HOOFDSTUK III.

decoratieve illustratie

Ik ben boven de wolken want ik gá naar Parijs, al heb ik geen zilvervloot gewonnen, of ook in de verste verten iets wat daarop lijkt!

Gistermiddag aan de koffie kwam vader ineens met 't besluit voor den dag.

Floor heeft stilletjes verteld van 't reisplan van Roosje en Emmy van der Marck en van Roosjes verzoek om me bij hun tweetjes aan te sluiten. Daarop is vader naar meneer van der Marck gestapt, heeft er lang en breed met hem over gesproken en is toen tot de slotsom gekomen, dat ik ook van de partij zou mogen zijn als ik lust had.

Nu daaraan hapert 't mij niet! Ik was gewoon door 't dolle heen, vloog moeder om den hals en heb vader zóó vurig op zijn kale kruintje gekust als ik nooit van te voren deed.

Voor meisjes als de Verhooghjes, die vóór hun twintigste jaar al half Europa hebben rondgereisd, heeft zoo'n uitstapje naar Parijs niet veelom 't lijf, maar voor zoo'n eenvoudige ziel als ik, op wier reisrepertoire alleen Brussel en Kleef staan, is 't 'n echt buitenkansje. Ik kon geen stuk eten van opgewondenheid!

Roosje, die al op de hoogte was, kwam me 's middags halen om met mij naar haar nichtje te gaan, dat ik maar heel oppervlakkig kende. Emmy ontving ons op haar atelier, waar we bleven theedrinken. Alles stond er vol bloemen en studies en we mochten naar hartelust kijken en rondsnuffelen. Ik gooide bij ongeluk 'n vaas met irissen om, zoodat 't water in 'n stroompje over den houten vloer liep, maar ze vond 't niets erg, deed lachend opnieuw water in de vaas en liet 't stroompje kalm liggen. Dat zou wel drogen zei ze.

Ze is 'n paar jaar ouder dan Floor en heeft al heel wat gezien in haar leven. Ze lijkt me heel aardig en flink, 'n prettige chaperonne, waar we veel van kunnen leeren, want we gaan hoofdzakelijk voor de musea en 't historische van Parijs en niet elken avond naar theaters of opera's. Misschien eens één enkel keertje, omdat er dat nu eenmaal bij behoort, maar Emmy denkt dat we 's avonds toch te moe zullen zijn, als we zoo'n heelen dag hebben rondgesjouwd. We gaanen pensionin 'n goedkoop hotelletje, waar Emmy 'n paar jaar geleden met 'n tante gelogeerd heeft.'t Is dicht bij deMadeleinein deRue Boissy d'Anglasen heel rustig gelegen in 'n „cité”, zoodat we geen last van 't leven op straat zullen hebben, dat in Parijs bijna den geheelen nacht voortduurt. Emmy gaat enkele dagen eerder dan wij om 'n vriendin op te zoeken en Roosje en ik zullen den 30stenMei volgen. We vertrekken dan 's morgens om negen uur en zijn zoowat tegen vijven in ons hotel, waar Emmy ons zal opwachten. 't Is al tamelijk laat in 't seizoen voor 'n bezoek aan „La-Ville-lumière,” waar 't na half Juni en soms al voor dien tijd snik en snikheet schijnt te zijn, maar wij kunnen allen heel goed tegen de warmte en hebben nu zulke heerlijk lange dagen!

Ik heb natuurlijk nog heel wat te beredderen en te bestudeeren voor ik reisvaardig ben in 't korte poosje, dat me nog rest.

Léo van Slooten, die er verleden jaar September eenige weken doorbracht, is me dadelijk zijn Baedeker komen brengen en den heelen dag zit ik nu maar met m'n neus in „Paris et ses environs” om nog zooveel mogelijk kennis te vergaren. Ik stel me erg veel voor van de omstreken, vooral vanVersailles! Want ik gloei voor alles wat de Fransche revolutie betreft en Marie Antoinette was de heldin van mijn kinderjaren. 't Stukgelezen boekje van Andriessen „De val van eenkoningshuis” prijkt nog altijd in m'n boekenkastje. 'k Zou er me niet van kúnnen ontdoen. Zóó ben ik daaraan verknocht geweest.

Op 't oogenblik zit ik in de grauwende schemering op mijn slaapkamer, druk te naaien aan 'n bloese, die bijna af is. Nog één knoopje aanzetten, dan ben ik klaar! Mijn naald vliegt op en neer, ik tril heelemaal van 't jachten en juist als moeder voor de derde maal aan de trap roept, of ik nu eindelijk kom theedrinken, gooi ik de bloese zegepralend op mijn bed, naald en vingerhoed ergens op tafel en vlieg de trap af naar beneden.

PARIJS, 2 Juni 's avonds.Allerbeste oudertjes,Al vier dagen is 't geleden, sinds ik de eerste voetstap inla Ville-Lumièrezette, en nòg heb ik geen gelegenheid gehad om 'n behoorlijken brief te schrijven. Maar dit wordt dan ook 'n extra-lange! U wilt alles wat ik schrijf wel goed bewaren, nietwaar en me naderhand teruggeven, want ik heb waarlijk geen tijd 'n reisjournaal bij te houden.Door mijn telegram en de briefkaarten, die ik zond, weet u al dat we goed zijn overgekomen en plezier hebben. De voorspelling, dat we veel warmte zouden krijgen, istot nog toe uitgekomen. Vandaag tenminste was 't:une chaleur accablante, maar we hebben er ons niet aan gestoord en zitten nu hoog en droog uit te waaien op 't balkon van de slaapkamer, die Roosje en ik samen betrokken hebben. Het uitzicht is niet fraai, het bestaat hoofdzakelijk uit daken en schoorsteenen, maar we hebben den vrijen hemel boven ons en 't is hier heerlijk koel. Emmy, die 'n verdieping lager slaapt, is geen balkon rijk en zit bij ons in haar schetsboek te teekenen, terwijl Roos en ik, ieder met 'n vulpen gewapend, schrijven, onze knieën als lessenaar gebruikend, waardoor mijn schrift niet al te netjes wordt!Na 't diner, dat om half acht was afgeloopen, hebben we hier eerst 'n soort van bacchanaal met ijs en spuitwater aangericht, dat ons heerlijk heeft opgefrischt.Thee drinken we maar niet, want 't aftreksel, dat we hier ééns genoten hebben, smaakte naar hooi en tabak, zoodat we 's morgens aan 't ontbijt maar liever chocolade drinken en ons 's middags in de stad met 'n enkel kopjeafternoon-teatevreden stellen.Den eersten dag brachten we bijna uitsluitend op straat door. In 't begin vondenRoosje en ik 't allergriezeligst om over te steken, maar 't wende gauw, al zijn er vooral 's middags oogenblikken, dat je niet anders doen kunt dan wachten tot 'n agent z'nbâton blancin de hoogte steekt en de stroom van auto's, rijtuigen entaximètresstil moet blijven staan, om de voetgangers te laten passeeren. We hebben al menig ritje per rijtuig gedaan en ook veel geprofiteerd van demétropolitainof „le métro” zooals ze hier zeggen. Den eersten keer was 't 'n wat zonderlinge gewaarwording om in zoo'n ondergrondsche spoor te zitten. Er is iets beklemmends in. 't Ruikt er zoo kelderachtig en dan dat helsche lawaai onder 't rijden! Maar het gaat heerlijk gauw en 't is goedkoop. We kwamen er tot de conclusie, dat de mannen hier nog veel ijdeler zijn dan de vrouwen!Aan elke halte van demétropolitainstaat 'n rijtje van automaten, waaruit je voor enkelesouschocolade of biscuits nemen kunt. Aan de voorzijde van iederen automaat is 'n spiegel aangebracht en nu is 't bepaald amusant te zien, hoe bijna geen enkele heer de gelegenheid verzuimt zichzelf daarin te bekijken, terwijl je 't de dames haast niet ziet doen. Roosje, die 't 't eerst oplette, vestigde er onzeaandacht op en we lachten ons tranen om dit verschijnsel. 't Is zoo kostelijk alle op- en aanmerkingen zoo hardop in 't Hollandsch aan elkaar te kunnen zeggen, hoewel Emmy ons telkens waarschuwt, dat 't toch gevaarlijk is. We worden meestal voor Engelschen aangezien, ook in 't hotel; zeker omdat we ons zoo eenvoudig kleeden. Ik zou me niet graag als 'n echte Parisienne uitdossen, want hoewel ze allen zonder uitzondering zeer elegant zijn, is haar manier van doen toch heel anders dan hier in Holland. Smaakvolle en ook zeer bizarre toiletten worden hier gedragen, vooral de hoeden en kapsels zien er dikwijls zeer vreemd en ingewikkeld uit, maar bijna nooit zou je 't leelijk kunnen noemen.Gisteren hebben we onzen eersten morgen in 'tLouvregesleten. Emmy weet er uitstekend den weg en vertelde ons 'n massa bizonderheden van alles wat we zagen. Ze is 'n ideaal-chaperonne en geeft ons bepaald af en toe 'n lesje in kunstgeschiedenis. We hebben o. a. de Hollandsche en Vlaamsche school gezien en de oude Italianen, ontelbare madonna's en ook 't beroemde schilderij van da Vinci „Mona Lisa” of „la Joconde” voorstellend, waarvan ik 'n tamelijk goede reproduktie kocht. AanFloor en Max stuurde ik voor de grap 'n briefkaart met 't portret van de kleineinfanteMarie-Marguerite van Spanje door Velasquesz, omdat ik vind dat 't op Liesje lijkt. Vraag maar of ze 't u eens laten zien, dan weet ik zeker, dat u zult zeggen dat ik gelijk heb.Het was vrij koel in 'tLouvreen niet zoo heel druk. 's Middags en vooral Zondags is 't er eenvoudig ongenietbaar; daarom besteden we er dan ook liever de morgenuren aan. Onbetaalbaar zot zijn de groote reisgezelschappen, die je er tegenkomt en als we moe zijn van 't schilderijen-zien, is 't waarnemen van zoo'nCook-troep 'n heerlijke ontspanning. Eén reisgezelschap bestond uit zoowat alle nationaliteiten: Italianen, Russen, Duitschers, Amerikanen en 'n paar broodmagere, leelijke Engelsche dames met eigenwijze uilengezichten en hoeden met fladderende sluiers. Er waren zelfs twee Japanners en 'n neger bij en dat heele troepje holde 'n klein, dik mannetje na, den leider van 't gezelschap, met 'n groote flambard en 'n lorgnet op. Met plechtige bewegingen en luider stemme galmde hij telkens zijn wijsheid uit.„Mesdames, messieurs, voici un tableau très remarquable,” en dan schoot hij als 'n schietmotaf op 'n heel klein schilderijtje aan 't eind van 'n zaal, om juist als iedereen er zich om stond te verdringen, ineens overtesteken naar 't andere einde, waar zich ook iets zeer „remarquables” bevond, waarna alles weer meeholde. 't Geheel bood zoo'n allerdolsten aanblik, dat Emmy niet kon nalaten enkele types in haar schetsboek, dat ze altijd bij zich draagt, te vereeuwigen.Na ons bezoek aan 'tLouvregingen we ergens in 'n „laiterie” koffiedrinken, wandelden toen door deRue de Rivoliterug tot aan den „jardin des Tuileries”, waar we even rondliepen en 'n poos op 'n bankje zaten. Toen kuierden we langzaam, want o, wat was 't warm! naar de Seine, waar we op 'n bootje stapten naarSaint-Cloud. Dat was 'n heerlijk tochtje! We stijfden er van op als halfverlepte bloemen, die in frisch water worden gezet en genoten van 't prachtige gezicht op de rivier. Typisch was 't om onder al die bruggen door te varen en verderop bijMeudonenSèvres, begonnen de mooie, groene heuvelrijen waartegen de roodgedakte huisjes en villa's zoo vroolijk afstaken. Roosje drong er op aan dezer dagen 'n bezoek aan denEiffeltorente brengen, maar daar is Emmy niet voor tevinden. Je wordt er maar duizelig en akelig van in je hoofd en we hebben nog zóóveel te zien, dat we er toch geen tijd voor over zullen houden, zegt ze. Nu, 't kan mij niet veel schelen. Zoo aan den buitenkant alleen gezien ziet hij er tamelijk griezelig en onstevig uit!En nu verder overSaint-Cloud, waar ik wel veel langer had willen blijven. Veel tijd hadden we niet, anders waren we zeker dieper 't park ingegaan. We stelden ons tevreden met 'n bezoekje aan de cascades (die alleen maar op enkele feestdagen en Zondags om de veertien dagen loopen) en stegen toen langzaam langs den hellenden weg naar boven tot aan 't terras, waar vroeger 't paleis stond en van daar naar 't bekende plateau, van waar men een der mooiste vergezichten heeft op Parijs. Toen we ons daaraan naar hartelust verkwikt hadden, gingen we theedrinken en aanvaardden daarop den terugtocht. We gingen vroeg naar bed, omdat voor vandaagVersaillesop 't programma stond, waar minstens één langen dag voor noodig is, om eenigszins 'n overzicht over 't geheel te hebben.Dadelijk na 't ontbijt gingen we er per „tramway” heen, beladen met ons twaalfuurtje, bestaande uit broodjes met harde eierenen 'n enormen zak kersen. We zaten bovenop, wat goedkooper en frisscher was en waren zoowat tegen elf uur teVersailles, waar we begonnen met 't groote paleis te bezichtigen. Het is reusachtig. Er voor, midden op de „cour d'honneur” staat 'n bronzen ruiterstandbeeld van Lodewijk XIV, den stichter en aan de zijkanten van den cour zijn de beelden van verschillende staatslieden en maarschalken geplaatst.Ontelbaar waren de zalen die we doorgingen, „décorées avec une richesse sans pareille,” zooals terecht in Baedeker staat: kostbare behangsels, gobelins, muurschilderingen en plafonds, gebeeldhouwde meubels en deuren, marmeren schoorsteenen, 'n niet te zeggen weelde. Die „Galerie des Glaces” bijvoorbeeld en dan de slaapkamers van de verschillende Louis! Hoe hebben ze 'n oog kunnen sluiten op die akelig mooie praalbedden zonder nachtmerrie's te krijgen!—Het paleis is gedeeltelijk museum, maar de schilderijen zijn zeer middelmatig over 't geheel, dus hebben we er die grootendeels aan gegeven en meer op 't historische gelet. Weldadig doen te midden van al die overweldigende luxe de kleine, bij de rest vergeleken,uiterst eenvoudige kamers aan, die Marie Antoinette in dit reuzenpaleis bewoonde. Daar staat o. a. de luiermand, 'n kleine, beschilderde koffer, die de stad Parijs haar aanbood met de geboorte van denDauphin.U kunt begrijpen, dat we doodmoe waren toen we na 't bezichtigen van de kapel 't paleis verlieten, maar we bekwamen nogal gauw buiten in de prachtige tuinen, waar we enkele van de fonteinen en bassins zagen en ons twaalfuurtje gebruikten. We bleven er nog wat ronddwalen voor weGrandenPetit Trianongingen zien en haalden ons hart op aan de prachtige bloemen. Met de seringen en kastanjes was 't gedaan, maar de jasmijn, rododendrums en rozen bloeiden er zooals ik 't nergens anders ooit gezien heb. Het rook er goddelijk en we voelden ons of we in 't paradijs waren. Een takje jasmijn heb ik in Baedeker gedroogd en ook 'n klavertje van vier, dat ik vond in 't „hameau de la reine,” nadat ik 'n leelijken winkelhaak gehaald had in mijn blauwe rok, dien Emmy tusschen twee haakjes keurig voor me gestopt heeft. Ik sluit 't hierbij in en hoop, dat dit Fransche klavertje u geluk zal aanbrengen.De kleine gebouwtjes van 'thameau, demoulin, delaiterieen 'tboudoir, waar Lodewijk XVI en Marie Antoinette met hun hofhouding „boerderijtje speelden” zijn tamelijk vervallen, maar zien er zeer schilderachtig uit en zijn bijna alle geheel of gedeeltelijk met klimop begroeid. Je kunt er niet in, maar de gebouwtjes zijn toch heelemaal leeg en erg luguber als je erin kijkt.OpGrand Trianonzagen we o. a. de slaapkamer van Napoleon; ook namen we 'n kijkje in 't „musée des voitures,” waar de gala-koetsen bewaard worden. In een ervan heeft Napoleon gereden en er staan ook verscheiden draag-koetsen en sleden. Die van Marie Antoinette is door Watteau beschilderd; 'n zeer elegante schelpvormige behoorde aanMadame de Pompadouren 'n andere, gedragen door 'n schildpad, aanMadame de Maintenon.InPetit Trianonstelde ik eigenlijk 't meeste belang. 't Is 'n klein paleisje, niet veel meer dan 'n villa. In de salon staat nog 'n spinet door de koningin bespeeld en in 'n andere kamer 'n beeldig, rozenhouten waschtafeltje, dat ze gebruikte. Ik heb me verschillende briefkaarten aangeschaft, ook een van haar slaapkamer, waar een portret van denDauphinhangt.Flip zal wel lachen om al die beschrijvingen en mijn „misplaatst enthousiasme” over Marie Antoinette. Hij plaagde me vroeger zoo als ik zat te huilen over „De val van een koningshuis,” maar ik kan niet helpen, dat ze altijd 'n zwakje van me gebleven is.We moesten hollen en vliegen om nog bijtijds 'n tram naar Parijs te halen, maar rustten lekkertjes uit op den terugrit en vielen met waren wolvenhonger aan op ons diner.Het eten is eenvoudig maar goed en over onze slaapkamer zijn we heel tevreden. Groot is ze niet, maar 't balkon vergoedt veel. We slapen met open balkondeuren, zetten die half aan en barricadeeren die voor 't naar bed gaan met onze koffers, waar we de waterkitten en waschtafelemmers bovenop zetten. Eigenlijk is 't onnoodig, want ik geloof niet, dat iemand zonder z'n hals te breken ons zou kunnen bereiken, maar men kan op reis niet te voorzichtig zijn!! heeft vader me nog op 't hart gedrukt voor ik wegging.Er zijn veel Engelschen in 't hotel, 'n stuk of wat Franschen en twee dikke Duitsche dames zitten 's middags aan 'n tafeltje naast 't onze. Wij spreken „alle talen van den regenboog” en iedereen is heel beleefd.Ik vind Parijs 'n verrukkelijke stad, heel mooi, vroolijk, druk en interessant, hoewel ik er niet voor goed zou willen wonen.Morgenochtend gaan we weer naar 'tLouvreen 's middags—want dat ligt allemaal bij elkaar—naar deNotre Dame, deSainte Chapelleen deConciergerie, waar Emmy 'n introductie voor heeft; 's avonds als we niet te moe zijn per Seine-bootje op en neer naarMeudonofSèvres.En nu, slaapt wel, geliefden. Ik kan geen spikkel meer zien en ben moe. Veel liefs voor iedereen en minstens 'n dozijn kussen voor uw beidjes van't genietende Piepkuiken,dat druk bezig is 'n wufteParisiennete worden!

PARIJS, 2 Juni 's avonds.

Allerbeste oudertjes,

Al vier dagen is 't geleden, sinds ik de eerste voetstap inla Ville-Lumièrezette, en nòg heb ik geen gelegenheid gehad om 'n behoorlijken brief te schrijven. Maar dit wordt dan ook 'n extra-lange! U wilt alles wat ik schrijf wel goed bewaren, nietwaar en me naderhand teruggeven, want ik heb waarlijk geen tijd 'n reisjournaal bij te houden.

Door mijn telegram en de briefkaarten, die ik zond, weet u al dat we goed zijn overgekomen en plezier hebben. De voorspelling, dat we veel warmte zouden krijgen, istot nog toe uitgekomen. Vandaag tenminste was 't:une chaleur accablante, maar we hebben er ons niet aan gestoord en zitten nu hoog en droog uit te waaien op 't balkon van de slaapkamer, die Roosje en ik samen betrokken hebben. Het uitzicht is niet fraai, het bestaat hoofdzakelijk uit daken en schoorsteenen, maar we hebben den vrijen hemel boven ons en 't is hier heerlijk koel. Emmy, die 'n verdieping lager slaapt, is geen balkon rijk en zit bij ons in haar schetsboek te teekenen, terwijl Roos en ik, ieder met 'n vulpen gewapend, schrijven, onze knieën als lessenaar gebruikend, waardoor mijn schrift niet al te netjes wordt!

Na 't diner, dat om half acht was afgeloopen, hebben we hier eerst 'n soort van bacchanaal met ijs en spuitwater aangericht, dat ons heerlijk heeft opgefrischt.

Thee drinken we maar niet, want 't aftreksel, dat we hier ééns genoten hebben, smaakte naar hooi en tabak, zoodat we 's morgens aan 't ontbijt maar liever chocolade drinken en ons 's middags in de stad met 'n enkel kopjeafternoon-teatevreden stellen.

Den eersten dag brachten we bijna uitsluitend op straat door. In 't begin vondenRoosje en ik 't allergriezeligst om over te steken, maar 't wende gauw, al zijn er vooral 's middags oogenblikken, dat je niet anders doen kunt dan wachten tot 'n agent z'nbâton blancin de hoogte steekt en de stroom van auto's, rijtuigen entaximètresstil moet blijven staan, om de voetgangers te laten passeeren. We hebben al menig ritje per rijtuig gedaan en ook veel geprofiteerd van demétropolitainof „le métro” zooals ze hier zeggen. Den eersten keer was 't 'n wat zonderlinge gewaarwording om in zoo'n ondergrondsche spoor te zitten. Er is iets beklemmends in. 't Ruikt er zoo kelderachtig en dan dat helsche lawaai onder 't rijden! Maar het gaat heerlijk gauw en 't is goedkoop. We kwamen er tot de conclusie, dat de mannen hier nog veel ijdeler zijn dan de vrouwen!

Aan elke halte van demétropolitainstaat 'n rijtje van automaten, waaruit je voor enkelesouschocolade of biscuits nemen kunt. Aan de voorzijde van iederen automaat is 'n spiegel aangebracht en nu is 't bepaald amusant te zien, hoe bijna geen enkele heer de gelegenheid verzuimt zichzelf daarin te bekijken, terwijl je 't de dames haast niet ziet doen. Roosje, die 't 't eerst oplette, vestigde er onzeaandacht op en we lachten ons tranen om dit verschijnsel. 't Is zoo kostelijk alle op- en aanmerkingen zoo hardop in 't Hollandsch aan elkaar te kunnen zeggen, hoewel Emmy ons telkens waarschuwt, dat 't toch gevaarlijk is. We worden meestal voor Engelschen aangezien, ook in 't hotel; zeker omdat we ons zoo eenvoudig kleeden. Ik zou me niet graag als 'n echte Parisienne uitdossen, want hoewel ze allen zonder uitzondering zeer elegant zijn, is haar manier van doen toch heel anders dan hier in Holland. Smaakvolle en ook zeer bizarre toiletten worden hier gedragen, vooral de hoeden en kapsels zien er dikwijls zeer vreemd en ingewikkeld uit, maar bijna nooit zou je 't leelijk kunnen noemen.

Gisteren hebben we onzen eersten morgen in 'tLouvregesleten. Emmy weet er uitstekend den weg en vertelde ons 'n massa bizonderheden van alles wat we zagen. Ze is 'n ideaal-chaperonne en geeft ons bepaald af en toe 'n lesje in kunstgeschiedenis. We hebben o. a. de Hollandsche en Vlaamsche school gezien en de oude Italianen, ontelbare madonna's en ook 't beroemde schilderij van da Vinci „Mona Lisa” of „la Joconde” voorstellend, waarvan ik 'n tamelijk goede reproduktie kocht. AanFloor en Max stuurde ik voor de grap 'n briefkaart met 't portret van de kleineinfanteMarie-Marguerite van Spanje door Velasquesz, omdat ik vind dat 't op Liesje lijkt. Vraag maar of ze 't u eens laten zien, dan weet ik zeker, dat u zult zeggen dat ik gelijk heb.

Het was vrij koel in 'tLouvreen niet zoo heel druk. 's Middags en vooral Zondags is 't er eenvoudig ongenietbaar; daarom besteden we er dan ook liever de morgenuren aan. Onbetaalbaar zot zijn de groote reisgezelschappen, die je er tegenkomt en als we moe zijn van 't schilderijen-zien, is 't waarnemen van zoo'nCook-troep 'n heerlijke ontspanning. Eén reisgezelschap bestond uit zoowat alle nationaliteiten: Italianen, Russen, Duitschers, Amerikanen en 'n paar broodmagere, leelijke Engelsche dames met eigenwijze uilengezichten en hoeden met fladderende sluiers. Er waren zelfs twee Japanners en 'n neger bij en dat heele troepje holde 'n klein, dik mannetje na, den leider van 't gezelschap, met 'n groote flambard en 'n lorgnet op. Met plechtige bewegingen en luider stemme galmde hij telkens zijn wijsheid uit.

„Mesdames, messieurs, voici un tableau très remarquable,” en dan schoot hij als 'n schietmotaf op 'n heel klein schilderijtje aan 't eind van 'n zaal, om juist als iedereen er zich om stond te verdringen, ineens overtesteken naar 't andere einde, waar zich ook iets zeer „remarquables” bevond, waarna alles weer meeholde. 't Geheel bood zoo'n allerdolsten aanblik, dat Emmy niet kon nalaten enkele types in haar schetsboek, dat ze altijd bij zich draagt, te vereeuwigen.

Na ons bezoek aan 'tLouvregingen we ergens in 'n „laiterie” koffiedrinken, wandelden toen door deRue de Rivoliterug tot aan den „jardin des Tuileries”, waar we even rondliepen en 'n poos op 'n bankje zaten. Toen kuierden we langzaam, want o, wat was 't warm! naar de Seine, waar we op 'n bootje stapten naarSaint-Cloud. Dat was 'n heerlijk tochtje! We stijfden er van op als halfverlepte bloemen, die in frisch water worden gezet en genoten van 't prachtige gezicht op de rivier. Typisch was 't om onder al die bruggen door te varen en verderop bijMeudonenSèvres, begonnen de mooie, groene heuvelrijen waartegen de roodgedakte huisjes en villa's zoo vroolijk afstaken. Roosje drong er op aan dezer dagen 'n bezoek aan denEiffeltorente brengen, maar daar is Emmy niet voor tevinden. Je wordt er maar duizelig en akelig van in je hoofd en we hebben nog zóóveel te zien, dat we er toch geen tijd voor over zullen houden, zegt ze. Nu, 't kan mij niet veel schelen. Zoo aan den buitenkant alleen gezien ziet hij er tamelijk griezelig en onstevig uit!

En nu verder overSaint-Cloud, waar ik wel veel langer had willen blijven. Veel tijd hadden we niet, anders waren we zeker dieper 't park ingegaan. We stelden ons tevreden met 'n bezoekje aan de cascades (die alleen maar op enkele feestdagen en Zondags om de veertien dagen loopen) en stegen toen langzaam langs den hellenden weg naar boven tot aan 't terras, waar vroeger 't paleis stond en van daar naar 't bekende plateau, van waar men een der mooiste vergezichten heeft op Parijs. Toen we ons daaraan naar hartelust verkwikt hadden, gingen we theedrinken en aanvaardden daarop den terugtocht. We gingen vroeg naar bed, omdat voor vandaagVersaillesop 't programma stond, waar minstens één langen dag voor noodig is, om eenigszins 'n overzicht over 't geheel te hebben.

Dadelijk na 't ontbijt gingen we er per „tramway” heen, beladen met ons twaalfuurtje, bestaande uit broodjes met harde eierenen 'n enormen zak kersen. We zaten bovenop, wat goedkooper en frisscher was en waren zoowat tegen elf uur teVersailles, waar we begonnen met 't groote paleis te bezichtigen. Het is reusachtig. Er voor, midden op de „cour d'honneur” staat 'n bronzen ruiterstandbeeld van Lodewijk XIV, den stichter en aan de zijkanten van den cour zijn de beelden van verschillende staatslieden en maarschalken geplaatst.

Ontelbaar waren de zalen die we doorgingen, „décorées avec une richesse sans pareille,” zooals terecht in Baedeker staat: kostbare behangsels, gobelins, muurschilderingen en plafonds, gebeeldhouwde meubels en deuren, marmeren schoorsteenen, 'n niet te zeggen weelde. Die „Galerie des Glaces” bijvoorbeeld en dan de slaapkamers van de verschillende Louis! Hoe hebben ze 'n oog kunnen sluiten op die akelig mooie praalbedden zonder nachtmerrie's te krijgen!—Het paleis is gedeeltelijk museum, maar de schilderijen zijn zeer middelmatig over 't geheel, dus hebben we er die grootendeels aan gegeven en meer op 't historische gelet. Weldadig doen te midden van al die overweldigende luxe de kleine, bij de rest vergeleken,uiterst eenvoudige kamers aan, die Marie Antoinette in dit reuzenpaleis bewoonde. Daar staat o. a. de luiermand, 'n kleine, beschilderde koffer, die de stad Parijs haar aanbood met de geboorte van denDauphin.

U kunt begrijpen, dat we doodmoe waren toen we na 't bezichtigen van de kapel 't paleis verlieten, maar we bekwamen nogal gauw buiten in de prachtige tuinen, waar we enkele van de fonteinen en bassins zagen en ons twaalfuurtje gebruikten. We bleven er nog wat ronddwalen voor weGrandenPetit Trianongingen zien en haalden ons hart op aan de prachtige bloemen. Met de seringen en kastanjes was 't gedaan, maar de jasmijn, rododendrums en rozen bloeiden er zooals ik 't nergens anders ooit gezien heb. Het rook er goddelijk en we voelden ons of we in 't paradijs waren. Een takje jasmijn heb ik in Baedeker gedroogd en ook 'n klavertje van vier, dat ik vond in 't „hameau de la reine,” nadat ik 'n leelijken winkelhaak gehaald had in mijn blauwe rok, dien Emmy tusschen twee haakjes keurig voor me gestopt heeft. Ik sluit 't hierbij in en hoop, dat dit Fransche klavertje u geluk zal aanbrengen.

De kleine gebouwtjes van 'thameau, demoulin, delaiterieen 'tboudoir, waar Lodewijk XVI en Marie Antoinette met hun hofhouding „boerderijtje speelden” zijn tamelijk vervallen, maar zien er zeer schilderachtig uit en zijn bijna alle geheel of gedeeltelijk met klimop begroeid. Je kunt er niet in, maar de gebouwtjes zijn toch heelemaal leeg en erg luguber als je erin kijkt.

OpGrand Trianonzagen we o. a. de slaapkamer van Napoleon; ook namen we 'n kijkje in 't „musée des voitures,” waar de gala-koetsen bewaard worden. In een ervan heeft Napoleon gereden en er staan ook verscheiden draag-koetsen en sleden. Die van Marie Antoinette is door Watteau beschilderd; 'n zeer elegante schelpvormige behoorde aanMadame de Pompadouren 'n andere, gedragen door 'n schildpad, aanMadame de Maintenon.

InPetit Trianonstelde ik eigenlijk 't meeste belang. 't Is 'n klein paleisje, niet veel meer dan 'n villa. In de salon staat nog 'n spinet door de koningin bespeeld en in 'n andere kamer 'n beeldig, rozenhouten waschtafeltje, dat ze gebruikte. Ik heb me verschillende briefkaarten aangeschaft, ook een van haar slaapkamer, waar een portret van denDauphinhangt.

Flip zal wel lachen om al die beschrijvingen en mijn „misplaatst enthousiasme” over Marie Antoinette. Hij plaagde me vroeger zoo als ik zat te huilen over „De val van een koningshuis,” maar ik kan niet helpen, dat ze altijd 'n zwakje van me gebleven is.

We moesten hollen en vliegen om nog bijtijds 'n tram naar Parijs te halen, maar rustten lekkertjes uit op den terugrit en vielen met waren wolvenhonger aan op ons diner.

Het eten is eenvoudig maar goed en over onze slaapkamer zijn we heel tevreden. Groot is ze niet, maar 't balkon vergoedt veel. We slapen met open balkondeuren, zetten die half aan en barricadeeren die voor 't naar bed gaan met onze koffers, waar we de waterkitten en waschtafelemmers bovenop zetten. Eigenlijk is 't onnoodig, want ik geloof niet, dat iemand zonder z'n hals te breken ons zou kunnen bereiken, maar men kan op reis niet te voorzichtig zijn!! heeft vader me nog op 't hart gedrukt voor ik wegging.

Er zijn veel Engelschen in 't hotel, 'n stuk of wat Franschen en twee dikke Duitsche dames zitten 's middags aan 'n tafeltje naast 't onze. Wij spreken „alle talen van den regenboog” en iedereen is heel beleefd.

Ik vind Parijs 'n verrukkelijke stad, heel mooi, vroolijk, druk en interessant, hoewel ik er niet voor goed zou willen wonen.

Morgenochtend gaan we weer naar 'tLouvreen 's middags—want dat ligt allemaal bij elkaar—naar deNotre Dame, deSainte Chapelleen deConciergerie, waar Emmy 'n introductie voor heeft; 's avonds als we niet te moe zijn per Seine-bootje op en neer naarMeudonofSèvres.

En nu, slaapt wel, geliefden. Ik kan geen spikkel meer zien en ben moe. Veel liefs voor iedereen en minstens 'n dozijn kussen voor uw beidjes van

't genietende Piepkuiken,dat druk bezig is 'n wufteParisiennete worden!

Helaas, de tijd van ons verblijf hier begint op te schieten. Nog twee dagen, dan is de koek op en behooren de twee heerlijkste weken, die ik tot nog toe beleefd heb, weer tot 't verleden, maar de herinnering er aan zullen we ons leven lang behouden en de vriendschap tusschen Roos en mij is door dit reisje zeer toegenomen. Ze is zoo'n in-goed kind en zoo vroolijk. 's Avonds op onze kamer hebben we onbedaarlijkelachbuien om de menschen, die ze nadoet. Haar stem en mimiek zijn gewoon eenig en ze kan zulke leuke invallen hebben.

Laatst in 'tLouvreliepen we met de overblijfselen van onstwaalfuurtje: 'n prop vette papieren en sinaasappelschillen in onzen reiszak. We hadden 't heele rommeltje keurig in 'n courant gepakt, maar vonden 't toch vervelend er den heelen verderen middag mee rond te sjouwen, te meer omdat we van plan waren 'n paar boodschappen te gaan doen, die in den zak moesten. Toch zagen we zoo gauw geen kans 't kwijt te raken. 't Onderweg „verliezen” ging moeilijk, dan zou de een of andere galante snoeshaan 't ons misschien nadragen.

„Geef maar hier,” zei Roos toen heel edelmoedig en met een doodleuk gezicht sloop ze naar 'n oud ventje, 'ngardien, die in 'n hoekje van de zaal zat te dommelen en lei 't voorzichtig op z'n schoot. Proestend holden we door, maar konden toch niet nalaten aan 't eind van de zaal even om te kijken en daar zagen we hem juist met 'n hoogst verbaasd gezicht 't pakje betasten en openmaken! 'n Eind verder vielen we neer op 'n rood kanapeetje, alle drie op 'n rijtje, krom van den lach, Emmy net zoo goed als wij.

Ik mag Emmy heel graag. Zoo frisch en pittig is ze en ondanks haar vijf en dertig jaren, zoo jongen echt levenslustig! In 't begin was ik 'n beetje verlegen voor haar. 't Was net of die hel-blauwe oogen door alles heen zagen, of ze alles van en aan me opmerkten en critiseerden. Maar dat zijn haar „schildersoogen,” zooals ze zelf zegt. Die zijn altijd aan 't waarnemen en vergelijken. En nu ik daar aan gewend ben, kan 't me ook niet meer schelen, want ze zegt nooit hatelijke dingen en is echt goedig voor ons. We hebben 'n massa van haar geleerd en toch laat ze zich nooit op haar meerdere kennis voorstaan.

Schilderen is de lust in haar leven en haar schetsboek is al bijna heelemaal gevuld met krabbels, die ze op onze tochten maakt en 's avonds meestal uitwerkt.

Ik wou, dat ik de helft van haar ijver en energie had! Roosje vindt ook, dat er van Emmy zoo'n lust tot werken uitgaat. 't Slaat bepaald op ons over! Roos is tenminste vast van plan met gloeienden ijver haar viool ter hand te nemen, als ze thuis is en ik ga me dadelijk met mannenmoed werpen in de zee van taalregels en thema's! De Fransche taal is mooi maar moeilijk, dat merk ik ieder oogenblik.

Ik kan me tamelijk vlug uitdrukken, doe 't zelfs met een zekere brutaliteit, maar maak hóópen fouten. Toch voer ik op m'n eigen verlangen meestal't woord, want voor Emmy en Roosje geneer ik me maar niet.

Ik heb 'n gevoel of ik hier minstens al 'n maand ben, zóóveel hebben we beleefd en gezien, al is 't van heel Parijs natuurlijk maar 'n bitter klein beetje.

Op een smoorwarmen dag zijn we naarChantillygetrokken, naar 't „vieux château des princes de Condé,” waar we de beroemde „Drie gratiën” van Rafaël zagen, prachtige „byoux”, gobelins en nog veel meer moois bewonderden en zóó moe waren na ons bezoek, dat we 'n uur buiten in 't gras bleven liggen om weer op ons verhaal te komen. 't Scheelde niet veel of we hadden den trein terug naar Parijs gemist. We klééfden eenvoudig aan de banken toen we er eenmaal inzaten. Het was dien dag zóó warm, dat we net als die oude jongejuffrouw in een van Hichens boeken, wel in ons geraamte hadden willen loopen.

's Avonds onweerde 't dan ook, maar den volgenden dag was 't toch mooi weer, alleen werd 't veel koeler, zoodat we zelfs onze mantels weer velen konden.

We zijn naar „Andromaque” geweest in de „Comédie française”,hebben natuurlijk 't graf van Napoleon en 't „Hotel des Invalides” bezocht en ons hart opgehaald aan souvenirs uit de Revolutie in „musée Carnavalet.” We hebben bloemen gestrooidop Heine's graf op 't kerkhof vanMontmartre, 'n mis in deMadeleinebijgewoond, geroeid op 't „Grand lac” in 'tBois de Boulogneen 'n heelen middag boodschappen gedaan in de „Bon Marché”. Over afwisseling in 't programma hadden we dus niet te klagen. En we worden zoo handig en redzaam!

Gisteren nog toen we ons per auto vanmusée Clunynaar 'tparc des Buttes Chaumontlieten rijden en de chauffeur ons wou afzetten, bewerend dat hij geen klein geld terug had, wisselden we onzen „louis” gauw aan 'n snoeptafeltje dicht bij 't hek van 't park, waar we eenige pijpensucre d'orgekochten, die Roos en ik voor de oogen van den eerst zeer verbaasd kijkenden chauffeur—qui riait jaune!—aan eenige straatkinderen uitdeelden, terwijl Emmy hem zijn precies afgepast loon en 'n matig fooitje overhandigde. Hij zei eerst: „Ah, mesdames vous n'êtes pas généreuses” en mompelde toen iets van „Prussiennes!” maar we keerden ons met majesteit om en gingen 't park in, waar we heerlijk uitrustten na de vermoeienissen van ons museumbezoek.

De twee laatste dagen van ons verblijf hier zullen we wat kalm aanleggen om niet heelemaal „verpierelierd” thuis te komen. We hadden eerst naarFontainebleauwillen gaan, maar daarmee zijn we 'n heelen dag kwijt, dus is dat van 't programmageschrapt, want we hebben nog enkele inkoopen te doen en willen graag 'n laatst bezoek aan 'tLouvrebrengen. We zullen ons dus maar liever met 'tbois de Vincennestevreden stellen en tot slot en besluit nog een zalig Seine-tochtje maken.

Het is de avond van onzen laatsten dag!

We kunnen ons geen van drieën indenken, dat we morgenavond weer veilig en wel thuis zullen zijn... Ik verheug er me zeer op van al het genotene te vertellen, al zou ik er niet 't minste bezwaar tegen hebben nog 'n weekje te blijven!

We zitten, zooals bijna alle avonden voor 't naar bed gaan, op ons balkon te genieten van de Parijsche avondkoelte en 't „bacchanaal met spuitwater”, waaraan 't restje roode wijn, dat nog in onze flesch vantable d'hôteoverbleef, 'n tintje geeft. 'n Enorme zak „petits beurres”, eigenlijk meer voor de reis van morgen bestemd, verhoogt 't plechtige van dezen afscheidsdronk.

Emmy heeft de nota betaald, we hebben met elkaar afgerekend en de fooien voor 't personeel afgepast. Toch zullen we niet lang meer van „ons buitenverblijf” kunnen genieten, want we moeten pakken en tijdig naar bed! Om kwart over acht vertrekken we morgen al van deGare du Norden zijn dan 's middags vóór etenstijd thuis.

We zitten stil bij elkaar, denkend aan de heerlijke dagen, die achter ons liggen.

De zon is onder; de lucht ziet purperrood; daken en schoorsteenen krijgen 'n spookachtig aanzien.

Daar begint aan den overkant 'n gramophone te schetteren van: „Toréador en garde!” en plotseling komt er beweging in ons. We kunnen niet nalaten mee te neuriën en met onze voeten de maat te trappelen. Maar als 't lied uit is, springt Emmy overeind.

„Kom kinderenlief, met moed aan de pakkerij en dan naar bed! Morgen is 't vroeg dag en de reis is vermoeiend. Als jullie me soms noodig hebt, kom dan maar aan mijn kamerdeur tikken,” zegt ze haar stoel naar binnen schuivend.

„O, we zullen 't wel met ons beidjes afkunnen. Als jij ons een van beiden soms noodig hebt”.... bied ik aan.

„'t Zal met mij wel losloopen. Ik heb al zooveel alleen gepakt van mijn leven. Veel succes hoor!”

Ze geeft ons 'n zoen en vertrekt, lachend om de geweldige herrie op onze kamer, die wel 'n uitdragerswinkel lijkt. Op iederen stoel hangt of ligt 'n kleedingstuk. Schoenen, paraplu's en parasols, kleer-en haarborstels, sponsenzakjes, handspiegeltjes, Baedekers, schrijfgereedschap en stapels schoongestreken ondergoed zwerven in't rond. Op de knoppen aan weerszijden van de spiegelkast staan onze hoeden.

„Net afgehouwen hoofden op pieken,” vindt Roosje.

De grond is bezaaid met papieren en houtwol. De kleeren, die ik morgen op reis noodig heb, liggen in edelen zwier op mijn bed gegooid. Aan 't voeteneinde hangt over 'n handdoek 'n ris natte handschoenen, die nog drogen moeten en 'n kom vol groezelig zeepsop, waarin Roosje „de wasch” behandeld heeft, staat op den grond, geflankeerd door 'n lampetkan met 'n bos pioenrozen, die we van 'n bedeljongetje op dePlace de la Concordekochten. We weten er eigenlijk geen raad mee en zullen ze morgen maar vergeten, omdat ze toch als hooi in Holland zouden belanden en we al handbagage genoeg hebben, want al onze bezittingen kunnen met geen macht of mogelijkheid in onze koffers, hoe vernuftig we ook van plan zijn te pakken.

Roosjes bed is één chaos van cadeautjes voor thuis. 'n Gipsenchimèrevan deNotre Dame(zoo'n afgietsel naar een van de duivels-met-beestenkoppen, die boven op de kerk rondom op de balustrade zitten) gluurt met nieuwsgierigen blik in 'n halfgeopende bonbonsdoos en 'n blakertje van Normandisch aardewerk loopt gevaar van haar kussen af te glijden.

We hebben nogal veel aardewerk en Roosjes voorstel, om 't allemaal bij elkaar in 'n kistje te pakken en dat bij ons in de coupé te houden, lijkt wel 't beste. 't Zal misschien eenige moeite opleveren bij de douanen, maar in onze koffers breekt 't licht en dat zou nog erger zijn.

Ik breng 'n massa leuke dingen mee voor thuis.

Voor moeder 'n leeren handtaschje, voor vader 'n inktkoker en voor Flip 'n „chimère” om op z'n schrijftafel te zetten en 'n aschbakje. Bé krijgt bij haar thuiskomst 'n tullen omslagdoekje en Aad 'n thermometer, Floor 'n eindje echte „dentelle de Bruges” en Max 'n beurs. Voor Liesje kocht ik 'n poppen-theeserviesje, voor Bobbie 'n paardje en voor Loekie 'n wit schaapje met belletjes. Aan Eef en Herman zond ik, goed verpakt tusschen twee kartons, 'n mooie reproductie van 'n madonna van Botticelli. Ze zullen wel opkijken van mij iets uit Parijs te krijgen en er eerst niets van begrijpen, want tijd om hun te schrijven heb ik niet gehad.

In de „Bon Marché” heb ik voor m'n kleedgeld 'n doddig wit-linnen japonnetje gekocht. Ik moest er toch een hebben en ben blij, dat ik moeders raad, om 't me in Parijs aan te schaffen, opgevolgd heb, want voor 30francszou je in Holland niet zoo iets aardigs en smaakvols hebben.

Verder heb ik een massa briefkaarten en enkele fotografieën, die ik grootendeels zelf denk te houden als souvenir. De jongens van Slooten mogen er ieder 'n keuze uit doen. Huib krijgt bovendien nog 'n portretlijstje en 'n gedroogde viool, die ik voor hem gestolen heb van Heine's graf. Want hij dweept met Heine en citeert altijd uit 't „Buch der Lieder.”

Dat portretlijstje is nog voor z'n verjaardag, (anders zou ik hem niet zoo boven de twee anderen durven begenadigen), maar ik zal er niets tegen hebben als hij er 'n kiek of portret van mij inzet.... Voor Ada Witsen en nog enkele andere vriendinnen breng ik 'n paar bakjes en kannetjes mee van Fransch aardewerk met grappige poppetjes en tierelantijntjes. Als 't maar heel overkomt! Emmy gaf ons als souvenir ieder 'n alleraardigste ceintuurgesp vancuivre repoussé. De mijne is met roode en die van Roosje met paarse steentjes bewerkt. Wij, op onze beurt, hebben haar begiftigd met 'n paar Turksche muiltjes, die ze toevallig erg bewonderd had voor 'n winkelraam in deRue de Rivoli. Ze waren nogal duur, dus gaven we ze samen en legden ze gisteravond op haar bed met de niet zeer poëtische maar kernachtigeopdracht, geschreven op 'n visitekaartje:

Voor al uwe hulp en bescherming in ruilBieden w' u ieder één Turksche muil!

Voor al uwe hulp en bescherming in ruilBieden w' u ieder één Turksche muil!

Voor al uwe hulp en bescherming in ruil

Bieden w' u ieder één Turksche muil!

Ze was er heel blij mee en zal ze op haar atelier dragen bij 'n zijden Japansche kimono en ons 'n keer aldus uitgedost op „tea” vragen, zoodat we dan 't effect ten volle kunnen bewonderen.

„'t Doet me zoo'n plezier, dat je Emmy aardig vindt,” zegt Roosje, 'n stapeltje ondergoed zorgvuldig in haar koffer leggend, „je zult eens zien wat 'n plezier je van die kennismaking hebben zult.”

„Ja, ik hoop dat ze de vriendschap zal blijven aanhouden. O, Roos hou 'm!”

't Laatste ontsnapt me van wege Flipschimère, die ik bijna van de tafel gesleept zou hebben, als Roos hem nog niet tijdig gegrepen had.

„We mogen er toch wel mee oppassen. We krijgen de boel nooit allemaal héél over. Vooral die duvels zijn zoo akelig bros,” zegt Roosje bezorgd, maar met veel kunst- en vliegwerk zit de breekwaar omwonden met houtwol en vloeipapier toch eindelijk secuur ingebakerd in de kist. Als de douanen nu maar goedgunstig gestemd zijn, zal 't allemaal wel losloopen.

't Pakken van de koffers valt bij nader inzien ook nogal mee. We krijgen er handigheid in.

Mijn linnen japonnetje, dat ik maar eenmaalaan tafel heb aangehad, ligt in den bovensten bak. Ziezoo, 't deksel kan neer en zonder eenige moeite draai ik den sleutel om.

Met Roosjes koffer hebben we meer spul. Maar na wat duwen en persen krijgen we er alles toch ten slotte in. Zegepralend zien we elkaar aan:

„Kláár!!”

De allernoodigste toiletartikelen gaan morgen in onzecity-bags. Nu kunnen we rustig gaan slapen.

„Och hemeltje, morgen is dit allemaal weer „jadis”,”zucht Roos, terwijl we in nachtgewaad gehuld voor 't laatst de barricade van koffers, waterkitten en waschemmers voor de half-open balkondeuren oprichten.

Maar ik declameer, een van Huib's geliefde verzen aanhalend:

„Was vergangen kehrt nicht wieder,Aber ging es leuchtend nieder,Leuchtet's lange noch zurück!”

„Was vergangen kehrt nicht wieder,Aber ging es leuchtend nieder,Leuchtet's lange noch zurück!”

„Was vergangen kehrt nicht wieder,

Aber ging es leuchtend nieder,

Leuchtet's lange noch zurück!”

en met 'n plof zet ik de kit op mijn koffer.

„Jakkes, je spat. Ik krijg 'n heele klets water over m'n voeten,” verwijt Roosje me en dan ineens: „Lizzy, gauw, doe 't licht toch uit; ze kunnen ons aan de overkant zien!”

„Bedaar, bedaar, wat kunnen die onbekende boschnegers je schelen! Ze zien ons nooit meerterug,” troost ik, kalm m'n arm uitstrekkend naar 't knopje van 't electrisch licht. Dan lachend, tastend met uitgespreide handen, zoeken we in de rommelige duisternis van ons slaapsalet onze bedden op.

„Nou hoor, maf ze!” wensch ik studentikoos, de dekens over me heentrekkend.

„Wat 'n uitdrukking,” lacht Roosje en dan gapend „van 't zelfde, hoor!”

decoratieve illustratie

Het reizen en trekken is den laatsten tijd wel in de mode bij ons! „De wufteParisienne” was net thuis en Bé en Aad hadden na hun huwelijksreis nauwelijks goed en wel bezit van hun huisje genomen, toen Floor en Max door vrienden uit Dusseldorf dringend werden uitgenoodigd, daar 'n weekje te komen doorbrengen.

't Was al zóó dikwijls uitgesteld en ze hadden er allebei zoo'n lust in, dat ik onmiddellijk aanbood om tijdens hun afwezigheid op de kinderen te komen passen en 't huishouden te doen en na eenig wikken en wegen besloten ze toen maar van mijn aanbieding gebruik te maken.

Ik heb 't wel nooit alleen gedaan, maar Floor vond 't vervelend om er moeder mee op te schepen, wetend hoe ongezellig 't voor iedereen is, als die niet op haar postje blijft en om de kinderen allen bij ons thuis te installeeren was al te omslachtig en te druk voor de enkele week, die ze voornemens zijn weg te blijven. Daarbij zijn de meiden heel handig en vertrouwd enheeft Flip, die overdag thuis geweldig voor z'n candidaats zit te vossen, beloofd in den huize de Weert te komen slapen zoolang meneer en mevrouw afwezig zijn, dan is er 's nachts toch „'n mannelijk element” aanwezig om eventueele dieven en moordenaars van de deur te houden.

Zoo zijn Floor en Max dan gistermiddag afgereisd. Liesje, veel te slim om er niet alles van te snappen, keek erg bedremmeld toen 't rijtuig voorkwam, maar ik zei gauw, dat ze thee mocht schenken uit 't nieuwe Parijsche serviesje en dat leidde af. Bobbie en Loekie deden boven hun middagdutje, dus vertrokken de reizigers in alle kalmte, waar ik niet blij genoeg om zijn kan, want ik ken Floor te goed om niet te weten, dat ze althans in 't begin geen aasje plezier zou hebben, als ze een van haar kleuters bedroefd had moeten achterlaten.

Toen de beide heertjes waren uitgeslapen speelden ze met Liesje prettig in den zandhoop bij 't schuurtje, totdat Loekie ineens 'n vervaarlijke keel op zette, omdat hij Hoppo, z'n dierbaren bruinen beer bij ongeluk zóó diep onder 't zand begraven had, dat hij niet meer te voorschijn wilde komen.

„Hu, hu, Hoppo weg!” snikte hij, met allebei z'n vuistjes in z'n oogen wrijvend, stampvoetendvan drift toen ik niet gauw genoeg begreep wat er eigenlijk gaande was.

Liesje en Bobbie keken verbaasd en verschrikt toe, maar Loekie's tranen droogden onmiddellijk toen ik den geliefden Hoppo met behulp van 'n kolenschop, die Maartje me bereidwillig van uit 't keukenraam aanreikte, in minder dan geen tijd wist op te delven.

't Was roerend te zien hoe 't kleine ventje, den beer in z'n armpjes knellend, met 'n zeer berouwvol:

„En nou zalle Loetie weer zoet zijn,” mij zijn mondje toestak.

En Loekie was verder zoet; ook aan tafel gedroegen ze zich alle drie voorbeeldig. Ze aten met smaak hun bordjes leeg en gooiden geen melkbekers om, wat volgens Floor 'n zeldzaam verschijnsel is. Ze waarschuwde me tenminste vóór haar vertrek, dat ik stellig om den anderen dag 'n schoon tafellaken noodig zou hebben, maar ik hoop 't toch met minder te kunnen stellen.

Na 't eten kwam Truitje, 't kindermeisje, Loekie halen, die net wat drijverig begon te worden en bleef ik nog even bij de piano 'n paar liedjes zingen met de twee anderen, wetend dat Max dat bijna iederen avond met hen doet en 't maar raadzaam achtend, zoo min mogelijk van den gewonenregel af te wijken. 'n Kwartier later gingen ze dan ook uiterst voldaan mee naar boven. Bobbie vooral. Liesje was wat stil, maar begon toch dadelijk zoet haar laarsjes los te rijgen, terwijl ik Bobbie hielp en Loekie, die er al in lag, onderdekte. Bobbie was vlug klaar en sliep zoo gauw hij z'n kussen voelde, maar toen ik Liesje in 't aangrenzende kabinetje wou gaan instoppen, zat ze op haar knietjes met gevouwen handjes voor haar bed en hoorde ik haar met bevend stemmetje zeggen:

„Onze-lieve-Heertje, ik ben zoet geweest vandaag, maar maak toch, dat Paats en Moekie gauw terug komme. Tante Piep is heusch erg lief voor ons, maar ik hou zoo vreeselijk erg veel van Paats en ook van Moekie. Toe, laat ze toch alsjeblieft niet lang meer wegblijven. Amen.”

En toen opstaande en me smeekend met haar van tranen zwemmende oogen aanziende:

„Jij hebt zeker wel gehoord, hè tante Piep, wat ik an Onze-lieve-Heer gevraagd heb? Denk je nou, dat ze gauwer terug zulle komme?”

Ik sloeg m'n armen om haar mollige lijfje en trok haar bij me op schoot, terwijl ze zachtjes, maar o, zoo bedroefd huilde. Zoo goed mogelijk trachtte ik haar te troosten.

„Luister nou 's Liesje, je bent nou al zoo'n groot, verstandig kind van vijf jaar. Paats enMoekie blijven natuurlijk nog wel 'n paar nachtjes weg, maar dan komen ze terug en brengen wat moois voor jullie mee, als je zoet geweest bent. Ze vinden 't zoo prettig in Dusseldorf en die paar nachtjes zijn zoo gauw voorbij”....

Maar Liesje schudde haar kopje en begon nog harder, tot ik ineens iets verzon:

„Zeg Lies, wil jij vannacht naast tante Piep in Paats z'n bed slapen?”

Dat bleek 'n uitkomst! In 'n wip waren de tranen gedroogd en werd Liesje op tante's rug naar de andere kamer getransporteerd, waar ze eenmaal in „Paats z'n bed,” gauw insliep.

Vandaag was ze haar verdriet vergeten en verrukt over de mooie briefkaarten, die we vanmiddag uit Dusseldorf ontvingen. In 't bulletin, dat ik dagelijks moet verzenden, kon ik dan ook naar waarheid getuigen, dat de kinderen allerliefst waren en 't huishouden marcheerde.

'n Oogenblik heb ik me kostelijk geamuseerd om 'n slimmigheid van Bobbie.

Hij liet aan de koffie z'n melk staan en snapte gauw met Liesje den tuin in, voor ik 't gemerkt had, maar gedachtig hoe Floor er op staat, dat de kinderen goed melk drinken, riep ik na 'n oogenblikje naar buiten:

„Bobbie, Bobbie kom 's gauw hier. Ik heb watvoor je,” en daar kwam hij aangerend, zeer bereidwillig, met 'n verheugd snuitje.

„Watte tante?”

Ik wees naar zijn melk. Hij zei niets, maar keek eerst heel teleurgesteld; toen veranderde plotseling de uitdrukking van z'n gezichtje en nam hij vastberaden den beker in z'n beide dikke handjes, dronk hem leeg en riep met 'n leuk knipoogje naar Liesjes beker, waar ook nog wat in was:

„Liesje kom 's gauw! Tante heeft voor jou ook wat,” waarop Liesje eveneens kwam aanhollen en terwijl Bobbie 't uitgierde van de pret, na 'n minachtend: „hè hoe flauw,” haar beker leeg dronk.

Vanmiddag, nadat ik met de kinderen 'n loopje gemaakt had, kwamen moeder en nicht Georgine, en Flip verscheen vanavond al vóór de thee met Huib van Slooten, die me 'n pracht-bouquet „rêve d'or” kwam brengen, mijn lievelings-rozen, die op 't oogenblik in hun tuin in vollen bloei staan. Ik vond 't erg aardig en heb ze dadelijk in de mooiste vaas, die ik vinden kon, bij ons in de serre gezet.

Later kwamen Bé en Aad nog even aanloopen. 't Werd 'n gezellig theepartijtje in den huize de Weert en ik voelde me als gastvrouw bizonder gewichtig.

Liesje verraste ons door op haar bloote voetjes en in nachtgewaad plotseling binnen te verschijnen, om te zien wie er toch allemaal zoo druk zaten te praten beneden. Ze was zóó schattig en zóó klaar wakker, dat ik haar dwars tegen alle regelen van opvoedkunde in maar 'n poosje liet blijven.

Net 'n plaatje was 't, zooals ze daar dood op haar gemak bij Huib op schoot koekjes zat te knabbelen. Toen ze slaperig werd bracht Flip haar naar boven.

Bé vroeg of ik den volgenden dag 's middags met de kinderen bij haar kwam theedrinken, dan zou ze 'n echt-Engelsche cake bakken. Ik nam 't grif aan, waarop Flip en Huib zichzelf ook inviteerden. 't Was toch Zondag en ze hadden geen van beiden noodzakelijke visites te maken.

Bé glunderde en zou er Roosje nog maar bij vragen. Hoe meer zielen, hoe meer vreugd!

En nu zijn ze allemaal weg en zit ik bij 't roode lampje in de serre op Flip te wachten, die 'n eindje met Huib is opgeloopen. Ik heb de kopjes afgewasschen, 't huishoudboekje nagezien en de meiden naar bed gestuurd.

Op 't eikenhouten tafeltje voor me geuren de rozen. Ik begraaf er mijn neus in en peins over Huib....

Zoo leuk zat hij daar met Liesje op schoot....

Daar hoor ik den sleutel in 't slot steken. IJlings wend ik me om, blaas 't lampje uit en loop de gang in.

„Ben jij daar Lizzy?”

„Ja, 'k heb op je gewacht.”

Flip zet z'n wandelstok met 'n plof in den paraplubak, doet de voordeur op 't nachtslot en na 't kettinkje van 't ganglicht te hebben neergetrokken, gaan we voorzichtig achter elkaar de trap op.

Met 'n wuivend handgebaar, zonder verder 'n woord te wisselen, verdwijnt Flip naar de logeerkamer en ik sluip op m'n teenen de groote slaapkamer binnen, waar de regelmatige ademhaling van de kleuters en 't tikken van 't klokje op den schoorsteen de eenige geluiden zijn.

Het was prachtig weer den volgenden dag. De zon scheen door 'n kier van de gordijnen de slaapkamer in en Loekie, om zes uur al voor goed wakker, stond telkens recht overeind in z'n bedje en riep dan:

„Optaan, optaan! Hoppo wil oot uit bed tomme,” en dan stak hij z'n bruinen beer uitlokkend in de hoogte. Maar ik hield me slapend, niets geen roeping voelend er voor m'n Zondag al zóó vroeg uit te komen.

Liesje naast me, werd ook wakker, lei haar vingertje tegen den mond:

„Sst, stil zijn Loekie! Tante Piep en Bobbie slapen nog. Je mag niet roepen!” en toen hield hij zich werkelijk 'n oogenblik stil om even later weer te beginnen.

Ik zei maar niets en dommelde af en toe nog even in, tot ik er om zeven uur genoeg van had.

Om half negen zaten we aan 't ontbijt.

Flip verscheen pas tegen elven en ontbeet in z'n eentje met 'n kop koude thee en 'n beschuit. Hij zou z'n schade aan de koffie wel inhalen, beloofde hij en dat deed hij dan ook. Tot groot pleizier van de kinderen at hij in minder dan geen tijd negen boterhammen achter elkaar op.

„Die oom Flip!” riep Liesje telkens vol bewondering als er weer een verdween.

Bobbie was lastig, haalde 'n groote scheur in z'n morsschort en brulde van 't huilen, omdat Truitje 't oortje van z'n melkbeker had afgestooten.

„Nou is Bobbie's kroes heelemaal leelijk! Nou zit-er geen staartje meer an,” jammerde hij maar en zelfs de belofte van Flip om den volgenden dag 'n nieuwen beker met hem te gaan koopen, vermocht den tranenvloed niet spoedig te stelpen.

Gelukkig was hij evenals Loekie na z'n middagdutje weer in z'n humeurtje.

Als ze eindelijk voor de wandeling zijn aangekleed, zien ze er alle drie doddig uit in hunwitte matrozenpakjes met lichtblauwe kragen. 't Vooruitzicht om naar tante Bé te mogen lokt Bobbie wel aan, vooral nu hij den olifant-op-wieltjes mee mag nemen! Loekie kan natuurlijk niet van Hoppo scheiden, dien Liesje bereidwillig 'n plaats naast pop Dora in haar wagentje inruimt. Maar terwijl ze haar poppenkind naast den beer in 't mandenwagentje schikt en ik voor den spiegel mijn witten stroohoed sta op te spelden, komt ze ineens op 'n ander idée.

„Zeg, tante Piep, 't staat eigenlijk zoo gek, 'n pop naast 'n beer! Als we poes Polly 's ankleedden en die meenamen! Laatst, toen we naar mevrouw Bakker gingen, mocht 't ook en Polly was zóó zoet. Daar had-je nou niks geen last van. Moekie zei 't zelf.”

Ik weet dat 't waar is en dat Polly volgens Max 'n lammerennatuur heeft. De kinderen sjouwen altijd met haar, en aan verkleed te worden is ze den laatsten tijd vooral zóó gewend, dat ze zelf heel gewillig haar pootjes uitsteekt, als Liesje haar 't een of andere poppengewaad aantrekt.

„Ja maar Lies, naar tante Bé is veel verder dan naar mevrouw Bakker. Die woont hier maar 'n paar huizen vandaan en 't is al zoo laat, al bij half vier,” weifel ik.

„Hè, tante, Polly zou 't zoo leuk vinden. Datweet ik zeker,” zegt ze smeekend met zoo'n engelachtig-lief gezichtje, dat ik 't maar goed vind en meehelp Polly uit te dossen in 't roodflanellen keurig uitgetande pelerinetje, dat haar bizonder flatteert, evenals 't wit-vilten hoedje met 't blauwe veertje, waar ze schuchter dwepend onder uitkijkt. 't Is bepaald koddig zooals ze daar naast Hoppo in 't poppenwagentje zit, 'n weinig achterover, heel makkelijk in loome distinctie met 't zachtste kussentje, dat we vinden kunnen, in haar rug, 't witgehaakte spreitje aan weerszijden van 't wagentje sierlijk afhangend.

Ik begin er zelf pret in te krijgen.

„O juffrouw,” lacht Truitje, die ons uitlaat.

„Ja, hè, 't lijkt wel iets uit 'n honden- en apenspel, maar de kinderen hebben er zoo'n schik in.”

„Nou en de juffrouw houdt ook wel van 'n grapje,” zegt Truitje met 'n familiaar knipoogje, waarop ik me verplicht voel ietwat afgemeten te zeggen:

„Zal je er aan denken 't vleesch goed te bedruipen en de roomvla zoolang in den kelder zetten?”

„Ja juffrouw.”

Ik weet zeker dat ze ons blijft nakijken, maar ik zie niet om. Alles heeft z'n grenzen en tegenover Truitje, die niet altijd heel gepast is en zich erg voelt, moet ik mijn prestige hoog houden. 'tIs wel 'n zonderlinge optocht: voorop Bobbie met den olifant-op-wieltjes, dan Liesje met Hoppo en 't kattekind en ik met Loekie aan 'n handje er achter.

We verheugen ons in veel belangstelling, maar niemand doet ons eenigen overlast en de kinderen zelf loopen met ernstig-genietende gezichtjes. Niemand van ons zegt 'n woord. Alleen bij den hoek van 'n straat waarschuw ik: „pas op,” zonder dat 't feitelijk noodig is, want Liesje en Bobbie zijn gewend hun eigen oogen te gebruiken en heel voorzichtig. In stilte bewonder ik Liesje, die zoo handig haar poppenwagen bestuurt en 't opwaaiende spreitje af en toe terecht schikt. Poes Polly zit zedig-onnoozel met knippende oogjes voor zich uit te kijken naast den onbeweeglijken Hoppo met z'n starende, zwarte kraaloogen. 't Blauwe veertje op Polly's vilthoed wappert statig heen en weer, maar zonder dat ze 't zelf zien kan, anders zou haar dit allicht wat onrustig maken. Ze schijnt 't ritje lang niet onaangenaam te vinden; alleen af en toe als er 'n hond voorbij gaat, doortrilt haar 'n licht zenuwschokje, maar dan beheerscht ze zich ook weer meesterlijk. Nog 'n klein eindje en we zijn er. Ik ben zeer benieuwd wat de anderen van deze processie zeggen zullen.

We slaan een hoek om en steken dan schuinover. 't Is 'n lange, stille straat met tuintjes voor de huizen. In de verte staat Bé in 'n witte japon al bij 't tuinhekje. Ze ziet ons aankomen en begint te wuiven en daarop komen Aad en de andere gasten, die ons blijkbaar allen vóór zijn, ook naar buiten.

„Kijk, daar heb je tante Bé, en kijk daar zijn oom Aad en oom Flip en meneer van Slooten ook en tante Roosje!” juicht Liesje, verrukt terugwuivend en Bobbie en Loekie raken eveneens in vuur.

„Hallo, daar komme we an,” schreeuwt Bobbie opgewonden met den olifant achter zich aan vooruithollend.

De sneldraaiende wieltjes snorren ratelend over de klinkers, rrrt!

Daar schiet luid-blaffend uit een van de tuintjes, waar we langs moeten, 'n groote, witte keeshond. 'n Snerpend miauw ontsnapt uit den poppenwagen en vóór we eigenlijk goed begrijpen wat er gebeurt, is Polly in haar opzichtig toilet van fladderend rood cape-je en witten vilthoed opeens den kees aangevlogen, die waarlijk niet wetend hoe hij 't heeft, uit alle macht 't vreemdsoortig monster met dewoedendstekattenoogen, welke hij ooit aanschouwde, tracht af te schudden.

'n Onbeschrijflijk geluid van kindergehuil, hondengeblaf en kattengekrijsch vervult voor enkeleseconden de lucht. Polly wordt eenige malen heftig door den verontwaardigden kees heen en weer geschud, ontsnapt dan ijlings en vliegt met 'n doordringenden schreeuw in haar gehavende pelerine den eersten den besten boom in. De kinderen en ik,Ada, Roosje en Huib van Slooten en de inmiddels toegeschoten eigenaar van den op de vlucht geslagen kees staan sprakeloos te staren naar 'n rood lapje en 't niet meer te herkennen vilten hoedje voor ons op straat.

't Is alles zoo ongelooflijk snel gebeurd, dat niemand iets heeft kunnen zeggen, of 'n hand uitsteken.

„Alstublieft mevrouw,” zegt eindelijk de eigenaar van den kees, 'n goedig mannetje met glimmend kalen bol, en buigend reikt hij mij 't roode en 't witte vodje over.

„Meneer....eh.... 't Spijt me zoo,” begin ik, maar dan barsten we allen uit in 'n niet meer te weerhouden schaterlach, behalve Loekie en Bobbie, die 't op 'n huilen zetten en Liesje, die zich met 'n bleek gezichtje angstig aan m'n rok vastklemt en 't zachtjes uitsnikt.

Flip en Bé zijn intusschen ook komen aanloopen. 't Geval heeft veel hilariteit verwekt. Uit de ramen van de dichtst bijgelegen huizen gluren nieuwsgierige hoofden. En met de treurige overblijfelsvan Polly's toilet in m'n rechterhand geknepen, vertel ik, die eigenlijk alleen kan uitleggen hoe de vork in den steel zit, zoo goed mogelijk 't heele geval, terwijl de anderen de snikkende kinderen tot bedaren trachten te brengen. Alle groote menschen hebben pret nu alles betrekkelijk goed is afgeloopen.

Dan leiden Bé en Roosje de kinderen naar huis, de meneer van den kees trekt zich buigend terug, en de jongens en ik, geholpen door 'n inmiddels naderbij gekomen agent, beginnen pogingen aan te wenden om Polly uit den boom te lokken.

Maar ze bedankt er hartelijk voor er uit te komen; héél bovenin blijft ze zitten in haar stuk-gebeten roode cape en verloochent totaal de haar door Max toegedichte lammerennatuur. Helsch loeren haar groene kattenoogen ons aan; ze blaast zoo hard ze kan, zoodat ze meer heeft van 'n duivel of woedenden sater en we Aads voorstel, om haar voorloopig maar stilletjes te laten zitten en eerst mee te gaan theedrinken, dankbaar aannemen.

De agent, die 'n fooitje krijgt, zal zoolang wel 'n oogje op haar houden, belooft hij.

We vinden de kinderen getroost en opgedroogd met hun drietjes op de kanapée in Bé's gezellige salonnetje, bezig groote stukken cake te verslinden.Roosje, goedig als altijd, belooft 'n nieuw pelerinetje en mutsje te maken, wat véél mooier staat dan zoo'n vilten hoedje en Bé stelt Bobbie en Loekie gerust met de verzekering, dat oom Aad wel zorgen zal, dat poes Polly vanavond weer thuis is.

„Poesen blijven soms uren lang in 'n boom zitten”, verzekert ze, met zóó'n kwistige hand chocolaadjes aan hen uitdeelend, dat ik, bang voor de mogelijke gevolgen, haar tot mindere mildheid moet aansporen.

't Wordt 'n allergenoeglijkst partijtje.

Roosje en ik schenken thee voor 't gezelschap en Bé wordt hemelhoog om haar bizonder goed uitgevallen cake geprezen. Flip, die haar anders zoo plagen kan, is 't gulst met z'n lof. Aad maakt de kinderen aan den gang door Hoppo de onmogelijkste sprongen te laten maken en Huib, met z'n kopje in de opgeheven rechterhand, drinkt 'n hoogdravenden toost op de gastvrouw en op „de katten-catastrophe,” die gelukkig zonder bloedvergieten is afgeloopen.

Om zes uur—Truitje wist niet waar we bleven en had de groenten laten aanbranden—waren we thuis en 's avonds kwamen Bé en Aad Polly brengen, secuur en luchtig verpakt in 'n afgedankte bloemenmand met 'n courant er over.Ze zag er weer even onschuldig uit als vóór 't gebeurde en sprong met 'n bedeesd „ miauw” de mand uit toen 't papier er werd afgenomen, maar in haar equipage zal ze althans buiten, vooreerst wel niet meer rondtoeren. Daar hebben de kinderen ruimschoots hun bekomst van.

Vanmiddag tegen etenstijd komen Floor en Max thuis, tot groote vreugd van hun kroost, dat bijna niet te houden is en allerlei verrassingen voor Paats en Moekie verzint. Ik ben den heelen dag in één race om alles te beredderen, want ik wil 't huishouden natuurlijk in de puntjes achterlaten en toonen, dat 't Piepkuikentje ruimschoots voor de haar opgedragen taak berekend was.

Vóór 't koffiedrinken, terwijl de kinderen in den zandhoop speelden, heb ik met de twee meiden de huiskamer en serre nog 'n flinke beurt gegeven en Liesje, in 'n vuile morsschort van Bobbie, kwam op haar dringend verzoek 'n handje meehelpen om de planten af te sponsen. Ze deed 't heusch heel handig met 'n vreugde-stralend gezichtje, maar gaf zichzelf bij ongeluk zóó de volle laag, dat ik haar na afloop wel wringen kon en genoodzaakt was haar van top tot teen te verkleeden. Maar dat oponthoudje had ik er graagvoor over, want 't kind genóót en ik was mij bewust precies in Floor's geest te handelen. Ze laat de kinderen altijd zooveel mogelijk hun eigen gang gaan en vindt zoo'n nat pak niets.

Liesje glom van voldoening en toen ik Bobbie en Loekie boven voor hun middagdutje geïnstalleerd had, luisterde ik van af 't balkon van de slaapkamer, 't volgende gesprek af tusschen haar en 'n buurjongetje, dat haar dagelijks 't hof maakt door 'n reet van de schutting, waardoor ze mekaar nauwelijks zien kunnen.

„Ben jij daar, Hans?”

„Ja Liesje. Zal 'k bij 't gaatje in de schutting komme?”

„Ja, want ik moet je wat vertellen.”

„Goed.”

„Zeg Hans, 'k heb zoo lekker de planten mee helpen afsponsen. Ik was zelf heelemaal nat en vuil, maar tante heeft me verkleed en nou ben ik weer netjes.”

„Vond je tante dat dan goed? Was ze niet boos?”

„Nee, túúrlijk niet. Tante zei zelf dat ik 'r juist zoo hielp.”

„O! Zeg, wanneer mag ik weer 's op visite bij je?”

„Morgen als Moekie thuis is,” beloofde Liesje.

„Leuk! Mag 'k dan vroeg komme?”

„Misschien wel, 'k zal 't vragen. Breng je dan je paard mee?”

„Goed, maar dan mag Bobbie d'r niet mee spelen, hoor. Die maakt alles kapot,” en toen of hij spijt had van deze strenge voorwaarde: „wil je 'n knikker van me?”

„Nee, Moekie vindt knikkers gevaarlijk. Loekie steekt wel 's dingen in z'n mond,” weerde Liesje de gulle aanbieding af.

„Nou dag. Juf roept. Dag Liesje!”

„Dag Hans,” en Liesje begon weer ijverig madeliefjes te plukken, terwijl haar vriendje in huis verdween.

Ze liep aldoor in zichzelf te zingen onder 't heen en weer scharrelen, een en al blijdschap over de thuiskomst van Paats en Moekie, waar ze af en toe zóó naar verlangd had.

Om drie uur waren Bobbie en Loekie weer beneden en beleefden we nog 'n angstig oogenblik om Loekie, die al spelende, z'n linkerwijsvingertje in 't gaatje van 'n stoof gestoken had en 't er niet meer uit kon krijgen. Hij krijschte zóó van angst en ontsteltenis—huilen kon men 't geluid, dat hij voortbracht, met geen mogelijkheid meer noemen—dat Maartje uit de keuken kwam aangerend om te zien, wat er gaande was en geholpen door haar, gelukte 't me eindelijk 't arme vingertje, dat er al leelijk rood en gezwollen uitzag, te bevrijden. Eenige chocolaadjes, waar Liesjeen Bobbie eveneens aanspraak op meenden te hebben, deden echter 't leed gelukkig gauw vergeten.

Ik had voor „welkom thuis” in alle vazen bloemen geschikt en uit naam van vader en moeder 'n groote taart besteld en hielp de kinderen, die ook iets feestelijks doen wilden, verder met de poppen aan te kleeden, die met sigarenbandjes en oranjelint versierd werden, evenals Hoppo en de olifant. Zelfs poes Polly was zoo goed niet, of ze moest 't spiksplinternieuwe roode cape-je om en 't mutsje op, dat tante Roosje den vorigen dag was komen brengen en werd toen in dat vurig toilet te slapen gelegd in de poppenwieg, tot 't plechtig moment van aankomst daar zou zijn.

We hadden afgesproken, dat ik Floor en Max alleen met de kinderen zou ontvangen en dat de familie hen 's avonds even begroeten zou, dus had ik de handen vol om 't woelige troepje in toom te houden.

Truitje dreigde 'n oogenblik brutaal te worden. Toen ik haar door Liesje liet vragen of ze wou zorgen om kwart over vier theewater klaar te hebben, kwam 't kind terug met 't bericht:

„Truitje zegt, dat ze niet tooveren kan,” waarop ik me zelf naar de keuken begaf en haar in tegenwoordigheid van Maartje kort en bondig meedeelde, dat ik niet verkoos, dat ze de kinderenongepaste boodschappen liet overbrengen en dat ze maar aan mijn verzoek had te voldoen, of dat ik me anders tegen mevrouw over haar gedrag zou beklagen.

Gelukkig schaamde ze zich en zei ze dadelijk, dat ze 't niet zoo gemeend had en 'n oogenblik later hielp ze me zóó bereidwillig met 't vastmaken van m'n japon, dat ik me maar voornam niets aan Floor te zeggen.

Toen ik weer binnenkwam stonden Liesje en Bobbie geheimzinnig samen in 'n hoekje te smoezen.

„We doen 'n verrassing samen, maar jij mag 't niet weten, tante Piep,” zei Bobbie, en ik trok me met Loekie, die plaatjes wou kijken, dan ook in alle bescheidenheid terug.

Tegen half vijf hield midden in 'n geweldige regenbui 't rijtuig voor 't huis stil en de kinderen buitelden joelend over elkaar de gang in. Er was geen houden meer aan.

In triomf werden de reizigers naar binnen gehaald. 't Was zoo'n stormachtige begroeting, alsof ze maanden inplaats van één enkel weekje waren weggeweest.

Floor's blauwe reishoedje met sluier hing achter aan haar hoofd en Max' haar stond recht in de hoogte, toen ze eindelijk door hun liefhebbend drietal werden losgelaten.

„En nu 't Piepkuikentje, dat zoo trouw over onze kuikens gewaakt heeft! Hier, moeder, hier is ze,” en Max, na me gezoend te hebben, dat m'n wangen er pijn van deden, duwde me vrij onzacht in Floor's armen, pakte me toen op of ik 'n veertje was en droeg me naar de kanapée.

Ik liet maar met me sollen—aan verweren viel toch niet te denken—terwijl de kinderen juichten en „leve tante Piep!” riepen.

Toen scheen Liesje zich ineens te bedenken en fluisterde gejaagd Bobbie iets in, die aankondigde: „En nou komt de verrassing,” waarop poes Polly, die gekleed en gereed in de poppenwieg te slapen lag, te voorschijn gehaald werd en tusschen 't tweetal in plechtig naar Paats en Moekie geleid werd.

Liesje en Bobbie overhandigden hun als huldeblijk ieder 'n allerzieligst bouquetje slapgeworden madeliefjes en we hadden moeite ons goed te houden om Liesje, die met 'n plechtig stemmetje zei:

„'t Is weinig, maar uit 't hart!” en om Bobbie, die aanvulde: „nou zijn ze wel nie mooi, maar as je ze in 't water zet, worden ze strakkies prachtig! En is dit nou niet 'n echte verrassing?”

Nu dat wás 't en Liesje en Bobbie werden er zóó voor gekust en geknuffeld, dat Loekie jaloersch werd en ook om kusjes begon te bedelen.

Ik bleef dien middag nog eten en ben 's avondsmet vader en moeder mee naar huis teruggegaan, duizendmaal bedankt door Max en Floor, die bizonder van hun uitstapje genoten hadden en me als aandenken 'n beeldig gouden speldje vereerden, waarmee ik natuurlijk heel blij ben, al houd ik mij voortaan ook zónder gouden speldjes of cadeautjes gaarne aanbevolen, hun huishoudentje te komen waarnemen als 't nog eens noodig mocht zijn.


Back to IndexNext