III.

[Inhoud]III.III.GOED INTRIGEEREN IS NIET IEDERS WERK.Van Beek had natuurlijk gezien dat Wije uitreed, ja zelfs iets opgemerkt van de haast waarmede deze in zijn rijtuig was gesprongen. Een wijl stond hij besluiteloos wat te doen. Hij kwam om een visite te maken en niet zooals Wije scheen te denken, gezonden door den chef. Mocht hij hem in dien waan laten, en tevens zijn visite voor niet gemaakt doen gelden? Zijn traagheidsvermogen kwam in conflict met het laatste; men zette zich in beweging om een bezoek af te leggen, dus men volhardde in die beweging. En wat het eerste betreft,[52]zoo was het hem betrekkelijk onverschillig wat Wije van hem dacht, doch niet hoe Anneke het zou opnemen. De klap dien hij van haar ontvangen had, had hem in ’t eerst geducht boos gemaakt, doch hoe langer die scène geleden was, hoe meer zij haar scherpe kanten voor hem verloor, en eindelijk vond hij dat het toch maar niet iedereen te beurt viel om door zoo’n mooi meisje op de wang gestreeld te worden. Het was een aangenaamsouvenir. Maar waarom zou het dit blijven? Kon men er niet een herhaling van provoceeren, altijd op een minder onzachte wijze? Zoover was hij met zijn denken gekomen, en dat bleek machtig genoeg om hem tot den gang van heden op te wekken.Met kleine, langzame passen liep hij voort, daarmee te kennen gevende dat hij zou omkeeren als Anneke de voorgaanderij verliet, in plaats van hem af te wachten. Zij zag het met verwondering, doch niet in ’t minst verlegen.[53]„U komt toch niet met mij vechten?” vroeg zij met gemaakten schrik.„Neen juffrouw, ik wou een visite maken. Maar ik zie dat uw papa is uitgegaan.”„Ja, dat is een moeielijk geval,” spotte zij.„Toen ik het zag, dacht ik, kijk, daar heb ik eindelijk eens gelegenheid u te spreken. Ik moet u nog altijd mijn excuses maken.”„Och kom,” zeide Anneke, „laat ons daar nu niet weer over beginnen.”„Ik heb toch heel dikwijls aan de heg gestaan, maar u kwam nooit meer zoover.”„Aan depagger?” vroeg zij geërgerd. Want plotseling overviel haar een gedachte; zij dacht er nooit om dat op het achtererf vreemde oogen haar konden zien; dikwijls liep zij in een enkelesarongen den handdoek over de schouders naar de badkamer, en hij was nu net zoo’n vent.… „Hoe laat?”„Altijd om denzelfden tijd als toen,” zeide hij tot haar groote verlichting. „Maar om daarop[54]terug te komen. U moet bedenken dat iedereen mij steeds wat trachtte wijs te maken, in dien tijd.”„Kassian,” zeide Anneke. „Daar heb ik van gehoord. Doen ze het nog?”„Neen nu is het uit.”„A la bonne heure!”„Hoe, spreekt u Fransch?” vroeg hij opgetogen.„Zeker, U ook?”„Mais si! On ne parle que ça chez nous.”„Hiernaast? Ik wist niet..?”„O neen,” zeide van Beek lachende. „Thuis bij ons, in Holland. Mijn moeder was een Française. Ik heb haar wel niet gekend, doch papa hield van die taal en zoo komt het dat we altijd Fransch spraken. Ik doe het ook graag, maar men komt hier nooit iemand tegen die het kan; alleen de kapper; en daarom laat ik mij tweemaal in de maand knippen.”„Er zijn toch meer menschen die het kunnen,”[55]verklaarde Anneke. „Papa zegt dat de meesten het niet graag doen, omdat zij uit gebrek aan oefening het vlotte spreken verleerd hebben. Hijzelf spreekt het heel goed, en hij heeft het mij geleerd. We wisselen om de week; deze week is de Engelsche. Spreekt u dat ook?”„Jawel, maar niet zoo gemakkelijk. Als ik mag, kom ik eens terug in de Fransche week.”„Dat behoeft nu juist niet. Ik zal het papa zeggen, misschien vraagt hij u wel eens ten eten.”„Heel graag,” zeide hij eenvoudig, haar de hand ten afscheid reikend.Het was een smalle, magere hand, week en zonder veerkracht bij ’t aanvatten, een hand die nooit gewerkt had. „Net ’n dood vischje,” resumeerde Anneke haar gevoelens, toen van Beek zich verwijderde. Physiek trok die jonge man haar in ’t geheel niet aan. Doch zijn spreken beviel haar. De totale afwezigheid van Indische uitdrukkingen was iets nieuws voor[56]haar, en het nieuwe heeft altijd een zekere bekoring. Dan zijn Fransch! Want het laatste gedeelte van hun gesprek was in die taal gevoerd, en Anneke moest de gemakkelijkheid waarmee hij zich uitdrukte, onwillekeurig bewonderen. Ofschoon zij het Indisch publiek tegenover hem in bescherming genomen had, was echter de waarheid, dat zij behalve haar papa, nog nooit iemand zoo vloeiend een vreemde taal had hooren spreken; ja eigenlijk in ’t geheel niet, daar men er zich gewoonlijk met een half zinnetje of met een bekend citaat afmaakte. Zelfs Kees maakte op dien regel geen uitzondering. Misschien kon hij het wel—hij had er immers examen in gedaan—maar dan durfde hij niet. Hoeveel moeite had het hem niet gekost om hem eens „je t’aime” te laten zeggen! Hij had eerst gelachen en verklaard het veel liever in ’t Hollandsch te doen, of het zonder woorden te toonen, zoo zij even uit het licht van de lantaarn wilde gaan; en[57]eindelijk, toen zij half boos was geworden door zijn hardnekkig weigeren, had hij het op zulk een zonderlinge manier uitgesproken, dat de aardigheid er glad af was. Zij wilde trachten haar vader te beduiden dat hij van Beek een weinig moest aanhalen, daar er van hem veel te leeren was; intusschen kon zij wel eens opletten of hij werkelijk ’s avonds aan depaggerstond en dan, zoo nu en dan, een praatje met hem maken; voorzichtig altijd, want „je t’aime” behoefde hij niet te zeggen; dat mocht alleen Kees … die het niet wilde; maar daar was bij van Beek haars inziens zoo gauw geen gevaar voor.De aldus beoordeelde wandelde middelerwijl het erf af, met een gevoel alsof hij een erfenis gekregen had, zijn vuist dicht gesloten, als om de aanraking van Anneke daarin te bewaren. In het duister van de boomen op den grooten weg ontsloot hij zijn hand, haar vlak onder den neus houdend, en zoende die,[58]tot driemaal toe. Zijn denken was in die oogenblikken ook heel wat gevorderd; Anneke moest hem niet slechts de wangen streelen, doch ook kussen. Zoover zou hij probeeren het te brengen; met Fransch spreken, dat zij klaarblijkelijk aardig vond, en desnoods door middel van een mooi cadeau op Sinterklaas. Dat wil zeggen als het niet anders kòn; want een cadeau kostte geld, vooral in Indië, waar alles zoo schrikkelijk duur was. En hij mocht zijn vader niet op kosten jagen! Tenzij dan in den uitersten nood. Hoeveel zou hij moeten besteden, voor ’t geval dat Anneke met Fransch alleen geen genoegen nam? Hij bedacht een som en ging toen bij zich zelf aan ’t afdingen, tot hij de galerij van zijn tehuis bereikte en er heel weinig overschoot.In high spiritskwam Wije terug van zijn bezoek aan Piong Pan Ho. In ’t begin was deSingkehniet over te halen geweest zijn hulp te verleenen, en dàt zoolang hij in de meening[59]verkeerde, dat Wije sprak in het belang der firma die hij diende. Het was, meende hij, weer de oude geschiedenis van hetati, dat belangen samenknoopte die niets met elkaar uitstaande hadden. Daarvoor liet hij zich niet gebruiken; hoe mooi Wije hem ook alles uitlegde, het overtuigde hem niet. Trouwens men moet logica geleerd hebben om er vatbaar voor te zijn. Doch nauwelijks vernam hij dat Wije in de winsten dertokogeïnteresseerd was, of hij veranderde van houding. Toen waren slechts weinig woorden meer noodig om hem op te doen staan, en te doen beloven dat hij het onmiddellijk in orde zou brengen. Wije bood aan mee te gaan, en in ’t eerst vond Piong Pan Ho dit goed; doch bedenkende wat naar alle waarschijnlijkheid de gang van zaken zoude zijn en dat het malleativan den Europeaan daar mogelijk tegen op zou komen, verklaarde hij een oogenblik later dat het onnoodig was, ja misschien niet eens wenschelijk; meneer[60]behoefde zich echter niet ongerust te maken omtrent den uitslag.„Ik dacht er een oogenblik over om het hiernaast te gaan zeggen,” zeide Wije tot Anneke, „maar we zullen liever morgen bericht sturen. Hij zou maar weer zeggen dat ik aan Chineesche beloften meer vertrouwen schonk dan die verdienen, en allerlei bijzonderheden vragen die hem niet aangaan. Wat mij betreft, ik zie ze morgen al weer aan den gang! Het eenige dat me benieuwt, is te hooren hoe Piong Pan Ho het heeft klaargespeeld.… àls ik dat te weten kom.”Anneke deelde haar vader de bijzonderheden mede van het kort gesprek met van Beek.„Ik houd niet van dien jongen,” zeide Wije. „In ’t begin toen hij hier was, had ik medelijden met hem, omdat hij van iedereen en alles de dupe was; maar nu … ik weet het niet … ’t is alsof hij, met al zijn onnoozelheid, ze geducht achter den mouw heeft.”[61]„Hij praat toch zoo grappig,” pruilde Anneke.„Nu,” zeide hij, „als hij jou amuseert, voor mijn part! Ik zal hem vragen om Zondag te komen eten. Is dat goed?”„Ja pa.”„Het kan nog niet,” ging hij peinzende voort, „anders zou ik gaarne eens wat jongelui voor je inviteeren. Maar men zou er te veel over te zeggen hebben. God weet dat wij diepen rouw dragen in ons hart, die langer duren zal dan de étiquette voorschrijft en door geen avondbezoek zou worden verjaagd; doch daarmede neemt de wereld nu eenmaal geen genoegen; het kan haar feitelijk niet eens schelen; zij eischt slechts haar deel, in den vorm van uiterlijk vertoon.”„Voorloopig gun ik het de menschen,” zeide Anneke. „Ik zou er zelf nog geen plezier in hebben. En we vervelen ons immers niet.”Van Beek verscheen den Zondag daarop, even vóór etenstijd.[62]„Wat heb je daar een net pak aan,” zeide Wije. „Zeker nog uit Holland?”„Ja,” antwoordde van Beek. „Maar u is de eerste die mij dat zegt. Ik heb er een paar visites mee gemaakt, en iederen keer bemerkte ik dat de menschen mij van boven tot onder aankeken, om daarna te lachen of onder elkaar iets te fluisteren.”„Dat ken ik. ’t Is omdat het model hun nieuw is. Feitelijk zijn ze er jaloersch van, als iemand zich onderscheidt, door wat dan ook. Want zie je, ’t is ons hier onmogelijk zulk goed gemaakt te krijgen.”„Hoe komt dat toch?” vroeg Anneke. „Wij meisjes hebben de patronen uit de Gracieuse maar na te knippen en de prentjes te volgen. Kunnen de heeren-kleermakers niet evenzoo doen?”„Toch vond ik de toiletten der dames erg ouderwetsch, toen ik pas aankwam,” zeide van Beek, meer eerlijk dan complimenteus.„Zoo!” riep Anneke uit. „Het mijne ook?”[63]„Natuurlijk,” zeide haar vader. „En als ik voor dat feit een verklaring moest geven, zou ik die zoeken in de omstandigheid, dat jelui zoowel als de kleermakers, naar afbeeldingen moet werken, en in de tweede plaats dat het oog te veel aan het oude model gewend is. Als ik jou was, van Beek, bestelde ik al mijn Europeesche kleeren in Holland—de Indische niet, want die maken ze hier beter—als ten minste de maker van dit pak je maat nog heeft.”„Ik geloof het wel. Hij heeft al voor mij gewerkt toen ik nog een kleine jongen was.”„Hoelang is dat geleden?” vroeg Anneke.„Zoolang nog niet,” antwoordde van Beek; „ik ben hoogstens zes jaar ouder dan u.”„Bravo!” riep Wije, terwijl Anneke in stomme verbazing naar achter liep om het eten te doen opdragen en van Beek een kleur kreeg, ook al van verbazing … over zichzelf. Maar het scheen wel dat in dezen kring zijn anders[64]zoo trage geest geprikkeld werd; en toen men na tafel het discours in het Fransch begon, raakte hij nog meer op dreef. Daar was dan toch eindelijk eens iets waarin hij niet voor iedereen behoefde onder te doen!Bij het afscheidnemen was het Wije, die hem een doorloopende uitnoodiging deed voor twee Zondagen in de maand.„Die jongen is ’s avonds werkelijk genietbaar,” getuigde hij.Van Beek maakte trouw gebruik van de invitatie, en ook gelukte het hem eenige malen Anneke tot een buurpraatje aan depaggerte bewegen, doch verder kwam het niet. Dit speet hem zeer, vooral als hij dacht aan de enorme uitgave waarop het hem zou komen te staan tegen Sinterklaas. Van zijn gedachte om het eerst eens te probeeren met een kleinigheid, was hij teruggekomen. Zóóveelsavoir fairebezat hij wel om in te zien, dat dit jegens een familie waar hij zoo gastvrij[65]ontvangen werd, voor hem, den zoon zijns vaders, geen pas gaf.Sinds van Beek in het paviljoen van den chef woonde, en geen gekke streken meer uithaalde, was hij als onderwerp van gesprek in de Semarangsche wereld vrijwel losgelaten; en omdat hij nergens kwam, gaf zelfs een onvoorzichtig woord, een vergissing, de menschen geen aanleiding om zich over hem druk te maken. Dit zou echter plotseling veranderen.Men had gehoord van zijn bezoeken bij de Wije’s! Daar stak wat achter. Het was dan Wije gelukt den jongen man, die alle uitnoodigingen afsloeg, in die mate dat men ze ter slotte niet meer deed, in zijn huis te lokken. De bedoeling die hij daarmee had, was volstrekt niet raadselachtig. Van Beek was de zoon van een schatrijken vader; dat wist men; en gelukkig dat het tooverwoord „millionnair” nog niet was uitgesproken, want dan zou de algemeene verontwaardiging nog grooter zijn geweest.[66]En Wije’s Anneke was vijftien jaar. Neen, daar viel niet aan te twijfelen, het was een speculatie, een schandelijk intrigue, in strijd met alle goeden zeden.Dus besloot men, zonder eenige afspraak, maar toch met onderling goedvinden, er een eind aan te maken. Drie families met huwbare dochters zetten allen een vast avondje in, waarop de kennissen eens voor altijd werden uitgenoodigd. Ook van Beek, hoewel niet tot deintimesbehoorende, ontving drie nagenoeg gelijkluidende briefjes van dezelfde strekking. In den aanvang had men werkelijk eenig succes, want van Beek, ofschoon zijn karaktervorming zeer veel te wenschen overliet, kende zijn manieren misschien beter dan de meesten uit zijn omgeving en wist dus precies wat hij doen moest om aan de beleefdheid niet te kort te doen, maar ook—en dat viel de menschen uit den gis—wat hij laten kon; en vooral dit was zijnfort. Hij eindigde met zóó[67]zelden te verschijnen dat men wanhopig werd.In dien toestand beging men een onvoorzichtigheid. Men redeneerde aldus: kunnen we van Beek niet tot ons trekken, dan moeten we Anneke van hem vervreemden. Dientengevolge werd Anneke nu geïnviteerd, nadat men haar vader had doen inzien dat hij haar jeugd niet mocht ten offer brengen aan een officieelen sleur; hij mocht het zoo nauw niet nemen en moest maar over ’t hoofd zien dat er nog een paar maanden aan den vollen rouwtijd ontbraken; het was in ’t belang van dat arme kind.Van stonde aan dat Anneke haar verschijning maakte op de gezellige avondjes, scheen ook in van Beek een trek naar die vermakelijkheden te ontwaken. En, hetzij uit een soort van traagheid die gaandeweg overwonnen moest worden, hetzij uit kiesche berekening, hij wist het zoo aan te leggen, dat men eerst na verloop van eenigen tijd opmerkte dat hij de avondjes druk bezocht en steeds kwam als[68]Anneke er ook was. Ook in de wijze waarop hij zich met haar onderhield was een climax waar te nemen, doch die viel enkel toe te schrijven aan van Beek’s bleuheid; hij kon met Anneke gezellig genoeg babbelen als zij alleen waren, doch zoo in tegenwoordigheid van een heel gezelschap … dat moest zijn tijd hebben.Toen men zich eindelijk van het feit rekenschap begon te geven, kwam er aan de ergernis geen eind. Bij een der families werd aan een dochtertje van tien jaar opgedragen, Anneke en van Beek te beluisteren, wanneer zij, zooals ze soms deden, met hun beidjes alleen stonden bij een knaapje met prachtwerken of naast de piano. Het kind berichtte dat zij er niets van kon verstaan, omdat die twee Fransch praatten!Onder al die bedrijven geraakte mevrouw Duna ten einde raad. In haar haat tegen Anneke had zij zich verzet tegen het onschuldige plan van Kees. Zoo zij dit niet gedaan had, dan zou Wije van Beek niet hebben aangehaald[69]en deze nooit den moed gevonden hebben, Anneke het hof te maken, terwijl Kees in die twee jaar wel van gedachten veranderd zou zijn. Anneke had een mooi gezichtje—behoudens een menigte aanmerkingen die mevrouw Duna op het mooie daarvan had—doch wat in de kleine Semarangsche maatschappij uitstak, deed dit nog niet te Batavia, waar zooveel meer keus was. En … maar al die overwegingen waren nutteloos. Het stond er nu eenmaal toe. Anneke had van Beek in haar netten verstrikt en zou een nog betere partij doen dan die, welke zij had getracht in den beginne tegen te gaan. Want hoewel van Beek qua persoon niet in de schaduw kon staan van Kees, zijn financieele positie, waar het toch bij een huwelijk op aan kwam voor een meisje, was veel sterker. Het was om te stikken van ergernis! Lang dacht zij na over een middel om tusschenbeiden te komen, en eindelijk—het was gewaagd, maar er schoot niets anders[70]over—besloot zij Kees er voor te spannen, als hij in de vacantie thuis kwam. Als zij hem eenige vrijheid liet, zou hij geen aansporing noodig hebben om dien verwenschten medevrijer van de baan te dringen; voor ernstige stappen was de tijd te kort; daarna kon men verder zien.Doch mevrouw Duna had geen geluk met haar intriges.„Vrouwtje,” zeide haar man, op zekeren avond in de achtergalerij komende, met een brief in de hand; „slecht nieuws uit Batavia. Kees schrijft dat hij niet overkomt.”„Zoo, waarom niet?”„Hij is ziek geweest en nog niet heelemaal beter,” ging de heer Duna voort. „De dokter heeft gezegd dat hij naar Soekaboemie moet. Eigenlijk schrijft hij niet zelf, maar de mevrouw waar hij woont …”„Geef dan toch hier!” viel zij in de rede, hem den brief ontrukkend. „Denk je dat ik[71]zoo’n zenuwachtig schepsel ben, dat je met zooveel omwegen aankomt?”„Nu,ikschrok er toch van.”„Jajij…!”Duna trok de schouders op; maar niet gewoon zijn tijd te verbeuzelen, liet hij zijn vrouw aan de lectuur van het vrij lange epistel en ging terug naar zijn kantoor.„Heb je even tijd?” vroeg mevrouw, een kwartier later bij hem komende.„Jawel.”„Kees kon op geen voor hem ongelegener tijd ziek geworden zijn.”„Neen, ’t is niet plezierig, na een jaar hard gewerkt te hebben, niet eens thuis te kunnen komen.”„Dat is het ergste niet.”„Hoe bedoel je?”„Herinner je je dan niet wat hij wilde eer hij wegging, ten opzichte van dat meisje Wije?”„Die loopt niet weg,” zeide Duna verwonderd[72]over de belangstelling van zijn vrouw in die zaak.„Dat doet ze wel. Je weet toch wat ik je verteld heb over dien gekken van Beek!”„Praatjes.”„Je verbaast me, zoo weinig als de wenschen van Kees je ter harte gaan.”„Ik dacht juist dat jij …”„Men kan van idee veranderen.”„Dat moet dan wel sedert zooeven geschied zijn.”„Dat is het ook. Ik dacht, toen ik dien brief las: als Kees eens niet beter geworden was … dan zou hij zijn moeder …” Hier overmeesterde haar de aandoening.En Duna, zijn kantoorstoel met een ruk omdraaiend, trok haar op zijn knie.Er heerschte een oogenblik van stilte, gedurende hetwelk zij den zakdoek vast tegen haar lachende oogen aangedrukt hield.„Zou er niets aan te doen zijn?” opperde[73]zij ten laatste. „Als je er eens met van Beek zijn chef over sprak?”„Dat gaat niet,” zeide hij peinzend.„Of met Wije zelf? Je praat maar over Kees, en doet alsof je van dien ander niet afweet.”„Ben je mal, vrouw?”„Neen, nog niet. Enfin,” vervolgde zij, opstaande, „dan weetikwat mij te doen staat.”„Geen dwaasheden hoor!” riep hij haar achterna, maar zij antwoordde niet.Den volgenden morgen vond Duna, toen hij in zijn rijtuig zat, tusschen de brieven die hij ’s avonds thuis had geschreven, er een van zijn vrouw aan Kees geadresseerd. Dit was geheel naar gewoonte; de brieven gingen steeds via het kantoor naar de post; dan werden zij gefrankeerd op kosten van de crediet-instelling. Doch Duna herinnerde zich het gesprek van gisteravond en draaide den brief eenigen tijd besluiteloos om en om. Hem openbreken wilde hij niet, en om er zelf een[74]brief bij te schrijven, daartoe ontbrak hem de tijd. Eensklaps kreeg hij een inval. Toen hij zijn kantoor bereikt had, ging hij vlug naar zijn schrijftafel, doopte een pen in den inktpot en schreef achter op het envelop: „Van alles over A.W. is geen woord waar,” en teekende dit met zijn initialen.Mevrouw Duna liet het rijtuig, dat stapvoets uit de benedenstad was teruggekomen, wachten, en zoodra zij gereed was met de beschikkingen voor haar huishouden, begaf zij zich naar de woning van Wije’s chef. Zij had een boodschap verzonnen, die zij uitspon tot een morgenvisite; en zonder dat de vrouw van den chef er erg in had, wist zij naar het adres te informeeren van den ouden heer van Beek in Holland. Zoodra zij dit had en er genoeg overheen gepraat, vertrok zij.Eenige dagen later liep Anneke, op een morgen, met roodgeweende oogen door het huis. Haar vader was nauwelijks vertrokken,[75]toen de post bezorgd werd. Er was slechts één brief, aan Anneke geadresseerd en uit Batavia. Maar het handschrift op den omslag was niet van Kees. Zij brak hem open. „Lieve Anneke,” luidde de aanhef, weer in dat vreemde schrift. Toen keek zij naar de onderteekening, die onleesbaar was, maar met een sierlijken krul verbonden aan de woorden: „p.p. je liefhebbende Kees.” Zij moest erom lachen; p.p., dat wist ze, beteekende „per procuratie”; maar wie liet nu minnebrieven bij volmacht schrijven? Het maakte haar een beetje boos, doch toen zij den inhoud eindelijk had gelezen, kwamen de waterlanders voor den dag. Kees was ziek, zóó erg dat hij niet schrijven kon. En hij zou er haar onwetend van hebben gelaten, om haar niet onnoodig angstig te maken, als hij zelf niet veel ongeruster was geworden dan zij bij mogelijkheid ooit kon zijn, door een regel dien zijn vader achter op een brief van zijn[76]moeder had geschreven. Het uitgeknipte stukje envelop lag in de vouwen van den brief. Wat beteekende dat toch? In den brief van zijn moeder stond geen woord over haar! Was er dan iets gebeurd? Iets tusschen zijn moeder en haar, zóó gewichtig dat zijn vader, die nooit een particulieren brief schreef, er de moeite van een heelen regel voor over had gehad? Zij moest hem gauw schrijven, want hij gevoelde dat hij niet eer beter zou worden, dan nadat hij omtrent haar gerustgesteld was. O, wat speet het hem dat hij nu niet thuis kon komen!Dit laatste en het feit dat Kees ziek lag, vervulde voor ’t oogenblik alleen Anneke’s gedachten, en was de oorzaak van haar droefheid. Debaboeinformeerde belangstellend wat denonnascheelde, maar werd afgesnauwd. Dit gaf aan Anneke’sgemoedsstemmingeen andere richting; zij kon de bedienden natuurlijk niet vertellen wat haar hinderde, doch[77]dat haar iets in den weg zat, had zij behoefte te uiten, hoe dan ook. De lieden begrepen er niets van. Hun kamertjes werden nagezien en vuil bevonden; alles moest worden uitgedragen en gereinigd. Het erf zat vol onkruid en er lagen klappers te rotten op den grond; dacht dekebondat hij voor zijn gemak op de wereld was? In den stal werden de planken opgelicht en daaronder lag allerlei ongerechtigheid; ook de koetsier kreeg wat hem toekwam. En allen vlogen her en derwaarts in ongewone bedrijvigheid, bezield door de vrees die een inlander koestert voor een Indisch humeur.In de achtergalerij zat de naaister, die alleen buiten schot gebleven was, een liedje te neuriën waarvan het referein luidde: „Nonna Semarang banjak tinkah-nja”1en toen debaboetegen twaalf uur bij haar kwam zitten, maakte zij de philosophische opmerking,[78]dat Anneke onvoorzichtig deed met dietinkah’ste toonen eer zij een man had.Maar om dien tijd was het onweer, dat ook hier de gewone zuiverende uitwerking had gehad, reeds bedaard en Anneke herlas haar brief, zich afvragend, wat meneer Duna wel kon gedacht hebben dat zijn vrouw aan Kees zou schrijven over haar. Zij kwam er niet achter; want natuurlijk had zij als belanghebbende niets van de in omloop zijnde praatjes vernomen; van het lasteren zou het plezier glad af zijn, zoo de getroffene er mee in kennis gesteld werd en zich dadelijk kon verdedigen. Het liet haar betrekkelijk koud, daar zij niet genoeg in de hij-zei-en-toen-zei-hij conversatie verkeerd had, om zich op te winden over iets dat van haar gezegd was. Maar Kees moest antwoord hebben; en zij offerde haar middagrust op om hem een langen brief te schrijven, die weldra als medicijn van de aangenaamste soort zou werken.[79]Toen zij daarmee gereed was, nam zij haar schrijfboeltje op om het weg te sluiten, er niet op lettende dat een reepje papier er tusschen uitgleed en dwarrelend zijn weg vond naar den grond, waar het een half uur later door Wije gevonden werd en opgeraapt. Het was het reepje dat Kees uitgeknipt had. Wije herkende onmiddellijk deparaafvan den heer Duna, die hij zoo vaak op wissels en quitanties had gezien, en den regel lezende trok hij onmiddellijk een slotsom, die de waarheid zeer nabij kwam. Zijn eerste opwelling was Anneke ter verantwoording te roepen, doch hij bedacht zich en ging naar zijn kamer. Onder het heen- en weerloopen overwoog hij het geval. Hij herinnerde zich een toast, geslagen bij een bruiloftsmaal, waarin de spreker had betoogd dat de vader der bruid wel een groot vertrouwen schenken moest aan den jongeling dien hij zijn dochter gegeven had; dat hij, de spreker, zich[80]verbeeldde een neiging te zullen gevoelen om den onbeschaamde, die hem met een verzoek van die strekking naderde, de deur uit te werpen … Wije had toen zijn buurvrouw ingefluisterd, dat iemand die zóó sprak, blijkbaar geen huwbare of meer dan huwbare dochters bezat, doch nu vond hij dat die man toch gelijk had en gevoelde een groote kwaadaardigheid in zich opkomen tegen hem, die zijn lieveling wilde wegrooven. Het kwam niet te pas, dat een meisje, nog eer zij haar ouders iets had kunnen vergoeden van al de haar bewezen liefde, maar zoo dadelijk haar hart en hand cadeau deed aan den eersten den besten. Dat was slecht en ondankbaar. Zij behoorde voor ’t minst te wachten tot … tot … natuurlijk niet tot ze een oude vrijster was; er viel nog een middenweg te betrachten; zij behoefde in geen geval zóó van broek-en-baatje in de bruidsjapon te springen!Maar wat was er aan te doen? Niets! Verliefdheid[81]groeit altijd tegen de verdrukking in; verbied een meisje te kijken naar een kwast, een leeglooper, die haar het hof maakt, en tien tegen een dat ze hem neemt, terwijl ze zonder dat verbod hem verachtelijk zou hebben afgewezen. Hoeveel te meer zoo het een man geldt, die iets beteekent … hm, die redeneering gaat niet altijd op, maar zeker is, dat tegenwerken altijd verkeerd uitkomt. Dus niets doen, besloot Wije, en bergde het verraderlijke papier in zijn sigarenkoker.[82]1Semarangsche meisjes hebben veel kuren.↑

[Inhoud]III.III.GOED INTRIGEEREN IS NIET IEDERS WERK.Van Beek had natuurlijk gezien dat Wije uitreed, ja zelfs iets opgemerkt van de haast waarmede deze in zijn rijtuig was gesprongen. Een wijl stond hij besluiteloos wat te doen. Hij kwam om een visite te maken en niet zooals Wije scheen te denken, gezonden door den chef. Mocht hij hem in dien waan laten, en tevens zijn visite voor niet gemaakt doen gelden? Zijn traagheidsvermogen kwam in conflict met het laatste; men zette zich in beweging om een bezoek af te leggen, dus men volhardde in die beweging. En wat het eerste betreft,[52]zoo was het hem betrekkelijk onverschillig wat Wije van hem dacht, doch niet hoe Anneke het zou opnemen. De klap dien hij van haar ontvangen had, had hem in ’t eerst geducht boos gemaakt, doch hoe langer die scène geleden was, hoe meer zij haar scherpe kanten voor hem verloor, en eindelijk vond hij dat het toch maar niet iedereen te beurt viel om door zoo’n mooi meisje op de wang gestreeld te worden. Het was een aangenaamsouvenir. Maar waarom zou het dit blijven? Kon men er niet een herhaling van provoceeren, altijd op een minder onzachte wijze? Zoover was hij met zijn denken gekomen, en dat bleek machtig genoeg om hem tot den gang van heden op te wekken.Met kleine, langzame passen liep hij voort, daarmee te kennen gevende dat hij zou omkeeren als Anneke de voorgaanderij verliet, in plaats van hem af te wachten. Zij zag het met verwondering, doch niet in ’t minst verlegen.[53]„U komt toch niet met mij vechten?” vroeg zij met gemaakten schrik.„Neen juffrouw, ik wou een visite maken. Maar ik zie dat uw papa is uitgegaan.”„Ja, dat is een moeielijk geval,” spotte zij.„Toen ik het zag, dacht ik, kijk, daar heb ik eindelijk eens gelegenheid u te spreken. Ik moet u nog altijd mijn excuses maken.”„Och kom,” zeide Anneke, „laat ons daar nu niet weer over beginnen.”„Ik heb toch heel dikwijls aan de heg gestaan, maar u kwam nooit meer zoover.”„Aan depagger?” vroeg zij geërgerd. Want plotseling overviel haar een gedachte; zij dacht er nooit om dat op het achtererf vreemde oogen haar konden zien; dikwijls liep zij in een enkelesarongen den handdoek over de schouders naar de badkamer, en hij was nu net zoo’n vent.… „Hoe laat?”„Altijd om denzelfden tijd als toen,” zeide hij tot haar groote verlichting. „Maar om daarop[54]terug te komen. U moet bedenken dat iedereen mij steeds wat trachtte wijs te maken, in dien tijd.”„Kassian,” zeide Anneke. „Daar heb ik van gehoord. Doen ze het nog?”„Neen nu is het uit.”„A la bonne heure!”„Hoe, spreekt u Fransch?” vroeg hij opgetogen.„Zeker, U ook?”„Mais si! On ne parle que ça chez nous.”„Hiernaast? Ik wist niet..?”„O neen,” zeide van Beek lachende. „Thuis bij ons, in Holland. Mijn moeder was een Française. Ik heb haar wel niet gekend, doch papa hield van die taal en zoo komt het dat we altijd Fransch spraken. Ik doe het ook graag, maar men komt hier nooit iemand tegen die het kan; alleen de kapper; en daarom laat ik mij tweemaal in de maand knippen.”„Er zijn toch meer menschen die het kunnen,”[55]verklaarde Anneke. „Papa zegt dat de meesten het niet graag doen, omdat zij uit gebrek aan oefening het vlotte spreken verleerd hebben. Hijzelf spreekt het heel goed, en hij heeft het mij geleerd. We wisselen om de week; deze week is de Engelsche. Spreekt u dat ook?”„Jawel, maar niet zoo gemakkelijk. Als ik mag, kom ik eens terug in de Fransche week.”„Dat behoeft nu juist niet. Ik zal het papa zeggen, misschien vraagt hij u wel eens ten eten.”„Heel graag,” zeide hij eenvoudig, haar de hand ten afscheid reikend.Het was een smalle, magere hand, week en zonder veerkracht bij ’t aanvatten, een hand die nooit gewerkt had. „Net ’n dood vischje,” resumeerde Anneke haar gevoelens, toen van Beek zich verwijderde. Physiek trok die jonge man haar in ’t geheel niet aan. Doch zijn spreken beviel haar. De totale afwezigheid van Indische uitdrukkingen was iets nieuws voor[56]haar, en het nieuwe heeft altijd een zekere bekoring. Dan zijn Fransch! Want het laatste gedeelte van hun gesprek was in die taal gevoerd, en Anneke moest de gemakkelijkheid waarmee hij zich uitdrukte, onwillekeurig bewonderen. Ofschoon zij het Indisch publiek tegenover hem in bescherming genomen had, was echter de waarheid, dat zij behalve haar papa, nog nooit iemand zoo vloeiend een vreemde taal had hooren spreken; ja eigenlijk in ’t geheel niet, daar men er zich gewoonlijk met een half zinnetje of met een bekend citaat afmaakte. Zelfs Kees maakte op dien regel geen uitzondering. Misschien kon hij het wel—hij had er immers examen in gedaan—maar dan durfde hij niet. Hoeveel moeite had het hem niet gekost om hem eens „je t’aime” te laten zeggen! Hij had eerst gelachen en verklaard het veel liever in ’t Hollandsch te doen, of het zonder woorden te toonen, zoo zij even uit het licht van de lantaarn wilde gaan; en[57]eindelijk, toen zij half boos was geworden door zijn hardnekkig weigeren, had hij het op zulk een zonderlinge manier uitgesproken, dat de aardigheid er glad af was. Zij wilde trachten haar vader te beduiden dat hij van Beek een weinig moest aanhalen, daar er van hem veel te leeren was; intusschen kon zij wel eens opletten of hij werkelijk ’s avonds aan depaggerstond en dan, zoo nu en dan, een praatje met hem maken; voorzichtig altijd, want „je t’aime” behoefde hij niet te zeggen; dat mocht alleen Kees … die het niet wilde; maar daar was bij van Beek haars inziens zoo gauw geen gevaar voor.De aldus beoordeelde wandelde middelerwijl het erf af, met een gevoel alsof hij een erfenis gekregen had, zijn vuist dicht gesloten, als om de aanraking van Anneke daarin te bewaren. In het duister van de boomen op den grooten weg ontsloot hij zijn hand, haar vlak onder den neus houdend, en zoende die,[58]tot driemaal toe. Zijn denken was in die oogenblikken ook heel wat gevorderd; Anneke moest hem niet slechts de wangen streelen, doch ook kussen. Zoover zou hij probeeren het te brengen; met Fransch spreken, dat zij klaarblijkelijk aardig vond, en desnoods door middel van een mooi cadeau op Sinterklaas. Dat wil zeggen als het niet anders kòn; want een cadeau kostte geld, vooral in Indië, waar alles zoo schrikkelijk duur was. En hij mocht zijn vader niet op kosten jagen! Tenzij dan in den uitersten nood. Hoeveel zou hij moeten besteden, voor ’t geval dat Anneke met Fransch alleen geen genoegen nam? Hij bedacht een som en ging toen bij zich zelf aan ’t afdingen, tot hij de galerij van zijn tehuis bereikte en er heel weinig overschoot.In high spiritskwam Wije terug van zijn bezoek aan Piong Pan Ho. In ’t begin was deSingkehniet over te halen geweest zijn hulp te verleenen, en dàt zoolang hij in de meening[59]verkeerde, dat Wije sprak in het belang der firma die hij diende. Het was, meende hij, weer de oude geschiedenis van hetati, dat belangen samenknoopte die niets met elkaar uitstaande hadden. Daarvoor liet hij zich niet gebruiken; hoe mooi Wije hem ook alles uitlegde, het overtuigde hem niet. Trouwens men moet logica geleerd hebben om er vatbaar voor te zijn. Doch nauwelijks vernam hij dat Wije in de winsten dertokogeïnteresseerd was, of hij veranderde van houding. Toen waren slechts weinig woorden meer noodig om hem op te doen staan, en te doen beloven dat hij het onmiddellijk in orde zou brengen. Wije bood aan mee te gaan, en in ’t eerst vond Piong Pan Ho dit goed; doch bedenkende wat naar alle waarschijnlijkheid de gang van zaken zoude zijn en dat het malleativan den Europeaan daar mogelijk tegen op zou komen, verklaarde hij een oogenblik later dat het onnoodig was, ja misschien niet eens wenschelijk; meneer[60]behoefde zich echter niet ongerust te maken omtrent den uitslag.„Ik dacht er een oogenblik over om het hiernaast te gaan zeggen,” zeide Wije tot Anneke, „maar we zullen liever morgen bericht sturen. Hij zou maar weer zeggen dat ik aan Chineesche beloften meer vertrouwen schonk dan die verdienen, en allerlei bijzonderheden vragen die hem niet aangaan. Wat mij betreft, ik zie ze morgen al weer aan den gang! Het eenige dat me benieuwt, is te hooren hoe Piong Pan Ho het heeft klaargespeeld.… àls ik dat te weten kom.”Anneke deelde haar vader de bijzonderheden mede van het kort gesprek met van Beek.„Ik houd niet van dien jongen,” zeide Wije. „In ’t begin toen hij hier was, had ik medelijden met hem, omdat hij van iedereen en alles de dupe was; maar nu … ik weet het niet … ’t is alsof hij, met al zijn onnoozelheid, ze geducht achter den mouw heeft.”[61]„Hij praat toch zoo grappig,” pruilde Anneke.„Nu,” zeide hij, „als hij jou amuseert, voor mijn part! Ik zal hem vragen om Zondag te komen eten. Is dat goed?”„Ja pa.”„Het kan nog niet,” ging hij peinzende voort, „anders zou ik gaarne eens wat jongelui voor je inviteeren. Maar men zou er te veel over te zeggen hebben. God weet dat wij diepen rouw dragen in ons hart, die langer duren zal dan de étiquette voorschrijft en door geen avondbezoek zou worden verjaagd; doch daarmede neemt de wereld nu eenmaal geen genoegen; het kan haar feitelijk niet eens schelen; zij eischt slechts haar deel, in den vorm van uiterlijk vertoon.”„Voorloopig gun ik het de menschen,” zeide Anneke. „Ik zou er zelf nog geen plezier in hebben. En we vervelen ons immers niet.”Van Beek verscheen den Zondag daarop, even vóór etenstijd.[62]„Wat heb je daar een net pak aan,” zeide Wije. „Zeker nog uit Holland?”„Ja,” antwoordde van Beek. „Maar u is de eerste die mij dat zegt. Ik heb er een paar visites mee gemaakt, en iederen keer bemerkte ik dat de menschen mij van boven tot onder aankeken, om daarna te lachen of onder elkaar iets te fluisteren.”„Dat ken ik. ’t Is omdat het model hun nieuw is. Feitelijk zijn ze er jaloersch van, als iemand zich onderscheidt, door wat dan ook. Want zie je, ’t is ons hier onmogelijk zulk goed gemaakt te krijgen.”„Hoe komt dat toch?” vroeg Anneke. „Wij meisjes hebben de patronen uit de Gracieuse maar na te knippen en de prentjes te volgen. Kunnen de heeren-kleermakers niet evenzoo doen?”„Toch vond ik de toiletten der dames erg ouderwetsch, toen ik pas aankwam,” zeide van Beek, meer eerlijk dan complimenteus.„Zoo!” riep Anneke uit. „Het mijne ook?”[63]„Natuurlijk,” zeide haar vader. „En als ik voor dat feit een verklaring moest geven, zou ik die zoeken in de omstandigheid, dat jelui zoowel als de kleermakers, naar afbeeldingen moet werken, en in de tweede plaats dat het oog te veel aan het oude model gewend is. Als ik jou was, van Beek, bestelde ik al mijn Europeesche kleeren in Holland—de Indische niet, want die maken ze hier beter—als ten minste de maker van dit pak je maat nog heeft.”„Ik geloof het wel. Hij heeft al voor mij gewerkt toen ik nog een kleine jongen was.”„Hoelang is dat geleden?” vroeg Anneke.„Zoolang nog niet,” antwoordde van Beek; „ik ben hoogstens zes jaar ouder dan u.”„Bravo!” riep Wije, terwijl Anneke in stomme verbazing naar achter liep om het eten te doen opdragen en van Beek een kleur kreeg, ook al van verbazing … over zichzelf. Maar het scheen wel dat in dezen kring zijn anders[64]zoo trage geest geprikkeld werd; en toen men na tafel het discours in het Fransch begon, raakte hij nog meer op dreef. Daar was dan toch eindelijk eens iets waarin hij niet voor iedereen behoefde onder te doen!Bij het afscheidnemen was het Wije, die hem een doorloopende uitnoodiging deed voor twee Zondagen in de maand.„Die jongen is ’s avonds werkelijk genietbaar,” getuigde hij.Van Beek maakte trouw gebruik van de invitatie, en ook gelukte het hem eenige malen Anneke tot een buurpraatje aan depaggerte bewegen, doch verder kwam het niet. Dit speet hem zeer, vooral als hij dacht aan de enorme uitgave waarop het hem zou komen te staan tegen Sinterklaas. Van zijn gedachte om het eerst eens te probeeren met een kleinigheid, was hij teruggekomen. Zóóveelsavoir fairebezat hij wel om in te zien, dat dit jegens een familie waar hij zoo gastvrij[65]ontvangen werd, voor hem, den zoon zijns vaders, geen pas gaf.Sinds van Beek in het paviljoen van den chef woonde, en geen gekke streken meer uithaalde, was hij als onderwerp van gesprek in de Semarangsche wereld vrijwel losgelaten; en omdat hij nergens kwam, gaf zelfs een onvoorzichtig woord, een vergissing, de menschen geen aanleiding om zich over hem druk te maken. Dit zou echter plotseling veranderen.Men had gehoord van zijn bezoeken bij de Wije’s! Daar stak wat achter. Het was dan Wije gelukt den jongen man, die alle uitnoodigingen afsloeg, in die mate dat men ze ter slotte niet meer deed, in zijn huis te lokken. De bedoeling die hij daarmee had, was volstrekt niet raadselachtig. Van Beek was de zoon van een schatrijken vader; dat wist men; en gelukkig dat het tooverwoord „millionnair” nog niet was uitgesproken, want dan zou de algemeene verontwaardiging nog grooter zijn geweest.[66]En Wije’s Anneke was vijftien jaar. Neen, daar viel niet aan te twijfelen, het was een speculatie, een schandelijk intrigue, in strijd met alle goeden zeden.Dus besloot men, zonder eenige afspraak, maar toch met onderling goedvinden, er een eind aan te maken. Drie families met huwbare dochters zetten allen een vast avondje in, waarop de kennissen eens voor altijd werden uitgenoodigd. Ook van Beek, hoewel niet tot deintimesbehoorende, ontving drie nagenoeg gelijkluidende briefjes van dezelfde strekking. In den aanvang had men werkelijk eenig succes, want van Beek, ofschoon zijn karaktervorming zeer veel te wenschen overliet, kende zijn manieren misschien beter dan de meesten uit zijn omgeving en wist dus precies wat hij doen moest om aan de beleefdheid niet te kort te doen, maar ook—en dat viel de menschen uit den gis—wat hij laten kon; en vooral dit was zijnfort. Hij eindigde met zóó[67]zelden te verschijnen dat men wanhopig werd.In dien toestand beging men een onvoorzichtigheid. Men redeneerde aldus: kunnen we van Beek niet tot ons trekken, dan moeten we Anneke van hem vervreemden. Dientengevolge werd Anneke nu geïnviteerd, nadat men haar vader had doen inzien dat hij haar jeugd niet mocht ten offer brengen aan een officieelen sleur; hij mocht het zoo nauw niet nemen en moest maar over ’t hoofd zien dat er nog een paar maanden aan den vollen rouwtijd ontbraken; het was in ’t belang van dat arme kind.Van stonde aan dat Anneke haar verschijning maakte op de gezellige avondjes, scheen ook in van Beek een trek naar die vermakelijkheden te ontwaken. En, hetzij uit een soort van traagheid die gaandeweg overwonnen moest worden, hetzij uit kiesche berekening, hij wist het zoo aan te leggen, dat men eerst na verloop van eenigen tijd opmerkte dat hij de avondjes druk bezocht en steeds kwam als[68]Anneke er ook was. Ook in de wijze waarop hij zich met haar onderhield was een climax waar te nemen, doch die viel enkel toe te schrijven aan van Beek’s bleuheid; hij kon met Anneke gezellig genoeg babbelen als zij alleen waren, doch zoo in tegenwoordigheid van een heel gezelschap … dat moest zijn tijd hebben.Toen men zich eindelijk van het feit rekenschap begon te geven, kwam er aan de ergernis geen eind. Bij een der families werd aan een dochtertje van tien jaar opgedragen, Anneke en van Beek te beluisteren, wanneer zij, zooals ze soms deden, met hun beidjes alleen stonden bij een knaapje met prachtwerken of naast de piano. Het kind berichtte dat zij er niets van kon verstaan, omdat die twee Fransch praatten!Onder al die bedrijven geraakte mevrouw Duna ten einde raad. In haar haat tegen Anneke had zij zich verzet tegen het onschuldige plan van Kees. Zoo zij dit niet gedaan had, dan zou Wije van Beek niet hebben aangehaald[69]en deze nooit den moed gevonden hebben, Anneke het hof te maken, terwijl Kees in die twee jaar wel van gedachten veranderd zou zijn. Anneke had een mooi gezichtje—behoudens een menigte aanmerkingen die mevrouw Duna op het mooie daarvan had—doch wat in de kleine Semarangsche maatschappij uitstak, deed dit nog niet te Batavia, waar zooveel meer keus was. En … maar al die overwegingen waren nutteloos. Het stond er nu eenmaal toe. Anneke had van Beek in haar netten verstrikt en zou een nog betere partij doen dan die, welke zij had getracht in den beginne tegen te gaan. Want hoewel van Beek qua persoon niet in de schaduw kon staan van Kees, zijn financieele positie, waar het toch bij een huwelijk op aan kwam voor een meisje, was veel sterker. Het was om te stikken van ergernis! Lang dacht zij na over een middel om tusschenbeiden te komen, en eindelijk—het was gewaagd, maar er schoot niets anders[70]over—besloot zij Kees er voor te spannen, als hij in de vacantie thuis kwam. Als zij hem eenige vrijheid liet, zou hij geen aansporing noodig hebben om dien verwenschten medevrijer van de baan te dringen; voor ernstige stappen was de tijd te kort; daarna kon men verder zien.Doch mevrouw Duna had geen geluk met haar intriges.„Vrouwtje,” zeide haar man, op zekeren avond in de achtergalerij komende, met een brief in de hand; „slecht nieuws uit Batavia. Kees schrijft dat hij niet overkomt.”„Zoo, waarom niet?”„Hij is ziek geweest en nog niet heelemaal beter,” ging de heer Duna voort. „De dokter heeft gezegd dat hij naar Soekaboemie moet. Eigenlijk schrijft hij niet zelf, maar de mevrouw waar hij woont …”„Geef dan toch hier!” viel zij in de rede, hem den brief ontrukkend. „Denk je dat ik[71]zoo’n zenuwachtig schepsel ben, dat je met zooveel omwegen aankomt?”„Nu,ikschrok er toch van.”„Jajij…!”Duna trok de schouders op; maar niet gewoon zijn tijd te verbeuzelen, liet hij zijn vrouw aan de lectuur van het vrij lange epistel en ging terug naar zijn kantoor.„Heb je even tijd?” vroeg mevrouw, een kwartier later bij hem komende.„Jawel.”„Kees kon op geen voor hem ongelegener tijd ziek geworden zijn.”„Neen, ’t is niet plezierig, na een jaar hard gewerkt te hebben, niet eens thuis te kunnen komen.”„Dat is het ergste niet.”„Hoe bedoel je?”„Herinner je je dan niet wat hij wilde eer hij wegging, ten opzichte van dat meisje Wije?”„Die loopt niet weg,” zeide Duna verwonderd[72]over de belangstelling van zijn vrouw in die zaak.„Dat doet ze wel. Je weet toch wat ik je verteld heb over dien gekken van Beek!”„Praatjes.”„Je verbaast me, zoo weinig als de wenschen van Kees je ter harte gaan.”„Ik dacht juist dat jij …”„Men kan van idee veranderen.”„Dat moet dan wel sedert zooeven geschied zijn.”„Dat is het ook. Ik dacht, toen ik dien brief las: als Kees eens niet beter geworden was … dan zou hij zijn moeder …” Hier overmeesterde haar de aandoening.En Duna, zijn kantoorstoel met een ruk omdraaiend, trok haar op zijn knie.Er heerschte een oogenblik van stilte, gedurende hetwelk zij den zakdoek vast tegen haar lachende oogen aangedrukt hield.„Zou er niets aan te doen zijn?” opperde[73]zij ten laatste. „Als je er eens met van Beek zijn chef over sprak?”„Dat gaat niet,” zeide hij peinzend.„Of met Wije zelf? Je praat maar over Kees, en doet alsof je van dien ander niet afweet.”„Ben je mal, vrouw?”„Neen, nog niet. Enfin,” vervolgde zij, opstaande, „dan weetikwat mij te doen staat.”„Geen dwaasheden hoor!” riep hij haar achterna, maar zij antwoordde niet.Den volgenden morgen vond Duna, toen hij in zijn rijtuig zat, tusschen de brieven die hij ’s avonds thuis had geschreven, er een van zijn vrouw aan Kees geadresseerd. Dit was geheel naar gewoonte; de brieven gingen steeds via het kantoor naar de post; dan werden zij gefrankeerd op kosten van de crediet-instelling. Doch Duna herinnerde zich het gesprek van gisteravond en draaide den brief eenigen tijd besluiteloos om en om. Hem openbreken wilde hij niet, en om er zelf een[74]brief bij te schrijven, daartoe ontbrak hem de tijd. Eensklaps kreeg hij een inval. Toen hij zijn kantoor bereikt had, ging hij vlug naar zijn schrijftafel, doopte een pen in den inktpot en schreef achter op het envelop: „Van alles over A.W. is geen woord waar,” en teekende dit met zijn initialen.Mevrouw Duna liet het rijtuig, dat stapvoets uit de benedenstad was teruggekomen, wachten, en zoodra zij gereed was met de beschikkingen voor haar huishouden, begaf zij zich naar de woning van Wije’s chef. Zij had een boodschap verzonnen, die zij uitspon tot een morgenvisite; en zonder dat de vrouw van den chef er erg in had, wist zij naar het adres te informeeren van den ouden heer van Beek in Holland. Zoodra zij dit had en er genoeg overheen gepraat, vertrok zij.Eenige dagen later liep Anneke, op een morgen, met roodgeweende oogen door het huis. Haar vader was nauwelijks vertrokken,[75]toen de post bezorgd werd. Er was slechts één brief, aan Anneke geadresseerd en uit Batavia. Maar het handschrift op den omslag was niet van Kees. Zij brak hem open. „Lieve Anneke,” luidde de aanhef, weer in dat vreemde schrift. Toen keek zij naar de onderteekening, die onleesbaar was, maar met een sierlijken krul verbonden aan de woorden: „p.p. je liefhebbende Kees.” Zij moest erom lachen; p.p., dat wist ze, beteekende „per procuratie”; maar wie liet nu minnebrieven bij volmacht schrijven? Het maakte haar een beetje boos, doch toen zij den inhoud eindelijk had gelezen, kwamen de waterlanders voor den dag. Kees was ziek, zóó erg dat hij niet schrijven kon. En hij zou er haar onwetend van hebben gelaten, om haar niet onnoodig angstig te maken, als hij zelf niet veel ongeruster was geworden dan zij bij mogelijkheid ooit kon zijn, door een regel dien zijn vader achter op een brief van zijn[76]moeder had geschreven. Het uitgeknipte stukje envelop lag in de vouwen van den brief. Wat beteekende dat toch? In den brief van zijn moeder stond geen woord over haar! Was er dan iets gebeurd? Iets tusschen zijn moeder en haar, zóó gewichtig dat zijn vader, die nooit een particulieren brief schreef, er de moeite van een heelen regel voor over had gehad? Zij moest hem gauw schrijven, want hij gevoelde dat hij niet eer beter zou worden, dan nadat hij omtrent haar gerustgesteld was. O, wat speet het hem dat hij nu niet thuis kon komen!Dit laatste en het feit dat Kees ziek lag, vervulde voor ’t oogenblik alleen Anneke’s gedachten, en was de oorzaak van haar droefheid. Debaboeinformeerde belangstellend wat denonnascheelde, maar werd afgesnauwd. Dit gaf aan Anneke’sgemoedsstemmingeen andere richting; zij kon de bedienden natuurlijk niet vertellen wat haar hinderde, doch[77]dat haar iets in den weg zat, had zij behoefte te uiten, hoe dan ook. De lieden begrepen er niets van. Hun kamertjes werden nagezien en vuil bevonden; alles moest worden uitgedragen en gereinigd. Het erf zat vol onkruid en er lagen klappers te rotten op den grond; dacht dekebondat hij voor zijn gemak op de wereld was? In den stal werden de planken opgelicht en daaronder lag allerlei ongerechtigheid; ook de koetsier kreeg wat hem toekwam. En allen vlogen her en derwaarts in ongewone bedrijvigheid, bezield door de vrees die een inlander koestert voor een Indisch humeur.In de achtergalerij zat de naaister, die alleen buiten schot gebleven was, een liedje te neuriën waarvan het referein luidde: „Nonna Semarang banjak tinkah-nja”1en toen debaboetegen twaalf uur bij haar kwam zitten, maakte zij de philosophische opmerking,[78]dat Anneke onvoorzichtig deed met dietinkah’ste toonen eer zij een man had.Maar om dien tijd was het onweer, dat ook hier de gewone zuiverende uitwerking had gehad, reeds bedaard en Anneke herlas haar brief, zich afvragend, wat meneer Duna wel kon gedacht hebben dat zijn vrouw aan Kees zou schrijven over haar. Zij kwam er niet achter; want natuurlijk had zij als belanghebbende niets van de in omloop zijnde praatjes vernomen; van het lasteren zou het plezier glad af zijn, zoo de getroffene er mee in kennis gesteld werd en zich dadelijk kon verdedigen. Het liet haar betrekkelijk koud, daar zij niet genoeg in de hij-zei-en-toen-zei-hij conversatie verkeerd had, om zich op te winden over iets dat van haar gezegd was. Maar Kees moest antwoord hebben; en zij offerde haar middagrust op om hem een langen brief te schrijven, die weldra als medicijn van de aangenaamste soort zou werken.[79]Toen zij daarmee gereed was, nam zij haar schrijfboeltje op om het weg te sluiten, er niet op lettende dat een reepje papier er tusschen uitgleed en dwarrelend zijn weg vond naar den grond, waar het een half uur later door Wije gevonden werd en opgeraapt. Het was het reepje dat Kees uitgeknipt had. Wije herkende onmiddellijk deparaafvan den heer Duna, die hij zoo vaak op wissels en quitanties had gezien, en den regel lezende trok hij onmiddellijk een slotsom, die de waarheid zeer nabij kwam. Zijn eerste opwelling was Anneke ter verantwoording te roepen, doch hij bedacht zich en ging naar zijn kamer. Onder het heen- en weerloopen overwoog hij het geval. Hij herinnerde zich een toast, geslagen bij een bruiloftsmaal, waarin de spreker had betoogd dat de vader der bruid wel een groot vertrouwen schenken moest aan den jongeling dien hij zijn dochter gegeven had; dat hij, de spreker, zich[80]verbeeldde een neiging te zullen gevoelen om den onbeschaamde, die hem met een verzoek van die strekking naderde, de deur uit te werpen … Wije had toen zijn buurvrouw ingefluisterd, dat iemand die zóó sprak, blijkbaar geen huwbare of meer dan huwbare dochters bezat, doch nu vond hij dat die man toch gelijk had en gevoelde een groote kwaadaardigheid in zich opkomen tegen hem, die zijn lieveling wilde wegrooven. Het kwam niet te pas, dat een meisje, nog eer zij haar ouders iets had kunnen vergoeden van al de haar bewezen liefde, maar zoo dadelijk haar hart en hand cadeau deed aan den eersten den besten. Dat was slecht en ondankbaar. Zij behoorde voor ’t minst te wachten tot … tot … natuurlijk niet tot ze een oude vrijster was; er viel nog een middenweg te betrachten; zij behoefde in geen geval zóó van broek-en-baatje in de bruidsjapon te springen!Maar wat was er aan te doen? Niets! Verliefdheid[81]groeit altijd tegen de verdrukking in; verbied een meisje te kijken naar een kwast, een leeglooper, die haar het hof maakt, en tien tegen een dat ze hem neemt, terwijl ze zonder dat verbod hem verachtelijk zou hebben afgewezen. Hoeveel te meer zoo het een man geldt, die iets beteekent … hm, die redeneering gaat niet altijd op, maar zeker is, dat tegenwerken altijd verkeerd uitkomt. Dus niets doen, besloot Wije, en bergde het verraderlijke papier in zijn sigarenkoker.[82]1Semarangsche meisjes hebben veel kuren.↑

[Inhoud]III.III.GOED INTRIGEEREN IS NIET IEDERS WERK.Van Beek had natuurlijk gezien dat Wije uitreed, ja zelfs iets opgemerkt van de haast waarmede deze in zijn rijtuig was gesprongen. Een wijl stond hij besluiteloos wat te doen. Hij kwam om een visite te maken en niet zooals Wije scheen te denken, gezonden door den chef. Mocht hij hem in dien waan laten, en tevens zijn visite voor niet gemaakt doen gelden? Zijn traagheidsvermogen kwam in conflict met het laatste; men zette zich in beweging om een bezoek af te leggen, dus men volhardde in die beweging. En wat het eerste betreft,[52]zoo was het hem betrekkelijk onverschillig wat Wije van hem dacht, doch niet hoe Anneke het zou opnemen. De klap dien hij van haar ontvangen had, had hem in ’t eerst geducht boos gemaakt, doch hoe langer die scène geleden was, hoe meer zij haar scherpe kanten voor hem verloor, en eindelijk vond hij dat het toch maar niet iedereen te beurt viel om door zoo’n mooi meisje op de wang gestreeld te worden. Het was een aangenaamsouvenir. Maar waarom zou het dit blijven? Kon men er niet een herhaling van provoceeren, altijd op een minder onzachte wijze? Zoover was hij met zijn denken gekomen, en dat bleek machtig genoeg om hem tot den gang van heden op te wekken.Met kleine, langzame passen liep hij voort, daarmee te kennen gevende dat hij zou omkeeren als Anneke de voorgaanderij verliet, in plaats van hem af te wachten. Zij zag het met verwondering, doch niet in ’t minst verlegen.[53]„U komt toch niet met mij vechten?” vroeg zij met gemaakten schrik.„Neen juffrouw, ik wou een visite maken. Maar ik zie dat uw papa is uitgegaan.”„Ja, dat is een moeielijk geval,” spotte zij.„Toen ik het zag, dacht ik, kijk, daar heb ik eindelijk eens gelegenheid u te spreken. Ik moet u nog altijd mijn excuses maken.”„Och kom,” zeide Anneke, „laat ons daar nu niet weer over beginnen.”„Ik heb toch heel dikwijls aan de heg gestaan, maar u kwam nooit meer zoover.”„Aan depagger?” vroeg zij geërgerd. Want plotseling overviel haar een gedachte; zij dacht er nooit om dat op het achtererf vreemde oogen haar konden zien; dikwijls liep zij in een enkelesarongen den handdoek over de schouders naar de badkamer, en hij was nu net zoo’n vent.… „Hoe laat?”„Altijd om denzelfden tijd als toen,” zeide hij tot haar groote verlichting. „Maar om daarop[54]terug te komen. U moet bedenken dat iedereen mij steeds wat trachtte wijs te maken, in dien tijd.”„Kassian,” zeide Anneke. „Daar heb ik van gehoord. Doen ze het nog?”„Neen nu is het uit.”„A la bonne heure!”„Hoe, spreekt u Fransch?” vroeg hij opgetogen.„Zeker, U ook?”„Mais si! On ne parle que ça chez nous.”„Hiernaast? Ik wist niet..?”„O neen,” zeide van Beek lachende. „Thuis bij ons, in Holland. Mijn moeder was een Française. Ik heb haar wel niet gekend, doch papa hield van die taal en zoo komt het dat we altijd Fransch spraken. Ik doe het ook graag, maar men komt hier nooit iemand tegen die het kan; alleen de kapper; en daarom laat ik mij tweemaal in de maand knippen.”„Er zijn toch meer menschen die het kunnen,”[55]verklaarde Anneke. „Papa zegt dat de meesten het niet graag doen, omdat zij uit gebrek aan oefening het vlotte spreken verleerd hebben. Hijzelf spreekt het heel goed, en hij heeft het mij geleerd. We wisselen om de week; deze week is de Engelsche. Spreekt u dat ook?”„Jawel, maar niet zoo gemakkelijk. Als ik mag, kom ik eens terug in de Fransche week.”„Dat behoeft nu juist niet. Ik zal het papa zeggen, misschien vraagt hij u wel eens ten eten.”„Heel graag,” zeide hij eenvoudig, haar de hand ten afscheid reikend.Het was een smalle, magere hand, week en zonder veerkracht bij ’t aanvatten, een hand die nooit gewerkt had. „Net ’n dood vischje,” resumeerde Anneke haar gevoelens, toen van Beek zich verwijderde. Physiek trok die jonge man haar in ’t geheel niet aan. Doch zijn spreken beviel haar. De totale afwezigheid van Indische uitdrukkingen was iets nieuws voor[56]haar, en het nieuwe heeft altijd een zekere bekoring. Dan zijn Fransch! Want het laatste gedeelte van hun gesprek was in die taal gevoerd, en Anneke moest de gemakkelijkheid waarmee hij zich uitdrukte, onwillekeurig bewonderen. Ofschoon zij het Indisch publiek tegenover hem in bescherming genomen had, was echter de waarheid, dat zij behalve haar papa, nog nooit iemand zoo vloeiend een vreemde taal had hooren spreken; ja eigenlijk in ’t geheel niet, daar men er zich gewoonlijk met een half zinnetje of met een bekend citaat afmaakte. Zelfs Kees maakte op dien regel geen uitzondering. Misschien kon hij het wel—hij had er immers examen in gedaan—maar dan durfde hij niet. Hoeveel moeite had het hem niet gekost om hem eens „je t’aime” te laten zeggen! Hij had eerst gelachen en verklaard het veel liever in ’t Hollandsch te doen, of het zonder woorden te toonen, zoo zij even uit het licht van de lantaarn wilde gaan; en[57]eindelijk, toen zij half boos was geworden door zijn hardnekkig weigeren, had hij het op zulk een zonderlinge manier uitgesproken, dat de aardigheid er glad af was. Zij wilde trachten haar vader te beduiden dat hij van Beek een weinig moest aanhalen, daar er van hem veel te leeren was; intusschen kon zij wel eens opletten of hij werkelijk ’s avonds aan depaggerstond en dan, zoo nu en dan, een praatje met hem maken; voorzichtig altijd, want „je t’aime” behoefde hij niet te zeggen; dat mocht alleen Kees … die het niet wilde; maar daar was bij van Beek haars inziens zoo gauw geen gevaar voor.De aldus beoordeelde wandelde middelerwijl het erf af, met een gevoel alsof hij een erfenis gekregen had, zijn vuist dicht gesloten, als om de aanraking van Anneke daarin te bewaren. In het duister van de boomen op den grooten weg ontsloot hij zijn hand, haar vlak onder den neus houdend, en zoende die,[58]tot driemaal toe. Zijn denken was in die oogenblikken ook heel wat gevorderd; Anneke moest hem niet slechts de wangen streelen, doch ook kussen. Zoover zou hij probeeren het te brengen; met Fransch spreken, dat zij klaarblijkelijk aardig vond, en desnoods door middel van een mooi cadeau op Sinterklaas. Dat wil zeggen als het niet anders kòn; want een cadeau kostte geld, vooral in Indië, waar alles zoo schrikkelijk duur was. En hij mocht zijn vader niet op kosten jagen! Tenzij dan in den uitersten nood. Hoeveel zou hij moeten besteden, voor ’t geval dat Anneke met Fransch alleen geen genoegen nam? Hij bedacht een som en ging toen bij zich zelf aan ’t afdingen, tot hij de galerij van zijn tehuis bereikte en er heel weinig overschoot.In high spiritskwam Wije terug van zijn bezoek aan Piong Pan Ho. In ’t begin was deSingkehniet over te halen geweest zijn hulp te verleenen, en dàt zoolang hij in de meening[59]verkeerde, dat Wije sprak in het belang der firma die hij diende. Het was, meende hij, weer de oude geschiedenis van hetati, dat belangen samenknoopte die niets met elkaar uitstaande hadden. Daarvoor liet hij zich niet gebruiken; hoe mooi Wije hem ook alles uitlegde, het overtuigde hem niet. Trouwens men moet logica geleerd hebben om er vatbaar voor te zijn. Doch nauwelijks vernam hij dat Wije in de winsten dertokogeïnteresseerd was, of hij veranderde van houding. Toen waren slechts weinig woorden meer noodig om hem op te doen staan, en te doen beloven dat hij het onmiddellijk in orde zou brengen. Wije bood aan mee te gaan, en in ’t eerst vond Piong Pan Ho dit goed; doch bedenkende wat naar alle waarschijnlijkheid de gang van zaken zoude zijn en dat het malleativan den Europeaan daar mogelijk tegen op zou komen, verklaarde hij een oogenblik later dat het onnoodig was, ja misschien niet eens wenschelijk; meneer[60]behoefde zich echter niet ongerust te maken omtrent den uitslag.„Ik dacht er een oogenblik over om het hiernaast te gaan zeggen,” zeide Wije tot Anneke, „maar we zullen liever morgen bericht sturen. Hij zou maar weer zeggen dat ik aan Chineesche beloften meer vertrouwen schonk dan die verdienen, en allerlei bijzonderheden vragen die hem niet aangaan. Wat mij betreft, ik zie ze morgen al weer aan den gang! Het eenige dat me benieuwt, is te hooren hoe Piong Pan Ho het heeft klaargespeeld.… àls ik dat te weten kom.”Anneke deelde haar vader de bijzonderheden mede van het kort gesprek met van Beek.„Ik houd niet van dien jongen,” zeide Wije. „In ’t begin toen hij hier was, had ik medelijden met hem, omdat hij van iedereen en alles de dupe was; maar nu … ik weet het niet … ’t is alsof hij, met al zijn onnoozelheid, ze geducht achter den mouw heeft.”[61]„Hij praat toch zoo grappig,” pruilde Anneke.„Nu,” zeide hij, „als hij jou amuseert, voor mijn part! Ik zal hem vragen om Zondag te komen eten. Is dat goed?”„Ja pa.”„Het kan nog niet,” ging hij peinzende voort, „anders zou ik gaarne eens wat jongelui voor je inviteeren. Maar men zou er te veel over te zeggen hebben. God weet dat wij diepen rouw dragen in ons hart, die langer duren zal dan de étiquette voorschrijft en door geen avondbezoek zou worden verjaagd; doch daarmede neemt de wereld nu eenmaal geen genoegen; het kan haar feitelijk niet eens schelen; zij eischt slechts haar deel, in den vorm van uiterlijk vertoon.”„Voorloopig gun ik het de menschen,” zeide Anneke. „Ik zou er zelf nog geen plezier in hebben. En we vervelen ons immers niet.”Van Beek verscheen den Zondag daarop, even vóór etenstijd.[62]„Wat heb je daar een net pak aan,” zeide Wije. „Zeker nog uit Holland?”„Ja,” antwoordde van Beek. „Maar u is de eerste die mij dat zegt. Ik heb er een paar visites mee gemaakt, en iederen keer bemerkte ik dat de menschen mij van boven tot onder aankeken, om daarna te lachen of onder elkaar iets te fluisteren.”„Dat ken ik. ’t Is omdat het model hun nieuw is. Feitelijk zijn ze er jaloersch van, als iemand zich onderscheidt, door wat dan ook. Want zie je, ’t is ons hier onmogelijk zulk goed gemaakt te krijgen.”„Hoe komt dat toch?” vroeg Anneke. „Wij meisjes hebben de patronen uit de Gracieuse maar na te knippen en de prentjes te volgen. Kunnen de heeren-kleermakers niet evenzoo doen?”„Toch vond ik de toiletten der dames erg ouderwetsch, toen ik pas aankwam,” zeide van Beek, meer eerlijk dan complimenteus.„Zoo!” riep Anneke uit. „Het mijne ook?”[63]„Natuurlijk,” zeide haar vader. „En als ik voor dat feit een verklaring moest geven, zou ik die zoeken in de omstandigheid, dat jelui zoowel als de kleermakers, naar afbeeldingen moet werken, en in de tweede plaats dat het oog te veel aan het oude model gewend is. Als ik jou was, van Beek, bestelde ik al mijn Europeesche kleeren in Holland—de Indische niet, want die maken ze hier beter—als ten minste de maker van dit pak je maat nog heeft.”„Ik geloof het wel. Hij heeft al voor mij gewerkt toen ik nog een kleine jongen was.”„Hoelang is dat geleden?” vroeg Anneke.„Zoolang nog niet,” antwoordde van Beek; „ik ben hoogstens zes jaar ouder dan u.”„Bravo!” riep Wije, terwijl Anneke in stomme verbazing naar achter liep om het eten te doen opdragen en van Beek een kleur kreeg, ook al van verbazing … over zichzelf. Maar het scheen wel dat in dezen kring zijn anders[64]zoo trage geest geprikkeld werd; en toen men na tafel het discours in het Fransch begon, raakte hij nog meer op dreef. Daar was dan toch eindelijk eens iets waarin hij niet voor iedereen behoefde onder te doen!Bij het afscheidnemen was het Wije, die hem een doorloopende uitnoodiging deed voor twee Zondagen in de maand.„Die jongen is ’s avonds werkelijk genietbaar,” getuigde hij.Van Beek maakte trouw gebruik van de invitatie, en ook gelukte het hem eenige malen Anneke tot een buurpraatje aan depaggerte bewegen, doch verder kwam het niet. Dit speet hem zeer, vooral als hij dacht aan de enorme uitgave waarop het hem zou komen te staan tegen Sinterklaas. Van zijn gedachte om het eerst eens te probeeren met een kleinigheid, was hij teruggekomen. Zóóveelsavoir fairebezat hij wel om in te zien, dat dit jegens een familie waar hij zoo gastvrij[65]ontvangen werd, voor hem, den zoon zijns vaders, geen pas gaf.Sinds van Beek in het paviljoen van den chef woonde, en geen gekke streken meer uithaalde, was hij als onderwerp van gesprek in de Semarangsche wereld vrijwel losgelaten; en omdat hij nergens kwam, gaf zelfs een onvoorzichtig woord, een vergissing, de menschen geen aanleiding om zich over hem druk te maken. Dit zou echter plotseling veranderen.Men had gehoord van zijn bezoeken bij de Wije’s! Daar stak wat achter. Het was dan Wije gelukt den jongen man, die alle uitnoodigingen afsloeg, in die mate dat men ze ter slotte niet meer deed, in zijn huis te lokken. De bedoeling die hij daarmee had, was volstrekt niet raadselachtig. Van Beek was de zoon van een schatrijken vader; dat wist men; en gelukkig dat het tooverwoord „millionnair” nog niet was uitgesproken, want dan zou de algemeene verontwaardiging nog grooter zijn geweest.[66]En Wije’s Anneke was vijftien jaar. Neen, daar viel niet aan te twijfelen, het was een speculatie, een schandelijk intrigue, in strijd met alle goeden zeden.Dus besloot men, zonder eenige afspraak, maar toch met onderling goedvinden, er een eind aan te maken. Drie families met huwbare dochters zetten allen een vast avondje in, waarop de kennissen eens voor altijd werden uitgenoodigd. Ook van Beek, hoewel niet tot deintimesbehoorende, ontving drie nagenoeg gelijkluidende briefjes van dezelfde strekking. In den aanvang had men werkelijk eenig succes, want van Beek, ofschoon zijn karaktervorming zeer veel te wenschen overliet, kende zijn manieren misschien beter dan de meesten uit zijn omgeving en wist dus precies wat hij doen moest om aan de beleefdheid niet te kort te doen, maar ook—en dat viel de menschen uit den gis—wat hij laten kon; en vooral dit was zijnfort. Hij eindigde met zóó[67]zelden te verschijnen dat men wanhopig werd.In dien toestand beging men een onvoorzichtigheid. Men redeneerde aldus: kunnen we van Beek niet tot ons trekken, dan moeten we Anneke van hem vervreemden. Dientengevolge werd Anneke nu geïnviteerd, nadat men haar vader had doen inzien dat hij haar jeugd niet mocht ten offer brengen aan een officieelen sleur; hij mocht het zoo nauw niet nemen en moest maar over ’t hoofd zien dat er nog een paar maanden aan den vollen rouwtijd ontbraken; het was in ’t belang van dat arme kind.Van stonde aan dat Anneke haar verschijning maakte op de gezellige avondjes, scheen ook in van Beek een trek naar die vermakelijkheden te ontwaken. En, hetzij uit een soort van traagheid die gaandeweg overwonnen moest worden, hetzij uit kiesche berekening, hij wist het zoo aan te leggen, dat men eerst na verloop van eenigen tijd opmerkte dat hij de avondjes druk bezocht en steeds kwam als[68]Anneke er ook was. Ook in de wijze waarop hij zich met haar onderhield was een climax waar te nemen, doch die viel enkel toe te schrijven aan van Beek’s bleuheid; hij kon met Anneke gezellig genoeg babbelen als zij alleen waren, doch zoo in tegenwoordigheid van een heel gezelschap … dat moest zijn tijd hebben.Toen men zich eindelijk van het feit rekenschap begon te geven, kwam er aan de ergernis geen eind. Bij een der families werd aan een dochtertje van tien jaar opgedragen, Anneke en van Beek te beluisteren, wanneer zij, zooals ze soms deden, met hun beidjes alleen stonden bij een knaapje met prachtwerken of naast de piano. Het kind berichtte dat zij er niets van kon verstaan, omdat die twee Fransch praatten!Onder al die bedrijven geraakte mevrouw Duna ten einde raad. In haar haat tegen Anneke had zij zich verzet tegen het onschuldige plan van Kees. Zoo zij dit niet gedaan had, dan zou Wije van Beek niet hebben aangehaald[69]en deze nooit den moed gevonden hebben, Anneke het hof te maken, terwijl Kees in die twee jaar wel van gedachten veranderd zou zijn. Anneke had een mooi gezichtje—behoudens een menigte aanmerkingen die mevrouw Duna op het mooie daarvan had—doch wat in de kleine Semarangsche maatschappij uitstak, deed dit nog niet te Batavia, waar zooveel meer keus was. En … maar al die overwegingen waren nutteloos. Het stond er nu eenmaal toe. Anneke had van Beek in haar netten verstrikt en zou een nog betere partij doen dan die, welke zij had getracht in den beginne tegen te gaan. Want hoewel van Beek qua persoon niet in de schaduw kon staan van Kees, zijn financieele positie, waar het toch bij een huwelijk op aan kwam voor een meisje, was veel sterker. Het was om te stikken van ergernis! Lang dacht zij na over een middel om tusschenbeiden te komen, en eindelijk—het was gewaagd, maar er schoot niets anders[70]over—besloot zij Kees er voor te spannen, als hij in de vacantie thuis kwam. Als zij hem eenige vrijheid liet, zou hij geen aansporing noodig hebben om dien verwenschten medevrijer van de baan te dringen; voor ernstige stappen was de tijd te kort; daarna kon men verder zien.Doch mevrouw Duna had geen geluk met haar intriges.„Vrouwtje,” zeide haar man, op zekeren avond in de achtergalerij komende, met een brief in de hand; „slecht nieuws uit Batavia. Kees schrijft dat hij niet overkomt.”„Zoo, waarom niet?”„Hij is ziek geweest en nog niet heelemaal beter,” ging de heer Duna voort. „De dokter heeft gezegd dat hij naar Soekaboemie moet. Eigenlijk schrijft hij niet zelf, maar de mevrouw waar hij woont …”„Geef dan toch hier!” viel zij in de rede, hem den brief ontrukkend. „Denk je dat ik[71]zoo’n zenuwachtig schepsel ben, dat je met zooveel omwegen aankomt?”„Nu,ikschrok er toch van.”„Jajij…!”Duna trok de schouders op; maar niet gewoon zijn tijd te verbeuzelen, liet hij zijn vrouw aan de lectuur van het vrij lange epistel en ging terug naar zijn kantoor.„Heb je even tijd?” vroeg mevrouw, een kwartier later bij hem komende.„Jawel.”„Kees kon op geen voor hem ongelegener tijd ziek geworden zijn.”„Neen, ’t is niet plezierig, na een jaar hard gewerkt te hebben, niet eens thuis te kunnen komen.”„Dat is het ergste niet.”„Hoe bedoel je?”„Herinner je je dan niet wat hij wilde eer hij wegging, ten opzichte van dat meisje Wije?”„Die loopt niet weg,” zeide Duna verwonderd[72]over de belangstelling van zijn vrouw in die zaak.„Dat doet ze wel. Je weet toch wat ik je verteld heb over dien gekken van Beek!”„Praatjes.”„Je verbaast me, zoo weinig als de wenschen van Kees je ter harte gaan.”„Ik dacht juist dat jij …”„Men kan van idee veranderen.”„Dat moet dan wel sedert zooeven geschied zijn.”„Dat is het ook. Ik dacht, toen ik dien brief las: als Kees eens niet beter geworden was … dan zou hij zijn moeder …” Hier overmeesterde haar de aandoening.En Duna, zijn kantoorstoel met een ruk omdraaiend, trok haar op zijn knie.Er heerschte een oogenblik van stilte, gedurende hetwelk zij den zakdoek vast tegen haar lachende oogen aangedrukt hield.„Zou er niets aan te doen zijn?” opperde[73]zij ten laatste. „Als je er eens met van Beek zijn chef over sprak?”„Dat gaat niet,” zeide hij peinzend.„Of met Wije zelf? Je praat maar over Kees, en doet alsof je van dien ander niet afweet.”„Ben je mal, vrouw?”„Neen, nog niet. Enfin,” vervolgde zij, opstaande, „dan weetikwat mij te doen staat.”„Geen dwaasheden hoor!” riep hij haar achterna, maar zij antwoordde niet.Den volgenden morgen vond Duna, toen hij in zijn rijtuig zat, tusschen de brieven die hij ’s avonds thuis had geschreven, er een van zijn vrouw aan Kees geadresseerd. Dit was geheel naar gewoonte; de brieven gingen steeds via het kantoor naar de post; dan werden zij gefrankeerd op kosten van de crediet-instelling. Doch Duna herinnerde zich het gesprek van gisteravond en draaide den brief eenigen tijd besluiteloos om en om. Hem openbreken wilde hij niet, en om er zelf een[74]brief bij te schrijven, daartoe ontbrak hem de tijd. Eensklaps kreeg hij een inval. Toen hij zijn kantoor bereikt had, ging hij vlug naar zijn schrijftafel, doopte een pen in den inktpot en schreef achter op het envelop: „Van alles over A.W. is geen woord waar,” en teekende dit met zijn initialen.Mevrouw Duna liet het rijtuig, dat stapvoets uit de benedenstad was teruggekomen, wachten, en zoodra zij gereed was met de beschikkingen voor haar huishouden, begaf zij zich naar de woning van Wije’s chef. Zij had een boodschap verzonnen, die zij uitspon tot een morgenvisite; en zonder dat de vrouw van den chef er erg in had, wist zij naar het adres te informeeren van den ouden heer van Beek in Holland. Zoodra zij dit had en er genoeg overheen gepraat, vertrok zij.Eenige dagen later liep Anneke, op een morgen, met roodgeweende oogen door het huis. Haar vader was nauwelijks vertrokken,[75]toen de post bezorgd werd. Er was slechts één brief, aan Anneke geadresseerd en uit Batavia. Maar het handschrift op den omslag was niet van Kees. Zij brak hem open. „Lieve Anneke,” luidde de aanhef, weer in dat vreemde schrift. Toen keek zij naar de onderteekening, die onleesbaar was, maar met een sierlijken krul verbonden aan de woorden: „p.p. je liefhebbende Kees.” Zij moest erom lachen; p.p., dat wist ze, beteekende „per procuratie”; maar wie liet nu minnebrieven bij volmacht schrijven? Het maakte haar een beetje boos, doch toen zij den inhoud eindelijk had gelezen, kwamen de waterlanders voor den dag. Kees was ziek, zóó erg dat hij niet schrijven kon. En hij zou er haar onwetend van hebben gelaten, om haar niet onnoodig angstig te maken, als hij zelf niet veel ongeruster was geworden dan zij bij mogelijkheid ooit kon zijn, door een regel dien zijn vader achter op een brief van zijn[76]moeder had geschreven. Het uitgeknipte stukje envelop lag in de vouwen van den brief. Wat beteekende dat toch? In den brief van zijn moeder stond geen woord over haar! Was er dan iets gebeurd? Iets tusschen zijn moeder en haar, zóó gewichtig dat zijn vader, die nooit een particulieren brief schreef, er de moeite van een heelen regel voor over had gehad? Zij moest hem gauw schrijven, want hij gevoelde dat hij niet eer beter zou worden, dan nadat hij omtrent haar gerustgesteld was. O, wat speet het hem dat hij nu niet thuis kon komen!Dit laatste en het feit dat Kees ziek lag, vervulde voor ’t oogenblik alleen Anneke’s gedachten, en was de oorzaak van haar droefheid. Debaboeinformeerde belangstellend wat denonnascheelde, maar werd afgesnauwd. Dit gaf aan Anneke’sgemoedsstemmingeen andere richting; zij kon de bedienden natuurlijk niet vertellen wat haar hinderde, doch[77]dat haar iets in den weg zat, had zij behoefte te uiten, hoe dan ook. De lieden begrepen er niets van. Hun kamertjes werden nagezien en vuil bevonden; alles moest worden uitgedragen en gereinigd. Het erf zat vol onkruid en er lagen klappers te rotten op den grond; dacht dekebondat hij voor zijn gemak op de wereld was? In den stal werden de planken opgelicht en daaronder lag allerlei ongerechtigheid; ook de koetsier kreeg wat hem toekwam. En allen vlogen her en derwaarts in ongewone bedrijvigheid, bezield door de vrees die een inlander koestert voor een Indisch humeur.In de achtergalerij zat de naaister, die alleen buiten schot gebleven was, een liedje te neuriën waarvan het referein luidde: „Nonna Semarang banjak tinkah-nja”1en toen debaboetegen twaalf uur bij haar kwam zitten, maakte zij de philosophische opmerking,[78]dat Anneke onvoorzichtig deed met dietinkah’ste toonen eer zij een man had.Maar om dien tijd was het onweer, dat ook hier de gewone zuiverende uitwerking had gehad, reeds bedaard en Anneke herlas haar brief, zich afvragend, wat meneer Duna wel kon gedacht hebben dat zijn vrouw aan Kees zou schrijven over haar. Zij kwam er niet achter; want natuurlijk had zij als belanghebbende niets van de in omloop zijnde praatjes vernomen; van het lasteren zou het plezier glad af zijn, zoo de getroffene er mee in kennis gesteld werd en zich dadelijk kon verdedigen. Het liet haar betrekkelijk koud, daar zij niet genoeg in de hij-zei-en-toen-zei-hij conversatie verkeerd had, om zich op te winden over iets dat van haar gezegd was. Maar Kees moest antwoord hebben; en zij offerde haar middagrust op om hem een langen brief te schrijven, die weldra als medicijn van de aangenaamste soort zou werken.[79]Toen zij daarmee gereed was, nam zij haar schrijfboeltje op om het weg te sluiten, er niet op lettende dat een reepje papier er tusschen uitgleed en dwarrelend zijn weg vond naar den grond, waar het een half uur later door Wije gevonden werd en opgeraapt. Het was het reepje dat Kees uitgeknipt had. Wije herkende onmiddellijk deparaafvan den heer Duna, die hij zoo vaak op wissels en quitanties had gezien, en den regel lezende trok hij onmiddellijk een slotsom, die de waarheid zeer nabij kwam. Zijn eerste opwelling was Anneke ter verantwoording te roepen, doch hij bedacht zich en ging naar zijn kamer. Onder het heen- en weerloopen overwoog hij het geval. Hij herinnerde zich een toast, geslagen bij een bruiloftsmaal, waarin de spreker had betoogd dat de vader der bruid wel een groot vertrouwen schenken moest aan den jongeling dien hij zijn dochter gegeven had; dat hij, de spreker, zich[80]verbeeldde een neiging te zullen gevoelen om den onbeschaamde, die hem met een verzoek van die strekking naderde, de deur uit te werpen … Wije had toen zijn buurvrouw ingefluisterd, dat iemand die zóó sprak, blijkbaar geen huwbare of meer dan huwbare dochters bezat, doch nu vond hij dat die man toch gelijk had en gevoelde een groote kwaadaardigheid in zich opkomen tegen hem, die zijn lieveling wilde wegrooven. Het kwam niet te pas, dat een meisje, nog eer zij haar ouders iets had kunnen vergoeden van al de haar bewezen liefde, maar zoo dadelijk haar hart en hand cadeau deed aan den eersten den besten. Dat was slecht en ondankbaar. Zij behoorde voor ’t minst te wachten tot … tot … natuurlijk niet tot ze een oude vrijster was; er viel nog een middenweg te betrachten; zij behoefde in geen geval zóó van broek-en-baatje in de bruidsjapon te springen!Maar wat was er aan te doen? Niets! Verliefdheid[81]groeit altijd tegen de verdrukking in; verbied een meisje te kijken naar een kwast, een leeglooper, die haar het hof maakt, en tien tegen een dat ze hem neemt, terwijl ze zonder dat verbod hem verachtelijk zou hebben afgewezen. Hoeveel te meer zoo het een man geldt, die iets beteekent … hm, die redeneering gaat niet altijd op, maar zeker is, dat tegenwerken altijd verkeerd uitkomt. Dus niets doen, besloot Wije, en bergde het verraderlijke papier in zijn sigarenkoker.[82]1Semarangsche meisjes hebben veel kuren.↑

III.III.GOED INTRIGEEREN IS NIET IEDERS WERK.

III.

Van Beek had natuurlijk gezien dat Wije uitreed, ja zelfs iets opgemerkt van de haast waarmede deze in zijn rijtuig was gesprongen. Een wijl stond hij besluiteloos wat te doen. Hij kwam om een visite te maken en niet zooals Wije scheen te denken, gezonden door den chef. Mocht hij hem in dien waan laten, en tevens zijn visite voor niet gemaakt doen gelden? Zijn traagheidsvermogen kwam in conflict met het laatste; men zette zich in beweging om een bezoek af te leggen, dus men volhardde in die beweging. En wat het eerste betreft,[52]zoo was het hem betrekkelijk onverschillig wat Wije van hem dacht, doch niet hoe Anneke het zou opnemen. De klap dien hij van haar ontvangen had, had hem in ’t eerst geducht boos gemaakt, doch hoe langer die scène geleden was, hoe meer zij haar scherpe kanten voor hem verloor, en eindelijk vond hij dat het toch maar niet iedereen te beurt viel om door zoo’n mooi meisje op de wang gestreeld te worden. Het was een aangenaamsouvenir. Maar waarom zou het dit blijven? Kon men er niet een herhaling van provoceeren, altijd op een minder onzachte wijze? Zoover was hij met zijn denken gekomen, en dat bleek machtig genoeg om hem tot den gang van heden op te wekken.Met kleine, langzame passen liep hij voort, daarmee te kennen gevende dat hij zou omkeeren als Anneke de voorgaanderij verliet, in plaats van hem af te wachten. Zij zag het met verwondering, doch niet in ’t minst verlegen.[53]„U komt toch niet met mij vechten?” vroeg zij met gemaakten schrik.„Neen juffrouw, ik wou een visite maken. Maar ik zie dat uw papa is uitgegaan.”„Ja, dat is een moeielijk geval,” spotte zij.„Toen ik het zag, dacht ik, kijk, daar heb ik eindelijk eens gelegenheid u te spreken. Ik moet u nog altijd mijn excuses maken.”„Och kom,” zeide Anneke, „laat ons daar nu niet weer over beginnen.”„Ik heb toch heel dikwijls aan de heg gestaan, maar u kwam nooit meer zoover.”„Aan depagger?” vroeg zij geërgerd. Want plotseling overviel haar een gedachte; zij dacht er nooit om dat op het achtererf vreemde oogen haar konden zien; dikwijls liep zij in een enkelesarongen den handdoek over de schouders naar de badkamer, en hij was nu net zoo’n vent.… „Hoe laat?”„Altijd om denzelfden tijd als toen,” zeide hij tot haar groote verlichting. „Maar om daarop[54]terug te komen. U moet bedenken dat iedereen mij steeds wat trachtte wijs te maken, in dien tijd.”„Kassian,” zeide Anneke. „Daar heb ik van gehoord. Doen ze het nog?”„Neen nu is het uit.”„A la bonne heure!”„Hoe, spreekt u Fransch?” vroeg hij opgetogen.„Zeker, U ook?”„Mais si! On ne parle que ça chez nous.”„Hiernaast? Ik wist niet..?”„O neen,” zeide van Beek lachende. „Thuis bij ons, in Holland. Mijn moeder was een Française. Ik heb haar wel niet gekend, doch papa hield van die taal en zoo komt het dat we altijd Fransch spraken. Ik doe het ook graag, maar men komt hier nooit iemand tegen die het kan; alleen de kapper; en daarom laat ik mij tweemaal in de maand knippen.”„Er zijn toch meer menschen die het kunnen,”[55]verklaarde Anneke. „Papa zegt dat de meesten het niet graag doen, omdat zij uit gebrek aan oefening het vlotte spreken verleerd hebben. Hijzelf spreekt het heel goed, en hij heeft het mij geleerd. We wisselen om de week; deze week is de Engelsche. Spreekt u dat ook?”„Jawel, maar niet zoo gemakkelijk. Als ik mag, kom ik eens terug in de Fransche week.”„Dat behoeft nu juist niet. Ik zal het papa zeggen, misschien vraagt hij u wel eens ten eten.”„Heel graag,” zeide hij eenvoudig, haar de hand ten afscheid reikend.Het was een smalle, magere hand, week en zonder veerkracht bij ’t aanvatten, een hand die nooit gewerkt had. „Net ’n dood vischje,” resumeerde Anneke haar gevoelens, toen van Beek zich verwijderde. Physiek trok die jonge man haar in ’t geheel niet aan. Doch zijn spreken beviel haar. De totale afwezigheid van Indische uitdrukkingen was iets nieuws voor[56]haar, en het nieuwe heeft altijd een zekere bekoring. Dan zijn Fransch! Want het laatste gedeelte van hun gesprek was in die taal gevoerd, en Anneke moest de gemakkelijkheid waarmee hij zich uitdrukte, onwillekeurig bewonderen. Ofschoon zij het Indisch publiek tegenover hem in bescherming genomen had, was echter de waarheid, dat zij behalve haar papa, nog nooit iemand zoo vloeiend een vreemde taal had hooren spreken; ja eigenlijk in ’t geheel niet, daar men er zich gewoonlijk met een half zinnetje of met een bekend citaat afmaakte. Zelfs Kees maakte op dien regel geen uitzondering. Misschien kon hij het wel—hij had er immers examen in gedaan—maar dan durfde hij niet. Hoeveel moeite had het hem niet gekost om hem eens „je t’aime” te laten zeggen! Hij had eerst gelachen en verklaard het veel liever in ’t Hollandsch te doen, of het zonder woorden te toonen, zoo zij even uit het licht van de lantaarn wilde gaan; en[57]eindelijk, toen zij half boos was geworden door zijn hardnekkig weigeren, had hij het op zulk een zonderlinge manier uitgesproken, dat de aardigheid er glad af was. Zij wilde trachten haar vader te beduiden dat hij van Beek een weinig moest aanhalen, daar er van hem veel te leeren was; intusschen kon zij wel eens opletten of hij werkelijk ’s avonds aan depaggerstond en dan, zoo nu en dan, een praatje met hem maken; voorzichtig altijd, want „je t’aime” behoefde hij niet te zeggen; dat mocht alleen Kees … die het niet wilde; maar daar was bij van Beek haars inziens zoo gauw geen gevaar voor.De aldus beoordeelde wandelde middelerwijl het erf af, met een gevoel alsof hij een erfenis gekregen had, zijn vuist dicht gesloten, als om de aanraking van Anneke daarin te bewaren. In het duister van de boomen op den grooten weg ontsloot hij zijn hand, haar vlak onder den neus houdend, en zoende die,[58]tot driemaal toe. Zijn denken was in die oogenblikken ook heel wat gevorderd; Anneke moest hem niet slechts de wangen streelen, doch ook kussen. Zoover zou hij probeeren het te brengen; met Fransch spreken, dat zij klaarblijkelijk aardig vond, en desnoods door middel van een mooi cadeau op Sinterklaas. Dat wil zeggen als het niet anders kòn; want een cadeau kostte geld, vooral in Indië, waar alles zoo schrikkelijk duur was. En hij mocht zijn vader niet op kosten jagen! Tenzij dan in den uitersten nood. Hoeveel zou hij moeten besteden, voor ’t geval dat Anneke met Fransch alleen geen genoegen nam? Hij bedacht een som en ging toen bij zich zelf aan ’t afdingen, tot hij de galerij van zijn tehuis bereikte en er heel weinig overschoot.In high spiritskwam Wije terug van zijn bezoek aan Piong Pan Ho. In ’t begin was deSingkehniet over te halen geweest zijn hulp te verleenen, en dàt zoolang hij in de meening[59]verkeerde, dat Wije sprak in het belang der firma die hij diende. Het was, meende hij, weer de oude geschiedenis van hetati, dat belangen samenknoopte die niets met elkaar uitstaande hadden. Daarvoor liet hij zich niet gebruiken; hoe mooi Wije hem ook alles uitlegde, het overtuigde hem niet. Trouwens men moet logica geleerd hebben om er vatbaar voor te zijn. Doch nauwelijks vernam hij dat Wije in de winsten dertokogeïnteresseerd was, of hij veranderde van houding. Toen waren slechts weinig woorden meer noodig om hem op te doen staan, en te doen beloven dat hij het onmiddellijk in orde zou brengen. Wije bood aan mee te gaan, en in ’t eerst vond Piong Pan Ho dit goed; doch bedenkende wat naar alle waarschijnlijkheid de gang van zaken zoude zijn en dat het malleativan den Europeaan daar mogelijk tegen op zou komen, verklaarde hij een oogenblik later dat het onnoodig was, ja misschien niet eens wenschelijk; meneer[60]behoefde zich echter niet ongerust te maken omtrent den uitslag.„Ik dacht er een oogenblik over om het hiernaast te gaan zeggen,” zeide Wije tot Anneke, „maar we zullen liever morgen bericht sturen. Hij zou maar weer zeggen dat ik aan Chineesche beloften meer vertrouwen schonk dan die verdienen, en allerlei bijzonderheden vragen die hem niet aangaan. Wat mij betreft, ik zie ze morgen al weer aan den gang! Het eenige dat me benieuwt, is te hooren hoe Piong Pan Ho het heeft klaargespeeld.… àls ik dat te weten kom.”Anneke deelde haar vader de bijzonderheden mede van het kort gesprek met van Beek.„Ik houd niet van dien jongen,” zeide Wije. „In ’t begin toen hij hier was, had ik medelijden met hem, omdat hij van iedereen en alles de dupe was; maar nu … ik weet het niet … ’t is alsof hij, met al zijn onnoozelheid, ze geducht achter den mouw heeft.”[61]„Hij praat toch zoo grappig,” pruilde Anneke.„Nu,” zeide hij, „als hij jou amuseert, voor mijn part! Ik zal hem vragen om Zondag te komen eten. Is dat goed?”„Ja pa.”„Het kan nog niet,” ging hij peinzende voort, „anders zou ik gaarne eens wat jongelui voor je inviteeren. Maar men zou er te veel over te zeggen hebben. God weet dat wij diepen rouw dragen in ons hart, die langer duren zal dan de étiquette voorschrijft en door geen avondbezoek zou worden verjaagd; doch daarmede neemt de wereld nu eenmaal geen genoegen; het kan haar feitelijk niet eens schelen; zij eischt slechts haar deel, in den vorm van uiterlijk vertoon.”„Voorloopig gun ik het de menschen,” zeide Anneke. „Ik zou er zelf nog geen plezier in hebben. En we vervelen ons immers niet.”Van Beek verscheen den Zondag daarop, even vóór etenstijd.[62]„Wat heb je daar een net pak aan,” zeide Wije. „Zeker nog uit Holland?”„Ja,” antwoordde van Beek. „Maar u is de eerste die mij dat zegt. Ik heb er een paar visites mee gemaakt, en iederen keer bemerkte ik dat de menschen mij van boven tot onder aankeken, om daarna te lachen of onder elkaar iets te fluisteren.”„Dat ken ik. ’t Is omdat het model hun nieuw is. Feitelijk zijn ze er jaloersch van, als iemand zich onderscheidt, door wat dan ook. Want zie je, ’t is ons hier onmogelijk zulk goed gemaakt te krijgen.”„Hoe komt dat toch?” vroeg Anneke. „Wij meisjes hebben de patronen uit de Gracieuse maar na te knippen en de prentjes te volgen. Kunnen de heeren-kleermakers niet evenzoo doen?”„Toch vond ik de toiletten der dames erg ouderwetsch, toen ik pas aankwam,” zeide van Beek, meer eerlijk dan complimenteus.„Zoo!” riep Anneke uit. „Het mijne ook?”[63]„Natuurlijk,” zeide haar vader. „En als ik voor dat feit een verklaring moest geven, zou ik die zoeken in de omstandigheid, dat jelui zoowel als de kleermakers, naar afbeeldingen moet werken, en in de tweede plaats dat het oog te veel aan het oude model gewend is. Als ik jou was, van Beek, bestelde ik al mijn Europeesche kleeren in Holland—de Indische niet, want die maken ze hier beter—als ten minste de maker van dit pak je maat nog heeft.”„Ik geloof het wel. Hij heeft al voor mij gewerkt toen ik nog een kleine jongen was.”„Hoelang is dat geleden?” vroeg Anneke.„Zoolang nog niet,” antwoordde van Beek; „ik ben hoogstens zes jaar ouder dan u.”„Bravo!” riep Wije, terwijl Anneke in stomme verbazing naar achter liep om het eten te doen opdragen en van Beek een kleur kreeg, ook al van verbazing … over zichzelf. Maar het scheen wel dat in dezen kring zijn anders[64]zoo trage geest geprikkeld werd; en toen men na tafel het discours in het Fransch begon, raakte hij nog meer op dreef. Daar was dan toch eindelijk eens iets waarin hij niet voor iedereen behoefde onder te doen!Bij het afscheidnemen was het Wije, die hem een doorloopende uitnoodiging deed voor twee Zondagen in de maand.„Die jongen is ’s avonds werkelijk genietbaar,” getuigde hij.Van Beek maakte trouw gebruik van de invitatie, en ook gelukte het hem eenige malen Anneke tot een buurpraatje aan depaggerte bewegen, doch verder kwam het niet. Dit speet hem zeer, vooral als hij dacht aan de enorme uitgave waarop het hem zou komen te staan tegen Sinterklaas. Van zijn gedachte om het eerst eens te probeeren met een kleinigheid, was hij teruggekomen. Zóóveelsavoir fairebezat hij wel om in te zien, dat dit jegens een familie waar hij zoo gastvrij[65]ontvangen werd, voor hem, den zoon zijns vaders, geen pas gaf.Sinds van Beek in het paviljoen van den chef woonde, en geen gekke streken meer uithaalde, was hij als onderwerp van gesprek in de Semarangsche wereld vrijwel losgelaten; en omdat hij nergens kwam, gaf zelfs een onvoorzichtig woord, een vergissing, de menschen geen aanleiding om zich over hem druk te maken. Dit zou echter plotseling veranderen.Men had gehoord van zijn bezoeken bij de Wije’s! Daar stak wat achter. Het was dan Wije gelukt den jongen man, die alle uitnoodigingen afsloeg, in die mate dat men ze ter slotte niet meer deed, in zijn huis te lokken. De bedoeling die hij daarmee had, was volstrekt niet raadselachtig. Van Beek was de zoon van een schatrijken vader; dat wist men; en gelukkig dat het tooverwoord „millionnair” nog niet was uitgesproken, want dan zou de algemeene verontwaardiging nog grooter zijn geweest.[66]En Wije’s Anneke was vijftien jaar. Neen, daar viel niet aan te twijfelen, het was een speculatie, een schandelijk intrigue, in strijd met alle goeden zeden.Dus besloot men, zonder eenige afspraak, maar toch met onderling goedvinden, er een eind aan te maken. Drie families met huwbare dochters zetten allen een vast avondje in, waarop de kennissen eens voor altijd werden uitgenoodigd. Ook van Beek, hoewel niet tot deintimesbehoorende, ontving drie nagenoeg gelijkluidende briefjes van dezelfde strekking. In den aanvang had men werkelijk eenig succes, want van Beek, ofschoon zijn karaktervorming zeer veel te wenschen overliet, kende zijn manieren misschien beter dan de meesten uit zijn omgeving en wist dus precies wat hij doen moest om aan de beleefdheid niet te kort te doen, maar ook—en dat viel de menschen uit den gis—wat hij laten kon; en vooral dit was zijnfort. Hij eindigde met zóó[67]zelden te verschijnen dat men wanhopig werd.In dien toestand beging men een onvoorzichtigheid. Men redeneerde aldus: kunnen we van Beek niet tot ons trekken, dan moeten we Anneke van hem vervreemden. Dientengevolge werd Anneke nu geïnviteerd, nadat men haar vader had doen inzien dat hij haar jeugd niet mocht ten offer brengen aan een officieelen sleur; hij mocht het zoo nauw niet nemen en moest maar over ’t hoofd zien dat er nog een paar maanden aan den vollen rouwtijd ontbraken; het was in ’t belang van dat arme kind.Van stonde aan dat Anneke haar verschijning maakte op de gezellige avondjes, scheen ook in van Beek een trek naar die vermakelijkheden te ontwaken. En, hetzij uit een soort van traagheid die gaandeweg overwonnen moest worden, hetzij uit kiesche berekening, hij wist het zoo aan te leggen, dat men eerst na verloop van eenigen tijd opmerkte dat hij de avondjes druk bezocht en steeds kwam als[68]Anneke er ook was. Ook in de wijze waarop hij zich met haar onderhield was een climax waar te nemen, doch die viel enkel toe te schrijven aan van Beek’s bleuheid; hij kon met Anneke gezellig genoeg babbelen als zij alleen waren, doch zoo in tegenwoordigheid van een heel gezelschap … dat moest zijn tijd hebben.Toen men zich eindelijk van het feit rekenschap begon te geven, kwam er aan de ergernis geen eind. Bij een der families werd aan een dochtertje van tien jaar opgedragen, Anneke en van Beek te beluisteren, wanneer zij, zooals ze soms deden, met hun beidjes alleen stonden bij een knaapje met prachtwerken of naast de piano. Het kind berichtte dat zij er niets van kon verstaan, omdat die twee Fransch praatten!Onder al die bedrijven geraakte mevrouw Duna ten einde raad. In haar haat tegen Anneke had zij zich verzet tegen het onschuldige plan van Kees. Zoo zij dit niet gedaan had, dan zou Wije van Beek niet hebben aangehaald[69]en deze nooit den moed gevonden hebben, Anneke het hof te maken, terwijl Kees in die twee jaar wel van gedachten veranderd zou zijn. Anneke had een mooi gezichtje—behoudens een menigte aanmerkingen die mevrouw Duna op het mooie daarvan had—doch wat in de kleine Semarangsche maatschappij uitstak, deed dit nog niet te Batavia, waar zooveel meer keus was. En … maar al die overwegingen waren nutteloos. Het stond er nu eenmaal toe. Anneke had van Beek in haar netten verstrikt en zou een nog betere partij doen dan die, welke zij had getracht in den beginne tegen te gaan. Want hoewel van Beek qua persoon niet in de schaduw kon staan van Kees, zijn financieele positie, waar het toch bij een huwelijk op aan kwam voor een meisje, was veel sterker. Het was om te stikken van ergernis! Lang dacht zij na over een middel om tusschenbeiden te komen, en eindelijk—het was gewaagd, maar er schoot niets anders[70]over—besloot zij Kees er voor te spannen, als hij in de vacantie thuis kwam. Als zij hem eenige vrijheid liet, zou hij geen aansporing noodig hebben om dien verwenschten medevrijer van de baan te dringen; voor ernstige stappen was de tijd te kort; daarna kon men verder zien.Doch mevrouw Duna had geen geluk met haar intriges.„Vrouwtje,” zeide haar man, op zekeren avond in de achtergalerij komende, met een brief in de hand; „slecht nieuws uit Batavia. Kees schrijft dat hij niet overkomt.”„Zoo, waarom niet?”„Hij is ziek geweest en nog niet heelemaal beter,” ging de heer Duna voort. „De dokter heeft gezegd dat hij naar Soekaboemie moet. Eigenlijk schrijft hij niet zelf, maar de mevrouw waar hij woont …”„Geef dan toch hier!” viel zij in de rede, hem den brief ontrukkend. „Denk je dat ik[71]zoo’n zenuwachtig schepsel ben, dat je met zooveel omwegen aankomt?”„Nu,ikschrok er toch van.”„Jajij…!”Duna trok de schouders op; maar niet gewoon zijn tijd te verbeuzelen, liet hij zijn vrouw aan de lectuur van het vrij lange epistel en ging terug naar zijn kantoor.„Heb je even tijd?” vroeg mevrouw, een kwartier later bij hem komende.„Jawel.”„Kees kon op geen voor hem ongelegener tijd ziek geworden zijn.”„Neen, ’t is niet plezierig, na een jaar hard gewerkt te hebben, niet eens thuis te kunnen komen.”„Dat is het ergste niet.”„Hoe bedoel je?”„Herinner je je dan niet wat hij wilde eer hij wegging, ten opzichte van dat meisje Wije?”„Die loopt niet weg,” zeide Duna verwonderd[72]over de belangstelling van zijn vrouw in die zaak.„Dat doet ze wel. Je weet toch wat ik je verteld heb over dien gekken van Beek!”„Praatjes.”„Je verbaast me, zoo weinig als de wenschen van Kees je ter harte gaan.”„Ik dacht juist dat jij …”„Men kan van idee veranderen.”„Dat moet dan wel sedert zooeven geschied zijn.”„Dat is het ook. Ik dacht, toen ik dien brief las: als Kees eens niet beter geworden was … dan zou hij zijn moeder …” Hier overmeesterde haar de aandoening.En Duna, zijn kantoorstoel met een ruk omdraaiend, trok haar op zijn knie.Er heerschte een oogenblik van stilte, gedurende hetwelk zij den zakdoek vast tegen haar lachende oogen aangedrukt hield.„Zou er niets aan te doen zijn?” opperde[73]zij ten laatste. „Als je er eens met van Beek zijn chef over sprak?”„Dat gaat niet,” zeide hij peinzend.„Of met Wije zelf? Je praat maar over Kees, en doet alsof je van dien ander niet afweet.”„Ben je mal, vrouw?”„Neen, nog niet. Enfin,” vervolgde zij, opstaande, „dan weetikwat mij te doen staat.”„Geen dwaasheden hoor!” riep hij haar achterna, maar zij antwoordde niet.Den volgenden morgen vond Duna, toen hij in zijn rijtuig zat, tusschen de brieven die hij ’s avonds thuis had geschreven, er een van zijn vrouw aan Kees geadresseerd. Dit was geheel naar gewoonte; de brieven gingen steeds via het kantoor naar de post; dan werden zij gefrankeerd op kosten van de crediet-instelling. Doch Duna herinnerde zich het gesprek van gisteravond en draaide den brief eenigen tijd besluiteloos om en om. Hem openbreken wilde hij niet, en om er zelf een[74]brief bij te schrijven, daartoe ontbrak hem de tijd. Eensklaps kreeg hij een inval. Toen hij zijn kantoor bereikt had, ging hij vlug naar zijn schrijftafel, doopte een pen in den inktpot en schreef achter op het envelop: „Van alles over A.W. is geen woord waar,” en teekende dit met zijn initialen.Mevrouw Duna liet het rijtuig, dat stapvoets uit de benedenstad was teruggekomen, wachten, en zoodra zij gereed was met de beschikkingen voor haar huishouden, begaf zij zich naar de woning van Wije’s chef. Zij had een boodschap verzonnen, die zij uitspon tot een morgenvisite; en zonder dat de vrouw van den chef er erg in had, wist zij naar het adres te informeeren van den ouden heer van Beek in Holland. Zoodra zij dit had en er genoeg overheen gepraat, vertrok zij.Eenige dagen later liep Anneke, op een morgen, met roodgeweende oogen door het huis. Haar vader was nauwelijks vertrokken,[75]toen de post bezorgd werd. Er was slechts één brief, aan Anneke geadresseerd en uit Batavia. Maar het handschrift op den omslag was niet van Kees. Zij brak hem open. „Lieve Anneke,” luidde de aanhef, weer in dat vreemde schrift. Toen keek zij naar de onderteekening, die onleesbaar was, maar met een sierlijken krul verbonden aan de woorden: „p.p. je liefhebbende Kees.” Zij moest erom lachen; p.p., dat wist ze, beteekende „per procuratie”; maar wie liet nu minnebrieven bij volmacht schrijven? Het maakte haar een beetje boos, doch toen zij den inhoud eindelijk had gelezen, kwamen de waterlanders voor den dag. Kees was ziek, zóó erg dat hij niet schrijven kon. En hij zou er haar onwetend van hebben gelaten, om haar niet onnoodig angstig te maken, als hij zelf niet veel ongeruster was geworden dan zij bij mogelijkheid ooit kon zijn, door een regel dien zijn vader achter op een brief van zijn[76]moeder had geschreven. Het uitgeknipte stukje envelop lag in de vouwen van den brief. Wat beteekende dat toch? In den brief van zijn moeder stond geen woord over haar! Was er dan iets gebeurd? Iets tusschen zijn moeder en haar, zóó gewichtig dat zijn vader, die nooit een particulieren brief schreef, er de moeite van een heelen regel voor over had gehad? Zij moest hem gauw schrijven, want hij gevoelde dat hij niet eer beter zou worden, dan nadat hij omtrent haar gerustgesteld was. O, wat speet het hem dat hij nu niet thuis kon komen!Dit laatste en het feit dat Kees ziek lag, vervulde voor ’t oogenblik alleen Anneke’s gedachten, en was de oorzaak van haar droefheid. Debaboeinformeerde belangstellend wat denonnascheelde, maar werd afgesnauwd. Dit gaf aan Anneke’sgemoedsstemmingeen andere richting; zij kon de bedienden natuurlijk niet vertellen wat haar hinderde, doch[77]dat haar iets in den weg zat, had zij behoefte te uiten, hoe dan ook. De lieden begrepen er niets van. Hun kamertjes werden nagezien en vuil bevonden; alles moest worden uitgedragen en gereinigd. Het erf zat vol onkruid en er lagen klappers te rotten op den grond; dacht dekebondat hij voor zijn gemak op de wereld was? In den stal werden de planken opgelicht en daaronder lag allerlei ongerechtigheid; ook de koetsier kreeg wat hem toekwam. En allen vlogen her en derwaarts in ongewone bedrijvigheid, bezield door de vrees die een inlander koestert voor een Indisch humeur.In de achtergalerij zat de naaister, die alleen buiten schot gebleven was, een liedje te neuriën waarvan het referein luidde: „Nonna Semarang banjak tinkah-nja”1en toen debaboetegen twaalf uur bij haar kwam zitten, maakte zij de philosophische opmerking,[78]dat Anneke onvoorzichtig deed met dietinkah’ste toonen eer zij een man had.Maar om dien tijd was het onweer, dat ook hier de gewone zuiverende uitwerking had gehad, reeds bedaard en Anneke herlas haar brief, zich afvragend, wat meneer Duna wel kon gedacht hebben dat zijn vrouw aan Kees zou schrijven over haar. Zij kwam er niet achter; want natuurlijk had zij als belanghebbende niets van de in omloop zijnde praatjes vernomen; van het lasteren zou het plezier glad af zijn, zoo de getroffene er mee in kennis gesteld werd en zich dadelijk kon verdedigen. Het liet haar betrekkelijk koud, daar zij niet genoeg in de hij-zei-en-toen-zei-hij conversatie verkeerd had, om zich op te winden over iets dat van haar gezegd was. Maar Kees moest antwoord hebben; en zij offerde haar middagrust op om hem een langen brief te schrijven, die weldra als medicijn van de aangenaamste soort zou werken.[79]Toen zij daarmee gereed was, nam zij haar schrijfboeltje op om het weg te sluiten, er niet op lettende dat een reepje papier er tusschen uitgleed en dwarrelend zijn weg vond naar den grond, waar het een half uur later door Wije gevonden werd en opgeraapt. Het was het reepje dat Kees uitgeknipt had. Wije herkende onmiddellijk deparaafvan den heer Duna, die hij zoo vaak op wissels en quitanties had gezien, en den regel lezende trok hij onmiddellijk een slotsom, die de waarheid zeer nabij kwam. Zijn eerste opwelling was Anneke ter verantwoording te roepen, doch hij bedacht zich en ging naar zijn kamer. Onder het heen- en weerloopen overwoog hij het geval. Hij herinnerde zich een toast, geslagen bij een bruiloftsmaal, waarin de spreker had betoogd dat de vader der bruid wel een groot vertrouwen schenken moest aan den jongeling dien hij zijn dochter gegeven had; dat hij, de spreker, zich[80]verbeeldde een neiging te zullen gevoelen om den onbeschaamde, die hem met een verzoek van die strekking naderde, de deur uit te werpen … Wije had toen zijn buurvrouw ingefluisterd, dat iemand die zóó sprak, blijkbaar geen huwbare of meer dan huwbare dochters bezat, doch nu vond hij dat die man toch gelijk had en gevoelde een groote kwaadaardigheid in zich opkomen tegen hem, die zijn lieveling wilde wegrooven. Het kwam niet te pas, dat een meisje, nog eer zij haar ouders iets had kunnen vergoeden van al de haar bewezen liefde, maar zoo dadelijk haar hart en hand cadeau deed aan den eersten den besten. Dat was slecht en ondankbaar. Zij behoorde voor ’t minst te wachten tot … tot … natuurlijk niet tot ze een oude vrijster was; er viel nog een middenweg te betrachten; zij behoefde in geen geval zóó van broek-en-baatje in de bruidsjapon te springen!Maar wat was er aan te doen? Niets! Verliefdheid[81]groeit altijd tegen de verdrukking in; verbied een meisje te kijken naar een kwast, een leeglooper, die haar het hof maakt, en tien tegen een dat ze hem neemt, terwijl ze zonder dat verbod hem verachtelijk zou hebben afgewezen. Hoeveel te meer zoo het een man geldt, die iets beteekent … hm, die redeneering gaat niet altijd op, maar zeker is, dat tegenwerken altijd verkeerd uitkomt. Dus niets doen, besloot Wije, en bergde het verraderlijke papier in zijn sigarenkoker.[82]

Van Beek had natuurlijk gezien dat Wije uitreed, ja zelfs iets opgemerkt van de haast waarmede deze in zijn rijtuig was gesprongen. Een wijl stond hij besluiteloos wat te doen. Hij kwam om een visite te maken en niet zooals Wije scheen te denken, gezonden door den chef. Mocht hij hem in dien waan laten, en tevens zijn visite voor niet gemaakt doen gelden? Zijn traagheidsvermogen kwam in conflict met het laatste; men zette zich in beweging om een bezoek af te leggen, dus men volhardde in die beweging. En wat het eerste betreft,[52]zoo was het hem betrekkelijk onverschillig wat Wije van hem dacht, doch niet hoe Anneke het zou opnemen. De klap dien hij van haar ontvangen had, had hem in ’t eerst geducht boos gemaakt, doch hoe langer die scène geleden was, hoe meer zij haar scherpe kanten voor hem verloor, en eindelijk vond hij dat het toch maar niet iedereen te beurt viel om door zoo’n mooi meisje op de wang gestreeld te worden. Het was een aangenaamsouvenir. Maar waarom zou het dit blijven? Kon men er niet een herhaling van provoceeren, altijd op een minder onzachte wijze? Zoover was hij met zijn denken gekomen, en dat bleek machtig genoeg om hem tot den gang van heden op te wekken.

Met kleine, langzame passen liep hij voort, daarmee te kennen gevende dat hij zou omkeeren als Anneke de voorgaanderij verliet, in plaats van hem af te wachten. Zij zag het met verwondering, doch niet in ’t minst verlegen.[53]

„U komt toch niet met mij vechten?” vroeg zij met gemaakten schrik.

„Neen juffrouw, ik wou een visite maken. Maar ik zie dat uw papa is uitgegaan.”

„Ja, dat is een moeielijk geval,” spotte zij.

„Toen ik het zag, dacht ik, kijk, daar heb ik eindelijk eens gelegenheid u te spreken. Ik moet u nog altijd mijn excuses maken.”

„Och kom,” zeide Anneke, „laat ons daar nu niet weer over beginnen.”

„Ik heb toch heel dikwijls aan de heg gestaan, maar u kwam nooit meer zoover.”

„Aan depagger?” vroeg zij geërgerd. Want plotseling overviel haar een gedachte; zij dacht er nooit om dat op het achtererf vreemde oogen haar konden zien; dikwijls liep zij in een enkelesarongen den handdoek over de schouders naar de badkamer, en hij was nu net zoo’n vent.… „Hoe laat?”

„Altijd om denzelfden tijd als toen,” zeide hij tot haar groote verlichting. „Maar om daarop[54]terug te komen. U moet bedenken dat iedereen mij steeds wat trachtte wijs te maken, in dien tijd.”

„Kassian,” zeide Anneke. „Daar heb ik van gehoord. Doen ze het nog?”

„Neen nu is het uit.”

„A la bonne heure!”

„Hoe, spreekt u Fransch?” vroeg hij opgetogen.

„Zeker, U ook?”

„Mais si! On ne parle que ça chez nous.”

„Hiernaast? Ik wist niet..?”

„O neen,” zeide van Beek lachende. „Thuis bij ons, in Holland. Mijn moeder was een Française. Ik heb haar wel niet gekend, doch papa hield van die taal en zoo komt het dat we altijd Fransch spraken. Ik doe het ook graag, maar men komt hier nooit iemand tegen die het kan; alleen de kapper; en daarom laat ik mij tweemaal in de maand knippen.”

„Er zijn toch meer menschen die het kunnen,”[55]verklaarde Anneke. „Papa zegt dat de meesten het niet graag doen, omdat zij uit gebrek aan oefening het vlotte spreken verleerd hebben. Hijzelf spreekt het heel goed, en hij heeft het mij geleerd. We wisselen om de week; deze week is de Engelsche. Spreekt u dat ook?”

„Jawel, maar niet zoo gemakkelijk. Als ik mag, kom ik eens terug in de Fransche week.”

„Dat behoeft nu juist niet. Ik zal het papa zeggen, misschien vraagt hij u wel eens ten eten.”

„Heel graag,” zeide hij eenvoudig, haar de hand ten afscheid reikend.

Het was een smalle, magere hand, week en zonder veerkracht bij ’t aanvatten, een hand die nooit gewerkt had. „Net ’n dood vischje,” resumeerde Anneke haar gevoelens, toen van Beek zich verwijderde. Physiek trok die jonge man haar in ’t geheel niet aan. Doch zijn spreken beviel haar. De totale afwezigheid van Indische uitdrukkingen was iets nieuws voor[56]haar, en het nieuwe heeft altijd een zekere bekoring. Dan zijn Fransch! Want het laatste gedeelte van hun gesprek was in die taal gevoerd, en Anneke moest de gemakkelijkheid waarmee hij zich uitdrukte, onwillekeurig bewonderen. Ofschoon zij het Indisch publiek tegenover hem in bescherming genomen had, was echter de waarheid, dat zij behalve haar papa, nog nooit iemand zoo vloeiend een vreemde taal had hooren spreken; ja eigenlijk in ’t geheel niet, daar men er zich gewoonlijk met een half zinnetje of met een bekend citaat afmaakte. Zelfs Kees maakte op dien regel geen uitzondering. Misschien kon hij het wel—hij had er immers examen in gedaan—maar dan durfde hij niet. Hoeveel moeite had het hem niet gekost om hem eens „je t’aime” te laten zeggen! Hij had eerst gelachen en verklaard het veel liever in ’t Hollandsch te doen, of het zonder woorden te toonen, zoo zij even uit het licht van de lantaarn wilde gaan; en[57]eindelijk, toen zij half boos was geworden door zijn hardnekkig weigeren, had hij het op zulk een zonderlinge manier uitgesproken, dat de aardigheid er glad af was. Zij wilde trachten haar vader te beduiden dat hij van Beek een weinig moest aanhalen, daar er van hem veel te leeren was; intusschen kon zij wel eens opletten of hij werkelijk ’s avonds aan depaggerstond en dan, zoo nu en dan, een praatje met hem maken; voorzichtig altijd, want „je t’aime” behoefde hij niet te zeggen; dat mocht alleen Kees … die het niet wilde; maar daar was bij van Beek haars inziens zoo gauw geen gevaar voor.

De aldus beoordeelde wandelde middelerwijl het erf af, met een gevoel alsof hij een erfenis gekregen had, zijn vuist dicht gesloten, als om de aanraking van Anneke daarin te bewaren. In het duister van de boomen op den grooten weg ontsloot hij zijn hand, haar vlak onder den neus houdend, en zoende die,[58]tot driemaal toe. Zijn denken was in die oogenblikken ook heel wat gevorderd; Anneke moest hem niet slechts de wangen streelen, doch ook kussen. Zoover zou hij probeeren het te brengen; met Fransch spreken, dat zij klaarblijkelijk aardig vond, en desnoods door middel van een mooi cadeau op Sinterklaas. Dat wil zeggen als het niet anders kòn; want een cadeau kostte geld, vooral in Indië, waar alles zoo schrikkelijk duur was. En hij mocht zijn vader niet op kosten jagen! Tenzij dan in den uitersten nood. Hoeveel zou hij moeten besteden, voor ’t geval dat Anneke met Fransch alleen geen genoegen nam? Hij bedacht een som en ging toen bij zich zelf aan ’t afdingen, tot hij de galerij van zijn tehuis bereikte en er heel weinig overschoot.

In high spiritskwam Wije terug van zijn bezoek aan Piong Pan Ho. In ’t begin was deSingkehniet over te halen geweest zijn hulp te verleenen, en dàt zoolang hij in de meening[59]verkeerde, dat Wije sprak in het belang der firma die hij diende. Het was, meende hij, weer de oude geschiedenis van hetati, dat belangen samenknoopte die niets met elkaar uitstaande hadden. Daarvoor liet hij zich niet gebruiken; hoe mooi Wije hem ook alles uitlegde, het overtuigde hem niet. Trouwens men moet logica geleerd hebben om er vatbaar voor te zijn. Doch nauwelijks vernam hij dat Wije in de winsten dertokogeïnteresseerd was, of hij veranderde van houding. Toen waren slechts weinig woorden meer noodig om hem op te doen staan, en te doen beloven dat hij het onmiddellijk in orde zou brengen. Wije bood aan mee te gaan, en in ’t eerst vond Piong Pan Ho dit goed; doch bedenkende wat naar alle waarschijnlijkheid de gang van zaken zoude zijn en dat het malleativan den Europeaan daar mogelijk tegen op zou komen, verklaarde hij een oogenblik later dat het onnoodig was, ja misschien niet eens wenschelijk; meneer[60]behoefde zich echter niet ongerust te maken omtrent den uitslag.

„Ik dacht er een oogenblik over om het hiernaast te gaan zeggen,” zeide Wije tot Anneke, „maar we zullen liever morgen bericht sturen. Hij zou maar weer zeggen dat ik aan Chineesche beloften meer vertrouwen schonk dan die verdienen, en allerlei bijzonderheden vragen die hem niet aangaan. Wat mij betreft, ik zie ze morgen al weer aan den gang! Het eenige dat me benieuwt, is te hooren hoe Piong Pan Ho het heeft klaargespeeld.… àls ik dat te weten kom.”

Anneke deelde haar vader de bijzonderheden mede van het kort gesprek met van Beek.

„Ik houd niet van dien jongen,” zeide Wije. „In ’t begin toen hij hier was, had ik medelijden met hem, omdat hij van iedereen en alles de dupe was; maar nu … ik weet het niet … ’t is alsof hij, met al zijn onnoozelheid, ze geducht achter den mouw heeft.”[61]

„Hij praat toch zoo grappig,” pruilde Anneke.

„Nu,” zeide hij, „als hij jou amuseert, voor mijn part! Ik zal hem vragen om Zondag te komen eten. Is dat goed?”

„Ja pa.”

„Het kan nog niet,” ging hij peinzende voort, „anders zou ik gaarne eens wat jongelui voor je inviteeren. Maar men zou er te veel over te zeggen hebben. God weet dat wij diepen rouw dragen in ons hart, die langer duren zal dan de étiquette voorschrijft en door geen avondbezoek zou worden verjaagd; doch daarmede neemt de wereld nu eenmaal geen genoegen; het kan haar feitelijk niet eens schelen; zij eischt slechts haar deel, in den vorm van uiterlijk vertoon.”

„Voorloopig gun ik het de menschen,” zeide Anneke. „Ik zou er zelf nog geen plezier in hebben. En we vervelen ons immers niet.”

Van Beek verscheen den Zondag daarop, even vóór etenstijd.[62]

„Wat heb je daar een net pak aan,” zeide Wije. „Zeker nog uit Holland?”

„Ja,” antwoordde van Beek. „Maar u is de eerste die mij dat zegt. Ik heb er een paar visites mee gemaakt, en iederen keer bemerkte ik dat de menschen mij van boven tot onder aankeken, om daarna te lachen of onder elkaar iets te fluisteren.”

„Dat ken ik. ’t Is omdat het model hun nieuw is. Feitelijk zijn ze er jaloersch van, als iemand zich onderscheidt, door wat dan ook. Want zie je, ’t is ons hier onmogelijk zulk goed gemaakt te krijgen.”

„Hoe komt dat toch?” vroeg Anneke. „Wij meisjes hebben de patronen uit de Gracieuse maar na te knippen en de prentjes te volgen. Kunnen de heeren-kleermakers niet evenzoo doen?”

„Toch vond ik de toiletten der dames erg ouderwetsch, toen ik pas aankwam,” zeide van Beek, meer eerlijk dan complimenteus.

„Zoo!” riep Anneke uit. „Het mijne ook?”[63]

„Natuurlijk,” zeide haar vader. „En als ik voor dat feit een verklaring moest geven, zou ik die zoeken in de omstandigheid, dat jelui zoowel als de kleermakers, naar afbeeldingen moet werken, en in de tweede plaats dat het oog te veel aan het oude model gewend is. Als ik jou was, van Beek, bestelde ik al mijn Europeesche kleeren in Holland—de Indische niet, want die maken ze hier beter—als ten minste de maker van dit pak je maat nog heeft.”

„Ik geloof het wel. Hij heeft al voor mij gewerkt toen ik nog een kleine jongen was.”

„Hoelang is dat geleden?” vroeg Anneke.

„Zoolang nog niet,” antwoordde van Beek; „ik ben hoogstens zes jaar ouder dan u.”

„Bravo!” riep Wije, terwijl Anneke in stomme verbazing naar achter liep om het eten te doen opdragen en van Beek een kleur kreeg, ook al van verbazing … over zichzelf. Maar het scheen wel dat in dezen kring zijn anders[64]zoo trage geest geprikkeld werd; en toen men na tafel het discours in het Fransch begon, raakte hij nog meer op dreef. Daar was dan toch eindelijk eens iets waarin hij niet voor iedereen behoefde onder te doen!

Bij het afscheidnemen was het Wije, die hem een doorloopende uitnoodiging deed voor twee Zondagen in de maand.

„Die jongen is ’s avonds werkelijk genietbaar,” getuigde hij.

Van Beek maakte trouw gebruik van de invitatie, en ook gelukte het hem eenige malen Anneke tot een buurpraatje aan depaggerte bewegen, doch verder kwam het niet. Dit speet hem zeer, vooral als hij dacht aan de enorme uitgave waarop het hem zou komen te staan tegen Sinterklaas. Van zijn gedachte om het eerst eens te probeeren met een kleinigheid, was hij teruggekomen. Zóóveelsavoir fairebezat hij wel om in te zien, dat dit jegens een familie waar hij zoo gastvrij[65]ontvangen werd, voor hem, den zoon zijns vaders, geen pas gaf.

Sinds van Beek in het paviljoen van den chef woonde, en geen gekke streken meer uithaalde, was hij als onderwerp van gesprek in de Semarangsche wereld vrijwel losgelaten; en omdat hij nergens kwam, gaf zelfs een onvoorzichtig woord, een vergissing, de menschen geen aanleiding om zich over hem druk te maken. Dit zou echter plotseling veranderen.

Men had gehoord van zijn bezoeken bij de Wije’s! Daar stak wat achter. Het was dan Wije gelukt den jongen man, die alle uitnoodigingen afsloeg, in die mate dat men ze ter slotte niet meer deed, in zijn huis te lokken. De bedoeling die hij daarmee had, was volstrekt niet raadselachtig. Van Beek was de zoon van een schatrijken vader; dat wist men; en gelukkig dat het tooverwoord „millionnair” nog niet was uitgesproken, want dan zou de algemeene verontwaardiging nog grooter zijn geweest.[66]En Wije’s Anneke was vijftien jaar. Neen, daar viel niet aan te twijfelen, het was een speculatie, een schandelijk intrigue, in strijd met alle goeden zeden.

Dus besloot men, zonder eenige afspraak, maar toch met onderling goedvinden, er een eind aan te maken. Drie families met huwbare dochters zetten allen een vast avondje in, waarop de kennissen eens voor altijd werden uitgenoodigd. Ook van Beek, hoewel niet tot deintimesbehoorende, ontving drie nagenoeg gelijkluidende briefjes van dezelfde strekking. In den aanvang had men werkelijk eenig succes, want van Beek, ofschoon zijn karaktervorming zeer veel te wenschen overliet, kende zijn manieren misschien beter dan de meesten uit zijn omgeving en wist dus precies wat hij doen moest om aan de beleefdheid niet te kort te doen, maar ook—en dat viel de menschen uit den gis—wat hij laten kon; en vooral dit was zijnfort. Hij eindigde met zóó[67]zelden te verschijnen dat men wanhopig werd.

In dien toestand beging men een onvoorzichtigheid. Men redeneerde aldus: kunnen we van Beek niet tot ons trekken, dan moeten we Anneke van hem vervreemden. Dientengevolge werd Anneke nu geïnviteerd, nadat men haar vader had doen inzien dat hij haar jeugd niet mocht ten offer brengen aan een officieelen sleur; hij mocht het zoo nauw niet nemen en moest maar over ’t hoofd zien dat er nog een paar maanden aan den vollen rouwtijd ontbraken; het was in ’t belang van dat arme kind.

Van stonde aan dat Anneke haar verschijning maakte op de gezellige avondjes, scheen ook in van Beek een trek naar die vermakelijkheden te ontwaken. En, hetzij uit een soort van traagheid die gaandeweg overwonnen moest worden, hetzij uit kiesche berekening, hij wist het zoo aan te leggen, dat men eerst na verloop van eenigen tijd opmerkte dat hij de avondjes druk bezocht en steeds kwam als[68]Anneke er ook was. Ook in de wijze waarop hij zich met haar onderhield was een climax waar te nemen, doch die viel enkel toe te schrijven aan van Beek’s bleuheid; hij kon met Anneke gezellig genoeg babbelen als zij alleen waren, doch zoo in tegenwoordigheid van een heel gezelschap … dat moest zijn tijd hebben.

Toen men zich eindelijk van het feit rekenschap begon te geven, kwam er aan de ergernis geen eind. Bij een der families werd aan een dochtertje van tien jaar opgedragen, Anneke en van Beek te beluisteren, wanneer zij, zooals ze soms deden, met hun beidjes alleen stonden bij een knaapje met prachtwerken of naast de piano. Het kind berichtte dat zij er niets van kon verstaan, omdat die twee Fransch praatten!

Onder al die bedrijven geraakte mevrouw Duna ten einde raad. In haar haat tegen Anneke had zij zich verzet tegen het onschuldige plan van Kees. Zoo zij dit niet gedaan had, dan zou Wije van Beek niet hebben aangehaald[69]en deze nooit den moed gevonden hebben, Anneke het hof te maken, terwijl Kees in die twee jaar wel van gedachten veranderd zou zijn. Anneke had een mooi gezichtje—behoudens een menigte aanmerkingen die mevrouw Duna op het mooie daarvan had—doch wat in de kleine Semarangsche maatschappij uitstak, deed dit nog niet te Batavia, waar zooveel meer keus was. En … maar al die overwegingen waren nutteloos. Het stond er nu eenmaal toe. Anneke had van Beek in haar netten verstrikt en zou een nog betere partij doen dan die, welke zij had getracht in den beginne tegen te gaan. Want hoewel van Beek qua persoon niet in de schaduw kon staan van Kees, zijn financieele positie, waar het toch bij een huwelijk op aan kwam voor een meisje, was veel sterker. Het was om te stikken van ergernis! Lang dacht zij na over een middel om tusschenbeiden te komen, en eindelijk—het was gewaagd, maar er schoot niets anders[70]over—besloot zij Kees er voor te spannen, als hij in de vacantie thuis kwam. Als zij hem eenige vrijheid liet, zou hij geen aansporing noodig hebben om dien verwenschten medevrijer van de baan te dringen; voor ernstige stappen was de tijd te kort; daarna kon men verder zien.

Doch mevrouw Duna had geen geluk met haar intriges.

„Vrouwtje,” zeide haar man, op zekeren avond in de achtergalerij komende, met een brief in de hand; „slecht nieuws uit Batavia. Kees schrijft dat hij niet overkomt.”

„Zoo, waarom niet?”

„Hij is ziek geweest en nog niet heelemaal beter,” ging de heer Duna voort. „De dokter heeft gezegd dat hij naar Soekaboemie moet. Eigenlijk schrijft hij niet zelf, maar de mevrouw waar hij woont …”

„Geef dan toch hier!” viel zij in de rede, hem den brief ontrukkend. „Denk je dat ik[71]zoo’n zenuwachtig schepsel ben, dat je met zooveel omwegen aankomt?”

„Nu,ikschrok er toch van.”

„Jajij…!”

Duna trok de schouders op; maar niet gewoon zijn tijd te verbeuzelen, liet hij zijn vrouw aan de lectuur van het vrij lange epistel en ging terug naar zijn kantoor.

„Heb je even tijd?” vroeg mevrouw, een kwartier later bij hem komende.

„Jawel.”

„Kees kon op geen voor hem ongelegener tijd ziek geworden zijn.”

„Neen, ’t is niet plezierig, na een jaar hard gewerkt te hebben, niet eens thuis te kunnen komen.”

„Dat is het ergste niet.”

„Hoe bedoel je?”

„Herinner je je dan niet wat hij wilde eer hij wegging, ten opzichte van dat meisje Wije?”

„Die loopt niet weg,” zeide Duna verwonderd[72]over de belangstelling van zijn vrouw in die zaak.

„Dat doet ze wel. Je weet toch wat ik je verteld heb over dien gekken van Beek!”

„Praatjes.”

„Je verbaast me, zoo weinig als de wenschen van Kees je ter harte gaan.”

„Ik dacht juist dat jij …”

„Men kan van idee veranderen.”

„Dat moet dan wel sedert zooeven geschied zijn.”

„Dat is het ook. Ik dacht, toen ik dien brief las: als Kees eens niet beter geworden was … dan zou hij zijn moeder …” Hier overmeesterde haar de aandoening.

En Duna, zijn kantoorstoel met een ruk omdraaiend, trok haar op zijn knie.

Er heerschte een oogenblik van stilte, gedurende hetwelk zij den zakdoek vast tegen haar lachende oogen aangedrukt hield.

„Zou er niets aan te doen zijn?” opperde[73]zij ten laatste. „Als je er eens met van Beek zijn chef over sprak?”

„Dat gaat niet,” zeide hij peinzend.

„Of met Wije zelf? Je praat maar over Kees, en doet alsof je van dien ander niet afweet.”

„Ben je mal, vrouw?”

„Neen, nog niet. Enfin,” vervolgde zij, opstaande, „dan weetikwat mij te doen staat.”

„Geen dwaasheden hoor!” riep hij haar achterna, maar zij antwoordde niet.

Den volgenden morgen vond Duna, toen hij in zijn rijtuig zat, tusschen de brieven die hij ’s avonds thuis had geschreven, er een van zijn vrouw aan Kees geadresseerd. Dit was geheel naar gewoonte; de brieven gingen steeds via het kantoor naar de post; dan werden zij gefrankeerd op kosten van de crediet-instelling. Doch Duna herinnerde zich het gesprek van gisteravond en draaide den brief eenigen tijd besluiteloos om en om. Hem openbreken wilde hij niet, en om er zelf een[74]brief bij te schrijven, daartoe ontbrak hem de tijd. Eensklaps kreeg hij een inval. Toen hij zijn kantoor bereikt had, ging hij vlug naar zijn schrijftafel, doopte een pen in den inktpot en schreef achter op het envelop: „Van alles over A.W. is geen woord waar,” en teekende dit met zijn initialen.

Mevrouw Duna liet het rijtuig, dat stapvoets uit de benedenstad was teruggekomen, wachten, en zoodra zij gereed was met de beschikkingen voor haar huishouden, begaf zij zich naar de woning van Wije’s chef. Zij had een boodschap verzonnen, die zij uitspon tot een morgenvisite; en zonder dat de vrouw van den chef er erg in had, wist zij naar het adres te informeeren van den ouden heer van Beek in Holland. Zoodra zij dit had en er genoeg overheen gepraat, vertrok zij.

Eenige dagen later liep Anneke, op een morgen, met roodgeweende oogen door het huis. Haar vader was nauwelijks vertrokken,[75]toen de post bezorgd werd. Er was slechts één brief, aan Anneke geadresseerd en uit Batavia. Maar het handschrift op den omslag was niet van Kees. Zij brak hem open. „Lieve Anneke,” luidde de aanhef, weer in dat vreemde schrift. Toen keek zij naar de onderteekening, die onleesbaar was, maar met een sierlijken krul verbonden aan de woorden: „p.p. je liefhebbende Kees.” Zij moest erom lachen; p.p., dat wist ze, beteekende „per procuratie”; maar wie liet nu minnebrieven bij volmacht schrijven? Het maakte haar een beetje boos, doch toen zij den inhoud eindelijk had gelezen, kwamen de waterlanders voor den dag. Kees was ziek, zóó erg dat hij niet schrijven kon. En hij zou er haar onwetend van hebben gelaten, om haar niet onnoodig angstig te maken, als hij zelf niet veel ongeruster was geworden dan zij bij mogelijkheid ooit kon zijn, door een regel dien zijn vader achter op een brief van zijn[76]moeder had geschreven. Het uitgeknipte stukje envelop lag in de vouwen van den brief. Wat beteekende dat toch? In den brief van zijn moeder stond geen woord over haar! Was er dan iets gebeurd? Iets tusschen zijn moeder en haar, zóó gewichtig dat zijn vader, die nooit een particulieren brief schreef, er de moeite van een heelen regel voor over had gehad? Zij moest hem gauw schrijven, want hij gevoelde dat hij niet eer beter zou worden, dan nadat hij omtrent haar gerustgesteld was. O, wat speet het hem dat hij nu niet thuis kon komen!

Dit laatste en het feit dat Kees ziek lag, vervulde voor ’t oogenblik alleen Anneke’s gedachten, en was de oorzaak van haar droefheid. Debaboeinformeerde belangstellend wat denonnascheelde, maar werd afgesnauwd. Dit gaf aan Anneke’sgemoedsstemmingeen andere richting; zij kon de bedienden natuurlijk niet vertellen wat haar hinderde, doch[77]dat haar iets in den weg zat, had zij behoefte te uiten, hoe dan ook. De lieden begrepen er niets van. Hun kamertjes werden nagezien en vuil bevonden; alles moest worden uitgedragen en gereinigd. Het erf zat vol onkruid en er lagen klappers te rotten op den grond; dacht dekebondat hij voor zijn gemak op de wereld was? In den stal werden de planken opgelicht en daaronder lag allerlei ongerechtigheid; ook de koetsier kreeg wat hem toekwam. En allen vlogen her en derwaarts in ongewone bedrijvigheid, bezield door de vrees die een inlander koestert voor een Indisch humeur.

In de achtergalerij zat de naaister, die alleen buiten schot gebleven was, een liedje te neuriën waarvan het referein luidde: „Nonna Semarang banjak tinkah-nja”1en toen debaboetegen twaalf uur bij haar kwam zitten, maakte zij de philosophische opmerking,[78]dat Anneke onvoorzichtig deed met dietinkah’ste toonen eer zij een man had.

Maar om dien tijd was het onweer, dat ook hier de gewone zuiverende uitwerking had gehad, reeds bedaard en Anneke herlas haar brief, zich afvragend, wat meneer Duna wel kon gedacht hebben dat zijn vrouw aan Kees zou schrijven over haar. Zij kwam er niet achter; want natuurlijk had zij als belanghebbende niets van de in omloop zijnde praatjes vernomen; van het lasteren zou het plezier glad af zijn, zoo de getroffene er mee in kennis gesteld werd en zich dadelijk kon verdedigen. Het liet haar betrekkelijk koud, daar zij niet genoeg in de hij-zei-en-toen-zei-hij conversatie verkeerd had, om zich op te winden over iets dat van haar gezegd was. Maar Kees moest antwoord hebben; en zij offerde haar middagrust op om hem een langen brief te schrijven, die weldra als medicijn van de aangenaamste soort zou werken.[79]

Toen zij daarmee gereed was, nam zij haar schrijfboeltje op om het weg te sluiten, er niet op lettende dat een reepje papier er tusschen uitgleed en dwarrelend zijn weg vond naar den grond, waar het een half uur later door Wije gevonden werd en opgeraapt. Het was het reepje dat Kees uitgeknipt had. Wije herkende onmiddellijk deparaafvan den heer Duna, die hij zoo vaak op wissels en quitanties had gezien, en den regel lezende trok hij onmiddellijk een slotsom, die de waarheid zeer nabij kwam. Zijn eerste opwelling was Anneke ter verantwoording te roepen, doch hij bedacht zich en ging naar zijn kamer. Onder het heen- en weerloopen overwoog hij het geval. Hij herinnerde zich een toast, geslagen bij een bruiloftsmaal, waarin de spreker had betoogd dat de vader der bruid wel een groot vertrouwen schenken moest aan den jongeling dien hij zijn dochter gegeven had; dat hij, de spreker, zich[80]verbeeldde een neiging te zullen gevoelen om den onbeschaamde, die hem met een verzoek van die strekking naderde, de deur uit te werpen … Wije had toen zijn buurvrouw ingefluisterd, dat iemand die zóó sprak, blijkbaar geen huwbare of meer dan huwbare dochters bezat, doch nu vond hij dat die man toch gelijk had en gevoelde een groote kwaadaardigheid in zich opkomen tegen hem, die zijn lieveling wilde wegrooven. Het kwam niet te pas, dat een meisje, nog eer zij haar ouders iets had kunnen vergoeden van al de haar bewezen liefde, maar zoo dadelijk haar hart en hand cadeau deed aan den eersten den besten. Dat was slecht en ondankbaar. Zij behoorde voor ’t minst te wachten tot … tot … natuurlijk niet tot ze een oude vrijster was; er viel nog een middenweg te betrachten; zij behoefde in geen geval zóó van broek-en-baatje in de bruidsjapon te springen!

Maar wat was er aan te doen? Niets! Verliefdheid[81]groeit altijd tegen de verdrukking in; verbied een meisje te kijken naar een kwast, een leeglooper, die haar het hof maakt, en tien tegen een dat ze hem neemt, terwijl ze zonder dat verbod hem verachtelijk zou hebben afgewezen. Hoeveel te meer zoo het een man geldt, die iets beteekent … hm, die redeneering gaat niet altijd op, maar zeker is, dat tegenwerken altijd verkeerd uitkomt. Dus niets doen, besloot Wije, en bergde het verraderlijke papier in zijn sigarenkoker.

[82]

1Semarangsche meisjes hebben veel kuren.↑

1Semarangsche meisjes hebben veel kuren.↑

1Semarangsche meisjes hebben veel kuren.↑

1Semarangsche meisjes hebben veel kuren.↑


Back to IndexNext