HOOFDSTUK VII.HET AFSCHEID.Na den terugkeer uit het rijk der Uitgeworpenen, begon Frommherz den omgang met zijne reisgenooten, meer en meer te beperken. Hij nam weliswaar nog aan de gemeenschappelijke maaltijden deel, maar trok zich verder, voor zoover dit ongemerkt te doen was, uit het gezelschap zijner vrienden terug. Op de avonden, die anders gewijd waren aan algemeene gesprekken en gedachtenwisseling over het schoone land Lumata, ging hij nu alleen wandelen, en genoot in stilte van de eigenaardige betoovering der heldere nachten. En hij zou weer weg moeten van hier, verdreven uit dit Eden, en weer moeten terugkeeren naar die koude aarde?!! Frommherz leed inderdaad onder die gedachte. De andere heeren waren te zeer bezig met zichzelf, om veel waarde te hechten, aan het zonderlinge gedrag van hun reisgenoot. Door Eran had Stiller aan het hoofdbestuur van den stam der Wijzen, te Angola, doen meedeelen, dat hij en zijn vrienden vast besloten waren naar de aarde terug tekeeren. Als datum van vertrek hadden zij den tweeden verjaardag van hun aankomst op Mars gekozen.Daarop was als antwoord eene uitnoodiging gevolgd om nogmaals naar Angola te komen. De ontvangst dáár liet aan hartelijkheid niets te wenschen over. Er werden feesten gegeven te hunner eer en ter viering van het naderende afscheid. Het beste en schoonste wat beeldende en uitbeeldende kunsten op Mars konden opleveren, werd bij deze feesten de bewoners der aarde te genieten gegeven, maar de schaduw van het afscheid van deze schoone planeet, begon reeds te drukken op de Zwaben, en was oorzaak, dat zij niet meer ten volle genoten van al het schoone en goede dat hun geboden werd.Het laatste middagmaal had plaats in de groote spiegelzaal van het paleis der Wijzen. Genoodigden van alle streken van Mars, en vertegenwoordigers van alle stammen waren daar verschenen.In het Westen begon het eeuwige licht, de zon, te dalen. De ontelbare spiegels in de zaal weerkaatsten, duizenden malen gebroken, hare zachte koesterende stralen. Het was in de zaal een en al licht, het was oogverblindend. Door de geopende vensters drong heerlijke bloemengeur naar binnen en de kronen der palmen daarbuiten wiegden zachtkens in den zoelen avondwind. Rustig en stil lag het donkerblauwe meer onder het groene bladerdak der boomen, waarin nog haastig een paar tsjilpende vogels heen en weervlogen, en de bloesems der lianen in heerlijke kleurenpracht schitterden.Zacht glooiende heuvelrijen, rood getint door de laatste stralen der ondergaande zon, omlijstten het heerlijke landschap, dat de bewoners der aarde voor de laatste maal aanschouwden. Deze waren het eerst de zaal binnengekomen, en stonden voor de hooge vensters in stomme bewondering van het prachtig tooneel daarbuiten.„Het afscheid wordt ons waarachtig moeilijk genoeg gemaakt,” zei Piller zacht tot Stiller, die naast hem stond. „Frommherz heeft gelijk. Is dit niet een land, dat met recht den naam van Paradijs zou kunnen dragen?”„Ongetwijfeld,” antwoordde Stiller, „het is een Eden, als geschapen voor bedroefden, voor menschen zonder vaderland, zooals wij voortaan zullen zijn.”„Zonder vaderland! Hoe meent ge dat, Stiller?”„Zonder vaderland, zeker!” hernam Stiller, en zijne lippen trilden zenuwachtig, toen hij na een oogenblik zwijgens voortging: „Gelooft ge dan, dat wij ons in ons vaderland weder zullen thuis voelen, nadat wij hier twee volle jaren hebben vertoefd, te midden eener heerlijk schoone natuur, in een land een Paradijs gelijk, onder fiere, vrije, edele menschen? Nooit! Vreemdelingen zullen wij zijn daar, waar wij zijn geboren, daar, waar wij vroeger hebben geleefd, gewerkt en gestreden voor onze overtuiging.”„Stiller, maak mij, als ’t u blieft, het afscheid niet heelemaal onmogelijk!”Piller moest zooals altijd, wanneer hij hevig ontroerd was, herhaalde malen zijn neus snuiten; toen ging hij naar de tafel, schonk zich een glas wijn in en dronk dat in één teug leeg.„Het zij verre van mij, u het afscheid onmogelijk te willen maken, want wij moeten vertrekken, maar”—en de oogen van den spreker schitterden bij deze woorden—„we zullen daar beneden op aarde zonder veel woorden te gebruiken, het zaad uitstrooien voor een toekomst, zooals wij die hierboven zoo heerlijk verwezenlijkt hebben aangetroffen.”Als teeken van instemming drukte Piller zijn collega stilzwijgend de hand.Langzamerhand vulde de zaal zich met genoodigden. Alle traden op de zonen der Aarde toe en schudden hen de hand.Nadat Anan was verschenen nam de maaltijd een aanvang. Naast de Oudsten der Ouden zaten de zeven Zwaben. De kroonlichten der zaal bestonden uit electrische lampen, die haar schitterend licht wierpen op de rijk versierde tafel en het groote feestelijk gestemde gezelschap. Beneden in de spiegelgalerij was een koor van zangers en muzikanten opgesteld, die gedurende den maaltijd verschillende nummers ten gehoore brachten. Toen de tafel was afgeloopen stond Anan op.„Mijne broeders en zusters,” aldus ving hij aan „de ure is gekomen waarop van Angola zalworden afscheid genomen. Onze gasten uit het verre Zwaben gaan daarheen terugkeeren. Mogen zij gelukkig en gezond hun vaderland weder bereiken! Zij zullen bij ons steeds in aangename herinnering blijven! Wij hebben besloten, om hunne namen in vergulde letters op marmeren gedenksteenen hier in deze zaal aan te brengen, met hunne beeltenissen, opdat onze nakomelingschap worde herinnerd aan hunne moedige reis hierheen en hun langdurig verblijf in ons midden, dat door geen wanklank werd verstoord. Verder hebben wij besloten om ter herinnering aan het verblijf van de eerste en laatste aardbewoners, de verschillende mededeelingen die zij ons omtrent het leven en streven der volkeren op aarde hebben gedaan, te boek te stellen, welk werk wij hier in ons tehuis eene eereplaats zullen geven. Behalve de namen van onze gasten zal dus ook datgene worden geboekstaafd wat zij ons in plechtige oogenblikken hebben verteld. Hiermede zal de herinnering aan hun bezoek tot in lengte van dagen, bij ons in eere worden gehouden.„En nu mijne waarde vrienden!”—bij deze woorden wendde Anan zich tot de zeven Zwaben, „voor U hebben wij eenige geschenken, ter herinnering aan ons en onze planeet, bestemd; voortbrengselen van de kunst en wetenschap van onze kinderen des Lichts.„Neem hetgeen daarginds op tafel ligt, mede, als een herinnering aan uw verblijf te onzent. Het bevat de ontwikkelings-geschiedenis van onsvolk. Met den algemeenen vooruitgang der beschaving en de grootere ontwikkeling van het zelfbewustzijn werd bij ons de wetgeving meer en meer vereenvoudigd. Zij is eigenlijk alleen gegrond op de stelling: „Doe niets wat gij niet wilt dat u gedaan zal worden.” Gij zult dus, wat dit betreft, in dit boek weinig meer vinden; want hoe grooter het aantal wetten, hoe minder zelfstandig een volk blijkt te zijn. Het boek bevat ook onze opvattingen over de natuurlijke moraal, de eeuwige onverwoestbare grondstelling die bij ons het werk der loutering heeft voltooid. Moge ook in dit opzicht uw gevaarvolle en moeilijke tocht naar ons ver verwijderd hemellichaam en uw verblijf te onzent rijke vruchten afwerpen!”Anan ging weer zitten.Een diepe stilte volgde op deze woorden van den grijsaard. Nu stond Stiller op. Op ontroerden toon dankte hij allereerst in naam zijner reisgenooten voor al het goede dat men hun hier had bewezen. Hij had hier eene mate van ontwikkeling aangetroffen waarvan hij vroeger had gedroomd, maar die hij in werkelijkheid niet voor mogelijk had gehouden. Hij en zijne vrienden hadden hier boven veel geleerd en waren van menige dwaling genezen geworden.„Zoo heb ik ook altijd gedacht dat de hoogere ontwikkeling der menschen niet mogelijk was zonder dat daaraan de moeilijke strijd om het bestaan was voorafgegaan en dat die bepaald noodzakelijk was om den mensch te reinigenen te louteren. Van die meening ben ik door hetgeen ik hierboven heb gezien, genezen geworden. De zware strijd is slechts het gevolg van lage zelfzucht, de ware naastenliefde tracht dien strijd te verzachten, en die liefde ontbreekt bij ons helaas nog in hooge mate!„Ook hierboven wordt een strijd gestreden, maar hoe hemelsbreed verschilt die van datgene wat men daaronder op aarde verstaat! Hier is ieder er op uit aan zijne evenmenschen en broeders, het beste te schenken wat hij te geven heeft en wat dienen kan tot bevordering van het welzijn van zijn evenmensch. Hier leeft ieder het groote gemeenschapsleven mede, omdat ieder zich een integreerend deel van die gemeenschap voelt, want gaat het den een goed dan komt het ten bate van ’t geheel. Lijdt daarentegen een der leden, dan lijdt ook de gemeenschap. En hoe gezond en krachtig is deze hier. Hoe ver daarentegen zijn wij op onze aarde nog verwijderd van deze levensidealen en levensopvattingen. Hoe klein zijn wij in vergelijking van u! En toch, eens moet en zal ’t ook op aarde anders en beter worden. Wij, die hier bij u hebben vertoefd, wij zullen, voor zoover ’t in ons vermogen ligt, het zaad uitstrooien van een schooner en reiner leven in de toekomst, zooals wij dat hier zoo heerlijk hebben leeren kennen. Onze reis hierheen was niet tevergeefs. Wat toch beduiden de vermoeienissen en gevaren, die wij hebben doorstaan, vergeleken bij al het reine, schooneen goede wat wij hier hebben mogen genieten. Wij aanvaarden onze thuisreis met een bezwaard hart, met het bewustzijn dat wij hier ons rijkste en schoonste stukje leven hebben doorgebracht, dat zoo oneindig rijk is aan heerlijke herinneringen. Moeder Aarde verlangt echter terug, wat haar toebehoort.„Nooit, tot onzen laatsten ademtocht, zullen wij vergeten, wat gij ons hebt gegeven, wat gij voor ons geweest zijt, en hoe gij ons hebt geëerd. Wanneer wij later, teruggekeerd in ons vaderland, in nachtelijke uren van uit de verte, uw Mars, uw Kind des Lichts,zien schitteren, dan zullen onze gedachten bij u verwijlen en met stillen weemoed zullen wij terugdenken aan dezen, den schoonsten tijd onzes levens!„Vaartwel, waarde vrienden! Vaart allen wel! Ik omhels Anan voor u allen en druk hem voor u allen den broederkus der Aardbewoners op het reine voorhoofd. Want broeders zijn wij allen, die zich „menschen” noemen, of zij hier boven dan wel op de aarde wonen.”Stiller’s woorden hadden op alle aanwezigen een diepen indruk gemaakt, en toen hij nu op Anan, den eerwaardigen grijsaard toetrad en hem den broederkus gaf, dreunde de zaal van luide bijvals-betuigingen.„Broeder, edele zoon van uw land,” antwoordde Anan, „heb dank voor hetgeen gij hebt gezegd. Ontvang ook van mij,—den ouden zoon van het Kind des Lichts, den broederkus, enkeer met uwe reisgenooten gelukkig huiswaarts. Met hen zult gij zegenrijk werkzaam zijn aan de volmaking der menschheid, dat weet ik! Mijne oogen zullen zich weldra sluiten, in dien slaap waarop geen ontwaken meer volgt, maar zoolang ik nog leef, zal ik met vreugde terugdenken aan de uren, die ik met u in ons Angola heb doorgebracht!”Eenige dagen na het roerend afscheid te Angola, waren de Zwaben weer in Lumata terug. Stiller was druk met den ballon bezig, waarbij hij door de Marsieten trouw werd geholpen. Door de inmiddels opgedane ervaring, was het hem mogelijk al de tekortkomingen en gebreken waarmede zij op de heenreis te kampen hadden gehad, op afdoende wijze te voorzien. Hij bereidde er zich op voor, dat de terugreis geruimen tijd zou duren, in weerwil van de sterke magnetische aantrekkingskracht van de aarde, die tweemaal zoo groot was als die van Mars.Sedert de opstijging van de Cannstatter weide op den bewusten Decemberavond, was nu nagenoeg twee en een half jaar verloopen. Mars had zich intusschen vele millioenen kilometers van de aarde verwijderd, zoodat de afstand tusschen deze beide planeten, nagenoeg tweemaal zoo groot was als bij de afreis. Stiller berekende dat zij volgens de gewone tijdrekening, minstens vijf volle maanden in de gondel zouden moeten verblijven, en dan nog altijd in de veronderstelling, dat geen enkele onvoorziene omstandigheid, devaart van den Argonaut zoude belemmeren. Maar nu hij en zijn tochtgenooten, in een tamelijk bevredigenden gezondheidstoestand en zonder noemenswaardigen tegenspoed op Mars waren aangekomen, waarom zou dan op stuk van zaken, de terugtocht niet even goed afloopen. Weliswaar zag de anders zoo moedige man eenigszins op, tegen den vermoedelijk langen duur der terugreis. Vijf volle maanden in de gondel te moeten doorbrengen, en zich allerlei daarmede verbondene ontberingen te moeten getroosten, zooals gebrek aan daglicht en behoorlijke lichaamsbeweging, was wel iets wat zelfs den dappersten den moed zou kunnen benemen.Stiller schudde echter al die sombere gedachten met kracht van zich af en verheugde zich over de inderdaad buitengewoon groote technische kennis van den stam der Uitvinders, die niet alleen tot vulling van den ballon een gas bereidden, dat geheel overeen kwam met het Argonauton, maar ook de kunst verstonden, om op inderdaad meesterlijke wijze allerlei voedingsmiddelen voor de reis te conserveeren.Aan electrische kracht, gecomprimeerde lucht, die reeds sedert onheugelijke tijden bij de Uitvinders bekend waren, was evenmin gebrek, en de Argonaut voerde van deze kracht en deze middelen van bestaan een geheel anderen voorraad mee dan toen hij opsteeg.Zonder gedruisch, zonder eenige verdrietelijkheid was de ballon in elkaar gezet. Wat stak diemanier van werken gunstig af bij die van twee jaar geleden, op de Cannstatter-weide!Dank zij de hooge ontwikkeling en de bereidwilligheid der Uitvinders, was de Argonaut zóó voortreffelijk in orde, dat de gevaarlijke reis ieder oogenblik kon worden ondernomen. Stiller achtte zich verplicht zijne reisgenooten op de hoogte te houden van het verloop der werkzaamheden. Hij verzweeg zijne vrienden ook den vermoedelijken duur der reis niet.Eerst waren de collega’s wel eenigszins geschrikt bij het denkbeeld zóó lang in de gondel te moeten vertoeven, doch zij hadden zich er al spoedig overheen gezet en gingen met moed en vertrouwen de toekomst tegemoet. Alleen Frommherz zeide niets. Stil, in zich zelf gekeerd liep hij rond, terwijl de andere heeren bezig waren hunne weinige bezittingen te pakken en naar de gondel te brengen.De Argonaut was uit de loods te voorschijn gehaald, en lag zacht wiegelend voor anker op de plaats, waar hij eens was neergedaald.De laatste dag van het verblijf op Mars, was maar al te spoedig aangebroken. Den volgenden morgen, in alle vroegte, zou men van Lumata vertrekken.Eran, de gastvrije, eerwaardige grijsaard, had er op aangedrongen zijne gasten een schitterend afscheidsmaal aan te bieden, waarvan de plechtigheid en het genot werden verhoogd, door de harpspelers en zangers van Lumata.Iedereen was op de been, nergens werd gewerkt. De vriendelijke Zwaben hadden zich overal bemind weten te maken en er was niemand, die het heengaan der dappere mannen niet oprecht betreurde. Maar zij hadden daar beneden op aarde vaders, moeders, broeders en zusters en daarom scheen hun terugkeer den Marsieten, bij wie het familie- en gemeenschapsgevoel zoo sterk was ontwikkeld, niet meer dan plicht.HOOFDSTUK VIII.EEN AFVALLIGE.Gedurende den maaltijd en bij de over het algemeen zenuwachtige stemming, was het niemand opgevallen, dat Frommherz verdween. Toen de tafel was afgeloopen, wat eerst gebeurde toen het alweer begon te dagen, en de aardbewoners opstonden met het plan Eran’s huis, dat hen twee jaar lang had geherbergd, voor goed te verlaten, miste men den vriend. Men zocht hem overal maar vond hem niet. Eindelijk ontdekte men een brief, die in zijn kamer op de tafel lag en geadresseerd was: „Aan mijne vrienden en reisgenooten.”Stiller opende het schrijven en las den inhoud snel door. „Wij hebben helaas met een afvallige te doen,” zeide hij tot zijne vrienden. „Hoor maar wat Frommherz schrijft. Maar laten wij eerst gaan zitten, en daarna beraadslagen wat ons te doen staat.”De heeren voldeden aan dit verzoek en Stiller verzocht Eran en de overige Marsieten met het oog op de afwezigheid van den zevenden reisgenooteen oogenblik geduld te hebben, waarop Eran en zijne vrienden zich terugtrokken en de heeren alleen lieten.„Voor den drommel, ik dacht het wel zoo half en half, dat Frommherz uit het vendel loopen zou,” begon Piller boos. „Toe, Stiller, lees ons dien brief eens voor!”„Vergeef mij, waarde vrienden en tochtgenooten, dat ik u een smartelijke teleurstelling bereid. Ik kan het niet over mij verkrijgen, met u naar de aarde, naar ons vaderland terug te keeren. Ik heb een zwaren strijd gestreden, ik kan Mars niet verlaten, het zou mijn dood zijn, en dien wenscht gij toch niet. Ik heb hierboven alles verwezenlijkt gevonden, waarvan ik daar beneden had gedroomd, en waarnaar ik had gesmacht. En nu zou ik dat Eden verlaten en weer terugkeeren tot die bekrompen levensopvattingen, tot al die onoprechtheid en leugen, terwijl ik zoo langen tijd in het licht der ware reinheid heb geleefd? Neen, ik kan het niet! En heeft niet de eerwaardige Eran het ten slotte aan onze vrije keus gelaten, of wij al dan niet hierboven wilden blijven? Welnu, dan zal ik van zijn vergunning gebruik maken, en u alleen laten vertrekken.„Ik weet, dat ik u krenk met dit besluit, maar werkelijk, ik kan niet anders handelen. Oordeel niet te streng over mij, vergeef mij, en gedenk mijner in liefde. Ik blijf vrijwillig hier boven. U treft dus geen verantwoordelijkheid, dat gij alleen, zonder mij, naar het vaderland terugkeert.Moogt gij het gelukkig weer bereiken! Dat is mijn innige en oprechte wensch. Breng mijn groet over aan Tübingen, aan Zwaben en aan mijne bloedverwanten! Zeg hun, dat ik mij hier boven overgelukkig voel, als ware ik in het Paradijs, en dat ik daarom niet terugkeer naar de aarde met al haar lijden en strijd. Doe geen moeite om mij te zoeken, gij zoudt mij toch niet vinden in mijne veilige schuilplaats, waar ik blijven zal tot gij zult zijn vertrokken. Vaartwel!Ikzal uwer steeds in vriendschap blijven gedenken!”Fridolin Frommherz.Nadat Stiller dezen brief had voorgelezen, heerschte er gedurende eenige oogenblikken een somber stilzwijgen.„Wat een ellendige spelbreker,” begon Dubelmeier te mopperen, „nu begrijp ik in eens, waarom hij zich de laatste weken zoo zonderling heeft gedragen.”„Wij zijn geblameerd, voor altijd geblameerd!” riep Piller, „wat moet men wel van ons denken!”„Laten wij Eran opdragen om Frommherz te zoeken, die vindt den deserteur zeker,” raadde Hämmerle.„Daar zou ik sterk voor zijn,” voegde Thudium er aan toe.„Het gaat toch niet aan, dat wij Frommherz hier achter laten. Of wij blijven allen hier, òf wijkeeren gezamenlijk terug. Dat is duidelijk,” liet Brummhuber er op volgen.„Mijn waarde vrienden, luister eens even naar mij,” begon Stiller, en trachtte zijne opgewonden reisgenooten te kalmeeren. „Ik begrijp en billijk volkomen uwe ontsteltenis over het gedrag van Frommherz, en ik ben het daar volkomen mede eens, maar wij hebben niet het minste recht, om hem onzen wil op te dringen. Hij is destijds vrijwillig meegegaan, en kan nu ook vrijwillig achterblijven. Hij had echter open en eerlijk kunnen handelen, dat is echter iets, wat hij met zijn eigen geweten moet uitmaken. Laten wij de zaak nemen, zooals zij nu eenmaal is. Op den indruk en de herinnering, die wij persoonlijk gemaakt hebben, heeft het blijven van Frommherz niet den minsten invloed. Integendeel wij zijn gebleven waarvoor men ons hield. Frommherz zal het in deze omstandigheden en bij de strenge moraalbegrippen der Marsieten niet gemakkelijk hebben te verantwoorden. Laten wij dus zonder hem vertrekken, ik raad u dit, ook met het oog op hem. Gaanwijsoms met een verlicht hart huiswaarts?”„Neen, zeker niet!” klonk het uit vijf monden.„Welnu, dan zullen wij de positie, waarin onze Frommherz zich vrijwillig heeft gebracht, ten minste zoo goed mogelijk trachten te maken; wij zullen den achterblijver aanbevelen in de vriendschap en welwillendheid van onzen goeden eerwaardigen Eran.”„Dat ontbreekt er nog maar aan,” stoof Piller op.„Waarom niet?”„Ik begrijp u eenvoudig niet, Stiller!”„Nu, laat mij dan rustig uitspreken. Onder het lezen van Frommherz’ brief, kwam het mij zoo in de gedachte, dat het best mogelijk kon zijn, dat onze vriend na ons vertrek, tot straf voor zijn eigenmachtig achterblijven, en daardoor gebleken gemis aan solidariteitsgevoel, naar het land der Uitgeworpenen zou worden verbannen.”„Dan had hij niet meer dan hem toekwam,” bracht Brummhuber in het midden.„Maar juist dat wilde ik hem besparen. Ik zou wenschen dat hij hier onder dezelfde omstandigheden zou kunnen voortleven. Dit bewustzijn doet ons later, met reine gevoelens aan onzen achtergebleven vriend terugdenken, en werpt dan geen schaduw op de herinnering aan ons heerlijk verblijf hierboven. Ik verzoek u daarom vriendelijk, laat mij mijn gang gaan; ik zal straks met Eran spreken, en trachten deze onaangename zaak zoo goed mogelijk met hem in orde te brengen.”„Stiller, gij maakt ons beschaamd, gij zijt een brave kerel, de beste van ons!” Piller snoot bij deze woorden met kracht zijn neus.„Volstrekt niet, maar ik ben niet te vergeefs hier geweest onder deze menschen, die zoo hoog staan in hun handel en wandel. Gij ziet dat ik van hen wat heb geleerd.”„Als een van ons het blijven hier waard was, dan zijt gij het, Stiller!” riep Hämmerle vol geestdrift uit.„Och, houd toch op!” sprak Stiller afwerend. „En nu ga ik naar Eran.”Zonder het minste teeken van verbazing of zonder een woord van verwondering, hoorde de eerbiedwaardige oude, Stiller aan.„Ook ik vind, dat gij er wel aan doet, uwen broeder niet te dwingen, de terugreis mede te maken. Ieder mensch heeft tot zekere hoogte het recht om over zichzelf te beschikken. Maar dat recht neemt niet weg, dat ik de manier, waarop uw voortvluchtige broeder zijn hierblijven wil doorzetten, niet kan billijken. Laat hem echter gerust hier, en keer met uwe andere tochtgenooten naar de aarde terug. Wij zullen met Fridolin niet al te scherp in het gericht treden.”„Daaromtrent wilde ik gaarne eerst gerustgesteld worden, eerwaarde Eran.”„Heb daarover geen zorg! Wanneer hij na uw vertrek te voorschijn komt, dan zal ik zelf hem naar Angola brengen en bij Anan een goed woord voor hem doen. Maar een kleine straf moet hij hebben. Ik heb reeds over den aard daarvan nagedacht.”„En waarin zal die bestaan?” vroeg Stiller die nieuwsgierig geworden was.„Fridolin moet voor ons een woordenboek van uw taal samenstellen. Gij hebt ons tot aandenken eenige werken van uwe grootste vaderlandschedichters geschonken. Welnu, wij wenschen deze werken in het oorspronkelijke te lezen, om ons eene heldere voorstelling van uwe meesters te kunnen maken. Daarvoor hebben wij een woordenboek noodig.”„Nu, tegen deze straf heb ik niets in te brengen, en ik ben overtuigd, dat Fridolin zich van die opdracht tot uwe tevredenheid zal kwijten.”Daarmede was de zaak Frommherz afgeloopen. Stiller deelde het resultaat zijner bespreking aan zijne vrienden mee, en de heeren prezen opnieuw de goedheid en zachtmoedigheid van Eran, den waardigen patriarch.Volgens de gewone tijdrekening, die Stiller ook op Mars had bijgehouden en waarbij hij rekening hield met het verschil in omloopstijd om de zon van Mars en van de aarde, was het nu den 7en Maart geworden, en daarmede de dag van vertrek aangebroken.Eran had er op gestaan, de zes zonen der Aarde tot aan den Argonaut te vergezellen. Ook de geheele volwassen bevolking van Lumata ging mee. Een ernstig stilzwijgen der geheele menigte, gaf uitdrukking aan de oprecht gemeende smart over de op handen zijnde scheiding. Zonder een woord te spreken gingen zij naar de weide, waar de Argonaut wiegelde in het heldere, reine licht van den aanbrekenden dag.„Laten wij kort en spoedig afscheid nemen, en dit niet met vele woorden nog moeilijker maken,” zeide Eran, terwijl hij van de Zwabeneen voor een afscheid nam. „Moge uw terugreis gelukkig zijn, en gij behouden weer in uw vaderland aankomen!”Nog een handdruk, een vriendelijk gewuif naar alle kanten, en de moedige luchtreizigers klommen in de gondel. De touwen werden gekapt en langzaam en statig, begroet door de eerste stralen der opgaande zon, begon de ballon te stijgen.Daar kwam Fridolin Frommherz hard aangeloopen; de menigte maakte hem ruimbaan.„Vaartwel, vrienden!” riep hij met luider stemme. „Nogmaals: vergeef mij, dat ik blijf, en niet met u terugkeer. Gelukkige reis en mijne hartelijke groeten aan mijn dierbaar vaderland.”Maar de heeren in de gondel, hoorden slechts nog zwak, wat Frommherz hun nariep. Antwoorden konden zij niet meer. In steeds sneller vaart verwijderde de Argonaut zich van de wonderschoone planeet, en zweefde weldra weder in het donkere koude luchtruim.HOOFDSTUK IX.WEDER OP AARDE.Ook te Stuttgart was, sedert het opzienbarend vertrek der zeven Zwaben, de tijd niet blijven stilstaan. Waar of die landslui, die waaghalzen, wel zijn mochten? Zouden zij werkelijk Mars hebben bereikt? Misschien waren zij in het geheel niet op deze planeet beland, maar neergedaald op een der talrijke planetoïden; misschien ook was de geheele expeditie verongelukt en waren de ongelukkige natuurvorschers voor altijd in het onmetelijk wereldruim verdwenen. Deze laatste meening werd vrijwel algemeen gedeeld en voor waar aangenomen.Na de opstijging van den Argonaut werd aanvankelijk te Stuttgart nog veel en levendig over die reis der natuurvorschers geredeneerd en allerlei vragen geopperd; langzamerhand echter verflauwde de levendige belangstelling in de Marsexpeditie. Nieuwe vragen des tijds, meer actueele gebeurtenissen hadden zich voorgedaan, en verdrongen eindelijk de herinnering aan de sprookjesachtige onderneming.Plotseling, als een bliksemstraal uit helderen hemel, ontving men op zekeren Septemberdag te Stuttgart het bericht, dat de heeren professoren, die voor ongeveer drie jaar van de Cannstatterweide waren opgestegen, op een van de eilanden der Zuidzee waren neergedaald en wel met den Argonaut.In het eerste oogenblik wilde niemand aan dit bericht geloof hechten, en hield men het voor een zeer misplaatste grap. Toen het echter verscheen in het „Staatsblad voor het Koninkrijk Wurtemberg” en door duizenden extra bladen werd verspreid, werd zelfs de meest hardnekkige twijfelaar van de waarheid van dit bericht overtuigd.Een telegrafisch bericht luidde lakoniek kort:Matupi, 31 Aug. ’s nachts.Argonaut van Mars terug, hier neergedaald. Stiller, Piller, Brummhuber, Hämmerle, Dubelmeier, Thudium.—Betrekkelijk welvarend.w. g. Districtshoofd.In de eerste groote verrassing viel het in het geheel niet op, dat er in het telegram slechts van zes personen sprake was. Eerst langzamerhand begon men er aan te denken, dat toch nog een zevende aan de expeditie had deelgenomen. De conclusie was spoedig gemaakt. Frommherz was ongetwijfeld gedurende de reis gestorven.Met het grootste ongeduld zag men in Zwaben,in Duitschland, ja in de geheele beschaafde wereld, nadere berichten te gemoet. Welke belangrijke mededeelingen, kon men van de reeds verloren gewaande natuurvorschers verwachten!De eerste tijd na het vertrek van Mars, ging vrij dragelijk voor de bezoekers der planeet voorbij. Zooals Stiller reeds had uitgemaakt, was de Argonaut in de goede richting en ondervond den invloed van de aantrekkingskracht der aarde. De reis stelde weer hooge eischen aan de heeren met betrekking tot hunne gezondheid, geduld en volharding. Maanden waren sedert verloopen en het einddoel van de reis, de aarde, was nog maar altijd niet in het zicht. De stakkerds voelden zich hoe langer hoe meer uitgeput, en benijdden in stilte vaak den achtergebleven Frommherz. Maar eindelijk moet toch, zelfs na den langsten en donkersten nacht, de dag weer gloren!Het liep tegen het einde van Augustus. Reeds meer dan vijf maanden bewoog de Argonaut zich door het aetherruim, en Stiller verwachtte iederen dag met het luchtschip in den dampkring der aarde te komen. Juist, een flauwe schemering kondigde de nabijheid daarvan aan!Evenals vroeger bij het naderen van Mars, in een oogwenk de herinnering aan alle, gedurende de reis, doorgestane ellende was verdwenen, werd dit ook nu het geval.Toen Stiller zijne tochtgenooten meedeelde, dat zij zoo even in den dampkring der aardewaren gekomen, en waarschijnlijk nog heden ergens op den aardbol landen zouden, wanneer zijne vrienden er ten minste niet de voorkeur aan gaven dadelijk door te reizen naar Duitschland, werd er in de gondel luide gejubeld.Vergeten was plotseling alle kommer en ellende, alle lichamelijk ongemak.„Waar of het ook wezen moge, dalen en uit deze vervloekte kast,” riep Piller. „Wij zijn nu waarachtig lang genoeg opgesloten geweest!”„Piller heeft gelijk,” zei Thudium.„Geen uur langer dan bepaald noodzakelijk is, blijf ik in deze afschuwelijke kooi,” verklaarde Hämmerle, en Dubelmeier en Brummhuber waren het volkomen met hem eens.„Wanneer het zóó met u gesteld is, landen wij maar waar we kunnen,” antwoordde Stiller, kalm als altijd. „Wij moeten er echter voor zorgen, dat wij in eene beschaafde streek dalen, en niet bij vergissing in den vollen Oceaan terechtkomen.”„Daarvoor moet gij maar zorgen, Stiller,” zeide Piller. „En nu, vrienden, laten wij met dien heerlijken Marswijn drinken op onze gelukkig volbrachte reis. Het is mij eene ware vreugde, mijn goede Dubelmeier, dat ik u gedurende dezen tocht van Saulus tot Paulus heb gemaakt, en u wijn heb leeren drinken in plaats van water. Prosit!”Terwijl de overige heeren de bokaal, een prachtig kunststuk der Marsieten, dat men hunte Angola ten geschenke had gegeven, lieten rondgaan, had Stiller het ventiel van den ballon een weinig geopend en een der vensters van de gondel ontsloten. De Argonaut daalde snel.„Wanneer ik mij niet bedrieg, dan zweven wij op het oogenblik boven de oostkust van Australië,” zeide Stiller, nadat hij een blik door het venster had geworpen. „Wij zullen bij Brisbane in Queensland landen.”„Prachtig, Stiller, oude jongen! Prosit! Daar zullen wij eens op drinken.” Piller wilde juist zijn collega de bokaal met wijn toereiken toen de gondel plotseling een hevigen windstoot kreeg die haar met ballon en al deed ronddraaien. De bokaal viel op den bodem, en de heeren zelf moesten zich aan de meest nabijzijnde vaste voorwerpen vastklemmen, wilden zij niet als ballen door elkander rollen.„Wij zijn op het laatste oogenblik in een cycloon terecht gekomen, zooals hier in de buurt dikwijls voorkomen,” riep Stiller zijne verschrikte reisgenooten toe. „Nu komt het er vooral op aan moed te houden. Wij zijn nu aan het blinde toeval overgeleverd.”Gedurende de eerstvolgende angstige uren woedde de orkaan in onverminderde hevigheid en kracht. De wind blies huilend door het opene geheel vernielde venster van de gondel, en deed daarbinnen alles wat niet bevestigd was, door elkander waaien. Het was bij het vreeselijk loeien van den orkaan niet mogelijk een woord te wisselen.Voor meerdere zekerheid moesten die in de gondel waren, zich op den bodem neerleggen.Hulpeloos dreef de ballon waar de stormwind hem joeg. Het was een tragisch lot, dat in het laatste oogenblik der reis, zoo kort voor de landing op aarde, de reizigers trof; en daarbij bestond nog het groote gevaar, dat de Argonaut naar zee gedreven zou worden en de expeditie na de ongehoorde reis naar en van Mars, tot dusver zoo gelukkig te hebben volbracht, tenslotte toch nog zou verdrinken.De zes mannen waren van treurige, sombere gedachten vervuld. Verscheidene uren verliepen. De dag die onder zulke heerlijke voorteekenen was begonnen, liep ten einde.De storm scheen te bedaren, mogelijk ook was de Argonaut buiten den maalstroom van den wervelwind geslingerd. In elk geval, de dolle vaart door de lucht verminderde merkbaar en de heeren konden eindelijk uit hunne minder aangename positie opstaan en naar buiten kijken. Tot hunne vreugde bemerkten zij, dat de ballon dreef naar den kant van een grooten inham, met een bosch van groene kokospalmen tot achtergrond en omzoomd door vriendelijke kleine huizen.Fluks opende Stiller het ventiel van den Argonaut, toen deze juist boven het palmbosch zweefde. Met volle zwaarte viel de ballon op de hooge palmboomen neer, die krakend braken. In het wit gekleede mannen snelden toe, gevolgd door bijna naakte donkere gestalten, de inboorlingen,die schreeuwend en gesticuleerend rondom de open plek stonden, die de Argonaut in het palmbosch zich had gemaakt. Uit de gondel vernam men de stemmen der reizigers.„Dat schijnen wel Duitschers te zijn!” riep een der mannen, eene slanke gestalte met blonden baard en blauwe oogen.„Ja, dat zijn wij!” riep Stiller uit de gondel. „Wees zoo goed en help mij den ballon vastmaken. Hier is het touw met het anker.”„Met genoegen,” antwoordde de heer, „hier jongens, helpt eens een handje, maakt dat anker vast!” Met deze woorden, wendde hij zich tot de rondom staande zwartjes, en weldra lag de zwaar toegetakelde Argonaut geankerd in het palmenwoud.„Waar zijn wij?” vroeg Piller uit het gondelvenster.„Op Duitschen bodem!”„Sedert wanneer groeien er palmen in het Duitsche Rijk?”„Sedert wij koloniën hebben,” was het lachende antwoord. „Gij zijt in den Bismarck archipel op Matupi.”„Zoo, dus op eene Duitsche bezitting! Nu dàt noem ik nog eens geluk bij een ongeluk!” lachte Brummhuber.„Ja, het scheelde werkelijk niet veel, of wij waren verdronken,” merkte Dubelmeier op.„Nu, dan waart ge in uw element, het water,” schertste Piller.„Komt, vrienden, stapt uit; wij zijn eindelijk op vasten bodem,” sprak Stiller.Toen de heeren uitgestapt waren, stelde de behulpzame blanke zich voor, als Sebastiaan Scheufele uit Cannstatt-Stuttgart, sedert drie jaren keizerlijk districtshoofd op Matupi.„Wij zijn ook Zwaben,” zeide Stiller lachend, „wij zijn professoren aan de universiteit te Tübingen en indertijd met onzen ballon van de Cannstatterweide opgestegen. Zwaben schijnt men overal in de wereld toch te vinden! Mocht ge nog eens ooit van uw leven op Mars komen, dan zult gij zelfs dáár een landsman aantreffen!”Het districtshoofd keek den spreker eenigszins verbaasd aan, alsof hij hem niet goed begrepen had.„Gij komt dus met uw ballon uit Cannstatt?”„Direct, neen, indirect ja. Direct komen wij van Mars. Hebt gij nooit van de expeditie van Mars gehoord? Het is trouwens ook al ongeveer 2¾ jaar geleden dat wij van de Cannstatterweide opstegen.”„Ah, ja, nu herinner ik mij, dat ik in het Zwabensch Handelsblad wel iets over die vreemdsoortige reis heb gelezen. En—gij zijt dus werkelijk die zeven Zwaben? Maar ik zie er maar zes....”„O, gij bekrompen aardbewoners,” viel Piller den twijfelaar in de rede, gelooft gij werkelijk dat zes eerwaardige Zwabensche professoren u wat leugens op den mouw zullen spelden? Wijzijn de zeven Zwaben, die naar Mars gingen. Wij zijn twee jaar daarboven geweest, en komen met ons zessen terug, omdat de zevende daarginds verkoos te blijven. Begrijpt gij het nu eindelijk, man, of moet ik u nog andere tastelijke bewijzen geven, dat wij diegenen zijn, waarvoor wij ons uitgeven? Overigens is mijn naam Paracelsus Piller.”„Neen, neen,” riep Scheufele uit, „neem me niet kwalijk, ik geloof u op uw woord, ik was alleen maar wat in de war, en geheel van streek door wat ik gehoord had.”„Nu, wij willen het u gaarne vergeven, onder voorwaarde, dat gij ons, die sedert een half jaar geen warme soep hebben geproefd, een lekker warm maal met goeden wijn voorzet.”„Maar natuurlijk, zeker, met het grootste genoegen! Komt mee, heeren, als ’t u blieft!”„Het loopen valt ons wat moeilijk, onze ledematen zijn tamelijk stijf geworden,” deelde Stiller aan het districtshoofd mede, toen hij eenigszins ongelukkig naast hem voortstrompelde. „Wij zijn den 7en Maart van daarboven vertrokken, en als ik mij niet vergis, hebben wij nu 31 Augustus. We zijn dus ongeveer 6 maanden in de gondel geweest, een langen bangen tijd!”„Wat ben ik er trotsch op, dat gij juist hier bij ons moest landen!”„Het heeft maar een haar gescheeld, of wij waren nog op het laatste oogenblik verongelukt, en niemand had dan ooit iets van ons wedervarenop Mars vernomen. Maar ik geloof dat we hier zijn, waar we wezen moeten.”„Gaat binnen, heeren, in mijn huis, beschouwt het alles als het uwe en laat mij de eerste zijn, die u de moedigste reizigers, die ooit hebben geleefd, op Duitschen bodem welkom heet. Duidt het mij niet ten kwade, dat ik eerst nu, dien beleefdheidsvorm in acht neem, maar ik was door uwe verrassende verschijning geheel verbluft.”Scheufele schudde ieder der professoren hartelijk de hand, en stelde hun de overige heeren voor, die allen, de van den hemel nedergedaalde gasten met de meeste hoogachting begroetten.De luchtreizigers ontdeden zich allereerst van hunne pelzen en maakten daarna gaarne gebruik van het aanbod van hun gastheer, om hunne Zware reiskleeding tegen lichte, witte tropencostuums te verwisselen, die hij in een aangrenzend vertrek had doen klaar leggen. Weldra waren zij hiermee gereed, en lagen de heeren in hunne luchtige kleederdracht in schommelstoelen onder de waranda.Daarbuiten viel de regen in stroomen neer, en het kletterend geluid op het dak verhoogde het gevoel van behagelijke huiselijkheid.Scheufele zorgde intusschen voor eene hartsterking, en de zwarte bedienden, die zonder geruisch te maken rondliepen, schonken champagne.„Morgen moet gij onzen Marswijn eens proeven,” zeide Piller tot Scheufele, toen hij zijnglas in één teug ledigde en het ten tweede maal liet vullen.„Wat, hebt gij zelfs wijn van daarboven medegebracht?” vroeg Scheufele verwonderd.„En wat goeden!” hernam Piller. „Zelfs mijn anders alleen waterdrinkende collega hier, professor Dubelmeier, was er niet tegen bestand, en is voor de verzoeking bezweken!”„Gedwongen door de omstandigheden,” bracht Dubelmeier er tegen in.„Daarover zullen wij maar niet kibbelen, Dubelmeiertje, laten wij liever eens klinken en drinken op Zwaben en het Duitsche vaderland.”„En nu, een hiep, hiep, hoera! voor onze hoogvereerde gasten,” zeide Scheufele tot de beambten van Matupi. Nadat het hoera-geroep was verstomd, werd aangekondigd dat de maaltijd gereed was, en begaf het gezelschap zich naar de eetkamer.De heeren tastten met grooten eetlust toe, en weldra was het onderhoud levendig en algemeen.„Ik zal uw aankomst dadelijk naar Stuttgart telegrafeeren; wat een groote verrassing zal dat bericht daar in het lieve vaderland zijn!” zei Scheufele.„Ja, doe dat,” hernam Stiller. „Ik denk dat wij per extra gelegenheid naar Duitschland zullen terugkeeren.”„Wij hebben hier een veertiendaagsche stoomvaart op Singapore, en vandaar kunt gij natuurlijkaltijd verbinding krijgen met Europa. Ik ben blij, dat de laatste boot verleden week juist vertrokken is, zoodat gij nog zeven volle dagen onze welkome gasten zijn moet,” zei Scheufele lachend. „Gij zult op uw reis en daarboven wel veel wonderlijks hebben beleefd en gezien?”„Daarover zullen wij een paar boeken uitgeven,want onze berichten zullen deelen vullen,” antwoordde Stiller.„En dat werk zullen wij u later zenden, als bewijs van dankbaarheid voor uwe gastvrije ontvangst,” liet Piller er op volgen. „Want wanneer wij alles wat we hebben beleefd u mondeling moesten meedeelen, zouden wij nog menige stoomboot moeten laten voorbijgaan; en dat gaat niet! Wij verlangen er veel te hard naar, om nu eindelijk thuis te komen.”„Dat kan ik mij levendig voorstellen, gij zult wel allerlei interessante dingen van Mars hebben meegebracht.”„Zeker, morgen zullen wij u het een en ander laten zien, en daaruit zult gij dan kunnen opmaken, op welken hoogen trap van beschaving de bewoners van die prachtige planeet staan; die in zich het meest verheven begrip van „mensch zijn” verwezenlijken,” antwoordde Stiller. „Wij zouden echter niet graag voor de tweede maal die reis maken; niet alleen is zij vol gevaren, maar ook ontzettend vermoeiend. Het was niet onze eigen verdienste, maar louter toeval, dat wij de reis heen en weer door het luchtruimonder betrekkelijk gunstige omstandigheden konden volbrengen. En toen wij van morgen juist over Queensland zweefden, en voornemens waren op Brisbane aan te sturen, overviel ons plotseling de orkaan en dreef ons hierheen.”„Het is zeker zeer te betreuren dat gij tot besluit van uw buitengewone reis nog in een cycloon terecht moest komen. Zooals ik hoorde, heeft de storm op andere eilanden van den archipel zwaar gewoed. Maar ik ben dien wervelwind toch dankbaar dat hij u, de beroemde zonen van Zwaben, hierheen heeft gedreven!”„O gij vleier!” zei Piller tot Scheufele. „Maar nu zouden wij u toch oprecht dankbaar zijn, wanneer gij ons een bed wildet wijzen, want dat hebben wij langen tijd moeten ontberen.”De reizigers werden nu bij de verschillende beambten te Matupi onder dak gebracht, en weldra lagen zij allen in een diepen, rustigen slaap.Nog dienzelfden avond verzond Scheufele het telegram naar Stuttgart.Toen de reizigers zich den volgenden morgen door een bad in het frissche water van de golf hadden verkwikt, kwam er reeds antwoord uit Stuttgart. Zoowel het stedelijke-, als het Staatsbestuur heetten de reizigers van harte welkom op aarde, en verzochten tevens om bericht betreffende den heer Frommherz, daar van hem geen melding was gemaakt op de lijst der teruggekeerden.„Frommherz vrijwillig op Mars achtergebleven. Expeditie volkomen gelukt. Twee jaren daarboven geweest. Hopen binnen vier weken te Stuttgart aan te komen.Stiller.”Met bewondering bekeken Scheufele en de beambten de inrichting van de gondel, die Stiller hun liet zien en verklaarde. Nog meer waren ze verbaasd over de uit zilver en goud vervaardigde kunstproducten, en over de vele en kostbare geschenken der Marsieten. Het Gulden Boek vond men helaas niet meer terug. Daar de gondel gedurende den nacht gesloten was geweest, viel aan diefstal niet te denken en nog te minder, daar de Papoea’s geen verstand hadden van de waarde van het boek. Men moest daarom wel tot de veronderstelling komen, dat het boek door een der kleppen van de gondel in het heelal gevallen was. Het was een onherstelbaar verlies dat de geleerden zeer ter nederdrukte. Eindelijk echter kreeg de vreugde over de behouden terugkeer de overhand over alle treurige gedachten.Piller stond er op, de heeren van Matupi te onthalen op het kleine restant van den Marswijn. Zij verklaarden allen nog nooit zulk een fijnen en geurigen wijn te hebben gedronken.De dagen die men te Matupi doorbracht, werden gebruikt voor het inpakken van alles wat men had meegebracht en het opbergen der instrumenten.Ballon en gondel zouden later verpakt en naar huis gezonden worden.Precies den 7en September in den vroegen morgen stoomde de Venus de haven binnen, en ging tegenover de factorij van Matupi voor anker. Na een hartelijk afscheid vertrokken de heeren nog dienzelfden avond.„Wat een merkwaardig toeval!” zeide Stiller tot zijne tochtgenooten, toen zij het zich ’s avonds aan boord van de stoomboot gemakkelijk hadden gemaakt. „We komen van Mars, varen op de Venus door de blauwe golven der Zuidzee terwijl, zooals Scheufele mij zeide, te Singapore ons de „Stuttgart” wacht, die ons naar Genua brengen zal.”Een week later kwam de boot te Singapore aan. Reeds bij het binnenvaren der ruime haven, was de Venus, met de beroemde Zwabensche passagiers aan boord, het voorwerp van veler belangstelling.De talrijke in de haven liggende schepen van alle mogelijke natiën, waren gepavoiseerd, en zelfs de Maleische prauwen en de Chineesche jonken waren feestelijk getooid.Van de vestingwerken werden saluutschoten gelost toen de Venus langzaam naar hare aanlegplaats stoomde.Op plechtige wijze werden de moedige Marsreizigers, door het bestuur van Singapore en de diverse consuls begroet. Daarna had in de feestelijk versierde zaal van de Duitsche club hetonvermijdelijke feestmaal met de daarbij behoorende redevoeringen plaats. De heeren waren blij, toen zij na al dat feestgewoel in de tropische hitte van Singapore, goed en wel op het dek van de „Stuttgart” zaten die, nadat de gevierde passagiers aan boord waren gekomen, het anker lichtte en de straat van Malakka instoomde.„Gevoelt gij weer niet dien ouden tegenzin, tegen al die officieele huldebetoogingen, die toch in den grond der zaak, alle den stempel van onwaarheid dragen,” vroeg Piller aan zijn vriend Stiller.„Het gaat mij als u,” antwoordde Stiller. „Deze luidruchtige feesten, waarbij ieder zijn eigen ik zooveel mogelijk op den voorgrond dringt vormen eene schrille tegenstelling met de waardige harmonische wijze, waarop te Angola feest wordt gevierd. Bij de Marsieten voelden wij ons dadelijk thuis. Hier beneden krijgen wij al dadelijk weer dat onbehagelijke gevoel in den omgang met de groote menigte. Men voelt als bij instinct, dat al die woorden van waardeering—die als een zondvloed neerkomen op dengeen, die bij het een of ander ondernemen meer noemenswaard succes heeft gehad dan een ander—in de meeste gevallen althans, volstrekt niet gemeend zijn.”„Gij drukt precies mijne gedachten uit,” zei Dubelmeier, die het gesprek der beide vrienden had gevolgd. „Ik moet u eerlijk zeggen, dat ik van al die feestmalen en feestredevoeringen algenoeg had, toen ze nog nauwelijks waren begonnen.”„Nu, wij zullen dat nog wel eenige malen moeten verduren, voor wij weer ongestoord in onze studeerkamer kunnen werken,” hernam Piller.„Ja, daar zal wel geen ontkomen aan zijn. Wat een geluk dat wij hier op zee nog wat kunnen uitrusten vóór dat het spektakel in ons vaderland weder begint,” zei Dubelmeier.Maar reeds in Colombo kregen zij eene nieuwe en verbeterde uitgave der feesten ter eere der zeven Zwaben, en toen de „Stuttgart” te Suez kwam, verzocht de Egyptische regeering, de eer te mogen hebben hen te Caïro te ontvangen.Na twee dagen feest te hebben gevierd, kwamen de Marsreizigers eindelijk weder op de boot terug, die nu direct koers zette naar Genua. Daar kwamen de reizigers in het begin van October aan, en zetten na eene driejarige afwezigheid weer den voet op Europeeschen bodem.
HOOFDSTUK VII.HET AFSCHEID.Na den terugkeer uit het rijk der Uitgeworpenen, begon Frommherz den omgang met zijne reisgenooten, meer en meer te beperken. Hij nam weliswaar nog aan de gemeenschappelijke maaltijden deel, maar trok zich verder, voor zoover dit ongemerkt te doen was, uit het gezelschap zijner vrienden terug. Op de avonden, die anders gewijd waren aan algemeene gesprekken en gedachtenwisseling over het schoone land Lumata, ging hij nu alleen wandelen, en genoot in stilte van de eigenaardige betoovering der heldere nachten. En hij zou weer weg moeten van hier, verdreven uit dit Eden, en weer moeten terugkeeren naar die koude aarde?!! Frommherz leed inderdaad onder die gedachte. De andere heeren waren te zeer bezig met zichzelf, om veel waarde te hechten, aan het zonderlinge gedrag van hun reisgenoot. Door Eran had Stiller aan het hoofdbestuur van den stam der Wijzen, te Angola, doen meedeelen, dat hij en zijn vrienden vast besloten waren naar de aarde terug tekeeren. Als datum van vertrek hadden zij den tweeden verjaardag van hun aankomst op Mars gekozen.Daarop was als antwoord eene uitnoodiging gevolgd om nogmaals naar Angola te komen. De ontvangst dáár liet aan hartelijkheid niets te wenschen over. Er werden feesten gegeven te hunner eer en ter viering van het naderende afscheid. Het beste en schoonste wat beeldende en uitbeeldende kunsten op Mars konden opleveren, werd bij deze feesten de bewoners der aarde te genieten gegeven, maar de schaduw van het afscheid van deze schoone planeet, begon reeds te drukken op de Zwaben, en was oorzaak, dat zij niet meer ten volle genoten van al het schoone en goede dat hun geboden werd.Het laatste middagmaal had plaats in de groote spiegelzaal van het paleis der Wijzen. Genoodigden van alle streken van Mars, en vertegenwoordigers van alle stammen waren daar verschenen.In het Westen begon het eeuwige licht, de zon, te dalen. De ontelbare spiegels in de zaal weerkaatsten, duizenden malen gebroken, hare zachte koesterende stralen. Het was in de zaal een en al licht, het was oogverblindend. Door de geopende vensters drong heerlijke bloemengeur naar binnen en de kronen der palmen daarbuiten wiegden zachtkens in den zoelen avondwind. Rustig en stil lag het donkerblauwe meer onder het groene bladerdak der boomen, waarin nog haastig een paar tsjilpende vogels heen en weervlogen, en de bloesems der lianen in heerlijke kleurenpracht schitterden.Zacht glooiende heuvelrijen, rood getint door de laatste stralen der ondergaande zon, omlijstten het heerlijke landschap, dat de bewoners der aarde voor de laatste maal aanschouwden. Deze waren het eerst de zaal binnengekomen, en stonden voor de hooge vensters in stomme bewondering van het prachtig tooneel daarbuiten.„Het afscheid wordt ons waarachtig moeilijk genoeg gemaakt,” zei Piller zacht tot Stiller, die naast hem stond. „Frommherz heeft gelijk. Is dit niet een land, dat met recht den naam van Paradijs zou kunnen dragen?”„Ongetwijfeld,” antwoordde Stiller, „het is een Eden, als geschapen voor bedroefden, voor menschen zonder vaderland, zooals wij voortaan zullen zijn.”„Zonder vaderland! Hoe meent ge dat, Stiller?”„Zonder vaderland, zeker!” hernam Stiller, en zijne lippen trilden zenuwachtig, toen hij na een oogenblik zwijgens voortging: „Gelooft ge dan, dat wij ons in ons vaderland weder zullen thuis voelen, nadat wij hier twee volle jaren hebben vertoefd, te midden eener heerlijk schoone natuur, in een land een Paradijs gelijk, onder fiere, vrije, edele menschen? Nooit! Vreemdelingen zullen wij zijn daar, waar wij zijn geboren, daar, waar wij vroeger hebben geleefd, gewerkt en gestreden voor onze overtuiging.”„Stiller, maak mij, als ’t u blieft, het afscheid niet heelemaal onmogelijk!”Piller moest zooals altijd, wanneer hij hevig ontroerd was, herhaalde malen zijn neus snuiten; toen ging hij naar de tafel, schonk zich een glas wijn in en dronk dat in één teug leeg.„Het zij verre van mij, u het afscheid onmogelijk te willen maken, want wij moeten vertrekken, maar”—en de oogen van den spreker schitterden bij deze woorden—„we zullen daar beneden op aarde zonder veel woorden te gebruiken, het zaad uitstrooien voor een toekomst, zooals wij die hierboven zoo heerlijk verwezenlijkt hebben aangetroffen.”Als teeken van instemming drukte Piller zijn collega stilzwijgend de hand.Langzamerhand vulde de zaal zich met genoodigden. Alle traden op de zonen der Aarde toe en schudden hen de hand.Nadat Anan was verschenen nam de maaltijd een aanvang. Naast de Oudsten der Ouden zaten de zeven Zwaben. De kroonlichten der zaal bestonden uit electrische lampen, die haar schitterend licht wierpen op de rijk versierde tafel en het groote feestelijk gestemde gezelschap. Beneden in de spiegelgalerij was een koor van zangers en muzikanten opgesteld, die gedurende den maaltijd verschillende nummers ten gehoore brachten. Toen de tafel was afgeloopen stond Anan op.„Mijne broeders en zusters,” aldus ving hij aan „de ure is gekomen waarop van Angola zalworden afscheid genomen. Onze gasten uit het verre Zwaben gaan daarheen terugkeeren. Mogen zij gelukkig en gezond hun vaderland weder bereiken! Zij zullen bij ons steeds in aangename herinnering blijven! Wij hebben besloten, om hunne namen in vergulde letters op marmeren gedenksteenen hier in deze zaal aan te brengen, met hunne beeltenissen, opdat onze nakomelingschap worde herinnerd aan hunne moedige reis hierheen en hun langdurig verblijf in ons midden, dat door geen wanklank werd verstoord. Verder hebben wij besloten om ter herinnering aan het verblijf van de eerste en laatste aardbewoners, de verschillende mededeelingen die zij ons omtrent het leven en streven der volkeren op aarde hebben gedaan, te boek te stellen, welk werk wij hier in ons tehuis eene eereplaats zullen geven. Behalve de namen van onze gasten zal dus ook datgene worden geboekstaafd wat zij ons in plechtige oogenblikken hebben verteld. Hiermede zal de herinnering aan hun bezoek tot in lengte van dagen, bij ons in eere worden gehouden.„En nu mijne waarde vrienden!”—bij deze woorden wendde Anan zich tot de zeven Zwaben, „voor U hebben wij eenige geschenken, ter herinnering aan ons en onze planeet, bestemd; voortbrengselen van de kunst en wetenschap van onze kinderen des Lichts.„Neem hetgeen daarginds op tafel ligt, mede, als een herinnering aan uw verblijf te onzent. Het bevat de ontwikkelings-geschiedenis van onsvolk. Met den algemeenen vooruitgang der beschaving en de grootere ontwikkeling van het zelfbewustzijn werd bij ons de wetgeving meer en meer vereenvoudigd. Zij is eigenlijk alleen gegrond op de stelling: „Doe niets wat gij niet wilt dat u gedaan zal worden.” Gij zult dus, wat dit betreft, in dit boek weinig meer vinden; want hoe grooter het aantal wetten, hoe minder zelfstandig een volk blijkt te zijn. Het boek bevat ook onze opvattingen over de natuurlijke moraal, de eeuwige onverwoestbare grondstelling die bij ons het werk der loutering heeft voltooid. Moge ook in dit opzicht uw gevaarvolle en moeilijke tocht naar ons ver verwijderd hemellichaam en uw verblijf te onzent rijke vruchten afwerpen!”Anan ging weer zitten.Een diepe stilte volgde op deze woorden van den grijsaard. Nu stond Stiller op. Op ontroerden toon dankte hij allereerst in naam zijner reisgenooten voor al het goede dat men hun hier had bewezen. Hij had hier eene mate van ontwikkeling aangetroffen waarvan hij vroeger had gedroomd, maar die hij in werkelijkheid niet voor mogelijk had gehouden. Hij en zijne vrienden hadden hier boven veel geleerd en waren van menige dwaling genezen geworden.„Zoo heb ik ook altijd gedacht dat de hoogere ontwikkeling der menschen niet mogelijk was zonder dat daaraan de moeilijke strijd om het bestaan was voorafgegaan en dat die bepaald noodzakelijk was om den mensch te reinigenen te louteren. Van die meening ben ik door hetgeen ik hierboven heb gezien, genezen geworden. De zware strijd is slechts het gevolg van lage zelfzucht, de ware naastenliefde tracht dien strijd te verzachten, en die liefde ontbreekt bij ons helaas nog in hooge mate!„Ook hierboven wordt een strijd gestreden, maar hoe hemelsbreed verschilt die van datgene wat men daaronder op aarde verstaat! Hier is ieder er op uit aan zijne evenmenschen en broeders, het beste te schenken wat hij te geven heeft en wat dienen kan tot bevordering van het welzijn van zijn evenmensch. Hier leeft ieder het groote gemeenschapsleven mede, omdat ieder zich een integreerend deel van die gemeenschap voelt, want gaat het den een goed dan komt het ten bate van ’t geheel. Lijdt daarentegen een der leden, dan lijdt ook de gemeenschap. En hoe gezond en krachtig is deze hier. Hoe ver daarentegen zijn wij op onze aarde nog verwijderd van deze levensidealen en levensopvattingen. Hoe klein zijn wij in vergelijking van u! En toch, eens moet en zal ’t ook op aarde anders en beter worden. Wij, die hier bij u hebben vertoefd, wij zullen, voor zoover ’t in ons vermogen ligt, het zaad uitstrooien van een schooner en reiner leven in de toekomst, zooals wij dat hier zoo heerlijk hebben leeren kennen. Onze reis hierheen was niet tevergeefs. Wat toch beduiden de vermoeienissen en gevaren, die wij hebben doorstaan, vergeleken bij al het reine, schooneen goede wat wij hier hebben mogen genieten. Wij aanvaarden onze thuisreis met een bezwaard hart, met het bewustzijn dat wij hier ons rijkste en schoonste stukje leven hebben doorgebracht, dat zoo oneindig rijk is aan heerlijke herinneringen. Moeder Aarde verlangt echter terug, wat haar toebehoort.„Nooit, tot onzen laatsten ademtocht, zullen wij vergeten, wat gij ons hebt gegeven, wat gij voor ons geweest zijt, en hoe gij ons hebt geëerd. Wanneer wij later, teruggekeerd in ons vaderland, in nachtelijke uren van uit de verte, uw Mars, uw Kind des Lichts,zien schitteren, dan zullen onze gedachten bij u verwijlen en met stillen weemoed zullen wij terugdenken aan dezen, den schoonsten tijd onzes levens!„Vaartwel, waarde vrienden! Vaart allen wel! Ik omhels Anan voor u allen en druk hem voor u allen den broederkus der Aardbewoners op het reine voorhoofd. Want broeders zijn wij allen, die zich „menschen” noemen, of zij hier boven dan wel op de aarde wonen.”Stiller’s woorden hadden op alle aanwezigen een diepen indruk gemaakt, en toen hij nu op Anan, den eerwaardigen grijsaard toetrad en hem den broederkus gaf, dreunde de zaal van luide bijvals-betuigingen.„Broeder, edele zoon van uw land,” antwoordde Anan, „heb dank voor hetgeen gij hebt gezegd. Ontvang ook van mij,—den ouden zoon van het Kind des Lichts, den broederkus, enkeer met uwe reisgenooten gelukkig huiswaarts. Met hen zult gij zegenrijk werkzaam zijn aan de volmaking der menschheid, dat weet ik! Mijne oogen zullen zich weldra sluiten, in dien slaap waarop geen ontwaken meer volgt, maar zoolang ik nog leef, zal ik met vreugde terugdenken aan de uren, die ik met u in ons Angola heb doorgebracht!”Eenige dagen na het roerend afscheid te Angola, waren de Zwaben weer in Lumata terug. Stiller was druk met den ballon bezig, waarbij hij door de Marsieten trouw werd geholpen. Door de inmiddels opgedane ervaring, was het hem mogelijk al de tekortkomingen en gebreken waarmede zij op de heenreis te kampen hadden gehad, op afdoende wijze te voorzien. Hij bereidde er zich op voor, dat de terugreis geruimen tijd zou duren, in weerwil van de sterke magnetische aantrekkingskracht van de aarde, die tweemaal zoo groot was als die van Mars.Sedert de opstijging van de Cannstatter weide op den bewusten Decemberavond, was nu nagenoeg twee en een half jaar verloopen. Mars had zich intusschen vele millioenen kilometers van de aarde verwijderd, zoodat de afstand tusschen deze beide planeten, nagenoeg tweemaal zoo groot was als bij de afreis. Stiller berekende dat zij volgens de gewone tijdrekening, minstens vijf volle maanden in de gondel zouden moeten verblijven, en dan nog altijd in de veronderstelling, dat geen enkele onvoorziene omstandigheid, devaart van den Argonaut zoude belemmeren. Maar nu hij en zijn tochtgenooten, in een tamelijk bevredigenden gezondheidstoestand en zonder noemenswaardigen tegenspoed op Mars waren aangekomen, waarom zou dan op stuk van zaken, de terugtocht niet even goed afloopen. Weliswaar zag de anders zoo moedige man eenigszins op, tegen den vermoedelijk langen duur der terugreis. Vijf volle maanden in de gondel te moeten doorbrengen, en zich allerlei daarmede verbondene ontberingen te moeten getroosten, zooals gebrek aan daglicht en behoorlijke lichaamsbeweging, was wel iets wat zelfs den dappersten den moed zou kunnen benemen.Stiller schudde echter al die sombere gedachten met kracht van zich af en verheugde zich over de inderdaad buitengewoon groote technische kennis van den stam der Uitvinders, die niet alleen tot vulling van den ballon een gas bereidden, dat geheel overeen kwam met het Argonauton, maar ook de kunst verstonden, om op inderdaad meesterlijke wijze allerlei voedingsmiddelen voor de reis te conserveeren.Aan electrische kracht, gecomprimeerde lucht, die reeds sedert onheugelijke tijden bij de Uitvinders bekend waren, was evenmin gebrek, en de Argonaut voerde van deze kracht en deze middelen van bestaan een geheel anderen voorraad mee dan toen hij opsteeg.Zonder gedruisch, zonder eenige verdrietelijkheid was de ballon in elkaar gezet. Wat stak diemanier van werken gunstig af bij die van twee jaar geleden, op de Cannstatter-weide!Dank zij de hooge ontwikkeling en de bereidwilligheid der Uitvinders, was de Argonaut zóó voortreffelijk in orde, dat de gevaarlijke reis ieder oogenblik kon worden ondernomen. Stiller achtte zich verplicht zijne reisgenooten op de hoogte te houden van het verloop der werkzaamheden. Hij verzweeg zijne vrienden ook den vermoedelijken duur der reis niet.Eerst waren de collega’s wel eenigszins geschrikt bij het denkbeeld zóó lang in de gondel te moeten vertoeven, doch zij hadden zich er al spoedig overheen gezet en gingen met moed en vertrouwen de toekomst tegemoet. Alleen Frommherz zeide niets. Stil, in zich zelf gekeerd liep hij rond, terwijl de andere heeren bezig waren hunne weinige bezittingen te pakken en naar de gondel te brengen.De Argonaut was uit de loods te voorschijn gehaald, en lag zacht wiegelend voor anker op de plaats, waar hij eens was neergedaald.De laatste dag van het verblijf op Mars, was maar al te spoedig aangebroken. Den volgenden morgen, in alle vroegte, zou men van Lumata vertrekken.Eran, de gastvrije, eerwaardige grijsaard, had er op aangedrongen zijne gasten een schitterend afscheidsmaal aan te bieden, waarvan de plechtigheid en het genot werden verhoogd, door de harpspelers en zangers van Lumata.Iedereen was op de been, nergens werd gewerkt. De vriendelijke Zwaben hadden zich overal bemind weten te maken en er was niemand, die het heengaan der dappere mannen niet oprecht betreurde. Maar zij hadden daar beneden op aarde vaders, moeders, broeders en zusters en daarom scheen hun terugkeer den Marsieten, bij wie het familie- en gemeenschapsgevoel zoo sterk was ontwikkeld, niet meer dan plicht.
HOOFDSTUK VII.HET AFSCHEID.
Na den terugkeer uit het rijk der Uitgeworpenen, begon Frommherz den omgang met zijne reisgenooten, meer en meer te beperken. Hij nam weliswaar nog aan de gemeenschappelijke maaltijden deel, maar trok zich verder, voor zoover dit ongemerkt te doen was, uit het gezelschap zijner vrienden terug. Op de avonden, die anders gewijd waren aan algemeene gesprekken en gedachtenwisseling over het schoone land Lumata, ging hij nu alleen wandelen, en genoot in stilte van de eigenaardige betoovering der heldere nachten. En hij zou weer weg moeten van hier, verdreven uit dit Eden, en weer moeten terugkeeren naar die koude aarde?!! Frommherz leed inderdaad onder die gedachte. De andere heeren waren te zeer bezig met zichzelf, om veel waarde te hechten, aan het zonderlinge gedrag van hun reisgenoot. Door Eran had Stiller aan het hoofdbestuur van den stam der Wijzen, te Angola, doen meedeelen, dat hij en zijn vrienden vast besloten waren naar de aarde terug tekeeren. Als datum van vertrek hadden zij den tweeden verjaardag van hun aankomst op Mars gekozen.Daarop was als antwoord eene uitnoodiging gevolgd om nogmaals naar Angola te komen. De ontvangst dáár liet aan hartelijkheid niets te wenschen over. Er werden feesten gegeven te hunner eer en ter viering van het naderende afscheid. Het beste en schoonste wat beeldende en uitbeeldende kunsten op Mars konden opleveren, werd bij deze feesten de bewoners der aarde te genieten gegeven, maar de schaduw van het afscheid van deze schoone planeet, begon reeds te drukken op de Zwaben, en was oorzaak, dat zij niet meer ten volle genoten van al het schoone en goede dat hun geboden werd.Het laatste middagmaal had plaats in de groote spiegelzaal van het paleis der Wijzen. Genoodigden van alle streken van Mars, en vertegenwoordigers van alle stammen waren daar verschenen.In het Westen begon het eeuwige licht, de zon, te dalen. De ontelbare spiegels in de zaal weerkaatsten, duizenden malen gebroken, hare zachte koesterende stralen. Het was in de zaal een en al licht, het was oogverblindend. Door de geopende vensters drong heerlijke bloemengeur naar binnen en de kronen der palmen daarbuiten wiegden zachtkens in den zoelen avondwind. Rustig en stil lag het donkerblauwe meer onder het groene bladerdak der boomen, waarin nog haastig een paar tsjilpende vogels heen en weervlogen, en de bloesems der lianen in heerlijke kleurenpracht schitterden.Zacht glooiende heuvelrijen, rood getint door de laatste stralen der ondergaande zon, omlijstten het heerlijke landschap, dat de bewoners der aarde voor de laatste maal aanschouwden. Deze waren het eerst de zaal binnengekomen, en stonden voor de hooge vensters in stomme bewondering van het prachtig tooneel daarbuiten.„Het afscheid wordt ons waarachtig moeilijk genoeg gemaakt,” zei Piller zacht tot Stiller, die naast hem stond. „Frommherz heeft gelijk. Is dit niet een land, dat met recht den naam van Paradijs zou kunnen dragen?”„Ongetwijfeld,” antwoordde Stiller, „het is een Eden, als geschapen voor bedroefden, voor menschen zonder vaderland, zooals wij voortaan zullen zijn.”„Zonder vaderland! Hoe meent ge dat, Stiller?”„Zonder vaderland, zeker!” hernam Stiller, en zijne lippen trilden zenuwachtig, toen hij na een oogenblik zwijgens voortging: „Gelooft ge dan, dat wij ons in ons vaderland weder zullen thuis voelen, nadat wij hier twee volle jaren hebben vertoefd, te midden eener heerlijk schoone natuur, in een land een Paradijs gelijk, onder fiere, vrije, edele menschen? Nooit! Vreemdelingen zullen wij zijn daar, waar wij zijn geboren, daar, waar wij vroeger hebben geleefd, gewerkt en gestreden voor onze overtuiging.”„Stiller, maak mij, als ’t u blieft, het afscheid niet heelemaal onmogelijk!”Piller moest zooals altijd, wanneer hij hevig ontroerd was, herhaalde malen zijn neus snuiten; toen ging hij naar de tafel, schonk zich een glas wijn in en dronk dat in één teug leeg.„Het zij verre van mij, u het afscheid onmogelijk te willen maken, want wij moeten vertrekken, maar”—en de oogen van den spreker schitterden bij deze woorden—„we zullen daar beneden op aarde zonder veel woorden te gebruiken, het zaad uitstrooien voor een toekomst, zooals wij die hierboven zoo heerlijk verwezenlijkt hebben aangetroffen.”Als teeken van instemming drukte Piller zijn collega stilzwijgend de hand.Langzamerhand vulde de zaal zich met genoodigden. Alle traden op de zonen der Aarde toe en schudden hen de hand.Nadat Anan was verschenen nam de maaltijd een aanvang. Naast de Oudsten der Ouden zaten de zeven Zwaben. De kroonlichten der zaal bestonden uit electrische lampen, die haar schitterend licht wierpen op de rijk versierde tafel en het groote feestelijk gestemde gezelschap. Beneden in de spiegelgalerij was een koor van zangers en muzikanten opgesteld, die gedurende den maaltijd verschillende nummers ten gehoore brachten. Toen de tafel was afgeloopen stond Anan op.„Mijne broeders en zusters,” aldus ving hij aan „de ure is gekomen waarop van Angola zalworden afscheid genomen. Onze gasten uit het verre Zwaben gaan daarheen terugkeeren. Mogen zij gelukkig en gezond hun vaderland weder bereiken! Zij zullen bij ons steeds in aangename herinnering blijven! Wij hebben besloten, om hunne namen in vergulde letters op marmeren gedenksteenen hier in deze zaal aan te brengen, met hunne beeltenissen, opdat onze nakomelingschap worde herinnerd aan hunne moedige reis hierheen en hun langdurig verblijf in ons midden, dat door geen wanklank werd verstoord. Verder hebben wij besloten om ter herinnering aan het verblijf van de eerste en laatste aardbewoners, de verschillende mededeelingen die zij ons omtrent het leven en streven der volkeren op aarde hebben gedaan, te boek te stellen, welk werk wij hier in ons tehuis eene eereplaats zullen geven. Behalve de namen van onze gasten zal dus ook datgene worden geboekstaafd wat zij ons in plechtige oogenblikken hebben verteld. Hiermede zal de herinnering aan hun bezoek tot in lengte van dagen, bij ons in eere worden gehouden.„En nu mijne waarde vrienden!”—bij deze woorden wendde Anan zich tot de zeven Zwaben, „voor U hebben wij eenige geschenken, ter herinnering aan ons en onze planeet, bestemd; voortbrengselen van de kunst en wetenschap van onze kinderen des Lichts.„Neem hetgeen daarginds op tafel ligt, mede, als een herinnering aan uw verblijf te onzent. Het bevat de ontwikkelings-geschiedenis van onsvolk. Met den algemeenen vooruitgang der beschaving en de grootere ontwikkeling van het zelfbewustzijn werd bij ons de wetgeving meer en meer vereenvoudigd. Zij is eigenlijk alleen gegrond op de stelling: „Doe niets wat gij niet wilt dat u gedaan zal worden.” Gij zult dus, wat dit betreft, in dit boek weinig meer vinden; want hoe grooter het aantal wetten, hoe minder zelfstandig een volk blijkt te zijn. Het boek bevat ook onze opvattingen over de natuurlijke moraal, de eeuwige onverwoestbare grondstelling die bij ons het werk der loutering heeft voltooid. Moge ook in dit opzicht uw gevaarvolle en moeilijke tocht naar ons ver verwijderd hemellichaam en uw verblijf te onzent rijke vruchten afwerpen!”Anan ging weer zitten.Een diepe stilte volgde op deze woorden van den grijsaard. Nu stond Stiller op. Op ontroerden toon dankte hij allereerst in naam zijner reisgenooten voor al het goede dat men hun hier had bewezen. Hij had hier eene mate van ontwikkeling aangetroffen waarvan hij vroeger had gedroomd, maar die hij in werkelijkheid niet voor mogelijk had gehouden. Hij en zijne vrienden hadden hier boven veel geleerd en waren van menige dwaling genezen geworden.„Zoo heb ik ook altijd gedacht dat de hoogere ontwikkeling der menschen niet mogelijk was zonder dat daaraan de moeilijke strijd om het bestaan was voorafgegaan en dat die bepaald noodzakelijk was om den mensch te reinigenen te louteren. Van die meening ben ik door hetgeen ik hierboven heb gezien, genezen geworden. De zware strijd is slechts het gevolg van lage zelfzucht, de ware naastenliefde tracht dien strijd te verzachten, en die liefde ontbreekt bij ons helaas nog in hooge mate!„Ook hierboven wordt een strijd gestreden, maar hoe hemelsbreed verschilt die van datgene wat men daaronder op aarde verstaat! Hier is ieder er op uit aan zijne evenmenschen en broeders, het beste te schenken wat hij te geven heeft en wat dienen kan tot bevordering van het welzijn van zijn evenmensch. Hier leeft ieder het groote gemeenschapsleven mede, omdat ieder zich een integreerend deel van die gemeenschap voelt, want gaat het den een goed dan komt het ten bate van ’t geheel. Lijdt daarentegen een der leden, dan lijdt ook de gemeenschap. En hoe gezond en krachtig is deze hier. Hoe ver daarentegen zijn wij op onze aarde nog verwijderd van deze levensidealen en levensopvattingen. Hoe klein zijn wij in vergelijking van u! En toch, eens moet en zal ’t ook op aarde anders en beter worden. Wij, die hier bij u hebben vertoefd, wij zullen, voor zoover ’t in ons vermogen ligt, het zaad uitstrooien van een schooner en reiner leven in de toekomst, zooals wij dat hier zoo heerlijk hebben leeren kennen. Onze reis hierheen was niet tevergeefs. Wat toch beduiden de vermoeienissen en gevaren, die wij hebben doorstaan, vergeleken bij al het reine, schooneen goede wat wij hier hebben mogen genieten. Wij aanvaarden onze thuisreis met een bezwaard hart, met het bewustzijn dat wij hier ons rijkste en schoonste stukje leven hebben doorgebracht, dat zoo oneindig rijk is aan heerlijke herinneringen. Moeder Aarde verlangt echter terug, wat haar toebehoort.„Nooit, tot onzen laatsten ademtocht, zullen wij vergeten, wat gij ons hebt gegeven, wat gij voor ons geweest zijt, en hoe gij ons hebt geëerd. Wanneer wij later, teruggekeerd in ons vaderland, in nachtelijke uren van uit de verte, uw Mars, uw Kind des Lichts,zien schitteren, dan zullen onze gedachten bij u verwijlen en met stillen weemoed zullen wij terugdenken aan dezen, den schoonsten tijd onzes levens!„Vaartwel, waarde vrienden! Vaart allen wel! Ik omhels Anan voor u allen en druk hem voor u allen den broederkus der Aardbewoners op het reine voorhoofd. Want broeders zijn wij allen, die zich „menschen” noemen, of zij hier boven dan wel op de aarde wonen.”Stiller’s woorden hadden op alle aanwezigen een diepen indruk gemaakt, en toen hij nu op Anan, den eerwaardigen grijsaard toetrad en hem den broederkus gaf, dreunde de zaal van luide bijvals-betuigingen.„Broeder, edele zoon van uw land,” antwoordde Anan, „heb dank voor hetgeen gij hebt gezegd. Ontvang ook van mij,—den ouden zoon van het Kind des Lichts, den broederkus, enkeer met uwe reisgenooten gelukkig huiswaarts. Met hen zult gij zegenrijk werkzaam zijn aan de volmaking der menschheid, dat weet ik! Mijne oogen zullen zich weldra sluiten, in dien slaap waarop geen ontwaken meer volgt, maar zoolang ik nog leef, zal ik met vreugde terugdenken aan de uren, die ik met u in ons Angola heb doorgebracht!”Eenige dagen na het roerend afscheid te Angola, waren de Zwaben weer in Lumata terug. Stiller was druk met den ballon bezig, waarbij hij door de Marsieten trouw werd geholpen. Door de inmiddels opgedane ervaring, was het hem mogelijk al de tekortkomingen en gebreken waarmede zij op de heenreis te kampen hadden gehad, op afdoende wijze te voorzien. Hij bereidde er zich op voor, dat de terugreis geruimen tijd zou duren, in weerwil van de sterke magnetische aantrekkingskracht van de aarde, die tweemaal zoo groot was als die van Mars.Sedert de opstijging van de Cannstatter weide op den bewusten Decemberavond, was nu nagenoeg twee en een half jaar verloopen. Mars had zich intusschen vele millioenen kilometers van de aarde verwijderd, zoodat de afstand tusschen deze beide planeten, nagenoeg tweemaal zoo groot was als bij de afreis. Stiller berekende dat zij volgens de gewone tijdrekening, minstens vijf volle maanden in de gondel zouden moeten verblijven, en dan nog altijd in de veronderstelling, dat geen enkele onvoorziene omstandigheid, devaart van den Argonaut zoude belemmeren. Maar nu hij en zijn tochtgenooten, in een tamelijk bevredigenden gezondheidstoestand en zonder noemenswaardigen tegenspoed op Mars waren aangekomen, waarom zou dan op stuk van zaken, de terugtocht niet even goed afloopen. Weliswaar zag de anders zoo moedige man eenigszins op, tegen den vermoedelijk langen duur der terugreis. Vijf volle maanden in de gondel te moeten doorbrengen, en zich allerlei daarmede verbondene ontberingen te moeten getroosten, zooals gebrek aan daglicht en behoorlijke lichaamsbeweging, was wel iets wat zelfs den dappersten den moed zou kunnen benemen.Stiller schudde echter al die sombere gedachten met kracht van zich af en verheugde zich over de inderdaad buitengewoon groote technische kennis van den stam der Uitvinders, die niet alleen tot vulling van den ballon een gas bereidden, dat geheel overeen kwam met het Argonauton, maar ook de kunst verstonden, om op inderdaad meesterlijke wijze allerlei voedingsmiddelen voor de reis te conserveeren.Aan electrische kracht, gecomprimeerde lucht, die reeds sedert onheugelijke tijden bij de Uitvinders bekend waren, was evenmin gebrek, en de Argonaut voerde van deze kracht en deze middelen van bestaan een geheel anderen voorraad mee dan toen hij opsteeg.Zonder gedruisch, zonder eenige verdrietelijkheid was de ballon in elkaar gezet. Wat stak diemanier van werken gunstig af bij die van twee jaar geleden, op de Cannstatter-weide!Dank zij de hooge ontwikkeling en de bereidwilligheid der Uitvinders, was de Argonaut zóó voortreffelijk in orde, dat de gevaarlijke reis ieder oogenblik kon worden ondernomen. Stiller achtte zich verplicht zijne reisgenooten op de hoogte te houden van het verloop der werkzaamheden. Hij verzweeg zijne vrienden ook den vermoedelijken duur der reis niet.Eerst waren de collega’s wel eenigszins geschrikt bij het denkbeeld zóó lang in de gondel te moeten vertoeven, doch zij hadden zich er al spoedig overheen gezet en gingen met moed en vertrouwen de toekomst tegemoet. Alleen Frommherz zeide niets. Stil, in zich zelf gekeerd liep hij rond, terwijl de andere heeren bezig waren hunne weinige bezittingen te pakken en naar de gondel te brengen.De Argonaut was uit de loods te voorschijn gehaald, en lag zacht wiegelend voor anker op de plaats, waar hij eens was neergedaald.De laatste dag van het verblijf op Mars, was maar al te spoedig aangebroken. Den volgenden morgen, in alle vroegte, zou men van Lumata vertrekken.Eran, de gastvrije, eerwaardige grijsaard, had er op aangedrongen zijne gasten een schitterend afscheidsmaal aan te bieden, waarvan de plechtigheid en het genot werden verhoogd, door de harpspelers en zangers van Lumata.Iedereen was op de been, nergens werd gewerkt. De vriendelijke Zwaben hadden zich overal bemind weten te maken en er was niemand, die het heengaan der dappere mannen niet oprecht betreurde. Maar zij hadden daar beneden op aarde vaders, moeders, broeders en zusters en daarom scheen hun terugkeer den Marsieten, bij wie het familie- en gemeenschapsgevoel zoo sterk was ontwikkeld, niet meer dan plicht.
Na den terugkeer uit het rijk der Uitgeworpenen, begon Frommherz den omgang met zijne reisgenooten, meer en meer te beperken. Hij nam weliswaar nog aan de gemeenschappelijke maaltijden deel, maar trok zich verder, voor zoover dit ongemerkt te doen was, uit het gezelschap zijner vrienden terug. Op de avonden, die anders gewijd waren aan algemeene gesprekken en gedachtenwisseling over het schoone land Lumata, ging hij nu alleen wandelen, en genoot in stilte van de eigenaardige betoovering der heldere nachten. En hij zou weer weg moeten van hier, verdreven uit dit Eden, en weer moeten terugkeeren naar die koude aarde?!! Frommherz leed inderdaad onder die gedachte. De andere heeren waren te zeer bezig met zichzelf, om veel waarde te hechten, aan het zonderlinge gedrag van hun reisgenoot. Door Eran had Stiller aan het hoofdbestuur van den stam der Wijzen, te Angola, doen meedeelen, dat hij en zijn vrienden vast besloten waren naar de aarde terug tekeeren. Als datum van vertrek hadden zij den tweeden verjaardag van hun aankomst op Mars gekozen.
Daarop was als antwoord eene uitnoodiging gevolgd om nogmaals naar Angola te komen. De ontvangst dáár liet aan hartelijkheid niets te wenschen over. Er werden feesten gegeven te hunner eer en ter viering van het naderende afscheid. Het beste en schoonste wat beeldende en uitbeeldende kunsten op Mars konden opleveren, werd bij deze feesten de bewoners der aarde te genieten gegeven, maar de schaduw van het afscheid van deze schoone planeet, begon reeds te drukken op de Zwaben, en was oorzaak, dat zij niet meer ten volle genoten van al het schoone en goede dat hun geboden werd.
Het laatste middagmaal had plaats in de groote spiegelzaal van het paleis der Wijzen. Genoodigden van alle streken van Mars, en vertegenwoordigers van alle stammen waren daar verschenen.
In het Westen begon het eeuwige licht, de zon, te dalen. De ontelbare spiegels in de zaal weerkaatsten, duizenden malen gebroken, hare zachte koesterende stralen. Het was in de zaal een en al licht, het was oogverblindend. Door de geopende vensters drong heerlijke bloemengeur naar binnen en de kronen der palmen daarbuiten wiegden zachtkens in den zoelen avondwind. Rustig en stil lag het donkerblauwe meer onder het groene bladerdak der boomen, waarin nog haastig een paar tsjilpende vogels heen en weervlogen, en de bloesems der lianen in heerlijke kleurenpracht schitterden.
Zacht glooiende heuvelrijen, rood getint door de laatste stralen der ondergaande zon, omlijstten het heerlijke landschap, dat de bewoners der aarde voor de laatste maal aanschouwden. Deze waren het eerst de zaal binnengekomen, en stonden voor de hooge vensters in stomme bewondering van het prachtig tooneel daarbuiten.
„Het afscheid wordt ons waarachtig moeilijk genoeg gemaakt,” zei Piller zacht tot Stiller, die naast hem stond. „Frommherz heeft gelijk. Is dit niet een land, dat met recht den naam van Paradijs zou kunnen dragen?”
„Ongetwijfeld,” antwoordde Stiller, „het is een Eden, als geschapen voor bedroefden, voor menschen zonder vaderland, zooals wij voortaan zullen zijn.”
„Zonder vaderland! Hoe meent ge dat, Stiller?”
„Zonder vaderland, zeker!” hernam Stiller, en zijne lippen trilden zenuwachtig, toen hij na een oogenblik zwijgens voortging: „Gelooft ge dan, dat wij ons in ons vaderland weder zullen thuis voelen, nadat wij hier twee volle jaren hebben vertoefd, te midden eener heerlijk schoone natuur, in een land een Paradijs gelijk, onder fiere, vrije, edele menschen? Nooit! Vreemdelingen zullen wij zijn daar, waar wij zijn geboren, daar, waar wij vroeger hebben geleefd, gewerkt en gestreden voor onze overtuiging.”
„Stiller, maak mij, als ’t u blieft, het afscheid niet heelemaal onmogelijk!”
Piller moest zooals altijd, wanneer hij hevig ontroerd was, herhaalde malen zijn neus snuiten; toen ging hij naar de tafel, schonk zich een glas wijn in en dronk dat in één teug leeg.
„Het zij verre van mij, u het afscheid onmogelijk te willen maken, want wij moeten vertrekken, maar”—en de oogen van den spreker schitterden bij deze woorden—„we zullen daar beneden op aarde zonder veel woorden te gebruiken, het zaad uitstrooien voor een toekomst, zooals wij die hierboven zoo heerlijk verwezenlijkt hebben aangetroffen.”
Als teeken van instemming drukte Piller zijn collega stilzwijgend de hand.
Langzamerhand vulde de zaal zich met genoodigden. Alle traden op de zonen der Aarde toe en schudden hen de hand.
Nadat Anan was verschenen nam de maaltijd een aanvang. Naast de Oudsten der Ouden zaten de zeven Zwaben. De kroonlichten der zaal bestonden uit electrische lampen, die haar schitterend licht wierpen op de rijk versierde tafel en het groote feestelijk gestemde gezelschap. Beneden in de spiegelgalerij was een koor van zangers en muzikanten opgesteld, die gedurende den maaltijd verschillende nummers ten gehoore brachten. Toen de tafel was afgeloopen stond Anan op.
„Mijne broeders en zusters,” aldus ving hij aan „de ure is gekomen waarop van Angola zalworden afscheid genomen. Onze gasten uit het verre Zwaben gaan daarheen terugkeeren. Mogen zij gelukkig en gezond hun vaderland weder bereiken! Zij zullen bij ons steeds in aangename herinnering blijven! Wij hebben besloten, om hunne namen in vergulde letters op marmeren gedenksteenen hier in deze zaal aan te brengen, met hunne beeltenissen, opdat onze nakomelingschap worde herinnerd aan hunne moedige reis hierheen en hun langdurig verblijf in ons midden, dat door geen wanklank werd verstoord. Verder hebben wij besloten om ter herinnering aan het verblijf van de eerste en laatste aardbewoners, de verschillende mededeelingen die zij ons omtrent het leven en streven der volkeren op aarde hebben gedaan, te boek te stellen, welk werk wij hier in ons tehuis eene eereplaats zullen geven. Behalve de namen van onze gasten zal dus ook datgene worden geboekstaafd wat zij ons in plechtige oogenblikken hebben verteld. Hiermede zal de herinnering aan hun bezoek tot in lengte van dagen, bij ons in eere worden gehouden.
„En nu mijne waarde vrienden!”—bij deze woorden wendde Anan zich tot de zeven Zwaben, „voor U hebben wij eenige geschenken, ter herinnering aan ons en onze planeet, bestemd; voortbrengselen van de kunst en wetenschap van onze kinderen des Lichts.
„Neem hetgeen daarginds op tafel ligt, mede, als een herinnering aan uw verblijf te onzent. Het bevat de ontwikkelings-geschiedenis van onsvolk. Met den algemeenen vooruitgang der beschaving en de grootere ontwikkeling van het zelfbewustzijn werd bij ons de wetgeving meer en meer vereenvoudigd. Zij is eigenlijk alleen gegrond op de stelling: „Doe niets wat gij niet wilt dat u gedaan zal worden.” Gij zult dus, wat dit betreft, in dit boek weinig meer vinden; want hoe grooter het aantal wetten, hoe minder zelfstandig een volk blijkt te zijn. Het boek bevat ook onze opvattingen over de natuurlijke moraal, de eeuwige onverwoestbare grondstelling die bij ons het werk der loutering heeft voltooid. Moge ook in dit opzicht uw gevaarvolle en moeilijke tocht naar ons ver verwijderd hemellichaam en uw verblijf te onzent rijke vruchten afwerpen!”
Anan ging weer zitten.
Een diepe stilte volgde op deze woorden van den grijsaard. Nu stond Stiller op. Op ontroerden toon dankte hij allereerst in naam zijner reisgenooten voor al het goede dat men hun hier had bewezen. Hij had hier eene mate van ontwikkeling aangetroffen waarvan hij vroeger had gedroomd, maar die hij in werkelijkheid niet voor mogelijk had gehouden. Hij en zijne vrienden hadden hier boven veel geleerd en waren van menige dwaling genezen geworden.
„Zoo heb ik ook altijd gedacht dat de hoogere ontwikkeling der menschen niet mogelijk was zonder dat daaraan de moeilijke strijd om het bestaan was voorafgegaan en dat die bepaald noodzakelijk was om den mensch te reinigenen te louteren. Van die meening ben ik door hetgeen ik hierboven heb gezien, genezen geworden. De zware strijd is slechts het gevolg van lage zelfzucht, de ware naastenliefde tracht dien strijd te verzachten, en die liefde ontbreekt bij ons helaas nog in hooge mate!
„Ook hierboven wordt een strijd gestreden, maar hoe hemelsbreed verschilt die van datgene wat men daaronder op aarde verstaat! Hier is ieder er op uit aan zijne evenmenschen en broeders, het beste te schenken wat hij te geven heeft en wat dienen kan tot bevordering van het welzijn van zijn evenmensch. Hier leeft ieder het groote gemeenschapsleven mede, omdat ieder zich een integreerend deel van die gemeenschap voelt, want gaat het den een goed dan komt het ten bate van ’t geheel. Lijdt daarentegen een der leden, dan lijdt ook de gemeenschap. En hoe gezond en krachtig is deze hier. Hoe ver daarentegen zijn wij op onze aarde nog verwijderd van deze levensidealen en levensopvattingen. Hoe klein zijn wij in vergelijking van u! En toch, eens moet en zal ’t ook op aarde anders en beter worden. Wij, die hier bij u hebben vertoefd, wij zullen, voor zoover ’t in ons vermogen ligt, het zaad uitstrooien van een schooner en reiner leven in de toekomst, zooals wij dat hier zoo heerlijk hebben leeren kennen. Onze reis hierheen was niet tevergeefs. Wat toch beduiden de vermoeienissen en gevaren, die wij hebben doorstaan, vergeleken bij al het reine, schooneen goede wat wij hier hebben mogen genieten. Wij aanvaarden onze thuisreis met een bezwaard hart, met het bewustzijn dat wij hier ons rijkste en schoonste stukje leven hebben doorgebracht, dat zoo oneindig rijk is aan heerlijke herinneringen. Moeder Aarde verlangt echter terug, wat haar toebehoort.
„Nooit, tot onzen laatsten ademtocht, zullen wij vergeten, wat gij ons hebt gegeven, wat gij voor ons geweest zijt, en hoe gij ons hebt geëerd. Wanneer wij later, teruggekeerd in ons vaderland, in nachtelijke uren van uit de verte, uw Mars, uw Kind des Lichts,zien schitteren, dan zullen onze gedachten bij u verwijlen en met stillen weemoed zullen wij terugdenken aan dezen, den schoonsten tijd onzes levens!
„Vaartwel, waarde vrienden! Vaart allen wel! Ik omhels Anan voor u allen en druk hem voor u allen den broederkus der Aardbewoners op het reine voorhoofd. Want broeders zijn wij allen, die zich „menschen” noemen, of zij hier boven dan wel op de aarde wonen.”
Stiller’s woorden hadden op alle aanwezigen een diepen indruk gemaakt, en toen hij nu op Anan, den eerwaardigen grijsaard toetrad en hem den broederkus gaf, dreunde de zaal van luide bijvals-betuigingen.
„Broeder, edele zoon van uw land,” antwoordde Anan, „heb dank voor hetgeen gij hebt gezegd. Ontvang ook van mij,—den ouden zoon van het Kind des Lichts, den broederkus, enkeer met uwe reisgenooten gelukkig huiswaarts. Met hen zult gij zegenrijk werkzaam zijn aan de volmaking der menschheid, dat weet ik! Mijne oogen zullen zich weldra sluiten, in dien slaap waarop geen ontwaken meer volgt, maar zoolang ik nog leef, zal ik met vreugde terugdenken aan de uren, die ik met u in ons Angola heb doorgebracht!”
Eenige dagen na het roerend afscheid te Angola, waren de Zwaben weer in Lumata terug. Stiller was druk met den ballon bezig, waarbij hij door de Marsieten trouw werd geholpen. Door de inmiddels opgedane ervaring, was het hem mogelijk al de tekortkomingen en gebreken waarmede zij op de heenreis te kampen hadden gehad, op afdoende wijze te voorzien. Hij bereidde er zich op voor, dat de terugreis geruimen tijd zou duren, in weerwil van de sterke magnetische aantrekkingskracht van de aarde, die tweemaal zoo groot was als die van Mars.
Sedert de opstijging van de Cannstatter weide op den bewusten Decemberavond, was nu nagenoeg twee en een half jaar verloopen. Mars had zich intusschen vele millioenen kilometers van de aarde verwijderd, zoodat de afstand tusschen deze beide planeten, nagenoeg tweemaal zoo groot was als bij de afreis. Stiller berekende dat zij volgens de gewone tijdrekening, minstens vijf volle maanden in de gondel zouden moeten verblijven, en dan nog altijd in de veronderstelling, dat geen enkele onvoorziene omstandigheid, devaart van den Argonaut zoude belemmeren. Maar nu hij en zijn tochtgenooten, in een tamelijk bevredigenden gezondheidstoestand en zonder noemenswaardigen tegenspoed op Mars waren aangekomen, waarom zou dan op stuk van zaken, de terugtocht niet even goed afloopen. Weliswaar zag de anders zoo moedige man eenigszins op, tegen den vermoedelijk langen duur der terugreis. Vijf volle maanden in de gondel te moeten doorbrengen, en zich allerlei daarmede verbondene ontberingen te moeten getroosten, zooals gebrek aan daglicht en behoorlijke lichaamsbeweging, was wel iets wat zelfs den dappersten den moed zou kunnen benemen.
Stiller schudde echter al die sombere gedachten met kracht van zich af en verheugde zich over de inderdaad buitengewoon groote technische kennis van den stam der Uitvinders, die niet alleen tot vulling van den ballon een gas bereidden, dat geheel overeen kwam met het Argonauton, maar ook de kunst verstonden, om op inderdaad meesterlijke wijze allerlei voedingsmiddelen voor de reis te conserveeren.
Aan electrische kracht, gecomprimeerde lucht, die reeds sedert onheugelijke tijden bij de Uitvinders bekend waren, was evenmin gebrek, en de Argonaut voerde van deze kracht en deze middelen van bestaan een geheel anderen voorraad mee dan toen hij opsteeg.
Zonder gedruisch, zonder eenige verdrietelijkheid was de ballon in elkaar gezet. Wat stak diemanier van werken gunstig af bij die van twee jaar geleden, op de Cannstatter-weide!
Dank zij de hooge ontwikkeling en de bereidwilligheid der Uitvinders, was de Argonaut zóó voortreffelijk in orde, dat de gevaarlijke reis ieder oogenblik kon worden ondernomen. Stiller achtte zich verplicht zijne reisgenooten op de hoogte te houden van het verloop der werkzaamheden. Hij verzweeg zijne vrienden ook den vermoedelijken duur der reis niet.
Eerst waren de collega’s wel eenigszins geschrikt bij het denkbeeld zóó lang in de gondel te moeten vertoeven, doch zij hadden zich er al spoedig overheen gezet en gingen met moed en vertrouwen de toekomst tegemoet. Alleen Frommherz zeide niets. Stil, in zich zelf gekeerd liep hij rond, terwijl de andere heeren bezig waren hunne weinige bezittingen te pakken en naar de gondel te brengen.
De Argonaut was uit de loods te voorschijn gehaald, en lag zacht wiegelend voor anker op de plaats, waar hij eens was neergedaald.
De laatste dag van het verblijf op Mars, was maar al te spoedig aangebroken. Den volgenden morgen, in alle vroegte, zou men van Lumata vertrekken.
Eran, de gastvrije, eerwaardige grijsaard, had er op aangedrongen zijne gasten een schitterend afscheidsmaal aan te bieden, waarvan de plechtigheid en het genot werden verhoogd, door de harpspelers en zangers van Lumata.
Iedereen was op de been, nergens werd gewerkt. De vriendelijke Zwaben hadden zich overal bemind weten te maken en er was niemand, die het heengaan der dappere mannen niet oprecht betreurde. Maar zij hadden daar beneden op aarde vaders, moeders, broeders en zusters en daarom scheen hun terugkeer den Marsieten, bij wie het familie- en gemeenschapsgevoel zoo sterk was ontwikkeld, niet meer dan plicht.
HOOFDSTUK VIII.EEN AFVALLIGE.Gedurende den maaltijd en bij de over het algemeen zenuwachtige stemming, was het niemand opgevallen, dat Frommherz verdween. Toen de tafel was afgeloopen, wat eerst gebeurde toen het alweer begon te dagen, en de aardbewoners opstonden met het plan Eran’s huis, dat hen twee jaar lang had geherbergd, voor goed te verlaten, miste men den vriend. Men zocht hem overal maar vond hem niet. Eindelijk ontdekte men een brief, die in zijn kamer op de tafel lag en geadresseerd was: „Aan mijne vrienden en reisgenooten.”Stiller opende het schrijven en las den inhoud snel door. „Wij hebben helaas met een afvallige te doen,” zeide hij tot zijne vrienden. „Hoor maar wat Frommherz schrijft. Maar laten wij eerst gaan zitten, en daarna beraadslagen wat ons te doen staat.”De heeren voldeden aan dit verzoek en Stiller verzocht Eran en de overige Marsieten met het oog op de afwezigheid van den zevenden reisgenooteen oogenblik geduld te hebben, waarop Eran en zijne vrienden zich terugtrokken en de heeren alleen lieten.„Voor den drommel, ik dacht het wel zoo half en half, dat Frommherz uit het vendel loopen zou,” begon Piller boos. „Toe, Stiller, lees ons dien brief eens voor!”„Vergeef mij, waarde vrienden en tochtgenooten, dat ik u een smartelijke teleurstelling bereid. Ik kan het niet over mij verkrijgen, met u naar de aarde, naar ons vaderland terug te keeren. Ik heb een zwaren strijd gestreden, ik kan Mars niet verlaten, het zou mijn dood zijn, en dien wenscht gij toch niet. Ik heb hierboven alles verwezenlijkt gevonden, waarvan ik daar beneden had gedroomd, en waarnaar ik had gesmacht. En nu zou ik dat Eden verlaten en weer terugkeeren tot die bekrompen levensopvattingen, tot al die onoprechtheid en leugen, terwijl ik zoo langen tijd in het licht der ware reinheid heb geleefd? Neen, ik kan het niet! En heeft niet de eerwaardige Eran het ten slotte aan onze vrije keus gelaten, of wij al dan niet hierboven wilden blijven? Welnu, dan zal ik van zijn vergunning gebruik maken, en u alleen laten vertrekken.„Ik weet, dat ik u krenk met dit besluit, maar werkelijk, ik kan niet anders handelen. Oordeel niet te streng over mij, vergeef mij, en gedenk mijner in liefde. Ik blijf vrijwillig hier boven. U treft dus geen verantwoordelijkheid, dat gij alleen, zonder mij, naar het vaderland terugkeert.Moogt gij het gelukkig weer bereiken! Dat is mijn innige en oprechte wensch. Breng mijn groet over aan Tübingen, aan Zwaben en aan mijne bloedverwanten! Zeg hun, dat ik mij hier boven overgelukkig voel, als ware ik in het Paradijs, en dat ik daarom niet terugkeer naar de aarde met al haar lijden en strijd. Doe geen moeite om mij te zoeken, gij zoudt mij toch niet vinden in mijne veilige schuilplaats, waar ik blijven zal tot gij zult zijn vertrokken. Vaartwel!Ikzal uwer steeds in vriendschap blijven gedenken!”Fridolin Frommherz.Nadat Stiller dezen brief had voorgelezen, heerschte er gedurende eenige oogenblikken een somber stilzwijgen.„Wat een ellendige spelbreker,” begon Dubelmeier te mopperen, „nu begrijp ik in eens, waarom hij zich de laatste weken zoo zonderling heeft gedragen.”„Wij zijn geblameerd, voor altijd geblameerd!” riep Piller, „wat moet men wel van ons denken!”„Laten wij Eran opdragen om Frommherz te zoeken, die vindt den deserteur zeker,” raadde Hämmerle.„Daar zou ik sterk voor zijn,” voegde Thudium er aan toe.„Het gaat toch niet aan, dat wij Frommherz hier achter laten. Of wij blijven allen hier, òf wijkeeren gezamenlijk terug. Dat is duidelijk,” liet Brummhuber er op volgen.„Mijn waarde vrienden, luister eens even naar mij,” begon Stiller, en trachtte zijne opgewonden reisgenooten te kalmeeren. „Ik begrijp en billijk volkomen uwe ontsteltenis over het gedrag van Frommherz, en ik ben het daar volkomen mede eens, maar wij hebben niet het minste recht, om hem onzen wil op te dringen. Hij is destijds vrijwillig meegegaan, en kan nu ook vrijwillig achterblijven. Hij had echter open en eerlijk kunnen handelen, dat is echter iets, wat hij met zijn eigen geweten moet uitmaken. Laten wij de zaak nemen, zooals zij nu eenmaal is. Op den indruk en de herinnering, die wij persoonlijk gemaakt hebben, heeft het blijven van Frommherz niet den minsten invloed. Integendeel wij zijn gebleven waarvoor men ons hield. Frommherz zal het in deze omstandigheden en bij de strenge moraalbegrippen der Marsieten niet gemakkelijk hebben te verantwoorden. Laten wij dus zonder hem vertrekken, ik raad u dit, ook met het oog op hem. Gaanwijsoms met een verlicht hart huiswaarts?”„Neen, zeker niet!” klonk het uit vijf monden.„Welnu, dan zullen wij de positie, waarin onze Frommherz zich vrijwillig heeft gebracht, ten minste zoo goed mogelijk trachten te maken; wij zullen den achterblijver aanbevelen in de vriendschap en welwillendheid van onzen goeden eerwaardigen Eran.”„Dat ontbreekt er nog maar aan,” stoof Piller op.„Waarom niet?”„Ik begrijp u eenvoudig niet, Stiller!”„Nu, laat mij dan rustig uitspreken. Onder het lezen van Frommherz’ brief, kwam het mij zoo in de gedachte, dat het best mogelijk kon zijn, dat onze vriend na ons vertrek, tot straf voor zijn eigenmachtig achterblijven, en daardoor gebleken gemis aan solidariteitsgevoel, naar het land der Uitgeworpenen zou worden verbannen.”„Dan had hij niet meer dan hem toekwam,” bracht Brummhuber in het midden.„Maar juist dat wilde ik hem besparen. Ik zou wenschen dat hij hier onder dezelfde omstandigheden zou kunnen voortleven. Dit bewustzijn doet ons later, met reine gevoelens aan onzen achtergebleven vriend terugdenken, en werpt dan geen schaduw op de herinnering aan ons heerlijk verblijf hierboven. Ik verzoek u daarom vriendelijk, laat mij mijn gang gaan; ik zal straks met Eran spreken, en trachten deze onaangename zaak zoo goed mogelijk met hem in orde te brengen.”„Stiller, gij maakt ons beschaamd, gij zijt een brave kerel, de beste van ons!” Piller snoot bij deze woorden met kracht zijn neus.„Volstrekt niet, maar ik ben niet te vergeefs hier geweest onder deze menschen, die zoo hoog staan in hun handel en wandel. Gij ziet dat ik van hen wat heb geleerd.”„Als een van ons het blijven hier waard was, dan zijt gij het, Stiller!” riep Hämmerle vol geestdrift uit.„Och, houd toch op!” sprak Stiller afwerend. „En nu ga ik naar Eran.”Zonder het minste teeken van verbazing of zonder een woord van verwondering, hoorde de eerbiedwaardige oude, Stiller aan.„Ook ik vind, dat gij er wel aan doet, uwen broeder niet te dwingen, de terugreis mede te maken. Ieder mensch heeft tot zekere hoogte het recht om over zichzelf te beschikken. Maar dat recht neemt niet weg, dat ik de manier, waarop uw voortvluchtige broeder zijn hierblijven wil doorzetten, niet kan billijken. Laat hem echter gerust hier, en keer met uwe andere tochtgenooten naar de aarde terug. Wij zullen met Fridolin niet al te scherp in het gericht treden.”„Daaromtrent wilde ik gaarne eerst gerustgesteld worden, eerwaarde Eran.”„Heb daarover geen zorg! Wanneer hij na uw vertrek te voorschijn komt, dan zal ik zelf hem naar Angola brengen en bij Anan een goed woord voor hem doen. Maar een kleine straf moet hij hebben. Ik heb reeds over den aard daarvan nagedacht.”„En waarin zal die bestaan?” vroeg Stiller die nieuwsgierig geworden was.„Fridolin moet voor ons een woordenboek van uw taal samenstellen. Gij hebt ons tot aandenken eenige werken van uwe grootste vaderlandschedichters geschonken. Welnu, wij wenschen deze werken in het oorspronkelijke te lezen, om ons eene heldere voorstelling van uwe meesters te kunnen maken. Daarvoor hebben wij een woordenboek noodig.”„Nu, tegen deze straf heb ik niets in te brengen, en ik ben overtuigd, dat Fridolin zich van die opdracht tot uwe tevredenheid zal kwijten.”Daarmede was de zaak Frommherz afgeloopen. Stiller deelde het resultaat zijner bespreking aan zijne vrienden mee, en de heeren prezen opnieuw de goedheid en zachtmoedigheid van Eran, den waardigen patriarch.Volgens de gewone tijdrekening, die Stiller ook op Mars had bijgehouden en waarbij hij rekening hield met het verschil in omloopstijd om de zon van Mars en van de aarde, was het nu den 7en Maart geworden, en daarmede de dag van vertrek aangebroken.Eran had er op gestaan, de zes zonen der Aarde tot aan den Argonaut te vergezellen. Ook de geheele volwassen bevolking van Lumata ging mee. Een ernstig stilzwijgen der geheele menigte, gaf uitdrukking aan de oprecht gemeende smart over de op handen zijnde scheiding. Zonder een woord te spreken gingen zij naar de weide, waar de Argonaut wiegelde in het heldere, reine licht van den aanbrekenden dag.„Laten wij kort en spoedig afscheid nemen, en dit niet met vele woorden nog moeilijker maken,” zeide Eran, terwijl hij van de Zwabeneen voor een afscheid nam. „Moge uw terugreis gelukkig zijn, en gij behouden weer in uw vaderland aankomen!”Nog een handdruk, een vriendelijk gewuif naar alle kanten, en de moedige luchtreizigers klommen in de gondel. De touwen werden gekapt en langzaam en statig, begroet door de eerste stralen der opgaande zon, begon de ballon te stijgen.Daar kwam Fridolin Frommherz hard aangeloopen; de menigte maakte hem ruimbaan.„Vaartwel, vrienden!” riep hij met luider stemme. „Nogmaals: vergeef mij, dat ik blijf, en niet met u terugkeer. Gelukkige reis en mijne hartelijke groeten aan mijn dierbaar vaderland.”Maar de heeren in de gondel, hoorden slechts nog zwak, wat Frommherz hun nariep. Antwoorden konden zij niet meer. In steeds sneller vaart verwijderde de Argonaut zich van de wonderschoone planeet, en zweefde weldra weder in het donkere koude luchtruim.
HOOFDSTUK VIII.EEN AFVALLIGE.
Gedurende den maaltijd en bij de over het algemeen zenuwachtige stemming, was het niemand opgevallen, dat Frommherz verdween. Toen de tafel was afgeloopen, wat eerst gebeurde toen het alweer begon te dagen, en de aardbewoners opstonden met het plan Eran’s huis, dat hen twee jaar lang had geherbergd, voor goed te verlaten, miste men den vriend. Men zocht hem overal maar vond hem niet. Eindelijk ontdekte men een brief, die in zijn kamer op de tafel lag en geadresseerd was: „Aan mijne vrienden en reisgenooten.”Stiller opende het schrijven en las den inhoud snel door. „Wij hebben helaas met een afvallige te doen,” zeide hij tot zijne vrienden. „Hoor maar wat Frommherz schrijft. Maar laten wij eerst gaan zitten, en daarna beraadslagen wat ons te doen staat.”De heeren voldeden aan dit verzoek en Stiller verzocht Eran en de overige Marsieten met het oog op de afwezigheid van den zevenden reisgenooteen oogenblik geduld te hebben, waarop Eran en zijne vrienden zich terugtrokken en de heeren alleen lieten.„Voor den drommel, ik dacht het wel zoo half en half, dat Frommherz uit het vendel loopen zou,” begon Piller boos. „Toe, Stiller, lees ons dien brief eens voor!”„Vergeef mij, waarde vrienden en tochtgenooten, dat ik u een smartelijke teleurstelling bereid. Ik kan het niet over mij verkrijgen, met u naar de aarde, naar ons vaderland terug te keeren. Ik heb een zwaren strijd gestreden, ik kan Mars niet verlaten, het zou mijn dood zijn, en dien wenscht gij toch niet. Ik heb hierboven alles verwezenlijkt gevonden, waarvan ik daar beneden had gedroomd, en waarnaar ik had gesmacht. En nu zou ik dat Eden verlaten en weer terugkeeren tot die bekrompen levensopvattingen, tot al die onoprechtheid en leugen, terwijl ik zoo langen tijd in het licht der ware reinheid heb geleefd? Neen, ik kan het niet! En heeft niet de eerwaardige Eran het ten slotte aan onze vrije keus gelaten, of wij al dan niet hierboven wilden blijven? Welnu, dan zal ik van zijn vergunning gebruik maken, en u alleen laten vertrekken.„Ik weet, dat ik u krenk met dit besluit, maar werkelijk, ik kan niet anders handelen. Oordeel niet te streng over mij, vergeef mij, en gedenk mijner in liefde. Ik blijf vrijwillig hier boven. U treft dus geen verantwoordelijkheid, dat gij alleen, zonder mij, naar het vaderland terugkeert.Moogt gij het gelukkig weer bereiken! Dat is mijn innige en oprechte wensch. Breng mijn groet over aan Tübingen, aan Zwaben en aan mijne bloedverwanten! Zeg hun, dat ik mij hier boven overgelukkig voel, als ware ik in het Paradijs, en dat ik daarom niet terugkeer naar de aarde met al haar lijden en strijd. Doe geen moeite om mij te zoeken, gij zoudt mij toch niet vinden in mijne veilige schuilplaats, waar ik blijven zal tot gij zult zijn vertrokken. Vaartwel!Ikzal uwer steeds in vriendschap blijven gedenken!”Fridolin Frommherz.Nadat Stiller dezen brief had voorgelezen, heerschte er gedurende eenige oogenblikken een somber stilzwijgen.„Wat een ellendige spelbreker,” begon Dubelmeier te mopperen, „nu begrijp ik in eens, waarom hij zich de laatste weken zoo zonderling heeft gedragen.”„Wij zijn geblameerd, voor altijd geblameerd!” riep Piller, „wat moet men wel van ons denken!”„Laten wij Eran opdragen om Frommherz te zoeken, die vindt den deserteur zeker,” raadde Hämmerle.„Daar zou ik sterk voor zijn,” voegde Thudium er aan toe.„Het gaat toch niet aan, dat wij Frommherz hier achter laten. Of wij blijven allen hier, òf wijkeeren gezamenlijk terug. Dat is duidelijk,” liet Brummhuber er op volgen.„Mijn waarde vrienden, luister eens even naar mij,” begon Stiller, en trachtte zijne opgewonden reisgenooten te kalmeeren. „Ik begrijp en billijk volkomen uwe ontsteltenis over het gedrag van Frommherz, en ik ben het daar volkomen mede eens, maar wij hebben niet het minste recht, om hem onzen wil op te dringen. Hij is destijds vrijwillig meegegaan, en kan nu ook vrijwillig achterblijven. Hij had echter open en eerlijk kunnen handelen, dat is echter iets, wat hij met zijn eigen geweten moet uitmaken. Laten wij de zaak nemen, zooals zij nu eenmaal is. Op den indruk en de herinnering, die wij persoonlijk gemaakt hebben, heeft het blijven van Frommherz niet den minsten invloed. Integendeel wij zijn gebleven waarvoor men ons hield. Frommherz zal het in deze omstandigheden en bij de strenge moraalbegrippen der Marsieten niet gemakkelijk hebben te verantwoorden. Laten wij dus zonder hem vertrekken, ik raad u dit, ook met het oog op hem. Gaanwijsoms met een verlicht hart huiswaarts?”„Neen, zeker niet!” klonk het uit vijf monden.„Welnu, dan zullen wij de positie, waarin onze Frommherz zich vrijwillig heeft gebracht, ten minste zoo goed mogelijk trachten te maken; wij zullen den achterblijver aanbevelen in de vriendschap en welwillendheid van onzen goeden eerwaardigen Eran.”„Dat ontbreekt er nog maar aan,” stoof Piller op.„Waarom niet?”„Ik begrijp u eenvoudig niet, Stiller!”„Nu, laat mij dan rustig uitspreken. Onder het lezen van Frommherz’ brief, kwam het mij zoo in de gedachte, dat het best mogelijk kon zijn, dat onze vriend na ons vertrek, tot straf voor zijn eigenmachtig achterblijven, en daardoor gebleken gemis aan solidariteitsgevoel, naar het land der Uitgeworpenen zou worden verbannen.”„Dan had hij niet meer dan hem toekwam,” bracht Brummhuber in het midden.„Maar juist dat wilde ik hem besparen. Ik zou wenschen dat hij hier onder dezelfde omstandigheden zou kunnen voortleven. Dit bewustzijn doet ons later, met reine gevoelens aan onzen achtergebleven vriend terugdenken, en werpt dan geen schaduw op de herinnering aan ons heerlijk verblijf hierboven. Ik verzoek u daarom vriendelijk, laat mij mijn gang gaan; ik zal straks met Eran spreken, en trachten deze onaangename zaak zoo goed mogelijk met hem in orde te brengen.”„Stiller, gij maakt ons beschaamd, gij zijt een brave kerel, de beste van ons!” Piller snoot bij deze woorden met kracht zijn neus.„Volstrekt niet, maar ik ben niet te vergeefs hier geweest onder deze menschen, die zoo hoog staan in hun handel en wandel. Gij ziet dat ik van hen wat heb geleerd.”„Als een van ons het blijven hier waard was, dan zijt gij het, Stiller!” riep Hämmerle vol geestdrift uit.„Och, houd toch op!” sprak Stiller afwerend. „En nu ga ik naar Eran.”Zonder het minste teeken van verbazing of zonder een woord van verwondering, hoorde de eerbiedwaardige oude, Stiller aan.„Ook ik vind, dat gij er wel aan doet, uwen broeder niet te dwingen, de terugreis mede te maken. Ieder mensch heeft tot zekere hoogte het recht om over zichzelf te beschikken. Maar dat recht neemt niet weg, dat ik de manier, waarop uw voortvluchtige broeder zijn hierblijven wil doorzetten, niet kan billijken. Laat hem echter gerust hier, en keer met uwe andere tochtgenooten naar de aarde terug. Wij zullen met Fridolin niet al te scherp in het gericht treden.”„Daaromtrent wilde ik gaarne eerst gerustgesteld worden, eerwaarde Eran.”„Heb daarover geen zorg! Wanneer hij na uw vertrek te voorschijn komt, dan zal ik zelf hem naar Angola brengen en bij Anan een goed woord voor hem doen. Maar een kleine straf moet hij hebben. Ik heb reeds over den aard daarvan nagedacht.”„En waarin zal die bestaan?” vroeg Stiller die nieuwsgierig geworden was.„Fridolin moet voor ons een woordenboek van uw taal samenstellen. Gij hebt ons tot aandenken eenige werken van uwe grootste vaderlandschedichters geschonken. Welnu, wij wenschen deze werken in het oorspronkelijke te lezen, om ons eene heldere voorstelling van uwe meesters te kunnen maken. Daarvoor hebben wij een woordenboek noodig.”„Nu, tegen deze straf heb ik niets in te brengen, en ik ben overtuigd, dat Fridolin zich van die opdracht tot uwe tevredenheid zal kwijten.”Daarmede was de zaak Frommherz afgeloopen. Stiller deelde het resultaat zijner bespreking aan zijne vrienden mee, en de heeren prezen opnieuw de goedheid en zachtmoedigheid van Eran, den waardigen patriarch.Volgens de gewone tijdrekening, die Stiller ook op Mars had bijgehouden en waarbij hij rekening hield met het verschil in omloopstijd om de zon van Mars en van de aarde, was het nu den 7en Maart geworden, en daarmede de dag van vertrek aangebroken.Eran had er op gestaan, de zes zonen der Aarde tot aan den Argonaut te vergezellen. Ook de geheele volwassen bevolking van Lumata ging mee. Een ernstig stilzwijgen der geheele menigte, gaf uitdrukking aan de oprecht gemeende smart over de op handen zijnde scheiding. Zonder een woord te spreken gingen zij naar de weide, waar de Argonaut wiegelde in het heldere, reine licht van den aanbrekenden dag.„Laten wij kort en spoedig afscheid nemen, en dit niet met vele woorden nog moeilijker maken,” zeide Eran, terwijl hij van de Zwabeneen voor een afscheid nam. „Moge uw terugreis gelukkig zijn, en gij behouden weer in uw vaderland aankomen!”Nog een handdruk, een vriendelijk gewuif naar alle kanten, en de moedige luchtreizigers klommen in de gondel. De touwen werden gekapt en langzaam en statig, begroet door de eerste stralen der opgaande zon, begon de ballon te stijgen.Daar kwam Fridolin Frommherz hard aangeloopen; de menigte maakte hem ruimbaan.„Vaartwel, vrienden!” riep hij met luider stemme. „Nogmaals: vergeef mij, dat ik blijf, en niet met u terugkeer. Gelukkige reis en mijne hartelijke groeten aan mijn dierbaar vaderland.”Maar de heeren in de gondel, hoorden slechts nog zwak, wat Frommherz hun nariep. Antwoorden konden zij niet meer. In steeds sneller vaart verwijderde de Argonaut zich van de wonderschoone planeet, en zweefde weldra weder in het donkere koude luchtruim.
Gedurende den maaltijd en bij de over het algemeen zenuwachtige stemming, was het niemand opgevallen, dat Frommherz verdween. Toen de tafel was afgeloopen, wat eerst gebeurde toen het alweer begon te dagen, en de aardbewoners opstonden met het plan Eran’s huis, dat hen twee jaar lang had geherbergd, voor goed te verlaten, miste men den vriend. Men zocht hem overal maar vond hem niet. Eindelijk ontdekte men een brief, die in zijn kamer op de tafel lag en geadresseerd was: „Aan mijne vrienden en reisgenooten.”
Stiller opende het schrijven en las den inhoud snel door. „Wij hebben helaas met een afvallige te doen,” zeide hij tot zijne vrienden. „Hoor maar wat Frommherz schrijft. Maar laten wij eerst gaan zitten, en daarna beraadslagen wat ons te doen staat.”
De heeren voldeden aan dit verzoek en Stiller verzocht Eran en de overige Marsieten met het oog op de afwezigheid van den zevenden reisgenooteen oogenblik geduld te hebben, waarop Eran en zijne vrienden zich terugtrokken en de heeren alleen lieten.
„Voor den drommel, ik dacht het wel zoo half en half, dat Frommherz uit het vendel loopen zou,” begon Piller boos. „Toe, Stiller, lees ons dien brief eens voor!”
„Vergeef mij, waarde vrienden en tochtgenooten, dat ik u een smartelijke teleurstelling bereid. Ik kan het niet over mij verkrijgen, met u naar de aarde, naar ons vaderland terug te keeren. Ik heb een zwaren strijd gestreden, ik kan Mars niet verlaten, het zou mijn dood zijn, en dien wenscht gij toch niet. Ik heb hierboven alles verwezenlijkt gevonden, waarvan ik daar beneden had gedroomd, en waarnaar ik had gesmacht. En nu zou ik dat Eden verlaten en weer terugkeeren tot die bekrompen levensopvattingen, tot al die onoprechtheid en leugen, terwijl ik zoo langen tijd in het licht der ware reinheid heb geleefd? Neen, ik kan het niet! En heeft niet de eerwaardige Eran het ten slotte aan onze vrije keus gelaten, of wij al dan niet hierboven wilden blijven? Welnu, dan zal ik van zijn vergunning gebruik maken, en u alleen laten vertrekken.
„Ik weet, dat ik u krenk met dit besluit, maar werkelijk, ik kan niet anders handelen. Oordeel niet te streng over mij, vergeef mij, en gedenk mijner in liefde. Ik blijf vrijwillig hier boven. U treft dus geen verantwoordelijkheid, dat gij alleen, zonder mij, naar het vaderland terugkeert.Moogt gij het gelukkig weer bereiken! Dat is mijn innige en oprechte wensch. Breng mijn groet over aan Tübingen, aan Zwaben en aan mijne bloedverwanten! Zeg hun, dat ik mij hier boven overgelukkig voel, als ware ik in het Paradijs, en dat ik daarom niet terugkeer naar de aarde met al haar lijden en strijd. Doe geen moeite om mij te zoeken, gij zoudt mij toch niet vinden in mijne veilige schuilplaats, waar ik blijven zal tot gij zult zijn vertrokken. Vaartwel!Ikzal uwer steeds in vriendschap blijven gedenken!”
Fridolin Frommherz.
Nadat Stiller dezen brief had voorgelezen, heerschte er gedurende eenige oogenblikken een somber stilzwijgen.
„Wat een ellendige spelbreker,” begon Dubelmeier te mopperen, „nu begrijp ik in eens, waarom hij zich de laatste weken zoo zonderling heeft gedragen.”
„Wij zijn geblameerd, voor altijd geblameerd!” riep Piller, „wat moet men wel van ons denken!”
„Laten wij Eran opdragen om Frommherz te zoeken, die vindt den deserteur zeker,” raadde Hämmerle.
„Daar zou ik sterk voor zijn,” voegde Thudium er aan toe.
„Het gaat toch niet aan, dat wij Frommherz hier achter laten. Of wij blijven allen hier, òf wijkeeren gezamenlijk terug. Dat is duidelijk,” liet Brummhuber er op volgen.
„Mijn waarde vrienden, luister eens even naar mij,” begon Stiller, en trachtte zijne opgewonden reisgenooten te kalmeeren. „Ik begrijp en billijk volkomen uwe ontsteltenis over het gedrag van Frommherz, en ik ben het daar volkomen mede eens, maar wij hebben niet het minste recht, om hem onzen wil op te dringen. Hij is destijds vrijwillig meegegaan, en kan nu ook vrijwillig achterblijven. Hij had echter open en eerlijk kunnen handelen, dat is echter iets, wat hij met zijn eigen geweten moet uitmaken. Laten wij de zaak nemen, zooals zij nu eenmaal is. Op den indruk en de herinnering, die wij persoonlijk gemaakt hebben, heeft het blijven van Frommherz niet den minsten invloed. Integendeel wij zijn gebleven waarvoor men ons hield. Frommherz zal het in deze omstandigheden en bij de strenge moraalbegrippen der Marsieten niet gemakkelijk hebben te verantwoorden. Laten wij dus zonder hem vertrekken, ik raad u dit, ook met het oog op hem. Gaanwijsoms met een verlicht hart huiswaarts?”
„Neen, zeker niet!” klonk het uit vijf monden.
„Welnu, dan zullen wij de positie, waarin onze Frommherz zich vrijwillig heeft gebracht, ten minste zoo goed mogelijk trachten te maken; wij zullen den achterblijver aanbevelen in de vriendschap en welwillendheid van onzen goeden eerwaardigen Eran.”
„Dat ontbreekt er nog maar aan,” stoof Piller op.
„Waarom niet?”
„Ik begrijp u eenvoudig niet, Stiller!”
„Nu, laat mij dan rustig uitspreken. Onder het lezen van Frommherz’ brief, kwam het mij zoo in de gedachte, dat het best mogelijk kon zijn, dat onze vriend na ons vertrek, tot straf voor zijn eigenmachtig achterblijven, en daardoor gebleken gemis aan solidariteitsgevoel, naar het land der Uitgeworpenen zou worden verbannen.”
„Dan had hij niet meer dan hem toekwam,” bracht Brummhuber in het midden.
„Maar juist dat wilde ik hem besparen. Ik zou wenschen dat hij hier onder dezelfde omstandigheden zou kunnen voortleven. Dit bewustzijn doet ons later, met reine gevoelens aan onzen achtergebleven vriend terugdenken, en werpt dan geen schaduw op de herinnering aan ons heerlijk verblijf hierboven. Ik verzoek u daarom vriendelijk, laat mij mijn gang gaan; ik zal straks met Eran spreken, en trachten deze onaangename zaak zoo goed mogelijk met hem in orde te brengen.”
„Stiller, gij maakt ons beschaamd, gij zijt een brave kerel, de beste van ons!” Piller snoot bij deze woorden met kracht zijn neus.
„Volstrekt niet, maar ik ben niet te vergeefs hier geweest onder deze menschen, die zoo hoog staan in hun handel en wandel. Gij ziet dat ik van hen wat heb geleerd.”
„Als een van ons het blijven hier waard was, dan zijt gij het, Stiller!” riep Hämmerle vol geestdrift uit.
„Och, houd toch op!” sprak Stiller afwerend. „En nu ga ik naar Eran.”
Zonder het minste teeken van verbazing of zonder een woord van verwondering, hoorde de eerbiedwaardige oude, Stiller aan.
„Ook ik vind, dat gij er wel aan doet, uwen broeder niet te dwingen, de terugreis mede te maken. Ieder mensch heeft tot zekere hoogte het recht om over zichzelf te beschikken. Maar dat recht neemt niet weg, dat ik de manier, waarop uw voortvluchtige broeder zijn hierblijven wil doorzetten, niet kan billijken. Laat hem echter gerust hier, en keer met uwe andere tochtgenooten naar de aarde terug. Wij zullen met Fridolin niet al te scherp in het gericht treden.”
„Daaromtrent wilde ik gaarne eerst gerustgesteld worden, eerwaarde Eran.”
„Heb daarover geen zorg! Wanneer hij na uw vertrek te voorschijn komt, dan zal ik zelf hem naar Angola brengen en bij Anan een goed woord voor hem doen. Maar een kleine straf moet hij hebben. Ik heb reeds over den aard daarvan nagedacht.”
„En waarin zal die bestaan?” vroeg Stiller die nieuwsgierig geworden was.
„Fridolin moet voor ons een woordenboek van uw taal samenstellen. Gij hebt ons tot aandenken eenige werken van uwe grootste vaderlandschedichters geschonken. Welnu, wij wenschen deze werken in het oorspronkelijke te lezen, om ons eene heldere voorstelling van uwe meesters te kunnen maken. Daarvoor hebben wij een woordenboek noodig.”
„Nu, tegen deze straf heb ik niets in te brengen, en ik ben overtuigd, dat Fridolin zich van die opdracht tot uwe tevredenheid zal kwijten.”
Daarmede was de zaak Frommherz afgeloopen. Stiller deelde het resultaat zijner bespreking aan zijne vrienden mee, en de heeren prezen opnieuw de goedheid en zachtmoedigheid van Eran, den waardigen patriarch.
Volgens de gewone tijdrekening, die Stiller ook op Mars had bijgehouden en waarbij hij rekening hield met het verschil in omloopstijd om de zon van Mars en van de aarde, was het nu den 7en Maart geworden, en daarmede de dag van vertrek aangebroken.
Eran had er op gestaan, de zes zonen der Aarde tot aan den Argonaut te vergezellen. Ook de geheele volwassen bevolking van Lumata ging mee. Een ernstig stilzwijgen der geheele menigte, gaf uitdrukking aan de oprecht gemeende smart over de op handen zijnde scheiding. Zonder een woord te spreken gingen zij naar de weide, waar de Argonaut wiegelde in het heldere, reine licht van den aanbrekenden dag.
„Laten wij kort en spoedig afscheid nemen, en dit niet met vele woorden nog moeilijker maken,” zeide Eran, terwijl hij van de Zwabeneen voor een afscheid nam. „Moge uw terugreis gelukkig zijn, en gij behouden weer in uw vaderland aankomen!”
Nog een handdruk, een vriendelijk gewuif naar alle kanten, en de moedige luchtreizigers klommen in de gondel. De touwen werden gekapt en langzaam en statig, begroet door de eerste stralen der opgaande zon, begon de ballon te stijgen.
Daar kwam Fridolin Frommherz hard aangeloopen; de menigte maakte hem ruimbaan.
„Vaartwel, vrienden!” riep hij met luider stemme. „Nogmaals: vergeef mij, dat ik blijf, en niet met u terugkeer. Gelukkige reis en mijne hartelijke groeten aan mijn dierbaar vaderland.”
Maar de heeren in de gondel, hoorden slechts nog zwak, wat Frommherz hun nariep. Antwoorden konden zij niet meer. In steeds sneller vaart verwijderde de Argonaut zich van de wonderschoone planeet, en zweefde weldra weder in het donkere koude luchtruim.
HOOFDSTUK IX.WEDER OP AARDE.Ook te Stuttgart was, sedert het opzienbarend vertrek der zeven Zwaben, de tijd niet blijven stilstaan. Waar of die landslui, die waaghalzen, wel zijn mochten? Zouden zij werkelijk Mars hebben bereikt? Misschien waren zij in het geheel niet op deze planeet beland, maar neergedaald op een der talrijke planetoïden; misschien ook was de geheele expeditie verongelukt en waren de ongelukkige natuurvorschers voor altijd in het onmetelijk wereldruim verdwenen. Deze laatste meening werd vrijwel algemeen gedeeld en voor waar aangenomen.Na de opstijging van den Argonaut werd aanvankelijk te Stuttgart nog veel en levendig over die reis der natuurvorschers geredeneerd en allerlei vragen geopperd; langzamerhand echter verflauwde de levendige belangstelling in de Marsexpeditie. Nieuwe vragen des tijds, meer actueele gebeurtenissen hadden zich voorgedaan, en verdrongen eindelijk de herinnering aan de sprookjesachtige onderneming.Plotseling, als een bliksemstraal uit helderen hemel, ontving men op zekeren Septemberdag te Stuttgart het bericht, dat de heeren professoren, die voor ongeveer drie jaar van de Cannstatterweide waren opgestegen, op een van de eilanden der Zuidzee waren neergedaald en wel met den Argonaut.In het eerste oogenblik wilde niemand aan dit bericht geloof hechten, en hield men het voor een zeer misplaatste grap. Toen het echter verscheen in het „Staatsblad voor het Koninkrijk Wurtemberg” en door duizenden extra bladen werd verspreid, werd zelfs de meest hardnekkige twijfelaar van de waarheid van dit bericht overtuigd.Een telegrafisch bericht luidde lakoniek kort:Matupi, 31 Aug. ’s nachts.Argonaut van Mars terug, hier neergedaald. Stiller, Piller, Brummhuber, Hämmerle, Dubelmeier, Thudium.—Betrekkelijk welvarend.w. g. Districtshoofd.In de eerste groote verrassing viel het in het geheel niet op, dat er in het telegram slechts van zes personen sprake was. Eerst langzamerhand begon men er aan te denken, dat toch nog een zevende aan de expeditie had deelgenomen. De conclusie was spoedig gemaakt. Frommherz was ongetwijfeld gedurende de reis gestorven.Met het grootste ongeduld zag men in Zwaben,in Duitschland, ja in de geheele beschaafde wereld, nadere berichten te gemoet. Welke belangrijke mededeelingen, kon men van de reeds verloren gewaande natuurvorschers verwachten!De eerste tijd na het vertrek van Mars, ging vrij dragelijk voor de bezoekers der planeet voorbij. Zooals Stiller reeds had uitgemaakt, was de Argonaut in de goede richting en ondervond den invloed van de aantrekkingskracht der aarde. De reis stelde weer hooge eischen aan de heeren met betrekking tot hunne gezondheid, geduld en volharding. Maanden waren sedert verloopen en het einddoel van de reis, de aarde, was nog maar altijd niet in het zicht. De stakkerds voelden zich hoe langer hoe meer uitgeput, en benijdden in stilte vaak den achtergebleven Frommherz. Maar eindelijk moet toch, zelfs na den langsten en donkersten nacht, de dag weer gloren!Het liep tegen het einde van Augustus. Reeds meer dan vijf maanden bewoog de Argonaut zich door het aetherruim, en Stiller verwachtte iederen dag met het luchtschip in den dampkring der aarde te komen. Juist, een flauwe schemering kondigde de nabijheid daarvan aan!Evenals vroeger bij het naderen van Mars, in een oogwenk de herinnering aan alle, gedurende de reis, doorgestane ellende was verdwenen, werd dit ook nu het geval.Toen Stiller zijne tochtgenooten meedeelde, dat zij zoo even in den dampkring der aardewaren gekomen, en waarschijnlijk nog heden ergens op den aardbol landen zouden, wanneer zijne vrienden er ten minste niet de voorkeur aan gaven dadelijk door te reizen naar Duitschland, werd er in de gondel luide gejubeld.Vergeten was plotseling alle kommer en ellende, alle lichamelijk ongemak.„Waar of het ook wezen moge, dalen en uit deze vervloekte kast,” riep Piller. „Wij zijn nu waarachtig lang genoeg opgesloten geweest!”„Piller heeft gelijk,” zei Thudium.„Geen uur langer dan bepaald noodzakelijk is, blijf ik in deze afschuwelijke kooi,” verklaarde Hämmerle, en Dubelmeier en Brummhuber waren het volkomen met hem eens.„Wanneer het zóó met u gesteld is, landen wij maar waar we kunnen,” antwoordde Stiller, kalm als altijd. „Wij moeten er echter voor zorgen, dat wij in eene beschaafde streek dalen, en niet bij vergissing in den vollen Oceaan terechtkomen.”„Daarvoor moet gij maar zorgen, Stiller,” zeide Piller. „En nu, vrienden, laten wij met dien heerlijken Marswijn drinken op onze gelukkig volbrachte reis. Het is mij eene ware vreugde, mijn goede Dubelmeier, dat ik u gedurende dezen tocht van Saulus tot Paulus heb gemaakt, en u wijn heb leeren drinken in plaats van water. Prosit!”Terwijl de overige heeren de bokaal, een prachtig kunststuk der Marsieten, dat men hunte Angola ten geschenke had gegeven, lieten rondgaan, had Stiller het ventiel van den ballon een weinig geopend en een der vensters van de gondel ontsloten. De Argonaut daalde snel.„Wanneer ik mij niet bedrieg, dan zweven wij op het oogenblik boven de oostkust van Australië,” zeide Stiller, nadat hij een blik door het venster had geworpen. „Wij zullen bij Brisbane in Queensland landen.”„Prachtig, Stiller, oude jongen! Prosit! Daar zullen wij eens op drinken.” Piller wilde juist zijn collega de bokaal met wijn toereiken toen de gondel plotseling een hevigen windstoot kreeg die haar met ballon en al deed ronddraaien. De bokaal viel op den bodem, en de heeren zelf moesten zich aan de meest nabijzijnde vaste voorwerpen vastklemmen, wilden zij niet als ballen door elkander rollen.„Wij zijn op het laatste oogenblik in een cycloon terecht gekomen, zooals hier in de buurt dikwijls voorkomen,” riep Stiller zijne verschrikte reisgenooten toe. „Nu komt het er vooral op aan moed te houden. Wij zijn nu aan het blinde toeval overgeleverd.”Gedurende de eerstvolgende angstige uren woedde de orkaan in onverminderde hevigheid en kracht. De wind blies huilend door het opene geheel vernielde venster van de gondel, en deed daarbinnen alles wat niet bevestigd was, door elkander waaien. Het was bij het vreeselijk loeien van den orkaan niet mogelijk een woord te wisselen.Voor meerdere zekerheid moesten die in de gondel waren, zich op den bodem neerleggen.Hulpeloos dreef de ballon waar de stormwind hem joeg. Het was een tragisch lot, dat in het laatste oogenblik der reis, zoo kort voor de landing op aarde, de reizigers trof; en daarbij bestond nog het groote gevaar, dat de Argonaut naar zee gedreven zou worden en de expeditie na de ongehoorde reis naar en van Mars, tot dusver zoo gelukkig te hebben volbracht, tenslotte toch nog zou verdrinken.De zes mannen waren van treurige, sombere gedachten vervuld. Verscheidene uren verliepen. De dag die onder zulke heerlijke voorteekenen was begonnen, liep ten einde.De storm scheen te bedaren, mogelijk ook was de Argonaut buiten den maalstroom van den wervelwind geslingerd. In elk geval, de dolle vaart door de lucht verminderde merkbaar en de heeren konden eindelijk uit hunne minder aangename positie opstaan en naar buiten kijken. Tot hunne vreugde bemerkten zij, dat de ballon dreef naar den kant van een grooten inham, met een bosch van groene kokospalmen tot achtergrond en omzoomd door vriendelijke kleine huizen.Fluks opende Stiller het ventiel van den Argonaut, toen deze juist boven het palmbosch zweefde. Met volle zwaarte viel de ballon op de hooge palmboomen neer, die krakend braken. In het wit gekleede mannen snelden toe, gevolgd door bijna naakte donkere gestalten, de inboorlingen,die schreeuwend en gesticuleerend rondom de open plek stonden, die de Argonaut in het palmbosch zich had gemaakt. Uit de gondel vernam men de stemmen der reizigers.„Dat schijnen wel Duitschers te zijn!” riep een der mannen, eene slanke gestalte met blonden baard en blauwe oogen.„Ja, dat zijn wij!” riep Stiller uit de gondel. „Wees zoo goed en help mij den ballon vastmaken. Hier is het touw met het anker.”„Met genoegen,” antwoordde de heer, „hier jongens, helpt eens een handje, maakt dat anker vast!” Met deze woorden, wendde hij zich tot de rondom staande zwartjes, en weldra lag de zwaar toegetakelde Argonaut geankerd in het palmenwoud.„Waar zijn wij?” vroeg Piller uit het gondelvenster.„Op Duitschen bodem!”„Sedert wanneer groeien er palmen in het Duitsche Rijk?”„Sedert wij koloniën hebben,” was het lachende antwoord. „Gij zijt in den Bismarck archipel op Matupi.”„Zoo, dus op eene Duitsche bezitting! Nu dàt noem ik nog eens geluk bij een ongeluk!” lachte Brummhuber.„Ja, het scheelde werkelijk niet veel, of wij waren verdronken,” merkte Dubelmeier op.„Nu, dan waart ge in uw element, het water,” schertste Piller.„Komt, vrienden, stapt uit; wij zijn eindelijk op vasten bodem,” sprak Stiller.Toen de heeren uitgestapt waren, stelde de behulpzame blanke zich voor, als Sebastiaan Scheufele uit Cannstatt-Stuttgart, sedert drie jaren keizerlijk districtshoofd op Matupi.„Wij zijn ook Zwaben,” zeide Stiller lachend, „wij zijn professoren aan de universiteit te Tübingen en indertijd met onzen ballon van de Cannstatterweide opgestegen. Zwaben schijnt men overal in de wereld toch te vinden! Mocht ge nog eens ooit van uw leven op Mars komen, dan zult gij zelfs dáár een landsman aantreffen!”Het districtshoofd keek den spreker eenigszins verbaasd aan, alsof hij hem niet goed begrepen had.„Gij komt dus met uw ballon uit Cannstatt?”„Direct, neen, indirect ja. Direct komen wij van Mars. Hebt gij nooit van de expeditie van Mars gehoord? Het is trouwens ook al ongeveer 2¾ jaar geleden dat wij van de Cannstatterweide opstegen.”„Ah, ja, nu herinner ik mij, dat ik in het Zwabensch Handelsblad wel iets over die vreemdsoortige reis heb gelezen. En—gij zijt dus werkelijk die zeven Zwaben? Maar ik zie er maar zes....”„O, gij bekrompen aardbewoners,” viel Piller den twijfelaar in de rede, gelooft gij werkelijk dat zes eerwaardige Zwabensche professoren u wat leugens op den mouw zullen spelden? Wijzijn de zeven Zwaben, die naar Mars gingen. Wij zijn twee jaar daarboven geweest, en komen met ons zessen terug, omdat de zevende daarginds verkoos te blijven. Begrijpt gij het nu eindelijk, man, of moet ik u nog andere tastelijke bewijzen geven, dat wij diegenen zijn, waarvoor wij ons uitgeven? Overigens is mijn naam Paracelsus Piller.”„Neen, neen,” riep Scheufele uit, „neem me niet kwalijk, ik geloof u op uw woord, ik was alleen maar wat in de war, en geheel van streek door wat ik gehoord had.”„Nu, wij willen het u gaarne vergeven, onder voorwaarde, dat gij ons, die sedert een half jaar geen warme soep hebben geproefd, een lekker warm maal met goeden wijn voorzet.”„Maar natuurlijk, zeker, met het grootste genoegen! Komt mee, heeren, als ’t u blieft!”„Het loopen valt ons wat moeilijk, onze ledematen zijn tamelijk stijf geworden,” deelde Stiller aan het districtshoofd mede, toen hij eenigszins ongelukkig naast hem voortstrompelde. „Wij zijn den 7en Maart van daarboven vertrokken, en als ik mij niet vergis, hebben wij nu 31 Augustus. We zijn dus ongeveer 6 maanden in de gondel geweest, een langen bangen tijd!”„Wat ben ik er trotsch op, dat gij juist hier bij ons moest landen!”„Het heeft maar een haar gescheeld, of wij waren nog op het laatste oogenblik verongelukt, en niemand had dan ooit iets van ons wedervarenop Mars vernomen. Maar ik geloof dat we hier zijn, waar we wezen moeten.”„Gaat binnen, heeren, in mijn huis, beschouwt het alles als het uwe en laat mij de eerste zijn, die u de moedigste reizigers, die ooit hebben geleefd, op Duitschen bodem welkom heet. Duidt het mij niet ten kwade, dat ik eerst nu, dien beleefdheidsvorm in acht neem, maar ik was door uwe verrassende verschijning geheel verbluft.”Scheufele schudde ieder der professoren hartelijk de hand, en stelde hun de overige heeren voor, die allen, de van den hemel nedergedaalde gasten met de meeste hoogachting begroetten.De luchtreizigers ontdeden zich allereerst van hunne pelzen en maakten daarna gaarne gebruik van het aanbod van hun gastheer, om hunne Zware reiskleeding tegen lichte, witte tropencostuums te verwisselen, die hij in een aangrenzend vertrek had doen klaar leggen. Weldra waren zij hiermee gereed, en lagen de heeren in hunne luchtige kleederdracht in schommelstoelen onder de waranda.Daarbuiten viel de regen in stroomen neer, en het kletterend geluid op het dak verhoogde het gevoel van behagelijke huiselijkheid.Scheufele zorgde intusschen voor eene hartsterking, en de zwarte bedienden, die zonder geruisch te maken rondliepen, schonken champagne.„Morgen moet gij onzen Marswijn eens proeven,” zeide Piller tot Scheufele, toen hij zijnglas in één teug ledigde en het ten tweede maal liet vullen.„Wat, hebt gij zelfs wijn van daarboven medegebracht?” vroeg Scheufele verwonderd.„En wat goeden!” hernam Piller. „Zelfs mijn anders alleen waterdrinkende collega hier, professor Dubelmeier, was er niet tegen bestand, en is voor de verzoeking bezweken!”„Gedwongen door de omstandigheden,” bracht Dubelmeier er tegen in.„Daarover zullen wij maar niet kibbelen, Dubelmeiertje, laten wij liever eens klinken en drinken op Zwaben en het Duitsche vaderland.”„En nu, een hiep, hiep, hoera! voor onze hoogvereerde gasten,” zeide Scheufele tot de beambten van Matupi. Nadat het hoera-geroep was verstomd, werd aangekondigd dat de maaltijd gereed was, en begaf het gezelschap zich naar de eetkamer.De heeren tastten met grooten eetlust toe, en weldra was het onderhoud levendig en algemeen.„Ik zal uw aankomst dadelijk naar Stuttgart telegrafeeren; wat een groote verrassing zal dat bericht daar in het lieve vaderland zijn!” zei Scheufele.„Ja, doe dat,” hernam Stiller. „Ik denk dat wij per extra gelegenheid naar Duitschland zullen terugkeeren.”„Wij hebben hier een veertiendaagsche stoomvaart op Singapore, en vandaar kunt gij natuurlijkaltijd verbinding krijgen met Europa. Ik ben blij, dat de laatste boot verleden week juist vertrokken is, zoodat gij nog zeven volle dagen onze welkome gasten zijn moet,” zei Scheufele lachend. „Gij zult op uw reis en daarboven wel veel wonderlijks hebben beleefd en gezien?”„Daarover zullen wij een paar boeken uitgeven,want onze berichten zullen deelen vullen,” antwoordde Stiller.„En dat werk zullen wij u later zenden, als bewijs van dankbaarheid voor uwe gastvrije ontvangst,” liet Piller er op volgen. „Want wanneer wij alles wat we hebben beleefd u mondeling moesten meedeelen, zouden wij nog menige stoomboot moeten laten voorbijgaan; en dat gaat niet! Wij verlangen er veel te hard naar, om nu eindelijk thuis te komen.”„Dat kan ik mij levendig voorstellen, gij zult wel allerlei interessante dingen van Mars hebben meegebracht.”„Zeker, morgen zullen wij u het een en ander laten zien, en daaruit zult gij dan kunnen opmaken, op welken hoogen trap van beschaving de bewoners van die prachtige planeet staan; die in zich het meest verheven begrip van „mensch zijn” verwezenlijken,” antwoordde Stiller. „Wij zouden echter niet graag voor de tweede maal die reis maken; niet alleen is zij vol gevaren, maar ook ontzettend vermoeiend. Het was niet onze eigen verdienste, maar louter toeval, dat wij de reis heen en weer door het luchtruimonder betrekkelijk gunstige omstandigheden konden volbrengen. En toen wij van morgen juist over Queensland zweefden, en voornemens waren op Brisbane aan te sturen, overviel ons plotseling de orkaan en dreef ons hierheen.”„Het is zeker zeer te betreuren dat gij tot besluit van uw buitengewone reis nog in een cycloon terecht moest komen. Zooals ik hoorde, heeft de storm op andere eilanden van den archipel zwaar gewoed. Maar ik ben dien wervelwind toch dankbaar dat hij u, de beroemde zonen van Zwaben, hierheen heeft gedreven!”„O gij vleier!” zei Piller tot Scheufele. „Maar nu zouden wij u toch oprecht dankbaar zijn, wanneer gij ons een bed wildet wijzen, want dat hebben wij langen tijd moeten ontberen.”De reizigers werden nu bij de verschillende beambten te Matupi onder dak gebracht, en weldra lagen zij allen in een diepen, rustigen slaap.Nog dienzelfden avond verzond Scheufele het telegram naar Stuttgart.Toen de reizigers zich den volgenden morgen door een bad in het frissche water van de golf hadden verkwikt, kwam er reeds antwoord uit Stuttgart. Zoowel het stedelijke-, als het Staatsbestuur heetten de reizigers van harte welkom op aarde, en verzochten tevens om bericht betreffende den heer Frommherz, daar van hem geen melding was gemaakt op de lijst der teruggekeerden.„Frommherz vrijwillig op Mars achtergebleven. Expeditie volkomen gelukt. Twee jaren daarboven geweest. Hopen binnen vier weken te Stuttgart aan te komen.Stiller.”Met bewondering bekeken Scheufele en de beambten de inrichting van de gondel, die Stiller hun liet zien en verklaarde. Nog meer waren ze verbaasd over de uit zilver en goud vervaardigde kunstproducten, en over de vele en kostbare geschenken der Marsieten. Het Gulden Boek vond men helaas niet meer terug. Daar de gondel gedurende den nacht gesloten was geweest, viel aan diefstal niet te denken en nog te minder, daar de Papoea’s geen verstand hadden van de waarde van het boek. Men moest daarom wel tot de veronderstelling komen, dat het boek door een der kleppen van de gondel in het heelal gevallen was. Het was een onherstelbaar verlies dat de geleerden zeer ter nederdrukte. Eindelijk echter kreeg de vreugde over de behouden terugkeer de overhand over alle treurige gedachten.Piller stond er op, de heeren van Matupi te onthalen op het kleine restant van den Marswijn. Zij verklaarden allen nog nooit zulk een fijnen en geurigen wijn te hebben gedronken.De dagen die men te Matupi doorbracht, werden gebruikt voor het inpakken van alles wat men had meegebracht en het opbergen der instrumenten.Ballon en gondel zouden later verpakt en naar huis gezonden worden.Precies den 7en September in den vroegen morgen stoomde de Venus de haven binnen, en ging tegenover de factorij van Matupi voor anker. Na een hartelijk afscheid vertrokken de heeren nog dienzelfden avond.„Wat een merkwaardig toeval!” zeide Stiller tot zijne tochtgenooten, toen zij het zich ’s avonds aan boord van de stoomboot gemakkelijk hadden gemaakt. „We komen van Mars, varen op de Venus door de blauwe golven der Zuidzee terwijl, zooals Scheufele mij zeide, te Singapore ons de „Stuttgart” wacht, die ons naar Genua brengen zal.”Een week later kwam de boot te Singapore aan. Reeds bij het binnenvaren der ruime haven, was de Venus, met de beroemde Zwabensche passagiers aan boord, het voorwerp van veler belangstelling.De talrijke in de haven liggende schepen van alle mogelijke natiën, waren gepavoiseerd, en zelfs de Maleische prauwen en de Chineesche jonken waren feestelijk getooid.Van de vestingwerken werden saluutschoten gelost toen de Venus langzaam naar hare aanlegplaats stoomde.Op plechtige wijze werden de moedige Marsreizigers, door het bestuur van Singapore en de diverse consuls begroet. Daarna had in de feestelijk versierde zaal van de Duitsche club hetonvermijdelijke feestmaal met de daarbij behoorende redevoeringen plaats. De heeren waren blij, toen zij na al dat feestgewoel in de tropische hitte van Singapore, goed en wel op het dek van de „Stuttgart” zaten die, nadat de gevierde passagiers aan boord waren gekomen, het anker lichtte en de straat van Malakka instoomde.„Gevoelt gij weer niet dien ouden tegenzin, tegen al die officieele huldebetoogingen, die toch in den grond der zaak, alle den stempel van onwaarheid dragen,” vroeg Piller aan zijn vriend Stiller.„Het gaat mij als u,” antwoordde Stiller. „Deze luidruchtige feesten, waarbij ieder zijn eigen ik zooveel mogelijk op den voorgrond dringt vormen eene schrille tegenstelling met de waardige harmonische wijze, waarop te Angola feest wordt gevierd. Bij de Marsieten voelden wij ons dadelijk thuis. Hier beneden krijgen wij al dadelijk weer dat onbehagelijke gevoel in den omgang met de groote menigte. Men voelt als bij instinct, dat al die woorden van waardeering—die als een zondvloed neerkomen op dengeen, die bij het een of ander ondernemen meer noemenswaard succes heeft gehad dan een ander—in de meeste gevallen althans, volstrekt niet gemeend zijn.”„Gij drukt precies mijne gedachten uit,” zei Dubelmeier, die het gesprek der beide vrienden had gevolgd. „Ik moet u eerlijk zeggen, dat ik van al die feestmalen en feestredevoeringen algenoeg had, toen ze nog nauwelijks waren begonnen.”„Nu, wij zullen dat nog wel eenige malen moeten verduren, voor wij weer ongestoord in onze studeerkamer kunnen werken,” hernam Piller.„Ja, daar zal wel geen ontkomen aan zijn. Wat een geluk dat wij hier op zee nog wat kunnen uitrusten vóór dat het spektakel in ons vaderland weder begint,” zei Dubelmeier.Maar reeds in Colombo kregen zij eene nieuwe en verbeterde uitgave der feesten ter eere der zeven Zwaben, en toen de „Stuttgart” te Suez kwam, verzocht de Egyptische regeering, de eer te mogen hebben hen te Caïro te ontvangen.Na twee dagen feest te hebben gevierd, kwamen de Marsreizigers eindelijk weder op de boot terug, die nu direct koers zette naar Genua. Daar kwamen de reizigers in het begin van October aan, en zetten na eene driejarige afwezigheid weer den voet op Europeeschen bodem.
HOOFDSTUK IX.WEDER OP AARDE.
Ook te Stuttgart was, sedert het opzienbarend vertrek der zeven Zwaben, de tijd niet blijven stilstaan. Waar of die landslui, die waaghalzen, wel zijn mochten? Zouden zij werkelijk Mars hebben bereikt? Misschien waren zij in het geheel niet op deze planeet beland, maar neergedaald op een der talrijke planetoïden; misschien ook was de geheele expeditie verongelukt en waren de ongelukkige natuurvorschers voor altijd in het onmetelijk wereldruim verdwenen. Deze laatste meening werd vrijwel algemeen gedeeld en voor waar aangenomen.Na de opstijging van den Argonaut werd aanvankelijk te Stuttgart nog veel en levendig over die reis der natuurvorschers geredeneerd en allerlei vragen geopperd; langzamerhand echter verflauwde de levendige belangstelling in de Marsexpeditie. Nieuwe vragen des tijds, meer actueele gebeurtenissen hadden zich voorgedaan, en verdrongen eindelijk de herinnering aan de sprookjesachtige onderneming.Plotseling, als een bliksemstraal uit helderen hemel, ontving men op zekeren Septemberdag te Stuttgart het bericht, dat de heeren professoren, die voor ongeveer drie jaar van de Cannstatterweide waren opgestegen, op een van de eilanden der Zuidzee waren neergedaald en wel met den Argonaut.In het eerste oogenblik wilde niemand aan dit bericht geloof hechten, en hield men het voor een zeer misplaatste grap. Toen het echter verscheen in het „Staatsblad voor het Koninkrijk Wurtemberg” en door duizenden extra bladen werd verspreid, werd zelfs de meest hardnekkige twijfelaar van de waarheid van dit bericht overtuigd.Een telegrafisch bericht luidde lakoniek kort:Matupi, 31 Aug. ’s nachts.Argonaut van Mars terug, hier neergedaald. Stiller, Piller, Brummhuber, Hämmerle, Dubelmeier, Thudium.—Betrekkelijk welvarend.w. g. Districtshoofd.In de eerste groote verrassing viel het in het geheel niet op, dat er in het telegram slechts van zes personen sprake was. Eerst langzamerhand begon men er aan te denken, dat toch nog een zevende aan de expeditie had deelgenomen. De conclusie was spoedig gemaakt. Frommherz was ongetwijfeld gedurende de reis gestorven.Met het grootste ongeduld zag men in Zwaben,in Duitschland, ja in de geheele beschaafde wereld, nadere berichten te gemoet. Welke belangrijke mededeelingen, kon men van de reeds verloren gewaande natuurvorschers verwachten!De eerste tijd na het vertrek van Mars, ging vrij dragelijk voor de bezoekers der planeet voorbij. Zooals Stiller reeds had uitgemaakt, was de Argonaut in de goede richting en ondervond den invloed van de aantrekkingskracht der aarde. De reis stelde weer hooge eischen aan de heeren met betrekking tot hunne gezondheid, geduld en volharding. Maanden waren sedert verloopen en het einddoel van de reis, de aarde, was nog maar altijd niet in het zicht. De stakkerds voelden zich hoe langer hoe meer uitgeput, en benijdden in stilte vaak den achtergebleven Frommherz. Maar eindelijk moet toch, zelfs na den langsten en donkersten nacht, de dag weer gloren!Het liep tegen het einde van Augustus. Reeds meer dan vijf maanden bewoog de Argonaut zich door het aetherruim, en Stiller verwachtte iederen dag met het luchtschip in den dampkring der aarde te komen. Juist, een flauwe schemering kondigde de nabijheid daarvan aan!Evenals vroeger bij het naderen van Mars, in een oogwenk de herinnering aan alle, gedurende de reis, doorgestane ellende was verdwenen, werd dit ook nu het geval.Toen Stiller zijne tochtgenooten meedeelde, dat zij zoo even in den dampkring der aardewaren gekomen, en waarschijnlijk nog heden ergens op den aardbol landen zouden, wanneer zijne vrienden er ten minste niet de voorkeur aan gaven dadelijk door te reizen naar Duitschland, werd er in de gondel luide gejubeld.Vergeten was plotseling alle kommer en ellende, alle lichamelijk ongemak.„Waar of het ook wezen moge, dalen en uit deze vervloekte kast,” riep Piller. „Wij zijn nu waarachtig lang genoeg opgesloten geweest!”„Piller heeft gelijk,” zei Thudium.„Geen uur langer dan bepaald noodzakelijk is, blijf ik in deze afschuwelijke kooi,” verklaarde Hämmerle, en Dubelmeier en Brummhuber waren het volkomen met hem eens.„Wanneer het zóó met u gesteld is, landen wij maar waar we kunnen,” antwoordde Stiller, kalm als altijd. „Wij moeten er echter voor zorgen, dat wij in eene beschaafde streek dalen, en niet bij vergissing in den vollen Oceaan terechtkomen.”„Daarvoor moet gij maar zorgen, Stiller,” zeide Piller. „En nu, vrienden, laten wij met dien heerlijken Marswijn drinken op onze gelukkig volbrachte reis. Het is mij eene ware vreugde, mijn goede Dubelmeier, dat ik u gedurende dezen tocht van Saulus tot Paulus heb gemaakt, en u wijn heb leeren drinken in plaats van water. Prosit!”Terwijl de overige heeren de bokaal, een prachtig kunststuk der Marsieten, dat men hunte Angola ten geschenke had gegeven, lieten rondgaan, had Stiller het ventiel van den ballon een weinig geopend en een der vensters van de gondel ontsloten. De Argonaut daalde snel.„Wanneer ik mij niet bedrieg, dan zweven wij op het oogenblik boven de oostkust van Australië,” zeide Stiller, nadat hij een blik door het venster had geworpen. „Wij zullen bij Brisbane in Queensland landen.”„Prachtig, Stiller, oude jongen! Prosit! Daar zullen wij eens op drinken.” Piller wilde juist zijn collega de bokaal met wijn toereiken toen de gondel plotseling een hevigen windstoot kreeg die haar met ballon en al deed ronddraaien. De bokaal viel op den bodem, en de heeren zelf moesten zich aan de meest nabijzijnde vaste voorwerpen vastklemmen, wilden zij niet als ballen door elkander rollen.„Wij zijn op het laatste oogenblik in een cycloon terecht gekomen, zooals hier in de buurt dikwijls voorkomen,” riep Stiller zijne verschrikte reisgenooten toe. „Nu komt het er vooral op aan moed te houden. Wij zijn nu aan het blinde toeval overgeleverd.”Gedurende de eerstvolgende angstige uren woedde de orkaan in onverminderde hevigheid en kracht. De wind blies huilend door het opene geheel vernielde venster van de gondel, en deed daarbinnen alles wat niet bevestigd was, door elkander waaien. Het was bij het vreeselijk loeien van den orkaan niet mogelijk een woord te wisselen.Voor meerdere zekerheid moesten die in de gondel waren, zich op den bodem neerleggen.Hulpeloos dreef de ballon waar de stormwind hem joeg. Het was een tragisch lot, dat in het laatste oogenblik der reis, zoo kort voor de landing op aarde, de reizigers trof; en daarbij bestond nog het groote gevaar, dat de Argonaut naar zee gedreven zou worden en de expeditie na de ongehoorde reis naar en van Mars, tot dusver zoo gelukkig te hebben volbracht, tenslotte toch nog zou verdrinken.De zes mannen waren van treurige, sombere gedachten vervuld. Verscheidene uren verliepen. De dag die onder zulke heerlijke voorteekenen was begonnen, liep ten einde.De storm scheen te bedaren, mogelijk ook was de Argonaut buiten den maalstroom van den wervelwind geslingerd. In elk geval, de dolle vaart door de lucht verminderde merkbaar en de heeren konden eindelijk uit hunne minder aangename positie opstaan en naar buiten kijken. Tot hunne vreugde bemerkten zij, dat de ballon dreef naar den kant van een grooten inham, met een bosch van groene kokospalmen tot achtergrond en omzoomd door vriendelijke kleine huizen.Fluks opende Stiller het ventiel van den Argonaut, toen deze juist boven het palmbosch zweefde. Met volle zwaarte viel de ballon op de hooge palmboomen neer, die krakend braken. In het wit gekleede mannen snelden toe, gevolgd door bijna naakte donkere gestalten, de inboorlingen,die schreeuwend en gesticuleerend rondom de open plek stonden, die de Argonaut in het palmbosch zich had gemaakt. Uit de gondel vernam men de stemmen der reizigers.„Dat schijnen wel Duitschers te zijn!” riep een der mannen, eene slanke gestalte met blonden baard en blauwe oogen.„Ja, dat zijn wij!” riep Stiller uit de gondel. „Wees zoo goed en help mij den ballon vastmaken. Hier is het touw met het anker.”„Met genoegen,” antwoordde de heer, „hier jongens, helpt eens een handje, maakt dat anker vast!” Met deze woorden, wendde hij zich tot de rondom staande zwartjes, en weldra lag de zwaar toegetakelde Argonaut geankerd in het palmenwoud.„Waar zijn wij?” vroeg Piller uit het gondelvenster.„Op Duitschen bodem!”„Sedert wanneer groeien er palmen in het Duitsche Rijk?”„Sedert wij koloniën hebben,” was het lachende antwoord. „Gij zijt in den Bismarck archipel op Matupi.”„Zoo, dus op eene Duitsche bezitting! Nu dàt noem ik nog eens geluk bij een ongeluk!” lachte Brummhuber.„Ja, het scheelde werkelijk niet veel, of wij waren verdronken,” merkte Dubelmeier op.„Nu, dan waart ge in uw element, het water,” schertste Piller.„Komt, vrienden, stapt uit; wij zijn eindelijk op vasten bodem,” sprak Stiller.Toen de heeren uitgestapt waren, stelde de behulpzame blanke zich voor, als Sebastiaan Scheufele uit Cannstatt-Stuttgart, sedert drie jaren keizerlijk districtshoofd op Matupi.„Wij zijn ook Zwaben,” zeide Stiller lachend, „wij zijn professoren aan de universiteit te Tübingen en indertijd met onzen ballon van de Cannstatterweide opgestegen. Zwaben schijnt men overal in de wereld toch te vinden! Mocht ge nog eens ooit van uw leven op Mars komen, dan zult gij zelfs dáár een landsman aantreffen!”Het districtshoofd keek den spreker eenigszins verbaasd aan, alsof hij hem niet goed begrepen had.„Gij komt dus met uw ballon uit Cannstatt?”„Direct, neen, indirect ja. Direct komen wij van Mars. Hebt gij nooit van de expeditie van Mars gehoord? Het is trouwens ook al ongeveer 2¾ jaar geleden dat wij van de Cannstatterweide opstegen.”„Ah, ja, nu herinner ik mij, dat ik in het Zwabensch Handelsblad wel iets over die vreemdsoortige reis heb gelezen. En—gij zijt dus werkelijk die zeven Zwaben? Maar ik zie er maar zes....”„O, gij bekrompen aardbewoners,” viel Piller den twijfelaar in de rede, gelooft gij werkelijk dat zes eerwaardige Zwabensche professoren u wat leugens op den mouw zullen spelden? Wijzijn de zeven Zwaben, die naar Mars gingen. Wij zijn twee jaar daarboven geweest, en komen met ons zessen terug, omdat de zevende daarginds verkoos te blijven. Begrijpt gij het nu eindelijk, man, of moet ik u nog andere tastelijke bewijzen geven, dat wij diegenen zijn, waarvoor wij ons uitgeven? Overigens is mijn naam Paracelsus Piller.”„Neen, neen,” riep Scheufele uit, „neem me niet kwalijk, ik geloof u op uw woord, ik was alleen maar wat in de war, en geheel van streek door wat ik gehoord had.”„Nu, wij willen het u gaarne vergeven, onder voorwaarde, dat gij ons, die sedert een half jaar geen warme soep hebben geproefd, een lekker warm maal met goeden wijn voorzet.”„Maar natuurlijk, zeker, met het grootste genoegen! Komt mee, heeren, als ’t u blieft!”„Het loopen valt ons wat moeilijk, onze ledematen zijn tamelijk stijf geworden,” deelde Stiller aan het districtshoofd mede, toen hij eenigszins ongelukkig naast hem voortstrompelde. „Wij zijn den 7en Maart van daarboven vertrokken, en als ik mij niet vergis, hebben wij nu 31 Augustus. We zijn dus ongeveer 6 maanden in de gondel geweest, een langen bangen tijd!”„Wat ben ik er trotsch op, dat gij juist hier bij ons moest landen!”„Het heeft maar een haar gescheeld, of wij waren nog op het laatste oogenblik verongelukt, en niemand had dan ooit iets van ons wedervarenop Mars vernomen. Maar ik geloof dat we hier zijn, waar we wezen moeten.”„Gaat binnen, heeren, in mijn huis, beschouwt het alles als het uwe en laat mij de eerste zijn, die u de moedigste reizigers, die ooit hebben geleefd, op Duitschen bodem welkom heet. Duidt het mij niet ten kwade, dat ik eerst nu, dien beleefdheidsvorm in acht neem, maar ik was door uwe verrassende verschijning geheel verbluft.”Scheufele schudde ieder der professoren hartelijk de hand, en stelde hun de overige heeren voor, die allen, de van den hemel nedergedaalde gasten met de meeste hoogachting begroetten.De luchtreizigers ontdeden zich allereerst van hunne pelzen en maakten daarna gaarne gebruik van het aanbod van hun gastheer, om hunne Zware reiskleeding tegen lichte, witte tropencostuums te verwisselen, die hij in een aangrenzend vertrek had doen klaar leggen. Weldra waren zij hiermee gereed, en lagen de heeren in hunne luchtige kleederdracht in schommelstoelen onder de waranda.Daarbuiten viel de regen in stroomen neer, en het kletterend geluid op het dak verhoogde het gevoel van behagelijke huiselijkheid.Scheufele zorgde intusschen voor eene hartsterking, en de zwarte bedienden, die zonder geruisch te maken rondliepen, schonken champagne.„Morgen moet gij onzen Marswijn eens proeven,” zeide Piller tot Scheufele, toen hij zijnglas in één teug ledigde en het ten tweede maal liet vullen.„Wat, hebt gij zelfs wijn van daarboven medegebracht?” vroeg Scheufele verwonderd.„En wat goeden!” hernam Piller. „Zelfs mijn anders alleen waterdrinkende collega hier, professor Dubelmeier, was er niet tegen bestand, en is voor de verzoeking bezweken!”„Gedwongen door de omstandigheden,” bracht Dubelmeier er tegen in.„Daarover zullen wij maar niet kibbelen, Dubelmeiertje, laten wij liever eens klinken en drinken op Zwaben en het Duitsche vaderland.”„En nu, een hiep, hiep, hoera! voor onze hoogvereerde gasten,” zeide Scheufele tot de beambten van Matupi. Nadat het hoera-geroep was verstomd, werd aangekondigd dat de maaltijd gereed was, en begaf het gezelschap zich naar de eetkamer.De heeren tastten met grooten eetlust toe, en weldra was het onderhoud levendig en algemeen.„Ik zal uw aankomst dadelijk naar Stuttgart telegrafeeren; wat een groote verrassing zal dat bericht daar in het lieve vaderland zijn!” zei Scheufele.„Ja, doe dat,” hernam Stiller. „Ik denk dat wij per extra gelegenheid naar Duitschland zullen terugkeeren.”„Wij hebben hier een veertiendaagsche stoomvaart op Singapore, en vandaar kunt gij natuurlijkaltijd verbinding krijgen met Europa. Ik ben blij, dat de laatste boot verleden week juist vertrokken is, zoodat gij nog zeven volle dagen onze welkome gasten zijn moet,” zei Scheufele lachend. „Gij zult op uw reis en daarboven wel veel wonderlijks hebben beleefd en gezien?”„Daarover zullen wij een paar boeken uitgeven,want onze berichten zullen deelen vullen,” antwoordde Stiller.„En dat werk zullen wij u later zenden, als bewijs van dankbaarheid voor uwe gastvrije ontvangst,” liet Piller er op volgen. „Want wanneer wij alles wat we hebben beleefd u mondeling moesten meedeelen, zouden wij nog menige stoomboot moeten laten voorbijgaan; en dat gaat niet! Wij verlangen er veel te hard naar, om nu eindelijk thuis te komen.”„Dat kan ik mij levendig voorstellen, gij zult wel allerlei interessante dingen van Mars hebben meegebracht.”„Zeker, morgen zullen wij u het een en ander laten zien, en daaruit zult gij dan kunnen opmaken, op welken hoogen trap van beschaving de bewoners van die prachtige planeet staan; die in zich het meest verheven begrip van „mensch zijn” verwezenlijken,” antwoordde Stiller. „Wij zouden echter niet graag voor de tweede maal die reis maken; niet alleen is zij vol gevaren, maar ook ontzettend vermoeiend. Het was niet onze eigen verdienste, maar louter toeval, dat wij de reis heen en weer door het luchtruimonder betrekkelijk gunstige omstandigheden konden volbrengen. En toen wij van morgen juist over Queensland zweefden, en voornemens waren op Brisbane aan te sturen, overviel ons plotseling de orkaan en dreef ons hierheen.”„Het is zeker zeer te betreuren dat gij tot besluit van uw buitengewone reis nog in een cycloon terecht moest komen. Zooals ik hoorde, heeft de storm op andere eilanden van den archipel zwaar gewoed. Maar ik ben dien wervelwind toch dankbaar dat hij u, de beroemde zonen van Zwaben, hierheen heeft gedreven!”„O gij vleier!” zei Piller tot Scheufele. „Maar nu zouden wij u toch oprecht dankbaar zijn, wanneer gij ons een bed wildet wijzen, want dat hebben wij langen tijd moeten ontberen.”De reizigers werden nu bij de verschillende beambten te Matupi onder dak gebracht, en weldra lagen zij allen in een diepen, rustigen slaap.Nog dienzelfden avond verzond Scheufele het telegram naar Stuttgart.Toen de reizigers zich den volgenden morgen door een bad in het frissche water van de golf hadden verkwikt, kwam er reeds antwoord uit Stuttgart. Zoowel het stedelijke-, als het Staatsbestuur heetten de reizigers van harte welkom op aarde, en verzochten tevens om bericht betreffende den heer Frommherz, daar van hem geen melding was gemaakt op de lijst der teruggekeerden.„Frommherz vrijwillig op Mars achtergebleven. Expeditie volkomen gelukt. Twee jaren daarboven geweest. Hopen binnen vier weken te Stuttgart aan te komen.Stiller.”Met bewondering bekeken Scheufele en de beambten de inrichting van de gondel, die Stiller hun liet zien en verklaarde. Nog meer waren ze verbaasd over de uit zilver en goud vervaardigde kunstproducten, en over de vele en kostbare geschenken der Marsieten. Het Gulden Boek vond men helaas niet meer terug. Daar de gondel gedurende den nacht gesloten was geweest, viel aan diefstal niet te denken en nog te minder, daar de Papoea’s geen verstand hadden van de waarde van het boek. Men moest daarom wel tot de veronderstelling komen, dat het boek door een der kleppen van de gondel in het heelal gevallen was. Het was een onherstelbaar verlies dat de geleerden zeer ter nederdrukte. Eindelijk echter kreeg de vreugde over de behouden terugkeer de overhand over alle treurige gedachten.Piller stond er op, de heeren van Matupi te onthalen op het kleine restant van den Marswijn. Zij verklaarden allen nog nooit zulk een fijnen en geurigen wijn te hebben gedronken.De dagen die men te Matupi doorbracht, werden gebruikt voor het inpakken van alles wat men had meegebracht en het opbergen der instrumenten.Ballon en gondel zouden later verpakt en naar huis gezonden worden.Precies den 7en September in den vroegen morgen stoomde de Venus de haven binnen, en ging tegenover de factorij van Matupi voor anker. Na een hartelijk afscheid vertrokken de heeren nog dienzelfden avond.„Wat een merkwaardig toeval!” zeide Stiller tot zijne tochtgenooten, toen zij het zich ’s avonds aan boord van de stoomboot gemakkelijk hadden gemaakt. „We komen van Mars, varen op de Venus door de blauwe golven der Zuidzee terwijl, zooals Scheufele mij zeide, te Singapore ons de „Stuttgart” wacht, die ons naar Genua brengen zal.”Een week later kwam de boot te Singapore aan. Reeds bij het binnenvaren der ruime haven, was de Venus, met de beroemde Zwabensche passagiers aan boord, het voorwerp van veler belangstelling.De talrijke in de haven liggende schepen van alle mogelijke natiën, waren gepavoiseerd, en zelfs de Maleische prauwen en de Chineesche jonken waren feestelijk getooid.Van de vestingwerken werden saluutschoten gelost toen de Venus langzaam naar hare aanlegplaats stoomde.Op plechtige wijze werden de moedige Marsreizigers, door het bestuur van Singapore en de diverse consuls begroet. Daarna had in de feestelijk versierde zaal van de Duitsche club hetonvermijdelijke feestmaal met de daarbij behoorende redevoeringen plaats. De heeren waren blij, toen zij na al dat feestgewoel in de tropische hitte van Singapore, goed en wel op het dek van de „Stuttgart” zaten die, nadat de gevierde passagiers aan boord waren gekomen, het anker lichtte en de straat van Malakka instoomde.„Gevoelt gij weer niet dien ouden tegenzin, tegen al die officieele huldebetoogingen, die toch in den grond der zaak, alle den stempel van onwaarheid dragen,” vroeg Piller aan zijn vriend Stiller.„Het gaat mij als u,” antwoordde Stiller. „Deze luidruchtige feesten, waarbij ieder zijn eigen ik zooveel mogelijk op den voorgrond dringt vormen eene schrille tegenstelling met de waardige harmonische wijze, waarop te Angola feest wordt gevierd. Bij de Marsieten voelden wij ons dadelijk thuis. Hier beneden krijgen wij al dadelijk weer dat onbehagelijke gevoel in den omgang met de groote menigte. Men voelt als bij instinct, dat al die woorden van waardeering—die als een zondvloed neerkomen op dengeen, die bij het een of ander ondernemen meer noemenswaard succes heeft gehad dan een ander—in de meeste gevallen althans, volstrekt niet gemeend zijn.”„Gij drukt precies mijne gedachten uit,” zei Dubelmeier, die het gesprek der beide vrienden had gevolgd. „Ik moet u eerlijk zeggen, dat ik van al die feestmalen en feestredevoeringen algenoeg had, toen ze nog nauwelijks waren begonnen.”„Nu, wij zullen dat nog wel eenige malen moeten verduren, voor wij weer ongestoord in onze studeerkamer kunnen werken,” hernam Piller.„Ja, daar zal wel geen ontkomen aan zijn. Wat een geluk dat wij hier op zee nog wat kunnen uitrusten vóór dat het spektakel in ons vaderland weder begint,” zei Dubelmeier.Maar reeds in Colombo kregen zij eene nieuwe en verbeterde uitgave der feesten ter eere der zeven Zwaben, en toen de „Stuttgart” te Suez kwam, verzocht de Egyptische regeering, de eer te mogen hebben hen te Caïro te ontvangen.Na twee dagen feest te hebben gevierd, kwamen de Marsreizigers eindelijk weder op de boot terug, die nu direct koers zette naar Genua. Daar kwamen de reizigers in het begin van October aan, en zetten na eene driejarige afwezigheid weer den voet op Europeeschen bodem.
Ook te Stuttgart was, sedert het opzienbarend vertrek der zeven Zwaben, de tijd niet blijven stilstaan. Waar of die landslui, die waaghalzen, wel zijn mochten? Zouden zij werkelijk Mars hebben bereikt? Misschien waren zij in het geheel niet op deze planeet beland, maar neergedaald op een der talrijke planetoïden; misschien ook was de geheele expeditie verongelukt en waren de ongelukkige natuurvorschers voor altijd in het onmetelijk wereldruim verdwenen. Deze laatste meening werd vrijwel algemeen gedeeld en voor waar aangenomen.
Na de opstijging van den Argonaut werd aanvankelijk te Stuttgart nog veel en levendig over die reis der natuurvorschers geredeneerd en allerlei vragen geopperd; langzamerhand echter verflauwde de levendige belangstelling in de Marsexpeditie. Nieuwe vragen des tijds, meer actueele gebeurtenissen hadden zich voorgedaan, en verdrongen eindelijk de herinnering aan de sprookjesachtige onderneming.
Plotseling, als een bliksemstraal uit helderen hemel, ontving men op zekeren Septemberdag te Stuttgart het bericht, dat de heeren professoren, die voor ongeveer drie jaar van de Cannstatterweide waren opgestegen, op een van de eilanden der Zuidzee waren neergedaald en wel met den Argonaut.
In het eerste oogenblik wilde niemand aan dit bericht geloof hechten, en hield men het voor een zeer misplaatste grap. Toen het echter verscheen in het „Staatsblad voor het Koninkrijk Wurtemberg” en door duizenden extra bladen werd verspreid, werd zelfs de meest hardnekkige twijfelaar van de waarheid van dit bericht overtuigd.
Een telegrafisch bericht luidde lakoniek kort:
Matupi, 31 Aug. ’s nachts.Argonaut van Mars terug, hier neergedaald. Stiller, Piller, Brummhuber, Hämmerle, Dubelmeier, Thudium.—Betrekkelijk welvarend.w. g. Districtshoofd.
Matupi, 31 Aug. ’s nachts.
Argonaut van Mars terug, hier neergedaald. Stiller, Piller, Brummhuber, Hämmerle, Dubelmeier, Thudium.—Betrekkelijk welvarend.
w. g. Districtshoofd.
In de eerste groote verrassing viel het in het geheel niet op, dat er in het telegram slechts van zes personen sprake was. Eerst langzamerhand begon men er aan te denken, dat toch nog een zevende aan de expeditie had deelgenomen. De conclusie was spoedig gemaakt. Frommherz was ongetwijfeld gedurende de reis gestorven.
Met het grootste ongeduld zag men in Zwaben,in Duitschland, ja in de geheele beschaafde wereld, nadere berichten te gemoet. Welke belangrijke mededeelingen, kon men van de reeds verloren gewaande natuurvorschers verwachten!
De eerste tijd na het vertrek van Mars, ging vrij dragelijk voor de bezoekers der planeet voorbij. Zooals Stiller reeds had uitgemaakt, was de Argonaut in de goede richting en ondervond den invloed van de aantrekkingskracht der aarde. De reis stelde weer hooge eischen aan de heeren met betrekking tot hunne gezondheid, geduld en volharding. Maanden waren sedert verloopen en het einddoel van de reis, de aarde, was nog maar altijd niet in het zicht. De stakkerds voelden zich hoe langer hoe meer uitgeput, en benijdden in stilte vaak den achtergebleven Frommherz. Maar eindelijk moet toch, zelfs na den langsten en donkersten nacht, de dag weer gloren!
Het liep tegen het einde van Augustus. Reeds meer dan vijf maanden bewoog de Argonaut zich door het aetherruim, en Stiller verwachtte iederen dag met het luchtschip in den dampkring der aarde te komen. Juist, een flauwe schemering kondigde de nabijheid daarvan aan!
Evenals vroeger bij het naderen van Mars, in een oogwenk de herinnering aan alle, gedurende de reis, doorgestane ellende was verdwenen, werd dit ook nu het geval.
Toen Stiller zijne tochtgenooten meedeelde, dat zij zoo even in den dampkring der aardewaren gekomen, en waarschijnlijk nog heden ergens op den aardbol landen zouden, wanneer zijne vrienden er ten minste niet de voorkeur aan gaven dadelijk door te reizen naar Duitschland, werd er in de gondel luide gejubeld.
Vergeten was plotseling alle kommer en ellende, alle lichamelijk ongemak.
„Waar of het ook wezen moge, dalen en uit deze vervloekte kast,” riep Piller. „Wij zijn nu waarachtig lang genoeg opgesloten geweest!”
„Piller heeft gelijk,” zei Thudium.
„Geen uur langer dan bepaald noodzakelijk is, blijf ik in deze afschuwelijke kooi,” verklaarde Hämmerle, en Dubelmeier en Brummhuber waren het volkomen met hem eens.
„Wanneer het zóó met u gesteld is, landen wij maar waar we kunnen,” antwoordde Stiller, kalm als altijd. „Wij moeten er echter voor zorgen, dat wij in eene beschaafde streek dalen, en niet bij vergissing in den vollen Oceaan terechtkomen.”
„Daarvoor moet gij maar zorgen, Stiller,” zeide Piller. „En nu, vrienden, laten wij met dien heerlijken Marswijn drinken op onze gelukkig volbrachte reis. Het is mij eene ware vreugde, mijn goede Dubelmeier, dat ik u gedurende dezen tocht van Saulus tot Paulus heb gemaakt, en u wijn heb leeren drinken in plaats van water. Prosit!”
Terwijl de overige heeren de bokaal, een prachtig kunststuk der Marsieten, dat men hunte Angola ten geschenke had gegeven, lieten rondgaan, had Stiller het ventiel van den ballon een weinig geopend en een der vensters van de gondel ontsloten. De Argonaut daalde snel.
„Wanneer ik mij niet bedrieg, dan zweven wij op het oogenblik boven de oostkust van Australië,” zeide Stiller, nadat hij een blik door het venster had geworpen. „Wij zullen bij Brisbane in Queensland landen.”
„Prachtig, Stiller, oude jongen! Prosit! Daar zullen wij eens op drinken.” Piller wilde juist zijn collega de bokaal met wijn toereiken toen de gondel plotseling een hevigen windstoot kreeg die haar met ballon en al deed ronddraaien. De bokaal viel op den bodem, en de heeren zelf moesten zich aan de meest nabijzijnde vaste voorwerpen vastklemmen, wilden zij niet als ballen door elkander rollen.
„Wij zijn op het laatste oogenblik in een cycloon terecht gekomen, zooals hier in de buurt dikwijls voorkomen,” riep Stiller zijne verschrikte reisgenooten toe. „Nu komt het er vooral op aan moed te houden. Wij zijn nu aan het blinde toeval overgeleverd.”
Gedurende de eerstvolgende angstige uren woedde de orkaan in onverminderde hevigheid en kracht. De wind blies huilend door het opene geheel vernielde venster van de gondel, en deed daarbinnen alles wat niet bevestigd was, door elkander waaien. Het was bij het vreeselijk loeien van den orkaan niet mogelijk een woord te wisselen.Voor meerdere zekerheid moesten die in de gondel waren, zich op den bodem neerleggen.
Hulpeloos dreef de ballon waar de stormwind hem joeg. Het was een tragisch lot, dat in het laatste oogenblik der reis, zoo kort voor de landing op aarde, de reizigers trof; en daarbij bestond nog het groote gevaar, dat de Argonaut naar zee gedreven zou worden en de expeditie na de ongehoorde reis naar en van Mars, tot dusver zoo gelukkig te hebben volbracht, tenslotte toch nog zou verdrinken.
De zes mannen waren van treurige, sombere gedachten vervuld. Verscheidene uren verliepen. De dag die onder zulke heerlijke voorteekenen was begonnen, liep ten einde.De storm scheen te bedaren, mogelijk ook was de Argonaut buiten den maalstroom van den wervelwind geslingerd. In elk geval, de dolle vaart door de lucht verminderde merkbaar en de heeren konden eindelijk uit hunne minder aangename positie opstaan en naar buiten kijken. Tot hunne vreugde bemerkten zij, dat de ballon dreef naar den kant van een grooten inham, met een bosch van groene kokospalmen tot achtergrond en omzoomd door vriendelijke kleine huizen.
Fluks opende Stiller het ventiel van den Argonaut, toen deze juist boven het palmbosch zweefde. Met volle zwaarte viel de ballon op de hooge palmboomen neer, die krakend braken. In het wit gekleede mannen snelden toe, gevolgd door bijna naakte donkere gestalten, de inboorlingen,die schreeuwend en gesticuleerend rondom de open plek stonden, die de Argonaut in het palmbosch zich had gemaakt. Uit de gondel vernam men de stemmen der reizigers.
„Dat schijnen wel Duitschers te zijn!” riep een der mannen, eene slanke gestalte met blonden baard en blauwe oogen.
„Ja, dat zijn wij!” riep Stiller uit de gondel. „Wees zoo goed en help mij den ballon vastmaken. Hier is het touw met het anker.”
„Met genoegen,” antwoordde de heer, „hier jongens, helpt eens een handje, maakt dat anker vast!” Met deze woorden, wendde hij zich tot de rondom staande zwartjes, en weldra lag de zwaar toegetakelde Argonaut geankerd in het palmenwoud.
„Waar zijn wij?” vroeg Piller uit het gondelvenster.
„Op Duitschen bodem!”
„Sedert wanneer groeien er palmen in het Duitsche Rijk?”
„Sedert wij koloniën hebben,” was het lachende antwoord. „Gij zijt in den Bismarck archipel op Matupi.”
„Zoo, dus op eene Duitsche bezitting! Nu dàt noem ik nog eens geluk bij een ongeluk!” lachte Brummhuber.
„Ja, het scheelde werkelijk niet veel, of wij waren verdronken,” merkte Dubelmeier op.
„Nu, dan waart ge in uw element, het water,” schertste Piller.
„Komt, vrienden, stapt uit; wij zijn eindelijk op vasten bodem,” sprak Stiller.
Toen de heeren uitgestapt waren, stelde de behulpzame blanke zich voor, als Sebastiaan Scheufele uit Cannstatt-Stuttgart, sedert drie jaren keizerlijk districtshoofd op Matupi.
„Wij zijn ook Zwaben,” zeide Stiller lachend, „wij zijn professoren aan de universiteit te Tübingen en indertijd met onzen ballon van de Cannstatterweide opgestegen. Zwaben schijnt men overal in de wereld toch te vinden! Mocht ge nog eens ooit van uw leven op Mars komen, dan zult gij zelfs dáár een landsman aantreffen!”
Het districtshoofd keek den spreker eenigszins verbaasd aan, alsof hij hem niet goed begrepen had.
„Gij komt dus met uw ballon uit Cannstatt?”
„Direct, neen, indirect ja. Direct komen wij van Mars. Hebt gij nooit van de expeditie van Mars gehoord? Het is trouwens ook al ongeveer 2¾ jaar geleden dat wij van de Cannstatterweide opstegen.”
„Ah, ja, nu herinner ik mij, dat ik in het Zwabensch Handelsblad wel iets over die vreemdsoortige reis heb gelezen. En—gij zijt dus werkelijk die zeven Zwaben? Maar ik zie er maar zes....”
„O, gij bekrompen aardbewoners,” viel Piller den twijfelaar in de rede, gelooft gij werkelijk dat zes eerwaardige Zwabensche professoren u wat leugens op den mouw zullen spelden? Wijzijn de zeven Zwaben, die naar Mars gingen. Wij zijn twee jaar daarboven geweest, en komen met ons zessen terug, omdat de zevende daarginds verkoos te blijven. Begrijpt gij het nu eindelijk, man, of moet ik u nog andere tastelijke bewijzen geven, dat wij diegenen zijn, waarvoor wij ons uitgeven? Overigens is mijn naam Paracelsus Piller.”
„Neen, neen,” riep Scheufele uit, „neem me niet kwalijk, ik geloof u op uw woord, ik was alleen maar wat in de war, en geheel van streek door wat ik gehoord had.”
„Nu, wij willen het u gaarne vergeven, onder voorwaarde, dat gij ons, die sedert een half jaar geen warme soep hebben geproefd, een lekker warm maal met goeden wijn voorzet.”
„Maar natuurlijk, zeker, met het grootste genoegen! Komt mee, heeren, als ’t u blieft!”
„Het loopen valt ons wat moeilijk, onze ledematen zijn tamelijk stijf geworden,” deelde Stiller aan het districtshoofd mede, toen hij eenigszins ongelukkig naast hem voortstrompelde. „Wij zijn den 7en Maart van daarboven vertrokken, en als ik mij niet vergis, hebben wij nu 31 Augustus. We zijn dus ongeveer 6 maanden in de gondel geweest, een langen bangen tijd!”
„Wat ben ik er trotsch op, dat gij juist hier bij ons moest landen!”
„Het heeft maar een haar gescheeld, of wij waren nog op het laatste oogenblik verongelukt, en niemand had dan ooit iets van ons wedervarenop Mars vernomen. Maar ik geloof dat we hier zijn, waar we wezen moeten.”
„Gaat binnen, heeren, in mijn huis, beschouwt het alles als het uwe en laat mij de eerste zijn, die u de moedigste reizigers, die ooit hebben geleefd, op Duitschen bodem welkom heet. Duidt het mij niet ten kwade, dat ik eerst nu, dien beleefdheidsvorm in acht neem, maar ik was door uwe verrassende verschijning geheel verbluft.”
Scheufele schudde ieder der professoren hartelijk de hand, en stelde hun de overige heeren voor, die allen, de van den hemel nedergedaalde gasten met de meeste hoogachting begroetten.
De luchtreizigers ontdeden zich allereerst van hunne pelzen en maakten daarna gaarne gebruik van het aanbod van hun gastheer, om hunne Zware reiskleeding tegen lichte, witte tropencostuums te verwisselen, die hij in een aangrenzend vertrek had doen klaar leggen. Weldra waren zij hiermee gereed, en lagen de heeren in hunne luchtige kleederdracht in schommelstoelen onder de waranda.
Daarbuiten viel de regen in stroomen neer, en het kletterend geluid op het dak verhoogde het gevoel van behagelijke huiselijkheid.
Scheufele zorgde intusschen voor eene hartsterking, en de zwarte bedienden, die zonder geruisch te maken rondliepen, schonken champagne.
„Morgen moet gij onzen Marswijn eens proeven,” zeide Piller tot Scheufele, toen hij zijnglas in één teug ledigde en het ten tweede maal liet vullen.
„Wat, hebt gij zelfs wijn van daarboven medegebracht?” vroeg Scheufele verwonderd.
„En wat goeden!” hernam Piller. „Zelfs mijn anders alleen waterdrinkende collega hier, professor Dubelmeier, was er niet tegen bestand, en is voor de verzoeking bezweken!”
„Gedwongen door de omstandigheden,” bracht Dubelmeier er tegen in.
„Daarover zullen wij maar niet kibbelen, Dubelmeiertje, laten wij liever eens klinken en drinken op Zwaben en het Duitsche vaderland.”
„En nu, een hiep, hiep, hoera! voor onze hoogvereerde gasten,” zeide Scheufele tot de beambten van Matupi. Nadat het hoera-geroep was verstomd, werd aangekondigd dat de maaltijd gereed was, en begaf het gezelschap zich naar de eetkamer.
De heeren tastten met grooten eetlust toe, en weldra was het onderhoud levendig en algemeen.
„Ik zal uw aankomst dadelijk naar Stuttgart telegrafeeren; wat een groote verrassing zal dat bericht daar in het lieve vaderland zijn!” zei Scheufele.
„Ja, doe dat,” hernam Stiller. „Ik denk dat wij per extra gelegenheid naar Duitschland zullen terugkeeren.”
„Wij hebben hier een veertiendaagsche stoomvaart op Singapore, en vandaar kunt gij natuurlijkaltijd verbinding krijgen met Europa. Ik ben blij, dat de laatste boot verleden week juist vertrokken is, zoodat gij nog zeven volle dagen onze welkome gasten zijn moet,” zei Scheufele lachend. „Gij zult op uw reis en daarboven wel veel wonderlijks hebben beleefd en gezien?”
„Daarover zullen wij een paar boeken uitgeven,want onze berichten zullen deelen vullen,” antwoordde Stiller.
„En dat werk zullen wij u later zenden, als bewijs van dankbaarheid voor uwe gastvrije ontvangst,” liet Piller er op volgen. „Want wanneer wij alles wat we hebben beleefd u mondeling moesten meedeelen, zouden wij nog menige stoomboot moeten laten voorbijgaan; en dat gaat niet! Wij verlangen er veel te hard naar, om nu eindelijk thuis te komen.”
„Dat kan ik mij levendig voorstellen, gij zult wel allerlei interessante dingen van Mars hebben meegebracht.”
„Zeker, morgen zullen wij u het een en ander laten zien, en daaruit zult gij dan kunnen opmaken, op welken hoogen trap van beschaving de bewoners van die prachtige planeet staan; die in zich het meest verheven begrip van „mensch zijn” verwezenlijken,” antwoordde Stiller. „Wij zouden echter niet graag voor de tweede maal die reis maken; niet alleen is zij vol gevaren, maar ook ontzettend vermoeiend. Het was niet onze eigen verdienste, maar louter toeval, dat wij de reis heen en weer door het luchtruimonder betrekkelijk gunstige omstandigheden konden volbrengen. En toen wij van morgen juist over Queensland zweefden, en voornemens waren op Brisbane aan te sturen, overviel ons plotseling de orkaan en dreef ons hierheen.”
„Het is zeker zeer te betreuren dat gij tot besluit van uw buitengewone reis nog in een cycloon terecht moest komen. Zooals ik hoorde, heeft de storm op andere eilanden van den archipel zwaar gewoed. Maar ik ben dien wervelwind toch dankbaar dat hij u, de beroemde zonen van Zwaben, hierheen heeft gedreven!”
„O gij vleier!” zei Piller tot Scheufele. „Maar nu zouden wij u toch oprecht dankbaar zijn, wanneer gij ons een bed wildet wijzen, want dat hebben wij langen tijd moeten ontberen.”
De reizigers werden nu bij de verschillende beambten te Matupi onder dak gebracht, en weldra lagen zij allen in een diepen, rustigen slaap.
Nog dienzelfden avond verzond Scheufele het telegram naar Stuttgart.
Toen de reizigers zich den volgenden morgen door een bad in het frissche water van de golf hadden verkwikt, kwam er reeds antwoord uit Stuttgart. Zoowel het stedelijke-, als het Staatsbestuur heetten de reizigers van harte welkom op aarde, en verzochten tevens om bericht betreffende den heer Frommherz, daar van hem geen melding was gemaakt op de lijst der teruggekeerden.
„Frommherz vrijwillig op Mars achtergebleven. Expeditie volkomen gelukt. Twee jaren daarboven geweest. Hopen binnen vier weken te Stuttgart aan te komen.Stiller.”
„Frommherz vrijwillig op Mars achtergebleven. Expeditie volkomen gelukt. Twee jaren daarboven geweest. Hopen binnen vier weken te Stuttgart aan te komen.
Stiller.”
Met bewondering bekeken Scheufele en de beambten de inrichting van de gondel, die Stiller hun liet zien en verklaarde. Nog meer waren ze verbaasd over de uit zilver en goud vervaardigde kunstproducten, en over de vele en kostbare geschenken der Marsieten. Het Gulden Boek vond men helaas niet meer terug. Daar de gondel gedurende den nacht gesloten was geweest, viel aan diefstal niet te denken en nog te minder, daar de Papoea’s geen verstand hadden van de waarde van het boek. Men moest daarom wel tot de veronderstelling komen, dat het boek door een der kleppen van de gondel in het heelal gevallen was. Het was een onherstelbaar verlies dat de geleerden zeer ter nederdrukte. Eindelijk echter kreeg de vreugde over de behouden terugkeer de overhand over alle treurige gedachten.
Piller stond er op, de heeren van Matupi te onthalen op het kleine restant van den Marswijn. Zij verklaarden allen nog nooit zulk een fijnen en geurigen wijn te hebben gedronken.
De dagen die men te Matupi doorbracht, werden gebruikt voor het inpakken van alles wat men had meegebracht en het opbergen der instrumenten.Ballon en gondel zouden later verpakt en naar huis gezonden worden.
Precies den 7en September in den vroegen morgen stoomde de Venus de haven binnen, en ging tegenover de factorij van Matupi voor anker. Na een hartelijk afscheid vertrokken de heeren nog dienzelfden avond.
„Wat een merkwaardig toeval!” zeide Stiller tot zijne tochtgenooten, toen zij het zich ’s avonds aan boord van de stoomboot gemakkelijk hadden gemaakt. „We komen van Mars, varen op de Venus door de blauwe golven der Zuidzee terwijl, zooals Scheufele mij zeide, te Singapore ons de „Stuttgart” wacht, die ons naar Genua brengen zal.”
Een week later kwam de boot te Singapore aan. Reeds bij het binnenvaren der ruime haven, was de Venus, met de beroemde Zwabensche passagiers aan boord, het voorwerp van veler belangstelling.
De talrijke in de haven liggende schepen van alle mogelijke natiën, waren gepavoiseerd, en zelfs de Maleische prauwen en de Chineesche jonken waren feestelijk getooid.
Van de vestingwerken werden saluutschoten gelost toen de Venus langzaam naar hare aanlegplaats stoomde.
Op plechtige wijze werden de moedige Marsreizigers, door het bestuur van Singapore en de diverse consuls begroet. Daarna had in de feestelijk versierde zaal van de Duitsche club hetonvermijdelijke feestmaal met de daarbij behoorende redevoeringen plaats. De heeren waren blij, toen zij na al dat feestgewoel in de tropische hitte van Singapore, goed en wel op het dek van de „Stuttgart” zaten die, nadat de gevierde passagiers aan boord waren gekomen, het anker lichtte en de straat van Malakka instoomde.
„Gevoelt gij weer niet dien ouden tegenzin, tegen al die officieele huldebetoogingen, die toch in den grond der zaak, alle den stempel van onwaarheid dragen,” vroeg Piller aan zijn vriend Stiller.
„Het gaat mij als u,” antwoordde Stiller. „Deze luidruchtige feesten, waarbij ieder zijn eigen ik zooveel mogelijk op den voorgrond dringt vormen eene schrille tegenstelling met de waardige harmonische wijze, waarop te Angola feest wordt gevierd. Bij de Marsieten voelden wij ons dadelijk thuis. Hier beneden krijgen wij al dadelijk weer dat onbehagelijke gevoel in den omgang met de groote menigte. Men voelt als bij instinct, dat al die woorden van waardeering—die als een zondvloed neerkomen op dengeen, die bij het een of ander ondernemen meer noemenswaard succes heeft gehad dan een ander—in de meeste gevallen althans, volstrekt niet gemeend zijn.”
„Gij drukt precies mijne gedachten uit,” zei Dubelmeier, die het gesprek der beide vrienden had gevolgd. „Ik moet u eerlijk zeggen, dat ik van al die feestmalen en feestredevoeringen algenoeg had, toen ze nog nauwelijks waren begonnen.”
„Nu, wij zullen dat nog wel eenige malen moeten verduren, voor wij weer ongestoord in onze studeerkamer kunnen werken,” hernam Piller.
„Ja, daar zal wel geen ontkomen aan zijn. Wat een geluk dat wij hier op zee nog wat kunnen uitrusten vóór dat het spektakel in ons vaderland weder begint,” zei Dubelmeier.
Maar reeds in Colombo kregen zij eene nieuwe en verbeterde uitgave der feesten ter eere der zeven Zwaben, en toen de „Stuttgart” te Suez kwam, verzocht de Egyptische regeering, de eer te mogen hebben hen te Caïro te ontvangen.
Na twee dagen feest te hebben gevierd, kwamen de Marsreizigers eindelijk weder op de boot terug, die nu direct koers zette naar Genua. Daar kwamen de reizigers in het begin van October aan, en zetten na eene driejarige afwezigheid weer den voet op Europeeschen bodem.