Aankomst van Piet Uijs bij het lager in Natal.
Nog lag het kamp in diepe rust. De schildwachten, hoewel reeds tweemalen afgelost, schenen door de slaap bevangen, en traden met lome schreden door het lange, met dauw doorweekte gras. De paarden, na zich aan het overvloedig groen te hebben te goed gedaan, hadden ook de vermoeide leden ter ruste gestrekt, en zich in het welig dekkleed der aarde verscholen, waaruit slechts hun koppen omhoog staken. In het Oosten begon de dag te lichten. Naar het Zuid-Westen hadden de schildwachten enig gerucht vernomen, dat zich weldra oploste in duidelik paardegetrappel, waartussen het geluid van mensestemmen hoorbaar was; een ruiterbende was in aantocht op het kamp.
“Werda!” bulderde een schildwacht en plaatste gelijktijdig het zware roer aan de schouder, gereed om indien nodig los te branden. “Vrienden!” klonk het antwoord uit de verte. “Machtig, Neels Botha! Jij bent een eerste klas schildwacht; dat kan ik je ter ere nageven. Maar laat nu maar die baviaansbout zakken. Ik ben Daniël van Vuren, en geleid de tweede afdeling van ons kommando.”
“Passeer, Danie,” antwoordde de schildwacht. “Gelukkigvoor jou, dat je geen Zulu bent, want anders was je nu zeker reeds bezig met gras in je mond te stoppen.”
De laatste afdeling van het kommando, achterruiters uitgesloten, zeven en dertig man sterk, reed het kamp binnen. Hun aankomst deed allen ontwaken, en spoedig was het gehele kamp in beweging. De half uitgedoofde wachtvuren flonkerden dra met vernieuwde vlammen, en toen de pas aangekomenen hun paarden afgezadeld en gekniehalterd hadden, was het helder dag, de koffie gereed, en werd de gezonde morgendrank door allen met gretigheid naar binnen geslagen.
Van Vuren had zich dadelik vervoegd bij de Kommandant, die zich onmiddellik bij de komst van de versterking uit zijn velkombaars bij het smeulende wachtvuur had gewikkeld, en op hem was toegetreden. In weinige woorden meldde hij, dat zij op één uur rijdens van het gebergte de nacht hadden doorgebracht en vroeg waren opgebroken om het kommando niet op zich te laten wachten.
Ook het lager was ontwaakt, en de meeste mannen, met Kasper Strijdom aan het hoofd, waren op het kamp toegetreden. Uijs had reeds de order gegeven: “Roep de brandwachten in. Maak het ontbijt gereed. Verzamel de paarden. Wij moeten hedenavond aan de overzijde van het Quathlamba gebergte ons kamp opslaan.”
“Wel, neef Pieter,” zei Strijdom, “je maakt je gereed om verder te gaan. Ook ik zal heden mijn weg vervolgen; maar de woorden, door jou gisteren avond gesproken, hebben velen mijner metgezellen bewogen van richting te veranderen, en zich bij je aan te sluiten. De Here beschermejou en hen. Ware ik jonger, ik zou waarschijnlik hetzelfde doen. Maar hier zijn zij. Laat hen voor zichzelf spreken.”
Hierop trad Andries Viljoen naar voren, en zei: “Kommandant, ik en dertien anderen met me, hebben na zorgvuldige overdenking en overweging met onze vrouwen, het vast besluit genomen, om naar Natal terug te keren. Wij willen ons onder u, als leider,scharen.”
“Mijn vriend,”antwoordde Uijs, “niets kan me meer welkom zijn dan je besluit. Heden, zoals ge zelf zult inzien, kunt ge me echter niet vergezellen. Ik heb haast om met mijn paarde-kommando in Natal te komen. Je wagens kunnen niet met me gaan, en achter- en alleen laten, kunt ge ze niet. Onze wagens zijn echter in aantocht, en hier is de verzamelplaats. Wacht dus hun komst af, en trek met hen terug over het gebergte.”
Dit plan werd dadelik door Viljoen en de anderen goedgekeurd.
Uijs bleef nog enige ogenblikken met hen in gesprek, en spoorde weer zijn mannen aan om haast te maken. Op de kruin van het gebergte kon men weer af zadelen, het middagmaal gebruiken en rust nemen.
Het duurde dan ook niet lang, en de zon was ter nauwernood van achter de bergen in het luchtruim gestegen, of de manschappen hadden hun morgenmaal genoten, de paarden stonden gezadeld, en men was gereed om te vertrekken.
Uijs trad op Strijdom toe en drukte hem de hand met de woorden: “Vaarwel, oom Kasper. Moge uw weg voorspoedig zijn.” “Vaarwel, neef Pieter, God zegene en geleideje!” zei de grijsaard bewogen. “Op aarde zullen we elkander zeker nimmer wederzien.” Hij had recht, de oude: dit was hun laatste ontmoeting op aarde.
“Voorwaarts!” klonk het uit de mond van de Kommandant. De ruiterbende zette zich in beweging, besteeg het steile bergpad, wendde zich om een bocht in de bergkloof, en had het lagertje en de hen nastarende mannen uit het gezicht verloren.
Twee dagen later, tegen het vallen van de avond, werd het grote lager, dat tussen de Tugela- en Mooi-rivieren door de overgebleven Boeren van de grote Trek was opgeslagen, in rep en roer gebracht door het bericht, dat een der voorposten met het rapport was ingekomen, dat een kommando uit het Noord-Westen, op het lager in aantocht was. In alle richtingen gingen boodschappers uit, om het grazende vee, dat reeds aan het terugkeren naar het lager was, met spoed in veiligheid te brengen; en aan alle voorposten werd bevel gezonden onmiddellik op het lager terug te vallen. Verwarring heerste er niet. Iedereen maakte, uiterlik bedaard, de nodige toebereidselen om de vijand te ontvangen; innerlik echter stormde het in menige boezem. Menige mannewang verbleekte, menig vrouwehart kromp ineen bij de gedachte, dat de schriktonelen die ze zo weinig tijds geleden hadden aanschouwd, gedurende de naderende nacht konden worden herhaald. Onverwachts was die dreigende overval echter niet. Onbekend met het feit, dat de nederlaag door hen bij Blauwkrans en Boesmansrivier geleden, de dappere tegenstand van de ongelukkige Retief en zijn lotgenoten, de Zulu's met paniese schrik en heilzaam ontzag voor de Afrikaanderhadden vervuld, had men zich voorbereid op een heftiger aanval der Zulu's.
Maritz trok aan het hoofd van een vijftigtal welbereden mannen de lagerpoort op verkenning uit. Zwijgend zat hij in de zadel, maar op zijn vastberaden gelaat stond het te lezen: “'t Zij leven of dood, ik zal mijn plicht doen.”
Op de voorkist van zijn wagen zat een reeds bejaarde voortrekker bedaard zijn pijp te roken, en zijn met lang haar bedekt hoofd bij tussenpoozen in een dikke rookdamp te hullen, dat hem deed gelijken op een kleine vulkaan. Zijn roer lag over zijn knieën, zijn bandelier en kruithoorn binnen het bereik van zijn hand. Een glimlach verhelderde zijn breed gelaat, en een zekere mate van vrolikheid straalde hem uit de ogen. Het scheen alsof hij niet alleen geheel onbekommerd was, maar alsof al die drukte in het lager hem vermaakte. Het was de oude Frans van Staden, gezegend met een vrolike inborst en opgeruimd gemoed, onveranderd en niet afgekoeld door het klimmen der jaren. Een man zonder de minste zucht naar eer, maar met een schrander hoofd en een moedig hart.
Een jonge man naderde hem en zei: “Oom Frans lijkt nog even gerust, en men zegt dat de vijand aan het komen is, en dat wij van nacht zullen worden aangevallen.”
“Wel Karel, dat behoort men juist niet te zeggen. Ik weet dat de voorzichtigheid de moeder van de porseleinkast is, maar het is tijds genoeg om wolf te schreeuwen, als men weet dat de wolf er is. Ik heb niet de minste hoop, dat het een Zulu impi is, die ons nadert. Ik mag lijden dat ik verkeerd ben, want ik hunker naar het ogenblik, dat ik die outa's onder het lood kan krijgen. Maar vraagjezelf af: Hoe zullen de Zulu's uit het Noord-Westen komen, en dat nog al te paard? En zullen zij zich ooit op klaarlichte dag laten zien? Die natie, die altijd met list en verraad te werk gaat; zij zullen ons in de nacht aanvallen, maar niet terwijl Gods zon nog aan de Hemel staat. Ik eet mijn hoed op, zo vetterig en vol stof als hij is, als dat Zulu's zijn.”
“Oom Frans zegt zelf, dat de Zulu's listig zijn: daarom komen zij uit een richting waaruit zij weten dat wij hen niet verwachten zullen. En dat zij te paard zijn? Vergeet oom, dat met de dood van Retief, en de inval die zij gedaan hebben, enige honderden paarden met zadels en tomen in hun bezit geraakt zijn?”
“Ik mag lijden, dat jij gelijk hebt, mijn jonge vriend!Het zal een mooi gezicht zijn, die naakte outa's te paard. Elk hunner zal wel een paar dozijn keren van zijn ros zijn getuimeld, tussen Umkungunhlovo en hier. Die outa's zullen zo geraadbraakt zijn en doorgereden, dat wij hen als bosduiven zullen neerschieten, of om kruit en lood te sparen, hen als hoenders de nek zullen omdraaien. Als je gelijk hebt, gaat outa van avond nog op goedkope en gemakkelike manier naar de eeuwigheid, en krijgen wij, met weinig moeite, onze paarden, zadels en tomen terug.”
“Maar oom Frans, u moet altoos spotten,” hernam de jonge man enigszins spijtig. “Zeg me, in 's Hemels naam, als het geen Zulu's zijn, wie zijn het dan?”
“Mijn kind, waarom me dat niet meteen gevraagd, dan had ik je dat kunnen zeggen. Neem aan, dat de voorposten uit het Noord-Westen een kommando hebben zien naderen, dan kan dit niets anders zijn dan het kommando vanPiet Uijs, wiens hulp mijn broer Stoffel is gaan inroepen.”
“Maar oom Piet kan onmogelik binnen zo weinig dagen met zijn trek tot hier gekomen zijn. Oom Stoffel kan ter nauwernood nu zijn afdeling hebben bereikt.”
“Neef Karel, je droomt. Het schijnt me, dat je Stoffel van Staden en Piet Uijs geen van beiden kent. Stoffel heeft dag en nacht doorgereden, en aan Piet rapport gedaan; en Piet heeft zijn lager achtergelaten, en is dadelik met een paardekommando gekomen om ons te helpen. Nu, als dit niet zo is, eet ik niet alleen mijn eigen hoed, maar de jouwe daarbij. Maar als ik verkeerd ben, en het zijn werkelik de moordenaars, die op ons aanrukken, dan zal ik nog een pijp kunnen uitroken.” Hij klopte bedaard zijn pijp uit, en stopte die opnieuw, en bleef genoegelik voortroken.
Enige ruiters kwamen in volle galop op het lager aanrijden, en waren dadelik door oom Frans opgemerkt.
“Neef Karel!” riep hij, “daar komen de eerste Zulu's!”
Met drift klom de jonge man langs het voorwiel van de wagen op. Maar pas had hij het oog geworpen op de naderende ruiters of hij zag, dat dezen de hoeden afnamen en daarmede begonnen te wuiven, en riep uit: “Vreugde! Vreugde! Het zijn geen Zulu's die naderen, maar Piet Uijs met zijn kommando die ons te hulp snelt.”
“Neef Karel,” zei van Staden, “daar is mijn hoed. Ik behoef die volgens belofte niet meer te eten, en zal jou dus in de gelegenheid stellen dit wonderwerk te doen. Of dit je maag goed zal doen, weet ik niet, maar je hoofd zal daar voordeel uit trekken, want ik draag die hoed al lang, en langs de rand vooral moet reeds veel verstand zitten.”
Ja! Het was Uijs, die met zijn kommando het voorlopig doel van zijn tocht, het lager zijner landgenoten, bereikt had. Geen biezonder voorval had die tocht gekenmerkt. Schoon man en paard vermoeid en afgemat waren, bereikten allen die wij laatst het bergpad zagen bestijgen, in veiligheid het lager. Van de vijand was geen spoor gezien—trouwens, men verwachtte hem uit andere richting.
De onrust, die nog daar straks de gemoederen had beheerst, was door het heugelik bericht verdreven, en had voor de levendigste blijdschap plaats gemaakt; en toen Uijs weldra met zijn kommando voor de lagerpoort halt maakte en afsteeg, werd hij met een luid gejuich begroet door de lagerbewoners, die zich bij de poort hadden verzameld.
“Ik dank God, dat ge gekomen zijt, Pieter! Ik wist dat we op je rekenen konden,” was de warme begroeting, die Uijs van Maritz ontvangen had; en waarop hij had geantwoord: “Ook ik dank de Heer, dat ik niet te laat ben gekomen, en zovelen uwer nog in het land der levenden aantref.”
Thans richtte hij zich tot Maritz met de woorden: “Laat ons de nodige schikkingen voor mijn kommando maken. Wij hebben onszelf, noch onze dieren gespaard, en hebben grote behoefte aan rust.”
Gert Maritz riep de verzamelde menigte toe, hun vrienden goed te onthalen; en weldra waren de manschappen gehuisvest in de gastvrije tenten en wagens van verwanten en vrienden, en waren achterruiters en paarden behoorlik verzorgd.
Frans van Staden had zijn vriend Karel, door zijn laatste aanmerking ietwat gebelgd, zien vertrekken, en was rustig blijven doorroken, totdat het gedrang bij de lagerpoort begon te verminderen. “Zie zo,” zei hij toen tot zichzelf: “nu zal ik Stoffel en Piet ook eventjes gaan groeten. Doch ik zal eerst maar mijn ou Sanna en bandelier op hun hangplek brengen.” En de daad bij het woord voegende, steeg hij van zijn wagen af, nam zijn wapenrusting, en ging in zijn tent.
Weer naar buiten getreden zijnde, richtte hij zijn schreden naar de lagerpoort, waar hij onder de groep mannen die er gebleven waren, zijn broeder en Piet Uijs bemerkte. De gulle lach van inwendige blijdschap blonk op zijn gelaat, toen hij op Stoffel van Staden toetrad, en hem de hand schudde, alsof hij bezig was, de blaasbalg van een smid te trekken. “Ou boet!” riep hij uit, “jij hebt je knap gedragen; ik ben zo blij je weer terug te zien. Ik was bang, dat die oude beenderen van jou, door dat langdurig paardrijden, losgeschud en uit mekaar gevallen zouden zijn.”
Ook Stoffel was het aan te zien dat hij met vreugde zijn broeder terugzag. “Maar Frans,” zei hij, “als je zo voortgaat, zal ik eer door jou dan door paardrijden uit elkaar geschud worden. Ik ben blij je nog zo opgeruimd te zien.”
Frans liet de hand van zijn broeder los, om die van Uijs te grijpen, uitroepende: “Welkom, neef Pieter! Ik wist, Piet Uijs zou niet achterblijven als de spaanders moesten vliegen. De oude vrouw en ik hebben alles voor je behoorlike ontvangst gereed gemaakt. Jij komt bijmij vertoeven, totdat je eigen wagen komt, niet waar?”
“Voorzeker, oude vriend,” antwoordde Uijs, “niets zal me meer genoegen doen. Wijs me maar dadelik de weg naar je tent.”
De tent was spoedig bereikt, en Uijs werd met de grootste gulhartigheid door de vrouw en kinderen van zijn gastheer ontvangen. Nauweliks had hij zich neergezet, of van Staden zei: “Neef Pieter, was het stof eerst af en maak je koel, dan zal de vrouw je koffie en beschuit voorzetten, en dan zit je hier uit te rusten. Ik ga buitenkant niet op schildwacht staan, maar zitten, en ga zorgen dat niemand je komt storen. Er is een belangrijk punt, waarover ik van avond nog met je moet spreken; en daarom, rust uit.” Hij nam zijn veldstoeltje, plaatste zich buiten voor de ingang van de tent, en zat weldra weer dapper uit zijn onafscheidelike pijp te dampen.
De avond was reeds gevallen. Verscheiden oude vrienden van Uijs, vernomen hebbende dat hij bij oom Frans zijn intrek had genomen, kwamen om hem te verwelkomen, maar werden door van Staden allen afgewezen. Zijn gast had rust nodig, zei hij. Later kon men hem zien, zoveel men wilde. Indien hij nu gestoord werd, zou hij, indien de Zulu's in de nacht het lager aanvielen, misschien niet wakker te maken zijn. Dat wilde hij niet op zijn geweten hebben. Zo bleef hij zijn wacht betrekken, totdat men hem voor het avondeten roepen kwam.
Toen het avondmaal genoten en de avondgodsdienst afgelopen was, begaven de huismoeder en de kinderen zich ter ruste, en bleven Uijs en zijn gastheer in het voorvertrek van de tent alleen. De laatste had de ingang van detent zorgvuldig dichtgemaakt, en daarna plaats nemende, zei hij tot Uijs: “Neef Pieter, hier geldt het spreekwoord niet, dat zelfs de muren oren hebben, want de stem kan gehoord worden door de wanden van de tent. Van kindsbeen af zijn wij vrienden, en menig stelletje hebben we samen afgetrapt. In het belang van de gehele trek wil ik in vertrouwen met je spreken, maar laten wij ons gesprek zo zacht mogelik voortzetten. Zeg me: Is Hendrik Potgieter je bij de lagerpoort goede dag komen zeggen? Zolang ik buiten gezeten heb, heeft hij zich niet aangemeld.”
“Nee Frans, maar dat verwondert me niet. Potgieter weet dat ik vermoeid ben, en gekomen om in ieder geval geruime tijd hier te blijven. Hij zal me zeker morgen komen zien.”
“Mij verwondert het evenmin, dat hij je heden niet is komen groeten. Meer zal het me verwonderen als hij dat morgen doet. Hij zal wachten totdat hij je toevallig ontmoet, of je niet kan ontwijken.”
“Wat! Hendrik Potgieter zou me willen vermijden? En waarom? Wij zijn steeds bevriend geweest, hebben naast elkander tegen Moselikatse gestreden, en ofschoon niet in alle opzichten geestverwanten, is er nooit iets tot oorzaak van vijandschap tussen ons gebeurd.”
“Dat laatste kan ik bevestigen, maar luister. Potgieter staat door verwantschap aan het hoofd van een sterke partij. Hij is eer- en zelfzuchtig, en niemand zal hem beschuldigen dat het hem aan moed ontbreekt. Met lede ogen heeft hij het aangezien, dat wijle Retief aan het hoofd van onze trek geplaatst werd, en sedert armeRetief gevallen is, staat het bij Potgieter en zijn partij vast, dat hij zijn opvolger moet zijn. Potgieter was niet in ons lager toen wij besloten je een rapport over het gebeurde te zenden, en je te vragen ons te hulp te komen. Hij was verbitterd toen hij dit hoorde, en liet zich ontvallen: “Waarom Uijs niet achter de bergen gelaten, waar hij verkozen heeft te blijven? Nu wij eenmaal de spits hebben afgebeten, behoren wij zonder hem klaar te kunnen komen.” Vraag mij de reden waarom Kasper Strijdom en verscheiden anderen ons hebben verlaten. Hij zal het je niet duidelik hebben gezegd. Ik ken hem. Daartoe is hij te vreedzaam en voorzichtig. Zij hebben ons verlaten, niet omdat zij de vijand van buiten, maar wel de tweedracht en de verdeeldheid van binnen vrezen. Welnu, ik maak me sterk te zeggen, dat de overgrote meerderheid der onzen verlangend is, jou aan het hoofd te plaatsen. Toch moeten scheuring en tweedracht worden vermeden. Er zal manmoedig tegen de Zulu moeten worden gestreden, zo wij het land wensen te behouden, waarvoor en waarop reeds zoveel bloed der onzen is vergoten, en zelf verdeeld, zal de vijand ons te machtig zijn. Nu ken je de staat der zaken. Nu ben je gewaarschuwd. Wees voorzichtig als je Potgieter ontmoet.”
Uijs had naar zijn vriend met diepe aandacht geluisterd. Geen enkel woord was onopgemerkt gebleven. “Frans,” zei hij, “je verrast me onaangenaam. Je doet me innerlik ontroeren. Nimmer heb ik er naar gestreefd of gehunkerd, om aan het hoofd van de trek te staan. Dat ik leider ben van een gedeelte der Emigranten Boeren, en door hen Kommandant word genoemd, is teweeggebrachtdoor een samenloop van omstandigheden waarover ik geen beheer had. De Here weet, dat ik nimmer heb getracht mij op de voorgrond te dringen, maar altijd in eenvoud des harten heb gestreefd mijn plicht te doen. Toen ik de tijding ontving van de noodlottige slag, die op de trek in Natal was gevallen, heb ik geen ogenblik geaarzeld je te hulp te snellen, zoals me door je boden werd verzocht. Dezelfde dag, die me de droevige tijding zag ontvangen, zag mij en mijn mannen vertrekken. Ik heb bijkans meer van mij en mijn mannen gevergd dan vlees en bloed verduren kunnen, maar enige zelfzuchtige gedachte was verre van mij. Ik ben gekomen met het doel je ter zijde te staan, en mijn eigen mannen, maar niet jou te leiden. Wat mij betreft, laat Potgieter je hoofd zijn. Eén recht behoud ik me echter voor: Als wij ten strijde trekken, zal ik zelf mijn mannen aanvoeren. Vrijwillig zijn ze hier gekomen, en niemand, ook niet het hoofd door je gekozen, zal ons tegen mijn wil gebieden of beletten vrij te handelen. Te heersen in dit land verlang ik niet, maar evenmin zal ik iemand over hen doen heersen, die mij uit vrije wil en volheid des harten hierheen zijn gevolgd.”
“Neef Pieter, je hebt niets gezegd dat ik niet vooruit verwacht had van je lippen te horen komen. Juist omdat je jezelf nooit op de voorgrond hebt geplaatst, maar waar je, door omstandigheden gedrongen om de leiding van zaken te aanvaarden, je steeds betoond hebt daartoe bekwaam te zijn, daarom hebben we vertrouwen in je. Ik ben overtuigd dat velen, die Potgieter ondersteunen, dit doen, omdat zij aan hem verwant of van hem enigermateafhankelik zijn, doch in hun hart wensen jou aan het hoofd te zien.”
“Er zijn vele achtenswaardige en kloeke mannen onder ons, die met evenveel en meer recht misschien dan ik, verwachten kunnen het opperbevel te worden aangeboden. Om slechts één te noemen, daar is Gert Maritz, een man, moedig en beleidvol in de krijg, bezadigd en voorzichtig in de tijd van vrede. Had Retief naar zijn wijze raad geluisterd, dan hadden wij waarschijnlik de nijd en de vijandschap van Dingaan niet opgewekt, en was hij niet vermoord. Heeft zijn onverschrokkenheid er niet veel toe bijgedragen om het leven van velen onzer te redden en te bewaren, bij de overval der Zulu's? Hoe komt het, dat je zijn naam zelfs niet hebt genoemd?”
“Ik stem volkomen met je in, dat Maritz in vele opzichten de beste man is om aan ons hoofd te staan. Ik wil ook zover gaan, te zeggen, dat ik weet, dat hij verwacht de plaats van Retief te zullen innemen. En toch heeft hij de minste kans. Bij al zijn goede hoedanigheden is hij in uiterlik en houding stug en streng, en heeft zich daardoor weinig vrienden gemaakt. Indien allen hem zo goed kenden als jij en ik, dan zou er van niemand anders dan van hem sprake zijn. Ik heb zoveel vertrouwen in zijn edel gemoed, dat ik verwacht dat hij, alvorens er scheuring onder ons ontstaat, zich zal terugtrekken. Ik twijfel echter sterk of Potgieter dit doen zal, en toch is het voor ons een levenskwestie splitsing onzer krachten te voorkomen.”
“Ik blijf je dankbaar, Frans, voor je volledige inlichtingen en vriendschappelike wenken. Ons gesprek heeftme ruime stof tot ernstig nadenken en overweging gegeven. Ik zal me voor de troon der Genade verootmoedigen, en bidden om voorlichting en verstand. Mijn innige begeerte is, dat ter wille van mijn persoon, de eenheid onder ons niet zal worden verstoord.”
“Kom Pieter, ons gesprek heeft lang genoeg geduurd. Laten we ons ook ter ruste begeven. Je zal je slaapstede in mijn wagen gereed vinden.”
Met een hartelike handdruk scheidden detweevrienden voor de nacht.
Vergadering van de Krijgsraad om een Kommandant-Generaal te kiezen.
De volgende morgen zag Uijs reeds vroeg ter been. Ofschoon zijn onderhoud met van Staden een reeks van gedachten, niet alle van aangename aard, in zijn brein had doen ontstaan, had de afgematheid van zijn lichaam spoedig over de altijd werkzame geest gezegevierd, en was Uijs de vorige avond binnen weinige minuten nadat zijn hoofd het kussen raakte, in een diepe, geruste slaap gevallen. Tans verkwikt en uitgerust, wenste hij in het vrije veld de frisse morgenlucht te genieten, en te overwegen wat hem, naar aanleiding der mededelingen van zijn gastheer te doen stond.
Hij begaf zich naar de lagerpoort, vernam van de poortwacht de richting van de naaste voorpost, en had weldra, in mijmering verzonken, het smalle voetpad ingeslagen, dat uitliep op de voorpost. Niet omdat zijn doel was de op wacht zijnde mannen te bezoeken, had hij omtrent hun stelling bij de poortwacht bericht ingewonnen, maar slechts om binnen de linie der buitenposten, en dus voor plotselinge vijandelike overval beveiligd te blijven, had hij die inlichting verlangd.Naenige tijd te zijn voortgewandeld, bereikte hij een groepje bomen, en zich op een omgevallenboomstam neerzettende, gaf hij aan zijn gedachten de vrije loop.
Dus dreigde de dood van de ongelukkige Retief nog tot overmaat van ramp de twistappel in hun midden te slingeren. Zouden eer- en heerszucht oorzaak zijn, dat de Boeren het zo duur betaalde land zouden moeten ontruimen? Wat hem betrof, hij en de zijnen zouden tevreden zijn, zich voor goed te vestigen in de vruchtbare vlakten aan de Noord-Westelike voet van de Quathlamba. Zij waren slechts gekomen om hun broeders te helpen in het tuchtigen van Dingaan, en in het verkrijgen van vaste voet in Natal. Evenmin als hij er aan gedacht had, het opperbevel te aanvaarden, had hij zich voorgesteld zich hier neder te zetten. Het gevaar, dat verdeeldheid in het leven kon roepen, was echter van brede omvang. De grondslag van de verhouding tussen de Blanken en de onafhankelike Naturellen-stammen in Zuid-Afrika kon daardoor worden aangetast. Indien het de Naturellen bekend werd, dat de band die de Boeren verenigde was stukgescheurd, en dat tengevolge daarvan het boerebloed in Natal ongewroken, het wettig verkregen land prijsgegeven was, welk gevaar zou daardoor in de toekomst niet ontstaan? Welke schadelike invloed zou dit niet uitoefenen? Op de Zulu's niet alleen, maar ook op de oorlogzuchtige stammen ten Noorden van de Vaal, waar de wrede Moselikatse in het begin van het vorige jaar door Maritz was verdreven; en op de sluwe en schrandere Moshesh en zijn Basuto's? Nee! Hij zou de voorkeur geven een ander als leidsman te volgen. Te dienen onder Gert Maritz, dat zou hem niet zwaar vallen. Maar Potgieter? Nee! dat waste veel voor vlees en bloed. Ook was het nog de vraag of zijn manschappen ooit hierin zouden bewilligen. Hij had de Kolonie verlaten, omdat hij het juk door heerszucht opgelegd, niet wilde torsen, en zou hij nu bukken onder Potgieter? Indien de meerderheid der emigranten verlangde, dat hij hen leiden zou, was het dan niet zijn plicht aan die roepstem gehoor te geven? Zou het mannelik zijn, de keuze der zijnen af te slaan? “Heer! Heer! Bewaar mij voor streven naar macht en eer. Leer mij te doen wat recht is in Uw ogen,” zuchtte hij.
Zo innig was zijn overdenking, zo geheel was hij in zichzelf verzonken, dat hij geen oog had voor het reine morgentooisel van de natuur. Het golvend grasveld vóór hem, met bloemen doormengd, parelde prismaties met zijn door de stralen van de morgenzon verheerlikte dauwdruppels. Hij merkte dit niet op; evenmin had hij een oor voor het vrolik getjilp en gekweel der vogels in de takken, die een heldergroen gewelf boven zijn hoofd vormden, gevleugelde zangers in innerlike onschuld verwant aan het gevleugeld koor des Hemels.
Uit zijn zelfverbijstering werd hij wakker geschud door een hartelik: “Goede morgen, Pieter! Ik vernam van de poortwacht, dat je naar de voorpost was gegaan, en nu vind ik je hier in gepeins verzonken. Ik vertrouw dat ik je niet stoor.” Het was Maritz die sprak, de tred van wiens paard, door het welige gras verdoofd, door de peinzende Uijs niet gehoord was.
“Goede morgen, oom Gert,” zei hij vriendelik. “Ja, ik was diep in gedachten. Als je een Zulu geweest was, had je me kunnen doorsteken voor ik 't wist. Maar storen doeje me niet. Integendeel, ik ben verheugd dat je weg je hierheen gevoerd heeft. Stijg af, en neem plaats naast me. Ik zou gaarne een vertrouwelik gesprek met je hebben.”
Maritz wierp zich uit de zadel, en weldra zaten deze twee Afrikaanders, wier nagedachtenis nog door het Zuid-Afrikaanse volk in ere wordt gehouden, op de half vermolmde boomstam naast elkaar.
De rondborstige, ridderlike Uijs kon niet langer dan volstrekt nodig was, enig geheim in zijn boezem omdragen. Ook zijn metgezel was een man, wiens zieleadel niet genoeg door zijn tijdgenoten werd gewaardeerd.
Uijs begon met te zeggen: “Oom Gert, het is alsof de Voorzienigheid je hierheen heeft geleid. Het welzijn der onzen ligt mij nauw aan het hart. Toen je mij zoëven uit mijn gepeins deed ontwaken, overwoog ik met ernst, en laat me toe te zeggen, onder opzien tot de Allerhoogste, de vraag: wie onder ons de opvolger van Piet Retief zal zijn.”
“Was je daarmee bezig, mijn vriend?” vroeg Maritz, met een ernstige trilling in zijn stem, die tevens iets blijmoedigs had. “Wellicht heb je die vraag reeds voor jezelf beantwoord, evenals ik dat voor mezelf, reeds enige tijd geleden, gedaan heb. Anderen hebben met mij gesproken, en zeer zeker ook met jou. Welnu, ik heb tot mezelf gezegd: “Gert, aan het hoofd van een zelfstandige trek heb je het distrikt Graaff Reinet verlaten. In het dichtst van de strijd ben je sedert altoos te vinden geweest. Maar niet jou, maar Uw naam, o Heer, zij eer! Nimmer behoor je naar de erepost te zoeken. Integendeel, die postbehoorde jou te zoeken, en als je volk je roept, wees dan bereid om te doen, wat je hand te doen zal vinden.”Mijn vriend, daar heb je mijn gevoelen; het jouwe wens ik tans niet te weten. Ik ben ouder in jaren dan jij. De stem van het volk kan mogelik bij de verkiezing van de leider ons tegenover elkander stellen. Ik weet hoe jij, evenals ik, meent je landgenoten in eerlikheid en oprechtheid des harten te dienen. Mocht het zo beschikt worden, dan ben ik bereid je als leider te volgen, te gehoorzamen en te eerbiedigen.”
Met tranen in de ogen greep Uijs de hand van Maritz, en zei: “Mijn oude vriend, met blijdschap heb ik je aangehoord. Je hebt mijn hart lucht gegeven. Ook ik zal volgaarne je leiding volgen en in de ure des gevaars aan je zijde staan: maar, wat omtrent Hendrik Potgieter?”
“Mijn vriend, laten wij over hem en over deze zaak niet verder spreken. Vanmiddag zal een raadszitting worden belegd om belangrijke zaken, en ook de benoeming van de Hoofd-Kommandant te bespreken. God zal ons leiden, en wij zullen naar gelang der omstandigheden handelen. Kom, laat ons opstaan. In het lager wacht het ontbijt ons reeds.”
Zij stonden op, en wandelden onder een gesprek dat zich tot algemene onderwerpen bepaalde, Maritz zijn paard leidende, naar het lager terug.
Na het ontbijt bracht Uijs het overige gedeelte van de morgen door met het lager rond te gaan en zijn oude kennissen op te zoeken. Zijn gesprek met Maritz had tijdelike vrede geschonken aan zijn gemoed. Waar hij ook rondwandelde, Potgieter liep hij niet tegen het lijf. Voorde tenten vond hij velen, die in de jongste aanval gewond en verminkt waren, maar tans herstellende, zich koesterden in de morgenzon. Onder hen vond hij ook de kleine meisjes Hannie van der Merwe en Grietje Prinsloo, die zo wreedaardig gewond en doorstoken, doch nu weer, dank zij de liefderijke verpleging en trouwe verzorging, aan de beterhand waren. Arme kleinen! Zij, aan wie zij het leven te danken hadden, waren er niet meer; doch in hun plaats had de altoos liefderijke Voorzienigheid hun vele gewillige en zorgvuldige verplegers geschonken.
Tegen de middag ontmoette Uijs Daniël van Vuren, die zei door Maritz gelast te zijn hem te melden, dat de Krijgsraad te twee uur in de tent van Sarel Cilliers zou bijeenkomen, en dat er gedurende de morgen boden van de Engelsen aan de Baai van Natal, in het lager waren aangekomen, die belangrijke mededelingen hadden te doen.
Toen Uijs met Frans van Staden op het bepaalde uur de ruime veldtent waarin de Krijgsraad zitting zou houden, binnen trad, was deze reeds gevuld met de voormannen der Boeren. Uijs had hen allen reeds in de loop van de morgen ontmoet, trad vriendelik knikkende door hun midden en begaf zich naar het boveneinde van de tent, waar Hendrik Potgieter, die hij nog niet had gegroet, de eerste plaats had ingenomen.
Uijs groette hem welwillend en ontving tot wedergroet een kortaf: “Goede dag, neef Uijs!” waarop Potgieter zich tot de anderen wendde met de woorden: “We zijn nu allen hier, en kunnen met de werkzaamheden aanvangen.” Het was duidelik dat hij de leiding van de vergaderingop zich wilde nemen, als iets dat hem rechtens toekwam; maar de waardige Cilliers kwam hem voor, door te zeggen: “Broeders, bij afwezigheid van een gekozen hoofd zal ik, als uw aller gastheer met uw toestemming de vergadering leiden.”
Dit voorstel droeg de goedkeuring van de overgrote meerderheid der aanwezigen weg. Cilliers plaatste zich aan het hoofd van de kleine tafel, en opende de vergadering met een krachtig gebed, waarna hij zei: “Broeders, wij zullen eerst horen wat de boodschappers uit de Baai ons te berichten hebben.” Twee mannen,Richard BiggarenWood, de tolk van de ZendelingOwentraden naar voren. In bondige, krachtige trekken schetste eerstgenoemde de toestand waarin de blanken, zowel van Hollandse als Britse afkomst, zich in Natal bevonden. Geen ogenblik was men van zijn leven zeker; niet het minste vertrouwen kon worden gesteld in de woorden en beloften van Dingaan. Aan de Engelsen had hij beloofd de afstand van het Terra Natalis, in 1824 door zijn voorganger Tshaka aan LuitenantFarewellgedaan, gestand te zullen doen; aan Retief had hij het land volkomen afgestaan, om hem onmiddellik daarop verraderlik te vermoorden. Men moest de Zulu bevechten, hem de macht der blanken doen gevoelen.—Zelfs vele Zulu's waren zijn bloedige regering moede, en zouden de blanken hulp bieden. Het land was ruim genoeg om woonplaats voor al de blanken te verstrekken. Men moest een gezamenlike aanval op Dingaan beramen. De Engelsen aan de Baai waren gereed, door enige Zulu-bondgenoten bijgestaan, met dat doel op te rukken zodra de Boeren tot de aanval gereed waren.
De vergadering juichte het voorstel vanBiggartoe. Immers zij waren reeds besloten de Zulu-Koning voor het gepleegd verraad te straffen. Men wees er echter op dat het onmogelik was, nu reeds de tijd voor de aanval te bepalen. Men moest wachten tot de gewonden zouden zijn hersteld, en in ieder geval tot de wagens van Uijs zouden zijn aangekomen. Eindelik kwam men wederzijds tot het besluit, dat allen zich zouden voorbereiden, en dat de Engelsenaande Baai zouden oprukken, zodra zij bericht ontvingen, dat de Boeren waren uitgetrokken. Toen verlieten de boden de vergadering, om de volgende dag huiswaarts te keren.
Toen de boden zich verwijderd hadden, nam Cilliers andermaal het woord. Hij bezat het volste vertrouwen der Boeren en had zich dat in alle opzichten waardig gemaakt. Streng godsdienstig, bezat hij een welsprekendheid ontleend aan natuurlik talent, gepaard met innige overtuiging en geestdrift in de dienst van zijn Heer. Bij afwezigheid van een bevestigde Predikant leidde hij de godsdienstoefeningen der emigranten, bracht de zieken en gewonden de troost des Eeuwige Woords, en richtte aan menige stervenssponde, het zielsoog van de lijder op de Verwinnaar van graf en dood. Hield hij in de ene hand de Bijbel, men kon hem waar de nood riep, in de andere hand zijn roer houdende vinden, een waardig naverwant der Hugenoten, die met de Coligny in den gelove gebeden, maar ook voor dat geloof gestreden hadden. Overtuigend bewijs had hij dikwerf hiervan geleverd, vooral toen hij op de 2de Oktober te Vechtkop bij de Rhenoster-rivier, het bevel voerde over het kleine lager, dat slechts dertig weerbaremannen telde, en de overweldigende impi van Moselikatse versloeg en op de vlucht dreef. Ook bij de beraadslagingen was hij onmisbaar door zijn gematigdheid, belangeloosheid,gezond verstand en rijpe ondervinding.
Hij zei met ernstige, plechtige nadruk: “Broeders, wij zijn tans genaderd tot het hoofddoel waarvoor deze vergadering werd belegd. Schapen zonder herder dwalen her- en derwaarts. Onze trek kan zonder een erkende leider niet voortbestaan. GodheeftPieter Retief, de man door ons als leider gekozen en erkend, tot Zich genomen. De ledige plaats moet worden aangevuld, en in deze vergadering zal door de meerderheid heden moeten worden beslist, wie voortaan aan ons hoofd zal staan, en ons op de tocht tegen Dingaan, waartoe wij allen besloten zijn, leiden zal. De Heer zelf doe ons kiezen de man naar Zijn hart, en een ieder onderwerpe zich aan de keuze.”
Pas had hij geëindigd of Willem Meijer nam het woord. “Mannen,” sprak hij, “het kan u niet moeilik vallen de rechte man te kiezen. Eer Retief zich bij ons aansloot, en tegen de wens van velen, de leiding van de trek op zich nam, hadden wij reeds onze leider, de man die aan het hoofd stond van de eerste trek, welke die naam verdient. Heden staat hij nog in ons midden, bekwaam en bereid onze aanvoerder te zijn. Ik stel voor, dat aan Hendrik Potgieter het opperbevel worde opgedragen.”
Toen hij zweeg nam Karel Landman het woord en zei: “Ik heb niets tegen Hendrik Potgieter, maar wens de vraag te opperen: indien hij, zoals Willem Meijer schijnt te menen, werkelik het hoofd der Emigranten Boeren was, hoe was het dan mogelik voor Pieter Retief hem zonderslag of stoot te vervangen. Ik erken dat neef Hendrik de leider van een afdeling van de trek, ja, van de eerste afdeling is, maar het hoofd van de trek was hij nimmer. In ons midden zijn verschillende leiders die evenveel, zo niet meer recht hebben dan hij, om in aanmerking te worden genomen. Ik zal iemand voordragen, wiens daden en deugden zo wel bekend zijn, dat ik hem niet behoef aan te prijzen. De man die ik voorstel is Gert Maritz.”
Een verward gemompel, dat spoedig hier en daar de vorm van een woordestrijd aannam, steeg in de vergadering op.
“Ik verzoek stilte,” klonk het uit de mond van Cilliers. “Broeders, bij al wat ons dierbaar is, bid ik u, blijf uw bedaardheid behouden. Beide mannen die genoemd zijn, verdienen onze achting en zijn bekwaam ons te besturen. Gedenk aan de woorden: Een huis tegen zichzelf verdeeld, kan niet bestaan. Ook, waar liefde woont gebiedt de Heer Zijn zegen. Laat de meerderheid beslissen en de minderheid berusten.”
“Dat schijnt eenvoudig genoeg, maar ik verbind me niet om me onder de meerderheid te buigen,” klonk een zware stem door de tent. Het was Potgieter die sprak, en de ontwijfelbare toorn, die hem uit de ogen straalde, bedroefde zelfs zijn aanhangers. “Karel Landman betwijfelt het feit dat ik de eerste voortrekker ben...”
“Dat ontken ik,” liet Landman zich ontvallen.
“Neef Karel, laat neef Hendrik uitspreken,” vermaande Cilliers.
“Wel,” hernam Potgieter, door de aanmerking van Landman tans geheel in woede ontstoken, “of Landmanerkent of ontkent, is me volmaakt onverschillig. Ik weet wat ik ben, en wat ik me voorgenomen heb te blijven. Ik ben voorgegaan, en heb niemand gevolgd, en ben vast besloten nimmer iemand te volgen. Gert Maritz mag wezen wat hij wil, maar na mij is hij in het land gekomen. Eer ik hem of iemand anders volg, zal ik Natal verlaten, en ge zult zelf kunnen zien, hoevelen met mij gaan.”
Onder deze rede had Maritz zijn doordringend oog op Potgieter gevestigd. Een enkele maal had de gloed van oprijzende verontwaardiging zijn wangen gekleurd, maar toen Potgieter zweeg kwam er geen woord over zijn lippen.
't Was onze vriend Frans van Staden, die nu het woord nam. “Vrienden,” zei hij, “dertig jaren geleden, toen ik bij zekere gelegenheid ook mijn woordje wilde bijdragen, werd mij toegevoegd: “De jongeling zwijge in de gemeente.” Sedert die tijd ben ik ouder geworden, en ik verbeeld me, dat ik nu oud genoeg ben om ook mijn mening uit te spreken; want ik verzeker u, mijn eigen mening heb ik. Om u niet lang in het draaiwater te laten, zal ik maar met eens zeggen, dat neef Gert en neef Hendrik goede, beste mannen zijn, maar dat ik voor geen van beiden zal stemmen. Moest ik echter tussen hen kiezen, dan zou ik liever staan onder Gert Maritz dan onder Potgieter. Of het nu recht lijkt of verkeerd, toch zal ik het wagen ook een voorstel te maken, en niemand zal me het, zelfs niet met een mieliestamper in het hoofd kunnen prenten, dat mijn voorstel niet het beste is: Ik stel voor, dat wij Piet Uijs als onze voorman kiezen.”
Met klimmende ergernis had Potgieter naar van Staden geluisterd, en pas was de laatste klank zijner woordenverstorven, of hij viel uit op dreigende toon: “Wat heeft Uijs hier gebracht, tenzij het de begeerte is om mij te onderkruipen? Als anderen hem geroepen hebben, ben ik daar onschuldig aan. Wat mij betreft, had hij behoren te blijven waar hij was. Ik en de mijnen hadden hem in ieder geval nimmer, en hebben hem nu ook nog niet nodig. Ook ik wil alle twijfel wegnemen, evenals Frans van Staden. Ik zal òf hier blijven als hoofd van deze trek, òf ik en zij die mij willen volgen, zullen ons over het gebergte begeven en ons aansluiten bij mijn tochtgenoten, die zich tans aan de overzijde van de Vaalrivier bevinden. Dit is mijn laatste woord. Ik heb gezegd.”
Na deze heftige uitbarsting van Potgieter verwachtten allen een storm. Maritz was steeds koel en bedaard gebleven; nu was er op zijn gelaat niet te lezen, wat er in zijn binnenste omging. Uijs had zijn helder oog uitvorsend op Potgieter gericht, toen deze voor de tweede maal het woord nam, en had onwillekeurig de wenkbrauwen samengetrokken bij het vernemen der woorden die van zijn lippen vloeiden.
Cilliers wenste de dreigende ontploffing te vermijden, en zijn vermaning weerklonk andermaal: “Bij al wat u dierbaar is, bid ik u wees verdraagzaam, en wil met bedaardheid de beraadslagingen voortzetten.”
Uiterlik koel en kalm nam Uijs tans het woord en sprak: “Mijn broeders, tot weinige ogenblikken geleden, heb ik Hendrik Potgieter naar mijn eigen maatstaf gemeten, en gedacht in hem een billijk man te zien. Indien hij meent wat hij zoëven gezegd heeft, en daarbij beschouwd moet worden gezond van zinnen te zijn, dan heb ik me groteliksin hem bedrogen. Hij vraagt, wie mij hier geroepen heeft, en beweert dat ik hier ben gekomen om hem te onderkruipen. Broeders, het was op uw verzoek, dat ik hierheen gesneld ben, en God weet, dat ik daarbij nimmer een enkele gedachte aan Hendrik Potgieter heb verspild. Zijn aanmerkingen verdienen de verachting van allen, en dragen mijn diepste afkeuring weg. Maar broeders, ik vraag u, of het tans de tijd is om onder onszelf twist en tweespalt te verwekken? Het bloed onzer broeders, het bloed van vrouwen en onschuldige kinderen, in wrede bloeddorst door de Zulu-barbaren vergoten, is ter nauwernood droog op de aarde, en zullen wij, die als een enig man moeten opstaan, om recht tegenover onszelf en de Zulu te handhaven, tans onderling strijden en twisten over het aanvoerderschap? Wat mij het meest getroffen heeft in Potgieter, is zijn uitdrukkelik kenbaar gemaakt voornemen om het land te verlaten, als hij niet tot aanvoerder verkozen wordt. Wat ik ook al vroeger mocht hebben gedacht, tans zal ik hem nimmer als mijn aanvoerder volgen. Echter ben ik gewillig, al kiest ge hem, om op eigen gezag met u ten strijde te trekken. Eerst wil ik echter de mannen van mijn trek raadplegen, en ik oordeel het slechts billik tegenover allen, dat deze vergadering zal worden verdaagd, tot mijn mannen, die de wagentrek begeleiden, ook aangekomen zijn. Ik heb tans reeds een eigen gevolg van omtrent honderd en twintig mannen in uw lager; als de wagens aankomen, zal dat getal tot minstens twee honderd stijgen. Wenst ge ons af te wijzen, het zij zo; maar dan was ik mijn handen in onschuld.”
“Piet Uijs heeft gezegd wat hij wilde,” begon Potgieter.
“Zwijg liever, neef Hendrik,” viel Cilliers hem ernstig en beslist in de rede, “het voorstel van Uijs is gegrond en verstandig, en ik zal het dadelik in stemming brengen. Wie stemmen wil voor het voorstel van Uijs, steke de hand op.”
De stemmen werden geteld en het bleek dat het voorstel van Uijs bijna eenparig was aangenomen.
“Broeders, voor heden is de Krijgsraad geëindigd, en zal, na de aankomst der wagens van Uijs, worden hervat,” zei Cilliers; en de vergadering ging uiteen.
Bloedige tonelen te Umkungunhlovo.