V.

Ongeveer een jaar later was in Stralings huis een groote verandering ophanden. Sedert een paar dagen was het geheele huishouden in rep en roer; er zweefde als ’t ware een zekere zenuwachtige gejaagdheid in de lucht, waarvan al de huisgenooten in meerdere of mindere mate den invloed ondervonden. Mijnheer bleef zooveel te huis als hij maar eenigszins kon, en ’t was opmerkelijk, dat zijn goedhartig gelaat voortdurend een zonderlinge mengeling van angst en trotsche vreugde vertoonde, als stond hem een groot geluk te wachten, dat hij met angstige spanning verbeidde.

Mevrouw had herhaaldelijk geheime onderhandelingen gevoerd met een groote, dikke vrouw, die een onberispelijke neepjesmuts, een lichte katoenen japon en een zwartzijden boezelaar droeg, en Jaantje pruttelde in zich zelve, terwijl zij in de keuken haar werk verrichtte: „Dat mensch begint me derekt al te commandeeren; ze hangt me nou al de keel uit. Zoo’n armoede en grootheid! Wat verbeeldt ze d’r eigen wel?”

Het „mensch”, dat Jaantjes ontevredenheid opwekte, was juist weer in de slaapkamer met Mevrouw aan ’t onderhandelen en verzekerde op stelligen toon: „dat ’t vandaag posetief nog gebeuren zou en dat meneer den meester maar vast moest gaan waarschuwen.”

Nog nimmer hadden Maries lieve blauwe oogen zoo vol voldoening en geluk geschitterd, haar blosje was hooger dan anders en ’t blonde haar „en bandeaux” langs de slapen gelegd en van achteren tot één vlecht gestrengeld had haar nog nooit zóó goed gestaan als op dien dag.

In een gemakkelijken fauteuil gezeten, zag zij met een zenuwachtig, maar gelukkig glimlachje naar de baker, die met kalme bedrijvigheid in de kamer heen en weer drenteldeom alles voor de komst van „den Ooievaar” voor te bereiden; en toen Frits eindelijk binnenkwam en de onderhandeling stoorde met een: „Alles is in orde, mijn schat”, wenkte Marie haar man tot zich, stak uit de kanten mouwen van haar luchtigen peignoir beide poezelige handjes naar hem uit en trok toen blozend zijn bruinen krullebol naar beneden. Eerst kustte zij hem zachtkens op zijn oor en fluisterde hem toen iets in, dat zijn hart sneller deed kloppen en op zijn trillende lippen de woorden: „Zou ’k waarachtig zóó gelukkig zijn,—een jongen?” bracht.

Met de armen onder de borst gekruist zag de baker met half spottenden, half goedigen glimlach de twee echtgenooten aan en dacht bij zichzelf: „Dat geeft minstens een gouden tientje, als ’t heusch een jongen is.”

En...?

’t Was een jongen! En wel „een dikke gezonde knaap, als uit meheers gezicht geformeerd,” zooals op den avond van dienzelfden dag de baker met een hoog wijs gezicht verklaarde, terwijl zij den stamhouder der Stralings het vanouds gebruikelijke bakkertje opzette, om hem daarna, stijf ingebakerd als een pakje, aan Papa te vertoonen en met ongeëvenaarde handigheid het haar dientengevolge heimelijk in de hand gedrukte goudstukje in den witten zak onder haar japon weg te goochelen.

Frits was opgewonden van vreugd en geluk; hij had de geheele wereld wel willen omarmen,—de oude baker incluis.—Een zoon was hij rijk! Wat kon hij meer verlangen?

Onophoudelijk kwam hij niettegenstaande bakers allengs ernstiger wordend protest eens even om ’t hoekje der kamer kijken, waar Marie, schoon en liefelijk als een witte roos, sluimerde in ’t sierlijke ledikant en achter de zorgvuldig neergelaten kanten gordijnen haar eersten droom vanmoedervreugd droomde, totdat het ontwaken haar de zekerheid schonk, dat alles werkelijkheid was.

In Stralings huis was plotseling een waas van rustig, vredig geluk verspreid geworden; ’t hing warm en bedwelmend in de vertrekken, waar ’t de sprekenden noopte hun stemmen te dempen, en ’t hield den al te snellen voet in gang en portalen terug, opdat geen onnoodig gedruisch de kalmte mocht verstoren.

Slechts twee wezens gevoelden zich in dat gelukkige huis, op dien dag, ellendig, misdeeld, ongelukkig en diep-rampzalig: ’t warenBijouen Jaantje!

Bijouwas reeds eenige weken vóórdat de ooievaar op Stralings dak neerstreek, naar het sousterrain verbannen; zijn rijk in salon en huiskamer was uit en de liefkoozingen, die in vroegere, betere tijden met zoo kwistige hand aan hem werden verspild, bepaalden zich sedert lang reeds tot niet meer dan een gedachteloos aaien, een strijken over zijn kop of rug, als had de hand, die het deed, slechts werktuiglijk een oude gewoonte gevolgd.

Een mand met een stuk karpet, in den kelder geplaatst, diende hem nu des nachts tot legerstede, en hij, die vroeger sybaritisch in Maries schoot of op de knieën van Frits zijn siësta hield, moest zich thans tevredenstellen met den schoot en den vettigen bonten boezelaar van Jaantje, die niet langer zijn aartsvijandin was.

Het ongeluk had hen samengebracht, beproeving en smart hen tot vrienden gemaakt.

Hoe dat gekomen was? Eenvoudig zóó!

Enkele dagen naBijou’s verbanning naar ’t sousterrain had de brievenbesteller onder etenstijd een ongefrankeerden brief gebracht van Tienus, die sedert ruim een maand naareen ander garnizoen was overgeplaatst. Jaantje betaalde met vreugd de tien cents porto, want haar liefdevol hart klopte teeder en warm, toen zij het adres had gelezen; en zonder verwijl opende zij het couvert om aan de keukentafel zittend, tusschen een restant kalfsgehakt en een bord met bloemkool, waarvan ze enkele minuten geleden nog met smaak iets had genuttigd, de hartsgeheimen en de ontboezemingen van haar getrouwen cavalerist te lezen. „’t Volk” zat nog aan ’t dessert, en daarom had ze tijd genoeg, vóórdat er gescheld werd om af te nemen.

Toen zij den brief had geopend en ontvouwde, viel er iets uit en in de bloemkoolsaus. ’t Was een portret,—haar eigen beeltenis. Zij had nog vijf gelijke en gelijkvormige in voorraad van ’t half dozijn, dat de photograaf had vervaardigd ter eere van Tienus.

Ze schrikte, vischte het kaartje met duim en vinger uit de saus, zei: „Jaan, wat gebeurt je nou” en likte met kloppend hart „haarbeeltenis” haastig af.

Wat moest dat beteekenen? Zij begon over haar geheele lichaam te beven; de zenuwen werden haar de baas, zoo zelfs, dat ze een oogenblik niets hoorde of zag.

Bijoumaakte dadelijk van Jaantjes verwarring gebruik; hij sprong op een stoel, daarna op tafel en bespaarde in minder dan geen tijd der keukenmeid de moeite, haar gehakt op te eten; vervolgens ontfermde hij zich over de bloemkool, en eerst toen hij „niet meer kon”, bleef hij tegenover Jaantje, die met door tranen verduisterde oogen op Tienus’ brief zat te staren, zitten en sloeg met zijn staart een zachten roffel op de tafel, als kwispelde hij zichzelf een „bravo” toe over ’t volvoerd boevenstuk. Terwijl hij zijn zwarten snoet welbehaaglijk aflikte, keek hij met schuins gehouden kop belangstellend naar zijn overbuur, alsof hij zeggen wilde: „Wat mankeert jou?”

Wat haar mankeerde?—Alles!—Zij had den brief gelezen en haar minnend hart was op ’t punt van te breken; hevig zwoegde onder ’t opgespelde eva’tje de eerlijke boezem, waarop Tienus’ hoofd in een doublé medaillon nog altijd schommelde.

’t Rood van Jaantjes wangen was van glimmend karmijn eensklaps tot bleekgrijs steenrood overgegaan en aan haar wimpers parelden dikke druppels, die afwisselend langs den tip van haar neus en over de heuvelen harer wangen afvloeiden. Zij herlas Tienus’ schrijven langzaam, bij ieder woord ophoudend om te zuchten of te snikken.

Bijoukeek haar meelijdend aan en krabde met zijn rechterachterpoot zijn oor, als wilde hij zeggen: „Jaan! Jaan! dat is een ijselijkheid voor je.” Toen kwam hij nader, legde zijn poot op haar arm en keek onbescheiden mee in den brief.—„Mejuvfrou”, schreef Tienus. Ach! dat ééne woord had onmiddellijk aan de arme Jaantjeallesgezegd; vroeger schreef hij immers: „Zwaar beminde Jaan,” en nu: „Mejuvfrou.” O! ’t was verschrikkelijk, verpletterend! Vooral de verdere inhoud van den epistel gaf haar den genadeslag.

„Hierbij U petret in Dank terug, U gouwe Dasspeld en de Sarrifarie aan mijn kettink zel ik maar als gedagtenis bewaare. Het zal Uw wel speiten, als dat ik uw nu schrijft, dat van trouwe Voorshans geen sprake zijn ken, overwegens ik heeft overgeteekent voor den Oost, bij de Artlerie en vermits wij Zirka twee jaar met genoeglijkheit samen heeft verkeerd zoo ken ik niet nalaate om uw Voorspoet en Geluk te wensen, allerwegens, Zoo verblijf ik uw Dwillege vrientvroeger u minnaarMartinus Pluit.P.S. hartelijke Groetenis!”

„Hierbij U petret in Dank terug, U gouwe Dasspeld en de Sarrifarie aan mijn kettink zel ik maar als gedagtenis bewaare. Het zal Uw wel speiten, als dat ik uw nu schrijft, dat van trouwe Voorshans geen sprake zijn ken, overwegens ik heeft overgeteekent voor den Oost, bij de Artlerie en vermits wij Zirka twee jaar met genoeglijkheit samen heeft verkeerd zoo ken ik niet nalaate om uw Voorspoet en Geluk te wensen, allerwegens, Zoo verblijf ik uw Dwillege vrient

vroeger u minnaarMartinus Pluit.

Martinus Pluit.

P.S. hartelijke Groetenis!”

Toen de diepgetroffen keukenmeid den brief nogmaals doorgelezen had, veegde zij met haar hand, die nog min of meer zwart was van ’t fornuis, langs wangen, neus en oogen, zich zelve tatouëerend zonder dat ze ’t wist, pakte eensklaps den naast haar zittendenBijoubij zijn kop, drukte haar lippen tegen zijn verwilderde gele haren en snikte: „Ja, stom dier, jij hadt toch wel gelijk, toen je dien Judas naar z’n beenen vloogt. Ja! kom jij maar hier, stakker; jij zit nou ook in de serijbel; jij bent een goed beest, maar hij is een valsche hond; voor mijn part vreten ze ’m derekt op in den Oost—zoo’n Judas! Verleden week stuurde ik ’m nog een guldens postwissel.”

Van af dien gedenkwaardigen middag warenBijouen Jaantje trouwe bondgenooten, onafscheidelijke kameraads.

’t Doopmaal was allergezelligst geweest; een klein, maar uitgelezen gezelschap had aan den rijk voorzienen disch alle eer bewezen en gedurende het dessert was de jongeheer Straling als een rooskleurige „bonbon” in een wolk van witte kant, op een sierlijk kussen, door de deftig in zwarte zijde gehulde baker aan de gasten vertoond. Men had op zijn wangetjes getikt, onder zijn kinnetje „kiele kiele!” gedaan en op zijn klein neusje met den vinger heen en weer gewiegeld, totdat het hem begon te vervelen en hij een keel opzette, die een der gasten tot de opmerking verleidde: „’n Stem als een klok, hoor!” en den dominee, die de eer had genoten hem te doopen de deftige woorden ontlokte: „’t Ventje heeft zich van morgen in de kerk uitmuntend gedragen; we kunnen hem dus nu zijn protesteeren van harte vergeven.”

„Wat ’n wonder!” riep oom Harmsen, die zijn glasChampagne noch vol, noch ledig liet staan, „’t wurm sliep als een marmot; jammer genoeg, want je hebt ’m hartelijk toegesproken, dominee.” En toen de predikant min of meer zuurzoet, maar toch statig glimlachend antwoordde: „Gezegend zij die slapen kunnen als de kinderkens.” voegde de joviale zeeman er bij: „Ja, tusschenbeide is zoo’n tukkie in de kerk niet onlekker.—Maar gekheid op een stokje, dominee, ik kan wel niet tegen je optornen wat de welbespraaktheid betreft, maar ik wou toch wel een paar woorden zeggen, om mijn neef Frits en zijn dot van ’n wijf—Marie, dat ’s een lijntje à part met jou, hoor! Daar ga je!” hij dronk even een glas Moët—„hartelijk te feliciteeren. ’t Heeft wel vijf jaren geduurd, eer jelui dat knaapje van stapel lieten loopen, maar ’t ziet er van voren en van achteren goed uit, en daarom: Lang zal het leven! Nu er eenmaal een begin is, zul je zien, dat er geen ophouden aan is. Frits!—Marie!”

Oom nam zijn glas op en boog zich over de tafel, om met de jonge ouders te klinken.

„Nou zachtjes aan, hoor jongens! dan breekt het lijntje niet; één voor één asjeblieft en geen filipientjes er bij. Leve de stamhouder, Hiep, Hiep! Hoera!”

„Hoor ze daarboven ereis aangaan! Wat ’n herrie om zoo’n wurm!—Dat mensch met die zwarte samaar an, maakt er alleenig nog een goed slaatje uit en ik blijf nuchter van de fooien,” pruttelde Jaantje, die in de keuken metBijouop haar schoot bij de tafel zat. Onverschillig staarde zij op een bord met een stuk taart en tevergeefs vonkte een glas Champagne haar verleidelijk toe. Zij had geen sjenie in taart, zij lustte geen „sampanje”, want in haar ziel was ’t nacht, stikdonkere nacht gebleven, sedert de cavalerist zoo wreedaardig haar hart had gebroken.

Met zachte hand liefkoosde zijBijouen sprak: „Jou kunnen ze nou ook missen als kiespijn, arme sukkel!” Met een blik vol weemoedig verlangen keek de hond naar ’t bord met taart, als dacht hij: „Tienus had met dat brokje wel raad geweten; voor mij is ’t te groot, maar ’k zou toch mijn best doen, als ’k mocht.”—„Daar, stumperd, proef maar eens: ’t is roomtaart,” zuchtte Jaantje, terwijl zij, als raadde zijBijou’s verlangen, hem een stukje van ’t gebak vereerde.

Haar gramschap over Tienus’ ontrouw had zich langzamerhand opgelost in een stil, maar hartverterend verdriet, in een weemoedig herdenken aan die tijden van Olim, waarin haar ’t kletteren van sporen en zwaard als muziek in de ooren had geklonken. Zij kon de cavalerie nog maar niet vergeten, hoeveel moeite ze daar ook toe deed, hoeveel eerlijk gemeende pogingen zij ook aanwendde.

Toch was er voor haar eenig licht gekomen in de zwarte duisternis van haar gemoed, want sedert het 6eregiment infanterie de plaats van de dragonders had ingenomen, was des avonds tusschen licht en donker aan de deur van het onderhuis een „ko’praal” verschenen, die aan „juffrouw Jaantje” met militair salut had verkondigd, dat zij, door een kennis, aan hem „gerikmedeerd was als een geschikt meissie voor ’n milletèr.”

„’t Is in ’t geheel geen onknap persoon,—is ’t wel Besjoe?—maar ’n piot—daar kan ik zoo in eens niet toe besluiten,” zei de gevoelige keukenmeid tegen haar bondgenoot, die in haar kuischen schoot knipoogend zijn verloren Paradijs weinig scheen te betreuren en behaaglijk geeuwend de tong tegen haar uitstak, toen ze ’t woord tot hem richtte.

„’k Zal ’m nog maar geen uitsluitsel geven en wij zullen maar bij mekaar blijven, hé stom dier! En als ik t’avond of te morgen verhuis,—want ’t wordt me hier veelste druk metdien schreeuwleelijk,—dan ga jij met Jaantje mee, arme stakkerd.” In een aanval van teederheid greep zij een vanBijou’s voorpooten en drukte dien als ware ’t een vriendenhand.

De hond jankte even en trok zijn pootje terug, een beweging die zijn vriendin deed zeggen: „’t Is zonde, da’s waar ook, je heit een zeeren poot, en dat is notabene de schuld van je eigen baas: hij most z’n eigen schamen om jou zoo te schoppen. Kom hier, m’n beessie, ik zal je ereis wrijven; dan wordt ’t beter.—Zóó, m’n hondje, zóó! Dat doet je goed, hé?”

Was dàt waar? Had Frits zich zoover kunnen vergeten om zijn vroegeren lieveling wreedaardig een schop te geven?

Ja! en de eerlijkheid gebiedt te erkennen, datBijoudie kastijding had verdiend.

Waarschijnlijk was het den banneling opgevallen, dat hij zijn achteruitzetting niet geheel en al aan zijn uitspattingen te danken had, maar dat er zich iemand tusschen hem en zijn pleegouders had weten in te dringen, aan wien hij het te danken had, dat hij nu letterlijk als een hond werd behandeld. Hij zou geen rechtschapen dier zijn geweest, wanneer hij niet tot elken prijs daarvan de zekerheid had zoeken te erlangen. In een onbewaakt oogenblik had hij hetsousterrainverlaten en een verkenningstocht naar zijn vroeger rijk ondernomen.

Onbemerkt naderde hij tot aan de huiskamer; op den drempel bleef hij staan en stak zijn kop nieuwsgierig om ’t hoekje van de deur.

Wat hij dáár aanschouwde, was meer dan voldoende om zijn toorn gaande te maken.

Daar zat „de vrouw,” stralend van geluk, blozend van gezondheid in den fauteuil, waarvan hij de zachte zitting maar al te goed kende; en op zijn plaats, in haar schootspartelde een klein rooskleurig wezen, dat zij met een blik vol innige teederheid beschouwde en liefkoozend toesprak.

Dat was te veel, te tergend; met één sprong was hij in de kamer. Een kort, scherp, droog blaffen ontsnapte hem eer hij ’t zelf wist, en met een toornigen gloed in zijn donkere oogen trachtte hij tegen dien verraderlijken schoot op te springen om aan het kleine wezen, dat hem ongelukkig maakte, zijn blikkerende tanden te toonen en hem kort en vinnig toe te blaffen: „Jij was ’t dus, jij! Om jou ben ik verstooten.”

„Marie! Marie! pas op dien hond: hij is jaloersch; hou ’t kind weg!” riep Frits, die tegenover zijn vrouwtje zat, en haastig opstaande, diende hijBijoueen schop toe, die hem hinkend en jankend, in aller ijl de kamer deed verlaten.

Jaloersch! ja, helsch jaloersch wasBijou; hij kon het kleine kind niet zetten, en zoodra het toevallig op moeders arm in zijn nabijheid kwam, gromde en blafte hij of liet de tanden zien.

„Als ’t niet mogelijk is om dien hond uit de kamers te houden, moet hij weg, de deur uit,” bromde Frits tegen Jaantje, die als goede kameraad voorBijoupartij trok door te zeggen: „Dat kan uwes geen meenens wezen, meheer; ’t stomme dier heit er toch geen part of deel an, dat er ’n kleintje gekommen is.” Die logische opmerking ontwapende Frits’ gramschap en behoeddeBijouvoor ’t wegjagen.

De keukenmeid, die met de werkster niet meer over Tienus sprak, omdat zij eens gezegd had: „’t is de peine nog al waard om over zoo’n paarderijer zoo te kremieten”, hechtte zich uit verfijnd egoïsme hoe langer hoe meer aan den kleinen hond, die dankbaar was voor de beentjes en het brood dat Jaantje hem verstrekte. Soms nam zij hem des avonds, als ze „uit ’r werk was”, op den schoot en kamde hem met haar eigen kam, omdat „’t beessieerzóó boschduvelig uitzag, dat ’t rejeel schande was voor ’n deftig huis”; en terwijl ze zijn geele haren ontwarde, dacht ze aan den rossigen knevel van Tienus, en zuchtend vertelde ze aanBijouvan die „ondankbare honden van cavalleristen”. Dan leefde zij in de bitterzoete herinnering aan ’t geen Tienus eenmaal voor haar was, en overlegde in de binnenkameren van haar hart, of de infanterie wel ooit geheel in staat zou zijn om haar droefheid te lenigen.

Slechts korten tijd mocht de arme hond zich nog in Jaantjes bescherming verheugen; een nieuwe, zware beproeving wachtte hem.

Bijna zes maanden lang was zijn vriendin treurend gebleven, maar de tijd heelt met zijn kalme, genezende hand zelfs de diepste hartewonden, vooral wanneer hij een helper vindt in langzaam ontluikende nieuwe sympathieën, waartoe door een beminnend individu de eerste kiem met geduld is gelegd.

Een kaartlegster had eenmaal aan Jaantje uit hartenboer, vereenigd met ruiten zeven en klaveren heer, voorspeld, „dat zij zooveul als een voorbeschikking had om in ’t Milletère verkeering te hebben.” De sybille had goed gezien, want na zes maanden van leed en droefheid rukte de infanterie, die haar met ijzeren volharding was blijven belegeren, triomfantelijk binnen de bolwerken van haar boezem en bezette dáár het vroegere kwartier van de cavalerie.

Nu heette hij Janus, was donker van uitzicht, tenger van postuur en „ko’praal bij ’t 6e.”

Hoewel minder zwaar van bouw en niet zoo krijgshaftig van uiterlijk als Tienus, bleek hij toch evengoed te kunnen beminnen en ontwikkelde hij een eetlust, welke, fabelachtig groot, dien van zijn voorganger verre overtrof.

Bijoubeschouwde, van den dag af dat „de ko’praal” zijn eerste kliek aan Jaantjes zijde verorberde, zich als zijn vriend, sprong wellevend tegen de infanterie-pantalon open likte zelfs het zijdgeweer des krijgers. Helaas! zijn toenadering werd niet gewaardeerd. Janus onthaalde hem op een „allo vort!” en verklaarde, al kauwend, aan zijn uitverkorene, „dat hij ’t zuur ân honden had.”

Opnieuw had de armeBijougelegenheid om kennis te maken met ’t egoïsme van den mensch, want met den dag verkoelde Jaantjes genegenheid en al naarmate haar liefde voor „den ko’praal” grooter werd, verminderde haar vriendschap voor den armenBijou, die eindelijk, treurig en alleen, soms dagen achtereen, in ’tsousterrainronddoolde. Zijn mand met ’t stuk karpet zag hij niet meer; hij sliep dus afwisselend in den turfbak, den kolenemmer of achter ’t fornuis, en soms wentelde hij zich grimmig in ’t kolengruis, als wilde hij zich in den rouw steken over zijn eigen verval. Zijn eten?—Hij stal het. O! ’t was ver, zeer ver met hem gekomen!

Soms waagde hij zich tersluiks een oogenblik naar boven om als een Peri aan de poorten van ’t paradijs nog eens die verloren heerlijkheid te aanschouwen. Dan keek hij met sprekende blikken naar binnen, als wilde hij vragen: „Ontferm u over mij, heb medelijden; ik was toch ééns uw lieveling. Wanneer zal de tijd mijner beproeving voorbij zijn?”

Het had er inderdaad iets van alsof die tijd van beproeving voorBijoutot in eeuwigheid zou verlengd worden, want zijn plaatsvervanger werd hoe langer hoe grooter en begon reeds op handen en voeten over de vloerkleeden te kruipen, zoodat zelfs de hond schik kreeg in het kleine menschje, dat hem—den viervoeter—zoo natuurlijk nabootste en nu en dan, op zijn beide handjes steunend, het hoofdje ophief en tegen Mama lachend: „Ma-Ma,” stamelde.

Bijouzou ongetwijfeld naar binnen zijn geloopen om, alle jaloezie en afgunst vergetend, met den kleinen jongen te gaan stoeien, indien de herinnering aan Frits’ bottine hem niet had teruggehouden; daarom bepaalde hij er zich toe om van uit de verte toe te zien en van tijd tot tijd, als niemand op hem lette, zijn voorpooten en kop vooruit te brengen, heel zachtjes even blaffend een korten sprong voorwaarts te doen en dan ijlings weer achteruit te springen, in de hoop dat de jonge wereldburger hem zou zien en den eersten stap tot verzoening en toenadering doen.

Eenige maanden verliepen, zonder dat er verandering inBijou’s lot kwam; verstooten en verwaarloosd sleepte hij zijn leven voort, totdat een onverwachte gebeurtenis verandering in zijn toestand bracht.

Op een namiddag was oom Harmsen even komen kijken hoe zijn peetekindje het maakte, en de goede man verheugde zich met „Mama” over de omstandigheid, dat de stamhouder aanhoudend pogingen deed om „het staan”, dat hij al sedert lang verstond, in loopen te veranderen.

„Potdori, Marie! daar steekt hij waarachtig van wal. Hou je roer recht, jongen! Ferm zoo! toe maar! Zorg dat je koers houdt,” riep vroolijk lachend de oude zeekapitein, toen hij zag, dat ’t jonge mensch zijn standplaats bij den fauteuil verliet en naar Marie, die van de canapé haar armen naar hem uitstrekte, kwam toewaggelen.

„Hij is er! Dat’s ’n kerel als Cats.—Marie, ik feliciteer je.”

„Dank u, oom! Kom, beste jongen, nu nog eens geprobeerd. Nu naar oom; toe dan!”

„Komaan maat, zeil maar voor ’t lapje weg,” riep oom en stak de handen uit.

„Waf!—waf! waf!”Bijou, die aan de deur had staan, kijken, kon ’t nu niet langer uithouden; hij wilde meedoen aan dat spelletje, dat hem zoo aardig toescheen, ’t kosttedan wat het kostte! En hij stormde eensklaps naar binnen.

Blaffend sprong hij tegen den kleinen man op, en deze, tegen dien schok nog niet bestand, wankelde, verloor zijn evenwicht, viel op den grond en rolde overBijouheen.

„O God! oom! Gauw! gauw! Die hond is zoo jaloersch. Akiss! vort! Hij zal ’t kind kwaad doen,” gilde Marie haastig opspringend.

„Da!—da!” riep de kleine lachend, en in ’t minst niet verschrikt of angstig greep hijBijoubij den kop en drukte zijn eigen blond krullebolletje tegen de vuilgele met kolenstof bezoedelde haren van den hond, die uit alle macht de wangen van Straling junior likte.

„Wat praat je van jaloersch? Er is geen kwaad aan boord bij dien hond, hoor! Kijk maar, ze zijn al dikke vrinden; ’n verduiveld aardig gezicht om die twee daar met mekaar te zien rollebollen. Kijk dien kleinen rakker hem eens in z’n wammes nemen. Nou, ’t is een lobbes van ’n hond, wat ik je zeg! Die doet je jongen waarachtig geen kwaad; laat ze maar gerust met mekaar spelen.—Toe dan,Bijou, hou je goed,—pak ze.—Ha! ha! daar duikelt hij waarachtig over z’n kop,” riep oom Harmsen, die schik had in de evolutiën van hond en petekind en lachend voegde hij er bij: „Maar als ik je een raad schuldig mag wezen, laat ’t mormel dan eerst eens wasschen.”

„Neen, maar oom! nu wordt het heusch te erg, hij zal ’t kind bezeeren”, riep de jonge moeder, die toch nog met een zekere angst in ’t hart toekeek en nu verschillende pogingen deed omBijouen ’t kind te scheiden.

„Allo! marsch jij, vort! Toe oom, help me dan toch eens. Vort,Bijou!—Ze laten elkaar niet los.—Oom, kom dan toch?”

„Waarom? Laat ze maar begaan.”

„Toe, ventje, kom jij maar weer bij Mama—’t is nugenoeg”—zei Marie, en trachtte den kleinen man op haar schoot te tillen.

Maar neen!—de jongeheer had er nog niet „genoeg” van, hij zette een keel op, spartelde met handen en voeten tegen, en de hond sprong zoo vriendelijk kwispelstaartend om haar heen, dat zij eindelijk wel toegeven moest en de twee speelmakkers met een: „Nu, ga dan in Godsnaam jelui gang maar”, te zamen op den grond zette.

Juist kwam Frits binnen, en toen hij daar vóór zich op ’t vloerkleed dat aardige groepje zag en Marie met Oom zoo hartelijk hoorde lachen om de zonderlinge geluiden, die het stoeiend tweetal voortbracht, riep hij vroolijk: „Zoo is ’t goed. Toe maar, jongens!—Marie, wat dunkt je: zullen wij den vriend van onzen zoon maar niet weer in genade aannemen?”

Een paar weken later zatBijou, netjes geschoren en gewasschen, deftig op zijn oude plaats in het salon en zag oplettend naar zijn vriend, die op Mama’s schoot in Zondagstenue werd gestoken; maar intusschen zei Jaantje tot den infanterist, die na kerktijd even was komen aanwippen en in de keuken front maakte voor een restant vleesch, groente en aardappelen, dat de liefde hem opgewarmd als lunch aanbood: „Janus, ik ga verhuizen; ’t is hier reëel in huis niet meer uit te houwen, want nou heb ik twee mormels te bedienen in plaats van één. ’t Volk lijkt wel gek daarboven: verbeeld je, ’s middags zitten Besjoe en ’t kind ieder op een stoel aan tafel tusschen de ouwe lui in! Zoo ies kan geen fatsoenlijke meid verdragen!”

Hij is sedert lang overleden en van den arme begraven,—vrede zij zijne assche!—maar velen zullen zeker, met mij, zich nog herinneren, dat „de Snoeper” lang Amstels straten liep, als de schaduw van een man, die ’t eenmaal beter had gehad. Menigeen, die dit stukje leest, zal ongetwijfeld met een glimlach terugdenken aan den tijd, toen „Henri” den spotlust der straatjeugd opwekte en, als een halve idioot voortsukkelend, altijd aan den huizenkant der grachten liep, nu en dan stilstaande om de kwajongens, die hem het hatelijke woord „meheer kauwbeen” of „snoeper” nariepen, met zijn stok te dreigen en bevend van kwaadheid te roepen: „Kwède jongens, indien ge mij nog lènger insoleert, zèl ik ’n ègent hèlen!”

Ik zie hem nog duidelijk voor mij. Een klein, verdroogd mannetje met een tanig, verschrompeld gezicht zonder noemenswaarde uitdrukking. De sterk gebogen neus, die in breede beweeglijke vleugels uitliep, hing als ’t ware boven een ingevallen mond, waarin hier en daar zwarte stompjes tand, als de overblijfselen van roofsloten aan een meer, zichtbaar waren. Zijn dunne bloedelooze onderlipvereenigde zich met de lange, vooruitstekende, spitse kin, die, min of meer naar boven geheven, met den krommen neus iets havikachtigs aan het geheele profiel gaf. Enkele spaarzaam ingeplante haartjes deden pogingen om op de naar achteren getrokken bovenlip een knevel voor te stellen en ettelijke grauwwitte stoppels aan kin en wangen trachtten het menschdom te doen gelooven, dat Henri een baard had kunnen krijgen, wanneer de grillige natuur dien niet in zijn wasdom had gestoord.

Zoolang de man zijn ouden, slaprandigen en gedeukten hoogen hoed, die gewoonlijk met een rossigen rouwband was omgeven, ophield, bleef men in den waan, dat hij nog hoofdhaar bezat; maar zoodra hij dat hoofddeksel afnam, verdween die illusie en ontwaarde men een min of meer onzindelijk, biljartbalachtig hoofd, dat van achteren en aan de slapen zeer sporadisch voorkomende, kort afgebroken, grauwe haartjes vertoonde. Wenkbrauwen had hij eenmaal bezeten, en zijn oogen—wanneer men de glanslooze, groezelige, met bloed doorloopen weeke massa, die de haarlooze en roodgerande openingen vulde, zóó kan noemen—waren steeds half dichtgeknepen, als schuwden zij het licht, en met moeite onderscheidde men een paar matte, bijna geheel met een grijsachtig vlies bedekte oogappels, die onomstootelijk bewezen, dat „de Snoeper” zeer slecht van gezicht was.

Een dunne, gevaarlijk dunne, hals verbond het min of meer te groote hoofd aan een lichaam, dat kegelvormig, schier zonder schouders eindigde in een paar kromgetrokken beentjes, rustende op twee damesvoetjes, met in staat van ontbinding verkeerende bottines bekleed, of in schoenen gestoken, die bij iederen tred dreigden uiteen te vallen. Zijn kleeding was „shabby genteel” in de vijfde macht en bestond ’s zomers uit twee, ’s winters uit een drietal jassen zoodanig over elkander aangetrokken, dat de ondereinden,de panden, amphitheatersgewijs zichtbaar waren en rafelend bewezen, dat zelfs goed laken of andere beste stoffen den tand des tijds niet kunnen weerstaan. Met een minimum van knoopen werden die jassen dichtgehouden over een vest dat.... Neen! laat ik over dat vest liever zwijgen; ’t was rijp voor den papiermolen.

Een pantalon, aan de ondereinden omgeslagen, omdat de kleermaker die eenmaal voor langere en meer gevulde beenen aanmat, fladderde als ’t ware om de dunne loopzuilen van den Snoeper, die, met een sterken knik in de knieën loopend, zich door de hulp van een scherp gepunt stokje in evenwicht hield, zoodra ’t glad was of glibberig op straat. Iets was er echter aan den man, dat hem bepaald behalve „shabby” ook „genteel” maakte, en dat iets was een tamelijk zindelijk halfhemdje en een boordje, dat met een vrij helder blauw, rood of groen dasje zijn sterk naar voren komenden adamsappel en pijpesteelachtigen hals omsloot. Wáár hij dat halfhemdje telkens weer deed wasschen, stijven en strijken, zal wel altijd een raadsel blijven, evenzeer als ’t nog steeds in ’t duister ligt van waar hij de steeds min of meer witte manchetten kreeg, die zijn polsen omgaven en sterk afstaken tegen de glacé-handschoenen die hij droeg, winter en zomer.

Die handschoenen bleken op zichzelf een studie waard; zonder twijfel waren ze niet van ’t nummer, dat hij had moeten dragen, want meestal zagen ze om zijn handen er uit als de opperhuid van een tachtigjarige negerin. Hij versmaadde alle knoopjes en schalks keken zijn vingertoppen door ’t leder, terwijl zij nagels, die in diepen rouw waren over ’t verval van hun eigenaar, lieten zien. Afwisselend waren die handschoenen bruin, chamoiskleurig of zwart; soms zelfs droeg hij links een zwarten, rechts een bruinen of gelenJouvin; daarop lette hij niet zoo heelnauwkeurig; misschien ook speelde hem zijn slecht gezicht daarbij een part.

Het stokje, dat hem trouw vergezelde, was evenzeer een curiositeit, want ’t had voorheen in een parapluie dienst gedaan en was op de behoorlijke lengte gebracht door een timmerman aan wien Henri—hij zag hem op straat aan een schaafbank werken—gevraagd had: „Och! vrind, zèg me eens twee centimeters vèn dit stokje èf.” Een vriendelijke blikslager had het stokje van een ijzeren punt voorzien, doch verzuimd de verraderlijke knipveertjes, onder en boven, te verwijderen. Met een zekere „chic” droeg hij bij goed weder dat stokje onder den arm of over den schouder, soms draaide hij het zwierig rond, terwijl hij op zijn langzaam sukkeldrafje verder liep; in ’t barre jaargetij gebruikte hij het als balanceerstok.

Gemeenlijk gluurde uit zijn borstzak een wit of rood tipje, dat daarbinnen een zakdoek deed vermoeden, en als het lente was of zomer werd, stak naast dien zak, in het verminkte knoopsgat, iets geels of iets groens,—waarschijnlijk het lijk van een lang verloren kind van Flora, dat hij gevonden had.

In zijn bewegingen was hij langzaam, afgemeten en deftig; nooit versnelde hij zijn pas, zelfs dan niet, wanneer de straatjeugd hem het leven zuur maakte en „meheer kauwbeen!” riep.

Met degrandezzavan een CastiliaanschenHidalgoen stoïcijnsch als een Spartaan vervolgde hij zijn weg, zonder zich om de verschillende epitheta, die men hem nariep, te bekommeren. Maar trof hem het een of andere projectiel, dan ontwaakte zijn gevoel van eigenwaarde, en bovenal wanneer dit werptuig een hippologisch spoor op zijn jas of hoed achterliet, keerde hij zich, met zijn stokje dreigend, om en riep, inwendig ziedend van toorn, niet zonder eenigvalsch pathos: „Kwède jongens,” „insolente jongens”, of „onbeschèmd rèpèlje!”

Zijn stem klonk min of meer heesch en rauw als van iemand, die ’s avonds van te voren veelChambertinheeft gedronken of lichtelijk verkouden is; daarbij was zijn uitspraak beschaafd, zelfs eenigszins geaffecteerd, ietwat „Hègsch.” Meestal volgde bij de jeugd een uitbarsting van hilariteit op zijn woorden en ging er een gejuich op, dat hem schouderophalend deed zeggen: „Onbeschèfd en dom tuig! Dèr is niets vèn te wèchten.” Hoofdschuddend vervolgde hij dan zijn weg.

Waarvan hij leefde?

Weinig menschen wisten het; men geloofde, dat hij bedelde, maar dàt was zoo niet; misschien zou hij niet te trotsch zijn geweest om van deze of gene medelijdende ziel iets aan te nemen, maar hij vroeg nooit en aan niemand.

Hij leefde van zijn vroegere vrienden, die—gedachtig aan de dagen van Olim, toen zij, met hem, op de met alle comfort ingerichte kamers, die hij „en garçon” bewoonde, gastreerden—hem wekelijks een kleine toelaag gaven.

Wanneer de arme man geen „passies” had gehad, zou die toelaag, met eenige bijverdiensten, die hij als welopgevoed man door schrijfwerk of iets dergelijks zeker had kunnen vinden, hem voor gebrek hebben behoed niet alleen, maar zelfs een bescheiden stuk brood hebben verschaft. Helaas! hij had wèl passies, de ongelukkige,—en die hartstochten waren:beminnenensmullen.

Toen hij nog „le beau petit Henri” en „in bonis” was, had hij veel liefgehad, maar altijd op een nette, kranige manier. Als een veroveraar was hij rondgegaan en had zijn zegekar triomfantelijk gereden, totdat hij moede van ’t overwinnen zich rust had gegund bij een vriendin, die hem, naar hij beweerde, op de handen droeg, maar die hemzonder twijfel op diezelfde poezele handjes naar de Ommerschans of Veenhuizen zou hebben gebracht, indien zij niet een weinig te vroeg gestorven was, hem niets nalatende dan eenige onbetaalde rekeningen en een lichte aandoening van ’t ruggemerg, die hem beverig en schrikachtig maakte. Die goede vriendin had hem na aan ’t hart gelegen, zóó na, dat hij bijna ontroostbaar was en alles aanwendde om verstrooiing te vinden voor zijn sombere gedachten. Eindelijk gelukte hem dit in ’t gezelschap van eenige dames, die de lieve overledene hadden gekend en vriendelijk haar best deden om door liefde en toegenegenheid Henri zijn bitter leed te doen vergeten. Hij werd minder somber, zelfs vroolijk, soupeerde, dineerde en adoreerde evenals vroeger; en hadden niet nu en dan zijn maag en rug hem gehinderd, hij zou geheel en al weer de oude zijn geworden.

Uit vermogende ouders geboren, opgevoed—neen! juist niet opgevoed, maar verwend—door een al te toegevende, dwaze moeder, die vroeg weduwe werd, had hij al de weelde leeren kennen, die een rijk patriciër zich kan en mag veroorloven. Vóór den tijd meerderjarig verklaard, na moeders dood, en in ’t bezit gekomen van een vrij goed fortuin, was hij door goede vrienden, zoowel als door lieve vriendinnen, die volgens eigen zeggen „trotsch op hem waren”, geworden hetgeen hij was: een doeniet, een „noceur” die nimmer één enkelen cent had weten te verdienen, maar met chic wist uit te geven en uitgaf, totdat zijn passiva de activa verre overtroffen.

„En privé!” zoo geheel „onder onsjes” was Henri toen „over den kop gegaan”; zonder veel drukte of omhaal werd alles netjes en vlot beredderd, en toen hij „schoongemaakt” was, zooals de vrienden zeiden, bleef hem niets over dan zijn bed, zijn garderobe en—zijn passies!

De vrienden waren in die omstandigheden hartelijk genoeggeweest; ze hadden hem van alles beloofd—en waren toen hun eigen weg gegaan, en zijn vriendinnen schreiden en klaagden, totdat zij met een hartelijken kus van innige deelneming hem verlieten. Zij konden zijn verval niet met droge oogen aanzien: daarvoor waren zij veel te zenuwachtig en te gevoelig georganiseerd.

„Pauvre petit Henri!” zei de laatste, die met hem had gesoupeerd. „Pauvre garçon, probablement nous ne nous reverrons jamais!” Zij sprak slechts Fransch—die lieve dame, maar zij meende het daarom even goed.

Henri zag haar zuchtend na; hij had altijd fijne vriendinnen gehad, die Fransch spraken, een „pâté aux truffes de Périgord” wisten te waardeeren en op een prik het onderscheid proefden tusschenVolnayenChâteau du Pape. Nu vreesde hij, dat hij die conversatie zou moeten opgeven.

Van zijn vrienden hoorde of zag hij weinig; allen hadden, de een meer, de ander minder, hun handen vol met allerlei zaken, die al hun tijd in beslag namen. Enkelen waren getrouwd en verzekerden hem met tranen in de stem, dat zij hem „gaarne, o! zoo gaarne bij zich aan huis zouden ontvangen om van tijd tot tijd door een familiaar diner, zijn soupers, diners en soirées van vroeger te réciproceeren, maar ... hum!—zij hoopten niet, dat hij ’t kwalijk zou nemen—hun vrouwen hadden de reuke van heiligheid, waarin Amice Henri stond, reeds van verre vernomen en daarom ... hum! hum! ’t Speet hun ijselijk en ’t lag heusch alleen aan de vrouw, maar .... hum! hum! Als zij hem dus misschien—altijd zonder hem te beleedigen—konden assisteeren met een tientje of een bankje, dat hij later kon teruggeven, als ’t hem convenieerde, dan .... hum! van harte, hoor!—van harte!”

Henri was een goeie jongen, in ’t geheel niet trotsch; hij voelde zich in ’t minst niet gekrenkt of beleedigd doordat aanbod; hij zou ’t immers, zoodra hij een betrekking had, in dank restitueeren en—zonder blozen deed hij zoo’n tientje of meer in zijn toen nog elegante portemonnaie verdwijnen.

Slechts één enkele vriend had hem geen geld, maar een bescheiden plaats op zijn kantoor aangeboden; ’t salaris was wel is waar niet groot, maar toch voldoende om van te leven, wanneer hij slechts de tering naar de nering zette.

Dat was een uitkomst! De elegante Henri maakte plaats voor den kantoorbediende? O, neen! het kantoor werd alleen een eleganten bediende rijk, dat was alles.

De chefs konden er niet beter „gesoigneerd” en „fijner” uitzien dan Henri, die met de betrekking en het daaraan verbonden salaris ook zijn passies—hoewel min of meer gewijzigd—met nieuwe kracht voelde ontwaken.

Op het kantoor werd niet veel, bijna niets van zijn werkkracht gevergd; dat beviel hem zeer; hij was er en deed dus meestal alsof hij er niet was.

Men duldde dat, wijl de beschermende vriendenhand, die machtig genoeg was om hette kunnen doen, zich bleef uitstrekken over Henri’s hoofd, waaromheen de haren langzamerhand de gedaante van een aureool begonnen aan te nemen. Eenige jaren bleef alles gaan, zooals ’t ging, totdat de aureool verdween te gelijk met de beschermende hand.

„Er was niets met dienpanier percéaan te vangen”, beweerden de patroons, en gedachtig aan het „en leid ons niet in verzoeking” verwijderde men Henri van cassa en lessenaar. Met een „douceur” als afscheid vertrok hij, onbetreurd en onbemind, niet naar zijn kamers, maar naar een vriendin, die hem na zijn oorspronkelijke onttroning nu en dan aanhankelijkheid had getoond.

Hij nam bij haar zijn intrek. Zij was geen bloem vanvreemden bodem, maar had bij een der Françaises, die Henri vroeger kende, „meheer wel ereis ontmoet, als zij bij ’t schoonmaken hielp”. Zij was niet jong meer, ook niet schoon, maar ze had een goed hart en nogal „kennisjes”, die aan meheer, toen hij nog in goeden doen was, wel eens verplichting hadden gehad. Hier en daar vond hij nu, als oude bekende, een uurtje van gezellig verkeer; maar toen ook dedouceur, ja zelfs de opbrengst van zijn garderobe en de weinige kostbaarheden die hij bezat waren omgezet in liefde, punch en wijn met gebak, bleven zelfs de meest vervelooze kamerdeuren voor hem gesloten en zocht hij zijn heil op de straat; ook daar maakte hij soms nog kennissen, maar—ze waren er dan ook naar. Die kennismakingen op de straat en de avondlucht waren verderfelijk voor Henri: hij werd er ernstig ziek van en in ’t gasthuis had hij lang, zeer lang, tijd om na te denken, hoe hij zoover gekomen was.

Sedert jaren reeds had hij ’t werkwoord beminnen niet meer in ’t Fransch, maar in zijn moedertaal vervoegd; de toekomende tijd was er voor hem reeds geweest en na zijn herstel verdween ook de voorwaardelijke te gelijk met zijn laatsten cent.

Lichamelijk en geldelijk had hij afgedaan; alles was op!

Hij was de ruïne van een mensch: droef en akelig ging zijn zon onder, voordat ze de volle middaghoogte had bereikt, en de volle maan bescheen zijn bouwval.

Kil en koud sloop hij verder door ’t leven. In ’t gewoel der groote stad in den menschenstroom verdween hij en bleef langen tijd verscholen—onder water—totdat op zekeren dag bij een van de oude, gezellige vrienden van vroeger, een mannetje verscheen, dat op de schaduw geleek van Henri, die allen zoo goed hadden gekend. Als de doffe echo van een bekende stem, weerkaatsend langs de brokkelendewanden van een uitgebranden krater, klonk zijn bede om hulp,—om brood!

Nogmaals ontfermden zich eenige vrienden over den gastheer van voorheen; zij sloegen de handen ineen en brachten een klein wekelijksch inkomen tot stand voor Henri—met zijn passie: want één passie was hem nog trouw gebleven, namelijk „het smullen.”

„Le beau petit Henri des dames” was in ’t gasthuis en in het straatvuil overleden,—het Amsterdamsche type „Henri de Snoeper”, alias „meheer Kauwbeen” was geboren.

„Bonjour, m’nèr!” zegt „de Snoeper”, in een der voornaamste Amsterdamsche sigarenmagazijnen binnenkomend.

Met schrik bemerkt de winkelier den van dag tot dag zich onsmakelijker voordoenden klant, maar goedhartig als hij is en gedachtig aan de tijden van weleer, toen hij Henri gaarne in zijn winkel zag komen, wil hij hem niet bot-af de deur wijzen en antwoordt flauwtjes: „Morgen, m’neer!” maar brengt, te gelijk eenige op de toonbank open uitgestalde kistjes sigaren in veiligheid, omdat hij bij ervaring weet, dat „de Snoeper” de gewoonte heeft om in de kistjes te grabbelen, de sigaren „en fin connaisseur” in de hand te nemen, te bekijken, te beruiken—en o, die handen......!

„Èngenèm weer vèndèg”, klinkt het verder uit den mond des bezoekers, die intusschen zijn gebulten hoed afneemt en voorzichtig nederzet, terwijl hij zijn stokje er naast legt of tegen den kant der toonbank doet leunen.

Medelijdend glimlachend ziet de winkelier zijn bezoeker aan, als deze zijn glacé-handschoenen uittrekt, ze nonchalant in zijn hoed werpt en dan, uiterst beleefd, vervolgt: „Ikwenschte wel, dèt u mij eens een pèr soorten sigèren liet zien vèn zes à ècht cents ’t stuk, mèr met Hèvènè-dek; ènders kèn ik ze niet rooken, en, èls u ze heeft, tèmelijk zwèr.”

Om alle onaangenaamheden te voorkomen biedt de winkelier zijn klant geen kistjes aan, maar legt hem van verschillende soorten sigaren eenige stuks voor en wacht.

Voorzichtig, chic, tusschen duim en wijsvinger, neemt „de Snoeper” achtereenvolgens van elk de ter keuze gelegde soorten een sigaar, op, ruikt er aan, tracht met zijn halfblinde oogen de kleur van ’t dekblad te onderkennen en vraagt:

„Welken nèm hebben ze?”

„Flor de Sevilla, Conchas.”

„Èh jè! connu, die heb ik vroeger ook veel gerookt; die wèren niet slecht, mèr wèt heel zwèr. En die ènderen?”

„Cuba es mi Patria.”

„Uitstekend! Die heb ik èltijd gèrne gerookt; ik zèl dèrvèn een nemen èls monster.—Zes cent, niet wèr?”

„Pardon, acht cent!”

„O! ik wès in den wèn, dèt ze zestig gulden wèren; mèr ’t is zoo, ik herinner me, ze wèren vèn tèchtig. Ik zèl deze eerst probeeren: wènneer ze me bevèllen, wil ik er wel meer vèn hebben.”

De sigaar wordt opgestoken en met een: „Au revoir, m’nèr” zet „de Snoeper” zijn hoed op, neemt zijn stokje in de hand, slaat er eentrois-quarts-parademee door de lucht en verlaat den winkel, medelijdend nagestaard door den winkelier, die hem de sigaar gaarne had willen schenken uit oude connectie. Hij heeft het zelfs eenmaal geprobeerd, en toen hij zeide: „Houd het geld maar, u kunt de sigaar toch wel opsteken”, trots ten antwoord gekregen: „Merci!ik kom èls klènt, niet èls bedelèr.”

Sedert dien tijd behandelt hij „de Snoeper”, niettegenstaande diens afschuwelijk uiterlijk, toch met een zekere medelijdende onderscheiding.

Langzaam de sigaar genietend gaat de ongelukkige verder tot aan een comestibelen-magazijn; ook dáár kent men hem, en de juffrouw stoot giegelend den winkeljongen aan, als „Kauwbeen” binnenkomt. Ook daar neemt hij „gentlemanlike” den hoed af, maar zet dien niet op de toonbank, omdat de patroon hem eens gezegd heeft: „Meneer! de toonbank is wel eens vettig; ik zou u niet raden uw hoed er op te zetten.” Die comestibelenhandelaar was een verkapte diplomaat!

„Geef mij eens een onsgèlèntine aux truffes, mèr wees zoo beleefd het goed in te wikkelen in pèpier.” Begeerig snuift hij in dat magazijn de lucht vanFromage de Brie,Emmenthaler,Saucisse de Boulogne, Ossentong en Salamie op; hij maakt volstrekt geen haast om weg te komen, zoekt langzaam de twintig centen voor het ons galantine bijeen, bergt het zorgvuldig in den achterzak van een zijner jassen en trekt langzaam zijn handschoenen weer aan, die hij had uitgedaan om gemakkelijker het geld te kunnen tellen—of om tijd te winnen. ’t Is alsof hij zich aan die mengeling van geuren wil te goed doen; zijn neusvleugels worden wijder en onbewust opent hij zijn mond een paar malen, als kon hij door ’t inademen dier vluchtige deelen van kaas en vleesch verzadigd worden.

Zijn derde bezoek gold een bakkerswinkel.

Met den bakker maakt hij weinig omslag; ’t artikel brood is ook te gewoon. Met den hoed op ’t hoofd, zijn stokje in de hand, koopt hij twee „pains de luxe”, maar vraagt: „In pèpier,s’il vous plait!”

De broodjes verdwijnen in een zijner zakken en hij wandelt verder tot aan een banketwinkel. Ook daar schijnt hijeen vaste klant te zijn, want zoodra de juffrouw zijn nadering bemerkt, schuift zij de schotels met taartjes en cakes zoo ver mogelijk buiten ’t bereik van den klant, die zich niet ontziet om ze, vóórdat hij ze koopt, liefkoozend te bevingeren.

„Wil u de beleefdheid hebben, mij ’n pèr zèndtèrtjes te geven?” vraagt hij, na te zijn binnengetreden.

„Van ’n stuiver ’t stuk?” klinkt het min of meer ondeugend van de lippen, der juffrouw; zij kent immers zijn stereotiep antwoord:

„Pèrdon! voor ditmèl mèr vèn ’n hèlven stuiver.”

Soms veroorlooft hij zich nog de weelde van een roomhorentje of een confituurtaartje, dat hij o! zoo chic en o! zoo langzaam vóór de toonbank verorbert, tot ergernis van de juffrouw, die, zooals zij ’t noemt, haar hart vasthoudt dat er op ’t oogenblik, dat „meheer Kauwbeen” er is, dames zullen binnenkomen. Hij haast zich volstrekt niet en praat al etend met de winkeldochter: „Ik heb indertijd dikwijls vèn die côtelettes en robe de chèmbre hier vèndèn gehèd; dèr hèd de pètroon bepèld slèg vèn om ze èppètissènt te prépèreeren,” zegt hij, kruimken voor kruimken kauwend. „Ik woonde toen ter tijd op kèmers op ’t Rokin; ’t is onèngenèm voor me, dèt ik me lèter min of meer moest ... hum!... Enfin! ik heb...” Daar komen eenige dames binnen, en de winkeljuffrouw, die hem tot dusverre heeft aangehoord, zegt eensklaps: „Ik krijg zeven en een halven cent van u!”—„Oui, Voilè!” De Snoeper betaalt en verwijdert zich na eene hoffelijke buiging tegen de binnentredende dames te hebben gemaakt en met een glimlach om zijn tandeloozen mond de woorden te hebben geuit: „Sèlut à lè beauté!”

Nog is zijn proviand-tocht niet ten einde, want na een vrij lange wandeling is hij in een van de achterbuurtender stad gekomen. Voor een koffiehuis van den achtsten rang staat hij stil, grijpt even met zijn hand in den zak en telt, zonder dat iemand het ziet, zoo gelooft hij ten minste, de rest van zijn geld; ’t bedrag valt hem zeker mede, want in plaats van het „koffie- en chocolaadhuis” binnen te gaan, keert hij op zijn schreden terug en treedt een koomenij binnen, koopt daar—niemand ziet het immers—een ons zoetemelksche kaas en twee gesmeerde kadetjes, maar beide „in pèpier.”

In ’t chocolaadhuis zitten eenige werklieden, die, zoodra hij binnenkomt, beginnen te lachen en hem toevoegen: „Zoo, papa Kauwbeen! ben je daar weer? Kom je schaften?” Hij antwoordt niets, maar ziet hen met diepe verachting over den schouder aan, als hij zoo ver mogelijk van hen af aan een tafeltje gaat zitten en kortaf roept: „Een kop chocolèd!”

Dan ontvouwt hij het „pèpier”, belegt met zijn vingers de twee kadetjes met het ons kaas, breekt ieder broodje in vier stukken en eet met smaak, nu en dan zijn maal afwisselend door een teug melk-chocolade.

„Zeg, Snoeper!” schreeuwt een van de werklieden, die, met beide ellebogen op tafel steunend, uit een kom koffie drinkt en een dikke boterham met roggebrood voor zich heeft liggen, „zeg, waar heb jij nou weer die kaas opgedoken?”

„Och, laat hem zitten, hé!” vraagt de bedienende kastelein, en glimlachend voegt hij er bij: „Meneer doet jou immers niks!”

„Meneer? ’n Mooie meneer!” grinnikte de werkman.„’k Wou om de dood niet graag zoo’n heer wezen.”

„Och hij is halfsuf, laat ’m zitten, Karel; hij is toch vroeger ’n heer geweest,” zegt de kastelein halfluid, en zachter voegt hij er bij: „Hij is van voornaam komaf, maar z’n femielie is sjofel geworden net als hij zelf; ’t is ongelukkig genoeg, dat ie nou van de gift leven moet.”

„Wat weêrga, laat ’m dan gaan werken: wij moeten ’t toch ook doen.”

„Hij werken? Kijk ’m ereis goed an: daar is ie veel te petieterig voor.”

„Hum ja! je hebt gelijk: daar is hij te miserabel voor.—Afijn laat ’m voor mijn part maar zitten; ik wil nog niet eens met ’m ruilen met al zijn komaf.”

Intusschen eet de Snoeper, die ’t gesprek niet gehoord heeft, zijn broodjes; de laatste kruimeltjes, die op ’t papier liggen, tipt hij één voor één met een vingertop op en ’t laatste druppeltje chocolaad heeft hij met een stukje brood uit den kop geveegd.

Hij betaalt, steekt het eindje van zijn sigaar weer op en vertrekt zonder iemand der aanwezigen te groeten; alleen den kastelein knikt hij heel voornaam even toe, als hij de deur uitgaat.

De voorraad, dien hij in zijn zakken heeft, dient nu als teerkost op den weg; want—hij wandelt, wandelt als Ahasverus, zonder rust, zonder verpoozing. Dan ziet men hem hier, dan weer daar, en altijd peuzelt hij uit zijn zak; zijn kakebeenen zijn voortdurend in beweging, en heeft hij niets te kauwen in werkelijkheid, dan nog bewegen zich zijn kaken werktuiglijk heen en weer als eenperpetuum mobile.

Zóó was de Snoeper, zóó zag ik hem, toen ik mij de moeite gaf hem na te gaan en te volgen, zonder dat hij ’t wist. Wat ik verder over hem vernam was dit. Hij vroeg nooit aan oude bekenden om ondersteuning, maar hij had er toch een zekeren slag van om langs diplomatieken weg zijn financiën voor ’t oogenblik te verbeteren, en wel op de volgende manier. Wanneer hij den een of anderen kennis van vroeger ontmoette, die niet tot de wekelijks contribueerenden behoorde, hield hij hem staande en zei:„Hébonjour!Hoe mèk je ’t? ’k Hèd in leng ’t genoegen niet je te zien; ik zou je wel eens hebben opgezocht, mèr—c’est triste a dire—mijn gèrderobe is op ’t oogenblik nietpremier choix. Ik heb hélès! veel geld verloren, mèr juist doordien ik fètsoenlijk mensch wou blijven. Ik heb nu èlleen ’n kleine lijfrente wèrvèn ik existeer; wènneer je dus eens iets voor me hoort, de een of èndere betrekking, die niet déshonorèbel is, dèn zul je me obligeeren door me te recommèndeeren; wènt, sèns bèdinège, ik heb ’t zeer noodig, ik kèn je èls ouwen kennis welentre-nousvertellen, dèt ik ’t hoog noodig, zelfs zeer hoog noodig heb.”

Wanneer dan de aangesprokene, bewogen door des „Snoepers” ellendig uiterlijk, hem een gulden, soms zelfs een rijksdaalder in de hand wilde leggen, weigerde hij dien eerst met een: „Pèrdon! zóó wès ’t niet mijn intentie; ik ben goddènk nog geen bedelèr, mèr èls ik er je genoegen mee doe, wil ik ’t momenteel wel èccepteeren, op conditie dèt ik ’t je, zoodrè ’t me convenieert, in dènk restitueer. Èdieu! ik hoop me spoedig te revèncheeren.”

Van dat „revèncheeren” is nooit iets gekomen—alleen de natuur nam „revanche” op de afwijkingen van „Kauwbeen”, want vóór zijn 48ejaar stierf hij in ’t Buitengasthuis aan herzenverweeking. Niemand beweent hem, niemand verliest iets aan hem—want hij had voor niemand geleefd dan voor zichzelf. Een onnut leven is geëindigd, een zonderling straattype is verdwenen—ziedaar zijn grafschrift!

Een bitter koude, donkere winteravond!

Zwaar van hagel en sneeuw, dreigen de wolken in het uitspansel, gereed om hun last over de koude, harde aarde uit te storten, zoodra de scherpe oostenwind hen niet meer bedwingt door zijn kracht.

Nu en dan, als hij zijn verstijvenden kouden adem een oogenblik inhoudt, ontsnappen aan de wolkgevaarten kleine scherpe ijskristallen, die naar den grond dwarrelen, als de geeselende voorboden van nog strenger vorst. De maan heeft zich verscholen in het donzig wolkenbed, en slechts dan wanneer de wind de wollige sprei, die haar gelaat bedekt, even scheurt of oplicht, gluurt zij, uit een bleekrooden krans, naar de wereld onder haar.

Slaperig en beneveld ziet zij op de slechts hier en daar nog met witte plekken bestipte daken der huizen, of in de straten en stegen, waarin de sneeuw grootendeels reeds is weggevroren of verpoeierd opstuift, als een windstoot gierend tusschen de huizen blaast.

Donker en somber teekenen zich gebouwen en torens af tegen de vale plekken in de lucht. Hier en daar smelten alle omtrekken samen tot één vormeloozen, zwarten klomp,nauwelijks te onderscheiden van de dikke, zware wolken, die den nacht bijna volkomen maken.

Heldere strepen, vierkanten en ruiten van rosachtig geel licht breken op verschillende plaatsen, lager of hooger, krachtig door dat duister; ’t zijn de verlichte vensters van de huizen.

Het Centraal-station staat tegen de donkergrijze lucht, als een zwarte massa, alleen gebroken door een groote, langwerpig vierkante plek helder licht, den ingang. De schijn der gasvlammen blinkt tegen de ijskegels, aan den gevel en tintelt in de sneeuwdeeltjes, die op de houten trappen van het gebouw glinsteren.

Een lange rij lichten, op gelijke afstanden van elkaar staande, links van het station, wijst de standplaats aan der huurrijtuigen, op de reizigers wachtend, die met den laatsten trein moeten aankomen.

’t Is kwartier voor elven.

Om elf uur drie minuten moet de trein het station binnenstoomen en zal de betrekkelijk vrij groote kalmte, die nu bij, om en in het gebouw heerscht, plaats maken voor zenuwachtige drukte en haast.

De koetsiers van „de aapjes” en vigilantes trappelen op en neer naast de geduldig onder hun dekens stilstaande paarden, waarvan een enkel nu en dan met den kop schudt of een der voorpooten oplicht, om met zijn hoef de straatsteenen te krabben, als wilde het dier de beweging van zijn meester nadoen.

De wachthebbende politie-agent heeft tijdelijk een schuilplaats gezocht in de vestibule bij de middendeur en ziet met verlangen uit naar het oogenblik, waarop hij zijn kouden post voor het warme bureau zal kunnen verwisselen.

Een eind voor het station, bij het begin van den oprit, staan een paar vigilantes, die telkens, als een passagierinstapt, beven en sidderen voor zich zelve en voor den roekelooze, die zich waagt aan vehikels met paarden er voor, die betere dagen hebben gekend en rijp zijn om binnen korten tijd te veranderen in zoolleer, goedkoope biefstuk of best rookvleesch.

’t Zijn een paar „snorders”, zooals men te Amsterdam dat soort van vervoermiddel noemt.

De stationneerde rijtuigen behooren tegenwoordig aan eene maatschappij, die ze tegen een bedongen prijs, hooger of lager, al naarmate van de standplaats die zij innemen, verhuurt aan koetsiers, die volgens een door burgemeester en wethouders bepaald tarief moeten rijden en hun verdienste vinden in het verschil tusschen het geld, dat zij voor de ritten ontvangen en den huurprijs dien zij betalen. Gewoonlijk houdt de koetsier van een gestationneerd rijtuig of aapje een tamelijk goed weekloon over en kan daarvan, wanneer Bacchus hem niet de baas is, met een gezin vrij goed, soms zeer goed leven. De „snorder” daarentegen is in den regel in dienst bij een baas, die één of twee invalide oude rijtuigen bezit en even zooveel afgeleefde knollen op stal heeft. Soms rijdt de baas ook zelf, maar dan is gewoonlijk het voertuig zoo onaanzienlijk en van een zoodanig verweerd en vermolmd soort, dat het, evenals de uilen, alleen des nachts op straat komt en in ’t duister ontsnapt aan ’t valkenoog der inspecteurs van het voerwezen, of oogluikend wordt toegelaten, als die ambtenaren menschelijk genoeg zijn om den armen baas een stukje brood te gunnen.

Zulke open of dichte wagentjes worden meestal alleen door benevelde of vroolijke nachtvogels gebruikt, en nergens weten de kreupele paarden, die er voor zijn gespannen, zoo goed den weg als op den Zeedijk en in de Nes.

De „snorder”, die door een knecht gereden of bestuurd wordt, staat, hoewel geen sport, toch iets hooger op deladder van ’t voerwezen. Hij vertoont zich den geheelen dag en doet afbreuk aan de rijtuigen der maatschappij en der grootere stalhouders. ’t Is in zeker opzicht een vrijbuiter. Hij neemt wat hij krijgen kan, zonder zich aan een tarief te houden, loert aan de stations op argelooze passagiers, die geen ander rijtuig meer konden krijgen, en rijdt verder stapvoets dan hier dan daar rond langs pleinen en straten, om een vrachtje op te snorren.

’t Is voor den knecht meestal een schraal stukje brood, want de baas betaalt hoogstens 4 à 5 gulden ’s weeks en laat verder zijn koetsier aan de weldadigheid der passagiers over. Is zoo’n knecht niet eerlijk, dan... Doch ’t is plicht te gelooven, dat iedermenschals „goud” is, en daarom nemen we aan, dat de beide snorders, die op den kouden winteravond in de nabijheid van het Centraal-station hebben heen en weer gereden en nu naast elkander, op eerbiedigen afstand van den politie-agent stilstaan, voor de belangen van hun respectieve bazen in alle deelen opkomen zooals ’t behoort.

„’t Is weerlichts koud van avond”, zegt de een tot den ander, die evenals hij, naast zijn paard staat te trappelen.

„Nou sicuur, hoor! M’n beenen vallen haast af.—Zeg, Bobberd! heb je nog tabak?” is ’t antwoord.

„Geen draadje meer, manke! Anders... Viegelantje, meheer?” De Bobberd spreekt een heer toe, die hem rakelings voorbij gaat, en slaat met kracht zijne koude handen samen, als applaudisseerde hij zijn eigen woorden. „Viegelantje, meheer?”

„De manke” biedt evenals zijn kameraad herhaaldelijk zijn rijtuig met een: „Rijtuig, meheer?” of „Viegelant assieblieft?” aan de enkele menschen aan, die iemand of iets van ’t station moeten halen en die zich om die vraag even weinig bekreunen als om den jongen, die op een sukkeldrafjede menschen naloopt en met bibberend stemgeluid vraagt: „’N doossie lucifers, heeren?”

„Zeg, Bobberd?”

„Nou?”

„Er staan een boel gestationneerden van avond; ’t is bepaald weer mis; ’k heb vandaag nog geen gulden gemaakt aan fooien! en geen enkele sigaar: ’n kale boel. Ba!”

De Bobberd is een roodneuzig, opgezet drankvet-individu, die dezen bijnaam aan zijn lichaamsomvang dankt. Met heesche stemantwoordtde Bobberd:

„Ik ook niet, ’k ben casuweel zonder; anders heb ik altijd sigaren plentie: ’k rij nogal veel heeren, weet je?”

„Ja, jij bent gelukkig,—je hebt haast altijd volk; maar ik—ik veeg[1]gewoonlijk. ’t Is een miserabele tijd: de menschen worden hoe langer hoe schrieler.”

„Dat komt door de algemeene melaise, manke!”

„Wat is dat?”

„Dat weet ik niet; maar iedereen zeit het, en dan zal ’t wel waar wezen. Ik geloof, dat het zooveel beduidt alsdat er in zaken van handel temet niks niet te doen is. Maar je hebt gelijk, ’t is benauwd tegenwoordig; ik heb verleden week nog geen tien gulden gehaald met fooien en al.”

„’k Wou, dat ’k ze maar alle weken had”, antwoordt de manke met een zucht, terwijl hij de toppen van zijn wanten in den mond steekt en er uit alle macht op blaast.

„Wat heb jij vast bij je baas?”

„Ik, Bobberd? Vijf gulden tien!”

„Blikslagers! dan ben jij ’t heertje, hoor! Dan heb jij een halven gulden meer dan ik.—Daar moet ’k mijn baas ereis over aanspreken.—Prrr! knol sta stil!”

„’k Had vroeger ook vijf gulden, maar een jaar geledensloeg die ouwe dragonder—je hebt hem wel gekend, ’t was een witvoet, een nijdige rakkerd zoo oud als hij was,—m’n linkerbeen stuk. ’k Heb dertien weken in ’t Gasthuis gelegen, en toen ik er uitkwam, gaf de baas me twee kwartjes verhooging.”

„Nou, dan mag jij onzen lieven heer wel danken voor dat beentje; dat ’s vijftig centen per week waard.”

Terwijl hij dit zegt, lacht de Bobberd zóó, dat zijn breede, tabaksbruine mondhoeken zich bijna tot zijn ooren vertrekken. „En ben je er nou al rijk door? Neen, hé? Je bent even sjofel als ik; vroeger had ik regelier een gulden of acht aan fooien in de week en nou nog geen vijf.”

„Nou, en ik had verleden week nog geen vier gulden; en ’k geloof waarachtig, dat ’k van deze week ze niet eens haal.”

„Klagers hebben geen nood, manke!—Prrrrr! Jan, hou je gemak, jongen; we gaan zoo naar stal.—Ja, wat ik zeggen wou: jij bent immers getrouwd, hé?”

„Ja, natuurlijk!”

„Kinderen?”

„Zeven!”

„Godzegenme!—Satansche knol! wat mankeert jou van avond?—Een hok vol. Zie je, daar heb ik nou geen last van; ik heb geen kinderen.”

„Ei! hoe komt dat zoo, Bobberd?”

„Omdat ’k geen vrouw heb; ’k ben een vrije jongen!”

„Ja, dat ’s waar ook, daar dacht ik niet aan. En klaag jij dan nog over den slechten tijd?”

„’n Mooi ding! Een vrije jongen leeft altijd duurder dan een getrouwd mensch.”

„Ei!”

„Natuurlijk! Eerstens je kostgeld; tweedens je borreltje. Dat moet een mensch toch....”

Het gillend fluiten van een locomotief, het sein van denaankomenden trein, doet hem plotseling verstommen; haastig werkt hij zich op den bok van zijn rijtuig, bukt zich voorover en trekt de deken van zijn paard naar zich toe. Vlugger dan men van den manke zou verwacht hebben, is ook deze ten troon gestegen en zegt, met de leidsels in de hand, tot zijn collega: „Daar komt ie; als er nou maar volk genoeg is.”

Nogmaals gilt de stoomfluit naderbij; dan nog eens lang en schril; de trein stoomt binnen. Een oogenblik later komt bij, om en in het station, alles in beweging.

Stoomwolken uitsissend, blazend en hijgend met gloeienden adem, is de locomotief langs het perron komen aanstuiven, en plotseling in zijn vaart bedwongen door de Westinghouse-rem, staat hij nu als een vermoeid en amechtig mensch te kuchen voor den langen trein van verlichte wagens, die, als zij geopend worden, met de passagiers ook de warme lucht uitlaten, die opwolkt en dampt in den kouden winternacht.

„Bagasie, heeren! Bagasie!—Niemand bagasie?” roepen de langs de waggons snellende kruiers.

Een hoopje bibberende hotelportiers verwelkomt aan den uitgang van ’t station de reizigers met: „Hôtel du Doelen, Rondeel! Bible-Hôtel! Hôtel Central! Pays-Bas!” enz.


Back to IndexNext