ZEVENDE HOOFDSTUK.ZEVENDE HOOFDSTUK.Zonsopgang te middernacht.James nam zich voor, het vertrouwen, dat Gromski en de kapitein in hem stelden, ten volle te rechtvaardigen. De ingenieur had hem bevolen, den ballon nauwlettend gade te slaan, als hij bijgeval mocht beginnen te dalen. De stuurman hield dan ook voortdurend de oogen op den barometer gevestigd, waarbij hij zich neerzette.Eene zekere onrust maakte zich van den braven zeeman meester bij de gedachte, dat de veiligheid van den luchtballon nu geheel van zijne waakzaamheid afhing. Het had hem in het eerst toegeschenen, dat het veel gemakkelijker was, het toezicht op een luchtballon te houden dan op een stoomschip; maar hij liet deze meening al spoedig varen. James vroeg zich eindelijk af, of hij ingeval van nood zijne plichten wel behoorlijk zou kunnen vervullen. Hij stelde zich dus al de gevaren voor, die den luchtballon zouden kunnen bedreigen.In de eerste plaats dacht hij aan de mogelijkheid, dat de ballon in zee zou vallen. Maar daarvoor behoefde hijniet te vreezen; want de barometer wees nog steeds eene hoogte van 3200 meters aan en steeg niet hooger. De heldere hemel voorspelde mooi weer. De luchtballon, die vrijelijk in het luchtruim zweefde, had geenerlei botsing, geenerlei schok te duchten.Niettemin boog de oude zeeman zich ieder oogenblik over den rand van het schuitje heen en sloeg een argwanenden blik in de ruimte. Hij gevoelde zich zonderling aangedaan tegenover deze doodelijke stilte, die door niets verstoord werd. Als hij aan het roer van een stoomschip zat, hoorde hij gewoonlijk het stampen der machine, het kraken van de masten, het huilen van den wind en het klotsen der golven. Nu hoorde hij niets, hoegenaamd niets.De ballon scheen duizenden mijlen boven de aarde opgehangen te zijn te midden van de sterren, die hem omgaven. Deze doodelijke stilte maakte James zenuwachtig. De brave zeeman begon al spoedig de luchtvaart te verwenschen, waarvoor al zijne kennis en al zijne ervaring te kort schoten.„Och kom!” mompelde hij. „Het kompas dient nergens meer toe, evenmin als het roer; want men weet toch niet, of en hoe men gaat. Hum! Misschien bewegen we ons zelfs in ’t geheel niet; de drommel mag dat weten! Maar het gewichtigste is niet, de richting te weten, waarin we gaan; het gewichtigste is, te zorgen, dat we niet in zee vallen.”Nauwelijks had James deze woorden op een fluisterenden toon uitgesproken, of twee wolkjes, die zich onder het schuitje gevormd hadden, dreven het voorbij en verhieven zich toen met eene verbazende snelheid. De stuurman haddit verschijnsel eerst opgemerkt, toen de ballon begon te dalen; het maakte hem dan ook erg ongerust. Deze ongerustheid veranderde in vrees, toen er zich een twintigtal andere wolkjes vertoonden, die de eerste volgden. Hunne beweging liet geenerlei twijfel over: de luchtballon daalde snel. De barometer echter wees nog altijd eene hoogte van 3200 meters aan.„Hij zal zeker van streek geraakt zijn,” mompelde de stuurman, terwijl hij het instrument steeds heen en weer schudde.En zonder verder na te denken, snelde hij naar den voorsteven van het schuitje, waar de zakken met zand lagen, greep er een en wierp hem over boord.Toen James op zijn post teruggekeerd was, keek hij gejaagd naar den barometer.De wijzer bewoog zich zichtbaar: van 3200 kwam hij snel op 3300, en toen langzamerhand op 3350 en op 3400 meters.Tegelijkertijd deed een zacht windje zich gevoelen.Maar—zonderling genoeg!—kwamen er telkens weder wolken opzetten, dreven het schuitje voorbij en verhieven er zich boven.Toen begreep de brave man zijne vergissing; want de hand opheffende, gaf hij zich een geweldigen slag met de vuist op het voorhoofd.„Wat is dat? Te handelen als een kind! Zich op die wijze te laten bedriegen!… Was het dan zoo moeilijk te begrijpen, dat het de wolken zijn, die stijgen, en dat de ballon zelf op dezelfde hoogte blijft? Wel foei!”Dit voorval ontnam aan James al zijn zelfvertrouwen.Hij wilde Gromski wekken, maar de vrees, zich belachelijk te maken, hield hem daarvan terug. Na een geruimen tijd geaarzeld te hebben, besloot hij eindelijk, den opgang der zon af te wachten en van nu af uitsluitend op den barometer te vertrouwen, die 4100 meters aanwees.Hij zette zich dus op zijne plaats neer en keek onverschillig naar de wolken, die voortdurend langs den ballon heendreven.Intusschen bracht eene andere omstandigheid James al spoedig in verlegenheid.Hij merkte, dat het in het luchtruim al helderder en helderder begon te worden. Het oostelijk gedeelte van den hemel nam een rooskleurige tint aan, en de wolkenlaag, die zich onder den ballon bevond, weerkaatste duidelijk dezen gloed.„Het zal de maan zijn, die opkomt,” dacht James.Het duurde een halfuur, en nog vertoonde de wachter der aarde zich niet aan den horizon, en toch werd het al lichter en lichter.Al spoedig bemerkte de stuurman tot zijne niet geringe verbazing eenige rooskleurige wolkjes nabij het zenith. De nacht stond blijkbaar zijne plaats aan het een of ander helder licht af. James pijnigde zich vruchteloos het hoofd, om de oorzaak van het buitengewone verschijnsel te ontdekken; hij veronderstelde, dat er ergens heel ver in het Oosten een vulkaan tot eene uitbarsting gekomen was; maar het licht, dat zich aan den horizon vertoonde, herinnerde noch aan den rooden gloed, die door een brand teweeggebracht wordt, noch aan het noorderlicht; in het luchtruim verspreidde zich eene witachtige schemering, geheel gelijkaan die, welke aan het aanbreken van den dag voorafgaat. Het horloge stond op kwartier over elven. Het moest dus nog vier uren duren, voordat de zon zou opgaan.Wat beteekende dat licht dan?Op deze vraag wist James geen antwoord te geven. Hij wachtte dus geduldig af, totdat het raadsel zich vanzelf zou oplossen.Inmiddels werd het al helderder en helderder; de wolkjes werden rood gekleurd bij de komst van den geheimzinnigen dageraad; de Oceaan legde den dichten sluier van nevel af, die hem sedert eenige oogenblikken aan zijn blik onttrok. Groote strooken damp dreven als booze geesten boven zijn oppervlak, dat den vlammenden hemel wonderlijk weerkaatste.Eensklaps schoten er talrijke stralen van achter den horizon te voorschijn, en tegelijkertijd verhief zich boven den Oceaan langzaam de zonneschijf, die een rooden gloed over de golven verspreidde.De brave stuurman was gedurende zijne herhaalde poolreizen getuige van verschillende ongewone luchtverschijnselen geweest; maar geen daarvan had op hem zulk een indruk gemaakt, als deze zoo onverwachte zonsopgang te middernacht.Een oogenblik bleef hij naar dien vuurbol staren; toen haalde hij werktuiglijk zijn horloge uit den zak.„Over negen minuten is het middernacht.…”En het woord „middernacht” herhalende, greep hij Gromski, die in een diepen slaap gedompeld was, bij de schouders en schudde hem heftig heen en weer.De ingenieur, aldus plotseling uit zijn slaap gewekt, kwam haastig overeind.„Wat is er? Hoe nu, is het al dag?” vroeg hij, terwijl hij zich de oogen uitwreef. „Hoe laat is het dan?”„Het is middernacht, Mijnheer.”„Wat zeg je daar?”„Precies middernacht! Kijk maar! De zon is opgegaan; we zijn in een andere wereld … alles is hier onderstboven.”De stuurman zette, terwijl hij dit zeide, zulk een kluchtig gezicht, dat de ingenieur in lachen uitbarstte.„Je zult zeker zijn gaan slapen, zonder je horloge opgewonden te hebben. Komaan, beken het maar!”De zeeman was verontwaardigd.„Wat? Zou ik zijn gaan slapen? Kijk dan zelf maar eens, hoe laat het is; dat is veel beter.…”„Welnu, hoe laat is het?” vroeg Ford, die zijne zoogenaamde slaapkamer verlaten had.„Inderdaad, het is twaalf uur,” zeide Gromski. „En hoe laat is het op uw horloge, kapitein?”„Ook twaalf uur, vijf minuten vóór twaalven. Maar wat beteekent dat?”En alle drie keken elkaar verwonderd aan.„Zonsopgang te middernacht: dat is wonderlijk!” riep Gromski glimlachende uit. „Zou de aarde zich vlugger dan gewoonlijk om hare as gewenteld hebben?”De kapitein haalde de schouders op.„Het is een zonderling verschijnsel,” antwoordde hij. „De zon is om negen uur ondergegaan, niet waar?”„Juist zoo, om kwartier over negenen; want we zagen haar uit den ballon, die op een hoogte van 4000 meters zweefde, langer dan men haar van de oppervlakte van den Oceaan zou gezien hebben.”„De nacht heeft dus drie uren in plaats van zeven geduurd. We gaan blijkbaar naar het Oosten, de zon te gemoet; daardoor hebben we vier uren uitgewonnen, hetgeen overeenkomt met een afstand van 60 graden. Vergeten we niet, dat de parallellen dichter bij elkaar komen, naarmate zij de pool naderen, en dat iedere graad hier met omstreeks 7 geographische mijlen gelijk moet zijn; dus zevenmaal 60 is 420. Wij gaan blijkbaar met eene snelheid, die slechts tweemaal minder is dan de snelheid van een kanonskogel bedraagt. Mooi zoo!”Deze woorden van Ford gaven aan Gromski stof tot overpeinzingen.„En als zoo iets ons eens werkelijk gebeurd was?” vroeg hij na een oogenblik van stilzwijgen.„Wel, dan zullen wij nimmer de pool kunnen bereiken, Mijnheer.…”„Dat is waar, maar we gaan niet naar het Oosten.”„Hoe verklaart ge dezen korten duur van den nacht dan?”„Doodeenvoudig. De ballon is den poolcirkel gepasseerd en drijft in de streken, waar de zon niet ondergaat. We hebben nu den 29stenDecember, en op den 30stenvan deze maand gaat de zon niet meer onder op eene breedte van 66¾ graden; op den middag bereikt zij, zooals ge weet, 47 graden, en te middernacht bevindt zij zich aan den horizon; wij zijn vanmorgen om 8 uur vertrokken, en wij hebben—tot op het oogenblik, waarop wij het schip ontmoet hebben—op zijn hoogst slechts 180 kilometers afgelegd; om 6 uur zijn we in den warmen luchtstroom gekomen; welnu, we moeten dus gedurende die zes uren 9 graden afgelegd hebben. Als wij rekenen, dat iederegraad van den meridiaan gelijkstaat met 15 geographische mijlen, dan blijkt het, dat wij 150 kilometers in het uur afgelegd hebben.…”„Maar dat is eene onbegrijpelijke snelheid!” riep de kapitein uit.„De ballonLa ville d’Orléansheeft er wel 208 in het uur afgelegd. Men heeft bijna dezelfde snelheid gedurende het beleg van Parijs opgemerkt. Mijnheer Rolier, die op den 24stenNovember 1870, ’s morgens om tien minuten over halftwaalf, met een ballon opgestegen was, is den volgenden dag heel in de vroegte in Noorwegen neergedaald; hij was dus gedurende 14 uren met een gemiddelde snelheid van 112 kilometers in het uur voortgegaan. Deze luchtreiziger heeft insgelijks op eene hoogte van 3200 meters een warmen luchtstroom opgemerkt, welks temperatuur 21 graden bedroeg. Ge ziet dus, kapitein, dat zijne reis bijna met dezelfde snelheid als de onze volbracht is.”„Zijn wij dan niet naar het Oosten gedraaid?”„Waarschijnlijk niet.”De kapitein schudde met het hoofd.„Die zaak is voor mij niet zoo duidelijk als voor u, Mijnheer. Ik weet alleen, dat we ons aan gene zijde van den poolcirkel bevinden, in de streken, waar de dagen lang zijn: daaromtrent zijn we het volkomen met elkaar eens; ik geloof echter niet, dat we regelrecht naar het Zuiden gaan. Het beste is nu, den middag af te wachten, namelijk den tijd, waarop de zon den meridiaan passeert.”„Waartoe zou dat dienen?”„Om met behulp van den sextant de hoogte der zon te bepalen. Weten we deze, dan zullen we in staat zijn, metde meeste juistheid de geographische plaats van den ballon te bepalen.”Gromski kon geenerlei tegenwerping maken tegen de woorden van den kapitein, die volkomen met de cosmographie bekend was en veel ervaring bezat, welke hij op zijne poolreizen had opgedaan. Na eenige aarzeling stemde hij er dus in toe, den middag af te wachten. Ford gaf den raad, in lagere luchtlagen af te dalen, om op die manier de snelheid van den ballon te verminderen. Maar de ingenieur verzette zich hiertegen.„Als we met dezelfde snelheid blijven voortgaan, zullen we tegen den middag eenige honderden kilometers van de pool af zijn.”„Of we zullen er ons van verwijderen,” mompelde de kapitein.En de kloeke zeeman maakte zich gereed om de instrumenten, die voor de astronomische waarnemingen noodig waren, in orde te brengen.Er bevond zich in het schuitje een uitstekende sextant om de hoogte der zon te bepalen; bovendien haalde Gromski een prachtigen chronometer voor den dag, die naar den eersten meridiaan geregeld was. Ondertusschen vertelde James aan den ingenieur in alle bijzonderheden zijne avonturen gedurende den nacht en erkende ruiterlijk de fout, die hij begaan had door eenige kilogrammen zand uit te werpen. Dit was een vrij groot verlies; want Gromski ging slechts zeer spaarzaam met het uitwerpen van ballast te werk, daar hij dien voor critieke oogenblikken wilde bewaren.„Je hebt als een kind gehandeld, ouwe jongen,” zeide hij, toen de stuurman zijn verhaal geëindigd had. „Er isniets gemakkelijker dan te bepalen, of de ballon daalt dan wel stijgt. Kijk eens! Daar heb je een stukje papier. Werp het naar buiten.… Welnu?”„Het blijft naast ons zweven.”„Goed, pomp nu eens een weinig lucht in het ballonnetje! Je ziet, dat ik nu weer een stukje papier uitwerp, en het stijgt. Dat beteekent, dat wij dalen. Als je het ballonnetje leegpomptet, zou de luchtballon beginnen te stijgen en het papiertje dalen. Maar er bestaat nog een ander middel.”Dit zeggende, haalde Gromski uit zijn reiszak een strook papier, die verscheidene meters lang was, en maakte die aan den rand van het schuitje vast.„Verbeeld je nu maar, dat dit de vlag van ons vaartuig is. Zoodra wij beginnen te dalen, zal het papiertje naar omhoog fladderen.”Na den afloop van deze proefneming ging Gromski den barometer raadplegen. Deze wees eene hoogte van 4200 meters aan en daalde een weinig. Het was blijkbaar, dat het gas zich onder den invloed der zonnestralen uitzette. Daar de ingenieur niet te hoog wilde stijgen, beval hij den stuurman, langzaam lucht in het ballonnetje te pompen. Dank zij deze voorzorg, bleef de ballon tot op den middag op dezelfde hoogte, zonder met de laag wolken in aanraking te komen, die er omstreeks 200 meters onder dreef. Na verloop van eenige oogenblikken daalde de temperatuur aanmerkelijk; de thermometer, die op den 29stenDecember ’s avonds om acht uur 21 graden aanwees, teekende nu, na verloop van twaalf uren, slechts 14 graden: de warme luchtstroom koelde dus blijkbaar af.Ruim een halfuur vóór den middag nam Ford den sextant in handen en hield zijn oog aan den verrekijker, waarmee hij de rijzende zon waarnam. De ingenieur, die geen oog van hem afhield, wachtte met een zeker ongeduld de resultaten zijner waarneming af.Het duurde niet lang, of de kapitein kwam tot de overtuiging, dat het schuitje van een luchtballon geschikter voor astronomische waarnemingen is dan het verdek van een schip. Het instrument bleef onbeweeglijk staan, alsof het op een berg van graniet geplaatst was geweest.„Rijst de zon nog?” vroeg Gromski ongeduldig.Maar Ford antwoordde niets; zonder twijfel verstond hij hem niet. Al zijne aandacht was op den sextant gevestigd.„Middag!” zeide hij eindelijk, terwijl hij het hoofd oprichtte.De waarneming werd met de uiterste nauwkeurigheid gedaan; er bleef nu niets anders meer over dan den boog met behulp van den graadboog te bepalen en de declinatie in de astronomische tabellen op te zoeken.„73° 22′ 40″ Zuiderbreedte bij 38° 46′ Westerlengte van Greenwich,” zeide Ford, toen hij met zijne berekening klaar was.„Wat? Hoeveel zegt ge?” riep Gromski uit. „Maar dat is onmogelijk.”De kapitein vergiste zich echter niet: de chronometer, die vóór hem stond, wees vijf minuten over halfdrie aan.Na deze beide cijfers in zijn zakboekje opgeteekend te hebben, nam Ford een groote kaart van de zuidelijke streken van den Atlantischen Oceaan en spreidde deze voor zich uit.De ingenieur en de stuurman keken met gejaagdheid naar zijn potlood, dat over de kaart ronddwaalde om het aangegeven punt te zoeken.„Hier is het!” zei de kapitein, terwijl hij er een kruisje bij zette.De plaats, waar dit kruisje aangebracht was, wekte de verwondering van onze luchtreizigers.„Maar dan gaan we niet naar de pool!” riep James uit.Gromski zeide niets; maar na het potlood tusschen zijne bevende vingers genomen te hebben, trok hij eene rechte lijn van kaap Hoorn naar dit kruisje.Deze richting bevestigde, helaas! maar al te zeer de woorden, door den stuurman gesproken. Het was blijkbaar, dat de ballon niet naar het Zuiden dreef, maar wel naar het Zuidoosten, overeenkomstig de vooronderstelling van Ford, en dat hij zich bovendien met eene ontzaglijke snelheid voortbewoog, waarvan de reizigers zelfs geen vermoeden hadden gehad. Inderdaad bedroeg de afstand, dien zij in de laatste vier en twintig uren hadden afgelegd, volgens de berekeningen van den kapitein, minstens 3700 kilometers, zoodat de luchtballon gemiddeld 150 kilometers in het uur aflegde.„Ik heb mij vergist,” mompelde Gromski, terwijl hij de handen liet zakken. „De warme stroom zal ons niet naar de pool overbrengen!”„Dat had ik altijd wel gevreesd,” zeide Ford. „Ge hadt rekening moeten houden met de omwenteling der aarde om de zon, die de richting der luchtstroomen wijzigt, welke van de pool naar de evennachtslijn gaan. Ge weet, dat op het noordelijk halfrond een lichaam, dat zich langs den meridiaanvoortbeweegt, naar rechts afwijkt, dat is naar het Westen; de passaatwinden, die altijd uit het Noordoosten waaien, zijn daarvan het onweerlegbaarste bewijs; op het zuidelijk halfrond heeft het tegenovergestelde plaats, in zooverre de winden, die van de pool komen, een weinig linksaf wijken. De warme luchtstroom, die ons voortstuwt, is waarschijnlijk aan dezelfde wet onderworpen.”„Welke zijn dan de winden, die naar uwe meening aan de pool de heerschende zijn, kapitein?”„Ik kan op uwe vraag geen stellig antwoord geven, want de poolstreken zijn in dit opzicht nog weinig bestudeerd; wat ik met zekerheid weet, is dit, dat in de maand Januari in het zuidelijk gedeelte van den Atlantischen en den Stillen Oceaan de Noordwestenwinden de heerschende zijn. Ik erken, dat het voorkomen van een warmen luchtstroom op deze breedte mij eenigszins verwondert.”„Zoudt ge niet denken, dat de lucht, terwijl zij van alle kanten naar de pool stroomt, een wervelwind kan veroorzaken?”„Dat is zeer waarschijnlijk.”„Dan hebben we de oplossing van het raadsel en tegelijkertijd aanwijzingen omtrent hetgeen ons te doen staat,” zeide Gromski, zich in de handen wrijvende. „De zaak is nog zoo erg niet. We bevinden ons blijkbaar in den wervelwind, die ons toch vroeger of later langs eene spiraalvormige lijn naar de pool zal brengen.”„Dat is slechts eene vooronderstelling, Mijnheer! Ik raad u, daarop niet al te veel te bouwen.”„Wat dan te doen?”„Ja, wat te doen? Daarover moet ik eens nadenken.”De ingenieur begreep dit heel goed. Men begon dus eene beraadslaging, waaraan de stuurman natuurlijk insgelijks mocht deelnemen. Na een nauwkeurig onderzoek van den toestand besloot men met eenparige stemmen, in de lagere luchtlagen af te dalen en aldaar een gunstigen wind op te zoeken.Om drie uur greep de stuurman het handvatsel van de pomp en begon het ballonnetje met lucht te vullen. De barometer wees op dat oogenblik eene hoogte van 3900 meters aan, en de thermometer stond op 11 graden boven nul. De temperatuur van den warmen wind daalde aanmerkelijk.Veel lager, vlak onder onze reizigers, bevond zich eene laag witte wolken, die, uit den ballon gezien, het voorkomen van een bord van aardewerk hadden. Hare aanwezigheid maakte Ford ongerust; want hij vooronderstelde, dat de luchtballon zich nu boven het groote vasteland van de Zuidpool bevond, dat zich tot aan den 62stengraad Zuiderbreedte uitstrekt. Het is 7 graden van kaap Hoorn verwijderd en heet naar dengene, die het heeft ontdekt, Palmer-land.Verder naar het Zuiden heet dit vasteland Graham-land. Men beschouwt als zijne oostelijke kust Louis-Philippe-land, waarlangs Dumont d’Urville in 1840 stevende. Volgens de berekeningen van den kapitein had de ballon gedurende den korten vorigen nacht het Drieëenheid-land bereikt en zweefde sedert boven het vasteland.Ford wilde dit geheimzinnige vasteland zoo spoedig mogelijk zien; hij wapende zich dus met zijn verrekijker en wachtte, totdat het ondoordringbare wolkengordijn zich zou ontsluiten voor den ballon, die langzaam daalde.Om halfvier kwam het luchtschip in deze roomzee, diedoor den wind voortgestuwd werd. Onze reizigers bevonden zich eensklaps in een ijskouden en dichten dampkring, die het licht des daags schier geheel onderschepte.„Br!” zeide James huiverende, „ik geloof, dat we in eene sneeuwwolk zijn.”„Erger dan dat,” zei de ingenieur, „we zijn in eene ijswolk.”De onderstelling van den ingenieur was volkomen juist. De thermometer daalde plotseling van 11 graden boven tot heel wat onder het nulpunt. De damp bevroor bij deze lage temperatuur spoedig. Na verloop van eenige oogenblikken zagen onze reizigers er als grijsaards uit; hunne haren, hunne snorren en hunne baarden waren geheel wit geworden. Een fijne ijzel bedekte alles: de machine, den stoomketel, het reservoir met benzine, den rand van het schuitje en zelfs de touwen. Gromski en zijn kameraad begonnen te hoesten; zeer kleine ijsnaaldjes drongen in hunne longen door en deden de luchtpijp op eene ondraaglijke manier aan. De stuurman begaf zich naar de machine, toen eene electrische vonk met een hevig gedruisch uit de buis kwam, die bestemd was om den stoom te geleiden, en hem pijnlijk aan de hand kwetste.„Drommels! Die verwenschte wolk!” riep de zeeman uit, terwijl hij naar zijne gebrande hand keek.Deze ontlading bewees, dat de wolken met electriciteit verzadigd waren—eene buitengewone omstandigheid op 73 graden breedte.„James! Naar de pomp!” riep Gromski eensklaps uit. „Haast je! We vallen!”De damp, die op het omhulsel van den ballon bevroor,had het gewicht daarvan ongetwijfeld doen toenemen, want de barometer steeg zeer snel. Op hetzelfde oogenblik was James bij de pomp, waar hij den kapitein reeds aantrof. Beiden grepen gelijktijdig het handvatsel daarvan.De geheele omtrek was in eene schemering gehuld. De ijswolk, waardoor de ballon heenging, was zóó dicht, dat Ford het gezicht van den stuurman niet eens kon onderscheiden, ofschoon dit toch dicht in zijne nabijheid was. Gromski was genoodzaakt, zijn gezicht bijna op de plaat van den barometer te leggen om den wijzer te kunnen onderscheiden.Vijf minuten nadat de ballon in de laag van ijswolken was gekomen, was de ballon 600 meters gedaald en bevond zich nu ternauwernood 1000 meters boven het oppervlak der zee. Zijne daling had met eene verontrustende snelheid plaats. Gromski zag wel in, dat de toestand gevaarlijk dreigde te worden; een onheilspellend gedruisch deed zich beneden hen hooren, gelijkende op het gebulder van den storm in de verte. Het oor van den kapitein herkende dit geluid terstond.„’t Is de Oceaan,” riep hij uit.Het geluid nam gedurig in hevigheid toe en liet er geen twijfel meer aan, of Ford had gelijk. De ingenieur raadpleegde nog eens den barometer, die eene hoogte van 600 meters aanwees, en zag de noodzakelijkheid in om zijne toevlucht tot den ballast te nemen. Hij haalde dus zijn mes uit den zak en sneed een zak van 8 kilogrammen los. Zijne ongerustheid nam nog toe, toen hij zag, dat de zak, in plaats van onder het schuitje te verdwijnen, eenige oogenblikken op dezelfde hoogte bleef zweven. Hieruit moestmen wel opmaken, dat de ballon met de snelheid van een zwaar lichaam daalde.„Let wel op!” riep hij.Maar op dit oogenblik kwam er plotseling eene opening in den ondoordringbaren mist, die den luchtballon als in eene laag van watten hulde, en nu bevonden onze reizigers zich in een zuiveren dampkring.Onder het schuitje, op een afstand van nauwelijks eenige honderden meters, bulderde de Oceaan; op zijne donkere oppervlakte volgden kleine witte stipjes elkander op; dit was het schuim van de golven, die naar het Noordwesten rolden en aan den horizon met den bewolkten hemel ineensmolten. Deze golven werden al grooter en grooter en stegen met onstuimige vaart omhoog, alsof zij zich gereedmaakten om den vallenden luchtballon in haar schoot te verzwelgen.Zonder verder na te denken, wierp de ingenieur nog een zak uit en na verloop van eenige oogenblikken een derden. Aldus van een gewicht van meer dan 30 kilogrammen bevrijd, bleef de ballon op dezelfde hoogte zweven en wel ongeveer 200 meters boven de woedende golven.„Drommels!” riep James, die van vermoeidheid hijgde, „ge hebt den ballon op het juiste oogenblik gestuit; het heeft maar weinig gescheeld, of we hadden een zoutwaterbad genomen.”De luchtballon zag er uit, alsof hij door eene laag van dons gegaan was: hij was geheel met fijne ijskristallen bedekt, die, na zich in groote hoeveelheid op het omhulsel vastgezet te hebben, hem eenige tientallen kilogrammen zwaarder maakten en lichtelijk een noodlottig voorval tengevolge hadden kunnen hebben. Maar hier, boven het oppervlak van den Oceaan, heerschte eene temperatuur van 7 graden Celsius boven het nulpunt; de ijzel begon dus te smelten en in droppels van het omhulsel van den ballon af te loopen, die nu al lichter en lichter werd. De ijswolken dreven, zooals men gemerkt had, omstreeks 1000 meters boven den Oceaan en vormden eene dichte massa, die zich aan den horizon verloor.Toen de reizigers een weinig van hun schrik bekomen waren, begonnen zij over hun toestand na te denken. De beweging der golven maakte het hun mogelijk, zich omtrent de richting van den wind op de hoogte te stellen. Terwijl Ford de schuimende golven gadesloeg, bemerkte hij eensklaps, dat de ballon in eene noordwestelijke richting voortdreef.De kapitein was uitstekend met den Oceaan bekend en las op zijne beweeglijke oppervlakte even gemakkelijk als in een groot boek.„We gaan met eene snelheid van 30 knoopen,” zeide hij tegen den ingenieur.„Hoe weet ge dat?” vroeg Gromski verwonderd. „De richting, die we volgen, is gemakkelijk uit de beweging der golven op te maken, maar de snelheid.…”„Dat is heel eenvoudig,” antwoordde Ford. „Tel maar eens, hoevele malen een schuimende golf het schuitje gedurende eene minuut voorbijgaat, vermenigvuldig het gevonden getal met 300, en ge krijgt de betrekkelijke snelheid in meters, daar eene golf nooit langer is dan 300 meters.”„Maar de beweging der golven?.…”„Daarmee moet men natuurlijk rekening houden,” antwoordde Ford. „Ik weet bij ondervinding, dat de golven zichmet eene snelheid van 7 à 15 meters bewegen; als wij dus een gemiddelde van 10 meters aannemen, zullen wij niet ver van de waarheid af zijn. Uit zulk eene berekening volgt nu, dat de ballon 30 knoopen aflegt.”„De lagere stroom gaat dus in eene geheel tegenovergestelde richting als de hoogere,” zeide Gromski. „We zouden dus met dien stroom gemakkelijk in 4 à 5 dagen naar Zuid-Amerika kunnen terugkeeren.”„Neen, laat ons van die gelegenheid nog geen gebruik maken,” zeide Ford.„Dan zou het misschien beter zijn, den ballon aan den spiraalvormigen stroom bloot te stellen.”Ford schudde met het hoofd.„We zullen dit slechts ingeval van nood doen. Laat ons eerst eens zien, of de wind, die er nu waait, in de lagere luchtlagen de heerschende is.”„Ge raadt dus, nog wat te wachten?”„Zeker. Op mijne reizen naar de Noordpool heb ik dikwijls plotselinge veranderingen in de richting der luchtlagen opgemerkt.”„Welnu, het zij zoo! Laat ons dan ons anker uitwerpen!”De zak met zand, die aan een stevig touw ter lengte van 200 meters bevestigd was, hing aan den buitenkant van het schuitje. De ingenieur haakte hem af en wierp hem in de golven. De ballon, die nu voor een oogenblik van een ballast van 10 kilogrammen bevrijd was, ging eensklaps in de hoogte; maar hij moest zeer spoedig weer evenveel dalen. De zak gleed langzaam op de golven neer, van de eene golf op de andere overspringende, evenalseen meeuw, die rust tracht te vinden; maar langzamerhand maakte de aanraking met de golven hem zwaarder; na omstreeks twintig malen op en neer gegaan te zijn, verdween hij eensklaps, vertoonde zich toen opnieuw, maar opgezwollen, evenals een visch, die aan den hengel gevangen is. De ballon trilde in zijn net, en de zak zonk eindelijk voorgoed in de diepte weg.„Nu zitten we vast!” riep Gromski uit.
ZEVENDE HOOFDSTUK.ZEVENDE HOOFDSTUK.Zonsopgang te middernacht.James nam zich voor, het vertrouwen, dat Gromski en de kapitein in hem stelden, ten volle te rechtvaardigen. De ingenieur had hem bevolen, den ballon nauwlettend gade te slaan, als hij bijgeval mocht beginnen te dalen. De stuurman hield dan ook voortdurend de oogen op den barometer gevestigd, waarbij hij zich neerzette.Eene zekere onrust maakte zich van den braven zeeman meester bij de gedachte, dat de veiligheid van den luchtballon nu geheel van zijne waakzaamheid afhing. Het had hem in het eerst toegeschenen, dat het veel gemakkelijker was, het toezicht op een luchtballon te houden dan op een stoomschip; maar hij liet deze meening al spoedig varen. James vroeg zich eindelijk af, of hij ingeval van nood zijne plichten wel behoorlijk zou kunnen vervullen. Hij stelde zich dus al de gevaren voor, die den luchtballon zouden kunnen bedreigen.In de eerste plaats dacht hij aan de mogelijkheid, dat de ballon in zee zou vallen. Maar daarvoor behoefde hijniet te vreezen; want de barometer wees nog steeds eene hoogte van 3200 meters aan en steeg niet hooger. De heldere hemel voorspelde mooi weer. De luchtballon, die vrijelijk in het luchtruim zweefde, had geenerlei botsing, geenerlei schok te duchten.Niettemin boog de oude zeeman zich ieder oogenblik over den rand van het schuitje heen en sloeg een argwanenden blik in de ruimte. Hij gevoelde zich zonderling aangedaan tegenover deze doodelijke stilte, die door niets verstoord werd. Als hij aan het roer van een stoomschip zat, hoorde hij gewoonlijk het stampen der machine, het kraken van de masten, het huilen van den wind en het klotsen der golven. Nu hoorde hij niets, hoegenaamd niets.De ballon scheen duizenden mijlen boven de aarde opgehangen te zijn te midden van de sterren, die hem omgaven. Deze doodelijke stilte maakte James zenuwachtig. De brave zeeman begon al spoedig de luchtvaart te verwenschen, waarvoor al zijne kennis en al zijne ervaring te kort schoten.„Och kom!” mompelde hij. „Het kompas dient nergens meer toe, evenmin als het roer; want men weet toch niet, of en hoe men gaat. Hum! Misschien bewegen we ons zelfs in ’t geheel niet; de drommel mag dat weten! Maar het gewichtigste is niet, de richting te weten, waarin we gaan; het gewichtigste is, te zorgen, dat we niet in zee vallen.”Nauwelijks had James deze woorden op een fluisterenden toon uitgesproken, of twee wolkjes, die zich onder het schuitje gevormd hadden, dreven het voorbij en verhieven zich toen met eene verbazende snelheid. De stuurman haddit verschijnsel eerst opgemerkt, toen de ballon begon te dalen; het maakte hem dan ook erg ongerust. Deze ongerustheid veranderde in vrees, toen er zich een twintigtal andere wolkjes vertoonden, die de eerste volgden. Hunne beweging liet geenerlei twijfel over: de luchtballon daalde snel. De barometer echter wees nog altijd eene hoogte van 3200 meters aan.„Hij zal zeker van streek geraakt zijn,” mompelde de stuurman, terwijl hij het instrument steeds heen en weer schudde.En zonder verder na te denken, snelde hij naar den voorsteven van het schuitje, waar de zakken met zand lagen, greep er een en wierp hem over boord.Toen James op zijn post teruggekeerd was, keek hij gejaagd naar den barometer.De wijzer bewoog zich zichtbaar: van 3200 kwam hij snel op 3300, en toen langzamerhand op 3350 en op 3400 meters.Tegelijkertijd deed een zacht windje zich gevoelen.Maar—zonderling genoeg!—kwamen er telkens weder wolken opzetten, dreven het schuitje voorbij en verhieven er zich boven.Toen begreep de brave man zijne vergissing; want de hand opheffende, gaf hij zich een geweldigen slag met de vuist op het voorhoofd.„Wat is dat? Te handelen als een kind! Zich op die wijze te laten bedriegen!… Was het dan zoo moeilijk te begrijpen, dat het de wolken zijn, die stijgen, en dat de ballon zelf op dezelfde hoogte blijft? Wel foei!”Dit voorval ontnam aan James al zijn zelfvertrouwen.Hij wilde Gromski wekken, maar de vrees, zich belachelijk te maken, hield hem daarvan terug. Na een geruimen tijd geaarzeld te hebben, besloot hij eindelijk, den opgang der zon af te wachten en van nu af uitsluitend op den barometer te vertrouwen, die 4100 meters aanwees.Hij zette zich dus op zijne plaats neer en keek onverschillig naar de wolken, die voortdurend langs den ballon heendreven.Intusschen bracht eene andere omstandigheid James al spoedig in verlegenheid.Hij merkte, dat het in het luchtruim al helderder en helderder begon te worden. Het oostelijk gedeelte van den hemel nam een rooskleurige tint aan, en de wolkenlaag, die zich onder den ballon bevond, weerkaatste duidelijk dezen gloed.„Het zal de maan zijn, die opkomt,” dacht James.Het duurde een halfuur, en nog vertoonde de wachter der aarde zich niet aan den horizon, en toch werd het al lichter en lichter.Al spoedig bemerkte de stuurman tot zijne niet geringe verbazing eenige rooskleurige wolkjes nabij het zenith. De nacht stond blijkbaar zijne plaats aan het een of ander helder licht af. James pijnigde zich vruchteloos het hoofd, om de oorzaak van het buitengewone verschijnsel te ontdekken; hij veronderstelde, dat er ergens heel ver in het Oosten een vulkaan tot eene uitbarsting gekomen was; maar het licht, dat zich aan den horizon vertoonde, herinnerde noch aan den rooden gloed, die door een brand teweeggebracht wordt, noch aan het noorderlicht; in het luchtruim verspreidde zich eene witachtige schemering, geheel gelijkaan die, welke aan het aanbreken van den dag voorafgaat. Het horloge stond op kwartier over elven. Het moest dus nog vier uren duren, voordat de zon zou opgaan.Wat beteekende dat licht dan?Op deze vraag wist James geen antwoord te geven. Hij wachtte dus geduldig af, totdat het raadsel zich vanzelf zou oplossen.Inmiddels werd het al helderder en helderder; de wolkjes werden rood gekleurd bij de komst van den geheimzinnigen dageraad; de Oceaan legde den dichten sluier van nevel af, die hem sedert eenige oogenblikken aan zijn blik onttrok. Groote strooken damp dreven als booze geesten boven zijn oppervlak, dat den vlammenden hemel wonderlijk weerkaatste.Eensklaps schoten er talrijke stralen van achter den horizon te voorschijn, en tegelijkertijd verhief zich boven den Oceaan langzaam de zonneschijf, die een rooden gloed over de golven verspreidde.De brave stuurman was gedurende zijne herhaalde poolreizen getuige van verschillende ongewone luchtverschijnselen geweest; maar geen daarvan had op hem zulk een indruk gemaakt, als deze zoo onverwachte zonsopgang te middernacht.Een oogenblik bleef hij naar dien vuurbol staren; toen haalde hij werktuiglijk zijn horloge uit den zak.„Over negen minuten is het middernacht.…”En het woord „middernacht” herhalende, greep hij Gromski, die in een diepen slaap gedompeld was, bij de schouders en schudde hem heftig heen en weer.De ingenieur, aldus plotseling uit zijn slaap gewekt, kwam haastig overeind.„Wat is er? Hoe nu, is het al dag?” vroeg hij, terwijl hij zich de oogen uitwreef. „Hoe laat is het dan?”„Het is middernacht, Mijnheer.”„Wat zeg je daar?”„Precies middernacht! Kijk maar! De zon is opgegaan; we zijn in een andere wereld … alles is hier onderstboven.”De stuurman zette, terwijl hij dit zeide, zulk een kluchtig gezicht, dat de ingenieur in lachen uitbarstte.„Je zult zeker zijn gaan slapen, zonder je horloge opgewonden te hebben. Komaan, beken het maar!”De zeeman was verontwaardigd.„Wat? Zou ik zijn gaan slapen? Kijk dan zelf maar eens, hoe laat het is; dat is veel beter.…”„Welnu, hoe laat is het?” vroeg Ford, die zijne zoogenaamde slaapkamer verlaten had.„Inderdaad, het is twaalf uur,” zeide Gromski. „En hoe laat is het op uw horloge, kapitein?”„Ook twaalf uur, vijf minuten vóór twaalven. Maar wat beteekent dat?”En alle drie keken elkaar verwonderd aan.„Zonsopgang te middernacht: dat is wonderlijk!” riep Gromski glimlachende uit. „Zou de aarde zich vlugger dan gewoonlijk om hare as gewenteld hebben?”De kapitein haalde de schouders op.„Het is een zonderling verschijnsel,” antwoordde hij. „De zon is om negen uur ondergegaan, niet waar?”„Juist zoo, om kwartier over negenen; want we zagen haar uit den ballon, die op een hoogte van 4000 meters zweefde, langer dan men haar van de oppervlakte van den Oceaan zou gezien hebben.”„De nacht heeft dus drie uren in plaats van zeven geduurd. We gaan blijkbaar naar het Oosten, de zon te gemoet; daardoor hebben we vier uren uitgewonnen, hetgeen overeenkomt met een afstand van 60 graden. Vergeten we niet, dat de parallellen dichter bij elkaar komen, naarmate zij de pool naderen, en dat iedere graad hier met omstreeks 7 geographische mijlen gelijk moet zijn; dus zevenmaal 60 is 420. Wij gaan blijkbaar met eene snelheid, die slechts tweemaal minder is dan de snelheid van een kanonskogel bedraagt. Mooi zoo!”Deze woorden van Ford gaven aan Gromski stof tot overpeinzingen.„En als zoo iets ons eens werkelijk gebeurd was?” vroeg hij na een oogenblik van stilzwijgen.„Wel, dan zullen wij nimmer de pool kunnen bereiken, Mijnheer.…”„Dat is waar, maar we gaan niet naar het Oosten.”„Hoe verklaart ge dezen korten duur van den nacht dan?”„Doodeenvoudig. De ballon is den poolcirkel gepasseerd en drijft in de streken, waar de zon niet ondergaat. We hebben nu den 29stenDecember, en op den 30stenvan deze maand gaat de zon niet meer onder op eene breedte van 66¾ graden; op den middag bereikt zij, zooals ge weet, 47 graden, en te middernacht bevindt zij zich aan den horizon; wij zijn vanmorgen om 8 uur vertrokken, en wij hebben—tot op het oogenblik, waarop wij het schip ontmoet hebben—op zijn hoogst slechts 180 kilometers afgelegd; om 6 uur zijn we in den warmen luchtstroom gekomen; welnu, we moeten dus gedurende die zes uren 9 graden afgelegd hebben. Als wij rekenen, dat iederegraad van den meridiaan gelijkstaat met 15 geographische mijlen, dan blijkt het, dat wij 150 kilometers in het uur afgelegd hebben.…”„Maar dat is eene onbegrijpelijke snelheid!” riep de kapitein uit.„De ballonLa ville d’Orléansheeft er wel 208 in het uur afgelegd. Men heeft bijna dezelfde snelheid gedurende het beleg van Parijs opgemerkt. Mijnheer Rolier, die op den 24stenNovember 1870, ’s morgens om tien minuten over halftwaalf, met een ballon opgestegen was, is den volgenden dag heel in de vroegte in Noorwegen neergedaald; hij was dus gedurende 14 uren met een gemiddelde snelheid van 112 kilometers in het uur voortgegaan. Deze luchtreiziger heeft insgelijks op eene hoogte van 3200 meters een warmen luchtstroom opgemerkt, welks temperatuur 21 graden bedroeg. Ge ziet dus, kapitein, dat zijne reis bijna met dezelfde snelheid als de onze volbracht is.”„Zijn wij dan niet naar het Oosten gedraaid?”„Waarschijnlijk niet.”De kapitein schudde met het hoofd.„Die zaak is voor mij niet zoo duidelijk als voor u, Mijnheer. Ik weet alleen, dat we ons aan gene zijde van den poolcirkel bevinden, in de streken, waar de dagen lang zijn: daaromtrent zijn we het volkomen met elkaar eens; ik geloof echter niet, dat we regelrecht naar het Zuiden gaan. Het beste is nu, den middag af te wachten, namelijk den tijd, waarop de zon den meridiaan passeert.”„Waartoe zou dat dienen?”„Om met behulp van den sextant de hoogte der zon te bepalen. Weten we deze, dan zullen we in staat zijn, metde meeste juistheid de geographische plaats van den ballon te bepalen.”Gromski kon geenerlei tegenwerping maken tegen de woorden van den kapitein, die volkomen met de cosmographie bekend was en veel ervaring bezat, welke hij op zijne poolreizen had opgedaan. Na eenige aarzeling stemde hij er dus in toe, den middag af te wachten. Ford gaf den raad, in lagere luchtlagen af te dalen, om op die manier de snelheid van den ballon te verminderen. Maar de ingenieur verzette zich hiertegen.„Als we met dezelfde snelheid blijven voortgaan, zullen we tegen den middag eenige honderden kilometers van de pool af zijn.”„Of we zullen er ons van verwijderen,” mompelde de kapitein.En de kloeke zeeman maakte zich gereed om de instrumenten, die voor de astronomische waarnemingen noodig waren, in orde te brengen.Er bevond zich in het schuitje een uitstekende sextant om de hoogte der zon te bepalen; bovendien haalde Gromski een prachtigen chronometer voor den dag, die naar den eersten meridiaan geregeld was. Ondertusschen vertelde James aan den ingenieur in alle bijzonderheden zijne avonturen gedurende den nacht en erkende ruiterlijk de fout, die hij begaan had door eenige kilogrammen zand uit te werpen. Dit was een vrij groot verlies; want Gromski ging slechts zeer spaarzaam met het uitwerpen van ballast te werk, daar hij dien voor critieke oogenblikken wilde bewaren.„Je hebt als een kind gehandeld, ouwe jongen,” zeide hij, toen de stuurman zijn verhaal geëindigd had. „Er isniets gemakkelijker dan te bepalen, of de ballon daalt dan wel stijgt. Kijk eens! Daar heb je een stukje papier. Werp het naar buiten.… Welnu?”„Het blijft naast ons zweven.”„Goed, pomp nu eens een weinig lucht in het ballonnetje! Je ziet, dat ik nu weer een stukje papier uitwerp, en het stijgt. Dat beteekent, dat wij dalen. Als je het ballonnetje leegpomptet, zou de luchtballon beginnen te stijgen en het papiertje dalen. Maar er bestaat nog een ander middel.”Dit zeggende, haalde Gromski uit zijn reiszak een strook papier, die verscheidene meters lang was, en maakte die aan den rand van het schuitje vast.„Verbeeld je nu maar, dat dit de vlag van ons vaartuig is. Zoodra wij beginnen te dalen, zal het papiertje naar omhoog fladderen.”Na den afloop van deze proefneming ging Gromski den barometer raadplegen. Deze wees eene hoogte van 4200 meters aan en daalde een weinig. Het was blijkbaar, dat het gas zich onder den invloed der zonnestralen uitzette. Daar de ingenieur niet te hoog wilde stijgen, beval hij den stuurman, langzaam lucht in het ballonnetje te pompen. Dank zij deze voorzorg, bleef de ballon tot op den middag op dezelfde hoogte, zonder met de laag wolken in aanraking te komen, die er omstreeks 200 meters onder dreef. Na verloop van eenige oogenblikken daalde de temperatuur aanmerkelijk; de thermometer, die op den 29stenDecember ’s avonds om acht uur 21 graden aanwees, teekende nu, na verloop van twaalf uren, slechts 14 graden: de warme luchtstroom koelde dus blijkbaar af.Ruim een halfuur vóór den middag nam Ford den sextant in handen en hield zijn oog aan den verrekijker, waarmee hij de rijzende zon waarnam. De ingenieur, die geen oog van hem afhield, wachtte met een zeker ongeduld de resultaten zijner waarneming af.Het duurde niet lang, of de kapitein kwam tot de overtuiging, dat het schuitje van een luchtballon geschikter voor astronomische waarnemingen is dan het verdek van een schip. Het instrument bleef onbeweeglijk staan, alsof het op een berg van graniet geplaatst was geweest.„Rijst de zon nog?” vroeg Gromski ongeduldig.Maar Ford antwoordde niets; zonder twijfel verstond hij hem niet. Al zijne aandacht was op den sextant gevestigd.„Middag!” zeide hij eindelijk, terwijl hij het hoofd oprichtte.De waarneming werd met de uiterste nauwkeurigheid gedaan; er bleef nu niets anders meer over dan den boog met behulp van den graadboog te bepalen en de declinatie in de astronomische tabellen op te zoeken.„73° 22′ 40″ Zuiderbreedte bij 38° 46′ Westerlengte van Greenwich,” zeide Ford, toen hij met zijne berekening klaar was.„Wat? Hoeveel zegt ge?” riep Gromski uit. „Maar dat is onmogelijk.”De kapitein vergiste zich echter niet: de chronometer, die vóór hem stond, wees vijf minuten over halfdrie aan.Na deze beide cijfers in zijn zakboekje opgeteekend te hebben, nam Ford een groote kaart van de zuidelijke streken van den Atlantischen Oceaan en spreidde deze voor zich uit.De ingenieur en de stuurman keken met gejaagdheid naar zijn potlood, dat over de kaart ronddwaalde om het aangegeven punt te zoeken.„Hier is het!” zei de kapitein, terwijl hij er een kruisje bij zette.De plaats, waar dit kruisje aangebracht was, wekte de verwondering van onze luchtreizigers.„Maar dan gaan we niet naar de pool!” riep James uit.Gromski zeide niets; maar na het potlood tusschen zijne bevende vingers genomen te hebben, trok hij eene rechte lijn van kaap Hoorn naar dit kruisje.Deze richting bevestigde, helaas! maar al te zeer de woorden, door den stuurman gesproken. Het was blijkbaar, dat de ballon niet naar het Zuiden dreef, maar wel naar het Zuidoosten, overeenkomstig de vooronderstelling van Ford, en dat hij zich bovendien met eene ontzaglijke snelheid voortbewoog, waarvan de reizigers zelfs geen vermoeden hadden gehad. Inderdaad bedroeg de afstand, dien zij in de laatste vier en twintig uren hadden afgelegd, volgens de berekeningen van den kapitein, minstens 3700 kilometers, zoodat de luchtballon gemiddeld 150 kilometers in het uur aflegde.„Ik heb mij vergist,” mompelde Gromski, terwijl hij de handen liet zakken. „De warme stroom zal ons niet naar de pool overbrengen!”„Dat had ik altijd wel gevreesd,” zeide Ford. „Ge hadt rekening moeten houden met de omwenteling der aarde om de zon, die de richting der luchtstroomen wijzigt, welke van de pool naar de evennachtslijn gaan. Ge weet, dat op het noordelijk halfrond een lichaam, dat zich langs den meridiaanvoortbeweegt, naar rechts afwijkt, dat is naar het Westen; de passaatwinden, die altijd uit het Noordoosten waaien, zijn daarvan het onweerlegbaarste bewijs; op het zuidelijk halfrond heeft het tegenovergestelde plaats, in zooverre de winden, die van de pool komen, een weinig linksaf wijken. De warme luchtstroom, die ons voortstuwt, is waarschijnlijk aan dezelfde wet onderworpen.”„Welke zijn dan de winden, die naar uwe meening aan de pool de heerschende zijn, kapitein?”„Ik kan op uwe vraag geen stellig antwoord geven, want de poolstreken zijn in dit opzicht nog weinig bestudeerd; wat ik met zekerheid weet, is dit, dat in de maand Januari in het zuidelijk gedeelte van den Atlantischen en den Stillen Oceaan de Noordwestenwinden de heerschende zijn. Ik erken, dat het voorkomen van een warmen luchtstroom op deze breedte mij eenigszins verwondert.”„Zoudt ge niet denken, dat de lucht, terwijl zij van alle kanten naar de pool stroomt, een wervelwind kan veroorzaken?”„Dat is zeer waarschijnlijk.”„Dan hebben we de oplossing van het raadsel en tegelijkertijd aanwijzingen omtrent hetgeen ons te doen staat,” zeide Gromski, zich in de handen wrijvende. „De zaak is nog zoo erg niet. We bevinden ons blijkbaar in den wervelwind, die ons toch vroeger of later langs eene spiraalvormige lijn naar de pool zal brengen.”„Dat is slechts eene vooronderstelling, Mijnheer! Ik raad u, daarop niet al te veel te bouwen.”„Wat dan te doen?”„Ja, wat te doen? Daarover moet ik eens nadenken.”De ingenieur begreep dit heel goed. Men begon dus eene beraadslaging, waaraan de stuurman natuurlijk insgelijks mocht deelnemen. Na een nauwkeurig onderzoek van den toestand besloot men met eenparige stemmen, in de lagere luchtlagen af te dalen en aldaar een gunstigen wind op te zoeken.Om drie uur greep de stuurman het handvatsel van de pomp en begon het ballonnetje met lucht te vullen. De barometer wees op dat oogenblik eene hoogte van 3900 meters aan, en de thermometer stond op 11 graden boven nul. De temperatuur van den warmen wind daalde aanmerkelijk.Veel lager, vlak onder onze reizigers, bevond zich eene laag witte wolken, die, uit den ballon gezien, het voorkomen van een bord van aardewerk hadden. Hare aanwezigheid maakte Ford ongerust; want hij vooronderstelde, dat de luchtballon zich nu boven het groote vasteland van de Zuidpool bevond, dat zich tot aan den 62stengraad Zuiderbreedte uitstrekt. Het is 7 graden van kaap Hoorn verwijderd en heet naar dengene, die het heeft ontdekt, Palmer-land.Verder naar het Zuiden heet dit vasteland Graham-land. Men beschouwt als zijne oostelijke kust Louis-Philippe-land, waarlangs Dumont d’Urville in 1840 stevende. Volgens de berekeningen van den kapitein had de ballon gedurende den korten vorigen nacht het Drieëenheid-land bereikt en zweefde sedert boven het vasteland.Ford wilde dit geheimzinnige vasteland zoo spoedig mogelijk zien; hij wapende zich dus met zijn verrekijker en wachtte, totdat het ondoordringbare wolkengordijn zich zou ontsluiten voor den ballon, die langzaam daalde.Om halfvier kwam het luchtschip in deze roomzee, diedoor den wind voortgestuwd werd. Onze reizigers bevonden zich eensklaps in een ijskouden en dichten dampkring, die het licht des daags schier geheel onderschepte.„Br!” zeide James huiverende, „ik geloof, dat we in eene sneeuwwolk zijn.”„Erger dan dat,” zei de ingenieur, „we zijn in eene ijswolk.”De onderstelling van den ingenieur was volkomen juist. De thermometer daalde plotseling van 11 graden boven tot heel wat onder het nulpunt. De damp bevroor bij deze lage temperatuur spoedig. Na verloop van eenige oogenblikken zagen onze reizigers er als grijsaards uit; hunne haren, hunne snorren en hunne baarden waren geheel wit geworden. Een fijne ijzel bedekte alles: de machine, den stoomketel, het reservoir met benzine, den rand van het schuitje en zelfs de touwen. Gromski en zijn kameraad begonnen te hoesten; zeer kleine ijsnaaldjes drongen in hunne longen door en deden de luchtpijp op eene ondraaglijke manier aan. De stuurman begaf zich naar de machine, toen eene electrische vonk met een hevig gedruisch uit de buis kwam, die bestemd was om den stoom te geleiden, en hem pijnlijk aan de hand kwetste.„Drommels! Die verwenschte wolk!” riep de zeeman uit, terwijl hij naar zijne gebrande hand keek.Deze ontlading bewees, dat de wolken met electriciteit verzadigd waren—eene buitengewone omstandigheid op 73 graden breedte.„James! Naar de pomp!” riep Gromski eensklaps uit. „Haast je! We vallen!”De damp, die op het omhulsel van den ballon bevroor,had het gewicht daarvan ongetwijfeld doen toenemen, want de barometer steeg zeer snel. Op hetzelfde oogenblik was James bij de pomp, waar hij den kapitein reeds aantrof. Beiden grepen gelijktijdig het handvatsel daarvan.De geheele omtrek was in eene schemering gehuld. De ijswolk, waardoor de ballon heenging, was zóó dicht, dat Ford het gezicht van den stuurman niet eens kon onderscheiden, ofschoon dit toch dicht in zijne nabijheid was. Gromski was genoodzaakt, zijn gezicht bijna op de plaat van den barometer te leggen om den wijzer te kunnen onderscheiden.Vijf minuten nadat de ballon in de laag van ijswolken was gekomen, was de ballon 600 meters gedaald en bevond zich nu ternauwernood 1000 meters boven het oppervlak der zee. Zijne daling had met eene verontrustende snelheid plaats. Gromski zag wel in, dat de toestand gevaarlijk dreigde te worden; een onheilspellend gedruisch deed zich beneden hen hooren, gelijkende op het gebulder van den storm in de verte. Het oor van den kapitein herkende dit geluid terstond.„’t Is de Oceaan,” riep hij uit.Het geluid nam gedurig in hevigheid toe en liet er geen twijfel meer aan, of Ford had gelijk. De ingenieur raadpleegde nog eens den barometer, die eene hoogte van 600 meters aanwees, en zag de noodzakelijkheid in om zijne toevlucht tot den ballast te nemen. Hij haalde dus zijn mes uit den zak en sneed een zak van 8 kilogrammen los. Zijne ongerustheid nam nog toe, toen hij zag, dat de zak, in plaats van onder het schuitje te verdwijnen, eenige oogenblikken op dezelfde hoogte bleef zweven. Hieruit moestmen wel opmaken, dat de ballon met de snelheid van een zwaar lichaam daalde.„Let wel op!” riep hij.Maar op dit oogenblik kwam er plotseling eene opening in den ondoordringbaren mist, die den luchtballon als in eene laag van watten hulde, en nu bevonden onze reizigers zich in een zuiveren dampkring.Onder het schuitje, op een afstand van nauwelijks eenige honderden meters, bulderde de Oceaan; op zijne donkere oppervlakte volgden kleine witte stipjes elkander op; dit was het schuim van de golven, die naar het Noordwesten rolden en aan den horizon met den bewolkten hemel ineensmolten. Deze golven werden al grooter en grooter en stegen met onstuimige vaart omhoog, alsof zij zich gereedmaakten om den vallenden luchtballon in haar schoot te verzwelgen.Zonder verder na te denken, wierp de ingenieur nog een zak uit en na verloop van eenige oogenblikken een derden. Aldus van een gewicht van meer dan 30 kilogrammen bevrijd, bleef de ballon op dezelfde hoogte zweven en wel ongeveer 200 meters boven de woedende golven.„Drommels!” riep James, die van vermoeidheid hijgde, „ge hebt den ballon op het juiste oogenblik gestuit; het heeft maar weinig gescheeld, of we hadden een zoutwaterbad genomen.”De luchtballon zag er uit, alsof hij door eene laag van dons gegaan was: hij was geheel met fijne ijskristallen bedekt, die, na zich in groote hoeveelheid op het omhulsel vastgezet te hebben, hem eenige tientallen kilogrammen zwaarder maakten en lichtelijk een noodlottig voorval tengevolge hadden kunnen hebben. Maar hier, boven het oppervlak van den Oceaan, heerschte eene temperatuur van 7 graden Celsius boven het nulpunt; de ijzel begon dus te smelten en in droppels van het omhulsel van den ballon af te loopen, die nu al lichter en lichter werd. De ijswolken dreven, zooals men gemerkt had, omstreeks 1000 meters boven den Oceaan en vormden eene dichte massa, die zich aan den horizon verloor.Toen de reizigers een weinig van hun schrik bekomen waren, begonnen zij over hun toestand na te denken. De beweging der golven maakte het hun mogelijk, zich omtrent de richting van den wind op de hoogte te stellen. Terwijl Ford de schuimende golven gadesloeg, bemerkte hij eensklaps, dat de ballon in eene noordwestelijke richting voortdreef.De kapitein was uitstekend met den Oceaan bekend en las op zijne beweeglijke oppervlakte even gemakkelijk als in een groot boek.„We gaan met eene snelheid van 30 knoopen,” zeide hij tegen den ingenieur.„Hoe weet ge dat?” vroeg Gromski verwonderd. „De richting, die we volgen, is gemakkelijk uit de beweging der golven op te maken, maar de snelheid.…”„Dat is heel eenvoudig,” antwoordde Ford. „Tel maar eens, hoevele malen een schuimende golf het schuitje gedurende eene minuut voorbijgaat, vermenigvuldig het gevonden getal met 300, en ge krijgt de betrekkelijke snelheid in meters, daar eene golf nooit langer is dan 300 meters.”„Maar de beweging der golven?.…”„Daarmee moet men natuurlijk rekening houden,” antwoordde Ford. „Ik weet bij ondervinding, dat de golven zichmet eene snelheid van 7 à 15 meters bewegen; als wij dus een gemiddelde van 10 meters aannemen, zullen wij niet ver van de waarheid af zijn. Uit zulk eene berekening volgt nu, dat de ballon 30 knoopen aflegt.”„De lagere stroom gaat dus in eene geheel tegenovergestelde richting als de hoogere,” zeide Gromski. „We zouden dus met dien stroom gemakkelijk in 4 à 5 dagen naar Zuid-Amerika kunnen terugkeeren.”„Neen, laat ons van die gelegenheid nog geen gebruik maken,” zeide Ford.„Dan zou het misschien beter zijn, den ballon aan den spiraalvormigen stroom bloot te stellen.”Ford schudde met het hoofd.„We zullen dit slechts ingeval van nood doen. Laat ons eerst eens zien, of de wind, die er nu waait, in de lagere luchtlagen de heerschende is.”„Ge raadt dus, nog wat te wachten?”„Zeker. Op mijne reizen naar de Noordpool heb ik dikwijls plotselinge veranderingen in de richting der luchtlagen opgemerkt.”„Welnu, het zij zoo! Laat ons dan ons anker uitwerpen!”De zak met zand, die aan een stevig touw ter lengte van 200 meters bevestigd was, hing aan den buitenkant van het schuitje. De ingenieur haakte hem af en wierp hem in de golven. De ballon, die nu voor een oogenblik van een ballast van 10 kilogrammen bevrijd was, ging eensklaps in de hoogte; maar hij moest zeer spoedig weer evenveel dalen. De zak gleed langzaam op de golven neer, van de eene golf op de andere overspringende, evenalseen meeuw, die rust tracht te vinden; maar langzamerhand maakte de aanraking met de golven hem zwaarder; na omstreeks twintig malen op en neer gegaan te zijn, verdween hij eensklaps, vertoonde zich toen opnieuw, maar opgezwollen, evenals een visch, die aan den hengel gevangen is. De ballon trilde in zijn net, en de zak zonk eindelijk voorgoed in de diepte weg.„Nu zitten we vast!” riep Gromski uit.
ZEVENDE HOOFDSTUK.ZEVENDE HOOFDSTUK.Zonsopgang te middernacht.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
James nam zich voor, het vertrouwen, dat Gromski en de kapitein in hem stelden, ten volle te rechtvaardigen. De ingenieur had hem bevolen, den ballon nauwlettend gade te slaan, als hij bijgeval mocht beginnen te dalen. De stuurman hield dan ook voortdurend de oogen op den barometer gevestigd, waarbij hij zich neerzette.Eene zekere onrust maakte zich van den braven zeeman meester bij de gedachte, dat de veiligheid van den luchtballon nu geheel van zijne waakzaamheid afhing. Het had hem in het eerst toegeschenen, dat het veel gemakkelijker was, het toezicht op een luchtballon te houden dan op een stoomschip; maar hij liet deze meening al spoedig varen. James vroeg zich eindelijk af, of hij ingeval van nood zijne plichten wel behoorlijk zou kunnen vervullen. Hij stelde zich dus al de gevaren voor, die den luchtballon zouden kunnen bedreigen.In de eerste plaats dacht hij aan de mogelijkheid, dat de ballon in zee zou vallen. Maar daarvoor behoefde hijniet te vreezen; want de barometer wees nog steeds eene hoogte van 3200 meters aan en steeg niet hooger. De heldere hemel voorspelde mooi weer. De luchtballon, die vrijelijk in het luchtruim zweefde, had geenerlei botsing, geenerlei schok te duchten.Niettemin boog de oude zeeman zich ieder oogenblik over den rand van het schuitje heen en sloeg een argwanenden blik in de ruimte. Hij gevoelde zich zonderling aangedaan tegenover deze doodelijke stilte, die door niets verstoord werd. Als hij aan het roer van een stoomschip zat, hoorde hij gewoonlijk het stampen der machine, het kraken van de masten, het huilen van den wind en het klotsen der golven. Nu hoorde hij niets, hoegenaamd niets.De ballon scheen duizenden mijlen boven de aarde opgehangen te zijn te midden van de sterren, die hem omgaven. Deze doodelijke stilte maakte James zenuwachtig. De brave zeeman begon al spoedig de luchtvaart te verwenschen, waarvoor al zijne kennis en al zijne ervaring te kort schoten.„Och kom!” mompelde hij. „Het kompas dient nergens meer toe, evenmin als het roer; want men weet toch niet, of en hoe men gaat. Hum! Misschien bewegen we ons zelfs in ’t geheel niet; de drommel mag dat weten! Maar het gewichtigste is niet, de richting te weten, waarin we gaan; het gewichtigste is, te zorgen, dat we niet in zee vallen.”Nauwelijks had James deze woorden op een fluisterenden toon uitgesproken, of twee wolkjes, die zich onder het schuitje gevormd hadden, dreven het voorbij en verhieven zich toen met eene verbazende snelheid. De stuurman haddit verschijnsel eerst opgemerkt, toen de ballon begon te dalen; het maakte hem dan ook erg ongerust. Deze ongerustheid veranderde in vrees, toen er zich een twintigtal andere wolkjes vertoonden, die de eerste volgden. Hunne beweging liet geenerlei twijfel over: de luchtballon daalde snel. De barometer echter wees nog altijd eene hoogte van 3200 meters aan.„Hij zal zeker van streek geraakt zijn,” mompelde de stuurman, terwijl hij het instrument steeds heen en weer schudde.En zonder verder na te denken, snelde hij naar den voorsteven van het schuitje, waar de zakken met zand lagen, greep er een en wierp hem over boord.Toen James op zijn post teruggekeerd was, keek hij gejaagd naar den barometer.De wijzer bewoog zich zichtbaar: van 3200 kwam hij snel op 3300, en toen langzamerhand op 3350 en op 3400 meters.Tegelijkertijd deed een zacht windje zich gevoelen.Maar—zonderling genoeg!—kwamen er telkens weder wolken opzetten, dreven het schuitje voorbij en verhieven er zich boven.Toen begreep de brave man zijne vergissing; want de hand opheffende, gaf hij zich een geweldigen slag met de vuist op het voorhoofd.„Wat is dat? Te handelen als een kind! Zich op die wijze te laten bedriegen!… Was het dan zoo moeilijk te begrijpen, dat het de wolken zijn, die stijgen, en dat de ballon zelf op dezelfde hoogte blijft? Wel foei!”Dit voorval ontnam aan James al zijn zelfvertrouwen.Hij wilde Gromski wekken, maar de vrees, zich belachelijk te maken, hield hem daarvan terug. Na een geruimen tijd geaarzeld te hebben, besloot hij eindelijk, den opgang der zon af te wachten en van nu af uitsluitend op den barometer te vertrouwen, die 4100 meters aanwees.Hij zette zich dus op zijne plaats neer en keek onverschillig naar de wolken, die voortdurend langs den ballon heendreven.Intusschen bracht eene andere omstandigheid James al spoedig in verlegenheid.Hij merkte, dat het in het luchtruim al helderder en helderder begon te worden. Het oostelijk gedeelte van den hemel nam een rooskleurige tint aan, en de wolkenlaag, die zich onder den ballon bevond, weerkaatste duidelijk dezen gloed.„Het zal de maan zijn, die opkomt,” dacht James.Het duurde een halfuur, en nog vertoonde de wachter der aarde zich niet aan den horizon, en toch werd het al lichter en lichter.Al spoedig bemerkte de stuurman tot zijne niet geringe verbazing eenige rooskleurige wolkjes nabij het zenith. De nacht stond blijkbaar zijne plaats aan het een of ander helder licht af. James pijnigde zich vruchteloos het hoofd, om de oorzaak van het buitengewone verschijnsel te ontdekken; hij veronderstelde, dat er ergens heel ver in het Oosten een vulkaan tot eene uitbarsting gekomen was; maar het licht, dat zich aan den horizon vertoonde, herinnerde noch aan den rooden gloed, die door een brand teweeggebracht wordt, noch aan het noorderlicht; in het luchtruim verspreidde zich eene witachtige schemering, geheel gelijkaan die, welke aan het aanbreken van den dag voorafgaat. Het horloge stond op kwartier over elven. Het moest dus nog vier uren duren, voordat de zon zou opgaan.Wat beteekende dat licht dan?Op deze vraag wist James geen antwoord te geven. Hij wachtte dus geduldig af, totdat het raadsel zich vanzelf zou oplossen.Inmiddels werd het al helderder en helderder; de wolkjes werden rood gekleurd bij de komst van den geheimzinnigen dageraad; de Oceaan legde den dichten sluier van nevel af, die hem sedert eenige oogenblikken aan zijn blik onttrok. Groote strooken damp dreven als booze geesten boven zijn oppervlak, dat den vlammenden hemel wonderlijk weerkaatste.Eensklaps schoten er talrijke stralen van achter den horizon te voorschijn, en tegelijkertijd verhief zich boven den Oceaan langzaam de zonneschijf, die een rooden gloed over de golven verspreidde.De brave stuurman was gedurende zijne herhaalde poolreizen getuige van verschillende ongewone luchtverschijnselen geweest; maar geen daarvan had op hem zulk een indruk gemaakt, als deze zoo onverwachte zonsopgang te middernacht.Een oogenblik bleef hij naar dien vuurbol staren; toen haalde hij werktuiglijk zijn horloge uit den zak.„Over negen minuten is het middernacht.…”En het woord „middernacht” herhalende, greep hij Gromski, die in een diepen slaap gedompeld was, bij de schouders en schudde hem heftig heen en weer.De ingenieur, aldus plotseling uit zijn slaap gewekt, kwam haastig overeind.„Wat is er? Hoe nu, is het al dag?” vroeg hij, terwijl hij zich de oogen uitwreef. „Hoe laat is het dan?”„Het is middernacht, Mijnheer.”„Wat zeg je daar?”„Precies middernacht! Kijk maar! De zon is opgegaan; we zijn in een andere wereld … alles is hier onderstboven.”De stuurman zette, terwijl hij dit zeide, zulk een kluchtig gezicht, dat de ingenieur in lachen uitbarstte.„Je zult zeker zijn gaan slapen, zonder je horloge opgewonden te hebben. Komaan, beken het maar!”De zeeman was verontwaardigd.„Wat? Zou ik zijn gaan slapen? Kijk dan zelf maar eens, hoe laat het is; dat is veel beter.…”„Welnu, hoe laat is het?” vroeg Ford, die zijne zoogenaamde slaapkamer verlaten had.„Inderdaad, het is twaalf uur,” zeide Gromski. „En hoe laat is het op uw horloge, kapitein?”„Ook twaalf uur, vijf minuten vóór twaalven. Maar wat beteekent dat?”En alle drie keken elkaar verwonderd aan.„Zonsopgang te middernacht: dat is wonderlijk!” riep Gromski glimlachende uit. „Zou de aarde zich vlugger dan gewoonlijk om hare as gewenteld hebben?”De kapitein haalde de schouders op.„Het is een zonderling verschijnsel,” antwoordde hij. „De zon is om negen uur ondergegaan, niet waar?”„Juist zoo, om kwartier over negenen; want we zagen haar uit den ballon, die op een hoogte van 4000 meters zweefde, langer dan men haar van de oppervlakte van den Oceaan zou gezien hebben.”„De nacht heeft dus drie uren in plaats van zeven geduurd. We gaan blijkbaar naar het Oosten, de zon te gemoet; daardoor hebben we vier uren uitgewonnen, hetgeen overeenkomt met een afstand van 60 graden. Vergeten we niet, dat de parallellen dichter bij elkaar komen, naarmate zij de pool naderen, en dat iedere graad hier met omstreeks 7 geographische mijlen gelijk moet zijn; dus zevenmaal 60 is 420. Wij gaan blijkbaar met eene snelheid, die slechts tweemaal minder is dan de snelheid van een kanonskogel bedraagt. Mooi zoo!”Deze woorden van Ford gaven aan Gromski stof tot overpeinzingen.„En als zoo iets ons eens werkelijk gebeurd was?” vroeg hij na een oogenblik van stilzwijgen.„Wel, dan zullen wij nimmer de pool kunnen bereiken, Mijnheer.…”„Dat is waar, maar we gaan niet naar het Oosten.”„Hoe verklaart ge dezen korten duur van den nacht dan?”„Doodeenvoudig. De ballon is den poolcirkel gepasseerd en drijft in de streken, waar de zon niet ondergaat. We hebben nu den 29stenDecember, en op den 30stenvan deze maand gaat de zon niet meer onder op eene breedte van 66¾ graden; op den middag bereikt zij, zooals ge weet, 47 graden, en te middernacht bevindt zij zich aan den horizon; wij zijn vanmorgen om 8 uur vertrokken, en wij hebben—tot op het oogenblik, waarop wij het schip ontmoet hebben—op zijn hoogst slechts 180 kilometers afgelegd; om 6 uur zijn we in den warmen luchtstroom gekomen; welnu, we moeten dus gedurende die zes uren 9 graden afgelegd hebben. Als wij rekenen, dat iederegraad van den meridiaan gelijkstaat met 15 geographische mijlen, dan blijkt het, dat wij 150 kilometers in het uur afgelegd hebben.…”„Maar dat is eene onbegrijpelijke snelheid!” riep de kapitein uit.„De ballonLa ville d’Orléansheeft er wel 208 in het uur afgelegd. Men heeft bijna dezelfde snelheid gedurende het beleg van Parijs opgemerkt. Mijnheer Rolier, die op den 24stenNovember 1870, ’s morgens om tien minuten over halftwaalf, met een ballon opgestegen was, is den volgenden dag heel in de vroegte in Noorwegen neergedaald; hij was dus gedurende 14 uren met een gemiddelde snelheid van 112 kilometers in het uur voortgegaan. Deze luchtreiziger heeft insgelijks op eene hoogte van 3200 meters een warmen luchtstroom opgemerkt, welks temperatuur 21 graden bedroeg. Ge ziet dus, kapitein, dat zijne reis bijna met dezelfde snelheid als de onze volbracht is.”„Zijn wij dan niet naar het Oosten gedraaid?”„Waarschijnlijk niet.”De kapitein schudde met het hoofd.„Die zaak is voor mij niet zoo duidelijk als voor u, Mijnheer. Ik weet alleen, dat we ons aan gene zijde van den poolcirkel bevinden, in de streken, waar de dagen lang zijn: daaromtrent zijn we het volkomen met elkaar eens; ik geloof echter niet, dat we regelrecht naar het Zuiden gaan. Het beste is nu, den middag af te wachten, namelijk den tijd, waarop de zon den meridiaan passeert.”„Waartoe zou dat dienen?”„Om met behulp van den sextant de hoogte der zon te bepalen. Weten we deze, dan zullen we in staat zijn, metde meeste juistheid de geographische plaats van den ballon te bepalen.”Gromski kon geenerlei tegenwerping maken tegen de woorden van den kapitein, die volkomen met de cosmographie bekend was en veel ervaring bezat, welke hij op zijne poolreizen had opgedaan. Na eenige aarzeling stemde hij er dus in toe, den middag af te wachten. Ford gaf den raad, in lagere luchtlagen af te dalen, om op die manier de snelheid van den ballon te verminderen. Maar de ingenieur verzette zich hiertegen.„Als we met dezelfde snelheid blijven voortgaan, zullen we tegen den middag eenige honderden kilometers van de pool af zijn.”„Of we zullen er ons van verwijderen,” mompelde de kapitein.En de kloeke zeeman maakte zich gereed om de instrumenten, die voor de astronomische waarnemingen noodig waren, in orde te brengen.Er bevond zich in het schuitje een uitstekende sextant om de hoogte der zon te bepalen; bovendien haalde Gromski een prachtigen chronometer voor den dag, die naar den eersten meridiaan geregeld was. Ondertusschen vertelde James aan den ingenieur in alle bijzonderheden zijne avonturen gedurende den nacht en erkende ruiterlijk de fout, die hij begaan had door eenige kilogrammen zand uit te werpen. Dit was een vrij groot verlies; want Gromski ging slechts zeer spaarzaam met het uitwerpen van ballast te werk, daar hij dien voor critieke oogenblikken wilde bewaren.„Je hebt als een kind gehandeld, ouwe jongen,” zeide hij, toen de stuurman zijn verhaal geëindigd had. „Er isniets gemakkelijker dan te bepalen, of de ballon daalt dan wel stijgt. Kijk eens! Daar heb je een stukje papier. Werp het naar buiten.… Welnu?”„Het blijft naast ons zweven.”„Goed, pomp nu eens een weinig lucht in het ballonnetje! Je ziet, dat ik nu weer een stukje papier uitwerp, en het stijgt. Dat beteekent, dat wij dalen. Als je het ballonnetje leegpomptet, zou de luchtballon beginnen te stijgen en het papiertje dalen. Maar er bestaat nog een ander middel.”Dit zeggende, haalde Gromski uit zijn reiszak een strook papier, die verscheidene meters lang was, en maakte die aan den rand van het schuitje vast.„Verbeeld je nu maar, dat dit de vlag van ons vaartuig is. Zoodra wij beginnen te dalen, zal het papiertje naar omhoog fladderen.”Na den afloop van deze proefneming ging Gromski den barometer raadplegen. Deze wees eene hoogte van 4200 meters aan en daalde een weinig. Het was blijkbaar, dat het gas zich onder den invloed der zonnestralen uitzette. Daar de ingenieur niet te hoog wilde stijgen, beval hij den stuurman, langzaam lucht in het ballonnetje te pompen. Dank zij deze voorzorg, bleef de ballon tot op den middag op dezelfde hoogte, zonder met de laag wolken in aanraking te komen, die er omstreeks 200 meters onder dreef. Na verloop van eenige oogenblikken daalde de temperatuur aanmerkelijk; de thermometer, die op den 29stenDecember ’s avonds om acht uur 21 graden aanwees, teekende nu, na verloop van twaalf uren, slechts 14 graden: de warme luchtstroom koelde dus blijkbaar af.Ruim een halfuur vóór den middag nam Ford den sextant in handen en hield zijn oog aan den verrekijker, waarmee hij de rijzende zon waarnam. De ingenieur, die geen oog van hem afhield, wachtte met een zeker ongeduld de resultaten zijner waarneming af.Het duurde niet lang, of de kapitein kwam tot de overtuiging, dat het schuitje van een luchtballon geschikter voor astronomische waarnemingen is dan het verdek van een schip. Het instrument bleef onbeweeglijk staan, alsof het op een berg van graniet geplaatst was geweest.„Rijst de zon nog?” vroeg Gromski ongeduldig.Maar Ford antwoordde niets; zonder twijfel verstond hij hem niet. Al zijne aandacht was op den sextant gevestigd.„Middag!” zeide hij eindelijk, terwijl hij het hoofd oprichtte.De waarneming werd met de uiterste nauwkeurigheid gedaan; er bleef nu niets anders meer over dan den boog met behulp van den graadboog te bepalen en de declinatie in de astronomische tabellen op te zoeken.„73° 22′ 40″ Zuiderbreedte bij 38° 46′ Westerlengte van Greenwich,” zeide Ford, toen hij met zijne berekening klaar was.„Wat? Hoeveel zegt ge?” riep Gromski uit. „Maar dat is onmogelijk.”De kapitein vergiste zich echter niet: de chronometer, die vóór hem stond, wees vijf minuten over halfdrie aan.Na deze beide cijfers in zijn zakboekje opgeteekend te hebben, nam Ford een groote kaart van de zuidelijke streken van den Atlantischen Oceaan en spreidde deze voor zich uit.De ingenieur en de stuurman keken met gejaagdheid naar zijn potlood, dat over de kaart ronddwaalde om het aangegeven punt te zoeken.„Hier is het!” zei de kapitein, terwijl hij er een kruisje bij zette.De plaats, waar dit kruisje aangebracht was, wekte de verwondering van onze luchtreizigers.„Maar dan gaan we niet naar de pool!” riep James uit.Gromski zeide niets; maar na het potlood tusschen zijne bevende vingers genomen te hebben, trok hij eene rechte lijn van kaap Hoorn naar dit kruisje.Deze richting bevestigde, helaas! maar al te zeer de woorden, door den stuurman gesproken. Het was blijkbaar, dat de ballon niet naar het Zuiden dreef, maar wel naar het Zuidoosten, overeenkomstig de vooronderstelling van Ford, en dat hij zich bovendien met eene ontzaglijke snelheid voortbewoog, waarvan de reizigers zelfs geen vermoeden hadden gehad. Inderdaad bedroeg de afstand, dien zij in de laatste vier en twintig uren hadden afgelegd, volgens de berekeningen van den kapitein, minstens 3700 kilometers, zoodat de luchtballon gemiddeld 150 kilometers in het uur aflegde.„Ik heb mij vergist,” mompelde Gromski, terwijl hij de handen liet zakken. „De warme stroom zal ons niet naar de pool overbrengen!”„Dat had ik altijd wel gevreesd,” zeide Ford. „Ge hadt rekening moeten houden met de omwenteling der aarde om de zon, die de richting der luchtstroomen wijzigt, welke van de pool naar de evennachtslijn gaan. Ge weet, dat op het noordelijk halfrond een lichaam, dat zich langs den meridiaanvoortbeweegt, naar rechts afwijkt, dat is naar het Westen; de passaatwinden, die altijd uit het Noordoosten waaien, zijn daarvan het onweerlegbaarste bewijs; op het zuidelijk halfrond heeft het tegenovergestelde plaats, in zooverre de winden, die van de pool komen, een weinig linksaf wijken. De warme luchtstroom, die ons voortstuwt, is waarschijnlijk aan dezelfde wet onderworpen.”„Welke zijn dan de winden, die naar uwe meening aan de pool de heerschende zijn, kapitein?”„Ik kan op uwe vraag geen stellig antwoord geven, want de poolstreken zijn in dit opzicht nog weinig bestudeerd; wat ik met zekerheid weet, is dit, dat in de maand Januari in het zuidelijk gedeelte van den Atlantischen en den Stillen Oceaan de Noordwestenwinden de heerschende zijn. Ik erken, dat het voorkomen van een warmen luchtstroom op deze breedte mij eenigszins verwondert.”„Zoudt ge niet denken, dat de lucht, terwijl zij van alle kanten naar de pool stroomt, een wervelwind kan veroorzaken?”„Dat is zeer waarschijnlijk.”„Dan hebben we de oplossing van het raadsel en tegelijkertijd aanwijzingen omtrent hetgeen ons te doen staat,” zeide Gromski, zich in de handen wrijvende. „De zaak is nog zoo erg niet. We bevinden ons blijkbaar in den wervelwind, die ons toch vroeger of later langs eene spiraalvormige lijn naar de pool zal brengen.”„Dat is slechts eene vooronderstelling, Mijnheer! Ik raad u, daarop niet al te veel te bouwen.”„Wat dan te doen?”„Ja, wat te doen? Daarover moet ik eens nadenken.”De ingenieur begreep dit heel goed. Men begon dus eene beraadslaging, waaraan de stuurman natuurlijk insgelijks mocht deelnemen. Na een nauwkeurig onderzoek van den toestand besloot men met eenparige stemmen, in de lagere luchtlagen af te dalen en aldaar een gunstigen wind op te zoeken.Om drie uur greep de stuurman het handvatsel van de pomp en begon het ballonnetje met lucht te vullen. De barometer wees op dat oogenblik eene hoogte van 3900 meters aan, en de thermometer stond op 11 graden boven nul. De temperatuur van den warmen wind daalde aanmerkelijk.Veel lager, vlak onder onze reizigers, bevond zich eene laag witte wolken, die, uit den ballon gezien, het voorkomen van een bord van aardewerk hadden. Hare aanwezigheid maakte Ford ongerust; want hij vooronderstelde, dat de luchtballon zich nu boven het groote vasteland van de Zuidpool bevond, dat zich tot aan den 62stengraad Zuiderbreedte uitstrekt. Het is 7 graden van kaap Hoorn verwijderd en heet naar dengene, die het heeft ontdekt, Palmer-land.Verder naar het Zuiden heet dit vasteland Graham-land. Men beschouwt als zijne oostelijke kust Louis-Philippe-land, waarlangs Dumont d’Urville in 1840 stevende. Volgens de berekeningen van den kapitein had de ballon gedurende den korten vorigen nacht het Drieëenheid-land bereikt en zweefde sedert boven het vasteland.Ford wilde dit geheimzinnige vasteland zoo spoedig mogelijk zien; hij wapende zich dus met zijn verrekijker en wachtte, totdat het ondoordringbare wolkengordijn zich zou ontsluiten voor den ballon, die langzaam daalde.Om halfvier kwam het luchtschip in deze roomzee, diedoor den wind voortgestuwd werd. Onze reizigers bevonden zich eensklaps in een ijskouden en dichten dampkring, die het licht des daags schier geheel onderschepte.„Br!” zeide James huiverende, „ik geloof, dat we in eene sneeuwwolk zijn.”„Erger dan dat,” zei de ingenieur, „we zijn in eene ijswolk.”De onderstelling van den ingenieur was volkomen juist. De thermometer daalde plotseling van 11 graden boven tot heel wat onder het nulpunt. De damp bevroor bij deze lage temperatuur spoedig. Na verloop van eenige oogenblikken zagen onze reizigers er als grijsaards uit; hunne haren, hunne snorren en hunne baarden waren geheel wit geworden. Een fijne ijzel bedekte alles: de machine, den stoomketel, het reservoir met benzine, den rand van het schuitje en zelfs de touwen. Gromski en zijn kameraad begonnen te hoesten; zeer kleine ijsnaaldjes drongen in hunne longen door en deden de luchtpijp op eene ondraaglijke manier aan. De stuurman begaf zich naar de machine, toen eene electrische vonk met een hevig gedruisch uit de buis kwam, die bestemd was om den stoom te geleiden, en hem pijnlijk aan de hand kwetste.„Drommels! Die verwenschte wolk!” riep de zeeman uit, terwijl hij naar zijne gebrande hand keek.Deze ontlading bewees, dat de wolken met electriciteit verzadigd waren—eene buitengewone omstandigheid op 73 graden breedte.„James! Naar de pomp!” riep Gromski eensklaps uit. „Haast je! We vallen!”De damp, die op het omhulsel van den ballon bevroor,had het gewicht daarvan ongetwijfeld doen toenemen, want de barometer steeg zeer snel. Op hetzelfde oogenblik was James bij de pomp, waar hij den kapitein reeds aantrof. Beiden grepen gelijktijdig het handvatsel daarvan.De geheele omtrek was in eene schemering gehuld. De ijswolk, waardoor de ballon heenging, was zóó dicht, dat Ford het gezicht van den stuurman niet eens kon onderscheiden, ofschoon dit toch dicht in zijne nabijheid was. Gromski was genoodzaakt, zijn gezicht bijna op de plaat van den barometer te leggen om den wijzer te kunnen onderscheiden.Vijf minuten nadat de ballon in de laag van ijswolken was gekomen, was de ballon 600 meters gedaald en bevond zich nu ternauwernood 1000 meters boven het oppervlak der zee. Zijne daling had met eene verontrustende snelheid plaats. Gromski zag wel in, dat de toestand gevaarlijk dreigde te worden; een onheilspellend gedruisch deed zich beneden hen hooren, gelijkende op het gebulder van den storm in de verte. Het oor van den kapitein herkende dit geluid terstond.„’t Is de Oceaan,” riep hij uit.Het geluid nam gedurig in hevigheid toe en liet er geen twijfel meer aan, of Ford had gelijk. De ingenieur raadpleegde nog eens den barometer, die eene hoogte van 600 meters aanwees, en zag de noodzakelijkheid in om zijne toevlucht tot den ballast te nemen. Hij haalde dus zijn mes uit den zak en sneed een zak van 8 kilogrammen los. Zijne ongerustheid nam nog toe, toen hij zag, dat de zak, in plaats van onder het schuitje te verdwijnen, eenige oogenblikken op dezelfde hoogte bleef zweven. Hieruit moestmen wel opmaken, dat de ballon met de snelheid van een zwaar lichaam daalde.„Let wel op!” riep hij.Maar op dit oogenblik kwam er plotseling eene opening in den ondoordringbaren mist, die den luchtballon als in eene laag van watten hulde, en nu bevonden onze reizigers zich in een zuiveren dampkring.Onder het schuitje, op een afstand van nauwelijks eenige honderden meters, bulderde de Oceaan; op zijne donkere oppervlakte volgden kleine witte stipjes elkander op; dit was het schuim van de golven, die naar het Noordwesten rolden en aan den horizon met den bewolkten hemel ineensmolten. Deze golven werden al grooter en grooter en stegen met onstuimige vaart omhoog, alsof zij zich gereedmaakten om den vallenden luchtballon in haar schoot te verzwelgen.Zonder verder na te denken, wierp de ingenieur nog een zak uit en na verloop van eenige oogenblikken een derden. Aldus van een gewicht van meer dan 30 kilogrammen bevrijd, bleef de ballon op dezelfde hoogte zweven en wel ongeveer 200 meters boven de woedende golven.„Drommels!” riep James, die van vermoeidheid hijgde, „ge hebt den ballon op het juiste oogenblik gestuit; het heeft maar weinig gescheeld, of we hadden een zoutwaterbad genomen.”De luchtballon zag er uit, alsof hij door eene laag van dons gegaan was: hij was geheel met fijne ijskristallen bedekt, die, na zich in groote hoeveelheid op het omhulsel vastgezet te hebben, hem eenige tientallen kilogrammen zwaarder maakten en lichtelijk een noodlottig voorval tengevolge hadden kunnen hebben. Maar hier, boven het oppervlak van den Oceaan, heerschte eene temperatuur van 7 graden Celsius boven het nulpunt; de ijzel begon dus te smelten en in droppels van het omhulsel van den ballon af te loopen, die nu al lichter en lichter werd. De ijswolken dreven, zooals men gemerkt had, omstreeks 1000 meters boven den Oceaan en vormden eene dichte massa, die zich aan den horizon verloor.Toen de reizigers een weinig van hun schrik bekomen waren, begonnen zij over hun toestand na te denken. De beweging der golven maakte het hun mogelijk, zich omtrent de richting van den wind op de hoogte te stellen. Terwijl Ford de schuimende golven gadesloeg, bemerkte hij eensklaps, dat de ballon in eene noordwestelijke richting voortdreef.De kapitein was uitstekend met den Oceaan bekend en las op zijne beweeglijke oppervlakte even gemakkelijk als in een groot boek.„We gaan met eene snelheid van 30 knoopen,” zeide hij tegen den ingenieur.„Hoe weet ge dat?” vroeg Gromski verwonderd. „De richting, die we volgen, is gemakkelijk uit de beweging der golven op te maken, maar de snelheid.…”„Dat is heel eenvoudig,” antwoordde Ford. „Tel maar eens, hoevele malen een schuimende golf het schuitje gedurende eene minuut voorbijgaat, vermenigvuldig het gevonden getal met 300, en ge krijgt de betrekkelijke snelheid in meters, daar eene golf nooit langer is dan 300 meters.”„Maar de beweging der golven?.…”„Daarmee moet men natuurlijk rekening houden,” antwoordde Ford. „Ik weet bij ondervinding, dat de golven zichmet eene snelheid van 7 à 15 meters bewegen; als wij dus een gemiddelde van 10 meters aannemen, zullen wij niet ver van de waarheid af zijn. Uit zulk eene berekening volgt nu, dat de ballon 30 knoopen aflegt.”„De lagere stroom gaat dus in eene geheel tegenovergestelde richting als de hoogere,” zeide Gromski. „We zouden dus met dien stroom gemakkelijk in 4 à 5 dagen naar Zuid-Amerika kunnen terugkeeren.”„Neen, laat ons van die gelegenheid nog geen gebruik maken,” zeide Ford.„Dan zou het misschien beter zijn, den ballon aan den spiraalvormigen stroom bloot te stellen.”Ford schudde met het hoofd.„We zullen dit slechts ingeval van nood doen. Laat ons eerst eens zien, of de wind, die er nu waait, in de lagere luchtlagen de heerschende is.”„Ge raadt dus, nog wat te wachten?”„Zeker. Op mijne reizen naar de Noordpool heb ik dikwijls plotselinge veranderingen in de richting der luchtlagen opgemerkt.”„Welnu, het zij zoo! Laat ons dan ons anker uitwerpen!”De zak met zand, die aan een stevig touw ter lengte van 200 meters bevestigd was, hing aan den buitenkant van het schuitje. De ingenieur haakte hem af en wierp hem in de golven. De ballon, die nu voor een oogenblik van een ballast van 10 kilogrammen bevrijd was, ging eensklaps in de hoogte; maar hij moest zeer spoedig weer evenveel dalen. De zak gleed langzaam op de golven neer, van de eene golf op de andere overspringende, evenalseen meeuw, die rust tracht te vinden; maar langzamerhand maakte de aanraking met de golven hem zwaarder; na omstreeks twintig malen op en neer gegaan te zijn, verdween hij eensklaps, vertoonde zich toen opnieuw, maar opgezwollen, evenals een visch, die aan den hengel gevangen is. De ballon trilde in zijn net, en de zak zonk eindelijk voorgoed in de diepte weg.„Nu zitten we vast!” riep Gromski uit.
James nam zich voor, het vertrouwen, dat Gromski en de kapitein in hem stelden, ten volle te rechtvaardigen. De ingenieur had hem bevolen, den ballon nauwlettend gade te slaan, als hij bijgeval mocht beginnen te dalen. De stuurman hield dan ook voortdurend de oogen op den barometer gevestigd, waarbij hij zich neerzette.
Eene zekere onrust maakte zich van den braven zeeman meester bij de gedachte, dat de veiligheid van den luchtballon nu geheel van zijne waakzaamheid afhing. Het had hem in het eerst toegeschenen, dat het veel gemakkelijker was, het toezicht op een luchtballon te houden dan op een stoomschip; maar hij liet deze meening al spoedig varen. James vroeg zich eindelijk af, of hij ingeval van nood zijne plichten wel behoorlijk zou kunnen vervullen. Hij stelde zich dus al de gevaren voor, die den luchtballon zouden kunnen bedreigen.
In de eerste plaats dacht hij aan de mogelijkheid, dat de ballon in zee zou vallen. Maar daarvoor behoefde hijniet te vreezen; want de barometer wees nog steeds eene hoogte van 3200 meters aan en steeg niet hooger. De heldere hemel voorspelde mooi weer. De luchtballon, die vrijelijk in het luchtruim zweefde, had geenerlei botsing, geenerlei schok te duchten.
Niettemin boog de oude zeeman zich ieder oogenblik over den rand van het schuitje heen en sloeg een argwanenden blik in de ruimte. Hij gevoelde zich zonderling aangedaan tegenover deze doodelijke stilte, die door niets verstoord werd. Als hij aan het roer van een stoomschip zat, hoorde hij gewoonlijk het stampen der machine, het kraken van de masten, het huilen van den wind en het klotsen der golven. Nu hoorde hij niets, hoegenaamd niets.
De ballon scheen duizenden mijlen boven de aarde opgehangen te zijn te midden van de sterren, die hem omgaven. Deze doodelijke stilte maakte James zenuwachtig. De brave zeeman begon al spoedig de luchtvaart te verwenschen, waarvoor al zijne kennis en al zijne ervaring te kort schoten.
„Och kom!” mompelde hij. „Het kompas dient nergens meer toe, evenmin als het roer; want men weet toch niet, of en hoe men gaat. Hum! Misschien bewegen we ons zelfs in ’t geheel niet; de drommel mag dat weten! Maar het gewichtigste is niet, de richting te weten, waarin we gaan; het gewichtigste is, te zorgen, dat we niet in zee vallen.”
Nauwelijks had James deze woorden op een fluisterenden toon uitgesproken, of twee wolkjes, die zich onder het schuitje gevormd hadden, dreven het voorbij en verhieven zich toen met eene verbazende snelheid. De stuurman haddit verschijnsel eerst opgemerkt, toen de ballon begon te dalen; het maakte hem dan ook erg ongerust. Deze ongerustheid veranderde in vrees, toen er zich een twintigtal andere wolkjes vertoonden, die de eerste volgden. Hunne beweging liet geenerlei twijfel over: de luchtballon daalde snel. De barometer echter wees nog altijd eene hoogte van 3200 meters aan.
„Hij zal zeker van streek geraakt zijn,” mompelde de stuurman, terwijl hij het instrument steeds heen en weer schudde.
En zonder verder na te denken, snelde hij naar den voorsteven van het schuitje, waar de zakken met zand lagen, greep er een en wierp hem over boord.
Toen James op zijn post teruggekeerd was, keek hij gejaagd naar den barometer.
De wijzer bewoog zich zichtbaar: van 3200 kwam hij snel op 3300, en toen langzamerhand op 3350 en op 3400 meters.
Tegelijkertijd deed een zacht windje zich gevoelen.
Maar—zonderling genoeg!—kwamen er telkens weder wolken opzetten, dreven het schuitje voorbij en verhieven er zich boven.
Toen begreep de brave man zijne vergissing; want de hand opheffende, gaf hij zich een geweldigen slag met de vuist op het voorhoofd.
„Wat is dat? Te handelen als een kind! Zich op die wijze te laten bedriegen!… Was het dan zoo moeilijk te begrijpen, dat het de wolken zijn, die stijgen, en dat de ballon zelf op dezelfde hoogte blijft? Wel foei!”
Dit voorval ontnam aan James al zijn zelfvertrouwen.Hij wilde Gromski wekken, maar de vrees, zich belachelijk te maken, hield hem daarvan terug. Na een geruimen tijd geaarzeld te hebben, besloot hij eindelijk, den opgang der zon af te wachten en van nu af uitsluitend op den barometer te vertrouwen, die 4100 meters aanwees.
Hij zette zich dus op zijne plaats neer en keek onverschillig naar de wolken, die voortdurend langs den ballon heendreven.
Intusschen bracht eene andere omstandigheid James al spoedig in verlegenheid.
Hij merkte, dat het in het luchtruim al helderder en helderder begon te worden. Het oostelijk gedeelte van den hemel nam een rooskleurige tint aan, en de wolkenlaag, die zich onder den ballon bevond, weerkaatste duidelijk dezen gloed.
„Het zal de maan zijn, die opkomt,” dacht James.
Het duurde een halfuur, en nog vertoonde de wachter der aarde zich niet aan den horizon, en toch werd het al lichter en lichter.
Al spoedig bemerkte de stuurman tot zijne niet geringe verbazing eenige rooskleurige wolkjes nabij het zenith. De nacht stond blijkbaar zijne plaats aan het een of ander helder licht af. James pijnigde zich vruchteloos het hoofd, om de oorzaak van het buitengewone verschijnsel te ontdekken; hij veronderstelde, dat er ergens heel ver in het Oosten een vulkaan tot eene uitbarsting gekomen was; maar het licht, dat zich aan den horizon vertoonde, herinnerde noch aan den rooden gloed, die door een brand teweeggebracht wordt, noch aan het noorderlicht; in het luchtruim verspreidde zich eene witachtige schemering, geheel gelijkaan die, welke aan het aanbreken van den dag voorafgaat. Het horloge stond op kwartier over elven. Het moest dus nog vier uren duren, voordat de zon zou opgaan.
Wat beteekende dat licht dan?
Op deze vraag wist James geen antwoord te geven. Hij wachtte dus geduldig af, totdat het raadsel zich vanzelf zou oplossen.
Inmiddels werd het al helderder en helderder; de wolkjes werden rood gekleurd bij de komst van den geheimzinnigen dageraad; de Oceaan legde den dichten sluier van nevel af, die hem sedert eenige oogenblikken aan zijn blik onttrok. Groote strooken damp dreven als booze geesten boven zijn oppervlak, dat den vlammenden hemel wonderlijk weerkaatste.
Eensklaps schoten er talrijke stralen van achter den horizon te voorschijn, en tegelijkertijd verhief zich boven den Oceaan langzaam de zonneschijf, die een rooden gloed over de golven verspreidde.
De brave stuurman was gedurende zijne herhaalde poolreizen getuige van verschillende ongewone luchtverschijnselen geweest; maar geen daarvan had op hem zulk een indruk gemaakt, als deze zoo onverwachte zonsopgang te middernacht.
Een oogenblik bleef hij naar dien vuurbol staren; toen haalde hij werktuiglijk zijn horloge uit den zak.
„Over negen minuten is het middernacht.…”
En het woord „middernacht” herhalende, greep hij Gromski, die in een diepen slaap gedompeld was, bij de schouders en schudde hem heftig heen en weer.
De ingenieur, aldus plotseling uit zijn slaap gewekt, kwam haastig overeind.
„Wat is er? Hoe nu, is het al dag?” vroeg hij, terwijl hij zich de oogen uitwreef. „Hoe laat is het dan?”
„Het is middernacht, Mijnheer.”
„Wat zeg je daar?”
„Precies middernacht! Kijk maar! De zon is opgegaan; we zijn in een andere wereld … alles is hier onderstboven.”
De stuurman zette, terwijl hij dit zeide, zulk een kluchtig gezicht, dat de ingenieur in lachen uitbarstte.
„Je zult zeker zijn gaan slapen, zonder je horloge opgewonden te hebben. Komaan, beken het maar!”
De zeeman was verontwaardigd.
„Wat? Zou ik zijn gaan slapen? Kijk dan zelf maar eens, hoe laat het is; dat is veel beter.…”
„Welnu, hoe laat is het?” vroeg Ford, die zijne zoogenaamde slaapkamer verlaten had.
„Inderdaad, het is twaalf uur,” zeide Gromski. „En hoe laat is het op uw horloge, kapitein?”
„Ook twaalf uur, vijf minuten vóór twaalven. Maar wat beteekent dat?”
En alle drie keken elkaar verwonderd aan.
„Zonsopgang te middernacht: dat is wonderlijk!” riep Gromski glimlachende uit. „Zou de aarde zich vlugger dan gewoonlijk om hare as gewenteld hebben?”
De kapitein haalde de schouders op.
„Het is een zonderling verschijnsel,” antwoordde hij. „De zon is om negen uur ondergegaan, niet waar?”
„Juist zoo, om kwartier over negenen; want we zagen haar uit den ballon, die op een hoogte van 4000 meters zweefde, langer dan men haar van de oppervlakte van den Oceaan zou gezien hebben.”
„De nacht heeft dus drie uren in plaats van zeven geduurd. We gaan blijkbaar naar het Oosten, de zon te gemoet; daardoor hebben we vier uren uitgewonnen, hetgeen overeenkomt met een afstand van 60 graden. Vergeten we niet, dat de parallellen dichter bij elkaar komen, naarmate zij de pool naderen, en dat iedere graad hier met omstreeks 7 geographische mijlen gelijk moet zijn; dus zevenmaal 60 is 420. Wij gaan blijkbaar met eene snelheid, die slechts tweemaal minder is dan de snelheid van een kanonskogel bedraagt. Mooi zoo!”
Deze woorden van Ford gaven aan Gromski stof tot overpeinzingen.
„En als zoo iets ons eens werkelijk gebeurd was?” vroeg hij na een oogenblik van stilzwijgen.
„Wel, dan zullen wij nimmer de pool kunnen bereiken, Mijnheer.…”
„Dat is waar, maar we gaan niet naar het Oosten.”
„Hoe verklaart ge dezen korten duur van den nacht dan?”
„Doodeenvoudig. De ballon is den poolcirkel gepasseerd en drijft in de streken, waar de zon niet ondergaat. We hebben nu den 29stenDecember, en op den 30stenvan deze maand gaat de zon niet meer onder op eene breedte van 66¾ graden; op den middag bereikt zij, zooals ge weet, 47 graden, en te middernacht bevindt zij zich aan den horizon; wij zijn vanmorgen om 8 uur vertrokken, en wij hebben—tot op het oogenblik, waarop wij het schip ontmoet hebben—op zijn hoogst slechts 180 kilometers afgelegd; om 6 uur zijn we in den warmen luchtstroom gekomen; welnu, we moeten dus gedurende die zes uren 9 graden afgelegd hebben. Als wij rekenen, dat iederegraad van den meridiaan gelijkstaat met 15 geographische mijlen, dan blijkt het, dat wij 150 kilometers in het uur afgelegd hebben.…”
„Maar dat is eene onbegrijpelijke snelheid!” riep de kapitein uit.
„De ballonLa ville d’Orléansheeft er wel 208 in het uur afgelegd. Men heeft bijna dezelfde snelheid gedurende het beleg van Parijs opgemerkt. Mijnheer Rolier, die op den 24stenNovember 1870, ’s morgens om tien minuten over halftwaalf, met een ballon opgestegen was, is den volgenden dag heel in de vroegte in Noorwegen neergedaald; hij was dus gedurende 14 uren met een gemiddelde snelheid van 112 kilometers in het uur voortgegaan. Deze luchtreiziger heeft insgelijks op eene hoogte van 3200 meters een warmen luchtstroom opgemerkt, welks temperatuur 21 graden bedroeg. Ge ziet dus, kapitein, dat zijne reis bijna met dezelfde snelheid als de onze volbracht is.”
„Zijn wij dan niet naar het Oosten gedraaid?”
„Waarschijnlijk niet.”
De kapitein schudde met het hoofd.
„Die zaak is voor mij niet zoo duidelijk als voor u, Mijnheer. Ik weet alleen, dat we ons aan gene zijde van den poolcirkel bevinden, in de streken, waar de dagen lang zijn: daaromtrent zijn we het volkomen met elkaar eens; ik geloof echter niet, dat we regelrecht naar het Zuiden gaan. Het beste is nu, den middag af te wachten, namelijk den tijd, waarop de zon den meridiaan passeert.”
„Waartoe zou dat dienen?”
„Om met behulp van den sextant de hoogte der zon te bepalen. Weten we deze, dan zullen we in staat zijn, metde meeste juistheid de geographische plaats van den ballon te bepalen.”
Gromski kon geenerlei tegenwerping maken tegen de woorden van den kapitein, die volkomen met de cosmographie bekend was en veel ervaring bezat, welke hij op zijne poolreizen had opgedaan. Na eenige aarzeling stemde hij er dus in toe, den middag af te wachten. Ford gaf den raad, in lagere luchtlagen af te dalen, om op die manier de snelheid van den ballon te verminderen. Maar de ingenieur verzette zich hiertegen.
„Als we met dezelfde snelheid blijven voortgaan, zullen we tegen den middag eenige honderden kilometers van de pool af zijn.”
„Of we zullen er ons van verwijderen,” mompelde de kapitein.
En de kloeke zeeman maakte zich gereed om de instrumenten, die voor de astronomische waarnemingen noodig waren, in orde te brengen.
Er bevond zich in het schuitje een uitstekende sextant om de hoogte der zon te bepalen; bovendien haalde Gromski een prachtigen chronometer voor den dag, die naar den eersten meridiaan geregeld was. Ondertusschen vertelde James aan den ingenieur in alle bijzonderheden zijne avonturen gedurende den nacht en erkende ruiterlijk de fout, die hij begaan had door eenige kilogrammen zand uit te werpen. Dit was een vrij groot verlies; want Gromski ging slechts zeer spaarzaam met het uitwerpen van ballast te werk, daar hij dien voor critieke oogenblikken wilde bewaren.
„Je hebt als een kind gehandeld, ouwe jongen,” zeide hij, toen de stuurman zijn verhaal geëindigd had. „Er isniets gemakkelijker dan te bepalen, of de ballon daalt dan wel stijgt. Kijk eens! Daar heb je een stukje papier. Werp het naar buiten.… Welnu?”
„Het blijft naast ons zweven.”
„Goed, pomp nu eens een weinig lucht in het ballonnetje! Je ziet, dat ik nu weer een stukje papier uitwerp, en het stijgt. Dat beteekent, dat wij dalen. Als je het ballonnetje leegpomptet, zou de luchtballon beginnen te stijgen en het papiertje dalen. Maar er bestaat nog een ander middel.”
Dit zeggende, haalde Gromski uit zijn reiszak een strook papier, die verscheidene meters lang was, en maakte die aan den rand van het schuitje vast.
„Verbeeld je nu maar, dat dit de vlag van ons vaartuig is. Zoodra wij beginnen te dalen, zal het papiertje naar omhoog fladderen.”
Na den afloop van deze proefneming ging Gromski den barometer raadplegen. Deze wees eene hoogte van 4200 meters aan en daalde een weinig. Het was blijkbaar, dat het gas zich onder den invloed der zonnestralen uitzette. Daar de ingenieur niet te hoog wilde stijgen, beval hij den stuurman, langzaam lucht in het ballonnetje te pompen. Dank zij deze voorzorg, bleef de ballon tot op den middag op dezelfde hoogte, zonder met de laag wolken in aanraking te komen, die er omstreeks 200 meters onder dreef. Na verloop van eenige oogenblikken daalde de temperatuur aanmerkelijk; de thermometer, die op den 29stenDecember ’s avonds om acht uur 21 graden aanwees, teekende nu, na verloop van twaalf uren, slechts 14 graden: de warme luchtstroom koelde dus blijkbaar af.
Ruim een halfuur vóór den middag nam Ford den sextant in handen en hield zijn oog aan den verrekijker, waarmee hij de rijzende zon waarnam. De ingenieur, die geen oog van hem afhield, wachtte met een zeker ongeduld de resultaten zijner waarneming af.
Het duurde niet lang, of de kapitein kwam tot de overtuiging, dat het schuitje van een luchtballon geschikter voor astronomische waarnemingen is dan het verdek van een schip. Het instrument bleef onbeweeglijk staan, alsof het op een berg van graniet geplaatst was geweest.
„Rijst de zon nog?” vroeg Gromski ongeduldig.
Maar Ford antwoordde niets; zonder twijfel verstond hij hem niet. Al zijne aandacht was op den sextant gevestigd.
„Middag!” zeide hij eindelijk, terwijl hij het hoofd oprichtte.
De waarneming werd met de uiterste nauwkeurigheid gedaan; er bleef nu niets anders meer over dan den boog met behulp van den graadboog te bepalen en de declinatie in de astronomische tabellen op te zoeken.
„73° 22′ 40″ Zuiderbreedte bij 38° 46′ Westerlengte van Greenwich,” zeide Ford, toen hij met zijne berekening klaar was.
„Wat? Hoeveel zegt ge?” riep Gromski uit. „Maar dat is onmogelijk.”
De kapitein vergiste zich echter niet: de chronometer, die vóór hem stond, wees vijf minuten over halfdrie aan.
Na deze beide cijfers in zijn zakboekje opgeteekend te hebben, nam Ford een groote kaart van de zuidelijke streken van den Atlantischen Oceaan en spreidde deze voor zich uit.
De ingenieur en de stuurman keken met gejaagdheid naar zijn potlood, dat over de kaart ronddwaalde om het aangegeven punt te zoeken.
„Hier is het!” zei de kapitein, terwijl hij er een kruisje bij zette.
De plaats, waar dit kruisje aangebracht was, wekte de verwondering van onze luchtreizigers.
„Maar dan gaan we niet naar de pool!” riep James uit.
Gromski zeide niets; maar na het potlood tusschen zijne bevende vingers genomen te hebben, trok hij eene rechte lijn van kaap Hoorn naar dit kruisje.
Deze richting bevestigde, helaas! maar al te zeer de woorden, door den stuurman gesproken. Het was blijkbaar, dat de ballon niet naar het Zuiden dreef, maar wel naar het Zuidoosten, overeenkomstig de vooronderstelling van Ford, en dat hij zich bovendien met eene ontzaglijke snelheid voortbewoog, waarvan de reizigers zelfs geen vermoeden hadden gehad. Inderdaad bedroeg de afstand, dien zij in de laatste vier en twintig uren hadden afgelegd, volgens de berekeningen van den kapitein, minstens 3700 kilometers, zoodat de luchtballon gemiddeld 150 kilometers in het uur aflegde.
„Ik heb mij vergist,” mompelde Gromski, terwijl hij de handen liet zakken. „De warme stroom zal ons niet naar de pool overbrengen!”
„Dat had ik altijd wel gevreesd,” zeide Ford. „Ge hadt rekening moeten houden met de omwenteling der aarde om de zon, die de richting der luchtstroomen wijzigt, welke van de pool naar de evennachtslijn gaan. Ge weet, dat op het noordelijk halfrond een lichaam, dat zich langs den meridiaanvoortbeweegt, naar rechts afwijkt, dat is naar het Westen; de passaatwinden, die altijd uit het Noordoosten waaien, zijn daarvan het onweerlegbaarste bewijs; op het zuidelijk halfrond heeft het tegenovergestelde plaats, in zooverre de winden, die van de pool komen, een weinig linksaf wijken. De warme luchtstroom, die ons voortstuwt, is waarschijnlijk aan dezelfde wet onderworpen.”
„Welke zijn dan de winden, die naar uwe meening aan de pool de heerschende zijn, kapitein?”
„Ik kan op uwe vraag geen stellig antwoord geven, want de poolstreken zijn in dit opzicht nog weinig bestudeerd; wat ik met zekerheid weet, is dit, dat in de maand Januari in het zuidelijk gedeelte van den Atlantischen en den Stillen Oceaan de Noordwestenwinden de heerschende zijn. Ik erken, dat het voorkomen van een warmen luchtstroom op deze breedte mij eenigszins verwondert.”
„Zoudt ge niet denken, dat de lucht, terwijl zij van alle kanten naar de pool stroomt, een wervelwind kan veroorzaken?”
„Dat is zeer waarschijnlijk.”
„Dan hebben we de oplossing van het raadsel en tegelijkertijd aanwijzingen omtrent hetgeen ons te doen staat,” zeide Gromski, zich in de handen wrijvende. „De zaak is nog zoo erg niet. We bevinden ons blijkbaar in den wervelwind, die ons toch vroeger of later langs eene spiraalvormige lijn naar de pool zal brengen.”
„Dat is slechts eene vooronderstelling, Mijnheer! Ik raad u, daarop niet al te veel te bouwen.”
„Wat dan te doen?”
„Ja, wat te doen? Daarover moet ik eens nadenken.”
De ingenieur begreep dit heel goed. Men begon dus eene beraadslaging, waaraan de stuurman natuurlijk insgelijks mocht deelnemen. Na een nauwkeurig onderzoek van den toestand besloot men met eenparige stemmen, in de lagere luchtlagen af te dalen en aldaar een gunstigen wind op te zoeken.
Om drie uur greep de stuurman het handvatsel van de pomp en begon het ballonnetje met lucht te vullen. De barometer wees op dat oogenblik eene hoogte van 3900 meters aan, en de thermometer stond op 11 graden boven nul. De temperatuur van den warmen wind daalde aanmerkelijk.
Veel lager, vlak onder onze reizigers, bevond zich eene laag witte wolken, die, uit den ballon gezien, het voorkomen van een bord van aardewerk hadden. Hare aanwezigheid maakte Ford ongerust; want hij vooronderstelde, dat de luchtballon zich nu boven het groote vasteland van de Zuidpool bevond, dat zich tot aan den 62stengraad Zuiderbreedte uitstrekt. Het is 7 graden van kaap Hoorn verwijderd en heet naar dengene, die het heeft ontdekt, Palmer-land.
Verder naar het Zuiden heet dit vasteland Graham-land. Men beschouwt als zijne oostelijke kust Louis-Philippe-land, waarlangs Dumont d’Urville in 1840 stevende. Volgens de berekeningen van den kapitein had de ballon gedurende den korten vorigen nacht het Drieëenheid-land bereikt en zweefde sedert boven het vasteland.
Ford wilde dit geheimzinnige vasteland zoo spoedig mogelijk zien; hij wapende zich dus met zijn verrekijker en wachtte, totdat het ondoordringbare wolkengordijn zich zou ontsluiten voor den ballon, die langzaam daalde.
Om halfvier kwam het luchtschip in deze roomzee, diedoor den wind voortgestuwd werd. Onze reizigers bevonden zich eensklaps in een ijskouden en dichten dampkring, die het licht des daags schier geheel onderschepte.
„Br!” zeide James huiverende, „ik geloof, dat we in eene sneeuwwolk zijn.”
„Erger dan dat,” zei de ingenieur, „we zijn in eene ijswolk.”
De onderstelling van den ingenieur was volkomen juist. De thermometer daalde plotseling van 11 graden boven tot heel wat onder het nulpunt. De damp bevroor bij deze lage temperatuur spoedig. Na verloop van eenige oogenblikken zagen onze reizigers er als grijsaards uit; hunne haren, hunne snorren en hunne baarden waren geheel wit geworden. Een fijne ijzel bedekte alles: de machine, den stoomketel, het reservoir met benzine, den rand van het schuitje en zelfs de touwen. Gromski en zijn kameraad begonnen te hoesten; zeer kleine ijsnaaldjes drongen in hunne longen door en deden de luchtpijp op eene ondraaglijke manier aan. De stuurman begaf zich naar de machine, toen eene electrische vonk met een hevig gedruisch uit de buis kwam, die bestemd was om den stoom te geleiden, en hem pijnlijk aan de hand kwetste.
„Drommels! Die verwenschte wolk!” riep de zeeman uit, terwijl hij naar zijne gebrande hand keek.
Deze ontlading bewees, dat de wolken met electriciteit verzadigd waren—eene buitengewone omstandigheid op 73 graden breedte.
„James! Naar de pomp!” riep Gromski eensklaps uit. „Haast je! We vallen!”
De damp, die op het omhulsel van den ballon bevroor,had het gewicht daarvan ongetwijfeld doen toenemen, want de barometer steeg zeer snel. Op hetzelfde oogenblik was James bij de pomp, waar hij den kapitein reeds aantrof. Beiden grepen gelijktijdig het handvatsel daarvan.
De geheele omtrek was in eene schemering gehuld. De ijswolk, waardoor de ballon heenging, was zóó dicht, dat Ford het gezicht van den stuurman niet eens kon onderscheiden, ofschoon dit toch dicht in zijne nabijheid was. Gromski was genoodzaakt, zijn gezicht bijna op de plaat van den barometer te leggen om den wijzer te kunnen onderscheiden.
Vijf minuten nadat de ballon in de laag van ijswolken was gekomen, was de ballon 600 meters gedaald en bevond zich nu ternauwernood 1000 meters boven het oppervlak der zee. Zijne daling had met eene verontrustende snelheid plaats. Gromski zag wel in, dat de toestand gevaarlijk dreigde te worden; een onheilspellend gedruisch deed zich beneden hen hooren, gelijkende op het gebulder van den storm in de verte. Het oor van den kapitein herkende dit geluid terstond.
„’t Is de Oceaan,” riep hij uit.
Het geluid nam gedurig in hevigheid toe en liet er geen twijfel meer aan, of Ford had gelijk. De ingenieur raadpleegde nog eens den barometer, die eene hoogte van 600 meters aanwees, en zag de noodzakelijkheid in om zijne toevlucht tot den ballast te nemen. Hij haalde dus zijn mes uit den zak en sneed een zak van 8 kilogrammen los. Zijne ongerustheid nam nog toe, toen hij zag, dat de zak, in plaats van onder het schuitje te verdwijnen, eenige oogenblikken op dezelfde hoogte bleef zweven. Hieruit moestmen wel opmaken, dat de ballon met de snelheid van een zwaar lichaam daalde.
„Let wel op!” riep hij.
Maar op dit oogenblik kwam er plotseling eene opening in den ondoordringbaren mist, die den luchtballon als in eene laag van watten hulde, en nu bevonden onze reizigers zich in een zuiveren dampkring.
Onder het schuitje, op een afstand van nauwelijks eenige honderden meters, bulderde de Oceaan; op zijne donkere oppervlakte volgden kleine witte stipjes elkander op; dit was het schuim van de golven, die naar het Noordwesten rolden en aan den horizon met den bewolkten hemel ineensmolten. Deze golven werden al grooter en grooter en stegen met onstuimige vaart omhoog, alsof zij zich gereedmaakten om den vallenden luchtballon in haar schoot te verzwelgen.
Zonder verder na te denken, wierp de ingenieur nog een zak uit en na verloop van eenige oogenblikken een derden. Aldus van een gewicht van meer dan 30 kilogrammen bevrijd, bleef de ballon op dezelfde hoogte zweven en wel ongeveer 200 meters boven de woedende golven.
„Drommels!” riep James, die van vermoeidheid hijgde, „ge hebt den ballon op het juiste oogenblik gestuit; het heeft maar weinig gescheeld, of we hadden een zoutwaterbad genomen.”
De luchtballon zag er uit, alsof hij door eene laag van dons gegaan was: hij was geheel met fijne ijskristallen bedekt, die, na zich in groote hoeveelheid op het omhulsel vastgezet te hebben, hem eenige tientallen kilogrammen zwaarder maakten en lichtelijk een noodlottig voorval tengevolge hadden kunnen hebben. Maar hier, boven het oppervlak van den Oceaan, heerschte eene temperatuur van 7 graden Celsius boven het nulpunt; de ijzel begon dus te smelten en in droppels van het omhulsel van den ballon af te loopen, die nu al lichter en lichter werd. De ijswolken dreven, zooals men gemerkt had, omstreeks 1000 meters boven den Oceaan en vormden eene dichte massa, die zich aan den horizon verloor.
Toen de reizigers een weinig van hun schrik bekomen waren, begonnen zij over hun toestand na te denken. De beweging der golven maakte het hun mogelijk, zich omtrent de richting van den wind op de hoogte te stellen. Terwijl Ford de schuimende golven gadesloeg, bemerkte hij eensklaps, dat de ballon in eene noordwestelijke richting voortdreef.
De kapitein was uitstekend met den Oceaan bekend en las op zijne beweeglijke oppervlakte even gemakkelijk als in een groot boek.
„We gaan met eene snelheid van 30 knoopen,” zeide hij tegen den ingenieur.
„Hoe weet ge dat?” vroeg Gromski verwonderd. „De richting, die we volgen, is gemakkelijk uit de beweging der golven op te maken, maar de snelheid.…”
„Dat is heel eenvoudig,” antwoordde Ford. „Tel maar eens, hoevele malen een schuimende golf het schuitje gedurende eene minuut voorbijgaat, vermenigvuldig het gevonden getal met 300, en ge krijgt de betrekkelijke snelheid in meters, daar eene golf nooit langer is dan 300 meters.”
„Maar de beweging der golven?.…”
„Daarmee moet men natuurlijk rekening houden,” antwoordde Ford. „Ik weet bij ondervinding, dat de golven zichmet eene snelheid van 7 à 15 meters bewegen; als wij dus een gemiddelde van 10 meters aannemen, zullen wij niet ver van de waarheid af zijn. Uit zulk eene berekening volgt nu, dat de ballon 30 knoopen aflegt.”
„De lagere stroom gaat dus in eene geheel tegenovergestelde richting als de hoogere,” zeide Gromski. „We zouden dus met dien stroom gemakkelijk in 4 à 5 dagen naar Zuid-Amerika kunnen terugkeeren.”
„Neen, laat ons van die gelegenheid nog geen gebruik maken,” zeide Ford.
„Dan zou het misschien beter zijn, den ballon aan den spiraalvormigen stroom bloot te stellen.”
Ford schudde met het hoofd.
„We zullen dit slechts ingeval van nood doen. Laat ons eerst eens zien, of de wind, die er nu waait, in de lagere luchtlagen de heerschende is.”
„Ge raadt dus, nog wat te wachten?”
„Zeker. Op mijne reizen naar de Noordpool heb ik dikwijls plotselinge veranderingen in de richting der luchtlagen opgemerkt.”
„Welnu, het zij zoo! Laat ons dan ons anker uitwerpen!”
De zak met zand, die aan een stevig touw ter lengte van 200 meters bevestigd was, hing aan den buitenkant van het schuitje. De ingenieur haakte hem af en wierp hem in de golven. De ballon, die nu voor een oogenblik van een ballast van 10 kilogrammen bevrijd was, ging eensklaps in de hoogte; maar hij moest zeer spoedig weer evenveel dalen. De zak gleed langzaam op de golven neer, van de eene golf op de andere overspringende, evenalseen meeuw, die rust tracht te vinden; maar langzamerhand maakte de aanraking met de golven hem zwaarder; na omstreeks twintig malen op en neer gegaan te zijn, verdween hij eensklaps, vertoonde zich toen opnieuw, maar opgezwollen, evenals een visch, die aan den hengel gevangen is. De ballon trilde in zijn net, en de zak zonk eindelijk voorgoed in de diepte weg.
„Nu zitten we vast!” riep Gromski uit.