VEERTIENDE HOOFDSTUK.VEERTIENDE HOOFDSTUK.Men nadert het doel.De ijslaag, die de wateren der Oceanen bedekt, bezit, evenals de aardschors, eene eigenaardige geologie. Men vindt daarop terrassen, rotsen, bergen, vlakten en plateau’s, evenals op het oppervlak der aarde. Alleen is de stof, waarvan de natuur zich heeft bediend om deze vormen te scheppen, dezelfde, daar ijs altijd en overal ijs blijft, welke ook de vormen en de omtrekken mogen zijn, waaronder het zich voordoet. Deze ijsvelden vertoonen dan ook een wereld op zich zelf, die evenwel hare eigenaardige schoonheden en geheimen bezit, evenals het vasteland.De veertien dagen, gedurende welke de zon in de poolstreken schier niet ondergaat, verspreiden overal zulke schitterende glansen, dat nergens anders het verrukte oog een dergelijk tooneel kan aanschouwen. Bij den opgang der zon baden de toppen der bergen zich in purper en goud; de ijsbergen, die op de sombere wateren van den Oceaan drijven, schitteren door de terugkaatsing der zonnestralen als ontzaglijke smaragden; de piramiden en de muren, gedurendeden wintertijd door den ijsduivel opeengestapeld, tooien zich met den glans der opalen en der robijnen; de zonneschijf legt een breeden en bloedigen weg over de onafzienbare sneeuwvelden af.Laat ons de gedaanteverwisseling van het poolijs eens wat nader beschouwen. Het oppervlak van den Oceaan is in de lente met eene dunne laag ijs bedekt, die zich gedurende den afgeloopen winter heeft gevormd. Dit ijs verbreken de golven en verstrooien de winden al spoedig. Het ijsveld drijft gedurende den zomer rond en wordt, als het aan de stralen der zon ontsnapt is, in den herfst al grooter en grooter. Dat noemt men ijsbergen.In den volgenden winter worden deze ijsbergen nog dikker en gevaarlijker. Wee het schip, dat hunne prooi wordt! Het zal vruchtelooze pogingen aanwenden om door die onafzienbare ijsvelden heen te komen; deze zullen het van alle kanten omgeven en insluiten. De eerste wintervorst voegt al deze ijsmassa’s aaneen en sluit het schip voor vele jaren in.Als de zomer gekomen is, schiet de zon, die het firmament niet verlaat, vruchteloos hare stralen op die tallooze ijsschotsen; zij bieden een krachtigen weerstand aan de werking der warmte, zij worden zelfs sterker en vormen uitgestrekte ijsvelden, die de vlakten in deze ijswereld zijn.De onderzoekers der poolstreken kennen ze zeer goed, daar zij op hunne hobbelige vlakten tochten van verscheidene tientallen mijlen hebben gedaan. En deze weg is nog de beste voor de beladen sleden en de uitgeputte reizigers.Maar zulk eene ontzaglijke ijsvlakte blijft slechts zelden lang aaneen. De Oceaan, door de lente- of de herfststormen in beweging gebracht, breekt haar door zijne machtige golven,werpt de ijsblokken tegen elkander aan en stapelt ze op elkander. Zulk eene worsteling wijzigt in eenige dagen het voorkomen van het ijsveld, zoodat het niet meer te herkennen is. In plaats van de vlakte vertoonen zich grillige opeenhoopingen, een chaos van stukken ijs, die opeengestapelde muren en bergen vormen.Dikwijls verwijderen de groote ijsvelden, door den wind voortgestuwd, zich van elkander; dan vormen zich ledige plekken, die weldra met een mengelmoes van stukken ijs en sneeuw gevuld worden.In den zomer of gedurende den dooi worden zulke spleten voor den onervaren reiziger een gevaarlijke strik. De winden en de stroomen drijven de massa’s ijs steeds van de eene plaats naar de andere. Alleen het ijs van het vasteland, dat de aarde met een gordel van kristal omgeeft, blijft onbeweeglijk. Deze gordel ducht den zomer niet; hij smelt wel is waar gedeeltelijk, maar verdwijnt nooit. De stralen der zon maken daarin breede spleten, gelijkende op de fjorden van Noorwegen, en door deze spleten bereikt de walvischvanger, die zijne prooi vervolgt, de kust zelf. Het ijs van het vasteland is het veiligste toevluchtsoord voor de schipbreukelingen, die aan een gebroken ijsveld ontvlucht zijn. Veel verder van de kusten bevinden zich gewoonlijk de oudste formatiën van deze doode wereld, de groote ijsvelden, die op de plateau’s van het vasteland gelijken en die dikwijls hoog boven de wateren van den Oceaan uitsteken. Vele winters hebben deze ijsmassa’s doen ontstaan.Het ijsveld, dat omgeven is door eene keten van bergen, die op verschillende tijden ontstaan zijn, levert een onoverkomelijken hinderpaal voor de stoutmoedige reizigers op.Zelfs de orkanen, die de golven van den Oceaan opzweepen, blijven machteloos tegen deze ijsmassa’s.De ijsvelden aan de Zuidpool hebben een woest voorkomen, dat zelfs reizigers, die aan de verschrikkingen van den Noordpooloceaan gewoon zijn, eene huivering door de leden jaagt.Zulke hinderpalen moesten onze kloeke reizigers te boven komen om hun doel te bereiken.Eene onoverwinlijke macht dreef kapitein Ford naar de pool. Hij kon daaraan geen weerstand bieden ondanks de gevaren, die uit de minste vertraging konden voortvloeien. Thans hadden onze reizigers nog juist den tijd om naar den ballon terug te keeren. Maar op alle bezwaren, die de ingenieur te berde bracht, antwoordde Ford slechts: „Laat mij maar alleen naar de pool gaan!” en stopte met dat antwoord den mond aan zijne metgezellen.Een onuitputtelijke voorraad ziekelijke geestkracht en onuitbluschbaren ijver vertoonde zich eensklaps bij dezen man, die in weinige dagen grijs geworden was. Hij was onvermoeid in het beklimmen van puntige ijsblokken en stelde daarbij zijne kameraden altijd in de schaduw. James en Gromski hadden al hunne krachten noodig om hem niet uit het oog te verliezen.Deze gejaagde reis duurde tot aan den14denJanuari. Op den middag merkte de stuurman op, dat de ijsvlakte minder afwisselend werd; de groote blokken en de lange muren, die den weg versperden, waren verdwenen; daarentegen werden de kloven steeds talrijker.De ingenieur, door de vermoeienissen der reis uitgeput, kon zich nauwelijks meer staande houden.„Ik kan niet verder,” zeide hij, terwijl hij tegen den ijsmuur ging aanleunen waarlangs hun weg liep.„Ik gevoel mij ook uitgeput,” mompelde de stuurman. „Maar de kapitein zal ook wel spoedig halt houden.”„Waarom?”„Omdat wij ons morgen bij de zee, waar deze geheel vrij van ijs is, zullen bevinden,” antwoordde de stuurman, terwijl hij naar den horizon wees.„En is het einde van het ijsveld nog ver hier vandaan?”„We kunnen op zijne oppervlakte nog een dozijn kilometers afleggen en dan halt houden.”„De kapitein moet het maar weten.”James haalde de schouders op.„Waarom zouden we er niet dadelijk heengaan?”De ingenieur verwachtte geen ander antwoord van den ouden zeeman. Na een weinig op een ijsblok uitgerust te hebben, volgde hij Ford weder, die geen oogenblik bleef staan. De voorspelling van James, op de verandering van de kleur des hemels gebouwd, kwam al spoedig uit. Het ijsveld werd al minder en minder dik. Eindelijk merkte de ingenieur eene groote hoeveelheid ronde of ovale openingen op, die, zooals de ervaren James verklaarde, door zeehonden gemaakt waren, die behoefte hadden om boven het water adem te scheppen.Deze reis over het smeltende ijs kon niet lang duren.„Pas op, kapitein!” riep Gromski den kapitein toe, die zich al verder en verder verwijderde.Maar Ford keerde zich zelfs niet om en liep onafgebroken voort. Verscheidene malen viel hij, maar stond onmiddellijk weder op.Deze koortsachtige hardnekkigheid maakte de ongerustheid van zijne kameraden al meer en meer gaande.„Maar hij zal verdrinken!” riep Gromski uit, toen hij Ford de gevaarlijke plaatsen zag naderen.„Dan zullen wij beiden verdrinken,” antwoordde de stuurman.Dit zeggende, volgde de oude zeeman den kapitein.„Voorwaarts, James,” zeide Ford volijverig, toen hij den stuurman naast zich zag. „We hebben nog maar twintig kilometers af te leggen.”„We hebben den Oceaan vóór ons, kapitein.”„Voorwaarts, zeg ik je,” antwoordde de kapitein.Deze hardnekkigheid maakte James wanhopig.„Kapitein, we moeten terugkeeren,” zeide hij op een beslisten toon, terwijl hij hem den weg versperde.„Dat nooit van mijn leven, James. We zullen tot het einde toe volhouden.”„Het ijs is broos …”„Ben je dan bang?” vroeg Ford op bitteren toon, terwijl hij den stuurman spottend aankeek.„Ik?” riep de oude zeeman verontwaardigd uit, „zou ik bang zijn, kapitein?”Dit verwijt ontwapende Ford.„Neem mij niet kwalijk, ouwe jongen,” zeide hij, terwijl hij hem de hand drukte. „Ik weet wel, dat je, als je bang bent, voor mij bang bent. Doch wees maar gerust: ik zal, zoodra ik aan de open zee kom, terugkeeren. Men moet zich zelf niets te verwijten hebben, zie je. Vergeet verder niet, dat iedere voetstap ons nader aan de pool brengt. Zie je dien ijsberg aan den horizon?… Daar is zij!”„Ach, hadden we maar eene kano!”En Ford, die een oogenblik was blijven staan, wrong zich van wanhoop in de handen. Hij leed onuitsprekelijk, toen hij zich zoo nabij het doel zag, en toch moest erkennen, dat het niet te bereiken was.„We kunnen nog twee à drie kilometers afleggen,” zeide hij. „Waar is de ingenieur?”„Hij is achtergebleven, daar de krachten hem ontzonken zijn.”„Hij zal wel achteraan komen. Voorwaarts, ouwe jongen.”De stuurman zag wel in, dat geenerlei macht in staat zou wezen om den kapitein terug te houden; hij vergezelde hem dus zwijgend.Op een afstand van een kilometer van daar vertoonde het ijsveld eenige wakken. Ford zwichtte echter niet voor deze hinderpalen. Met heldenmoed liep hij over de ijsblokken heen en bekommerde zich weinig om het gevaar. Verscheidene malen bewoog het ijs onder zijne voeten en kraakte onheilspellend. James bleef dan even stilstaan om het gewicht niet te vermeerderen. Deze gevaarlijke tocht naderde zijn einde; want eenige honderdtallen schreden van den kapitein af klotsten de golven om het ijsveld heen. Het ijsveld, waarop de beide zeelieden zich bevonden, bewoog zich even onder den invloed der golven.Toen bleef Ford stilstaan en vestigde den blik op de vloeibare vlakte, als wilde hij daarop het geheimzinnige punt ontdekken, dat het doel van al zijn streven was.„Twee mijlen, slechts twee mijlen! En het is onmogelijk, een stap verder te doen,” mompelde hij. „Ach!”En bij dezen uitroep, waaruit zijne eigen onmacht bleek,wilde de kapitein zich de haren van wanhoop uit het hoofd rukken.„Kapitein!” riep James met tranen in de oogen, terwijl hij naar hem toe ging en hem de hand toestak.Maar Ford antwoordde niet. Onversaagd ging hij de golven te gemoet.Eensklaps brak de broze ijskorst en verdween de kapitein onder het ijs.Duizend kilometers boven den Zuidpooloceaan af te leggen, door te dringen tot de geheimzinnige diepten van het zuidelijk vasteland, dat zonder eenigen twijfel het ontoegankelijkste gedeelte van onze planeet is, zich eindelijk een weg te midden van het poolijs te banen,—dat zijn zonder twijfel heldendaden, waardig om in de geschiedenis der ontdekkingsreizen geboekstaafd te worden. Het scheen, dat de mannen, die deze heldendaad hadden weten te volbrengen, het vurig verlangde doel moesten bereiken. Intusschen geschiedde dit niet. Onze reizigers moesten, na ontzaglijke hinderpalen te boven gekomen te zijn, zwichten voor iets, dat schijnbaar het onbeduidendste van alles was, voor het water. Hun bewonderenswaardige luchtballon, die bestemd was om zich door de lucht voort te stuwen, kon hen niet tot het gewenschte doel voeren. Kapitein Ford had alle pogingen aangewend om het recht te hebben, de woorden uit te spreken:„Hier is de Zuidpool: zij bevindt zich vlak onder mijne voeten!”Hij zou zijn wetenschappelijk fanatisme zeker met zijn leven geboet hebben, indien niet de stuurman hem met eigen levensgevaar had gered.Het einde van het ijsveld was tevens het einde van de reis onzer helden.Ford zag dit zelf in, en de eerste woorden, die hem van de lippen kwamen, toen hij uit eene langdurige bewusteloosheid ontwaakte, waren deze:„Laat ons terugkeeren, kameraden.”Op den 15denJanuari, op den middag, richtte de kapitein met eene hand, trillende van ontroering, den sextant naar de poolzon om met zooveel zekerheid, als maar mogelijk was, het punt te bepalen, dat zij bijna bereikt hadden. Het was een plechtig oogenblik. Nadat de waarnemingen gedaan waren, zette de ingenieur midden op de kaart van het zuidelijke halfrond een kruisje; dit bevond zich nog geen twee geographische mijlen van de Zuidpool.De stuurman had het hoofd afgewend en stortte tranen.Waren het tranen van vreugde of van teleurgestelde hoop? Wat Gromski aangaat, zijne borst zwol van trots en van blijdschap. De ingenieur nam de dingen, zooals zij waren; er was in hem niets van dat overdrevene, dat den kapitein kenmerkte. Wat hij verricht had, was hem voldoende. Nu had hij slechts één wensch, en wel de tijding van zijn schitterenden tocht zoo spoedig mogelijk wereldkundig te maken.Na eene rust van twaalf uren richtten onze reizigers zich naar het Noorden en deden hun uiterste best om den ballon terug te vinden. De ingenieur maakte zich niet weinig bekommerd over den toestand van den luchtballon. Zou het gas er nog niet uit ontsnapt zijn? Zouden zij niet te laat komen?—Deze gedachten hielden Gromski voortdurend bezig: hij had een voorgevoel van een gevaar. De taaie volhardingvan den kapitein kon noodlottige gevolgen hebben, zoowel voor hem zelf als voor zijne kameraden.Daar onze reizigers er tegen opzagen, opnieuw een tocht door de keten van ijsbergen te doen, richtten zij zich een weinig naar het Oosten, in de hoop, dat zij ze zijdelings zouden kunnen laten liggen.Op den derden dag echter kwamen zij tot de overtuiging, dat de nieuwe weg veel moeilijker was dan de oude. De keten van ijsbergen strekte zich wel is waar niet ver uit; maar het ijsveld eindigde op 15 kilometers ten Oosten. Toen onze reizigers deze grens bereikt hadden, kwamen zij aan een echten doolhof van ontzaglijk poolijs. Al de vermoeienissen en al de bezwaren, waaraan zij tot dusverre blootgesteld waren geweest, waren slechts eene kleinigheid in vergelijking met hetgeen zij nu te verduren hadden. Zij klommen met moeite van het eene ijsblok op het andere. De Zuidpooloceaan vertoonde zich aan onze drie helden in al zijne verschrikkelijkheid. Deze terugreis was slechts eene onafgebroken en hevige worsteling tegen de natuurkrachten,—eene worsteling, waarbij bloedige gevechten, met de wapenen in de hand, slechts kinderspel zijn. Dáár is slechts eene oogenblikkelijke opgewondenheid noodig om de overwinning te behalen, eene opgewondenheid, die met den kruitdamp verdwijnt. Hier wordt eene geestkracht vereischt, die aan alles weerstand biedt, een ijzeren wil. De ingenieur en zijne metgezellen gevoelden zich nu sterk genoeg om aan alle gevaren der reis het hoofd te bieden; zij werden weder bezield met de hoop, den luchtballon spoedig te bereiken en onmiddellijk het Land des Doods te verlaten.Maar op den 19den, na een vermoeienden tocht van driedagen, waren onze reizigers nog niet verder dan 10 kilometers gevorderd.Het is dus niet te verwonderen, dat de twijfel langzamerhand hunne harten binnensloop, om eindelijk tot volslagen wanhoop over te gaan. Gedurende de volgende dagen vorderde men nog minder dan vroeger.Van den top van een ijsblok zagen zij nog zonder moeite de plaats, die zij sedert 24 uren hadden verlaten. Dikwijls moesten zij, na een geheelen dag tusschen de ijsblokken voortgetrokken te zijn, een anderen weg zoeken.Op den 23stenbevonden onze reizigers zich, na 2 kilometers over de woeste ijsvelden afgelegd te hebben, eensklaps vóór eene breede kloof. Op een afstand van ongeveer 20 meters kwam uit de sluimerende wateren van den Oceaan een oud ijsveld te voorschijn, dat door reusachtige ijsbergen omgeven was. De ingenieur zocht vruchteloos de plaats, waar de twee ijsvelden zich met elkaar vereenigden. Men liep langs de kloof heen, maar was genoodzaakt, na verloop van eenige uren terug te keeren, daar de kloof al breeder en breeder werd.„We moeten er, denk ik, overheen zwemmen,” zei de ingenieur, terwijl hij bleef stilstaan. „Het koude water zal ons zeker geen goed doen, maar ik zie er geen ander middel op. Wat dunkt u er van, kapitein?”Ford haalde onverschillig de schouders op.„Wat mij aangaat, ik doe geen stap verder: het is tijd om er een einde aan te maken. Waarom zich met illusiën te vleien, Mijnheer? Uw ballon bevat sedert twee weken geen enkelen kubieken meter gas meer! Ik geef er dan nog maar de voorkeur aan, in de nabijheid van de pool te sterven.”De kapitein zeide dit op een kalmen, gelaten toon, die het bloed in de aderen van Gromski deed stollen.Ja! Waarom zich met eene ijdele hoop te vleien? Drie weken waren er verloopen sedert het oogenblik, waarop men den luchtballon had verlaten. De ingenieur erkende in den grond zijns harten, dat de voorspellingen van den kapitein juist waren. Nochtans beschouwde hij het als zijn plicht, den moed zijner kameraden staande te houden.„Ik heb de ondoordringbaarheid van het omhulsel van mijn luchtballon niet nauwkeurig genoeg vastgesteld,” zeide hij. „Misschien heeft hij slechts een derde gedeelte van zijn gas ingehouden. Dan zullen wij in geval van nood een anderen, lichteren dienen te vervaardigen, dan zullen wij den stoomketel en de machine wegwerpen.…”„Dat alles is slechts eene illusie,” viel Ford hem in de rede. „Zulk een luchtballon zal nimmer drie menschen kunnen dragen. Keer zelf terug, als ge kunt, Mijnheer. Wat mij aangaat, ik blijf hier.”Het gelukte Gromski echter, de moedeloosheid van zijn metgezel te overwinnen.Nadat onze reizigers de kloof overgegaan waren met behulp van een touw, dat van den eenen kant naar den anderen als een hangende brug gespannen was, begaven zij zich weder over de maagdelijke ijsvelden op weg.Als de ingenieur de vermagerde en wanhopige gezichten van zijne metgezellen gadesloeg, dan verweet hij zich de lichtvaardigheid, waarmee hij hunne hoop had staande gehouden. Maar bij eenig nadenken overtuigde hij er zich van, dat er in zijn eigen hart eene hoop leefde, die door geenerlei redeneering kon uitgebluscht worden.—Als het gas nog eensniet was ontsnapt, dank zij de dunne laag aluminium, waarmee het omhulsel bedekt was!.…Onze reizigers gingen de kloof over. Blz. 194.Onze reizigers gingen de kloof over. Blz. 194.Door deze gedachte bezield, liep Gromski met vasten stap voort, beklom het eerst de ijsblokken, vond doortochten te midden van den chaos van ijsvelden en moedigde met woorden en gebaren den kapitein en James aan. Deze uiterste pogingen zouden echter tot niets geleid hebben, indien niet een toeval onze reizigers op den goeden weg had gebracht. Het bleek inderdaad, dat het oude ijsveld, hetwelk men met zooveel moeite overgestoken was, aan een ander grensde, dat zich ver naar het Noorden uitstrekte.Op den 24stenvertoonden de omtrekken der rotsen op de kust, te midden waarvan de ballon zich bevond, zich eindelijk aan den horizon. De poolzon wees aan, dat het juist middernacht was, toen onze drie vrienden op eene kaap aankwamen, die omstreeks twintig meters boven het oppervlak van den Oceaan verheven was, en van welken top de kapitein zonder moeite het uitgestrekte ijsveld met zijne noodlottige keten van bergen kon onderscheiden.Zij legden den kleinen afstand, die hen van den ballon scheidde, zonder al te veel moeite langs de kust af, over het ijs van het vasteland, dat de rotsen omgaf. Nadat de ingenieur zijne metgezellen vooruitgegaan was, beklom hij met een kloppend hart den heuvel, liep over de rotsen heen en bleef plotseling onbeweeglijk als een standbeeld nabij de plaats staan, waar de luchtballon door hen achtergelaten was.In plaats van het reusachtige lichaam van den ballon lag er eene vormlooze massa op den grond, een berg van verfrommeld doek, waaruit de uiteinden van het ledigeschuitje te voorschijn kwamen. Gromski bekwam eerst van zijne verbazing, toen Ford hem de hand op den schouder legde.„Ha, ha, ha!” zeide hij, terwijl hij in een akelig gelach uitbarstte. „Uw ballon heeft zijne ziel verloren! Welnu, geef mij de hand! We zullen hier te zamen blijven op den afstand van een halven graad van de Zuidpool!”
VEERTIENDE HOOFDSTUK.VEERTIENDE HOOFDSTUK.Men nadert het doel.De ijslaag, die de wateren der Oceanen bedekt, bezit, evenals de aardschors, eene eigenaardige geologie. Men vindt daarop terrassen, rotsen, bergen, vlakten en plateau’s, evenals op het oppervlak der aarde. Alleen is de stof, waarvan de natuur zich heeft bediend om deze vormen te scheppen, dezelfde, daar ijs altijd en overal ijs blijft, welke ook de vormen en de omtrekken mogen zijn, waaronder het zich voordoet. Deze ijsvelden vertoonen dan ook een wereld op zich zelf, die evenwel hare eigenaardige schoonheden en geheimen bezit, evenals het vasteland.De veertien dagen, gedurende welke de zon in de poolstreken schier niet ondergaat, verspreiden overal zulke schitterende glansen, dat nergens anders het verrukte oog een dergelijk tooneel kan aanschouwen. Bij den opgang der zon baden de toppen der bergen zich in purper en goud; de ijsbergen, die op de sombere wateren van den Oceaan drijven, schitteren door de terugkaatsing der zonnestralen als ontzaglijke smaragden; de piramiden en de muren, gedurendeden wintertijd door den ijsduivel opeengestapeld, tooien zich met den glans der opalen en der robijnen; de zonneschijf legt een breeden en bloedigen weg over de onafzienbare sneeuwvelden af.Laat ons de gedaanteverwisseling van het poolijs eens wat nader beschouwen. Het oppervlak van den Oceaan is in de lente met eene dunne laag ijs bedekt, die zich gedurende den afgeloopen winter heeft gevormd. Dit ijs verbreken de golven en verstrooien de winden al spoedig. Het ijsveld drijft gedurende den zomer rond en wordt, als het aan de stralen der zon ontsnapt is, in den herfst al grooter en grooter. Dat noemt men ijsbergen.In den volgenden winter worden deze ijsbergen nog dikker en gevaarlijker. Wee het schip, dat hunne prooi wordt! Het zal vruchtelooze pogingen aanwenden om door die onafzienbare ijsvelden heen te komen; deze zullen het van alle kanten omgeven en insluiten. De eerste wintervorst voegt al deze ijsmassa’s aaneen en sluit het schip voor vele jaren in.Als de zomer gekomen is, schiet de zon, die het firmament niet verlaat, vruchteloos hare stralen op die tallooze ijsschotsen; zij bieden een krachtigen weerstand aan de werking der warmte, zij worden zelfs sterker en vormen uitgestrekte ijsvelden, die de vlakten in deze ijswereld zijn.De onderzoekers der poolstreken kennen ze zeer goed, daar zij op hunne hobbelige vlakten tochten van verscheidene tientallen mijlen hebben gedaan. En deze weg is nog de beste voor de beladen sleden en de uitgeputte reizigers.Maar zulk eene ontzaglijke ijsvlakte blijft slechts zelden lang aaneen. De Oceaan, door de lente- of de herfststormen in beweging gebracht, breekt haar door zijne machtige golven,werpt de ijsblokken tegen elkander aan en stapelt ze op elkander. Zulk eene worsteling wijzigt in eenige dagen het voorkomen van het ijsveld, zoodat het niet meer te herkennen is. In plaats van de vlakte vertoonen zich grillige opeenhoopingen, een chaos van stukken ijs, die opeengestapelde muren en bergen vormen.Dikwijls verwijderen de groote ijsvelden, door den wind voortgestuwd, zich van elkander; dan vormen zich ledige plekken, die weldra met een mengelmoes van stukken ijs en sneeuw gevuld worden.In den zomer of gedurende den dooi worden zulke spleten voor den onervaren reiziger een gevaarlijke strik. De winden en de stroomen drijven de massa’s ijs steeds van de eene plaats naar de andere. Alleen het ijs van het vasteland, dat de aarde met een gordel van kristal omgeeft, blijft onbeweeglijk. Deze gordel ducht den zomer niet; hij smelt wel is waar gedeeltelijk, maar verdwijnt nooit. De stralen der zon maken daarin breede spleten, gelijkende op de fjorden van Noorwegen, en door deze spleten bereikt de walvischvanger, die zijne prooi vervolgt, de kust zelf. Het ijs van het vasteland is het veiligste toevluchtsoord voor de schipbreukelingen, die aan een gebroken ijsveld ontvlucht zijn. Veel verder van de kusten bevinden zich gewoonlijk de oudste formatiën van deze doode wereld, de groote ijsvelden, die op de plateau’s van het vasteland gelijken en die dikwijls hoog boven de wateren van den Oceaan uitsteken. Vele winters hebben deze ijsmassa’s doen ontstaan.Het ijsveld, dat omgeven is door eene keten van bergen, die op verschillende tijden ontstaan zijn, levert een onoverkomelijken hinderpaal voor de stoutmoedige reizigers op.Zelfs de orkanen, die de golven van den Oceaan opzweepen, blijven machteloos tegen deze ijsmassa’s.De ijsvelden aan de Zuidpool hebben een woest voorkomen, dat zelfs reizigers, die aan de verschrikkingen van den Noordpooloceaan gewoon zijn, eene huivering door de leden jaagt.Zulke hinderpalen moesten onze kloeke reizigers te boven komen om hun doel te bereiken.Eene onoverwinlijke macht dreef kapitein Ford naar de pool. Hij kon daaraan geen weerstand bieden ondanks de gevaren, die uit de minste vertraging konden voortvloeien. Thans hadden onze reizigers nog juist den tijd om naar den ballon terug te keeren. Maar op alle bezwaren, die de ingenieur te berde bracht, antwoordde Ford slechts: „Laat mij maar alleen naar de pool gaan!” en stopte met dat antwoord den mond aan zijne metgezellen.Een onuitputtelijke voorraad ziekelijke geestkracht en onuitbluschbaren ijver vertoonde zich eensklaps bij dezen man, die in weinige dagen grijs geworden was. Hij was onvermoeid in het beklimmen van puntige ijsblokken en stelde daarbij zijne kameraden altijd in de schaduw. James en Gromski hadden al hunne krachten noodig om hem niet uit het oog te verliezen.Deze gejaagde reis duurde tot aan den14denJanuari. Op den middag merkte de stuurman op, dat de ijsvlakte minder afwisselend werd; de groote blokken en de lange muren, die den weg versperden, waren verdwenen; daarentegen werden de kloven steeds talrijker.De ingenieur, door de vermoeienissen der reis uitgeput, kon zich nauwelijks meer staande houden.„Ik kan niet verder,” zeide hij, terwijl hij tegen den ijsmuur ging aanleunen waarlangs hun weg liep.„Ik gevoel mij ook uitgeput,” mompelde de stuurman. „Maar de kapitein zal ook wel spoedig halt houden.”„Waarom?”„Omdat wij ons morgen bij de zee, waar deze geheel vrij van ijs is, zullen bevinden,” antwoordde de stuurman, terwijl hij naar den horizon wees.„En is het einde van het ijsveld nog ver hier vandaan?”„We kunnen op zijne oppervlakte nog een dozijn kilometers afleggen en dan halt houden.”„De kapitein moet het maar weten.”James haalde de schouders op.„Waarom zouden we er niet dadelijk heengaan?”De ingenieur verwachtte geen ander antwoord van den ouden zeeman. Na een weinig op een ijsblok uitgerust te hebben, volgde hij Ford weder, die geen oogenblik bleef staan. De voorspelling van James, op de verandering van de kleur des hemels gebouwd, kwam al spoedig uit. Het ijsveld werd al minder en minder dik. Eindelijk merkte de ingenieur eene groote hoeveelheid ronde of ovale openingen op, die, zooals de ervaren James verklaarde, door zeehonden gemaakt waren, die behoefte hadden om boven het water adem te scheppen.Deze reis over het smeltende ijs kon niet lang duren.„Pas op, kapitein!” riep Gromski den kapitein toe, die zich al verder en verder verwijderde.Maar Ford keerde zich zelfs niet om en liep onafgebroken voort. Verscheidene malen viel hij, maar stond onmiddellijk weder op.Deze koortsachtige hardnekkigheid maakte de ongerustheid van zijne kameraden al meer en meer gaande.„Maar hij zal verdrinken!” riep Gromski uit, toen hij Ford de gevaarlijke plaatsen zag naderen.„Dan zullen wij beiden verdrinken,” antwoordde de stuurman.Dit zeggende, volgde de oude zeeman den kapitein.„Voorwaarts, James,” zeide Ford volijverig, toen hij den stuurman naast zich zag. „We hebben nog maar twintig kilometers af te leggen.”„We hebben den Oceaan vóór ons, kapitein.”„Voorwaarts, zeg ik je,” antwoordde de kapitein.Deze hardnekkigheid maakte James wanhopig.„Kapitein, we moeten terugkeeren,” zeide hij op een beslisten toon, terwijl hij hem den weg versperde.„Dat nooit van mijn leven, James. We zullen tot het einde toe volhouden.”„Het ijs is broos …”„Ben je dan bang?” vroeg Ford op bitteren toon, terwijl hij den stuurman spottend aankeek.„Ik?” riep de oude zeeman verontwaardigd uit, „zou ik bang zijn, kapitein?”Dit verwijt ontwapende Ford.„Neem mij niet kwalijk, ouwe jongen,” zeide hij, terwijl hij hem de hand drukte. „Ik weet wel, dat je, als je bang bent, voor mij bang bent. Doch wees maar gerust: ik zal, zoodra ik aan de open zee kom, terugkeeren. Men moet zich zelf niets te verwijten hebben, zie je. Vergeet verder niet, dat iedere voetstap ons nader aan de pool brengt. Zie je dien ijsberg aan den horizon?… Daar is zij!”„Ach, hadden we maar eene kano!”En Ford, die een oogenblik was blijven staan, wrong zich van wanhoop in de handen. Hij leed onuitsprekelijk, toen hij zich zoo nabij het doel zag, en toch moest erkennen, dat het niet te bereiken was.„We kunnen nog twee à drie kilometers afleggen,” zeide hij. „Waar is de ingenieur?”„Hij is achtergebleven, daar de krachten hem ontzonken zijn.”„Hij zal wel achteraan komen. Voorwaarts, ouwe jongen.”De stuurman zag wel in, dat geenerlei macht in staat zou wezen om den kapitein terug te houden; hij vergezelde hem dus zwijgend.Op een afstand van een kilometer van daar vertoonde het ijsveld eenige wakken. Ford zwichtte echter niet voor deze hinderpalen. Met heldenmoed liep hij over de ijsblokken heen en bekommerde zich weinig om het gevaar. Verscheidene malen bewoog het ijs onder zijne voeten en kraakte onheilspellend. James bleef dan even stilstaan om het gewicht niet te vermeerderen. Deze gevaarlijke tocht naderde zijn einde; want eenige honderdtallen schreden van den kapitein af klotsten de golven om het ijsveld heen. Het ijsveld, waarop de beide zeelieden zich bevonden, bewoog zich even onder den invloed der golven.Toen bleef Ford stilstaan en vestigde den blik op de vloeibare vlakte, als wilde hij daarop het geheimzinnige punt ontdekken, dat het doel van al zijn streven was.„Twee mijlen, slechts twee mijlen! En het is onmogelijk, een stap verder te doen,” mompelde hij. „Ach!”En bij dezen uitroep, waaruit zijne eigen onmacht bleek,wilde de kapitein zich de haren van wanhoop uit het hoofd rukken.„Kapitein!” riep James met tranen in de oogen, terwijl hij naar hem toe ging en hem de hand toestak.Maar Ford antwoordde niet. Onversaagd ging hij de golven te gemoet.Eensklaps brak de broze ijskorst en verdween de kapitein onder het ijs.Duizend kilometers boven den Zuidpooloceaan af te leggen, door te dringen tot de geheimzinnige diepten van het zuidelijk vasteland, dat zonder eenigen twijfel het ontoegankelijkste gedeelte van onze planeet is, zich eindelijk een weg te midden van het poolijs te banen,—dat zijn zonder twijfel heldendaden, waardig om in de geschiedenis der ontdekkingsreizen geboekstaafd te worden. Het scheen, dat de mannen, die deze heldendaad hadden weten te volbrengen, het vurig verlangde doel moesten bereiken. Intusschen geschiedde dit niet. Onze reizigers moesten, na ontzaglijke hinderpalen te boven gekomen te zijn, zwichten voor iets, dat schijnbaar het onbeduidendste van alles was, voor het water. Hun bewonderenswaardige luchtballon, die bestemd was om zich door de lucht voort te stuwen, kon hen niet tot het gewenschte doel voeren. Kapitein Ford had alle pogingen aangewend om het recht te hebben, de woorden uit te spreken:„Hier is de Zuidpool: zij bevindt zich vlak onder mijne voeten!”Hij zou zijn wetenschappelijk fanatisme zeker met zijn leven geboet hebben, indien niet de stuurman hem met eigen levensgevaar had gered.Het einde van het ijsveld was tevens het einde van de reis onzer helden.Ford zag dit zelf in, en de eerste woorden, die hem van de lippen kwamen, toen hij uit eene langdurige bewusteloosheid ontwaakte, waren deze:„Laat ons terugkeeren, kameraden.”Op den 15denJanuari, op den middag, richtte de kapitein met eene hand, trillende van ontroering, den sextant naar de poolzon om met zooveel zekerheid, als maar mogelijk was, het punt te bepalen, dat zij bijna bereikt hadden. Het was een plechtig oogenblik. Nadat de waarnemingen gedaan waren, zette de ingenieur midden op de kaart van het zuidelijke halfrond een kruisje; dit bevond zich nog geen twee geographische mijlen van de Zuidpool.De stuurman had het hoofd afgewend en stortte tranen.Waren het tranen van vreugde of van teleurgestelde hoop? Wat Gromski aangaat, zijne borst zwol van trots en van blijdschap. De ingenieur nam de dingen, zooals zij waren; er was in hem niets van dat overdrevene, dat den kapitein kenmerkte. Wat hij verricht had, was hem voldoende. Nu had hij slechts één wensch, en wel de tijding van zijn schitterenden tocht zoo spoedig mogelijk wereldkundig te maken.Na eene rust van twaalf uren richtten onze reizigers zich naar het Noorden en deden hun uiterste best om den ballon terug te vinden. De ingenieur maakte zich niet weinig bekommerd over den toestand van den luchtballon. Zou het gas er nog niet uit ontsnapt zijn? Zouden zij niet te laat komen?—Deze gedachten hielden Gromski voortdurend bezig: hij had een voorgevoel van een gevaar. De taaie volhardingvan den kapitein kon noodlottige gevolgen hebben, zoowel voor hem zelf als voor zijne kameraden.Daar onze reizigers er tegen opzagen, opnieuw een tocht door de keten van ijsbergen te doen, richtten zij zich een weinig naar het Oosten, in de hoop, dat zij ze zijdelings zouden kunnen laten liggen.Op den derden dag echter kwamen zij tot de overtuiging, dat de nieuwe weg veel moeilijker was dan de oude. De keten van ijsbergen strekte zich wel is waar niet ver uit; maar het ijsveld eindigde op 15 kilometers ten Oosten. Toen onze reizigers deze grens bereikt hadden, kwamen zij aan een echten doolhof van ontzaglijk poolijs. Al de vermoeienissen en al de bezwaren, waaraan zij tot dusverre blootgesteld waren geweest, waren slechts eene kleinigheid in vergelijking met hetgeen zij nu te verduren hadden. Zij klommen met moeite van het eene ijsblok op het andere. De Zuidpooloceaan vertoonde zich aan onze drie helden in al zijne verschrikkelijkheid. Deze terugreis was slechts eene onafgebroken en hevige worsteling tegen de natuurkrachten,—eene worsteling, waarbij bloedige gevechten, met de wapenen in de hand, slechts kinderspel zijn. Dáár is slechts eene oogenblikkelijke opgewondenheid noodig om de overwinning te behalen, eene opgewondenheid, die met den kruitdamp verdwijnt. Hier wordt eene geestkracht vereischt, die aan alles weerstand biedt, een ijzeren wil. De ingenieur en zijne metgezellen gevoelden zich nu sterk genoeg om aan alle gevaren der reis het hoofd te bieden; zij werden weder bezield met de hoop, den luchtballon spoedig te bereiken en onmiddellijk het Land des Doods te verlaten.Maar op den 19den, na een vermoeienden tocht van driedagen, waren onze reizigers nog niet verder dan 10 kilometers gevorderd.Het is dus niet te verwonderen, dat de twijfel langzamerhand hunne harten binnensloop, om eindelijk tot volslagen wanhoop over te gaan. Gedurende de volgende dagen vorderde men nog minder dan vroeger.Van den top van een ijsblok zagen zij nog zonder moeite de plaats, die zij sedert 24 uren hadden verlaten. Dikwijls moesten zij, na een geheelen dag tusschen de ijsblokken voortgetrokken te zijn, een anderen weg zoeken.Op den 23stenbevonden onze reizigers zich, na 2 kilometers over de woeste ijsvelden afgelegd te hebben, eensklaps vóór eene breede kloof. Op een afstand van ongeveer 20 meters kwam uit de sluimerende wateren van den Oceaan een oud ijsveld te voorschijn, dat door reusachtige ijsbergen omgeven was. De ingenieur zocht vruchteloos de plaats, waar de twee ijsvelden zich met elkaar vereenigden. Men liep langs de kloof heen, maar was genoodzaakt, na verloop van eenige uren terug te keeren, daar de kloof al breeder en breeder werd.„We moeten er, denk ik, overheen zwemmen,” zei de ingenieur, terwijl hij bleef stilstaan. „Het koude water zal ons zeker geen goed doen, maar ik zie er geen ander middel op. Wat dunkt u er van, kapitein?”Ford haalde onverschillig de schouders op.„Wat mij aangaat, ik doe geen stap verder: het is tijd om er een einde aan te maken. Waarom zich met illusiën te vleien, Mijnheer? Uw ballon bevat sedert twee weken geen enkelen kubieken meter gas meer! Ik geef er dan nog maar de voorkeur aan, in de nabijheid van de pool te sterven.”De kapitein zeide dit op een kalmen, gelaten toon, die het bloed in de aderen van Gromski deed stollen.Ja! Waarom zich met eene ijdele hoop te vleien? Drie weken waren er verloopen sedert het oogenblik, waarop men den luchtballon had verlaten. De ingenieur erkende in den grond zijns harten, dat de voorspellingen van den kapitein juist waren. Nochtans beschouwde hij het als zijn plicht, den moed zijner kameraden staande te houden.„Ik heb de ondoordringbaarheid van het omhulsel van mijn luchtballon niet nauwkeurig genoeg vastgesteld,” zeide hij. „Misschien heeft hij slechts een derde gedeelte van zijn gas ingehouden. Dan zullen wij in geval van nood een anderen, lichteren dienen te vervaardigen, dan zullen wij den stoomketel en de machine wegwerpen.…”„Dat alles is slechts eene illusie,” viel Ford hem in de rede. „Zulk een luchtballon zal nimmer drie menschen kunnen dragen. Keer zelf terug, als ge kunt, Mijnheer. Wat mij aangaat, ik blijf hier.”Het gelukte Gromski echter, de moedeloosheid van zijn metgezel te overwinnen.Nadat onze reizigers de kloof overgegaan waren met behulp van een touw, dat van den eenen kant naar den anderen als een hangende brug gespannen was, begaven zij zich weder over de maagdelijke ijsvelden op weg.Als de ingenieur de vermagerde en wanhopige gezichten van zijne metgezellen gadesloeg, dan verweet hij zich de lichtvaardigheid, waarmee hij hunne hoop had staande gehouden. Maar bij eenig nadenken overtuigde hij er zich van, dat er in zijn eigen hart eene hoop leefde, die door geenerlei redeneering kon uitgebluscht worden.—Als het gas nog eensniet was ontsnapt, dank zij de dunne laag aluminium, waarmee het omhulsel bedekt was!.…Onze reizigers gingen de kloof over. Blz. 194.Onze reizigers gingen de kloof over. Blz. 194.Door deze gedachte bezield, liep Gromski met vasten stap voort, beklom het eerst de ijsblokken, vond doortochten te midden van den chaos van ijsvelden en moedigde met woorden en gebaren den kapitein en James aan. Deze uiterste pogingen zouden echter tot niets geleid hebben, indien niet een toeval onze reizigers op den goeden weg had gebracht. Het bleek inderdaad, dat het oude ijsveld, hetwelk men met zooveel moeite overgestoken was, aan een ander grensde, dat zich ver naar het Noorden uitstrekte.Op den 24stenvertoonden de omtrekken der rotsen op de kust, te midden waarvan de ballon zich bevond, zich eindelijk aan den horizon. De poolzon wees aan, dat het juist middernacht was, toen onze drie vrienden op eene kaap aankwamen, die omstreeks twintig meters boven het oppervlak van den Oceaan verheven was, en van welken top de kapitein zonder moeite het uitgestrekte ijsveld met zijne noodlottige keten van bergen kon onderscheiden.Zij legden den kleinen afstand, die hen van den ballon scheidde, zonder al te veel moeite langs de kust af, over het ijs van het vasteland, dat de rotsen omgaf. Nadat de ingenieur zijne metgezellen vooruitgegaan was, beklom hij met een kloppend hart den heuvel, liep over de rotsen heen en bleef plotseling onbeweeglijk als een standbeeld nabij de plaats staan, waar de luchtballon door hen achtergelaten was.In plaats van het reusachtige lichaam van den ballon lag er eene vormlooze massa op den grond, een berg van verfrommeld doek, waaruit de uiteinden van het ledigeschuitje te voorschijn kwamen. Gromski bekwam eerst van zijne verbazing, toen Ford hem de hand op den schouder legde.„Ha, ha, ha!” zeide hij, terwijl hij in een akelig gelach uitbarstte. „Uw ballon heeft zijne ziel verloren! Welnu, geef mij de hand! We zullen hier te zamen blijven op den afstand van een halven graad van de Zuidpool!”
VEERTIENDE HOOFDSTUK.VEERTIENDE HOOFDSTUK.Men nadert het doel.
VEERTIENDE HOOFDSTUK.
De ijslaag, die de wateren der Oceanen bedekt, bezit, evenals de aardschors, eene eigenaardige geologie. Men vindt daarop terrassen, rotsen, bergen, vlakten en plateau’s, evenals op het oppervlak der aarde. Alleen is de stof, waarvan de natuur zich heeft bediend om deze vormen te scheppen, dezelfde, daar ijs altijd en overal ijs blijft, welke ook de vormen en de omtrekken mogen zijn, waaronder het zich voordoet. Deze ijsvelden vertoonen dan ook een wereld op zich zelf, die evenwel hare eigenaardige schoonheden en geheimen bezit, evenals het vasteland.De veertien dagen, gedurende welke de zon in de poolstreken schier niet ondergaat, verspreiden overal zulke schitterende glansen, dat nergens anders het verrukte oog een dergelijk tooneel kan aanschouwen. Bij den opgang der zon baden de toppen der bergen zich in purper en goud; de ijsbergen, die op de sombere wateren van den Oceaan drijven, schitteren door de terugkaatsing der zonnestralen als ontzaglijke smaragden; de piramiden en de muren, gedurendeden wintertijd door den ijsduivel opeengestapeld, tooien zich met den glans der opalen en der robijnen; de zonneschijf legt een breeden en bloedigen weg over de onafzienbare sneeuwvelden af.Laat ons de gedaanteverwisseling van het poolijs eens wat nader beschouwen. Het oppervlak van den Oceaan is in de lente met eene dunne laag ijs bedekt, die zich gedurende den afgeloopen winter heeft gevormd. Dit ijs verbreken de golven en verstrooien de winden al spoedig. Het ijsveld drijft gedurende den zomer rond en wordt, als het aan de stralen der zon ontsnapt is, in den herfst al grooter en grooter. Dat noemt men ijsbergen.In den volgenden winter worden deze ijsbergen nog dikker en gevaarlijker. Wee het schip, dat hunne prooi wordt! Het zal vruchtelooze pogingen aanwenden om door die onafzienbare ijsvelden heen te komen; deze zullen het van alle kanten omgeven en insluiten. De eerste wintervorst voegt al deze ijsmassa’s aaneen en sluit het schip voor vele jaren in.Als de zomer gekomen is, schiet de zon, die het firmament niet verlaat, vruchteloos hare stralen op die tallooze ijsschotsen; zij bieden een krachtigen weerstand aan de werking der warmte, zij worden zelfs sterker en vormen uitgestrekte ijsvelden, die de vlakten in deze ijswereld zijn.De onderzoekers der poolstreken kennen ze zeer goed, daar zij op hunne hobbelige vlakten tochten van verscheidene tientallen mijlen hebben gedaan. En deze weg is nog de beste voor de beladen sleden en de uitgeputte reizigers.Maar zulk eene ontzaglijke ijsvlakte blijft slechts zelden lang aaneen. De Oceaan, door de lente- of de herfststormen in beweging gebracht, breekt haar door zijne machtige golven,werpt de ijsblokken tegen elkander aan en stapelt ze op elkander. Zulk eene worsteling wijzigt in eenige dagen het voorkomen van het ijsveld, zoodat het niet meer te herkennen is. In plaats van de vlakte vertoonen zich grillige opeenhoopingen, een chaos van stukken ijs, die opeengestapelde muren en bergen vormen.Dikwijls verwijderen de groote ijsvelden, door den wind voortgestuwd, zich van elkander; dan vormen zich ledige plekken, die weldra met een mengelmoes van stukken ijs en sneeuw gevuld worden.In den zomer of gedurende den dooi worden zulke spleten voor den onervaren reiziger een gevaarlijke strik. De winden en de stroomen drijven de massa’s ijs steeds van de eene plaats naar de andere. Alleen het ijs van het vasteland, dat de aarde met een gordel van kristal omgeeft, blijft onbeweeglijk. Deze gordel ducht den zomer niet; hij smelt wel is waar gedeeltelijk, maar verdwijnt nooit. De stralen der zon maken daarin breede spleten, gelijkende op de fjorden van Noorwegen, en door deze spleten bereikt de walvischvanger, die zijne prooi vervolgt, de kust zelf. Het ijs van het vasteland is het veiligste toevluchtsoord voor de schipbreukelingen, die aan een gebroken ijsveld ontvlucht zijn. Veel verder van de kusten bevinden zich gewoonlijk de oudste formatiën van deze doode wereld, de groote ijsvelden, die op de plateau’s van het vasteland gelijken en die dikwijls hoog boven de wateren van den Oceaan uitsteken. Vele winters hebben deze ijsmassa’s doen ontstaan.Het ijsveld, dat omgeven is door eene keten van bergen, die op verschillende tijden ontstaan zijn, levert een onoverkomelijken hinderpaal voor de stoutmoedige reizigers op.Zelfs de orkanen, die de golven van den Oceaan opzweepen, blijven machteloos tegen deze ijsmassa’s.De ijsvelden aan de Zuidpool hebben een woest voorkomen, dat zelfs reizigers, die aan de verschrikkingen van den Noordpooloceaan gewoon zijn, eene huivering door de leden jaagt.Zulke hinderpalen moesten onze kloeke reizigers te boven komen om hun doel te bereiken.Eene onoverwinlijke macht dreef kapitein Ford naar de pool. Hij kon daaraan geen weerstand bieden ondanks de gevaren, die uit de minste vertraging konden voortvloeien. Thans hadden onze reizigers nog juist den tijd om naar den ballon terug te keeren. Maar op alle bezwaren, die de ingenieur te berde bracht, antwoordde Ford slechts: „Laat mij maar alleen naar de pool gaan!” en stopte met dat antwoord den mond aan zijne metgezellen.Een onuitputtelijke voorraad ziekelijke geestkracht en onuitbluschbaren ijver vertoonde zich eensklaps bij dezen man, die in weinige dagen grijs geworden was. Hij was onvermoeid in het beklimmen van puntige ijsblokken en stelde daarbij zijne kameraden altijd in de schaduw. James en Gromski hadden al hunne krachten noodig om hem niet uit het oog te verliezen.Deze gejaagde reis duurde tot aan den14denJanuari. Op den middag merkte de stuurman op, dat de ijsvlakte minder afwisselend werd; de groote blokken en de lange muren, die den weg versperden, waren verdwenen; daarentegen werden de kloven steeds talrijker.De ingenieur, door de vermoeienissen der reis uitgeput, kon zich nauwelijks meer staande houden.„Ik kan niet verder,” zeide hij, terwijl hij tegen den ijsmuur ging aanleunen waarlangs hun weg liep.„Ik gevoel mij ook uitgeput,” mompelde de stuurman. „Maar de kapitein zal ook wel spoedig halt houden.”„Waarom?”„Omdat wij ons morgen bij de zee, waar deze geheel vrij van ijs is, zullen bevinden,” antwoordde de stuurman, terwijl hij naar den horizon wees.„En is het einde van het ijsveld nog ver hier vandaan?”„We kunnen op zijne oppervlakte nog een dozijn kilometers afleggen en dan halt houden.”„De kapitein moet het maar weten.”James haalde de schouders op.„Waarom zouden we er niet dadelijk heengaan?”De ingenieur verwachtte geen ander antwoord van den ouden zeeman. Na een weinig op een ijsblok uitgerust te hebben, volgde hij Ford weder, die geen oogenblik bleef staan. De voorspelling van James, op de verandering van de kleur des hemels gebouwd, kwam al spoedig uit. Het ijsveld werd al minder en minder dik. Eindelijk merkte de ingenieur eene groote hoeveelheid ronde of ovale openingen op, die, zooals de ervaren James verklaarde, door zeehonden gemaakt waren, die behoefte hadden om boven het water adem te scheppen.Deze reis over het smeltende ijs kon niet lang duren.„Pas op, kapitein!” riep Gromski den kapitein toe, die zich al verder en verder verwijderde.Maar Ford keerde zich zelfs niet om en liep onafgebroken voort. Verscheidene malen viel hij, maar stond onmiddellijk weder op.Deze koortsachtige hardnekkigheid maakte de ongerustheid van zijne kameraden al meer en meer gaande.„Maar hij zal verdrinken!” riep Gromski uit, toen hij Ford de gevaarlijke plaatsen zag naderen.„Dan zullen wij beiden verdrinken,” antwoordde de stuurman.Dit zeggende, volgde de oude zeeman den kapitein.„Voorwaarts, James,” zeide Ford volijverig, toen hij den stuurman naast zich zag. „We hebben nog maar twintig kilometers af te leggen.”„We hebben den Oceaan vóór ons, kapitein.”„Voorwaarts, zeg ik je,” antwoordde de kapitein.Deze hardnekkigheid maakte James wanhopig.„Kapitein, we moeten terugkeeren,” zeide hij op een beslisten toon, terwijl hij hem den weg versperde.„Dat nooit van mijn leven, James. We zullen tot het einde toe volhouden.”„Het ijs is broos …”„Ben je dan bang?” vroeg Ford op bitteren toon, terwijl hij den stuurman spottend aankeek.„Ik?” riep de oude zeeman verontwaardigd uit, „zou ik bang zijn, kapitein?”Dit verwijt ontwapende Ford.„Neem mij niet kwalijk, ouwe jongen,” zeide hij, terwijl hij hem de hand drukte. „Ik weet wel, dat je, als je bang bent, voor mij bang bent. Doch wees maar gerust: ik zal, zoodra ik aan de open zee kom, terugkeeren. Men moet zich zelf niets te verwijten hebben, zie je. Vergeet verder niet, dat iedere voetstap ons nader aan de pool brengt. Zie je dien ijsberg aan den horizon?… Daar is zij!”„Ach, hadden we maar eene kano!”En Ford, die een oogenblik was blijven staan, wrong zich van wanhoop in de handen. Hij leed onuitsprekelijk, toen hij zich zoo nabij het doel zag, en toch moest erkennen, dat het niet te bereiken was.„We kunnen nog twee à drie kilometers afleggen,” zeide hij. „Waar is de ingenieur?”„Hij is achtergebleven, daar de krachten hem ontzonken zijn.”„Hij zal wel achteraan komen. Voorwaarts, ouwe jongen.”De stuurman zag wel in, dat geenerlei macht in staat zou wezen om den kapitein terug te houden; hij vergezelde hem dus zwijgend.Op een afstand van een kilometer van daar vertoonde het ijsveld eenige wakken. Ford zwichtte echter niet voor deze hinderpalen. Met heldenmoed liep hij over de ijsblokken heen en bekommerde zich weinig om het gevaar. Verscheidene malen bewoog het ijs onder zijne voeten en kraakte onheilspellend. James bleef dan even stilstaan om het gewicht niet te vermeerderen. Deze gevaarlijke tocht naderde zijn einde; want eenige honderdtallen schreden van den kapitein af klotsten de golven om het ijsveld heen. Het ijsveld, waarop de beide zeelieden zich bevonden, bewoog zich even onder den invloed der golven.Toen bleef Ford stilstaan en vestigde den blik op de vloeibare vlakte, als wilde hij daarop het geheimzinnige punt ontdekken, dat het doel van al zijn streven was.„Twee mijlen, slechts twee mijlen! En het is onmogelijk, een stap verder te doen,” mompelde hij. „Ach!”En bij dezen uitroep, waaruit zijne eigen onmacht bleek,wilde de kapitein zich de haren van wanhoop uit het hoofd rukken.„Kapitein!” riep James met tranen in de oogen, terwijl hij naar hem toe ging en hem de hand toestak.Maar Ford antwoordde niet. Onversaagd ging hij de golven te gemoet.Eensklaps brak de broze ijskorst en verdween de kapitein onder het ijs.Duizend kilometers boven den Zuidpooloceaan af te leggen, door te dringen tot de geheimzinnige diepten van het zuidelijk vasteland, dat zonder eenigen twijfel het ontoegankelijkste gedeelte van onze planeet is, zich eindelijk een weg te midden van het poolijs te banen,—dat zijn zonder twijfel heldendaden, waardig om in de geschiedenis der ontdekkingsreizen geboekstaafd te worden. Het scheen, dat de mannen, die deze heldendaad hadden weten te volbrengen, het vurig verlangde doel moesten bereiken. Intusschen geschiedde dit niet. Onze reizigers moesten, na ontzaglijke hinderpalen te boven gekomen te zijn, zwichten voor iets, dat schijnbaar het onbeduidendste van alles was, voor het water. Hun bewonderenswaardige luchtballon, die bestemd was om zich door de lucht voort te stuwen, kon hen niet tot het gewenschte doel voeren. Kapitein Ford had alle pogingen aangewend om het recht te hebben, de woorden uit te spreken:„Hier is de Zuidpool: zij bevindt zich vlak onder mijne voeten!”Hij zou zijn wetenschappelijk fanatisme zeker met zijn leven geboet hebben, indien niet de stuurman hem met eigen levensgevaar had gered.Het einde van het ijsveld was tevens het einde van de reis onzer helden.Ford zag dit zelf in, en de eerste woorden, die hem van de lippen kwamen, toen hij uit eene langdurige bewusteloosheid ontwaakte, waren deze:„Laat ons terugkeeren, kameraden.”Op den 15denJanuari, op den middag, richtte de kapitein met eene hand, trillende van ontroering, den sextant naar de poolzon om met zooveel zekerheid, als maar mogelijk was, het punt te bepalen, dat zij bijna bereikt hadden. Het was een plechtig oogenblik. Nadat de waarnemingen gedaan waren, zette de ingenieur midden op de kaart van het zuidelijke halfrond een kruisje; dit bevond zich nog geen twee geographische mijlen van de Zuidpool.De stuurman had het hoofd afgewend en stortte tranen.Waren het tranen van vreugde of van teleurgestelde hoop? Wat Gromski aangaat, zijne borst zwol van trots en van blijdschap. De ingenieur nam de dingen, zooals zij waren; er was in hem niets van dat overdrevene, dat den kapitein kenmerkte. Wat hij verricht had, was hem voldoende. Nu had hij slechts één wensch, en wel de tijding van zijn schitterenden tocht zoo spoedig mogelijk wereldkundig te maken.Na eene rust van twaalf uren richtten onze reizigers zich naar het Noorden en deden hun uiterste best om den ballon terug te vinden. De ingenieur maakte zich niet weinig bekommerd over den toestand van den luchtballon. Zou het gas er nog niet uit ontsnapt zijn? Zouden zij niet te laat komen?—Deze gedachten hielden Gromski voortdurend bezig: hij had een voorgevoel van een gevaar. De taaie volhardingvan den kapitein kon noodlottige gevolgen hebben, zoowel voor hem zelf als voor zijne kameraden.Daar onze reizigers er tegen opzagen, opnieuw een tocht door de keten van ijsbergen te doen, richtten zij zich een weinig naar het Oosten, in de hoop, dat zij ze zijdelings zouden kunnen laten liggen.Op den derden dag echter kwamen zij tot de overtuiging, dat de nieuwe weg veel moeilijker was dan de oude. De keten van ijsbergen strekte zich wel is waar niet ver uit; maar het ijsveld eindigde op 15 kilometers ten Oosten. Toen onze reizigers deze grens bereikt hadden, kwamen zij aan een echten doolhof van ontzaglijk poolijs. Al de vermoeienissen en al de bezwaren, waaraan zij tot dusverre blootgesteld waren geweest, waren slechts eene kleinigheid in vergelijking met hetgeen zij nu te verduren hadden. Zij klommen met moeite van het eene ijsblok op het andere. De Zuidpooloceaan vertoonde zich aan onze drie helden in al zijne verschrikkelijkheid. Deze terugreis was slechts eene onafgebroken en hevige worsteling tegen de natuurkrachten,—eene worsteling, waarbij bloedige gevechten, met de wapenen in de hand, slechts kinderspel zijn. Dáár is slechts eene oogenblikkelijke opgewondenheid noodig om de overwinning te behalen, eene opgewondenheid, die met den kruitdamp verdwijnt. Hier wordt eene geestkracht vereischt, die aan alles weerstand biedt, een ijzeren wil. De ingenieur en zijne metgezellen gevoelden zich nu sterk genoeg om aan alle gevaren der reis het hoofd te bieden; zij werden weder bezield met de hoop, den luchtballon spoedig te bereiken en onmiddellijk het Land des Doods te verlaten.Maar op den 19den, na een vermoeienden tocht van driedagen, waren onze reizigers nog niet verder dan 10 kilometers gevorderd.Het is dus niet te verwonderen, dat de twijfel langzamerhand hunne harten binnensloop, om eindelijk tot volslagen wanhoop over te gaan. Gedurende de volgende dagen vorderde men nog minder dan vroeger.Van den top van een ijsblok zagen zij nog zonder moeite de plaats, die zij sedert 24 uren hadden verlaten. Dikwijls moesten zij, na een geheelen dag tusschen de ijsblokken voortgetrokken te zijn, een anderen weg zoeken.Op den 23stenbevonden onze reizigers zich, na 2 kilometers over de woeste ijsvelden afgelegd te hebben, eensklaps vóór eene breede kloof. Op een afstand van ongeveer 20 meters kwam uit de sluimerende wateren van den Oceaan een oud ijsveld te voorschijn, dat door reusachtige ijsbergen omgeven was. De ingenieur zocht vruchteloos de plaats, waar de twee ijsvelden zich met elkaar vereenigden. Men liep langs de kloof heen, maar was genoodzaakt, na verloop van eenige uren terug te keeren, daar de kloof al breeder en breeder werd.„We moeten er, denk ik, overheen zwemmen,” zei de ingenieur, terwijl hij bleef stilstaan. „Het koude water zal ons zeker geen goed doen, maar ik zie er geen ander middel op. Wat dunkt u er van, kapitein?”Ford haalde onverschillig de schouders op.„Wat mij aangaat, ik doe geen stap verder: het is tijd om er een einde aan te maken. Waarom zich met illusiën te vleien, Mijnheer? Uw ballon bevat sedert twee weken geen enkelen kubieken meter gas meer! Ik geef er dan nog maar de voorkeur aan, in de nabijheid van de pool te sterven.”De kapitein zeide dit op een kalmen, gelaten toon, die het bloed in de aderen van Gromski deed stollen.Ja! Waarom zich met eene ijdele hoop te vleien? Drie weken waren er verloopen sedert het oogenblik, waarop men den luchtballon had verlaten. De ingenieur erkende in den grond zijns harten, dat de voorspellingen van den kapitein juist waren. Nochtans beschouwde hij het als zijn plicht, den moed zijner kameraden staande te houden.„Ik heb de ondoordringbaarheid van het omhulsel van mijn luchtballon niet nauwkeurig genoeg vastgesteld,” zeide hij. „Misschien heeft hij slechts een derde gedeelte van zijn gas ingehouden. Dan zullen wij in geval van nood een anderen, lichteren dienen te vervaardigen, dan zullen wij den stoomketel en de machine wegwerpen.…”„Dat alles is slechts eene illusie,” viel Ford hem in de rede. „Zulk een luchtballon zal nimmer drie menschen kunnen dragen. Keer zelf terug, als ge kunt, Mijnheer. Wat mij aangaat, ik blijf hier.”Het gelukte Gromski echter, de moedeloosheid van zijn metgezel te overwinnen.Nadat onze reizigers de kloof overgegaan waren met behulp van een touw, dat van den eenen kant naar den anderen als een hangende brug gespannen was, begaven zij zich weder over de maagdelijke ijsvelden op weg.Als de ingenieur de vermagerde en wanhopige gezichten van zijne metgezellen gadesloeg, dan verweet hij zich de lichtvaardigheid, waarmee hij hunne hoop had staande gehouden. Maar bij eenig nadenken overtuigde hij er zich van, dat er in zijn eigen hart eene hoop leefde, die door geenerlei redeneering kon uitgebluscht worden.—Als het gas nog eensniet was ontsnapt, dank zij de dunne laag aluminium, waarmee het omhulsel bedekt was!.…Onze reizigers gingen de kloof over. Blz. 194.Onze reizigers gingen de kloof over. Blz. 194.Door deze gedachte bezield, liep Gromski met vasten stap voort, beklom het eerst de ijsblokken, vond doortochten te midden van den chaos van ijsvelden en moedigde met woorden en gebaren den kapitein en James aan. Deze uiterste pogingen zouden echter tot niets geleid hebben, indien niet een toeval onze reizigers op den goeden weg had gebracht. Het bleek inderdaad, dat het oude ijsveld, hetwelk men met zooveel moeite overgestoken was, aan een ander grensde, dat zich ver naar het Noorden uitstrekte.Op den 24stenvertoonden de omtrekken der rotsen op de kust, te midden waarvan de ballon zich bevond, zich eindelijk aan den horizon. De poolzon wees aan, dat het juist middernacht was, toen onze drie vrienden op eene kaap aankwamen, die omstreeks twintig meters boven het oppervlak van den Oceaan verheven was, en van welken top de kapitein zonder moeite het uitgestrekte ijsveld met zijne noodlottige keten van bergen kon onderscheiden.Zij legden den kleinen afstand, die hen van den ballon scheidde, zonder al te veel moeite langs de kust af, over het ijs van het vasteland, dat de rotsen omgaf. Nadat de ingenieur zijne metgezellen vooruitgegaan was, beklom hij met een kloppend hart den heuvel, liep over de rotsen heen en bleef plotseling onbeweeglijk als een standbeeld nabij de plaats staan, waar de luchtballon door hen achtergelaten was.In plaats van het reusachtige lichaam van den ballon lag er eene vormlooze massa op den grond, een berg van verfrommeld doek, waaruit de uiteinden van het ledigeschuitje te voorschijn kwamen. Gromski bekwam eerst van zijne verbazing, toen Ford hem de hand op den schouder legde.„Ha, ha, ha!” zeide hij, terwijl hij in een akelig gelach uitbarstte. „Uw ballon heeft zijne ziel verloren! Welnu, geef mij de hand! We zullen hier te zamen blijven op den afstand van een halven graad van de Zuidpool!”
De ijslaag, die de wateren der Oceanen bedekt, bezit, evenals de aardschors, eene eigenaardige geologie. Men vindt daarop terrassen, rotsen, bergen, vlakten en plateau’s, evenals op het oppervlak der aarde. Alleen is de stof, waarvan de natuur zich heeft bediend om deze vormen te scheppen, dezelfde, daar ijs altijd en overal ijs blijft, welke ook de vormen en de omtrekken mogen zijn, waaronder het zich voordoet. Deze ijsvelden vertoonen dan ook een wereld op zich zelf, die evenwel hare eigenaardige schoonheden en geheimen bezit, evenals het vasteland.
De veertien dagen, gedurende welke de zon in de poolstreken schier niet ondergaat, verspreiden overal zulke schitterende glansen, dat nergens anders het verrukte oog een dergelijk tooneel kan aanschouwen. Bij den opgang der zon baden de toppen der bergen zich in purper en goud; de ijsbergen, die op de sombere wateren van den Oceaan drijven, schitteren door de terugkaatsing der zonnestralen als ontzaglijke smaragden; de piramiden en de muren, gedurendeden wintertijd door den ijsduivel opeengestapeld, tooien zich met den glans der opalen en der robijnen; de zonneschijf legt een breeden en bloedigen weg over de onafzienbare sneeuwvelden af.
Laat ons de gedaanteverwisseling van het poolijs eens wat nader beschouwen. Het oppervlak van den Oceaan is in de lente met eene dunne laag ijs bedekt, die zich gedurende den afgeloopen winter heeft gevormd. Dit ijs verbreken de golven en verstrooien de winden al spoedig. Het ijsveld drijft gedurende den zomer rond en wordt, als het aan de stralen der zon ontsnapt is, in den herfst al grooter en grooter. Dat noemt men ijsbergen.
In den volgenden winter worden deze ijsbergen nog dikker en gevaarlijker. Wee het schip, dat hunne prooi wordt! Het zal vruchtelooze pogingen aanwenden om door die onafzienbare ijsvelden heen te komen; deze zullen het van alle kanten omgeven en insluiten. De eerste wintervorst voegt al deze ijsmassa’s aaneen en sluit het schip voor vele jaren in.
Als de zomer gekomen is, schiet de zon, die het firmament niet verlaat, vruchteloos hare stralen op die tallooze ijsschotsen; zij bieden een krachtigen weerstand aan de werking der warmte, zij worden zelfs sterker en vormen uitgestrekte ijsvelden, die de vlakten in deze ijswereld zijn.
De onderzoekers der poolstreken kennen ze zeer goed, daar zij op hunne hobbelige vlakten tochten van verscheidene tientallen mijlen hebben gedaan. En deze weg is nog de beste voor de beladen sleden en de uitgeputte reizigers.
Maar zulk eene ontzaglijke ijsvlakte blijft slechts zelden lang aaneen. De Oceaan, door de lente- of de herfststormen in beweging gebracht, breekt haar door zijne machtige golven,werpt de ijsblokken tegen elkander aan en stapelt ze op elkander. Zulk eene worsteling wijzigt in eenige dagen het voorkomen van het ijsveld, zoodat het niet meer te herkennen is. In plaats van de vlakte vertoonen zich grillige opeenhoopingen, een chaos van stukken ijs, die opeengestapelde muren en bergen vormen.
Dikwijls verwijderen de groote ijsvelden, door den wind voortgestuwd, zich van elkander; dan vormen zich ledige plekken, die weldra met een mengelmoes van stukken ijs en sneeuw gevuld worden.
In den zomer of gedurende den dooi worden zulke spleten voor den onervaren reiziger een gevaarlijke strik. De winden en de stroomen drijven de massa’s ijs steeds van de eene plaats naar de andere. Alleen het ijs van het vasteland, dat de aarde met een gordel van kristal omgeeft, blijft onbeweeglijk. Deze gordel ducht den zomer niet; hij smelt wel is waar gedeeltelijk, maar verdwijnt nooit. De stralen der zon maken daarin breede spleten, gelijkende op de fjorden van Noorwegen, en door deze spleten bereikt de walvischvanger, die zijne prooi vervolgt, de kust zelf. Het ijs van het vasteland is het veiligste toevluchtsoord voor de schipbreukelingen, die aan een gebroken ijsveld ontvlucht zijn. Veel verder van de kusten bevinden zich gewoonlijk de oudste formatiën van deze doode wereld, de groote ijsvelden, die op de plateau’s van het vasteland gelijken en die dikwijls hoog boven de wateren van den Oceaan uitsteken. Vele winters hebben deze ijsmassa’s doen ontstaan.
Het ijsveld, dat omgeven is door eene keten van bergen, die op verschillende tijden ontstaan zijn, levert een onoverkomelijken hinderpaal voor de stoutmoedige reizigers op.Zelfs de orkanen, die de golven van den Oceaan opzweepen, blijven machteloos tegen deze ijsmassa’s.
De ijsvelden aan de Zuidpool hebben een woest voorkomen, dat zelfs reizigers, die aan de verschrikkingen van den Noordpooloceaan gewoon zijn, eene huivering door de leden jaagt.
Zulke hinderpalen moesten onze kloeke reizigers te boven komen om hun doel te bereiken.
Eene onoverwinlijke macht dreef kapitein Ford naar de pool. Hij kon daaraan geen weerstand bieden ondanks de gevaren, die uit de minste vertraging konden voortvloeien. Thans hadden onze reizigers nog juist den tijd om naar den ballon terug te keeren. Maar op alle bezwaren, die de ingenieur te berde bracht, antwoordde Ford slechts: „Laat mij maar alleen naar de pool gaan!” en stopte met dat antwoord den mond aan zijne metgezellen.
Een onuitputtelijke voorraad ziekelijke geestkracht en onuitbluschbaren ijver vertoonde zich eensklaps bij dezen man, die in weinige dagen grijs geworden was. Hij was onvermoeid in het beklimmen van puntige ijsblokken en stelde daarbij zijne kameraden altijd in de schaduw. James en Gromski hadden al hunne krachten noodig om hem niet uit het oog te verliezen.
Deze gejaagde reis duurde tot aan den14denJanuari. Op den middag merkte de stuurman op, dat de ijsvlakte minder afwisselend werd; de groote blokken en de lange muren, die den weg versperden, waren verdwenen; daarentegen werden de kloven steeds talrijker.
De ingenieur, door de vermoeienissen der reis uitgeput, kon zich nauwelijks meer staande houden.
„Ik kan niet verder,” zeide hij, terwijl hij tegen den ijsmuur ging aanleunen waarlangs hun weg liep.
„Ik gevoel mij ook uitgeput,” mompelde de stuurman. „Maar de kapitein zal ook wel spoedig halt houden.”
„Waarom?”
„Omdat wij ons morgen bij de zee, waar deze geheel vrij van ijs is, zullen bevinden,” antwoordde de stuurman, terwijl hij naar den horizon wees.
„En is het einde van het ijsveld nog ver hier vandaan?”
„We kunnen op zijne oppervlakte nog een dozijn kilometers afleggen en dan halt houden.”
„De kapitein moet het maar weten.”
James haalde de schouders op.
„Waarom zouden we er niet dadelijk heengaan?”
De ingenieur verwachtte geen ander antwoord van den ouden zeeman. Na een weinig op een ijsblok uitgerust te hebben, volgde hij Ford weder, die geen oogenblik bleef staan. De voorspelling van James, op de verandering van de kleur des hemels gebouwd, kwam al spoedig uit. Het ijsveld werd al minder en minder dik. Eindelijk merkte de ingenieur eene groote hoeveelheid ronde of ovale openingen op, die, zooals de ervaren James verklaarde, door zeehonden gemaakt waren, die behoefte hadden om boven het water adem te scheppen.
Deze reis over het smeltende ijs kon niet lang duren.
„Pas op, kapitein!” riep Gromski den kapitein toe, die zich al verder en verder verwijderde.
Maar Ford keerde zich zelfs niet om en liep onafgebroken voort. Verscheidene malen viel hij, maar stond onmiddellijk weder op.
Deze koortsachtige hardnekkigheid maakte de ongerustheid van zijne kameraden al meer en meer gaande.
„Maar hij zal verdrinken!” riep Gromski uit, toen hij Ford de gevaarlijke plaatsen zag naderen.
„Dan zullen wij beiden verdrinken,” antwoordde de stuurman.
Dit zeggende, volgde de oude zeeman den kapitein.
„Voorwaarts, James,” zeide Ford volijverig, toen hij den stuurman naast zich zag. „We hebben nog maar twintig kilometers af te leggen.”
„We hebben den Oceaan vóór ons, kapitein.”
„Voorwaarts, zeg ik je,” antwoordde de kapitein.
Deze hardnekkigheid maakte James wanhopig.
„Kapitein, we moeten terugkeeren,” zeide hij op een beslisten toon, terwijl hij hem den weg versperde.
„Dat nooit van mijn leven, James. We zullen tot het einde toe volhouden.”
„Het ijs is broos …”
„Ben je dan bang?” vroeg Ford op bitteren toon, terwijl hij den stuurman spottend aankeek.
„Ik?” riep de oude zeeman verontwaardigd uit, „zou ik bang zijn, kapitein?”
Dit verwijt ontwapende Ford.
„Neem mij niet kwalijk, ouwe jongen,” zeide hij, terwijl hij hem de hand drukte. „Ik weet wel, dat je, als je bang bent, voor mij bang bent. Doch wees maar gerust: ik zal, zoodra ik aan de open zee kom, terugkeeren. Men moet zich zelf niets te verwijten hebben, zie je. Vergeet verder niet, dat iedere voetstap ons nader aan de pool brengt. Zie je dien ijsberg aan den horizon?… Daar is zij!”
„Ach, hadden we maar eene kano!”
En Ford, die een oogenblik was blijven staan, wrong zich van wanhoop in de handen. Hij leed onuitsprekelijk, toen hij zich zoo nabij het doel zag, en toch moest erkennen, dat het niet te bereiken was.
„We kunnen nog twee à drie kilometers afleggen,” zeide hij. „Waar is de ingenieur?”
„Hij is achtergebleven, daar de krachten hem ontzonken zijn.”
„Hij zal wel achteraan komen. Voorwaarts, ouwe jongen.”
De stuurman zag wel in, dat geenerlei macht in staat zou wezen om den kapitein terug te houden; hij vergezelde hem dus zwijgend.
Op een afstand van een kilometer van daar vertoonde het ijsveld eenige wakken. Ford zwichtte echter niet voor deze hinderpalen. Met heldenmoed liep hij over de ijsblokken heen en bekommerde zich weinig om het gevaar. Verscheidene malen bewoog het ijs onder zijne voeten en kraakte onheilspellend. James bleef dan even stilstaan om het gewicht niet te vermeerderen. Deze gevaarlijke tocht naderde zijn einde; want eenige honderdtallen schreden van den kapitein af klotsten de golven om het ijsveld heen. Het ijsveld, waarop de beide zeelieden zich bevonden, bewoog zich even onder den invloed der golven.
Toen bleef Ford stilstaan en vestigde den blik op de vloeibare vlakte, als wilde hij daarop het geheimzinnige punt ontdekken, dat het doel van al zijn streven was.
„Twee mijlen, slechts twee mijlen! En het is onmogelijk, een stap verder te doen,” mompelde hij. „Ach!”
En bij dezen uitroep, waaruit zijne eigen onmacht bleek,wilde de kapitein zich de haren van wanhoop uit het hoofd rukken.
„Kapitein!” riep James met tranen in de oogen, terwijl hij naar hem toe ging en hem de hand toestak.
Maar Ford antwoordde niet. Onversaagd ging hij de golven te gemoet.
Eensklaps brak de broze ijskorst en verdween de kapitein onder het ijs.
Duizend kilometers boven den Zuidpooloceaan af te leggen, door te dringen tot de geheimzinnige diepten van het zuidelijk vasteland, dat zonder eenigen twijfel het ontoegankelijkste gedeelte van onze planeet is, zich eindelijk een weg te midden van het poolijs te banen,—dat zijn zonder twijfel heldendaden, waardig om in de geschiedenis der ontdekkingsreizen geboekstaafd te worden. Het scheen, dat de mannen, die deze heldendaad hadden weten te volbrengen, het vurig verlangde doel moesten bereiken. Intusschen geschiedde dit niet. Onze reizigers moesten, na ontzaglijke hinderpalen te boven gekomen te zijn, zwichten voor iets, dat schijnbaar het onbeduidendste van alles was, voor het water. Hun bewonderenswaardige luchtballon, die bestemd was om zich door de lucht voort te stuwen, kon hen niet tot het gewenschte doel voeren. Kapitein Ford had alle pogingen aangewend om het recht te hebben, de woorden uit te spreken:
„Hier is de Zuidpool: zij bevindt zich vlak onder mijne voeten!”
Hij zou zijn wetenschappelijk fanatisme zeker met zijn leven geboet hebben, indien niet de stuurman hem met eigen levensgevaar had gered.
Het einde van het ijsveld was tevens het einde van de reis onzer helden.
Ford zag dit zelf in, en de eerste woorden, die hem van de lippen kwamen, toen hij uit eene langdurige bewusteloosheid ontwaakte, waren deze:
„Laat ons terugkeeren, kameraden.”
Op den 15denJanuari, op den middag, richtte de kapitein met eene hand, trillende van ontroering, den sextant naar de poolzon om met zooveel zekerheid, als maar mogelijk was, het punt te bepalen, dat zij bijna bereikt hadden. Het was een plechtig oogenblik. Nadat de waarnemingen gedaan waren, zette de ingenieur midden op de kaart van het zuidelijke halfrond een kruisje; dit bevond zich nog geen twee geographische mijlen van de Zuidpool.
De stuurman had het hoofd afgewend en stortte tranen.
Waren het tranen van vreugde of van teleurgestelde hoop? Wat Gromski aangaat, zijne borst zwol van trots en van blijdschap. De ingenieur nam de dingen, zooals zij waren; er was in hem niets van dat overdrevene, dat den kapitein kenmerkte. Wat hij verricht had, was hem voldoende. Nu had hij slechts één wensch, en wel de tijding van zijn schitterenden tocht zoo spoedig mogelijk wereldkundig te maken.
Na eene rust van twaalf uren richtten onze reizigers zich naar het Noorden en deden hun uiterste best om den ballon terug te vinden. De ingenieur maakte zich niet weinig bekommerd over den toestand van den luchtballon. Zou het gas er nog niet uit ontsnapt zijn? Zouden zij niet te laat komen?—Deze gedachten hielden Gromski voortdurend bezig: hij had een voorgevoel van een gevaar. De taaie volhardingvan den kapitein kon noodlottige gevolgen hebben, zoowel voor hem zelf als voor zijne kameraden.
Daar onze reizigers er tegen opzagen, opnieuw een tocht door de keten van ijsbergen te doen, richtten zij zich een weinig naar het Oosten, in de hoop, dat zij ze zijdelings zouden kunnen laten liggen.
Op den derden dag echter kwamen zij tot de overtuiging, dat de nieuwe weg veel moeilijker was dan de oude. De keten van ijsbergen strekte zich wel is waar niet ver uit; maar het ijsveld eindigde op 15 kilometers ten Oosten. Toen onze reizigers deze grens bereikt hadden, kwamen zij aan een echten doolhof van ontzaglijk poolijs. Al de vermoeienissen en al de bezwaren, waaraan zij tot dusverre blootgesteld waren geweest, waren slechts eene kleinigheid in vergelijking met hetgeen zij nu te verduren hadden. Zij klommen met moeite van het eene ijsblok op het andere. De Zuidpooloceaan vertoonde zich aan onze drie helden in al zijne verschrikkelijkheid. Deze terugreis was slechts eene onafgebroken en hevige worsteling tegen de natuurkrachten,—eene worsteling, waarbij bloedige gevechten, met de wapenen in de hand, slechts kinderspel zijn. Dáár is slechts eene oogenblikkelijke opgewondenheid noodig om de overwinning te behalen, eene opgewondenheid, die met den kruitdamp verdwijnt. Hier wordt eene geestkracht vereischt, die aan alles weerstand biedt, een ijzeren wil. De ingenieur en zijne metgezellen gevoelden zich nu sterk genoeg om aan alle gevaren der reis het hoofd te bieden; zij werden weder bezield met de hoop, den luchtballon spoedig te bereiken en onmiddellijk het Land des Doods te verlaten.
Maar op den 19den, na een vermoeienden tocht van driedagen, waren onze reizigers nog niet verder dan 10 kilometers gevorderd.
Het is dus niet te verwonderen, dat de twijfel langzamerhand hunne harten binnensloop, om eindelijk tot volslagen wanhoop over te gaan. Gedurende de volgende dagen vorderde men nog minder dan vroeger.
Van den top van een ijsblok zagen zij nog zonder moeite de plaats, die zij sedert 24 uren hadden verlaten. Dikwijls moesten zij, na een geheelen dag tusschen de ijsblokken voortgetrokken te zijn, een anderen weg zoeken.
Op den 23stenbevonden onze reizigers zich, na 2 kilometers over de woeste ijsvelden afgelegd te hebben, eensklaps vóór eene breede kloof. Op een afstand van ongeveer 20 meters kwam uit de sluimerende wateren van den Oceaan een oud ijsveld te voorschijn, dat door reusachtige ijsbergen omgeven was. De ingenieur zocht vruchteloos de plaats, waar de twee ijsvelden zich met elkaar vereenigden. Men liep langs de kloof heen, maar was genoodzaakt, na verloop van eenige uren terug te keeren, daar de kloof al breeder en breeder werd.
„We moeten er, denk ik, overheen zwemmen,” zei de ingenieur, terwijl hij bleef stilstaan. „Het koude water zal ons zeker geen goed doen, maar ik zie er geen ander middel op. Wat dunkt u er van, kapitein?”
Ford haalde onverschillig de schouders op.
„Wat mij aangaat, ik doe geen stap verder: het is tijd om er een einde aan te maken. Waarom zich met illusiën te vleien, Mijnheer? Uw ballon bevat sedert twee weken geen enkelen kubieken meter gas meer! Ik geef er dan nog maar de voorkeur aan, in de nabijheid van de pool te sterven.”
De kapitein zeide dit op een kalmen, gelaten toon, die het bloed in de aderen van Gromski deed stollen.
Ja! Waarom zich met eene ijdele hoop te vleien? Drie weken waren er verloopen sedert het oogenblik, waarop men den luchtballon had verlaten. De ingenieur erkende in den grond zijns harten, dat de voorspellingen van den kapitein juist waren. Nochtans beschouwde hij het als zijn plicht, den moed zijner kameraden staande te houden.
„Ik heb de ondoordringbaarheid van het omhulsel van mijn luchtballon niet nauwkeurig genoeg vastgesteld,” zeide hij. „Misschien heeft hij slechts een derde gedeelte van zijn gas ingehouden. Dan zullen wij in geval van nood een anderen, lichteren dienen te vervaardigen, dan zullen wij den stoomketel en de machine wegwerpen.…”
„Dat alles is slechts eene illusie,” viel Ford hem in de rede. „Zulk een luchtballon zal nimmer drie menschen kunnen dragen. Keer zelf terug, als ge kunt, Mijnheer. Wat mij aangaat, ik blijf hier.”
Het gelukte Gromski echter, de moedeloosheid van zijn metgezel te overwinnen.
Nadat onze reizigers de kloof overgegaan waren met behulp van een touw, dat van den eenen kant naar den anderen als een hangende brug gespannen was, begaven zij zich weder over de maagdelijke ijsvelden op weg.
Als de ingenieur de vermagerde en wanhopige gezichten van zijne metgezellen gadesloeg, dan verweet hij zich de lichtvaardigheid, waarmee hij hunne hoop had staande gehouden. Maar bij eenig nadenken overtuigde hij er zich van, dat er in zijn eigen hart eene hoop leefde, die door geenerlei redeneering kon uitgebluscht worden.—Als het gas nog eensniet was ontsnapt, dank zij de dunne laag aluminium, waarmee het omhulsel bedekt was!.…
Onze reizigers gingen de kloof over. Blz. 194.Onze reizigers gingen de kloof over. Blz. 194.
Onze reizigers gingen de kloof over. Blz. 194.
Door deze gedachte bezield, liep Gromski met vasten stap voort, beklom het eerst de ijsblokken, vond doortochten te midden van den chaos van ijsvelden en moedigde met woorden en gebaren den kapitein en James aan. Deze uiterste pogingen zouden echter tot niets geleid hebben, indien niet een toeval onze reizigers op den goeden weg had gebracht. Het bleek inderdaad, dat het oude ijsveld, hetwelk men met zooveel moeite overgestoken was, aan een ander grensde, dat zich ver naar het Noorden uitstrekte.
Op den 24stenvertoonden de omtrekken der rotsen op de kust, te midden waarvan de ballon zich bevond, zich eindelijk aan den horizon. De poolzon wees aan, dat het juist middernacht was, toen onze drie vrienden op eene kaap aankwamen, die omstreeks twintig meters boven het oppervlak van den Oceaan verheven was, en van welken top de kapitein zonder moeite het uitgestrekte ijsveld met zijne noodlottige keten van bergen kon onderscheiden.
Zij legden den kleinen afstand, die hen van den ballon scheidde, zonder al te veel moeite langs de kust af, over het ijs van het vasteland, dat de rotsen omgaf. Nadat de ingenieur zijne metgezellen vooruitgegaan was, beklom hij met een kloppend hart den heuvel, liep over de rotsen heen en bleef plotseling onbeweeglijk als een standbeeld nabij de plaats staan, waar de luchtballon door hen achtergelaten was.
In plaats van het reusachtige lichaam van den ballon lag er eene vormlooze massa op den grond, een berg van verfrommeld doek, waaruit de uiteinden van het ledigeschuitje te voorschijn kwamen. Gromski bekwam eerst van zijne verbazing, toen Ford hem de hand op den schouder legde.
„Ha, ha, ha!” zeide hij, terwijl hij in een akelig gelach uitbarstte. „Uw ballon heeft zijne ziel verloren! Welnu, geef mij de hand! We zullen hier te zamen blijven op den afstand van een halven graad van de Zuidpool!”