HOOFDSTUK VII.

decoratieve illustratie

't Is half September, ruim zes weken na vaders dood, en 't begint al echt herfst te worden. De zon schijnt wel, maar vooral de avonden worden koud, zoodat we 's avonds de serre-deuren niet meer open kunnen houden. De lamp moet vroeg aan en soms brandt er al 'n lustig houtvuurtje in den haard, 's middags na 't eten.

De boomen en heesters in ons tuintje worden al geler en ijler. Er hangen geheimzinnige spinnewebben en glinsterende herfstdraden in en 't gras en de paden liggen vol afgevallen blaren. De wingerdranken aan 't lage hekje, dat onzen tuin van dien van de van Slootens scheidt, worden iederen dag rooder en bladerloozer, maar de Oost-Indische kers zit nog vol bloemen en de dalia's en phloxen bloeien overvloedig. Hier en daar ontluikt nog 'n enkele roos.

Als in 't voorjaar de seringen en de beide kerseboomen in vollen bloei staan, zullen hier andere menschen wonen......

Den tweeden September is Huib naar Hamburgvertrokken en of hij met Kerstmis thuiskomt is nog niet zeker.... 't Was zoo'n raar afscheid. Léo en Bernard kwamen mee, en Huib zelf zei bijna niets. Toch beweerde hij, dat hij 't prettig vond om te gaan....

In 't begin van deze week heb ik 'n brief van hem gehad. Hij is verrukt over Hamburg en schijnt 't er wel naar z'n zin te hebben. Of ik hem af en toe eens schrijven wil, vroeg hij.... Ik wil 't natuurlijk met alle plezier, maar toch doe ik m'n best me maar niet te groote illusies te maken....

't Is niet meer dan vriendschap van zijn kant en daar mag ik al blij mee zijn, want hij toont zich 'n oprecht vriend die zich geeft, zooals hij is. Flirten doet hij nooit, voor zoover ik kan nagaan.

Arme Ada! Zij is wel te beklagen! Kort na 't publiek worden van Roosje's engagement hoorden we, dat George Hofmann geëngageerd is met 'n Engelsch meisje, dat hij dezen zomer op reis ontmoet heeft. Ze schijnt heel mooi en schatrijk te zijn en woont op 'n groot buitengoed in Wales.

Hij is er op 't oogenblik gelogeerd en trouwt al in Januari. Mevrouw Verhoogh weet allerlei bizonderheden. De heele stad is er vol van.

Ada is er ellendig over. Zoo bleek en behuild was ze toen ik haar voor 't eerst weerzag nàDennenoord. Voor ons beiden is er wèl veel veranderd sinds dien tijd....

Ze kón 't eerst niet van George gelooven, die háár vriendelijke brieven schreef, terwijl hij dat Engelsche meisje al druk 't hof maakte....

Ze ziet nu wel in, dat ze met zóó'n man toch nooit gelukkig zou zijn geworden en doet haar uiterste best over haar teleurstelling heen te komen. Ze is voor 'n poosje bij 'n oom en tante in Maastricht gelogeerd en van plan, net als ik, voor 't een of ander examen te gaan studeeren.

Ze denkt over botanie. Daar heeft ze altijd veel plezier in gehad. Hard werken is toch de beste manier om 't zoo gauw mogelijk te vergeten, dat geeft ze haar ouders volmondig toe.

Mevrouw Witsen is eigenlijk blij, dat 't nu maar voor goed uit is. Zij hield niet erg van George en meneer had evenmin veel met hem op.

Die kan van die verfijnde, fatterige jongelui in 't geheel niet uitstaan, en ik herinner me heel goed, hoe hij Jo Witsen af en toe voor den gek hield, als die op Dennen-oord met erg buitenmodelsche vesten en dassen rondliep.

Roos vindt 't erg zielig, maar is even blij als ik, dat Ada's oogen nu eindelijk geopend zijn. We praten of schrijven haar maar niet veel over de questie, maar voelen ons meer dan ooit vriendinnenmet ons drieeën, hoewel Théo ons plaagt en altijd van „'t klaverblad” spreekt. Maar hij mag Ada en mij heel graag, en we verheugen er ons in, dat Roosje door haar engagement niet voor ons verloren is gegaan.

Vanmorgen heb ik m'n eerste les bijmonsieur Durandgehad.

Als ik heel hard werk kan hij me waarschijnlijk in twee en 'n half jaar klaar hebben voor mijn acte A. Ook zal ik minstens nog een maand of drie naar 't buitenland moeten, maar dat is van later zorg. Hij heeft me voor de volgende week 'n ontzettend groote thema en 'n flink eindgrammaireopgegeven en me op 't hart gedrukt, vooral netjes en duidelijk te schrijven en iederen dag geregeld te werken.

In 'n groote, kale kamer zaten we naast elkaar aan 'n langwerpige tafel met 'n donkerrood tafelkleed vol inktvlekken en zakelijk bespraken we alles. Hij legde 'n paar boeken voor me klaar en maakte 'n lijstje van enkele, die ik noodig had en me aan moest schaffen en liet me toen, bij wijze van proef, 'n eind hardop lezen en vertalen uit de Balzac's:Eugénie Grandet.

M'n slapen bonsden en ik gloeide van inspanning en agitatie toen 't uur om was.

Toch was hij niet onvriendelijk of ongeduldig,maar 't leek zoo'n echte schoolvos: 'n glimmend kaal hoofd, 'n rood gezicht met 'n grijzend baardje en kleine, grijze oogen achter 'n lorgnet.

Ik kreeg niets geen Franschen indruk van hem, maar hij vertelde dan ook, dat hij Zwitser is!

Zijn handen alleen zijn bizonder welverzorgd en z'n stem klinkt welluidend en beschaafd, en natuurlijk spreekt hij onberispelijk Fransch, waar 't dan ook eigenlijk 't meest op aankomt.

„Vous êtes fatiguée, mademoiselle?”vroeg hij, me over z'n lorgnet heen aankijkend, terwijl hij me uitliet.

„Un peu, monsieur,” antwoordde ik bedremmeld. Toen kwam er 'n klein bleek meisje in 'n rood jurkje door de halfduistere gang aangesprongen, dat haar beide magere armpjes door z'n linkerarm stak en hem met zich mee wou trekken.

We stonden al bij de voordeur, maar hij tilde 't kleine ding vol trots in de hoogte.

„Allons, Juliette, ma chérie, dis bonjour à mademoiselle,” en 't kind, half schuchter, half onwillig, reikte me 'n bevend handje.

Daarop opende hij de deur.

„Adieu mademoiselle, au revoir!”

„Au revoir, monsieur,” mompelde ik, en met m'n boeken onder den arm, liep ik langzaam naar huis, doodmoe met kloppend hoofd.

Toen ik thuiskwam, voelde ik me ineens zoovreemd en duizelig, dat ik 'n oogenblik op de rustbank moest gaan liggen. Gelukkig was moeder boven en zag ze me niet, voor ik weer bekomen was.

Moeder maakt zich ongerust over me en de anderen vinden, dat ik er slecht uitzie. Bij buien valt 't me zelf ook op.

Sinds vaders dood ben ik zoo bleek en mager geworden, maar misschien lijkt 't erger met die zwarte kleeren. Als ik maar niet aldoor zoo loom was, zou 't me niet kunnen schelen, maar die loomheid hindert me bij alles. Ik word er soms suf van. 's Avonds val ik als 'n blok in bed en slaap dadelijk. Als moeder iets tegen me zegt, ben ik al lang onder zeil, en toch is 't of ik iederen morgen vermoeider opsta.

Ik klaag er maar niet over. Dat geeft toch niets, maar als 't niet overgaat, zal ik eens stilletjes naar 't spreekuur van onzen dokter zien te snappen. Moeder mag 't vooral niet merken. 't Zal wel niets zijn dan 'n beetje bloedarmoede. Dat is zoo in de mode tegenwoordig! Toch is 't wel raar, dat ik van 't minste of geringste zóó gauw moe word.

Na de koffie bood ik aan om stof af te nemen hier in den salon en 't wat gezellig te maken, want moeder heeft vanmiddag ontvangdag en wil liefst hier boven zitten. Ik zal straks theevoor haar schenken. Als er maar niet veel menschen komen, want zoo akelig als ik me nu toch voel!

M'n hoofd bonst en m'n rug steekt, alsof ik heel zwaar werk gedaan had en ik heb hier alleen maar stof afgenomen, de theetafel in orde gemaakt en wat Oost-Indische kers geschikt in 't kristallen bakje op 't kanapée tafeltje.

Daar slaat de pendule twee uur.

Vooruit! Ik moet nog 'n paar dalia's gaan plukken voor 't Brouwer-vaasje op de étagère. Daar staan ze zoo aardig in!

Ik dwing mezelf op te staan uit den fauteuil, waarin ik, met den stofdoek in de hand, even heb zitten uitblazen en loop naar beneden.

M'n hoofd duizelt en zoo vreemd beverig ben ik op m'n beenen. Allemaal kleuren warrelen er voor m'n oogen.... Gauw maar den tuin in, dan gaat 't wel weer over!

Ik doe de deur van de huiskamer open. Moeder en Flip zijn binnen. Ik zie ze als in 'n nevel.... 't Is of de heele kamer met me rond draait.... Ik klem me ergens aan vast....

„Water,” hijg ik, m'n uiterste krachten inspannend om me op de been te houden. Maar ik kan niet langer. 'n Vreemd geruisch komt in m'n ooren en, volkomen willoos geef ik me over....

Ik ben ziek.

Al meer dan 'n maand lig ik pal te bed, maar ik ga nu toch goed vooruit.

De eerste dagen na dien middag, toen ik flauw viel, was ik te zwak en te soezerig om me duidelijk rekenschap te geven van 't gebeurde. 't Was alles zoo vreemd en vaag. Ik deed niets dan slapen en als ik even wakker werd, zag ik moeders gezicht of dat van onzen goeden ouden dokter Sluyters. Maar dan vielen vanzelf m'n oogen weer dicht en dommelde ik voort, te moe om iets te zeggen, alleen flauwtjes beseffend, dat ik ziek was en naar hartelust slapen mocht. Al 't andere kon me niet schelen.

Hoe lang dat zoo geduurd heeft zou ik niet kunnen zeggen, maar dit weet ik wel, dat ik me sinds verleden week veel sterker voel. Ik kan weer geregeld denken en vind 't prettig als moeder of een van de zusters of zwagers bij me zitten. Ook de kinderen komen soms één voor één even, want veel praten en drukte vermoeien me nog wel, al vind ik zoo'n enkel bezoekje heerlijk.

Iedereen is even lief voor me. Al mag ik tot nog toe niemand dan de naaste familie bij me hebben, vergeten word ik niet; daarvan zijn de bloemen, die de kamer versieren en de vruchten en versnaperingen, die er alle dagen voor me gebrachtworden, getuigen. Zelfsmonsieur Durandlaat af en toe naar me vragen en als moeder, die me al dien tijd alleen heeft opgepast, maar niet telkens zoo heen en weer sjouwde en ik niet zoo akelig veel bouillon, eieren en room te slikken kreeg, zou ik dezen toestand bepaald heel aangenaam vinden voor 'n poosje. Vooral omdat ik geen pijn heb en er van gevaar geen sprake is.

't Is niets dan bloedarmoede en slapte van zenuwen, die door rust en sterke voeding volkomen genezen zullen en door moeders goede zorgen al grootendeels genezen zijn.

„Hoe ik ook m'n best doe, ik kan maar niets aan je ontdekken”, plaagde de dokter me, zoo gauw ik wat begon bij te komen en onveranderlijk luidde zijn advies: „stil in bed blijven, eten en dik worden!”

Dat dikworden lokt me niet erg aan, maar ik zal er me wel in dienen te schikken, want ik schijn er met den dag welgedaner te gaan uitzien. Max en Flip vooral plagen me vreeselijk met deze „mestkuur” en voorspellen me, dat ik 'n ton zal worden als ik zoo doorga.

Gisteren, toen hij uit Leiden kwam, bracht Flip 'n kistje perziken voor me mee. Bovenop lag 'n uit 'n courant geknipte advertentie:

Gemeste Piepkuikens, panklaarà 30, 40 en 50 cent te bekomen bijJ. Welters te Groningen.

„Als je weer eens van die aardigheden hebt hou ik me aanbevolen, hoor,” zei ik inwendig grinnikend, maar mezelf dwingend tot zóó'n beleedigden toon, dat moeder wanhopig uitriep:

„Och, Flip, maak 't kind geen onzin wijs! Ze eet toch al zoo slecht de laatste dagen. Als Max en jij niet met die plagerijen ophouden, zal ze op 't laatst niets meer eten!”

Die goeie moeder! Ondanks m'n ziek-zijn ziet ze er toch wat beter uit en is er weer iets van haar oude vroolijkheid teruggekomen. Ze weet niet wat ze verzinnen zal, om 't me maar smakelijk en gezellig te maken, en terwille van haar alleen wil ik nog wel wat dikker worden. Als dat geëet me maar niet zoo tegenstond!

Ik heb 'n langen, hartelijken brief van Huib gehad en mevrouw van Slooten kwam me uit naam van haar drie zoons prachtige witte chrysanthen brengen. Ze is maar héél even bij me geweest, omdat ze niet tot de familie behoort, maar ze had Huib moeten beloven precies te schrijven, hoe 't met me ging en hoe ik er uitzag, dus wou ze zich liefst zelf komen overtuigen als 't mocht en ik haar ontvangen wilde.

Ik had er natuurlijk niets tegen, integendeel en verzocht veel dank en groeten aan de jongens en gaf haar voor Huib de boodschap mee, dat ik hem, zoo gauw de dokter 't goedvindt, schrijven zal. O, ik had 't wel dádelijk willen doen, zoo blij ben ik met z'n brief, waaruit ik nu toch wel degelijk zien kan, dat hij méér voor me voelt, dan 'n beetje vriendschap. Hij schijnt werkelijk erg ongerust over me geweest te zijn, dat merkte ik aan mevrouw. O, ik ben er zoo blij om! Nu ben ik tenminste niet voor niets ziek! Als hij met Kerstmis thuiskomt, zal ik stellig weer heelemaal beter zijn. Eind October is 't nu pas, dus nog bijna twee maanden. Wat 'n tijd nog!

Zou Bé vanmiddag niet komen? 'k Denk 't wel niet; 't is zulk leelijk weer. 't Waait en stortregent. Van uit m'n bed zie ik af en toe heele vluchten dorre blaren langs de vensters slieren. Meestal zit Bé 's middags bij me te naaien.

Ze wacht einde Maart 'n kindje en is al bezig met de luiermand in orde te brengen. Zoo gauw ik mag, ga ik 'n steekje meedoen. 't Is zoo'n gezellig werk, die kleine lakentjes en poppen-kleertjes!

Bé ziet er uitstekend uit en is zóó opgewekt, dat 't moeder en mij bepaald goed doet. Aad komt haar 's middags na kantoortijd meestal halen enis minstens even verrukt als Bé, want hun kindje zal 't eerste kleinkind in de familie van der Marck zijn.

Roosje, die me één keertje heeft mogen opzoeken, vindt 't erg gewichtig om tante te worden en is begonnen 'n zeer bewerkelijk jurkje voor 't kleine neefje of nichtje te borduren. Ik heb haar voorspeld, dat ze er wel niet mee klaar zal komen, want ik weet bij ondervinding, hoe zoo'n werk op den duur gaat vervelen. Toen Loekie komen moest, begon ik vol ijver aan 'n schortje en 't is nóg niet af, maar Roos heeft waarschijnlijk meer volharding. Bé plaagt me, dat ik dat schortje nu maar voor haar kind af moet maken, want dat iets heel nieuws toch niet meer klaar komt en ik zál 't doen, hoewel ik er eigenlijk niet veel lust in heb en veel liever aan iets anders zou beginnen.

De van der Marck's zijn zoo in-goedig voor me. Mevrouw laat telkens lekkere schoteltjes brengen en Wim heeft me de mooiste van z'n zelf grootgebrachte kanaries cadeau gedaan, maar die staat beneden, want z'n gezang zou me nog te veel vermoeien. Het beest heet: de „vliegende Biefstuk,” omdat 't zoo lang kaal bleef en zoo griezelig rood zag, toen Hans en Grietje en „Riket met de kuif” al mooi in de veeren zaten, maar hij heeft z'n schade ingehaald en is nu „der Herrlichste von allen,” zooalsRoos beweert, dus mag ik 't wel op prijs stellen, dat Wim hem aan mij heeft afgestaan.

Hè, wat is er 'n gepraat in de huiskamer! Ik hoor hierboven de stemmen zoemen. Wie van onze kennissen zou er roeping voelen door dit hondenweer naar mijn illustre gezondheid te komen vernemen? Iedereen weet, dat ik hollend vooruit ga de laatste week! 't Lijkt Max' stem wel, maar dat kàn niet, want Max is om dezen tijd nog op z'n kantoor. Half vier is 't net.

Daar komt iemand de trap op en 't portaal over....

't Is Max wél. Ik weet 't nu zeker. Wat zou hij hebben?

'n Haastig klopje op de deur:

„Mag ik binnenkomen, Piepkuiken?”

„Natuurlijk Max! Wat ben je vroeg vandaag! Kom aan m'n sponde,” noodig ik en dan zeer benieuwd of hij werkelijk iets bizonders te vertellen zal hebben:

„Wel is er iets?”

„Ja, iets goeds!” Max trekt 'n stoel bij, gaat zitten en strijkt met z'n hand over 't voorhoofd. Wat ziet hij er opgewonden uit! Ikpopelvan nieuwsgierigheid.

„Piepkuiken,” zegt hij en z'n stem trilt even, „ik kom je iets vertellen, waar je heel blij om zultzijn, net als wij allemaal, maar je moet me beloven rustig te blijven liggen. Ik—of liever gezegd m'n oom Charles de Weert, 't kamerlid—is er in geslaagd om Herman hier in Amsterdam 'n baantje te bezorgen, als ingenieur bij de spoorwegen. We zijn er al 'n poosje mee doende. Floor alleen wist er iets van af, want we waren veel te bang de familie met 'n dooie musch te verheugen, maar nu 't gelukt is, kunnen we Eef en Herman begin December al hier in Holland verwachten! Wat zeg je daarvan?”

Ik heb 'n paar seconden noodig om 't nieuws te verwerken. Eef en Herman voor goed terug uit Indië! Ik kan m'n ooren niet gelooven. Ik zit rechtop overeind van verrassing.

„O Max, Max, hoe heerlijk! Wat zegt Moeder er wel van?”

„Moeder is in de wolken. Ze is nog niet heelemaal bekomen van de verrassing, maar Floor is beneden bij haar.”

„En Flip, weet die 't al? Of was hij niet thuis?”

„Jazeker. Zoo gauw we 't telegram van Herman ontvingen, dat hij 't aannam, zijn Floor en ik er mee naar hier gekomen om alles aan moeder te vertellen. Flip was net op 't punt uit te gaan. 't Was meer geluk dan wijsheid, dat we hem nog aantroffen. Hij is 't dadelijk aan Bé gaan zeggen.Aad zal nog wel niet thuis zijn; Bé is met dat slechte weer waarschijnlijk niet uitgegaan. Maar ga jij eens gauw liggen, kleintje!”

„O nee, Max, láát me toch! Ik ben zoo blij, zoo blij!” Ik sla m'n armen om z'n hals en kus hem.

„Hoe is moeder toch wel? Toe, ga haar en Floor hier halen!”

„Ja, dat zal ik doen, als jij je nu maar rustig houdt. Denk er aan, dat je ziek bent,” plaagt Max heengaande om aan m'n wensch gehoor te geven.

Eef en Herman terug!! Ik zou zóó wel uit m'n bed willen vliegen, maar ik doe 't niet en ga stil liggen met m'n armen onder 't hoofd, tot moeder en Floor komen.

Floor ziet rood van opwinding, moeder huilt en lacht tegelijk.

„Kinderen, kinderen, dat ik dáár heelemaal niets van gemerkt heb! O, als vader dit had mogen beleven....”

'n Half uur later kwam Flip met Bé en Aad aanzetten. Flip had 'n flesch Champagne onder den arm, en op mijn slaapkamer, die er toch al zoo feestelijk uitzag met al die bloemen, werd gedronken op 't heuglijke feit, de eerste werkelijke vreugde sinds vaders dood.

Sintniklaas is gelukkig achter den rug.

We hebben 't natuurlijk niet gevierd; we deden er toch niet veel meer aan de laatste jaren. Alleen voor de kinderen, die hun schoentjes kwamen zetten, hadden we 'n paar verrassingen.

Ik ben weer heelemaal beter en sinds 'n paar weken in m'n oude doen. Ik kan weer tegen de dagelijksche vermoeienissen en mag uit door alle weer en wind. Toch let moeder er streng op, dat ik geregeld m'n melk drink en 's middags rust, hoewel ik met 't laatste nogal 't handje licht, omdat ik 't heusch overdreven vind. Ik voel me krachtig en opgewekt en ben blij, dat ik wat van m'n abnormale dikte ga verliezen, al zag ik er toch niet zóó vetgemest uit, als Max en Flip me voorspelden, dat ik wezen zou als ik weer eenmaal opkwam. 't Verheugt me wel, want zwaarlijvigheid vind ik zeer onaesthetisch.

We zijn druk bezig alles voor de komst van Eef en Herman en 't kleintje in orde te maken. Aan 't eind van de volgende week zullen ze hierzijn. Ze komen van Genua af over land, om de reis zooveel mogelijk te bekorten. Half Januari pas moet Herman te Amsterdam in functie treden, waar Max en Floor al 'n bovenhuisje voor hen gehuurd hebben; maar vooreerst nemen ze hier hun intrek, in 't oude lieve huis, waar ze zoo naar verlangen, zooals Eef schrijft. Nu, aan ruimte hebben we geen gebrek!

Mijn vroegere slaapkamer, die ze indertijd met Bé deelde, wordt de hunne en vaders studeerkamer zijn we voor Herman aan 't inrichten. 't Is zoo'n prettig werk en moeder en ik zijn onvermoeid.

Op de slaapkamer heb ik enkele dingen uit Eefs jongemeisjestijd bijeengebracht, waar ik weet dat ze aan gehecht is.

Haar oude toilettafel, die op de logeerkamer stond, den schommelstoel, waar ze altijd in zat te lezen en 't daarbij behoorende verschoten groen-damasten kussen, dat ik menigmaal met 'n stoeipartij naar m'n hoofd kreeg, benevens 'n klein houten klokje, dat vader eens voor haar meebracht uit Bern en dat geen mensch meer aan den gang kan krijgen. Al deze oude dingen, waar zij stellig zwak op heeft, heb ik er heen gesleept en boven 't afgedankte bedje van Loekie, dat Floor voor Eefje heeft laten brengen, heb ik zelfs'n verbleekte plaat gehangen uit 'n oudChristmas-numbervan „the London News”; die hing er vroeger ook.

Beneden in de huiskamer staat de wieg al klaar, ook 'n oude van Loekie, door Floor keurig opnieuw bekleed met lichtblauw satinet, en Liesje en Bobbie zijn in de gulheid huns harten 'n pop en 'n houten paardje voor 't kleine nichtje komen brengen en dwongen Loekie, die niets van de situatie begrijpt, 'n gekleurd elastieken balletje, waar hij zelf zoo aan verknocht is, af te staan „voor 't kindje van tante Eef.”

't Was om medelijden mee te krijgen, zoo'n bedroefd snuitje als hij zette, maar Floor vond 't wel goed, dat haar jongste zoon ook iets offerde, want Loekie is zeer van den behoudenden kant en weet zoo klein als hij is, 't altijd wel zóó te draaien, dat hij z'n eigen ikje nooit te kort doet.

Liesje is sinds September met nog 'n paar andere kleintjes van haar leeftijd aan 't fröbelen, en de juffrouw, die hun les geeft, is versteld over haar vlug begrip en haar snelle vorderingen in 't lezen en schrijven.

„Als ik zes jaar ben in April, wil ik alléén 't boek van „Ot en Sien” lezen,” zegt ze vastbesloten en als 't zoo doorgaat zal ze tegen dien tijd wel zoo ver zijn. Thuis en op straat, overalwaar ze maar kans ziet, staat ze te spellen en zich te oefenen. Max vindt dien ijver maar half goed. Hij is bang, dat ze haar kleine bolletje te veel zal inspannen en begint haar dadelijk af te leiden en wilde spelletjes met haar te doen, als hij haar bezig ziet met lezen of schrijven.

Laatst—Maartje was met 'n doode muis van den zolder komen aandragen—kwam Liesje naar me toe met haar lei, waarop ze met bibberige koeienletters had neergeschreven:de muis is doot.

„Niewaar tante,doodschrijf je toch:d oo t,” vroeg ze, terwijl ze me vol trots het geschrevene aanwees.

Tot m'n spijt moest ik antwoorden:

„Nee, dood is met 'nd. Je zegt immers ookdoodemuis!” Waarop ze heel ad rem weerlegde:

„Welnee, je zegt túúrlijk dooiemuis!”

Floor en ik keken elkaar aan en hadden moeite ons goed te houden.

De questie, „dood” schijnt Liesje anders wel erg bezig te houden tegenwoordig; niet alleen wat de spelling betreft, want toen moeder en ik verleden bij Max en Floor theedronken en ik Liesje naar bed bracht, op vereerend verzoek, vroeg ze, terwijl ik haar instopte met haar armpjes om m'n hals:

„Zeg, tante Piep, weet je nou zéker, dat Opa dood is en nooit meer bij ons terugkomt?”

En toen ik knikte, zei ze: „Ja, dat is erg naar, maar alles wat leeft, gaat dood en alles wat niet leeft gaat kapot!”

't Kwam er uit als 'n orakelspreuk. Ik schrikte er van en begon maar gauw over de nieuwe jurk van pop Dora om haar af te leiden.

Beneden verwekte haar gezegde nogal hilariteit toen ik er mee aankwam.

„'t Kind is wijzer dan ze zelf weet. Ze snapt de beteekenis van 'r eigen woorden niet,” hield Floor vol, maar Max schudde 't hoofd over z'n vroeg-wijze dochter.

„Als ze niet af en toe flink stout was, zou ik me werkelijk ongerust maken,” zei hij.

Maar daar is heusch geen reden voor, want 't kind ziet er zoo heerlijk gezond uit en is zooveel steviger geworden dezen zomer in Domburg, evenals de beide jongens. Ik ben erg benieuwd wat Eef en Herman van hen zeggen zullen.

Liesje was indertijd 'n groote lieveling van Herman en Eef sjouwde altijd met Bobbie, die nauwelijks loopen kon, toen Herman wegging. Loekie heeft hij niet meer gekend. Toen Eef trouwde, was Floors jongste pas enkele maanden oud.

't Wordt zoo langzamerhand 'n gezellig troepje, maar m'n tante-lijke plichten gaan er ook te zwaarder om wegen! Als in Maart Bé's kindje er bij komt, heeft moeder al vijf klein-kinderen!

In 'n ijverige bui heb ik 't schortje, dat ik ruim drie jaar geleden voor Loekie begon, voor den dag gehaald en werk er nu geregeld aan, want ik heb me vast voorgenomen, dat 't eerste van der Marckje er mee prijken zal!

Bé vraagt telkens: „Hoe staat 't met je gewrocht?” en is er lang niet zoo dankbaar voor als ik vind, dat me toekomt. 't Is 'n barbaarsch werk, al die schulpjes en gaatjes! 't Is waar, dat de eerstefraicheurer in den loop der tijden, wat is afgeraakt, maar als 't eenmaal klaar is en helder gewasschen, zal 't er wat aardig uitzien.

Mevrouw van Slooten, die er me aan zagborduren, vroeg tenminste, of Bé niet erg in haar schik zou zijn met dat „beeldige schortje!”

Ze begreep niet, dat ik daar geduld voor had en er nog tijd voor overhield bij al 't werk, datmonsieur Durandme opgeeft, want m'n Fransche lessen zijn in vollen gang.

Iederen Dinsdagmorgen ga ik er heen, en nu ik aan hem begin te wennen, vind ik wel, dat hij prettig les geeft. Ik voelde me de laatste keerenvolkomen op m'n gemak en vind hem iets minder schoolvosserig sinds ik gemerkt heb, hoe aandoenlijk lief hij is voor z'n ziekelijke vrouw en Juliette, z'n kleine, bleeke dochtertje, waar hij zoo vreeselijk trotsch op is.

Als ik naar haar vraag, komtmonsieur Durandheelemaal uit de plooi, maar 't kind zelf blijft nog even schuchter voor me, mompelt 'n bijna onverstaanbaar „bonjour”, terwijl ze me 'n trillend handje reikt en hòlt weg.

Toch, hoe ik m'n best ook doe om me iederen morgen, als ik zit te werken geheel bij m'ngrammaireen thema's te bepalen, tóch betrap ik er mezelf aanhoudend op, dat ik er overheen zit te droomen. Vooral de laatste week heb ik schandelijk weinig uitgevoerd. Aldoor moet ik aan andere dingen denken: aan het weerzien van Eef en Herman en aan kleine Eefje, die er op haar portretje al zoo wijs uitziet, enlast not least....aan Huib, die den 23sten thuiskomt, als Eef en Herman hier al wat op dreef zullen zijn.

Aan Huib denk ik 't meest. Eigenlijk denk ik den heelen dag aan hem. Zou hij ook aan mij denken.... naar me verlangen? O, ik geloof 't wel! Z'n laatste brief was zoo hartelijk en bezorgd. Hij heeft zóó over me in angst gezeten!

„Wees nu niet zoo onverstandig om te veel van je krachten te gaan vergen, als je zuster en zwager komen. Ik vind 't natuurlijk heel prettig voor jullie, maar denk er toch om, dat je pas ziek geweest bent en neem niet te veel hooi op je vork! Als 't je naderhand opbreekt, lever je je familie 'n leelijk koopje, in plaats van te helpen.

Op mijn schrijftafel staat je Parijsche lijstje met die kiek van je als bruidsmeisje. Als je niet zorgt, dat je bij mijn thuiskomst weer net zulke dikke wangen hebt als dáár, krijg je 't cadeautje niet, dat ik voor jou meebreng uit Hamburg, hoor meisje!”

Hoe dikwijls ik die regels heb overgelezen zou ik niet kunnen zeggen.... Dat is toch méér dan vriendschap.... O, ik hoop zoo vurig, dat 't met Kerstmis tusschen ons in orde zal komen.

Mevrouw van Slooten heeft moeder, Flip en mij en Eef en Herman met 't kleintje te dineeren gevraagd voor den eersten Kerstdag, heel intiem, en ik verheug er mij zóó op!

De van Slootens zijn zoo aardig voor ons; zulke hartelijke buren zullen we wel nooit meer krijgen. Bernard kwam vanavond nog, uit naam van z'n moeder, 'n tafelstoel brengen voor Eefje, als we dien gebruiken konden. Het was zoo'n practisch model, al was hij niet fraai, maar ze hadden erook alle drie ingezeten en bedaarde jongetjes waren ze niet geweest, getuigen de vele krassen!

Bernard bleef 'n beetje praten en onwillekeurig begonnen we dingen van vroeger op te halen:

Onze pic-nics in de dakgoot, de geheimzinnige verkleedpartijen en de groene-zeep-glijbaantjes, die we op zolder maakten en dien keer, dat we gerookt hadden, drie sigaretten met ons vieren! Toen we, bij gebrek aan verderen voorraad, opgerolde vloeitjes en stelen van narcissen tot sigaretten trachtten te promoveeren en 'n gat schroeiden in de splinternieuwe gordijnen van de logeerkamer, waar we ons verstopt hadden! Jongens, wat 'n pret hadden we toch, en dan die griezelige verhalen en spookgeschiedenissen, waarmee we elkaar zóó wisten op te beuren, dat we op 't laatst rillend en bevend met fluisterstemmen begonnen te spreken en bijna niet naar bed durfden!

Moeder genoot van die herinneringen.

„Ja, dat was 'n gelukkige tijd toen jullie klein waren!”

„Weet je nog wel, Lizzy, dat je eens huilend naar huis liep, omdat Léo je had wijsgemaakt, dat ouwe Trui „verborgen bokspooten” had?” vroeg Bernard.

Ik schaterde 't uit. Ja, ik wist 't nog heel goed. Léo kon me 't best bang maken. Die las op zeerjeugdigen leeftijd boeken als „Gösta Berling” die z'n fantazie zóó aanwakkerden, dat 't hem niets geen moeite kostte, de meest zonderlinge en angstwekkende histories te vertellen met 'n welsprekendheid, die ons—en mij vooral—deden ijzen en kippenvel aanjoegen.

Op 't laatst kwam 't gesprek nog even op Huib. Hij had geschreven, dat hij toch zóó naar huis verlangde! Den avond van den 23sten komt hij heel laat aan. Ik bloosde tot achter m'n ooren, maar Bernard merkte 't gelukkig niet, want ik keerde me om en begon gauw in den haard te poken, die op 't punt was uit te gaan. Moeder zag 't wel!....

Toen Bernard weg was, bleven we nog 'n poosje zitten. Ik bladerde wat in 'n nummer van de „Illustration” uit de portefeuille van 't leesgezelschap.....

„Kindje,” zei Moeder ineens, haar hand op de mijne leggend, „ben je blij dat Huib al zoo gauw komt? Verlang je naar 'm?”

En ze zag me zóó innig aan, dat ik voor 't eerst ronduit bekende:

„Ja, o ja, ik verlang vreeselijk naar Huib.”

„Sinds hij weg is, of hou je al lang van 'm?”

„O, al lang. Al zóó lang. Ik weet niet eens wanneer 't begonnen is. Ik geloof, dat ik altijd van 'mgehouden heb. Niet zooals nú. Niet zóó veel maar toch....”

„Dat dacht ik wel. Ik heb al lang vermoed, dat je van hem hieldt. Als hij nu ook maar zooveel van jou houdt, lief kind! Toe, laten we er samen over praten! Floor, Eef, Bé, allemaal hebben ze 't eerst bij mij hun hart uitgestort. Alleen 't Piepkuikentje heeft tot nog toe gezwegen. Denk je, dat Moeder te oud is om zoo iets met je mee te voelen?”

„Nee, nee, hoe kunt u dát denken, moesje! O zeg toch niet zulke vrééselijke dingen,” snikte ik. „Ik wil u zóó graag álles vertellen, maar ik kòn er niet eerder toe komen. O, als u eens wist wat ik al heb doorgemaakt!”.... en toen bij den doovenden haard met mijn hand in de hare, heb ik moeder alles eerlijk opgebiecht.

Mijn jaloezie op Annie Westenbergh, mijn blijdschap toen ik wist, dat 't heelemaal ten onrechte was en mijn schaamte over die leelijke gevoelens.. Niets verzweeg ik haar en moeder luisterde, heel haar lieve gezicht één belangstelling en meeleven in 't geen mij zoo ter harte ging.

't Was bij éénen toen we eindelijk naar boven gingen, maar ik voelde me onuitsprekelijk verlicht.

Moeder houdt zooveel van Huib! Ze houdt van alle jongens van Slooten, maar van Huib 't meest, omdat hij zoo eerlijk en eenvoudig is. Vader mochthem ook heel graag en moeder geloofde evenmin als ik, dat Huib me zoo hartelijk schrijven zou, als hij niet echt om me gaf, maar raadde me toch in m'n eigen belang aan, me niet al te veel illusies te maken. Zoo'n vriendschap uit de kinderjaren werd meestal op den duur wel iets anders, groeide heel dikwijls uit tot 'n mooier, dieper gevoel. Bij vader en haar was 't ook zoo gegaan....

Maar wij waren nog zoo jong! Vier-en-twintig en negentien! Huib was wel ernstig en nogal geposeerd voor z'n jaren, maar misschien dacht hij er nog niet over me nù al te vragen....

Ik geloof, dat moeder dat alles maar zei uit voorzichtigheid, maar ze kan natuurlijk gelijk hebben, al zou ik 't vreeselijk vinden nog langer in onzekerheid te moeten blijven.

O, dat ellendigeafwachten, dat toch 't eenige was, wat me overbleef. Dat zag ik zelf duidelijk in! Maar wat zou er tegen zijn, als we 'n paar jaar geëngageerd bleven, net als Bé en Aad? Dat begon nog veel vroeger! Dát waren nog kinderen!

We gingen er verder niet op door. 't Gaf niets of we er al over redeneerden. Moeder noch ik konden er iets aan doen....

Maar ik nam me vast voor: niemand danmoeder zal iets van de spanning, waarin ik verkeer bemerken. Daarvoor ben ik te trotsch.

„Ich bin's gewohnt, den Kopf recht hoch zu tragen!” Hoe dikwijls had ik dat Huib zelf niet hooren aanhalen!

Doch ineens schoot me 'n ander Heine-vers te binnen!

Sie liebten sich Beide, doch KeinerWollt'es dem Andern gestehn;Sie sahen sich an so feindlichUnd wollten vor Liebe vergehn....

Sie liebten sich Beide, doch KeinerWollt'es dem Andern gestehn;Sie sahen sich an so feindlichUnd wollten vor Liebe vergehn....

Sie liebten sich Beide, doch Keiner

Wollt'es dem Andern gestehn;

Sie sahen sich an so feindlich

Und wollten vor Liebe vergehn....

Toen moest ik even lachen.Vijandighadden we elkaar toch nog nooit aangezien!

En dan die laatste brief! Neen, ik hoopte hartelijk en durfde ook wel de veronderstelling wagen, dat 't met ons beter zal afloopen, dan met die twee rampzalige gelieven, waarvan 't versje verder vermeldt:

Sie trennten sich endlich und sahn sichNur noch zuweilen im Traum;Sie waren schon längst gestorbenUnd wuszten es selber kaum.

Sie trennten sich endlich und sahn sichNur noch zuweilen im Traum;Sie waren schon längst gestorbenUnd wuszten es selber kaum.

Sie trennten sich endlich und sahn sich

Nur noch zuweilen im Traum;

Sie waren schon längst gestorben

Und wuszten es selber kaum.

Bij mezelf herhaalde ik deze regels en lag nog lang in 't donker te staren, terwijl moeder naast me al rustig sliep.

Ze zijn er, Eef en Herman en kleine Eefje!

Al 'n heele week!

We zijn weer aan elkaar gewend en kunnen nu rustig van elkanders bijzijn genieten. O, die heerlijke avonden, als alle zusters en zwagers mee in den kring om den haard zitten; moeder tusschen Eef en Herman in!

Dan praten we over „den goeden ouden tijd” en over vader, dien we zóó missen. Wat zouden we er niet voor geven als hij dit nog beleefd had....

Maar ondanks die ééne ledige plaats is er groote blijdschap om den terugkeer van „onze Indianen” zooals Flip zegt.

Nooit zal ik vergeten dat oogenblik van aankomst!

Alleen Max ging hen van den trein halen, die 's avonds tegen negenen uit Parijs hier aankwam.

Moeder was zichzelf niet van zenuwachtigheid en draafde met Floor en Bé maar af en aan om de tafel in de huiskamer, waar 'n souper was klaargezet, waaraan op 't laatste oogenblik nog van alles bleek te ontbreken. Flip en Aad stonden den wijn te ontkurken en ik gilde net uit de keuken:

„O, de pasteitjes zullen verbranden. Help toch!” toen we wielen over 't grint hoorden aanratelen en na 'n harden belruk Eef, voordat 't rijtuig nog goed en wel stilstond, de gang instormde en snikkend moeder om den hals viel.

Herman met 't slapende kindje op den arm volgde, en niet voor 't kleintje wakker werd en begon te huilen, kwamen we eenigszins tot ons zelf.

De schok van 't weerzien greep ons bijna net zoo hevig aan, als 't oogenblik van afscheid; maar 't afscheid was 't begin van 'n groot verdriet, en 't weerzien 'n vreugde, zóó groot, als we zonder vader maar bij mogelijkheid voelen konden.

„Ik kan niet zeggen hoe zalig 't is om weer thuis te zijn! Ik kán 't niet op!” riep Eef maar, nu den een dan den ander omhelzend, terwijl moeder Eefje op schoot hield, en Herman de kamers rondliep en er zich over verheugde, dat alles er nog bijna eender uitzag als in den tijd van hun verloving.

„Vrouwtje, kijk toch 's, daar staat warempel op 't buffet dat groene gemberpotje met van diezelfde gele chrysanthen er in, als op den middag dat ik je officieel kwam vragen!”

„Ja! O, ik zie 't je nog omgooien in je agitatie toen ik binnenkwam! Al 't water liep in je manchet,” lachte Eef en toen tot ons: „hebben jullie 't daar expres neergezet of is 't toeval?”

„Nee, geen toeval. Ik deed 't,” glimlachte moeder, „en bij deze doe ik 't jullie cadeau. Ik had niet gedacht, dat je 't zóó gauw zoudt opmerken, maar dat jullie er zwak op zoudt hebben, dát wist ik wel.”

Eef en Herman aanvaardden het dankbaar en 't bewuste gemberpotje prijkt nu op Herman's kamer en krijgt natuurlijk 'n eereplaats in hun Amsterdamsche huisje.

Herman ziet er tamelijk gezond uit en beweert door de zeereis heelemaal te zijn opgeknapt. De dokter zegt dan ook, dat hij van z'n malaria zoo goed als genezen is en wel gauw zal zijn aangesterkt.

Eef is 't meest veranderd. Haar frissche wangen zijn bleek en mager geworden; ook is ze stiller dan vroeger, maar af en toe komt de oude Eef toch weer boven! Dan schitteren haar oogen van plaaglust en verkondigt ze de malste dingen.

„En wat zeggen jullie nou van m'n botergele dochter; zij kan niet helpen, dat ze geen roze wangetjes heeft, zooals Hollandsche kindertjes, maar heeft ze geen lief snoetje? Ze is wat minnetjes hè, voor 'r tien maandjes, maar dat zal wel bijkomen hier. Vooruit, ga maar naar oom Flip,” en dan wordt Eefje aan Flip overgedaan, die veel doodelijker is van dit kleine, bleeke kindje, dan hij ooit van een van Floors kinderen was. Telkens haalt hij 't stilletjes uit de wieg, tot verontwaardiging van groote Eef.

't Is ook 'n dotje ondanks haar „botergele” gezichtje. Ze heeft groote, bruine oogen, net als haar vader, en zacht, goudblond haar, dat aan de tipjes,gaat krullen en zoo aandoenlijk zoet is ze! Ze huilt bijna niet en is in 't geheel niet verlegen voor al die vreemde menschen, die haar komen bekijken.

Gelukkig beginnen de bezoeken nu 'n beetje te luwen. De bel stond niet stil de eerste dagen.

„Wat 'n gedoe voor zulke eenvoudige zielen als wij,” zei Herman hoofdschuddend na dien eersten visite-dag, maar hij vond 't toch wel aardig net als Eef.

Hij heeft zelf bijna geen familie hier in Holland. Zijn ouders zijn al jaren dood en van zijn twee broers is er een in Transvaal en de ander in Amerika. 't Gezellige van 'n grooten familiekring heeft hij eigenlijk nooit gekend, dus stelt hij 't zijn hier in huis zeer op prijs, en hoewel hij ons maar enkele maanden gekend heeft vóór z'n vertrek naar Indië, voelen we ons allen even goed met hem op dreef.

De kinderen van Floor zijn dol op „oom Her,” die zoo leuk vertellen kan. Ze zijn niet van hem af te slaan, nu hij 'n poppenhuis voor hen getimmerd heeft, dat zóó groot is, dat ze er alle drie tegelijk mee spelen kunnen!

Eefje is met gejuich in hun kringetje opgenomen en Liesje moedert zóó handig over 't kleine ding, als 't zoet tusschen hen in op den grond zit tespelen, dat Eef beweert heusch geen kindermeid noodig te hebben, als Liesje er bij is.

„Als ik in Amsterdam op orde ben, moet je maar bij tante Eef komen logeeren. Dan gaan we samen naar Artis. Wil je dat wel,” vroeg Eef haar eens, maar Liesje ontweek heel handig:

„'k Zal nog 's zien. Zie je, ik denk niet, dat Paats en Moekie goed zullen vinden, dat ik niet na' de les ga, want dat kan dan tuurlijk niet en dan komen de andere kinderen me vóór,” en toen keek ze met 'n schuin oogje naar haar moeder.

Eefje is heel lief, maar om Paats en Moekie in den steek te laten, daar heeft Liesje geen lust in!

Bobbie, goedzak als hij is, komt met al z'n speelgoed aangesjouwd en zelfs den olifant-op-wieltjes zou hij aan Eefje afstaan.

Laatst had hij in 'n kleverig papiertje twee flikjes bewaard, die hij Eef kwam overhandigen met de boodschap: „Voor Eefje as ze zoet geslaapt heeft!”

Loekie vond 't eerst niet goed; dat er zooveel notitie van Eefje genomen werd, en als ze eens huilde, zette hij van den weeromstuit ook 'n keel op.

Nu is hij er overheen; alleen komt hij af en toe naar de groote menschen gedribbeld om met 'n smeekend stemmetje te vragen:„Loetie is toch oot wel lief?”

En als hij dan even aangehaald wordt, is hij tevreden.

Eef en Herman zijn druk bezig aankoopen voor hun huishoudentje te doen en al 'n paar maal op en neer naar Amsterdam geweest, waar Herman telkens zijn moet met 't oog op z'n nieuwe betrekking.

't Is maar goed, datmonsieur Durandtot vijf Januari vacantie houdt, want kleine Eef neemt vooral door dit reizen en trekken zóóveel van m'n tijd in beslag, dat ik tot werken niet veel gelegenheid zou hebben, als m'n lessen geregeld doorgingen en dan zou ik er nu m'n hoofd in 't geheel niet bij kunnen houden, want.... Huib is terug! Gisteren avond kwam hij thuis en ik heb hem vanmorgen gezien en gesproken, al was 't maar heel even!

Ik liep in den tuin, met Eefje goed ingepakt op m'n arm. Er scheen net 'n bleek zonnetje en ik had er zoo'n voorgevoel van, dat Huib me wel zien zou, als ik er op en neer liep. Ik deed 't dus eigenlijk met opzet, maar toch schrikte ik, toen ik hem voor 't raam van z'n kamer zag staan en hij tegen me begon te wuiven.

Ik wuifde, zoo goed en zoo kwaad als 't ging terug met 'n slip van den wollen doek, waarin Eefje gepakt zat, en toen schoof hij 't raam op en riep:

„Bonjour, Lizzy, hoe gaat 't? Wacht even, dan kom ik beneden! Dan maken we vast 'n praatje over 't hekje.”

„Goed, dan kan je meteen Eefs kind bewonderen,” riep ik terug, en in minder dan geen tijd stonden we van aangezicht tot aangezicht en had de kennismaking plaats tusschen Huib en Eefje, die vriendelijk tegen hem kraaide en 'n handje gaf, één van haar laatste kunstjes.

„'t Beviel je daarginds uitstekend hè, tenminste zoo naar je brieven te oordeelen,” zei ik, Eefje op m'n anderen arm overnemend.

„O ja; Hamburg is 'n pracht-stad en ik heb er enkele goeie vrienden gemaakt, maar toch ben ik liever thuis op den duur. Zeg, je ziet er welvarend uit, hoor! Ik kan heusch niet aan je zien, dat je zoo ziek geweest bent! Ben je nu héélemaal weer beter?”

't Klonk zoo bezorgd en hij zag me aan op 'n manier, die m'n hart deed bonsen en 't bloed naar m'n wangen joeg.

„Zóó ziek ben 'k niet geweest. 't Was alleen wat bloedarmoede en overspanning. 'k Ben al lang weer in m'n gewone doen,” zei ik, me zooveel mogelijk achter Eefje verschuilend.

„Arm kind. Jullie hebt ook zoo'n zware tijd gehad. Heerlijk, dat je zwager en zuster weer hierzijn en dit kleine, wijze diertje! Toe, geef 'r eens hier, of gaat ze dan huilen?”

„'k Denk 't niet. Ze is nogal veel in vreemde handen. Een, twee, drie, daar gaat ze! Zoo, hou die wollen doek goed om haar heen, anders krijgt ze 't koud,” en Huib nam Eefje handig van me over.

Ze vond 't blijkbaar 'n heerlijk grapje, want ze gierde 't uit van pret.

Daar gingen de serre-deuren open, en Eef met haar oude onstuimigheid kwam naar buiten en verstoorde ons tête à tête.

„Zeg, Huib, wil jij wel 's van m'n dochter afblijven,” riep ze lachend.

„O, pardon, mevrouw Roelofs. Hoe gaat 't u?” zei Huib ineens plechtig,en z'ngezicht werd purper. Onbeholpen als 'n verlegen schooljongen, stond hij daar met Eefje in z'n armen. Ik zag hem nog nooit zóó verlegen.

Eef en ik schaterden 't uit.

„Huib, Huib, dat is te gek! Mevrouw Roelofs! Noem me alsjeblieft onmiddellijk weer Eef, net als vroeger, of vind-je dat ik er te oud uitzie? We verschillen anders als 'k me goed herinner maar één jaartje!”

„Dat weet ik wel. Je bent nog precies dezelfde en ik wil heel graag weer Eef zeggen. Mag ik je 's gauw 'n deftige visite komen maken?”

„Dat mag je, als je me nu gauw m'n kind teruggeeft.”

„Nee, dat gaat eerst mee naar m'n moeder, dan breng ik 'r straks netjes door de voordeur weer binnen, of heb je werkelijk liever niet, dat ik 'r even meeneem?”

„Wel, ga je gang maar. Ze vindt 't heel geschikt bij jou,” en Huib holde met 't kind, dat 't uitschaterde van pret, 't huis in, om 't na verloop van enkele minuten zorgvuldig ingebakerd terug te brengen.

Eef, totaal onbewust van 't teere punt, dat ze aanroerde, was erg uit over Huib.

„'t Is zoo'n mán geworden, en wat heeft hij 'n prettig gezicht en wat beweegt hij zich goed! Leuk trio die drie lange, blonde jongens, maar Huib vind 'k toch 't sympathiekst,” zei ze, Eefje die slaperig werd in de wieg leggend.

Moeder en ik wisselen 'n snellen blik van verstandhouding en lachten tegen elkaar......


Back to IndexNext