Stoffel van Staden brengt Uijs bericht van de moord der blanken in Natal.
Het behoeft geen betoog dat de aankomst der overbergse boden, door de Kommandant en de leden van deKrijgsraadin bijna plechtige stilte werd afgewacht. Diep waren deze mannen geschokt door de hun aangekondigde treurmare; en de ramp die de Voortrekkers, waarvan hun trek het niet onaanzienlikste deel uitmaakte, getroffen had, omtrent de juiste omvang waarvan zij nog in het duister verkeerden, deed hen in treurig gepeins tot zich zelf inkeren. Nog weinige ogenblikken en de onzekerheid zou ophouden. Het bloedig drama dat aan de overzijde der Quathlamba Bergen was afgespeeld, zou hun in al zijn afgrijselikheid worden kenbaar gemaakt.
De ruiters hadden het lager bereikt, en stegen van hun paarden.
Van Staden en Uijs waren op elkander toegelopen, en nauweliks hadden zij de gewone handdruk gewisseld, of van Staden, door smart en vermoeienis uitgeput, en zijn zenuwen niet meer geheel meester, wierp zich aan de borst van Uijs, en riep uit, terwijl tranen zijn getaande wangen bevochtigden: “Mijn broeder! mijn broeder!welke ontzettende tijding moet ik u brengen! Ik ben een ongeluksbode, en breng u de boodschap van bloed. Bloed onzer landgenoten! Bloed van mannen, vrouwen en kinderen, door de Zulu-moordenaars op verraderlike wijze bij stromen vergoten! Bloed, dat ten Hemel schreit om wraak! Broeder, ge moet komen, om met ons de bloedwraak te nemen, en om de overgeblevenen voor verder verraad, list en gewapend geweld te helpen beschermen.”
Schoon innerlik, tot in het diepst van zijn gemoed ontroerd, bewaarde Uijs met waardigheid zijn uiterlike kalmte. Zich uit van Staden's omarming zachtkens losmakende, sprak hij: “Broeder, uw woorden bevestigen het hartdoorborend bericht, door mij reeds uit de mond van Koos Labuschagne vernomen. Gods hand is zwaar op ons neergedaald; toch moeten wij met kinderlike ootmoed onder Zijn heilige wil bukken, en waar Hij zegt: “Mij komt de wrake toe,” zal Hij ons als zwakke werktuigen in Zijn hand gebruiken,diewraak uit te oefenen en de verrader Dingaan naar loon te tuchtigen. Slechts na rijp beraad en met kalmte moeten wij echter te werk gaan. Gij met uw mannen zijt uitgeput, en moet eerst rusten, dan zullen wij beraadslagen. Laat me toe eerst uw tochtgenoten de hand te drukken, en enige bevelen te geven.”
Naar de Klerk en Maré tredende, schudde hij hen hartelik de hand, en sprak hun enige vriendelike woorden van welkom toe. Zich daarna tot de leden van de Krijgsraad richtende, zei hij: “Broeders! Het is tans acht uur. Te negen uur komt de Krijgsraad in mijn tent bijeen, om de biezonderheden van deze treurige gebeurtenis van de boden te vernemen. Intussen kunt ge het ontbijt nemen,en alle weerbare mannen in het lager aanzeggen, dat zij zich voorbereiden om behoorlik uitgerust en van schietgoed en mondkost voorzien, met mij, misschien heden nog, de tocht over het gebergte te ondernemen.” Hij wenkte de boden hem te volgen, en begaf zich naar zijn tent.
Hoe de boden in de tent werden onthaald en wat zij met hun gastheer spraken, slaan wij over. Genoeg zij het, dat te negen uur de leden van de Krijgsraad bijeenkwamen in de tent van de Kommandant; en dat de boden door een goed maalgesterkten door behoorlike reiniging verfrist, tans beter in staat waren hun rapport te doen, dan bij hun aankomst. In het lager heerste grote bedrijvigheid, duidelik teken, dat het bevel van de Kommandant werd uitgevoerd, en men zich bereidde voor de gevaarlike tocht over het gebergte.
De Kommandant had zich neergezet bij de kleine vouw- of veldtafel; de anderen zaten in de nauwe ruimte van de tent enigszins op elkander gedrongen, op kleine vouw- of veldstoelen.
Uijs stond op, en het woord nemende, zei hij: “Broeders, laten we ons, alvorens tot onze beraadslagingen over te gaan, verootmoedigen voor de voetbank der Genade, en van God, de bron van alle wijsheid, afsmeken heden onze Raadgever te zijn.”
Met ontblote hoofden knielden allen neder. Die mannen, die zoveel van de ernstige zijde des levens gezien hadden; zij, mannen in de ruimste zin des woords, doch kinderen in het geloof, wierpen zich steeds met kinderlik vertrouwen in de armen van der vaderen God.
Met bewogen stem stortte Uijs zijn hart uit: “Onze Vader, ofschoon Gij in de Hemelen troont, gevoelen wij Uw tegenwoordigheid in ons midden. Gij hebt Uw volk gekastijd en met een zware slag geslagen.—Hebben wij gezondigd? Hemelse Vader! wees ons genadig, en vergeef het ons waar wij van U zijn afgedwaald. Met U wensen wij te vernachten en op te staan. In onze zwakheid wensen wij Uw kracht te volbrengen. Sterk en vorm ons daartoe, Heer, onze God! Wil ook tans onze Leidsman en Raadgever zijn, en ons voorlichten, waar wolken van gevaar, vrees en twijfel ons in duisternis en droefenis hullen. O Heer! leer ons wat wij moeten doen, om het verder vergieten van onschuldig bloed te beletten, en om hen die onschuldig bloed in stromen hebben vergoten, te straffen. Trek met ons op, Almachtige God, en laat Uw Vaderlike liefde en Goddelike bescherming aan onze spits gaan, zoals Uw vuurkolom voor Israël, Uw kinderen van ouds; en U zal zijn de eer en de aanbidding, van nu aan tot in alle eeuwigheid. Hoor ons, Vader, naar de rijkdom van Uw genade, en delg al onze zonden uit, om de wil van Jezus Christus, onze Heer en Verlosser. Amen.”
Allen richtten zich op en hernamen hun plaatsen. Een ademtocht van ernst, maar tevens vol opwekking en kracht, een gloed aan de Geest des Eeuwige Levens ontleend, scheen over hen te zijn gegaan en hen te hebben bezield. De Kommandant richtte het woord tot van Staden, en zei: “Broeder, de Krijgsraad is gereed om uw droevig rapport in al zijn omvang te horen en te overwegen.”
De aangesprokene stond van zijn veldstoel op, en naenige ogenblikken zwijgend, als in diep gepeins verzonken gestaan te hebben, begon hij zijn verslag en zei: “Mannen, broeders, ik zal trachten u een getrouw verslag te geven van wat in de laatste weken aan de overzijde der bergen is voorgevallen. Ik zal andermaal in de geest de schriktonelen moeten doorleven, die ik daar heb aanschouwd; en als ik wellicht op het een of ander punt mocht afdwalen, of niet duidelik genoeg mocht zijn, zullen mijn medeboden mij terecht helpen of mijn verslag aanvullen, waar zulks nodig is. Het is u bekend hoe ons aller leider, Piet Retief, volgens afspraak met Dingaan, tegen het einde van het vorige jaar, aan deze zijde van het gebergte, Sikonyella, door hem gevangen te nemen en een losprijs te vorderen, dwong, aan hem een groot getal vee af te leveren, beweerd door Sikonyella van het Zuluvolk te zijn gestolen. Gij allen zult het u te binnen kunnen brengen, hoe ik, ook gij, Kommandant Uijs! en anderen hadden gemeend, dat wij ons in de onderlinge twisten der zwarte naties niet behoorden te mengen; doch het geschiedde, en het is voorbij. Toen Retief het afgenomen vee over de bergen en bij ons hoofdlager in Natal in veiligheid had gebracht, werden de leden van de Krijgsraad met de oudsten van jaren bijeengeroepen om te beraadslagen, op welke wijze wij het vee aan Dingaan zouden terugbezorgen, en welke beloning wij van hem voor de bewezen dienst zouden vorderen. Arme Retief! Moedig, onverschrokken als altoos, geen verraad voorziende of vrezende, gaf hij het als zijn plan te kennen, dat hij met een patroelje van uitgelezen mannen, zelf de beesten naar de hoofdstad van de Zulu-koning zou brengen, en als beloningzou eisen de vervulling van Dingaan's belofte, om ons de gehele landstreek, bekend als Natal, af te staan. Velen onzer aanvoerders wezen er op, dat Dingaan niet blindelings te vertrouwen was, en dat wij vooral moesten vermijden, om door een vertoning van macht zijn ijverzucht of barbaarse vrees op te wekken.—Karel Landman drong er sterk op aan, dat aan de Zulu-koning bericht zou worden gezonden, dat wij het vee aan Sikonyella ontnomen, en in ons bezit hadden; dat wij als beloning het land van Natal vroegen, en dat hij onder deze voorwaarde zenden kon om het vee te halen. Doch Retief bleef vast op zijn stuk staan. Gert Maritz bood toen aan, om met enige vrijwilligers het vee weg te brengen, en zei dat hij wist, dat zij misschien nimmer zouden terugkeren, maar dat het beter was het leven van enige mannen te wagen, dan de gehele trek in gevaar te brengen. Piet Retief was echter onverzettelik. De meerderheid van de vergadering boog voor zijn wil, en zijn voorstel werd aangenomen. Weinig dacht hij, dat daarmede zijn doodvonnis en dat van honderden der onzen werd geveld. Niemand echter werd verplicht aan de gevaarlike tocht deel te nemen. Retief vroeg vrijwilligers, en de bloem van onze krijgslieden en jongelingschap bood zich gretig aan om hem te vergezellen. De toebereidselen voor de tocht werden zonder verzuim gemaakt, en op de morgen van de eerste van deze maand vertrok Retief naar Umkungunhlovo, aan het hoofd van vier en zestig uitgelezen, welgewapende mannen, door dertig kleurling-achterruiters vergezeld. Zij waren met vrolike moed bezield, en op onze vermaningen om toch uiterst voorzichtig te zijn, en hetbarbaarse opperhoofd, al scheen hij nog zo vriendelik gezind, niet te vertrouwen, maar steeds voor hem op hun hoede te zijn, antwoordden zij, dat zij binnen weinige dagen met de grondbrief van Natal weer bij ons zouden zijn. Helaas, aan deze zijde van het graf zullen wij geen hunner terugzien. In slaap gewiegd door het vertrouwen, dat Retief en velen der aanzienlikste en verstandigste mannen toonden, rekenende op de vrede, door de tocht van Retief bestendigd en op hechte grondslag gelegd, gingen de voorzichtigheid en waakzaamheid der onzen te loor. In plaats van bij elkander te blijven, zoals zelfs door Retief uitdrukkelik was aangeraden, of ten minste zich in weerbare afdelingen, sterk genoeg voor verdediging, te splitsen, was de trek uiteengegaan, en verspreid in kleine troepjes, sommige waarvan slechts uit 'n paar huisgezinnen bestonden, langs de vruchtbare oevers van de Blauwkrans- en Boesmans-rivieren. Wel deed zich hier en daar een stem van waarschuwing tegen deze onvoorzichtigheid horen, maar daarop werd geen acht geslagen; men bestempelde die waarschuwers als ongeluksprofeten, bevangen door kinderachtige vrees. De bloedige ontnuchtering zou echter niet lang uitblijven. Zij, die niet zo geheel gerust omtrent de toestand waren, vormden zich in twee afdelingen, en bleven in lager langs de Blauwkrans-rivier, omtrent één uur te paard van elkander verwijderd. Ik voegde me bij de noordelike afdeling onder Gert Maritz, en merkte op dat weer ten Noorden van ons, enige kleinere afdelingen ook in lager getrokken waren. Zo bleven wij, niet zonder ongeduld, op de terugkomst van Retief, die ons verzekerd had dat zijn tocht niet van langeduur zou zijn, wachten. In de nacht tussen de 16de en 17de dezer, kort na het tweede haangekraai, lag ik half wakker in mijn wagen, toen ik op eens door het knallen van een geweerschot geheel werd gewekt. Daar valt het vreugdeschot, dat de terugkomst van Retief en zijn mannen aankondigt! riep ik met vreugde uit, en ik schudde mijn naast me slapende vrouw wakker. Maar hoe spoedig werd mijn blijdschap veranderd in ontzetting en schrik, toen ik enkele geweerschoten, sommige in de verte, hoorde vallen, opgevolgd door een oorverdovend krijgsgeschreeuw, vergezeld van een gedreun, gelijk aan het wegrollend geluid van de donder. Die geluiden waren niet te miskennen. Het was de oorlogskreet van een Zulu-impi, die ik had vernomen; het gedreun ontstond door hun slaan op hun schilden.
Er was geen ogenblik tijds te verliezen; ons lager werd aangevallen, ons aller leven was in gevaar. Ik greep mijn roer en ammunitie, riep mijn vrouw toe gereed te zijn mij van verdere ammunitie te voorzien, sprong uit de wagen, en ijlde naar de lagerpoort. Reeds waren enige mannen, waaronder Gert Maritz, mij voor. De dag begon aan te breken. De lichtgrijze wolkekroon op het Umpufane Gebergte nam reeds een gulden tint aan, voorbode van het verrijzen van de zon boven de kim. Zal die zon heden slechts onze naakt uitgeschudde en in koelen bloede misvormde lijken beschijnen? was de vraag die stilzwijgend in mijn beklemde borst omhoog steeg. De gedachte: strijd, en moet het zijn, sterf, als een man, scheen als antwoord op die vraag in mijn binnenste te klinken. Bij het schemerachtig licht zag ik ons lager, zoverhet oog reikte, omgeven door zwarte gedaanten, met de assagaai in de ene, het schild in de andere hand, ons steeds vaster insluitende in de kring des doods. Bij de lagerpoort drongen zij reeds in, en aan de voeten der voorsten herkende ik het lijk van Sijbrand de Klerk, de jongste en lievelingsbroeder van mijn vrouw, die het schot, dat het lager gewekt had, had gelost, en op zijn post als poortwacht, door dozijnen scherpgevlijmde assagaaien doorboord, de dood als een man in het aangezicht gezien had; want hij lag er niet alleen: vier Zulu's waren door zijn hand naast hem gevallen. Doch tijd tot verder denken was er niet. Er moest gestreden en het lieve leven zo duur mogelik verkocht worden. Ons geweervuur op de bij de lagerpoort indringende Zulu's, deed zovelen hunner neerstorten, dat hun lijken de ingang half versperden, en vóór zij zich van de ontstane schrik hadden hersteld, hadden wij een wagen, die gelukkig los in het lager stond, voor de lagerpoort getrokken, en begonnen we een gestadig, maar onafgebroken vuur op hun dicht opeengehoopte drommen te richten. De strijd was woedend. Terwijl de voorste gelederen der Zulu's trachtten de aaneenschakeling van onze lagerkring, door het wegnemen der staketsels, te verbreken en bres te maken, tot instorming binnen het lager, wierpen de volgende gelederen een wolk van assagaaien over en in de wagens; terwijl de achtersten, als van de duivel bezeten, rondsprongen en dansten, onder een vervaarlik geschreeuw, met knopkieries, strijdbijlen en assagaaien op hun schildvellen slaande. Wij telden slechts drie en dertig weerbare mannen, over verschillende punten verdeeld, om de vijand tegen te houden;maar wij werden door de vrouwen en kinderen krachtdadig bijgestaan. De vrouw van Gert Maritz met haar dochter stond aan zijn zijde.Zomerkte ik ook op, hoe een vrouw het hoofd van een Zulu, wie het gelukt was onder een wagen door te kruipen, met één bijlslag kloofde, eer hij zich in het lager oprichten kon; terwijl een tweede Zulu, die hem volgde door haar zoontje werd doorstoken met een assagaai, genomen uit de bundel, aan de stervende hand van zijn makker ontvallen. Maritz spoorde ons met kalme, maar krachtige en doordringende stem aan, op God te vertrouwen, en tot de laatste ademtocht te strijden; geen ammunitie te verspillen, maar te zorgen, dat ieder schot raak was. Daar droegen wij ook zorg voor. Er viel geen schot dat zijn doel miste; dat was trouwens ook bijna onmogelik, bij het schieten onder de opeengedrongen zwarte massa, die ons omgaf. Onze met lopers gevulde zakjes kwamen ons hierbij goed te pas. Mijn bandelier begon leeg te worden, toen een hand mij op de schouder werd gelegd; mijn vrouw stond naast me, en geen acht schijnende te slaan op de rondvliegende assagaaien, overhandigde zij mij een gevulde kruithoorn en een tasje met kogels en loperzakjes gevuld. Ik zag dat zij een roer in de hand hield. De aandrang der Zulu's bij de lagerpoort was nu bijna overweldigend geworden. Mijn vrouw week niet meer van mijn zijde, maar hanteerde haar geweer als de beste man. De zon, die ik gevreesd had, nimmer weer te zullen zien opgaan, rees tans over de kam der Umpufane Bergen en dreef z'n stralen in onze door kruitdamp beschaduwde kampplaats. Ons lager was als omslingerd door een zwarte gordel van Zulu-lichamen, rustende op een bloedig rodegrond, waaruit het gekerm en gesteun der gewonden en stervenden onafgebroken werd vernomen. Deze aanblik, die onze moed verlevendigde, scheen onze vijand te ontzetten. Wij vuurden nog gestadig door, toen de vijand eerst langzaam maar daarna steeds sneller en sneller terugdeinsde, en weldra in de richting van het Zuiden, langs de rivier de vlucht nam. Een zucht van verlichting, een stille bede van dankzegging steeg tot de Almachtige uit onze harten op. Bij een haastig onderzoek bleek het, dat schoon velen onzer, sommigen zelfs ernstig gewond waren, niemand het leven verloren had, dan alleen onze arme poortwacht, wiens vertrapt en met Zulu-gesneuvelden bedekt lijk nog in de lagerpoort lag. Geen tijd was er tot overdenken, treuren of rusten. In alle richtingen hoorden wij in de verte het krijgsgeschreeuw der Zulu's vermengd met geweerschoten. Wij, die er in geslaagd waren de vijand af te slaan, moesten onze broeders te hulp snellen. Maritz gaf dadelik bevel, dat twaalf onzer, op onze beste paarden gezeten, met hem de vluchtende vijand zouden vervolgen, terwijl de overige twintig mannen het lager zouden beschermen, en zoveel mogelik de versterkingen zouden verbeteren en herstellen. Dra zaten wij de vijand op de hielen, die door onze kort op elkander volgende aanvallen aangehitst, snel en in volslagen vlucht voorttoog. Wij dreven hen in de richting van een lager, door de Prinsloo's en Botha's aan een kleine spruit opgeslagen. Geen geweervuur klonk ons tegen. De vluchtende Zulu's snelden het lager voorbij. Waarom bleef alles zo stil in het kamp onzer vrienden? Wij bereikten de plaats, en zagen met afgrijzen wat gebeurd was. De vijand hadhet lagertje overmeesterd, en aan geen enkele blanke het leven willen laten. Tussen stukgeslagen huisraad, opengebroken kisten, losgereten bedden, lagen de nog warme, bloedende lijken van mannen, vrouwen en kinderen verspreid. Vele der lichamen waren naakt uitgeschud; de borst en de buik opengesneden, als van een geslacht beest, en de ingewanden uitgesleurd. Het lijk ener jeugdige moeder lag met assagaaisteken doorboord, de schedel met knopkieries te pletter geslagen, met de starre, koude blik naar het azuren luchtgewelf gericht, als smeekte haar verkild oog de Grote Goede Geest des levens, die boven lucht en wolken troont, om erbarming; en naast haar in het vertrapte gras, ontijdig als een bloem des velds afgeplukt, lag het lijkje van haar enige maanden oude zuigeling, die aan de beschermende moederborst ontscheurd, het hoofdje tegen een wagenwiel vermorzeld, naast het moederlijk neergeworpen was. Uit een der wagens stroomde bloed langs de leer, en lekte door de reten van de buikplank. Wij vonden in de wagen de lijken van twintig vrouwen, die in doodangst elkander daarin verdrongen hadden, om allen onder het moordend wapen van de Zulu te bezwijken. Hier was voor het ogenblik niets voor ons te doen. Wij kwamen te laat; te laat om iemand te redden. Maar hoger op, aan de voet van het gebergte, weerklonk nog een zwak maar geregeld onderhouden geweervuur: daar konden wij helpen, daar konden wij redden, daar konden wij misschien het schuldig bloed doen stromen, ten zoenoffer voor het onschuldig bloed der onzen, dat nog niet op de aarde was gestold.—Wij wendden de teugel in die richting. Maar ik kan mijn verslag niet voortzetten.Mijn gemoed overstelpt me. Laat mijn medeboden voortgaan met het schokkend verhaal.”
In ernstige aandacht verzonken, had men van Staden's verhaal aangehoord, zonder de spreker in de rede te vallen. Slechts af en toe een diepe zucht verlichting aan het beklemd gemoed, of werd met de rug van de hand een onbedwingbare traan van de oogleden gewist.
Toen van Staden zweeg en zijn plaats hernam, stond Piet Maré op en zei: “Ik had liever gezien, dat oom Stoffel ons verslag geheel had afgedaan, maar daar hij zich op ons beroept, zal ik verder gaan. Ik bevond me in het kleine lager van de van Rensburgs. Wij waren achttien man sterk, en hadden ons lager in de best mogelike orde, want gedachtig aan het woord: “Wees oprecht als de duif, maar voorzichtig als de slang”, betrouwden we de vrede niet. In de vroege morgen van de 17de werden we gewekt door onze poortwachter, die door het lager liep, uitroepende: “Verraad! Verraad! De Zulu's bestormen ons. Te wapen! Te wapen!” In een oogwenk waren wij allen, slechts half gekleed, maar ten volle gewapend, naar buiten gesprongen. Rondom ons hoorden wij op enige afstand de oorlogskreet der Zulu's weergalmen, vermengd met geweerschoten en hulpgeschrei, terwijl een gestadig gedreun langs de oever van de rivier ons het aanrukken van een Zulu-afdeling op ons lager aankondigde. In weinige woorden verhaalde ons de poortwacht, dat hij wel enig rumoer vernomen, maar daar niets van gedacht had, totdat Klein Frederik Bezuidenhout ademloos bij het lager kwam aanlopen, uitroepende, dat hun gehele afdeling door Zulu's overvallen en afgemaakt, en dat hij de enige ontkomenewas, en verder de rivier op, de anderen zou gaan waarschuwen. Door de schemering zagen wij de Zulu impi in z'n halve-maanvormige slagorde, op enige honderden treden het lager naderen, en vóór hen, doch dichter bij ons een enkel persoon, waggelende en struikelende op ons aanlopen. Het was een blanke, een onzer broeders. Enigen onzer sprongen hem tegemoet, en vingen hem in hun armen op, juist toen zijn krachten hem begaven, en hij dreigde neer te storten, om nimmer weer op te staan. Met haast werd hij in het lager gedragen. Zijn lichaam, waarin nog twee assagaaien staken, was met wonden overdekt. Het was Jan Oosthuizen, de wakkere, vrolike, levenslustige Jan, die ons zo honderden keren met zijn grappen vermaakt had. Zijn uur was echter geslagen. Met zwakke stem zei hij nog: “Vrienden, onze afdeling is uitgemoord. Ik heb u willen waarschuwen, en ben daarin geslaagd. Heer! wees mij arme zondaar genadig!” Zijn lichaam kromp ineen. Een laatste, bange ademtocht, en Jan zeeg dood in onze armen terug. Zachtkens legden wij hem neder op het met dauw bedekte gras.—Verwijlen konden wij niet. Het midden van de Zulu impi was reeds tegen ons lager; de beide hoorns daarvan begonnen ons geheel in te sluiten. Wij grepen het geweer, en begonnen wakker op de aandringende horden los te branden. Maar, waartoe in biezonderheden te treden. Wij streden tegen de overmacht als mannen die wisten, dat ons eigen leven, zowel als dat onzer vrouwen en kinderen afhing van de uitslag van de strijd. Eén vrees beving ons; ons kruit en lood was ontoereikend om de slag lang vol te houden; doch spoedig voorzag de Heer daarin, want aan de rechterzijdevan ons lager sloegen Marthinus Oosthuizen,1)Abram de Boer en Jaap Naudé zich door de vijand, en bereikten ons, een aanzienlike hoeveelheid ammunitie met zich brengende. Vier der onzen waren reeds gevallen, en verscheidenen waren gewond, toen wij een troepje ruiters dicht bij ons lager zagen verschijnen. Het was Gert Maritz met zijn twaalf mannen. Ook de vijand zag de ruiters, die nu in volle vaart op hem afkwamen. Hij scheen een ogenblik te aarzelen, maar liet toen af, en vluchtte in zuidelike richting weg. De strijd was echter niet geëindigd. Wij begonnen dadelik de overgeblevenen der verschillende afdelingen te verzamelen, en tot één lager te vormen, en waren nog slechts weinig hiermede gevorderd, toen wij uit het zuiden de Zulu's zagen terugkeren, in dichter drommen dan toen wij hen pas hadden teruggeslagen. Ook zij hadden hun verspreide benden verenigd, en waren nog door hun opgekomen achterhoede versterkt. Met de grootste woede en doodsverachting bestormden zij ons nu slechts half voltooid lager, kropen door de staketsels en klauterden over de wagens, een regen van assagaaien op ons richtende; maar hoewel het hun gelukte velen onzer te verwonden en dodelik te treffen, overmeesteren konden zij ons niet en werden telkenmale afgeslagen. Zo duurde het gevecht, bijna zonder tussenpozen voort tot in de namiddag, toen het zwarte leger terugdeinsde en spoedig geheel op de vlucht sloeg. Om hen geheel terug te drijven, zonden wij hen een afdeling ruiters achterna, die hen tot zonsondergang vervolgde, wegdreef en honderden doodde. Wat zal ik hier nog bijvoegen? Wij hebben onze doden verzameld en begraven; meer dan zes honderd werdenaan de aarde toevertrouwd. De gewonden hebben wij bijeen gezocht, maar, helaas, slechts weinigen hebben wij gevonden die hoop geven op herstel. De Zulu's verstaan het moordenaarswerk maar al te wel. Onder de lijkehoop in het lagertje der Prinsloo's vonden wij Hannie van der Merwe, die zes en twintig, en Grietje Prinsloo, die twee en twintig assagaaisteken had gekregen. Beiden waren nog in leven, en leefden nog toen wij het lager verlieten. De volgende dag vroeg Maritz vrijwilligers om u de treurmare te brengen. Wij boden ons daartoe aan, en door God behoed, hebben wij onze taak volbracht.”2)
“En weet ge wat er geworden is van Retief en zijn patroelje?” vroeg Uijs.
Andries de Klerk antwoordde: “Met zekerheid is ons nog niets bekend; doch bij mij, bestaat er geen twijfel, dat de aanval op onze lagers plaats vond, nadat Retief en de zijnen waren vermoord. Hoe kan men verwachten dat Dingaan hun ooit het leven gelaten zal hebben, waar zijn krijgslieden zelfs niet het kind aan de borst hebben gespaard? En bovendien, op de lijken der verslagen Zulu's vonden wij verschillende voorwerpen, die aan Retief en zijn tochtgenoten hadden behoord.”
Uijs richtte zich op en riep met fonkelende ogen: “Broeders! Lang beraad is overbodig. Omtrent één punt heb ik niets te overwegen, niets te denken of te beraadslagen. Wij moeten gaan, en dat wel onmiddellik, en onze broeders in Natal te hulp snellen. Zo God wil, zullen wij het vergoten bloed wreken. Wat zegt ge?”
Een eenparig: “Ja! wij zijn met u!” klonk als antwoord op zijn vraag.
“Welnu,” hernam hij, “dan is onze vergadering geëindigd. Een ieder make vrijelik bekend wat hij tans heeft vernomen. Wij zullen met een paardekommando vooruittrekken, het lager kan langzaam volgen. Ik zal onmiddellik boden zenden naar de andere afdelingen aan deze zijde der bergen, en een verzamelplaats bepalen. De mannen die mij zullen vergezellen, zal ik uitkiezen, doch een ieder make zich gereed, want ik wil van avond nog een schoft afleggen. En nu! Laat elk onzer zijn plicht doen.”
Hiermede was de vergadering van de Krijgsraad afgelopen en met bedrukt gemoed ging men uiteen.
Kasper Strijdoms verhaal van de dood van Pieter Retief.
In angstige spanning hadden de lagerbewoners de afloop van de zitting van de Krijgsraad afgewacht, en waren merendeels in de nabijheid van de tent vergaderd gebleven. 't Was geen blote nieuwsgierigheid die hen bezielde; integendeel, een innigebelangstellingin, een kommervolle bezorgdheid voor hun dieper landwaarts ingetrokken vrienden en bloedverwanten beheersten de gemoederen. Zodra de personen, die de Krijgsraad hadden uitgemaakt, zich buiten vertoonden, werden zij dan ook dadelik omringd door mannen, vrouwen en kinderen, en vormden zich weldra door het lager groepjes, in levendig en druk gesprek, gekenmerkt door een sombere, treurige afwezigheid van alle luidruchtigheid, ongetwijfeld toe te schrijven aan het droevig onderwerp hunner besprekingen.
Piet Uijs bleef, nadat de anderen de tent hadden verlaten, in diep en droevig gepeins verzonken, met het hoofd op de hand, bij de veldtafel zitten. Een gordijn, dat het achterste gedeelte van de tent, tot slaapvertrek ingericht, van het voorste gedeelte scheidde, werd ter zijde geschoven,en een vrouw van middelbare leeftijd, kwam met lichte tred naar binnen. De grootste eenvoud, maar tevens een eenvoudige, bijna onbeschrijflike sierlikheid en netheid kenmerkte haar kleding. Statig van gestalte, blonken moederlike tederheid, zachtheid, maar gelijktijdig ook beslistheid van karakter uit haar fijnbesneden trekken, uit haar donkerblauwe ogen. Zij was de levensgezellin van Uijs, de fiere en toch zo zachte Alida Maria Uijs, een vrouw, die in andere omgeving, onder gunstiger omstandigheden, zou geschitterd hebben door haar geestesgaven, uitgeblonken door adel des gemoeds, evenals zij tans in de meer nederige, maar niet minder gewichtvolle kring, waarin de Voorzienigheid haar leidde, het voorbeeld gaf en uitblonk in al die hoedanigheden, die de vrouw als vrouw en moeder sieren, haar voor de man het edelst kleinood van de Schepping, de grootste gave Gods maken. Zij sloeg de armen om de hals van Uijs en drukte een kus op zijn voorhoofd.
“Diep in gedachten verzonken, Pieter,” zei zij, “en geen wonder. Waar de meesten onzer elkander toeriepen: Vrede! vrede, en geen gevaar! is dood en verderf tussen ons neergestort met de snelheid van de bliksem. En toch: Ik ken de Rots waarop wij bouwen. Hij faalt niet, die Zijn hulp verwacht.”
Piet Uijs sloeg zijn arm om het midden der hem zo dierbare vrouw, en trok haar naast zich op een veldstoel. “Je hebt dan alles gehoord, Alida? Je weet de slag die onze trek getroffen heeft, in al zijn zwaarte? Je weet, dat het schone doel, waarvoor wij huis en haard, overvloed en gemak in de oude Kolonie verzaakt hebben, gevaarloopt geheel te worden verijdeld? Je hebt vernomen dat ik heden nog vertrekken moet, om te redden wat nog te redden is?”
“Ja, ik weet alles, lieve man! Maar hebben we niet onze Ebenhaëzer3)opgericht, toen we vol moed en vertrouwen op de Heer onze gedenksteen plantten, ter gelegenheid dat we, voor de eerste maal aan deze zijde van de Oranje Rivier, het dierbaar Evangelie hoorden verkondigen, en door Zijn heilig Sakrament gemeenschap hadden met onze Heer en Verlosser? Kome wat wil, lieve Pieter, ons hart blijft zeggen: “Voor eeuwig met de Heer.” Slechts weinig tijds blijft je over. Kom, laat ons doen wat nodig is.” Zij pinkte een traan uit het oog, en drukte zacht de hand van haar echtgenoot.
“Je hebt gelijk, mijn dierbare. Ik moet handelen, en dat wel dadelik. Ach, ware het mogelik dat je met mij kon gaan.”
“Nee lieve man, dat kan nu eenmaal niet zijn. Je plicht roept je tans aan het hoofd van het Kommando; mijn plaats is in het lager. Beloof me echter: Dirkie zal niet met je gaan. Ik begeer het dat hij bij me blijft.”
“Ja, lieve Alida! Ik heb al bij mezelf besloten, dat Dirk bij je blijven zal. Ook oude Galant zal ik niet meenemen. Ik weet dat Dirk en hij zich reeds er op spitsen, om met me uit te trekken; maar voor ditmaal moeten zij tevreden zijn om achter te blijven. De tocht over het gebergte is met wagens niet zonder gevaar, en als Dirk en Galant bij je zijn, kan ik gerust wezen. Kiewiet zal als achterruiter met me gaan. Macht wacht, ik zal Galant roepen.”
Op zijn geroep kwamen Galant en Kiewiet en ook Dirk, die zich in de nabijheid bevond, aanlopen.
“Dirk,” zei Uijs, “zeg dadelik aan oom Barend Greyling, dat hij Philip Liebenberg en Daniël van Vuren moet aanzeggen om zich gereed te houden, binnen een half uur te vertrekken, om een rapport te brengen aan de twee andere afdelingen van onze trek, en om zich daarna bij het Kommando te voegen, waarmede ik van avond naar Natal trek. Hun brieven moeten zij hier komen halen.”
Zodra had Dirk zich niet verwijderd, of Uijs wendde zich tot Galant met de woorden: “Wel outa, deze keer zal ik jou moeten achterlaten. Kiewiet zal mijn achterruiter wezen, en jij moet hem helpen om alles behoorlik in orde te maken, zodat er aan mijn uitrusting niets mankeert.”
“Dat is een mooie grap, baas Piet!” viel de oude dienaar verontwaardigd uit. “Ik ben wel oud, maar wie heeft Baas groot gemaakt? Wie heeft Baas leren schieten, en zwemmen, en paardrijden? en wie is al die jaren lang, net zoals een hond, overal gegaan, waar Baas gegaan is? Nee, Kiewiet kan bij het lager blijven. Hij is nog jong, en heeft niet zoveel verstand en kennis als ik. Ik ben de man, die met mijn Baas zal samengaan.”
Vriendelik rustte het oog van de Kommandant op zijn oude, getrouwe en blijkbaar verstoorde dienaar. “Dat is wat ik van mijn oude Galant verwacht had,” zei hij, “maar wie zal de ounooi oppassen, en haar veilig over het gebergte brengen, als ik en Galant beiden weg zijn? Kiewiet is nog te jong om de wagens veilig te drijven.”
Deze vraag bracht de oude blijkbaar in verwarring.—Hijstond aan zijn kroeselig haar te trekken, onderwijl zoekende naar een uitkomst uit dit vraagstuk. “Ja,” zei hij eindelik met een zucht, “de ounooi moet goede hulp hebben; maar gaat Baas Dirkie ook met de Baas saam?”
“Nee Galant, Dirk blijft ook achter. Aan jou en aan hem vertrouw ik mijn vrouw, mijn andere kinderen en mijn goederen toe.”
“Wat vader!” riep Dirk uit, die zijn boodschap verricht hebbende, pas teruggekeerd was, en de laatste woorden gehoord had. “Versta ik vader wel? Moet ik achterblijven? Dat kan u niet menen. Ik was zo zeker dat ik met u zou uittrekken. Galant en ik hebben ons reeds geheel klaar gemaakt.”
“Mijn zoon,” zei Uijs met vastheid, “het doet me leed, dat ik je moet teleurstellen, maar ik kan geen tijd verliezen met onnodig gepraat. Gaarne nam ik jou en Galant mee, maar dit kan niet. Je wilt toch je moeder de verre tocht naar Natal niet alleen laten doen?Nee, niet waar? Welnu, jij en Galant zullen voor haar zorgen, en ben je eenmaal in Natal aangekomen, dan zal je met Galant, zo de Here wil, mij vergezellen als ik uittrek.”
“Ja, Baas Dirkie,” viel de oude dienaar in, “ik zie nou, dat het niet anders kan; wij tweeën moeten de nooi en de kinders over de weg brengen. We moeten toegeven en blijven.”
“Goed, vader,” zei Dirk, “ik zie in dat ik blijven moet. Ik zal, voor zover ik kan, moeder beschermen en haar veilig bij u brengen.”
“Dat is gesproken als een man, Dirk,” hernam zijn vader, “dat is verstandig en braaf van jou en Galant.Help nu alles voor me in gereedheid brengen. Ik moet gaan schrijven.”
Hij zette zich neder, en richtte twee korte briefjes aan de Kommandanten der twee lagers, die op enige uren afstand ten Zuid-Oosten, aan de Elandsrivier waren opgeslagen, hun het gebeurde meldende, en verzoekende zonder verzuim met de helft hunner weerbare manschappen op te rukken naar de verzamelplaats bij de kloof waar het pad begon, waarlangs men het Quathlamba Gebergte moest overtrekken; met verdere last, dat de lagers dadelik opbreken en het Kommando volgen moesten.
Nauweliks had hij zijn taak afgedaan, of Liebenberg en van Vuren meldden zich aan. Zij waren geheel reisvaardig, ontvingen hun brieven aan de lager-Kommandanten met de mondelinge instrukties van Uijs, drukten hem ten afscheid de hand, sprongen in de zadel en spoedden zich voort, door hun achterruiters gevolgd.
Te drie uur des namiddags waren al de weerbare mannen, in rijen geschaard, verenigd op de grasvlakte, aan de overzijde van de spruit, tegenover de lagerpoort. Zij waren omtrent honderd vijftig in getal, maar telden velen in de gelederen, die nauweliks de kinderschoenen waren ontwassen. De Kommandant bevond zich met de veldkornetten voor het gelid, en begon de namen op te lezen van hen die deel zouden nemen aan het Kommando. Hun getal was vijftig, en toen zij, man na man, bij het aflezen hunner namen, uit het gelid waren getreden en in een afzonderlike groep stonden geschaard, bleek het dat Uijs de jonge, krachtvolste mannen tot zijn metgezellen had uitgekozen.Niemand had geweigerd of enige onwilligheid betoond om tot deze keurbende te behoren: daarentegen hadden velen verklaard als vrijwilligers mede te zullen trekken; en eerst nadat de Kommandant met nadruk er op gewezen had, dat het lager het Kommando ten spoedigste zou volgen, en dat al de achterblijvenden onmisbaar waren tot het over de weg brengen der wagens en voor de bescherming der vrouwen en kinderen, onderwierp men zich aan zijn beschikkingen.
Een uur later, en het kleine kommando verliet het lager, marsvaardig, en voor de gevaarvolle tocht geheel uitgerust. Proviand, ambulance en ammuntiewagens voerden zij niet met zich. Iedereen had in zijn zadelzakken mondkost voor enige dagen, bestaande uit beschuit en biltong; ook een ekstra hoeveelheid ammunitie en enige kleinigheden, die op de tocht nodig en nuttig konden zijn. Verder geleidden de achterruiters onderscheiden pakpaarden, beladen met levens- en krijgsbehoeften en een en ander dat voor de tocht nodig werd geacht.
Reeds naderde de zon de gezichteinder, toen het kommando de hoogte besteeg, vanwaar men in de morgen de verschijning van de brandwacht met zoveel angst had verbeid. Met betraande ogen zien moeders, vrouwen, zusters en kinderen de kloeke ruiters achter de rand van het hoge veld verdwijnen. Menig stil gebed voor het behoud dier dierbare dapperen rijst tot de troon van de Hemelse Vader op. En zij, die mannen, die een onzekere toekomst, misschien de geopende kaken des doods te gemoet rijden? Zij duchten geen gevaar. Maar de meesten hunner, alvorens het lager achter de kam van de hoogte uit hetgezicht verdwijnt, wenden zich om in de zadel, en werpen een lange, laatste blik op de plaats, waar zij de dierbaren, uit wier armen zij zich bij het afscheid zoëven hebben losgemaakt, hebben achtergelaten.
“Voorwaarts mannen! De zon zakt. Wij moeten ons spoeden de Elandsrivier te bereiken,” klinkt de stem van de Kommandant. De paarden worden in galop gezet, het zware roer wordt vaster omklemd, en voorwaarts gaat het, over de met golvend gras overdekte vlakten, aan de Amerikaanse prairieën gelijk.
Daags daarna, tegen het vallen van de avond, naderde het kommando de verzamelplaats aan de voet van het gebergte, en merkte met verbazing op, dat een lager, uit een aanzienlik getal wagens samengesteld, de ruimte besloeg, waar men van plan was te kamperen. Wat kon dit betekenen? De andere afdelingen van hun trek konden dit niet zijn: deze werden eerst gedurende de nacht of tegen de volgende morgen, en dan nog zonder wagens, hier verwacht. In ieder geval ook konden zij met wagens onmogelik reeds hier zijn aangekomen. De Kommandant gaf enige mannen bevel hem te volgen, en reed ter verkenning vooruit, recht op het lager af, dat ongetwijfeld aan blanken, dus aan vrienden behoorde, en waar men reeds een groep mannen bij de lagerpoort onderscheiden kon. Naderbij gekomen, herkenden Uijs en zijn metgezellen in onderscheidenen der hen afwachtenden, mannen, die zij waanden in Natal te zijn. Welk nieuw onheil was er gebeurd? Waren de blanken andermaal door de Zulu's aangevallen en uit Natal en over het gebergte gedreven, en bevatte het lagertje dat zij zagen, alles wat overgeblevenwas van de grote trek, die meer dan duizend wagens sterk was? Men had het lager bereikt. Met drift sprong Uijs van zijn paard, en met een algemeen: “Goede avond, vrienden!” de groep groetende, gaf hij de hand aan een reeds vrij bejaard man, die met merkbare vreugde vooruit was getreden, en zei: “Goede avond, oom Kasper; hoe zie ik u hier terug, in plaats van in Natal, zoals ik verwacht had?” De oude man, die Kasper Strijdom heette, en in sommige opzichten een invloedrijk lid van de grote trek was, antwoordde: “Ik ben blijde, neef Pieter, dat ik je nog de hand drukken kan. Je weet het reeds, van velen die met ons saamgetrokken zijn, is in de laatste tijd de hand voor eeuwig verstijfd. Je vraagt met verwondering, hoe je mij hier ziet; sedert de boden naar je werden afgezonden, en tot vijf dagen geleden, toen wij het lager der onzen in Natal verlieten, is er niets verder voorgevallen, en hebben de Zulu's ons met rust gelaten. Wij hebben echter besloten dat gevaarlike land te verlaten en naar vreedzamer streken terug te trekken. Daarom vindt ge ons hier.”
Een minachtende lach plooide voor een ogenblik de lippen van Uijs. Zijn vriendelike trekken werden strak en streng, terwijl hij een fonkelende blik wierp op de forse mannen, die met Strijdom nader getreden waren. Toen viel hij uit: “Mijn God! Ik, die met mijn mannen aan deze zijde van de bergen, uit het gevaar en buiten de vonken ben, ik trek naar Natal om mijn broeders, waaronder ik u telde, te helpen in het beschermen van lijf en leven, in het tuchtigen van een verraderlike zwarte vijand, en hier vind ik u, voor die vijand gevlucht! Hiermoet ik vernemen, dat ge uw lotgenoten in het gevaar alleen hebt gelaten. Heeft ouderdom u de moed ontnomen, oom Kasper? Voorwaar, u bent na genoeg bij het graf, om de dood niet meer te vrezen. En uw metgezellen? Krachtige mannen. Moet ik het beleven, dat Afrikaanders de vijand vrij laten moorden en hem de rug toekeren? Oom Kasper, daar nadert mijn Kommando. Ik ga mijn kamp voor de nacht in orde brengen, en keer dan tot u terug om verder hierover te spreken. Tot weerziens!” En gloeiende van verontwaardiging sprong hij te paard en wendde de teugel.
Schaamte had Strijdom en de hem omringende mannen bevangen, en belet aan Uijs enig antwoord te geven. Toen hij echter vertrokken was, liet een stem zich horen. Het was Andries Viljoen, die zei: “Uijs heeft recht; ik heb me laten overhalen om te vluchten, maar nu ga ik met hem terug.” “En ik! En ik!” klonk het van verschillende zijden.
Voor het geheel donker was geworden voegde zich een ruiterbende van dertig mannen, onder leiding van Philip Liebenberg, bij het Kommando, en bracht het bericht dat de andere afdeling, met Daniël van Vuren als gids, vroeg in de morgen verwacht kon worden.
Spoedig waren de eenvoudige toebereidselen voor de nacht gemaakt. De paarden werden gekniehalterd, of zoals men het ook wel noemt, gespannen, en onder toezicht van een twaalftal achterruiters, toegelaten rondom het kamp te grazen. De brandwachten en schildwachten werden uitgezet, de kampvuren ontstoken, de waterketels bij de vuren geplaatst, en nauweliks was de koffie gezet,of de vermoeide mannen begonnen met smaak het eenvoudige maal te nuttigen.
Het was een schilderachtig toneel. Op de voorgrond deze gebaarde mannen, in allerlei houding, zittende, staande, neergehurkt of op het gras uitgestrekt; nu eens hel verlicht door de opflikkerende vlammen der wachtvuren, dan weer in een twijfelachtige schaduw teruggeworpen, als de vlammen daalden. En op de achtergrond het eveneens verlichte lagertje, met zijn witte wagenkappen, waarop door het afwisselend licht en donker de grilligste figuren en schaduwbeelden werden getekend. Het geheel genesteld aan de voet van het zich groots en somber, de sluier van de nacht als doorborend, naar de Hemel verheffend gebergte. Voorwaar, een tafereel, het penseel van een schilder als de ItaliaanSalvator Rosawaardig.
Het avondmaal geëindigd, schaarden de manschappen zich staande, met ontblote hoofden, om de Kommandant, die een kort maar vurig gebed van dank voor de genoten zegeningen, van kinderlik vertrouwen voor de toekomst uitsprak, en daarna, door allen gevolgd, de schone avondzang, Gezang 180 aanhief:
'k Wil U, o God! mijn dank betalen,U prijzen in mijn avondlied;Het zonlicht moge nederdalen,Maar Gij, mijn Licht! begeeft mij niet.Gij woudt mij met Uw gunst omringen,Meer dan een Vader zorgde Gij.Gij, milde bron van zegeningen!Zulk een Ontfermer waart Gij mij!
'k Wil U, o God! mijn dank betalen,U prijzen in mijn avondlied;Het zonlicht moge nederdalen,Maar Gij, mijn Licht! begeeft mij niet.Gij woudt mij met Uw gunst omringen,Meer dan een Vader zorgde Gij.Gij, milde bron van zegeningen!Zulk een Ontfermer waart Gij mij!
Statig ruisten de tonen van het lied, door de krachtigemannestemmen uit volle borst gestoten, door de lucht. Door gebergte en dal herhaald, steeg dat gebed, op de vleugelen des gezangs gedragen, als avondoffer opwaarts naar de troon van Jehovah, der vaderen God.
Toen de laatste klanken van het lied in de verte weggestorven waren, wendde Uijs zich tot zijn manschappen met de woorden: “Mannen, ik zal vooreerst niet gaan rusten. Ik wil verder nieuws van oom Kasper opdoen, en ook met hem de gevolgen van zijn vlucht, want anders kan ik het niet noemen, bespreken. Het staat je vrij, met mij naar het lager te gaan.”
Door de meesten der zijnen vergezeld, vinden wij Uijs enige minuten later terug, op een veldstoel bij het wachtvuur van Kasper Strijdom, naast deze gezeten. De oude man had hem bij zijn komst toegevoegd: “Neef Piet, je hebt me van avond slecht gezegd. Ik kan je woorden niet vergeten, en meen nog dat ik gegronderedenhad om Natal te verlaten.”
Het had de teerhartige, edelmoedige Uijs reeds half berouwd, dat hij in enigszins harde bewoordingen uitdrukking aan zijn verontwaardiging had gegeven; tans kreeg een gevoel van eerbied voor de grijze haren van de oude man, van medelijden met zijn zwakheid bij hem geheel de overhand, en hij zei op vriendelike toon: “Oom Kasper, ik was van avond bitter teleurgesteld, toen ik u en uw mannen hier aantrof, en gaf aan die teleurstelling in haastige woorden lucht. Tans spijt het me echter u gegriefd te hebben. Vergeet mijn woorden, en verhaal me liever omtrent de toestand der broeders, die ge hebt achtergelaten, en omtrent uw eigen plannen.”
“Neef Pieter, ik ben over de bergen teruggetrokken, omdat ik mijn laatste dagen in vrede, door de mijnen omringd, wens door te brengen; omdat het mijn begeerte is, dat mijn kinderen, als mijn uur komt, mij in een vreedzaam graf kunnen leggen. Dat zou in Natal niet kunnen gebeuren. De gruwelen door de Zulu's daar gepleegd, zijn je reeds bekend, en hoewel zij zich in de laatste weken stil gehouden hebben, vrees ik, dat dit slechts een kalmte is, die een zwaardere storm voorafgaat. Ik had liever gezien, dat allen met mij Natal hadden verlaten, doch zoals je ziet, hebben slechts weinigen zich bij mijn terugtrek aangesloten. Wij zijn nu voornemens eerst naar Moroka terug te gaan, en zullen ons dan in het land van Adam Kok neerzetten. Het land is zo ruim, er is volop gelegenheid om in veiligheid en rust te leven, en ik vrees, dat wij, door het gevaar te zoeken, in plaats van dat te vermijden, zelf de Voorzienigheid uittarten.”
“Wel, oom Kasper,” antwoordde Uijs, “twintig jaren geleden hebt ge anders gedacht, want anders waart ge u toen niet gaan vestigen bij de Gaika's in Brits Kafferland. Maar voor het ogenblik genoeg hiervan. Is er iets met zekerheid gehoord omtrent Piet Retief en zijn patroelje?”
“Ik zal je zeggen wat mij daaromtrent bekend is. Bij de kraal van Dingaan had een Engelse Zendeling, EerwaardeOwen, zijn statie gevestigd, en in die omtrek waren ook nog enige Amerikaanse Zendelingen. Deze heerOwenwas ooggetuige van de slachting van Retief en zijn mannen; van uit zijn woning heeft hij de moord aanschouwd. Dingaan had hem doen weten, dat hij zich nietongerust behoefde te maken: de Zulu's rekenden slechts af met de Boeren, en zouden de andere Blanken geen leed doen. De heerOwenstelde echter geen vertrouwen in het woord van het verraderlike opperhoofd. Enige dagen na de moord ontvluchtte hij met de heerWood, zijn tolk, en de Amerikaanse Zendelingen, en begaf zich op weg naar de nederzetting der Engelsen bij de Baai van Natal.—Onderweg zond hij een vertrouwbare bode naar ons af, om ons van het gebeurde te verwittigen, en ons te waarschuwen op onze hoede te zijn voor een aanval der Zulu's. Deze bode bereikte ons lager, twee dagen nadat de Zulu's ons overvallen hadden. Zijn verhaal komt hierop neer:
“Op de 3de Februarie was Retief met zijn patroelje te Umkungunhlovo aangekomen. Dingaan ontving hem met de grootste hartelikheid, en zei, dat nu de Boeren hem het vee, dat Sikonyella hem ontstolen had, teruggebracht hadden, hij volkomen overtuigd was van hun vriendschap. Dat hij een eeuwig verbond met hen zou sluiten, en zoals door hem beloofd, hun het land van Port Natal formeel in vrije eigendom zou afstaan. Men moest enige dagen als zijn gasten vertoeven, en die met feestelikheden en krijgsspelen doorbrengen; intussen zou een behoorlike akte van afstand van Natal aan de Boeren worden opgesteld. Een menigte Zulu's, bestaande uit de beste regimenten die Dingaan in het veld kon brengen, waren bij zijn kraal gelegerd, en hun getal groeide steeds door nieuwe aankomelingen aan. De feesten duurden twee dagen. De Zulu-regimenten voerden spiegelgevechten en krijgsdansen uit, en werden door de Boeren vermaakt met een wapenschouwing. De grootste vreugde en eensgezindheid schenente heersen, en de Boeren dachten nimmer aan het verraad, dat als een slang in het gras, het beste tijdstip afwachtte om hen te bespringen.Eindelik was de akte van afstand door de EerwaardeOwenopgetrokken, en in plechtig indaba door Dingaan en zijn Hoofdinduna's getekend, aan Retief overhandigd. Dingaan stond aan ons af de plaats Port Natal, met al het land daaraan gelegen, van de Tugela tot aan de Umzimvubu-rivier ten Westen, en van de zee naar het Noorden, zover het land bruikbaar was en Dingaan toebehoorde. Retief stak met blijdschap de belangrijke akte in de tas, die hem om de schouder hing, en wilde dadelik afscheid nemen. Ook de Zulu-Koning had reeds gezegd: “Vertrek in vrede,” toen hij plotseling volgen liet: “Maar nee, we zullen elkander zo zelden zien. Blijf nog een dag. We zullen te uwer eer nog een grote krijgsdans uitvoeren, dan drinken wij de afscheidsbeker, en ge vertrekt in vrede.”
Retief kon niet anders dan toestemmen, en verliet de kraal om zijn metgezellen de heugelike tijding van de afstand van Natal te brengen, Dingaan door zijn induna's omringd achterlatende. Een hunner, Manondo, vertelde daags na de moord van Retief aan de Zendelingen, wat onmiddellik op zijn vertrek gevolgd was.
Nauweliks hadden Retief en de paar Boeren die bij hem waren, hun de rug toegekeerd, of een helse grijns verving de vriendelike glimlach op het zwarte gelaat van Dingaan. “Blanke honden!” zei hij met hese stem. “Ge hebt vuurroeren, maar minder verstand dan de jakhals en ratel. Denkt ge, dat ik je zal laten vertrekken, om binnen kort terug te keren en mij te verstrikken, zoals ge hetSikonyella hebt gedaan.Nee, morgen zullen de aasvogels feestvieren, de klauwen slaan in uw blank vel, zich aan een nieuw soort vlees dik vreten. Morgen zult ge voor eeuwig in vrede gaan, want mij zult ge dan nimmer weer lastig vallen.” Zich tot de induna's kerende, vervolgde hij: “We zullen hen nog deze nacht gerust laten slapen. Morgen komen ze allen in de kraal, om de afscheidsbeker te ledigen. Maar volgens ons gebruik moeten zij eerst de wapens afleggen, en ongewapend voor me verschijnen. Ik zal hen vriendelik ontvangen; de krijgsdans zal beginnen, uitgevoerd door de dapperste regimenten. Ik zal een teken geven, en dat zal hun einde zijn. Wat dunkt u, mijn raadslieden?” Een goedkeurend gemompel, waarvan vrees om de koning tegen te spreken bij de meesten de oorzaak was, steeg van alle zijden op. Daar verhief zich Manondo. Zijn grijze haren, gerimpeld gelaat, gebogen gestalte gaven blijk dat hij een der oudste induna's was.””
“Ik ken hem goed,” viel Uijs de spreker in de rede. “Toen ik in 1834 deelnam aan de verkenningstocht naar Natal, en de Zulu's bezocht, maakte Manondo op mij een diepe indruk, door zijn waardige, mannelike houding en door zijn blijkbaar eerlik gemoed. Doch vergeef mij deze uitval.”
Strijdom hernam: “Hij stond met gebogen hoofd voor de koning, en sprak:4)“O,Grote Olifant, Eter der mensen! Geest van de Bergen! O, groot, zwart kalf! Laat mij toe te spreken, en te leven voor uw aangezicht. Luister naar de woorden van een oude, getrouwde dienaar, wiens hoofd reeds naar de aarde neigt, alsof de Grote Geest hem reeds dwong, zijn laatste rustplaats uit te zoeken. Handelniet alzo met de blanke mannen, die op uw koninklik woord vertrouwende, zich binnen het bereik van uw strijdbijl hebben geplaatst. Hun moord is werk voor een jakhals als Sikonyella, maar vernederend voor de Leeuw van Zululand. En o, Grote Olifant, wil met vrede luisteren naar de stem van een oude raadgever; met hun dood delgt ge het geslacht der blanken niet uit, maar zult hen die overblijven, aansporen wraak, en ik zeg het, gerechtvaardigde wraak te nemen. Denk aan de profetie van Tshaka, toen hij onder uw assagaai bezweek, aan zijn woorden: Mij vermoordt ge, denkende het land te zullen regeren, maar ik zie blanke mannen komen, en die zullen het regeren.”
Dingaan was in grote woede ontstoken; zijn gelaat was verwrongen, zijn ogen puilden uit zijn hoofd. “Hond van een induna!” schreeuwde hij, “durft ge mij aan die woorden van Tshaka herinneren? Juist om het leugenachtige van die voorspelling aan het Zuluvolk kenbaar te maken, zullen de blanken die hier zijn, sterven.” Hij had een assagaai uit de hand van zijn wapendrager genomen en scheen die op de vingers te wegen. Manondo stond steeds in gebogen houding voor hem. Ieder ogenblik kon zijn laatste zijn. Eindelik sprak Dingaan: “Manondo, Zuluhond! Ga van hier. Ter wille van je grijze haren zij heden je leven gespaard, maar pas op. Morgen zal het vlees der blanke honden de aasvogel en hyëna ten feest strekken.” Diep aangedaan verliet Manondo de intunkulu, of het koninklik verblijf, zich voornemende bij de moord niet tegenwoordig te zijn.
In de vroege morgen van de volgende dag, de 6de Februarie,waren Retief en zijn metgezellen voor de terugreis gereed, en begaven zich allen naar de koninklike kraal, om van Dingaan afscheid te nemen. Bij de ingang lieten zij hun paarden en geweren onder de zorg der achterruiters, en begaven zich te zamen, volgens kaffergebruik ongewapend, naar binnen. Zij vonden de Zulu-Koning omringd door zijn voornaamste induna's en enige gewapende mannen als lijfwacht, hen voor zijn grote hut afwachtende. Zijn gelaat blonk van vriendelikheid. Hartelik groette hij de blanken en begon door tussenkomst van zijn tolk een gesprek met de niets kwaads vermoedende Retief.
Tans kwam een regiment jeugdige krijgers het omsloten plein voor de hut binnen, en voerde een oorlogsdans uit. Zij plaatsen zich daarna in gelid, langs de zijden van het plein, om te worden opgevolgd door een der oudste regimenten, enige duizenden sterk, de veteranen van het Zululeger. Terwijl dezen de krijgsdans uitvoerden, en steeds al dansende en springende, eentonig zingende, met strijdbijlen en knopkieries zwaaiende, en de assagaaien in de hand doende trillen, de Koning en zijn gasten tot op weinige schreden naderden, om altijd weer achterwaarts te wijken, was het open plein langzamerhand bijna geheel met gewapende Zulu's bedekt. De afscheidsdronk, uit tywala, kafferbier bestaande, was door de Boeren gedronken, hun afscheidsgroet was aan Dingaan overgebracht; men wachtte op zijn laatste woord om zich te verwijderen, op te stijgen, en met vreugde in het hart over de gelukkige afloop van de zending, naar vrouw en kroost, naar vrienden en verwanten terug te snellen.
Daar stond de Zulu-Koning op; nog altoos vriendelikglimlachende zou hij de afscheidsgroet uitspreken. Ongelukkige Boeren! Hij ging hun doemvonnis vellen; en met de lach op de lippen, maar met verraad en bloeddorst in het hart, riep hij uit: “Bulala amatagati!”—slaat de tovenaars dood! Dat was het afgesproken teken; en de opeengehoopte krijgslieden wierpen zich als hongerige wolven op hun prooi.
Verrast door de aanval, begrepen de Boeren echter dadelik dat hun einde was gekomen, en riepen elkander toe, dicht aaneengesloten te blijven en hun leven zo duur mogelik te verkopen. Als een briesende leeuw wilde Retief zich op de verraderlike Dingaan werpen, maar deze week achteruit, terug achter zijn krijgslieden, hun toeroepende Retief levend te vangen, en tot het laatst te bewaren. De aan alle zijden ingesloten, van wapens ontblote Boeren, streden toch met de moed, aan de wanhoop ontleend. Zover hun oog reikte, zagen zij zich omgeven door de springende, dansende en schreeuwende massa van zwarte Zulu's, een uitbraaksel van de hel gelijk. En toch van uit Zijn hoge Hemel blikte God op dit schouwspel neer, en leende het oor aan de smeekgebeden om eeuwige genade, die uit de worstelende bende tot Hem werden opgezonden. Duizenden assagaaien, strijdbijlen en knodsen waren tegen de Boeren opgeheven. En zij? Een enkele hunner had een pistool, de anderen slechts hun zak- en Hernhutter messen. Toch stortte menige Zulu dodelik getroffen neder. Meer dan één, aan de strot gegrepen door de Boer die hij had doorstoken, werd met zijn stervende vijand ter aarde gesleurd, de gorgel dichtgenepen, om te zamen met zijn slachtoffer de laatste snik te geven. Velender Zulu's vielen, getroffen door hun eigen wapens, hun door de Boeren ontrukt.
Bijna een half uur duurde deze verschrikkelike worsteling voort. Retief, die levend was gegrepen, zoals het Zulu-monster bevolen had, moest deze slachting, deze bloedige kamp der zijnen aanschouwen. Wat er in de ziel van die dappere man gedurende deze marteling is omgegaan, weet God alleen. Eindelik is ook zijn ogenblik gekomen. De laatste zijner metgezellen is afgemaakt. Een induna, met een zware knopkierie gewapend, nadert hem van achteren, en doet de kierie met volle kracht op zijn onbeschermd hoofd neerdalen. Een doffe slag, een benauwde kreun, en Retief is op de knieën gevallen. Het bloed stroomt hem langs het gelaat. Als in een woordeloos gebed heft hij de gevouwen handen ten Hemel. Met opgeheven assagaaien storten de zwarte duivels zich op hem. Slechts weinige ogenblikken en het lichaam van deheldhaftigeleidsman der Boeren ligt roerloos op de met bloed bevlekte aarde, en zijn geest is teruggekeerd tot God, die hem de adem des levens had gegeven.
Zijn lichaam werd opengesneden. Het hart, dat zo moedig en trouw geklopt had voor de zijnen en het land van zijn geboorte, werd uit zijn binnenste gescheurd, en te zamen met zijn lever, als schoonste trofee van de overwinning, aan de Zulu-Koning gebracht, die deze liet begraven, in de weg die van zijn stad naar Natal leidde, als tovermiddel tegen de Boeren.
Ook van de achterruiters was niemand ontkomen. Toen hun meesters in de kraal werden aangevallen, waren zij ook reeds aan alle kanten omsingeld, en zij werden, zichdapper verwerende, doch tegen de overmacht niet bestand, tot de laatste man afgemaakt. De lijken werden gesleept op een heuvel buiten de kraal, en daar gelaten, de aasvogels en het roofgedierte ten prooi.”5)
Oom Kasper zweeg. Het einde van zijn verhaal naderende, was zijn stem al zwakker en minder vast geworden. Hij scheen geheel uitgeput, en bedekte met zijn handen het betraand gelaat.
Uijs zat somber voor zich in het wachtvuur te staren. Dit was dan het einde geweest van zovele dapperen; van de wakkere, trouwe vriend van zijn jeugd!
Al de anderen bewaarden een diep stilzwijgen. Een schok scheen door hen te varen toen Uijs met heldere stem de stilte verbrak en zei: “Dat onschuldig bloed roept om wraak. Dat zwarte verraad, in de hel ontkiemd, roept luide om vergelding. En ten volle hiervan bewust, keert gij, mijn vrienden, zonen van Zuid-Afrika, de moordenaars de rug toe? Ik zal de vijand te gemoet gaan; met Gods hulp hem straffen, en het broederbloed wreken; desnoods mijn leven laten in het volbrengen van die heilige plicht. Dat de ouden van dagen zich een toevluchtsoord zoeken en het gevaar ontwijken, is mij verklaarbaar; maar van weerbare, krachtvolle Afrikaanders kan ik dit niet verstaan. Zult gij de Zulu zich vrij op de moord aan uw eigen bloed gepleegd, laten beroemen, en de vrede, met gewetenswroeging doormengd, vergezeld van de verachting uwer landgenoten, gaan zoeken in het land van Adam Kok? Antwoordt mij broeders!”
Het was Andries Viljoen die antwoordde en zei: “Kommandant! Ik vrees niemand ter wereld; toch heb ik melaten overhalen door hen die mij dierbaar zijn, het gevaar en de vijand de rug toe te keren. Ik zelf twijfelde of dit recht gehandeld was, en uw woorden hebben die twijfel weggenomen. Ik ga geen stap verder, maar terug, en hoop in de ure des gevaars aan uw zijde te staan.” En weer klonk het: “En ik! En ik!” als in koor op zijn rede.
Kasper Strijdom stond op. “Broeders,” zei hij, “neem geen overhaast besluit. Wij zijn, sommigen vermoeid en afgemat, anderen weer bewogen en opgewonden. Luister naar de raad van een oud man. Ga slapen, en als ge morgen nog van hetzelfde gevoelen zijt, dan zeg ik: Moge de Here u geleiden en beschermen; en daarmede wens ik u allen een geruste nacht.”
Binnen een half uur lag èn kamp èn lager, door de schildwachten bewaakt, in diepe slaap gedompeld.