HOOFDSTUK V.

decoratieve illustratie

We zijn al weer bijna 'n maand verder: in de eerste helft van Juli. Flip, die met vlag en wimpel door z'n candidaats kwam, is als belooning daarvoor 'n voetreisje door denHarzgaan maken met de jongens van der Marck.

Floor en Max zijn voor drie weken met de kinderen naar Domburg vertrokken, voornamelijk voor Liesje, die zeelucht noodig heeft, en ik heb 'n invitatie van de Witsens om 'n dag of veertien op hun buiten Dennenoord te komen logeeren, waar ze 's zomers de vacantie van de kinderen altijd gaan doorbrengen.

Ik ben er twee jaar geleden ook geweest en heb er toen dolle pret gehad. De Witsens zijn 'n in-gezellige familie en er komen veel logés. 't Is er net 'n kostschool waar je alles doen mag wat je wilt! Den heelen dag zwerven we over de hei en door de bosschen, picnicken, liggen in hangmatten of in droge slooten te lezen, zwemmen in de beek, tennissen of maken fietstochten, precies zooals ons dat invalt. Alles is goed, als weaan de maaltijden maar tijdig verschijnen. Als 't regent, doen we spelletjes in de groote zaal of maken muziek, en bovendien is er 'n flinke boekenkast, waaruit iedereen vrij mag nemen wat z'n hart begeert. Mijn komst is bepaald in de laatste week van Juli. Roosje is dan ook gevraagd, wat ik erg prettig vind; Ada wóu en zóu ons samen hebben.

Toch zijn er dingen waar ik over tob.

Ten eerste hebben we geen goede tijding uit Indië, waar mijn zwager den laatsten tijd aan malaria schijnt te lijden. Ook is kleine Eef nogal ziek geweest tengevolge van tandjes, die niet door wilden komen, maar de allerlaatste brief, eenige dagen geleden, bracht gelukkig wat beter nieuws. Eefje is weer heelemaal in orde en Hermans malaria is van minder ernstigen aard dan ze eerst vreesden, al heeft hij af en toe nog wel nare dagen. De dokter zegt, dat z'n sterk gestel er hem wel weer bovenop zal brengen, en we hopen er dan ook 't beste van, al weten we dat malaria, vooral in Indië, meestal zeer hardnekkig is.

En dan is er nog iets, wat mij speciaal betreft en me erg hindert en verontrust, al zou ik er met niemand over durven spreken. Misschien lijkt 't maar zoo. O, ik wou niets liever, dan dat 'tverbeelding was, maar...... 't is net of Huib verandert den laatsten tijd. Hij is niet onaardig of hatelijk tegen me, daar zou hij trouwens geen enkele reden voor hebben, want ik heb hem geen stroobreed in den weg gelegd, maar hij doet zoo koel en komt den laatsten tijd zoo weinig bij ons sinds hun logéetje Annie Westenbergh bij hen is.

Annie, 'n paar jaar ouder dan ik, is 'n knap, donker meisje, dat prachtig zingt en zoo mooi verzen declameert, zooals ik laatst op tante Suze's ontvangdag hoorde. Iedereen, die haar ontmoet, is verrukt over haar en ik moet bekennen, dat ik haar ook heel aardig en eenvoudig vond, voor ik meende op te merken, dat Huib zoo enthousiast over haar is....

Ik zag haar 't eerst bij de van Slootens, waar ik 'n avondje ging theedrinken, en toen zong ze, door Huib geaccompagneerd, liederen vanBrahmsenSchumann. Het klonk bizonder mooi. Zoo'n glans en diepte lag er in haar stem, en ze zag er heel lief uit in 'n witte japon, en later vertelde ze zoo aardig van haar jongere broers en zusters. Ik schoot goed met haar op en luchtte tegen Huib, die me na afloop van 't avondje even thuisbracht, m'n eerlijke bewondering, waarop hij met nadruk zei:

„Ja, Annie is wel 'n bizonder meisje en zoolief! We hebben nog nooit zoo'n aardig logéetje gehad!”

Ik schrikte geweldig van die ontboezeming. 't Was als 'n onverwachts uitgesproken vonnis en waarlijk, zooals er in ouderwetsche romans staat: of ik 'n steek door m'n hart kreeg. Zoo'n wee gevoel was dat, maar ik hield me goed, hoewel ik beefde op m'n beenen. Gelukkig was 'tpikdonkeren werd er gauw opengedaan, en met 'n opgewekte stem, die maar 'n héél klein beetje trilde, zei ik, terwijl we elkaar gewoon-vriendschappelijk de hand schudden:

„Nou, dag Huib, tot ziens, hoor,” en hij:

„Dag Lizzy, wel te rusten!”

Vader en moeder waren al naar boven en ik ging dadelijk naar m'n slaapkamer, waar ik zoo maar met hoed en mantel op m'n bed neerplofte en huilde, huilde, zooals ik 't nooit te voren deed.

Toch verlichtte 't me en bleef ik met m'n hoofd in 't kussen liggen snikken, tot ik niet meer kón.

Hoe lang 't duurde voor ik eindelijk tot 't besef kwam me uit te kleeden, zou ik niet kunnen zeggen. Toch heeft niemand iets aan me gemerkt den volgenden dag. Moeder vond wel, dat ik bleek zag, maar ik zei, dat ik hoofdpijn had, wat wáár was.

Ik voelde me iets minder wanhopig, toenik zoogenaamd op Flips kamer zat te werken en 't gebeurde van den vorigen avond nog eens zoo rustig mogelijk aan mij voorbij liet gaan. 's Avonds lijkt alles altijd erger, dan in 't klare daglicht. 's Morgens zie je de dingen weer heelemaal frisch, als met nieuwe oogen aan. Het leek me tenminste wel wat overdreven, toen ik 't eens goed overdacht. Huib kende mij toch al zooveel langer dan Annie, en ik had 't immers zelf uitgelokt. Ik was net zoo goed verrukt over haar geweest. 't Was laf om dadelijk den moed te laten zinken. Wat zei hij ook weer?

„Ja, Annie is wel 'n bizonder meisje en zoo lief! We hebben nog nooit zoo'n aardig logéetje gehad.”

Dat was alles. Ik wist 't nog precies. Nu, bizonder was ze zeker, ze zong prachtig, en lief.... dat was ze waarschijnlijk ook wel. En dat de van Slootens nog nooit zoo'n aardig logéetje gehad hadden sprak vanzelf. Er kwamen nóóit jonge meisjes. Soms logeerde er eens 'n zuster van mevrouw, of 'n oude, brommerige tante, of de jongens brachten een van allen eens 'n vrind mee. Die kon je toch met geen macht of mogelijkheid „aardige logéetjes” noemen. Nee, 't was larie. 't Was allemaal malle overdreven angst, omdat ik zooveel van Huib hield.... en heelemaal opgeklaard verscheen ik aan de koffie.

Dien middag ontmoette ik mevrouw van Slooten met Annie bij Bé, die „jour” had en erg vereerd was met 't bezoek.

Ik schonk thee en zei niet veel, maar lette des te scherper op. Er werd toevallig nogal over Huib gesproken, maar Annie verblikte of verbloosde niet. Ze zei alleen, dat hij haar zoo prettig accompagneerde en dat ze 't bepaald 'n genot vond om met hem te zingen, omdat hij als bij intuïtie voelde, hoe haar opvatting van de liederen was.

Ze droeg 'n bruin-laken mantelpak en 'n grooten hoed in dezelfde kleur, met dof-groencrêpe de Chinegegarneerd, en ik kon niet anders dan mezelf bekennen, dat ze er heel mooi en gedistingeerd uitzag en dat vooral haar manier van spreken 'n eigenaardige bekoring had.

Toen ik thuiskwam en mezelf critisch in den spiegel bekeek, was 't verschil zóó groot, dat me de tranen in de oogen sprongen en ik moeite had om niet hardop als een kind te gaan huilen.

Eifersucht ist eine Leidenschaft, die mit Eifer sucht und Leiden schafft....

Waar heb ik dat toch gelezen? Of is 't 'n wijsheid uit 't een of ander schoolboek? Is 't misschien van Goethe? Ik weet 't niet, maar als de oude, wijze Goethe 't gezegd heeft, dan had hijwél gelijk. Er is niets vreeselijker dan jaloezie, geloof ik, vooral voor de benijdende partij zelf, en dat ben ik helaas. 't Is 'n duiveltje, dat me niet met rust laat, dat ik, hoe ik er ook m'n best toe doe, niet 't zwijgen kán opleggen.

't Blaast me de leelijkste dingen in en weet aan de meest onschuldige gezegden 'n heel andere beteekenis te geven.

Annie Westenbergh is heel vriendelijk tegen me en ik kan niet anders doen, dan vriendelijk terug zijn, en toch voel ik aldoor dien geheimen wrok tegen haar. Misschien is die vriendelijkheid van haar kant politiek. Soms vind ik iets sfinx-achtigs in haar oogen, net of ze toch wel iets van m'n ware gevoelens jegens haar snapt, maar dan ook weer kijkt ze me doodonschuldig aan en geloof ik, dat ze in de verste verte niet beseft, wat me werkelijk bezielt.

We zien haar veel. Verscheiden malen is ze mee gaan tennissen en roeien, en altijd sjouwt Huib achter haar aan....

Bé en Emmy van der Marck hebben ook al 'n bewondering voor haar. Vrijdagavond was er 'n feestje bij de van Slootens, ter eere van mevrouws verjaardag, en toen droeg Annie „Beatrijs” van Boutens voor en waren aller oogen onafgebroken op haar gevestigd. Ze had 'nvieil-orzijden japonaan, laag uitgesneden en gegarneerd met prachtige oude kant. Ze treedt er wel eens mee op, als ze in 't publiek zingt, wat in den afgeloopen winter 'n paar maal voorkwam, zooals ze aan Bé vertelde. Natuurlijk zag ze er heel mooi uit, maar ik vond 't mal, gewoon mal, om je voor 'n eenvoudig feestje zóo uit te dossen en onuitstaanbaar vond ik al die opmerkingen om me heen.

Ik had er wat voor gegeven als ik Huib's gezicht even had kunnen zien, maar hij zat helaas achter me, heelemaal in 'n hoekje en ik durfde niet goed om te kijken. Iedereen gloeide van bewondering.

„Wat 'n pracht van 'n stem!”

„Wat draagt zemagnifiquevoor.”

„O en haar bewegingen en de houding van haar hoofd! Net zoo'n Toorop-figuurtje!”

„Haar zang is nog veel mooier. 'k Hoop dat ze ook zingen zal vanavond.”

„Nietwaar, juffrouw Westenbergh, u zingt straks toch wat. Hè, toe?”

Maar Annie quasi-bescheiden—want ze vond 't natuurlijk zálig, die algemeene adoratie—trok zich wat terug, liet eerst 'n paar anderen hun kunsten beproeven en overvleugelde ze toen allemaal met háár liederen, die Huib haar accompagneerde.

Ze begon met 'n paar oud-Franschebergerettesen zong o. a. 't bekende:

Maman, dites-moi cequ' onsent quand on aime?Est-ce plaisir? Est-ce chagrin?

Maman, dites-moi cequ' onsent quand on aime?Est-ce plaisir? Est-ce chagrin?

Maman, dites-moi cequ' onsent quand on aime?

Est-ce plaisir? Est-ce chagrin?

met zoo'n naief gezicht, dat 't me driftig maakte en ik wel had willen roepen:

„Kind, hou je toch niet zoo van den domme! Dat hoef je heusch niet aan je moeder te vragen. Dat weet je zelf heel goed!”

Toen zong ze 'n paar ernstige liederen en eindigde met 'n lied van Brahms, dat Floor wel eens zingt en waarvan de simpele woorden me stáken als priemen:

„Die Sonne scheint nicht mehr so schön als wie vorher.Der Tag ist nicht so heiter, so liebreich gar nicht mehr.Das Feuer kann man löschen,Die Liebe nicht vergessenDas Feuer brennt so sehr.Die Liebe noch viel mehr.”

„Die Sonne scheint nicht mehr so schön als wie vorher.Der Tag ist nicht so heiter, so liebreich gar nicht mehr.Das Feuer kann man löschen,Die Liebe nicht vergessenDas Feuer brennt so sehr.Die Liebe noch viel mehr.”

„Die Sonne scheint nicht mehr so schön als wie vorher.

Der Tag ist nicht so heiter, so liebreich gar nicht mehr.

Das Feuer kann man löschen,

Die Liebe nicht vergessen

Das Feuer brennt so sehr.

Die Liebe noch viel mehr.”

O, ik had wel weg willen loopen, maar dat ging niet aan. Blijven moest ik natuurlijk om de menschen.... Mevrouw van Slooten had wèl succes met haar logéetje! 'k Zat gelukkig nogal in 'n duister hoekje en niemand lette op me. Annie boeide aller oogen en ooren, en toen 't lied uit was, ging er 'n daverend applaus op. Ik klapte ook mee, omdat ik 't niet laten durfde en voelde m'n wangen gloeien, toen Huib zich op 't pianokrukjeomwendde en tegen me lachte met 'n zijdelingschen blik naar Annie, alsof hij zeggen wou: „Nou hoe vindt-je 't?”

En ik forceerde me, lachend terug te knikken, hoewel ik inwendig beefde en trilde van afgunst...

Dat is nog m'n eenige troost, dat niemand er tenminste iets van afweet, al begrijp ik niet, waar ik op den duur de kracht vandaan zal moeten halen om die komedie vol te houden.

„Piepkuikentje ziet wat bleekjes de laatste dagen. Dat uitstapje naar Dennen-oord zal 'r goed doen. Heb je weer hoofdpijn, kleintje?” vroeg vader vanmiddag aan tafel.

„O heelemaal niet, vadertje. 'k Voel me uitstekend,” zei ik met 'n lachje, „en ik vind 't natuurlijk dól om bij de Witsens te gaan logeeren!”

't Was 'n grove leugen. Niets vind ik „dol” meer sinds die afschuwelijke Annie hier is. Van niets kan ik meer volop genieten. 't Is of de mooiste en prettigste dingen hun glans verloren hebben....

Die Sonne scheint nicht mehr so schön als wie vorher....

Gelukkig verdwijnt ze overmorgen, als Roosje en ik op Dennenoord zullen zijn, van 't tooneel. Zij en nog 'n jonger zusje gaan mee op reis naar 'n buitenlandsche badplaats, waar haar moeder,die ziekelijk schijnt, ieder jaar 'n paar weken moet doorbrengen.

Waar je komt, overal hoor je over Annie Westenbergh spreken, en Bé joeg me daarnet weer 'n doodschrik op 't lijf door in de gang te zeggen, terwijl ik meeliep om Aad en haar uit te laten:

„Zeg, geloof jij dat 't tusschen Huib van Slooten en Annie iets worden zal? Bij tante Suze hoorde ik er mevrouw Hofmann over spreken, en Aad en ik hebben 't ook al gedacht.”

„Zoo?” vroeg ik schijnbaar onverschillig, maar m'n hart bonsde.

„Is 't jou dan niet opgevallen, hoe ze samen zijn?” drong Aad argeloos aan. „Hé, ik dacht, dat meisjes zulke dingen altijd nog eerder zagen dan wij mannen.”

„Nee, ik heb niets gemerkt”, hield ik vol. „Maar hoe kwam mevrouw Hofmann er aan?”

„O, die had 't bij de Verhoogh's gehoord.”

„Dan zal 't wel waar wezen. Mevrouw Verhoogh weet altijd nog meer, dan de menschen zelf,” zei ik sarcastisch.

„Nou, dat beweer ik niet, maar 'n engagement als dit, zou me toch niets verwonderen. En jou?”

„O, nee, je ziet wel mindere stelletjes!”

„Hè, wat zeg je dat onaardig. Zou jij 't dan geen goed paar vinden?” vroeg Bé.

„Natuurlijk. Ze mogen doen en laten wat ze willen. Ze hebben m'n zegen hoor! Dáàg, wel thuis,” en ik sloot de voordeur achter hen, moedeloozer en ellendiger dan ooit, om boven m'n halfgevulden koffer voor Dennen-oord vol te pakken, dien ik van plan was den volgenden dag vast te verzenden.

Ik voelde geen aanvechting tot huilen. M'n tranen waren op en veranderden toch niets aan 't feit, maar nooit deed ik iets met zoo weinig lust en illusie.

En met 'n gevoel van oneindige bitterheid bekeek ik 't blauwe etiquetje van 't Parijsche hôtel, boven op 't deksel.... Zou ik me ooit weer zoo licht en vroolijk voelen als toen? Of zou 't „Verfehlte Liebe, verfehltes Leben” ook op mij van toepassing worden?.... Maar dat ging niet aan, ik was pas negentien! 't Hééle leven lag nog voor me. En toch kon ik me niet voorstellen, dat ik zonder Huib ooit gelukkig zou kúnnen worden....

Na 'n tijdje kwam moeder eens kijken hoe 't stond met de pakkerij. Ze was zeer verbaasd dat 't zóó lang duurde, maar ik kon er m'n gedachten niet bij houden en sufte inplaats van voort te maken.

Toen ik eindelijk naar beneden ging om goedennacht te zeggen, vond ze dat ik er dood-moe uitzag en ook vader keek me bezorgd aan.

„Je bent niets fleurig,Piepkuikentje, scheelt er wat aan,” vroeg hij zóo goedig met m'n gezicht tusschen z'n handen, dat de tranen ineens weer kropten in m'n keel. Maar ik hield me taai.

„Welnee, vadertje, 'k ben alleen wat moe. U zult 's zien hoe goed ik er uitzie, als ik van Dennen-oord terug kom.”

„Ja, dat willen we hopen. Ik zal Roosje de boodschap meegeven, dat ze goed op je letten moet.”

„O, nee, alstublieft niet. Ik mankeer heusch niets,” zei ik naar de deur gaande en toen vroolijk wuivend naar vader en moeder beiden: „Goeden nacht samen!”

Spijt dat ik naar Dennen-oord gegaan ben, heb ik niet, nu ik er eenmaal zit, want al geniet ik veel minder van dit uitstapje, dan de vorige maal, 't is hier zóó vroolijk en druk, dat 't vanzelf minder opvalt als ik stil ben, wat thuis natuurlijk dadelijk in den kijker loopt.

Ook kan ik me bij vreemden beter in-houden en is er ondanks alles wat me zoo onuitsprekelijk hindert en verdriet doet, iets van troost en opwekking in de gezellige hartelijkheid van de Witsens en de heerlijk-gezonde hei- en dennenlucht. Het huis ligt 'n half uur ongeveer van 't naastbijgelegen dorp, midden in de bosschen en behalveden tuinman—die tegelijk koetsier is en Roosje en mij met 't hittenwagentje van den trein kwam halen—zie je er, den postbode en 'n enkelen leverancier uitgezonderd, niemand. We zijn hier dus zoo vrij als vogeltjes in de lucht!

Ada is de oudste van de vier kinderen. Op haar volgt Hannie, 'n doddig meisje van vijftien, met prachtig zwart haar en guitige donkere oogen, die zoo half en half bij de groote menschen behoort en dan de „kleintjes” Henk en Nico, leuke, brutale rakkers van twaalf en tien, die onophoudelijk in slooten vallen en in boomen klimmen, en juf, 't goedige, dikke menschje, dat alles met de twee meiden bereddert, met rupsen en kikkers achterna zitten, om haar als ze op 't punt is boos te worden, met zulke boetvaardige zondaarsgezichten te achtervolgen, dat ze haar hart niet tegen de deugnieten verharden kan en ze maar weer in genade aanneemt.

Er logeeren ook nog twee neven Witsen, Théo en Jo, heel geschikte jongelui. Théo, de oudste, is pas gepromoveerd in de rechten, Jo studeert in Delft. Ik vind Théo de aardigste. Hij kan zoo leuk stoeien met de jongens en zoo grappig iets vertellen. Jo is zeer galant en nogal 'n flirt, maar verder toch wel aardig. Ik schiet best met 't tweetal op.

Roosje kende hen al. Haar broer Frits en Théo zijn vrienden, doch ik heb hen vroeger nooit ontmoet.

Toch noemen we elkaar voor 't gemak en de gezelligheid maar allemaal bij den naam, want mevrouw Witsen vooral, is er op uit alle stijfheid te weren hier buiten, al is zij er zeer op gesteld, dat 's middags aan tafel 't decorum stipt in acht genomen wordt en iedereen zich in de puntjes kleedt.

„Dat is Ma's Engelsche bloed,” plagen Ada en Hannie, want hun grootmoeder van moeders kant was 'n Engelsche. Maar we vinden 't allemaal 'n prettige gewoonte. Je voelt je zoo schoontjes en opgefrischt, als je na 'n dag van in 't gras liggen en buiten rondloopen, weer eens op z'n Paaschbest bent. Meneer Witsen en de jongelui verschijnen dan ook trouw in smoking, terwijl wij, meisjes, meestal in 't wit zijn en mevrouw 'n gekleede japon draagt.

Juf is 'n kwartier vóór tafel gewoonlijk in één race om de jongens op te vangen, die dan keurig met schoone handen en in kraak-heldere matrozenpakken aan den disch plaats nemen.

Vanmiddag—er werd net gebeden—hoorde ik ineens naast me 'n erbarmelijk gepiep. Ik waagde 'n oogje naar m'n beide cavaliers: links Jo Witsen,rechts Nico. 't Kwam van rechts waar Nico zat, die zoo gauw mogelijk z'n soep begon te lepelen. Meteen zag ik iets bewegen onder z'n matrozenkieltje.

„Kijk toch voor je,” snauwde hij zachtjes, gauw z'n hand er tegenhoudend.

Maar juf, de alziende, die tusschen de twee kleine jongens in zat, werd 't ook gewaar.

„Wat voer je toch uit, Nico,” vroeg ze, en 't gepiep werd ineens zóó hevig, dat iedereen verbaasd opkeek. 'n Klein vogelkopje kwam voor uit Nico's bloese gluren en, eer we er op verdacht waren, rende er 'n geel kuikentje, schril piepend als 'n bezetene, over de keurig gedekte tafel.

De schuldige keek doodsbenauwd, maar er ging 'n schaterlach door de gelederen, die hem nogal geruststelde. Hij wist 't zelf handig in z'n servet te vangen.

„'t Was van de kloek afgeraakt en toen heb ik 't maar mee naar binnen genomen, want de gong ging net, en toen had ik geen tijd meer om 't weg te brengen,” zei hij triomfantelijk, heel goed begrijpend, dat hij er nu wel zonder standje af zou komen en meteen stond hij op 'n wenk van z'n vader op, om 't toch maar liever weer naar de kloek te brengen als 't mocht. 't Was zoo'n raar gevoel dat gespartel in je bloese, en misschien wel niet zoo erg goed voor 't kuikentje.

Iedereen had er pret om met 't gevolg, dat Nico zich zeer gewichtig inplaats van schuldig voelde. Na 't eten wist hij gauw met Henk te ontsnappen, om pas tegen negen uur weer te voorschijn te komen, toen juf zich al geruimen tijd stond schor te roepen om 't edele tweetal te vermanen, dat 't meer dan bedtijd was.

's Avonds na tafel spelen we gewoonlijk nog 'n spelletje tennis of wandelen 'n eindje en, als 't donker wordt, gaan we voor 't huis theedrinken.

Dan staan in de zaal beneden de ramen open en wordt er meestal binnen door den een of ander muziek gemaakt.

Mevrouw en Théo spelen uitstekend piano, Ada en Hannie zingen en Roosje heeft haar viool meegebracht, dus muzikale krachten genoeg. Ik behoor altijd tot de luisterende partij, daar ik niets kan dan 'n heel klein beetje pianospelen. Maar ik vind 't heerlijk rustig op de bank vóór 't huis te zitten en naar de sterren te kijken.

Om kwart over tien wordt er opgebroken en gaat iedereen naar bed, behalve meneer en Théo, die meestal binnen nog wat blijven lezen.

Roosje en ik hebben samen 'n kamer tegenover die van Ada en Hannie, en dikwijls komt Ada in nachtgewaad nog „even” bij ons aanwippen om 'n praatje te maken. Dat „even” duurt dan ongeveer 'nuur. Hannie slaapt altijd al lang, als Ada terugkomt.

Ada is vol over de bruiloft en haar bruidsmeisje-zijn bij Dora Witsen, de zuster van Théo en Jo, die 'n paar weken geleden getrouwd is en Roosje en ik worden vergast op eindelooze verhalen over George Hofmann, waar ze 'nphilippinemee heeft. Ze correspondeeren nu samen: om de veertien dagen 'n brief.

„Zoo geestig schrijft hij,” zegt Ada, maar ik vrees dat z'n brieven wel net zullen zijn zooals z'n heele persoon is, niets dan 'n beetje oppervlakkige flirt.

Haar Vader en Moeder weten van dat geschrijf. Die vinden 't eigenlijk maar half goed, maar vertrouwen Ada te veel om haar niet haar eigen gang te laten gaan.

Nu, Ada vertrouwen, kunnen ze in alle gerustheid, al zijn Roos en ik 't er allebei over eens, dat we haar 'n man als George niet toewenschen! Af en toe geven we haar wel eens 'n bedekten wenk, maar dan zegt ze goedig:

„Och jullie vindt hem niet zoo erg aardig, dat weet ik wel, en flirten doet hij ook wel eens, dat geef ik toe, maar heusch, ik ken hem beter dan jullie. Z'n „fond” is goed. Hij is alleen maar 'n beetje verwend door z'n moeder en z'n zusters. Later gaat dat er wel uit.”

Roos en ik gelooven er niets van, maar hopen 't van harte voor Ada.

Ze is zoo lief in huis; zoo geduldig en vriendelijk tegen Hannie, die wel grappig is, maar soms erg nesterig doen kan en net 'n moedertje voor Henk en Nico, die met hun bezwaren altijd bij Ada aankomen.

Ik wensch haar geen soortgelijke misère toe als ik zelf nu aan 't doormaken ben.... Hoewel 'n vergelijking tusschen Huib en George niet te maken valt. Foei, ik moet er niet aan denken....

Zoo nu en dan meen ik op te merken, dat Théo Roosje nogal aardig vindt. Hij zoekt veel haar gezelschap en ze musiceeren elken avond samen.

Ik praat er natuurlijk niet over. Ook niet met Ada, maar gebruik m'n oogen en denk er 't mijne van.

Bij Roos is 't nog zóó onbewust! Ze is zoo eenvoudig, zoo zonder 'n schijntje coquetterie, en dat vindt Théo juist aardig, dat merk ik aan alles.

Ik hoop dat er wat van komt; ze lijken geknipt voor elkaar.

Er is iets heerlijks gebeurd, iets wat al m'n tobberijen met 'n tooverslag op de vlucht heeft gedreven!

Vanavond bracht de postbode, die hier tweemaal daags aankomt, 'n brief voor me van Bé. We dronkenzooals gewoonlijk thee vóór 't huis, maar ik zat zóó ver af van 't petroleumlampje, en de lampions boven m'n hoofd gaven maar zoo zwakjes licht, dat ik opstond om binnen even te gaan lezen.

Hoe blij was ik, dat ik niet van Jo's vriendelijk aanbod om van plaats te verwisselen—hij zat vlak bij 't lampje—had gebruik gemaakt en rustig en ongezien 't schijnbaar zoo onbelangrijk nieuws onder de oogen kreeg!

Bé schreef eerst van Flip en de van der Marcks, die den vorigen dag vol verhalen over hun reisje waren thuisgekomen en dat Floor en Max ook terug waren met de kinderen, die er zoo heerlijk uitzagen en zoo genoten hadden van 't strand en de duinen.

Toen, na de verontschuldiging: „'t Is eigenlijk maar 'n leuterbrief, maar ik weet dat je dat toch wel gezellig vindt,” kwam voor mij 't belangrijkste.

„Nietwaar, jij hadt ook gedacht, dat Huib en Annie Westenbergh zoo half en half geëngageerd waren? Nu daar is hoegenaamdnietsvan aan, hoewel 't algemeen verondersteld werd en verscheiden menschen 't uitstrooiden. Mevrouw van Slooten, die iets van die praatjes gehoord schijnt te hebben, vertelde ons gisteren, dat Annie al langer dan 'n jaar in stilte geëngageerd is met 'n vriend vanHuib—den naam noemde ze niet—en dat 't in 't najaar publiek zal worden. Wij stonden gewoon páf toen we 't hoorden. Wij hadden zoo stellig en zeker gedacht, dat 't met Huib iets worden zou, hoewel we er ons gelukkig niet tegen vreemden over hebben uitgelaten. Jij bent de eenige, die er niet zóó grif van overtuigd was, hoewel 't jou toch zeker ook niet verwonderd zou hebben. Ze leken zoo bizonder voor elkaar geschikt, maar je ziet alweer, 'n mensch kan zich vergissen, op dit gebied vooral!”

Ademloos las en herlas ik die regels. 'k Had 'n oogenblik noodig om de questie te verwerken. 't Wou er zoo gauw nog niet bij me in, maar als mevrouw van Slooten 't nu toch zelf tegensprak...

't Was of er 'n zware last van me afviel. 'k Had 't wel uit kunnen jubelen, zóó blij was ik, en 't scheelde niet veel of ik had in m'n eentje 'n rondedansje door de zaal gedaan. Maar de stem van mevrouw bracht me gelukkig tot mezelf voor 't tot daden kwam!

„Lizzy, kindlief, je thee wordt koud.”

„Daar drijft 'n heel aquarium in je kopje,”plaagde Theo.

„Ja, ik kom,” riep ik terug en uiterlijk kalm, innerlijk trillend van blijdschap, voegde ik me weer bij 't gezelschap. Doch even later lachte ik zoóuitbundig om 'n flauwe ui van Jo, dat Ada en Roosje me verwonderd vroegen wat ik toch had.

„O niks. 'k Heb nog pret om die brief van Bé. Ze schreef me zoo iets dwaas,” antwoordde ik, niet in staat zoo gauw iets anders te verzinnen.

„Hè, vertel 't ons ook,” drong Ada aan, maar ik zei, dat ik 't niet vertellen mocht en lachte van pure zenuwachtigheid tot de tranen in m'n oogen kwamen.

Toen ik in bed lag, kwam ik weer tot mezelf. Roos was stil en we bleven niet meer napraten, zooals andere avonden. Toch lag ik nog uren wakker en schaamde me diep over m'n leelijke afgunst.

Hoe schandelijk onrechtvaardig was ik geweest! Annie had me nooit iets in den weg gelegd, was altijd vriendelijk tegen me. Zij kon 't toch niet helpen, dat ze zooveel mooier en talentvoller was dan ik!

En met plotselingen schrik zag ik ineens in, dat 't volstrekt geen uitgemaakte zaak was, dat Huib van mij hield of zou gaan houden, omdat hij nu niet precies over Annie gedacht scheen te hebben....

De verhouding tusschen Huib en mij was gebleven zooals vroeger, maar de kans was nog niet verkeken! Ik mocht weer hopen! En met die geruststellende gedachte viel ik in slaap.

Ze vinden allemaal, dat ik er zooveel beter uitzie de laatste dagen, en dat vind ik zelf ook.

„Dat komt van 't melk drinken en van de dennenlucht!” roept Mevrouw, wier trots en glorie 't is haar logées met dikke wangen naar huis te kunnen zenden en ik lach maar en zal me wel wachten, haar de ware oorzaak te openbaren!

't Is of ik nu pas genieten kan van de mooie natuur. Van de bosschen met hun wisselende licht- en schaduwplekken, waar de boomen zoo geheimzinnig ruischen en de insecten zoemen, van de hei, die begint te bloeien en de prachtige vergezichten met de drijvende wolken. Och, ik vond alles wel mooi met m'n oogen, maar 't ging zoo lángs me. 't Liet me eigenlijk zoo onverschillig, zoolang 't binnen in me niet pluis was, maar nu! Nu kan ik er met hart en ziel in opgaan, ben ik vroolijk om de minste kleinigheid.

Vandaag regent 't en zitten we allen prettig bijeenin de zaal. 't Is niets naar, om eens 'n dag binnenshuis door te brengen, vooral na dien vermoeienden fietstocht van gisteren!

Meneer en Mevrouw waren er bij, zoodat ze niet over ons in onrust gezeten hebben, maar alles meemaakten, toen we midden op de heide door 'n onweersbui werden overvallen en klets en kletsnat regenden.

We hadden geen drogen draad meer aan 't lijf, maar iedereen was 't er over eens, dat 't 'n hoogst avontuurlijke tocht was. Als razenden vlogen we achter elkaar over 't smalle fietspad met den wind in den rug, door de geweldige stortbuien, éénig gewoon.

Juf en de meiden wisten niet wat ze zagen, toen die heele druipnatte karavaan weer kwam aangefietst. Nico juichte en Henk was uit z'n humeur, dat hij 't waterballet niet had meegemaakt.

„Ik zou 't toch zoo leuk gevonden hebben”, riep hij met 'n huilstem, terwijl we allemaal in de gang onze soppende schoenen uittrokken en toen op onze kousen naar boven liepen om ons te gaan verkleeden.

Vanmorgen goot 't nog steeds, zoodat er geen denken aan was 'n voet buiten de deur te zetten. Ik schreef daarom 'n langen brief naar huis en hielp toen Ada en Roosje mee noga en boterkussentjesbakken en weerde Henk en Nico uit de keuken, daar die telkens strooptochten ondernamen om iets van 't lekkers, dat we aan 't bereiden waren, machtig te worden. Henk werd 'n oogenblik woedend op me, omdat ik hem uitlachte, toen hij 'n gloeiend stuk noga in z'n mond stak en met 'n gesmoorden kreet naar den gootsteen holde om 't daar te verwijderen. Maar toen ik hem naderhand 'n boterkussen van buitengewone afmeting vereerde, kwam ik weer in de gratie.

Vanmiddag, terwijl 't maar gestadig doorregende, hebben we ping-pong gespeeld encharadesgedaan, waarbij Juf en de jongens ook meededen. We waren in twee partijen verdeeld, die ieder op de beurt iets voorstelden uit de geschiedenis, dat dan door de andere partij geraden moest worden.

De gansche historie van de schepping der wereld tot de jongste kamerverkiezingen toe, werd overhoop gehaald. Socrates, die te midden van z'n geliefde leerlingen den giftbeker dronk, Salomo, rechtsprekend over de twee moeders, wier kind werd voorgesteld door 'n sluimerrol, de begrafenis van de keizerin van China, en de kroning van Napoleon als keizer, dit alles werd met de meeste levendigheid en afwisseling vertoond en geraden.

't Aardigst was „de afstand van Karel V ten behoeve van zijn zoon Philips”, die met prachten praal op de volgende wijze werd opgevoerd:

Theo met 't zilveren deksel van den jampot als kroon op 't hoofd en 'n rood pluche tafelkleed om, was Karel V, die steunend op den schouder van Roosje, den jongen prins van Oranje, zijn zoon Philips, alias Jo, die voor hem geknield lag, met plechtig gebaar 't deksel van den jampot opzette. Mevrouw, Kees en ik maakten 't gevolg uit en bejammerden 't, dat het zoo gauw geraden werd.

Spoedig daarop raakten we verzeild in allerlei onthoofdingen: Maria Stuart, Oldenbarneveldt, Charlotte Corday, 't werd eentonig en al te bloederig op den duur, maar Hannie en Henk wisten er meer variatie in te brengen door op 'n gegeven moment Adam en Eva voor te stellen onder 'n groote paraplu, waar Henk 'n paar onrijpe appelen had aangeprikt.

Maar nu hebben we er genoeg van; de orde in de kamer is hersteld en mevrouw schenkt 'n kopje thee voor ons, terwijl juf rondgaat met de lekkernijen, die we vanmorgen gemaakt hebben.

Henk en Nico zitten met propvolle monden elkaar 't grootste stuk noga te betwisten, Théo speelt 'n walsje en Jo en Hannie en Roosje en ik dansen, terwijl Ada de rozen, die haar vader net in den tuin is gaan plukken, in 'n kristallen vaasje schikt.

We zijn allen, ondanks den regen, in de genoeglijkste stemming als een van de meiden na 'n klopje binnenkomt.

„Wat is er, Sientje, 'n telegram?”

„Ja mevrouw, maar 't is geloof ik voor juffrouw Beumer; dat staat er tenminste op!”

„'n Telegram voor mij! O, wat zou er zijn?”

De piano zwijgt, er heerscht ineens 'n doodsche stilte, terwijl ik aller blikken op me gericht voel en bevend over mijn heele lichaam 't papier losscheur en met trillende stem lees:

„Vader plotseling ernstig ongesteld spoedige overkomst gewenscht.Max.”

„Vader plotseling ernstig ongesteld spoedige overkomst gewenscht.

Max.”

„Ooh, o God!” kreun ik, en 't telegram valt uit mijn sidderende handen.

't Is of 't bloed wegzakt uit m'n hoofd.... Er komt 'n nevel voor m'n oogen.... Blindelings tast ik naar 'n stoel.

„Lizzy, Lizzy!” gilt Ada's stem vlak bij m'n oor. Dan wijkt die vreemde duizeligheid en flitst 't wreed en helder door m'n verward brein, dat ik naar vader moet, onmiddellijk! Ik heb geen minuut te verliezen.

Iedereen kijkt me verslagen aan. Ik hoor Roosje zenuwachtig snikken. Iemand houdt me 'n glas water voor, dat ik gretig aanneem en uitdrink.

„Mevrouw”, zeg ik smeekend, „ik moet weg, dadelijk”.

Ze slaat haar armen om me heen.

„Natuurlijk kindlief. We zullen alles voor je doen. Toe, probeer kalm te zijn. 't Kan toch nog wel meevallen. 't Is misschien niet zoo erg als je denkt....”

„Ik zal je brengen,” zegt meneer Witsen beslist. „Ik zal onmiddellijk laten inspannen. Daar gaat 'n trein om half zes. Die kunnen we nog makkelijk halen. Houd je nu flink, Lizzy!”

Er is iets gebiedends in z'n stem, dat me kalmeert en vertrouwen geeft. Gelukkig, ze zullen me helpen. Ik sta niet alleen.

„Juf en de meisjes zullen 't noodigste wel even voor je inpakken. Je koffer sturen we naderhand wel. Bekommer je maar om niets”, en mevrouw trekt me naast zich op de kanapee en wenkt de anderen heen te gaan.

Versuft leun ik m'n hoofd tegen haar schouder. Ik huil niet. Ik zou 't niet kùnnen. Zoo vreemd en leeg voelt m'n hoofd; ik kan niet denken. 't Is net of ik droom.... 'n Bord soep, dat me tegelijk met m'n goed gebracht wordt, schuif ik van me af, trek werktuigelijk m'n mantel aan en zet m'n hoed op. Ik ben klaar en druk zwijgend iedereen de hand; ze doen me allen uitgeleide. Ik sta al op de stoep.

„Dank jullie allemaal. U vooral, mevrouw,” is 't eenige wat ik weet te zeggen, dan helpt meneer me in 't wagentje.

In den trein kom ik pas goed tot bezinning. Er zijn geen andere reizigers. Over me zit alleen meneer Witsen, verscholen achter'ncourant, en starend uit 't raampje prevel ik voor me heen de woorden van 't telegram: Vader plotseling ernstig ongesteld. Spoedige overkomst gewenscht.

O, 't zal wel héél erg zijn. 't Kán niet dringerder. Wat zou 't toch wezen? 'n Ongeluk,.... gevallen misschien? Vader is immers nóóit ziek en nog niet oud. Achtenvijftig pas. Nog in de kracht van z'n leven. Die goeie, lieve vader! Zoo kranig en flink zag hij er uit, toen hij mij en Roosje naar den trein bracht, nu nog geen veertien dagen geleden. En hij was zoo bezorgd voor me, hoopte zoo dat ik veel plezier zou hebben en dat de buitenlucht me goed zou doen. O, als hij nog maar leeft, als hij me nog maar even herkent..

M'n lichaam schokt, 'n snik komt uit m'n keel en de tranen druipen ineens langs m'n wangen.

Meneer Witsen laat z'n courant zinken en ziet me hartelijk-meewarig aan:

„Huil maar eens uit. Dat zal je goed doen, beste kind.”

En o, 't doet goed, 't doet me onbeschrijflijkgoed, dat ik eindelijk huilen kan. 't Is de eenige uiting voor dit groote, gróóte verdriet en voor den vreeselijken angst en onzekerheid, die me bezielen.

„Kom, je moet je niet dadelijk 't állerergste voorstellen. 't Zal natuurlijk erg zijn, maar de kans op beterschap is immers niet uitgesloten. Je wéét 't immers nog niet,” tracht meneer Witsens goedige stem te troosten.

„O, dat is juist zoo ontzettend”, snik ik. „Wist ik 't maar!”

Helaas zoo gauw we Max' gezicht zagen—hij kwam me alleen met 'n rijtuig van den trein halen,—begrepen we 't beiden maar al te goed: Er viel niets meer te hopen....

Vader was 's middags na de koffie, toen hij weer naar de rechtbank zou gaan, ineens in elkaar gezakt.

't Gebeurde in de eetkamer.

Moeder en Flip, die er gelukkig alle twee bij waren, stuurden onmiddellijk om den dichtst in de buurt wonenden dokter, die dadelijk kwam en 'n beroerte constateerde en hen voorbereidde op 't einde, dat hij spoedig verwachtte.

Vader is niet meer bijgekomen. Nog enkele uren heeft hij bewusteloos gelegen en is kort na mijn thuiskomst bijna onmerkbaar ingeslapen.....

Toen meneer Witsen 's avonds om tien uur nog eens hooren kwam, was 't al afgeloopen.....

De droeve drukte van de begrafenis is voorbij.

De stroom van ontelbare bezoeken en condoleancebrieven begint iets te minderen en 't gewone leven gaat zoo zoetjes aan weer z'n ouden gang. Voor de buitenwereld althans.

Want 't is net of we ons verlies nu pas goed gaan beseffen. De verpletterende slag is zoo plotseling gevallen, dat we niet in staat waren alles in z'n volle diepte te voelen en te omvatten in 't begin.

En we maakten ons zoo ongerust over moeder. Met droge, doffe oogen zat ze maar voor zich uit te staren. Ze zei niets, ze antwoordde niet eens als er iets gevraagd werd. Ze was totaal versuft. Twee dagen heeft dat zoo geduurd.

Den dag van de begrafenis kwam eindelijk de reactie. Ze is zoo ziels-bedroefd..... Maar hoe vreeselijk 't ook is, hoe radeloos 't me maakte haar zoo wanhopig te zien, toch zien we haar nog liever met haar roode, gezwollen oogen, dan met dat akelig verwezen gezicht en dien starren blik.

Ik slaap nu naast haar in vaders bed en gisterennacht voor 't eerst hebben we weer geslapen, want toen moeders verdriet eenmaal tot uiting kwam, deed ze de eerste nachten niets dan huilen en kreunen. Rampzalig was ze.

Bijna dertig jaar is ze alles voor vader geweest en vader alles voor haar en nu ineens is hij weggerukt,voor goed verdwenen uit den gezelligen kring..... Voor hem is 't maar 'n zegen, dat hij onbewust is heengegaan. 't Wreede afscheid is hém tenminste bespaard gebleven.....

Hoe vreeselijk zou hij Eef gemist hebben. Eef, de eenige, die ontbrak aan z'n sterfbed..... Eef, die z'n „lievelingsdochter” was, zooals we hem vroeger wel eens plaagden, want al hield vader van ons allen evenveel, voor háár had hij toch 'n bizonder zwak.

„Zij lijkt het meest op moeder,” zei hij altijd.

Arme Eef, hoe zal ze daarginds naar ons verlangen, hoe reikhalzend uitzien naar brieven van ons..... Niets dan 't telegram met vaders doodstijding kan haar in de eerste weken bereiken....

Floor, die 't kalmst was, heeft dadelijk zoo uitvoerig mogelijk geschreven, maar hoeveel dagen moeten er nog niet verloopen, voor die brief in haar bezit zal zijn!

Zoo akelig stil is 't in huis. We kúnnen er ons niet indenken, dat we hier in diezelfde kamers, waar we nu in onze rouwkleeren rondloopen, 'n paar maanden geleden zoo vroolijk en opgewekt Bé's bruiloft vierden. Ziekte en dood leken toen zóo ver, of ze ons niet bereiken konden.....

De eenigen, die ons werkelijk wat afleiding geven, zijn de kinderen. Floor brengt Liesje enBobbie alle dagen en moeder zegt, dat 't haar goed doet, als die twee samen door 't tuintje ravotten en met hun onschuldige gezichtjes praten over Opa.

Gisteren, toen ik even alleen met ze was, vroeg Bobbie:

„Zeg, tante Piep, wanneer zou Opa nou weer hier komme?” waarop Liesje met 'n verschrikt gezichtje en haar vingertje voor den mond zei:

„Sst, daar mag je niet over praten van Moekie. Dan doe je Oma en tante verdriet, want Opa kómt niet meer terug, die is nou bij onze-lieve-Heer en daar is 't heel prettig,” en toen in 'n lieve behoefte om te troosten met 't verdriet, dat ze instinctmatig voelde en nog niet begrijpen kon, sloeg ze haar armpjes om m'n hals en Bobbie goedig, deed dadelijk 't zelfde en als om strijd vleiden ze: „Zoete tante Piep. We houën zoo vreeselijk erg veel van je!”

Ik trok ze bij me op schoot, op iedere knie 'n kind en begon ze hun lievelingsgeschiedenis te vertellen, 'n verhaal, dat Floor mij vroeger altijd moest voorlezen uit „de Kinderkamer” en waarvan ik den aanhef nog onthouden heb. „Tante Spinrag had twee katjes Mimi en Zoozoo,” en verder putte ik m'n eigen fantasie uit in allerlei onwaarschijnlijke avonturen, die ik Mimi en Zoozoo liet beleven, zoodat de kinderen met hooggekleurdewangen en schitterende oogen 't uitschaterden en ik zelf plezier kreeg in den geweldigen nonsens, dien ik bij elkaar flanste.

Moeder, die ondertusschen binnenkwam, glimlachte flauwtjes. Ze was voor 't eerst eens overdag met Flip uitgeweest en zag er iets minder slecht uit. Ik vind haar bepaald veel kalmer de laatste dagen.

Mevrouw van Slooten en Huib en Bernard, die 's avonds even kwamen aanloopen, vonden 't ook.

Huib is erg hartelijk en aardig. Hij heeft me 'n heelen stapel boeken gebracht en ik mag zelf andere uit z'n kast komen halen, zoo gauw ik deze uit heb, want in 't begin van September gaat hij minstens tot Kerstmis naar Hamburg voor de zaken van z'n vader. We zullen elkaar dus in geen maanden terugzien....

Zoo langzamerhand begin ik enkele brieven te beantwoorden. Roosje en alle Witsens hebben me geschreven, Henk en Nico incluis en Roosje is na haar terugkomst al verscheiden malen bij me geweest, evenals Emmy van der Marck.

Ook van Annie Westenbergh kreeg ik 'n bizonder deelnemenden brief. O, ik schaamde me zoo....

Max en Aad behandelen alle geldelijke aangelegenhedenen moeder is begonnen met Flip en ons drieën vaders brieven en boeken te regelen.

Het is 'n in-droevig werk, maar we durven 't niet langer uitstellen. 't Moet tóch gebeuren en andere handen dan de onze mogen er niet aan raken.

In 'n la van vaders schrijftafel vond moeder allerlei souvenirs uit onze kinderjaren: onze eerste brieven en handwerkjes, waarmee we hem verrasten: speldenkussens, inktlappen en doosjes met zonderlinge versieringen van gekleurde zijden en wollen steekjes en van ons ieder 'n lok zij-achtig, heel lichtblond haar....

Tante Suze, goedig en onpractisch zooals meestal, kwam moeder voorstellen met haar op reis te gaan. 't Zou zoo'n goeie afleiding zijn! Maar moeder dacht er natuurlijk niet over. Ze zou geen raad weten als ze van ons afmoest.

Met Mei moeten we verhuizen. Hoe vreeselijk we 't ook vinden, dit huis waarin we allen behalve Floor geboren zijn, te verlaten, 't zou moeder op den duur tekostbaarworden.

Als Flip na de vacantie weer naar Leiden is, zijn we nog maar met ons beidjes over,moeder en ik....

De oude kloek en 't piepkuikentje, zooals ze zelf met 'n weemoedig glimlachje zei.

O, ik zal zóó m'n best doen haar zooveel mogelijk 't niet te herstellen verlies te verzachten en.... hard voor m'n acte middelbaar Fransch gaan werken, want, hoewel we samen behoorlijk kunnen leven, zal 't voor mij, vooral later, als ook moeder er eens niet meer zijn zal, noodig wezen, dat ik niet alleen 'n werkkring heb, maar in staat ben geld te verdienen, als ik me tenminste niet héél bekrompen ergens op 'n bovenhuisje, of in 'n goedkoop pension behelpen wil.

Nu, leerares op 'n H.B.S. voor meisjes, lijkt me nog 't geschiktst. Dan heb je in ieder geval lange vacanties en ik zal me niet laten ringelooren door ondeugende kinderen, zooals ik zelf was. Want als loontje om z'n boontje kwam, dan....

En onwillekeurig denk ik terug aan dien tijd—drie jaar geleden nog maar—toen ik met den pas van drie en 't vroolijkste gezicht ter wereld de klasse uitdanste, alsmiss Parker, die me niet luchten kon, me om 't minste of geringste wegzond en ik achter haar rug 'n kushandje tegen de proestende meisjes maakte.

Armemiss Parker, haatdragend is ze niet, want toen ik haar enkele dagen geleden op den Singel tegen kwam, groette ze me zoo meewarig, alsof ik eens haar liefste leerling was.

Gelukkig ben ik nooit iemands „liefste leerling” geweest. Daartoe was ik te baldadig; er zat geen „zit” in me, hoewel verder niet iedereen bepaald 't land aan me had, want lui of dom was ik niet. Toch, met 't uitreiken der eind-diploma's—'t mijne was erg schraaltjes—zei de directrice met 'n zuurzoet lachje: „Nu Lizzy, dat is 'n opluchting dat jij van school gaat”, waarop ik met m'n innemendsten glimlach antwoordde: „O, juffrouw, 't genoegen is geheel aan mijn kant.”

'k Zie vader nog met moeite 'n ernstig gezicht zetten als ik met briefjes vol klachten thuiskwam, die ik den volgenden morgen dan weer van zijn handteekening voorzien, mee terug nam en vertoonen moest als bewijs, dat hij van m'n slechtheid op de hoogte was. Hij vond 't wèl ondeugend.

„Toe, laat dit nou de laatste keer zijn,” zei hij dan, maar och, ik was immers 't Piepkuikentje en op de nieuwsgierige vragen van de directrice ofmiss Parker: „And whatdid yourfather say?”antwoordde ik geregeld met luchtig schouderophalen: „O nothing.”

Onbegrijpelijk, dat dat alles pas drie jaar geleden is! 't Lijkt zoo veel, véél langer al. Wat 'nkindwas ik toen nog....

Met m'n handen onder 't hoofd zit ik te suffen,inplaats van den brief aan Annie Westenbergh af te maken, dien ik straks posten wilde.

Daar wordt gebeld. Visite zeker!

Ik vlieg op, en net als ik de schuifdeuren dicht wil doen, staat Roosje voor me.

„Dag Lizzy! Stoor ik je?”

„O, welnee, juist gezellig dat jij er bent”, en ik trek haar mee de serre in.

„Zat je te schrijven?”

„Nee, eigenlijk alleen maar wat te soezen. Toe, ga zitten; moeder en Bé zijn samen uit. Die zullen straks wel komen.”

„O”, zegt Roosje afgetrokken in 'n rieten stoeltje plaats nemend en dan aarzelend met 'n kleur: „ik.... ik heb 'n nieuwtje.... 'k Wou 't je maar even zelf komen vertellen vóór je 't van 'n ander hoort.... Ik ben geëngageerd met....”

„Théo Witsen”, vul ik lachend aan. „Roos, kind, ik féliciteer je”, en ik kus haar verbluft gezichtje.

„O, o wist je 't al? Hebben Aad en Bé 't verteld?”

„Nee, niemand heeft er me iets van gezegd, maar ik heb 't zien aankomen. Ik heb dadelijk gemerkt, dat Theo je zoo aardig vond. Jullie schoten zoo hévig op!”

„Hévig,” vraagt Roosje verbaasd. „'k Was in 't begin toch volstrekt niet doodelijk van hem. Laterwel! O Lizzy, toén.... toen jij weg was, heb ik toch zoo vreeselijk in spanning gezeten!”

„Arm kind!”

„Arm kind? Welnee! Verbeeld je, dat ik er dat nog niet eens voor over gehad zou hebben! 't Is toch al zoo van 'n leien dakje gegaan. Den avond vóór ik wegging heeft hij me gevraagd en twee dagen later is hij bij papa geweest en is alles beklonken. Als ik daar Ada bij vergelijk.....”

„Die wordt nu 'n nichtje van je!”

„En George Hofmann 'n neef, of eigenlijk.... hoop ik, dat toch niet.”

„Nee, wij zouden 't zonde van Ada vinden, hè? Maar ze moet 't zelf weten.”

„Natuurlijk, wij hebben haar genoeg gewaarschuwd. O, kind, ik ben zoo gelukkig! De volgende week wordt 't publiek en de Zondag daarop houden we receptie. En thuis zijn ze zoo met Théo ingenomen! Ik had 't je allemaal al eerder willen vertellen, maar.....”en dan zwijgt Roosje en haar gezicht betrekt. Verlegen peutert ze aan 'n knoop van haar mantel.

„Nu ga door. Wat heb je?”

„Och, Lizzy, je vindt me toch niet ongevoelig, dat ik zoo over m'n eigen geluk zit te praten, terwijl jij zoo'n verdriet hebt? Ik heb 't expres tot nu toe uitgesteld om 't je te vertellen, maarAad en Bé en zooveel andere menschen weten 't al en 'k wou toch maar liever, dat je 't niet eerst van anderen hoorde. We zijn zulke goeie vriendinnen geworden den laatsten tijd!”

Ik sla m'n beide armen om haar hals en kus haar nog eens.

„Lieve Roos, als je 's wist, hoe blij ik voor je ben! Toe, vertel er me toch alles van. Ik stel er zoo'n belang in en 't is zoo prettig weer 's iets vroolijks te hooren.”

„Heusch?” Roosje ziet me verheugd aan, drukt m'n hand en begint dan over haar roman.

„O, dien laatsten avond, toen we voor 't huis zaten! 't Was zulk zalig weer, zoo zoel en stil. Geen blad bewoog en de maan scheen zóó helder, dat we 't lichtje en de lampions uitdeden en toen ging Théo binnen de „Mondscheinsonate” spelen... Alleen 't begin, maar we waren allemaal in de stemming en ik was zoo onder den indruk, dat ik moeite had niet in tranen uit te barsten. Later zijn we nog wat door den tuin gaan loopen. 't Was zonde om naar bed te gaan en Théo en ik gingen samen nog 'n eindje den weg naar 't dorp op. Ik voelde me, of ik in 'n sprookje wandelde. 't Was zoo iets onwezenlijks! We durfden geen van tweeën 'n woord te zeggen, totdat er ineens vlak boven onze hoofden 'n vogel opvloog, waar we allebeivan schrikten. Toen op den terugweg zei hij 't”....

Roosje zwijgt, en haar blauwe oogen kijken of ze weer heelemaal in 't sprookje is. Wat ziet ze er lief uit zoo....

Dan praten we nog wat over Theo en 't buitenzijn bij de Witsens, tot moeder en Bé komen.

Op moeders bedroefd gezicht komt 'n glimlach als ze ons samen ziet zitten. Ze weet 't nieuws al van Bé en verheugt er zich hartelijk in.

Met uitgestoken handen loopt ze op Roosje toe en kust haar.

„Ik zal maar niet vragen of je gelukkig bent?”

„O, mevrouw!”

En als Roos 'n oogenblik later heengaat, denk ik, dat 't leven toch niet zoo droevig zijn kan als er zóó'n geluk bestaat...

Maar voor mij zal 't wel nooit komen.... Ik ben zoo héél anders dan Roos. Ik verdien 't zoo weinig....


Back to IndexNext