II.

In bouffanten encachenez, pelzen en overjassen, mantels en doeken gehuld en gestoken, komen halfbevroren derde-klasse reizigers en huiverende eerste- entweede-klassepassagiers door den uitgang. Sommigen hollen wat ze kunnen, om de tram te bereiken, voordat alle plaatsen bezet zijn; anderen loopen hard, om warm te worden; en weer anderen haasten zich naar de gereedstaande rijtuigen.

In draf rijden de verschillende „gestationneerden” de snorders voorbij. Met wangunstige blikken zien de twee koetsiers,hoe ’t eene rijtuig na ’t andere, met koffers op bok of imperiaal, hen voorbijrolt.

Of ze al met hun zweepen wenken en op den bok staande roepen: „Viegelant?” de passagiers zijn voor hen, naar ’t schijnt, niet aangekomen.

’t Begint zachtjes te sneeuwen; dat helpt den Bobberd aan een klant. Met lachend gezicht rijdt hij weg en hoort de spijtige woorden niet van den manke, die hem naroept: „Gelukkige vent, jij bent er alweer uit met een prijs!” Verlangend ziet de overgebleven snorder naar de reizigers, die in steeds kleiner aantal hem voorbijkomen.

Eindelijk zijn al de rijtuigen voor ’t station verdwenen; hij wacht nog even, dan rijdt hij zachtjes voor ’t plein op en neer: misschien komt er ook nog iemand voor hem.

Neen! ... de stationsportier sluit het hek reeds dicht; er is voor den manke geen vrachtje.

„Zou ’k van avond alweer vegen?” mompelt hij verdrietig, terwijl hij de zweep in den koker zet en den rechterarm tegen zijn lichaam slaat om gevoel in de vingertoppen te krijgen. „In godsnaam dan, vort! Brrr! wat is het koud.”

’t Is hem alsof hij nu eerst recht den snerpenden wind voelt en ’t snijden van de vorst.

„Hort, bles! dan maar naar stal.”

Reeds heeft hij zijn paard aangezet, als een: „Hola, koetsier! stop!” hem de teugels strak doet trekken. Hij richt zich overeind op den bok, ziet achterom en ontwaart een paar gestalten, die langzaam naar hem toe komen.

„Viegelant?” roept hij hun vragend tegen.

„Ja! keer maar om!”

Een ruk aan de leidsels, een aanmoedigend klappen met de tong voor zijn paard en ’t rijtuig is naast dengene, die hem roept. Werktuiglijk herhaalt hij zijn vraag: „Viegelant?”

Een conducteur, die een oud heer ondersteunt, antwoordt: „Jawel! hier heb je een passagier, die in de wachtkamer ongesteld is geworden. Breng meneer zoo gauw als je rijen kunt naar ’t Amstel-Hôtel.”

De oude heer, in een fijnen pels gedoken, voegt er met matte stem bij: „’k Zal je een flinke fooi geven, als je gauw rijdt.—Dank je, conducteur; zet mijn koffertje en dat valiesje maar binnenin, op de voorbank. Ziedaar, dat’s voor je moeite.”

„Dank u, mijnheer!—Beterschap!—Vooruit, koetsier!”

De manke legt de zweep over zijn paard en rijdt zoo spoedig de stijve beenen van bles het veroorloven in de aangewezen richting voort.

„Dat valt mee,” denkt hij onder weg, „’n goeie fooi, hm! misschien maakt die zieke ouwe man mijn dag nog goed. Hort! vooruit dan, ouwe jongen.—’k Zal de Kalverstraat nemen,” zegt hij bij zichzelven, „dat rijdt lekker. Hm! wat zou dien man mankeeren? Misschien heeft hij te veel gegeten en pijn in z’n lijf. Och! wat kan ’t ons schelen, hé, bles? Als hij mij maar een paar kwartjes fooi geeft, is ’t me onverschillig waar hij mankement heeft, al had hij ook....”

Tikken tegen het raampje stoort hem in zijn overpeinzing. Hij houdt even op; de passagier steekt zijn hoofd uit ’t portier en vraagt knorrig: „Waar breng je me heen, dat je zoo door de Kalverstraat rijdt?”

„Naar ’t Amstel-Hôtel, zooals u gezeid heeft, maar ik neem de Kalverstraat, omdat ik veronderstel, weet u, dat voor een ziek mensch dat asphalt zachter en....”

„O, zoo! is ’t daarom; dat’s wat anders, dank je. Wat is je nummer?”

„Honderd een en tachtig, meneer!—Doorrijen?”

„Ja, asjeblieft!”

„Hort, bles!—Wat weerga, waarom vraagt die vent op eens mijn nummer? Ik heb hem toch niet veraffronteerd,—is ’t wel, ouwe bles? Nou, ’t zal mij een zorg wezen, al was hij zoo nijdig als een spin; maar hij zei: „Dank je!” Blikslagers, misschien recommandeert hijNo. 181 als een geschikt persoon. Ook goed!—Kom, bles, vooruit dan, we moeten, allebei naar stal.”

’t Is een eigenaardige gewoonte van den manke, om met zijn paard te praten, als hij rijdt; misschien doet hij ’t, zonder dat hij ’t zelf weet, uit verveling, of om zijn ros aan te moedigen. „Komaan!” vervolgt hij, „daar hebben we de Utrechtsche straat al; moet je nou de zweep eens eventjes proeven? Ja, steek je ooren maar op; ’k zal.... Wat weerga! wat schokt daar zoo? Valt daar iets in m’n viegelant? Phu-u-u-t!” de koetsier fluit tusschen de tanden.

Bles staat stil en zijn bestuurder klimt van den bok, om te zien wat er gebeurd is. Hij opent het portier en brengt even de hand aan zijn hoed, als hij vraagt: „Neem me niet verkwalijk, meneer, maar.... Allemachtig! hij is van zijn stokkie gevallen en ’t koffertje met ’t valies leit naast hem.”

„Hei! zeg eens, ouwe heer: scheelt er wat aan? Ben je niet goed?—Dat’s een mooi ding! Op avontuur is hij dood: dan ben ik gesjochten voor mijn vracht.”

Een paar voorbijgangers blijven staan en zien nieuwsgierig naar den manke, die zijn best doet om den passagier weer op de bank te zetten. Met hulp van een paar mannen richt hij den ouden heer op, die met een zucht weer tot zichzelven komt en flauwtjes zegt: „’k Werd—weer—zoo benauwd; rij in Godsnaam voort!”

„Zou uwé ’t dan nou zóó kennen rooien?”

„Ja! ja! rij gauw weg.—Wat doen die mannen hier?”

„Ze hebben zooveel als een handje geholpen.”

„O, zoo!—Dank jelui.”

’t Portier wordt dichtgeslagen en een „vooruit!” van den koetsier brengt de vigilante weer op weg.

Eenige minuten later is het Amstel-Hôtel bereikt en wordt de zieke man door den portier behoedzaam uit het rijtuig geholpen. De manke hoort hem zeggen: „Betaal den koetsier en geef hem een gulden fooi!” ziet hem langzaam de trappen opgaan en in de vestibule verdwijnen. Iets later ontvangt hij de vracht met de fooi en zal wegrijden. Vóórdat hij dat doet, kijkt hij werktuiglijk nog eens in de vigilante en ontwaart het valies, dat op den bodem is blijven liggen. Met een: „Hé, portier, de ouwe heer heit nog wat vergeten,” reikt hij de reistasch over, klimt op den bok en rijdt weg.

„Zoo, jongen! nou als de wind naar stal.—’n Gulden fooi! Zeker en bepaald een fijn mensch.—Kom! dat’s een meevallertje; even een hapje nemen voor de kouwe voeten, dat kan er nou wel af.”

’t Hapje wordt gebruikt, een sigaar van de vijf er bij genomen en dan draaft bles verder. Hij heeft nu geen zweep meer noodig, want ’t paard weet, dat hij naar stal gaat. Zijn baas zit genoeglijk te dampen en laat af en toe de leidsels van de eene in de andere hand overgaan, om dan de vrije hand tegen zijn lichaam warm te slaan.

Bij de brug, die van ’t Leidsche plein naar de Stadhouderskade voert, wordt hij aangeroepen door iemand, die met den hoed in den nek tegen een lantarenpaal leunt.

„Hé! Hola, koetsier!”

„Phu-u-ut! Prrr!—Ho, bles!—Wou uwé rijen?”

„Ja! Ben je vrij?”

„Om je te dienen, meneer.”

Een jongmensch, netjes in de kleeren, maar ietwat aangeschoten en in vroolijke stemming, neemt de kruk van’t portier in de hand en vraagt met min of meer bezwaarde tong:

„Schroef jij ’s avonds dien knol uit mekaar? Ha! ha! ha! ’t Beest valt om, als je niet oppast. Zeg, Autómedon! zou je me nog zonder ongelukken naar Kras kunnen rijen?”

„’t Zal wel lukken, meneer! Stap maar in; maar ’t is dubbel tarief na elven. Weet u ’t?”

„Daar vraag ik je niet na, Autómedon.”

„Zeg ereis, meneer, als je me uitscheldt, rij ik niet.”

„Die is goed. Ha! ha! Heel goed!”

„Kom, stap nou maar in, ’t is al mooi laat.”

„Verduiveld! Die ouwe kast van jou draait. Hou ’m recht, kerel! Dat’s zot, dat’s—hm! Die vervloekte tree zit niet vast. Ho dan!”

„Wil ik je ook even helpen, meneer?”

„Neen! ’t Is in orde.—’n Verdraaid gemeene rammelkast! Niet steady. Zóó, ik zit. Vooruit!”

Van den bok reikend slaat de manke het portier met een harden slag dicht. Een „hort, bles!” en het rijtuig komt in beweging.

Onder weg zegt de snorder tot zijn paard:

„Dat valt mee voor den baas, maar niet voor jou; maar er is niets aan te doen. Kom, ouwe jongen, vooruit!”

[1]Geen volk opdoen om te rijden.

[1]Geen volk opdoen om te rijden.

’t Is een armoedige, kleine woning, die door Dirk De Vries, bijgenaamd „de manke”, met zijn groot gezin wordt bewoond.

Het lage bouwvallige huisje, dat zich in een slop, uitkomende in de Passeerderstraat, bevindt, bestaat slechts uitéén vertrek, met een klein hokje, een zoogenaamd keukentje er naast.

De deur, die niet goed meer gesloten kan worden, en een smal venster laten nauwelijks licht en lucht genoeg in voor zooveel ademende wezens. Alles draagt daarbinnen de kenteekenen van verval en ouderdom, maar niettegenstaande de wormstekige betimmering, de brokkelende muren en den molmenden vloer is het er vrij zindelijk, want Dirks vrouw houdt, zooveel zij kan, aan alles de hand.

Aan de linkerzijde van het vertrek is de bedstede en daarnaast een van oude ongeschilderde planken getimmerde slaapplaats, waarin twee kinderen, meisjes van negen en zes jaren, eendrachtig liggen te slapen; onder de tafel, op een stroozak, rusten twee jongens, dertien en elf jaren oud, onder een oude wollen deken, en eenige kleedingstukken, die hen ternauwernood voor de felle koude beschutten. Rechts naast de deur, die tot het keukentje toegang geeft, staat op den grond een soort van houten bak met eenig beddegoed, waarin een mager meisje van vijf en een aardig, klein, dik roodwangig kereltje van drie jaren sluimeren.

Door de geopende deur ziet men de roode wang van een snorrende potkachel. Op de platte kachelpijp staat een aarden pan met kool en aardappelen te dampen, zoodat de reeds benauwde lucht in het huisje niet frisscher wordt door de uitwaseming van ’t snerkende eten. Bij de kachel, die aldus den dubbelen plicht van verwarmings- en kooktoestel vervult, zit bij het licht van een petroleumlamp vrouw De Vries het jasje te verstellen van haar oudsten, die op een sigarenfabriek als stripjongen reeds eenige stuivers verdient.

Haar gelaat toont duidelijke sporen van zorg en kommer; ’t vroegtijdig gerimpelde voorhoofd, de ingevallen wangen en de bleeke lippen spreken van harden strijd enafmattende bezigheden, maar toch is de uitdrukking van dat vrouwengelaat niet ontevreden. Er ligt een trek van goedhartigheid en kalmte om den mond, en de groote bruine oogen met zachten, min of meer matten opslag weerspreken dezen niet.

Zij heeft niettegenstaande haar armelijke kleeding iets fatsoenlijks in haar wezen, dat den indruk geeft, als had zij eenmaal betere dagen gekend, als ware zij niet uit het plebs, zelfs niet uit de heffe des volks ontsproten.

Daar klinkt uit de bedstede een zwakke, pijnlijke kreet. Langzaam, met een zucht, staat vrouw De Vries op, legt draad en naald ter zijde en gaat naar het bed, waarop zij haar jongste kind, een bleek, ziekelijk jongentje van bijna anderhalf jaar heeft neergelegd.

Als zij op is gestaan, kan men zien, dat, zij eenigszins gebogen gaat; haar lange, vrij grof gebouwde gestalte is min of meer krom in den rug geworden door arbeid en door ’t rondom haar sluimerende zevental, dat zij ’t levenslicht schonk.

„Wat is er dan, Jan?” vraagt zij, over ’t bed gebogen, met een lichtOverijsselschaccent. „Heb je pijn in je mondje? Ben je koud, kereltje? Kom dan maar bij moeder.” Zij wikkelt het kind vaster in den doek, waarin het te slapen is gelegd, geeft het een teugje water met melk en sust het, totdat ’t al kreunend weer indommelt.

Als zij hem op bed wil leggen, ontwaakt en schreeuwt Jan opnieuw; daarom neemt zij hem op den schoot en gaat weer bij de kachel zitten.

’t Kind wordt bedaarder en slaapt in. Over zijn kleine gestalte legt zij voorzichtig het buisje en vervolgt, zoo goed en kwaad als zij kan, haar lapwerk. Soms licht zij het buis even op en ziet naar ’t kind, dat, zwaar ademhalend, met gloeiende wangen en brandend hoofdje, onrustig slaapt.

„Hij is niet goed; ’k geloof, dat ’t schaap koorts heeft; wat gloeit hij,” zegt ze tot zichzelve; „dat moet er nog bijkomen!”—Zij luistert, want buiten in de gang klinkt een onregelmatige tred. „Dat ’s Dirk,” denkt zij en ziet naar de deur, die een oogenblik later wordt opengedaan.

’t Is de „manke”, die thuis komt.

Zijn jas en hoed zijn vol sneeuw, die hij op den drempel zooveel mogelijk afschudt.

„Doe gauw de deur dicht, Dirk! De zomer komt er niet in,” roept de vrouw hem te gemoet.

„’k Snapte daar net een bui.—’n Avond, Mijntje! Ben je nog op?”

„Ja; ’k moest Gerrits buis wat opknappen: hij moet toch fatsoenlijk op ’t fabriek komen. Hè! wat breng je een kou mee; ’t is vinnig weer buiten; ik kon mijn vingers niet gebruiken, daarom heb ik de kachel weer aangelegd; ’k moest je eten toch ook warm houden. Hoe is ’t vandaag geweest?”

Terwijl de man zijn groote jas en vochtige laarzen uitdoet, zegt hij opgeruimd:

„’k Dacht eerst, dat ’t vandaag weer miserabel zou wezen, maar de avond heeft ’t goed gemaakt. Dáár heb je een gulden, twee kwartjes en een dubbeltje. ’k Had van avond een paar goeie vrachies. Geef me mijn eten, ’k heb trek.”

„Ik kan niet opstaan, Dirk: ’t kind ligt op mijn schoot; hij is niet goed; vandaag aldoor onrustig geweest. Twee en dertig stuivers: ’k wou, dat je ze alle dagen meebracht!”

„Dat schaap is dan erg aan ’t sukkelen, vrouw;zouën’t de tanden wezen?” antwoordt Dirk, neemt de pan van de kachel, ziet even naar kleinen Jan, en begint dan met smaak de kool en aardappelen te verorberen.

Al etend verhaalt hij, hoe hij den zieken heer naar ’t Amstel-Hôtel moest rijden en een gulden fooi heeft gekregen, en lachend vertelt hij van het aangeschoten jongmensch. „Zie je, Mijn, hij had een flink stuk in zijn kraag, want toen ik bij Kras voor de deur stilhield, was hij ingedut. Ik maakte hem wakker en zei: „We bennen er, meneer!” Maar ’k moest hem schudden, zoo lekker was hij ingedommeld. Hij keek me aan met een paar lodderige oogen en zei: „Goeie morgen! Ik heb ’n verduivelden dorst!—Die rammelkast van jou is geen cent waard,” maar hij gaf me toch een kwartje fooi. Nou! mijn een zorg hoe of hij mijn spul vindt. ’k Heb anders in den laatsten tijd allemachtig weinig verval gehad.”

Zuchtend antwoordt de vrouw: „Dat heb ’k gemerkt.”

Zij werkt een poosje zwijgend verder en zegt dan op eens: „Zeg, Dirk!”

„Nou?”

„Kierssen is er geweest.”

„Hm!”

„Hij kwam zeggen, dat zijn patroon mooi nijdig is.”

„Hm!”

„’t Is nou met mekaar zestien gulden en een stuiver.”

„’k Weet het wel, maar ’k heb het niet, vrouw!”

„En ook niets meer om „weg te brengen.”[1]Kierssen zei, dat hij, als Vrijdag ’t geld er niet was...”

„Nou, wat dan?”

„Ons op straat zou zetten. Ik zei nog: „Meneer Kierssen, je weet wel, dat wij knappe menschen zijn; we hebben je altijd prompt de huur betaald, maar nou ’t zoo slecht is van den winter met de verdiensten, moest je nog wat geduld hebben en...””

„En wat zei hij?”

„Kierssen zelf is de kwaadste niet. Hij zei: „Ik zou je wel willen laten wonen, maar ik moet als opzichter doen wat mijn patroon zeit; laat je man zelf eens naar hem toe gaan.””

„Och! dat geeft toch niets; die huisbazen staan je niet eens te woord.”

„Maar als Kierssen ’t nou toch zeit, Dirk?”

„Praatjes! ze steken samen onder één deken.—Breng morgen dien daalder maar aan den opzichter op afrekening; dat zal...”

„Maar Dirk, er is geen cent meer in huis, en ’k heb al overal op de lat[2]gehaald: ’k moet toch zorgen, dat de kinderen wat te eten hebben. Dan moeten Gerrits schoenen worden gehalvezoold; Piet heeft ook bijna niets aan zijn voeten, en Klaasje heeft geen...”

„Schei maar uit; ik weet het wel, vrouw, maar ik kan ’t niet van mijn lijf snijen.” Dirk wordt knorrig en zijn humeur verergert, als Jantje onrustig begint te kreunen en eindelijk luidkeels schreeuwt.

„Dat zal me een nachtje geven,” bromt hij, terwijl hij zich ontkleedt. Met de woorden: „’k Moet er morgen weer vroeg uit; hou dat kind toch stil, Mijn!” stapt hij in bed en kruipt zoo diep mogelijk onder de oude, dunne dekens.

„Leg mijn jas er nog maar op: ’t is vervloekt koud en de kachel heeft gênacht gezeid,” zegt hij tot zijn vrouw, die den schreeuwenden kleine in haar armen sust en tot bedaren tracht te brengen. Een paar van de slapende kinderen ontwaken door de pijnlijke kreten van hun broertje, en de arme, geduldige vrouw is tot laat in den nacht bezig, om zooveel zij kan de rust te bewaren, die haar man noodig heeft.

Koud en huiverig is Dirk opgestaan; zijn dikke, verkleumde handen weigeren haar dienst bij ’t aankleeden.

Alles slaapt nog in zijn woning, want eindelijk heeft zich ook de vrouw, met ’t zieke kind aan haar borst gedrukt, naast hem kunnen neerleggen.

Hij moet naar den stal, om zijn vigilante, schoon te maken en in te spannen; want eerst tusschen acht uur en halfnegen komen de stationneerende rijtuigen op den Dam of elders, en de snorder kan juist vóór dien tijd soms een vrachtje krijgen.

’t Is nog geheel donker. Hij steekt de lamp aan en wascht zich in ’t keukentje; vóórdat hij vertrekt, wekt hij den oudsten jongen, die om half acht op de sigarenfabriek moet wezen.

Slaperig wrijft de knaap zich de oogen en hoort hoe zijn vader tot hem zegt: „Sta op, Gerrit, haal een cent water en vuur en leg de kachel aan voor je moeder. Laat ze mijn koffie klaarmaken. Als ik in den stal gedaan heb, rij ik wel even aan om m’n boterham te halen.”

Buiten is ’t nog bijna nacht; de straatlantarens branden en werpen haar licht op de hard bevroren sneeuw en de gladgeloopen straat, die glimt en glinstert, als met diamantpoeder bestrooid.

De baas is reeds op, als Dirk in den stal komt, en de kleine, morsige jongen, die zoo wat „handje voor alles” is, heeft al een paar oorvijgen beet, omdat hij nog niet goed wakker is kunnen worden.

„Gêmorgen, Dirk!—Satans koud!” roept de baas hem tegen.

„Nou, baas!”

In den stal brandt een petroleumlamp en verlicht vrij onvoldoende de kleine ruimte, waar ternauwernood plaats is voor twee paarden en een bok, die nijdig naar Dirkstoot, als hij naast den uit de ruif etenden bles gaat staan en zegt: „Komaan, ouwe jongen, eerst zullen we jou een beetje opknappen en dan de viegelant. Hu! op zij! Hu dan! Heb je nou nog je bekomst niet, vreetzak?”

Hij roskamt zijn paard, en als hij daarmee gereed is, roept hij tot den jongen, die tegen de haverkist staat te dutten: „Allo, Jaapie! geef jij bles nog een emmertje water; dan ga ik den wagen schoonmaken.”

Jaapie rekt zich geeuwend uit en gaat langzaam naar de waterleidingkraan, zóó langzaam, dat Dirk, die naar het zoogenaamde koetshuis gaat, hem toeroept: „Kun je nog langzamer?”

„Jawel!” is ’t brutale antwoord.

„’k Zal je straks wel krijgen, onbeschofte rekel!—Waar is de schuier?”

„Vraag ’t hem zelf!”

Gelukkig voor Jaapie, hoort de „manke” deze laatste vriendelijke woorden niet, want hij heeft juist gevonden wat hij zocht en is reeds begonnen met het afschuieren der rijtuigkussens. Daarna neemt hij de mat, die op den bodem der vigilante gelegen heeft op, en schudt die uit.

Als hij haar weer neerleggen wil, voelt hij een voorwerp, dat hij nog niet had opgemerkt; ’t is een klein zwart lederen taschje.

„Hé! wat is dat?” zegt Dirk eensklaps, bijna luid, zoodat Jaapie, die den emmer met water voor Bles schuins op zijn knie houdt, zijn hoofd omdraait en vraagt:

„Wat mot je?”

„Niks!”

„’k Dacht, dat je riep.”

„Neen!—Kijk naar je emmer.”

Haastig stopt de manke het gevonden voorwerp, zonder het verder te bezien, tusschen zijn boezeroen en baaienborstrok en doet dan, alsof er niets gebeurd was, zijn werk; alleen fluit hij er nu en dan een deuntje bij, iets wat anders nooit voorvalt.

Dirk is in spanning, omdat hij begrijpt, dat in het taschje wel iets van waarde kan zitten; daarom schiet hem de gedachte door ’t hoofd: „Wie weet, of je daar geen fortuintje hebt?” Hij tracht zich zoo onbevangen mogelijk voor te doen en doet daardoor juist iets ongewoons, zoodat de baas, die weer in den stal is gekomen, hem toeroept:

„Nou, jij schijnt van morgen in je knollentuin te wezen.”

„Ik, baas?”

„Ja, jij! Je fluit als een merel; dat ben ’k niet van je gewend.”

„Hm! Ja! Neen! ’k fluit, omdat ’k zoo koud ben, baas.”

„Zoo!”

Een oogenblik denkt Dirk: „Je moet dat taschje aan den baas geven om te bewaren,” maar dadelijk overlegt hij er bij: „Gekheid! eerst kijken wat er inzit; is ’t de moeite waard, dan breng jij ’t liever zelf terug aan den... Blikslagers! van wien zou ’t wezen? Van dien zieken heer voor ’t Amstel-Hôtel, of van dien jongen snuiter, die den prins gesproken had? Hm! misschien zit er wel een adres in of....”

In den stal wil hij er niet naar kijken, want dan loopt hij gevaar, dat de baas het ziet en—zijn baas neemt veel te graag zelf een fooi aan.

Eindelijk is hij met schoonmaken gereed en spant in. ’t Begint te schemeren, als hij wegrijdt, en er zijn nog weinig andere menschen op straat dan werkvolk dat naar karrewei gaat, of reizigers die zich met haast naar de stations spoeden.

Toch oordeelt hij het beter om zoodra hij kan de Heerengracht op te rijden.

’t Is daar nog doodstil; hij komt er niemand tegen dan den dienstdoenden politie-agent, die bibberend en koud in den voorgeschreven pas op de kleine steentjes aan de huizenkant loopt en hem even toeknikt als antwoord op zijn groet.

Zoodra hij een gracht verder is, laat hij zijn paard stappen, neemt de leidsels in de eene hand en haalt met de andere het taschje te voorschijn.

Voorzichtig doet hij ’t open en houdt den inhoud, een pakje papier, tusschen zijn vingers.

„Waarachtig! ’t zijn bankies,” zegt hij in zichzelf, en terwijl hij met moeite de cijfers onderscheidt, mompelt hij: „Dat’s een vondst! Een van vijf en twintig. Een, twee, drie van honderd. Allemachtig! drie, vier, zes, zeven van veertig! Dat’s al zeshonderd.—Godzegenme, één van duizend!”

Het bankpapier ritselt in zijn hand; hij is er van geschrikt, want zooveel geld heeft hij nog nooit bijeen gezien. „Zestienhonderd en vijf gulden samen! Geen bagatel,” denkt hij, en als hij verder niets hoegenaamd meer in het taschje vindt, vouwt hij de banknoten weer op en bergt schielijk een en ander weg,—nu echter tusschen zijn baaien hemd en het bloote lijf: daar is ’t zekerder! Terwijl hij verder rijdt en werktuiglijk den weg naar den Dam inslaat, denkt hij: „Wie zou dat verloren hebben?” Hij weet bepaald, dat er niets van dien aard in zijn vigilante lag, toen hij ’s avonds te voren aan het station ging staan, want even vóór dien tijd heeft hij de mat, omdat er ingeloopen sneeuw op lag, nog uitgeschud. ’t Moet dus van een der twee laatste passagiers zijn.

Wat zal hij met dat geld doen? Zal hij het naar ’t bureau van politie brengen? „Hum!” overlegt hij bij zichzelf, „’k zal zoo dwaas niet weer wezen; ’k heb eenmaal eengouden ring gevonden en naar het politiebureau gebracht; daar is hij afgehaald door den eigenaar en zelfs geen fooitje is er voor „den manke” overgeschoten; dat doe ik nooit weer.—Maar wat dan? ’t Geld houden, nu en dan een bankje wisselen?” Hij is ’t nog niet met zichzelven eens. „Een bankje van vijf en twintig, desnoods van veertig gulden, dat zou nog gaan; maar dat van duizend, dat’s te gevaarlijk! En....”

Werktuiglijk is hij voortgereden, zonder zich te herinneren, dat hij nog thuis zou aanrijden om zijn brood te halen. Hij heeft den Dam reeds bereikt, als hij er aan denkt. Voorzichtig voelt hij buiten op zijn jas naar de kleine verhevenheid, die door het verborgen taschje met bankpapier ontstaat; ’t is alsof hij zich telkens opnieuw wil overtuigen, dat hij waarlijk zooveel geld bij zich heeft.

„Wat zal moeder de vrouw er wel van zeggen, als zij ’t hoort”, denkt hij, terwijl hij op den nog duisteren Dam heen en weder rijdt. Hij glimlacht, want hij weet wel, dat zij zeggen zal: „Dadelijk naar ’t bureau brengen, Dirk! Eerlijk duurt het langst”, en—zijn hart klopt: zóóveel geld en zóó arm!

[1]Naar den lommerd brengen.[2]Op crediet.

[1]Naar den lommerd brengen.

[2]Op crediet.

Eenige dagen waren verloopen en nog altijd was de tasch met bankpapier in ’t bezit van „den manke”. Hij was, na lang beraad met zichzelven, tot het besluit gekomen om ’t geld zoolang te houden, totdat er navraag in de kranten kwam.

Iemand, die zooveel geld verloren heeft, dacht hij, doet natuurlijk moeite om het terug te krijgen, en zet ’t allereerst een advertentie in de dagbladen, om den eerlijken vinder op te sporen.

Hij was vast besloten om, zoodra hij wist wáár of aan wien zich te wenden, het geld aan den eigenaar terug te brengen; er zou, zoo rekende hij uit, voor hem toch stellig een belooning, misschien wel één of een paar bankjes van veertig gulden, opzitten.

Elken avond had hij in „’t Vroolijke Schuttertje”, een kroeg waar gewoonlijk de maats verkeerden, de dagbladen nagezien, maar zonder gevolg.

Eens zelfs had de Bobberd, de trouwste bezoeker van ’t Schuttertje, toen hij Dirk zoo aandachtig hetHandelsbladen ’tNieuws van den Dagzag doorsnuffelen, droogjes aan hem gevraagd: „Lees jij tegenwoordig de kranten?”

„Ik? Hoe zoo?”

„Wel, je was er vroeger geen liefhebber van en nou snor je sedert een paar dagen zoo in die kranten. Heb je misschien wat gevonden in je kar?”

Dirk schrikte. Zou de Bobberd iets weten? Waarom zei hij dit zoo eensklaps? ’t Zweet brak hem uit, want ’t kwam hem voor, dat hij hem zoo wonderlijk aankeek bij die woorden, en verlegen stotterend antwoordde hij: „Ne-ne-neen! Hoe kom je daarbij?”

„Nou! ik dacht het maar zoo, manke!”

„Waarom?”

Zijn breeden mond tot een leelijken grijns vertrekkende, zei de Bobberd: „Wel! ’t is me ook ereis gebeurd, dat ik wat vond; ’t was maar een bagatel, ’n kleine parelmoeren damesportemonnaie; toen heb ik ook gekeken naar de advertenties.”

„En?”

„’k Zag er eindelijk een staan, maar ’k had de duiten al op. Ha! ha! ha! ’t was nogal de moeite waard om het te bewaren; er zat maar een gulden of acht in; ’k hebdie dubbeltjes wat lekker gebruikt. Zie je, als ’t nou meer was geweest, dan had ik misschien.... Afijn! ik kon ook m’n vingers niet branden, want geld is geld, ’t is allemaal even rond, en aan een rijksdaalder kun je niet zien of hij van mijn is of van jou.”

„Ja! hm! maar Bobberd, ’t was toch niet....!”

„Zeg, ouwe jongen! hang nou maar niet den vrome uit. Jij zou ’t evengoed hebben gehouwen als ik.—Je begrijpt, ’t portemonnaietje had ik subiet in de kachel gestopt. Geen haan kraaide er naar.”

„Maar als ’t nou eens bankies waren geweest, dan zou je toch aan de lamp hebben kunnen likken, als de nummers bekend waren.”

„Gekheid! ’k zou ze dadelijk hebben gewisseld. Nou, zeg! zóó mal niet, hoor, manke! Als een arm mensch wat vindt, is het een bestiering van de Voorzienigheid, danmoethij ’t hebben, ten minste als ’t niet zóóveel is, dat je er door in den kijker loopt. En de nummers bekend? Dat ’s een praatje. Ja!—de menschen schrijven daar op, welke nummers ze in d’r zak hebben, kun je begrijpen! Als ’t een loterijbriefie is, dan is ’t wat anders; maar bankies,—gekheid!—Sakkerloot, manke! wat kijk je me raar an.—Neen! waarachtig, ik meen het, en als je er eentje gesnapt hebt, al was ’t er ook een van honderd gulden, geef maar hier! Voor een rijksdaalder zal ik ’t wel voor je wisselen.—Nou! biecht maar ereis op: wat heb je?”

„Niks! Je kletst.—Gênacht!”

Dirk gaat naar huis. Het gesprek met den Bobberd heeft hem ontstemd, en terwijl hij, huiverend en bibberend door de koude nachtlucht, zijn pas versnelt, denkt hij na over dat gezegde: „Geld is geld, ’t is allemaal even ronden....” Wonderlijk! op eens komt hem zijn moeder in de gedachten: ’t was zoo’n brave, eerlijke vrouw, die niemand voor een halven cent zou te kort doen. Zonderling! dat hij juist nu aan haar denken moet; ze is al zoo lang geleden gestorven en begraven. ’t Gebeurt zelden, bijna nooit, dat hij zóó aan haar denkt. Hoe komt hij nu plotseling aan die herinnering? ’t Is toch bepaald vreemd, want hij kan het niet van zich afzetten; ’t komt hem voor, alsof hij haar eensklaps weer voor zich ziet, zooals zij altijd thuis bij de tafel zat, met haar ernstig, vriendelijk gelaat; ’t is alsof hij de kracht van haar blik voelt, evenals vroeger toen hij nog een jongen was, wanneer zij hem aanzag, als hij iets had gedaan wat hij niet mocht. Hij is onrustig en stapt steeds sneller voort. Gelukkig! hij is in zijn woning; vrouw Mijntje zit als naar gewoonte nog op en is aan ’t werk.

„Gênavond, moeder!” zegt hij binnenkomend.

„Gênavond, Dirk.”

„Wat scheelt eraan? Je hebt gehuild! Waarom, Mijntje?”

„Ach, God! weet je ’t nog niet? We moeten er uit; in de andere week al.”

„Wat zeg je daar? Is ’t waarachtig?”

„Kierssen is er weer geweest, van morgen. ’k Had geen cent meer en van middag is hij toen nog weerom gekomen, om te zeggen, dat zijn patroon geen geduld meer hebben wil; morgen over acht dagen moeten we verhuizen.”

„Zoo! hm!” Werktuiglijk grijpt de manke naar het taschje.

„’t Is een ijselijkheid. Waar moeten we met die schapen van kinderen naar toe?”

„Zoo’n kerel! En we hebben toch altijd goed betaald, Mijntje.”

„Wist ik maar raad, Dirk!” Opnieuw barst zij in tranen uit.

Dirk richt zich op als iemand, die plotseling een besluit genomen heeft, en met de vlakke hand op zijn knie slaande, zegt hij: „Huil niet, vrouw! Ben je gek om je ongerust te maken. Wat n’alterasie om zoo’n lamme vent, hé? Nou, maar morgen zal hij zijn geld hebben en we zoeken een andere woning; een betere, hoor!”

„Wat zeg je daar, Dirk? Heb je dan geld, en van wien?”

„Geld, neen! Hm! ja! neen! Maar ’k zal den baas om voorschot vragen en....”

„Och heer! reken daar niet op; die is niets scheutig.”

’t Duurde lang eer Dirk dien nacht den slaap kon vatten; onrustig woelde hij op zijn legerstede en een paar malen vroeg Mijntje: „Ben je niet goed, man? Slaap je nog niet?”

Neen! hij kon niet slapen; dat taschje op zijn borst drukte hem; ’t was alsof hij er de nachtmerrie mee kreeg. Dat ook juist nu die huisheer om zijn geld moest komen; t kon nooit beter en nooit slechter treffen; ’t geld was er immers, en toch... Hij wendde zich links en rechts, maar ’t wou hem niet gelukken om in te slapen; onophoudelijk kwamen de woorden van den Bobberd hem voor den geest: „als een arm mensch wat vindt, dan is ’t een bestiering, dan moet hij het hebben.” Waarachtig, ’t scheen wel zoo, ten minste nu. Als hij een bankje van vijf en twintig gulden er af nam, was hij voorloopig uit den brand.

Hij luisterde naar het slapen van de kinderen; het geluid van hun regelmatige ademhalingen bereikte zijn oor en de vrouw naast hem snikte nu en dan zenuwachtig in den slaap; zij had zich overstuur gemaakt.

„Arme ziel!” dacht Dirk, „je hebt toch ook je portie; ’k zal zorgen, dat je ten minste niet zonder woning bent. Zoo’n rijke kerel, die ’t verloren heeft, zal er misschien niet eens verlet van hebben; en ik...” Hij sliep in.

Den volgenden dag wisselde „de manke” bij een winkelier in de buurt een bankje van vijf en twintig gulden en betaalde den huisheer.

Met een paar rijksdaalders en wat klein geld in den zak stapte hij ’s avonds „Het Vroolijke Schuttertje” binnen. De Bobberd was er nog niet; gauw dus de kranten nog eens nagezien!

„Alweer niets. Komaan! dat gaat goed,” dacht Dirk; „er schijnt geen navraag naar te komen; ’k zal nog een dag of wat wachten en dan...” Ja, wat zou hij dan doen? Hij wist het nog niet recht, want om Mijntje deelgenoot te maken van zijn geheim ging volstrekt niet aan. Hij moest iets verzinnen, een leugen;—ze zou natuurlijk vragen van waar plotseling dat geld kwam; en zonder ’t zelf te weten, zat hij te soezen over de krant. Hij zag de letters en hij zag ze toch eigenlijk niet. Waarom stond er nu niet zoo’n eenvoudig „Verloren” in, dat betrekking had op zijn vondst?

Kon hij niet aan zijn vrouw vertellen, dat hij uit de loterij had getrokken? Neen! dat wist ze wel beter; hij speelde immers nooit een briefje. Een voorschot van den baas? Ze kende den baas even goed als hij, en—nu ja, een kleinigheid zou die geven, maar nooit een...

Daar komt de Bobberd binnen, en als Dirk hem ziet, krijgt hij plotseling een onaangenaam gevoel; hij wil naar huis gaan, maar de Bobberd houdt hem terug met de woorden: „Wou je nu al heengaan, manke? Zijn de centjes alweer op?”

„Wat bedoel je?” Dirk ziet onrustig en, na onwillekeurig even te hebben omgekeken, zijn ondervrager aan.

„Niks bijzonders, ouwe jongen!” grinnikt de dikke, en met zijn waterige oogjes knippend, voegt hij er bij: „Je hebt van morgen bij Van der Wielen een vijf-en-twintigie gewisseld. ’k Stond juist in ’t opkamertje,—dat dacht jeniet, hé?—ik dronk even een kommetje troost bij de juffrouw.”

De manke verbleekt en stottert! „Zoo! ei!—Nou! en wat zou dat?”

„Niks. Je moogt wisselen wat je wilt; maar ik dacht niet, dat je zoo’n stiekemerd was om ’t voor een ouwen kennis stil te houden, dat je een pennetje[1]hadt gehad.”

„Wie zeit je dan, dat ’t zoo is?”

„Hè! hè! hè! hè! Kijk die nou! Wou je mijn nou wijsmaken dat je...”

„Och, Bobberd! hou je grooten mond; bemoei je met je eigen.”

„Ho! ho! maak je niet dik, manke; ik zal je niet lastig vallen; maar een paar proppies[2]moet je geven, hoor! Anders ben je een kale jakhals.”

„Nou, als ’t daarom alleen te doen is, dan... Kobus! geef ons ieder een klare, van die dubbelgebeide, hoor!”

„Met suiker!” roept de andere, en tegenover Dirk plaats nemend, zegt hij: „Kom, manke, ’n spulletje?”

„Neen! ’k ga naar huis.” Dirk staat op.

„Zeg! mot je de kinderen soms verschoonen?” Uitdagend lachend ziet de Bobberd hem aan.

„Neen! maar....”

„Nou, ga dan nog even zitten. Of wil moeder de vrouw ’t niet hebben? Als ik zoo’n vent was als jij, zou ’k me waarachtig niet aan een spulletje laten kennen,—Kobus! geef de kaarten ereis!—vooral niet als je pas een bankie hebt gewisseld. Kom, manke! jij geeft. Kijk! daar komt Kees ook. Mooi! nou kunnen we een pandoertje maken.”

Dirks wilskracht is als verlamd; hij weet niet hoe ’t komt,maar hij blijft zitten. De Bobberd heeft hem telkens, zoo meent hij, met een vreemden, spottenden blik aangezien: zou hij vermoeden, dat hij meer geld heeft gevonden dan die gewisselde vijf en twintig gulden? De manke durft het voorgeslagen „pandoertje” niet weigeren, neemt langzaam de kaarten op en zit eindelijk angstig, als op heete kolen, te spelen.

Zijn gedachten bij het spel bepalen kan hij niet, en niettegenstaande hij veel goede kaarten krijgt verliest hij telkens, zoodat Kees en de Bobberd hem er over in ’t ootje nemen en de laatste eindelijk, met een reeds bezwaarde tong, hem toevoegt:

„Zie je wel, manke, dat je duiten te veel hebt?”

’t Is lang over eenen, als hij ’t Schuttertje verlaat. Hij heeft ruim twee gulden verloren en veel meer gedronken dan hij verdragen kan; geheel dronken is hij echter niet, maar toch is zijn tred onvast en worden zijn bewegingen loom en onzeker, als hij thuis komt. Met eenigszins dubbelslaande tong antwoordt hij zijn vrouw, die ongerust over zijn lang uitblijven nog wakker in bed zit, op haar vragen, zoodat zij verschrikt opstaat en ’t licht aansteekt, bij de woorden: „Goeie God! Dirk, je hebt te veel. Man! man! dat ben ik niet van je gewend! Hoe komt dat? Ben je uit geweest?”

Gelukkig is Mijntje verstandig genoeg om niet verder te vragen, maar hem te bed te brengen. Als een kind laat hij zich helpen; nu en dan zegt hij een paar onverstaanbare woorden, en als hij te bed ligt, snorkt hij spoedig zwaar en luid.

De geduldige vrouw ziet bezorgd den ronkenden man en haar kinderen aan, zucht: „Moet dat er nou nog bijkomen!” en weent zich eindelijk in slaap.

Den volgenden dag was Dirk ontstemd en knorrig; hijhad zwaar gedroomd en was met een angstkreet wakker geworden, want op de kentering van slapen en ontwaken had hij gedroomd, dat de Bobberd voor zijn bed stond en hem met geweld het taschje wilde ontnemen; daardoor was hij met den uitroep: „Blijf er af, valsche hond!” wakker geworden en zag met schrik Mijntjes donkere, zwaarmoedige oogen, die hem stil verwijtend aanstaarden, op zich gericht. Zwijgend gaf zij hem zijn koffie; hij had zich verslapen en haastig spoedde hij zich naar den stal, waar de baas hem met een: „Wat mankeert jou van morgen?” ontving.

Dirk had, zooals men dat noemt, het land; hij wist niet waar hij ’t zoeken moest om weer op zijn verhaal te komen.

Brommend en knorrig deed hij zijn werk en zijn humeur werd er niet beter op, toen hij, even na den middag, zonder een enkel vrachtje te hebben gehad, weer aan stal kwam en de baas zei: „’t Is weer vegen vandaag. Ga maar naar huis om te schaften; misschien is er van avond wat werk.”

„Wat zal Mijntje zeggen?” dacht hij onder ’t naar huis gaan; ’t drukte hem loodzwaar, dat zijn vrouw hem ’s morgens geen enkel verwijt had gedaan; zij had geen woord gezegd, ze was even kalm en goed geweest als altijd; dat hinderde hem. „Had ze maar opgespeeld, was ze maar begonnen met te zeggen, dat ik ... hm!... ’t Is toch een goed wijf!—Verdord! waarom heb ’k nou op eens geen courage meer om nog zoo’n briefje te wisselen. Als ik maar wist wat ik haar zeggen zou, als ze vraagt waar ’t geld vandaan komt, dan deed ik ’t wel,” mompelde hij in zichzelven, terwijl hij zijn woning naderde.

Nu is hij voor de deur; hij weifelt nog een oogenblik. Weer krijgt hij de gedachte: „’k Zal er toch maar een wisselen en haar zeggen, dat....” Daar hoort hij Mijntjesstem. ’t Is alsof zij ongenoegen met iemand heeft, want zij spreekt luider en op scherper toon dan gewoonlijk.

Daarom blijft hij staan en luistert.

Luid en met nadruk hoort hij haar zeggen: „Hoe kom je er aan? Ik wil het weten; geef antwoord, Gerrit!”

„Gekregen, moeder!” ’t Is Gerrits stem, die antwoordt.

„Dat is niet waar. Zooveel sigaren krijg je niet; ik weet heel goed, dat je er nooit meer dan een stuk of zes hebt; en nu een heel pak van vijf en twintig, en met zoo’n mooi lint er om, dat is niet zuiver!—Allo! zul je antwoord geven?”

De manke staat besluiteloos achter de deur. Zal hij binnengaan en den jongen onder handen nemen? Zal hij blijven luisteren? Werktuiglijk doet hij het laatste, en tegen een der stijlen geleund, met de rechterhand op den deurknop, blijft hij onbeweeglijk staan.

„Gekregen”, herhaalt Gerrit, „van den meesterknecht gekregen”.

„Zoo. En waarvoor, waarom? Wat heb je er voor gedaan?—Je krijgt een kleur, je liegt!”

„Zoo maar, moeder, voor een aardigheid.”

„Leugenaar! ik zie aan je gezicht, dat ’t niet waar is.”

„Gerust, moeder, ik heb ze....”

„Zwijg! kwaje jongen! Denk je, dat moeder zoo onnoozel en dom is om dat te gelooven? Neen, ik zal het je wel zeggen: je hebt ze weggenomen. Kind! ’t is ijselijk, dat ik dat van je moet beleven: mijn Gerrit een dief....!”

„Neen, moeder! ’k ben geen dief!”

„Niet? Noem je dat dan geen stelen? Ja! of je nou huilt en grient, ’t is de waarheid: je bent een dief; of je geld steelt of sigaren, dat is precies hetzelfde.”

„Maar, moeder....”

„Hou je mond, jongen; ik kan je niet hooren, nietzien. Ga uit mijn oogen, leelijke dief! Wat moet er van jou groeien, als je nu al begint met sigaren te stelen? Geef hier dat pakje; ik zal ’t....”

„Moeder, ik heb ’t waarachtig niet gestolen; ik ben geen dief!” schreit de knaap.

Een oogenblik heeft Dirk een onbeschrijfelijk akelig gevoel gehad bij Mijntjes woorden: „Ga uit mijn oogen, leelijke dief!” Hij heeft gebeefd en is op ’t punt geweest om binnen te gaan en Gerrit zelf te ondervragen; hij kan niet gelooven, dat zijn jongen opzettelijk gestolen heeft, en daar valt ’t hem ook als een pak van ’t hart, als hij den knaap op zoo stelligen toon hoort zeggen: „Ik ben geen dief.”

Hij luistert verder, en al kan hij niets zien, hij weet, hij merkt, dat Mijntje dichter bij den knaap is komen staan, want ze spreekt nu minder luid en heftig.

„Kom, Gerrit! zeg mij de waarheid, kind! Hoe kom je aan die sigaren, en waarom verstopte je ze, toen je mij zaagt? Als ’t een eerlijke zaak was, hoefde je dàt toch niet te doen. Och, jongen! ik meen het zoo goed met je. Kom! zeg het moeder maar.”

„Nou dan, moeder, ik heb ze gevonden, eergisteren, in ’t portaal bij de sorteerkamer.—Neen! moeder, huil nou niet. ’k Ben toch geen dief, moeder, zie je wel? Ik heb ze niet weggenomen; ik spreek de waarheid, geloof me nou toch! Ik heb ze gevonden.—Toe, moeder, huil niet zoo; ik ben toch niet slecht, maar....”

„Kind! kind! waarom loog je dan? Is ’t wel wezenlijk waar?”

„Gerust, moeder! ze leiên op ’t portaal; een van de sorteerders zal ze verloren hebben en de....”

„Zoo! dus gevonden. Maar daarom zijn ze toch nog niet van jou, wel? Waarom heb je ze niet dadelijk teruggebracht,Gerrit? Dat had je moeten doen, dat was je plicht geweest.”

„Ja, moeder, maar...”

Dirk hoort alles duidelijk. Hij huivert en onwillekeurig brengt hij zijn hand op de plaats, waar ’t taschje verborgen is; ’t kost hem moeite zich staande te houden, als hij de ernstige stem van zijn vrouw weer verneemt, die, tot Gerrit sprekend, zegt:

„En weet je wel, Gerrit, dat nou misschien de sorteerder, die ze verloren heeft, als dief wordt aangezien door jou schuld en...”

„Maar ik dacht....”

„Foei, kind!—Ja! nou sta je te huilen; maar... Nou, wat wou je zeggen?”

„De sigaren worden eerst morgen door den meesterknecht ingenomen en nageteld, en...”

„Goddank! dan is het nog niet te laat; breng ze morgenochtend weerom en zeg ... hm!... Ja, wat zul je nou zeggen, dat je ’t pak sigaren al twee dagen gehouwen hebt? Zie je, daar heb je ’t al; nou moet je alweer liegen, omdat...”

„Maar, moeder!”

„Zeg dan maar, dat je ’t mee naar huis hebt genomen omdat ... hm!... Heere! Heere! wat maak je nou toch een verlegenheid door zoo’n ding!—Wat zal ik zeggen?”

„Och, moeder!”

„Zeg, dat je vader ’t je had afgenomen en opgeborgen en dat je ’t daardoor niet eerder kon...”

„Vader?”

„Neen! zeg maar niets. ’k Zal er zelf heengaan; ik zal ’t dan wel voor je beredderen voor dezen keer. Maar! kind! jongen! doe ’t in Godsnaam nooit weer—en houd je maar stil, doodstil voor je vader.”

„Zal u ’t ’m dan ook niet zeggen, moe?”

„Neen, jongen! ’k zal mijn mond houwen. Geef ’t pakje maar hier; ik zal ’t wegbergen tot morgen, want als je vader ’t wist, dan zou je wat beleven: de man is zoo eerlijk als goud. Als hij hoorde, dat jij twee dagen een andermans goed onder je hadt gehouwen,—hij sloeg je halfdood!”

„Och God, moeder! zeg ’t hem dan niet; ik zal ’t nooit weer doen; maar ik dacht, ’t zijn maar sigaren, en....”

Meer hoort de manke niet, want ’t is hem draaierig in ’t hoofd geworden bij de laatste woorden van Mijntje. Stil als een hond, die slaag heeft gehad, sluipt hij weg van de deur.

Als hij het slop uit is en in de straat, komt het hem voor alsof de keien tegen zijn hoofd springen; werktuiglijk loopt hij voort. Met geweld verdringen zich allerlei gedachten in zijn brein en de woorden: „de man is zoo eerlijk als goud,” klinken hem zóó duidelijk, zóó luid in de ooren, als vernam hij ze pas op ’t oogenblik zelf.

„Maar ben ik dan niet eerlijk? Heb ik dan niet iederen avond trouw de advertenties nagekeken, en ’t geld is er immers nog? Die vervloekte Bobberd met zijn praatjes! die is eigenlijk schuld, dat ik er aan ben geweest. En dan die huisbaas! Ik kon me toch niet op straat laten zetten met geld in mijn zak. Wat duivel! weet ik ook van wien ’t is? Mijn jongen wist ten minste, dat die sigaren door den sorteerder waren verloren en...”—„Als dief aangezien door jou schuld!”—„Wat weêrga! wie zei dat daar?” mompelt Dirk in zich zelf: „’t Is precies alsof ik ’t iemand hoorde zeggen,” denkt hij, en eensklaps komt hem het beeld van het jongmensch, dat boven zijn bier was en dat hij naar Kras reed, voor den geest. „Hij zag er zoo wat uit als een handelsreiziger; ’t zou toch kunnen zijn, dat zoo’n jongmensch voor zijn patroon geld ontvangen en, een beetje vroolijk geworden, ’t verloren had.—Neen! maar dan had hij er toch wel werk van gemaakt. Wist ik maar van wienhet was! Hm! ’k Had toch wel eens aan ’t Amstel-Hôtel kunnen vragen naar dien zieken heer, die.... Wat weêrga! wat belet me, dat ik ’t nog doe, dadelijk?”

Een half uur later staat Dirk in de vestibule van het Amstel-Hôtel en zegt tot den portier:

„’k Heb een dag of tien geleden, ’s avonds van den laatsten trein, hier een passagier gebracht....”

„Dat’s wel mogelijk; ’t is hier zoo druk, dat rappeleer ik me niet.”

Met zijn hoed in de hand, staat Dirk min of meer verlegen voor den welgedanen portier, die met een zeker „air” hem van het hoofd tot de voeten opneemt, als wilde hij zeggen: „Wat moet die armoedige snorder hier?”

„En nou wou ik u vragen, of die heer er nog is.”

„Weet je niet hoe hij heet? Moet je geld van hem hebben?”

„Neen!”—de manke glimlacht even—„’t Is die passagier, die ziek aankwam. U heeft me nog een gulden fooi moeten geven!”

Eenigszins gevleid door ’t beleefde „U”, antwoordt de portier iets vriendelijker:

„O! zoo! ja—’k herinner mij. Jawel, die logeert nog hier. Wat wou je?”

„Goddank!” denkt Dirk, en Mijntjes woorden: „Dan is ’t nog niet te laat,” komen hem eensklaps weer in de gedachte. Hij richt zich op uit zijn ietwat deemoedige houding en ziet den portier flink aan, terwijl hij zegt: „’k Moet hem dadelijk spreken. Is hij thuis?”

„Ja! maar....”

„Zeg asjeblieft, dat No. 181 er is.”

„Zoo! Hm! Kun je mij niet vertellen wat je wilt? Ik weet niet, of de baron wel te spreken is.”

„Is ’t een baron, portier?”

„Natuurlijk!—’t Is baron Van der Weyden; hij is pas aan de beterhand.”

„Ja, dat kan wel wezen; hij was ten minste lang niet goed ’s avonds; onder weg had hij nog zoo’n soort van flauwte. Och kom! is hij toen naarder geworden?”

„Heel erg; hij zit pas sedert een dag of drie op.—Kom dus liever eens terug,—later.”

„Neen! dat kan ik niet,” antwoordt Dirk, en hij denkt er bij: „’k Durf Mijntje niet weer onder de oogen te komen, vóórdat de zaak in orde is.” Daarom herhaalt hij nog eens dringend: „’t Heeft haast, portier! Ik zal den baron niet lang ophouden—Och! doe me ’t plezier en vraag of ik....”

„Nu, goed dan, ik zal je helpen,” en zich tot den kleinengroom, die in de portiersloge op een lei zit te krabbelen, wendend, zegt de portier: „Ga eens naar boven, naar No. 12, en vraag of de baron te spreken is voor dien snorder.”

„Voor No. 181,” roept de manke den jongen, die inmiddels de trappen opwipt, nog na.

Terwijl degroomzijn boodschap verricht, verwaardigt zich de portier, die op ’t oogenblik niets beters te doen heeft, met den manke een praatje te houden. Hij vertelt hem met een paar woorden, dat baron Van der Weyden, in denzelfden nacht van zijn aankomst in ’t hotel, ernstig ongesteld is geworden, en sedert door de freule, zijn dochter, die telegraphisch werd ontboden, is verpleegd.

„’t Zijn schatrijke lui, beste menschen! Maar je kunt zoo zien, dat ’t een baron van het land is: er zit geen echte adeltrots bij! Neen! dan heb ik ze hier wel anders, hoor! die geen mensch aankijken van voornaamheid,” zegt de portier op ’t oogenblik dat de groom terugkeert, en met een vragenden blik voegt hij tot den jongen er bij: „Wel?”

„Boven komen”, is ’t lakonieke antwoord.

„Dat tref je!—Allo! wijs jij dien man den weg eens naar No. 12.”

„Kom dan maar mee!” zegt knorrig degroomen gaat vóór Dirk de trappen op.

Zenuwachtig en besluiteloos staat de manke voor de kamerdeur, maar zoodra hij heeft aangeklopt, wijkt dat angstig gevoel en kalm treedt hij, na een zacht: „Binnen!” door een vrouwenstem geuit, het vertrek in.

Met zijn hoed in de eene hand en in de andere het taschje, dat hij uit zijn borstrok te voorschijn heeft gehaald, staat Dirk in de kamer en ziet rond.

Dat moet dan die passagier zijn! Nauwelijks herkent hij hem nu; hij heeft hem ook alleen maar ’s avonds gezien, en dan nog wel in een dikken pels gedoken. Maar als de baron hem vraagt: „Ben jij No. 181?” herinnert hij zich zijne stem en onwillekeurig zegt hij: „Jongens! Jongens! meneer, wat zie je er slappies uit,”—en als schaamde hij zich plotseling over die gemeenzame woorden, stamelt hij: „Dat viel er zoo uit, meneer, neem me niet kwalijk,” en blijft verder zwijgend staan, totdat de dame, die naast den ziekenstoel staat, hem vriendelijk toevoegt: „Wat wenscht u?”

„Mevrouw—juffrouw—ik .... hm! ik....” stottert de manke, nog altijd eenigermate verward door de vreemde omgeving: „ik ben de snorder, die den baron ’s avonds hier heeft gebracht en ik wou....”

„Heb je soms de beloofde fooi niet gekregen? Vraag dan maar aan den portier of....”

„O, neen! meneer,” valt Dirk snel in, „dat is ’t ’m niet; ’k blijf u nog wel dankbaar voor dien gulden, maar ’t is een heel andere zaak.—Heeft u bij geval ook iets verloren?”

„Goddank! ’t woord is er uit,” denkt de manke, en alsof ’t hem nu gemakkelijker valt om te spreken, herhaalt hij: „Iets van waarde verloren?”

„Ik?—Niet dat ik weet, beste vriend!”

„Och God! zou hij ’t nou toch niet wezen?” denkt Dirk; maar hij vervolgt: „’k Heb wat in m’n viegelant gevonden, een kleine zwarte tasch met....”

„Met bankpapier, een leeren taschje, een bankje van duizend er in en...?”

„Juist, meneer! juist!—Hier is ’t, asjeblieft!”

De freule neemt het aan en reikt het over aan haar vader, die ’t nauwkeurig bekijkt en dan den man, die voor hem staat, scherp en oplettend aanziet.

„Wanneer vond je dat?”

„’s Morgens vroeg, toen ik m’n wagon schoonmaakte. Als ik maar had geweten, dat ’t van u was, zou ik ’t dadelijk hebben teruggebracht, maar ik had na u nog een passagier; hij was, met uwés verlof, ’n beetje sikker, en daarom dacht ik: misschien heeft hij ’t laten vallen. Ik wist ook niet wie ’t was en ’k dacht: eerst hier informeeren en .... daarom, weet u .... geloofde ik....” Dirk verwart zich in zijn eigen woorden, omdat hij denkt: „Wat zal ik zeggen, waarom ik ’t zoo lang gehouden heb?”—’t Is een akelig ding, dat die woorden van Mijntje hem zoo voortdurend door ’t hoofd spoken.

De baron redt hem uit de verlegenheid door te zeggen:

„Ja!—’t is van mij; ’t is geld, dat ik pas van mijn notaris had ontvangen,” en tot de freule: „Zie je, Constance, ik heb door mijn ziekte er in ’t geheel niet meer aan gedacht. ’t Zat in mijn valiesje; dat sloot niet goed en....”

„Dat kan wel wezen, meneer; dan is ’t er uitgevallen, toen u uitstapte: het valies lei open op den grond, dat weet ik, want ik heb ’t nog dichtgeknipt, voordat ik ’t aan den portier gaf. ’t Taschje had ik niet gezien; anders....”

„Zoo!—dus je vondt ’t ’s morgens en je zaagt, dat er geld in zat.” Intusschen laat de baron het bankpapier door zijn vingers glijden en ziet telkens met vriendelijker oogen den manke, die nog altijd met den hoed in de hand voor hem staat, aan. „’k Weet niet juist meer hoeveel geld er in was, goeie vrind, maar ’t zal wel akkoord wezen.”

In dat oogenblik schiet met de snelheid des lichts door Dirks brein de gedachte: „Hij wist niet hoeveel er in was; je hoeft dus niets te zeggen van dat vijf-en-twintigje.” Maar ’t is alsof een inwendige stem hem toefluistert: „Neen, neen! je moet het juist wel zeggen; doe je werk niet ten halve,” en, eer hij ’t zelf weet, zijn hem de woorden ontsnapt: „Neen, meneer, ’t is niet in orde.” En hij kleurt als een jongen, dat voelt hij, als hij er bijvoegt: „Kijkt u maar goed na, dan zal u wel zien dat ik—hm!—’t spijt me wel—maar...”

De baron heeft nogmaals den inhoud nagezien, en na een oogenblik te hebben gedacht, zegt hij: „Zoo! Zoo! En hoeveel was dat wel, goeie vriend?”

„Vijf en twintig gulden, meneer!”

„Hum!” De oude heer richt zijn oogen scherp op den snorder en vraagt met een zweem van misnoegen in zijn stem: „En waarom deed je dat?”

Een oogenblik is het doodstil in ’t vertrek, dan zucht de manke hoorbaar, diep, draait zijn hoed rond in zijn handen en zegt dan zachtjes, met trillende stem:

„Ik ben zoo arm!”

Er is iets in de houding van den snorder dat voor hem pleit; hij staat daar bescheiden, kalm en rustig. De Baron glimlacht met een heimelijke traan in ’t oog en freule Constance, die gedurende het geheele gesprek den manke goed heeft opgenomen en zijn gelaat, zonder dat hij ’t merkt,trek voor trek bestudeert, slaat een innig meewarigen blik op den koetsier, die nog steeds zijn hoed in de hand ronddraait en met alle oplettendheid naar die beweging schijnt te zien.

„Ben je getrouwd?” vraagt zij zacht.

„Ja, juffrouw!”

„En heb je kinderen?”

„Om u te dienen, zeven. Ja! we hebben ’t van de winter hard genoeg want de verdiensten zijn schraal; er zit geen geld onder de menschen en dan loopen ze, als ze maar even kunnen, u begrijpt dus dat ’t geen vetpot is....”

„Ja dàt kan ’k begrijpen,” de freule ziet medelijdend hoofdschuddend den snorder en dan, vragend, haar vader aan.

„De huisheer had gedreigd om ons op straat te zetten. Midden in den winter mijn vrouw en kinderen zonder dak te laten, God! dàt kon ik niet;—vooral niet toen ik opeens zooveel geld in handen kreeg: ik hoop dus dat u ’t me niet kwalijk zal nemen dat ik er wat afnam—maar ik dacht misschien krijg ik wel zooveel fooi, als ik ’t weerom breng. Kleine Jan was zoo ziek; de huisbaas wou geen uitstel meer geven en toen...”

„Kom eens hier, man! Hoe heet je?” roept eensklaps de baron, het verhaal van Dirk afbrekend.

„No.181; och, neen! Dirk de Vries,” is ’t verwarde antwoord.

„Kom hier, kerel!” Do oude heer rijst van zijn stoel op en herhaalt zenuwachtig: „Kom dan!”

Dirk aarzelt en ziet nu eens den ouden heer, dan weer de freule, verlegen aan.

„Maar kom dan toch bij me!”

De manke nadert.

„Geef me je hand, De Vries! Zoo! ’n fermen handdruk. Zoo! jij bent een eerlijke vent, hoor! God weet, of ik in jouplaats ’t wel zóó had getracteerd.—Hm! waar woon je? Vertel me eens wat van je familie.—Je hebt zeker een brave vrouw, hé?”

„Ja, meneer, die heb ik Goddank. ’t Is een best wijf, die m’n kinderen grootbrengt met God en met eere,” antwoordt de manke, uit de volheid zijns harten.

„Dat dacht ik wel.—Constance, schel eens om wat port; laat den man een stoel nemen, en ga jij hier bij ons zitten.—Kom, vrind! vertel me nu alles eens. Wat verdien je wel en...?”

Een lange poos zit de manke met den ouden baron te praten; hij verhaalt hem van Mijntje, van zijn kinderen en eindelijk ook van Bles—dat dier ligt hem na aan ’t hart. „Wil u wel gelooven meneer! dat hij me als een hondje naloopt, aardig hé? Dat deden alle paarden die ik gehad heb.”Dirks oogen beginnen te glinsteren als hij vervolgt:„’k heb altijd liefhebberij gehad in mijn vak en toen ik nog ongetrouwd was en bij baas Halswijk diende, hield ik men span in orde, dat beloof ik je—maar wat krijg je bij zoo’n snorder onderhanden? Ouwe dragonders, een enkel afgedankte artillerist, meestal dampig, ja! als ik weer eens een span goeie Bovenlanders of Friezen mocht rijen, zou ik nog eens kunnen laten zien, dat ’k weet wat ’n paard is en wat het toekomt.”

Met toenemend welgevallen ziet de oude heer, achterover in zijn stoel geleund, naar Dirk, die bescheiden, maar zonder schroom, voortgaat met over paarden en rijtuigen te spreken—telkens weer opnieuw uitgelokt door een of andere vraag of opmerking van den Baron. Dirk merkt dat niet maar Freule Constance wèl; zij knikt, achter den snorder staande, een paar maal levendig met het hoofd, als wilde zij zeggen: „Ik begrijp u papa—’t is goed wat je wilt doen.”

Eindelijk weet de Baron wat hij weten wil, neemt zijn zakdoek, brengt die even aan ’t voorhoofd en zegt tot den snorder:—„En nu, goeie vrind, wil ik wel weer alleen zijn, ik dank je. Ik word wat moe; ’k voel toch, dat ik nog zwak ben, maar jou gezicht heeft me heel veel goedgedaan.—Ziedaar! neem dat mee, dat’s voor den eerlijken vinder; doe mijn groeten aan je vrouw en zeg haar, ze is immers ook van Overijssel, dat ik een landsman van haar ben—maar pak dan toch aan, man—dat ’s om je kinderen eens te tracteeren. Zeg aan je vrouw, dat ze een brave vent heeft en dat ze later wel meer van mij hooren zal—Adieu!” Dirk krijgt nog een ferme handdruk van den Baron en verlaat het vertrek. Als hij in den corridor staat, ziet hij een banknoot in zijn hand—nauwelijks gelooft hij zijn oogen.

„Godallemachtig! Honderd gulden!—Nou naar Mijn! Kristenenzielen, wat zal ’t wijf blij zijn!”

Hij stormt de trappen af, en als hij den portier voorbijkomt, vraagt deze, uit zijn hokje ziende: „Heb je den baron gesproken?”

„Nou! dat zou ’k je verzoeken.—Dag, portier!”

Dirk maakt, dat hij wegkomt.

Of de baron woord hield?

Vraag dat maar eens aan Dirk of liever aan zijn vrouw, die, gedurende het jaar dat zij in het ruime luchtige koetsiershuis van het buitengoed „Weijdenstein” boven Zutphen wonen, er welgedaan en gezond is gaan uitzien. De kinderen groeien als kool, eten als wolven, en er is altijd genoeg.

Als Dirk zijn zevental dan zoo gelukkig bijeen ziet, denkt hij: „Vrouw! ’t is eigenlijk jou schuld, dat we ’t nu zoo goed hebben”, en zijn vrouw zegt dikwijls tegen de kinderen: „Neem een voorbeeld aan jelui’s vader: dieiszoo eerlijk als goud!”


Back to IndexNext