Terwijl op de aankomst van de wagens van de Uijstrek wordt gewacht, en alvorens wij de reis van die trek beschrijven, verplaatsen wij ons naar Umkungunhlovo.
Welke treurige herinneringen wekt die naam niet op. Hier zetelde een onbeperkt despotisme. Hier woonde Dingaan, die het woord genade niet kende. Van zijn enkele wenk hing het leven van duizenden en duizenden der Zulu's af. Als hij de wenkbrauwen fronste, sidderde de grootste en moedigste induna als een riet. Dingaan, die zijn heerschappij verkregen had, eerst nadat hij zijn assagaai in broederbloed had gedoopt. Die, te zamen met zijn broeder Umlangani, door de verrader Bopa geholpen, zijn niet minder wrede en bloeddronken Koning en broeder Tshaka had vermoord, en als in overmoedige spotternij met de nagedachtenis van Tshaka, die in de isibonga, of erebenaming van de Amazulu “Umhlovu”, de Olifant, werd genoemd, de naam van de “Verstrikker van de Olifant” had aangenomen. Die, om zich de alleenheerschappij te verzekeren, daags na de moord op Tshaka gepleegd, zijnbondgenoot, medeplichtige en broeder Umlangani liet ombrengen. Die, in de onmiddellike nabijheid van deze zetel van zijn schrikbestuur, zijn “Hloma Amabutu” zijn beenderheuvel, zijn hoofdschedelplaats had doen ontstaan, alwaar de verbleekte doodsbeenderen van ontelbare onschuldige slachtoffers van zijn woede, uit zijn eigen volk en andere inboorling-stammen niet alleen; maar alwaar ook de laatste overblijfselen van Pieter Retief en zijn met hem verraderlike omgebrachte lotgenoten ongewroken, onbegraven, aan weer en wind lagen blootgesteld.
Toen de impi, die na de moord van Retief uitgezonden was met de last, de Emigranten Boeren in Natal uit te roeien, en niemand, man, vrouw noch kind in het leven te laten, met bebloede koppen terugkwam; toen Dingaan vernam dat honderden zijner dapperste Ama-doda, door de Malongo, de blanke man, waren gedood, kende zijn woede paal noch perk, en werd het eerst op zijn verslagen leger gekoeld.
Umkungunhlovo was in de vorm van een cirkel uitgelegd. De circa twee duizend hutten, waaruit de kraal bestond, omsloten een rond open plein, aan welks ene zijde de grote hut van Dingaan, waarvan het dak op met kralen en koperen en ivoren versierselen getooide pilaren rustte, zich bevond. Op dit plein, dat ruimte had voor minstens vijf en twintig duizend krijgslieden, werden de krijgsdansen uitgevoerd en monsterde het Zulu-opperhoofd zijn impi's, wanneer zij ten strijde uittrokken, of van een krijgstocht terugkeerden.
Op dit plein vinden wij Dingaan enige dagen na de moord te Blauwkrans, des morgens voor zijn woning gezeten.Hij was in zijn volle koninklike uitrusting gedost. Zijn hoofd was gedekt met een kap, met lange struisvogelpluimen en veelkleurige veren opgeluisterd, enigermate gelijkende op een grote gevleugelde helm. Een karos van luipaard- en apevellen gemaakt, hing hem om de schouders, terwijl hij een schort van luipaardstaarten vervaardigd om de lenden, en lange kwispels, van de kwasten van ossestaarten gemaakt, aan de knieën en enkels hangen had. Verder waren de armen en benen van de zwaarlijvige potentaat met metalen ringen overdekt. Zijn schilddrager stond achter hem, en beschermde met het grote schild, van de huid van een witte os gemaakt, zijn meester tegen de stralen van de zon. Ook stonden de stoeldrager, de wapendrager en de schenker in zijn onmiddellike nabijheid, laatstgenoemde binnen het bereik van enige grote poten met kafferbier. Zijn raadslieden omringden de Koning, en in een kleine halve maan achter deze groep stond de lijfwacht, samengesteld uit de zonen van induna's, de adel des lands.
Vóór de Koning, sikkelvormig geschaard, stond het overschot van de impi, die uit Natal teruggekeerd was, en voor hun front Umhlela, hun Induna e'nkolu of opperbevelhebber. Aan hun hoofdringen en hun witte schilden waren zij allen als amadoda-veteranen kenbaar.
Een weinig ter linkerzijde van het gezelschap des Konings stond een enkel regiment afzonderlik in gelid. In de grijze induna aan hun hoofd herkennen wij Manondo, die zijn stem tegen het vermoorden van Retief en de zijnen had doen horen, en zich daardoor de ongenade van Dingaan op de hals had gehaald. Zijn regiment werd beschouwdals het eerste van het leger, en droeg de naam van “Omobapankoe”, hetgeen betekent “De Luipaardvangers.”
Die naam had het regiment gekregen, reeds in de tijd van Tshaka. Een luipaard had een veehoeder des Konings gedood, en hij gaf aan een afdeling van dit regiment bevel, het roofdier levend te vangen en voor hem te brengen. De moedige krijgslieden volgden het spoor van de luipaard, vonden en omsingelden hem, en hoewel menigeen hunner door het woedende dier verwond en verminkt werd, en sommigen het leven lieten, slaagden zij er in hem levend te binden en voor de Koning te dragen. Tshaka gaf ter herinnering aan deze moedige daad het regiment de naam, die het ten tijde van Dingaan nog onderscheidde.
Rondom, op de buitenrand van het plein, waren duizenden toeschouwers in stille afwachting van wat ging plaats vinden.
Umhlela gaf een sein. De krijgslieden namen de schilden op, begonnen er op te slaan en hieven de wapenzang van Dingaan aan:6)
“Hongerig kroost van Umpikazi!Slachters van der mensen vee!Vreest het bloed van Umhlagazi,Met hen trekken dood en wee.”
“Hongerig kroost van Umpikazi!Slachters van der mensen vee!Vreest het bloed van Umhlagazi,Met hen trekken dood en wee.”
Plotseling staakte het gezang. Dingaan had gramstorig een teken gegeven dat men zwijgen moest. Hij wenkte Umhlela, en toen deze voor hem stond, zei hij: “Zoon van Umdodi! Ge waagt het nog, het teken tot het zingen van mijn triomflied te geven, en die geslagen honden daardurven dat lied nog aanheffen. Dat lied is bestemd om te worden gezongen door krijgslieden die als mannen uit de slag komen; maar krijgslieden, die de vijand de hielen hebben getoond, past het te huilen als de jakhalzen, maar niet als leeuwen te brullen.”
Umhlela, die met gebogen hoofd in deemoedige houding voor de Koning had gestaan, richtte het hoofd fier in de hoogte, en vestigde zijn flikkerend oog op Dingaan, wiens smalende woorden en verachtelike toon het hart van de oude dappere krijgsman diep hadden getroffen. “Zoon van Sentsanghaka!” riep hij uit. “Van mijn leven kunt ge mij beroven. Ik erken u, o Kalf van de Olifant! als de eter der mensen. Maar, van mijn eer kunt ge mij niet beroven. De Amazulu kennen mij te lang en te goed.”
Umhlela sprak de waarheid. Hij was de beminde aanvoerder van het leger, de held van het volk. Een siddering ging door de leden van de meesten der induna's, die Dingaan omringden. Zij wisten, dat het zo goed als zeker was, dat de stoute woorden van de oude krijgsman zijn dood zeker maakten. Ook hij was zich hiervan ten volle bewust, maar bleef desniettemin de Koning vrij in de ogen blikken.
“O, zoon van Umdodi,” zei de Koning, sarkasties glimlachende, “ge zijt als een springbok de Malongo ontlopen, en spreekt nog van eer. Ge zoudt uw eer aan de overzijde van de Tugela moeten gaan zoeken; in het land der Amazulu is ze niet meer te vinden. De vrouwen en kinderen der Boeren hebben u teruggeslagen.”
“De Koning heeft gesproken, en wie zal hem wederleggen?” hernam Umhlela, “maar hebt ge, Geest derBergen, gedacht aan de verderf en dood uitspuwende roeren der Boeren? Eén dier roeren is in de hand van een kind, met dat werktuig bekend, gevaarliker en dodeliker dan de assagaaien in de handen van twintig der dapperste Zulu's. Geen schild is tegen de kogel bestand, die op meer dan honderd treden afstands, veel verder dan de sterkste onzer de assagaai kan werpen, door schild en door lichaam heendringt. Ook schieten de blanken met iets dat zich uitspreidt. Met een enkel schot heb ik gezien dat zij zes der onzen ter neder wierpen. Is er een onder ons, die dat met één slag van bijl of kierie, met één steek van de assagaai doen kan? Leeuw der Amazulu, wiens jakhals ik ben, door u bij de jakhals vergeleken, waarom trekt de Leeuw niet zelf tegen de Malongo op? Wij hebben gestreden als leeuwen; bij hopen werden wij neergeschoten, en hadden wij in de strijd volhard, dan zou uw impi geheel zijn vernietigd.”
“Umhlela, ge draagt heden uw hart op uw tong. Ge hebt lang gesproken, maar weldra zal u voor altijd het zwijgen worden opgelegd. Ik geloof u, en daarom zullen uw krijgslieden gespaard blijven, maar in uw persoon zal ik de Amazulu waarschuwen, dat geen Induna e'nkolu geslagen voor zijn Koning kan verschijnen en leven.”
Umhlela boog voor Dingaan, slechts zeggende: “De Koning heeft gesproken.” Hij richtte zich weer fier op en stond met het schild in de hand zijn einde af te wachten.
Dingaan wendde zich tot een der induna's van zijn gevolg. “Julavusa,” zei hij, “ge treedt in de plaats van Umhlela; zult zijn impi uit de kraal geleiden en doen legeren, om daarna dadelik terug te keren, want vóór dezon in het midden van de Hemel staat, zal ik u nodig hebben.”
De induna boog voor de Koning en plaatste zich voor het leger.
“Manondo, kom hier,” gelastte Dingaan, en toen de grijze induna hem genaderd was, ging hij voort: “ge staat aan het hoofd van de luipaardvangers; vandaag zult ge het genoegen hebben een jakhals dood te slaan.” En op Umhlela wijzende vervolgde hij: “Daar staat de jakhals. Neem de linkerafdeling van uw regiment, vervoert hem buiten de kraal en slaat hem dood met kieries. Versta mij wel: geen assagaai mag worden gebruikt.”
Roerloos blikte Manondo voor zich. Umhlela en hij waren sedert hun kinderjaren als David en Jonathan geweest. Dat was de Koning, die hen met een duivelse lach op het gelaat aanstaarde, goed bekend. Maar wat meer was, het werk dat hem werd opgedragen, werd steeds verricht door de beulen, of door jongere krijgslieden, en werd beneden de waardigheid van een induna geacht.
“Mijn Koning!” riep Manondo eindelik bewogen uit, “zend mij in het heetste van het gevecht, laat mij sterven, maar draag mij zulk een vernederende taak niet op.”
“Wat? andermaal spreekt ge mij tegen!” riep de Koning uit. “Noemt ge het vernederend mij te gehoorzamen? Meent ge lang genoeg te hebben geleefd?”
“Kom,” zei Umhlela tot Manondo, “voer mij weg, en verwek door langer dralen de Koning niet verder tot toorn.”
Toen riep Manondo uit: “De grote Olifant heeft gesproken. Ik zal volbrengen wat hij mij heeft gelast.”
“Dat is wijs van u Manondo,” hernam Dingaan, “maar wees gewaarschuwd. Ik wil voortaan zonder tegenspraak door u gediend worden. Volvoer uw last, en kom met spoed terug, want heden zal de grote Raad vergaderen. Vertrek!”
Julavusa sprak een bevel uit, waarop de impi van front veranderde, en met gebogen hoofden het plein verliet, gevolgd door de afdeling der Omobapankoe, die Umhlela naar de beenderenheuvel voerde.
Zwijgend en treurig trok deze stoet voort. Eerst toen zij buiten de kraal waren gekomen en de gerechtsplaats zien konden, zei Umhlela tot Manondo: “Oude vriend, ge moet het wrede bevel van het monster, dat de Amazulu regeert, uitvoeren. Ge hebt gehoord hoe hij gezegd heeft, dat geen assagaai op mij gebruikt mag worden. Hij wil mij doen martelen, eer de Grote Geest mijn geest wegneemt. Maar beloof me, geef gij mij de eerste slag, met dezelfde kracht die ge toonde, toen wij Sebakwane en zijn leger versloegen.”
“Umhlela, dat mijn hand u de genadeslag moet geven!” riep Manondo bewogen uit. “Maar het zij zo, het kan niet anders. Ge zult niet gemarteld worden, Umhlela.”
Men had de moordheuvel bereikt, waar de lucht verpest was door de in verschillende staat van ontbinding zijnde lichamen. De krijgslieden vormden een kring om de veroordeelde en wachtten op een teken van Manondo. Maar plotseling greep deze uit de hand van een naast hem staande krijgsman een kierie met buitengewoon zware knop, zwaaide die in de lucht, en deed hem met zoveel kracht op het hoofd van Umhlela neerkomen,dat diens schedel geheel verpletterd werd en hij met een enkele zucht dood ter aarde stortte. Toen wankelde Manondo ter zijde, en bleef met afgewend hoofd, op zijn schild steunend, staan. Zijn krijgslieden hadden hem begrepen. Hij had de vriend van zijn jeugd de marteling bespaard. Geen enkele stokslag was er gevallen op zijn langzaam verstijvend lichaam.
De zon schoot zijn stralen bijna loodrecht op het grote plein van Umkungunhlovo neder, toen Dingaan andermaal zijn woning verliet, om voor de hut plaats te nemen. Zijn lijfwacht en persoonlike bedienden waren tegenwoordig, evenals in de morgen, maar het aantal induna's was groter. De oude Manondo was eveneens daar, en in gesprek getreden met een fors gebouwde, nog jonge Zulu, die van koninklike bloede moest zijn, want hij dekte zich met een schort van luipaardstaarten. Het was Panda, een jongere broeder van Dingaan.
Toen Manondo de Koning was komen melden, dat zijn vonnis voltrokken en Umhlela gedood was, had de Koning hem zonderling aangestaard, en gezegd: “Manondo! Laat uw regiment, onder toezicht van de N'genana (tweede bevelhebber) naar de legerplaats trekken. De afdeling waarmee ge teruggekeerd zijt, kan hier blijven onder zijn N'gena obzuna (officier) totdat de indaba afgelopen is.” De oude induna had dienovereenkomstig zijn bevelen gegeven.
De Koning was hem zo vreemd voorgekomen, en hij gevoelde zich niet op zijn gemak. Panda, die hij in de krijgskunst en op de jacht geoefend had, was zeer aan hem gehecht en had hem juist aangeraden, om de Koningniet de minste aanleiding te geven, om rechtens of onrechtens op hem verstoord te worden, daar hij niet twijfelde of Dingaan zou zijn leven niet sparen.
Daar werd het teken gegeven dat de indaba zou beginnen. De raadslieden, op de grond neergehurkt, vormden met Dingaan, die zijn zetel innam, een cirkel. Het woord werd echter staande gevoerd. In het midden van de kring bevonden zich drie door de ouderdom vergrijsde en vermagerde Zulu's. Zij waren gedeeltelik met witte klei besmeerd, waren behangen met vellen van slangen, doppen van kleine schildpadden, droegen armbanden en halskettingen, samengesteld uit menselike vingerbeenderen, hadden ieder een massa kleine gesloten hoorns en kalebassen aan hun gordel hangen, en droegen elk een lange staf. Zij waren de drie voornaamste Zieners of profeten, regenmakers en uitvinders van verborgenheden en uitleggers daarvan in Zululand. Hun tegenwoordigheid te dezer plaatse voorspelde niets goeds.
Dingaan wendde zich tot de oudste Ziener of Inyaya, met de woorden: “Mazesi, waar zijn de boden uit Natal, die bij u zijn aangekomen? Laat hen verschijnen.”
“Nee, Eter der mensen,” antwoordde de aangesprokene, “dat kan niet zijn. Deze boden zijn profeten, en liggen onder een belofte. Zij moeten zwijgen, doch door mijn mond zal de geest van Majolo spreken.”
“Welnu, wat bericht ge dan?” vroeg Dingaan.
Mazesi verhief zich als om op te staan, doch werd plotseling door een siddering bevangen. Zijn knieën knikten, zijn lichaam vouwde zich krampachtig, en hij viel in stuiptrekkingen op de grond. Men kon zijn beenderenhoren kraken, maar geen hand werd tot hem uitgestrekt. De Koning en zijn Raadslieden sloegen dit toneel met de grootste kalmte gade. Slechts de twee ambtgenoten van Mazesi hadden zich opgericht en zich elk aan een zijde van hem geplaatst, aandachtig op hem neerziende. Eindelik begon Mazesi te schuimbekken. De andere twee schenen op dit verschijnsel te hebben gewacht, want gelijktijdig bogen zij zich neer, veegden hem het schuim voor de mond weg, bestreken zijn lichaam met tovermiddelen uit de kalebassen aan hun gordels genomen, en verrichtten met de handen de nodige bezweringen over hem. Hij werd rustig, en scheen in slaap te zijn gevallen, toen zijn ambtgenoten hem ieder aan een arm oplichtten, hem op zijn voeten plaatsten, en hem met het gelaat naar de Koning gekeerd, bleven ondersteunen. Op hen met gesloten ogen geleund, meer hangende dan staande, was Mazesi begonnen tot zichzelf te mompelen. Plotseling riep hij met krachtige, heldere stem: “Zoon van Stentsanghaka! Hoor wat de geesten mij en de boden uit het land aan de overzijde van de Tugela hebben bericht en gelast aan u over te brengen. De Malongo's, die over het grote blauwe water zijn gekomen, en zich bij de wal daarvan hebben neergelaten, hebben een verbond gesloten met de Malongo's, die met hun hutten op wielen over de Quathlamba gekomen zijn. Te zamen zullen zij de Amazulu verslaan en uitdelgen en zijn land en beesten, zijn vrouwen en kinderen onder zich verdelen, en daarin zullen zij worden geholpen door mannen van ons eigen volk, ja, door een onzer grootste induna's. Meer dan één man zal echter nog over onze hoofden voorbijgaan, eerde Malongo de Amazulu zal aantasten: want zij moeten nog hun Kapitein kiezen, eerst dan wanneer de andere Malongo's van over de bergen zullen zijn aangekomen, waarna zij hun plannen zullen uitbroeien. De geesten zullen de profeten echter waarschuwen om u op uw hoede en gereed te doen zijn.”
Mazesi zweeg, en zou, niet ondersteund zijnde, op de aarde neergezegen zijn. Dingaan vroeg hem tans met donderende stem: “Wat is de naam van de Zulu induna, die zich zelf vernedert, door te heulen met de gezworen vijanden van zijn volk?”
De Ziener scheen besluiteloos te blijven staan, en mompelde, schoon voor allen hoorbaar: “Ik zie twee die elkander op de weg kruisen. De een lijkt nog jong, ik kan zijn gelaat niet herkennen. De ander is oud. Wie is hij?” “Ha!” schreeuwde hij plotseling, “ik herken hem. Geest van Majolo. Ik herken hem duidelik. Het is Manondo, de induna e'nkolu van het Omobapankoe regiment.” Hij zakte ineen en werd door zijn ambtgenoten zachtkens op de grond neergelaten.
Zwijgend staarden de induna's voor zich. Droefheid en schrik waren hun om het hart geslagen. Zij waren te veel ingewijd in de geheimen van het Zulu-despotisme, om aan de beschuldiging van de Ziener onbeperkt geloof te slaan. De morgen had reeds de moord aanschouwd van Umhlela, de wakkerste veldoverste van hun volk; zou nu de middagzon ook het zielloos lichaam van de brave, ervaren Manondo moeten bestralen?
Dingaan was opgestaan. “Manondo,” zei hij, “de houding door u in de laatste tijd aangenomen, heeft reedsmijn wantrouwen tegen u opgewekt. Ge hebt gehoord wat de geesten gesproken hebben; dat heeft mijn wantrouwen grond gegeven. Wat hebt ge voor uzelf te zeggen?”
De vals beschuldigde stond met waardigheid, met Spartaanse kalmte op. Met de gemoedsrust waarmede Socrates, die nobele Griek, de giftbeker ledigde, verwachtte de Zulu-staatsman de genadeslag met kierie of assagaai. Hij begreep het ten volle, zijn tijd was voorbij. Nog heden zou hij opstijgen naar die sferen, waar adel des gemoeds, rechtvaardigheid, reinheid des geestes troonden. De gloed van overtuiging, het besef van het onrecht hem aangedaan, het bewustzijn van zijn onschuld, deden zijn mannelik gevoel van recht in volle kracht in hem ontwaken. Op deze aarde zou zijn stem nimmer meer in indaba worden gehoord. Hij besefte dit en zou in oprechtheid des harten tans voor de laatste maal zijn stem doen horen.
“Zoon van Sentsanghaka,” ving hij aan: “opdat de Amazulu het weten mogen, dat ik onschuldig sterf, verklaar ik dat Mazesi laster en leugen tegen mij heeft gesproken. Ik ken hem en zijn streken van ouds. Verdraaiing en bedrog zijn de palen waarop de hut van zijn bestaan rust. En gij, Koning der Amazulu! Gij zijt heden zijn medeplichtige. Ik zal de zon achter het Umpufane gebergte niet meer zien verdwijnen. Mijn oog zal van avond de met sterren bezaaide hemel niet meer kunnen aanschouwen; maar in mijn binnenste heerst vrede en zegt mij een stem, dat ook in u het onrecht zal worden gestraft. De profetie van de stervende Tshaka staat op het punt van vervuld te worden. De Malongo is gekomen.Gij hebt hem tot vijand gemaakt. Uw einde is nabij.”
Met moeite bedwong Dingaan zijn toorn, en bulderde: “Weg met de verrader! Hij worde onmiddellik ter dood gevoerd!”
Panda nam het woord, blijkbaar bedeesd en ten diepste geroerd: “Koninklike broeder!” riep hij uit, “verleen Manondo genade. Spaar zijn leven, ter wille van Mnande, uw moeder, die zijn zuster was.”
“Knaap,” onderbrak hem Dingaan, “ge onderneemt het van genade te spreken, waar ik het doodvonnis heb geveld. Maar luister en beef. Heeft Mazesi, door de geesten bezield, niet gesproken van twee verraders, een waarvan jong was? Wie is die tweede verrader? Denkt ge dat ik Manondo naast u de plaats zal laten innemen, die Bopa bij me heeft ingenomen, toen ik een einde maakte aan het leven van Tshaka, wiens dwaze profetie me tans door de hond die heden sterven moet, ten tweede male voor de voeten is geworpen. Als ge uw leven lief hebt, zwijg.”
Ook Manondo wierp een smekende blik op zijn jonge verdediger, die door de uitval van de Koning geheel uit het veld geslagen, neerzeeg.
Op een wenk van Dingaan trad de officier van de Luipaardvangers nader. “N'gena obzuna,” klonk de stem des Konings. “Uw afdeling had de eer van morgen een lafaard dood te slaan, ge zult heden ook nog een verrader van het leven beroven. Voer uw vorige bevelhebber onmiddellik weg, en sla hem de hersens in.”
“Vaarwel, Induna's van mijn volk!” riep de oude Manondo.“De tijd zal mij wreken.” De afdeling van zijn regiment voerde hem diep aangedaan naar de slachtplaats. Zij wensten zijn lijden te verkorten, en, zonderlinge samenloop, met een enkele slag werd hem het leven benomen met dezelfde kierie waarmede hij in de morgen Umhlela de genadeslag gegeven had. Zijn krijgslieden plaatsten zijn lijk met eerbied naast dat van zijn oude vriend en krijgsmakker.
Toen Manondo verwijderd was, had Dingaan zich in zijn hut begeven. De indaba was voorbij.
Vertrek van het lager van Piet Uijs naar Natal.
Gaan wij tans in de loop van ons verhaal enige dagen terug en verplaatsen we ons in het lager van Piet Uijs aan de Klerkspruit.
Een zacht rood in het Oosten kondigde het aanbreken aan van de eerste dag na het vertrek van Uijs met het paardekommando naar Natal. De morgenster steeg gestadig hoger in zijn hemelbaan, schitterend, maar met een zacht kwijnend licht, als strekte hij met schroomvalligheid de gloeiende dagvorstin tot geleide. De aarde lag nog in haar laatste onrustige sluimering, alvorens geheel te ontwaken, wanneer de koesterende aanraking van de zon de haar omhullende nachtelike deken zou opheffen. In het lager was het echter reeds alles bedrijvigheid. De tenten werden opgebroken en hun inhoud bijeen gepakt, om samen weldra een plaats op de wagens te vinden. De wagenkring, die zolang tot verblijfplaats en tevens bolwerk der Emigranten Boeren had gediend, werd vaneen getrokken, de staketsels en zoden wallen uit de weg geruimd, het trektouw aan de disselboom bevestigd, om daarna door de spanjukken, met hun stroppenen scheien gewapend, voor het inspannen der ossen gereed te zijn.
De mannen begonnen reeds de ossen, span bij span, uit de grote troep te keren. De paarden van hen, die de tocht zouden beschermen, waren reeds gezadeld; maar nog gingen de zorgvolle huismoeders rond om te zien dat er niets werd achtergelaten; dat de ketel, waarin zoëven het water voor de koffie werd gekookt, niet in het kookscherm vergeten, maar behoorlik aan de langwagen was vastgemaakt. Dat het stampblok, waarin gisteren nog de mielies werd gestampt, zijn plaats onder de ketel in de wagentent had gevonden. Dat de broodpan, waarin gisteren avond nog enige beschuit voor de tocht was gebakken, bij de uitgeholde, als bakoven dienstdoende miershoop, niet achtergebleven was.
Galant had zijn trekgoed in orde. De andere bedienden waren de ossen reeds gaan vangen om in te spannen. Dirk, die met Galant de tocht te paard zou doen, totdat men de bergen zou bereiken, stond bij hem, de gezadelde paarden bij de toom houdende. De oude dienaar sloeg nog hier en daar aan iets de hand en moest in vrolike luim zijn, want hij zong met schorre stem een Bovenlands liedje, waarvan de opwekkende melodie in sterke tegenstelling was met de droefgeestige woorden:
“Mijn hart is zo zeer! Mijn hart is zo zeer!Mijn hart is zo zeer!En ik kan toch niet meer.Nou trek ik weg! Nou trek ik weg!Nou trek ik weg!Waar die ou zwart berg leg.”
“Mijn hart is zo zeer! Mijn hart is zo zeer!Mijn hart is zo zeer!En ik kan toch niet meer.Nou trek ik weg! Nou trek ik weg!Nou trek ik weg!Waar die ou zwart berg leg.”
“Wel outa,” vroeg Dirk, “hoe gevoel jij je van morgen!Ben je verdrietig of blij? Uit je gezang is je gevoel moeilik op te maken.”
“Wel, Baas Dirkie, je weet goed genoeg dat dit enkel van plezier is, dat ik zing. De oubaas is mos voor, en wij gaan hem achterna. Dood tegen mijn zin heb ik de Baas met Kiewiet alleen laten weggaan, en nou voelt mijn hart weer lekker, nou we koers vatten naar mijn oubaas toe.”
“Galant, je moet van avond ons weer de storie vertellen van je komst in de Kaap, en hoe je de slaaf van mijn overgrootvader geworden bent. Ik ken die storie nog, maar Karel van Wijk en Doris Botha willen hem ook zo graag horen.”
“Goed, kleinbaas, als we van avond lager getrokken hebben, zal ik jullie de storie vertellen. Maar hier zijn de ossen, we moeten nou inspannen.”
De toebereidselen voor het vertrek waren voltooid. De ene na de andere wagen werd door een span van twaalf of veertien ossen, op de krachtige, languitgerekte roep: “Trek” van de drijver, vergezeld van een lustig geklap met zijn lange, aan een stok van bamboes bevestigde zweep, in beweging gebracht, en rolde langzaam voort, en weldra kronkelde de lange wagentrein zich als een reusachtige boa over de groene grasvlakte.
Barend Greyling was met het bevel over de trek belast, en bevond zich aan het hoofd van de trein, door enige ruiters vergezeld; terwijl andere ruiters, op geruime afstand voor de wagens verspreid, dienst als verkenners of videttes deden, en weer een afdeling ruiters als achterhoede de trein sloot.
Bij Greyling bevonden zich Dirk en zijn getrouwe Galant. Dirk, die met geweer, bandelier en toebehoren uitgerust was, zag er krijgshaftig uit, zoals hij daar op zijn moedig rijpaard naast de Kommandant voortreed. Hij had bij deze aangedrongen als verkenner dienst te mogen doen, maar had tot antwoord gekregen: “Nee, mijn kind, je moeder heeft je aan mijn zorg toevertrouwd, en aan mijn zijde moet je vandaag blijven. Vraag 't haar echter van avond, en als zij toestemt, zal ik jou en Galant morgen als videttes vooruit zenden.”
Vroeg in de namiddag bereikte de trek het lager van hun vrienden aan de Elandsrivier, waar men zou overnachten, om de volgende dag, door deze eerste afdeling versterkt, de tocht naar het gebergte voort te zetten, waar men de andere afdeling dacht te vinden.
De maatregelen om te kamperen waren spoedig genomen, en toen het begon te schemeren, werden de kampvuren ontstoken en de wachten voor de nacht geregeld.
De vrouwen waren bezig met het bereiden van het avondmaal of met de verzorging der kleinere kinderen. De mannen hadden zich in groepjes verzameld en bespraken ernstig de jongste gebeurtenissen en de bezwaren van de tocht. Dirk Uijs had een klein kommando van flinke levenslustige knapen van zijn leeftijd om zich verenigd. Men beraadslaagde hoe men tot het avondmaal de tijd zou verdrijven. “Laat ons leeuw spelen,” riep Dirk uit, en zijn voorstel, met gejubel door allen beantwoord zijnde, kondigde het gejoel en geschreeuw dra aan, dat het vrolike, wilde spel in volle gang was.
Een der knapen wordt uitgekozen de leeuw voor te stellen;de anderen zijn de honden en de jagers. De honden en de leeuw moeten op handen en voeten lopen, de laatste omhangen met een leeuwevel, of bij gebrek aan het werkelik artikel, met een karos of velkombaars. De jagers trachten de leeuw te omsingelen en hem met stokken, die assagaaien vertegenwoordigen, te steken; maar wijken, wanneer hij brullend op hen toespringt immer achteruit. En geen wonder: want gelukt het de leeuw er een te pakken, dan wordt deze goed geknepen en geknuffeld, en worden de rollen verwisseld: de gevangene wordt leeuw, en de leeuw die hem gevangen heeft, wordt verhoogd tot jager. Ze duurde het spel voort totdat de knapen geroepen werden voor het avondeten. Bij het scheiden riep Dirk zijn makkers toe: “Kom na het eten bij ons kampvuur; Galant heeft me beloofd stories te zullen vertellen.” Weinig kon Dirk voorzien, dat vóór zij vier en twintig uren ouder zouden zijn, hij en Galant met een leeuw in levende lijve te doen zouden hebben.
Kort daarna vinden wij de oude Malabaar, plat op de grond bij het kampvuur, dicht bij de wagen van zijn ounooi zitten. Weer zong hij zijn levendig-treurig liedje van de morgen, maar ditmaal begeleidde hij zijn gezang met de tokkeling van een ramkie, een snare-instrument naar een kleine viool gelijkend, de kast waarvan uit een kalebas bestaat, die met ruw van het haar ontdaan vel is overspannen, en die òf bespeeld wordt met de vingers als een gitaar, òf waarvan de tonen, evenals die van de viool, met een korte strijkstok worden ontlokt. Galant was in een gemoedelike stemming. Hoewel hij zong: “Mijn hart is zo zeer,” droeg zijn zwart gezicht, door hetschijnsel van het kampvuur glimmend verlicht, geen enkel teken van de droefenis die volgens zijn lied in zijn binnenste heerste.
“Zo, outa,” klonk de stem van Dirk hem tegen, “ik kom de vervulling van je belofte vorderen. Karel, Doris en een handvol anderen zullen ook aanstonds hier zijn, om de storie die je me beloofd hebt, te horen.”
“Wel, kleinbaas,” antwoordde de oude, “als jij en jou maters klaar zijn, dan ben ik jullie Mozes.”
“Goed, outa, maar ik wil eerst mielies springen. Ik heb mijn zakken vol, en outa moet me as geven.”
Het mielies springen, waarin Galant een matador was, bestaat hierin. Men krabt met een plat stokje een laag hete as ter dikte van een duim, gelijk op de grond uit, en spreidt hierop de droge mieliekorrels. Met het stokje roert men de mielies door de hete as. Door de as verhit, barst het omhulsel der meeste mieliekorrels met een knal uit elkander. Het meel dat de korrel bevat, schijnbaar vloeibaar geworden door de hitte, krult zich in prachtige, witte pluimige vormen om. Deze mielies noemt men de hamels. Sommige mielies bieden weerstand aan de hitte, weigeren te springen en worden half verkoold. Zij worden in tegenstelling van de hamels, bokken genoemd, want zij vertonen minder vet. Te zamen genomen zijn zij de krakelingen van de jeugd der wildernissen, en worden onder onschuldig vermaak bereid, en gretig en met smaak genuttigd.
Galant, door Dirk bijgestaan, had in een ommezientje een aanmerkelike hoeveelheid mielies, uit de zakken van Dirk genomen, in hamels en bokken veranderd. Intussenwaren de genodigde knapen aangekomen, hadden zich om het vuur geschaard en wachtten, de handen vol gesprongen mielies, op de hun beloofde storie.
Galant had een paar malen uit zijn binnenste een onderaards geluid doen horen en herhaaldelik gekucht. 't Was niet te ontveizen, dat hij het gewicht van het ogenblik besefte. Zijn gehoor was groot, en hij moest zijn onderwerp recht doen geschieden. Sommigen der knapen schuifelden rond in ongeduldige afwachting; maar Dirk fluisterde hun toe: “Wacht maar. Outa maakt zich achter mekaar.” Eindelik ving Galant aan zijn storie te vertellen.
“Kijk, kleinbaassies,” zei hij, “dit is niet zo danig makkelik om mijn storie mooi aan jullie te vertellen. Was dit een storie van wolf of jakhals of schildpad, dan was dit niet zo moeilik, maar dit is mijn eigen zelvers z'n storie, die ik aan baas Dirkie beloofd heb te vertellen. Als ik terug denk aan de dagen, toen ik net mijn verstand gekregen had, en nog helemaal klein was, banja kleiner dan die baassies nou is, dan zie ik nog het land, waar ik toen in woonde. Als jullie reken dat ik nou al bijna helemaal witkop ben en halfpad zo krom als een hoepel, zullen jullie kunnen zien, dat dit banja dagen geleden is, waarover ik nou praat. Dit was een tamaai mooi land, dat land waar ik geboren ben. De vruchten groeien zomaar wild in de bossen. Het water spoelt altoos maar weg naar de zee. Want dat land waar ik van praat, is binnenkant in de zee. De witmensen noemen het een eiland. Jullie zegt voor mijn soort van mensen Malbaar, maar dit is verkeerd. Zover ik kan terugdenken, is de naamvan mijn natie Malagasie. Wel, ik was klein, maar ik heb alles goed onthouden. Daar was mijn vader. Een grote, sterke kerel, mijn ou moeder, die naderhand in dit land is doodgegaan, mijn ou zuster, die nou nog leeft, maar in die dagen waar ik van praat, was zij kleiner dan ik. Allemaal bijmekaar waren we vier stuks in een rondavel. Op een avond waren we zoals gewoonlik gerust gaan slapen, toen ik in de nacht wakker werd door een geschreeuw en gedoe zoals ik nooit van te voren gehoord had. Ik wrijf nog mijn ogen, om helemaal wakker te worden, toen iemand mij aan mijn been vat, en zoals een vel bij de deur van de rondavel uitgooit. Ik val als een pompoen buitenkant, maar had niet zeer gekregen, en was nou helder wakker. Mijn ou vader, mijn moeder en zusje zie ik bij me op de grond liggen. Een hele klomp mansvolk, met lange assagaaien, kieries en messen, zo groot als ik zelf in de handen, was overal rondom ons, en partij bezig om het vuur in onze rondavel te steken. Mijn moeder huilt en snikt, en mijn ou vader ligt te steunen. Toen de vlammen uitslaan, zie ik bij het licht, dat mijn vader rood van het bloed is. Ik kon niet uitmaken, wat dit alles beduidt, maar zover begreep ik, dat daar iets verkeerd was. Toen het dag was, brachten ze ons naar een grote open plek in de bossen. Mijn ou vader had een steek in zijn borst gekregen en was amper te zwak om te lopen, maar toch hadden ze zijn handen op z'n rug vastgemaakt, en joegen hem aan zoals een beest. Op de open plek in de bossen, zie ik een hele hoop van mensen die ik ken. De vrouwen en kinderen waren allemaal los, maar de mannen vastgemaakt, net zoalsmijn ou vader. Ik dacht dat 't mensvreters waren, die ons gevangen hadden, maar mijn ou moeder zei toen aan me dat ze ons niet zouden opeten, maar ons wegnemen om te verkopen, en dat ik en mijn zusje helemaal stil moesten blijven, want dat ze ons anders zouden slaan en misschien dood maken. Toen de zon mooi op was, en de bomen hun schaduw op de grond begonnen te gooien, maakten ze ons allen bij mekaar en begonnen ons aan te jagen. Mijn vader was zo zwak, dat hij bijna niet kon lopen, en mijn moeder, die mij en mijn zusje aan de hand had, liep stilletjes te huilen. Eén van de mannen, die ons gevangen hadden, en die de kapitein was, was mijn vader een paar maal komen bekijken. Met eens greep hij hem aan zijn arm, trok hem naar de kant van het pad, en voor mijn vader iets kon zeggen, stak hij hem met z'n assagaai in zijn hart, zodat hij morsdood op de grond viel. Toen we dat zagen, barstten we in gehuil uit, maar de kapitein zei ons, dat als we aanhielden met schreeuwen, hij ons ook zou doodsteken. Mijn hart was vreselik naar over mijn vader, want hij was altijd zo goed voor me geweest, en ik had hem banja lief, maar ik was bang, en probeerde toen maar om stil te blijven. Drie dagen lang zijn we door de bossen getrokken; toen kwamen we bij de zee, waar ze ons op schepen hebben geladen. Ik was net benauwd voor dat grote water, en heb geschopt en geschreeuwd totdat ze me uit de schuit, in de zee wilden gooien; toen ben ik stil gebleven. Een paar dagen daarna zijn we bij een ander land gekomen, waar ze ons in een groot huis bij mekaar gehouden hebben voor een korte tijd; en toen is partij daar gebleven, en de anderen, waarbijmijn moeder, zusje en ik waren, opgeladen op een groot schip. Die dag heb ik voor de eerste maal witmensen gezien. Toen heb ik eerst rèrig bang geworden. Ik dacht in 't begin, dat ze spoken waren, waarmee mijn ou moeder me altoos gedreigd heeft als ik stout was, en zij had haar handen net vol, om mij en zusje stil te krijgen. Maar ik heb gauw uitgevonden, dat die mensen ons niks maakten, en beter voor ons waren dan dat zwartgoed, dat ons gevangen had, en toen werd mijn hart gerust. Hoe lang we op de zee gebleven zijn, weet ik niet, maar 't was lang. Ik kon niks zien, als net lucht en water. Ook geen berg, of geen boom, of geen stukkie grond, zo groot als mijn hand. Net lucht en water. Maar eindelik kwamen we weer bij 't land, en laadden ze ons af. Dit was bij Kaapstad. Daar hebben ze ons weer in een huis gebracht, en die avond heeft mijn moeder gehuild en gehuild, alsof haar hart wou stuk breken. Ik vroeg haar toen, waarom ze zo huilde, en toen kwam ik achter de oorzaak. Mijn moeder vertelde me, dat we de volgende morgen zouden verkocht worden als slaven, en dat zij hartzeer had, omdat ze ons uitmekaar zouden verkopen, en zij ons nooit weer zou terug zien. Die nacht hebben we de ogen nooit toe gemaakt, en net altijd gehuild, en toen we de volgende morgen werden uitgebracht op de markt om verkocht te worden, toen voelde ik net naar op mijn maag. We konden in die dagen nog niet één woord Hollands praten, maar een van de mensen van het schip kon onze taal praten, en vroeg mijn moeder waarom we allemaal zo verdrietig waren. Zij vertelde hem toen de oorzaak, en het schijnt dat hij toen medelijden met onskreeg, want hij zei aan mijn moeder, dat hij haar en mijn zusje dan maar samen zou laten verkopen. Maar ik werd toen meer naar, want ik zou nou alleen moeten verkocht worden. Daar waren die dag banja mensen die slaven wilden kopen. Mijn moeder en zusje werden samen opgeveild en een oubaas kocht ze alletwee, en wees zo maar met eens naar een ossewagen die daar nabij stond, dat ze er naar toe moesten gaan. Ik kon niet verstaan wat daar gepraat werd, maar ik kon goed uitmaken, wat er gebeurde, en toen mijn moeder wegging, begon ik te schreeuwen, dat 't zo daverde en dreunde. De oubaas bleef toen staan, en begon te praten met de witman van het schip, en telkens naar mij toe te wijzen. De andere mensen stonden te lachen over mijn geschreeuw, maar de oubaas vertrok geen gezicht. Toen kwam de man van het schip naar me toe en vertelde me, dat de oubaas me ook zou kopen. Hij wilde niet een kind van zijn moeder wegscheuren, en ik moest uitscheiden met schreeuwen. Wel baassies, 't wordt laat, en mijn storie wordt te lang; ik zal hem klaar moeten maken. De oubaas heeft zijn belofte gehouden, en me ook gekocht, en ons allemaal naar zijn plaats toe genomen. Die oubaas was Baas Piet Uijs z'n Oupa. Mijn eigen vader kon niet zo goed voor ons geweest zijn, als die oubaas was. Kleinbaas Dirkie z'n Oupa, oubaas Koos, en ik waren even oud, en we zijn samen groot geworden. Mijn ou moeder is naderhand op de plaats gestorven en begraven, en toen oubaas Koos is gaan trouwen, heeft mijn oubaas me aan hem gegeven. Toen Baas Piet Uijs in de wereld gekomen is, heb ik dadelik gezegd, dat ik hem zou groot maken, en dat hebik ook gedaan. Ik heb hem banja dingen geleerd, saam met hem gaan zwemmen, leren paardrijden en met hem gaan jagen, en toen hij naderhand ook getrouwd is, heeft oubaas Koos mij weer aan hem gegeven. En zo heb ik bij hem mijn leven gesleten totdat hij nou ook al halfpad oud is. Toen de Engelse Goeverneur de slaven vrij gemaakt heeft, heb ik gezegd, dat is puur bocht, ik behoef niet een haar vrijer te wezen als ik ben, en ik ben bij mijn baas gebleven. Toen hij hiernatoe getrokken is, ben ik met hem saamgegaan, en ik zal bij hem blijven zolang als de Heer ons spaart.”
“En wat is van jou zuster geworden, outa Galant?” riepen enige stemmen.
“Jullie kent haar geloof ik allemaal. Zij leeft nog. Zij is ou aja Katrijn, die bij oubaas Koos woont. Maar nou moet jullie gaan slapen, kleinbaassies, 't is laat, en morgen als de dag aanbreekt, moeten we inspannen.”
“Hoor, outa Galant, jij kan mooi vertellen,” riepen de knapen, en met een algemeen “goede nacht” zocht ieder zijn slaapplaats op.
De tocht met de wagens over het Quathlambagebergte.
Met het krieken van de dag werd de tocht voortgezet, want men wenste die avond nog de verzamelplaats te bereiken. Dirk, de toestemming van zijn moeder daartoe gekregen hebbende, deed, door Galant vergezeld, dienst als vidette.
De vlakte wemelde van wild. Zover het oog reikte, graasden sprinkbokken, blesbokken, wildebeesten en quagga's in bonte mengeling dooreen. Het was de verkenners echter verboden een enkel schot op wild te lossen, en ofschoon Dirk van begeerte brandde, zijn vaardigheid als schutter en jager op de proef te stellen, hield gehoorzaamheid aan de bevelen van zijn Kommandant hem terug.
De morgen was zoel, ofschoon er een gestadig windje uit het Noorden blies. Galant gaf als zijn gevoelen te kennen, dat de regen niet ver af was. De drukkende lucht voorspelde dat, en gedurende de nacht had hij aan alle kanten weerlicht aan de gezichteinder zien uitslaan.
Men had zo enige uren langzaam voortgereden, want de verkenners moesten hun paarden dwingen tot de stap, om gelijke tred te houden met de langzaam voortgaandeossen, en het werd tijd uit te spannen, want de morgenschoft had lang genoeg geduurd. Dirk zei tot Galant, dat hij dorst begon te krijgen en wenste dat zij een waterpoel of stroompje bereikten.
De oude antwoordde: “Dan behoef je niet lang te wachten, Baas Dirkie! Hier voor ons zie ik een rietvlei, daar zal zeker water zijn.”
“Laat ons de paarden wat optrekken,” zei Dirk, “als we dit eindje op een galop rijden, kunnen we wat verzuimen om te drinken.” En de daad bij het woord voegende, hadden zij weldra de vallei bereikt.
Het was een brede laagte, in het midden waarvan zich de bedding bevond van een spruit, die tans droog was, maar door zijn hoge wallen bewees, het afvoerkanaal van het regenwater voor de hoger gelegen gronden te zijn, en zeker wanneer de donderbuien hoger op waren gevallen, dikwels als een bruisende stroom ondoorwaadbaar zou zijn. Lager af groeiden het fluitjesriet en de ruigte hoog en welig; daar moest stellig water zijn, en Dirk, die plaats aanwijzende, zei tot zijn metgezel: “Kom, daar zullen we water krijgen.”
Zij reden tot bij de rand van het riet, stegen van de paarden, de teugels aan elkaar bindende, om de dieren te beletten rond te grazen, en drongen, het geweer in de hand, door het riet. Zij waren zowat 'n twintig schreden voortgegaan, toen het riet en de ruigte ophielden, en zij zich bevonden bij een heldere waterplas, in het midden twintig tot dertig tree breed, maar smaller wordende naar de punten van in- en uitstroming. Galant zei totDirk: “Toe kleinbaas, drink; ik heb geen dorst.”
Dirk plaatste zijn roer op de grond, liet zich op de buik glijden, stak zijn mond in het water, en begon te drinken op de wijze van de mannen van Gideon, waarvan de Bijbel gewaagt. Maar nauweliks had hij enige slokken genomen, of hij hoorde Galant met blijkbare schrik uitroepen: “Allemastig kleinbaas! spring op en kijk wat daar aan de overkant van het water is!”
Als door een elektriese schok in beweging gebracht, stond Dirk op de voeten, greep zijn roer en blikte naar de overzijde. Het toneel dat zijn oog ontmoette was voor een schilder prachtig schoon, maar voor hem in zijn naakte werkelikheid schrikbarend genoeg om hem de haren te berge te doen rijzen. Aan de overzijde stond een volwassen mannetjesleeuw, geen twintig tree van hen af, hen met fonkelende ogen aan te staren. Zij hadden hem in zijn ontbijt gestoord, want hij stond naast het karkas van een rietbok; en dat deze stoornis de koning der dieren niet welkom was, bleek maar al te duidelik. Hij zweepte zijn zijden met de kwast van zijn staart, en deed een onderdrukt en knorrig gebrom horen.
“Kijk hem in zijn gezicht, en verroer je niet, baassie,” had Galant gezegd; en Dirk bleef doodstil staan, met het oog op de leeuw gevestigd.
Hadden hij en zijn makker zich omgekeerd om te vluchten, dan was hun laatste uur zeker geslagen, want het vertoornde dier zou zich dan ongetwijfeld achter op hen geworpen hebben; maar het menselik oog oefent zonder twijfel een zekere mate van bedwingkracht op de redeloze dieren uit.
“Kleinbaas,” zei Galant, “er is net één plan: wemoeten hem doodschieten, en als we een klein beetje langer wachten, zal hij ons bevliegen. Ik zal het eerste schot doen, en als dat geen doodschot is, moet jij klaar wezen, om hem het tweede te geven.”
De leeuw begon al heftiger met de staart te zwaaien. Hij scheen te beseffen, dat zij die hem waren komen storen, niet van plan waren te wijken, en dat het tussen hem en hen een kamp op leven en dood zou zijn. Hij maakte zich tot de sprong gereed.
“Schiet, outa! Ik ben klaar,” riep Dirk.
Galant had de zware baviaansbout aan de schouder geworpen. Schoon in 't volkomen bezit van zijn tegenwoordigheid van geest, gunde hij zich de tijd niet om fijn korrel te vatten, maar brandde los, zodra hij de kop van de leeuw voor het vizier had.
Nog was de rook van het schot niet geheel weggetrokken, of met een dof gebrul sprong de leeuw op zijn aanvaller af. Dirk zag het zware lichaam als 't ware door de lucht vliegen, en sprong een weinig ter zijde. De leeuw sloeg als een bom tegen Galant, en beiden rolden op de grond. Met één sprong was Dirk naast het brullende dier, hield de loop van zijn roer dicht tegen de kop, en gaf vuur. Toen de kruitdamp optrok, lag de leeuw te stuiptrekken en kwam Galant, die in de waterplas gerold was, druipnat naar boven klauteren.
Op dat gezicht barstte Dirk in een schaterlach uit, maar werd onmiddellik weer ernstig, want de oude dienaar kroop kreunende op handen en voeten naar hem toe.
“Ben je gewond, outa?”riep hij hem op angstige toon toe.
“Nee, wat zou ik gewond wezen!” antwoordde de oude, zich oprichtende, “maar die afgedankste leeuw heeft me van de benen gesprongen, en kijk hoe nat ik ben; nou krijg ik zeker weer zinkings.”
Hun gesprek werd afgebroken door het geroep van verscheiden verkenners, die op het horen der schoten toegesneld waren, en de paarden aan elkander gekoppeld vindende, halt hadden gehouden, en Dirk bij z'n naam riepen.
Vrolik antwoordde hij: “Galant en ik hebben leeuw gespeeld en om Kool doodgeschoten. Kom maar nader, er is geen gevaar.”
De andere mannen drongen door het riet en toen zij de dode leeuw zagen, wensten zij de twee dapperen hartelik geluk met hun ontkoming.
Een hunner sprong te paard om de Kommandant, die de schoten zeker ook had gehoord, te gaan gerust stellen, en de anderen begonnen het beest te villen. De kogel van Dirk was hem van oor tot oor door de kop gegaan. Die van Galant had slechts zijn onderkaak verbrijzeld.
Toen de voorste wagens weldra de riet vallei bereikten, werd halt gemaakt en uitgespannen. De Kommandant prees Dirk voor zijn koelbloedigheid, maar zijn moeder stortte tranen van vreugde over zijn behoud, drukte hem aan haar hart, en maande hem tot voorzichtigheid aan. Door zijn makkers, voor wie hij de held, de leeuw van de dag was geworden, met vragen bestormd, antwoordde hij lachende: “De buit behoort aan mij en Galant te zamen, maar hij heeft zijn deel aan mij afgestaan, en als wij nu weer leeuw spelen, bezit ik mijn eigen leeuwenvel.”
De trek werd verder voortgezet zonder enig noemenswaardig voorval, en 's avonds werd het kamp aan de voet van het gebergte bereikt, waar de anderen hen reeds wachtten.
Een dag rust zou de trek zich hier vergunnen, alvorens de tocht over het gebergte te aanvaarden; een tocht die zijn menigvuldige bezwaren en gevaren had, niettegenstaande de trekkers, die in Natal reeds waren, de baan gebroken en de weg gewezen hadden.
Dit gebergte, reeds meermalen door ons genoemd, is een nadere beschrijving waardig. De naam Quathlamba, er door de inboorlingen aan gegeven, is een passende er voor. Die naam betekent, vrij vertaald: “Een verwarde opeenstapeling.” Door de blanken werd aan het gebergte de naam van “Drakensbergen” gegeven, de oorsprong voor welke benaming ons onbekend is.
Deze grote ketenvangtaan in het Zuiden en loopt op een afstand van honderd tot tweehonderd vijftig mijl langs de kust op, tot in het verre Noord-Oosten. Hij vormt de natuurlike grens van sommige der schoonste, meest schilderachtige streken van Zuid-Afrika, en verheft zich als een rotsig bolwerk ter hoogte van zes duizend tot twaalf duizend voet boven de oppervlakte van de zee. Het land daalt van deze bergen terrasgewijze af, tot aan de kust, in op elkander volgende hooglanden. Zijn grootste hoogte bereikt het gebergte in de omtrek waar ons verhaal ons heeft gevoerd, waar deMont aux Sources, Champagne Kasteel, Reusburgs Kop, het Reuzen Kasteel en Nelsons Kop, zijn hoogste toppen zijn. Aan de westelike zijde gezien, schijnt het gebergte niet zo hoog; hier is het slechtsde rand van het hoogland, dat zich naar het Westen en Noorden uitstrekt in bijna eindeloze grasvlakten. Maar van de oostzijde beschouwd, verheft het zich trots omhoog, en met weinig verbeelding kan men uit de grillige vormen der rotsen op zijn kruin, zich de lijnen van kastelen, bolwerken en torens voorstellen; bouwvallen van wat door een verdwenen reuzegeslacht werd tot stand gebracht; verblijfplaatsen van de berggeest, die volgens de sage zich in het gebergte schuil houdt, om zijn tegenwoordigheid een enkele maal bij stormweer en noodgetij te openbaren. Naar het Zuid-Westen schijnt de bergrug zich te verbreden, en vormt zich een kortere bergketen naast de hoofdketen. Hier zijn de Malutis, de Dubbele Bergen, der Basuto's. In deze omtrek ontspringen verscheiden rivieren, en stromen naar allewindstrekenvoort, om zich in de schoot van de oceaan te werpen. In de vruchtbare valleien van dit gebergte woonden vele inboorlingen, in zekere mate van welvaart. De rijke bodem voorzag hen met een overvloed van graan, niet alleen voldoende om hen te voeden, maar nog genoeg latende, om aan andere, minder gezegende stammen te verruilen voor vee, en om hun kafferbier te bereiden. Langs de hellingen der bergen graasden hun talrijke kudden, en over het geheel genomen, konden deze bergbewoners gelukkig worden genoemd.
Hoger op in het gebergte bevonden zich de verblijfplaatsen of liever holen van minder gelukkige wezens. Buiten twijfel is het, dat de vertelseltjes omtrent de menseëters, bij het aanhoren waarvan menig kind rilt en beeft, om er toch met kinderlik genoegen en genot naarte blijven voortluisteren, niet van alle grond zijn ontbloot, maar dat hier de schuilplaats van kannibalen was te vinden. Dat de Bosjesmannen zich hier ophielden, blijkt nog uit de vele tekeningen van hun hand, die op de rotsen en spelonkzijden worden aangetroffen.
Ten zuiden vooral zijn diepe kloven, waarvan de zijden veelal door loodrechte, zich honderden voeten omhoog heffende rotswanden zijn gevormd, en in het midden waarvan de bergbeek voortmurmelt, om nu een glinsterend over de klippen te springen en zich dan weer als een zilveren waterval in de afgrond te slingeren. De plantegroei is in deze kloven allerweelderigst. Niet slechts worden er de schoonste bloemen en slingerplanten, het sierlikste struik- en heestergewas gevonden, maar dikwerf vormen eeuwenoude krachtvolle bomen een ondoordringbaar woud.
Doch laat ons tot ons verhaal terugkeren. Nadat men een dag op de verzamelplaats was overgebleven, om de trekdieren te doen uitrusten, zowel als om alles in volkomen orde te regelen voor het opstijgen en weer afdalen der bergen, werd het lager opgebroken, en de tocht voortgezet. Als men het oog sloeg op de zwaar beladen wagens, en op de bergen waarover zij vervoerd moesten worden, scheen het te vergeefs en nutteloos de poging te ondernemen; en toch, de Voortrekker deinsde niet terug. Reeds was door de afdeling die zich in Natal bevond, een weg gebaand, indien men de met groeven en greppels doorsneden en met rotsblokken bezaaide baan, die zij hadden achtergelaten, een weg kon noemen. Maar voorwaarts gaat het, zo goed en zo kwaad als het kan. Eenaantal krachtige mannen gaan voor de wagens uit. Zij dienen niet alleen als voorhoede tegen de vijand, zo deze zich mocht vertonen, maar zijn ook van graven en pikken voorzien, en ruimen, waar grote beletselen en voortgang der wagens belemmeren, die zoveel mogelik uit de weg. Andries Viljoen, die zijn aan Uijs gegeven woord gestand deed, en naar Natal terugtrok, was met het bevel over deze afdeling belast. Geschikter persoon had men moeilik kunnen vinden. Reeds tweemaal was hij met wagens dit bergpad langs getrokken, de laatste maal slechts enige dagen geleden. De Voorzienigheid had in hem aan de trek de beste gids toebeschikt.
Zo ging het langzaam, voet voor voet opwaarts. Waar soms de helling te steil werd, en het bleek dat het voor één span ossen onmogelik was, het zware voertuig op te slepen, werd halt gemaakt, een tweede span voor het eerste vastgehaakt, en op deze wijze onder veel zweepgeklap, met menige sjambokslag, gepaard met het onvermijdelik breken van jukscheiën, en het geklank van het uitgerekt geroep van: “Trek! Trek nou!” de wagen door dubbele trekkracht naar boven gesleurd, tot het “Ho, ha, nou! Hokaai!” aankondigde dat het bezwaar overwonnen was, en het volgend voertuig naar boven kon worden gebracht.
Maar de moeilikheden van het bergpad zelf waren niet het enige bezwaar. Vaak werd de weg gevaarlik, wanneer men langs de rand van een afgrond of kloof, het pad ternauwernood breed genoeg om aan het voertuig doortocht te verlenen, trekken moest. Waar dat pad dikwels schuin afhelde naar de kant van de gapende afgrond, enaan de andere zijde het uitwijken of hoger opgaan onoverkomelik belet werd door de rechtopstaande, het pad beperkende rotswand. Als zodanig punt werd bereikt, verlieten de vrouwen en kinderen de wagen. Zelfs de drijver klom van zijn zitplaats op de voorkist. Aan de assen en de langwagen werden sterke riemen bevestigd, door een twintigtal mannen aan de zijde van de rotswand in handen genomen, en alzo de wagen tegengehouden en belet om onder het voortgaan, door de schuinte medegesleept in de richting van de afgrond, als 't ware tot hem aangetrokken, daarin neder te storten. Soms weer kronkelde het pad zich om een vooruitspringende rotspunt, met een zo plotselinge bocht, dat de grootste omzichtigheid werd vereist, de draai met het lange span ossen zó te volgen, dat het voertuig in het pad bleef, en niet in de kloof afrolde.
Zo hadden mens en dier enige uren voortgezwoegd en voortgeworsteld, en de voorste wagens reeds de grootste bezwaren van de bestijging overwonnen en bijna het punt bereikt vanwaar de niet minder gevaarlike afdaling zou aanvangen.
Dirk en Galant bevonden zich bij de wagen van Uijs, onmiddellik achter de wagen van Andries Viljoen, de gids, die het bestuur over zijn voertuig aan zijn zoontje, een kind van elf jaren oud, en aan zijn bedienden had moeten overlaten.
“Baas Dirkie,” zei Galant, “ik wens dat we boven op de berg waren. Van eergister af heb ik al regen verwacht, en vandaag zullen we het zeker krijgen. De wolken pakken al op mekaar; net nou zal de donder dreunen.”
“Wel, Galant,” antwoordde Dirk, “het zal wel niet de eerste maal zijn, dat wij een nat pak oplopen, en ik vertrouw de laatste maal ook niet.”
Nauweliks had hij deze woorden geuit, of een dof gedreun kwam voort uit de zwarte wolkemassa, die zich ten Zuid-Westen van het gebergte had opeengehoopt, terwijl de wind uit die richting kwam opzetten. De lucht, daareven nog azuurhelder, werd asgrauw van kleur, en belette weldra het doordringen aan de zonnestralen. Het gehele landschap, daar straks nog in vrolike tintengekleurd, lachend en dartelend in de zonneschijn, scheen achter een sombere sluier teruggezonken. De vogels zochten in snelle, lage vlucht de bescherming hunner nesten. De drukkende, met elektriciteit geladen dampkring werkte zwaarmoedig op onze trekkers, en maakte hun trekdieren loom en traag. De wind verhief zich in steeds sterker wordende vlagen, en dreef de orkaan op zijn witgepluimde wolkekoets steeds nader en nader. Daar kliefde de eerste bliksemflits als een vlammend zwaard de lucht, gevolgd door een ratelende donderslag, die het gebergte op zijn grondslagen scheen te doen schudden, en door de rotsen weerkaatst, van kloof tot kloof bleef voortbulderen; en het gerommel was nog niet in de verte verstorven, toen een tweede bliksemstraal de wolken scheen te scheuren, gevolgd door een even zware slag. Tans barstte de storm los met volle woede. Galant had dadelik zijn wagen doen stilstaan, hetgeen noodwendig de anderen, die hem opvolgden, hetzelfde deed doen, en hij was naar voren, naar de wagen van Viljoen gelopen, die juist een punt bereikt had, waar het pad een draai maakte tussen debergwand en de rand van een diepe kloof. De vrouw van Viljoen, die met haar kinderen van de wagen was geklommen, wilde weer daarin beschutting zoeken tegen het onweer, maar Galant hield haar tegen, en op zijn aandringen spoedde zij zich met de kleinen terug naar de wagen van Uijs, die betrekkelik veiliger was geplaatst. De regen, van grote hagelstenen vergezeld, viel tans in stromen neder, en de rukwinden kwamen met zoveel geweld, dat zij de zeilen der wagens scheurden, de wagens dreigden omver te werpen, en het struikgewas op de bergranden uit de grond rukten. Onafgebroken schoot de bliksem van wolk tot wolk en dikwerf loodrecht in de aarde. Het geluid van de ene donderslag rolde in de andere, een majestueus maar vrees inboezemend akkoord. De ossen, door wind en regen gezweept, door de hagelstenen getroffen, door de bliksem verschrikt en verblind, weigerden stil te staan en werden door drijvers en leiders met de uiterste moeite tegengehouden. Galant bevond zich nog bij de wagen van Viljoen, met wiens zoontje en twee bedienden hij trachtte de ossen te doen stilstaan, hetgeen hun echter slechts ten dele gelukte. Door het heen en weer rukken en slingeren waren de achterwielen van de wagen reeds op de rand van de kloof geraakt. Galant zag het gevaar en zond de jonge Viljoen terug naar de achterste wagens om hulp te halen. Druipnat liep de kleine knaap, die zich ternauwernood in de sterke wind op de been houden kon, naar achteren terug. Het was echter reeds te laat. Op eens lieten enige grote klippen bij het achterstel van de wagen los, en stortten naar beneden; het ene achterwiel sloeg over de rand van dekloof, een ogenblik nog stond de wagen te waggelen, alsof hij trachtte het verloren evenwicht terug te bekomen. De achterossen hieven een angstig gebrul aan, de andere ossen vlogen naar voren; het trektouw brak voor de disselboom af, en de wagen, de twee in doodsangst loeiende achterossen met zich slepende, verdween over de rand van de kloof en stortte in de diepte neder.
Alsof de stormgeest met dit zoenoffer bevredigd was, begon de orkaan spoedig na dit ongeluk te bedaren. De wind ging liggen, de regen hield op, en het wolkgevaarte, gedekt door een regenboog, schitterend in zijn prismatiese kleurepracht, zakte statig af naar het Noord-Oosten, uit de verte zijn dof gedreun als ten afscheidsgroet doende horen. De zon brak door, en speelde in schitterend licht op de met hagelstenen wit beladen bergkruinen en hellingen, waarlangs het regenwater, hier in kleine voren, daar in bruisende stromen, afdaalde. Het landschap, als door de regen gereinigd, was in schoner, helderder tinten getooid. De gezuiverde atmosfeer scheen met verse ademtochten het aardrijk te verlevendigen, en het lustig gekweel der vogels weerklonk opnieuw vrolik door het gebergte.
Op de plaats van het ongeluk hadden zich velen trekkers verzameld en stonden geschaard om Andries Viljoen en zijn gezin. De wakkere man had tranen in de ogen. Hij, die de vijand steeds moedig te gemoet ging, de dood in de ogen had gezien zonder schromen, hem schoot het gemoed vol, nu hij met uitzondering van twaalf ossen, al zijn have, het weinigje dat hij uit de overvloed die hij in de Kolonie genoten had, met zich in de wildernis hadgevoerd en zorgvuldig had bewaakt, in de afgrond voor zijn voeten verpletterd en verzwolgen moest denken. En zijn twee trouwe achterossen, Zwartland en Potberg, waarop hij zo staat kon maken, die hem reeds zoveel jaren hadden gediend, vermorzeld lagen zij daar in de diepte. Zijn vrouw stond te weeklagen. Arme ziel! Niet alleen was met de wagen het voertuig, maar ook de woning van haar en haar kinderen verdwenen, en met die woning alles wat zij bezaten. Hier stonden zij zonder een droge draad aan het lichaam, en hun andere kleren had de bergkloof verzwolgen. Alles, alles, hun beddegoed, mondbehoeften, medicijntrommeltje of huisapotheek, direkt uit de winkel van Juritz afkomstig; de grote Statebijbel, geschenk der Dortse vaderen van geslacht tot geslacht, en het Psalm- en Gezangboek, haar door haar moeder in de hand gedrukt op de dag toen zij als een blozende bruid het ouderlik huis verliet. Verloren! Alles verloren! Was het wonder, dat die arme vrouw, die moedig in de kruitdamp, toen de Zulu's hen aanvielen, aan de zijde van haar echtgenoot gestaan en hem de ammunitie had aangereikt, tans in tranen wegsmolt? “Here! Here! Wat begin ik nu? Mij is niets overgebleven” riep Andries Viljoen wanhopig uit.
“Nee broeder, zo erg is het niet,” klonk de forse stem van Barend Greyling. “Denk er aan hoe velen onzer broeders niet alleen al hun have, maar nog vrouw en kroost in de laatste tijd zich hebben zien ontrukt; en misschien nog zelf verwond en verminkt, van alles beroofd, het lieve leven moeten voortslepen, afhankelik van de genade van anderen. Hier staat ge met de uwen nog fris engezond; en wat het verlies van je have betreft, dat is niet jou verlies, maar dat van ons allen. In aller belang waart ge als gids aan ons hoofd en moest je eigen belang in de waagschaal stellen. Gezamenlik behoren en zullen wij je verlies goed maken.” “Dat zullen wij!” weerklonk het rondom hem. “Welnu, waarom dan getreurd? Laat een twaalftal mannen bij het begin van de kloof afklimmen en zien wat nog te redden is. Dank de Hemel, dat je vrouw en kleintjes niet met de wagen samen in de afgrond zijn geslingerd.”
Deze krachtige en verstandige woorden misten hun uitwerking niet, en brachten Viljoen en zijn gezin totberustingen kalmte. Met spoed waren verscheiden mannen in de kloof afgeklommen. Viljoen had zich bij hen gevoegd. Zij moesten een moeitevolle taak ondernomen hebben, want lang, wel enige uren, lieten zij op zich wachten. Maar eindelik, daar klauterden zij weer naar boven, ieder beladen met zijn last. Onder de biezondere omstandigheden van de trek, hadden vele zaken, die in de wildernis niet verkrijgbaar waren, een biezondere waarde. Het houtwerk van de wagen was natuurlik geheel verbrijzeld, maar al het ijzerwerk werd losgemaakt, verzameld en naar boven gedragen. Veel van het beddegoed en de kleren, schoon enigszins gehavend en beschadigd, werd gered. De medicijntrommel was met zijn inhoud verbrijzeld, maar de Statebijbel en het Psalmboek werden tot vreugde van vrouw Viljoen, haar heel en gaaf ter hand gesteld.
Ruimte ontbreekt ons, de verdere tocht voet voor voet te volgen. Wij moeten ons bij het neerschrijven dervoornaamste gebeurtenissen bepalen. Sluiten wij dan dit hoofdstuk met te zeggen, dat de wagentrek van Uijs zonder verder ongeval vier dagen later bij het lager van de Grote Trek in Natal aankwam.