DERTIENDE HOOFDSTUK.DERTIENDE HOOFDSTUK.In de gevangenis van ijs.In hun verlangen om de ijsbergen zoo spoedig mogelijk over te trekken, waren onze reizigers onvoorziens in de val geloopen. Tengevolge van den schok, waarvan zij vruchteloos de oorzaken trachtten te vinden, was een gedeelte van het ijs losgeraakt. Verscheidene ijsblokken, die van een hoogte van nog geen twee meters neergestort waren, versperden den uitgang. De ondoorschijnendheid van het neergestorte ijs bewees, dat de dikte daarvan meer dan acht meters bedroeg.„Langs dien weg zullen we hier niet vandaan kunnen komen,” zeide Gromski na een vluchtig onderzoek van den hinderpaal.„Ook langs geen anderen weg. De ijsduivel heeft ons leelijk beetgehad!” mompelde James.De kapitein daarentegen maakte zich niet zoo erg ongerust, ondanks de treurige voorspelling van den stuurman.„Welnu, dan zullen we een anderen uitgang zoeken.”Er was geen ander middel. Ford deinsde voor geenerleimoeilijkheid terug; hij kroop als een slang in de kloof, die nog geen meter breed was, en rukte met zijne handen de stukken ijs weg. De ingenieur nam deze stukken en reikte ze aan den stuurman over, en op die manier kwamen zij verder.Maar al spoedig bleef Ford staan. Op een afstand van 15 meters van den ingang draaide de kloof plotseling rechtsaf en maakte een rechten hoek. De wanden raakten elkander daar ter plaatse bijna en lieten slechts eene spleet van hoogstens 10 centimeters over.„’t Is erger dan ik dacht,” zei de kapitein.Nu merkte men in deze woorden van den kloeken zeeman eene kwalijk verborgen ongerustheid op. Toen de ingenieur ze hoorde, maakte zich die onaangename gewaarwording van hem meester, welke het onbestemde voorgevoel van een onbekend gevaar gewoonlijk teweegbrengt.„Wordt de spleet verderop niet wijder?” vroeg hij aan Ford.„Het schijnt van niet,” antwoordde deze kortaf.Een pijnlijk stilzwijgen heerschte er gedurende eenige oogenblikken in den kleinen kring. Dit werd verbroken door een krachtigen vloek van den stuurman. De hinderpaal, die den weg aan onze reizigers versperde, juist op het oogenblik, waarop zij zoo nabij het doel waren, was voldoende om den krachtigsten en geduldigsten man wanhopig te maken.„Het geeft niets, of we al bij de pakken neerzitten,” zeide Gromski. „Het is beter, een middel te vinden om hier vandaan te komen.”„Ik zou wel eens willen weten, welk middel men zou kunnen vinden,” mompelde James; „wij zullen, denk ik,dien ijsberg toch wel niet met onze vuisten kunnen verbrijzelen.”„We kunnen een poging doen om de spleet wijder te maken.”„Waarmee?”Op deze eenvoudige vraag wist de ingenieur niets ten antwoord te geven. Men had dan ook geenerlei werktuig meegenomen, dat zou kunnen dienen om zich een doortocht te banen.De aangeboren geestkracht van Gromski veroorloofde hem niet, de handen werkeloos in den schoot te leggen. Al was hij ook tot het uiterste gebracht, toch liet hij de hoop nooit varen.„Welke dikte zou het ijs hebben, dat ons den doortocht verspert?” vroeg hij, nadat hij zich naast Ford had neergezet.„Naar de hoeveelheid licht te oordeelen, dat hier doordringt, zouden wij niet meer dan 5 à 6 meters te doorboren hebben. Als ik maar een houweel of kruit had, dan zou ik mij in een paar dagen wel een weg banen. Het is om wanhopig te worden, als ik er aan denk, dat wij machteloos zijn.…”„Niet geheel en al, kapitein.”Ford glimlachte bitter.„Ge zijt nog nooit in de poolstreken geweest,” zeide hij. „Zij laten hare prooi niet zoo gemakkelijk los. Maar wat wilt ge doen?”„Ons een weg banen. Het komt mij voor, dat wij een vrij goed werktuig hebben om het ijs te breken.”„Voor zoover ik weet, hebben we er geen in ons bezit.”„En dan het instrument, dat James draagt?”„Wat? Dat gebruiken om het ijs te breken!” riep de kapitein uit, terwijl hij haastig opstond.De zeeman was geërgerd over dit denkbeeld van den ingenieur. Het instrument, dat diende om de aantrekkingskracht aan de pool waar te nemen, was in zijn oog iets onmisbaars.„Mij dunkt, dat het beter is, dit instrument te vernielen, dan levend begraven te worden,” zeide James, terwijl hij het aan den ingenieur overhandigde.Ford verzette er zich nu niet langer tegen, daar hij de waarheid van deze woorden moest erkennen.Onze reizigers zagen zich dus in het bezit van een werktuig, dat wel is waar niet zeer geschikt, maar toch vrij stevig was.„Laat ons de spleet verwijden,” zei de ingenieur. „Zij komt zonder twijfel aan het andere einde van het ijsveld uit. We hebben geen tijd te verliezen en zullen elkaar om het uur aflossen. Ik zal wel beginnen.”De eerste slagen met dit zonderlinge houweel vervulden allen met nieuwen moed. James, die niet werkeloos wilde blijven, ging naar de plaats, waar Gromski aan den arbeid was.„Ik zal u wel helpen,” zeide hij.„Met alle genoegen. Werp dan de stukken weg, die mij hinderen. Het werk zal dan vlugger van de hand gaan.”De ingenieur zag al spoedig in, dat er heel wat werk te doen was. Het ijs liet zich nog al gemakkelijk breken, maar het instrument kon ongelukkig geen goed houweel vervangen: ook had James niet veel stukken ijs weg te werpen.Bovendien belemmerde de nauwheid der spleet hem in zijne bewegingen. Toen er een uur verloopen was, stond Gromski zijne plaats dan ook gaarne aan den stuurman af, die aan zulk soort van werk meer gewoon was.James werkte onvermoeid door. Het gelukte hem al spoedig, de spleet zoozeer te verwijden, dat hij er zijn hoofd kon insteken. Nieuwe teleurstelling! De spleet eindigde eenige meters van daar.Nadat de stuurman deze treurige tijding aan de beide anderen meegedeeld had, hervatte hij den arbeid; want de kapitein verklaarde, zich op de doorschijnendheid van het ijs beroepende, dat er nog maar drie meters te doorboren waren. Als deze onderstelling bewaarheid werd, zouden onze gevangenen in twee dagen vrij zijn.Men zette dus met koortsachtige haast den arbeid voort, daar ieder uur kostbaar was. Toen de beurt aan Ford kwam, haalde hij er stukken ijs uit, die Gromski moest weghalen, daar zij veel plaats besloegen. Op den 7dendes morgens bereikte men het uiteinde der spleet.Na het middagmaal begon de stuurman, die Gromski weder vervangen had, eene opening in het ijs te maken.Na verloop van tien minuten echter keerde hij naar zijne makkers terug, bleek van ontroering.„Alles is verloren!” riep hij, „het instrument is gebroken!”Dit voorval maakte, dat onze reizigers opnieuw aan de wanhoop ter prooi waren. Hun laatste middel tot redding was verloren gegaan.Ford en de ingenieur deden alle moeite om den ongelukkigen stuurman te troosten, die dit ongeluk alleen aan zich zelf toeschreef.„Kom, kom, ouwe jongen, wees maar niet zoo wanhopig!” zeide Ford. „Het noodlot wil blijkbaar niet, dat we de pool bereiken. Maar we moeten toch ten einde toe volhouden. Als de ijsmuur niet al te dik is, kunnen we dien nog wel met het kapotte instrument doorboren.”„Dat zal niet gaan,” zei de ingenieur. „James,” voegde hij er bij, zich tot den stuurman wendende, „kan onze brandewijn branden?”„Branden? Zoudt ge dezen berg dan willen doen smelten?”„Dat niet. Ik wil alleen de dikte van de ijslaag bepalen met behulp van een gloeiend stuk ijzer.”Gromski bracht terstond zijn plan ten uitvoer. Nadat hij in een metalen beker een weinig brandewijn gegoten had, stak hij dezen aan, verhitte het ijzer en hield dit op het ijs.Hij moest dit verscheidene malen herhalen, voordat hij er in slaagde, eene nauwe opening te boren ter lengte van de staaf, die slechts een meter lang was. De ijslaag was dus dikker. Al spoedig moest Gromski van zijn plan afzien; want niet alleen de staaf, maar ook zijn geheele rechterarm gingen met gemak in de opening.Men peilde op dezelfde manier een ander ijsblok. Maar dit was nog dikker. Overigens was het doorboren van dit ijsblok gevaarlijk; want het gewelf van den ijstunnel kon lichtelijk boven het hoofd der werklieden instorten.Zoo kwamen onze helden na een langdurigen arbeid tot het besluit, dat de ijsgrot hun graf zou worden.„Hier te sterven, zoo nabij het doel, is dit niet eene bittere spotternij van het noodlot?” zeide Ford, terwijl hij de hand aan zijn brandend voorhoofd bracht. „Ik was op alles bedacht, maar op zulk een afloop niet.”De kloeke zeeman gevoelde, dat zijne geestkracht tegen zulk een feit niet bestand was. Hij deed zich geweld aan om niet met zijn hoofd tegen den ijsmuur aan te loopen.„Op een afstand van slechts dertig kilometers!” riep hij herhaalde malen wanhopig uit.James gevoelde hetzelfde als de kapitein; maar hij beschouwde zich zelf bovendien als de oorzaak van dit onheil. Gromski meende, dat de oude zeeman uit wanhoop een einde aan zijn leven zou maken: hij bleef steeds onbeweeglijk als een standbeeld zitten, de oogen op het gebroken instrument gevestigd houdende. Zenuwtrekkingen vertoonden zich op zijn gelaat, dat door de zon gebruind was. Men zou gedacht hebben, dat die man ieder oogenblik in zuchten en in snikken zou uitbarsten. Maar dat was niet het geval.Gromski had zijn leven gaarne ten offer willen brengen; maar de gedachte, van honger en van koude te sterven, joeg hem schrik aan. De weinige levensmiddelen, waarover onze reizigers te beschikken hadden, konden hun lijden slechts rekken.„We zullen sterven, terwijl we in naam der wetenschap worstelen!” zei de ingenieur, den kapitein de hand drukkende. „We moeten echter niet wanhopen. We hebben gedaan, wat we moesten doen. Nu is de beurt aan anderen.”De kapitein gaf een toestemmend teeken met het hoofd. Deze woorden gaven hem eensklaps zijn gewonen moed en zijne kalmte van geest terug. Hij zette zich naast zijne kameraden neer, haalde zijn zakboek uit en begon daarin te bladeren.„Dat is alles, wat er van ons zal overblijven,” zeide hij. „We moeten dus eene poging doen om het tegen den invloedvan het water te beveiligen. Misschien zal deze verwenschte ijsberg na verloop van eenige jaren, van een tiental, van een twintigtal zelfs, verbrijzeld of met den stroom meegevoerd worden, en dan zullen de mannen, die zich evenals wij aan de wetenschap opgeofferd hebben, het verhaal van onze reis vinden. Mogen zij uit dit zakboek vernemen, wat wij gedaan hebben! Dit zal ons testament zijn, kameraden.”Iedereen, die den toestand van den ingenieur en diens metgezellen onbevooroordeeld nagaat, zal zonder twijfel tot het besluit komen, dat de onderzoekingstocht van deze helden der wetenschap hier zal eindigen. Inderdaad vormde het ijsblok, dat eenige meters dik was, een hinderpaal, die niet minder onoverkomelijk was dan eene rots van graniet van dezelfde dikte.Intusschen liep het heel anders af. Een schijnbaar onbeduidend verschijnsel, dat door den ingenieur werd opgemerkt, droeg er geheel onverwacht toe bij, onze reizigers te redden van een vreeselijken dood tengevolge van honger en koude.Nadat Ford zijn dagboek tegen de werking van het water beveiligd had, wikkelde hij zich in zijn bonten mantel, legde zich op de gemakkelijkste plaats, die hij maar kon vinden, neer en begon de ontknooping van het drama, waarin hij zulk eene gewichtige rol vervulde, af te wachten.Ook James verviel in een toestand van volkomen onverschilligheid omtrent hetgeen er verder zou gebeuren. De ingenieur kroop in de spleet, waar de stuurman kort te voren nog had gewerkt, en begon na te denken over de middelen om uit dezen hachelijken toestand te geraken. De wonderlijkste,de stoutmoedigste plannen werden er door hem gemaakt. Helaas! het waren slechts droomen van een koortsachtig brein, die nimmer verwezenlijkt zouden kunnen worden.Twee geheele dagen werden in dezen vreeselijken toestand doorgebracht, twee dagen, gedurende welke er geene verandering in den toestand onzer reizigers kwam.Gromski, die in de spleet uitgestrekt lag, gevoelde zich spoedig geheel verstijfd. Verscheidene malen kwam het plan bij hem op, zich een weinig te verwarmen door eenige beweging te nemen, maar hij zag daarvan telkens weder af.„Is het niet beter, van koude om te komen, dan langzamerhand van honger weg te kwijnen?” dacht hij.Aangegrepen door eene nieuwsgierigheid, waarvan hij zich geen rekenschap wist te geven, haalde hij een thermometer uit zijn zak. Het kwik wees 1½ graad onder nul aan.Nadat de ingenieur die waarneming had gedaan, vroeg hij zich af, waarom er zulk eene lage temperatuur in de spleet heerschte. Dit verschijnsel was doodeenvoudig te verklaren. De stralen der zon, die op het oppervlak van het ijsblok werkten, deden het langzamerhand smelten. Deze smelting slurpte warmte op: eene afkoeling van de geheele massa moest er dus het gevolg van zijn. Eenige droppels water, die op den mantel van den ingenieur waren gevallen, waren terstond bevroren. Ieder ander zou daaraan niet de minste aandacht gewijd hebben, maar Gromski begon daarover na te denken.„Als het water in den vasten toestand overgaat, dan verandert het in omvang en zet zich uit, daar het ijs een lager soortelijk gewicht bezit. Deze physische gedaanteverwisseling heeft onmiddellijk plaats tengevolge van den minsten schokvan eene vloeistof, die tot eene temperatuur onder nul afgekoeld is. Dit verschijnsel oefent, als het in een gesloten vat plaats heeft, eene drukking op zijne wanden. In de bergen doet het water, dat in de kloven der rotsen bevriest, deze barsten. Welnu, waarom zou dan .…”De gevolgtrekking schoot als een bliksemstraal door het hoofd van Gromski en deed zijn geheele lichaam sidderen.„Alles is nog niet ten einde!” dacht hij.Hij stond haastig, koortsachtig op, en nadat hij de ijzeren staaf in handen genomen had, kroop hij op handen en voeten tot aan de plaats, waar hij twee dagen geleden den ijsmuur gepeild had.Het gat, door de staaf geboord, was nog met water gevuld. Gromski raapte met zijne hand, die van ontroering trilde, een stukje ijs op en wierp het in het gat. Op hetzelfde oogenblik deed zich het dof geluid van ijs, dat uiteenbarst, hooren.Bij het hooren hiervan slaakte de ingenieur een uitroep van zegepraal en snelde naar zijne makkers toe.„Moed gehouden, kameraden!” zeide hij, terwijl hij ternauwernood de vreugde kon onderdrukken, die zijne borst vervulde. „We zullen dezen berg in duizend stukken doen splijten.… Moed gehouden, zeg ik u!.… Staat op!”En hij greep Ford krachtig aan, die hem als een waanzinnige aanstaarde.„Och kom! Zouden we dien berg kunnen doen splijten?” riep de stuurman ongeloovig uit.„Wel zeker. We zullen haar met behulp van bevroren water doen uiteenspatten.”Er is niet veel noodig om de hoop in het hart van denmensch te verlevendigen. De kameraden van den ingenieur begrepen diens bedoeling onmiddellijk.„Ge zijt onze redder!” riep de kapitein uit. „En te denken, dat dit zoo doodeenvoudig is! Waarom zijn we niet dadelijk op dit schitterende denkbeeld gekomen?”„Morgen zullen we vrij zijn,” zeide Gromski, terwijl hij met zijne vuist tegen den ijswand klopte.„Wat moet ik nu doen?” vroeg James, terwijl hij zijn mantel afdeed.„Giet wat brandewijn in den beker!”„Goed! En dan?”„Neem dan de staaf en volg mij!”Om den kleinen voorraad brandewijn zooveel mogelijk te besparen, besloot de ingenieur, anders te handelen dan de eerste maal. In plaats van eene groote opening in het ijs te maken met behulp van de gloeiende staaf, wilde hij eenvoudig een gat boren. Daar men niet in een oogenblik een muur van eenige meters kon doen springen, moest men dien bij lagen verbrijzelen,—eene manier van handelen, waarvan men zich bij het doorboren van tunnels bedient.Gromski beval dus aan den stuurman, met de staaf gaten ter diepte van zes duimen in den ijsmuur te boren. Er moesten er acht op eene oppervlakte van vier vierkante voeten zijn.De stuurman volbracht dezen zwaren arbeid in vijf uren. Gedurende dien tijd maakte de ingenieur met behulp van een doorgesneden stok stoppen om de gemaakte openingen dicht te maken en smolt stukken ijs in een theeketel.„Dat is ons dynamiet,” zeide hij, terwijl hij aan zijne kameraden den ketel, met water gevuld, liet zien.Het water had eene temperatuur van meer dan 50 graden. Gromski wilde door zijne warmte de gaten grooter maken.Na de opening zorgvuldig leeggemaakt te hebben, vulde hij haar met warm water en sloot haar met een stop af, die in een doek gewikkeld was. Al spoedig was de mijn klaar.Na zich naar eene ruimere plaats begeven te hebben, wachtten onze reizigers met kloppende harten vol ongeduld den uitslag af. Twee uren daarna, toen de ingenieur reeds aan den goeden uitslag van zijn plan begon te twijfelen, bewoog eene plotselinge trilling de muren van den tunnel. Ford, die tegen het ijs aanleunde, gevoelde deze het eerst.Nauwelijks was er een dof geluid gehoord, of de ingenieur bevond zich reeds ter plaatse, waar de mijn gelegd was.Zijne vooruitzichten rechtvaardigden zich tot in de minste bijzonderheden: de uiteengespleten oppervlakte van het ijs vertoonde duizenden stukken van verschillende grootte. Verscheidene breede spleten, die diep in het ijs doordrongen, bewezen de kracht van de mijn.Bij het zien van deze verwoesting barstte de stuurman in vreugdekreten los en begon de stukken ijs zorgvuldig weg te nemen.„Drommels! Nooit van mijn leven had ik gedacht, dat zuiver water kruit kon vervangen,” zeide hij, terwijl hij de hand in de grootste spleet stak.„Welnu, gelooft ge nu, dat ik dezen berg zal weten te verbrijzelen?” vroeg de ingenieur hem met een zegevierenden glimlach.„En zelfs een berg van graniet?”„En zelfs een berg van graniet. Bevroren water doet de voorwerpen, die den meesten weerstand bieden, uiteenbarsten.Het water, dat in de spleten der rotsen bevriest, rukt daarvan groote blokken af. Ge ziet, dat we over eene ontzaglijke macht te beschikken hebben.”De goede uitslag van deze proefneming verlevendigde den moed van onze reizigers. De uiteengebarsten ijslaag had een voet dikte. Om een meter te doorboren had men bijgevolg drie mijnen noodig.Na de kloof van ijs ontdaan te hebben, begon James onmiddellijk nieuwe gaten te boren.Vreezende, dat er zich in het inwendige van het ijsveld eene verheffing van temperatuur zou openbaren, verhaastte de ingenieur de zaak. Men werkte beurt om beurt, daar ieder eigenhandig deel aan de bevrijding wilde hebben.Men liet om de zes uren een mijn springen; men vorderde dus bijna twee meters per dag.Op den 12den, des namiddags om één uur, was de ijslaag, die onze reizigers van de vrije ruimte scheidde, reeds zóó dun, dat Gromski bij het boren van de gaten de omtrekken der naburige bergen kon zien. Men legde dus de laatste mijn aan.Toen James deze laadde, schertste hij vroolijk over het doorgestane gevaar.Ford maakte reeds zijn zak klaar en de instrumenten, die deze bevatte.„We hebben eene week in dit verwenschte gat verloren,” zeide hij. „We moeten noodzakelijk dien tijd inhalen.”Men kan uit deze woorden gemakkelijk opmaken, dat de hoop bij den kapitein herleefd was.Een uur daarna vloog de dunne ijslaag met een oorverdoovend geluid in stukken; de poolzon scheen door de breedeopening in het inwendige der gevangenis van ijs en verlichtte plotseling met hare stralen de vermagerde en bleeke gezichten van onze reizigers.Zonder te letten op de ijsblokken, die boven zijn hoofd wankelden, liep de kapitein het eerst naar den buitenkant van het ijs en vertoonde zich in het volle licht.En gelijktijdig ontsnapte er een uitroep van verwondering en van medelijden aan de borst van Gromski en van James.Het haar van kapitein Ford was spierwit geworden.
DERTIENDE HOOFDSTUK.DERTIENDE HOOFDSTUK.In de gevangenis van ijs.In hun verlangen om de ijsbergen zoo spoedig mogelijk over te trekken, waren onze reizigers onvoorziens in de val geloopen. Tengevolge van den schok, waarvan zij vruchteloos de oorzaken trachtten te vinden, was een gedeelte van het ijs losgeraakt. Verscheidene ijsblokken, die van een hoogte van nog geen twee meters neergestort waren, versperden den uitgang. De ondoorschijnendheid van het neergestorte ijs bewees, dat de dikte daarvan meer dan acht meters bedroeg.„Langs dien weg zullen we hier niet vandaan kunnen komen,” zeide Gromski na een vluchtig onderzoek van den hinderpaal.„Ook langs geen anderen weg. De ijsduivel heeft ons leelijk beetgehad!” mompelde James.De kapitein daarentegen maakte zich niet zoo erg ongerust, ondanks de treurige voorspelling van den stuurman.„Welnu, dan zullen we een anderen uitgang zoeken.”Er was geen ander middel. Ford deinsde voor geenerleimoeilijkheid terug; hij kroop als een slang in de kloof, die nog geen meter breed was, en rukte met zijne handen de stukken ijs weg. De ingenieur nam deze stukken en reikte ze aan den stuurman over, en op die manier kwamen zij verder.Maar al spoedig bleef Ford staan. Op een afstand van 15 meters van den ingang draaide de kloof plotseling rechtsaf en maakte een rechten hoek. De wanden raakten elkander daar ter plaatse bijna en lieten slechts eene spleet van hoogstens 10 centimeters over.„’t Is erger dan ik dacht,” zei de kapitein.Nu merkte men in deze woorden van den kloeken zeeman eene kwalijk verborgen ongerustheid op. Toen de ingenieur ze hoorde, maakte zich die onaangename gewaarwording van hem meester, welke het onbestemde voorgevoel van een onbekend gevaar gewoonlijk teweegbrengt.„Wordt de spleet verderop niet wijder?” vroeg hij aan Ford.„Het schijnt van niet,” antwoordde deze kortaf.Een pijnlijk stilzwijgen heerschte er gedurende eenige oogenblikken in den kleinen kring. Dit werd verbroken door een krachtigen vloek van den stuurman. De hinderpaal, die den weg aan onze reizigers versperde, juist op het oogenblik, waarop zij zoo nabij het doel waren, was voldoende om den krachtigsten en geduldigsten man wanhopig te maken.„Het geeft niets, of we al bij de pakken neerzitten,” zeide Gromski. „Het is beter, een middel te vinden om hier vandaan te komen.”„Ik zou wel eens willen weten, welk middel men zou kunnen vinden,” mompelde James; „wij zullen, denk ik,dien ijsberg toch wel niet met onze vuisten kunnen verbrijzelen.”„We kunnen een poging doen om de spleet wijder te maken.”„Waarmee?”Op deze eenvoudige vraag wist de ingenieur niets ten antwoord te geven. Men had dan ook geenerlei werktuig meegenomen, dat zou kunnen dienen om zich een doortocht te banen.De aangeboren geestkracht van Gromski veroorloofde hem niet, de handen werkeloos in den schoot te leggen. Al was hij ook tot het uiterste gebracht, toch liet hij de hoop nooit varen.„Welke dikte zou het ijs hebben, dat ons den doortocht verspert?” vroeg hij, nadat hij zich naast Ford had neergezet.„Naar de hoeveelheid licht te oordeelen, dat hier doordringt, zouden wij niet meer dan 5 à 6 meters te doorboren hebben. Als ik maar een houweel of kruit had, dan zou ik mij in een paar dagen wel een weg banen. Het is om wanhopig te worden, als ik er aan denk, dat wij machteloos zijn.…”„Niet geheel en al, kapitein.”Ford glimlachte bitter.„Ge zijt nog nooit in de poolstreken geweest,” zeide hij. „Zij laten hare prooi niet zoo gemakkelijk los. Maar wat wilt ge doen?”„Ons een weg banen. Het komt mij voor, dat wij een vrij goed werktuig hebben om het ijs te breken.”„Voor zoover ik weet, hebben we er geen in ons bezit.”„En dan het instrument, dat James draagt?”„Wat? Dat gebruiken om het ijs te breken!” riep de kapitein uit, terwijl hij haastig opstond.De zeeman was geërgerd over dit denkbeeld van den ingenieur. Het instrument, dat diende om de aantrekkingskracht aan de pool waar te nemen, was in zijn oog iets onmisbaars.„Mij dunkt, dat het beter is, dit instrument te vernielen, dan levend begraven te worden,” zeide James, terwijl hij het aan den ingenieur overhandigde.Ford verzette er zich nu niet langer tegen, daar hij de waarheid van deze woorden moest erkennen.Onze reizigers zagen zich dus in het bezit van een werktuig, dat wel is waar niet zeer geschikt, maar toch vrij stevig was.„Laat ons de spleet verwijden,” zei de ingenieur. „Zij komt zonder twijfel aan het andere einde van het ijsveld uit. We hebben geen tijd te verliezen en zullen elkaar om het uur aflossen. Ik zal wel beginnen.”De eerste slagen met dit zonderlinge houweel vervulden allen met nieuwen moed. James, die niet werkeloos wilde blijven, ging naar de plaats, waar Gromski aan den arbeid was.„Ik zal u wel helpen,” zeide hij.„Met alle genoegen. Werp dan de stukken weg, die mij hinderen. Het werk zal dan vlugger van de hand gaan.”De ingenieur zag al spoedig in, dat er heel wat werk te doen was. Het ijs liet zich nog al gemakkelijk breken, maar het instrument kon ongelukkig geen goed houweel vervangen: ook had James niet veel stukken ijs weg te werpen.Bovendien belemmerde de nauwheid der spleet hem in zijne bewegingen. Toen er een uur verloopen was, stond Gromski zijne plaats dan ook gaarne aan den stuurman af, die aan zulk soort van werk meer gewoon was.James werkte onvermoeid door. Het gelukte hem al spoedig, de spleet zoozeer te verwijden, dat hij er zijn hoofd kon insteken. Nieuwe teleurstelling! De spleet eindigde eenige meters van daar.Nadat de stuurman deze treurige tijding aan de beide anderen meegedeeld had, hervatte hij den arbeid; want de kapitein verklaarde, zich op de doorschijnendheid van het ijs beroepende, dat er nog maar drie meters te doorboren waren. Als deze onderstelling bewaarheid werd, zouden onze gevangenen in twee dagen vrij zijn.Men zette dus met koortsachtige haast den arbeid voort, daar ieder uur kostbaar was. Toen de beurt aan Ford kwam, haalde hij er stukken ijs uit, die Gromski moest weghalen, daar zij veel plaats besloegen. Op den 7dendes morgens bereikte men het uiteinde der spleet.Na het middagmaal begon de stuurman, die Gromski weder vervangen had, eene opening in het ijs te maken.Na verloop van tien minuten echter keerde hij naar zijne makkers terug, bleek van ontroering.„Alles is verloren!” riep hij, „het instrument is gebroken!”Dit voorval maakte, dat onze reizigers opnieuw aan de wanhoop ter prooi waren. Hun laatste middel tot redding was verloren gegaan.Ford en de ingenieur deden alle moeite om den ongelukkigen stuurman te troosten, die dit ongeluk alleen aan zich zelf toeschreef.„Kom, kom, ouwe jongen, wees maar niet zoo wanhopig!” zeide Ford. „Het noodlot wil blijkbaar niet, dat we de pool bereiken. Maar we moeten toch ten einde toe volhouden. Als de ijsmuur niet al te dik is, kunnen we dien nog wel met het kapotte instrument doorboren.”„Dat zal niet gaan,” zei de ingenieur. „James,” voegde hij er bij, zich tot den stuurman wendende, „kan onze brandewijn branden?”„Branden? Zoudt ge dezen berg dan willen doen smelten?”„Dat niet. Ik wil alleen de dikte van de ijslaag bepalen met behulp van een gloeiend stuk ijzer.”Gromski bracht terstond zijn plan ten uitvoer. Nadat hij in een metalen beker een weinig brandewijn gegoten had, stak hij dezen aan, verhitte het ijzer en hield dit op het ijs.Hij moest dit verscheidene malen herhalen, voordat hij er in slaagde, eene nauwe opening te boren ter lengte van de staaf, die slechts een meter lang was. De ijslaag was dus dikker. Al spoedig moest Gromski van zijn plan afzien; want niet alleen de staaf, maar ook zijn geheele rechterarm gingen met gemak in de opening.Men peilde op dezelfde manier een ander ijsblok. Maar dit was nog dikker. Overigens was het doorboren van dit ijsblok gevaarlijk; want het gewelf van den ijstunnel kon lichtelijk boven het hoofd der werklieden instorten.Zoo kwamen onze helden na een langdurigen arbeid tot het besluit, dat de ijsgrot hun graf zou worden.„Hier te sterven, zoo nabij het doel, is dit niet eene bittere spotternij van het noodlot?” zeide Ford, terwijl hij de hand aan zijn brandend voorhoofd bracht. „Ik was op alles bedacht, maar op zulk een afloop niet.”De kloeke zeeman gevoelde, dat zijne geestkracht tegen zulk een feit niet bestand was. Hij deed zich geweld aan om niet met zijn hoofd tegen den ijsmuur aan te loopen.„Op een afstand van slechts dertig kilometers!” riep hij herhaalde malen wanhopig uit.James gevoelde hetzelfde als de kapitein; maar hij beschouwde zich zelf bovendien als de oorzaak van dit onheil. Gromski meende, dat de oude zeeman uit wanhoop een einde aan zijn leven zou maken: hij bleef steeds onbeweeglijk als een standbeeld zitten, de oogen op het gebroken instrument gevestigd houdende. Zenuwtrekkingen vertoonden zich op zijn gelaat, dat door de zon gebruind was. Men zou gedacht hebben, dat die man ieder oogenblik in zuchten en in snikken zou uitbarsten. Maar dat was niet het geval.Gromski had zijn leven gaarne ten offer willen brengen; maar de gedachte, van honger en van koude te sterven, joeg hem schrik aan. De weinige levensmiddelen, waarover onze reizigers te beschikken hadden, konden hun lijden slechts rekken.„We zullen sterven, terwijl we in naam der wetenschap worstelen!” zei de ingenieur, den kapitein de hand drukkende. „We moeten echter niet wanhopen. We hebben gedaan, wat we moesten doen. Nu is de beurt aan anderen.”De kapitein gaf een toestemmend teeken met het hoofd. Deze woorden gaven hem eensklaps zijn gewonen moed en zijne kalmte van geest terug. Hij zette zich naast zijne kameraden neer, haalde zijn zakboek uit en begon daarin te bladeren.„Dat is alles, wat er van ons zal overblijven,” zeide hij. „We moeten dus eene poging doen om het tegen den invloedvan het water te beveiligen. Misschien zal deze verwenschte ijsberg na verloop van eenige jaren, van een tiental, van een twintigtal zelfs, verbrijzeld of met den stroom meegevoerd worden, en dan zullen de mannen, die zich evenals wij aan de wetenschap opgeofferd hebben, het verhaal van onze reis vinden. Mogen zij uit dit zakboek vernemen, wat wij gedaan hebben! Dit zal ons testament zijn, kameraden.”Iedereen, die den toestand van den ingenieur en diens metgezellen onbevooroordeeld nagaat, zal zonder twijfel tot het besluit komen, dat de onderzoekingstocht van deze helden der wetenschap hier zal eindigen. Inderdaad vormde het ijsblok, dat eenige meters dik was, een hinderpaal, die niet minder onoverkomelijk was dan eene rots van graniet van dezelfde dikte.Intusschen liep het heel anders af. Een schijnbaar onbeduidend verschijnsel, dat door den ingenieur werd opgemerkt, droeg er geheel onverwacht toe bij, onze reizigers te redden van een vreeselijken dood tengevolge van honger en koude.Nadat Ford zijn dagboek tegen de werking van het water beveiligd had, wikkelde hij zich in zijn bonten mantel, legde zich op de gemakkelijkste plaats, die hij maar kon vinden, neer en begon de ontknooping van het drama, waarin hij zulk eene gewichtige rol vervulde, af te wachten.Ook James verviel in een toestand van volkomen onverschilligheid omtrent hetgeen er verder zou gebeuren. De ingenieur kroop in de spleet, waar de stuurman kort te voren nog had gewerkt, en begon na te denken over de middelen om uit dezen hachelijken toestand te geraken. De wonderlijkste,de stoutmoedigste plannen werden er door hem gemaakt. Helaas! het waren slechts droomen van een koortsachtig brein, die nimmer verwezenlijkt zouden kunnen worden.Twee geheele dagen werden in dezen vreeselijken toestand doorgebracht, twee dagen, gedurende welke er geene verandering in den toestand onzer reizigers kwam.Gromski, die in de spleet uitgestrekt lag, gevoelde zich spoedig geheel verstijfd. Verscheidene malen kwam het plan bij hem op, zich een weinig te verwarmen door eenige beweging te nemen, maar hij zag daarvan telkens weder af.„Is het niet beter, van koude om te komen, dan langzamerhand van honger weg te kwijnen?” dacht hij.Aangegrepen door eene nieuwsgierigheid, waarvan hij zich geen rekenschap wist te geven, haalde hij een thermometer uit zijn zak. Het kwik wees 1½ graad onder nul aan.Nadat de ingenieur die waarneming had gedaan, vroeg hij zich af, waarom er zulk eene lage temperatuur in de spleet heerschte. Dit verschijnsel was doodeenvoudig te verklaren. De stralen der zon, die op het oppervlak van het ijsblok werkten, deden het langzamerhand smelten. Deze smelting slurpte warmte op: eene afkoeling van de geheele massa moest er dus het gevolg van zijn. Eenige droppels water, die op den mantel van den ingenieur waren gevallen, waren terstond bevroren. Ieder ander zou daaraan niet de minste aandacht gewijd hebben, maar Gromski begon daarover na te denken.„Als het water in den vasten toestand overgaat, dan verandert het in omvang en zet zich uit, daar het ijs een lager soortelijk gewicht bezit. Deze physische gedaanteverwisseling heeft onmiddellijk plaats tengevolge van den minsten schokvan eene vloeistof, die tot eene temperatuur onder nul afgekoeld is. Dit verschijnsel oefent, als het in een gesloten vat plaats heeft, eene drukking op zijne wanden. In de bergen doet het water, dat in de kloven der rotsen bevriest, deze barsten. Welnu, waarom zou dan .…”De gevolgtrekking schoot als een bliksemstraal door het hoofd van Gromski en deed zijn geheele lichaam sidderen.„Alles is nog niet ten einde!” dacht hij.Hij stond haastig, koortsachtig op, en nadat hij de ijzeren staaf in handen genomen had, kroop hij op handen en voeten tot aan de plaats, waar hij twee dagen geleden den ijsmuur gepeild had.Het gat, door de staaf geboord, was nog met water gevuld. Gromski raapte met zijne hand, die van ontroering trilde, een stukje ijs op en wierp het in het gat. Op hetzelfde oogenblik deed zich het dof geluid van ijs, dat uiteenbarst, hooren.Bij het hooren hiervan slaakte de ingenieur een uitroep van zegepraal en snelde naar zijne makkers toe.„Moed gehouden, kameraden!” zeide hij, terwijl hij ternauwernood de vreugde kon onderdrukken, die zijne borst vervulde. „We zullen dezen berg in duizend stukken doen splijten.… Moed gehouden, zeg ik u!.… Staat op!”En hij greep Ford krachtig aan, die hem als een waanzinnige aanstaarde.„Och kom! Zouden we dien berg kunnen doen splijten?” riep de stuurman ongeloovig uit.„Wel zeker. We zullen haar met behulp van bevroren water doen uiteenspatten.”Er is niet veel noodig om de hoop in het hart van denmensch te verlevendigen. De kameraden van den ingenieur begrepen diens bedoeling onmiddellijk.„Ge zijt onze redder!” riep de kapitein uit. „En te denken, dat dit zoo doodeenvoudig is! Waarom zijn we niet dadelijk op dit schitterende denkbeeld gekomen?”„Morgen zullen we vrij zijn,” zeide Gromski, terwijl hij met zijne vuist tegen den ijswand klopte.„Wat moet ik nu doen?” vroeg James, terwijl hij zijn mantel afdeed.„Giet wat brandewijn in den beker!”„Goed! En dan?”„Neem dan de staaf en volg mij!”Om den kleinen voorraad brandewijn zooveel mogelijk te besparen, besloot de ingenieur, anders te handelen dan de eerste maal. In plaats van eene groote opening in het ijs te maken met behulp van de gloeiende staaf, wilde hij eenvoudig een gat boren. Daar men niet in een oogenblik een muur van eenige meters kon doen springen, moest men dien bij lagen verbrijzelen,—eene manier van handelen, waarvan men zich bij het doorboren van tunnels bedient.Gromski beval dus aan den stuurman, met de staaf gaten ter diepte van zes duimen in den ijsmuur te boren. Er moesten er acht op eene oppervlakte van vier vierkante voeten zijn.De stuurman volbracht dezen zwaren arbeid in vijf uren. Gedurende dien tijd maakte de ingenieur met behulp van een doorgesneden stok stoppen om de gemaakte openingen dicht te maken en smolt stukken ijs in een theeketel.„Dat is ons dynamiet,” zeide hij, terwijl hij aan zijne kameraden den ketel, met water gevuld, liet zien.Het water had eene temperatuur van meer dan 50 graden. Gromski wilde door zijne warmte de gaten grooter maken.Na de opening zorgvuldig leeggemaakt te hebben, vulde hij haar met warm water en sloot haar met een stop af, die in een doek gewikkeld was. Al spoedig was de mijn klaar.Na zich naar eene ruimere plaats begeven te hebben, wachtten onze reizigers met kloppende harten vol ongeduld den uitslag af. Twee uren daarna, toen de ingenieur reeds aan den goeden uitslag van zijn plan begon te twijfelen, bewoog eene plotselinge trilling de muren van den tunnel. Ford, die tegen het ijs aanleunde, gevoelde deze het eerst.Nauwelijks was er een dof geluid gehoord, of de ingenieur bevond zich reeds ter plaatse, waar de mijn gelegd was.Zijne vooruitzichten rechtvaardigden zich tot in de minste bijzonderheden: de uiteengespleten oppervlakte van het ijs vertoonde duizenden stukken van verschillende grootte. Verscheidene breede spleten, die diep in het ijs doordrongen, bewezen de kracht van de mijn.Bij het zien van deze verwoesting barstte de stuurman in vreugdekreten los en begon de stukken ijs zorgvuldig weg te nemen.„Drommels! Nooit van mijn leven had ik gedacht, dat zuiver water kruit kon vervangen,” zeide hij, terwijl hij de hand in de grootste spleet stak.„Welnu, gelooft ge nu, dat ik dezen berg zal weten te verbrijzelen?” vroeg de ingenieur hem met een zegevierenden glimlach.„En zelfs een berg van graniet?”„En zelfs een berg van graniet. Bevroren water doet de voorwerpen, die den meesten weerstand bieden, uiteenbarsten.Het water, dat in de spleten der rotsen bevriest, rukt daarvan groote blokken af. Ge ziet, dat we over eene ontzaglijke macht te beschikken hebben.”De goede uitslag van deze proefneming verlevendigde den moed van onze reizigers. De uiteengebarsten ijslaag had een voet dikte. Om een meter te doorboren had men bijgevolg drie mijnen noodig.Na de kloof van ijs ontdaan te hebben, begon James onmiddellijk nieuwe gaten te boren.Vreezende, dat er zich in het inwendige van het ijsveld eene verheffing van temperatuur zou openbaren, verhaastte de ingenieur de zaak. Men werkte beurt om beurt, daar ieder eigenhandig deel aan de bevrijding wilde hebben.Men liet om de zes uren een mijn springen; men vorderde dus bijna twee meters per dag.Op den 12den, des namiddags om één uur, was de ijslaag, die onze reizigers van de vrije ruimte scheidde, reeds zóó dun, dat Gromski bij het boren van de gaten de omtrekken der naburige bergen kon zien. Men legde dus de laatste mijn aan.Toen James deze laadde, schertste hij vroolijk over het doorgestane gevaar.Ford maakte reeds zijn zak klaar en de instrumenten, die deze bevatte.„We hebben eene week in dit verwenschte gat verloren,” zeide hij. „We moeten noodzakelijk dien tijd inhalen.”Men kan uit deze woorden gemakkelijk opmaken, dat de hoop bij den kapitein herleefd was.Een uur daarna vloog de dunne ijslaag met een oorverdoovend geluid in stukken; de poolzon scheen door de breedeopening in het inwendige der gevangenis van ijs en verlichtte plotseling met hare stralen de vermagerde en bleeke gezichten van onze reizigers.Zonder te letten op de ijsblokken, die boven zijn hoofd wankelden, liep de kapitein het eerst naar den buitenkant van het ijs en vertoonde zich in het volle licht.En gelijktijdig ontsnapte er een uitroep van verwondering en van medelijden aan de borst van Gromski en van James.Het haar van kapitein Ford was spierwit geworden.
DERTIENDE HOOFDSTUK.DERTIENDE HOOFDSTUK.In de gevangenis van ijs.
DERTIENDE HOOFDSTUK.
In hun verlangen om de ijsbergen zoo spoedig mogelijk over te trekken, waren onze reizigers onvoorziens in de val geloopen. Tengevolge van den schok, waarvan zij vruchteloos de oorzaken trachtten te vinden, was een gedeelte van het ijs losgeraakt. Verscheidene ijsblokken, die van een hoogte van nog geen twee meters neergestort waren, versperden den uitgang. De ondoorschijnendheid van het neergestorte ijs bewees, dat de dikte daarvan meer dan acht meters bedroeg.„Langs dien weg zullen we hier niet vandaan kunnen komen,” zeide Gromski na een vluchtig onderzoek van den hinderpaal.„Ook langs geen anderen weg. De ijsduivel heeft ons leelijk beetgehad!” mompelde James.De kapitein daarentegen maakte zich niet zoo erg ongerust, ondanks de treurige voorspelling van den stuurman.„Welnu, dan zullen we een anderen uitgang zoeken.”Er was geen ander middel. Ford deinsde voor geenerleimoeilijkheid terug; hij kroop als een slang in de kloof, die nog geen meter breed was, en rukte met zijne handen de stukken ijs weg. De ingenieur nam deze stukken en reikte ze aan den stuurman over, en op die manier kwamen zij verder.Maar al spoedig bleef Ford staan. Op een afstand van 15 meters van den ingang draaide de kloof plotseling rechtsaf en maakte een rechten hoek. De wanden raakten elkander daar ter plaatse bijna en lieten slechts eene spleet van hoogstens 10 centimeters over.„’t Is erger dan ik dacht,” zei de kapitein.Nu merkte men in deze woorden van den kloeken zeeman eene kwalijk verborgen ongerustheid op. Toen de ingenieur ze hoorde, maakte zich die onaangename gewaarwording van hem meester, welke het onbestemde voorgevoel van een onbekend gevaar gewoonlijk teweegbrengt.„Wordt de spleet verderop niet wijder?” vroeg hij aan Ford.„Het schijnt van niet,” antwoordde deze kortaf.Een pijnlijk stilzwijgen heerschte er gedurende eenige oogenblikken in den kleinen kring. Dit werd verbroken door een krachtigen vloek van den stuurman. De hinderpaal, die den weg aan onze reizigers versperde, juist op het oogenblik, waarop zij zoo nabij het doel waren, was voldoende om den krachtigsten en geduldigsten man wanhopig te maken.„Het geeft niets, of we al bij de pakken neerzitten,” zeide Gromski. „Het is beter, een middel te vinden om hier vandaan te komen.”„Ik zou wel eens willen weten, welk middel men zou kunnen vinden,” mompelde James; „wij zullen, denk ik,dien ijsberg toch wel niet met onze vuisten kunnen verbrijzelen.”„We kunnen een poging doen om de spleet wijder te maken.”„Waarmee?”Op deze eenvoudige vraag wist de ingenieur niets ten antwoord te geven. Men had dan ook geenerlei werktuig meegenomen, dat zou kunnen dienen om zich een doortocht te banen.De aangeboren geestkracht van Gromski veroorloofde hem niet, de handen werkeloos in den schoot te leggen. Al was hij ook tot het uiterste gebracht, toch liet hij de hoop nooit varen.„Welke dikte zou het ijs hebben, dat ons den doortocht verspert?” vroeg hij, nadat hij zich naast Ford had neergezet.„Naar de hoeveelheid licht te oordeelen, dat hier doordringt, zouden wij niet meer dan 5 à 6 meters te doorboren hebben. Als ik maar een houweel of kruit had, dan zou ik mij in een paar dagen wel een weg banen. Het is om wanhopig te worden, als ik er aan denk, dat wij machteloos zijn.…”„Niet geheel en al, kapitein.”Ford glimlachte bitter.„Ge zijt nog nooit in de poolstreken geweest,” zeide hij. „Zij laten hare prooi niet zoo gemakkelijk los. Maar wat wilt ge doen?”„Ons een weg banen. Het komt mij voor, dat wij een vrij goed werktuig hebben om het ijs te breken.”„Voor zoover ik weet, hebben we er geen in ons bezit.”„En dan het instrument, dat James draagt?”„Wat? Dat gebruiken om het ijs te breken!” riep de kapitein uit, terwijl hij haastig opstond.De zeeman was geërgerd over dit denkbeeld van den ingenieur. Het instrument, dat diende om de aantrekkingskracht aan de pool waar te nemen, was in zijn oog iets onmisbaars.„Mij dunkt, dat het beter is, dit instrument te vernielen, dan levend begraven te worden,” zeide James, terwijl hij het aan den ingenieur overhandigde.Ford verzette er zich nu niet langer tegen, daar hij de waarheid van deze woorden moest erkennen.Onze reizigers zagen zich dus in het bezit van een werktuig, dat wel is waar niet zeer geschikt, maar toch vrij stevig was.„Laat ons de spleet verwijden,” zei de ingenieur. „Zij komt zonder twijfel aan het andere einde van het ijsveld uit. We hebben geen tijd te verliezen en zullen elkaar om het uur aflossen. Ik zal wel beginnen.”De eerste slagen met dit zonderlinge houweel vervulden allen met nieuwen moed. James, die niet werkeloos wilde blijven, ging naar de plaats, waar Gromski aan den arbeid was.„Ik zal u wel helpen,” zeide hij.„Met alle genoegen. Werp dan de stukken weg, die mij hinderen. Het werk zal dan vlugger van de hand gaan.”De ingenieur zag al spoedig in, dat er heel wat werk te doen was. Het ijs liet zich nog al gemakkelijk breken, maar het instrument kon ongelukkig geen goed houweel vervangen: ook had James niet veel stukken ijs weg te werpen.Bovendien belemmerde de nauwheid der spleet hem in zijne bewegingen. Toen er een uur verloopen was, stond Gromski zijne plaats dan ook gaarne aan den stuurman af, die aan zulk soort van werk meer gewoon was.James werkte onvermoeid door. Het gelukte hem al spoedig, de spleet zoozeer te verwijden, dat hij er zijn hoofd kon insteken. Nieuwe teleurstelling! De spleet eindigde eenige meters van daar.Nadat de stuurman deze treurige tijding aan de beide anderen meegedeeld had, hervatte hij den arbeid; want de kapitein verklaarde, zich op de doorschijnendheid van het ijs beroepende, dat er nog maar drie meters te doorboren waren. Als deze onderstelling bewaarheid werd, zouden onze gevangenen in twee dagen vrij zijn.Men zette dus met koortsachtige haast den arbeid voort, daar ieder uur kostbaar was. Toen de beurt aan Ford kwam, haalde hij er stukken ijs uit, die Gromski moest weghalen, daar zij veel plaats besloegen. Op den 7dendes morgens bereikte men het uiteinde der spleet.Na het middagmaal begon de stuurman, die Gromski weder vervangen had, eene opening in het ijs te maken.Na verloop van tien minuten echter keerde hij naar zijne makkers terug, bleek van ontroering.„Alles is verloren!” riep hij, „het instrument is gebroken!”Dit voorval maakte, dat onze reizigers opnieuw aan de wanhoop ter prooi waren. Hun laatste middel tot redding was verloren gegaan.Ford en de ingenieur deden alle moeite om den ongelukkigen stuurman te troosten, die dit ongeluk alleen aan zich zelf toeschreef.„Kom, kom, ouwe jongen, wees maar niet zoo wanhopig!” zeide Ford. „Het noodlot wil blijkbaar niet, dat we de pool bereiken. Maar we moeten toch ten einde toe volhouden. Als de ijsmuur niet al te dik is, kunnen we dien nog wel met het kapotte instrument doorboren.”„Dat zal niet gaan,” zei de ingenieur. „James,” voegde hij er bij, zich tot den stuurman wendende, „kan onze brandewijn branden?”„Branden? Zoudt ge dezen berg dan willen doen smelten?”„Dat niet. Ik wil alleen de dikte van de ijslaag bepalen met behulp van een gloeiend stuk ijzer.”Gromski bracht terstond zijn plan ten uitvoer. Nadat hij in een metalen beker een weinig brandewijn gegoten had, stak hij dezen aan, verhitte het ijzer en hield dit op het ijs.Hij moest dit verscheidene malen herhalen, voordat hij er in slaagde, eene nauwe opening te boren ter lengte van de staaf, die slechts een meter lang was. De ijslaag was dus dikker. Al spoedig moest Gromski van zijn plan afzien; want niet alleen de staaf, maar ook zijn geheele rechterarm gingen met gemak in de opening.Men peilde op dezelfde manier een ander ijsblok. Maar dit was nog dikker. Overigens was het doorboren van dit ijsblok gevaarlijk; want het gewelf van den ijstunnel kon lichtelijk boven het hoofd der werklieden instorten.Zoo kwamen onze helden na een langdurigen arbeid tot het besluit, dat de ijsgrot hun graf zou worden.„Hier te sterven, zoo nabij het doel, is dit niet eene bittere spotternij van het noodlot?” zeide Ford, terwijl hij de hand aan zijn brandend voorhoofd bracht. „Ik was op alles bedacht, maar op zulk een afloop niet.”De kloeke zeeman gevoelde, dat zijne geestkracht tegen zulk een feit niet bestand was. Hij deed zich geweld aan om niet met zijn hoofd tegen den ijsmuur aan te loopen.„Op een afstand van slechts dertig kilometers!” riep hij herhaalde malen wanhopig uit.James gevoelde hetzelfde als de kapitein; maar hij beschouwde zich zelf bovendien als de oorzaak van dit onheil. Gromski meende, dat de oude zeeman uit wanhoop een einde aan zijn leven zou maken: hij bleef steeds onbeweeglijk als een standbeeld zitten, de oogen op het gebroken instrument gevestigd houdende. Zenuwtrekkingen vertoonden zich op zijn gelaat, dat door de zon gebruind was. Men zou gedacht hebben, dat die man ieder oogenblik in zuchten en in snikken zou uitbarsten. Maar dat was niet het geval.Gromski had zijn leven gaarne ten offer willen brengen; maar de gedachte, van honger en van koude te sterven, joeg hem schrik aan. De weinige levensmiddelen, waarover onze reizigers te beschikken hadden, konden hun lijden slechts rekken.„We zullen sterven, terwijl we in naam der wetenschap worstelen!” zei de ingenieur, den kapitein de hand drukkende. „We moeten echter niet wanhopen. We hebben gedaan, wat we moesten doen. Nu is de beurt aan anderen.”De kapitein gaf een toestemmend teeken met het hoofd. Deze woorden gaven hem eensklaps zijn gewonen moed en zijne kalmte van geest terug. Hij zette zich naast zijne kameraden neer, haalde zijn zakboek uit en begon daarin te bladeren.„Dat is alles, wat er van ons zal overblijven,” zeide hij. „We moeten dus eene poging doen om het tegen den invloedvan het water te beveiligen. Misschien zal deze verwenschte ijsberg na verloop van eenige jaren, van een tiental, van een twintigtal zelfs, verbrijzeld of met den stroom meegevoerd worden, en dan zullen de mannen, die zich evenals wij aan de wetenschap opgeofferd hebben, het verhaal van onze reis vinden. Mogen zij uit dit zakboek vernemen, wat wij gedaan hebben! Dit zal ons testament zijn, kameraden.”Iedereen, die den toestand van den ingenieur en diens metgezellen onbevooroordeeld nagaat, zal zonder twijfel tot het besluit komen, dat de onderzoekingstocht van deze helden der wetenschap hier zal eindigen. Inderdaad vormde het ijsblok, dat eenige meters dik was, een hinderpaal, die niet minder onoverkomelijk was dan eene rots van graniet van dezelfde dikte.Intusschen liep het heel anders af. Een schijnbaar onbeduidend verschijnsel, dat door den ingenieur werd opgemerkt, droeg er geheel onverwacht toe bij, onze reizigers te redden van een vreeselijken dood tengevolge van honger en koude.Nadat Ford zijn dagboek tegen de werking van het water beveiligd had, wikkelde hij zich in zijn bonten mantel, legde zich op de gemakkelijkste plaats, die hij maar kon vinden, neer en begon de ontknooping van het drama, waarin hij zulk eene gewichtige rol vervulde, af te wachten.Ook James verviel in een toestand van volkomen onverschilligheid omtrent hetgeen er verder zou gebeuren. De ingenieur kroop in de spleet, waar de stuurman kort te voren nog had gewerkt, en begon na te denken over de middelen om uit dezen hachelijken toestand te geraken. De wonderlijkste,de stoutmoedigste plannen werden er door hem gemaakt. Helaas! het waren slechts droomen van een koortsachtig brein, die nimmer verwezenlijkt zouden kunnen worden.Twee geheele dagen werden in dezen vreeselijken toestand doorgebracht, twee dagen, gedurende welke er geene verandering in den toestand onzer reizigers kwam.Gromski, die in de spleet uitgestrekt lag, gevoelde zich spoedig geheel verstijfd. Verscheidene malen kwam het plan bij hem op, zich een weinig te verwarmen door eenige beweging te nemen, maar hij zag daarvan telkens weder af.„Is het niet beter, van koude om te komen, dan langzamerhand van honger weg te kwijnen?” dacht hij.Aangegrepen door eene nieuwsgierigheid, waarvan hij zich geen rekenschap wist te geven, haalde hij een thermometer uit zijn zak. Het kwik wees 1½ graad onder nul aan.Nadat de ingenieur die waarneming had gedaan, vroeg hij zich af, waarom er zulk eene lage temperatuur in de spleet heerschte. Dit verschijnsel was doodeenvoudig te verklaren. De stralen der zon, die op het oppervlak van het ijsblok werkten, deden het langzamerhand smelten. Deze smelting slurpte warmte op: eene afkoeling van de geheele massa moest er dus het gevolg van zijn. Eenige droppels water, die op den mantel van den ingenieur waren gevallen, waren terstond bevroren. Ieder ander zou daaraan niet de minste aandacht gewijd hebben, maar Gromski begon daarover na te denken.„Als het water in den vasten toestand overgaat, dan verandert het in omvang en zet zich uit, daar het ijs een lager soortelijk gewicht bezit. Deze physische gedaanteverwisseling heeft onmiddellijk plaats tengevolge van den minsten schokvan eene vloeistof, die tot eene temperatuur onder nul afgekoeld is. Dit verschijnsel oefent, als het in een gesloten vat plaats heeft, eene drukking op zijne wanden. In de bergen doet het water, dat in de kloven der rotsen bevriest, deze barsten. Welnu, waarom zou dan .…”De gevolgtrekking schoot als een bliksemstraal door het hoofd van Gromski en deed zijn geheele lichaam sidderen.„Alles is nog niet ten einde!” dacht hij.Hij stond haastig, koortsachtig op, en nadat hij de ijzeren staaf in handen genomen had, kroop hij op handen en voeten tot aan de plaats, waar hij twee dagen geleden den ijsmuur gepeild had.Het gat, door de staaf geboord, was nog met water gevuld. Gromski raapte met zijne hand, die van ontroering trilde, een stukje ijs op en wierp het in het gat. Op hetzelfde oogenblik deed zich het dof geluid van ijs, dat uiteenbarst, hooren.Bij het hooren hiervan slaakte de ingenieur een uitroep van zegepraal en snelde naar zijne makkers toe.„Moed gehouden, kameraden!” zeide hij, terwijl hij ternauwernood de vreugde kon onderdrukken, die zijne borst vervulde. „We zullen dezen berg in duizend stukken doen splijten.… Moed gehouden, zeg ik u!.… Staat op!”En hij greep Ford krachtig aan, die hem als een waanzinnige aanstaarde.„Och kom! Zouden we dien berg kunnen doen splijten?” riep de stuurman ongeloovig uit.„Wel zeker. We zullen haar met behulp van bevroren water doen uiteenspatten.”Er is niet veel noodig om de hoop in het hart van denmensch te verlevendigen. De kameraden van den ingenieur begrepen diens bedoeling onmiddellijk.„Ge zijt onze redder!” riep de kapitein uit. „En te denken, dat dit zoo doodeenvoudig is! Waarom zijn we niet dadelijk op dit schitterende denkbeeld gekomen?”„Morgen zullen we vrij zijn,” zeide Gromski, terwijl hij met zijne vuist tegen den ijswand klopte.„Wat moet ik nu doen?” vroeg James, terwijl hij zijn mantel afdeed.„Giet wat brandewijn in den beker!”„Goed! En dan?”„Neem dan de staaf en volg mij!”Om den kleinen voorraad brandewijn zooveel mogelijk te besparen, besloot de ingenieur, anders te handelen dan de eerste maal. In plaats van eene groote opening in het ijs te maken met behulp van de gloeiende staaf, wilde hij eenvoudig een gat boren. Daar men niet in een oogenblik een muur van eenige meters kon doen springen, moest men dien bij lagen verbrijzelen,—eene manier van handelen, waarvan men zich bij het doorboren van tunnels bedient.Gromski beval dus aan den stuurman, met de staaf gaten ter diepte van zes duimen in den ijsmuur te boren. Er moesten er acht op eene oppervlakte van vier vierkante voeten zijn.De stuurman volbracht dezen zwaren arbeid in vijf uren. Gedurende dien tijd maakte de ingenieur met behulp van een doorgesneden stok stoppen om de gemaakte openingen dicht te maken en smolt stukken ijs in een theeketel.„Dat is ons dynamiet,” zeide hij, terwijl hij aan zijne kameraden den ketel, met water gevuld, liet zien.Het water had eene temperatuur van meer dan 50 graden. Gromski wilde door zijne warmte de gaten grooter maken.Na de opening zorgvuldig leeggemaakt te hebben, vulde hij haar met warm water en sloot haar met een stop af, die in een doek gewikkeld was. Al spoedig was de mijn klaar.Na zich naar eene ruimere plaats begeven te hebben, wachtten onze reizigers met kloppende harten vol ongeduld den uitslag af. Twee uren daarna, toen de ingenieur reeds aan den goeden uitslag van zijn plan begon te twijfelen, bewoog eene plotselinge trilling de muren van den tunnel. Ford, die tegen het ijs aanleunde, gevoelde deze het eerst.Nauwelijks was er een dof geluid gehoord, of de ingenieur bevond zich reeds ter plaatse, waar de mijn gelegd was.Zijne vooruitzichten rechtvaardigden zich tot in de minste bijzonderheden: de uiteengespleten oppervlakte van het ijs vertoonde duizenden stukken van verschillende grootte. Verscheidene breede spleten, die diep in het ijs doordrongen, bewezen de kracht van de mijn.Bij het zien van deze verwoesting barstte de stuurman in vreugdekreten los en begon de stukken ijs zorgvuldig weg te nemen.„Drommels! Nooit van mijn leven had ik gedacht, dat zuiver water kruit kon vervangen,” zeide hij, terwijl hij de hand in de grootste spleet stak.„Welnu, gelooft ge nu, dat ik dezen berg zal weten te verbrijzelen?” vroeg de ingenieur hem met een zegevierenden glimlach.„En zelfs een berg van graniet?”„En zelfs een berg van graniet. Bevroren water doet de voorwerpen, die den meesten weerstand bieden, uiteenbarsten.Het water, dat in de spleten der rotsen bevriest, rukt daarvan groote blokken af. Ge ziet, dat we over eene ontzaglijke macht te beschikken hebben.”De goede uitslag van deze proefneming verlevendigde den moed van onze reizigers. De uiteengebarsten ijslaag had een voet dikte. Om een meter te doorboren had men bijgevolg drie mijnen noodig.Na de kloof van ijs ontdaan te hebben, begon James onmiddellijk nieuwe gaten te boren.Vreezende, dat er zich in het inwendige van het ijsveld eene verheffing van temperatuur zou openbaren, verhaastte de ingenieur de zaak. Men werkte beurt om beurt, daar ieder eigenhandig deel aan de bevrijding wilde hebben.Men liet om de zes uren een mijn springen; men vorderde dus bijna twee meters per dag.Op den 12den, des namiddags om één uur, was de ijslaag, die onze reizigers van de vrije ruimte scheidde, reeds zóó dun, dat Gromski bij het boren van de gaten de omtrekken der naburige bergen kon zien. Men legde dus de laatste mijn aan.Toen James deze laadde, schertste hij vroolijk over het doorgestane gevaar.Ford maakte reeds zijn zak klaar en de instrumenten, die deze bevatte.„We hebben eene week in dit verwenschte gat verloren,” zeide hij. „We moeten noodzakelijk dien tijd inhalen.”Men kan uit deze woorden gemakkelijk opmaken, dat de hoop bij den kapitein herleefd was.Een uur daarna vloog de dunne ijslaag met een oorverdoovend geluid in stukken; de poolzon scheen door de breedeopening in het inwendige der gevangenis van ijs en verlichtte plotseling met hare stralen de vermagerde en bleeke gezichten van onze reizigers.Zonder te letten op de ijsblokken, die boven zijn hoofd wankelden, liep de kapitein het eerst naar den buitenkant van het ijs en vertoonde zich in het volle licht.En gelijktijdig ontsnapte er een uitroep van verwondering en van medelijden aan de borst van Gromski en van James.Het haar van kapitein Ford was spierwit geworden.
In hun verlangen om de ijsbergen zoo spoedig mogelijk over te trekken, waren onze reizigers onvoorziens in de val geloopen. Tengevolge van den schok, waarvan zij vruchteloos de oorzaken trachtten te vinden, was een gedeelte van het ijs losgeraakt. Verscheidene ijsblokken, die van een hoogte van nog geen twee meters neergestort waren, versperden den uitgang. De ondoorschijnendheid van het neergestorte ijs bewees, dat de dikte daarvan meer dan acht meters bedroeg.
„Langs dien weg zullen we hier niet vandaan kunnen komen,” zeide Gromski na een vluchtig onderzoek van den hinderpaal.
„Ook langs geen anderen weg. De ijsduivel heeft ons leelijk beetgehad!” mompelde James.
De kapitein daarentegen maakte zich niet zoo erg ongerust, ondanks de treurige voorspelling van den stuurman.
„Welnu, dan zullen we een anderen uitgang zoeken.”
Er was geen ander middel. Ford deinsde voor geenerleimoeilijkheid terug; hij kroop als een slang in de kloof, die nog geen meter breed was, en rukte met zijne handen de stukken ijs weg. De ingenieur nam deze stukken en reikte ze aan den stuurman over, en op die manier kwamen zij verder.
Maar al spoedig bleef Ford staan. Op een afstand van 15 meters van den ingang draaide de kloof plotseling rechtsaf en maakte een rechten hoek. De wanden raakten elkander daar ter plaatse bijna en lieten slechts eene spleet van hoogstens 10 centimeters over.
„’t Is erger dan ik dacht,” zei de kapitein.
Nu merkte men in deze woorden van den kloeken zeeman eene kwalijk verborgen ongerustheid op. Toen de ingenieur ze hoorde, maakte zich die onaangename gewaarwording van hem meester, welke het onbestemde voorgevoel van een onbekend gevaar gewoonlijk teweegbrengt.
„Wordt de spleet verderop niet wijder?” vroeg hij aan Ford.
„Het schijnt van niet,” antwoordde deze kortaf.
Een pijnlijk stilzwijgen heerschte er gedurende eenige oogenblikken in den kleinen kring. Dit werd verbroken door een krachtigen vloek van den stuurman. De hinderpaal, die den weg aan onze reizigers versperde, juist op het oogenblik, waarop zij zoo nabij het doel waren, was voldoende om den krachtigsten en geduldigsten man wanhopig te maken.
„Het geeft niets, of we al bij de pakken neerzitten,” zeide Gromski. „Het is beter, een middel te vinden om hier vandaan te komen.”
„Ik zou wel eens willen weten, welk middel men zou kunnen vinden,” mompelde James; „wij zullen, denk ik,dien ijsberg toch wel niet met onze vuisten kunnen verbrijzelen.”
„We kunnen een poging doen om de spleet wijder te maken.”
„Waarmee?”
Op deze eenvoudige vraag wist de ingenieur niets ten antwoord te geven. Men had dan ook geenerlei werktuig meegenomen, dat zou kunnen dienen om zich een doortocht te banen.
De aangeboren geestkracht van Gromski veroorloofde hem niet, de handen werkeloos in den schoot te leggen. Al was hij ook tot het uiterste gebracht, toch liet hij de hoop nooit varen.
„Welke dikte zou het ijs hebben, dat ons den doortocht verspert?” vroeg hij, nadat hij zich naast Ford had neergezet.
„Naar de hoeveelheid licht te oordeelen, dat hier doordringt, zouden wij niet meer dan 5 à 6 meters te doorboren hebben. Als ik maar een houweel of kruit had, dan zou ik mij in een paar dagen wel een weg banen. Het is om wanhopig te worden, als ik er aan denk, dat wij machteloos zijn.…”
„Niet geheel en al, kapitein.”
Ford glimlachte bitter.
„Ge zijt nog nooit in de poolstreken geweest,” zeide hij. „Zij laten hare prooi niet zoo gemakkelijk los. Maar wat wilt ge doen?”
„Ons een weg banen. Het komt mij voor, dat wij een vrij goed werktuig hebben om het ijs te breken.”
„Voor zoover ik weet, hebben we er geen in ons bezit.”
„En dan het instrument, dat James draagt?”
„Wat? Dat gebruiken om het ijs te breken!” riep de kapitein uit, terwijl hij haastig opstond.
De zeeman was geërgerd over dit denkbeeld van den ingenieur. Het instrument, dat diende om de aantrekkingskracht aan de pool waar te nemen, was in zijn oog iets onmisbaars.
„Mij dunkt, dat het beter is, dit instrument te vernielen, dan levend begraven te worden,” zeide James, terwijl hij het aan den ingenieur overhandigde.
Ford verzette er zich nu niet langer tegen, daar hij de waarheid van deze woorden moest erkennen.
Onze reizigers zagen zich dus in het bezit van een werktuig, dat wel is waar niet zeer geschikt, maar toch vrij stevig was.
„Laat ons de spleet verwijden,” zei de ingenieur. „Zij komt zonder twijfel aan het andere einde van het ijsveld uit. We hebben geen tijd te verliezen en zullen elkaar om het uur aflossen. Ik zal wel beginnen.”
De eerste slagen met dit zonderlinge houweel vervulden allen met nieuwen moed. James, die niet werkeloos wilde blijven, ging naar de plaats, waar Gromski aan den arbeid was.
„Ik zal u wel helpen,” zeide hij.
„Met alle genoegen. Werp dan de stukken weg, die mij hinderen. Het werk zal dan vlugger van de hand gaan.”
De ingenieur zag al spoedig in, dat er heel wat werk te doen was. Het ijs liet zich nog al gemakkelijk breken, maar het instrument kon ongelukkig geen goed houweel vervangen: ook had James niet veel stukken ijs weg te werpen.Bovendien belemmerde de nauwheid der spleet hem in zijne bewegingen. Toen er een uur verloopen was, stond Gromski zijne plaats dan ook gaarne aan den stuurman af, die aan zulk soort van werk meer gewoon was.
James werkte onvermoeid door. Het gelukte hem al spoedig, de spleet zoozeer te verwijden, dat hij er zijn hoofd kon insteken. Nieuwe teleurstelling! De spleet eindigde eenige meters van daar.
Nadat de stuurman deze treurige tijding aan de beide anderen meegedeeld had, hervatte hij den arbeid; want de kapitein verklaarde, zich op de doorschijnendheid van het ijs beroepende, dat er nog maar drie meters te doorboren waren. Als deze onderstelling bewaarheid werd, zouden onze gevangenen in twee dagen vrij zijn.
Men zette dus met koortsachtige haast den arbeid voort, daar ieder uur kostbaar was. Toen de beurt aan Ford kwam, haalde hij er stukken ijs uit, die Gromski moest weghalen, daar zij veel plaats besloegen. Op den 7dendes morgens bereikte men het uiteinde der spleet.
Na het middagmaal begon de stuurman, die Gromski weder vervangen had, eene opening in het ijs te maken.
Na verloop van tien minuten echter keerde hij naar zijne makkers terug, bleek van ontroering.
„Alles is verloren!” riep hij, „het instrument is gebroken!”
Dit voorval maakte, dat onze reizigers opnieuw aan de wanhoop ter prooi waren. Hun laatste middel tot redding was verloren gegaan.
Ford en de ingenieur deden alle moeite om den ongelukkigen stuurman te troosten, die dit ongeluk alleen aan zich zelf toeschreef.
„Kom, kom, ouwe jongen, wees maar niet zoo wanhopig!” zeide Ford. „Het noodlot wil blijkbaar niet, dat we de pool bereiken. Maar we moeten toch ten einde toe volhouden. Als de ijsmuur niet al te dik is, kunnen we dien nog wel met het kapotte instrument doorboren.”
„Dat zal niet gaan,” zei de ingenieur. „James,” voegde hij er bij, zich tot den stuurman wendende, „kan onze brandewijn branden?”
„Branden? Zoudt ge dezen berg dan willen doen smelten?”
„Dat niet. Ik wil alleen de dikte van de ijslaag bepalen met behulp van een gloeiend stuk ijzer.”
Gromski bracht terstond zijn plan ten uitvoer. Nadat hij in een metalen beker een weinig brandewijn gegoten had, stak hij dezen aan, verhitte het ijzer en hield dit op het ijs.
Hij moest dit verscheidene malen herhalen, voordat hij er in slaagde, eene nauwe opening te boren ter lengte van de staaf, die slechts een meter lang was. De ijslaag was dus dikker. Al spoedig moest Gromski van zijn plan afzien; want niet alleen de staaf, maar ook zijn geheele rechterarm gingen met gemak in de opening.
Men peilde op dezelfde manier een ander ijsblok. Maar dit was nog dikker. Overigens was het doorboren van dit ijsblok gevaarlijk; want het gewelf van den ijstunnel kon lichtelijk boven het hoofd der werklieden instorten.
Zoo kwamen onze helden na een langdurigen arbeid tot het besluit, dat de ijsgrot hun graf zou worden.
„Hier te sterven, zoo nabij het doel, is dit niet eene bittere spotternij van het noodlot?” zeide Ford, terwijl hij de hand aan zijn brandend voorhoofd bracht. „Ik was op alles bedacht, maar op zulk een afloop niet.”
De kloeke zeeman gevoelde, dat zijne geestkracht tegen zulk een feit niet bestand was. Hij deed zich geweld aan om niet met zijn hoofd tegen den ijsmuur aan te loopen.
„Op een afstand van slechts dertig kilometers!” riep hij herhaalde malen wanhopig uit.
James gevoelde hetzelfde als de kapitein; maar hij beschouwde zich zelf bovendien als de oorzaak van dit onheil. Gromski meende, dat de oude zeeman uit wanhoop een einde aan zijn leven zou maken: hij bleef steeds onbeweeglijk als een standbeeld zitten, de oogen op het gebroken instrument gevestigd houdende. Zenuwtrekkingen vertoonden zich op zijn gelaat, dat door de zon gebruind was. Men zou gedacht hebben, dat die man ieder oogenblik in zuchten en in snikken zou uitbarsten. Maar dat was niet het geval.
Gromski had zijn leven gaarne ten offer willen brengen; maar de gedachte, van honger en van koude te sterven, joeg hem schrik aan. De weinige levensmiddelen, waarover onze reizigers te beschikken hadden, konden hun lijden slechts rekken.
„We zullen sterven, terwijl we in naam der wetenschap worstelen!” zei de ingenieur, den kapitein de hand drukkende. „We moeten echter niet wanhopen. We hebben gedaan, wat we moesten doen. Nu is de beurt aan anderen.”
De kapitein gaf een toestemmend teeken met het hoofd. Deze woorden gaven hem eensklaps zijn gewonen moed en zijne kalmte van geest terug. Hij zette zich naast zijne kameraden neer, haalde zijn zakboek uit en begon daarin te bladeren.
„Dat is alles, wat er van ons zal overblijven,” zeide hij. „We moeten dus eene poging doen om het tegen den invloedvan het water te beveiligen. Misschien zal deze verwenschte ijsberg na verloop van eenige jaren, van een tiental, van een twintigtal zelfs, verbrijzeld of met den stroom meegevoerd worden, en dan zullen de mannen, die zich evenals wij aan de wetenschap opgeofferd hebben, het verhaal van onze reis vinden. Mogen zij uit dit zakboek vernemen, wat wij gedaan hebben! Dit zal ons testament zijn, kameraden.”
Iedereen, die den toestand van den ingenieur en diens metgezellen onbevooroordeeld nagaat, zal zonder twijfel tot het besluit komen, dat de onderzoekingstocht van deze helden der wetenschap hier zal eindigen. Inderdaad vormde het ijsblok, dat eenige meters dik was, een hinderpaal, die niet minder onoverkomelijk was dan eene rots van graniet van dezelfde dikte.
Intusschen liep het heel anders af. Een schijnbaar onbeduidend verschijnsel, dat door den ingenieur werd opgemerkt, droeg er geheel onverwacht toe bij, onze reizigers te redden van een vreeselijken dood tengevolge van honger en koude.
Nadat Ford zijn dagboek tegen de werking van het water beveiligd had, wikkelde hij zich in zijn bonten mantel, legde zich op de gemakkelijkste plaats, die hij maar kon vinden, neer en begon de ontknooping van het drama, waarin hij zulk eene gewichtige rol vervulde, af te wachten.
Ook James verviel in een toestand van volkomen onverschilligheid omtrent hetgeen er verder zou gebeuren. De ingenieur kroop in de spleet, waar de stuurman kort te voren nog had gewerkt, en begon na te denken over de middelen om uit dezen hachelijken toestand te geraken. De wonderlijkste,de stoutmoedigste plannen werden er door hem gemaakt. Helaas! het waren slechts droomen van een koortsachtig brein, die nimmer verwezenlijkt zouden kunnen worden.
Twee geheele dagen werden in dezen vreeselijken toestand doorgebracht, twee dagen, gedurende welke er geene verandering in den toestand onzer reizigers kwam.
Gromski, die in de spleet uitgestrekt lag, gevoelde zich spoedig geheel verstijfd. Verscheidene malen kwam het plan bij hem op, zich een weinig te verwarmen door eenige beweging te nemen, maar hij zag daarvan telkens weder af.
„Is het niet beter, van koude om te komen, dan langzamerhand van honger weg te kwijnen?” dacht hij.
Aangegrepen door eene nieuwsgierigheid, waarvan hij zich geen rekenschap wist te geven, haalde hij een thermometer uit zijn zak. Het kwik wees 1½ graad onder nul aan.
Nadat de ingenieur die waarneming had gedaan, vroeg hij zich af, waarom er zulk eene lage temperatuur in de spleet heerschte. Dit verschijnsel was doodeenvoudig te verklaren. De stralen der zon, die op het oppervlak van het ijsblok werkten, deden het langzamerhand smelten. Deze smelting slurpte warmte op: eene afkoeling van de geheele massa moest er dus het gevolg van zijn. Eenige droppels water, die op den mantel van den ingenieur waren gevallen, waren terstond bevroren. Ieder ander zou daaraan niet de minste aandacht gewijd hebben, maar Gromski begon daarover na te denken.
„Als het water in den vasten toestand overgaat, dan verandert het in omvang en zet zich uit, daar het ijs een lager soortelijk gewicht bezit. Deze physische gedaanteverwisseling heeft onmiddellijk plaats tengevolge van den minsten schokvan eene vloeistof, die tot eene temperatuur onder nul afgekoeld is. Dit verschijnsel oefent, als het in een gesloten vat plaats heeft, eene drukking op zijne wanden. In de bergen doet het water, dat in de kloven der rotsen bevriest, deze barsten. Welnu, waarom zou dan .…”
De gevolgtrekking schoot als een bliksemstraal door het hoofd van Gromski en deed zijn geheele lichaam sidderen.
„Alles is nog niet ten einde!” dacht hij.
Hij stond haastig, koortsachtig op, en nadat hij de ijzeren staaf in handen genomen had, kroop hij op handen en voeten tot aan de plaats, waar hij twee dagen geleden den ijsmuur gepeild had.
Het gat, door de staaf geboord, was nog met water gevuld. Gromski raapte met zijne hand, die van ontroering trilde, een stukje ijs op en wierp het in het gat. Op hetzelfde oogenblik deed zich het dof geluid van ijs, dat uiteenbarst, hooren.
Bij het hooren hiervan slaakte de ingenieur een uitroep van zegepraal en snelde naar zijne makkers toe.
„Moed gehouden, kameraden!” zeide hij, terwijl hij ternauwernood de vreugde kon onderdrukken, die zijne borst vervulde. „We zullen dezen berg in duizend stukken doen splijten.… Moed gehouden, zeg ik u!.… Staat op!”
En hij greep Ford krachtig aan, die hem als een waanzinnige aanstaarde.
„Och kom! Zouden we dien berg kunnen doen splijten?” riep de stuurman ongeloovig uit.
„Wel zeker. We zullen haar met behulp van bevroren water doen uiteenspatten.”
Er is niet veel noodig om de hoop in het hart van denmensch te verlevendigen. De kameraden van den ingenieur begrepen diens bedoeling onmiddellijk.
„Ge zijt onze redder!” riep de kapitein uit. „En te denken, dat dit zoo doodeenvoudig is! Waarom zijn we niet dadelijk op dit schitterende denkbeeld gekomen?”
„Morgen zullen we vrij zijn,” zeide Gromski, terwijl hij met zijne vuist tegen den ijswand klopte.
„Wat moet ik nu doen?” vroeg James, terwijl hij zijn mantel afdeed.
„Giet wat brandewijn in den beker!”
„Goed! En dan?”
„Neem dan de staaf en volg mij!”
Om den kleinen voorraad brandewijn zooveel mogelijk te besparen, besloot de ingenieur, anders te handelen dan de eerste maal. In plaats van eene groote opening in het ijs te maken met behulp van de gloeiende staaf, wilde hij eenvoudig een gat boren. Daar men niet in een oogenblik een muur van eenige meters kon doen springen, moest men dien bij lagen verbrijzelen,—eene manier van handelen, waarvan men zich bij het doorboren van tunnels bedient.
Gromski beval dus aan den stuurman, met de staaf gaten ter diepte van zes duimen in den ijsmuur te boren. Er moesten er acht op eene oppervlakte van vier vierkante voeten zijn.
De stuurman volbracht dezen zwaren arbeid in vijf uren. Gedurende dien tijd maakte de ingenieur met behulp van een doorgesneden stok stoppen om de gemaakte openingen dicht te maken en smolt stukken ijs in een theeketel.
„Dat is ons dynamiet,” zeide hij, terwijl hij aan zijne kameraden den ketel, met water gevuld, liet zien.
Het water had eene temperatuur van meer dan 50 graden. Gromski wilde door zijne warmte de gaten grooter maken.
Na de opening zorgvuldig leeggemaakt te hebben, vulde hij haar met warm water en sloot haar met een stop af, die in een doek gewikkeld was. Al spoedig was de mijn klaar.
Na zich naar eene ruimere plaats begeven te hebben, wachtten onze reizigers met kloppende harten vol ongeduld den uitslag af. Twee uren daarna, toen de ingenieur reeds aan den goeden uitslag van zijn plan begon te twijfelen, bewoog eene plotselinge trilling de muren van den tunnel. Ford, die tegen het ijs aanleunde, gevoelde deze het eerst.
Nauwelijks was er een dof geluid gehoord, of de ingenieur bevond zich reeds ter plaatse, waar de mijn gelegd was.Zijne vooruitzichten rechtvaardigden zich tot in de minste bijzonderheden: de uiteengespleten oppervlakte van het ijs vertoonde duizenden stukken van verschillende grootte. Verscheidene breede spleten, die diep in het ijs doordrongen, bewezen de kracht van de mijn.
Bij het zien van deze verwoesting barstte de stuurman in vreugdekreten los en begon de stukken ijs zorgvuldig weg te nemen.
„Drommels! Nooit van mijn leven had ik gedacht, dat zuiver water kruit kon vervangen,” zeide hij, terwijl hij de hand in de grootste spleet stak.
„Welnu, gelooft ge nu, dat ik dezen berg zal weten te verbrijzelen?” vroeg de ingenieur hem met een zegevierenden glimlach.
„En zelfs een berg van graniet?”
„En zelfs een berg van graniet. Bevroren water doet de voorwerpen, die den meesten weerstand bieden, uiteenbarsten.Het water, dat in de spleten der rotsen bevriest, rukt daarvan groote blokken af. Ge ziet, dat we over eene ontzaglijke macht te beschikken hebben.”
De goede uitslag van deze proefneming verlevendigde den moed van onze reizigers. De uiteengebarsten ijslaag had een voet dikte. Om een meter te doorboren had men bijgevolg drie mijnen noodig.
Na de kloof van ijs ontdaan te hebben, begon James onmiddellijk nieuwe gaten te boren.
Vreezende, dat er zich in het inwendige van het ijsveld eene verheffing van temperatuur zou openbaren, verhaastte de ingenieur de zaak. Men werkte beurt om beurt, daar ieder eigenhandig deel aan de bevrijding wilde hebben.
Men liet om de zes uren een mijn springen; men vorderde dus bijna twee meters per dag.
Op den 12den, des namiddags om één uur, was de ijslaag, die onze reizigers van de vrije ruimte scheidde, reeds zóó dun, dat Gromski bij het boren van de gaten de omtrekken der naburige bergen kon zien. Men legde dus de laatste mijn aan.
Toen James deze laadde, schertste hij vroolijk over het doorgestane gevaar.
Ford maakte reeds zijn zak klaar en de instrumenten, die deze bevatte.
„We hebben eene week in dit verwenschte gat verloren,” zeide hij. „We moeten noodzakelijk dien tijd inhalen.”
Men kan uit deze woorden gemakkelijk opmaken, dat de hoop bij den kapitein herleefd was.
Een uur daarna vloog de dunne ijslaag met een oorverdoovend geluid in stukken; de poolzon scheen door de breedeopening in het inwendige der gevangenis van ijs en verlichtte plotseling met hare stralen de vermagerde en bleeke gezichten van onze reizigers.
Zonder te letten op de ijsblokken, die boven zijn hoofd wankelden, liep de kapitein het eerst naar den buitenkant van het ijs en vertoonde zich in het volle licht.
En gelijktijdig ontsnapte er een uitroep van verwondering en van medelijden aan de borst van Gromski en van James.
Het haar van kapitein Ford was spierwit geworden.