u!—Leg u nu een weinig op de linkerzijde, Overste. Wacht! ik zal u helpen; zoo!”

„Au!—Autsch!—O! Sakkerrrrr!”

„Kalm maar aan, Overste! Zoo—oo—oo! nog een eindje. Mooi! nu zijn we er; houd u nu maar rustig. Zoo—oo!”

„Wil ik ook liever weggaan, Dokter?”

„Neen, Mevrouw! Ik wilde gaarne, dat u hier bleef; er mag wel iemand bij zijn, om zoo noodig nog eens te kunnen helpen en dus....”

„Goed, Dokter; best!”

„Dat doet u geen pijn, niet waar, Overste?” vroeg Dr.Druff, terwijl hij met snelle bewegingen zijner rechterhand de heup, het dijbeen en de kuit van den lijder rijkelijk met cold cream inwreef.

„Integendeel, dat doet me goed; ’t is aangenaam. Als je zóó doorgaat, Dokter, dan....Au! Himmelhöllensakrement—Au!—Hou op!—Hou op! Neen, Dokter, zóó niet; in Godsnaam schei uit: ik word onwel!”—De Overste rilde over zijn geheele lichaam als een juffershondje, want de medicus had plotseling met een forschen greep, het zieke heupgewricht onder handen genomen en masseerde de pijnlijke plaatsen naar alle regelen der kunst.

„O, Dokter, dat is heusch niet om aan te zien; dat is een afschuwelijke marteling,” snikte mevrouw, toen zij zag, dat na een tiental minuten, waarin de lijder zich onder de hem masseerende handen kromde als een worm, dokterDruffzijn behandeling besloot met een allervervaarlijksten slag op het dikste gedeelte van des Oversten heup, zoodat de patiënt bijna opsprong en brulde: „Gottsdonnerwetter, dat is àl te erg!”

„’t Is voor vandaag gedaan,” zei doodbedaard de geneesheer, en wischte zich met den zakdoek een aantal druppels van voorhoofd en slapen.

„O, Goddank!” kreunde de zieke, en toen hij met behulp van mama weer zoover was aangekleed, datIldegard, zonder schaamrood te worden, haar papa kon zien, hielp de dokter hem in den fauteuil en zei gemoedelijk:

„Ziezoo, nu zit u goed.—Ja! Ja! ’t is geen aangename gewaarwording, Overste; maar ’t eind zal goed zijn.—En nu zullen wij eens over uw diëet praten.”

Met matte stem antwoordde deFreiherr:

„’k Ben doodaf!—O, God! die laatste slag! ’t was of ik sterven zou.—Maar ik geloof toch, dat uw behandelingde ware is; ’t is alsof ik nu al een weinigsoulagementgevoel!—En wat moet ik nu al zoo vermijden, Dokter?”

„Alles, Overste!”

„Alles?—Hongerlijden?”

„Dat zou u slecht bekomen,” glimlachte Dr.Druff. „Neen! zóó erg is ’t niet. U mag brood eten, zooveel u lust, maar—zonder boter; en water kan u drinkenad libitum. Wanneer u besluiten kan, dit strenge diëet gedurende veertien dagen vol te houden, geef ik u mijn woord van eer, dat u van hier gaat met den gezwinden pas en loopen kunt als een hert, terwijl uw geheele constitutie aanmerkelijk beter zal zijn.”

„Veertien dagen op water en brood,” zuchtte de kolonel, „dat is heel erg, Dokter!”

„Ischias is nog veel erger, Overste!”

„’t Is waar! In Godsnaam dan; ik wil die vervloekte pijn kwijt zijn; ’k zal doen wat u zegt.”

„U heeft groot gelijk, Overste; en u zult zien:finis coronat opus.”

„Blijf me met dat potjes-latijn van ’t lijf, Dokter! Dat versta ik niet.—Vrouwlief! geef me eens een glas Port; ik ben flauw geworden door die ranselpartij.”

„Port?—Water! bedoelt u,” zei de dokter en tot mevrouw, die de flesch met Portwijn reeds van het buffet genomen had, zich wendend, vervolgde hij: „Mevrouw! wanneer u wil, dat mijnheer uw echtgenoot geneest,moet—en hij drukte op dat woord—moetu zorgen, dat de Overste zijn diëet houdt. Gebruikt u zelf soms Port, of mejuffrouw uw dochter?”

„Neen, Dokter, nooit!”

„Permitteer me, dan zullen we voorzichtigheidshalve dit restje”—Dr.Druffnam de nog half volle flesch uit mevrouws handen en goot eensklaps den inhoud uit ’t vensterin den tuin—„verwijderen.—Adieu! Overste; tot morgen om tien uur; dan kom ik u verder behandelen.”

Stom van verbazing zag de Overste, die meer gewoon was te bevelen dan te gehoorzamen, den kort-aangebonden medicus na en pruttelde in zichzelven: „’n Kranige kerel, met een paar handen... Brrrr! en drommels kort aangebonden, maar dat mag ik wel. Ik geloof, dat zijn behandeling mij wel zal bevallen; maar die ééne slag was—hum!—zoo—hum! voor een officier zoo vernederend.”

Voordat Dr.Druffhet huis verliet, had hij nog een kort gesprek metIldegarden mevrouw, die hem tot op den corridor geleidden.

Op mevrouws vraag: „Dokter, wat dunkt u van mijn man?” schilderde hij met enkele woorden den toestand van den Overste zoo weinig rooskleurig, dat de dames, bleek van schrik en bezorgdheid, bij alles wat haar lief en dierbaar was verzekerden, dat zij er samen voor zouden zorgen, dat papa volstrekt geen anderen drank dan water, geen andere spijs dan brood, of droge beschuit, hem bij uitzondering als versnapering toegestaan, zou krijgen gedurende de eerste veertien dagen.

Geregeld elken dag, ’s morgens om tien uren verscheen de medicus in het hotel, waar de Overste logeerde en nu onder zijn handen de verschrikkelijkste martelingen uitstond, brulde en tierde als een bezetene, maar zich toch ieder maal na de massage inderdaad iets beter gevoelde en langzaam aan weer begon te loopen.

Hoeveel „Donnerwetters” en „Sakkrrrements” de oude krijgsheld in de wereld zond, is niet te bepalen, maar ze waren legio; vooral tegen het einde van iedere dagelijkschebehandeling ontsnapten die verwenschingen en uitroepen in grooten getale zijn gebaarden mond en herhaaldelijk verzekerde de Overste aan vrouw en dochter: „DieDruffis een wonder van knapheid, een kraan van een vent,—maar—een beul. En weet je waar ik eigenlijk het meest tegen opzie? Tegen dien laatsten, geweldigen slag, dien hij me na elke massage op mijn—hum!—op mijn—hum! geeft. ’t Is alsof de vent een os dollen wil! Die ééne vervloekte slag gaat me door merg en been.”

„Ja, manlief!” had Mevrouw geantwoord, „’t is verschrikkelijk—ik kan er ten minste niet meer naar zien; ’t is heusch, alsof Dr.Druffal zijn krachten nog eens extra te samen neemt om je die laatste...”

„Niet waar? Dus dat heb jij ook opgemerkt; ’t is dan ook alsof er een stuk ijzer op me neer komt.—Je begrijpt dat ik me die mishandeling nu laat welgevallen, omdat ikmoet, omdat ik aan dien Druff op genade of ongenade ben overgegeven en omdat de kerel me waarachtig iederen dag iets beter maakt, anders, als militair”; en de overste zette een gezicht, alsof hij de geheele medische faculteit in één grooten hap had willen verslinden—„anders zou ik bij hoog en bij laag—me zoo’n vernederende aanraking niet laten welgevallen.—Om den d—nder niet.”

„Foei! foei! papa, vloek toch zoo niet, dat’s niet fijn”, riepIldegardverbleekend.

„Neen! zoo’n slag op je—hum!—op je corpus, is fijn.—O! als ik er aan denk, dat ik daar, als een schooljongen, vóór dien vent leg en behandeld word, dan kookt mijn bloed, en...!”

„Maar manlief, wind je toch niet zoo op, de Dokter doet ’t toch uit bestwil, omdat ’t noodig is voor...”

„Noodig! noodig! daar, waar hij nu slaat, heb ik volstrekt geen pijn; in mijn heup zit het, nergens anders...”

„Och, papa! ’t is heusch verkeerd, dat u zoo aangaat.”

„Aangaan! Hoor me dat freuletje nu eens; ik geloof dat u wel anders piepen zou, jonge dame, wanneer de Dokter u zoo uit alle macht, dag in, dag uit, een slag op uw...”

„O, foei! papa, wat ’n ordinaire suppositie.”

Ildegardkeerde zich verontwaardigd om.

„Beste man! houd je kalm, je wordt anders weer erger. Wij zullen er samen eens met den Dokter over spreken—niet waar,Ildegard?”

„Spreekt u er liever alléén over, mama!”

„Nu, goed, dan zal ik ’t doen—ik durf wel.”

Een paar dagen later vroeg Mevrouwv. Hattersdorff, toen ze een oogenblik met Dr.Druffalleen was: „Dokter, is die laatste slag bepaald zoo onmisbaar? Mijn goede, beste man ziet daar zoo erg tegen op. Zou u hem dien niet kunnen schenken?”

Met het gewichtigste en ernstigste gelaat van de wereld verzekerde Dr.Druff: „Mevrouw! die hoort onvermijdelijk bij de kuur; ’t is wel onpleizierig voor den Overste, dàt geef ik gewonnen, maar ik kan er niets aan doen,” en, met kalme wreedheid diende hij, na elke behandeling, den Overste dien vervaarlijken klap toe.

OokIldegard, die beter was dan zij zich voordeed, had zich heimelijk papa’s lijden ter harte genomen en aan den ouden dokter, die een dame van haar kennis, in ’t zelfde hotel, onder behandeling had, gevraagd: „Dokter, ’t is misschien wel wat vreemd, dat ik als jong meisje me met dergelijke zaken bemoei,—maar och! mijn goede papawordter zoo door gedépraveerd weet u,—daarom wou ik u vragen: is dat altijd zoo, dat men bij een massagekuur den patiënt zoo’n verschrikkelijken slag op, hum—” zij durfde ’t eigenlijke woord niet goed zeggen en zei dus blozend: „op de heup toedient?”

Met eenige verwondering had de oude medicus geantwoord: „Neen, Freule, gewoonlijk niet. ’t Is wel zonderling, maar mijn collegaDruffis een door en door geleerd en kundig man en bovenal specialiteit in de massage. Hij weet volkomen wat hij doet en zal ’t dus bepaald noodig oordeelen voor ’t heil van uw papa.”

Derhalve troostten èn moeder èn dochter den gepijnigden Overste, door eenstemmig te verklaren, dat zij ’t volste vertrouwen in Dr.Druffhadden, en papa dus maar geduldig moest doorstaan, wat nuttig en noodig voor hem was.

Eindelijk na achttien dagen, vreeselijke dagen voorFreiherr von Hattersdorff, verklaarde de dokter, dat zijn patiënt volkomen genezen was; en inderdaad, de Ischias van den Overste behoorde tot het verledene. Hij liep, ofschoon nog wat zwak, als een kievit door de kamer en zag er uit als nieuwgeboren; zijn eertijds min of meer violette gelaatskleur was meer normaal geworden, zijn oogen stonden helder en de onwillige heup was nu een voorbeeld voor alle heupen.

„Overste!” zei Dr.Druffna den achttienden dag, „ik kom afscheid van u nemen: u heeft mijn behandeling niet meer noodig.—Is u tevreden?”

„Tevreden, beste Dokter? Tevreden? Neen, verrukt, dankbaar, innig dankbaar! Ik ben een ander mensch geworden; je hebt van een ouden kerel weer een jongen vent gemaakt.”

Met tranen in de oogen, drukte mevrouw hem de hand en zei: „O, Dokter! nooit! nooit zullen we u onze erkentelijkheid genoeg kunnen betuigen!”

Ildegard, die reeds gedurende achttien dagen de smeltendsteblikken uit haar zeegroene oogen op den knappen dokter had geslagen, fluisterde zachtkens:

„O! lieve Dokter, u is een wonderman, een ideaal van een dokter,” en zij zag hem daarbij zoo schaamachtig aan, als wilde zij zeggen: „Spreek met mama, Dr.Druff; voor u verzaak ik mijn ouden adel en word voor eeuwigFrau Doctorin....”

„Dus mijn behandeling is u per saldo toch niet tegengevallen, Overste,” zei met een fijn glimlachje de medicus, als antwoord op den stroom van dankbare woorden, die hem overstelpte.

„O, Dokter!” klonk het in trio.

„Dan heb ik verder hier niets meer te doen, dan u een aangenaam verblijf teWiesbaden, een goede thuisreis en voortdurende gezondheid te wenschen.”

„Hum! Hum!” zei de Overste en eenigszins verlegen voegde hij er bij: „Dokter, hum!.... Uw declaratie, zou u die liefst nog deze week willen zenden, want ik reis spoedig naar huis?”

„Mijn declaratie?” vroeg Dr.Druffen onwillekeurig keek hij glimlachend naarIldegard, die dadelijk probeerde of zij ook blozen kon.

„Ik weet wel, Dokter, dat wat u aan mij heeft gedaan eigenlijk niet met geld te honoreeren is, maar toch zou ik gaarne willen weten wat ik u schuldig ben....” antwoordde deFreiherr.

„Honorarium, Overste? Volstrekt niet.—U is mij niets schuldig.”

„Wa-a-at?”

„Wij zijn nu quitte, Overste.”

Mevrouw enIldegardzagen den dokter aan, als wilden zij zeggen: „De arme man is zeker door de inspanning van streek en niet wel bij ’t hoofd;” en papa vroeg met onvaste stem: „Quitte? Hoe—be-doelt u dat?”

„Zie mij eens goed aan, Overste. Herkent u mij niet?”

„U, Dokter?—’k Had vóór deze dagen nog nooit de eer....”

„Toch wel, Overste!—Herinner u maar eens. Mijn naam isOtto Druff; ik heb in ’70 als soldaat bij uw compagnie gestaan, toen u nog kapitein was. Ik was destijds—nu wil ik het wel bekennen—een nogal lastig recruut en vrij weerspannig. ’t Ging streng toe in den oorlogstijd, en daardoor heb ik eens, door uw vriendelijke bemiddeling, veertien dagen arrest gehad op water en brood en vijftien slagen op mijn—hum...”

„Alle donders!” riep de Overste, opspringend, „’t is waar; nu herinner ik mij: ’t was te Wezel, toen we de Fransche gevangenen surveilleerden.”

„Juist!—Ik had misschien wel wat minder verdiend voor mijn betrekkelijk klein vergrijp; maar ’t was oorlogstijd, en daarom heb ik, dat in aanmerking nemend, bij wijze van interest, u ook slechts vier dagen langer arrest en maar drie klappen meer gegeven.”

Schaterend liepen mevrouw enIldegardde kamer uit, en de verbaasde Overste riep, terwijl hij onwillekeurig zijn hand tegen ’t dikste gedeelte der heup wreef: „Himmelhöllenelement, Dokter! jij bent de kranigste kerel, dien ik ooit heb ontmoet! Je hebt gelijk: nu zijn we quitte!”

„Volkomen!—U hebt mij tot een goed soldaat gemaakt; ik maakte u op mijn beurt tot een gezond mensch. We hebben beiden hetzelfde middel en, naar ik geloof, met succes gebruikt.—Adieu! Overste,—sans rancune!”

Dr.Druffging vriendelijk groetend de deur uit.

„Bombenschwerenoth!” riep de Overste lachend, „wat een kranige vent! Maar”—en zijn gezicht vertrok zich pijnlijk—„’n beetje minder hard had hij toch wel kunnen slaan!”

’t Was in alle opzichten een model-huishouden, een paar menschen als voor elkander geschapen; niemand zou den moed hebben gehad dat te betwijfelen, zoodra hij slechts éénmaal het genoegen had te zien, hoe mijnheer en mevrouw Straling met elkander omgingen.

Zij was het liefste, blonde vrouwtje, dat ooit met een paar levendige helderblauwe oogen in de wereld had gekeken.

Niet te groot, niet te klein en goed van vormen, was zij van nature „sierlijk” in al haar bewegingen. Zonder dat zij het zelve wist, deed zij haar kleine voetjes bewonderen en trok zij de aandacht op haar blanke poezelige handjes, waarin talrijke kleine kuiltjes den aanleg tot een gezellig „embonpoint”—in de verre toekomst verrieden.

Wanneer zij lachte, fonkelde er iets guitigs in haar oogen onder de donkere, onberispelijk gevormde wenkbrauwen en bewogen zich de neusvleugels niet meer dan noodig was om haar zenuwachtig temperament te doen vermoeden, terwijl de paarlwitte tanden juist genoeg zichtbaar werden om schitterend af te steken tegen de frissche roode lippen, die ’t kleine mondje zoo verleidelijk maakten. Doorzichtig en blank vantint, werden haar gelaat en wangen, zwakker of hooger gekleurd, al naarmate de gemoedsbeweging haar frisch, gezond, jeugdig bloed langzamer of sneller deed stroomen. Soms kon zij bleek, doodsbleek zien, wanneer ’t een of ander haar plotseling hinderde of zenuwachtig maakte, maar zelfs die bleekheid stond haar goed; in één woord Marie was „een dotje van een wijfje,” zooals oom Harmsen de ex-zeekapitein telkens tegen Frits, haar man, beweerde.

Hij, Frits, kon volkomen aanspraak maken op den naam van „’n schoone kaerel” hem eveneens door oom Harmsen vereerd. Flink gebouwd, groot en gespierd van gestalte met een open gelaat, waaruit meer goedheid, dan wel bepaald hoogere ontwikkeling sprak, was hij een toonbeeld van levenslust en gezondheid. Zijn bruin krullend haar paste bij zijn frissche gelaatskleur en de goed verzorgde donkerblonde knevel met den spits, naar de mode geknipten baard gaven hem een mannelijk en te gelijk wat men noemt, een prettig voorkomen.

Wanneer zijn donkerbruine oogen met welgevallen op zijn lief vrouwtje rustten en zij glimlachend tot hem opzag, straalde er een innig warme gloed uit zijn blikken, en als hij dan haar beide kleine rose handjes in zijn groote rechterhand nam, terwijl hij met de linker er zachtjes, voorzichtig liefkoozend, overheen streek, kon men hem aanzien, dat hij Marie in den volsten zin des woords „vergoodde.”

„Jelui bent nog precies een paar geëngageerde lui: dat koekeloert en kirt me waarachtig als een paar duiven” zei oom Harmsen eens op een dag, dat hij de Stralings bezocht en ’t echtpaar met een breeden genoeglijken glimlach aanzag. Zijn gebruind en verweerd zeemansgelaat nameen buitengewoon zonderlinge uitdrukking aan, een uitdrukking half weemoedig, half comisch, toen hij er ernstig bijvoegde: „’k Heb van mijn Jans—God hebbe haar arme ziel—ook weerlichts veel gehouwen, zie je, maar zóó als jullie hebben wij ’t toch nooit beetgehad.”

Marie kon het heusch niet helpen, dat zij bij die wonderlijke ontboezeming van oom Harmsen de grootste moeite had om niet in lachen uit te barsten; met inspanning hield zij zich goed, maar Frits, die ooms eigenaardigheden langer en beter kende, sloeg, zooals men dat noemt, met den ouden goedhartigen, maar min of meer ruwen zeeman „op” en antwoordde lachend:

„Ja, maar tante Jans was ook zoo’n dot niet als mijn Marie. Was ze wel, oom?”

„Nou, dat ’s maar zooals je ’t nemen wilt, jongen,” zeide oom; „’t was een flinke driedekker, die goed onder tuig lag. Maar mooi? Neen dat was ze niet; daarentegen weergaasch bij de hand;—zie je, dat ’s nog wel zoo goed voor een zeemansvrouw.” En met een knipoogje, dat guitig moest heeten, maar dat op zijn gezicht vrij cynisch was, voegde hij er bij: „Ik hoefde niet bang te zijn voor kapers, vat je? Jans was vijf en dertig, toen we trouwden, en van zessen klaar, hoor! Maar als mijn wijf zoo’n eeuwig mooi poppetje was geweest als jou Marie.... He! Hola! nichtje draai ereis bij: waar ga je zoo op eens naar toe?—dan was ik nooit zoo gerust aan boord gegaan en... Neen, Marie! blijf maar gerust hier: ik ben alweer fatsoenlijk.”

„Oom, oom, ’t loopt er bepaald overheen,” zei Frits lachend en te gelijk wenkte hij Marie, die half lachend, half beschaamd de kamer wilde verlaten, om terug te komen.

„Wàt, wàt? ’t Is de waarheid, anders niet. Kom hier, nichtje Marie, geef me maar een hand; ik ben ’n beetjeruw, dat weet ik wel, maar ik meen ’t goed. En jij bent ook zoo bliksemsch mooi, zie je, dat alsikjou man was geweest, ik je geen maand of acht alleen had durven laten,—om den dood niet.”

„Maar, oom! foei wat ’n weinig flatteuse gedachten! Neen! laat mijn hand los; je bent akelig, hoor!” zei Marie, hem beknorrend.

„Gekheid! ik bedoel immers niet, dat ’t aan jou zou gelegen hebben, maar aan.... Och—sakkerloot—ik, ik... Enfin! Frits, jij begrijpt me wel, jongen!”

Oom Harmsen voelde onwillekeurig, dat hij toch niet bijzonder kiesch was geweest, en daarom stond hij op, liep een paar passen door de kamer heen en weer en trachtte het gesprek een andere wending te geven, door te zeggen: „Jelui woont hier toch als in Abrams schoot, hoor!—eeuwig netjes, alles even fijn en chic; je kunt wel zien: die ’t breed heeft, laat ’t breed hangen. ’t Is tegenwoordig ’n heel andere thee dan vroeger. Toen ik met m’n Jans onder zeil ging, was ik machtig blij, dat ’k een bovenhuis met drie kamers had,—een goeie kooi voor mij en m’n vrouw; een tafel met zes stoelen; bij de gratie Gods een canapé; een latafel en een chiffonnière voor de losse bagage; een pot en een pan,—en klaar was Kees!”

„Dat was dan toch erg primitief, oompje; we houden nú van meer comfort en....”

„Ben je er gelukkiger door? Waarachtig niet, ’t is allemaal gekheid; zooals ’n mensch went, zoo wil hij. De ouderwetsche lui hadden veel minder behoeften, en hun kinderen deden als vader en moeder: ze wisten niet beter of ’t hoorde zóó.—Ja! à propos nichtje Marie, dáár doe jelui niet aan, hé, aan kindertjes? Kijk me zoo’n paar flinke gezonde lui ereis aan, die zijn nu waarachtig al vier jaar getrouwd en hebben nog niemendal op stapel gezet; jeluimoest je schamen, en jij vooral m’n poppetje en.... Zeg, Frits! wat is dat nou? Wat mankeert je vrouw op eens?—Hum?—ik—heb toch niet... Hè?”

Met een niet benijdenswaardigen trek van schaapachtige verwondering, dubbel dwaas op zijn door de zon verbrand gelaat, zag oom Harmsen zijn nichtje na, dat terwijl hij sprak al bleeker en bleeker werd en zich plotseling omdraaiend de slaapkamerdeur insnelde, gevolgd door Frits, die, zonder zich om het verbaasde gezicht van den zeekapitein te bekommeren, de deur achter zich sloot en zijn vrouwtje, dat met haar zakdoek voor de oogen op de causeuse was neergevallen, zacht en sussend toesprak, terwijl hij haar schouders liefderijk omvatte: „Kom, Marie! wees niet dwaas; trek je zoo’n grof woord van oom Harmsen niet zoo aan. Kom, wijfje, kom! Die ouwe zeebonk moest zich schamen; ik zal hem....”

„Laat me asjeblieft een oogenblik alleen, Frits; ga jij maar naar oom.—Ik ben niet boos op hem, hoor!” voegde zij glimlachend, hoewel met de oogen vol tranen, er bij, als wilde zij een mogelijke botsing tusschen oom en neef voorkomen.

De zondaar Harmsen was intusschen eenigermate tot besef gekomen, dat hij, op zijn zachtst genomen, erg onhandig was geweest, en daardoor min of meer met zijn figuur verlegen. Goedhartig en rond als hij was, besloot hij onmiddellijk een volledige bekentenis van zonden af te leggen en te zeggen.... Ja! wàt hij zou zeggen, wist hij eigenlijk niet goed vóóraf, maar hij gevoelde, dat hij iets goed te maken had en... Dáár kwam Frits de kamer weer binnen en in ’t zelfde oogenblik lei de zeekapitein het photographie-album, dat hij werktuiglijk van de tafel had genomen, neer, terwijl hij halfluid vroeg:

„Er is toch geen kwaad aan boord?—Jelui moet medat niet zoo kwalijk nemen. Hum! ik wist niet, dat Marie op dat punt, hum!—zoo hum! zoo satansch kitteloorig was en....”

„Spreek daar nooit meer over, wat ik u bidden mag, want Maries eenig verdriet is, dat ze geen....”

„Akkoord, jongen! nou begrijp ik ’t, maar ’k wist het niet.—Zeg aan je „dot”, dat ’t me allemachtig spijt dat ’k haar hinderde; maar, goeie God! ik kon toch ook niet weten, dat ze zoo aantrekkelijk is.—Kom! kom! ze moet er zich maar overheen zetten; uitstel is niet altijd afstel; Sarah kreeg op ’r negentigste jaar nog wel ’n kleintje.—Ha! daar is ze weerom.—Kom ereis hier, Marie! Je bent toch niet boos op me? Verdord! dat zou ik niet kunnen velen. Allo! kom ereis langs zij en laat ik je af zoenen.—Zoo!.... met je permissie, Frits.—Hè! dat doet ’n ouwen kerel nog ereis goed.—O! zoo, ben je niet boos geweest?—Nou des te beter, dan hoef je niet weer goed te worden ook.—Nou! kinderen, ’t wordt tijd dat ik ga.—Saluut! en compliment van oom Harmsen en als dàt nou ’t eenige is wat jelui ontbreekt, dan niet getreurd! Ik word hier nog peetoom, dat voorspel ik je. Dag „dot”; niet sip meer kijken, asjeblieft! Houd je gemak, ik kom er wel uit.—’t Ga jelui goed; dag kinderen!”—en weg was oom Harmsen.

Ja! in dat model-huishouden ontbrak iets, een heel klein nietig iets wel is waar, maar toch een iets, dat de zon in huis zou doen schijnen, als ’t kwam; dat een zaligen glimlach zou tooveren om de lippen van de jonge vrouw, die ’t mocht bezitten.

En ’t kwam niet,—’t had zelfs nog nimmer pogingen gedaan om te verschijnen gedurende de vier jaren, dat ze getrouwd waren.

In den beginne van hun huwelijk hadden zij zich, zooals alle jonggehuwden, illusiën gemaakt, gewacht, gehoopt, gewenscht, geduldig en lang, maar altijd tevergeefs.

Marie was een tijd lang stil, zéér stil geworden, toen korzelig van humeur en prikkelbaar; daarna was een soort van zwaarmoedigheid gekomen, en toen ook die eindelijk was voorbijgegaan, had zij zich zelve weten wijs te maken, dat ze er eigenlijk niets meer om gaf, dat ’t zóó was en niet anders, en dat ’t wel zoo verkieslijk was. Maar toch had ze telkens in stilte geschreid, als zij tegenover haar venster de timmermansvrouw op den drempel van haar woning zag staan, met een dikken jongen, met roode koonen en zijdeachtig krullend haar en groote blauwe oogen, op den arm. Zij hield zich echter groot voor Frits; hij had zich immers—zoo kwam het haar voor—al zeer spoedig met het denkbeeld „geen kinderen te hebben” verzoend. ’t Verwonderde haar wel, maar ze vond het gelukkig en toonde hem daarom nooit, dat zij er nog altijd onder leed.

En hij?—Och! hij was altijd in één humeur en bemoeide zich nooit met kinderen van anderen; ’t scheen zelfs alsof hij minder van kinderen hield dan vroeger, en als het teere punt niettegenstaande alle voorzorgen toch nu en dan werd aangeroerd, kon hij zoo erg goedig tegen Marie zeggen: „Wijfjelief! we zouën er nu misschien niet eens meer aan kunnen wennen. ’t Is nog veel beter geen één, dan zoo’n half dozijn, als bij mijn compagnon bij voorbeeld.”

Zonderling genoeg had hij echter juist tot dienzelfden compagnon een paar malen gezegd: „Wat heb jij toch heerlijkekinderen!—Hum! ik zou misschien wel uit de zaken willen; want waar werk ik eigenlijk zoo hard voor?” Verder zweeg hij er over en leefde met Marie kalm en tevreden voort. Zij lieten elkanders heimelijke wenschen onbesproken, gingen altijdte samenuit en kwamen altijdsamenweer te huis om, zonder dat zij ’t elkander wilden zeggen, telkens opnieuw tot de ontdekking te komen, dat er in hun huis toch iets—een kleinigheid maar—ontbrak, die geen van beiden meer noemde, omdat zij werkelijk zoo veel van elkaar hielden.

’t Is een doodgewoon verschijnsel, dat in een huishouden zonder kinderen, na korter of langer tijd, een of ander huisdier, een kat of een hond, soms een vogel, als plaatsvervanger dienst doet en dan gewoonlijk min of meer despotisch regeert.

Wanneer de man van huis is, heeft de vrouw behoefte aan iets levends, dat om haar heen zich beweegt; zij moet—zooals men dat noemt—„een aanspraak” hebben, in één woord een wezen, dat, zij het dan ook slechts in beperkten zin, een deel van haar teederheid kan ontvangen en beantwoorden.

Dit was ook in Stralings huis gebeurd; bijna een jaar geleden was in het model-huishouden een kleine tiran binnengekomen en wel in de gedaante van een leelijken, grauwig gelen bastaard-smoushond.

Frits had hem op een kouden herfstavond, terwijl ’t regende dat ’t goot, bibberend, nat en verkleumd voor de huisdeur gevonden en, medelijdend van aard als hij was, ’t kleine diertje binnengebracht en aan de meid gegeven, om ’t in de keuken wat te doen opdrogen.

Niet zonder een vrij luid protest, had de kraakzindelijke Jaantje „den leelijken straathond” opgenomen, met een ouden lap zoo goed mogelijk afgedroogd en in een mandjegelegd, met het vaste voornemen, om hem den volgenden ochtend weer weg te jagen. Maar ’t zou heel anders gebeuren, dan zij zich voorstelde. Toen Marie het bibberende diertje had gezien, dat zoo smeekend van onder zijn verwarde haren tot haar opzag, als vroeg het bevend: „Och jaag me niet weer weg!” kon zij niet besluiten om Jaantjes raad te volgen en „het mormel aan den dijk te zetten”. Integendeel zij bekeek „het mormel” oplettend, vond dat het aardige, snuggere oogjes had en zóó vriendelijk met zijn kort staartje kwispelde, dat het zonde en jammer zou zijn om ’t arme dier weer in zijn vroegere ellende terug te stooten.

Frits had er niets tegen, dat ’t hondje bleef, en met onderling goedvinden—Jaantjes stem was natuurlijk van onwaarde—werd besloten, dat de vondeling als huisgenoot zou worden aangenomen en voortaan naar den naam van „Bijou” te luisteren had.

De naam „Bijou” was een „bon mot” van Frits, die, toen hij lachend zijn toestemming gaf tot de opneming van ’t diertje, er bij had gevoegd: „Dan zou ik hem „Bijou” noemen, want ik geloof, dat hij een juweel van leelijkheid zal worden.”

Marie, meer optimistisch gestemd, verzekerde met allen ernst dat ’t nog nestharen waren, die ’t hondje ontsierden, en dat hij eenmaal zijn naam alle eer zou aandoen.

Jaantje, in de keuken, was daarentegen danig uit haar humeur en beweerde herhaaldelijk tegen de werkster, „dat ’t volk tegenwoordig maar persies deê wat ’t wou, en dat ’t voor een fersoenlijke dienstmeid geen doen was om behalve de gewone druktens nog de akefietjes van zoo’n mormeldier te moeten redderen.”

Bijouwas, ’t bleek allengs zonder eenigen twijfel, van zeer bijzonder plebeïschen oorsprong. Zijn vader—hij had hem nooit gekend—was vermoedelijk een fikhond geweest, terwijl zijn moeder, naar menschelijke berekening, meer tot het smoushondensoort scheen te hebben behoord. Van haar had hij waarschijnlijk het lange geelgrijze haar en de snuggere oogen gekregen, terwijl zijn vader meer bepaald schuld had aan zijn lompe pooten en den zonderlingen vorm van staart en snoet, die beide voor die van een smoushond te spits en voor die van een fik te stomp waren.

Opvoeding had hij hoegenaamd niet genoten en van zindelijkheid nog niet het minste besef, zoodat hij een voortdurende ergernis bleef in Jaantjes oogen. De eerbare keukenmeid was dan ook, van af het oogenblik zijner komst in Stralings woning, zijn gezworen vijandin, vooral ook omdat Mevrouw zich niet ontzag, de reinheidsovertredingen vanBijouop rekening van Jaantjes nalatigheid te schuiven. Niettegenstaande de tegenwerking van de keukenmeid, groeide de hond een weinig en wist hij zich door allerlei kleine, behendige greepjes in ’t hart van Marie en door den weeromstuit in dat van Frits een vaste plaats te veroveren.

Een rood halsbandje, hem door zijn meesteres vereerd, wekte in den beginne zijn afkeer en toorn in hooge mate op en herhaaldelijk was hij, bij zijn pogingen om zijn hals van dat versiersel te ontdoen, op het punt zich aan zelfmoord te bezondigen. Aan alles went men echter op den duur, zoo ookBijouaan zijn halsband.

Langzamerhand verloor hij iets van zijn nestharen en onzindelijke manieren, en nadat hij, drie maanden na zijn opneming bij ’t kinderlooze echtpaar, de kunstbewerkingvan „’t half geschoren worden” had ondergaan, was hij in zooverre een presentabele hond geworden, dat hij op een Zondagmiddag na ’t dessert aan oom Harmsen, die bij de Stralings had gedineerd, kon worden voorgesteld.

„Wel, oom!” vroeg Marie, toenBijoude kamer intrippelde, „is ’t geen aardig diertje geworden? Wat blijft hij lief klein, hé! En schrander is hij, o!”

Oom nam zonder een woord van lof of blaam te vroeg te verspillen „het aardige diertje” in zijn nekvel, zoodat het zijn roode tong vervaarlijk ver uitstrekte en zijn oogjes van onder de lange gele haren naar voren puilden, bekeek het met aandacht en kennis van zaken en zette het daarna voor Maries voeten op den grond, terwijl hij de gedenkwaardige woorden uitte: „’t Is een monster!”

Frits lachte, dat de tranen hem over de oogen liepen, en Marie namBijou, die met een schuinschen blik angstig naar oom Harmsen zag, op haar schoot en kuste zijn zwarten snoet, terwijl ze half knorrig, half lachend, zei: „Kom jij maar hier, m’n beestje; ik vind je lief, hoor! Stoor je maar niet aan oom Bullebak!—Dáár heb je een koekje van de vrouw.”

Oom zweeg, haalde tegen Frits, die stil voor zich in zijn baard zat te lachen, de schouders op en dacht bij zichzelf: „Ieder zijn meug.”

’t Dient ter eere vanBijougezegd, dat hij, naarmate hij ouder werd en fatsoenlijker, zijn uiterste best deed om de liefkoozingen van „de vrouw” te verdienen. Geen oogenblik liet hij haar alleen; waar zij was, was ook hij en met stoïcijnsche gelatenheid liet hij zich herhaaldelijk van al de trappen rollen, omdat hij Maries peignoir bij den sleep had aangepakt en zijn buit niet losliet, vóór hij holderdebolder zijn meesteres was nagekogeld.

Was zij van huis geweest, dan zat hij haar deftig op ’tkussen in de vensterbank af te wachten, en zoodra hij slechts het tipje van haar neus te zien kreeg, kwam zijn staart in geweldige ontroering terwijl hij de zonderlingste blijdschapstonen uitte die een hondenkeel ooit voortbracht. In Maries schoot vergatBijougewoonlijk des avonds de vermoeienissen van den dag en droomde van een zalig niets doen, zooals alleen een verwend schoothondje droomen kan.

Frits, verre van jaloersch te zijn op den kleinen tiran, die zich tusschen zijn vrouw en hem had ingedrongen, begon van lieverlede even gek te worden op „’t monster”, dat van zijn kant die toenadering waardeerde en spoedig met evenveel blijdschap „den baas” begroette als „de vrouw”.

„’t Is om je te bedoen,” verzekerde Jaantje, rood van kwaadheid, tegen haar vertrouwelinge, de werkster: „daar zit me nou ’s middags dat mormel, tusschen meneer en mevrouw in, aan tafel. Ja! zoo waarachtig als ik hier voor je sta, m’n goeie mensch! Eerst zat ie op den grond, maar nou moet ik, God beter’t, al een stoel voor ’m klaarzetten ’s middags. ’t Mankeert er nog maar aan, dat ’k voor ’m dekken moet ook.”

Inderdaad het was zoo,Bijouhad het ver gebracht, zéér ver: hij zat deftig ’s middags mee aan tafel op een stoel met een voetkussen er op als verhooging, tusschen zijn twee getrouwe vazallen in. Maar hij was ook zoo verbazend aardig, die kleine dwingeland; ’t was zoo grappig om te zien, hoe hij telkens met zijn pootje op Maries arm tikte en zoo vleiend zijn brutale bedelaarsneus nu eens links dan rechts naar zijn buren wendde. ’t Was heusch alsof hij guitig knipoogde tegen dengeen, die hem ’t eerst wat gaf.

Frits en Marie vermaakten zich met hun kleinen dischgenoot, die onvermoeid was in ’t dankbaar aannemen.

’t Is onberekenbaar hoeveel dankbaarheid een hondenmaagkan bevatten, enBijouwas zóó dankbaar, dat hij liever aan tafel zou zijn doodgebleven dan één enkele bete te weigeren, die Maries slanke vingers of de vork van Frits hem aanboden. Na tafel hield hij, om geen naijver op te wekken zijnsiëstabeurtelings bij „den baas” en bij „de vrouw”, die iederen dag meer schik in hun lieveling kregen en zich geduldig onder zijn schepter kromden.

Bijouregeerde dus bijna despotisch in den huize Straling, maar—niet overal. In de keuken was zijn macht zeer beperkt, schier nul, want Jaantje was en bleef zijn geslagen vijandin. Zij kon „het mormel”, volgens haar eigen getuigenis, „niet luchten of zien, en zou hem”—’t waren haar eigen woorden—„wel ereis geknauwd hebben, als ze maar gedurfd had vanwegens ’t volk.” Was ’t alleen de herinnering aan de talrijke „akefietjes,” dieBijouhaar eertijds bezorgd had, waardoor het hart der brave Jaantje zoo onvrouwelijk vol bitteren haat klopte? O! neen, de oorzaak van haar afkeer had een veel dieperen grond, een geldiger oorzaak:—de cavalerie!

Sedert ruim een jaar namelijk, had de brave keukenmeid een eerlijke verkeering met Tienus, een cavalerist, die, omdat hij oppasser was van den k’rnèl en bekend stond als knap, fatsoenlijk en finaal vrij van sterken drank, des Zondagsavonds, als ’t Jaantjes thuisblijfdag was, in de keuken mocht komen om....?

Ook een keukenmeid draagt in den vollen boezem een gevoelig, warm kloppend hart, en een rechtgeaard cavalerist weet dat te waardeeren, voornamelijk op avonden dat ’t stil is en rustig in huis en „’t volk” boven zit te schemeren.

Waarschijnlijk was het een gevolg vanBijou’s bloedmenging of een erfelijkheid van vader of moeders kant, dat hij een buitengewonen afkeer had van de cavalerie-uniform.Reeds bij zijn eerste intrede in Stralings huis, in ’t prilste van zijn jeugd, had hij daarvan de doorslaandste bewijzen gegeven, door woedend blaffend en keffend op de vetleeren laarzen van den „finaal-vrijen dragonder” aan te vliegen en daardoor Jaantje de wreedaardige uitnoodiging op de lippen te leggen: „Geef hem ’n doodschop, Tienus!”

De dappere krijgsman echter behandelde zijn kleinen vijand grootmoedig, tildeBijoueenvoudig op bij zijn staart en zette hem in ’t kolenhok, waar hij zich na tallooze vruchtelooze pogingen ter ontsnapping eindelijk huilend en jankend in ’t gruis ter ruste legde, om den volgenden morgen als een onooglijk vies en zwart ondier te voorschijn te komen en Jaantje een strenge berisping van Mevrouw op den hals te halen.

Bijoukon waarschijnlijk dien vreeselijken nacht in de kolen nooit vergeten; zijn hondenhart zon op wraak.

De vetleeren laarzen en de lakensche cavalerie-pantalon met lederen inzetsels waren hem, zooals hij had ondervonden te machtig, en zijn eigen staart was hem te dierbaar om een tweeden aanval op Tienus te durven wagen; daarom bepaalde hij zich voortaan alleen tot een kort, knorrig brommen, wanneer hij ’s Zondagsavonds de nadering van Jaantjes vriend bespeurde; maar hevig blaffend en brommend stoof hij naar de kamerdeur, wanneer hij op andere dagen door zijn neus of ooren gewaarschuwd werd, dat de cavalerie in aantocht of binnengerukt was.

Juist die „verraaierlijkheid” kon Jaantje niet verdragen, zij deed haar maagdelijk hart schier bersten van toorn, en toen zij eenige malen doorBijou’s vriendelijke tusschenkomst van Mevrouw „een compelement” had gekregen, omdat Tienus op andere dagen dan de gepermitteerde in de keuken was geweest, ten einde zich over ettelijkekliekjes te ontfermen, zei ze tot haar uitverkoren held: „Tienus, als jij een kerel bent, dan draai je dien Judas van een Besjoe gewoon z’n nek om.”

„’k Zal ’m bij gelegenheid wel ereis waarnemen,” was ’t antwoord geweest van den dragonder, die met zijn vlakke rechterhand de overblijfselen van een karbonade uit zijn rossigen knevel verwijderde, om daarna op Jaantjes bolle wangen twee vette afdrukken achter te laten, toen hij haar ijlings verlaten moest, omdat „die stinkende hond” boven op eens zoo aanging en Mevrouw in aantocht was, ten einde te komen zien, ofBijoutje ’t weer bij ’t rechte eind had.

Ditmaal gelukte het der cavalerie nog om tijdig den aftocht te blazen en zei de keukenmeid, met oogen glinsterend van voldoening: „Ziet uwé nou wel, Mevrouw, dat die lieve Besjoe drukte maakt voor niemendal?”

’t Was stil in Stralings woning; ’t had er iets van alsof er een doode in huis was,—zóó droevig zagen èn Marie èn Frits er uit. Zij zat met een bekommerd gelaat op de canapé in de huiskamer, en hij stond naast haar met zijn hoed op en eendemi-saisonaan.

„Niets? Heb je niets van hem gehoord,” vroeg Marie tragisch; en toen Frits op een ietwat weemoedigen toon in zijn stem antwoordde: „Niets, beste, niemendal,” zuchtte ’t lieve vrouwtje diep en smartelijk, terwijl ze zei: „Arme lieveling! Als hem maar niets overkomen is.”

Frits zweeg, hoewel een zwart vermoeden, een duister voorgevoel, dat de cavalerie wel meer van de zaak zou weten, in zijn hart opdoemde.

Sedert vier dagen wasBijouplotseling verdwenen, spoorloosverdwenen; zonder afscheid van zijn vazallen te nemen, was de tiran heengegaan. Waarheen?—Niemand wist het. Zelfs de politie had hem nog niet kunnen ontdekken en een in verschillende dagbladen aanstonds uitgeloofde belooning voor het terugbrengen van den vluchteling was tot dusver zonder eenig gevolg gebleven.

Jaantje was, haar bekende afkeer vanBijouin aanmerking genomen, door Straling scherp verhoord en menig „’t is zonde, meheer” of „hoe kan uwee nou zoo ies veronderstellen” was met diepe verontwaardiging aan haar lippen ontsnapt, toen zoowel Marie als Frits niet ontveinsden, dat zij haar verdachten van medeplichtigheid aanBijou’s raadselachtige verdwijning.

Met de hand op ’t hart en bleek van schrik, had zij op het tot haar gerichte kruisvuur van vragen geantwoord: „’k Zal hier staande sterven, meheer en mevrouw, als ik er iets van weet. Ik kan uwee alleen maar zeggen, dat Besjoetje soms wel ereis met een ander hondje uit de buurt stoeide, als ik ’m uitliet; maar met een woord van waarachtigheid kan ik u ook verzekeren, dat ’k hem juistement dáárom in den laatsten tijd nooit anders dan aan ’t touwetje heb uitgelaten.”

„En weet Tienus er niets van?” vroeg Frits, terwijl hij Jaantje, die onwillekeurig bij ’t noemen van dien naam de oogen neersloeg, doordringend trachtte aan te zien. Marie rilde even en dwong met geweld haar tranen terug, want plotseling kwam haar het beeld van den stoeren dragonder,Bijou’s antipathie, voor den geest.

„Tienus?” riep Jaantje bijna verontwaardigd. „Tienus, meheer! die is de goeïgheid zelf. O heere neen! die heeft er geen part of deel an, die zou ’m subiet hebben weerom gebracht, als hij ’m iewers had ontmoet.”

Het onderzoek leidde dus tot niets, de ondankbare hondwas en bleef weg; hij had zijn weldoeners, zijn pleegouders zonder één enkel gemoedsbezwaar, zonder wroeging snood verlaten, om.... Neen! laten we overBijou’s afdwalingen zwijgen; zelfs het hondenhart heeft wonderlijke gangen en ’t past den redelijken mensch niet om ’t redelooze dier te veroordeelen, dáár waar het zondigt—uit liefde.

Aan oom Harmsen, die toevallig in die dagen van beproeving bij de Stralings was komen aanwippen, werd—zooals vanzelf spreekt—het geheele verhaal vanBijou’s vlucht in geuren en kleuren door Marie medegedeeld en niet zonder dat een weerspannige traan zich op de wangen van „’t dotje” vertoonde.

Frits, die als rechtgeaard echtgenoot, minstens de helft van ’s vrouwtjes verdriet wilde overnemen, vertelde met doffe stem, dat hij er „waarlijk veel weet van had,” een verzekering, die oom Harmsens lippen in een zonderling ondeugende plooi bracht en den goeden man eindelijk in een hartelijk gelach deed uitbarsten.

„’t Is bij mijn ziel om te stikken,” riep de oude zeekapitein, terwijl hij een lachtraan uit zijn bakkebaard wischte. „Jelui bent allebei groote kinderen, hoor! ’t Is waarachtig alsof er een sterfgeval in de familie is: dáár zitten me nu twee groote menschen met gezichten van een el lang te lamenteeren over een mormeldier, een monster, een schuinsmarscheerder, die ’t verzuipen niet waard is. Ben jelui wel goed frisch, allebei?—Nou kijk me zoo boos maar niet aan, mijn poppetje; lach liever ereis mee om je eigen gekheid.”

„Ik heb zoo’n idee, dat hij t’ avond of te morgen wel terugkomt,” bracht Frits in ’t midden; maar oom viel hem in de rede, door aan Marie te vragen: „En zou je dan dien doordraaier weer in huis nemen?—Wat! zeg je: ja? Hoor eens, meid, als je niet zoo’n lieve dot was, zou ik je eensonder handen nemen; ik geloof waarachtig, dat, als je man je zoo’n poets bakte als nou dat kleine monster, je hem niet eens zoo dadelijk weer in genade zoudt aannemen!”

„Oom, oom! je slaat weer door,” riep Frits lachend, en Marie schoot insgelijks in een lach, toen zij oom aanzag, die met een tragi-comische uitdrukking op zijn gelaat zijn rede besloot met de woorden: „Ik zou in jou plaats in den zwaren rouw gaan.”

„Ouwe barbaar!” zei Marie, toen oom uitgelachen had; maar in haar oogen tintelde weer een vonkje van de vroegere vroolijkheid, en toen Frits ook een opgeruimd gezicht zette, zijn arm om haar midden sloeg, een kus op haar frissche lippen drukte en schertsend vroeg: „Met uw permissie, oom,” riep de vroolijke zeeman: „Zóó mag ik het zien. Jongens! geneer je niet, ga je koers maar; ik geloof, dat jelui al wijzer wordt.—Kijk nu zoo’n paar lui eens aan: ze zouën waarachtig om zoo’n leelijk misbaksel van ’n hond vergeten, dat ze mekaâr nog hebben. Als één van jelui beiden er stiekum van door was gegaan, à la bonne heure, dan zou ik ’t natuurlijk vinden, dat de andere zijn dek schrobde. En wil jelui met geweld een hond in je huis hebben, dan zal ik je een van de mijne geven; ’k heb nog vier jonge fikken thuis,—mooie bastaards. Ze zijn tot je dispositie.”

Veertien dagen later verscheenBijouop een morgen onverwachts aan de voordeur. Jaantje sloeg juist de vloermat uit en bleef een poosje met open mond en groote oogen den teruggekeerden vluchteling, die met den staart tusschen de beenen zich eensklaps voor haar vertoonde, aanstaren; toen liet ze de mat vallen, sloeg de handen ineen en uitte een doordringend: „Daar is ie!—daar is ie! Mevrouw, kom ereis gauw beneden; Besjoe is weerom!”

Marie, in wier gevoelig hart eensklaps de oude, sluimerende teederheid voor haar lieveling met nieuwe kracht ontwaakte, stoof „en négligé” de trappen af en ontwaarde een onooglijk, vuil, gehavend ondier, dat kwispelstaartend, maar min of meer schuw—zelfs een hond heeft gewetenswroegingen—haar langzaam naderde.

Was datBijou?

„Kristenen-zielen, Mevrouw! wat ziet ie er verloopen uit; hij is effetief aan den scharrel geweest, dat kun je hem aanzien,” zei Jaantje, terwijl ze naast mevrouw in de gang staande den teruggekeerden vagebond oplettend beschouwde. „’k Zal ’m maar eerst meenemen naar de keuken en eens een goed vet zeepsoppie geven, want uwee avontuurt, dat ie niet alleenig terugkomt. Kijk z’n oogen ereis, en z’n neus vol krabbels: hij is in den slag geweest! Wel! Wel! wat is ie mager geworden! Nou! die weet, dat ie een slippertje heit gemaakt.”

Wel werd de teruggekeerde lieveling weer in genade aangenomen, toen hij, gewasschen en opgeknapt, met luid vreugdegeblaf en gehuil tegen zijn meesteres en den baas opsprong en hem en haar onstuimig de handen likte, maar—met zijn despotieke heerschappij was ’t voorgoed gedaan; hij werd voortaan behandeld als een constitutioneel vorst, wiens grillen slechts dan werden geëerbiedigd, als ze niet in tegenspraak waren met de grondwet.

Frits en Marie waren beiden door ’t zien vanBijou’s verloopen uiterlijk verstandiger geworden, en dachten na over de mogelijkheid, dat hij nog niet volkomen van zijn erotische grillen zou kunnen genezen zijn. Ze overlegden, dat ’t best zou kunnen gebeuren, dat hun lieveling nogmaals voor de verleiding bezweek; daarom namen ze voorloopig een afwachtende houding aan en duldden hem nu dáár, waar hij vroeger werd vergood en vertroeteld.

ArmeBijou! Beklagenswaardig slachtoffer van „de liefde.”


Back to IndexNext