ZESDE HOOFDSTUK.

ZESDE HOOFDSTUK.ZESDE HOOFDSTUK.In de wolken.Om tien uur verdwenen de hoogste punten van kaap Hoorn. Thans zagen onze reizigers, zoover hun oog reikte, niets anders om zich heen dan het oppervlak van den Oceaan, die zich in het oneindige verloor.Het scheen hun toe, dat de ballon zich niet bewoog en stil hing boven deze reusachtige vlakte, die als een spiegel het azuur des hemels weerkaatste.Omstreeks één uur ontdekte Ford, die door een verrekijker naar den horizon tuurde, in het Zuidwesten een zwart stipje.„Dat schijnt een stoomschip te zijn, dat zich langs dewestelijkekusten van Chili of van Peru voortbeweegt,” zeide hij. „Ik zie vrij duidelijk een rookwolkje.”Van eene hoogte van 1000 meters gezien, scheen het schip, dat op zijn minst 100 kilometers verwijderd was, in het veld van den verrekijker als een wormpje, dat langzaam voortkroop. Een lange rookwolk, die uit den schoorsteen opsteeg, kronkelde zich als een slang over den Oceaan.„De rook stijgt rechtop; dus moet er daar beneden geen wind zijn,” merkte Ford aan; „en toch komen wij dit schip met eene verbazende snelheid naderbij.”„Dat is niet te verwonderen, kapitein,” antwoordde Gromski; „de snelheid van den wind is, zooals de jongste onderzoekingen bewezen hebben, in de hoogere luchtlagen van den dampkring aanzienlijker dan in de lagere, en zij neemt in eene vaste verhouding toe. Hier, waar de barometer eene hoogte van 970 meters aangeeft, bezit de lucht waarschijnlijk eene aanmerkelijke snelheid, ofschoon zij op het oppervlak van den Oceaan doodstil is. Van eene hoogte van 1000 meters omvat het oog, naar mijne berekeningen, eene uitgestrektheid van een straal van 113 kilometers; wij bevinden ons dus bijna op dezen afstand van het schip. Kunt ge wellicht ook onderscheiden, in welke richting het gaat?”„Het komt mij voor, dat het zich naar het Noordwesten begeeft.”„We moeten letten op het oogenblik, waarop de ballon zich op dezelfde verticale lijn als het schip bevindt. We kunnen op deze manier de snelheid van den wind, die ons meevoert, bepalen.”Ford en James sloegen met genoegen dit schip gade, dat het eenige punt was, waarop het oog, moede van het staren op de eentonige oppervlakte van den Oceaan, kon rusten.Om één uur was het schip nog 30 kilometers van den ballon verwijderd; op dezen afstand kon men het reeds met het bloote oog onderscheiden.„Ik zou wel eens willen weten, of zij ons ook zien,” zeide James.„Zij zien den ballon waarschijnlijk als een zwart stipje, dat zich slechts 5 à 6 graden boven den horizon bevindt,” verklaarde Gromski.Het stoomschip kwam al dichter en dichter bij; nu scheidde nog slechts een tiental kilometers het van den luchtballon.De kapitein keek op zijn horloge: het was vijf minuten vóór half twee.„Laat ons wat dalen!” riep James uit, terwijl hij met zijn zakdoek wuifde. „Ze denken, dat de wind den ballon wegvoert! Zij volgen ons!”Inderdaad veranderde het schip, na een cirkelboog beschreven te hebben, plotseling van richting en begon den ballon te volgen.De kapitein ging terstond lucht in het ballonnetje pompen, en twintig minuten later bevond zich het schuitje nog slechts 200 meters boven het schip, op welks verdek eene buitengewone drukte heerschte: men maakte ongetwijfeld toebereidselen om eene sloep in zee neer te laten.„Laat ons nog wat dalen! Maar we mogen ons gas daarom niet verspillen, niet waar?…James, aan de pomp!” riep Gromski uit.De luchtballon daalde nu langzaam en bevond zich al spoedig op eene hoogte van omstreeks 100 meters boven het oppervlak van den Oceaan.„Van hier moeten zij ons kunnen verstaan,” zei de ingenieur.En nadat hij zich over den rand van het schuitje heengebogen had, riep hij met eene stentorstem:„Keert maar terug! We hebben uwe hulp niet noodig.”Zijne woorden waren blijkbaar niet te verstaan door het gedruisch van de stoommachine; men deed deze stilstaan, en Gromski herhaalde zijne woorden zoo luid mogelijk.„Het komt hun niet in de gedachten, dat het ons doel is, hier in de lucht te zweven,” mompelde de stuurman. „Ze zullen ons voor gekken houden.”„Ze schijnen antwoord te geven,” zeide Ford.„Wat zeggen ze dan?”„De officier, die op het verdek staat, heeft insgelijks geantwoord: „Keert maar terug!””Gromski lachte.„Dat is de echo,” zeide hij. „De stem, kapitein, wordt door het oppervlak der zee teruggekaatst als door de oppervlakte van een muur.”„Nu zegt de kapitein van het schip werkelijk iets.… Wacht eens! hij zegt, dat we het gas moeten laten ontsnappen. Blijkbaar hebben ze mij niet goed verstaan. Laat ons hun dus eene dépêche zenden.”Dit zeggende, scheurde Gromski een blaadje uit zijn zakboekje en schreef daarop:„Dank voor uwe goede bedoelingen. Wij hebben niets noodig. Wij gaan naar de Zuidpool.”Het stukje papier dwarrelde eenige oogenblikken heen en weer en viel toen op een korten afstand van het schip in het water.Onze reizigers zagen de matrozen pogingen aanwenden om deze dépêche met hunne roeispanen op te visschen.„Ziezoo, nu kunnen we opnieuw opstijgen zonder deze lieden aan een nutteloos tijdverlies bloot te stellen,” zei de ingenieur. „James, aan het werk!”Ditmaal hielp Ford den stuurman; want het leegpompen van het ballonnetje was een vrij vermoeiend werk.De matrozen wendden pogingen aan om deze dépêche op te visschen. Blz. 64.De matrozen wendden pogingen aan om deze dépêche op te visschen. Blz. 64.Vijf minuten daarna wees de barometer opnieuw 980 meters hoogte aan.Dit voorval was wel geschikt om er kapitein Ford van te overtuigen, dat de luchtballon uitstekend vervaardigd was, dat hij kon rijzen of dalen zonder iets van zijn ballast of van zijn gas te verliezen: men kon hem al naar verkiezing lichter of zwaarder maken. Zulk eene samenstelling stelde onze luchtreizigers in staat om op de verschillende hoogten gunstige winden te vinden en zich alzoo in de gewenschte richting voort te bewegen.De ingenieur wist nu met volkomen zekerheid, dat de luchtballon door den Noordoostenwind voortgedreven werd, die zeer dikwijls in de zuidelijke streken van den Atlantischen Oceaan heerscht.Na den tijd berekend te hebben, die er sedert het verschijnen van het stoomschip verloopen was, kon hij vaststellen, dat de snelheid van den wind 35 kilometers in het uur niet te boven ging.„’t Is waarschijnlijk wel het eerste en het laatste schip, dat we te zien zullen krijgen,” zeide James, terwijl hij naar het schip keek, dat opnieuw naar het Noordwesten draaide. „Morgen zullen we niets anders dan ijsbergen zien. Als we vallen, welnu, dan is het met ons gedaan.”De ingenieur antwoordde niet. Hij was ten prooi aan dezelfde sombere gedachten als die, welke den stuurman vervulden. Ondanks al het vertrouwen, dat hij in zijn ballon stelde, kon hij een soort van geheimzinnige vrees niet van zich zetten. Er kon een ongeluk gebeuren, dat hij niet had kunnen vooruitzien; eenig gebrek aan de machine, een onbeduidend scheurtje in het weefsel of andere gebreken warenvoldoende om den luchtballon in het water te doen vallen, dat zich onder hen uitstrekte. En zou er zich dan een schip vertoonen om aan de verongelukte luchtreizigers hulp te bieden?De ingenieur wist heel goed, dat dit niet zoo wezen zou. Niemand onder de walvischvaarders waagde zich zóó ver in die streken van den Oceaan, waarboven de luchtballon na verloop van een twintigtal uren zou zweven.Onder den indruk van deze gedachten onderzocht Gromski den ballon oplettend, die nochtans in den best mogelijken toestand verkeerde.„Alles gaat tot hiertoe goed,” zeide hij, na zijn onderzoek voltooid te hebben. „We vorderen echter te weinig. Als dat zoo blijft voortgaan, dan zullen we een heele week noodig hebben om de pool te bereiken.”„Welnu, dan moeten we de machine met meer kracht laten werken.”„Daaraan denk ik in de verste verte niet; we moeten slechts in de uiterste noodzakelijkheid onze toevlucht tot den motor nemen; maar ik heb plan om in hoogere streken een wind op te zoeken, die eene grootere snelheid bezit. Dien warmen luchtstroom, waarop ik reken, hebben we tot dusverre nog niet gevonden, niet waar?”„Welnu, laat ons dien dan zoeken,” antwoordde Ford. „Als het maar niet verkeerd afloopt!.…”„Dat denk ik niet,” antwoordde Gromski. „Ik heb er genoeg bewijzen voor. Hebt ge den vulkaan Cotopaxi wel eens gezien?”„Staat die vulkaan dan met den warmen luchtstroom in verband?”„Ja, omdat de rook, die uit zijn krater opstijgt en die eene hoogte van 3000 meters bereikt, eerst naar het Noordwesten gaat en dan eensklaps van richting verandert en naar het Zuidoosten trekt. Ge zult mij moeten toestemmen, dat het moeilijk is, eene betere bevestiging van mijne onderstellingen te hebben. We zullen er ons bovendien aanstonds van kunnen overtuigen.… James, werp den grootsten zak met zand eens uit!”Daarop plaatste Gromski zich bij den barometer. Na verloop van tien minuten bleef deze laatste op het punt staan, dat eene hoogte van 1200 meters aanwees.„Kijk eens op den thermometer, kapitein.”„Die staat twee graden boven nul.”„Mooi zoo! Dus is de temperatuur niet gedaald.… Nog een zak, James.”Binnen een kwartier steeg de ballon 800 meters en bevond zich dus 2000 meters boven het oppervlak van den Oceaan, Tot groote verwondering van Ford steeg de thermometer, in plaats van te dalen, tot vijf graden boven het nulpunt. De ingenieur had zijn doel echter nog niet bereikt: op zijn bevel werd er weder een zak met zand door James uitgeworpen.„Hoe gevoelt ge u nu?” vroeg Gromski. „We bevinden ons nu op eene hoogte van 3200 meters boven het oppervlak van den Oceaan.”„Ik heb een gesuis in mijne ooren,” antwoordde Ford, „en mijne ademhaling wordt sneller.”„De mijne ook; maar behalve dat voel ik niets.”„Dat is heel natuurlijk: we bevinden ons in een verdunden dampkring; onze longen moeten dus krachtiger werken.Maar laat ons een weinig wachten; want zulk eene snelle verandering van drukking is gevaarlijk. Over een uur zullen we nog wat ballast uitwerpen.”„Als we ons inmiddels eens aan tafel zetten?” stelde James schroomvallig voor.De verandering in den toestand der lucht had den braven stuurman den eetlust niet benomen; de kapitein en Gromski gevoelden niet minder honger; dus werd het voorstel van James volgaarne aangenomen.De thermometer teekende twaalf graden warmte: de temperatuur was dus vrij zacht.De stuurman begaf zich dadelijk aan het werk. Nadat hij de mand met levensmiddelen opengedaan had, bedekte hij „de tafel” in een oogwenk met spijzen.Alle drie bevonden zich in een goede luim; de verdunde dampkring wekte den eetlust op, zoodat de ham, de ingelegde groenten en de pekelsaus binnen weinige oogenblikken naar binnen gewerkt waren. Deze maaltijd in de lucht, 3 kilometers boven de zee, duurde tot vier uur. Onze luchtreizigers lachten en schertsten met dezelfde luchthartigheid, alsof zij in eene restauratie van New-York gedineerd hadden.Intusschen vertoonden zich aan de lucht, die tot dusverre helder geweest was, eenige van die wolkjes, welke men gewoonlijk in de hoogste luchtlagen van den dampkring aantreft.Dit verschijnsel, op eene hoogte van 4000 meters, verwonderde Gromski eenigszins; want hij wist, dat wolken van dit soort gewoonlijk in de hoogste luchtlagen van den dampkring drijven.Zij bewogen zich blijkbaar naar het Zuidoosten; zijmoesten dus vlugger voortdrijven dan de luchtballon, die zich lager bevond.Deze opmerking bevestigde nogmaals de onderstelling van Gromski, wat den hoogeren luchtstroom aangaat.„Wat zoudt ge er wel van zeggen, als ik u eens voorstelde, ons tot die wolken te verheffen?” zeide hij tot zijne metgezellen.„Moeten we dan nog heel hoog gaan?” vroeg James.„Neen; het komt mij voor, dat het voldoende zal zijn, nog één zak uit te werpen. Ik wil eens weten, of de temperatuur nog zal stijgen.”„Welnu, moet ik dien dan uitwerpen?”„Ga je gang maar, vriend.”De ingenieur sloeg nu met de uiterste aandacht den thermometer gade.„’t Is opmerkelijk!” riep hij eindelijk uit. „Kijk eens, kapitein! De thermometer stijgt tot veertien, vijftien graden.… en hij blijft steeds rijzende.”Ford sloeg een blik op den thermometer en haalde de schouders op.„Ik begrijp er niets meer van,” zeide hij. „In plaats van half te bevriezen, zooals ik had verwacht, begin ik het in mijne bonten kleeren warm te krijgen.”„Achttien graden!” riep Gromski uit, als vreesde hij, dat hij de speelbal van een gezichtsbedrog was.„En ’t is het einde nog niet! De barometer wijst 3700 meters aan.”„Negentien graden, kapitein. Er moet zeker iets bijzonders gebeurd zijn.”„Nu staat hij al op twintig en een half,” zeide Ford,terwijl hij zich over den thermometer heenboog. „Het is blijkbaar, dat we in dien warmen luchtstroom zijn, waarop ge gerekend hebt.”„Maar ik moet erkennen, dat ik er niet zulk eene hooge temperatuur verwacht had. Het is geen warme luchtstroom meer, maar bijna een gloeiende.”„Daar gaan we de wolken in!”Op dit oogenblik kwam de luchtballon in een dichten nevel. Onze luchtreizigers verloren eensklaps den Oceaan uit het oog, terwijl zij niet verder dan eenige meters om zich heen konden zien. Ford kon niet dan met moeite James onderscheiden, die zich aan het andere einde van het schuitje bevond.In het inwendige der wolk steeg de temperatuur nog meer; de beide thermometers, de kwikthermometer en de alcoholthermometer, teekenden 22.4 graden, en de barometer gaf eene hoogte van 4800 meters aan.Ford had het in deze vochtige atmosfeer zeer warm; hij trok dus zijne bonten kleederen uit, welk voorbeeld door Gromski en James gevolgd werd.Toen de luchtballon na verloop van eenige minuten uit de wolk was, steeg hij steeds langzamer en bleef eindelijk met de omringende lucht in evenwicht.Kapitein Ford kon zich niet weerhouden, een uitroep van bewondering te slaken, toen hij naar beneden keek.De wolkenlaag, waar de ballon doorheen gegaan was, lag nu onder hem.Massa’s damp, die als zilver schitterden, vormden een onmetelijke keten, die veel weg had van phantastische bergen, welke zich in de oneindige ruimte uitstrekten. Hunne uiteindenverdwenen achtereenvolgens in het luchtruim en schenen het zenith te bereiken. Het geleken wel uitgetande rotsen, met eeuwige sneeuw bedekt.Dit tooneel veranderde ieder oogenblik. De toppen werden scherper begrensd en namen allengs in omvang toe, daar er zich nieuwe massa’s bij aansloten, of dreven uit elkaar. De afgronden veranderden onmerkbaar in zachte hellingen.De zon, die met moeite tusschen de nevelachtige toppen doordrong, verwarmde ze en gaf hun het voorkomen van vulkanen, die vuur en vlam uitbraakten; hare stralen, die elkander van de hoogste tot de laagste punten weerkaatsten, verloren zich in de onpeilbare diepten en kleurden de half doorzichtige dampen met een rooskleurigen gloed.De ballon bleef onbeweeglijk en wierp op de wolken eene reusachtige schaduw.James, die over dit schouwspel in verrukking geraakte, klapte in de handen. Ford, die tegen den rand van het schuitje aanleunde, zag het zwijgend aan, geheel van bewondering vervuld. Zelfs Gromski, die dikwijls in de gelegenheid geweest was om deze wonderen te aanschouwen, geraakte insgelijks in vervoering.„’t Is prachtig, ’t is onvergelijkelijk!” riep hij uit. „Niet waar, kapitein?”„We bevinden ons in eene tooverwereld, waarvan niemand op aarde de schoonheid kent. O, wat is het jammer, dat ik geen schilder ben! De photographie, die de kleuren weergeeft, zou in dit opzicht uitnemende diensten kunnen bewijzen. Wanneer men deze tot meerdere volkomenheid gebracht heeft, zal de luchtoceaan aan onze kunstenaars eene ontelbare menigte onderwerpen aan de hand doen. Hetverwondert mij, dat zij tot dusverre hunne aandacht niet gevestigd hebben op de wonderbare tooneelen, die men uit het schuitje van een luchtballon aanschouwt.”„Welk eene verscheidenheid! Kijk eens!”Gromski wees met den vinger naar eene wolk, die, na zich van eene andere verwijderd te hebben, als een reusachtig vliegend monster in het luchtruim dreef. Na verloop van eenige oogenblikken nam deze weer een geheel anderen vorm aan.Het was aan onze reizigers nauwelijks gelukt, deze opeenstapeling van wolken goed gade te slaan, of het tooneel veranderde weer.De zon, die naar den horizon neeg, wierp een vuurrood licht op de bovenste van deze wolken, terwijl de onderste langzamerhand in duisternis gedompeld werden.Een kwartier daarna verdween de Oceaan geheel achter een ondoordringbaren violetkleurigen sluier.De stralen der ondergaande zon bleven de wolken nog eenigen tijd kleuren; maar om negen uur verdwenen hunne laatste tinten.De nacht daalde in deze onbegrensde ruimte. Onze reizigers, die zich door de invallende duisternis eenigszins schrik lieten aanjagen, keken elkander angstig aan.„Het komt mij voor, dat we dalen,” zeide Ford, terwijl hij een blik op den barometer sloeg. „We zijn nu niet hooger meer dan 3600 meters.”„Dat verwachtte ik wel,” antwoordde Gromski. „De stralen der zon verwarmen den luchtballon nu niet meer: dus wordt het gas samengeperst. We moeten echter op eene hoogte van 3500 meters blijven. Het verwondert mij alleendat de thermometer nog altijd op 18 graden blijft staan.”„Moeten we nu den geheelen nacht wakende doorbrengen?”„Wel waarom, kapitein? Ga maar naar bed en slaap gerust! Ik zal mij bij den barometer neerzetten en ook wat gaan dommelen. Ik verzeker u, dat geenerlei gevaar onzen ballon bedreigt.”„En als er eens een storm opstak?”„Welnu, wat zou dat dan nog? We zullen zelfs niets gevoelen van den storm, die ons voortdrijft. De bliksem kan wel is waar het gas in den ballon doen ontbranden; maar op deze geographische breedte zijn stormen, van onweer vergezeld, eene groote zeldzaamheid. We zullen ook niet vallen, daar de ballon altijd op dezelfde hoogte blijft. Overigens zullen we James verzoeken, op den barometer te letten. En nu, goedennacht! Ge zult hier veel beter slapen dan in de hut van een schip of in een spoortrein. Het is nu halfelf. Ge hebt dus nog zes uren tot uwe beschikking, voordat de zon opgaat.”En na den stuurman bevolen te hebben, hem om vier uur, dat is tegen het aanbreken van den dageraad, te wekken, strekte Gromski zich gemakkelijk op den bodem der mand uit, en na verloop van tien minuten sliep hij even gerust als in zijne villa bij Chicago. Ford wilde, na een oogenblik nagedacht te hebben, zijn voorbeeld volgen.Maar de kapitein vond den slaap niet zoo spoedig als zijn geleerde metgezel.Gewoon aan het geluid van het stampen van het schip, aan het huilen van den wind en aan het geklots der golven, was hij geheel uit zijn gewone doen, te midden van de doodelijke stilte, die hem omgaf.Toen James zag, dat Ford den slaap maar niet kon vatten, kwam hij op de gedachte, een matrozenliedje te neuriën om hem op die manier in slaap te doen vallen.Langzamerhand begonnen de oogleden van Ford inderdaad zwaarder te worden, en hij viel eindelijk in een verkwikkenden slaap.

ZESDE HOOFDSTUK.ZESDE HOOFDSTUK.In de wolken.Om tien uur verdwenen de hoogste punten van kaap Hoorn. Thans zagen onze reizigers, zoover hun oog reikte, niets anders om zich heen dan het oppervlak van den Oceaan, die zich in het oneindige verloor.Het scheen hun toe, dat de ballon zich niet bewoog en stil hing boven deze reusachtige vlakte, die als een spiegel het azuur des hemels weerkaatste.Omstreeks één uur ontdekte Ford, die door een verrekijker naar den horizon tuurde, in het Zuidwesten een zwart stipje.„Dat schijnt een stoomschip te zijn, dat zich langs dewestelijkekusten van Chili of van Peru voortbeweegt,” zeide hij. „Ik zie vrij duidelijk een rookwolkje.”Van eene hoogte van 1000 meters gezien, scheen het schip, dat op zijn minst 100 kilometers verwijderd was, in het veld van den verrekijker als een wormpje, dat langzaam voortkroop. Een lange rookwolk, die uit den schoorsteen opsteeg, kronkelde zich als een slang over den Oceaan.„De rook stijgt rechtop; dus moet er daar beneden geen wind zijn,” merkte Ford aan; „en toch komen wij dit schip met eene verbazende snelheid naderbij.”„Dat is niet te verwonderen, kapitein,” antwoordde Gromski; „de snelheid van den wind is, zooals de jongste onderzoekingen bewezen hebben, in de hoogere luchtlagen van den dampkring aanzienlijker dan in de lagere, en zij neemt in eene vaste verhouding toe. Hier, waar de barometer eene hoogte van 970 meters aangeeft, bezit de lucht waarschijnlijk eene aanmerkelijke snelheid, ofschoon zij op het oppervlak van den Oceaan doodstil is. Van eene hoogte van 1000 meters omvat het oog, naar mijne berekeningen, eene uitgestrektheid van een straal van 113 kilometers; wij bevinden ons dus bijna op dezen afstand van het schip. Kunt ge wellicht ook onderscheiden, in welke richting het gaat?”„Het komt mij voor, dat het zich naar het Noordwesten begeeft.”„We moeten letten op het oogenblik, waarop de ballon zich op dezelfde verticale lijn als het schip bevindt. We kunnen op deze manier de snelheid van den wind, die ons meevoert, bepalen.”Ford en James sloegen met genoegen dit schip gade, dat het eenige punt was, waarop het oog, moede van het staren op de eentonige oppervlakte van den Oceaan, kon rusten.Om één uur was het schip nog 30 kilometers van den ballon verwijderd; op dezen afstand kon men het reeds met het bloote oog onderscheiden.„Ik zou wel eens willen weten, of zij ons ook zien,” zeide James.„Zij zien den ballon waarschijnlijk als een zwart stipje, dat zich slechts 5 à 6 graden boven den horizon bevindt,” verklaarde Gromski.Het stoomschip kwam al dichter en dichter bij; nu scheidde nog slechts een tiental kilometers het van den luchtballon.De kapitein keek op zijn horloge: het was vijf minuten vóór half twee.„Laat ons wat dalen!” riep James uit, terwijl hij met zijn zakdoek wuifde. „Ze denken, dat de wind den ballon wegvoert! Zij volgen ons!”Inderdaad veranderde het schip, na een cirkelboog beschreven te hebben, plotseling van richting en begon den ballon te volgen.De kapitein ging terstond lucht in het ballonnetje pompen, en twintig minuten later bevond zich het schuitje nog slechts 200 meters boven het schip, op welks verdek eene buitengewone drukte heerschte: men maakte ongetwijfeld toebereidselen om eene sloep in zee neer te laten.„Laat ons nog wat dalen! Maar we mogen ons gas daarom niet verspillen, niet waar?…James, aan de pomp!” riep Gromski uit.De luchtballon daalde nu langzaam en bevond zich al spoedig op eene hoogte van omstreeks 100 meters boven het oppervlak van den Oceaan.„Van hier moeten zij ons kunnen verstaan,” zei de ingenieur.En nadat hij zich over den rand van het schuitje heengebogen had, riep hij met eene stentorstem:„Keert maar terug! We hebben uwe hulp niet noodig.”Zijne woorden waren blijkbaar niet te verstaan door het gedruisch van de stoommachine; men deed deze stilstaan, en Gromski herhaalde zijne woorden zoo luid mogelijk.„Het komt hun niet in de gedachten, dat het ons doel is, hier in de lucht te zweven,” mompelde de stuurman. „Ze zullen ons voor gekken houden.”„Ze schijnen antwoord te geven,” zeide Ford.„Wat zeggen ze dan?”„De officier, die op het verdek staat, heeft insgelijks geantwoord: „Keert maar terug!””Gromski lachte.„Dat is de echo,” zeide hij. „De stem, kapitein, wordt door het oppervlak der zee teruggekaatst als door de oppervlakte van een muur.”„Nu zegt de kapitein van het schip werkelijk iets.… Wacht eens! hij zegt, dat we het gas moeten laten ontsnappen. Blijkbaar hebben ze mij niet goed verstaan. Laat ons hun dus eene dépêche zenden.”Dit zeggende, scheurde Gromski een blaadje uit zijn zakboekje en schreef daarop:„Dank voor uwe goede bedoelingen. Wij hebben niets noodig. Wij gaan naar de Zuidpool.”Het stukje papier dwarrelde eenige oogenblikken heen en weer en viel toen op een korten afstand van het schip in het water.Onze reizigers zagen de matrozen pogingen aanwenden om deze dépêche met hunne roeispanen op te visschen.„Ziezoo, nu kunnen we opnieuw opstijgen zonder deze lieden aan een nutteloos tijdverlies bloot te stellen,” zei de ingenieur. „James, aan het werk!”Ditmaal hielp Ford den stuurman; want het leegpompen van het ballonnetje was een vrij vermoeiend werk.De matrozen wendden pogingen aan om deze dépêche op te visschen. Blz. 64.De matrozen wendden pogingen aan om deze dépêche op te visschen. Blz. 64.Vijf minuten daarna wees de barometer opnieuw 980 meters hoogte aan.Dit voorval was wel geschikt om er kapitein Ford van te overtuigen, dat de luchtballon uitstekend vervaardigd was, dat hij kon rijzen of dalen zonder iets van zijn ballast of van zijn gas te verliezen: men kon hem al naar verkiezing lichter of zwaarder maken. Zulk eene samenstelling stelde onze luchtreizigers in staat om op de verschillende hoogten gunstige winden te vinden en zich alzoo in de gewenschte richting voort te bewegen.De ingenieur wist nu met volkomen zekerheid, dat de luchtballon door den Noordoostenwind voortgedreven werd, die zeer dikwijls in de zuidelijke streken van den Atlantischen Oceaan heerscht.Na den tijd berekend te hebben, die er sedert het verschijnen van het stoomschip verloopen was, kon hij vaststellen, dat de snelheid van den wind 35 kilometers in het uur niet te boven ging.„’t Is waarschijnlijk wel het eerste en het laatste schip, dat we te zien zullen krijgen,” zeide James, terwijl hij naar het schip keek, dat opnieuw naar het Noordwesten draaide. „Morgen zullen we niets anders dan ijsbergen zien. Als we vallen, welnu, dan is het met ons gedaan.”De ingenieur antwoordde niet. Hij was ten prooi aan dezelfde sombere gedachten als die, welke den stuurman vervulden. Ondanks al het vertrouwen, dat hij in zijn ballon stelde, kon hij een soort van geheimzinnige vrees niet van zich zetten. Er kon een ongeluk gebeuren, dat hij niet had kunnen vooruitzien; eenig gebrek aan de machine, een onbeduidend scheurtje in het weefsel of andere gebreken warenvoldoende om den luchtballon in het water te doen vallen, dat zich onder hen uitstrekte. En zou er zich dan een schip vertoonen om aan de verongelukte luchtreizigers hulp te bieden?De ingenieur wist heel goed, dat dit niet zoo wezen zou. Niemand onder de walvischvaarders waagde zich zóó ver in die streken van den Oceaan, waarboven de luchtballon na verloop van een twintigtal uren zou zweven.Onder den indruk van deze gedachten onderzocht Gromski den ballon oplettend, die nochtans in den best mogelijken toestand verkeerde.„Alles gaat tot hiertoe goed,” zeide hij, na zijn onderzoek voltooid te hebben. „We vorderen echter te weinig. Als dat zoo blijft voortgaan, dan zullen we een heele week noodig hebben om de pool te bereiken.”„Welnu, dan moeten we de machine met meer kracht laten werken.”„Daaraan denk ik in de verste verte niet; we moeten slechts in de uiterste noodzakelijkheid onze toevlucht tot den motor nemen; maar ik heb plan om in hoogere streken een wind op te zoeken, die eene grootere snelheid bezit. Dien warmen luchtstroom, waarop ik reken, hebben we tot dusverre nog niet gevonden, niet waar?”„Welnu, laat ons dien dan zoeken,” antwoordde Ford. „Als het maar niet verkeerd afloopt!.…”„Dat denk ik niet,” antwoordde Gromski. „Ik heb er genoeg bewijzen voor. Hebt ge den vulkaan Cotopaxi wel eens gezien?”„Staat die vulkaan dan met den warmen luchtstroom in verband?”„Ja, omdat de rook, die uit zijn krater opstijgt en die eene hoogte van 3000 meters bereikt, eerst naar het Noordwesten gaat en dan eensklaps van richting verandert en naar het Zuidoosten trekt. Ge zult mij moeten toestemmen, dat het moeilijk is, eene betere bevestiging van mijne onderstellingen te hebben. We zullen er ons bovendien aanstonds van kunnen overtuigen.… James, werp den grootsten zak met zand eens uit!”Daarop plaatste Gromski zich bij den barometer. Na verloop van tien minuten bleef deze laatste op het punt staan, dat eene hoogte van 1200 meters aanwees.„Kijk eens op den thermometer, kapitein.”„Die staat twee graden boven nul.”„Mooi zoo! Dus is de temperatuur niet gedaald.… Nog een zak, James.”Binnen een kwartier steeg de ballon 800 meters en bevond zich dus 2000 meters boven het oppervlak van den Oceaan, Tot groote verwondering van Ford steeg de thermometer, in plaats van te dalen, tot vijf graden boven het nulpunt. De ingenieur had zijn doel echter nog niet bereikt: op zijn bevel werd er weder een zak met zand door James uitgeworpen.„Hoe gevoelt ge u nu?” vroeg Gromski. „We bevinden ons nu op eene hoogte van 3200 meters boven het oppervlak van den Oceaan.”„Ik heb een gesuis in mijne ooren,” antwoordde Ford, „en mijne ademhaling wordt sneller.”„De mijne ook; maar behalve dat voel ik niets.”„Dat is heel natuurlijk: we bevinden ons in een verdunden dampkring; onze longen moeten dus krachtiger werken.Maar laat ons een weinig wachten; want zulk eene snelle verandering van drukking is gevaarlijk. Over een uur zullen we nog wat ballast uitwerpen.”„Als we ons inmiddels eens aan tafel zetten?” stelde James schroomvallig voor.De verandering in den toestand der lucht had den braven stuurman den eetlust niet benomen; de kapitein en Gromski gevoelden niet minder honger; dus werd het voorstel van James volgaarne aangenomen.De thermometer teekende twaalf graden warmte: de temperatuur was dus vrij zacht.De stuurman begaf zich dadelijk aan het werk. Nadat hij de mand met levensmiddelen opengedaan had, bedekte hij „de tafel” in een oogwenk met spijzen.Alle drie bevonden zich in een goede luim; de verdunde dampkring wekte den eetlust op, zoodat de ham, de ingelegde groenten en de pekelsaus binnen weinige oogenblikken naar binnen gewerkt waren. Deze maaltijd in de lucht, 3 kilometers boven de zee, duurde tot vier uur. Onze luchtreizigers lachten en schertsten met dezelfde luchthartigheid, alsof zij in eene restauratie van New-York gedineerd hadden.Intusschen vertoonden zich aan de lucht, die tot dusverre helder geweest was, eenige van die wolkjes, welke men gewoonlijk in de hoogste luchtlagen van den dampkring aantreft.Dit verschijnsel, op eene hoogte van 4000 meters, verwonderde Gromski eenigszins; want hij wist, dat wolken van dit soort gewoonlijk in de hoogste luchtlagen van den dampkring drijven.Zij bewogen zich blijkbaar naar het Zuidoosten; zijmoesten dus vlugger voortdrijven dan de luchtballon, die zich lager bevond.Deze opmerking bevestigde nogmaals de onderstelling van Gromski, wat den hoogeren luchtstroom aangaat.„Wat zoudt ge er wel van zeggen, als ik u eens voorstelde, ons tot die wolken te verheffen?” zeide hij tot zijne metgezellen.„Moeten we dan nog heel hoog gaan?” vroeg James.„Neen; het komt mij voor, dat het voldoende zal zijn, nog één zak uit te werpen. Ik wil eens weten, of de temperatuur nog zal stijgen.”„Welnu, moet ik dien dan uitwerpen?”„Ga je gang maar, vriend.”De ingenieur sloeg nu met de uiterste aandacht den thermometer gade.„’t Is opmerkelijk!” riep hij eindelijk uit. „Kijk eens, kapitein! De thermometer stijgt tot veertien, vijftien graden.… en hij blijft steeds rijzende.”Ford sloeg een blik op den thermometer en haalde de schouders op.„Ik begrijp er niets meer van,” zeide hij. „In plaats van half te bevriezen, zooals ik had verwacht, begin ik het in mijne bonten kleeren warm te krijgen.”„Achttien graden!” riep Gromski uit, als vreesde hij, dat hij de speelbal van een gezichtsbedrog was.„En ’t is het einde nog niet! De barometer wijst 3700 meters aan.”„Negentien graden, kapitein. Er moet zeker iets bijzonders gebeurd zijn.”„Nu staat hij al op twintig en een half,” zeide Ford,terwijl hij zich over den thermometer heenboog. „Het is blijkbaar, dat we in dien warmen luchtstroom zijn, waarop ge gerekend hebt.”„Maar ik moet erkennen, dat ik er niet zulk eene hooge temperatuur verwacht had. Het is geen warme luchtstroom meer, maar bijna een gloeiende.”„Daar gaan we de wolken in!”Op dit oogenblik kwam de luchtballon in een dichten nevel. Onze luchtreizigers verloren eensklaps den Oceaan uit het oog, terwijl zij niet verder dan eenige meters om zich heen konden zien. Ford kon niet dan met moeite James onderscheiden, die zich aan het andere einde van het schuitje bevond.In het inwendige der wolk steeg de temperatuur nog meer; de beide thermometers, de kwikthermometer en de alcoholthermometer, teekenden 22.4 graden, en de barometer gaf eene hoogte van 4800 meters aan.Ford had het in deze vochtige atmosfeer zeer warm; hij trok dus zijne bonten kleederen uit, welk voorbeeld door Gromski en James gevolgd werd.Toen de luchtballon na verloop van eenige minuten uit de wolk was, steeg hij steeds langzamer en bleef eindelijk met de omringende lucht in evenwicht.Kapitein Ford kon zich niet weerhouden, een uitroep van bewondering te slaken, toen hij naar beneden keek.De wolkenlaag, waar de ballon doorheen gegaan was, lag nu onder hem.Massa’s damp, die als zilver schitterden, vormden een onmetelijke keten, die veel weg had van phantastische bergen, welke zich in de oneindige ruimte uitstrekten. Hunne uiteindenverdwenen achtereenvolgens in het luchtruim en schenen het zenith te bereiken. Het geleken wel uitgetande rotsen, met eeuwige sneeuw bedekt.Dit tooneel veranderde ieder oogenblik. De toppen werden scherper begrensd en namen allengs in omvang toe, daar er zich nieuwe massa’s bij aansloten, of dreven uit elkaar. De afgronden veranderden onmerkbaar in zachte hellingen.De zon, die met moeite tusschen de nevelachtige toppen doordrong, verwarmde ze en gaf hun het voorkomen van vulkanen, die vuur en vlam uitbraakten; hare stralen, die elkander van de hoogste tot de laagste punten weerkaatsten, verloren zich in de onpeilbare diepten en kleurden de half doorzichtige dampen met een rooskleurigen gloed.De ballon bleef onbeweeglijk en wierp op de wolken eene reusachtige schaduw.James, die over dit schouwspel in verrukking geraakte, klapte in de handen. Ford, die tegen den rand van het schuitje aanleunde, zag het zwijgend aan, geheel van bewondering vervuld. Zelfs Gromski, die dikwijls in de gelegenheid geweest was om deze wonderen te aanschouwen, geraakte insgelijks in vervoering.„’t Is prachtig, ’t is onvergelijkelijk!” riep hij uit. „Niet waar, kapitein?”„We bevinden ons in eene tooverwereld, waarvan niemand op aarde de schoonheid kent. O, wat is het jammer, dat ik geen schilder ben! De photographie, die de kleuren weergeeft, zou in dit opzicht uitnemende diensten kunnen bewijzen. Wanneer men deze tot meerdere volkomenheid gebracht heeft, zal de luchtoceaan aan onze kunstenaars eene ontelbare menigte onderwerpen aan de hand doen. Hetverwondert mij, dat zij tot dusverre hunne aandacht niet gevestigd hebben op de wonderbare tooneelen, die men uit het schuitje van een luchtballon aanschouwt.”„Welk eene verscheidenheid! Kijk eens!”Gromski wees met den vinger naar eene wolk, die, na zich van eene andere verwijderd te hebben, als een reusachtig vliegend monster in het luchtruim dreef. Na verloop van eenige oogenblikken nam deze weer een geheel anderen vorm aan.Het was aan onze reizigers nauwelijks gelukt, deze opeenstapeling van wolken goed gade te slaan, of het tooneel veranderde weer.De zon, die naar den horizon neeg, wierp een vuurrood licht op de bovenste van deze wolken, terwijl de onderste langzamerhand in duisternis gedompeld werden.Een kwartier daarna verdween de Oceaan geheel achter een ondoordringbaren violetkleurigen sluier.De stralen der ondergaande zon bleven de wolken nog eenigen tijd kleuren; maar om negen uur verdwenen hunne laatste tinten.De nacht daalde in deze onbegrensde ruimte. Onze reizigers, die zich door de invallende duisternis eenigszins schrik lieten aanjagen, keken elkander angstig aan.„Het komt mij voor, dat we dalen,” zeide Ford, terwijl hij een blik op den barometer sloeg. „We zijn nu niet hooger meer dan 3600 meters.”„Dat verwachtte ik wel,” antwoordde Gromski. „De stralen der zon verwarmen den luchtballon nu niet meer: dus wordt het gas samengeperst. We moeten echter op eene hoogte van 3500 meters blijven. Het verwondert mij alleendat de thermometer nog altijd op 18 graden blijft staan.”„Moeten we nu den geheelen nacht wakende doorbrengen?”„Wel waarom, kapitein? Ga maar naar bed en slaap gerust! Ik zal mij bij den barometer neerzetten en ook wat gaan dommelen. Ik verzeker u, dat geenerlei gevaar onzen ballon bedreigt.”„En als er eens een storm opstak?”„Welnu, wat zou dat dan nog? We zullen zelfs niets gevoelen van den storm, die ons voortdrijft. De bliksem kan wel is waar het gas in den ballon doen ontbranden; maar op deze geographische breedte zijn stormen, van onweer vergezeld, eene groote zeldzaamheid. We zullen ook niet vallen, daar de ballon altijd op dezelfde hoogte blijft. Overigens zullen we James verzoeken, op den barometer te letten. En nu, goedennacht! Ge zult hier veel beter slapen dan in de hut van een schip of in een spoortrein. Het is nu halfelf. Ge hebt dus nog zes uren tot uwe beschikking, voordat de zon opgaat.”En na den stuurman bevolen te hebben, hem om vier uur, dat is tegen het aanbreken van den dageraad, te wekken, strekte Gromski zich gemakkelijk op den bodem der mand uit, en na verloop van tien minuten sliep hij even gerust als in zijne villa bij Chicago. Ford wilde, na een oogenblik nagedacht te hebben, zijn voorbeeld volgen.Maar de kapitein vond den slaap niet zoo spoedig als zijn geleerde metgezel.Gewoon aan het geluid van het stampen van het schip, aan het huilen van den wind en aan het geklots der golven, was hij geheel uit zijn gewone doen, te midden van de doodelijke stilte, die hem omgaf.Toen James zag, dat Ford den slaap maar niet kon vatten, kwam hij op de gedachte, een matrozenliedje te neuriën om hem op die manier in slaap te doen vallen.Langzamerhand begonnen de oogleden van Ford inderdaad zwaarder te worden, en hij viel eindelijk in een verkwikkenden slaap.

ZESDE HOOFDSTUK.ZESDE HOOFDSTUK.In de wolken.

ZESDE HOOFDSTUK.

Om tien uur verdwenen de hoogste punten van kaap Hoorn. Thans zagen onze reizigers, zoover hun oog reikte, niets anders om zich heen dan het oppervlak van den Oceaan, die zich in het oneindige verloor.Het scheen hun toe, dat de ballon zich niet bewoog en stil hing boven deze reusachtige vlakte, die als een spiegel het azuur des hemels weerkaatste.Omstreeks één uur ontdekte Ford, die door een verrekijker naar den horizon tuurde, in het Zuidwesten een zwart stipje.„Dat schijnt een stoomschip te zijn, dat zich langs dewestelijkekusten van Chili of van Peru voortbeweegt,” zeide hij. „Ik zie vrij duidelijk een rookwolkje.”Van eene hoogte van 1000 meters gezien, scheen het schip, dat op zijn minst 100 kilometers verwijderd was, in het veld van den verrekijker als een wormpje, dat langzaam voortkroop. Een lange rookwolk, die uit den schoorsteen opsteeg, kronkelde zich als een slang over den Oceaan.„De rook stijgt rechtop; dus moet er daar beneden geen wind zijn,” merkte Ford aan; „en toch komen wij dit schip met eene verbazende snelheid naderbij.”„Dat is niet te verwonderen, kapitein,” antwoordde Gromski; „de snelheid van den wind is, zooals de jongste onderzoekingen bewezen hebben, in de hoogere luchtlagen van den dampkring aanzienlijker dan in de lagere, en zij neemt in eene vaste verhouding toe. Hier, waar de barometer eene hoogte van 970 meters aangeeft, bezit de lucht waarschijnlijk eene aanmerkelijke snelheid, ofschoon zij op het oppervlak van den Oceaan doodstil is. Van eene hoogte van 1000 meters omvat het oog, naar mijne berekeningen, eene uitgestrektheid van een straal van 113 kilometers; wij bevinden ons dus bijna op dezen afstand van het schip. Kunt ge wellicht ook onderscheiden, in welke richting het gaat?”„Het komt mij voor, dat het zich naar het Noordwesten begeeft.”„We moeten letten op het oogenblik, waarop de ballon zich op dezelfde verticale lijn als het schip bevindt. We kunnen op deze manier de snelheid van den wind, die ons meevoert, bepalen.”Ford en James sloegen met genoegen dit schip gade, dat het eenige punt was, waarop het oog, moede van het staren op de eentonige oppervlakte van den Oceaan, kon rusten.Om één uur was het schip nog 30 kilometers van den ballon verwijderd; op dezen afstand kon men het reeds met het bloote oog onderscheiden.„Ik zou wel eens willen weten, of zij ons ook zien,” zeide James.„Zij zien den ballon waarschijnlijk als een zwart stipje, dat zich slechts 5 à 6 graden boven den horizon bevindt,” verklaarde Gromski.Het stoomschip kwam al dichter en dichter bij; nu scheidde nog slechts een tiental kilometers het van den luchtballon.De kapitein keek op zijn horloge: het was vijf minuten vóór half twee.„Laat ons wat dalen!” riep James uit, terwijl hij met zijn zakdoek wuifde. „Ze denken, dat de wind den ballon wegvoert! Zij volgen ons!”Inderdaad veranderde het schip, na een cirkelboog beschreven te hebben, plotseling van richting en begon den ballon te volgen.De kapitein ging terstond lucht in het ballonnetje pompen, en twintig minuten later bevond zich het schuitje nog slechts 200 meters boven het schip, op welks verdek eene buitengewone drukte heerschte: men maakte ongetwijfeld toebereidselen om eene sloep in zee neer te laten.„Laat ons nog wat dalen! Maar we mogen ons gas daarom niet verspillen, niet waar?…James, aan de pomp!” riep Gromski uit.De luchtballon daalde nu langzaam en bevond zich al spoedig op eene hoogte van omstreeks 100 meters boven het oppervlak van den Oceaan.„Van hier moeten zij ons kunnen verstaan,” zei de ingenieur.En nadat hij zich over den rand van het schuitje heengebogen had, riep hij met eene stentorstem:„Keert maar terug! We hebben uwe hulp niet noodig.”Zijne woorden waren blijkbaar niet te verstaan door het gedruisch van de stoommachine; men deed deze stilstaan, en Gromski herhaalde zijne woorden zoo luid mogelijk.„Het komt hun niet in de gedachten, dat het ons doel is, hier in de lucht te zweven,” mompelde de stuurman. „Ze zullen ons voor gekken houden.”„Ze schijnen antwoord te geven,” zeide Ford.„Wat zeggen ze dan?”„De officier, die op het verdek staat, heeft insgelijks geantwoord: „Keert maar terug!””Gromski lachte.„Dat is de echo,” zeide hij. „De stem, kapitein, wordt door het oppervlak der zee teruggekaatst als door de oppervlakte van een muur.”„Nu zegt de kapitein van het schip werkelijk iets.… Wacht eens! hij zegt, dat we het gas moeten laten ontsnappen. Blijkbaar hebben ze mij niet goed verstaan. Laat ons hun dus eene dépêche zenden.”Dit zeggende, scheurde Gromski een blaadje uit zijn zakboekje en schreef daarop:„Dank voor uwe goede bedoelingen. Wij hebben niets noodig. Wij gaan naar de Zuidpool.”Het stukje papier dwarrelde eenige oogenblikken heen en weer en viel toen op een korten afstand van het schip in het water.Onze reizigers zagen de matrozen pogingen aanwenden om deze dépêche met hunne roeispanen op te visschen.„Ziezoo, nu kunnen we opnieuw opstijgen zonder deze lieden aan een nutteloos tijdverlies bloot te stellen,” zei de ingenieur. „James, aan het werk!”Ditmaal hielp Ford den stuurman; want het leegpompen van het ballonnetje was een vrij vermoeiend werk.De matrozen wendden pogingen aan om deze dépêche op te visschen. Blz. 64.De matrozen wendden pogingen aan om deze dépêche op te visschen. Blz. 64.Vijf minuten daarna wees de barometer opnieuw 980 meters hoogte aan.Dit voorval was wel geschikt om er kapitein Ford van te overtuigen, dat de luchtballon uitstekend vervaardigd was, dat hij kon rijzen of dalen zonder iets van zijn ballast of van zijn gas te verliezen: men kon hem al naar verkiezing lichter of zwaarder maken. Zulk eene samenstelling stelde onze luchtreizigers in staat om op de verschillende hoogten gunstige winden te vinden en zich alzoo in de gewenschte richting voort te bewegen.De ingenieur wist nu met volkomen zekerheid, dat de luchtballon door den Noordoostenwind voortgedreven werd, die zeer dikwijls in de zuidelijke streken van den Atlantischen Oceaan heerscht.Na den tijd berekend te hebben, die er sedert het verschijnen van het stoomschip verloopen was, kon hij vaststellen, dat de snelheid van den wind 35 kilometers in het uur niet te boven ging.„’t Is waarschijnlijk wel het eerste en het laatste schip, dat we te zien zullen krijgen,” zeide James, terwijl hij naar het schip keek, dat opnieuw naar het Noordwesten draaide. „Morgen zullen we niets anders dan ijsbergen zien. Als we vallen, welnu, dan is het met ons gedaan.”De ingenieur antwoordde niet. Hij was ten prooi aan dezelfde sombere gedachten als die, welke den stuurman vervulden. Ondanks al het vertrouwen, dat hij in zijn ballon stelde, kon hij een soort van geheimzinnige vrees niet van zich zetten. Er kon een ongeluk gebeuren, dat hij niet had kunnen vooruitzien; eenig gebrek aan de machine, een onbeduidend scheurtje in het weefsel of andere gebreken warenvoldoende om den luchtballon in het water te doen vallen, dat zich onder hen uitstrekte. En zou er zich dan een schip vertoonen om aan de verongelukte luchtreizigers hulp te bieden?De ingenieur wist heel goed, dat dit niet zoo wezen zou. Niemand onder de walvischvaarders waagde zich zóó ver in die streken van den Oceaan, waarboven de luchtballon na verloop van een twintigtal uren zou zweven.Onder den indruk van deze gedachten onderzocht Gromski den ballon oplettend, die nochtans in den best mogelijken toestand verkeerde.„Alles gaat tot hiertoe goed,” zeide hij, na zijn onderzoek voltooid te hebben. „We vorderen echter te weinig. Als dat zoo blijft voortgaan, dan zullen we een heele week noodig hebben om de pool te bereiken.”„Welnu, dan moeten we de machine met meer kracht laten werken.”„Daaraan denk ik in de verste verte niet; we moeten slechts in de uiterste noodzakelijkheid onze toevlucht tot den motor nemen; maar ik heb plan om in hoogere streken een wind op te zoeken, die eene grootere snelheid bezit. Dien warmen luchtstroom, waarop ik reken, hebben we tot dusverre nog niet gevonden, niet waar?”„Welnu, laat ons dien dan zoeken,” antwoordde Ford. „Als het maar niet verkeerd afloopt!.…”„Dat denk ik niet,” antwoordde Gromski. „Ik heb er genoeg bewijzen voor. Hebt ge den vulkaan Cotopaxi wel eens gezien?”„Staat die vulkaan dan met den warmen luchtstroom in verband?”„Ja, omdat de rook, die uit zijn krater opstijgt en die eene hoogte van 3000 meters bereikt, eerst naar het Noordwesten gaat en dan eensklaps van richting verandert en naar het Zuidoosten trekt. Ge zult mij moeten toestemmen, dat het moeilijk is, eene betere bevestiging van mijne onderstellingen te hebben. We zullen er ons bovendien aanstonds van kunnen overtuigen.… James, werp den grootsten zak met zand eens uit!”Daarop plaatste Gromski zich bij den barometer. Na verloop van tien minuten bleef deze laatste op het punt staan, dat eene hoogte van 1200 meters aanwees.„Kijk eens op den thermometer, kapitein.”„Die staat twee graden boven nul.”„Mooi zoo! Dus is de temperatuur niet gedaald.… Nog een zak, James.”Binnen een kwartier steeg de ballon 800 meters en bevond zich dus 2000 meters boven het oppervlak van den Oceaan, Tot groote verwondering van Ford steeg de thermometer, in plaats van te dalen, tot vijf graden boven het nulpunt. De ingenieur had zijn doel echter nog niet bereikt: op zijn bevel werd er weder een zak met zand door James uitgeworpen.„Hoe gevoelt ge u nu?” vroeg Gromski. „We bevinden ons nu op eene hoogte van 3200 meters boven het oppervlak van den Oceaan.”„Ik heb een gesuis in mijne ooren,” antwoordde Ford, „en mijne ademhaling wordt sneller.”„De mijne ook; maar behalve dat voel ik niets.”„Dat is heel natuurlijk: we bevinden ons in een verdunden dampkring; onze longen moeten dus krachtiger werken.Maar laat ons een weinig wachten; want zulk eene snelle verandering van drukking is gevaarlijk. Over een uur zullen we nog wat ballast uitwerpen.”„Als we ons inmiddels eens aan tafel zetten?” stelde James schroomvallig voor.De verandering in den toestand der lucht had den braven stuurman den eetlust niet benomen; de kapitein en Gromski gevoelden niet minder honger; dus werd het voorstel van James volgaarne aangenomen.De thermometer teekende twaalf graden warmte: de temperatuur was dus vrij zacht.De stuurman begaf zich dadelijk aan het werk. Nadat hij de mand met levensmiddelen opengedaan had, bedekte hij „de tafel” in een oogwenk met spijzen.Alle drie bevonden zich in een goede luim; de verdunde dampkring wekte den eetlust op, zoodat de ham, de ingelegde groenten en de pekelsaus binnen weinige oogenblikken naar binnen gewerkt waren. Deze maaltijd in de lucht, 3 kilometers boven de zee, duurde tot vier uur. Onze luchtreizigers lachten en schertsten met dezelfde luchthartigheid, alsof zij in eene restauratie van New-York gedineerd hadden.Intusschen vertoonden zich aan de lucht, die tot dusverre helder geweest was, eenige van die wolkjes, welke men gewoonlijk in de hoogste luchtlagen van den dampkring aantreft.Dit verschijnsel, op eene hoogte van 4000 meters, verwonderde Gromski eenigszins; want hij wist, dat wolken van dit soort gewoonlijk in de hoogste luchtlagen van den dampkring drijven.Zij bewogen zich blijkbaar naar het Zuidoosten; zijmoesten dus vlugger voortdrijven dan de luchtballon, die zich lager bevond.Deze opmerking bevestigde nogmaals de onderstelling van Gromski, wat den hoogeren luchtstroom aangaat.„Wat zoudt ge er wel van zeggen, als ik u eens voorstelde, ons tot die wolken te verheffen?” zeide hij tot zijne metgezellen.„Moeten we dan nog heel hoog gaan?” vroeg James.„Neen; het komt mij voor, dat het voldoende zal zijn, nog één zak uit te werpen. Ik wil eens weten, of de temperatuur nog zal stijgen.”„Welnu, moet ik dien dan uitwerpen?”„Ga je gang maar, vriend.”De ingenieur sloeg nu met de uiterste aandacht den thermometer gade.„’t Is opmerkelijk!” riep hij eindelijk uit. „Kijk eens, kapitein! De thermometer stijgt tot veertien, vijftien graden.… en hij blijft steeds rijzende.”Ford sloeg een blik op den thermometer en haalde de schouders op.„Ik begrijp er niets meer van,” zeide hij. „In plaats van half te bevriezen, zooals ik had verwacht, begin ik het in mijne bonten kleeren warm te krijgen.”„Achttien graden!” riep Gromski uit, als vreesde hij, dat hij de speelbal van een gezichtsbedrog was.„En ’t is het einde nog niet! De barometer wijst 3700 meters aan.”„Negentien graden, kapitein. Er moet zeker iets bijzonders gebeurd zijn.”„Nu staat hij al op twintig en een half,” zeide Ford,terwijl hij zich over den thermometer heenboog. „Het is blijkbaar, dat we in dien warmen luchtstroom zijn, waarop ge gerekend hebt.”„Maar ik moet erkennen, dat ik er niet zulk eene hooge temperatuur verwacht had. Het is geen warme luchtstroom meer, maar bijna een gloeiende.”„Daar gaan we de wolken in!”Op dit oogenblik kwam de luchtballon in een dichten nevel. Onze luchtreizigers verloren eensklaps den Oceaan uit het oog, terwijl zij niet verder dan eenige meters om zich heen konden zien. Ford kon niet dan met moeite James onderscheiden, die zich aan het andere einde van het schuitje bevond.In het inwendige der wolk steeg de temperatuur nog meer; de beide thermometers, de kwikthermometer en de alcoholthermometer, teekenden 22.4 graden, en de barometer gaf eene hoogte van 4800 meters aan.Ford had het in deze vochtige atmosfeer zeer warm; hij trok dus zijne bonten kleederen uit, welk voorbeeld door Gromski en James gevolgd werd.Toen de luchtballon na verloop van eenige minuten uit de wolk was, steeg hij steeds langzamer en bleef eindelijk met de omringende lucht in evenwicht.Kapitein Ford kon zich niet weerhouden, een uitroep van bewondering te slaken, toen hij naar beneden keek.De wolkenlaag, waar de ballon doorheen gegaan was, lag nu onder hem.Massa’s damp, die als zilver schitterden, vormden een onmetelijke keten, die veel weg had van phantastische bergen, welke zich in de oneindige ruimte uitstrekten. Hunne uiteindenverdwenen achtereenvolgens in het luchtruim en schenen het zenith te bereiken. Het geleken wel uitgetande rotsen, met eeuwige sneeuw bedekt.Dit tooneel veranderde ieder oogenblik. De toppen werden scherper begrensd en namen allengs in omvang toe, daar er zich nieuwe massa’s bij aansloten, of dreven uit elkaar. De afgronden veranderden onmerkbaar in zachte hellingen.De zon, die met moeite tusschen de nevelachtige toppen doordrong, verwarmde ze en gaf hun het voorkomen van vulkanen, die vuur en vlam uitbraakten; hare stralen, die elkander van de hoogste tot de laagste punten weerkaatsten, verloren zich in de onpeilbare diepten en kleurden de half doorzichtige dampen met een rooskleurigen gloed.De ballon bleef onbeweeglijk en wierp op de wolken eene reusachtige schaduw.James, die over dit schouwspel in verrukking geraakte, klapte in de handen. Ford, die tegen den rand van het schuitje aanleunde, zag het zwijgend aan, geheel van bewondering vervuld. Zelfs Gromski, die dikwijls in de gelegenheid geweest was om deze wonderen te aanschouwen, geraakte insgelijks in vervoering.„’t Is prachtig, ’t is onvergelijkelijk!” riep hij uit. „Niet waar, kapitein?”„We bevinden ons in eene tooverwereld, waarvan niemand op aarde de schoonheid kent. O, wat is het jammer, dat ik geen schilder ben! De photographie, die de kleuren weergeeft, zou in dit opzicht uitnemende diensten kunnen bewijzen. Wanneer men deze tot meerdere volkomenheid gebracht heeft, zal de luchtoceaan aan onze kunstenaars eene ontelbare menigte onderwerpen aan de hand doen. Hetverwondert mij, dat zij tot dusverre hunne aandacht niet gevestigd hebben op de wonderbare tooneelen, die men uit het schuitje van een luchtballon aanschouwt.”„Welk eene verscheidenheid! Kijk eens!”Gromski wees met den vinger naar eene wolk, die, na zich van eene andere verwijderd te hebben, als een reusachtig vliegend monster in het luchtruim dreef. Na verloop van eenige oogenblikken nam deze weer een geheel anderen vorm aan.Het was aan onze reizigers nauwelijks gelukt, deze opeenstapeling van wolken goed gade te slaan, of het tooneel veranderde weer.De zon, die naar den horizon neeg, wierp een vuurrood licht op de bovenste van deze wolken, terwijl de onderste langzamerhand in duisternis gedompeld werden.Een kwartier daarna verdween de Oceaan geheel achter een ondoordringbaren violetkleurigen sluier.De stralen der ondergaande zon bleven de wolken nog eenigen tijd kleuren; maar om negen uur verdwenen hunne laatste tinten.De nacht daalde in deze onbegrensde ruimte. Onze reizigers, die zich door de invallende duisternis eenigszins schrik lieten aanjagen, keken elkander angstig aan.„Het komt mij voor, dat we dalen,” zeide Ford, terwijl hij een blik op den barometer sloeg. „We zijn nu niet hooger meer dan 3600 meters.”„Dat verwachtte ik wel,” antwoordde Gromski. „De stralen der zon verwarmen den luchtballon nu niet meer: dus wordt het gas samengeperst. We moeten echter op eene hoogte van 3500 meters blijven. Het verwondert mij alleendat de thermometer nog altijd op 18 graden blijft staan.”„Moeten we nu den geheelen nacht wakende doorbrengen?”„Wel waarom, kapitein? Ga maar naar bed en slaap gerust! Ik zal mij bij den barometer neerzetten en ook wat gaan dommelen. Ik verzeker u, dat geenerlei gevaar onzen ballon bedreigt.”„En als er eens een storm opstak?”„Welnu, wat zou dat dan nog? We zullen zelfs niets gevoelen van den storm, die ons voortdrijft. De bliksem kan wel is waar het gas in den ballon doen ontbranden; maar op deze geographische breedte zijn stormen, van onweer vergezeld, eene groote zeldzaamheid. We zullen ook niet vallen, daar de ballon altijd op dezelfde hoogte blijft. Overigens zullen we James verzoeken, op den barometer te letten. En nu, goedennacht! Ge zult hier veel beter slapen dan in de hut van een schip of in een spoortrein. Het is nu halfelf. Ge hebt dus nog zes uren tot uwe beschikking, voordat de zon opgaat.”En na den stuurman bevolen te hebben, hem om vier uur, dat is tegen het aanbreken van den dageraad, te wekken, strekte Gromski zich gemakkelijk op den bodem der mand uit, en na verloop van tien minuten sliep hij even gerust als in zijne villa bij Chicago. Ford wilde, na een oogenblik nagedacht te hebben, zijn voorbeeld volgen.Maar de kapitein vond den slaap niet zoo spoedig als zijn geleerde metgezel.Gewoon aan het geluid van het stampen van het schip, aan het huilen van den wind en aan het geklots der golven, was hij geheel uit zijn gewone doen, te midden van de doodelijke stilte, die hem omgaf.Toen James zag, dat Ford den slaap maar niet kon vatten, kwam hij op de gedachte, een matrozenliedje te neuriën om hem op die manier in slaap te doen vallen.Langzamerhand begonnen de oogleden van Ford inderdaad zwaarder te worden, en hij viel eindelijk in een verkwikkenden slaap.

Om tien uur verdwenen de hoogste punten van kaap Hoorn. Thans zagen onze reizigers, zoover hun oog reikte, niets anders om zich heen dan het oppervlak van den Oceaan, die zich in het oneindige verloor.

Het scheen hun toe, dat de ballon zich niet bewoog en stil hing boven deze reusachtige vlakte, die als een spiegel het azuur des hemels weerkaatste.

Omstreeks één uur ontdekte Ford, die door een verrekijker naar den horizon tuurde, in het Zuidwesten een zwart stipje.

„Dat schijnt een stoomschip te zijn, dat zich langs dewestelijkekusten van Chili of van Peru voortbeweegt,” zeide hij. „Ik zie vrij duidelijk een rookwolkje.”

Van eene hoogte van 1000 meters gezien, scheen het schip, dat op zijn minst 100 kilometers verwijderd was, in het veld van den verrekijker als een wormpje, dat langzaam voortkroop. Een lange rookwolk, die uit den schoorsteen opsteeg, kronkelde zich als een slang over den Oceaan.

„De rook stijgt rechtop; dus moet er daar beneden geen wind zijn,” merkte Ford aan; „en toch komen wij dit schip met eene verbazende snelheid naderbij.”

„Dat is niet te verwonderen, kapitein,” antwoordde Gromski; „de snelheid van den wind is, zooals de jongste onderzoekingen bewezen hebben, in de hoogere luchtlagen van den dampkring aanzienlijker dan in de lagere, en zij neemt in eene vaste verhouding toe. Hier, waar de barometer eene hoogte van 970 meters aangeeft, bezit de lucht waarschijnlijk eene aanmerkelijke snelheid, ofschoon zij op het oppervlak van den Oceaan doodstil is. Van eene hoogte van 1000 meters omvat het oog, naar mijne berekeningen, eene uitgestrektheid van een straal van 113 kilometers; wij bevinden ons dus bijna op dezen afstand van het schip. Kunt ge wellicht ook onderscheiden, in welke richting het gaat?”

„Het komt mij voor, dat het zich naar het Noordwesten begeeft.”

„We moeten letten op het oogenblik, waarop de ballon zich op dezelfde verticale lijn als het schip bevindt. We kunnen op deze manier de snelheid van den wind, die ons meevoert, bepalen.”

Ford en James sloegen met genoegen dit schip gade, dat het eenige punt was, waarop het oog, moede van het staren op de eentonige oppervlakte van den Oceaan, kon rusten.

Om één uur was het schip nog 30 kilometers van den ballon verwijderd; op dezen afstand kon men het reeds met het bloote oog onderscheiden.

„Ik zou wel eens willen weten, of zij ons ook zien,” zeide James.

„Zij zien den ballon waarschijnlijk als een zwart stipje, dat zich slechts 5 à 6 graden boven den horizon bevindt,” verklaarde Gromski.

Het stoomschip kwam al dichter en dichter bij; nu scheidde nog slechts een tiental kilometers het van den luchtballon.

De kapitein keek op zijn horloge: het was vijf minuten vóór half twee.

„Laat ons wat dalen!” riep James uit, terwijl hij met zijn zakdoek wuifde. „Ze denken, dat de wind den ballon wegvoert! Zij volgen ons!”

Inderdaad veranderde het schip, na een cirkelboog beschreven te hebben, plotseling van richting en begon den ballon te volgen.

De kapitein ging terstond lucht in het ballonnetje pompen, en twintig minuten later bevond zich het schuitje nog slechts 200 meters boven het schip, op welks verdek eene buitengewone drukte heerschte: men maakte ongetwijfeld toebereidselen om eene sloep in zee neer te laten.

„Laat ons nog wat dalen! Maar we mogen ons gas daarom niet verspillen, niet waar?…James, aan de pomp!” riep Gromski uit.

De luchtballon daalde nu langzaam en bevond zich al spoedig op eene hoogte van omstreeks 100 meters boven het oppervlak van den Oceaan.

„Van hier moeten zij ons kunnen verstaan,” zei de ingenieur.

En nadat hij zich over den rand van het schuitje heengebogen had, riep hij met eene stentorstem:

„Keert maar terug! We hebben uwe hulp niet noodig.”

Zijne woorden waren blijkbaar niet te verstaan door het gedruisch van de stoommachine; men deed deze stilstaan, en Gromski herhaalde zijne woorden zoo luid mogelijk.

„Het komt hun niet in de gedachten, dat het ons doel is, hier in de lucht te zweven,” mompelde de stuurman. „Ze zullen ons voor gekken houden.”

„Ze schijnen antwoord te geven,” zeide Ford.

„Wat zeggen ze dan?”

„De officier, die op het verdek staat, heeft insgelijks geantwoord: „Keert maar terug!””

Gromski lachte.

„Dat is de echo,” zeide hij. „De stem, kapitein, wordt door het oppervlak der zee teruggekaatst als door de oppervlakte van een muur.”

„Nu zegt de kapitein van het schip werkelijk iets.… Wacht eens! hij zegt, dat we het gas moeten laten ontsnappen. Blijkbaar hebben ze mij niet goed verstaan. Laat ons hun dus eene dépêche zenden.”

Dit zeggende, scheurde Gromski een blaadje uit zijn zakboekje en schreef daarop:

„Dank voor uwe goede bedoelingen. Wij hebben niets noodig. Wij gaan naar de Zuidpool.”

Het stukje papier dwarrelde eenige oogenblikken heen en weer en viel toen op een korten afstand van het schip in het water.

Onze reizigers zagen de matrozen pogingen aanwenden om deze dépêche met hunne roeispanen op te visschen.

„Ziezoo, nu kunnen we opnieuw opstijgen zonder deze lieden aan een nutteloos tijdverlies bloot te stellen,” zei de ingenieur. „James, aan het werk!”Ditmaal hielp Ford den stuurman; want het leegpompen van het ballonnetje was een vrij vermoeiend werk.

De matrozen wendden pogingen aan om deze dépêche op te visschen. Blz. 64.De matrozen wendden pogingen aan om deze dépêche op te visschen. Blz. 64.

De matrozen wendden pogingen aan om deze dépêche op te visschen. Blz. 64.

Vijf minuten daarna wees de barometer opnieuw 980 meters hoogte aan.

Dit voorval was wel geschikt om er kapitein Ford van te overtuigen, dat de luchtballon uitstekend vervaardigd was, dat hij kon rijzen of dalen zonder iets van zijn ballast of van zijn gas te verliezen: men kon hem al naar verkiezing lichter of zwaarder maken. Zulk eene samenstelling stelde onze luchtreizigers in staat om op de verschillende hoogten gunstige winden te vinden en zich alzoo in de gewenschte richting voort te bewegen.

De ingenieur wist nu met volkomen zekerheid, dat de luchtballon door den Noordoostenwind voortgedreven werd, die zeer dikwijls in de zuidelijke streken van den Atlantischen Oceaan heerscht.

Na den tijd berekend te hebben, die er sedert het verschijnen van het stoomschip verloopen was, kon hij vaststellen, dat de snelheid van den wind 35 kilometers in het uur niet te boven ging.

„’t Is waarschijnlijk wel het eerste en het laatste schip, dat we te zien zullen krijgen,” zeide James, terwijl hij naar het schip keek, dat opnieuw naar het Noordwesten draaide. „Morgen zullen we niets anders dan ijsbergen zien. Als we vallen, welnu, dan is het met ons gedaan.”

De ingenieur antwoordde niet. Hij was ten prooi aan dezelfde sombere gedachten als die, welke den stuurman vervulden. Ondanks al het vertrouwen, dat hij in zijn ballon stelde, kon hij een soort van geheimzinnige vrees niet van zich zetten. Er kon een ongeluk gebeuren, dat hij niet had kunnen vooruitzien; eenig gebrek aan de machine, een onbeduidend scheurtje in het weefsel of andere gebreken warenvoldoende om den luchtballon in het water te doen vallen, dat zich onder hen uitstrekte. En zou er zich dan een schip vertoonen om aan de verongelukte luchtreizigers hulp te bieden?

De ingenieur wist heel goed, dat dit niet zoo wezen zou. Niemand onder de walvischvaarders waagde zich zóó ver in die streken van den Oceaan, waarboven de luchtballon na verloop van een twintigtal uren zou zweven.

Onder den indruk van deze gedachten onderzocht Gromski den ballon oplettend, die nochtans in den best mogelijken toestand verkeerde.

„Alles gaat tot hiertoe goed,” zeide hij, na zijn onderzoek voltooid te hebben. „We vorderen echter te weinig. Als dat zoo blijft voortgaan, dan zullen we een heele week noodig hebben om de pool te bereiken.”

„Welnu, dan moeten we de machine met meer kracht laten werken.”

„Daaraan denk ik in de verste verte niet; we moeten slechts in de uiterste noodzakelijkheid onze toevlucht tot den motor nemen; maar ik heb plan om in hoogere streken een wind op te zoeken, die eene grootere snelheid bezit. Dien warmen luchtstroom, waarop ik reken, hebben we tot dusverre nog niet gevonden, niet waar?”

„Welnu, laat ons dien dan zoeken,” antwoordde Ford. „Als het maar niet verkeerd afloopt!.…”

„Dat denk ik niet,” antwoordde Gromski. „Ik heb er genoeg bewijzen voor. Hebt ge den vulkaan Cotopaxi wel eens gezien?”

„Staat die vulkaan dan met den warmen luchtstroom in verband?”

„Ja, omdat de rook, die uit zijn krater opstijgt en die eene hoogte van 3000 meters bereikt, eerst naar het Noordwesten gaat en dan eensklaps van richting verandert en naar het Zuidoosten trekt. Ge zult mij moeten toestemmen, dat het moeilijk is, eene betere bevestiging van mijne onderstellingen te hebben. We zullen er ons bovendien aanstonds van kunnen overtuigen.… James, werp den grootsten zak met zand eens uit!”

Daarop plaatste Gromski zich bij den barometer. Na verloop van tien minuten bleef deze laatste op het punt staan, dat eene hoogte van 1200 meters aanwees.

„Kijk eens op den thermometer, kapitein.”

„Die staat twee graden boven nul.”

„Mooi zoo! Dus is de temperatuur niet gedaald.… Nog een zak, James.”

Binnen een kwartier steeg de ballon 800 meters en bevond zich dus 2000 meters boven het oppervlak van den Oceaan, Tot groote verwondering van Ford steeg de thermometer, in plaats van te dalen, tot vijf graden boven het nulpunt. De ingenieur had zijn doel echter nog niet bereikt: op zijn bevel werd er weder een zak met zand door James uitgeworpen.

„Hoe gevoelt ge u nu?” vroeg Gromski. „We bevinden ons nu op eene hoogte van 3200 meters boven het oppervlak van den Oceaan.”

„Ik heb een gesuis in mijne ooren,” antwoordde Ford, „en mijne ademhaling wordt sneller.”

„De mijne ook; maar behalve dat voel ik niets.”

„Dat is heel natuurlijk: we bevinden ons in een verdunden dampkring; onze longen moeten dus krachtiger werken.Maar laat ons een weinig wachten; want zulk eene snelle verandering van drukking is gevaarlijk. Over een uur zullen we nog wat ballast uitwerpen.”

„Als we ons inmiddels eens aan tafel zetten?” stelde James schroomvallig voor.

De verandering in den toestand der lucht had den braven stuurman den eetlust niet benomen; de kapitein en Gromski gevoelden niet minder honger; dus werd het voorstel van James volgaarne aangenomen.

De thermometer teekende twaalf graden warmte: de temperatuur was dus vrij zacht.

De stuurman begaf zich dadelijk aan het werk. Nadat hij de mand met levensmiddelen opengedaan had, bedekte hij „de tafel” in een oogwenk met spijzen.

Alle drie bevonden zich in een goede luim; de verdunde dampkring wekte den eetlust op, zoodat de ham, de ingelegde groenten en de pekelsaus binnen weinige oogenblikken naar binnen gewerkt waren. Deze maaltijd in de lucht, 3 kilometers boven de zee, duurde tot vier uur. Onze luchtreizigers lachten en schertsten met dezelfde luchthartigheid, alsof zij in eene restauratie van New-York gedineerd hadden.

Intusschen vertoonden zich aan de lucht, die tot dusverre helder geweest was, eenige van die wolkjes, welke men gewoonlijk in de hoogste luchtlagen van den dampkring aantreft.

Dit verschijnsel, op eene hoogte van 4000 meters, verwonderde Gromski eenigszins; want hij wist, dat wolken van dit soort gewoonlijk in de hoogste luchtlagen van den dampkring drijven.

Zij bewogen zich blijkbaar naar het Zuidoosten; zijmoesten dus vlugger voortdrijven dan de luchtballon, die zich lager bevond.

Deze opmerking bevestigde nogmaals de onderstelling van Gromski, wat den hoogeren luchtstroom aangaat.

„Wat zoudt ge er wel van zeggen, als ik u eens voorstelde, ons tot die wolken te verheffen?” zeide hij tot zijne metgezellen.

„Moeten we dan nog heel hoog gaan?” vroeg James.

„Neen; het komt mij voor, dat het voldoende zal zijn, nog één zak uit te werpen. Ik wil eens weten, of de temperatuur nog zal stijgen.”

„Welnu, moet ik dien dan uitwerpen?”

„Ga je gang maar, vriend.”

De ingenieur sloeg nu met de uiterste aandacht den thermometer gade.

„’t Is opmerkelijk!” riep hij eindelijk uit. „Kijk eens, kapitein! De thermometer stijgt tot veertien, vijftien graden.… en hij blijft steeds rijzende.”

Ford sloeg een blik op den thermometer en haalde de schouders op.

„Ik begrijp er niets meer van,” zeide hij. „In plaats van half te bevriezen, zooals ik had verwacht, begin ik het in mijne bonten kleeren warm te krijgen.”

„Achttien graden!” riep Gromski uit, als vreesde hij, dat hij de speelbal van een gezichtsbedrog was.

„En ’t is het einde nog niet! De barometer wijst 3700 meters aan.”

„Negentien graden, kapitein. Er moet zeker iets bijzonders gebeurd zijn.”

„Nu staat hij al op twintig en een half,” zeide Ford,terwijl hij zich over den thermometer heenboog. „Het is blijkbaar, dat we in dien warmen luchtstroom zijn, waarop ge gerekend hebt.”

„Maar ik moet erkennen, dat ik er niet zulk eene hooge temperatuur verwacht had. Het is geen warme luchtstroom meer, maar bijna een gloeiende.”

„Daar gaan we de wolken in!”

Op dit oogenblik kwam de luchtballon in een dichten nevel. Onze luchtreizigers verloren eensklaps den Oceaan uit het oog, terwijl zij niet verder dan eenige meters om zich heen konden zien. Ford kon niet dan met moeite James onderscheiden, die zich aan het andere einde van het schuitje bevond.

In het inwendige der wolk steeg de temperatuur nog meer; de beide thermometers, de kwikthermometer en de alcoholthermometer, teekenden 22.4 graden, en de barometer gaf eene hoogte van 4800 meters aan.

Ford had het in deze vochtige atmosfeer zeer warm; hij trok dus zijne bonten kleederen uit, welk voorbeeld door Gromski en James gevolgd werd.

Toen de luchtballon na verloop van eenige minuten uit de wolk was, steeg hij steeds langzamer en bleef eindelijk met de omringende lucht in evenwicht.

Kapitein Ford kon zich niet weerhouden, een uitroep van bewondering te slaken, toen hij naar beneden keek.

De wolkenlaag, waar de ballon doorheen gegaan was, lag nu onder hem.

Massa’s damp, die als zilver schitterden, vormden een onmetelijke keten, die veel weg had van phantastische bergen, welke zich in de oneindige ruimte uitstrekten. Hunne uiteindenverdwenen achtereenvolgens in het luchtruim en schenen het zenith te bereiken. Het geleken wel uitgetande rotsen, met eeuwige sneeuw bedekt.

Dit tooneel veranderde ieder oogenblik. De toppen werden scherper begrensd en namen allengs in omvang toe, daar er zich nieuwe massa’s bij aansloten, of dreven uit elkaar. De afgronden veranderden onmerkbaar in zachte hellingen.

De zon, die met moeite tusschen de nevelachtige toppen doordrong, verwarmde ze en gaf hun het voorkomen van vulkanen, die vuur en vlam uitbraakten; hare stralen, die elkander van de hoogste tot de laagste punten weerkaatsten, verloren zich in de onpeilbare diepten en kleurden de half doorzichtige dampen met een rooskleurigen gloed.

De ballon bleef onbeweeglijk en wierp op de wolken eene reusachtige schaduw.

James, die over dit schouwspel in verrukking geraakte, klapte in de handen. Ford, die tegen den rand van het schuitje aanleunde, zag het zwijgend aan, geheel van bewondering vervuld. Zelfs Gromski, die dikwijls in de gelegenheid geweest was om deze wonderen te aanschouwen, geraakte insgelijks in vervoering.

„’t Is prachtig, ’t is onvergelijkelijk!” riep hij uit. „Niet waar, kapitein?”

„We bevinden ons in eene tooverwereld, waarvan niemand op aarde de schoonheid kent. O, wat is het jammer, dat ik geen schilder ben! De photographie, die de kleuren weergeeft, zou in dit opzicht uitnemende diensten kunnen bewijzen. Wanneer men deze tot meerdere volkomenheid gebracht heeft, zal de luchtoceaan aan onze kunstenaars eene ontelbare menigte onderwerpen aan de hand doen. Hetverwondert mij, dat zij tot dusverre hunne aandacht niet gevestigd hebben op de wonderbare tooneelen, die men uit het schuitje van een luchtballon aanschouwt.”

„Welk eene verscheidenheid! Kijk eens!”

Gromski wees met den vinger naar eene wolk, die, na zich van eene andere verwijderd te hebben, als een reusachtig vliegend monster in het luchtruim dreef. Na verloop van eenige oogenblikken nam deze weer een geheel anderen vorm aan.

Het was aan onze reizigers nauwelijks gelukt, deze opeenstapeling van wolken goed gade te slaan, of het tooneel veranderde weer.

De zon, die naar den horizon neeg, wierp een vuurrood licht op de bovenste van deze wolken, terwijl de onderste langzamerhand in duisternis gedompeld werden.

Een kwartier daarna verdween de Oceaan geheel achter een ondoordringbaren violetkleurigen sluier.

De stralen der ondergaande zon bleven de wolken nog eenigen tijd kleuren; maar om negen uur verdwenen hunne laatste tinten.

De nacht daalde in deze onbegrensde ruimte. Onze reizigers, die zich door de invallende duisternis eenigszins schrik lieten aanjagen, keken elkander angstig aan.

„Het komt mij voor, dat we dalen,” zeide Ford, terwijl hij een blik op den barometer sloeg. „We zijn nu niet hooger meer dan 3600 meters.”

„Dat verwachtte ik wel,” antwoordde Gromski. „De stralen der zon verwarmen den luchtballon nu niet meer: dus wordt het gas samengeperst. We moeten echter op eene hoogte van 3500 meters blijven. Het verwondert mij alleendat de thermometer nog altijd op 18 graden blijft staan.”

„Moeten we nu den geheelen nacht wakende doorbrengen?”

„Wel waarom, kapitein? Ga maar naar bed en slaap gerust! Ik zal mij bij den barometer neerzetten en ook wat gaan dommelen. Ik verzeker u, dat geenerlei gevaar onzen ballon bedreigt.”

„En als er eens een storm opstak?”

„Welnu, wat zou dat dan nog? We zullen zelfs niets gevoelen van den storm, die ons voortdrijft. De bliksem kan wel is waar het gas in den ballon doen ontbranden; maar op deze geographische breedte zijn stormen, van onweer vergezeld, eene groote zeldzaamheid. We zullen ook niet vallen, daar de ballon altijd op dezelfde hoogte blijft. Overigens zullen we James verzoeken, op den barometer te letten. En nu, goedennacht! Ge zult hier veel beter slapen dan in de hut van een schip of in een spoortrein. Het is nu halfelf. Ge hebt dus nog zes uren tot uwe beschikking, voordat de zon opgaat.”

En na den stuurman bevolen te hebben, hem om vier uur, dat is tegen het aanbreken van den dageraad, te wekken, strekte Gromski zich gemakkelijk op den bodem der mand uit, en na verloop van tien minuten sliep hij even gerust als in zijne villa bij Chicago. Ford wilde, na een oogenblik nagedacht te hebben, zijn voorbeeld volgen.

Maar de kapitein vond den slaap niet zoo spoedig als zijn geleerde metgezel.

Gewoon aan het geluid van het stampen van het schip, aan het huilen van den wind en aan het geklots der golven, was hij geheel uit zijn gewone doen, te midden van de doodelijke stilte, die hem omgaf.

Toen James zag, dat Ford den slaap maar niet kon vatten, kwam hij op de gedachte, een matrozenliedje te neuriën om hem op die manier in slaap te doen vallen.

Langzamerhand begonnen de oogleden van Ford inderdaad zwaarder te worden, en hij viel eindelijk in een verkwikkenden slaap.


Back to IndexNext