The Project Gutenberg eBook ofPiepkuikentjeThis ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online atwww.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.Title: PiepkuikentjeAuthor: Anna Christina Helena Hubert van BeusekomRelease date: March 4, 2013 [eBook #42262]Most recently updated: October 23, 2024Language: DutchCredits: Produced by The Online Distributed Proofreading Team athttp://www.pgdp.net*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK PIEPKUIKENTJE ***
This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online atwww.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.
Title: PiepkuikentjeAuthor: Anna Christina Helena Hubert van BeusekomRelease date: March 4, 2013 [eBook #42262]Most recently updated: October 23, 2024Language: DutchCredits: Produced by The Online Distributed Proofreading Team athttp://www.pgdp.net
Title: Piepkuikentje
Author: Anna Christina Helena Hubert van Beusekom
Author: Anna Christina Helena Hubert van Beusekom
Release date: March 4, 2013 [eBook #42262]Most recently updated: October 23, 2024
Language: Dutch
Credits: Produced by The Online Distributed Proofreading Team athttp://www.pgdp.net
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK PIEPKUIKENTJE ***
Opmerkingen van de bewerkerDe tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren.Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld.Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn gecorrigeerd; deze zijn voorzien van eendunne rode stippellijn, waarbij de Brontekst via een zwevende pop-up beschikbaar is.Variaties in spelling (met/zonder accent, met/zonder koppelteken, met/zonder spatie, met/zonder superscript) zijn behouden.Een overzicht van de aangebrachte correcties is te vinden aanhet eind van dit bestand.
De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren.
Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld.
Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn gecorrigeerd; deze zijn voorzien van eendunne rode stippellijn, waarbij de Brontekst via een zwevende pop-up beschikbaar is.Variaties in spelling (met/zonder accent, met/zonder koppelteken, met/zonder spatie, met/zonder superscript) zijn behouden.
Een overzicht van de aangebrachte correcties is te vinden aanhet eind van dit bestand.
Van dezelfde schrijfster:„TANTE LOESJE”,ingenaaidf 1.90, gebondenf 2.50
Van dezelfde schrijfster:
„TANTE LOESJE”,
ingenaaidf 1.90, gebondenf 2.50
PIEPKUIKENTJE
PIEPKUIKENTJE
PIEPKUIKENTJEDOORANNA HUBERT VAN BEUSEKOMUITGEVERS MAATSCHAPPIJ ELSEVIERAMSTERDAMUITGEVERS-MAATSCHAPPY „ELSEVIER”1909
DOOR
ANNA HUBERT VAN BEUSEKOM
UITGEVERS MAATSCHAPPIJ ELSEVIER
AMSTERDAMUITGEVERS-MAATSCHAPPY „ELSEVIER”1909
Aan mijn jongste zuster.
Aan mijn jongste zuster.
„Zoo Maartje, is de familie thuis?”
„Ja zeker, juffrouw Lizzy. Gaat u maar naar de serre.”
„Zijn de kinderen al naar bed?”
„O jé ja, juffrouw. Doe u uw goed niet af?”
„Nee, ik kom maar eventjes.”
Maartje verdwijnt naar de keuken en ik treed na 'n zacht klopje de huiskamer in, waar volslagen duisternis heerscht. Max en Floor, die in de aangrenzende serre allergenoeglijkst bij hun roode lampje zitten te schemeren, merken niets van mijn aanwezigheid.
't Is 'n warme Aprilavond, zoo zacht en zoel of 't al zomer was. De glazen deuren staan open en uit 't tuintje stroomt 'n flauwe hyacinthengeur naar binnen. 't Theewater zingt 'n lijzig liedje. Ze zeggen geen van beiden 'n woord.
Floor—ze is de oudste van ons vijven en werd indertijd „'t mooie meisje Beumer” genoemd—zit achter 't theeblad, dat op 't lage eikenhouten tafeltje gereed staat. Haar fijn profieltje met 'tgrappige wipneusje teekent zich nog vrij scherp af tegen den lichteren achtergrond. Van Max zie ik enkel 't stukje schouder en rug; hij verdwijnt bijna geheel in de schaduw van 'n grooten palm.
„Hm... hú-ùm,” kuch ik.
Nu kijken ze beiden op. Floor springt half overeind in haar rieten stoeltje met 'n:
„Hè kind, wat laat je ons schrikken!”
En Max' basstem valt in:
„Zoo, zoo Piepkuikentje, sluip jij daar zoo nihilistisch binnen!”
„Als je zoo flauw bent om me Piepkuikentje te noemen en dus wéér vergeet wat je me pas op m'n negentienden verjaardag zoo plechtig beloofd hebt, ga ik onmiddellijk naar huis en laat jullie doodeenvoudig Eef's brief niet lezen.”
„Wat, 'n brief uit Indië? Gauw, geef hier! Goeie tijding?”
„Gaat alles naar wensch met de baby?”
Floor gunt me nauwelijks tijd om me den brief uit mijn mantelzak te laten hijschen, zóó benieuwd is ze naar berichten van Eef, de zuster, die op haar volgt en die nu ruim anderhalf jaar geleden trouwde en naar Indië ging.
„O ja, alles is uitstekend. 't Kleintje groeit als kool. Moeder heeft thuis 't kiekje, dat Herman van de twee Eva's gemaakt heeft. Ze wou 't nietmeegeven. Je moest er zelf maar naar komen kijken, maar om je de waarheid te zeggen, je zult er niet veel aan zien. Groote Eef lijkt goed, maar van de kleine zie je ongeveer niets.”
„Hè, jammer,” zegt Floor. Dan neemt de brief haar totaal in beslag, want Max heeft 't licht in de huiskamer aangestoken en onverwijld vallen ze op de dichtbeschreven velletjes mailpapier aan.
Ik ben moe van 't loopen en 't boodschappen doen van vanmiddag en trek me zoolang in de serre terug, waar ik me lekkertjes in Max' schommelstoel neerlaat. Er wordt toch niet de minste notitie van me genomen.
Floor zit op de leuning van den roodleeren fauteuil met haar blonde hoofd vlak onder de lamp, terwijl Max over haar schouder heen meeleest.
't Is zoo'n leuk paartje. Max is zoo heelemaal onze oudste broer, vaderlijk en tegelijk jongensachtig, in spijt van zijn baardje, waarmee we hem zoo geplaagd hebben, maar dat hij tóch laat staan van wege 't geposeerde!! Floor ziet er nog uit als een jongmeisje, heelemaal niet als 'n moeder van drie kinderen.
Liesje, hun oudste dochtertje—'t petekind van moeder en mij—is al 'n bijdehand krullebolletje van vijf en Bobbie en Loekie zijn vier en twee jaar.
Ik ben dol op mijn nichtje en neefjes en vind 't meer dan ellendig, dat ik zoo goed als niets aan mijn tante-schap over kleine Eefje zal hebben, want Eef en Herman zullen de eerste jaren wel niet naar Holland komen. Gelukkig dat Max en Floor me zoo bij hun troepje vertrouwen en dat—ik kan 't met de hand op m'n hart getuigen—de kinderen bizonder op me gesteld zijn, want voor mij, arm Piepkuikentje, opent zich vooreerst 't niet zeer rooskleurige verschiet van alleen met de oudertjes in 't eens zoo vroolijke, drukke nest te zullen achterblijven.
Bé, mijn drie jaar oudere zuster zal in 't begin van de volgende maand de bruid zijn en Flip, onze eenige broer, met wien ik maar één jaar verschil, studeert te Leiden in de rechten.
Bé is een goed, lief kind, maar ik zou meer aan haar gehad hebben als Aad van der Marck, mijn aanstaande zwager, haar niet van de schoolbanken af 't hof gemaakt had, zoodat haar hoofd en hart meestal te zeer van „hem” vervuld waren om veel te voelen voor de kinderachtigheden, die Flip en ik uithaalden, want lieve deugd, wat wij samen met onze buurjongens al niet hebben uitgespookt! Kale boodschappen doen, belletje trekken en centje tikkelen waren onze liefste bezigheden, om niet te spreken van den brand, dien we eens opzolder stichtten toen we er vuurwerk afstaken en van de tallooze plagerijen, die Trui, onze oude, brommige keukenmeid, zich moest laten welgevallen. Ook Bé heeft veel van ons te verduren gehad. Wat konden Flip en ik haar onbarmhartig voor den gek houden, als Aad niet afliet ontelbare malen langs onze villa te fietsen en smachtende blikken naar binnen wierp, en wat 'n flauwe rijmpjes maakten we dan! Een er van zongen we tweestemmig:
Kijk wie fietst daar door 't Park?'t Is de jongling van der Marck!Bij de Beumers kijkt hij binnenOm zijn Béetje te beminnen.Kom je vroeg of kom je spadeIederen dag is 't daar parade.
Kijk wie fietst daar door 't Park?'t Is de jongling van der Marck!Bij de Beumers kijkt hij binnenOm zijn Béetje te beminnen.Kom je vroeg of kom je spadeIederen dag is 't daar parade.
Kijk wie fietst daar door 't Park?
't Is de jongling van der Marck!
Bij de Beumers kijkt hij binnen
Om zijn Béetje te beminnen.
Kom je vroeg of kom je spade
Iederen dag is 't daar parade.
Dan kreeg Bé 'n groote kleur, haalde haar schouders op en deed net of 't haar niets schelen kon, maar heel prettig kan ze 't toch niet gevonden hebben. Wáárom we 't deden wisten we eigenlijk zelf niet. 't Was alleen uit behoefte onzen plaaglust bot te vieren en daarvoor zijn verliefde menschen altijd 'n dankbaar element. We mogen Aad nu allemaal even graag en ik zou werkelijk niet weten wat ik tegen hem zou kunnen hebben, al houd ik voor mij 't allermeest van zwager Max. Maar dat komt omdat die de oudste rechten heeft en „'t Piepkuikentje,”—de kinderen zeggen„tante Piep”—eigenlijk schandelijk verwent, al heb ik dien gehaten bijnaam ook aan hem te danken.
Herman Roelofs, mijn Indischen zwager, kennen we betrekkelijk weinig en Eef's engagement nu drie jaar geleden, viel als een donderslag uit de lucht. Ze logeerde in Arnhem bij 'n vriendin en kwam onverwachts zeer opgewonden met „'t nieuws” naar huis. Nu, op den donderslag volgde 'n flink onweer. Iedereen was woedend. Onze vroolijke, drukke Eef naar Indië.... 't Kon en 't mocht niet!
Maar jawel, vader en moeder en de anderen hadden goed praten en Flip en ik—de kleintjes wier opinie absoluut niet in aanmerking kwam—konden in machtelooze razernij tegen 't onbekende monster onze vuisten ballen; toen Herman kwam sloegen onze meeningen één voor één om als bladeren aan 'n boom. Wij waren dadelijk ingepakt door z'n aardige gezicht en prettige manieren.
„'t Lijkt toch wel 'n geschikte jongen,” hoorde ik vader tegen moeder zeggen na de allereerste kennismaking, en ik vlóóg naar Eef, die op haar slaapkamer 'n deuntje zat te huilen, bracht haar 't goede nieuws over, waarvoor ik half gesmoord werd in 'n omhelzing en veertien dagen later was 't zaakje in orde.
Na 'n half jaar ging Herman naar Indië en 'n jaar later is Eef hem gevolgd. Tot nog toe gaat 't hun bizonder goed. Ze wonen dicht bij Soerabaja, waar Herman 'n goede betrekking als ingenieur bij de spoorwegen heeft, maar dit alles neemt niet weg, dat vaders haar, enkele maanden na Eefs vertrek, spierwit was en dat we moeder nooit meer door 't huis hooren zingen, zooals ze vroeger deed......
'k Ben vooral voor de oudertjes blij, dat Bé vlak in de buurt blijft. Wij zijn nog van die ouderwetsche menschen, die met 'n stevigen familieband aan elkaar verbonden zijn en elkaar noodig blijven hebben in alle levensomstandigheden.
„Ziezoo, wij zijn klaar. Gezellig schrijft die Eef!”
Floor wipt van de stoelleuning, vouwt den brief op en reikt hem mij weer over, opdat ik hem straks aan moeder terug kan geven, die al Eefs brieven op volgorde bewaart.
„Ik vind die correspondentie altijd vermakelijk. Je kunt je alles zoo goed voorstellen, zooals Eef 't beschrijft,” prijst Max, „'t is werkelijk 'n gave als je de dingen zoo goed”......
Maar midden in z'n lofzang blijft hij steken, want boven onze hoofden weerklinkt 'n dof gestommel,gevolgd door zóó'n erbarmelijk gehuil als 'n kinderkeel maar met mogelijkheid kan voortbrengen.
Ik spring uit den schommelstoel, Max gooit de krant, die hij net heeft opgenomen neer, Floor zet met 'n plof 't steenen trekpotje op 't theeblad en snelt onder den kreet: „Bobbie!” naar boven, onmiddellijk gevolgd door Max en mij.
't Blijkt dat de arme Bobbie uit bed gevallen is, eigenlijk meer gegléden dan gevallen, zoodat hij zich geen pijn gedaan heeft, maar hij is erg geschrikt en vindt 't noodig nog zachtjes door te snikken, terwijl Floor op haar eigen bed gezeten, hem op schoot houdt en bedarend over z'n blonde kopje strijkt.
Doddig, dik kereltje zooals hij daar zit met z'n bloote beentjes en z'n slaaproode, bolle wangetjes, waarlangs groote tranen biggelen! Hij is zoo'n heerlijk gezond kind en zoo goedig. Enkele dagen geleden was hij in-gelukkig toen Loekie zijn bedje kreeg en hij in 'n „echt goote kinnere bed” mocht slapen.
„En hoe kwam dat nou, jou kleine, domme vent?” vraagt Max met 'n bloot voetje in z'n groote, bruine handen.
„Weet niet,” zegt Bobbie met 'n snikje, maar dan trek ik 'n gezicht tegen hem, waar hij altijdvreeselijk om lachen moet en dat ook nu zijn uitwerking niet mist.
Hij schatert 't ineens uit door z'n tranen heen en roept enthousiast:„Nog is, nog is! Nog één keertje, tante Piep! Toe!”
En ik blaas m'n wangen op en rol met m'n oogen, tot Max en Floor me allebei smeeken er mee uit te scheiden. Dan tilt Max onder dankbetuiging z'n opgedroogden zoon van Floor's schoot en draagt hem in triomf naar 't lage, ijzeren ledikantje, waar de plotseling vervaarlijk knikkebollende Bobbie met de vermaning: „En nu gauw slapen, hoor baasje,” wordt ondergebracht.
Floor en ik inspecteeren intusschen 't bedje in den anderen hoek van de kamer, waarin Loekie rustig door alles heen slaapt. 't Kleine ventje ligt er bijna heelemaal onder, niets dan 'n pikzwart kuifje komt boven dek.
„Och wat is-t-ie warm,” fluistert Floor met teedere hand de lakentjes gladstrijkend.
't Donkere kopje op 't kussen beweegt even; dan slaapt hij rustig verder.
„Wat lijkt hij op Max,” zeg ik, terwijl we door de openstaande deur 't kabinetje binnengaan, waar Liesje alleen slaapt.
„Ja hè,” zegt Floor verrukt.
Tot onze groote verwondering zit Liesje klaarwakker rechtop in bed.
„Zoo Moekie en tante Piep zijn jullie daar eindelijk! 'k Ben túúrlijk al lang wakker, omdat Bobbie zoo huilde, maar ik ben zoet in bed gebleven toen ik jullie hoorde. Wat was er toch?”
„O Bobbie is uit bed gevallen, maar nu slaapt hij al weer.”
„En waar is Paats?”
„Nog even bij Bobbie om hem onder te dekken. Zoo-met-een zal hij wel bij je komen.”
„O.” Liesjes groote blauwe oogen zien ons helder en verstandig aan en de twee kleine, krullige vlechtjes steken grappig aan weerzijden van haar hoofdje uit.
„Zal tante Piep je nou 's lekker onderdekken?” bied ik aan.
„Nee, moet Paats doen,” klinkt 't beslist. „Wacht 's even kijken of pop Dora slaapt,” en ze buigt zich uit bed om in de poppenwieg te kijken.
„Hè foei, je mag niet op je duimpje zuigen. Dat is vies. Daar wor-je nou te groot voor. Als je 't weer doet, schrijf ik an Sintniklaas. Warempeltjes ik dòe 't hoor. Nee, niet huilen en gauw slapen,” vermaant Liesje haar poppenkind. Dan doet ze zorgvuldig de gordijntjes weer dicht en met 'n hoog-ernstig gezichtje vervolgt ze tot ons:
„Lástig dat die kinderen zijn! Ze doen nóóit wat je zegt.”
Max' hoofd verschijnt om de deur.
„Zoo, doe jij dan maar 's gauw wat ik zeg en ga liggen, dan zal ik je 's lekker instoppen.”
„Goed, maar eerst 'n kus van Moekie en Tante,” conditionneert Liesje.
Daarna laat ze zich door Paats, waar ze doodelijk van is, gedwee knuffelen en onderdekken.
Ik blijf beneden nog even 'n kopje thee drinken en trek dan af, 'n klein eindje door Max en Floor begeleid, die beiden blootshoofds—Floor op Max' dringend verzoek enkel met Bobbie's cape om—meeloopen tot 't einde van de straat.
„Kannst unbegleitet nach Hause gehn, hè Piepkuiken?”
„Natuurlijk Max, ik ben geen kind meer, al schijn je me maar niet behoorlijk „Lizzy” te kunnen noemen.”
„Nu dag Lizzy, dan.M'n zegen, hoor.”
„En de mijne,” roept Floor en wuift me na terwijl ze gearmd samen wegwandelen.
't Is maar 'n kippeneindje van mijn zwager de Weert naar ons huis. In vijf minuten ben ik er.
Flip doet open.
„Zoo ouwe jongen, ben je weer over?”
„Zooals je ziet. Ik kreeg 't ineens in m'n bol, dat ik deze week wel thuis kon komen werken.” Ik hang mijn goed aan den kapstok en vraag:
„Alleen werken of?....”
„Nou ja, we gaan minstens één dagje samen fietsen met dat mooie weer. Dat snap je, hè.”
„Ha,” zeg ik. 'n Goeierd is die Flip toch! Als belooning geef ik hem 'n tik op z'n schouder, maar hij vat 't op als 't sein tot 'n stoeipartij en grijpt me bij m'n polsen. Ik ruk me los, ren de trappen naar 'tsousterrainaf en vlucht den tuin in. Hij me achterna; de kiezels vliegen naar alle kanten, tot wij bij 't schuurtje tegen elkaar aanbonsen en schaterend door de open serredeur de huiskamer intollen, waar vader en moeder zitten te lezen.
„Kinderen, kinderen,” berispt vader over z'n krant heen, maar moeder lacht glunder:
„Och man, laat ze maar.”
Maar we kùnnen geen van beiden meer en ploffen ieder ademloos op 'n stoel. Blazend steek ik m'n losgesprongen haren vast.
„Waar is Bé? Met Aad uit?” vraag ik zoo gauw ik eenigszins tot bedaren kom.
„Ja, ze zijn samen naar 't huisje. 't Kleed voor de eetkamer was gekomen en ze moesten natuurlijk even gaan zien hoe dat stond.”
„'k Ben d'r ook erg benieuwd naar. 't Wordt er nu al zoo gezellig! Ga je morgen 's mee kijken, Flip?”
„'k Weet niet. 'k Heb zoo weinig verstand van meubels en huizen inrichten. Dat is veel meer iets voor jullie meisjes. Maar wanneer teekenen ze nou eigenlijk aan?”
„Vijf Mei, dat is morgen over veertien dagen, hè man?”
„Ja, we mogen zoo langzamerhand wel eens met mekaar overleggen, wat we al zoo voor feestelijks zullen doen. Met Eefs trouwen was alles zoo triestig; maar onze Bé blijft goddank zóó dicht in de buurt, dat we haar tenminste niet heelemaal zullen verliezen. Daarom moet 't nu wat vroolijk zijn. Wat zeggen jullie daarvan?”
Vader schuift z'n kranten weg, zet z'n lorgnet af en ziet ons beurt voor beurt veelbeteekenend aan.
„'n Buitenpartij naar Beuk-en-hoven,” stelt Flip voor.
„Duur en gevaarlijk wat 't weer betreft,” vindt moeder. „Waarom niet 'n gezellig danspartijtje hier in huis? We hebben zoo'n heerlijke suite en boven in den salon kan er gesoupeerd worden.”
„Maar dat is wel erg druk voor je, 't heele huis zoo onderstboven.”
„O, dat is niets,” zegt moeder opgewekt. „Ik heb Lizzy en Roosje van der Marck om me te helpenen Floor zal ook hier en daar wel 'n handje uitsteken. Ik ben altijd voor de vroolijkheid geweest en ik hoop hartelijk, dat onze Bé 'n prettige herinnering aan haar bruidsdagen zal overhouden. Ik weet dat Aad en zij 't land hebben aan stijve diners en soirées, maar 'n paar huiselijke feestjes met menschen om hen heen waar ze van houden, zullen zeker in hun smaak vallen.”
Er wordt juist gebeld.
„Daar heb je ze,” zeg ik opspringend.
„Als ons Piepkuikentje nu haar mond maar kan houden, want voorloopig moeten ze er niet in geconsulteerd worden. Als alles eenmaal is vastgesteld is 't tijd genoeg,” vindt vader.
'k Heb nog net gelegenheid 'n beleedigd gezicht te zetten en te beweren, dat 't aan mij heusch niet liggen zal, als 't aanstaande bruidspaar binnenkomt.
Bé straalt en Aad van den weeromstuit ook, terwijl Bé glunder vertelt:
„O moeder, zoo leuk staat 't kleed! 't Is net of 't de kamer grooter maakt en we hebben ook die ouwe Engelsche prent opgehangen boven 't buffetje.” Ze zet haar hoed af en gaat naast Aad op de kanapee zitten.
„'t Gáát er bewoonbaar uitzien. 'k Heb alle hoop dat ons huisje niet dat zielloos nieuwe hebben zal, zoodat je 't gevoel hebt bij je eigenop visite te zitten,” zegt Aad, Bé bezorgd 'n voetkussen toeschuivend, maar ze schopt 't plagend weg.
„Jongenlief, ik ben heelemaal niet moe en ik kan voetkussens niet uitstaan.”
„Ja maar, je sjouwt veel te veel heen en weer de laatste dagen. Mevrouw wilt u er op letten, dat Bé niet te veel doet, anders heb ik nog 'n zieke bruid als 't zoover is.”
„Malligheid,” beweert Bé, maar moeder vindt dat Aad groot gelijk heeft en belooft al 't mogelijke in 't werk te zullen stellen om Bé's overgrooten ijver te temperen.
„Als je morgen komt eten zal ik 'n verrukkelijke pudding maken,” belooft Bé. „'k Heb laatst bij tante Suze 't recept gevraagd.”
„Groote goden,” zucht Flip, „worden we weer vergeven?”
„Dat zal maar aan jezelf liggen. Jij hoeft er heelemaal niet van te eten. Moeder, morgen wat droge rijst voor Flip z'n dessert. Zal u daaraan denken,” bestelt Bé vast.
We meesmuilen allemaal.
Het „kookpunt” is of wás liever een van Bé's zwakke zijden en toen ze pas geëngageerd was, genoten we geregeld 'n paar maal in de week van, een of meerdere door haar toebereide misbaksels.Doch den laatsten tijd moet ik bekennen, dat er 'n zeer merkbare vooruitgang in Bé's kookkunst valt waar te nemen. Bijna nooit mislukt er meer iets, en 't is dus leelijk van Flip om zich in dier voege uit te laten, al kan ik mij niet onthouden hem in te fluisteren:
„'n Goed ding om in de een of andere vertooning te pas te brengen!”
Hij knikt, draait zich ineens om naar de piano en begint met veel animo 'tBrautlieduitLohengrinte spelen en of 't afgesproken was, vallen we na den eersten regel allen mee in en zingen geestdriftig tot 't einde toe.
Dan gaat Aad aanstalten tot vertrek maken. Bé loopt mee om hem uit te laten en blijft zóó lang in de vestibule verwijlen, dat moeder en ik den heelen theeboel, waar nog kopjes van vanmiddag bij waren, al hebben afgewasschen als ze weer binnenkomt.
Ze is in 'n bizonder vroolijke stemming, bepaald luidruchtig voor haar doen. Ik word er ook door aangestoken, en als we ons 'n kwartiertje later naar boven begeven, kan ik 'n onweerstaanbare aanvechting tot dansen niet langer bedwingen. Ik pak Bé om 't middel en dan walsen we samen over 't portaal onze slaapkamer binnen, regelrecht tegen 'n stapel schoon strijkgoed aan, die als 'nlawine naar beneden glijdt, zonder dat wij er ons om bekommeren. 't Zeil is pas gewreven en zoo zalig glad, dat we niet kunnen uitscheiden, voor we allebei buiten adem zijn en op den rand van ons bed neerzinken.
decoratieve illustratie
Ik heb nog nooit 'n echte bruiloft meegemaakt.
Toen Floor en Max trouwden was ik nog geen dertien en werden Flip en ik natuurlijk zooveel mogelijk overal buiten gehouden. Alleen aan 't trouw-déjeuner, waar wij mee aanzaten waren wij de eenigen, die ons kostelijk amuseerden om de menschen, die allemaal huilden inplaats van te lachen en ik herinner me nog levendig de onbehoorlijke gichelbui, waarin Flip en ik vervielen toen Max' voogd, die zoo dik was en zoo onheilspellend rood zag, even in zijn toespraak bleef steken.
In Eef's bruidsdagen heerschte er meer treurige gelatenheid dan wel feestvreugde onder ons, wat 't noodzakelijk gevolg is van 'n trouwerij-met-den-handschoen, maar nu was alles even vroolijk en fleurig.
Ik zeg wás, want de meeste dingen behooren al weer tot 't verleden. 't Diner bij de van der Marck's op den dag van 't aanteekenen, 't bowlavondje bij Max en Floor in 't geïllumineerde tuintje, de„soirée dansante”, die tante Suze Beumer ter eere van 't bruidspaar gaf en ons danspartijtje hier in huis, dat ik 't allerprettigst vond.
Bé zag er engelachtig uit in 'n witte tullen japon met 'n myrthenkransje in 't haar en onze suite was gewoon niet te herkennen.
Moeder, Floor en ik hadden alles met slingers van fijn groen versierd en overal brandden kaarsen onder gekleurde kapjes. Er waren achttien paren in 't geheel. Behalve 't bruidspaar: meneer en mevrouw van der Marck, met Frits en Wim en Roosje, die ook bruidsmeisje is en van onze kant: vader, moeder, Max en Floor en Flip en ik. Verder de twee vriendinnen van Bé, enkele vrienden van Aad en Flip, 'n vriendin van Eef, mijn vriendin Ada Witsen en onze buren, de drie jongens van Slooten, waar we altijd pret mee hebben gehad van onze kinderjaren af.
De serre was ingericht voor de verschillende aardigheden. Flip vertoonde er 'n tooverlantaarn, die 'n reeks feiten uit 't leven van 't bruidspaar te zien gaf, door hem zelf en Huib van Slooten geteekend. Roosje, Ada en ik waren als Zigeunerinnen verkleed en zongen er toepasselijke liederen bij, begeleid door de mandolines van 't als negers uitgedoste van Slooten-trio.
We hadden heel wat souvenirs te vereeuwigen!!Bé en Aad waren veertien en achttien toen hun vrijage begon, dus bleken de gegevens maar voor 't grijpen, toen we eenmaal aan 't rijmen en dichten sloegen. 't Aardigste was de wanhopige „jongling van der Marck,” die voorbij Beetje Beumers raam fietste en de onder schoolboeken zwoegende Bé, achterna gerend door eenige behulpzame vrienden, terwijl Aad van uit de verte moest aanzien, hoe 't voorwerp van zijn vereering door anderen werd bijgestaan. Iedereen had plezier in onzen nonsens en 't bruidspaar lachte zich tranen:
„Om dien stoet van oude koeien,Die hun aandacht wilde boeien”,
„Om dien stoet van oude koeien,Die hun aandacht wilde boeien”,
„Om dien stoet van oude koeien,
Die hun aandacht wilde boeien”,
zooals in den proloog stond.
Ook Roosje als waarzegster en Frits als sterrenwichelaar hadden veel succes en 't souper boven in den salon slaagde uitstekend. Ik soupeerde met mijn specialen vriend, Huib van Slooten en Ada Witsen en Wim van der Marck aan één tafeltje en was zóó gelukkig over ons succes, dat ik niet voelde hoe moe ik was, voor ik tegen „'t uchtendgrauwen” in bed lag.
Ik had nooit gedacht, dat Bé zoo'n bizonder tactvolle bruid zou zijn en aldoor zoo frisch en opgewekt zou blijven. Vóór de feestelijkheden 'n aanvang namen, deelde ze me in vertrouwen mee,dat ze eigenlijk blij zou zijn als alles goed en wel achter den rug was, maar gisteren beweerde ze met vuur er niets tegen te hebben als de bruidsdagen tweemaal zoo lang duurden!
Vandaag is 't receptie en aanstaanden Donderdag 19 Mei de trouwdag.
't Zal 'n ongezellige stilte zijn daarna, maar daar wil ik nu nog niet aan denken. 'k Heb er trouwens geen tijd voor, want daar valt nog ongelooflijk veel te beredderen voor 't zoover is.
Op 't oogenblik zijn moeder en Floor met Bé bezig. Ze zijn al 'n heel poosje boven, maar 't is ook geen kleinigheid om 'n bruid te kappen en te kleeden. Alles moet in de puntjes zijn, want Bé wordt natuurlijk van top tot teen bekeken en... bewonderd denk ik wel, want ze heeft er nooit zoo knap uitgezien als de laatste weken. Ze stráált.
Ons heele huis is vol bloemen; de geur komt je al in de gang tegemoet. In den tuin bloeien de kerseboomen en de witte seringen wuiven met elk windje op en neer. Aan den achterkant staan de serredeuren open en de zon glanst naar binnen, zet de suite heelemaal in feestgloed en flonkert op 't kristal en op tante Suze's zilveren theeservies, Bé's trots en glorie. Gisterenavond hebben Roosje en ik de cadeaux geschikt. 't Was twaalf uur voorwe klaar waren, maar alles ziet er nu ook in-smakelijk uit, vooral nu ik er op Floor's raad nog slingers groen en rose anjelieren tusschen gelegd heb.
Er zijn twee dingen bij waar we doodverlegen mee zijn: 'n monsterlijk gebloemde pot met 'n geprepareerden palm er in, zooals je in stationswachtkamers en hôtels ziet en 'n beeld, voorstellend: 'n beige-kleurige juffrouw met wapperende lokken, die touwtje springt door 'n fladderende lap. Onder op 't voetstuk staat in sierlijk golvende gulden letters: „Le printemps.” Flip, die haar op Bé's verzoek bevrijdde uit 't omhulsel van karton en houtwol, waarin ze zorgvuldig zat ingepakt, slaakte 'n gil van ontzetting en afgrijzen en ik, zielsmedelijden met Bé gevoelend, dat ze zooiets in haar huis zou moeten dulden, bood onmiddellijk aan 't te breken, maar vader verbood 't.
De vriendelijke gever, 'n stokoude oom van de van der Marck's, heeft 't waarschijnlijk door zijn huishoudster laten koopen. 't Zou kúnnen gebeuren dat hij op de receptie verschijnt, dus moet zijn beeld evenals de palm van nicht Georgine de Raedt aanwezig zijn. 't Zou te gek wezen als er naar gevraagd werd en we net zouden moeten doen of we hun cadeaux vergeten hadden.
We zijn overeengekomen om de twee ongeluksnummersmaar bij elkaar te zetten. „Le printemps” staat nu half-verborgen achter den papieren palm op zij van den schoorsteen en daarvoor is schuin 'n groot bloemstuk met witte lelies geplaatst. De meeste menschen, van den prins geen kwaad wetend, zullen er wel voorbij loopen zonder ze op te merken. Dat hopen we tenminste vurig.
Bé is natuurlijk vastbesloten met „Le printemps” zoo goed als met den palm binnen den kortst mogelijken tijd 'n ongeluk te hebben, hoewel Roosje en ik den palm nog volstrekt niet zoo'n onbillijke versiering voor „'t booienkamertje” vinden. Maar Bé wil bij Jansje, haar doddig, roodwangig meidje-alleen, geen wansmaak aankweeken, dus zijn èn beige-kleurige juffrouw èn palm ten doode opgeschreven en kwamen we na eenig beraad met de van Slootens overeen, 'n schietwedstrijd te organiseeren met deze twee ongeluksdingen als doelwit.
Ik vind toch wel dat verder alles er in de puntjes uitziet, nu ik de kamers nog eens doordrentel.
Even mezelf bekijken in den grooten spiegel in de voorkamer vóór ze me kunnen betrappen. Ik ben niet bepaald nuffig, maar ik zie er toch graag netjes uit, vooral op een dag als deze. Mijn bruidsmeisjesjapon is net als die van Roosje van gewoon wit neteldoek met smalle tusschenzetsels vanValencienne-kanten 'n vieux-roze ceintuur; heel eenvoudig, maar ze zit netjes en 'n paar rose anjelieren, waarmee ik niet alleen de tafel met cadeaux, maar ook mezelf versierd heb, komen er goed op uit. Voor Roosje heb ik er 'n paar op zij gelegd. Ik zal ze haar straks zelf aandoen.
Wacht, even probeeren of een bloem in mijn haar leuk staat. Zóó, 'n beetje op zij van mijn toetje. Ja, dat gaat wel, lang geen kwaad idee. In Roosjes haar zal 't ook wel aardig staan; ze is wat donkerder blond dan ik, maar dat doet er niet toe.
Nu ik mezelf zoo bekijk kan ik me toch wel begrijpen, dat sommige menschen vinden, dat Floor en ik op elkaar lijken. O, niemand zal 't in z'n hoofd krijgen om mij zooals Floor vroeger: „'t mooie meisje Beumer” te noemen, want ik heb 'n beslisten mopsneus en sproeten. Toch hel ik meer naar den mooien, dan naar den leelijken kant over, al blijf ik er bij, dat ik m'n liefste eigenschap zou prijs geven voor 'n Griekschen neus en 'n vlekkeloos teint. Maar:man trägt ja nun was man nicht ändern kann....De sproeten zijn de laatste jaren wat verbleekt; dat is tenminste iets. Flip zou me nu niet meer kunnen beleedigen met z'n bewering van vroeger: dat 't vel van mijn gezicht net zoo gespikkeld is als 'n kievitsei. Ik lachte er toen om, maar was inwendig toch diep-gegriefd entrachtte op mijn beurt zijn gevoelens te kwetsen met opmerkingen over 't allerzieligste snorretje, dat toen bij hem aan 't opkomen was.
O, 'n rijtuig! Daar zijn de van der Marck's al! Ik hol de gang in nog vóór er gebeld is om ze te begroeten. 't Zijn meneer en mevrouw met Roosje en Aad. Frits en Wim zullen wat later komen. Achter elkaar gaan wij de gang door naar binnen. Meneer lang en statig, mevrouw 'n klein, gezellig dikkertje met drukke beweginkjes en 'n lief, blozend gezicht. Ze draagt 'n lila zijden japon met witte kant en 'n sleep, die haar heusch wat langer doet schijnen dan ze werkelijk is. Mevrouw gaat op mijn verzoek zoolang zitten op de kanapée, die schuin in 'n hoek staat, meneer en Aad bezichtigen de geschikte tafel en maken Roosje en mij complimenten daarover. Intusschen tooi ik Roos met de anjelieren. Ze ziet er aardig uit en doet haar naam alle eer aan.
„Zeker Lizzy, 't staat vroolijk zoo'n bloem in 't haar. Nee Roos, stribbel nou niet tegen,” zegt mevrouw, als Roosje, bang voor haar keurig kapsel, haar hoofd wil terugtrekken.
„Wanneer is Bé nu eindelijk klaar? Mag ik niet 's even naar boven,” vraagt Aad, die er onberispelijk uitziet met zijn witte gardenia.
„Nee, geen kwestie van. Boven loop jij maarin den weg. Nog vijf minuutjes geduld, hoor! Hier, eet jij maar wat bruidsuikers.”
Roosje en ik nemen ieder een van de kristallen bakjes, die op 't buffet gereed staan en willen er juist van presenteeren als de deur met 'n ruk opengaat en Flip met stenstorstem aankondigt:
„Hare Koninklijke Hoogheid Béatrice, Eléonore, Hélène Beumer met gevolg.”
'n Doordringende geur van oranjebloesem zweeft de kamer in en langzaam, meer voorzichtig dan statig, komt Bé binnen in haar wit-zijden bruidsjapon, waarvan moeder en Floor den sleep dragen. Vader en Max volgen en Frits en Wim van der Marck komen ook ineens opdagen.
Nu is de familiekring voltallig en gaan we zoo langzamerhand in rij en gelid staan.
Floor heeft 'n kleurtje van opwinding en vertelt wat 'n moeite moeder en zij gehad hebben met Bé's haar. Ze zien geen kans 't op den trouwdag zonder kapper klaar te spelen, want als zoo'n sluier eens niet stevig vastzit....
„Nou, bekommer je daar nog maar niet om. Dat komt terecht. Bé ziet er nu in ieder geval allerliefst uit. Ikvindhaar juist bizonder goed gekapt. Je bent ook zoo handig,” prijst mevrouw van der Marck, vriendelijk haar hand op Floors arm leggend.
„Ja maar, moeder heeft geholpen,” en Floor knikt lachend tegen moeder, die er zoo merkwaardig jong en fleurig uitziet in haar zwart tullen japon en nog gauw 'n praatje komt maken, voor de menschen opdagen.
Vader, meneer van der Marck en Max staan over buitenlandsche politiek te praten en Roosje en ik voederen 't bruidspaar en de jongens van der Marck met bruidsuikers.
Er is geen grooter contrast denkbaar dan dit broederpaar en toch zijn ze onafscheidelijk. Frits is 'n jaar ouder en Wim 'n jaar jonger dan Roosje. Frits lijkt 't meest op Aad. Hij is lang, donker en nogal ernstig en heeft net z'n candidaats-examen in de rechten gedaan. Wim is blond, van middelmatige grootte, druk in z'n bewegingen en een en al joligheid. Hij gaat nog op 't gymnasium en is 'n goed kind van 'n jongen, waar ik best mee kan opschieten, hoewel hij vreeselijk plagen kan en er op de ongelegenste momenten van alles uitflapt. Hij waarschuwt ons, dat hij niet van plan is den heelen middag zoet in den kring te blijven staan en heeft al 'n flinke berisping van z'n vader beet, omdat hij 'n paar vuile voeten in de serre gezet heeft, toen hij daarnet den tuin doorholde en zóó weer binnenstapte.
Flip en Wim staan net met hun mond vol alsonze buren, meneer en mevrouw van Slooten, binnenkomen. We zijn heel intiem met hen en gaan na de receptie allemaal bij hen eten. Ze komen expres wat vroeg om alles goed te kunnen opnemen, plaagt meneer 't bruidspaar. Hun zoons zullen wat later op den middag verschijnen. Roosje kwijt zich van haar taak bruidsuikers te presenteeren, ik sta op wacht bij de cadeaux en wijs hun 't zilveren bonbons-mandje aan, dat ze gaven en ook in den hoek bij 't buffet, waar de grootere voorwerpen staan, 't uitgesneden stoeltje en den kapstok van de jongens.
We zijn nog aan 't praten als mevrouw Hofmann binnenkomt met haar dochter, een van Bé's vriendinnen en achter dit tweetal aan 'n stuk of wat andere menschen.
„De comedie is in volle gang,” fluistert Flip, die langs me gaat.
Roezemoezig gelach en gepraat vervullen de suite; steeds meer menschen stroomen in en uit. Bé en Aad doen niets dan handen geven, buigen en bedanken en mijn eigen mond staat geen oogenblik stil, zoo druk heb ik 't met alles uit te leggen en aan te wijzen.
Sommige menschen doen zoo lief-nederbuigend tegen 't „jongste zusje,” de laatst overgeblevene van de vier dochters, die nu de steun van vaderen moeder zal moeten worden! Hoe dikwijls ik die fraaie tirade al gehoord heb, weet ik niet, maar wèl weet ik, dat 't me nu te machtig wordt en dat de eerste, die 't wéér tegen me zegt 'n snauw krijgt. 't Is toevallig de goede, oude dominé de Weert, 'n oom van Max, tegen wien 't gansch en al onmogelijk zou zijn te snauwen. Integendeel, ik ben zoo vriendelijk tegen hem als ik zijn kan en laat mijn boosaardig voornemen maar ineens varen. Bij nadere beschouwing meenen de menschen 't toch goed.
Daar voel ik me in mijn arm knijpen. 't Is Roosje, die 't zacht uitproest en dan zegt:
„Lizzy, hou je taai! Is dat niet die nicht van de palm?”
„Ja, o goden sta me bij, dat is nicht Georgine! Kwam jullie oom van „Le printemps” nu ook maar, dan ging 't in één moeite door,” zucht ik.
„O die komt in geen geval. Hij heeft gisteren weer 'n aanval van jicht gehad en de huishoudster had 't cadeau uitgezocht, net als we dachten. Jammer hè, dat we 't niet eerder geweten hebben, dan hadden we dat kunstgewrocht niet hoeven uit te stallen.”
„Ja, 't is sneu, maar 'k geloof niet dat 't tot nog toe is opgevallen. Ik leid het menschdom er met omzichtigheid langs.”
„Dat heb ik gezien! Kind, daar komt ze op ons af! Denk er aan, dat je me voorstelt. Ik heb 'r nooit ontmoet.”
Nicht Georgine, klein, spichtig dametje in 't zwart, schiet met 'n beminnelijk lachje op ons toe.
„Dag Lizzy, dag beste kind, hoe gaat 't je? Hartelijk gefeliciteerd met je zuster, hoor.” Wij schudden handen.
„Dank u wel, nicht. Mag ik u even juffrouw van der Marck voorstellen, de zuster van de bruigom. Juffrouw de Raedt,” vervolg ik tot Roosje, die ook 'n hand krijgt.
Nicht bedankt voor bruidsuikers. Nu is 't moeilijke oogenblik dáár!.... Uit de verte vang ik 'n angstblik van Bé op. Roosje's hand met 't kristallen bakje beeft. Ze wordt juist door iemand aangeklampt en wendt zich van mij af en ik zeg met den moed der wanhoop:
„En nu wilt u zeker graag uw cadeau zien? Kijk, daar is 't, nicht,” en achter 'n paar menschen om voer ik haar naar 't hoekje bij den schoorsteen.
„Hm, hm,” kucht Max, die in onze buurt staat, maar ik doe of ik 't niet merk.
„O ja, bij dat beeld, nietwaar?”zeurt nicht.
„Ja juist, uw kaartje ligt er bij. Ziet u, d'r was natuurlijk geen plaats voor op tafel tusschenal die kleinere voorwerpen, maar die palm staat hier veel aardiger. Je zoudt zóó heusch denken dat 't 'n echte was!”
Ik weet niet of dit gezegde wel gelukkig is, maar nicht neemt 't goed op en zegt vreugde-stralend: „Nietwaar? Je ziet haast geen verschil tusschen 'n echte en 'n geprepareerde en aan 'n geprepareerde heb je niets geen moeite. Ik vind die dorre punten zoo leelijk. Die heb je bijna altijd aan levende palmen. Jij ook niet?”
„Ja, afschuwelijk,” zeg ik plichtmatig, op 'n toon van afgrijzen, die haar zeer schijnt te bevredigen.
Ze dribbelt tenminste met uiterst voldanen glimlach naar de andere cadeaux, brengt haarface à mainvoor de oogen en begint de heele uitstalling nauwkeurig te bestudeeren. Dan zie ik me ineens omringd door Tante Suze Beumer en de drie blonde, langopgeschoten jongens Van Slooten, en trekt nicht Georgine met 'n vluchtig buiginkje en 'n: „dag lieve kind” af.
Ik zucht van verluchting nu de zware last van mij is afgevallen en begin opgewekt te praten.
„Lizzy, wat heb je 'n kleur. Maak je maar niet te moe, anders breekt 't je later op,” waarschuwt tante Suze bezorgd.
„Och kom, mevrouw, ze ziet er uit als Hollandschwelvaren,” roept Huib en Leo en Bernard, zijn twee jongere broers, plagen dat 'n kleurtje juist flatteert. Maar ik verzeker lachend met mijn hand over mijn gloeiende wangen strijkend:
„Die kleur is de schuld van nicht Georgine, want ik heb daarnet zoo ontzettend in 't nauw gezeten met de palm. Dat zwarte dametje was nicht de Raedt!”
„O,” lacht tante, die er evenals de Van Slootens, van afweet. „En hoe heb je je daar doorgeslagen?”
„Best, met 'n tact waar ik zelf versteld van sta,” en ik deel hen m'n ongedacht succes mee.
Flip, dol-nieuwsgierig naar den afloop, komt ook bij ons staan en vertelt dan, wetend dat tante Suze van 'n grapje houdt, 'n streek van vroeger:
„'t Is 'n doodgoed mensch, die nicht Georgine! Jaren geleden, toen we alle vijf nog klein waren en vader en moeder 's uit de stad moesten, kwam nicht hier 't huishouden doen. Nou, we hoorden geen van allen tot de rubriek brave Hendrikken en nicht had af en toe natuurlijk spul met ons! Op 'n middag kregen we erwtensoep, iets wat we afschuwelijk vonden, maar we moesten behoorlijk ons bord leeg eten en toen nicht daarna heel zoetsappig vroeg wie er nog trek had, riep ik hard: „Ik, ikke,” hield m'n bord bij en precies op 't oogenblik dat ze er 'n lepel soep op wou scheppenschreeuwde ik: „niet!” en trok 't gauw weg, zoodat ze 't heele tafellaken vol morste.”
„Schaam je, Flip, en wat deed nicht toen,” vraagt tante Suze nieuwsgierig.
„Wel, ze lepelde heel kalm de soep van 't tafellaken en belde de meid om 'n schoon servet over de plek te leggen en toen aten we verder.”
„'k Weet 't nog heel goed. Ik was nog geen tien, maar ik zal 't m'n leven lang onthouden. 'k Heb Flip nooit zoo bewonderd als die middag,” verzeker ik.
„'t Was ook 'n heerlijke mop,” vindt Leo. Dan worden we door eenige nieuwe bezoekers uit elkaar gejaagd. Flip schiet weer in den familiekring en ik begin 'n praatje tegen meneer en mevrouw Witsen en Ada. Ik heb van Bé de opdracht nog eens hartelijk te bedanken voor de mooie oud-Delftsche vaas, die ze 't jonge paar vereerd hebben en zeg dus wat 'n aanwinst dit kostbaar stuk zijn zal voor hun salonnetje.
„Jullie vindt 't zeker wel prettig om bruidsmeisje te wezen, Roosje en jij! 't Gaat je af of je 't alle dagen gewoon bent,” prijst Mevrouw Witsen en Ada vertelt opgewonden, dat zij gevraagd is om dezen zomer te komen helpen met de bruiloft van een van haar nichtjes Witsen.
„George Hofmann komt ook,” fluistert ze me in.
„Zoo, dat tref je. Nou, je weet van 'n bruiloft komt 'n bruiloft. 'k Houd me gerecommandeerd voor de rol van bruidsmeisje, als 't zoo ver is,” bied ik al vast in de gulheid mijns harten aan.
„Sst, stil toch,” grinnikt Ada zich buigend over 'n beschilderdetea-cosyom haar gloeiende kleur te verbergen en dan zoo natuurlijk mogelijk: „Leuk ding, zeg. Van wie heeft Bé die?”
„Van een van de vriendinnen uit de tennisclub. Van Dora Verhoogh.”
„O.” Ada zet detea-cosyachteloos neer, geeft me 'n kneepje in m'n arm en volgt dan als 'n trouw hondje haar vader en moeder, die al bij de de deur staan.
Góed kind die Ada, maar hoe ze 't invredesnaamin haar hoofd krijgt George Hofmann zoo aardig te vinden is me 'n raadsel. 'n Pedante flirt vind ik hem met z'n knappe, fut-looze gezicht. Hij is lid van onze tennisclub en nog te lui om behoorlijk z'n racket te hanteeren. Als hij verschijnt doet hij niets dan theedrinken en duizend-en-één aanmerkingen op de andere spelers maken. Ada komt onder haar vriendinnen rond voor haar gevoelens uit. Ze is verbazend eerlijk, maar ik vind openbaringen op dit gebied onnoodig en meestal zelfs vrij belachelijk voor anderen. 'k Zou niet kunnen uitstaan, dat iemand iets van mijn intiemstegedachten vermoedde, er niet over kúnnen praten, zelfs met moeder niet en toch houd ik minstens net zooveel van Huib van Slooten als Ada van George houdt. Maar ik ben doodgewoon tegen Huib en hij is net zoo tegen mij. Dat komt zeker omdat we buren zijn en elkaar al zoo heel lang kennen. Met Leo en Bernard ben ik ook goeie maatjes, maar die zijn toch lang niet zooals Huib! Zulke jóngens zijn 't nog. Huib is de oudste en veel ernstiger. Vier en twintig is hij pas, maar hij lijkt ouder, hoewel hij heel jolig en uitgelaten kan zijn en als 't er op aan komt, onuitputtelijk is in 't in elkaar zetten van grappen voor feestelijkheden zooals nu. Hij heeft vlug afgestudeerd, is mr. in de rechten en sinds 't vorig najaar bij zijn vader, die bankier is, in de zaak; Leo studeert in de medicijnen en Bernard wordt ingenieur. Dit tweetal zie ik soms in geen weken, maar Huib bijna dagelijks den laatsten tijd.
Vroeger was ik veel meer met Leo en Bernard, die van Flips leeftijd zijn. Ik was zelf ook zoo'n halve jongen en speelde geregeld mee op hun heerlijk ruimen zolder, waar we keukelkunsten aan rek en ringen maakten, ons verkleedden en pic-nickten in de dakgoot, waartoe ik mijn serviesje leende, dat ik dan heimelijk meesmokkelde. 't Was 'n hoogst gevaarlijk maar desniettemin zeergenoeglijk zitje en je hadt er meer ruimte, dan je zoo oppervlakkig zeggen zoudt! Soms kwam Huib er ook bij en hadden we dolle pret als we daar met ons vijven op 'n rijtje olienootjes zaten te eten en met de leege schillen naar de voorbijgangers mikten, die, niet zoo gauw snappend waar die projectielen vandaan kwamen, hoogst verbaasd om zich heen blikten. Eens gaf 'n nijdige meneer er 'n zeer verbluften straatjongen 'n oorveeg voor en toen hadden we zoo'n uitbundige pret, dat we haast uit de goot tuimelden. Later begiftigde Huib van wege de zieligheid dier onverdiende kastijding, den jongen met 'n handvol nootjes, met 't noodlottig gevolg, dat hij voortaan iederen keer als wij er zaten, voor 't huis postvatte en net zoo lang naar boven keek tot hij wat kreeg, waardoor meneer van Slooten ons op 'n Zondagmiddag op heeterdaad betrapte en we zóó'n geducht standje kregen, dat ons de tranen langs de wangen liepen. Thuis werden Flip en ik bovendien nog gestraft met 'n week achtereen om zeven uur naar bed te moeten, de grootste bezoeking die we kenden.
Op zolder bij de van Slootens heb ik ook eens bijna m'n vingers afgeklemd tusschen den mangel en was 't Huib, die me op 't gegil van de jongens en van mezelf bovenaan, bevrijdde. Leo hielp me aan m'n sommen en vertalingen, Bernard lijmdem'n kapotte poppenmeubels en Huib repareerde met onuitputtelijk geduld m'n ring-armbanden—oude van Floor—die geregeld iedere week stuk waren en dan meestal in 'n brandende kaars gehouden werden om ze zoo weer aan elkaar te smelten, tot ze eindelijk zóó dun en nauw werden, dat ik ze niet meer dragen kon en Huib me als schadeloosstelling 'n zilveren ringetje gaf, van z'n eigen geld gekocht. Ik heb 't jaren gedragen en bewaar nog altijd in 'n oude handschoenendoos tusschen allerlei reliquieën „le cher anneau d'argent,” die nu net wijd genoeg zou zijn voor m'n pink.
'k Ben benieuwd of ik straks aan tafel naast Huib zal zitten. Ik hoop 't wel, want dat ééne korte oogenblikje, dat hij hier was daarnet, is de moeite eigenlijk niet waard geweest. In ieder geval of ik naast hem zit of niet, spreken doe ik hem zeker....
„Hei, Piepkuiken, wat sta jij daar te droomen in dat hoekje bij 't buffet! Blij dat de parade achter de rug is?”
Max' stem roept me weer tot de werkelijkheid terug. Ik zie dat we weer heelemaal „en famille” zijn. Roosje is al druk bezig port en limonade in te schenken, zonder dat ik 't gemerkt heb. Ik voel 't bloed naar m'n wangen stijgen.
„Nou, daar hoef je geen kleur om te krijgen. Wij verlangden ook naar 't eind,” plaagt Aad, Bé naast zich op de kanapée trekkend.
Ik begin Roosje maar gauw mee te helpen, mezelf gelukwenschend, dat niemand weten kan wat en waaraan ik dacht.
En nu zijn de feestelijkheden voorbij. De heer en mevrouw van der Marck-Beumer zwerven rond aan de oevers der Zwitsersche meren. Flip is terug naar Leiden en komt niet voor de volgende week thuis. 't Piepkuikentje is alleen in 't nest bij de oudertjes achtergebleven.... 'n Saaie toestand, na de vroolijke, drukke dagen van weleer en bovendien is 't Zondag, dus valt die leegte nog meer op.
Vader en Moeder gingen wandelen. Ik ben thuis gebleven met hoofdpijn, die ik niet voel, al ben ik er voor op bed gaan liggen. Maar ik schaamde me om met mijn dikke, roodbeschreide oogen voor den dag te komen, want van pure landerigheid heb ik 'n deuntje liggen huilen. Eigenlijk zou ik niet precies kunnen zeggen waarom.... Maanden van te voren heb ik geweten, dat Bé trouwen ging en dat ze gelukkig is, daaraan zou niemand kùnnen twijfelen, die haar kent. 't Is puur égoïsme van mijn kant, dat me tranen doet storten en toch kan ik niet helpen,dat me telkens 'n vreemd, heimwee-achtig gevoel bekruipt als ik onze kamer binnenkom, waar wij samen de laatste jaren sliepen en zooveel vertrouwelijke gesprekken gevoerd hebben.
Gisteren heb ik in 'n moedige bui ineens alles veranderd. Bé's ledikant en waschtafel zijn voorloopig naar den zolder verbannen, haar linnenkastje heb ik in gebruik genomen en de commode, waarvan nu voortaan alle laden mij toebehooren, in den leegen hoek bij 't raam geschoven.
Akelig veel plaats heb ik voor alles en akelig netjes is 't geheel. Bé, die den meesten rommel maakte, had zoo'n gemoedelijke slordigheid over zich. Altijd zwierven er schoenen door de kamer, hingen er rokken en bloeses over de stoelen en lag onze tafel bezaaid met broches, handschoenen en andere kleinigheden. Toen Eef nog thuis was en ik alleen 'n klein kamertje had, plácht ik netjes te zijn, maar zoo gauw ik bij Bé sliep, was 't gedaan. Als ik haar gedoe opruimde was 't enkele uren daarna toch weer 't zelfde liedje, zoodat ik van lieverlede mijn dingen ook liet slingeren en moeder zelfs beweerde, dat ik Bé in dit opzicht niets toegaf.
Edoch, die tijd van gezellige wanorde is voorbij; op dit oogenblik grijnst de netheid mij van alle kanten tegen. Overal hangen kiekjes uit debruidsdagen door Flip genomen. Dat van 't bruidspaar, na de trouwerij de versierde vestibule binnenkomend, hangt boven mijn bed. Fraai is 't niet bepaald, maar 't is toch 'n aardige herinnering.
Die Bé! Ze zag er zóó stralend uit toen ze vóór de plechtigheid beneden kwam in haar bruidsjapon met witte sluier, dat we geen van allen 'n woord zeggen konden. Aad was spierwit en naderhand vuurrood. Bé alleen hield zich wonderlijk kalm.
„Ik trouw voor m'n plezier,” zei ze toen de rijtuigen voorkwamen en dat kwam er zóó grappig uit, dat we 't ineens allemaal uitschaterden.
Ze zijn niet in de kerk overgetrouwd, maar in hun eigen huisje, waar den vorigen avond 'n harmonium geplaatst was, zong 'n koortje van Bé's vriendinnen en hebben vader en meneer van der Marck 't jonge paar toegesproken.
Aan 't déjeuner, dat bij ons aan huis gegeven werd, waren alleen de naaste familieleden genoodigd.
't Was heel genoeglijk en de stemming werd nog verhoogd door Liesje en Bobbie, die als Zeeuwsch boerinnetje en boertje verkleed, 't bruidspaar 'n alleraardigsten gelukwensch kwamen brengen door Floor gemaakt. Later toen Bé en Aadafscheid namen kreeg 't tweetal de eere-plaats aan tafel, wat 'n zeer gewenschte afleiding gaf. Liesje vooral was bizonder op dreef en wou ieder oogenblik toasten en klinken en sinds den bewusten Donderdag spelen Bobbie en zij niets anders dan „déziné”, zooals Liesje 'tdéjeunerheel eigenwijs belieft te betitelen. Dan worden de poppen aangekleed en netjes in rij en gelid om 't tafeltje gezet, waarop 'n serviesje prijkt, waaruit Liesje en Bobbie beurtelings thee schenken. Roosje, die toevallig even bij Floor kwam oploopen gisteren, lachte zich tranen om de gesprekken, die we stilletjes afluisteren.
„Hè meneer, u mag de suiker niet uit uw kopje likken, dat is vies,” vermaande Liesje. „Dat dóen de groote menschen niet,” waarop Bobbie zich doodkalm verdedigde:
„Maar jij heb 't strakkies ook gedaan. Zélf gezien.”
En toen zweeg Liesje en begon pop Dora 'n standje te geven, omdat ze niet netjes at en krom zat.
„Eénig,” zei Roosje, die weinig in de gelegenheid is met kleine kinderen om te gaan.
Roos is anders toch maar een bofster. Ze gaat eind Mei voor 'n paar weken naar Parijs met 'n ouder nichtje van der Marck, 'n schilderesje, dat veel gereisd heeft.
„'k Wou dat je meeging,” zei Roos. „'t Zou zoo goed voor je zijn. Vooral voor je Fransch, of laat je je plan varen om voor je acte middelbaar te gaan studeeren?”
„Nee, Lizzy gaat stellig iets uitvoeren. Ze wil niet zoo blijven rondklungelen. Dat zouden vader en moeder ook niet goed vinden,” zei Floor, die thee voor ons schonk en ik beaamde:
„Na de groote vacantie stellig en misschien nog wel eerder ga ik met lessen beginnen. Ik heb geen bizondere talenten voor muziek of teekenen zooals de andere zusters, maar ik wil toch iets om handen hebben.”
„Toe, vraag dan of je met ons mee mag! Emmy zou 't best vinden en met je drieën is 't zoo gezellig reizen,” stelde Roos voor.
Maar ik sloeg 't dadelijk af.
„Nee, nee, nu niet, nu Bé pas weg is. 't Is toch al zoo stil thuis,” en bij mezelf dacht ik ook dadelijk, dat ik 't niet zou dúrven vragen zelfs. Reizen kost geld en we hebben net zoo'n duren tijd gehad.
„Zou je 't niet leuk vinden,” vroeg Floor, er dadelijk op terugkomend toen Roosje weg was.
„Natuurlijk. Maar 't geld!”
„Ja 't geld”.... zei Floor nadenkend.
Floor heeft 't aan me gemerkt, dat ik 'nbeetje in den put ben, geloof ik. Ze heeft wel niets gezegd, maar kijkt me telkens zoo aan. Floor merkt alles.
Als ze 't maar niet tegen vader en moeder zegt! Ik zal mezelf wel weer uit de tobberij helpen en hard gaan werken, dan zal dat rare, heimwee-achtige gevoel wel overgaan.
Ik kan best op m'n eigen houtje de heelegrammairenog eens doorloopen voor ik vanmonsieur Durand, 'n leeraar aan 't gymnasium hier, die voor examens opleidt, les ga nemen. Hij schijnt niet makkelijk te zijn en moet erg veel werk opgeven, hoorde ik laatst van Dora Verhoogh, dus is 't niet kwaad me vooraf wat te trainen.
Vanmorgen heb ik al m'n oude Fransche schoolboeken en schriften met opstellen voor den dag gehaald en 'n tafeltje op Flips studeerkamer voor mezelf klaar gemaakt, waaraan ik rustig werken kan, zoolang hij in Leiden is. Hij vindt 't best dat ik op zijn kamer zit, als ik er maar niets overhoop haal.
Ik heb al 'n prachtige dagverdeeling in mijn hoofd. 's Morgens tot tien uur help ik moeder in de huishouding, werk dan tot koffietijd, ga 's middags met moeder of de kinderen wandelen en voorloopig meehelpen aan 't geheel in ordemaken van Bé's huisje en gebruik den avond om te lezen of te handwerken. Op die manier zal ik heusch geen tijd hebben om te kniezen en me te vervelen.
En nu ga 'k opstaan, me netjes aankleeden en beneden 't theeblad klaarzetten, om straks als vader en moeder terug zijn, 'n kopje thee voor hen te schenken. Tot ze thuiskomen ga 'k dan zoolang lezen uit „La guerre et la paix”, dat Huib me geleend heeft. 't Is wel 'n kluif, die drie dikke deelen, maar ik wil hem toonen, dat ik daar niet tegenop zie en 't is meteen goed voor mijn Fransch.
Voor ik de slaapkamer verlaat, bekijk ik mezelf nog eens terdege in den spiegel. Ik zie er frisch en netjes uit in mijn kraakschoone, witbatisten bloese. Niemand zou aan me zeggen dat ik gehuild had. 'k Voel me ook bepaald opgelucht en om mezelf nog wat meer te bemoedigen, ga ik vroolijk fluitend van „Piet Hein” met m'n boek onder den arm naar beneden.
De meeste menschen vinden fluiten ongemanierd voor 'n meisje, maar zoolang ik niet begrijp waarom je wél moogt zingen en niet fluiten, ben ik niet van plan me dat genoegen te ontzeggen en in de serre gekomen, fluit ik den heelen Piet Hein ten einde, bij mezelf overleggend wátik doen zou als ik de zilvervloot won. 'k Hoef me niet lang te bedenken. Als ik dat geluk had, stevende ik regelrecht naar Roosje om te zeggen, dat ik meega naar Parijs.