TWAALFDE HOOFDSTUK.

TWAALFDE HOOFDSTUK.TWAALFDE HOOFDSTUK.In de landen van eeuwig ijs.Onze reizigers hadden zich niet op een tocht over het ijs ingericht. Tochten van dien aard, welke men gewoonlijk onderneemt om het inwendige van een vasteland te onderzoeken, worden gewoonlijk met behulp van sleden, die met honden of rendieren bespannen zijn, afgelegd. Men neemt dan levensmiddelen, brandstoffen, wapenen, een kano, voeder voor de dieren en andere voorwerpen mede, waar men in de poolstreken onmogelijk buiten kan.Maar onze helden hadden niets anders dan een kleinen voorraad vleesch; gelukkig dat zij hunne warme bonten kleederen en hunne stevige laarzen behouden hadden; zonder deze zouden zij zelfs niet aan een tocht over de ijsvelden hebben kunnen denken. Op raad van James sloeg men in de zolen groote spijkers om niet op de gladde ijsvelden uit te glijden; bovendien had de stuurman van drie dikke stokken, die hij uit het schuitje gehaald had, lichte rottingen vervaardigd, waaraan hij ijzeren punten vastmaakte om bij het neerdalen langs de ijsvelden tot steun te dienen.De kapitein splitste de helft van het vleesch in 60 rantsoenen, die hij onder de drie reizigers verdeelde. De andere helft, die overbodig werd geacht, werd in het schuitje achtergelaten. Eene kleine flesch brandewijn en wat beschuit voltooiden dezen bescheiden voorraad. Ford vestigde de meeste aandacht op de instrumenten, noodig voor astronomische en meteorologische waarnemingen, en er werd besloten, dat men den sextant, de chronometers, een metaalbarometer, een thermometer en een hygrometer zou meenemen. De kapitein belastte zich met den sextant en de chronometers, de ingenieur nam de meteorologische instrumenten voor zijne rekening, en de stuurman al het overige en bovendien een touw, dat, naar hij zeide, veel dienst zou kunnen doen.Nadat de kapitein met de toebereidselen gereed was, vertrok men denzelfden dag, ’s avonds om zeven uur.Om den tocht gemakkelijker te maken, verwijderde Ford zich een weinig van de kust, die door ijsvelden doorsneden was. Onze reizigers liepen gedurende drie uren achter elkaar over de bevroren sneeuw. Om tien uur sloeg de kapitein eensklaps naar het Zuiden af en bleef na verloop van eenige minuten op eene rots staan, vanwaar men het uitzicht op het strand had.Toen de ingenieur de sombere vlakten uit zijn ballon gadesloeg, had hij geoordeeld, dat het Land des Doods eene woestijn was. Thans zag hij, dat het planten- en dierenrijk zelfs hier hunne vertegenwoordigers vonden. Uit het dierenrijk waren vooral de zeevogels in ruimen overvloed voorhanden. Achter den kapitein aan liep Gromski letterlijk over tallooze nesten, die de rotsen van de kust bedekten: vetganzen, duikelaars en meeuwen bevolkten alle toppen.Deze luidruchtige menigte sloeg geenerlei acht op onze helden; om er doorheen te komen, waren zij verplicht, zich met behulp van hunne stokken een weg te banen. De mensch, de meest verbitterde vijand van de andere levende wezens, had zich blijkbaar in dit gedeelte der wereld nog niet aan zijne moorddadige aanslagen overgegeven. De natuur verkeerde er nog geheel en al in een maagdelijken toestand.James verzekerde, dat de eieren der vetganzen zeer goed eetbaar zijn, en toen hij er verscheidene, blijkbaar nog versche, gevonden had, verorberde hij ze met smaak. De ingenieur liet zich, ondanks alle aanbevelingen van den stuurman, niet bewegen om van deze spijs te gebruiken.Eene dikke laag guano, gedurende eeuwen door duizenden millioenen vogels opgestapeld, bedekte de oppervlakte der rotsen. Uit den aldus bemesten grond staken armzalige voortbrengselen uit het plantenrijk aan de pool hier en daar het hoofd op, te midden van een mostapijt. Het groen van deze kleine plantjes stak aangenaam af op den eentonigen grond van ijs en rotsen.Van het punt, waar Ford even bleef staan, kon men eene vrij groote uitgestrektheid overzien. Aan den voet der rotsen strekte de Oceaan zijne gestremde vlakte uit. Aldaar begon het ijsveld, dat de kapitein ontdekt had. Aan gene zijde der hooge bergen vertoonde zich de betrekkelijk effen oppervlakte van ijs, door den mist aan den horizon beperkt.Ford haalde zijn verrekijker uit den zak en begon in dezen chaos een zoo gemakkelijk mogelijken doortocht te zoeken.„Het komt mij voor, dat het ijsveld zich minstens 40 kilometers aan gene zijde van de kust uitstrekt,” zeide hij, zich tot den ingenieur wendende; „ik moet u eens doenopmerken, hoe men, naar de kleur van de lucht te oordeelen, van verre kan onderscheiden, welk soort van ijs de oppervlakte van den Oceaan bedekt. Wij, zeelieden, doen op onze reizen dikwijls ons voordeel met deze kenteekenen. Ziet ge die geelachtige strook wel? Dat is een zeker bewijs van de nabijheid van een ijsveld. Als de Oceaan niet bevroren was, zou hij aan den horizon een saffieren tint gegeven hebben. Het ijs, dat in beweging is, werpt op den hemel eene blauwe kleur, en het jonge ijs, dat zich in den herfst gevormd heeft, verraadt zich door eene grijsachtige kleur.”„Is het ijs hier dik?”„Het zou wel een geheel leger kunnen dragen. Ge weet zeker wel, dat kanonnen zonder het minste gevaar over eene laag van zes duim dikte overgebracht kunnen worden. Het ijsveld, dat we onder onze voeten hebben, heeft zonder eenigen twijfel eene dikte van drie à vier meters, ofschoon het sedert eene maand aan de warmte der zon blootgesteld is geweest.”Nadat de kapitein den besten weg gekozen had, zette men den tocht voort. Gromski liep achter hem en keek met nieuwsgierigheid naar het ijsveld, waarop zich hier en daar ijsblokken verhieven, die op ontzaglijke massa’s kristal geleken. Zij vertoonden op hunne kruinen en zelfs op hunne zijden groote stukken doleriet. Ford verklaarde, dat die steenen daar aangevoerd waren door het ijsveld, dat van den berg neergedaald was. Over ’t algemeen ontrukken de ijsvelden aan hunne bedding rotsblokken en stuwen ze naar zee. De ijsbergen, door den wind naar warme luchtstreken meegevoerd, smelten langzamerhand en doen deze steenen in zee vallen. Dikwijls hebben wetenschappelijke onderzoekersuit de diepten van den Oceaan ontzaglijke rotsblokken opgehaald, die verscheidene duizenden kilometers van daar verwijderd zijn.De warme stralen der zon deden in deze ijsmassa’s zonderlinge geluiden ontstaan. De ingenieur zag al spoedig in, dat de oorzaak van dit verschijnsel de warmte was, die de ijsblokken deed uitzetten en in allerlei richtingen uiteenspatten, terwijl het water ze eindelijk geheel deed breken.Onze reizigers, die verplicht waren, ieder oogenblik een ijsblok om te loopen, legden dientengevolge zeker wel het dubbele van den weg af. De oppervlakte van het ijsveld werd al meer en meer oneffen. Dikwijls kon men geen stap meer doen zonder behulp van den met ijzer beslagen stok. De reizigers ontmoetten nu en dan breede spleten, waarover zij moesten heenspringen op gevaar af om er in te vallen.Na verloop van vijf uren waren allen, zelfs de stoere James, uitgeput van vermoeienis. Op voorstel van den ingenieur besloot men dus, halt te houden en een weinig te eten.„Ik dacht niet, dat wij zóó spoedig moede zouden worden,” zeide Gromski, terwijl hij zich aan den voet van een ijsblok neerzette.„De reizen in de poolstreken zijn altijd zeer vermoeiend,” antwoordde de kapitein. „Ik heb gelegenheid gehad, die ervaring op mijne drie tochten naar de Noordpool op te doen. Verscheidene oorzaken werken samen om ze bezwaarlijk te maken, en in de eerste plaats de koude. De physiologie leert ons, dat de warmte van een levend wezenvoortkomt uit de oxydatie van de koolstof, die door de spijzen in het lichaam gebracht wordt. Om de ontzaglijke physiologische verliezen te vergoeden, die uit de uitstraling van het lichaam bij eene lage temperatuur voortvloeien, zijn de bewoners der poolstreken genoodzaakt, veel meer vet te gebruiken dan de bewoners van warme luchtstreken. Ik verzeker u, dat de Eskimo’s eene hoeveelheid vetstoffen en vleesch gebruiken, die geen Europeaan zou kunnen verteren. Het lichaam heeft in de noordelijke streken veel koolstof noodig; anders zou het spoedig zijne krachten verliezen. Het magere vleesch, dat wij nuttigen, is een onvoldoend voedsel in de poolstreken, vooral wanneer men ze te voet doorkruist. Behalve de koude komt eene andere oorzaak van uitputting voort uit allerlei hinderpalen, zooals de oneffenheden van het ijs en de opeenhoopingen van sneeuw, waarvan het overtrekken, vooral met eene slede, gewoonlijk met groote bezwaren gepaard gaat.”„Naar mijne meening,” zeide Gromski, „bestaat er nog een hinderpaal, waarvan de Zuidpoolreizigers gewag maken. Wij weten, dat de beweging der aarde om hare as eene middelpuntvliedende beweging veroorzaakt, die het gewicht der voorwerpen, welke zich op de oppervlakte bevinden, vermindert. In de nabijheid der polen, waar de snelheid der omwenteling onbeduidend is, is deze kracht zeer gering, en bijgevolg weegt ieder voorwerp in de poolstreken zwaarder dan op de evennachtslijn: daaruit volgt, dat het aan menschen en dieren meer inspanning kost om zich aldaar te verplaatsen dan in warmere streken. Dit verklaart ons, waarom de reizen in deze streken zoo vermoeiend zijn.”„Zeker, Mijnheer,” zeide Ford. „Intusschen moet mendit niet overschatten. Ieder lichaam weegt aan de pool 1⁄280 meer dan op de evennachtslijn, zoodat bijvoorbeeld het gewicht van mijn lichaam met 300 à 400 grammen vermeerderd wordt. Zulk een gering verschil komt bijna niet in aanmerking. Maar toch erken ik, dat het feit, door u vermeld, de som der bezwaren vermeerdert, waartegen men in de poolstreken te kampen heeft.”„We zullen voor geenerlei bezwaar terugdeinzen!” riep James uit.Terstond na het gebruik van een karigen maaltijd begaf men zich opnieuw op weg. Ford berekende, dat men zich niet meer dan 5 à 6 kilometers van de kust verwijderd had. Allengs werd het ijsveld al hobbeliger en hobbeliger. De ervaren blik van den kapitein zag in de grillige omtrekken daarvan de sporen van de opeenhoopingen van ijs, die zich gedurende den winter gevormd hadden. Van tijd tot tijd ontmoetten onze reizigers onoverkomelijke ijsbergen. Ontzaglijke ijsblokken, ter dikte van verscheidene honderden meters, hadden zich in eene woeste wanorde opeengestapeld. Deze riepen aan James het treurige voorval op zijne laatste reis in het geheugen terug, toen deNarwalgeheel door het ijs verpletterd werd.„Ik zie ons ongelukkig schip nog, zooals het op het laatste oogenblik was,” zei de oude zeeman. „Ge moet namelijk weten, Mijnheer Gromski, dat de voorlaatste winter zóó vroeg ingevallen was, dat we den tijd niet hadden gehad om eene veilige schuilplaats op te zoeken. Ons schip was, zonder dat we er eenig vermoeden op hadden, midden in een breed kanaal ingevroren, en nooit is het weer uit het ijs los kunnen raken. December en Januarigingen zonder merkwaardige voorvallen voorbij. We wachtten met ongeduld de lente af, die echter, in plaats van deNarwaluit het ijs los te maken, haar geheel verpletterde. Het was op het einde van Februari. Ik herinner mij alles nog zoo goed, alsof het eerst gisteren gebeurd was. We speelden een komediestukje in de groote kajuit. Iedereen lachte zich slap bij het zien van het spel van Bob, onzen kok, die er dan al bijzonder den slag van had, toen we eensklaps een dof gekraak in de balken van ons schip hoorden. We vlogen naar het verdek. Een hevige wind blies uit het Noorden. Het was vinnig koud. Het ijsveld, dat zich om het schip heen gevormd had, trilde en barstte met een ontzettend gedruisch uit elkaar. Op een afstand van tien schreden van ons ontstond er een breede kloof; maar het ijs vulde deze onmiddellijk aan. Eenige uren daarna barstte ons ijsveld in wel twintig stukken, die zich door den aandrang van het ijs in den omtrek opeenstapelden. In een oogwenk hoopte zich eene ontzettende hoeveelheid ijs rondom deNarwalop, en deze opeenhooping werd langzamerhand al hooger en hooger. De armeNarwalmoest het zeker zwaar te verantwoorden hebben; want zij zuchtte en kermde letterlijk als een mensch.„Ieder oogenblik drong er iets met een vervaarlijk gedruisch in hare voegen door. De kapitein beval, de levensmiddelen, de brandstoffen en de sleden over te brengen naar de nog gladde ijsvlakte, die echter merkbaar al kleiner en kleiner werd. We bouwden eene hut, en we hadden daarin nog pas eene schuilplaats gevonden, of een ontzaglijke ijsberg kwam er tegen aan en sneed haar letterlijk doormidden. Dit ongeval kwam ons op het verlies van twee matrozenen een aanzienlijk gedeelte van onze levensmiddelen te staan. Om niet alles te verliezen, verdeelden we onzen voorraad en legden dezen op verschillende plaatsen neer.„Intusschen stapelden de ijsbergen zich al meer en meer in de nabijheid van het schip op. Den volgenden dag staken zij al een heel eind boven het verdek uit. Aan den anderen kant van het schip vormden zich insgelijks ontzettende ijsbergen. We zagen, dat zij onze ongelukkigeNarwalal meer en meer naderden, en we konden er toch niets aan doen. Wat vermag menschelijke kracht in dergelijke omstandigheden? Kort daarop wakkerde de storm tot een orkaan aan, en nu had het laatste uur voor ons schip geslagen. Ge hadt eens moeten zien, wat de „ijsduivel” toen deed. Hij brak het ijsveld in honderd stukken, die hij met een geweldig gedruisch op elkaar wierp. Overal hoorden we gekraak, overal een geluid als van donderslagen; het was, alsof het einde der wereld nabij was. We wachtten in onze sloepen het oogenblik af, waarop alles aan stukken zou breken. Niemand deed gedurende drie dagen een oog dicht, allen luisterden wij met eene ziel, door smart verscheurd, naar de angstkreten, waarmee ons schip onze hulp scheen in te roepen. We achtten het reeds geheel verloren. Eensklaps ontstond er in het schip eene scheur, die bij den boegspriet begon; vervolgens stortte de ijsmuur zich op het verdek neer en was het schip geheel door het ijs omgeven. Eensklaps deed zich een verschrikkelijk gekraak hooren: het verdek was ingestort, evenals een dak, dat bij een brand naar beneden valt. Na verloop van eenige oogenblikken zagen we niets meer van het schip dan een hoop vaneengespleten balken en den grooten mast, die zich te midden van het ijsomhoog hief,als de hand van een drenkeling, die zich om hulp uitstrekt. De kapitein, ik en de helft van onze bemanning stortten bij het zien van deze verwoesting tranen. Toen de orkaan ging liggen en de „ijsduivel” zijne woede op het schip had gekoeld, was er geen spoor van onzeNarwalmeer te zien.”Deze eenvoudige woorden van den stuurman verrieden eene gelaten onderwerping, wars van hartstocht of van toorn. De kloeke stuurman was er blijkbaar aan gewoon geraakt, zich in alles te schikken, zonder ooit zijne kalmte van gemoed te verliezen.Gedurende dit verhaal bemerkten onze reizigers, nadat zij eenige honderden meters hadden afgelegd, een keten van ijsbergen, die den horizon aan den kant van het Zuiden aan het oog onttrokken. Ford zag, toen hij door zijn verrekijker naar deze keten keek, dat zij samengesteld was uit ontzaglijke ijsblokken, die zich opeengestapeld hadden. Zulke ijsbergen over te steken was niet zonder gevaar, zooals Ford bij ervaring wist. Verkieslijker was het, er omheen te loopen. Maar bij nader onderzoek bleek, dat deze ijsbergen zich zoover uitstrekten, als het gezicht reikte. Men was dus wel genoodzaakt, ze over te trekken.„We zullen een moeilijken en gevaarlijken tocht te doen hebben,” zei de kapitein, zich tot zijne kameraden wendende.Een halfuur daarna bereikte het gezelschap de keten. Reuzen van ijs verhieven zich ten hemel als de phantastische overblijfselen van eene marmeren stad, die door eene hevige aardbeving verwoest is. De toppen van sommige bergen verhieven zich wel 100 meters boven het oppervlak van den Oceaan.Onze reizigers hadden op een afstand van eenige honderden schreden van de keten halt gehouden; zij keken verwonderd naar de grillige vormen, die deze blokken kristal hadden aangenomen. En uit dien chaos deed zich een oorverdoovend gedruisch hooren, dat nu eens aan de ontploffing van een mijn, dan weer aan salvo’s van het geschut deed denken. Op een afstand van ongeveer twintig schreden lagen rondom iederen berg ijsblokken, dikwijls van een kolossalen omvang.Het is dus niet te verwonderen, dat het onzen reizigers aan moed ontbrak, zich in dien chaos te wagen, waar zich zoo lichtelijk een doodelijk voorval kon voordoen. Ford begaf zich langs de keten op weg, eene spleet zoekende, waar zij doorheen zouden kunnen gaan.„’t Is zonderling, dat zulk eene massa ijs zich op dezelfde plaats heeft opgestapeld!” zeide Gromski.„Naar hunne hoogte te oordeelen,” zeide Ford, „moeten ze wel 500 à 600 meters onder water zitten, daar een ijsberg ternauwernood voor een zesde gedeelte boven het water uitsteekt.”De waarnemingen van Ford bevestigden het feit, dat de hoogste ijsbergen zich op de kust van het vasteland bevinden; de andere, die zich achter deze vertoonden, waren lager.Ondanks de nasporingen, die een geheelen dag duurden, konden onze reizigers noch een doortocht noch een ravijn ontdekken. De stuurman merkte zelfs op, dat de keten al breeder en breeder werd, naarmate men naar het Oosten voorttrok. Men wendde zich dus naar het Westen en onderzocht zorgvuldig iedere kloof, die men zag.„Als de zon zich gedurende eenige uren achter de wolkenverschool, zou het ijs ophouden te smelten en zouden wij zonder gevaar verder kunnen gaan. Ongelukkig is de lucht helder en rijst de barometer. We moeten dus eene hoogte zien over te komen, als we onzen tijd niet met wachten willen verspillen.”„Ik ben klaar,” zeide Gromski.„Komaan, kapitein,” voegde James er bij. „Op een afstand van tweehonderd schreden van hier zie ik een spleet tusschen twee bergen; deze moet ons, dunkt mij, naar den anderen kant brengen.”De oude stuurman ging naar de keten van ijsbergen toe en bleef al spoedig bij een blok staan, dat veel overeenkomst met een obelisk had; daarnaast verhief zich eene vormlooze massa met scherpe kanten. De beide ijsbergen waren door een ravijn van elkaar gescheiden.Het drietal ging deze in; maar de stukken ijs maakten den weg moeilijk. Somtijds hoorden onze reizigers het dof gedruisch van vallende ijsblokken. Gelukkig duurde de tocht door het ravijn slechts kort: men bevond zich na verloop van eenige minuten op eene kleine vlakte, die echter aan alle kanten door ijsbergen omgeven was.„Drommels!” mompelde James, „we hebben het einde nog niet!”„Voorwaarts! Volgt mij!” zeide Ford kortaf.Hij snelde haastig naar het naastbijliggende ijsblok, waar zich weder eene spleet bevond; maar na omstreeks 15 meters afgelegd te hebben, moest hij wel blijven staan.„Welnu, wat is er?” vroeg Gromski.„Geen doorgang,” antwoordde deze, van vermoeienis hijgende. „We moeten terugkeeren.”„Eindigt de kloof daar?”„Neen, maar het is onmogelijk, verder door te dringen.”Daarop begon Ford terug te keeren; zijne metgezellen, die niet rechtop konden staan, kropen op handen en voeten naar den uitgang.Nadat zij op deze manier eene ruimere plaats hadden bereikt, wilde James weder opstaan. Plotseling deed zich een geweldig gedruisch hooren, de wanden der kloof werden door een verwonderlijken schok aangegrepen, en nu stortte zich een stroom ijskoud water in de kloof en maakte onze reizigers van het hoofd tot de voeten nat.„Wat is er, James?” riep Ford, terwijl hij zich de oogen uitwreef.De stuurman, die reeds een weinig bekomen was van den schrik, die zich bij dit onverwachte stortbad van hem meester gemaakt had, liep haastig vooruit en verdween achter een hoek van de kloof.De ingenieur, die een voorgevoel van eenig ernstig gevaar had, wilde zich zelf rekenschap geven van hetgeen er gebeurd was. Maar nauwelijks had hij eenige schreden gedaan, of hij zag James roerloos naast een ontzaglijk ijsblok neerzitten.„Wat beteekent dat, James?” vroeg hij hem.„We zijn tusschen vier muren ingesloten,” antwoordde de stuurman, zonder zich om te keeren.

TWAALFDE HOOFDSTUK.TWAALFDE HOOFDSTUK.In de landen van eeuwig ijs.Onze reizigers hadden zich niet op een tocht over het ijs ingericht. Tochten van dien aard, welke men gewoonlijk onderneemt om het inwendige van een vasteland te onderzoeken, worden gewoonlijk met behulp van sleden, die met honden of rendieren bespannen zijn, afgelegd. Men neemt dan levensmiddelen, brandstoffen, wapenen, een kano, voeder voor de dieren en andere voorwerpen mede, waar men in de poolstreken onmogelijk buiten kan.Maar onze helden hadden niets anders dan een kleinen voorraad vleesch; gelukkig dat zij hunne warme bonten kleederen en hunne stevige laarzen behouden hadden; zonder deze zouden zij zelfs niet aan een tocht over de ijsvelden hebben kunnen denken. Op raad van James sloeg men in de zolen groote spijkers om niet op de gladde ijsvelden uit te glijden; bovendien had de stuurman van drie dikke stokken, die hij uit het schuitje gehaald had, lichte rottingen vervaardigd, waaraan hij ijzeren punten vastmaakte om bij het neerdalen langs de ijsvelden tot steun te dienen.De kapitein splitste de helft van het vleesch in 60 rantsoenen, die hij onder de drie reizigers verdeelde. De andere helft, die overbodig werd geacht, werd in het schuitje achtergelaten. Eene kleine flesch brandewijn en wat beschuit voltooiden dezen bescheiden voorraad. Ford vestigde de meeste aandacht op de instrumenten, noodig voor astronomische en meteorologische waarnemingen, en er werd besloten, dat men den sextant, de chronometers, een metaalbarometer, een thermometer en een hygrometer zou meenemen. De kapitein belastte zich met den sextant en de chronometers, de ingenieur nam de meteorologische instrumenten voor zijne rekening, en de stuurman al het overige en bovendien een touw, dat, naar hij zeide, veel dienst zou kunnen doen.Nadat de kapitein met de toebereidselen gereed was, vertrok men denzelfden dag, ’s avonds om zeven uur.Om den tocht gemakkelijker te maken, verwijderde Ford zich een weinig van de kust, die door ijsvelden doorsneden was. Onze reizigers liepen gedurende drie uren achter elkaar over de bevroren sneeuw. Om tien uur sloeg de kapitein eensklaps naar het Zuiden af en bleef na verloop van eenige minuten op eene rots staan, vanwaar men het uitzicht op het strand had.Toen de ingenieur de sombere vlakten uit zijn ballon gadesloeg, had hij geoordeeld, dat het Land des Doods eene woestijn was. Thans zag hij, dat het planten- en dierenrijk zelfs hier hunne vertegenwoordigers vonden. Uit het dierenrijk waren vooral de zeevogels in ruimen overvloed voorhanden. Achter den kapitein aan liep Gromski letterlijk over tallooze nesten, die de rotsen van de kust bedekten: vetganzen, duikelaars en meeuwen bevolkten alle toppen.Deze luidruchtige menigte sloeg geenerlei acht op onze helden; om er doorheen te komen, waren zij verplicht, zich met behulp van hunne stokken een weg te banen. De mensch, de meest verbitterde vijand van de andere levende wezens, had zich blijkbaar in dit gedeelte der wereld nog niet aan zijne moorddadige aanslagen overgegeven. De natuur verkeerde er nog geheel en al in een maagdelijken toestand.James verzekerde, dat de eieren der vetganzen zeer goed eetbaar zijn, en toen hij er verscheidene, blijkbaar nog versche, gevonden had, verorberde hij ze met smaak. De ingenieur liet zich, ondanks alle aanbevelingen van den stuurman, niet bewegen om van deze spijs te gebruiken.Eene dikke laag guano, gedurende eeuwen door duizenden millioenen vogels opgestapeld, bedekte de oppervlakte der rotsen. Uit den aldus bemesten grond staken armzalige voortbrengselen uit het plantenrijk aan de pool hier en daar het hoofd op, te midden van een mostapijt. Het groen van deze kleine plantjes stak aangenaam af op den eentonigen grond van ijs en rotsen.Van het punt, waar Ford even bleef staan, kon men eene vrij groote uitgestrektheid overzien. Aan den voet der rotsen strekte de Oceaan zijne gestremde vlakte uit. Aldaar begon het ijsveld, dat de kapitein ontdekt had. Aan gene zijde der hooge bergen vertoonde zich de betrekkelijk effen oppervlakte van ijs, door den mist aan den horizon beperkt.Ford haalde zijn verrekijker uit den zak en begon in dezen chaos een zoo gemakkelijk mogelijken doortocht te zoeken.„Het komt mij voor, dat het ijsveld zich minstens 40 kilometers aan gene zijde van de kust uitstrekt,” zeide hij, zich tot den ingenieur wendende; „ik moet u eens doenopmerken, hoe men, naar de kleur van de lucht te oordeelen, van verre kan onderscheiden, welk soort van ijs de oppervlakte van den Oceaan bedekt. Wij, zeelieden, doen op onze reizen dikwijls ons voordeel met deze kenteekenen. Ziet ge die geelachtige strook wel? Dat is een zeker bewijs van de nabijheid van een ijsveld. Als de Oceaan niet bevroren was, zou hij aan den horizon een saffieren tint gegeven hebben. Het ijs, dat in beweging is, werpt op den hemel eene blauwe kleur, en het jonge ijs, dat zich in den herfst gevormd heeft, verraadt zich door eene grijsachtige kleur.”„Is het ijs hier dik?”„Het zou wel een geheel leger kunnen dragen. Ge weet zeker wel, dat kanonnen zonder het minste gevaar over eene laag van zes duim dikte overgebracht kunnen worden. Het ijsveld, dat we onder onze voeten hebben, heeft zonder eenigen twijfel eene dikte van drie à vier meters, ofschoon het sedert eene maand aan de warmte der zon blootgesteld is geweest.”Nadat de kapitein den besten weg gekozen had, zette men den tocht voort. Gromski liep achter hem en keek met nieuwsgierigheid naar het ijsveld, waarop zich hier en daar ijsblokken verhieven, die op ontzaglijke massa’s kristal geleken. Zij vertoonden op hunne kruinen en zelfs op hunne zijden groote stukken doleriet. Ford verklaarde, dat die steenen daar aangevoerd waren door het ijsveld, dat van den berg neergedaald was. Over ’t algemeen ontrukken de ijsvelden aan hunne bedding rotsblokken en stuwen ze naar zee. De ijsbergen, door den wind naar warme luchtstreken meegevoerd, smelten langzamerhand en doen deze steenen in zee vallen. Dikwijls hebben wetenschappelijke onderzoekersuit de diepten van den Oceaan ontzaglijke rotsblokken opgehaald, die verscheidene duizenden kilometers van daar verwijderd zijn.De warme stralen der zon deden in deze ijsmassa’s zonderlinge geluiden ontstaan. De ingenieur zag al spoedig in, dat de oorzaak van dit verschijnsel de warmte was, die de ijsblokken deed uitzetten en in allerlei richtingen uiteenspatten, terwijl het water ze eindelijk geheel deed breken.Onze reizigers, die verplicht waren, ieder oogenblik een ijsblok om te loopen, legden dientengevolge zeker wel het dubbele van den weg af. De oppervlakte van het ijsveld werd al meer en meer oneffen. Dikwijls kon men geen stap meer doen zonder behulp van den met ijzer beslagen stok. De reizigers ontmoetten nu en dan breede spleten, waarover zij moesten heenspringen op gevaar af om er in te vallen.Na verloop van vijf uren waren allen, zelfs de stoere James, uitgeput van vermoeienis. Op voorstel van den ingenieur besloot men dus, halt te houden en een weinig te eten.„Ik dacht niet, dat wij zóó spoedig moede zouden worden,” zeide Gromski, terwijl hij zich aan den voet van een ijsblok neerzette.„De reizen in de poolstreken zijn altijd zeer vermoeiend,” antwoordde de kapitein. „Ik heb gelegenheid gehad, die ervaring op mijne drie tochten naar de Noordpool op te doen. Verscheidene oorzaken werken samen om ze bezwaarlijk te maken, en in de eerste plaats de koude. De physiologie leert ons, dat de warmte van een levend wezenvoortkomt uit de oxydatie van de koolstof, die door de spijzen in het lichaam gebracht wordt. Om de ontzaglijke physiologische verliezen te vergoeden, die uit de uitstraling van het lichaam bij eene lage temperatuur voortvloeien, zijn de bewoners der poolstreken genoodzaakt, veel meer vet te gebruiken dan de bewoners van warme luchtstreken. Ik verzeker u, dat de Eskimo’s eene hoeveelheid vetstoffen en vleesch gebruiken, die geen Europeaan zou kunnen verteren. Het lichaam heeft in de noordelijke streken veel koolstof noodig; anders zou het spoedig zijne krachten verliezen. Het magere vleesch, dat wij nuttigen, is een onvoldoend voedsel in de poolstreken, vooral wanneer men ze te voet doorkruist. Behalve de koude komt eene andere oorzaak van uitputting voort uit allerlei hinderpalen, zooals de oneffenheden van het ijs en de opeenhoopingen van sneeuw, waarvan het overtrekken, vooral met eene slede, gewoonlijk met groote bezwaren gepaard gaat.”„Naar mijne meening,” zeide Gromski, „bestaat er nog een hinderpaal, waarvan de Zuidpoolreizigers gewag maken. Wij weten, dat de beweging der aarde om hare as eene middelpuntvliedende beweging veroorzaakt, die het gewicht der voorwerpen, welke zich op de oppervlakte bevinden, vermindert. In de nabijheid der polen, waar de snelheid der omwenteling onbeduidend is, is deze kracht zeer gering, en bijgevolg weegt ieder voorwerp in de poolstreken zwaarder dan op de evennachtslijn: daaruit volgt, dat het aan menschen en dieren meer inspanning kost om zich aldaar te verplaatsen dan in warmere streken. Dit verklaart ons, waarom de reizen in deze streken zoo vermoeiend zijn.”„Zeker, Mijnheer,” zeide Ford. „Intusschen moet mendit niet overschatten. Ieder lichaam weegt aan de pool 1⁄280 meer dan op de evennachtslijn, zoodat bijvoorbeeld het gewicht van mijn lichaam met 300 à 400 grammen vermeerderd wordt. Zulk een gering verschil komt bijna niet in aanmerking. Maar toch erken ik, dat het feit, door u vermeld, de som der bezwaren vermeerdert, waartegen men in de poolstreken te kampen heeft.”„We zullen voor geenerlei bezwaar terugdeinzen!” riep James uit.Terstond na het gebruik van een karigen maaltijd begaf men zich opnieuw op weg. Ford berekende, dat men zich niet meer dan 5 à 6 kilometers van de kust verwijderd had. Allengs werd het ijsveld al hobbeliger en hobbeliger. De ervaren blik van den kapitein zag in de grillige omtrekken daarvan de sporen van de opeenhoopingen van ijs, die zich gedurende den winter gevormd hadden. Van tijd tot tijd ontmoetten onze reizigers onoverkomelijke ijsbergen. Ontzaglijke ijsblokken, ter dikte van verscheidene honderden meters, hadden zich in eene woeste wanorde opeengestapeld. Deze riepen aan James het treurige voorval op zijne laatste reis in het geheugen terug, toen deNarwalgeheel door het ijs verpletterd werd.„Ik zie ons ongelukkig schip nog, zooals het op het laatste oogenblik was,” zei de oude zeeman. „Ge moet namelijk weten, Mijnheer Gromski, dat de voorlaatste winter zóó vroeg ingevallen was, dat we den tijd niet hadden gehad om eene veilige schuilplaats op te zoeken. Ons schip was, zonder dat we er eenig vermoeden op hadden, midden in een breed kanaal ingevroren, en nooit is het weer uit het ijs los kunnen raken. December en Januarigingen zonder merkwaardige voorvallen voorbij. We wachtten met ongeduld de lente af, die echter, in plaats van deNarwaluit het ijs los te maken, haar geheel verpletterde. Het was op het einde van Februari. Ik herinner mij alles nog zoo goed, alsof het eerst gisteren gebeurd was. We speelden een komediestukje in de groote kajuit. Iedereen lachte zich slap bij het zien van het spel van Bob, onzen kok, die er dan al bijzonder den slag van had, toen we eensklaps een dof gekraak in de balken van ons schip hoorden. We vlogen naar het verdek. Een hevige wind blies uit het Noorden. Het was vinnig koud. Het ijsveld, dat zich om het schip heen gevormd had, trilde en barstte met een ontzettend gedruisch uit elkaar. Op een afstand van tien schreden van ons ontstond er een breede kloof; maar het ijs vulde deze onmiddellijk aan. Eenige uren daarna barstte ons ijsveld in wel twintig stukken, die zich door den aandrang van het ijs in den omtrek opeenstapelden. In een oogwenk hoopte zich eene ontzettende hoeveelheid ijs rondom deNarwalop, en deze opeenhooping werd langzamerhand al hooger en hooger. De armeNarwalmoest het zeker zwaar te verantwoorden hebben; want zij zuchtte en kermde letterlijk als een mensch.„Ieder oogenblik drong er iets met een vervaarlijk gedruisch in hare voegen door. De kapitein beval, de levensmiddelen, de brandstoffen en de sleden over te brengen naar de nog gladde ijsvlakte, die echter merkbaar al kleiner en kleiner werd. We bouwden eene hut, en we hadden daarin nog pas eene schuilplaats gevonden, of een ontzaglijke ijsberg kwam er tegen aan en sneed haar letterlijk doormidden. Dit ongeval kwam ons op het verlies van twee matrozenen een aanzienlijk gedeelte van onze levensmiddelen te staan. Om niet alles te verliezen, verdeelden we onzen voorraad en legden dezen op verschillende plaatsen neer.„Intusschen stapelden de ijsbergen zich al meer en meer in de nabijheid van het schip op. Den volgenden dag staken zij al een heel eind boven het verdek uit. Aan den anderen kant van het schip vormden zich insgelijks ontzettende ijsbergen. We zagen, dat zij onze ongelukkigeNarwalal meer en meer naderden, en we konden er toch niets aan doen. Wat vermag menschelijke kracht in dergelijke omstandigheden? Kort daarop wakkerde de storm tot een orkaan aan, en nu had het laatste uur voor ons schip geslagen. Ge hadt eens moeten zien, wat de „ijsduivel” toen deed. Hij brak het ijsveld in honderd stukken, die hij met een geweldig gedruisch op elkaar wierp. Overal hoorden we gekraak, overal een geluid als van donderslagen; het was, alsof het einde der wereld nabij was. We wachtten in onze sloepen het oogenblik af, waarop alles aan stukken zou breken. Niemand deed gedurende drie dagen een oog dicht, allen luisterden wij met eene ziel, door smart verscheurd, naar de angstkreten, waarmee ons schip onze hulp scheen in te roepen. We achtten het reeds geheel verloren. Eensklaps ontstond er in het schip eene scheur, die bij den boegspriet begon; vervolgens stortte de ijsmuur zich op het verdek neer en was het schip geheel door het ijs omgeven. Eensklaps deed zich een verschrikkelijk gekraak hooren: het verdek was ingestort, evenals een dak, dat bij een brand naar beneden valt. Na verloop van eenige oogenblikken zagen we niets meer van het schip dan een hoop vaneengespleten balken en den grooten mast, die zich te midden van het ijsomhoog hief,als de hand van een drenkeling, die zich om hulp uitstrekt. De kapitein, ik en de helft van onze bemanning stortten bij het zien van deze verwoesting tranen. Toen de orkaan ging liggen en de „ijsduivel” zijne woede op het schip had gekoeld, was er geen spoor van onzeNarwalmeer te zien.”Deze eenvoudige woorden van den stuurman verrieden eene gelaten onderwerping, wars van hartstocht of van toorn. De kloeke stuurman was er blijkbaar aan gewoon geraakt, zich in alles te schikken, zonder ooit zijne kalmte van gemoed te verliezen.Gedurende dit verhaal bemerkten onze reizigers, nadat zij eenige honderden meters hadden afgelegd, een keten van ijsbergen, die den horizon aan den kant van het Zuiden aan het oog onttrokken. Ford zag, toen hij door zijn verrekijker naar deze keten keek, dat zij samengesteld was uit ontzaglijke ijsblokken, die zich opeengestapeld hadden. Zulke ijsbergen over te steken was niet zonder gevaar, zooals Ford bij ervaring wist. Verkieslijker was het, er omheen te loopen. Maar bij nader onderzoek bleek, dat deze ijsbergen zich zoover uitstrekten, als het gezicht reikte. Men was dus wel genoodzaakt, ze over te trekken.„We zullen een moeilijken en gevaarlijken tocht te doen hebben,” zei de kapitein, zich tot zijne kameraden wendende.Een halfuur daarna bereikte het gezelschap de keten. Reuzen van ijs verhieven zich ten hemel als de phantastische overblijfselen van eene marmeren stad, die door eene hevige aardbeving verwoest is. De toppen van sommige bergen verhieven zich wel 100 meters boven het oppervlak van den Oceaan.Onze reizigers hadden op een afstand van eenige honderden schreden van de keten halt gehouden; zij keken verwonderd naar de grillige vormen, die deze blokken kristal hadden aangenomen. En uit dien chaos deed zich een oorverdoovend gedruisch hooren, dat nu eens aan de ontploffing van een mijn, dan weer aan salvo’s van het geschut deed denken. Op een afstand van ongeveer twintig schreden lagen rondom iederen berg ijsblokken, dikwijls van een kolossalen omvang.Het is dus niet te verwonderen, dat het onzen reizigers aan moed ontbrak, zich in dien chaos te wagen, waar zich zoo lichtelijk een doodelijk voorval kon voordoen. Ford begaf zich langs de keten op weg, eene spleet zoekende, waar zij doorheen zouden kunnen gaan.„’t Is zonderling, dat zulk eene massa ijs zich op dezelfde plaats heeft opgestapeld!” zeide Gromski.„Naar hunne hoogte te oordeelen,” zeide Ford, „moeten ze wel 500 à 600 meters onder water zitten, daar een ijsberg ternauwernood voor een zesde gedeelte boven het water uitsteekt.”De waarnemingen van Ford bevestigden het feit, dat de hoogste ijsbergen zich op de kust van het vasteland bevinden; de andere, die zich achter deze vertoonden, waren lager.Ondanks de nasporingen, die een geheelen dag duurden, konden onze reizigers noch een doortocht noch een ravijn ontdekken. De stuurman merkte zelfs op, dat de keten al breeder en breeder werd, naarmate men naar het Oosten voorttrok. Men wendde zich dus naar het Westen en onderzocht zorgvuldig iedere kloof, die men zag.„Als de zon zich gedurende eenige uren achter de wolkenverschool, zou het ijs ophouden te smelten en zouden wij zonder gevaar verder kunnen gaan. Ongelukkig is de lucht helder en rijst de barometer. We moeten dus eene hoogte zien over te komen, als we onzen tijd niet met wachten willen verspillen.”„Ik ben klaar,” zeide Gromski.„Komaan, kapitein,” voegde James er bij. „Op een afstand van tweehonderd schreden van hier zie ik een spleet tusschen twee bergen; deze moet ons, dunkt mij, naar den anderen kant brengen.”De oude stuurman ging naar de keten van ijsbergen toe en bleef al spoedig bij een blok staan, dat veel overeenkomst met een obelisk had; daarnaast verhief zich eene vormlooze massa met scherpe kanten. De beide ijsbergen waren door een ravijn van elkaar gescheiden.Het drietal ging deze in; maar de stukken ijs maakten den weg moeilijk. Somtijds hoorden onze reizigers het dof gedruisch van vallende ijsblokken. Gelukkig duurde de tocht door het ravijn slechts kort: men bevond zich na verloop van eenige minuten op eene kleine vlakte, die echter aan alle kanten door ijsbergen omgeven was.„Drommels!” mompelde James, „we hebben het einde nog niet!”„Voorwaarts! Volgt mij!” zeide Ford kortaf.Hij snelde haastig naar het naastbijliggende ijsblok, waar zich weder eene spleet bevond; maar na omstreeks 15 meters afgelegd te hebben, moest hij wel blijven staan.„Welnu, wat is er?” vroeg Gromski.„Geen doorgang,” antwoordde deze, van vermoeienis hijgende. „We moeten terugkeeren.”„Eindigt de kloof daar?”„Neen, maar het is onmogelijk, verder door te dringen.”Daarop begon Ford terug te keeren; zijne metgezellen, die niet rechtop konden staan, kropen op handen en voeten naar den uitgang.Nadat zij op deze manier eene ruimere plaats hadden bereikt, wilde James weder opstaan. Plotseling deed zich een geweldig gedruisch hooren, de wanden der kloof werden door een verwonderlijken schok aangegrepen, en nu stortte zich een stroom ijskoud water in de kloof en maakte onze reizigers van het hoofd tot de voeten nat.„Wat is er, James?” riep Ford, terwijl hij zich de oogen uitwreef.De stuurman, die reeds een weinig bekomen was van den schrik, die zich bij dit onverwachte stortbad van hem meester gemaakt had, liep haastig vooruit en verdween achter een hoek van de kloof.De ingenieur, die een voorgevoel van eenig ernstig gevaar had, wilde zich zelf rekenschap geven van hetgeen er gebeurd was. Maar nauwelijks had hij eenige schreden gedaan, of hij zag James roerloos naast een ontzaglijk ijsblok neerzitten.„Wat beteekent dat, James?” vroeg hij hem.„We zijn tusschen vier muren ingesloten,” antwoordde de stuurman, zonder zich om te keeren.

TWAALFDE HOOFDSTUK.TWAALFDE HOOFDSTUK.In de landen van eeuwig ijs.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

Onze reizigers hadden zich niet op een tocht over het ijs ingericht. Tochten van dien aard, welke men gewoonlijk onderneemt om het inwendige van een vasteland te onderzoeken, worden gewoonlijk met behulp van sleden, die met honden of rendieren bespannen zijn, afgelegd. Men neemt dan levensmiddelen, brandstoffen, wapenen, een kano, voeder voor de dieren en andere voorwerpen mede, waar men in de poolstreken onmogelijk buiten kan.Maar onze helden hadden niets anders dan een kleinen voorraad vleesch; gelukkig dat zij hunne warme bonten kleederen en hunne stevige laarzen behouden hadden; zonder deze zouden zij zelfs niet aan een tocht over de ijsvelden hebben kunnen denken. Op raad van James sloeg men in de zolen groote spijkers om niet op de gladde ijsvelden uit te glijden; bovendien had de stuurman van drie dikke stokken, die hij uit het schuitje gehaald had, lichte rottingen vervaardigd, waaraan hij ijzeren punten vastmaakte om bij het neerdalen langs de ijsvelden tot steun te dienen.De kapitein splitste de helft van het vleesch in 60 rantsoenen, die hij onder de drie reizigers verdeelde. De andere helft, die overbodig werd geacht, werd in het schuitje achtergelaten. Eene kleine flesch brandewijn en wat beschuit voltooiden dezen bescheiden voorraad. Ford vestigde de meeste aandacht op de instrumenten, noodig voor astronomische en meteorologische waarnemingen, en er werd besloten, dat men den sextant, de chronometers, een metaalbarometer, een thermometer en een hygrometer zou meenemen. De kapitein belastte zich met den sextant en de chronometers, de ingenieur nam de meteorologische instrumenten voor zijne rekening, en de stuurman al het overige en bovendien een touw, dat, naar hij zeide, veel dienst zou kunnen doen.Nadat de kapitein met de toebereidselen gereed was, vertrok men denzelfden dag, ’s avonds om zeven uur.Om den tocht gemakkelijker te maken, verwijderde Ford zich een weinig van de kust, die door ijsvelden doorsneden was. Onze reizigers liepen gedurende drie uren achter elkaar over de bevroren sneeuw. Om tien uur sloeg de kapitein eensklaps naar het Zuiden af en bleef na verloop van eenige minuten op eene rots staan, vanwaar men het uitzicht op het strand had.Toen de ingenieur de sombere vlakten uit zijn ballon gadesloeg, had hij geoordeeld, dat het Land des Doods eene woestijn was. Thans zag hij, dat het planten- en dierenrijk zelfs hier hunne vertegenwoordigers vonden. Uit het dierenrijk waren vooral de zeevogels in ruimen overvloed voorhanden. Achter den kapitein aan liep Gromski letterlijk over tallooze nesten, die de rotsen van de kust bedekten: vetganzen, duikelaars en meeuwen bevolkten alle toppen.Deze luidruchtige menigte sloeg geenerlei acht op onze helden; om er doorheen te komen, waren zij verplicht, zich met behulp van hunne stokken een weg te banen. De mensch, de meest verbitterde vijand van de andere levende wezens, had zich blijkbaar in dit gedeelte der wereld nog niet aan zijne moorddadige aanslagen overgegeven. De natuur verkeerde er nog geheel en al in een maagdelijken toestand.James verzekerde, dat de eieren der vetganzen zeer goed eetbaar zijn, en toen hij er verscheidene, blijkbaar nog versche, gevonden had, verorberde hij ze met smaak. De ingenieur liet zich, ondanks alle aanbevelingen van den stuurman, niet bewegen om van deze spijs te gebruiken.Eene dikke laag guano, gedurende eeuwen door duizenden millioenen vogels opgestapeld, bedekte de oppervlakte der rotsen. Uit den aldus bemesten grond staken armzalige voortbrengselen uit het plantenrijk aan de pool hier en daar het hoofd op, te midden van een mostapijt. Het groen van deze kleine plantjes stak aangenaam af op den eentonigen grond van ijs en rotsen.Van het punt, waar Ford even bleef staan, kon men eene vrij groote uitgestrektheid overzien. Aan den voet der rotsen strekte de Oceaan zijne gestremde vlakte uit. Aldaar begon het ijsveld, dat de kapitein ontdekt had. Aan gene zijde der hooge bergen vertoonde zich de betrekkelijk effen oppervlakte van ijs, door den mist aan den horizon beperkt.Ford haalde zijn verrekijker uit den zak en begon in dezen chaos een zoo gemakkelijk mogelijken doortocht te zoeken.„Het komt mij voor, dat het ijsveld zich minstens 40 kilometers aan gene zijde van de kust uitstrekt,” zeide hij, zich tot den ingenieur wendende; „ik moet u eens doenopmerken, hoe men, naar de kleur van de lucht te oordeelen, van verre kan onderscheiden, welk soort van ijs de oppervlakte van den Oceaan bedekt. Wij, zeelieden, doen op onze reizen dikwijls ons voordeel met deze kenteekenen. Ziet ge die geelachtige strook wel? Dat is een zeker bewijs van de nabijheid van een ijsveld. Als de Oceaan niet bevroren was, zou hij aan den horizon een saffieren tint gegeven hebben. Het ijs, dat in beweging is, werpt op den hemel eene blauwe kleur, en het jonge ijs, dat zich in den herfst gevormd heeft, verraadt zich door eene grijsachtige kleur.”„Is het ijs hier dik?”„Het zou wel een geheel leger kunnen dragen. Ge weet zeker wel, dat kanonnen zonder het minste gevaar over eene laag van zes duim dikte overgebracht kunnen worden. Het ijsveld, dat we onder onze voeten hebben, heeft zonder eenigen twijfel eene dikte van drie à vier meters, ofschoon het sedert eene maand aan de warmte der zon blootgesteld is geweest.”Nadat de kapitein den besten weg gekozen had, zette men den tocht voort. Gromski liep achter hem en keek met nieuwsgierigheid naar het ijsveld, waarop zich hier en daar ijsblokken verhieven, die op ontzaglijke massa’s kristal geleken. Zij vertoonden op hunne kruinen en zelfs op hunne zijden groote stukken doleriet. Ford verklaarde, dat die steenen daar aangevoerd waren door het ijsveld, dat van den berg neergedaald was. Over ’t algemeen ontrukken de ijsvelden aan hunne bedding rotsblokken en stuwen ze naar zee. De ijsbergen, door den wind naar warme luchtstreken meegevoerd, smelten langzamerhand en doen deze steenen in zee vallen. Dikwijls hebben wetenschappelijke onderzoekersuit de diepten van den Oceaan ontzaglijke rotsblokken opgehaald, die verscheidene duizenden kilometers van daar verwijderd zijn.De warme stralen der zon deden in deze ijsmassa’s zonderlinge geluiden ontstaan. De ingenieur zag al spoedig in, dat de oorzaak van dit verschijnsel de warmte was, die de ijsblokken deed uitzetten en in allerlei richtingen uiteenspatten, terwijl het water ze eindelijk geheel deed breken.Onze reizigers, die verplicht waren, ieder oogenblik een ijsblok om te loopen, legden dientengevolge zeker wel het dubbele van den weg af. De oppervlakte van het ijsveld werd al meer en meer oneffen. Dikwijls kon men geen stap meer doen zonder behulp van den met ijzer beslagen stok. De reizigers ontmoetten nu en dan breede spleten, waarover zij moesten heenspringen op gevaar af om er in te vallen.Na verloop van vijf uren waren allen, zelfs de stoere James, uitgeput van vermoeienis. Op voorstel van den ingenieur besloot men dus, halt te houden en een weinig te eten.„Ik dacht niet, dat wij zóó spoedig moede zouden worden,” zeide Gromski, terwijl hij zich aan den voet van een ijsblok neerzette.„De reizen in de poolstreken zijn altijd zeer vermoeiend,” antwoordde de kapitein. „Ik heb gelegenheid gehad, die ervaring op mijne drie tochten naar de Noordpool op te doen. Verscheidene oorzaken werken samen om ze bezwaarlijk te maken, en in de eerste plaats de koude. De physiologie leert ons, dat de warmte van een levend wezenvoortkomt uit de oxydatie van de koolstof, die door de spijzen in het lichaam gebracht wordt. Om de ontzaglijke physiologische verliezen te vergoeden, die uit de uitstraling van het lichaam bij eene lage temperatuur voortvloeien, zijn de bewoners der poolstreken genoodzaakt, veel meer vet te gebruiken dan de bewoners van warme luchtstreken. Ik verzeker u, dat de Eskimo’s eene hoeveelheid vetstoffen en vleesch gebruiken, die geen Europeaan zou kunnen verteren. Het lichaam heeft in de noordelijke streken veel koolstof noodig; anders zou het spoedig zijne krachten verliezen. Het magere vleesch, dat wij nuttigen, is een onvoldoend voedsel in de poolstreken, vooral wanneer men ze te voet doorkruist. Behalve de koude komt eene andere oorzaak van uitputting voort uit allerlei hinderpalen, zooals de oneffenheden van het ijs en de opeenhoopingen van sneeuw, waarvan het overtrekken, vooral met eene slede, gewoonlijk met groote bezwaren gepaard gaat.”„Naar mijne meening,” zeide Gromski, „bestaat er nog een hinderpaal, waarvan de Zuidpoolreizigers gewag maken. Wij weten, dat de beweging der aarde om hare as eene middelpuntvliedende beweging veroorzaakt, die het gewicht der voorwerpen, welke zich op de oppervlakte bevinden, vermindert. In de nabijheid der polen, waar de snelheid der omwenteling onbeduidend is, is deze kracht zeer gering, en bijgevolg weegt ieder voorwerp in de poolstreken zwaarder dan op de evennachtslijn: daaruit volgt, dat het aan menschen en dieren meer inspanning kost om zich aldaar te verplaatsen dan in warmere streken. Dit verklaart ons, waarom de reizen in deze streken zoo vermoeiend zijn.”„Zeker, Mijnheer,” zeide Ford. „Intusschen moet mendit niet overschatten. Ieder lichaam weegt aan de pool 1⁄280 meer dan op de evennachtslijn, zoodat bijvoorbeeld het gewicht van mijn lichaam met 300 à 400 grammen vermeerderd wordt. Zulk een gering verschil komt bijna niet in aanmerking. Maar toch erken ik, dat het feit, door u vermeld, de som der bezwaren vermeerdert, waartegen men in de poolstreken te kampen heeft.”„We zullen voor geenerlei bezwaar terugdeinzen!” riep James uit.Terstond na het gebruik van een karigen maaltijd begaf men zich opnieuw op weg. Ford berekende, dat men zich niet meer dan 5 à 6 kilometers van de kust verwijderd had. Allengs werd het ijsveld al hobbeliger en hobbeliger. De ervaren blik van den kapitein zag in de grillige omtrekken daarvan de sporen van de opeenhoopingen van ijs, die zich gedurende den winter gevormd hadden. Van tijd tot tijd ontmoetten onze reizigers onoverkomelijke ijsbergen. Ontzaglijke ijsblokken, ter dikte van verscheidene honderden meters, hadden zich in eene woeste wanorde opeengestapeld. Deze riepen aan James het treurige voorval op zijne laatste reis in het geheugen terug, toen deNarwalgeheel door het ijs verpletterd werd.„Ik zie ons ongelukkig schip nog, zooals het op het laatste oogenblik was,” zei de oude zeeman. „Ge moet namelijk weten, Mijnheer Gromski, dat de voorlaatste winter zóó vroeg ingevallen was, dat we den tijd niet hadden gehad om eene veilige schuilplaats op te zoeken. Ons schip was, zonder dat we er eenig vermoeden op hadden, midden in een breed kanaal ingevroren, en nooit is het weer uit het ijs los kunnen raken. December en Januarigingen zonder merkwaardige voorvallen voorbij. We wachtten met ongeduld de lente af, die echter, in plaats van deNarwaluit het ijs los te maken, haar geheel verpletterde. Het was op het einde van Februari. Ik herinner mij alles nog zoo goed, alsof het eerst gisteren gebeurd was. We speelden een komediestukje in de groote kajuit. Iedereen lachte zich slap bij het zien van het spel van Bob, onzen kok, die er dan al bijzonder den slag van had, toen we eensklaps een dof gekraak in de balken van ons schip hoorden. We vlogen naar het verdek. Een hevige wind blies uit het Noorden. Het was vinnig koud. Het ijsveld, dat zich om het schip heen gevormd had, trilde en barstte met een ontzettend gedruisch uit elkaar. Op een afstand van tien schreden van ons ontstond er een breede kloof; maar het ijs vulde deze onmiddellijk aan. Eenige uren daarna barstte ons ijsveld in wel twintig stukken, die zich door den aandrang van het ijs in den omtrek opeenstapelden. In een oogwenk hoopte zich eene ontzettende hoeveelheid ijs rondom deNarwalop, en deze opeenhooping werd langzamerhand al hooger en hooger. De armeNarwalmoest het zeker zwaar te verantwoorden hebben; want zij zuchtte en kermde letterlijk als een mensch.„Ieder oogenblik drong er iets met een vervaarlijk gedruisch in hare voegen door. De kapitein beval, de levensmiddelen, de brandstoffen en de sleden over te brengen naar de nog gladde ijsvlakte, die echter merkbaar al kleiner en kleiner werd. We bouwden eene hut, en we hadden daarin nog pas eene schuilplaats gevonden, of een ontzaglijke ijsberg kwam er tegen aan en sneed haar letterlijk doormidden. Dit ongeval kwam ons op het verlies van twee matrozenen een aanzienlijk gedeelte van onze levensmiddelen te staan. Om niet alles te verliezen, verdeelden we onzen voorraad en legden dezen op verschillende plaatsen neer.„Intusschen stapelden de ijsbergen zich al meer en meer in de nabijheid van het schip op. Den volgenden dag staken zij al een heel eind boven het verdek uit. Aan den anderen kant van het schip vormden zich insgelijks ontzettende ijsbergen. We zagen, dat zij onze ongelukkigeNarwalal meer en meer naderden, en we konden er toch niets aan doen. Wat vermag menschelijke kracht in dergelijke omstandigheden? Kort daarop wakkerde de storm tot een orkaan aan, en nu had het laatste uur voor ons schip geslagen. Ge hadt eens moeten zien, wat de „ijsduivel” toen deed. Hij brak het ijsveld in honderd stukken, die hij met een geweldig gedruisch op elkaar wierp. Overal hoorden we gekraak, overal een geluid als van donderslagen; het was, alsof het einde der wereld nabij was. We wachtten in onze sloepen het oogenblik af, waarop alles aan stukken zou breken. Niemand deed gedurende drie dagen een oog dicht, allen luisterden wij met eene ziel, door smart verscheurd, naar de angstkreten, waarmee ons schip onze hulp scheen in te roepen. We achtten het reeds geheel verloren. Eensklaps ontstond er in het schip eene scheur, die bij den boegspriet begon; vervolgens stortte de ijsmuur zich op het verdek neer en was het schip geheel door het ijs omgeven. Eensklaps deed zich een verschrikkelijk gekraak hooren: het verdek was ingestort, evenals een dak, dat bij een brand naar beneden valt. Na verloop van eenige oogenblikken zagen we niets meer van het schip dan een hoop vaneengespleten balken en den grooten mast, die zich te midden van het ijsomhoog hief,als de hand van een drenkeling, die zich om hulp uitstrekt. De kapitein, ik en de helft van onze bemanning stortten bij het zien van deze verwoesting tranen. Toen de orkaan ging liggen en de „ijsduivel” zijne woede op het schip had gekoeld, was er geen spoor van onzeNarwalmeer te zien.”Deze eenvoudige woorden van den stuurman verrieden eene gelaten onderwerping, wars van hartstocht of van toorn. De kloeke stuurman was er blijkbaar aan gewoon geraakt, zich in alles te schikken, zonder ooit zijne kalmte van gemoed te verliezen.Gedurende dit verhaal bemerkten onze reizigers, nadat zij eenige honderden meters hadden afgelegd, een keten van ijsbergen, die den horizon aan den kant van het Zuiden aan het oog onttrokken. Ford zag, toen hij door zijn verrekijker naar deze keten keek, dat zij samengesteld was uit ontzaglijke ijsblokken, die zich opeengestapeld hadden. Zulke ijsbergen over te steken was niet zonder gevaar, zooals Ford bij ervaring wist. Verkieslijker was het, er omheen te loopen. Maar bij nader onderzoek bleek, dat deze ijsbergen zich zoover uitstrekten, als het gezicht reikte. Men was dus wel genoodzaakt, ze over te trekken.„We zullen een moeilijken en gevaarlijken tocht te doen hebben,” zei de kapitein, zich tot zijne kameraden wendende.Een halfuur daarna bereikte het gezelschap de keten. Reuzen van ijs verhieven zich ten hemel als de phantastische overblijfselen van eene marmeren stad, die door eene hevige aardbeving verwoest is. De toppen van sommige bergen verhieven zich wel 100 meters boven het oppervlak van den Oceaan.Onze reizigers hadden op een afstand van eenige honderden schreden van de keten halt gehouden; zij keken verwonderd naar de grillige vormen, die deze blokken kristal hadden aangenomen. En uit dien chaos deed zich een oorverdoovend gedruisch hooren, dat nu eens aan de ontploffing van een mijn, dan weer aan salvo’s van het geschut deed denken. Op een afstand van ongeveer twintig schreden lagen rondom iederen berg ijsblokken, dikwijls van een kolossalen omvang.Het is dus niet te verwonderen, dat het onzen reizigers aan moed ontbrak, zich in dien chaos te wagen, waar zich zoo lichtelijk een doodelijk voorval kon voordoen. Ford begaf zich langs de keten op weg, eene spleet zoekende, waar zij doorheen zouden kunnen gaan.„’t Is zonderling, dat zulk eene massa ijs zich op dezelfde plaats heeft opgestapeld!” zeide Gromski.„Naar hunne hoogte te oordeelen,” zeide Ford, „moeten ze wel 500 à 600 meters onder water zitten, daar een ijsberg ternauwernood voor een zesde gedeelte boven het water uitsteekt.”De waarnemingen van Ford bevestigden het feit, dat de hoogste ijsbergen zich op de kust van het vasteland bevinden; de andere, die zich achter deze vertoonden, waren lager.Ondanks de nasporingen, die een geheelen dag duurden, konden onze reizigers noch een doortocht noch een ravijn ontdekken. De stuurman merkte zelfs op, dat de keten al breeder en breeder werd, naarmate men naar het Oosten voorttrok. Men wendde zich dus naar het Westen en onderzocht zorgvuldig iedere kloof, die men zag.„Als de zon zich gedurende eenige uren achter de wolkenverschool, zou het ijs ophouden te smelten en zouden wij zonder gevaar verder kunnen gaan. Ongelukkig is de lucht helder en rijst de barometer. We moeten dus eene hoogte zien over te komen, als we onzen tijd niet met wachten willen verspillen.”„Ik ben klaar,” zeide Gromski.„Komaan, kapitein,” voegde James er bij. „Op een afstand van tweehonderd schreden van hier zie ik een spleet tusschen twee bergen; deze moet ons, dunkt mij, naar den anderen kant brengen.”De oude stuurman ging naar de keten van ijsbergen toe en bleef al spoedig bij een blok staan, dat veel overeenkomst met een obelisk had; daarnaast verhief zich eene vormlooze massa met scherpe kanten. De beide ijsbergen waren door een ravijn van elkaar gescheiden.Het drietal ging deze in; maar de stukken ijs maakten den weg moeilijk. Somtijds hoorden onze reizigers het dof gedruisch van vallende ijsblokken. Gelukkig duurde de tocht door het ravijn slechts kort: men bevond zich na verloop van eenige minuten op eene kleine vlakte, die echter aan alle kanten door ijsbergen omgeven was.„Drommels!” mompelde James, „we hebben het einde nog niet!”„Voorwaarts! Volgt mij!” zeide Ford kortaf.Hij snelde haastig naar het naastbijliggende ijsblok, waar zich weder eene spleet bevond; maar na omstreeks 15 meters afgelegd te hebben, moest hij wel blijven staan.„Welnu, wat is er?” vroeg Gromski.„Geen doorgang,” antwoordde deze, van vermoeienis hijgende. „We moeten terugkeeren.”„Eindigt de kloof daar?”„Neen, maar het is onmogelijk, verder door te dringen.”Daarop begon Ford terug te keeren; zijne metgezellen, die niet rechtop konden staan, kropen op handen en voeten naar den uitgang.Nadat zij op deze manier eene ruimere plaats hadden bereikt, wilde James weder opstaan. Plotseling deed zich een geweldig gedruisch hooren, de wanden der kloof werden door een verwonderlijken schok aangegrepen, en nu stortte zich een stroom ijskoud water in de kloof en maakte onze reizigers van het hoofd tot de voeten nat.„Wat is er, James?” riep Ford, terwijl hij zich de oogen uitwreef.De stuurman, die reeds een weinig bekomen was van den schrik, die zich bij dit onverwachte stortbad van hem meester gemaakt had, liep haastig vooruit en verdween achter een hoek van de kloof.De ingenieur, die een voorgevoel van eenig ernstig gevaar had, wilde zich zelf rekenschap geven van hetgeen er gebeurd was. Maar nauwelijks had hij eenige schreden gedaan, of hij zag James roerloos naast een ontzaglijk ijsblok neerzitten.„Wat beteekent dat, James?” vroeg hij hem.„We zijn tusschen vier muren ingesloten,” antwoordde de stuurman, zonder zich om te keeren.

Onze reizigers hadden zich niet op een tocht over het ijs ingericht. Tochten van dien aard, welke men gewoonlijk onderneemt om het inwendige van een vasteland te onderzoeken, worden gewoonlijk met behulp van sleden, die met honden of rendieren bespannen zijn, afgelegd. Men neemt dan levensmiddelen, brandstoffen, wapenen, een kano, voeder voor de dieren en andere voorwerpen mede, waar men in de poolstreken onmogelijk buiten kan.

Maar onze helden hadden niets anders dan een kleinen voorraad vleesch; gelukkig dat zij hunne warme bonten kleederen en hunne stevige laarzen behouden hadden; zonder deze zouden zij zelfs niet aan een tocht over de ijsvelden hebben kunnen denken. Op raad van James sloeg men in de zolen groote spijkers om niet op de gladde ijsvelden uit te glijden; bovendien had de stuurman van drie dikke stokken, die hij uit het schuitje gehaald had, lichte rottingen vervaardigd, waaraan hij ijzeren punten vastmaakte om bij het neerdalen langs de ijsvelden tot steun te dienen.

De kapitein splitste de helft van het vleesch in 60 rantsoenen, die hij onder de drie reizigers verdeelde. De andere helft, die overbodig werd geacht, werd in het schuitje achtergelaten. Eene kleine flesch brandewijn en wat beschuit voltooiden dezen bescheiden voorraad. Ford vestigde de meeste aandacht op de instrumenten, noodig voor astronomische en meteorologische waarnemingen, en er werd besloten, dat men den sextant, de chronometers, een metaalbarometer, een thermometer en een hygrometer zou meenemen. De kapitein belastte zich met den sextant en de chronometers, de ingenieur nam de meteorologische instrumenten voor zijne rekening, en de stuurman al het overige en bovendien een touw, dat, naar hij zeide, veel dienst zou kunnen doen.

Nadat de kapitein met de toebereidselen gereed was, vertrok men denzelfden dag, ’s avonds om zeven uur.

Om den tocht gemakkelijker te maken, verwijderde Ford zich een weinig van de kust, die door ijsvelden doorsneden was. Onze reizigers liepen gedurende drie uren achter elkaar over de bevroren sneeuw. Om tien uur sloeg de kapitein eensklaps naar het Zuiden af en bleef na verloop van eenige minuten op eene rots staan, vanwaar men het uitzicht op het strand had.

Toen de ingenieur de sombere vlakten uit zijn ballon gadesloeg, had hij geoordeeld, dat het Land des Doods eene woestijn was. Thans zag hij, dat het planten- en dierenrijk zelfs hier hunne vertegenwoordigers vonden. Uit het dierenrijk waren vooral de zeevogels in ruimen overvloed voorhanden. Achter den kapitein aan liep Gromski letterlijk over tallooze nesten, die de rotsen van de kust bedekten: vetganzen, duikelaars en meeuwen bevolkten alle toppen.Deze luidruchtige menigte sloeg geenerlei acht op onze helden; om er doorheen te komen, waren zij verplicht, zich met behulp van hunne stokken een weg te banen. De mensch, de meest verbitterde vijand van de andere levende wezens, had zich blijkbaar in dit gedeelte der wereld nog niet aan zijne moorddadige aanslagen overgegeven. De natuur verkeerde er nog geheel en al in een maagdelijken toestand.

James verzekerde, dat de eieren der vetganzen zeer goed eetbaar zijn, en toen hij er verscheidene, blijkbaar nog versche, gevonden had, verorberde hij ze met smaak. De ingenieur liet zich, ondanks alle aanbevelingen van den stuurman, niet bewegen om van deze spijs te gebruiken.

Eene dikke laag guano, gedurende eeuwen door duizenden millioenen vogels opgestapeld, bedekte de oppervlakte der rotsen. Uit den aldus bemesten grond staken armzalige voortbrengselen uit het plantenrijk aan de pool hier en daar het hoofd op, te midden van een mostapijt. Het groen van deze kleine plantjes stak aangenaam af op den eentonigen grond van ijs en rotsen.

Van het punt, waar Ford even bleef staan, kon men eene vrij groote uitgestrektheid overzien. Aan den voet der rotsen strekte de Oceaan zijne gestremde vlakte uit. Aldaar begon het ijsveld, dat de kapitein ontdekt had. Aan gene zijde der hooge bergen vertoonde zich de betrekkelijk effen oppervlakte van ijs, door den mist aan den horizon beperkt.

Ford haalde zijn verrekijker uit den zak en begon in dezen chaos een zoo gemakkelijk mogelijken doortocht te zoeken.

„Het komt mij voor, dat het ijsveld zich minstens 40 kilometers aan gene zijde van de kust uitstrekt,” zeide hij, zich tot den ingenieur wendende; „ik moet u eens doenopmerken, hoe men, naar de kleur van de lucht te oordeelen, van verre kan onderscheiden, welk soort van ijs de oppervlakte van den Oceaan bedekt. Wij, zeelieden, doen op onze reizen dikwijls ons voordeel met deze kenteekenen. Ziet ge die geelachtige strook wel? Dat is een zeker bewijs van de nabijheid van een ijsveld. Als de Oceaan niet bevroren was, zou hij aan den horizon een saffieren tint gegeven hebben. Het ijs, dat in beweging is, werpt op den hemel eene blauwe kleur, en het jonge ijs, dat zich in den herfst gevormd heeft, verraadt zich door eene grijsachtige kleur.”

„Is het ijs hier dik?”

„Het zou wel een geheel leger kunnen dragen. Ge weet zeker wel, dat kanonnen zonder het minste gevaar over eene laag van zes duim dikte overgebracht kunnen worden. Het ijsveld, dat we onder onze voeten hebben, heeft zonder eenigen twijfel eene dikte van drie à vier meters, ofschoon het sedert eene maand aan de warmte der zon blootgesteld is geweest.”

Nadat de kapitein den besten weg gekozen had, zette men den tocht voort. Gromski liep achter hem en keek met nieuwsgierigheid naar het ijsveld, waarop zich hier en daar ijsblokken verhieven, die op ontzaglijke massa’s kristal geleken. Zij vertoonden op hunne kruinen en zelfs op hunne zijden groote stukken doleriet. Ford verklaarde, dat die steenen daar aangevoerd waren door het ijsveld, dat van den berg neergedaald was. Over ’t algemeen ontrukken de ijsvelden aan hunne bedding rotsblokken en stuwen ze naar zee. De ijsbergen, door den wind naar warme luchtstreken meegevoerd, smelten langzamerhand en doen deze steenen in zee vallen. Dikwijls hebben wetenschappelijke onderzoekersuit de diepten van den Oceaan ontzaglijke rotsblokken opgehaald, die verscheidene duizenden kilometers van daar verwijderd zijn.

De warme stralen der zon deden in deze ijsmassa’s zonderlinge geluiden ontstaan. De ingenieur zag al spoedig in, dat de oorzaak van dit verschijnsel de warmte was, die de ijsblokken deed uitzetten en in allerlei richtingen uiteenspatten, terwijl het water ze eindelijk geheel deed breken.

Onze reizigers, die verplicht waren, ieder oogenblik een ijsblok om te loopen, legden dientengevolge zeker wel het dubbele van den weg af. De oppervlakte van het ijsveld werd al meer en meer oneffen. Dikwijls kon men geen stap meer doen zonder behulp van den met ijzer beslagen stok. De reizigers ontmoetten nu en dan breede spleten, waarover zij moesten heenspringen op gevaar af om er in te vallen.

Na verloop van vijf uren waren allen, zelfs de stoere James, uitgeput van vermoeienis. Op voorstel van den ingenieur besloot men dus, halt te houden en een weinig te eten.

„Ik dacht niet, dat wij zóó spoedig moede zouden worden,” zeide Gromski, terwijl hij zich aan den voet van een ijsblok neerzette.

„De reizen in de poolstreken zijn altijd zeer vermoeiend,” antwoordde de kapitein. „Ik heb gelegenheid gehad, die ervaring op mijne drie tochten naar de Noordpool op te doen. Verscheidene oorzaken werken samen om ze bezwaarlijk te maken, en in de eerste plaats de koude. De physiologie leert ons, dat de warmte van een levend wezenvoortkomt uit de oxydatie van de koolstof, die door de spijzen in het lichaam gebracht wordt. Om de ontzaglijke physiologische verliezen te vergoeden, die uit de uitstraling van het lichaam bij eene lage temperatuur voortvloeien, zijn de bewoners der poolstreken genoodzaakt, veel meer vet te gebruiken dan de bewoners van warme luchtstreken. Ik verzeker u, dat de Eskimo’s eene hoeveelheid vetstoffen en vleesch gebruiken, die geen Europeaan zou kunnen verteren. Het lichaam heeft in de noordelijke streken veel koolstof noodig; anders zou het spoedig zijne krachten verliezen. Het magere vleesch, dat wij nuttigen, is een onvoldoend voedsel in de poolstreken, vooral wanneer men ze te voet doorkruist. Behalve de koude komt eene andere oorzaak van uitputting voort uit allerlei hinderpalen, zooals de oneffenheden van het ijs en de opeenhoopingen van sneeuw, waarvan het overtrekken, vooral met eene slede, gewoonlijk met groote bezwaren gepaard gaat.”

„Naar mijne meening,” zeide Gromski, „bestaat er nog een hinderpaal, waarvan de Zuidpoolreizigers gewag maken. Wij weten, dat de beweging der aarde om hare as eene middelpuntvliedende beweging veroorzaakt, die het gewicht der voorwerpen, welke zich op de oppervlakte bevinden, vermindert. In de nabijheid der polen, waar de snelheid der omwenteling onbeduidend is, is deze kracht zeer gering, en bijgevolg weegt ieder voorwerp in de poolstreken zwaarder dan op de evennachtslijn: daaruit volgt, dat het aan menschen en dieren meer inspanning kost om zich aldaar te verplaatsen dan in warmere streken. Dit verklaart ons, waarom de reizen in deze streken zoo vermoeiend zijn.”

„Zeker, Mijnheer,” zeide Ford. „Intusschen moet mendit niet overschatten. Ieder lichaam weegt aan de pool 1⁄280 meer dan op de evennachtslijn, zoodat bijvoorbeeld het gewicht van mijn lichaam met 300 à 400 grammen vermeerderd wordt. Zulk een gering verschil komt bijna niet in aanmerking. Maar toch erken ik, dat het feit, door u vermeld, de som der bezwaren vermeerdert, waartegen men in de poolstreken te kampen heeft.”

„We zullen voor geenerlei bezwaar terugdeinzen!” riep James uit.

Terstond na het gebruik van een karigen maaltijd begaf men zich opnieuw op weg. Ford berekende, dat men zich niet meer dan 5 à 6 kilometers van de kust verwijderd had. Allengs werd het ijsveld al hobbeliger en hobbeliger. De ervaren blik van den kapitein zag in de grillige omtrekken daarvan de sporen van de opeenhoopingen van ijs, die zich gedurende den winter gevormd hadden. Van tijd tot tijd ontmoetten onze reizigers onoverkomelijke ijsbergen. Ontzaglijke ijsblokken, ter dikte van verscheidene honderden meters, hadden zich in eene woeste wanorde opeengestapeld. Deze riepen aan James het treurige voorval op zijne laatste reis in het geheugen terug, toen deNarwalgeheel door het ijs verpletterd werd.

„Ik zie ons ongelukkig schip nog, zooals het op het laatste oogenblik was,” zei de oude zeeman. „Ge moet namelijk weten, Mijnheer Gromski, dat de voorlaatste winter zóó vroeg ingevallen was, dat we den tijd niet hadden gehad om eene veilige schuilplaats op te zoeken. Ons schip was, zonder dat we er eenig vermoeden op hadden, midden in een breed kanaal ingevroren, en nooit is het weer uit het ijs los kunnen raken. December en Januarigingen zonder merkwaardige voorvallen voorbij. We wachtten met ongeduld de lente af, die echter, in plaats van deNarwaluit het ijs los te maken, haar geheel verpletterde. Het was op het einde van Februari. Ik herinner mij alles nog zoo goed, alsof het eerst gisteren gebeurd was. We speelden een komediestukje in de groote kajuit. Iedereen lachte zich slap bij het zien van het spel van Bob, onzen kok, die er dan al bijzonder den slag van had, toen we eensklaps een dof gekraak in de balken van ons schip hoorden. We vlogen naar het verdek. Een hevige wind blies uit het Noorden. Het was vinnig koud. Het ijsveld, dat zich om het schip heen gevormd had, trilde en barstte met een ontzettend gedruisch uit elkaar. Op een afstand van tien schreden van ons ontstond er een breede kloof; maar het ijs vulde deze onmiddellijk aan. Eenige uren daarna barstte ons ijsveld in wel twintig stukken, die zich door den aandrang van het ijs in den omtrek opeenstapelden. In een oogwenk hoopte zich eene ontzettende hoeveelheid ijs rondom deNarwalop, en deze opeenhooping werd langzamerhand al hooger en hooger. De armeNarwalmoest het zeker zwaar te verantwoorden hebben; want zij zuchtte en kermde letterlijk als een mensch.

„Ieder oogenblik drong er iets met een vervaarlijk gedruisch in hare voegen door. De kapitein beval, de levensmiddelen, de brandstoffen en de sleden over te brengen naar de nog gladde ijsvlakte, die echter merkbaar al kleiner en kleiner werd. We bouwden eene hut, en we hadden daarin nog pas eene schuilplaats gevonden, of een ontzaglijke ijsberg kwam er tegen aan en sneed haar letterlijk doormidden. Dit ongeval kwam ons op het verlies van twee matrozenen een aanzienlijk gedeelte van onze levensmiddelen te staan. Om niet alles te verliezen, verdeelden we onzen voorraad en legden dezen op verschillende plaatsen neer.

„Intusschen stapelden de ijsbergen zich al meer en meer in de nabijheid van het schip op. Den volgenden dag staken zij al een heel eind boven het verdek uit. Aan den anderen kant van het schip vormden zich insgelijks ontzettende ijsbergen. We zagen, dat zij onze ongelukkigeNarwalal meer en meer naderden, en we konden er toch niets aan doen. Wat vermag menschelijke kracht in dergelijke omstandigheden? Kort daarop wakkerde de storm tot een orkaan aan, en nu had het laatste uur voor ons schip geslagen. Ge hadt eens moeten zien, wat de „ijsduivel” toen deed. Hij brak het ijsveld in honderd stukken, die hij met een geweldig gedruisch op elkaar wierp. Overal hoorden we gekraak, overal een geluid als van donderslagen; het was, alsof het einde der wereld nabij was. We wachtten in onze sloepen het oogenblik af, waarop alles aan stukken zou breken. Niemand deed gedurende drie dagen een oog dicht, allen luisterden wij met eene ziel, door smart verscheurd, naar de angstkreten, waarmee ons schip onze hulp scheen in te roepen. We achtten het reeds geheel verloren. Eensklaps ontstond er in het schip eene scheur, die bij den boegspriet begon; vervolgens stortte de ijsmuur zich op het verdek neer en was het schip geheel door het ijs omgeven. Eensklaps deed zich een verschrikkelijk gekraak hooren: het verdek was ingestort, evenals een dak, dat bij een brand naar beneden valt. Na verloop van eenige oogenblikken zagen we niets meer van het schip dan een hoop vaneengespleten balken en den grooten mast, die zich te midden van het ijsomhoog hief,als de hand van een drenkeling, die zich om hulp uitstrekt. De kapitein, ik en de helft van onze bemanning stortten bij het zien van deze verwoesting tranen. Toen de orkaan ging liggen en de „ijsduivel” zijne woede op het schip had gekoeld, was er geen spoor van onzeNarwalmeer te zien.”

Deze eenvoudige woorden van den stuurman verrieden eene gelaten onderwerping, wars van hartstocht of van toorn. De kloeke stuurman was er blijkbaar aan gewoon geraakt, zich in alles te schikken, zonder ooit zijne kalmte van gemoed te verliezen.

Gedurende dit verhaal bemerkten onze reizigers, nadat zij eenige honderden meters hadden afgelegd, een keten van ijsbergen, die den horizon aan den kant van het Zuiden aan het oog onttrokken. Ford zag, toen hij door zijn verrekijker naar deze keten keek, dat zij samengesteld was uit ontzaglijke ijsblokken, die zich opeengestapeld hadden. Zulke ijsbergen over te steken was niet zonder gevaar, zooals Ford bij ervaring wist. Verkieslijker was het, er omheen te loopen. Maar bij nader onderzoek bleek, dat deze ijsbergen zich zoover uitstrekten, als het gezicht reikte. Men was dus wel genoodzaakt, ze over te trekken.

„We zullen een moeilijken en gevaarlijken tocht te doen hebben,” zei de kapitein, zich tot zijne kameraden wendende.

Een halfuur daarna bereikte het gezelschap de keten. Reuzen van ijs verhieven zich ten hemel als de phantastische overblijfselen van eene marmeren stad, die door eene hevige aardbeving verwoest is. De toppen van sommige bergen verhieven zich wel 100 meters boven het oppervlak van den Oceaan.

Onze reizigers hadden op een afstand van eenige honderden schreden van de keten halt gehouden; zij keken verwonderd naar de grillige vormen, die deze blokken kristal hadden aangenomen. En uit dien chaos deed zich een oorverdoovend gedruisch hooren, dat nu eens aan de ontploffing van een mijn, dan weer aan salvo’s van het geschut deed denken. Op een afstand van ongeveer twintig schreden lagen rondom iederen berg ijsblokken, dikwijls van een kolossalen omvang.

Het is dus niet te verwonderen, dat het onzen reizigers aan moed ontbrak, zich in dien chaos te wagen, waar zich zoo lichtelijk een doodelijk voorval kon voordoen. Ford begaf zich langs de keten op weg, eene spleet zoekende, waar zij doorheen zouden kunnen gaan.

„’t Is zonderling, dat zulk eene massa ijs zich op dezelfde plaats heeft opgestapeld!” zeide Gromski.

„Naar hunne hoogte te oordeelen,” zeide Ford, „moeten ze wel 500 à 600 meters onder water zitten, daar een ijsberg ternauwernood voor een zesde gedeelte boven het water uitsteekt.”

De waarnemingen van Ford bevestigden het feit, dat de hoogste ijsbergen zich op de kust van het vasteland bevinden; de andere, die zich achter deze vertoonden, waren lager.

Ondanks de nasporingen, die een geheelen dag duurden, konden onze reizigers noch een doortocht noch een ravijn ontdekken. De stuurman merkte zelfs op, dat de keten al breeder en breeder werd, naarmate men naar het Oosten voorttrok. Men wendde zich dus naar het Westen en onderzocht zorgvuldig iedere kloof, die men zag.

„Als de zon zich gedurende eenige uren achter de wolkenverschool, zou het ijs ophouden te smelten en zouden wij zonder gevaar verder kunnen gaan. Ongelukkig is de lucht helder en rijst de barometer. We moeten dus eene hoogte zien over te komen, als we onzen tijd niet met wachten willen verspillen.”

„Ik ben klaar,” zeide Gromski.

„Komaan, kapitein,” voegde James er bij. „Op een afstand van tweehonderd schreden van hier zie ik een spleet tusschen twee bergen; deze moet ons, dunkt mij, naar den anderen kant brengen.”

De oude stuurman ging naar de keten van ijsbergen toe en bleef al spoedig bij een blok staan, dat veel overeenkomst met een obelisk had; daarnaast verhief zich eene vormlooze massa met scherpe kanten. De beide ijsbergen waren door een ravijn van elkaar gescheiden.

Het drietal ging deze in; maar de stukken ijs maakten den weg moeilijk. Somtijds hoorden onze reizigers het dof gedruisch van vallende ijsblokken. Gelukkig duurde de tocht door het ravijn slechts kort: men bevond zich na verloop van eenige minuten op eene kleine vlakte, die echter aan alle kanten door ijsbergen omgeven was.

„Drommels!” mompelde James, „we hebben het einde nog niet!”

„Voorwaarts! Volgt mij!” zeide Ford kortaf.

Hij snelde haastig naar het naastbijliggende ijsblok, waar zich weder eene spleet bevond; maar na omstreeks 15 meters afgelegd te hebben, moest hij wel blijven staan.

„Welnu, wat is er?” vroeg Gromski.

„Geen doorgang,” antwoordde deze, van vermoeienis hijgende. „We moeten terugkeeren.”

„Eindigt de kloof daar?”

„Neen, maar het is onmogelijk, verder door te dringen.”

Daarop begon Ford terug te keeren; zijne metgezellen, die niet rechtop konden staan, kropen op handen en voeten naar den uitgang.

Nadat zij op deze manier eene ruimere plaats hadden bereikt, wilde James weder opstaan. Plotseling deed zich een geweldig gedruisch hooren, de wanden der kloof werden door een verwonderlijken schok aangegrepen, en nu stortte zich een stroom ijskoud water in de kloof en maakte onze reizigers van het hoofd tot de voeten nat.

„Wat is er, James?” riep Ford, terwijl hij zich de oogen uitwreef.

De stuurman, die reeds een weinig bekomen was van den schrik, die zich bij dit onverwachte stortbad van hem meester gemaakt had, liep haastig vooruit en verdween achter een hoek van de kloof.

De ingenieur, die een voorgevoel van eenig ernstig gevaar had, wilde zich zelf rekenschap geven van hetgeen er gebeurd was. Maar nauwelijks had hij eenige schreden gedaan, of hij zag James roerloos naast een ontzaglijk ijsblok neerzitten.

„Wat beteekent dat, James?” vroeg hij hem.

„We zijn tusschen vier muren ingesloten,” antwoordde de stuurman, zonder zich om te keeren.


Back to IndexNext