III.

[1]Turf- en houtverkooper.[2]„Stichwort”—’t laatste woord, waarop de andere speler invallen moet.

[1]Turf- en houtverkooper.

[2]„Stichwort”—’t laatste woord, waarop de andere speler invallen moet.

„Hoe staan we er nu mede, Walten?” vraagt den volgenden dag de Directeur van den Schouwburg aan den ouden man, die met een portefeuille onder den arm in min of meer gebogen houding vóór hem staat.

„Heb je al bepaald, welk stuk je wilt geven?”

„Nog niet, mijnheer. Ik heb gedacht over de rol van Jérôme Duflou in Arthur of zestien jaren later.”

„Hm! die rol is niet groot voor ’n beneficiant.”

„Wat dunkt u dan van „De Vrek?” Die heb’k altijd met succes gespeeld.”

„Niet kwaad, ten minste wanneer je...” de Directeur zwijgt een paar seconden en ziet met een zweem van medelijden zijn bezoeker aan—„hm! wanneer je die rol nog aandurft.”

„Nòg...?” Walten verbleekt een weinig, zijn onderlip beeft.

„Ja! je wordt een dagje ouder en ’t is een zware rol.”

„O, ik ken ze nog wel op mijn duim. ’t Is een van mijn beste creatiën; ik denk er zelfs over, om, zoodra Annette goed verzorgd is, weer een engagement te zoeken. ’t Kon soms zijn, dat u hier nog een plaats had, die vervuld moest worden; dan beveel ik me daarvoor aan; ik zou wel weer willen optreden.”

In de oogen van den Directeur, die eerst met deelneming op den ouden man hebben gerust, komt nu een uitdrukking van medelijdende verwondering; zij zien den sollicitantaan als wilden zij vragen: „Jij?—Zoek jij nog een engagement? Neen, ’t is niet zoo, je houdt mij voor ’t lapje.”

’t Is alsofWaltenvoelt wat de Directeur denkt, want hij voegt er snel bij: „Ik meen ’t in vollen ernst: als u me kunt emploieeren...”

„Daar zullen we later wel over spreken. Walten.—Vertel me nu eerst eens: heb je al wat plaatskaarten verkocht?”

„’t Schikt nogal; ik doe natuurlijk mijn best om eerst de avondkosten bij mekaar te krijgen; nu, die zullen er gauw zijn. Dan zal ik verder met de lijsten werken; ik heb er nu nog maar boven, laten zetten:’t Op te voeren stuk zal nader worden bekend gemaakt.”

„Goed! maar bepaal dat liefst zoo gauw mogelijk; dan heb je meer succes bij de lui. Hier heb je een lijstje, waarop ik eenige adressen heb genoteerd van menschen, die ik ken als liefhebbers van ’t tooneel; ook zullen enkelen ervan zich jou nog wel herinneren van vroeger en daarom....”

Walten wordt bleek; dat gezegde: „Enkelen zullen zich jou nog wel herinneren” heeft hem getroffen; onmiddellijk beseft hij de treurige waarheid er van. Ja! hij leeft eigenlijk alleen nog maar in de herinnering van enkelen; den Walten van ’t heden kent men nauwelijks meer. Een paar kille droppels, die op zijn voorhoofd verschijnen, wischt hij met de hand weg, strijkt even over zijn oogen en dan antwoordt hij, met schorre zenuwachtige stem: „’k Heb al een paar oude kennissen opgezocht, en die hebben dadelijk een heelelogegenomen; maar—als u ’t niet kwalijk neemt, meneerSchröder, wou ’k wel gaan zitten, want....”

„Och neem me niet kwalijk, ik heb vergeten je een stoel aan te bieden, excuseer mijn lompheid!” En snel opspringend, neemt hij een stoel, die onder zijn bereik staat, en zet dien naast Walten.

Haastig grijpt de oude man naar de leuning, en terwijlde vale bleekheid, die zijn gelaat had overtogen, plaats maakt voor een congestieusen blos, wankelt hij een oogenblik en neemt dan plaats. „Ik weet niet wat mij mankeert, meneerSchröder, maar in den laatsten tijd heb ik telkens van die duizelingen, en daarom ben ik zoo vrij om....”

„Wel, m’n goeie man, geneer je niet, neem je gemak.”

„Dank u; ’t gaat nu alweer over. ’t Is een alleronaangenaamst angstig gevoel; tusschenbeide weet ik één oogenblik niet waar ik ben, dan draait me alles voor de oogen en zou ik zóó neer kunnen vallen.”

„Dat’s niet goed, Walten. Wil je soms een glas water?”

„O, als u ’t bij de hand heeft, graag.”

Als Walten gedronken heeft, wordt zijn gelaatskleur weer gewoon en is het alleen aan het eenigszins rood gekleurde wit van zijn oogen te zien, dat hij nog niet geheel normaal is.

„Ik denk, dat ’t van ’t heen en weer loopen en draven komt,” zegt hij: „ik ben dat niet meer gewend.Bovendien heb ’k weinig nachtrust gehad in de laatste dagen: die toevallen van mijn dochter kwamen zoo gauw achter elkander; vroeger bleef ze wel eens een maand, soms zes weken vrij. ’t Is treurig, erg treurig.”

„We willen ’t beste hopen, als ze eenmaal onder een geregelde behandeling komt,” troost de Directeur.

„Juist! dàt heeft ze hoog noodig; in ’t gesticht zou ze....”

„Ja, ja!” valt hem de Directeur haastig in de rede, omdat hij reeds herhaalde malen ’t relaas van den vader heeft gehoord; en om een andere wending aan ’t gesprek te geven, vervolgt hij: „Hoe sta je met de artisten?”

„Goed!”

„Je begrijpt, hoe meer je van de eerste krachten op je programma kunt krijgen, des te beter.”

„Natuurlijk! Ik heb er alleen een hard hoofd in, datjuffrouw Andrée zal willen meewerken, als ze de hoofdrol niet krijgt.”

„Hoezoo?—Die moet je vooral hebben, die is op ’t oogenblik „the grand attraction.””

„Ik heb haar dezer dagen bezocht en gevraagd, of ze mij steunen wou. Ze was heel beleefd, maar ze zei meteen, datikwel begrijpen zou, dat ze niet anders dan een eerste vrouwenrol, en dan in haar emplooi vallend, kon aannemen.”

„Zoo, hm! Och! wat zal ik je zeggen, Walten: jij kent de artisten zoo goed als ik. Ze is een jong ding, dat in den laatsten tijd door haar aardig bekje veel opgang maakt. Ze heeft een beetje talent, maar ze is erg van ’t hondje gebeten, nogal over ’t paard getild.... Binnen!”

Walten heeft, evenals de Directeur, het kloppen op de deur gehoord en rijst werktuiglijk op van zijn stoel.

„Is er belet?” vraagt vriendelijk een aangename vrouwenstem en te gelijk kijkt een reeds min of meer bejaarde dame, met een zeer intelligent en prettig voorkomen, om ’t hoekje van de deur.

„Belet? Voor u is er nooit belet; kom binnen, mevrouw Groote!” antwoordt de directeur, terwijl hij opstaat en de naderbij komende dame de hand reikt. Met een vriendelijk hoofdknikje begroet zij Walten en neemt op den haar aangeboden stoel plaats.

„U komt als geroepen, mevrouw!”

„Waarom?”

„Hier is”—de Directeur wijst op den ouden man, die nog naast zijn stoel staat,—„Walten, die u juist wilde gaan bezoeken om u te vragen of....”

„Heere! Heere! Walten jij hier? Dat doet me pleizier!” En vriendelijk lachend staat zij op, legt haar handen op zijn schouders en drukt hem zachtkens neer op zijn stoel, terwijl zij vervolgt: „Ga eerst weer zitten, collega.’k Had je waarlijk zoo gauw niet herkend, maar nu zie ik het wel. Hoe gaat het je? Hm! je ziet er niet florissant uit. Ben je ziek geweest?”

„’k Voel me niet wel, mevrouw!”

„Dat’s verkeerd, hoor! Ik heb van Hostein gehoord, dat je in den laatsten tijd.... hm! hoe zal ik ’t zeggen....”

„Dat ik oud word, mevrouw! Zeg ’t maar.”

„Nu, nu! dat bedoel ik zóó niet, maar.... Zeg! wat denk je voor je benefiet te geven?”

„Ik hoop „De Vrek”.”

„Ei! dat’s geen kleinigheid. Ben ik er ook in?”

„Ik ben al bij u aan huis geweest, zonder u te treffen; ’k had u beleefd willen vragen, of u de goedheid zoudt willen hebben om....”

„Om mee te doen? Maar, vadertje, dat spreekt immers vanzelf.”

„Ja?” Met een vroolijk gelaat knikt Walten haar toe.

„Zeker! Er zal toch wel een rolletje voor mij inzitten?”

„Ja, mevrouw, maar eigenlijk is er geen eerste moederrol in, en uw emplooi....”

„Kom! kom! gekheid, emplooi of geen emplooi, dat komt er niet op aan; geef me maar wat je wilt; desnoods breng ik een brief op. Voor een collega en vooral voor iemand zooals jij, die zóó getobd heeft, doe ik alles. Als ’t niet anders kan, figureer ik zelfs mee,—ten minste als je mijn naam graag op ’t programma wil hebben,” voegt zij er met een klein vleugje van ijdelheid bij.

„Wat is u goed, mevrouw Groote!”

„Zie je, Walten, daar spreekt nu ’t artistenbloed,” zegt de Directeur; en tot mevrouw Groote gewend, voegt hij er bij: „Juffrouw Andrée is minder toeschietelijk geweest; ze heeft nog niet toegestemd.”

„Wel! wel!” antwoordt mevrouw Groote met een zweemvan hatelijkheid in haar stem. „Nu, zoo’n grrroote artiste mag haar kuif ook wel opzetten. Zoo’n kolossaal talent wil natuurlijk de eerste rol hebben, is ’t niet zoo?”

„Ja, mevrouw.”

„’t Is om te lachen,—zoo’n kind! Ze heeft een aardig gezichtje, een mooi figuurtje,—dat ’s waar! Ze heeft geluid ook, maar dat kan zij niet helpen. Als ze zooveel talent had als inbeelding, zou ze er wel komen; maar om een stuk te helpen dragen, zie je! dáárvan heeft ze geen kaas gegeten. En welke rol had je haar gegeven?”

„Nog geen rol; ’t was maar bij voorbaat, dat zij....”

„Wel goeie hemel! wat ’n drukte voor niemendal!—Luister eens, Walten, ik ken haar: ze schermt altijd met haar emplooi, hé?”

„Ja, mevrouw; nu zei ze ook, dat als ’t niet in haar...”

„Emplooi viel, dat ze dan er voor passen zou. Jawel, dàt kennen we!” En plotseling op uitstekend natuurlijke wijze de houding eener coquette jonge dame nabootsend, zegt mevrouw Groote, met brauwende stem: „’t Spijt me menèrrh Walten, mèrrh wanneerrh de rrhol niet.... Ha! Ha! Ha! weet je wat, ouwe jongen, laat zij naar de Franschen loopen; ik zal je anders en beter helpen. Als onze Directeur ’t goedvindt, laat je haar heelemaal buiten alles—ik heb ’t land aan dat creatuur—en dan geef je aan juffrouw Berg, mijn élève, een goeie rol. Dat’s een aardig eenvoudig kind met ’n snoepje van ’n gezichtje en met meer talent dan die „grrhoote juffrrrhouw Andrrhée.” Dan zetten we op ’t programma: Debuut van Mejuffrouw Berg, élève van Mevrouw Groote.—Wat zeg je daar van, meneerSchröder?”

„Nu, dat ’s nog zoo kwaad niet,” merktSchröder, die eigenlijk juffrouw Andrée ook niet goed lijden kan, aan.„’n Debuut met ’n benefiet samen is een goed idee.”

„Mevrouw, ’k ben dankbaar, dat ik u hier ontmoet heb.”

„Heel goed, Walten, dat doen we dan zoo.—Kijk!” Mevrouw Groote wrijft zich eventjes in de handen, „ik ben heusch in m’n schik, dat we die Andrée er zoo liefjes uitknikkeren; ik moet je eerlijk zeggen: ik kan haar niet zetten; ze heeft zoo’n paar opera-maniertjes, die ’t publiek aardig vindt; ze coquetteert met de jongelui, die sprinkhaantjes uit destalles, ’tbalconenz.Voilà tout!Voor ’t overige zit alles er dunnetjes op. Ze is eigenlijk geen artiste, ze heeft voor geen dubbeltje sentiment, geen opvatting, geen gloed, geen....”

„Och! Och! mevrouw Groote, als ik je niet zooheel langen beter kende, zou ik werkelijk denken, dat hier ’n beetje „jalousie de métier” in ’t spel was,” hervatSchröder, lachend mevrouw Grootes woordenvloed stuitend.

„Kom,Schrödertje! dat weet je wel beter;ikheb me waarachtig niet te beklagen,ikheb succes genoeg gehad”—en met een zelfgenoegzaam lachje—„en nog succes! Begrijp je, dat’s veel gezegd, als men bijna vijf en dertig jaren op de planken is.—Maar ik zie, dat je heen wilt gaan, Walten, en ik wou je toch dit nog zeggen: doe mij nu pleizier en repeteer zoo spoedig mogelijk. Dan kan ik de kleine Berg nog eens flink onder handen nemen; je begrijpt, als ze debuteert, wil ’k ook ’n beetje eer met ’r inleggen.”

„Wanneer dunkt u dan, meneerSchröder?”

„’k Zal er met denrégisseurover spreken; overmorgen weet u ’t.”

„Best!”—Walten neemt zijn portefeuille op en grijpt naar zijn hoed.

„Ho, vadertje! wacht nog even; ik wou je nog één raad geven. Je moet na „De Vrek” een grappig nastukje geven, zoo een van je ouwe comische rollen; er zijn nog genoeglui, die je vroeger in die rollen gezien hebben en die zoo’n dolligheid nog eens weer willen zien, b. v. de zuster van Jocrisse.—Ja, hm! voor Jocrisse ben je—hm! niet boos worden!—een beetje af-tandsch. Maar—zing je nog?”

Waltenantwoordt kortaf met een zucht: „Neen Mevrouw!”

„Dat’s jammer; anders zou ik je proponeeren: „’t Huishouden van den schoenlapper” of „De Behanger”.”

De Directeur ziet intusschen zwijgend naar Waltens somber gelaat en denkt: „Sic transit.”

„Ik weet wat,” gaat mevrouw Groote voort. „Geef als toegift: „De dochter van Dominique”; dan speel jij voor Nicolaas den knecht—dat kun je best, en ik zal de Cathérine spelen; dat ’s altijd een glansrolletje voor me geweest,—al zou ik dat nu alleen maar doen om aan die Andrée met al haar drukte te laten zien, datik me nog jong kanmaken, als mij dat blieft”; en terwijl zij dit zegt, ziet zij den Directeur even aan.

„Is dat eenpique sous l’eau, mevrouw?”

„Onder of boven water, meneerSchröder, zoo je ’t nemen wilt,” lacht mevrouw Groote en vervolgt: „Nu, Walten, wat denk je daarvan?”

„’k Ben u dankbaar... mevrouw en... ik... zal... God! daar komt ’t weer. O!”

„Mijn hemel! wat scheelt hem op eens?” roept mevrouw Groote, die nog juist bijtijds den ouden man om de schouders vat en hem voor vallen behoedt. Langzaam doet zij hem weer nederzitten en veegt hem met haar geparfumeerden zakdoek langs voorhoofd en slapen. „Vadertje wat wordt je bleek. Zeg! wat scheelt je, ouwe heer?—Duizelig?—Zoo, is ’t al weer over? Jongens! jongens! je moet er ’n dokter over spreken; dat ’s geen gewone toestand.—Ben je nu weer klaar?—Wat voelde je eigenlijk, Walten?”

„Duizelig, flauw, ’k werd wee!”

„Zenuwen!—Hier! drink eens.”

„Ja!” Waltens tanden klapperen tegen den rand van ’t glas, dat mevrouw Groote hem heeft aangegeven.

„Zenuwen zijn ’t, anders niet; van avond Brom-kali nemen en nu gauw in de lucht. Wil ’k met je meegaan?”

„Neen! neen! dank u.”

„Zeg,Schröder, zou je hem niet iemand meegeven, de trap af?” Mevrouw Groote vraagt ’t fluisterend, maar Walten heeft het toch verstaan en zegt haastig:

„Och! asjeblieft niet; ’t is nu heelemaal over. Ik begrijp ’t wel: ik ben van morgen al vroeg de deur uitgegaan, de bakker was er niet geweest, en.....”

„Wel Heere! je hebt misschien vergeten te ontbijten, vadertjelief! Dat kan den besten gebeuren.—Kom! ga met mij mee in de koffiekamer. Toe! ik heb ook nog geen twaalf-uurtje gehad. Hé, ja, laten wij eens samen „lunchen”, als ouwecollega’s, recht gezellig. Neen! neen! refuseeren mag je niet, hoor kameraad!”

Een trek van innige goedhartigheid siert mevrouw Grootes gelaat, als zij den ouden man familiaar onder den arm neemt en tot den Directeur zegt: „Excuseer ons,Schröder; wij gaan koffiedrinken.—Ik kom straks wel terug om af te handelen, waarvoor ik kwam.—Komaan,beau cavalier, je arm! Ha! Ha! Ha! de booze wereld zal ons oudjes toch wel zoo’ntête à têtegunnen.”

Walten aarzelt, en mevrouw Groote herhaalt: „Als jij refuseert, refuseer ik alle rollen, hoor! Kom! ik heb nu juist groote ambitie om je te schaken.”

Schröderziet aan Waltens houding en blikken, dat hij nog iets op ’t hart heeft, en vraagt hem daarom met de oogen: „Heb je nog wat?” De oude man, die met zachten drang door zijn dame naar de deur wordt geleid, knikt „ja” zonder dat zij ’t ziet. Daarom roept de Directeur hemmet: „Een oogenblikje, mevrouw Groote; ik wou Walten nog iets zeggen”, terug.

„Gauw dan; ik wacht hier”, zegt de actrice.

Als ze een paar passen in de kamer zijn, vraagtSchröder: „Wat wou je me vragen?”

„MeneerSchröder, ik ben genoodzaakt om u te verzoeken om..... ’k Heb dringend geld noodig; ’t is ellendig, dat ik zoo krap zit, maar ik moet van avond huur betalen; anders....”

„Heb je veel noodig?”

„’n Kleine zeventig gulden, en dan heb ik zelf nog niets: ’k heb nog een paar kwartjes in huis.—Zou u me niet ’n honderd gulden voorschot willen geven?”

„Hum!”Schröderdenkt even na.

„’k Geloof toch, dat u er geen kwaad mee kunt. Pietersen heeft gisteren al vrij wat kaarten geplaatst en....”

„Pietersen, dien ouwen nathals, laat je dien voor je werken?”

„Och ja! hij is jarenlang mijn souffleur geweest; hij is gaar en kent de lui, die vatbaar zijn, en hij heeft er slag van om hen te laten teekenen.—Zou u....?”

„Enfin! ’k zal je maar helpen.”

„Kom je nu, kameraad? Mijn maag knort!”

„Dadelijk, mevrouw!”

De Directeur gaat naar zijn bureau, neemt er vier bankjes van ƒ25 uit, geeft die aan Walten en zegt: „Ziedaar dan, maar meer dan dit geef ik in geen geval.”

Een oogenblik later zitten Walten en de actrice in de koffiekamer en gebruiken met smaak een eenvoudige „lunch.”

Mevrouw Groote heeft er slag van om den ouden kunstenaar, zooals zij het noemt, „op zijn gemak” te zetten. Zonder dat hij het zelf merkt, laat zij hem vertellen, hoe zijn toestand eigenlijk is; met een enkel deelnemend woord,een blik of gebaar vol sympathie, met den fijnen tact, sommige ontwikkelde vrouwen eigen, weet zij hem alles te ontlokken wat zij weten wil. Haar oogen worden nu en dan vochtig—hij merkt het niet—en met klimmende belangstelling en innig medelijden ziet zij hem aan, terwijl in haar geest het plan rijpt om met de andere artisten iets voor den ouwen, armen collega te doen. Plotseling vraagt zij: „En zou je dochter waarachtig kunnen genezen?”

„Zeker!”

„Voorgoed?”

„Voorgoed!—U zou niet kunnen gelooven, mevrouw, hoe kalm ze soms is; dan zou je zeggen, ze mankeert niemendal, zooals nu bij voorbeeld.”

„Ik ga met je mee, Walten; ik wil haar eens zien.—Kom! we hebben gedaan met eten, laten we opstappen.”

„U bij mij aan huis? Neen! dàt kan niet.”

„Waarom niet?”

„Neen! Neen!”

„Kom! ouwe heer, je zult toch niet te grootsch zijn om...? Of ben je soms bang, dat de booze wereld je reputatie zal bederven door te zeggen, dat jij „dames seuls” ontvangt? Ha! ha! ha!—Vooruit dan, kameraad.”

„Neen, mevrouw, ’t is onmogelijk.—Aannemen!”

„Wou je nog iets gebruiken?”

„Neen!—U?”

„Ik ben voldaan!”

„Ik ook.—Hoeveel is ’t, Jan?”

„Twee gulden zeventig, meneer!”

„Hier, wissel me dat bankje eens; ’n dubbeltje voor jou.”

„Maar, Walten, wat doe je?”

„Ik betaal, mevrouw!”

„Ben je nou dwaas? Ik heb je immers...?”

„De eer aangedaan met mij koffie te drinken.”

„Goeie hemel! wat ’n vent!”

„Ik ken Goddank m’n wereld nog wel, mevrouw!”

„Je bent ’n gek, ’n stijfhoofdig monster, een trotschaard; maar toch ben je n’ aardige kerel, ouwe heer!—Kom! laten we nu even naar je huis gaan. Toe! laat me je dochter eens zien.”

„’t Kan niet, waarachtig niet!”

Een oogenblik denkt mevrouw Groote na en dan zegt zij plotseling: „Kom! ’t is maar alleen om eens te hooren, hoe ze de rei uit Gijsbrecht zegt; ik heb gehoord, dat ze dat zoo uitmuntend doet.”

Waltens oogen verliezen iets van hun dofheid, als hij antwoordt: „Ja, dat’s waar, dàt doet ze eenig; maar—van wien heeft u ’t gehoord?”

„Hm! ja! Laat eens zien, van wien ook weer?—Hm! hm! O, ja! van Pietersen, den souffleur.”

Walten heeft ’t oogenblikje van verlegenheid, waaruit mevrouw Groote zich zoo meesterlijk redde, niet opgemerkt en zegt: „Ja, dat kan wel; die heeft haar ten minste dikwijls zien spelen, toen ze nog goed was. ’n Mooi geluid heeft ze, mevrouw!”

„Mag ik haar dan niet eens hooren, collega? Toe! asjeblieft!” En met een coquette beweging legt zij haar nog altijd fraaie, blanke hand op Waltens arm. „Dat pleiziertje doe je me wel, hé?”

„Maar....” en Waltens blik wordt diep treurig—„dat was vroeger; nu doet ze ’t niet meer. Ze zit kalm en bedaard, maar zonder spreken bij me, ziet u? En dat noem ik: ze is goed!”

„Och! dat begreep ik niet, ouwe vrind; ik dacht, dat ze graag een rol zei of een fragment en....”

„Neen! alleen als ze....”

Mevrouw Groote ziet hem zóó medelijdend en met een licht hoofdschudden aan, dat hij onwillekeurig zwijgt.

„Laat me haar toch maar eens zien, Walten!”

„’t Is zoo’n heillooze rommel thuis. Wanneer zij zoo’n hevigen aanval heeft, haalt ze soms alles overhoop en doormekaâr; en jemoet’t kind haar gang laten gaan. Ik ben waarlijk verlegen om.... U begrijpt, met zoo’n geval en geen hulp! Ik schaam me er voor, maar....”

„Wat ’n dwaasheid! Ik heb waarentig dikwijls genoeg zelf in een rommel gezeten. Denk maar eens na: toen we samen nog met den troep van Pavot in dat kleine gebouwtje „de Variétés” speelden; ik was toen negentien en pas bij ’t vak. Jij begont toen ook; je was misschien een jaar of zes ouder.—Kom, ouwe kameraad! we kennen mekaar te lang om complimenten te maken.”

„Nu, dan in Godsnaam, omdat u ’twil!”

’t Waren moeielijke dagen, die nu voor den ouden Walten volgden, want ’t loopen met de lijsten voor zijn benefiet viel hem in ieder opzicht zwaar.

„Oude heer,” had de DirecteurSchröderhem gezegd, terwijl hij hem gemoedelijk op den schouder klopte, „ik vertrouw, dat je ’t verstandigst handelt door zelf met de lijsten rond te gaan. Geloof me, wanneer de menschen jou zien, zullen ze bepaald voor een paar plaatsen teekenen,—eerder dan wanneer je door dien verloopen Pietersen de lijst laat aanbieden.” Dit laatste zeiSchröderer bij, omdat hij op Waltens gelaat een treurigen pijnlijken trek meende te bespeuren, toen hij zoo ondoordacht zei: „Wanneer ze jou zien.”

’t Kwam hem plotseling in den zin, dat in die paarwoorden een geheele droevige lijdensgeschiedenis werd verhaald—aan den lijder zelf, die zijn toestand maar al te goed kende.

Ja! Walten zag er slecht, ellendig slecht en vervallen uit, al had ook Hostein met mevrouw Groote er voor gezorgd, dat hij ten minste een fatsoenlijk pak kleeren had gekregen, waarin hij zich bij zijn bezoeken aan de kunstvrienden en tooneelliefhebbers kon vertoonen. ’t Was werkelijk alsof de man van dag tot dag lichamelijk verzwakte en verviel; de vermoeienis van ’t loopen bracht er misschien ook nog toe bij, dat zijn uiterlijk, hoe fatsoenlijk ’t ook scheen, toch volkomen geschikt was om medelijden op te wekken.

De diep in hun kassen weggezonken oogen, de dikke blauwige wallen daaronder, de bolbleeke wangen en nu en dan het beverige schudden van ’t hoofd spraken duidelijker, dan de dunne, bloedelooze lippen hadden kunnen doen, van kommer, zorg en afgematheid. De vaal-geelbleeke gelaatskleur, gewoonlijk eigen aan menschen, die zich dagelijks blanketten en beschilderen, de tallooze kleine rimpels om mond en oogen en de scherpe trekken langs den neus, gaven aan Waltens gelaat iets zóó diep zwaarmoedigs, dat het stereotiepe tooneellachje, waarmee hij zijn korte aanspraak bij ’t aanbieden van de benefiet-lijst begeleidde, niet bij machte was, die sombere uitdrukking te verbergen.

Over ’t algemeen genomen werd hij vrij goed ontvangen, en was zijn: „Ik ben Walten, de voormalige komiek van den Schouwburg enz. enz.”, bij de meesten voldoende om hem voor een korte afwijzing te behoeden. Maar ook bitter vernederende oogenblikken moest hij doorleven, en wel dáár waar hij die ’t minste verwacht had. Oude goede kennissen, begunstigers van vroeger, namen met een schuinschenblik op Waltens droevig uiterlijk de lijst aan, zetten er zwijgend hun handteekening op of gaven door een kort:„’k Heb alTE VEELvan die dingen aan de hand” te kennen, dat ze „er niet aan deden”. Een rijk geworden kroeghouder o. a., die zich de weelde veroorloofde om van „de kunst” te houden, ontving hem met een dikken, plompen lach van genoegen en zei: „Wel, wel! ben jij nou Walten?—Manlief, ’t doet me plezier, dat ik jou nog eens zie. Ik heb, toen jij nog in je goeie tijd was, wat om jou motte lache, m’n buik heb ik vastgehouwe; je was een eeuwig leuke pias, hoor! En daarom zal ik nou ook op je benefiet teekene voor mijn en mijn heele geslacht. Geef me nege plaatse eerste rang; ’k zal je maar vooruit betale, want om de duite is ’t toch te doen. Dat ’s nege rikse, hé? Daar heb je een bankie van ƒ25.—; voor dat ééne achterwiel, dat er over is, mot je maar een paar potjes bier drinke, hoor!”

O! ’t was zoo bitter, zoo kwetsend voor Walten, die ’t hart zoo hoog droeg, om dàt te hooren. Zwijgend nam hij de lijst weer aan, terwijl de toornader tusschen zijn oogen zwol en zijn lippen beefden; met moeite onderdrukte hij een wederwoord, maar——’t was vijf en twintig gulden op eens, en—hij was zoo moe van ’t loopen, van ’t vragen. „’t Schijnt bijna bedelen,” dacht hij, terwijl hem ’t bloed naar ’t hoofd schoot en de stem hem begaf, toen hij een woord van dank trachtte te uiten.

Hier en daar werd hij kortaf met: „Dank je, ik zal er niet van profiteeren,” afgewezen; ’t deed hem minder smartelijk aan dan de woordenrijkheid van „den ploert,” die zoo royaal was.

Slechts enkele malen klonk hem, als zachte muziek, een vriendelijke stem tegen, die met fijn gevoel, den ouden artist in hem waardeerend, op zijn vraag antwoordde: „Ofik op uw benefiet wil teekenen, meneer Walten?—Wel zeker, gaarne! Ik zou ’t u niet vergeven hebben, als u mij had vergeten, want ik heb u niet vergeten; ’k heb veel genot en ontspanning door u gehad en velen met mij; ik verheug me er op u nog eens weer te zien spelen.—Ei zoo! geeft u „De Vrek?” ’n Mooi stuk, een van uw beste rollen. En den Nikolaas in ’t blijspel „De dochter van Dominique” toe? Die rol heb ik nooit van u gezien, dáár spits ik me op. Welke plaatsen heb je nog over?Stalles, balconofloge, geef me maar wat je missen kunt, want ik vertrouw, dat er plaatsen te kort zullen komen.”

Zulk een ontvangst bracht hem als met een tooverslag de oude goede tijden weer voor den geest en weemoedige tranen in de oogen. Onwillekeurig strekte hij dan vertrouwelijk bij het heengaan de hand uit naar die van den man, die hem zoo vriendelijk en met tact te gemoet kwam.

Ze waren echter zeldzaam die oogenblikken van waardeering en slechts een kleine vergoeding voor de vele teleurstellingen, die hij in den vorm van: „Meneer is niet thuis” of: „We houën hier niet van comedie”, herhaaldelijk ondervond.

Toch kon hij tevreden zijn, want ’t aantal genomen plaatsen was vrij aanzienlijk geworden, en de eerste rangen waren zoo goed als uitverkocht.

Pietersen liep, zooals hij ’t zelf eigenaardig uitdrukte, „en tempête” de heele stad door, en ofschoon hij zijn tochten rijkelijk met spiritueus genot afwisselde,—„’t hoorde er onvermijdelijk bij”, beweerde hij, omdat hij voornamelijk koffiehuishouders en slijters „exploiteerde”,—kwam hij gewoonlijk des avonds in tamelijk goeden welstand op Waltens kamer, om hem verslag te doen van den oogst, dien hij had binnengehaald.

Ook aan ’t bureau van den Schouwburg waren, ten gevolgevan de aanplakbiljetten, de advertentiën in de kranten en een paar welwillende dagbladartikelen, waarvoor Hostein enSchröderhadden gezorgd, vrij wat plaatsen genomen, zoodat de oude man aan den vooravond der voorstelling met zekerheid kon berekenen, dat, als er op den speelavond zelf nog wat publiek „inliep”, er een batig saldo voor hem zou overblijven, na aftrek van de honderd gulden voorschot, voldoende om aan zijn dochter de tijdelijke opneming in een gesticht te verzekeren.

Mevrouw Groote had er intusschen voor gezorgd, dat „de rommel” bij Walten door een werkvrouw eenigermate was opgeredderd en verder diezelfde vrouw voorloopig als „gezelschap” bij de ongelukkige Annette gelaten, omdat zij vond, dat „de stumperd” zoo akelig alleen en verlaten zat, als haar vader uit was. Toen was zij naar Hostein gegaan en had gezegd: „Luister eens, Willem! Ik ben bij Walten aan huis geweest; ’t is daar een echt treurige boel, veel armoediger en ellendiger dan ik me ooit had kunnen voorstellen; wij moesten de handen ineenslaan en zien of we iets voor hem kunnen doen; de man heeft inzijntijd voor menigeen wat overgehad.—’t Is waar, hij was vroeger ’n beetje bazig en nu soms nog koppig en... Och! maar zoo heeft iedereen wat.—Ga jij nu bij jou kennissen rond, dan zoek ik de lui op, dieIKken; allicht halen we wat bij mekaar. Dan geven we hem dat op den avond van zijn benefiet, netjes in een couvert aan een lauwerkrans gebonden.—Wat dunkt je?”

„Je bent een kranige vrouw, hoor! en ik doe mee; ik zal de lui wel ’n beetje opwarmen,” antwoordde Hostein. „Maar hoe is ’t op ’t oogenblik? Hij heeft een voorschot, hé?”

„Och, beste vrind! ’t was dadelijk op, dat begrijp je, voor huur enzoovoort. Maar enfin! dáár is al voor gezorgd: ikheb hem wat gestuurd; je begrijpt, voor de zieke, nam hij ’t graag aan, zoo’n beetje victualie, en voor de eerste dagen is er over dag een vrouw in huis.—Zeg! dat kind van Walten, hum! ik bedoel die Netje, viel me mee; ze was doodbedaard, maar ze sprak geen woord. ’n Mooie vrouw is ’t zeker, ’n goed tooneelfiguur; maar wáár dat talent zit, waarvan hij zoo hoog opgeeft, begrijp ik niet. De man is altijdéprisgeweest van dat meisje, en haar stem is bepaald mooi, maar zoover ik me herinner, was ’t verder niets buitengewoons.—Wat dunkt jou?”

Hostein haalde de schouders op en zei glimlachend: „Ieder denkt zijn uil een valk te zijn; Waltens omgeving was in de laatste jaren ook niet geschikt om.....”

„Och ja!” viel mevrouw Groote hem in de rede. „Je kunt op hem niet veel peil meer trekken; ik geloof, dat hij in zijn laatste schoenen loopt. Op de repetitie’s was ’t niet om aan te hooren; wezenlijk,ikkreeg ’t benauwd voor hem; ’k geloof nooit, dat hij ’t er goed afbrengt.”

„Kom! ’t is een ouwe tooneelrot; als de avond daar is, doet hij ’t wel,—hij kent de trucs!”

„Neen, waarachtig, ’t was brabbelen wat hij deed.”

„Was ’t zóó slecht?”

„Abominabel! Hij is op,—totaal op!”

„’t Is een steen van mijn hart, Pietersen! dat alles zoo goed is gegaan; de zaal wordt vol,” zegt Walten op den avond vóór het benefiet tot den souffleur, die hem als naar gewoonte bezoekt.

„C’est clair, mon Prince!” antwoordt Pietersen, en met een schuinschen blik uit zijn knippend rechteroog voegt hij er bij: „En is ’t nu wat beter gegaan op de repetitie?”

„Hoe bedoel je?”

„Wel, zit „De Vrek” er weer goed in?” Pietersen wijst met het boekje, waaruit hij Walten de rol van Nikolaas uit „De dochter van Dominique” overhoort, op zijn voorhoofd.

„Ik geloof ’t wel, maar ’k heb nog altijd last van die duizeligheid, vooral als ik me inspan bij ’t spelen. Zou dat zwakte zijn?”

„Misschien?—’t Is ook een zware rol.”

„’k Zal morgenochtend nog eens memoriseeren, maar de clausen willen er niet goed meer in. Ik begrijp ’t niet: ik kon „De Vrek” vroeger als mijn zak, dat weet je wel, en van morgen op de repetitie zat ik telkens vast. Hoe is het mogelijk? Mijn geheugen is toch goed.”

„Geweest!” denkt de souffleur, terwijl hij ’t boekje opnemend zegt: „Komaan Walten! willen we dan eens even verder gaan? Ik zal je enkel maar weer „de wacht” geven. ’t Is een echte lachrol, die Nikolaas.”

„Ja! maar ’t lachen gaat me niet natuurlijk meer af.—Enfin! begin maar.”

Walten staat nu eens bij den stoel naast de tafel, waaraan de souffleur, die zijn bril heeft opgezet, met de ellebogen onder ’t hoofd, zit te souffleeren wat „Nikolaas” zeggen moet, dan weer loopt hij even heen en weer door de kamer of plaatst zich naast Annette, die somber voor zich uit ziende, op den rand van ’t bed zit en in hetgeen in haar tegenwoordigheid voorvalt, geen aandeel schijnt te nemen.

„Heb je weer hoofdpijn, kind?” vraagt Walten bezorgd, terwijl hij zachtkens met zijn hand over Annettes donker haar streelt.

„Neen!” Zij plukt onrustig met bevende vingers aan haar loshangende ochtendjapon.

„Waarom is die vrouw weg?”

„Ze is naar huis gegaan, dat weet je wel kind!”

„Neen! ze maakt leven, buiten op de trap.”

„Zij? Wel neen, Netje.—Hoor jij wat, Pietersen?”

„Niets,mon Prince!—St! ze zal ’t in haar hoofd hebben.”

„Bonst ’t weer in je hoofd, kindlief?”

„’t Is zoo warm, dáár, dáár,” en met krampachtig gekromde vingers grijpt Annette boven op haar kruin.

„Wil je een doek met water erop hebben?”

„Neen!”

„Hindert ’t je, als we spreken?”

„Neen! maar die muziek buiten wèl.”

„Muziek? Er is geen muziek; ’t is doodstil!—God! Pietersen, ze zal toch niet weer...?”

„Toe! zeg, dat ze ophouden, die keteltrom... O!”

„Maar lieve Netje, ’t is....”

„Ophouden! Ophouden! O, God! wat doen ze me zeer.”

„Drink eens, kind; hier heb je limonade, die heeft die goeie mevrouw Groote je gebracht.—Pietersen! ’t wordt weer mis: wat moet ik beginnen?” Walten ziet vol bezorgdheid zijn dochter aan.

„’k Weet het niet,mon Directeur!maar ’t is niet in orde met haar, cela va sans dire; ik zal Nikolaas maar wegbergen, hé?” Pietersen slaat ’t boekje dicht, knipoogt en zet zijn bril af.

„Vader! vader! laat ze uitscheien.” Annettes oogen krijgen een wilden, zonderlingen glans; haar gelaatskleur is afwisselend bleek en hoogrood; koortsig huiverend, nu en dan sidderend, klemt ze zich angstig aan Walten vast.

„Als je haar eens ’n klein tikkie cognac liet drinken; wil ’k je de flesch eens aangeven?” vraagt Pietersen, en een cynisch lachje om zijn breeden mond doet even de uiterste spits van zijn tong zichtbaar worden.

Walten antwoordt niet; hij houdt zijn kind omvat, legtzijn stoppelige wang tegen haar hoofd en sust haar even alsof ze een klein meisje was.

„Kijk! zoo’n half kelkje—c’est un tonique!—dat zal ’r waarachtig goeddoen.” Pietersen komt met het glaasje in de hand naar Netje en Walten, maar drinkt het haastig zelf uit, omdat hij, schier verschrikt terugdeinst, bij ’t hooren van Annettes lach, die ditmaal zoo akelig snijdend klinkt, dat hij zich omwendt en snel een grooten slok uit de flesch neemt om zijn zenuwen te doen bedaren.

Zoo’n proefje smaakt naar meer, en vóórdat Walten het bemerkt, heeft Pietersen ’t restant cognac achter elkander uitgedronken en de ledige flesch weer in de kast gezet. Zich de lippen lekkend, hikt hij even, veegt met den rug der rechterhand langs zijn mond en zegt: „Ze lacht leelijk van avond; ’t zal een krasse bui worden. Wil ’k ook even naar den dokter loopen?”

„Ja! ja! asjeblieft. Maar wacht nog even: ik ben bang dat ze zoo meteen neervalt. Stil! ’t gaat wat over.”

Eensklaps ziet de krankzinnige, die nog voortdurend stuipachtig, hoewel minder luid, lacht, met een schier helderen blik haar vader en Pietersen aan, laat den eersten los en vat den anderen, die de deur is genaderd, bij beide schouders, terwijl zij met gesmoorde stem hem toesnauwt: „Waarom lach jij niet mee? Ha! ha! ha! Hij wil niet lachen.”

Een wilde woeste uitdrukking komt op haar gelaat, als zij den souffleur heen en weer schudt en hem nogmaals toebijt: „Lach!”

„Lach! In Godsnaam, lach dan toch!” fluistert Walten.

Pietersen vertrekt zijn tandeloozen mond tot een mislukte grijns; en als Annette ziet, dat hij lacht, laat zij hem los en pakt haars vaders arm. „Jij ook! Lachen zul je, ha! ha! ha!”

Ook Walten beproeft te lachen, maar de tranen springenhem uit de oogen, zijn hart staat een oogenblik als stil; hij voelt dat hij stikken zou aan dien lach en machteloos, bevend, wankelt hij en valt half zittend voorover op ’t bed.

Verwonderd, wezenloos ziet Annette om, haar lach verstomt, ze rilt als van koude, slaat huiverend de armen over elkander, opent dan wijd en glazig de groote oogen, werpt ’t hoofd trots in den nek en zegt op bevelenden toon: „Mijn mantel!—Don Alfons, breng mij mijn hermelijn!”

Walten heeft zich reeds weder opgericht en roept haastig vol angst: „Daar is ’t weer! Nu blijft ze zóó weer den geheelen nacht, misschien morgen ook nog. Goeie God! wat moet ik beginnen? Hoe kan ik morgen avond spelen?” Hij huivert en snikt.

Pietersen, die door het te haastige gebruik van bijna een halve flesch cognac toch min of meer anders dan gewoonlijk wordt, antwoordt glimlachend: „Waar is je alma-viva dan, m’n wijfje?”

Walten heeft snel den koninginnemantel opgezocht, hangt hem zwijgend over Annettes schouders, maar drukt te gelijk haar hand een oogenblik tegen zijn lippen.

Gedurende eenige minuten staat de krankzinnige zwijgend doodstil midden in de kamer.

„Zet mij de kroon op ’t hoofd en blijf hier naast mij staan!” Krampachtig houdt zij haars vaders hand vast.

„Toe! Pietersen, gauw de kroon!”

„De kroon? Ik zie ze niet. Wat duivel! gaat me die k—kroon ook aan?—Verdijd! daar stoot ik m’n elleboog.—Dat bordpapieren ding is er niet; ’n mooi l—lorrr!”

„Maar geef ze dan toch aan, Pietersen! Dáár, op de latafel; zie je ze niet? Dáár!”

„Ja, ja! nou zie ’k ze wel; hou je gem—mak,monP—prince; ik heb ze al.Tout doucem—ment.Zóó, zet ze op drie haren, sch—oone D—donna.” En vrij onhandig drukt hij de kroon op Annettes lokken.

„God almachtig! hij is dronken! Pietersen, hoe komt dat op eens? Heb je...? Je bent bez....”

„Dronken? Waarachtig niet, m—mon Général; ’n beetje tipsy maar,legèr—re—m—ment ému. Verduivelde goeie cognac hou jij er op na. Ha! ha! Annette,mon—id—ôle, je zit daar heel leuk. ’n Mooie troon, dat onopgemaakte mandje!”


Back to IndexNext