V.

„Gij trouwe ridderschaar zit aan mijn voeten nederEn luister ned’rig naar mijn Koninklijk bevel!”

„Gij trouwe ridderschaar zit aan mijn voeten nederEn luister ned’rig naar mijn Koninklijk bevel!”

declameert de ongelukkige luid en krachtig.

„Pietersen, kom dan toch; ga zitten, hier! gauw! Anders wordt ze woest en dan is ze straks niet te houwen.”

„H—houwen? Ik heb slaap, verdraaid veel slaap. Zoo dan! Zit ik zoo naar je zin ma—majesteit, koningin van mijn hart,r—reine de mon c—c—coeur?”

„God! hij slaapt in.—Pietersen, word wakker!”

„Hé?”

„Kom dan, word wakker; je zoudt voor me naar den dokter gaan; ik kan haar niet alleen laten. Toe, Pietersen, luister dan toch! Ga niet slapen!”

„Dokter? Jawel, akkoord,médecin malgré lui, Molière. De cognac was zuiv—ver sterk....” De souffleur slaapt, hij knikkebolt aan de voeten van Annette, die hem niet meer schijnt te zien, maar krampachtig de hand van haar vader vasthoudend verder declameert.

Toen Walten den volgenden avond een half uur vóór den aanvang van ’t stuk in Hosteins kleedkamer kwam, waardeze bezig was om zich „in ’t pak te steken”[1]voor de rol van Valerius, had hij nauwelijks kracht genoeg om te staan. Zijn oogen stonden hol en brandden hem in ’t hoofd en op zijn wangen toonden een paar roode vlekken, akelig duidelijk, hoe vermoeid en afgemat hij was.

„Willem,” zuchtte hij, terwijl hij op den stoel naast Hosteins kaptafel neerviel en met ’t hoofd vóórovergebogen, de handen slap langs ’t lichaam hangend, moedeloos bleef zitten. „Willem, ik kan niet meer!—Zoo erg heeft Netje ’t nog nooit gehad, en die aanval hield maar niet op: ik ben den heelen nacht en vandaag, tot van avond toe, met haar doende geweest. Goddank! ze ligt nu eindelijk te slapen! Ik ben dood, doodaf. Hoe zal ik in Godsnaam spelen?”

Verschrikt zag Hostein, die voor den spiegel stond, om naar den naast hem zittenden man, lei ’t stuk „vetschmink”, waarmede hij zijn wangen bestreek, neer en zei: „’t Is verschrikkelijk;” maar toen de oude man opkeek en hem aanzag, terwijl ’t licht der gasvlam vol op zijn ontdaan gelaat viel, ontsnapten hem plotseling de woorden: „God! Walten wat zie je er uit!—Je hoeft je waarachtig niet te grimeeren; schmink je maar een klein beetje op je wangen en zet een pruik op, dan is ’t uitmuntend: een Harpagon om te stelen.... Och! neem me niet kwalijk, dat ontviel me daar zoo plompverloren; ik kan ’t waarachtig niet helpen, ik dacht alleen om ’t stuk, en jij zit daar precies, even verslagen, als Harpagon in ’t derde bedrijf, laatste tooneel.”

Walten zag Hostein even aan en lachte smartelijk: „Ik ken je immers Willem; je meent ’t goed.”

„Wacht maar even, ik zal je dadelijk eens weer op streekhelpen.—Je „pak” hebben ze hier gebracht; ik dacht: je zoudt je hier liever aankleeden dan alleen. Trek den boel maar al vast aan,—ik ben zóó terug; ’k zal een hartversterking voor je halen.”

„Och neen! ik kan toch niets gebruiken.”

„Dat zul je wel!”

Toen Hostein verdwenen was, richtte Walten zich met moeite op, trok zijn jas uit, zette zijn hoed af en nam plaats voor den spiegel, op den stoel, dien de andere verlaten had.

Een blik in ’t heldere glas riep om zijn lippen een bitter droeven glimlach te voorschijn. Hij steunde het hoofd in de rechterhand en zag naar zijn roode ingezonken oogen, de blauw getinte wallen daaronder en de schier zwarte lijnen van de scherpe trekken langs zijn neus.

„Ja! Willem heeft gelijk,” mompelde hij: „ik heb geen grime noodig.”

Nog een oogenblik bleef hij in gedachten verzonken zitten en toen, met een uiterste inspanning van zijn wil, richtte hij zich op en begon langzaam zijn kleederen verder uit te doen. Weer sloeg hij een blik in den spiegel vóór hem en hij wachtte een oogenblik, starend naar zijn beeld. Zijn handen beefden, zijn oogen werden verduisterd door de tranen, die er onophoudelijk in opwelden; hij voelde ze langs zijn wangen biggelen, hij zag ze één ondeelbaar oogenblik in den spiegel weerkaatst en hij wischte ze niet af. ’t Kwam hem voor alsof hij in dien spiegel een gelaat zag, dat hij niet herkende en dat toch ’t zijne was; ’t scheen hem als hoorde hij een stem, die hem toefluisterde: „Die man is Walten immers niet?” en hij had het gevoel van iemand, die na langen, langen tijd afwezig te zijn geweest, weer terugkomt in bekende streken, maar alleen om alles veranderd en vervallen terug te vinden.

Werktuiglijk trok hij de zijden kousen en korte broek van Harpagons kostuum aan en bukte zich om de lage schoenen aan te doen. Dat bukken viel hem moeielijk; ’t bloed gonsde en bonsde in zijn slapen en een donkere nevel kwam over zijn oogen, toen hij eindelijk ’t hoofd weer ophief en rondzag.

„’k Had waarachtig haast geen pruik met een kaal hoofd noodig,” zei hij in zichzelf, terwijl hij met den haarborstel de weinige grijze haren, die plat langs zijn klamme slapen gekleefd lagen, naar achteren streek. „Maar komaan, ’t is eenmaal de traditie zóó!” Hij zette de pruik op en „schminkte” zijn voorhoofd bij, totdat de afscheiding van huid en pruik onzichtbaar was; met onvaste hand trok hij een paar zwarte lijnen onder zijn oogleden en langs zijn neus, maakte zijn wenkbrauwen wat grijzer en streek een paar malen over zijn stoppelige wangen. „’k Ben sedert drie dagen niet geschoren. ’k Heb ’t glad vergeten,” dacht hij, en toen hij nogmaals een blik in den spiegel wierp, zei hij als tot zichzelf sprekende: „’t Past nu goed in de rol; hum! ik zal....”

„Ziezoo, papa! dat zal je goeddoen en opknappen. Allons! drink dat nu eens achter mekaar uit,” en met een vriendelijken lach hield Hostein hem een glas melk met geklutste eieren voor.

„Je bent toch een goeie kerel, Willem!”

„Jawel! maar zanik nu niet en drink uit. Ik heb er maar één lepel rum in laten doen; je zult er dus de hoogte niet van krijgen.”

Onder ’t drinken even ophoudend, zei Walten: „Ik kan ’t haast niet inkrijgen; ’t is alsof ik ’n stuk in mijn keel heb, dat ’k niet doorslikken kan.”

„Kom, kom! allemaal gekheid! ’t Moet erin.”

„Heelemaal?”

„Achter elkaar, anders helpt ’t niet. Zóó! Je zult eens zien, hoe je daarvan opknapt. Ga nu nog een oogenblik zitten, dan kalmeer je heelemaal. ’k Heb zoo’n voorgevoel, dat je van avond een succes zult hebben.”

Hostein geloofde zelf niet wat hij zei, maar ’t goede hart, dat hij zijn ouden leermeester toedroeg, deed hem zoo spreken. „Hum!” ging hij voort, „ik heb van morgen nog vanSchrödergedaan weten te krijgen, dat de souffleur vanavond vrijaf heeft.”

„Wat zeg je daar?” Met schrik zag de oude acteur hem aan en een ongeloovige trek kwam op zijn gelaat, toen Hostein er lachend bijvoegde: „We spelen „De Vrek” achter mekaar af, de vijf bedrijven, zonder scherm neer en we zijn zóó rolvast, dat....”

„Hè, jij zonder souffleur, Hostein?” zei Walten, even glimlachend.

„En jij zonder souffleur?” gaf de andere lachend terug. En terwijl hij „Harpagon” vertrouwelijk op den schouder klopte, voegde hij er bij: „Neen! ik maak maar gekheid; ik kan er niet buiten—’k ben van jou school, papa Walten—maar ik heb vanSchrödergedaan gekregen, dat Pietersen van avond souffleert.”

„Pietersen?”

„Ja! ’k Heb ’t om jou gedaan, Walten; jij bent zoo aan hem gewend, en ik dacht....”

„Dank je, Willem! Ja, ’t is waar—’k heb hèm liever als dien anderen; hij kent me beter. Maar.... zeg?”

„Wat?”

„Jelui hebt toch gezorgd, dat hij niets kan krijgen voordat alles gedaan is?”

„’t Verbod is uitgevaardigd; geen druppel, hoor!”

„Daar wordt geklopt, Hostein.”

„Mag ik binnenkomen?” klonk buiten de deur mevrouw Grootes vriendelijke stem.

„Entrez!”

Dadelijk daarop kwam de actrice—als Frosine gekleed—Hosteins kamer in en wendde zich tot Walten, met de woorden: „’k Wou eens even komen kijken hoe je bent, want ik heb daar juist van Hostein gehoord, dat ’t weer mis is bij je thuis. ’n Ellendige historie voor je, arme vent! En is ze nu alleen?”

„Stil! spreek daar nu niet meer van, hij is al zoo zenuwachtig.” fluisterde Hostein mevrouw Groote haastig toe.

„Heeft zij niemand tot gezelschap, Walten?”

„Uw schoonmaakster is bij haar, mevrouw.”

„O!—En?”

„Die blijft totdat ik terugkom van avond.”

„Goed!—Jongens, jongens! wat ’n zaal vol menschen. Zeg! dat doet je nog eens goed, hé? Heb je al door ’t scherm gekeken? ’t Is stampvol. De handjes zullen wel op mekaar komen, als jij opkomt. En wat zeg je nu van mij?” Mevrouw Groote draaide vlug op haar hielen rond! „Heb ik me niet mooi gemaakt als Frosine? Waarachtig, Walten, ’k doe ’t voor jou; anders speelde ik „de koppelaarster” niet.—Hou je nu goed, hoor!—Heb je vandaag nog kunnen leeren?”

„Ik?—Groote God! wat ’n vraag!”

„Och, dat ’s waar ook, daar dacht ik niet aan.—Nu, dan maar hengelen,[2]ouwe heer!” Mevrouw Groote zei het vroolijk en opgeruimd, maar toch klonk in die vroolijkheid een nauw hoorbare toon van angst en tersluiks zag zij Hostein aan met een blik, die duidelijk de vraag uitdrukte: „Hoe zal dat afloopen?”

„’k Ben nog nooit zoo zenuwachtig geweest als van avond,” zuchtte Walten, die inmiddels zijn toilet had voltooid enmet een lichten schrik de stem van den inspiciënt vernam, die, in de gang tusschen de kleedkamers loopend, riep: „Tot den aanvang, dames en heeren!—Tot den aanvang!”

Vóór het gewone: „van ’t tooneel” en „aan ’t gordijn!” van den inspiciënt weerklonk, drukte mevrouw Groote haar ouden vriend nog even de hand, klopte hem op den schouder en zei: „Wees nu maar kalm en bedaard. Hoe is ’t mogelijk, dat je zóó zenuwachtig kunt wezen, zoo’n ouwe „troupier” als jij...? En denk er vooral om, dat je aan ’t eind van ’t tweede bedrijf bij je „sortie” nog even ’t hoofd om de deur steekt, om me „tot wederziens” toe te roepen; dan kan ik beter mijn claus zeggen—en krijg er zeker een applaus op, als ik je zoo uit de verte toeroep:

„Dat de duivel je hale, gemeene vrek, hongerige schraapwolf!”—Denk er asjeblieft om, want op de repititie heb je ’t telkens vergeten. En nu: goed succes.—O ja! nog iets, in ’t vierde bedrijf, wanneer ik dat gesprek met jou en Kleant heb, kun je me als ik „af” moet, nog even terugroepen; en als ik dan weerom kom, doe je zóó met je hand,—je maakt zoo’n soort plagerige kushand, begrijp je? Dan zet ik een woedend gezicht en maak nog een nijdige „dienaresse”; daar heeft ’t publiek pret in, begrijp je? ’t Is anders zoo’n ellendige „sortie”, zóó mager, dat, als je er niets van maakt, er geen hand op mekaar komt; en ikwilapplaus hebben van avond, alléén omdat Andrée ’t bepaaldnietkrijgt in haar rol als Elize.—’t Verwondert me nog, dat ze die heeft aangenomen; maar ze durfde niet weigeren om de anderen, vat je?”

Daar klonk op eens het schelletje en de roep „Halen!” ’t Scherm ging omhoog en ’t stuk was begonnen.

’t Is vol, zeer vol in den Schouwburg, zelfs het „schellinkie” en „de tien” zijn goed bezet. De korte, eenvoudigetitel van het stuk „De Vrek” heeft de liefhebbers van moord en doodslag ditmaal niet afgeschrikt om hun penninkske op het altaar der kunst te gaan offeren.

Misschien ook heeft Waltens naam op ’t affiche—men had hem immers vroeger, toen hij nog in zijn kermistent „alles” speelde, zoowel in „Rolla”, als in „de komiekigheid” bewonderd—er ’t meest toe bijgedragen om ook de hoogere rangen vrij voldoende te doen bezetten.

Achter de coulissen staande, ziet Walten met kloppend hart naar de spelers, die in de eerste twee tooneelen optreden, en als het derde tooneel komt, waarin hij zijn eerste opkomst heeft, kost het hem moeite een lichte siddering te onderdrukken. Plotseling voelt hij de hand van den inspiciënt op zijn schouder en hoort hij zich toefluisteren: „Asjeblieft, meneer Walten, de beurt is zoo dadelijk aan u.”

’t Schijnt bijna alsof die aanraking hem moed geeft, want hij richt zich op uit de ietwat gebogen, luisterende houding, waarin hij staat en roept met luide stem de enkele woorden van zijn rol, die hij achter de schermen moet spreken, pakt „Laflèche”, die naast hem wacht, bij den schouder, duwt hem vóór zich uit op het tooneel en—dan draait en duizelt alles hem voor de oogen.

Met een daverend handgeklap bij zijn optreden begroet, gaan de woorden: „Voort! ’t huis uit, zonder tegenspraak, op ’t oogenblik, voort! Galgenaas! schelm! maak dat je wegkomt!” waarmee zijn rol begint in hetapplaudissementen bravo-geroep, dat hem verwelkomt, verloren. Niemand hoort, hoe zijn stem beeft, hoe heesch en schor zijn geluid reeds is bij dien eersten volzin.

Een paar groene kransen en een bloemruiker worden door onzichtbare handen op ’t tooneel geworpen. Mevrouw Groote heeft er in stilte voor gezorgd, omdat zij meende:„’t Zal den ouwen stumperd een riem onder ’t hart steken, als hij goed wordt ontvangen.”

Het „Bravo” dat hem tegenklinkt, het handgeklap dat hij hoort, maakt hem een oogenblik verward, duizelig, beneveld; de kransen die voor zijn voeten neervallen, ziet hij nauwlijks, en zonder dat hij er zich eigenlijk bewust van is, buigt hij twee, drie malen diep voor ’t publiek, dat hem blijft toejuichen, totdat een paar krachtige „St! St’s” uit den Engelenbak, die verlangend is om meer te hooren, hem tot de werkelijkheid terugroepen. Als ontwakend slaat hij de oogen op, ziet rond, het voetlicht schittert hem weer als vanouds in de oogen en voor eenigeoogenblikkenvergeet hij alles, alles! ook zijn ellende; de artist in hem wordt wakker—hij is „Harpagon de Vrek!”

Het tooneel met Laflèche, waarin hij diens handen en zakken onderzoekt, wordt inderdaad goed—fijn comisch—door hem gespeeld, en als hij, in de wijde broekzakken van zijn knecht grabbelend, met grappige verwondering uitroept:

„Goeie hemel! wat heb jij groote zakken! Magazijnen, rooversholen zijn ’t; de politie moest zulke zakken verbieden,”

Gaat er een luid gelach op uit ’tparterre.

„Hij is toch nog allemachtig komiek,” fluistert een burgerjuffrouw haar buurman toe, die met gespannen aandacht zit te kijken en, het hoofd even naar haar omwendend, aanmerkt: „Ja, maar hij spreekt toch erg onduidelijk; je moet goed opletten, anders versta je ’m niet.”

„Uitstekend gegrimeerd! Ziet u, mevrouw! daaraan herkent men toch dadelijk „den artist””, zegt in destallesde verslaggever van een der bladen tot de naast hem zittende dame, die haarbinocleaan de oogen brengt, scherp en lang naar Harpagon ziet en dan fluisterend antwoordt

„’t Is fameus goed gedaan, want zelfs door mijn kijker is de grime nog zóó natuurlijk, bepaald alsof ’t geheel en al zijn eigen gezicht is. Kijkt u zelf maar eens, meneer!”

„’k Geloof heusch, dat hij er zich goed doorheen werkt, die ouwe tooneelrot”, zegt glimlachend mevrouw Groote tot den Directeur, die naast haar staande, achter „den manteau d’arlequin”[3]verborgen, evenals zij, Waltens spel oplettend gadeslaat.

„’t Valt me geducht mee”, antwoordtSchröderen klapt met zijn rechterhand, zachtjes applaudisseerend, in den linker, als hij Harpagon het eerste bedrijf hoort sluiten met de ernstig-comisch gezegde woorden: „Wat ’n juweel van ’n knecht!—’n Gelukkig mensch, die er zóó een heeft en zóó goedkoop.”

[1]Tooneelterm voor costumeeren.[2]Op den souffleur spelen.[3]De draperie, die vóór de zijschermen geplaatst is.

[1]Tooneelterm voor costumeeren.

[2]Op den souffleur spelen.

[3]De draperie, die vóór de zijschermen geplaatst is.

In ’t derde bedrijf wordt het reeds zeer merkbaar, dat de beneficiant niet meer voort kan. Uit delogesenstallesziet menig vriend van vroeger hem medelijdend aan en fluistert men elkander toe: „Hij is totaal op, méér dan op” en van „’t Schellinkie” klinkt nu en dan een afkeurend gesis. Die schellingsklanten willen goed bediend worden voor hun geld.

„Je hoort alles tweemaal, wat die ouwe zeit,” roept er een, die, met minder toegefelijkheid dan ’t overige publiek, opmerkt, dat Walten zich uitsluitend op den souffleur moet verlaten.

Hoezeer de medespelers ook hun best doen om Harpagon te redden en hem, zooals men dat noemt, „er door te sleepen”, ’t baat niet; hij raakt hoe langer hoe meer van streek, verstaat zelfs den souffleur niet meer, spreekt allerlei wartaal en weet nu en dan in ’t geheel niet meer wat hij zeggen moet.

Mevrouw Groote helpt hem met oneindig veel takt en routine door de tooneelen, die zij met hem te spelen heeft heen en gaat eindelijk—een vergefelijk iets voor iemand van haar talent en temperament—eenigszins knorrig naar haar kleedkamer, omdat Walten geheel en al vergeet, haar aan ’t einde van dat tooneel terug te roepen. Daardoor mist zij het applausje dat zij begeert en zegt zij in zich zelf: „’t Is een treurige boel,—’k heb geen lust om er verder naar te zien.”

In zenuwachtige spanning staan de meesten der medespelende artisten tusschen de schermen en zien naar Walten, die achter de deur, waardoor hij opkomen moet met het boekje in de hand staat te wachten en trillend van inspanning de woorden, die op het tooneel gesproken worden, volgt. Eensklaps schreeuwt hij, lezend:

„Dieven! dieven! roovers! spitsboeven! moord! brand! alarm, ik ben bestolen!” werpt haastig het boek achter zich op den grond en snelt het tooneel op.

Hij moet nu de groote scène spelen, waarin Harpagon, de Vrek, die tot de ontdekking is gekomen, dat men hem zijn cassette met geld, zijn schat, heeft ontstolen, der wanhoop nabij is en hemel en aarde bewegen wil om den schuldige te ontdekken.

Gejaagd en met verwilderde oogen rondziende, loopt hij heen en weer over het tooneel, ziet links en rechts tusschen de schermen, als zocht hij dáár hulp; schreeuwt nogmaals luid en akelig: „Ik ben bestolen. Wie heeftmijn geld, mijn lief geldje genomen. Wat moet ik doen om den schelm te vinden? Ik ben in de war, ik weet niet of ’k mezelf pakken moet of een ander en....” Plotseling blijft hij stokstijf stilstaan, spreekt haastig eenige woorden achter elkander en ziet dan zwijgend, strak op één punt starend, vóór zich uit, even als iemand die door een hevigen schrik bevangen wordt.

„Dat speelt hij waarlijk niet slecht; ’t is wel een zonderlinge opvatting, dat plotselinge zwijgen, maar er is toch iets verrassends in” zegt fluisterend een dame in ’tbalcontot een heer naast haar, die even zachtjes antwoordt: „Ik geloof bepaald dat hij blijft steken, mevrouw!—kijk, kijk! de souffleur komt bijna geheel zijn hokje uit.”

„Bedaar Arie, blijf in je pothuis!” roept een stem van boven tot Pietersen, die halverwege zichtbaar is geworden en schier luid de woorden souffleert: „nu is het uit met mij; uit, gedaan!”

„’t Is afschuwelijk om te zien, ja u heeft gelijk, de arme man is de kluts kwijt,” fluistert de dame, nu zij ziet hoe Walten, met wijdgeopende oogen voor zich uit starend, langzaam een pas voorwaarts doet, dan half wezenloos Pietersen aankijkt en werktuigelijk op smartelijken toon herhaalt. „Nu is het uit met mij.”

„Ik wou dat ik hier van daan was meneer, ik kan ’t niet langer aanzien, dàt moet een marteling zijn voor dien ouden man” herhaalt de medelijdende dame, terwijl zij het hoofd voorover buigt en stipt op haar programma blijft kijken.

Walten slaat zich met de vuist op de borst, trekt zijn pruik van ’t hoofd en drukt dien voor zijn gelaat.

„Bravo! Bravo!” schreeuwt lachend van „’t schellinkie” iemand die, in die akelig wanhopende beweging „spel” meentte zien en als Walten nogmaals dof en droevig herhaalt: „uit! uit!” klinken zelfs een paar bijvalskreten en een licht handgeklap van de overige rangen.

’t Is erg komiek dat hij zijn pruik aftrekt en ’t komt zoo in de rol te pas, denkt men eerst, maar al zeer spoedig komt het publiek tot de ontdekking dat ’t zuiver „natuur” is wat het aanschouwt.

Harpagon loopt radeloos over het tooneel heen en weer, kijkt in ’t souffleurshok, zwaait zijn pruik op en neer en slaat er zich mee voor ’t hoofd.

’t Wordt mis met Walten, hij blijft steken, denkt Pietersen, zachtjes zegt hij: „Enfoncé mon Directeur” en, zich zoo ver mogelijk oprichtend, roept hij, halfluid: „Walten! Walten! luister dan toch:—mijn geld, mijn geld, ik word er nog gek van dat ’t weg is—alles is weg!”

„Weg! alles is weg!” herhaalt de oude man en als versteend blijft hij staan, vlak voor ’t voetlicht; hij beeft aan alle leden.

Nogmaals schatert een gelach van boven uit den Engelenbak, maar uitBalcons, StallesenLogesen andere rangen gaat een toon van medelijden op, zacht ruischend van mond tot mond, van oor tot oor.

’t Is ook waarlijk niets grappig om daar dien ouden man te zien, die, wezenloos voor zich uitstarend, met de vuist zich voor de borst slaat, allerlei onverstaanbare woorden prevelt en eindelijk luid snikkend uitroept: „ik ben alles kwijt, alles vergeten!”

„Harpagon” hoort niets meer, verstaat niets meer en wankelt als een beschonkene heen en weder.

„Hij is vet”, roept er een van ’t „schellinkie.”

„Hij heit ’em om, hoor!” gilt een ander.

Zelfs die kreten brengen hem niet tot bezinning; nog een paar maal opent hij den mond, rukt met de linkerhandzijn halsdoek af, slaat zich met de pruik herhaaldelijk in ’t gelaat en is op het punt van neer te vallen op ’t tooneel.

De muzikanten staan op in ’t orchest, en rekken de halzen uit om te zien wàt er gebeurt, in deStallesrijst hier en daar een toeschouwer op en uitBalcons,ParterreenLogesklinkt een verward gefluister. ’t Is alsof plotseling een angstige, gedrukte stemming over alle toeschouwers komt—’t wordt stil, men wacht ademloos af wat er verder gebeuren zal.

„Gauw! gauw! een stoel, een glas water gauw!” roept met angstige stem een acteur die achter de coulissen Walten heeft gadeslagen, en nog juist bijtijds toesnellend den armen man voor vallen behoedt door hem onder de armen vast te houden en van ’t tooneel te brengen.

Van alle kanten komen acteurs, actricen, kleedsters en tooneelknechts, met nieuwsgierig vragende gezichten aangeloopen en omringen „den beneficiant”, die hijgend, doodsbleek, met losgescheurde kleederen en verwilderde haren op een stoel, in allerijl door Laflèche aangebracht, is neêrgevallen.

Waltens oogen zien verwilderd en dwalend rond; de eene hand, krampachtig gebald, houdt nog Harpagons tooneelpruik, samengeknepen, vast en de andere woelt met wanhopige bewegingen in de weinige grijze haren die zijn kruin bedekken.

„Ting! ting! ting!” doet de electrische schel, ’t is het sein voor ’t begin van ’t 5ebedrijf, dat door den inspiciënt van uit de regiekamer wordt gegeven.

„God! ’t vijfde,” snikt Walten en werktuiglijk richt hij zich op, maar valt dadelijk machteloos terug op den stoel, terwijl hij beide handen voor de oogen slaat.

„Klaar voor ’t vijfde?” roept een stem uit de verte.

„Neen! neen!” schreeuwtLaflècheterug. „’t Doek moet vallen, roep den inspiciënt!”

Nogmaals beproeft de beneficiant zich op te richten, maar opnieuw begeven hem zijn krachten; luid schreiend en snikkend laat hij het hoofd vooroverzinken op de borst, als schaamde hij zich voor zijn omgeving.

Als ’t beeld van de wanhoop, van de treurigste wanhoop, zit hij daar te midden van een groep nieuwsgierigen, die hem met groote, de meesten met onverschillige, oogen aanstaren.

Hostein,Schröderen de régisseur zijn nu, met nog anderen, toegesneld en allen vragen dooréén: „Wat is er? Wat is er gebeurd?”

Er heerscht op ’t tooneel een verwarring, die zich allengs verder uitbreidt, tot in de kleedkamers en foyers; de inspiciënt komt haastig aanloopen, terwijl hij vraagt: „Is er iets niet in orde?”

„Laat ’t scherm vallen, gauw!” roept Hostein, die alles begrijpt, nu hij zijn ouden leermeester daar voor zich ziet, ineengezonken en als vernietigd.

„Walten is blijven steken, heeft totaal gebrabbeld,” fluistert Laflèche den Directeur toe, en deze herhaalt luid: „Doek vallen, dadelijk! En ’t orchest laten spelen, totdat er een annonce gedaan kan worden!”

„Hij was niet meer te redden,” fluistertLaflèche, zijn plaats bij Waltens stoel inruimend en overlatend aan mevrouw Groote, die haastig, in een peignoir, van uit haar kleedkamer is komen aansnellen.

„Arme kerel! wat is je gebeurd; kom, zeg ’t mij maar? Stumperd, snik zoo niet?” vleit zij, terwijl zij Waltens hoofd tegen haar boezem doet rusten.

Allen zwijgen, getroffen door den innig medelijdenden toonvan mevrouw Grootes stem. „Kom!” herhaalt zij, „huil zoo niet, ouwe vrind; kom ’t zal wel zoo erg niet wezen.”

„Ik—ik b—ben bl.. blijven st...” Luid schreiend slaat de oude man zijn armen om de voor hem staande vrouw en beweegt zijn hoofd, zenuwachtig schokkend, heen en weer.

„Stumperd, stakkerd! ben je blijven steken? Ach Heer! moet je dat nu ook nog gebeuren op je ouwen dag?”

„O God! O God!” kreunt Walten, als plotseling uit de verte een verward, steeds luider wordend, gedruisch van stemmen, applaudissement, chuteeren en sissen tot zijn oor doordringt.

„Wat duivel! speelt dat orchest nu nog niet?” schreeuwt de Directeur. „Hoor ’t publiek eens aangaan.”

Daar klinkt een vroolijke marsch, die al de andere geluiden overstemt.

Walten krimpt opnieuw ineen, als deden die tonen hem pijn. Mevrouw Groote houdt zijn handen vast en fluistert hem in: „Luister er maar niet naar, m’n goeierd.—Ja, die muziek is nu erg naar voor je, hé? Maar ’t kan niet anders. Hier! ruik eens wat Eau de Cologne.”

Plotseling richt Walten zich op. „’k Moet ’t toch uit—spelen—ik moet, ik moet en—o! ik weet niets meer, alles is weg, mijn God! alles is weg!”

„Neen, neen, je speelt niet meer van avond; later hoor! later als je weer beter bent,” troost mevrouw Groote.—„Luister!—Hostein is voor ’t voetlicht, de muziek houdt op.—Hoor je wat hij zegt? Dat je door een plotselinge ongesteldheid bent overvallen, ’t gevolg van treurige familieomstandigheden.—Hoor! nouapplaudisseerenze heel zachtjes. Zie je, dat wil zeggen: Och! dat’s ongelukkig. Neen, hou nou op met schreien, dàt kan ik niet zien. Och! ’t is zoo erg niet, Walten, zoo iets is immers wel meer gebeurd.”

„Neen! neen!—nooit gebeurd Mevrouw!” snikt de ongelukkige met de handen voor ’t gelaat.

De Directeur neemt met Hostein en den régisseur in allerijl maatregelen om aan de verwarring een eind te maken. Een der jongere acteurs, die toevallig achter[1]is en de rol van „De Vrek” kent, verklaart zich oogenblikkelijk bereid „Harpagon” verder te spelen.

In een oogwenk is hij, zoo goed en kwaad als ’t gaat gecostumeerd en gegrimeerd, en vóórdat de toeschouwers eigenlijk recht weten wat ze doen of laten moeten, wordt ’t laatste bedrijf afgespeeld.

’t Altijd goedhartige en medelijdende publiek had „de annonce” met een gemurmel van medelijden ontvangen, was blijven zitten en bleek dermate voldaan over Waltens plaatsvervanger, dat het stormachtig bijvalsbetoon aan ’t eind van ’t stuk den Directeur aanleiding gaf om tot den régisseur die, met hem, het spel van den jongen tooneelspeler aanzag, te zeggen: „Blikslagers! in dat mannetje zit meer dan ik dacht; we zullen hem in de volgende maand „De Vrek” eens geheel en al laten spelen.”

Na de pauseering verlieten drie vierden van de toeschouwers den Schouwburg, want een nastukje met „één gelezen rol[2]”er in, is niet aanlokkelijk om te zien, en zelfs een talent als dat van mevrouw Groote, die de „Dochter van Dominique” uitstekend speelde, was niet voldoende om het blijspel te redden.

Toen eindelijk alles gedaan was, stonden de Directeur, Hostein en mevrouw Groote in de Directiekamer nog een oogenblik te praten. Zij waren alle drie nog onder den indruk van het voorgevallene.

„Jammer, doodjammer, treurig afgeloopen”, zeiSchröder,en Hostein voegde er met een weemoedigen blik bij: „Wat ’n eind voor ’n artist; ’t is om ’t te besterven!”

„Arme stakkerd!” zei mevrouw Groote, met tranen in de oogen. „We hadden nog zóó ons best gedaan bij de vrinden; ’t zou zoo’n aardige kleine ovatie zijn geweest—en de krans is heel mooi, hé,Schröder?”—Zij wees op een grooten lauwerkrans, die op tafel lag, en vroeg toen aan Hostein: „Zou je ’t couvert er maar niet zoolang afnemen. Er zit ’n goeie tweehonderd gulden in; die hadden we nog bij mekaâr geklopt.”

„Geef maar hier Hostein, dan zal ik ’t zoolang in mijn brandkast sluiten, Walten komt morgen toch met me afrekenen; ik denk zoo tegen den middag, dan kom jelui misschien ook wel even hier om hem den krans en ’t couvert te geven, hé?—’n Kleine troost voor zoo’n grooten val!A propos, wie heeft den ouden man thuis gebracht?”

„Een van de tooneelknechts.”

„O, Zoo!”

„Waarom deed jij zelf ’t niet even Hostein?”

„M’n goeie Mevrouw er was geen gelegenheid voor; ’t was hier zoo’n eeuwige consternatie, ik had hem een oogenblik alleen gelaten in mijn kleedkamer, en kwam nog net bijtijds anders was hij stilletjes uitgeknepen.”

„Arme sukkel! ik kon ook niet bij hem blijven,’k moest me kleeden voor ’t nastukje.—Wou de stakkerd zóó heengaan? Och?”

„Ja, Mevrouw! Hij wou zich niet eens uitkleeden, ’k heb gauw een vigelant laten halen en hem een van de knechts meêgegeven, om zeker te zijn dat hij goed thuis kwam.”

„Zei hij nog wat Hostein?”

„Niets, Mevrouw! geen woord, hij was compleet suf.”

„Ik ga morgen dadelijk eens naar hem kijken,Schröder.”

„Doe dat Mevrouw en vertel hem dan meteen, als ’t hemtroosten kan, dat ik, globaal berekend, behalve ’t voorschot dat hij ontving, een zeshonderd gulden voor hem disponibel houd. Met de tweehonderd gulden die jelui hebt, is ’t toch een kleine achthonderd, die hij in ’t handje krijgt; dáár kan hij zijn dochter een heele poos voor in behandeling geven en houdt zelf nog een duitje over. Wat moet die man in ’s hemels naam beginnen? Een emplooi vinden? Belachelijk! ’t Zal weêr opnieuw armoe worden; hij is voor niets meer te gebruiken.”

[1]Achter de schermen aanwezig.[2]Iemand die de ontbrekende rol voorleest.

[1]Achter de schermen aanwezig.

[2]Iemand die de ontbrekende rol voorleest.

De dag is aangebroken, een heldere wintermorgen op komst. In ’t oosten kleurt de kim zich met een roode tint, die langzaam overgaat in strepen en vegen van helrood, vlammend goud, dat tusschen de violette wolken door schittert en gloort als de vurige voorbode van zonneschijn en leven.

Reeds breken enkele zonnestralen zich baan door de nog nevelige lucht en vergulden de sneeuw op boomen en daken, totdat zij krachtig genoeg zullen zijn om het vlokkig donzen kleed te doordringen en te doen vergaan.

In Waltens kamer schijnt het licht reeds tusschen en onder de gordijnen door en werpt een zwakken gelen schijn over ’t bed, waarop Annette in diepen slaap verzonken ligt.

Haar gelaat draagt nog de duidelijke sporen van den doorgestanen aanval; zij trekt nu en dan zenuwachtig met de neusvleugels en herhaaldelijk stoort een snik haar ademhaling.

Voor ’t bed geknield, met het hoofd vóórover op dearmen rustend, ligt Walten, nog in ’t kostuum van den „vrek”, onbewegelijk stil. Annettes hand beweegt zich even en raakt zijn hoofd; hij ontwaakt er niet van.

De zon komt hooger, ’t wordt al lichter en lichter; de schoone, frissche, vroolijke wintermorgen is dáár. Een heldere zonnestraal verlicht, tusschen de gordijnfranje door, Waltens grijzen kruin; ze hecht kleine, tintelende lichtpijltjes aan zijn verwarde haren en glijdt verder voort, over en langs hem heen tot op den vloer, waar ze een goudachtigen schijn spreidt over zijn hoed en overjas, die daar bij elkander liggen, als had de oude man ze bij zijn t’huiskomst, in der haast neergeworpen.

Zóó was het ook.

Terwijl alles op ’t tooneel in rep en roep was en Walten alleen inHosteinskleedkamer zat vloog hem het bloed met geweld naar het hoofd, dat gloeide en brandde, alsof daarbinnen alles verteerde in vuur en hitte. Toen stroomde het plotseling terug en deed zijn hart onrustbarend snel en hevig kloppen; hij huiverde en rilde, ’t klamme zweet brak hem uit en beurtelings werd hij koud en warm, totdat een krampachtig, zenuwachtig lachen, hem benauwd en angstig ontsnapte. Slechts één gedachte kon hij in zijn brein verwerken: „Hij, Walten! de eens zoo gevierde kunstenaar, was gevallen, weg, verloren! voor altijd!”Hij lachte en snikte en sloeg zich met de vuist voor ’t hoofd; eensklaps greep hij zijn overjas en hoed en wilde den schouwburg verlaten.

Hostein hield hem tegen, bracht hem in een rijtuig en hij.... hij liet alles met zich doen; zijn wilskracht was verlamd. Zonder dat hij ’t eigentlijk zelf wist, hoe, kwam hij thuis; de tooneelknecht bracht hem de trap op naar zijn woning en verliet hem voor zijn deur met een „van harte ’t beste meheer Walten!”

Bevend en wankelend als een dronken mensch trad hij binnen.

De vrouw, die bij Netje oppaste, dommelde op haar stoel, hij zag haar zitten, flauw verlicht door een nachtlichtje, dat, in een glas met olie brandend, op tafel stond.

Ze ontwaakte, toen hij naderde, rekte zich geeuwend uit, zag hem lodderig aan en vroeg: „Is uwes daar; veel pleizier gehad?”

Verder kwam zij niet, want heesch en afgebroken, met een stem die uit de diepte scheen te komen, zei hij plotseling: „Je kunt—wel heengaan—ik—blijf thuis.” Hij zag haar niet aan bij die woorden; hij schaamde zich voor die vrouw!

Haastig wierp hij de deur achter de vertrekkende dicht, deed zijn overjas uit, smeet die, naast zijn hoed, op den grond en toen.... toen bleef hij een oogenblik gebogen staan over ’t bed, kuste zijn dochter zachtkens op haar wang en zonk langzaam met een zwakken kreet op de knieën voor ’t ledikant.

„Morgen heb ik toch ’t geld,—voor jou,” fluisterde hij en drukte zijn brandende oogen tegen haar op ’t dek rustende hand.

Een poos bleef hij zóó in die houding, roerloos en stil, maar eensklaps richtte hij het hoofd hoog op, snikte krampachtig, twee, drie malen, achter elkander luid en hevig en liet, als ter dood toe vermoeid, zijn hoofd voorover op zijn armen vallen.

Zóó bleef hij liggen.

’t Nachtlichtje brandde flauw en begon te kwijnen; de olie in ’t glas was verbrand, ’t pitje spatterde met korte kleine, heftige knallen en streed al knetterend om zijn leven. Een paar malen nog lichtte het, met een zwakken weêrschijn, van de opflikkerende vlam, door ’t vertrek—en toen ging ’t uit.

Een benauwende, vettig riekende damp verspreidde zich inde kamer; hij merkte het niet, maar Netje begon in haar slaap zachtkens te hoesten en ontwaakte eindelijk met een kleine kuch.

„Vader, ik heb dorst!” riep zij zwakjes en tastte in ’t duister met haar hand om zich heen; ze raakte het hoofd van den ouden man even aan, streelde zacht over zijn haren en vroeg: „Slaap je, vader?”

Geen antwoord.

„Och! hij slaapt,” herhaalde zij, als in zichzelf, wendde zich om en dommelde weer in.

„Niet ankomme! M’n goeie mensch, brand je vingers niet; eerst mot de polisie er bij weze. Groote Gerritje! wat ’n geval,” roept juffrouw Daters, die met haar dikke buurvrouw Jaling en een aantal andere buren in Waltens kamer staat bij ’t bed waarop de oude man, nog onbeweeglijk in dezelfde houding, ligt.

’t Venster is geopend, en de vroolijke winterzonneschijn verlicht, tot in de kleinste hoeken, het armoedige vertrek. Netje is door de werkvrouw, die doodsbleek en verschrikt bij haar staat, in de haast, met den fluweelen koningsmantel omhangen en zit wezenloos naar haar bloote voeten te kijken, die onder uit haar nachtjapon steken.

„Goeie genadigheid! wat zal dat schepsel ’n kouwe voete krijge,” zegt een van de buurvrouwen, doet haar bonten boezelaar af en wikkelt Netjes voeten daarin, met de woorden: „Hoe kan je zoo’n schepsel nou zóó op ’n stoel zetten?”

„’k Was al blij, dat ze zat; ’t was me ook een geschiedenis,” antwoordt de werkvrouw, en tot Annette gewend, vraagt ze: „Zit je zóó goed, kind?”

„Och! ze antwoordt niet; ze schijnt toch ook wel te hebbe begrepe, datie....”

„Blijf jelui nou toch met je handen van ’m af! Hij mot blijve legge zoo as ie leit, anders heb je ’r gedoe mee. Is er nou al iemand om de polisie?” vraagt nogmaals vrouw Daters.

„Jawel! Pieterse haalt ’n agent,” antwoordt de werkster.

„Zouënwe den stakkerd toch maar niet liever op ’t bed legge of op ’n stoel zette?” zegt juffrouw Jaling, maar een van de buren roept dadelijk: „Hoor die dikke nou? Wel nee! da’s teugens de wet!”

„Maar ’k zou toch zeggen, dat....”

„Och, mensch! schei uit; hij leit immers goed zóó. Groote Goedheid! de schrik zit me nog in meknieën.” Juffrouw Daters gaat even op een stoel zitten en vervolgt tot de anderen, die nieuwsgierig toekijken:„Wat zeg jelui er wel van? Wat ken ’n mensch er toch gauw uit weze!”

Verschillende uitroepen en deelnemende woorden, dooreen geuit en daardoor onverstaanbaar, geven ’t antwoord op juffrouw Daters’ vraag.

„Dat gekke meissie ziet er waarachtig uit als een prinses, met die mooiïgheid om,” fluistert een van de omstanders tot een ander, die doodkalm antwoord: „’t Is wat moois, ’t lijkt wel niks.”

„O! daar komt de agent met den hokkebaas!” klinkt het plotseling bij de deur.

De bewoner van het onderstuk en een agent van politie, op den voet gevolgd door meerdere buren en nieuwsgierigen, die elkander stompend, duwend en vloekend op de trap en in ’t portaal verdringen, komen de kamer in.

„Laat meheer de agent door, menschen!” roepen verschillende stemmen.

„Wat is hier te doen?” vraagt de politieman.

„’n Dooie, meheer de agent!” zegt juffrouw Daters, en haastig voegt zij er bij: „Zóó morsdood naast ’t bed gevondebij dat gekke mensch; we binne d’r niet ân geweest; hij leit nog net persies as ie lei.”

„Hoe lang ben jelui hier al?”

„’n Groot kertier, meheer!”

„En heb jelui dien man zóó laten liggen?”

„We hebben d’r geen hand an gehad!”

„Dat’s dom genoeg. Misschien is hij niet eens dood!”

„Niet? Nou, as ’n pier hoor,” roept een man, die achter in de kamer staat. „’k Heb ’m evetjes over z’n hoofd gevoeld en an z’n hande gepakt: hij is al koud en stijf.”

„Allo! pak eens meê aan; we zullen zien.” De hokkebaas en een paar anderen tillen met den agent het lichaam van Walten op, om het op ’t bed neer te leggen.

„Hij is waarachtig al zoo goed als stijf,” zegt de hokkebaas, terwijl hij met eenige moeite Waltens armen buigt en over de borst legt, terwijl de anderen het lichaam een horizontale richting doen aannemen.

„Zoo! Leg het laken nou maar zoolang over hem heen, maar laat zijn gezicht vrij.”

„Hij is dood, meheer de agent, ’k versikureer ’t je. ’k Heb zooveel dooien gezien van m’n leven.Dek z’n gezicht maar gerust toe,” antwoordt de hokkebaas en een derde legt een tip van ’t laken over ’t gelaat van den ouden man, dat met de half gesloten oogleden, nu ’t volle zonlicht er op schijnt, een vreemde, akelige uitdrukking krijgt, door ’t „schmink” en de onafgewasschen grimeerlijnen.

„Wat ziet ie er raar uit: z’n gezicht is beschilderd!” roept er een uit den hoop.

„Wie is ’t?” vraagt de agent.

„Hij hiet Walten en speulde op de kemedie,” antwoordt de hokkebaas. „Zeg!” hij wendt zich tot de werkvrouw, die naast den stoel van Annette staande, zwijgend toekijkt, „zeg! jij zelt er wel ’t fijne van weten?”

„’k Zal ’t uwe vertellen, meheer de agent,” antwoordt de vrouw, en tot een van de buren gewend: „Let jij ereis op die stumperd, dan zal ik zeggen wat ’r gebeurd is.”

„Wie ben jij?”

„Ik ben hier zooveul als oppaster, weet u? En hij is Walten, die vroeger kemiekert is geweest an den Schouwburg; daarvan heit ie nou nog die korte broek an. Hij is gustere avend thuis gekomme; hij had z’n benefiesie gespeuld, weet u?—Gut, meheer! ik bin ’r nog besturve van; zoo’n geval! Ja mensch! hij was wel al lang krukkerig, maar zoo sebiet is toch....”

„Laat een van jelui gauw een dokter halen! En vertel jij geregeld wat ’r gebeurd is.”

Niemand verroert zich, want allen willen hooren „hoe ’t geval eigenlijk in mekaar zit”. Daarom herhaalt de agent: „Allo, gauw!” en een van de naastbijstaanden op den schouder tikkend, zegt hij: „Ga jij dan maar; op de Prinsengracht, hier dichtbij, woont een dokter.”

Brommend verwijdert zich de man.

„En nou verder. Hoe heet jij?”

„Ikke? Grietje Bruin!”

De politieman noteert dien naam, en als de werkster dat ziet, vraagt zij angstig: „Ik kan d’r toch geen kwaad bij?”

„Neen! ga gerust je gang; ik schrijf alleen je naam op voor ’t proces-verbaal.”

„’k Weet van die dinge niet af, want ’k bin ’n fatsoenlijke vrouw, ziet uwee, en ik zal met ’n woord van waarachtigheid getuige wat ’k gezien heb.”

„Vooruit dan, vrouwtje!”

„Van morgen was ik ’n beetje later dan anders, ’k heb zelf nog ’n huishouwe, en daardoor kwam ik eerst teuges ’n uur of twalef, en ik dacht ook zoo bij m’n eige: hij is gustere-avend in de pret geweest van z’n benefiesie en zalmisschien ’n glaassie wijn gedronke hebbe: hij zal wel lang slape. Nou kom ik zoo, eve voor twaleve, toevallig gelijk met Pietersen, hier voor de deur.”

„Ho! Pietersen, wie is dat?”

„Kan uwee dien niet? En hij heit je nogal gehaald,” roept vrouw Daters, en juffrouwJalingvoegt er bij: „Hij is ’n mirakel van ’n vent, ’n sefleur, en....”

„Stilte! laat die vrouw verder vertellen.”

„Ik zeg zoo: Pieterse, wat kom jij doen? Ik, zeit ie, ik kom m’n drie gulde hale voor gustere-avend, ik heb gesefleurd.—Was ’t mooi? zeg ik zoo vragender wijs.. Mooi? zeit hij toen. Mooi? ’t Was ’n... Nou, toen zei ie ’n Fransch woord, dat ik niet verstond, maar ik begreep dat ie wat miserabels bedoelde. Toen klop ik an. Geen antwoord; toen klopt hij an. Ook geen antwoord. ’k Prebeer of de deur ope is. Jawel hij was niet op slot. Wij same na binne. Goeie God! ik dacht, dat ze allebei sliepe.—’k Vond ’t wel raar, dat ie nog zóó in z’n konstuum lei, maar ik dacht er niks niet bij.”

„Verder!”

„Toen mocht ik zoo roepen: meheer Walten, ’t is twalef uur. Maar zij werd er wakker van, en hij niet; zij was weêr zoo wat bij d’r posetieve,—maar hij was dood; dat morken we, omdat ie volstrekt geen aassem meer gaf, op wat we zeië. Pieterse mork ’t ’t eerst en zei weer wat op z’n Fransch, ziet uwee; dat wou zooveel zegge as: hij is uit z’n lije. Z’n dochter riep: vader! vader! En daarom zei ik natuurlijkerwijs: je vader is zekers dood, kind, voel maar: hij is zoo koud as ijs. Toen gilde ze evetjes en is dáár gaan zitte en dáár zit ze nou nog.—Ik was erg geschrokke en gooide ’t raam ope, om de bure te roepe, en toen is Pieterse gegaan om uwee te hale.”

„Zoo! en waar is die man dan nu?”

„Da’ kan ’k u niet zegge; op avontuur is ie van verbouwereerdheid weggeloope, of uit z’n eige zelve naar ’n dokter gegaan.—Pieterse is nogal gevat, weet u?”

Eenige oogenblikken later klinkt onder aan de trap een verward gedruisch van stemmen en eindelijk hoort men de woorden: „Menschen, gaat wat op zij; daar komt ’n dokter an. Laat de heeren passeeren!”

Geleid door Pietersen, die niets beters had weten te doen dan onmiddellijk naar mevrouw Groote, zij woonde in de nabijheid, te snellen, komt de actrice—die juist gereedstond om uit te gaan, te gelijk met een dokter, dien zij onder weg hadden ontmoet in zijn koetsje en staande gehouden, de kamer binnen.

Alle aanwezigen wijken ter zijde voor het drietal, dat ’t bed nadert, waarop Walten is neêrgelegd.

„Hou jelui stil—St!—’t is de dokter”, zeggen fluisterend eenige buren.

Men kan een speld hooren vallen, als de medicus, naast het ledikant staande, het laken oplicht en na een langen blik op Waltens gelaat te hebben geworpen, kortaf zegt: „Dood?”

Hij onderzoekt plichtshalve het lijk, en na eenige oogenblikken van spannende stilte, wendt hij zich tot mevrouw Groote, die herhaaldelijk haar zakdoek aan de oogen brengt en met een innig medelijdenden blik op den „Harpagon” van gisteren neerziet:

„Hij is dood, mevrouw! waarschijnlijk al voor een uur of tien overleden.”

„Wat zou hem gescheeld hebben, dokter?” Mevrouw Groote wischt zich de tranen van de wangen.

„’k Vermoed een plotselinge stilstand van ’t hart, hij heeftNIETgeleden.”

„Niet geleden? O, dokter! dáár zegt u iets, dat.....” Snikkend buigt zij zich over het lijk, drukt zachtkens haar lippen op Waltens ijskoud voorhoofd, en terwijl zij den tip van het laken voorzichtig weer over het gelaat van den doode legt, zegt ze weêmoedig zacht:

„Hij is op ’t veld van eer in ’t harrenas gestorven.”[1]

—„Arme ouwe vrind!”

Pietersen, die weenend aan de andere zijde van het bed staat, neemt langzaam zijn roodkatoenen zakdoek van voor zijn gelaat, ziet ernstig naar den doode en fluistert: „Den krans van gisterenavond zullen we nu toch nog voor je gebruiken,mon pauvre Prince, Adieu!En luider vraagt hij: Mevrouw Groote! wat moet er nu van haar—hij wijst op Annette—worden?”

„Breng haar maar zoolang bij mij aan huis, Pietersen; wij zullen zorgen, dat ze in een gesticht komt. Hij”—en zij legt even haar hand op ’t lijk—„hij heeft het geld er voor, zuur genoeg, verdiend.”


Back to IndexNext