IX.

Aankomst van het lager van Piet Uijs in Natal.

Zalig uur van het wederzien, te meer wanneer de scheiding is gevallen in tijden van rampspoed en gevaar; wanneer de gescheidenen, aan elkander denkende, zich de geliefde afwezige voorstellen, door lagen en listen omringd, door een sluwe en naar bloed dorstende vijand bezet, met de dood worstelende, stervende met de geliefde naam op de lippen. Als ieder uur de angst en de spanning heeft doen stijgen, de onrust het hunkerend verlangen heeft vermeerderd, en het gelovig gemoed slechts verlichting heeft gevonden in het ootmoedig: “Gij weet het, Heer!” Als het hart sneller klopt, de boezem heviger prangt, hoe meer de stonde genaakt wanneer het floers van de onzekerheid zal worden weggerukt, men zich in de armen van de geliefde zal kunnen werpen, of voor altijd van hem op aarde gescheiden, zijn droevig lot bewenen zal, en slechts lafenis zal kunnen putten uit de bron van de hope des wederziens hiernamaals. Zalig uur van het weerzien op aarde, als de benauwende vrees en twijfeling zich oplossen in het zeker zijn omtrent elkanders veiligheid en welzijn,als het zweven tussen hoop en vrees als een schim verdwijnt en plaats maakt voor het verrukkelik, dankbaar gevoel, dat de boezem doortintelt bij het bewustzijn: wij leven. Wij zijn gezond. God heeft ons voor elkander gespaard. Zalig uur van het weerzien. Voorsmaak van het ogenblik, wanneer de moede strijder de aardse wapenrusting aflegt, en op de vleugelen van de Seraph stijgende, de geliefden, van wie hij op aarde gescheiden werd, in reiner sfeer terugziet voor de troon van God.

Het was een vreugdevol weerzien tussen Uijs en de mannen van zijn paardekommando, en hun vrouwen en kinderen die met de wagentrek waren aangekomen. Wederzijds waren allen gezond, en sedert de scheiding aan de andere zijde van het gebergte, hadden zij het verlies van geen enkel leven te betreuren gehad.

De Kommandant ontving het rapport van Barend Greyling. Hij was biezonder verheugd over de terugkeer van Andries Viljoen en de andere volgelingen van Strijdom, die zich tans voor goed bij hem hadden aangesloten; en toen hij het verlies van de wagen vernam, beloofde hij nog de volgende dag dit verlies te zullen goedmaken. Dat zou niet moeilik gaan, want in het lager bevonden zich verscheiden wagens met trekgoed, tenten, huisraad en vee, waarvan de eigenaars vermoord waren, en de Krijgsraad had besloten deze goederen te verkopen, en de opbrengst te bewaren, totdat de gelegenheid zich zou voordoen die te overhandigen aan de rechtmatige erfgenamen. Verder deelde de Kommandant in korte woorden aan Greyling mede, hoe de zaken stonden, met betrekking tot het kiezen van een hoofdaanvoerder, en besloot hij mette zeggen, dat hij de volgende morgen een vergadering van devoormannenvan zijn trek zou beleggen, om met hen te beraadslagen.

Die avond vinden wij Uijs, met zijn gezin verenigd, in zijn tent terug. De dagtaak was geëindigd, de wagentrek bij het grote lager ingelijfd en behoorlik verzorgd. Enkele vriendinnen waren de vrouw van Uijs komen welkom heten, doch tans begreep men dat het de echtgenoten verkiesliker zou zijn, om in hun eigen huiselike kring alleen gelaten te worden. Op het gelaat van allen is een stille vreugde te lezen. Niemand ontbreekt er; zelfs de oude Galant heeft zijn hoekje in de tent gekregen. Immers, hij heeft ook nog verslag aan zijn oubaas te doen, en heeft zich hiervoor reeds voorbereid.

Het avondmaal is geëindigd. Op last van zijn vader heeft Dirk de boeken uit de wagenkist gehaald, en Uijs doorbladert langzaam de Bijbel, zoekende naar een voor de gelegenheid toepasselik hoofdstuk om te lezen. Hij heeft gevonden wat hij zoekt, en begint met gevoel Psalm 103, waarin Israëls koninklike dichter de lof van Jehovah zo welsprekend bezingt, te lezen. Zijn vrouw luistert, de blik op het gelaat van de dierbare echtgenoot geslagen. Een traan glinstert in haar oog. 't Is een parel van dankbare aandoening. Na het lezen stort de huisvader zijn hart uit in een vurig gebed, en dit dankoffer op het eenvoudig huisaltaar wordt besloten met het zingen van het eerste vers van Psalm 146, niet naar de zangwijze die in het Psalm- en Gezangboek te vinden is, maar naar de schone melodie, hier gemeenzaam bestempeld als “op liederwijze,” op de tonen van welke wijze gezongen, deze Psalmnog dikwerf des avonds uit menige Zuid-Afrikaanse woning ten hemel stijgt.

Prijs de Heer met blijde galmen:Gij, mijn ziel, hebt rijke stof.'k Zal, zo lang ik leef, mijn psalmenVrolik wijden aan Zijn lof.'k Zal zolang ik 't licht geniet,Hem verhogen in mijn lied.

Prijs de Heer met blijde galmen:Gij, mijn ziel, hebt rijke stof.'k Zal, zo lang ik leef, mijn psalmenVrolik wijden aan Zijn lof.'k Zal zolang ik 't licht geniet,Hem verhogen in mijn lied.

“Dirk, mijn kind,” zei Uijs, “kom hier naast me zitten.”

Gretig gaf de knaap aan dit verzoek gehoor, en plaatste zijn veldstoeltje naast dat van zijn vader. Uijs legde de hand op het blonde hoofd van zijn zoon en vervolgde: “Je moeder, en ook Barend Greyling hebben me verteld van de nauwe ontkoming, die je met Galant gehad hebt, bij de ontmoeting met de leeuw. Wel heb ik, en hebben wij allen ruime stof om de Heer voor Zijn grote goedheid dank toe te brengen. Zeg me, Dirk, heb je God voor die uitredding gedankt?”

“Ja vader, dezelfde avond nadat het gebeurd was, heeft moeder me naast zich doen neerknielen, en samen hadden we de Heer gedankt, omdat Hij me gered had.”

“Dat was recht, mijn kind. Ken de Heer in al uw wegen. Maar nu een andere vraag, en beantwoord die openhartig. Was je niet bang, toen je de leeuw voor je zag?”

“Nee vader,” antwoordde de knaap levendig, “bang was ik niet. Ik gevoelde me meer verwonderd. Het gebeurde ook alles zo plotseling, er was geen tijd om bang te worden.”

“Laat ik u vertellen, Baas Piet,” viel Galant in, “ikkan mos goed zien als een mens bang wordt, en ik verzeker u dat daar niet één haar op Baas Dirkie z'n kop was, dat bang was. Hij was zo koel als een komkommer. Had hij niet zo gauw gevuurd, dan had die verduikerste leeuw mij zomaar stuk gemaakt.”

Een glimlach plooide de lippen van Uijs, toen hij hernam: “Ik ben blij om dat te horen, Galant, maar zeg jij me nu, was jij zelf niet bang?”

“Ah, nee, oubaas!” riep de oude, merkbaar verontwaardigd uit. “Nou vraagt u me tegen beter weten in; wanneer heeft Baas me al bang gezien? Dat is zo, ik heb een slecht schot gedaan, want in plaats van de leeuw de kogel voor de kop te geven, heb ik net zijn bek gebroken; maar dat was niet van bangheid, dat was de schuld van mijn ogen; ze zijn niet meer zo goed als vroeger, toen oubaas nog niet boe of ba kon zeggen.”

“Dat is zo, Galant, ik maakte maar een grap met jou. Niemand weet beter dan ik, dat je geen lafaard bent.”

“Ah ja, als Baas Piet dat zegt, dan is de hele wereld weer recht,”hernam de in zijn eer getaste Galant. “Ik verzeker de Baas dat de kleinbaas en ik, geen van twee bang waren.”

“Wel, Dirk, het doet me goed te weten dat je hart op de rechte plaats zit. Blijf met het oog op God altoos zo, en je zult geen schande over de naam van Afrikaner brengen. Binnen kort zullen we tegen Dingaan optrekken, en dan ga je met Galant mee, zoals ik beloofd heb. En nu, Galant, wat heb je me nog te vertellen?”

“Ja, Baas Piet, mijn ounooi zal u kunnen vertellen, of ik haar goed over de weg gebracht heb. Ik heb geprobeerdop te passen, zo goed als ik kon, maar er zijn daarom een paar plaagplekken, die ik aan Baas moet bekend maken. Witlies z'n vaarskalf heeft lamziekte gekregen en is doodgegaan. Ik heb hem gedokterd, maar dat heeft niks geholpen. En Koelman, oubaas z'n hot vooros, hij was zoals Baas weet al banja oud, hij heeft losse tanden gekregen en wou niet vreten; toen we 's avonds aan de overkant van de berg uitspanden, zag ik, dat zijn tijd voorbij was. Ik heb banja jammer gehad, maar de andere morgen moest ik hem afslachten en zijn vel hebben we saamgebracht. Dat is al wat ik aan Baas kan overbrengen. Daar is net nog één ding, dat ik meen dat Baas van mij moet vernemen. Daar is dat ongeluk met Baas Andries Viljoen z'n wagen. Geloof me, Baas Piet, ik heb gekeerd en geprobeerd zoveel als ik kon, om de wagen in 't pad te houden; maar de donder heeft gedreund, de ossen hebben gebulkt, en het volk heeft geschreeuwd en toen ik weer tot mezelf kwam, lag de wagen en de twee achterossen al in de kloof. We konden 't niet helpen. Ik weet, ik heb mijn best gedaan. Baas Piet moet nou net proberen en voor Baas Andries weer een andere wagen krijgen.”

“Goed, Galant, je hebt weer zoals altoos je plicht gedaan en getoond, dat ik op jou staat kan maken. Ik blijf jou dankbaar. Maar kom, de nacht breekt aan en we zijn allen vermoeid. Laat ons gaan slapen.”

De volgende dag vinden wij in de morgen de voorste afdeling van de tent van Uijs met de voormannen van zijn trek gevuld. Onder hen neemt Barend Greyling een eerste plaats in. Voorts vinden wij er onder anderen onzeoude vrienden Klaas Labuschagne en Louis Nel terug. Ook Andries Viljoen ontbreekt niet; hij ziet er vergenoegd en tevreden uit, en geen wonder: het verlies dat hij geleden heeft is hem, en terecht, vergoed, en hij neemt, wat aardse goederen betreft, weer dezelfde positie in als te voren; en wat meer zegt, de aandacht van zijn tochtgenoten is in het biezonder op hem gevestigd geworden, en hij geniet een zekere mate van onderscheiding, die hem vroeger vreemd was.

Toen de vergadering op de gewone wijze geopend was, nam Uijs het woord. “Broeders,” zei hij, “we zijn heden bijeengekomen, om een zaak te beslissen, die voor ons niet alleen, maar voor de gehele trek van buitengewoon gewicht is. Er moet een aanvoerder aan het hoofd van de trek worden geplaatst. Deze zaak werd reeds in een vergadering besproken, toen velen uwer nog met de wagentrek aan de andere kant der bergen waren. Toen werden drie mannen genoemd, namelik Gert Maritz, Hendrik Potgieter en ik zelf. Te oordelen naar hetgeen ik van de lippen van de achtenswaardige Gert Maritz heb horen vallen, zal hij gewillig zijn zich te onderwerpen, indien de keuze van de meerderheid ten voordele van Potgieter of van mij mocht uitvallen. Wat Potgieter aangaat, hij heeft openlik verklaard, dat hij niemand als aanvoerder zal eerbiedigen, en over de bergen terug zal keren, als hij niet gekozen wordt. Daarop heb ik gevraagd de beslissing uit te stellen totdat mijn gehele trek hier zou zijn, en ik mijn mannen zou kunnen raadplegen. Met dit doel dan heb ik u heden bijeengeroepen, en laat het tans aan u over voor mij te beslissen.”

't Was Barend Greyling die het eerst 't woord nam. “Kommandant,” zei hij, “toen wij u als voorman kozen, deden wij dit uit eigen vrije wil, en met het volste vertrouwen op uw vastberadenheid en doorzicht. Bij mij is dat vertrouwen niet verminderd; integendeel, het is meer en meer aangegroeid en versterkt. Derhalve meen ik dat het aan u staat om in deze te beslissen. Indien ge besluit, hetzij Maritz, hetzij Potgieter als hoofdaanvoerder te erkennen, zal ik daarin berusten. Ik zou het echter diep betreuren als er verdeeldheid in ons midden moest ontstaan over het aanvoerderschap.”

“Ik wens slechts één vraag te doen,” zei Louis Nel. “Heb ik de Kommandant goed verstaan, dat Hendrik Potgieter gezegd heeft te zullen weigeren hem of Gert Maritz te erkennen, als de meerderheid ten gunste van een hunner zou beslissen?”

“Ja,” antwoordde Uijs, “Potgieter heeft duidelik verklaard dat hij niemand anders als aanvoerder zou eerbiedigen, en ingeval hij niet gekozen werd, met wie hem volgen wilden, Natal zou verlaten. Om niets voor u geheim te houden, kan ik er bijvoegen, dat hij nog gezegd heeft, dat ik over de bergen was getrokken met het doel om hem te onderkruipen.”

“Welnu,” hernam Nel, “dan zal ik, al sta ik ook geheel alleen, weigeren om hem als aanvoerder te erkennen, al kiest de meerderheid hem ook. Wij zijn allen vrije mannen. Om volkomen vrij te zijn, ben ik hierheen getrokken. Ik ben bereid mij ten volle te onderwerpen aan enige beslissing van een meerderheid der onzen, maar niet aan het gezag van iemand, die zelf niet onder de meerderheidbuigen wil. Zodanig persoon zou een dwingeland zijn. De stem van ons volk, de stem van de meerderheid, moet als hoogste gezag onder ons gelden, en wie zich daaraan niet wil onderwerpen, welnu, de gehele wereld staat voor hem open.”

“Kommandant,” zei Andries Viljoen, “nu wil ik openhartig uitspreken. De reden waarom oom Kasper Strijdom en velen met hem, waaronder ik mijzelf tel, van de Grote Trek zijn teruggetrokken, was de onenigheid die in ons midden over het Kommandant-Generaalschap dreigde te ontstaan. Oom Kasper waarschuwde ons, dat aanvallen van buiten en getwist van binnen, een dubbel gevaar daarstelden, waartegen wij niet zouden kunnen bestaan. Wij weten dat oom Hendrik Potgieter een dapper man is. Waarom zullen we hem niet als leider kiezen? Door uw woorden was het, oom Pieter, dat ik en anderen met mij, teruggekeerd zijn. Nu reken ik er op dat ge uzelf gelijk zult blijven. Er moet een plan gevonden worden om tot eenheid te geraken.”

“Maar,” zei Greyling, “als Potgieter de meerderheid krijgt, dan kan ik nog niet inzien, dat wij de trek behoeven te verlaten. Ik vraag mezelf af: Wat was eigenlik het doel, waarmede we hier zijn gekomen? Zekerlik niet om te beslissen wie Kommandant-Generaal zou zijn, maar ons doel was onze broeders tegen de zwarte vijand te helpen. Wat zouden we gedaan hebben, indien we bij onze aankomst hadden bevonden dat de hoofdaanvoerder reeds gekozen was? Zouden we dan gezegd hebben: Nee, er moet een nieuwe verkiezing plaats vinden, anders trekken we terug? Ik ben zeker, wij zouden dat niet gedaan hebben,maar onze broeders hebben geholpen, totdat de slag geleverd was. En waarom zullen wij nu niet hetzelfde doen? Laat ons onder onze eigen Kommandant onze broeders helpen, en hebben wij eenmaal Dingaan gestraft, dan is het gevaar voorbij, en zal de toekomst ons leren wat ons te doen staat.”

Een bejaard man, Jacobus Naudé, nam het woord en vroeg: “Moet ik neef Barend goed verstaan? Is zijn mening, dat wij onder onze eigen Kommandant zullen blijven, en slechts als hulptroepen met hem Hendrik Potgieter zullen volgen, als hij tot leider verheven wordt?”

“Ja, oom Koos, dat is mijn mening. Ik wil geen ander dan mijn eigen Kommandant als mijn hoofd erkennen. Maar mijn beschouwing is, dat wij hier zijn gekomen om te helpen, niet om de wet voor te schrijven. Laten de anderen kiezen wie zij willen, wij blijven vrij, zoals wij tot heden toe nog waren, en als wij uittrekken, staan wij onder onze Kommandant, die in overleg met de andere Kommandanten alle zaken verder kan regelen.”

“Daar kan ik me niet mee verenigen,” hernam Naudé. “Als we eenmaal een Kommandant-Generaal gekozen, en onder hem de oorlog tegen Dingaan tot een gelukkig einde hebben gebracht, dan spreekt het als van zelf, dat hij, in tijden van oorlog aan ons hoofd gestaan hebbende, ook in tijd van vrede, het hoogste woord zal willen voeren. Nu wat Hendrik Potgieter betreft. Ik ken hem van kindsbeen af. In de oorlog moge hij goed zijn, maar, om als wij ons gevestigd hebben, hoofd van ons bestuur te zijn, daarvoor deugt hij niet. Hij zou het vijfde wiel aan de wagen zijn.”

“Ik stem samen met oom Koos,” hervatte Louis Nel, “en ik wil verder gaan. 't Is waar, wij zijn hier gekomen om te helpen, maar ik kan niet inzien waarom wij, als de vijand met onze hulp overwonnen zal zijn, ook niet de vruchten van de overwinning zullen genieten. Het land is breed en ruim genoeg voor ons allen. Het is een heerlik land. Ik ben dit voortdurend rondtrekken moede en heb mij voorgenomen, in de eerste plaats te helpen om het land schoon te maken, en in de tweede plaats mij hier te vestigen. Intussen volg ik geen andere aanvoerder dan Piet Uijs.”

“Mij schijnt het,” zei Andries Viljoen, “alsof de voorspelling van oom Kasper Strijdom ten volle zal worden bewaarheid. Maar wat zegt Kommandant Uijs? Ik wil beslist zijn gevoelen weten, want zijn woorden hebben mij bewogen, terug te keren, toen ik reeds met alles wat ik bezat mij buiten de grenzen van Natal bevond.”

Voordat Uijs antwoorden kon, werd het gordijn van de tent opgeheven, en trad de waardige Sarel Cilliers naar binnen, gevolgd door Frans van Staden.

De eerste nam het woord en zei op de indrukwekkende wijze, hem eigen: “Broeders, ik hoop en vertrouw, dat onze komst geen stoornis onder u verwerkt; mocht dat zo zijn, dan zullen we ons dadelik weer verwijderen. Belangstelling in het welzijn van de trek heeft mijn schreden hierheen gedreven. Ik weet dat ge tans beraadslaagt over de aanstaande verkiezing van een Kommandant-Generaal. Ook anderen beraadslagen daarover, en op ditzelfde ogenblik worden er in het lager andere vergaderingen gehouden. Broeders! de verdeeldheid onder onswordt groot. Ik vraag u: zullen wij, die te zamen de vijand en de dood onder de ogen hebben gezien, tans door eerzucht en stijfhoofdigheid uit elkander worden gedreven? Denk er toch aan, hoe de vijand zich verheugen zal, hoe verontwaardigd onze stamgenoten in de Kolonie zullen zijn, indien wij op deze wijze ons maatschappelik bestaan zelf vermoorden. Ik kan het zien, dat ge nog tot geen besluit gekomen zijt, en ik wil u aanraden, vóór ge afdoende beslist, te wachten tot de Krijgsraad weer bijeen is geweest, hetgeen morgen zal geschieden.”

“Ge zijt, ons, zoals altoos, welkom, oom Sarel,” antwoordde Uijs, “hoewel het misschien beter ware geweest, indien ik met de mannen van mijn trek deze zaak geheel onder elkander had kunnen bespreken. Voor ge binnen kwaamt, werd me een vraag gedaan. Die vraag heb ik mezelf dikwels gesteld, en het antwoord dat ik mezelf heb gegeven, geef ik tans aan de vergadering: Ik ben bereid mij aan de meerderheid te onderwerpen, indien die iemand anders als Hoofd-aanvoerder kiest, maar als de keuze op mij valt, verlang ik ook, dat die keuze door de minderheid zal worden geëerbiedigd. Dit beschouw ik recht, eerlik en billik tegenover allen.”

Een goedkeurend gemompel ging in de vergadering op.

“Broeders,”zei Frans van Staden,“met verlof wil ik ook een woordje meespreken. Zoals een ieder in het leger weet, ben ik met hart en ziel voor Piet Uijs; maar, wat het zwaarste is, moet het zwaarste wegen, en in dit geval is dit ons algemeen belang. Hendrik Potgieter, houd ik mij verzekerd, zal stijf en sterk op zijn punt blijven staan, en ik wil voor een ogenblik aannemen, dat PietUijs hetzelfde doen zal. Welnu, in dat geval heb ik een ander plan uitgedacht. Wij zijn allen voornemens om ons in dit land te vestigen. Al spreken sommigen ook om weg te gaan, toch zullen er altijd genoeg achterblijven, zodra Dingaan maar eerst tot zijn plicht gebracht is. Is het land eenmaal schoon gemaakt, dan zullen wij een behoorlik bestuur moeten hebben, met iemand aan het hoofd, die andere plichten als die van een Kommandant-Generaal zal hebben te vervullen. Ook zal er een raad moeten zijn, door het volk gekozen, om wetten te maken en de geldzaken te regelen. Mijn plan is dan eenvoudig, om als wij een Kommandant-Generaal kiezen, hem goed te doen verstaan, dat hij alleen in krijgszaken en in niets anders gezag zal kunnen uitoefenen. Kunnen wij niet eenstemmig worden omtrent de keuze, of zijn er velen die zich aan de meerderheid niet willen onderwerpen, dan blijft iedere aanvoerder aan het hoofd van zijn afdeling, en de Krijgsraad staat aan het hoofd van allen.”

“Uw plan is goed, oom Sarel,” zei Greyling, “maar als wij er mee tevreden zijn, zullen de partijen van Potgieter en van Maritz daarbij berusten?”

“Dat kunnen we niet verzekeren,” hervatte Sarel Cilliers; “om die reden vragen we u, uw beslissing uit te stellen, totdat wij de zaak morgen in de Krijgsraad ter sprake zullen hebben gebracht. Wij willen intussen van ieder partij afzonderlik de verzekering trachten te krijgen, dat als de Krijgsraad beslist hiertoe over te gaan, allen zich dan zullen onderwerpen. Dus zouden wij gaarne uw antwoord willen hebben, Kommandant Uijs!”

“Ik ben niet bereid dat dadelik te geven. Een zaak alsdeze vereist overweging alvorens ik voor mezelf beslissen kan. Bovendien, mijn manschappen zijn eveneens er bij betrokken, en zonder hun goedkeuring zou mijn beslissing niets betekenen.”

“Kommandant,” hernam Jacobus Naudé, “ge zijt onze gekozen voorman, en naar mijn beschouwing ons volste vertrouwen waardig. Wat anderen denken, weet ik niet, maar mij is het duidelik, dat al verspraken wij ook de gehele dag, wij als de zon ondergaat nog even ver zouden zijn; of wellicht een verkeerd besluit zouden genomen hebben. Derhalve ben ik er voor, dat we tans de gehele zaak in uw handen laten, en berusten in wat gij doet.”

Er heerste enige ogenblikkenstiltein de vergadering, eindelik afgebroken door de eenparige uitroep: “Laat onze Kommandant beslissen!”

“Welnu, het zij zo,” hernam Uijs. “Ik blijf u dankbaar voor uw vertrouwen, broeders, en zal, als de tijd komt, beslissen, doch tans nog niet. Ik verwacht echter van ieder man, dat hij zich zonder tegenspraak aan mijn beslissing zal onderwerpen.”

“Dat zullen wij allen,” klonk het eenparig.

“Wanneer zullen we u dan weer kunnen zien, Kommandant?” vroeg Cilliers.

“Ik wens,” antwoordde Uijs, “ernstig te overwegen wat mij te doen staat, en ik zal heden avond, na het eten te uwer beschikking zijn.”

Piet Uijs en Hendrik Potgieter worden Hoofdkommandanten.

Sarel Cilliers en Frans van Staden begaven zich op weg naar de tent van Gert Maritz, zodra zij Uijs hadden verlaten. Daar gekomen, vonden zij de oude Voortrekker reeds op hen wachtende. “Welnu,” vroeg hij, “wat zegt Uijs?”

“Wel,” antwoordde Cilliers, “zijn manschappen hebben, zoals wij verwachtten, de zaak ten volle aan hem overgelaten. Hij wilde echter niet dadelik tot een besluit komen, en heeft ons gevraagd om van avond te komen vernemen welke zijn gedragslijn zal zijn.”

“Heb je hem gezegd, dat ik volkomen bereid ben onder je plan te buigen?”

“Nee, dat hebben we niet gedaan. Hij zelf heeft zich echter dikwels reeds uitgesproken, dat hij overtuigd was, dat ge ter wille van onze eensgezindheid, steeds bereid zoudt zijn een ondergeschikte plaats in te nemen.”

“Ja, dat is zo. Hoewel ik zeer goed weet, dat als er van recht sprake moest zijn, niemand meer dan ik voor het Kommandant-Generaalschap zou zijn aangewezen. Ik heb echter altijd getracht zaken naar hun rechte waarde te schatten, en steeds bevonden dat van iedere erepost het“ijdelheid der ijdelheden” van de schrijver der Spreuken ten volle geldt. Maar wie van jullie beiden heeft ons plan aan de Uijstrek blootgelegd?”

“Ik heb dat ondernomen,” antwoordde van Staden. “Uijs weet dat ik zijn boezemvriend, zijn warme voorstander ben. Oom Sarel heeft zich altijd buiten en boven alle partijen gehouden, dus kwam het plan van mijn lippen als een der ondersteuners van Uijs, beter dan uit de mond van oom Sarel.”

“Dan blijft nu nog slechts over dat je Potgieter gaat zien,” hernam Maritz, “want ik zou me sterk in Uijs vergissen, als hij een struikelblok in de weg zou zijn.”

“Goed, wij kunnen dadelik gaan,” zeiden de anderen, “maar ge moet ons vergezellen.”

“Dat zou stellig verkeerd en niet billik tegenover Uijs zijn. Je hebt hem zonder mij gezien, en als ik nu mee naar Potgieter ga, zal men grond hebben te vermoeden, dat ik met hem samenspan om Uijs te verdringen. Ik ben bereid achteruit te staan, maar zeker niet om mij aan blaam bloot te stellen. Je kunt echter aan Potgieter zeggen, dat ik met het plan bekend ben en het goedkeur; ook dat Uijs nog onbeslist is, maar dat je vertrouwt, dat hij ook zal instemmen. Geeft Potgieter zijn goedkeuring ook, dan ga ik van avond met jullie mee naar Uijs.”

Toen Cilliers en van Staden enige ogenblikken later bij de tent van Potgieter aankwamen, vonden zij hem buiten bij zijn wagen staan. Zijn gelaat was bewolkt, en hij was blijkbaar in geen aangename stemming. De vergadering met zijn partijgenoten was pas afgelopen, zonder dat er een bepaald besluit genomen was. Het was hemechter duidelik geworden, dat hoewel zijn aanhangers allen voor hem zouden stemmen, slechts weinigen bereid waren tot dat uiterste met hem mede te gaan, dat opgesloten lag in zijn dreigement, Natal te zullen verlaten, indien hij niet tot Kommandant-Generaal werd verheven. Potgieter was eerzuchtig en stijfhoofdig van aard, maar aan zijn rechtschapenheid, moed en rondborstigheid viel niet te twijfelen. Op het ogenblik toen de andere twee hem naderden, overwoog hij bij zichzelf of het niet zijn plicht was, morgen in de Krijgsraad tot Uijs te zeggen: “Ik geef het je gewonnen, maar onder je staan wil ik niet. Ik zal me zonder verzuim over de bergen terugtrekken, met degenen die me willen volgen, hetzij zij velen of weinigen zijn.”

Na het wisselen van de morgengroet richtte hij de vraag tot Cilliers: “Verkiest oom Sarel dat wij in de tent zullen gaan, of kunnen we hier spreken? Mij schijnt het dat ge mij iets mee te delen hebt.”

“Je hebt recht geraden, mijn vriend!” antwoordde Cilliers. “We komen je bezoeken om met je te spreken over de zaak, die tans de belangrijkste voor de gehele trek is. Wat mij betreft, laat ons op de wagenkist gaan zitten en in vertrouwen met elkander spreken. Ik geloof niet dat iemand ons zal komen hinderen.”

Zij klommen op de wagen en Cilliers deelde aan Potgieter mede wat de lezer reeds bekend is, en legde hem het plan bloot, dat door van Staden in de vergadering van de Uijspartij was duidelik gemaakt.

Potgieter luisterde met aandacht, en schoon hij nu en dan de wenkbrauwen fronste, alsof een of ander punthem onaangenaam trof, viel hij de spreker niet in de rede. Toen Cilliers echter geëindigd was, vroeg hij enigszins schamper: “Als ik u dus wel verstaan heb, is de zaak deze: Maritz zal zich terugtrekken, en stem ik toe, dan zal Uijs het bevel voeren over een deel van het kommando dat tegen Dingaan optrekt, en ik over het andere deel. Stem ik echter niet toe, dan schenkt Maritz zijn ondersteuning aan Uijs, die dan als Kommandant-Generaal zal worden gekozen.”

“Dat is in zoverre juist, maar sluit niet alles in,” hernam Cilliers. “De eerste oplossing is deze: Maritz trekt zich terug; de keuze bepaalt zich dan tussen u en Uijs, die bereid is je te erkennen, indien je gekozen wordt, mits je toestemt hem te zullen erkennen, als de meerderheid voor hem is. Kan dit echter niet geschieden, dan is het in de tweede plaats overigens zoals je gezegd hebt.”

Na enig peinzen hernam Potgieter: “Ik bewonder en prijs het in Uijs, dat hij zich aan de meerderheid onderwerpen wil, als die mij zou kiezen. Een jaar geleden zou ik hetzelfde hebben gedaan, maar nu nimmer weer. Ik wil de doden laten rusten, maar toch moet ik u vragen: was Retief niet de leidsman, door de meerderheid gekozen, en door de minderheid geëerbiedigd, en waartoe heeft zijn voortvarendheid hem zelf en de trek gebracht? Nee, ik zal liever morgen openlik in de Krijgsraad verklaren, dat men Uijs kiezen moet, maar dat ik, met wie mij volgen wil, terugga naar mijn vrienden, die zich over de Vaalrivier hebben neergezet.”

“Mijn broeder,” zei Cilliers, “vraag jezelf af of dit recht zou zijn. Overweeg bij jezelf, wat je landgenoten van jezullen denken. Hendrik Potgieter vlucht uit Natal, nu het onschuldig vergoten bloed gewroken, een misdadig, trouweloos zwart volk getuchtigd moet worden. Ik vrees dat men alle grond zal hebben, om je van lafhartigheid te verdenken, als je blijft volharden bij wat je gezegd hebt.”

“Oom Sarel, niemand die me kent, zal aan mijn moed twijfelen, en mij is en blijft het onverschillig, wat de anderen van me denken. Ik beschouw, dat het me rechtens toekomt de leider van deze trek te zijn. Reeds eenmaal heb ik van dat recht afgezien, en heb daar berouw van gehad; ten tweede male zal ik dat niet weer doen, en om de schijn te vermijden van tweedracht te verwekken, zal ik dit land verlaten.”

“Neef Hendrik, je woorden klinken schoon. Zij misleiden je, maar zullen ze anderen, die nadenken willen, ook misleiden? Daar twijfel ik aan. Je eigen mond zal je veroordelen. Je zegt dat je het land zult verlaten, om de schijn te vermijden dat je tweedracht verwekt. Door dit te doen, lever je het beste bewijs dat je tweedracht verwekt hebt. Het gevolg van tweedracht is scheuring en je scheurt jezelf van ons los, en onbillikerwijze, want je behoort evenals Uijs gewillig te zijn, te berusten bij de beslissing van de meerderheid.”

“Onder de meerderheid zal ik niet berusten, tenzij de keuze op mij valt. Dat staat eenmaal bij mij vast, en niets ter wereld zal me daarvan doen terugkomen. Verder is het zoals ge zegt: door heen te gaan, mag het schijnen alsof ik de tweedrachtige ben, maar als ik blijf, zal de tweedracht immer groter worden.”

“Weer veroordeelt je je eigen mond, neef Hendrik;door te erkennen, dat zolang als je blijft de tweedracht immer groter zal worden, erken je dat de schuld bij jou te zoeken is. Waarom neem je je niet voor te blijven, met de ernstige bedoeling, al wat mogelik is te doen om alle tweedracht te voorkomen?”

Potgieter was in het nauw gebracht. Hij moest dit zelf erkennen, en zei: “Oom Sarel, het valt me zwaar om met u in woordestrijd te zijn. Ik kan u niet weerleggen.” En hij verzonk in ernstig nadenken.

Tans merkte Frans van Staden, dat de beurt aan hem gekomen was. Hij zei: “Wij praten al zolang, en mijn gedachten lopen uit elkaar. Ik kan ze niet bijeenhouden als ik mijn pijp niet in de mond heb. Ik zal eerst stoppen, en dan wil ik ook mijn stukje brood in de melk kruimelen.” Zijn tabakszak, pijp en tondeldoos waren spoedig uit zijn zak. Hij stopte, sloeg vuur, stak zijn pijp aan, en vervolgde, na enige rookwolken te hebben uitgeblazen: “Kijk, neef Hendrik! Ik wil aannemen dat alles wat jij, en ook alles wat oom Sarel zegt, van je eigen, afzonderlik standpunt beschouwd, volkomen waar en juist is. Maar wat je geheel en al uit het oog schijnt te verliezen, is het plan waaraan Maritz zijn goedkeuring heeft gehecht, en dat Uijs ongetwijfeld reeds in gunstige overweging neemt. Wij kiezen geen Kommandant-Generaal. Wij gaan gezamenlik de gemeenschappelike vijand bestrijden. Jij voert je mannen aan, en Piet Uijs de zijnen, en waar het mocht worden vereist, beslist de Krijgsraad. Waarlik! hiertegen kan je geen bezwaar hebben; en maak je hiertegen bezwaar, dan moet ik zeggen, dat je òf tweespalt zaaien, òf de vijand de rug toekeren wilt.”

“Neef Frans,” hernam Potgieter, “je plan mag mooi klinken, maar zal in de uitvoering talrijke bezwaren opleveren. Om slechts één te noemen. Is het niet mogelik dat door Uijs en mij tegenstrijdige bevelen kunnen worden gegeven, en dat daardoor verwarring zal kunnen ontstaan?”

“Bedenk, mijn vriend, dat als het kommando uittrekt, gehandeld zal worden door jou en Uijs volgens een vast ontworpen plan, en daardoor alle verwarring zal worden voorkomen,” antwoordde van Staden.

Potgieter bleef een wijle met gebogen hoofd zitten. Plotseling hief hij het hoofd op. Zijn besluit was genomen. “Het zij zo. Indien Uijs in je plan bewilligt, dan doe ik hetzelfde,” zei hij.

“Ik dank je voor dat woord, mijn broeder,” hernam Cilliers, “dit is de eerste stap om de eensgezindheid onder ons te bestendigen. Nu moet ik je nog vragen een tweede stap te nemen. Je moet met ons naar Uijs gaan en hem zelf je besluit meedelen.”

“Nee, dat doe ik niet! Ik wil Uijs niet in de waan brengen, dat dit plan van mij is uitgegaan, en dat ik hem overreden wil er in toe te stemmen. Naar mijn mening zal het voldoende zijn, als Uijs morgen in de Krijgsraad mijn besluit verneemt.”

“Mijn vriend,” hervatte Cilliers, “ik ben zeker dat als ik je de reden zeg, waarom ik verlang, dat je zelf Uijs met je toestemming bekend moet maken, je aan mijn verzoek zult voldoen. Bij de laatste vergadering heb je je in een ogenblik van opgewondenheid laten ontvallen, dat Uijs hier gekomen was met het doel je te onderkruipen.Dat heeft hem diep gegriefd. Ik weet, dat je in je hart overtuigd bent, dat hij met het edel doel om hulp te bieden hierheen is gekomen, en niet om je te onderkruipen. Je plicht als man en christen brengt het mede, dat je die woorden terugtrekt en Uijs de broederhand gaat bieden.”

“U hebt gelijk, oom Sarel,”antwoorddePotgieter, “die woorden moest ik me niet hebben laten ontvallen. Ik zal met u naar Uijs gaan. Bepaal slechts wanneer.”

“Ik dank God, dat Hij zo genadiglik de ramp, die ons dreigde, heeft afgewend,” riep Cilliers bewogen uit. “Laten we dadelik naar Uijs gaan.”

“Nee, niet te haastig, oom Sarel,” zei van Staden. “Laat ons blijven bij onze afspraak met Uijs en hem van avond gaan zien. We kunnen neef Hendrik komen afhalen. Uijs kan intussen nadenken over hetgeen wij hem hebben gezegd.”

“Neef Frans spreekt recht,” zei Potgieter, “het is beter dat wij Uijs zien op de door hem bepaalde tijd. Als we eenmaal met hem de zaak bespreken, kan het zijn dat ons gesprek lang duren zal. Dus tot van avond; ik zal jullie afwachten.”

Het was tans tegen de middag en onze vrienden hadden nauweliks hun gesprek geëindigd, toen er een biezondere beweging in het lager op te merken viel. Een troep langzaam voorttrekkende ruiters naderde het kamp. Zij werden zonder vrees en met blijde nieuwsgierigheid ingewacht. Door de verrekijkers had men bespeurd, dat zij blanken, dus vrienden waren. Eenige mannen, waaronder Uijs en Maritz, zadelden hun paarden, en reden denaderende ruiters te gemoet. Op omtrent een mijl afstand van het lager kwamen de ruiters bij elkander. Van weerszijden stegen zij van hun paarden, en weldra verkondigden de vreugdeschoten aan het lager de hartelikheid van de ontmoeting.

Het bleek dat deze ruiterbende bestond uit zestig blanken, benevens hun achterruiters, die onder aanvoering van Andries Bester gekomen waren om hun broeders bijstand te verlenen in de krijg tegen Dingaan. Zij waren in de omtrek van Thaba N'chu, in het gebied van het Barolong opperhoofd Moroka gelegerd, toen Karel Strijdom hun het eerste bericht van de bloedige moord in Natal bracht. Het vereiste bij hen niet veel overwegen om te besluiten hun stamgenoten te hulp te komen en om aan dat besluit uitvoering te geven. Zij brachten met zich een aanzienlike hoeveelheid lood en kruit. Dankbare opgewondenheid heerste in het lager, waar men zich, alzo versterkt, van de overwinning op Dingaan zeker achtte. Bester bracht ook nog het bericht, dat men van Thaba N'chu boden had verzonden naar de Kolonie, om de tijding van de moord over te brengen, en men rekende op de Afrikaanse broedergeest, en verwachtte nu ook spoedig hulp en ondersteuning uit de oude Kolonie.

Die hoop werd later niet teleurgesteld, want nauweliks hadden de kolonisten vernomen, welk zwaar verlies hun broeders in Natal had getroffen, of hulp werd hun toegezonden, bestaande niet alleen uit strijdbare mannen, maar ook uit mond- en krijgsbehoeften. Doch hervatten wij de draad van ons verhaal.

Terwijl Cilliers en van Staden hun komplot, indien wijhet zo noemen mogen, om de eendracht in de trek te herstellen, uitwerkten, bracht Uijs de morgen in ernstige overpeinzing door. Hij vroeg zich af, of hij recht zou handelen, indien hij zich zou terugtrekken en zijn stem zou geven voor Hendrik Potgieter als Kommandant-Generaal. Zijn hart raadde hem alle eerzucht te verlochenen; zijn helder hoofd waarschuwde hem, dat indien hij tot deze stap overging, hij slechts de kwade dag verschuiven, het vuur van tweedracht zou doen voortsmeulen, om later in lichtelaaie op te stijgen. En wat betrof het tweevoudige bevelhebberschap, onder oppertoezicht van de Krijgsraad, duchtte hij het gevaar van tegenstrijdige bevelen en uiteenlopende handelingen, dat daardoor zou kunnen ontstaan. Zijn gepeinzen brachten hem niet nader tot een besluit, en eindelik kwam hij tot de overtuiging, de zaak in de avond opnieuw met Cilliers en van Staden te moeten bespreken, en zich alsdan door omstandigheden te laten leiden.

Uijs zag verbaasd op, toen die avond, behalve de twee bezoekers die hij verwachtte, ook Maritz en Potgieter zijn tent binnentraden. Voor hij, na de avondgroet te hebben uitgebracht, een woord kon spreken, trad Potgieter op hem toe en reikte hem de hand, met de woorden: “Neef Pieter, ik ben hoofdzakelik gekomen om een onrecht, dat ik je heb aangedaan, te herstellen. Op een ogenblik dat mijn gewone kalmte me had begeven, heb ik je in tegenwoordigheid dezer vrienden en ook van anderen, toegevoegd, dat je slechts naar Natal gekomen was met het doel mij te onderkruipen. Ik had geen grond of recht deze bewering te maken, en het spijt me innig dat ik dit gedaanheb. Ik trek mijn woorden onvoorwaardelik terug. Vergeet ze ook, en laat ons vrienden zijn, zoals voorheen.”

De mannelike verklaring van Potgieter miste z'n uitwerking niet op het edel, gevoelig gemoed van Uijs. Hij zei: “Neef Hendrik, ik zal niet ontkennen, dat je aanmerking me diep heeft gekwetst; maar wat een eerlik man doen kan om een begaan onrecht te herstellen, wanneer hij ziet dat hij te ver gegaan is, dat heb je tans gedaan. Met vreugde reik ik je de broederhand. Alles zij tussen ons vergeven en vergeten, en als de dag aanbreekt, die ons tegenover de vijand zien zal, dan strijden we als broeders naast elkaar.”

“God schenke Zijn zegen op dit verbond van broederschap,” zei Cilliers, “en nu, vrienden, laat ons overgaan om het punt, dat voor ons hoofdzaak is, te bespreken. Tot welk besluit ben je gekomen, Kommandant Uijs?”

Gert Maritz gaf aan Uijs de gelegenheid niet om te antwoordden, maar zei: “Als de oudste in jaren onder de drie mannen die voor het bevelhebberschap zijn genoemd, meen ik het recht te hebben, om eerst het besluit waartoe ik ben gekomen, mede te delen. Ik heb me voorgenomen, mij geheel terug te trekken, en ben bereid enig besluit, waartoe de Krijgsraad morgen komen mag, te eerbiedigen, en de leider te volgen, die door de meerderheid wordt gekozen. Ik vertrouw, dat mijn twee broeders zich niet zullen terugtrekken, doch in zoverre mijn voorbeeld zullen volgen, dat zij onder de meerderheid zullen bukken.”

“Ik moet eerlik bekennen,” zei Uijs, “dat het me spijt dat oom Gert achteruitstaat, want ik was steeds bereid het gezag van de meerderheid te erkennen, en zou nuvooral, meer dan ooit te voren, met vreugde onder oom Gert hebben gediend.”

“Broeders,” zei tans Potgieter, “ik zou jullie en mezelf onrecht aandoen, door je de gedachte te doen koesteren, dat ik iemand anders als Kommandant-Generaal zal erkennen. Ik herhaal wat ik eenmaal heb gezegd: Vóór ik dat doe, zal ik de trek verlaten. Een middenweg is me echter aangewezen, die ik bereid ben in te slaan, namelik dat Kommandant Uijs en ik te zamen het bevel zullen voeren, onderworpen aan het oppergezag van de Krijgsraad.”

“Maar heb je de gevaren overwogen, broeder, die aan dit plan verbonden zijn?” vroeg Uijs.

“Neef Pieter, ik begrijp je volkomen,” hervatte Potgieter, “maar als we ons voornemen om als broeders hand aan hand te werken, verwacht ik van zodanige schikking slechts gunstige gevolgen, en geenszins gevaar. Ik maak me sterk te zeggen, dat het spreekwoord van ons gelden zal: Twee hoofden zijn beter dan één.”

“Welnu, broeders, dan aarzel ik niet langer,” klonk het van de lippen van Uijs, “ik neem de schikking aan. Neef Hendrik en ik zullen samen de leiders zijn, en één in hart en zin, met hetzelfde doel voor ogen, vertrouw ik dat wij tot nut en zegen voor de trek zullen zijn. Het enige dat nu nog nodig zal zijn, is dat de Krijgsraad onze schikking morgen bekrachtigt.”

“En dat God de Heer Zijn zegel er aan hecht,” klonk de diepe stem van Sarel Cilliers. “Kom, laat ons neerknielen en Zijn zegen afsmeken.”

De dood van Mazesi, de tovenaar van Dingaan.

Nog was de zon de volgende morgen niet boven het gebergte gerezen, en waren nog enkele langzaam verblekende sterren zichtbaar aan de hemeltrans, toen op een klein, uit rotsblokken gevormd en met heestergewas en enige grote bomen begroeid kopje, op anderhalve mijl afstand van het lager, een bejaarde kleurling van de grond tussen grote granietblokken, waar hij blijkbaar de nacht doorgebracht had, opstond, en de blik naar het Oosten slaande, tot zich zelf sprak: “De zon zal weldra de vlakte beschijnen, heden zal ik dan vernemen wat de plannen van de Molonga zijn.”

Wij herkennen in de oude kleurling die daar als een silhouet getekend staat tegen de blauwe achtergrond van de steeds helderder wordende lucht, een bekende. Wij hebben hem vroeger reeds in de kraal van Dingaan ontmoet. Het is niemand anders dan Mazesi, de hoofdziener of toverdokter van de Zulukoning, wiens beschuldiging de moord van Manondo ten gevolge heeft gehad, en die toen had doen blijken, hoe goed hij op de hoogte was van de plannen en bewegingen der blanken in Natal. Dat zijn doel tans was, verder bericht omtrent deze plannen te verkrijgen,hebben wij reeds kunnen opmaken uit de weinige woorden die hij zich heeft laten ontvallen. Maar wie zou hem berichten uit het lager brengen? Hoe zou hij de plannen der Boeren te weten komen?

In het lager bevonden zich verscheiden kleurlingen, uit het overschot der stammen die oorspronkelik Natal hadden bewoond, en door Tshaka waren verslagen en onderworpen. Zij werden door de Zulu's als slaven gehouden, en de naam waaronder heden nog de afstammelingen van dat volk bekend zijn, die van Fingoe, aan welk woord de betekenis van hond wordt gegeven, geeft genoegzaam te kennen op welke sport van de maatschappelike ladder onder de Amazulu zij stonden. Aan hun meesters ontvlucht, hadden zij zich bij de trek aangesloten, werden door de Boeren vertrouwd en als veewachters gebezigd. Immers, de vrees voor de wrede dood, die hen wachtte, indien zij in de handen hunner vroegere meesters zouden vallen, scheen voldoende waarborg voor hun trouw. Zij waren echter doordrongen van al het bijgeloof, barbaren eigen. Voor hen geen verschrikkeliker wezen dan de toverdokter, en Mazesi had uit dit bijgeloof zijn voordeel weten te trekken. Hij had het weten te overleggen, om met enigen dezer veewachters, die hem van vroeger kenden, in aanraking te komen, toen zij met het vee in het veld waren, en had hen door de vreselikste bedreigingen overgehaald, zijn spionnen in het lager te worden. Het klipkopje, waar wij hem heden morgen vinden, was de gewone plaats van samenkomst, en heden verwachtte hij van zijn handlangers belangrijke mededelingen.

De oude tovenaar had de tekenen van zijn waardigheid afgelegd. Het feit dat hij een Zulu was, had hij niet willen of kunnen verbergen, maar overigens was zijn kostuum dat van de vrede: zijn wapens bestonden slechts uit een lichte knopkierie, dienst doende als staf, en enige assagaaien, dadelik als jachtbenodigdheden, en niet als oorlogswapens kenbaar.

Mazesi keerde zich om en sloeg het Boerekamp aandachtig gade. “Ah, Molonga,” fluisterde hij, “ge sluimert gerust, maar de Zulu is wakker. Ge rekent op uw vuur en dood uitspuwende wapenen; nog enige dagen, en de Zulu-assagaai zal roodgeverfd in uw bloed, de Zulu-knopkierie overdekt zijn met uw hersens. Het vee wordt uitgejaagd: weldra zullen mijn spionnen hier zijn, en over enige dagen zal Dingaan al uw plannen weten, zo goed als gij zelf en zullen de dagen van Tshaka terugkeren voor de Amazulu.”

Was het toeval of de vinger Gods, dat op ditzelfde ogenblik een kleine ruiterbende, waaronder wij Louis Nel en de jeugdige Dirk Uijs herkennen, de lagerpoort uitreed? 't Waren allen mannen van de afdeling van Uijs, die uitgingen om de morgen met jagen door te brengen, en zij wendden de teugel in de richting van het kopje, waar Mazesi in bespiegeling van het lager verdiept stond. De ruiters hadden reeds de helft van de afstand tussen het kamp en zijn schuilplaats afgelegd, eer de aandacht van de tovenaar meer bepaald op hen werd gevestigd.

“Aha!” riep hij verstoord uit, “de Molonga schijnt op mij af te komen. Persoonlik ben ik echter veilig, want met hun paarden zullen zij deze rotsen wel niet beklimmen,en ik zal me slechts voor een ogenblik moeten verbergen, totdat zij voorbij, of teruggegaan zijn, maar het zal onveilig zijn voor mijn spionnen, om mij het afgesproken bezoek te brengen.” Hij bukte achter enig struikgewas, door de toppen waarvan hij onafgebroken de naderende ruiters gadesloeg.

Onze jagers hadden de voet van het klipkopje bereikt, toen Nel zei: “Laat ons even stilhouden, dan zal ik op het kopje klimmen en met mijn verrekijker de vlakte opnemen en zien waar wild is.” En hij steeg van zijn paard.

“Wacht, oom Louis, we gaan samen,” klonken enige stemmen, waaronder die van Dirk Uijs, en verscheiden ruiters wierpen zich uit de zadel, en voegden zich bij Nel, die reeds begonnen was het kopje te beklimmen.

Met schrik had Mazesi bemerkt wat er geschiedde, maar spoedig had hij een plan doordacht. Aan moed ontbrak het hem niet, en kon het niet anders, dan zou hij zijn leven verdedigen. Zijn eerste plan was echter zich te verbergen, en mocht hij worden ontdekt, dan zou hij zo goed mogelik door gebaren, want de taal der Boeren sprekenkon hij niet, zich laten doorgaan voor een vluchteling uit Zululand, die de bescherming van het lager zocht.

De Boeren hadden intussen het kopje beklommen, en op de hoogste rotspunt stond Louis Nel de vlakte door zijn verrekijker te verkennen. Aan de voet van het rotsblok stonden Dirk Uijs, Doris Botha en enige anderen.

Op eens riep Doris uit: “Maardaarzit iets in die klipscheur achter de struiken,” en zonder verzuim had hij de kolf van zijn roer aan de schouder.

“Schiet niet!” riep Dirk uit, “het is een mens;” en hij sloeg de loop van het geweer van Doris naar boven.

Nel, door hun geroep opmerkzaam geworden, sprong dadelik van de rots en stond naast hem. “Zowaar,” riep hij uit, “daar zit een outa; toe, ou kerel, kom uit!”

Mazesi, zich ontdekte ziende, en aan de gebiedende houding van Nel bemerkende dat hem gelast werd voor den dag te komen, kroop, als viel het hem moeilik zich te bewegen, uit zijn schuilhoek, zijn wapens in de hand houdende.

“Bij de hoed van mijn grootvader!” riep de verwonderde Nel uit, “het is een oprechte oude Zulu! Wat doe je hier, outa?”

Mazesi wierp zijn wapens op de grond, echter binnen zijn onmiddellik bereik, sloeg zijn ogen ten hemel, en wees met de ene hand op zijn oor, en met de andere op zijn mond, ten teken, dat hij hen niet verstaan en evenmin in hun taal beantwoorden kon.

“Hij is zeker een spion,” zei een der Boeren; “wat vermorsen wij de tijd over hem? Sta op zij, en ik zal hem de kogel geven.”

“Dat nooit!” riep Dirk Uijs uit. “Zie, de Zulu heeft zijn wapens neergeworpen en geeft zich over. Bovendien kan je niet zien dat hij een afgeleefd en bijna weerloos man is?”

“Wel, Dirkie,” hervatte de ander, “je bent nog maar een kind, en het is je niet ten kwade te duiden, dat je hart nog week is. Maar wat ik vragen wil is dit: als hij een blanke, en wij Zulu's waren, zou de blanke dan niet zonder verzuim naar de eeuwigheid zijn gezonden?”

“Dat zal ik niet betwisten,” zei Nel, “maar dwaas zou het zijn de Zulu te doden. Wij weten niet wat hij te zeggen heeft. Als wij hem naar het lager brengen, zal een tolk spoedig genoeg kunnen uitvinden, wat hem hierheen heeft gebracht, en dan kunnen de hoofden beslissen, wat met hem zal worden gedaan. Kom, van onze jachtpartij zullen we vooreerst moeten afzien; outa moet naar het lager worden gebracht!”

Door tekenen trachtte hij hierop aan de tovenaar duidelik te maken, dat hij hen naar het lager vergezellen moest. Mazesi begreep hem en knikte met zijn hoofd ten bewijze van instemming; toen bukte hij zich om zijn wapens op te nemen, maar Dirk kwam hem voor, en raapte de assagaaien op, met de woorden: “Nee, outa, die heb je nu niet meer nodig. Ik zal ze dragen. Je knopkierie mag je houden, daar kan je nog op steunen.”

Weldra trokken onze ruiters met Mazesi in hun midden naar het lager terug. Zij reden slechts stapvoets, want de tovenaar, die grote vermoeienis en uitputting voorwendde, sleepte zich slechts langzaam voort.

Intussen was de lang verbeide vergadering van de Krijgsraad bijeengekomen. Ze werd ditmaal gehouden in de open lucht, en een kleine afgezonderde ruimte in het lager was de vergaderplaats. Sarel Cilliers, die weder de leiding op zich had genomen, was vergezeld van de drie mannen, die voor het Kommandant-Generaalschap waren genoemd. Het stond op hun aller gelaat te lezen, dat zij tevreden en vergenoegd waren, en een kreet van vreugde steeg op, toen Cilliers de vergadering mededeelde, dat de aanvoerders onderling tot overeenstemming warengekomen, en tans slechts van de Krijgsraad de bekrachtiging van hun overeenkomst verlangden. Hij ging er toe over om breedvoerig uit te leggen op welke wijze die overeenkomst was tot stand gebracht en waarin die bestond. Herhaaldelik viel men hem met betuigingen van goedkeuring in de rede, en nog was hij niet geëindigd, toen hij moest staken, tengevolge van een rumoer, dat aan de buitenste kring der toehoorders was ontstaan.

“Wat heeft dat te beduiden?” vroeg hij enigszins verstoord, toen de kring van luisterenden zichopendeen Louis Nel met de zijnen, Mazesi in hun midden voerende, nader trad.

“Oom Sarel,” begon Nel, enigermate verlegen, want het was hem niet ontgaan, dat Cilliers verstoord scheen te zijn, “wij willen de Krijgsraad niet hinderen, maar uitgaande om te jagen, vinden wij deze Zulu, en rekenden, het plicht om hem dadelik hierheen te brengen.”

Aller ogen waren met nieuwsgierigheid op Mazesi gevestigd, die, het gevaar van het ogenblik ten volle beseffende, de houding van volslagen zwakheid door ouderdom en lichaamsafmatting aannam, en met halfgesloten ogen strak voor zich staarde.

Piet Uijs nam het woord. “Waar heb je hem gevonden, neef Louis? Hij schijnt mij meer een vluchteling dan iets anders. Dingaan zal geen afgeleefde grijsaard zoals deze, voor spion uitzenden. Heeft hij tegenweer geboden toen je hem gevangen nam?”

“Nee, Kommandant; we beklommen het klipkopje, dat u daar in de vlakte zien kunt, en daar vonden wij hem, zich in een klipscheur verschuilende. Hier zijn de enigewapens, die hij bij zich had, en die heeft hij dadelik afgegeven.”

“Hij zal waarschijnlik een vluchteling zijn,” zei Gert Maritz, “en in dat geval zal hij ons misschien omtrent Dingaan en zijn bewegingen belangrijke mededelingen kunnen doen. Ik stel voor dat wij het punt onder behandeling, een weinig uitstellen, en door tussenkomst van een tolk horen wat deze oude te zeggen heeft.”

Een tolk trad naar voren. Door Maritz naar zijn naam gevraagd zijnde, gaf Mazesi met zwakke, nauweliks hoorbare stem ten antwoord: “Ik ben Goza, een induna van de Zulu-koning Dingaan.”

“Wat heeft je in de onmiddellike nabijheid van ons lager gebracht?”

“Ah, Inkose, dat zou een lang verhaal zijn, en te veel voor mijn krachten, als ik u alles moest vertellen wat mij in de laatste dagen overkomen is. Ik ben krachteloos van vermoeidheid en honger. Toen Dingaan de Boeren bijUmkungunhlovowilde slachten, waarschuwden Manondo en ik hem tegen het begaan van dit verraad, en dat heeft hij ons niet vergeven. Eenige dagen later liet hij Manondo door zijn eigen regiment met knopkieries doodslaan. Nu voor weinige dagen was er een indaba. Ik raadde de Koning ernstig aan, om te trachten met u vrede te maken. Hij ontstak in hevige toorn, bulderde dat ik Zulu van vel, maar Molonga van ingewand was, en gelastte mij de indaba te verlaten, en naar mijn kraal te gaan. Diezelfde avond bracht een vriend mij de tijding, dat Dingaan besloten had mij de volgende morgen bij het opgaan van de zon te laten doodslaan. Ik vluchtte dadelikweg. Waarheen zou ik mijn schreden richten? Ik had gehoord, dat gij een grootmoedig volk zijt, dat zijn vijanden genade bewijst, en ik vluchtte voort in de richting waar ik wist dat gij u bevondt. Vier dagen en nachten heb ik, vervolgd door mens en dier, omgedwaald. Van morgen wilden mijn krachten me begeven; met de uiterste inspanning klom ik op een kopje om uit te rusten. Ik was in slaap gevallen, toen stemmen me wekten. Ik opende de ogen, en zie, de mannen die ik zocht, hadden me gevonden.”

De sluwe tovenaar had zijn doel volkomen bereikt. Medelijden straalde uit aller ogen. Bij hen die zoveel door Dingaan hadden geleden, had een ander onschuldig slachtoffer van zijn woede hulp gezocht, hij zou bij hen veilig zijn.

“Zal Goza ons iets kunnen mededelen omtrent de macht en de voornemens van de Zulu-koning?” vroeg Maritz. “Tot kort geleden een induna geweest zijnde, zal hij daaromtrent zeker veel weten.”

“Ja Inkose, maar vergeef een oud man zijn zwakheid. Laat me toe, vandaag te eten en te rusten. Morgen zal mijn lichaam sterk, mijn verstand helder zijn, dan kan ik u alles vertellen wat me bekend is. Vergun me slechts als uw slaaf bij u te blijven.” En de tranen vloeiden rijkelik uit de ogen van de gewaande Goza.

Men stond op het punt hem zijn verzoek toe te staan. Reeds wilde Cilliers iemand gelasten hem weg te leiden en te doen verzorgen, toen Klaas Labuschagne op hem toetrad met de woorden: “Oom Sarel,Biggaris zoëven met enige Zulu-opperhoofden in het lager aangekomen, entoen hij hoorde dat de Krijgsraad zitting hield, heeft hij verzocht dadelik toegelaten te worden, daar hij zaken van overwegend belang te melden heeft. Wat zal ik hem antwoorden?”

Het gevoelen was algemeen, datBiggaren de opperhoofden dadelik zouden worden gehoord, en in de opgewondenheid door de aankondiging van hun komst veroorzaakt, werd de tovenaar, die van alles niets begreep, voor een ogenblik vergeten.

Weldra tradBiggarbinnen de kring, gevolgd door twee krachtig gebouwde Zulu's in volle krijgsdos. Met fiere tred volgden zij hun blanke bondgenoot, toen deze de Boeren-aanvoerders naderde, door wie hij hartelik werd gegroet, en zich buigende, lieten zij hun gewone inkose horen.Biggarstelde hen voor met de woorden: “Dezen, mijne heren, zijn Makoni en Dutulu, de twee zonen van de Zulu induna Manondo, die enige tijd geleden door Dingaan is vermoord. Zij zijn tot ons gevlucht met enige honderden dappere volgelingen, vast besloten de moord van hun vader te wreken. Zij zelf zullen u mededelingen doen, die u zullen verblijden.”

Niet zodra had de gewaande Goza de twee Zulu's gezien, of hij ontstelde hevig. Hij sidderde en zijn knieën knikten, tans niet van voorgewende uitputting, maar van inwendige ontroering. Immers als Makoni en Dutulu hem herkenden, dan was het met hem gedaan. Hij week achteruit zover hij kon, hurkte op de grond neer en bedekte zijn gelaat met de handen: een toonbeeld van werkelike ellende tans.

“Wij zijn bereid dadelik de berichten die uw bondgenotenbrengen, te vernemen, meneer,” zei Potgieter totBiggar. “U stemt hier immers in toe, oom Sarel?”

“Toen ik verzocht om dadelik in de Krijgsraad toegelaten te worden,” zeiBiggar, “wist ik niet dat uw vergadering in het openbaar gehouden werd. De mededelingen die u gedaan zullen worden, zijn echter van die aard, dat daaromtrent het strengste geheim bewaard moet worden. Slechts in een vergadering van de Krijgsraad, in afzondering gehouden, kunnen zij worden blootgelegd, en—”

Een kreet, die bijna een gebrul kon worden genoemd, door Makoni en Dutulu aangeheven, onderbrak zijn rede en bracht de gehele vergadering in verwarring op de benen.

TerwijlBiggarhet woord voerde, had Dutulu zijn oog over de vergadering laten gaan. Daar viel zijn blik op de neergehurkte Mazesi. Die gebogen gedaante kwam hem bekend voor; toch kon hij zich niet te binnen brengen, wie hij was. In een voor hem noodlottig ogenblik nam de tovenaar zenuwachtig zijn handen van zijn gelaat weg. Een schok voer Dutulu door de leden. Hij fluisterde zijn broeder iets in het oor; deze wendde het hoofd om, en van beider lippen klonk het: “Mazesi! de oorzaak van de moord van onze vader!”

De tovenaar was opgesprongen. Zijn oog zocht een uitweg om te ontvluchten, doch te vergeefs; hij was ingesloten in de kring van blanken. Met fonkelend oog staarden de broeders hem aan, totdat Makoni, met zijn assagaai op hem wijzende, totBiggarzei: “Daar staat de moordenaar van Manondo!”

“Wat betekent deze plotselinge uitbarsting uwer bondgenoten?” vroeg Cilliers aanBiggar.

“Zij zeggen, in die man de moordenaar van hun vader te hebben herkend,” antwoorddeBiggar.

“Dat mag zijn,” hernam Cilliers koel. “Er vinden zovele moorden in Zululand plaats. Deze man echter is een vluchteling, die bij ons bescherming tegen Dingaan heeft gezocht. Bij ons is hij veilig. Hij heet Goza, en was een induna van aanzien.”

Deze woorden werden doorBiggarovergebracht aan de broeders, die de tovenaar nog steeds met hun ogen verslonden. Zij barstten in een schamper gelach uit. “Heet hij Goza? Is dat zijn naam?”riep Makoni uit, “de ware Zulu schaamt zich zijn naam niet, en deze zal het ook niet doen. Zeg de Molonga dat ik zijn naam zal bekend maken. Die man is Mazesi, de opper-toverdokter van Dingaan. Hij is de man die aan het hoofd staat van al de spionnen, die Dingaan door het gehele land heeft. Hij was het die aandrong op de dood van Retief en de zijnen, en daarin door mijn vader, Manondo, tegengegaan, heeft hij hem dat niet vergeven, maar in mijn tegenwoordigheid later valse beschuldigingen tegen mijn vader ingebracht, die daarna op last van Dingaan is doodgeslagen. Hij is hier niet als vluchteling, maar als verspieder. Ontken, dat ge Mazesi zijt, en maak je de naam van Zulu onwaardig!” riep Makoni ten slotte met bliksemend oog tot de gewaande Goza.

De verandering die deze in de laatste minuten had ondergaan, was te veel in het ooglopend om daar allen die tegenwoordig waren, niet te worden opgemerkt. In zijnwoede had Mazesi het masker geheel verzaakt en afgeworpen. Inplaats van de uitgeputte, gebogen grijsaard, stond er tans een bejaarde, vermagerde, maar krachtig gebouwde en fiere Zulu. Het eerst gebogen hoofd stond trots op de nek, en de ogen, zoëven nog zo dof en wezenloos, schenen stralen te schieten. “Ge zegt recht, Zoon van Manondo!” riep hij uit, “ik zal mijn naam niet langer lochenen; ik ben Mazesi, zoals ge hebt gezegd.”

“Gij allen hoort het!” riep Makoni uit “zijn eigen mond heeft hem veroordeeld. Lever hem aan ons over, opdat het bloed van mijn vader gewroken worde!”

De verraste Cilliers scheen besluiteloos, wat te antwoorden. Eindelik nam Uijs het woord, en zei: “Broeders, er bestaat bij mij geen twijfel, dat de man een spion van Dingaan is, in ons lager gekomen om te verspieden; en volgens krijgsrecht is hij des doods schuldig en moet sterven. Maar zal het raadzaam zijn deze zonen van Manondo in de aangeboren bloeddorst der Zulu's te versterken? Laten wij Mazesi horen, als hij iets te zeggen heeft, en vinden wij hem schuldig, dan veroordelen wij hem ter dood, en laten zelf ons vonnis uitvoeren.”

“Ik verschil met u,” zei Potgieter; “die man is niet slechts een spion, maar ook een gevaarlike bedrieger en moordenaar. Zijn eigen landgenoten eisen hem van ons op, om hem naar hun wijze, recht te doen geschieden. Zij zijn onze bondgenoten, en vragen niets meer dan zij rechtens kunnen verwachten dat door ons zal worden toegestaan. Ik ben er voor, dat wij de spion in de handen van de zonen van Manondo stellen.”

Maritz, Greyling, van Staden en anderen verklaardendat zij met Potgieter instemden. Geen enkele stem verhief zich ten gunste van het voorstel van Uijs.

Na enig aarzelen zei Cilliers totBiggar: “Wilzo goed zijn aan Goza, of liever aan Mazesi te zeggen, dat de Krijgsraad besloten heeft hem over te leveren aan Makoni en Dutulu. Moge de Here zijn ziel genadig zijn!—Ik verdaag de Krijgsraad tot morgen ochtend, om als de zon opgaat, in mijn tent bijeen te komen. Niemand, dan de gekozen leidsmannen, zullen toegelaten worden tegenwoordig te zijn.”

Mazesi had het zwijgen bewaard. Wellicht hoopte hij nog op de bescherming der Boeren, schoon hij die ten volle had verbeurd. Toen de uitspraak van de Krijgsraad hem werd vertolkt, kende echter zijn woede paal noch perk. Het schuim stond hem voor de mond, ditmaal niet kunstmatig voortgebracht. “Ha! ge zult het wagen mij te doden, gebroed van Manondo!!” schreeuwde hij, “ik vervloek u! Mijn schim zal u vervolgen overal waar ge gaat en staat. Ik zal u verpesten. Ik zal u betoveren. De Molonga? Ik zie de dagen van Tshaka terug. De Amazulu zullen hen vernietigen en uitdelgen. De zon die dit land bestraalt, zal hun geraamten verdrogen!”

Zwijgend traden Makoni en Dutulu op hem toe, grepen hem ieder aan een arm en brachten hem de lagerpoort uit, door enige Zulu's gevolgd.

Na een half uur afwezig te zijn geweest, keerden zij terug. Op een vraag vanBiggar, antwoordde Makoni: “Het bloed van onze vader is op een van zijn moordenaars gewroken. Heden nacht strekt het magere karkas van Mazesi de jakhals en hyena tot spijs.”


Back to IndexNext