IV.

[Inhoud]IV.IV.MEN POUSSEERT ZICH.Toen hij uit zijn kamer kwam was hij het geheele papiertje en wat daaraan verbonden was, weer geheel vergeten. Eenige maanden geleden zou hem dit, bij zijn voor indrukken zoo ontvankelijken geest, niet gebeurd zijn, doch sedert een week of wat beheerschte en verdrong één gedachte alle andere in hem. Na de tusschenkomst van Piong Pan Ho in de verwikkelingen met deklontongs, hadden de zaken in detokoeen geheel anderen loop genomen als te voren. Er viel geen zweem van tegenwerking meer te bespeuren; iedereen[83]deed zijn plicht met een ijver, die zelfs Wije, die toch zelf wist wat werken was, ten zeerste trof. Hij had tot nu toe steeds in den waan verkeerd dat er uitsluitend door Europeanen hard gewerkt werd, natuurlijk met uitzonderingen, doch in den regel was de particulier—van ambtenaren had hij geen ondervinding en dus geen recht van spreken—met zijn hart bij hetgeen hij te doen had. De inlander daarentegen liet zich steeds dwingen tot arbeid, altijd berekenende met hoe weinig hij kon volstaan en zonder toezicht niets uitvoerende. Ook al werkte hij voor zichzelf, dan nog moest men de tijdelijke meerdere krachtsinspanning, die hij zich daarbij getroostte, niet aan vlijt toeschrijven maar aan luiheid: zijn doel was dan niet zooveel mogelijk werk af te doen, doch zoo spoedig mogelijk weer tot rust te komen. Alleen de rijstcultuur, ter onzaliger ure door de volgers van Mohammed ingevoerd, die zich als een log blok in de weg zet van[84]alle meer winstgevende bedrijven, in langwijlig peuterig werken alle arbeidskrachten verslindend en indirecte voortbrenging door loonend ruilverkeer belemmerend—slechts de rijstcultuur draagt zijn goedkeuring weg, omdat daarbij alles met de langzaamheid van een karbouw geschieden kan.Tusschen die twee in, had Wije zich den Chinees gedacht; maar in deze dagen was hij tot andere gedachten gekomen en meende hij de oplossing van het raadsel: hoe een Chinees rijk wordt, te hebben gevonden in zijn volhardend werken, mits dit gepaard gaat met beleid. Want waarschijnlijk was er onder het beheer van Kan Liong Tjoe niet minder ijver betracht dan thans, nu hij aan het hoofd stond, maar de vorige chef miste beleid, zoowel als de grootere kennis die den Europeaan ten dienste staat. Het was, vond Wije, een harmonisch geheel: Chineesche werkkracht onder Europeesche leiding.[85]Detokoillustreerde deze stelling en ging zóó goed dat Wije zich gelukwenschte, en nu van wege het resultaat, met zijn betrekking. Er was geen kwestie van, of de tractementsregeling zou in zijn voordeel uitkomen; voorzoover hij reeds nu kon nagaan, zou zijn aandeel in de winst alleen zijn vroeger salaris als verkooper van de firma overtreffen. In zekeren zin was hij nu ook chef; geheel onafhankelijk toch was nagenoeg niemand, maar men liet hem de vrije hand èn hij verdiende. Ziedaar de twee factoren die iemand stempelen tot chef. Het hinderde hem nu ook geenszins dat men hem voor een halven Chinees aanzag; eer hij het had bemerkt was hij in zijn phase van geluk gekomen, en die deed hem de rest minachten.Op een morgen verscheen Kan Liong Tjoe in de hem ontnomentoko. Toen hij binnenkwam stond Wije met den rug naar den ingang, een bediende iets aan te wijzen bij een[86]der stellingen met goederen, en deze, die de ontvangen inlichting, volgens een door Wije ingevoerde gewoonte, repeteerde om te doen blijken dat hij het begrepen had, dempte plotseling het geluid van zijn stem, terwijl een ander die haastig kwam aanloopen van uit het magazijn, eensklaps zijn vluggen tred inkortte en voortliep met een slentergang dien Wije al sinds maanden niet meer kende. Het was zulk een verrassende verandering, dat Wije, die met een snellen blik hetzelfde ook bij de overige bedienden opgemerkt had, den bewerker daarvan onwillekeurig onvriendelijk te gemoet trad.„Mau apa di sini?”1vroeg hij norsch en uit de hoogte.Kan Liong Tjoe had wel weer heen kunnen gaan, zoo hij ten minste gekomen was met het voornemen om den door zijn komen veroorzaakten toestand te bestendigen; want nauwelijks[87]hadden de bedienden gehoord op welken toon hun vroegere baas werd aangesproken, of zij gingen weer hun gang als bestond er geen Kan Liong Tjoe. Wellicht gevoelden zij dat hier een conflict dreigde te ontstaan tusschen de groote machten, waarin de kleinere, zoo zij er zich in mengen, steeds het gelag betalen.„Ik wilde meneer gaarne even spreken,” zeide Kan Liong Tjoe beleefd, en toen Wije hem medegenomen had naar het hoekje waar hij zelf vroeger zijn menschen ontving, vervolgde hij: „Men zegt dat het zoo goed gaat met detoko.”„Jawel,” antwoordde Wije, nog steeds kortaf; „maar je komt zeker niet alleen om dàt te vertellen.”„Om te vragen of het waar is.”„Nu ja! Het is waar. Wat verder?”„De menschen zeggen dat het komt doordat meneer zoopinteris.”[88]„Dat kan wel,” lachte Wije, door deze woorden toch eenigermate gevleid.„Nu dacht ik,” zeide Kan Liong Tjoe, „dat zoodoende detokogauw weer aan mij terugkomt. Maar wat zou ik er aan hebben, als ik haar toch niet zoo goed kan beheeren, dat zij winst afwerpt?”„Waar moet dat heen?” vroeg Wije zich af. „Denkt hij mij te kunnen engageeren voor dat geval?”„Met mijn andere zaken gaat het ook al niet,” vervolgde de Chinees. „Ik kan er van leven totdat ik detokoterugkrijg, maar meer ook niet. En dan gaat het toch niet, omdat ik nietpintergenoeg ben. Mijn schuld aan de firma is heel groot; het kan nog eenige jaren duren eer die uit detokois betaald; zou meneer mijn zoon als bediende willen aannemen en hem leeren, tot hij bijna zoopinteris als meneer zelf?”Wije’s gelaat betrok. Hij had niet veel zin[89]in dat voorstel, daar hij den Chinees niet vertrouwde en het zoontje achteraf wel eens een nieuwe oplage van het Trojaansche paard kon blijken. Aan den anderen kant had hij medelijden met den man, die in zijn eigen zaak een plaatsing kwam vragen voor zijn zoon. En over ’t algemeen weigert men niet graag iets aan iemand, die voor een ander wat komt vragen. Wije aarzelde.„Eerst had ik naar de firma willen gaan,” zeide Kan Liong Tjoe, het zwijgen van den ander misduidend, „maar ik bedacht dat ik beter deed, voor ik daartoe overging, bij meneer te komen.”Lag in deze woorden een bedreiging? Wije meende het en werd woedend. Als de Chinees naar de firma ging, stond de kans tien tegen één, dat de chef hem terwille zou trachten te zijn, enkel en alleen omdat hij, Wije, het anders inzag. Er zou weer een reeks onaangenaamheden uit voortvloeien, maar.… hij liet zich niet dwingen en niet dreigen ook. Op het[90]punt Kan Liong Tjoe met een weigering af te schepen, ging hem echter plotseling de vraag door het hoofd: wat zouden de Chineezen er van zeggen? Dáármee viel rekening te houden, dat moest eerst onderzocht.„Ik zal er over denken,” zeide hij, „en je dezer dagen bericht sturen. Trouwens op het oogenblik is er personeel genoeg.”„Hij behoeft geen geld te verdienen, eer meneer hem werkelijk gebruiken kan,” opperde Kan Liong Tjoe.„Begrepen,” zeide Wije. „Nu, zooals gezegd, ik zal bericht sturen.” Hiermede liet hij den Chinees gaan.Er verliepen een paar dagen, gedurende welke Wije het te druk had; doch toen begaf hij zich, op een middag, naar Piong Pan Ho om dezen te raadplegen. Hij trof hem gelukkig thuis, wat anders een zeldzaamheid was, daar deSingkehin den laatsten tijd bijzonder dikwijls op reis ging.[91]„Kan Liong Tjoe is een dikke leugenaar!” barstte Piong Pan Ho los, na Wije aangehoord te hebben. „Nu hij detokokwijt is, heeft hij meer vrijheid en ruimte in zijn zaken dan voorheen; en met de tienduizend gulden die ik voor zijn aandeel in de pacht heb gegeven, ontbreekt het hem niet aan contanten. Meneer moet het niet doen; het is eenakal, daar ik die varkens in detokowel commandeeren kan, doch hem niet, noch zijn zoon. Maar anders had hij dubbel het pakrottan-slagen verdiend, dat ik toen aan dien bediende heb laten geven.”„Oho!” riep Wije uit. „Ik heb er lang over gepikird,sobat, hoe je dat in der tijd hebt aangelegd …”„U zult het toch niet aan den resident vertellen?”„Waar zie je me voor aan? Je hebt me immers geholpen!”„Betoel,” zeide Piong Pan Ho, die er nu reeds aan begon te wennen tusschen oorzaak en[92]gevolg, waar hij het verband niet zag, daarvoor eenvoudig het geheimzinnige Europeescheatiin de plaats te brengen; een begin van abstraheeren! „Dus meneer keurt derottan-straf niet af?”„Neen,” zeide Wije, „dat doet niemand.”„Waarom hebben de Hollanders die dan verboden?”„Ja, dàt weet ik ook niet.”„Sebab dia poenja ati baik,”2besliste Piong Pan Ho, waarmee Wije lachend instemde.„Wat is dat toch voor een feest,” vroeg deSingkeheen oogenblik later, „waarvoor al detoko-blandazoo mooi gemaakt worden?”Wije legde hem uit, zoo goed hij kon, wat Sinterklaas was.„Het is aardig voor de kinderen, dat zij op dien dag cadeautjes mogen ontvangen,” zeide Piong Pan Ho met een uitdrukking alsof hij zich plotseling iets herinnerde. „Maar,” ging[93]hij peinzende voort, „nemen ook groote menschen geschenken aan op dat feest?”„Zeker,” antwoordde Wije. „Hoezoo?”„Ik wou graag luitenant worden,” fluisterde deSingkeh.„Pas op!”waarschuwdeWije. „Een poging tot omkoopen wordt zeer kwalijk opgevat.”Dat wilde de Chinees dan ook niet doen, enkel een cadeau sturen aan de mevrouw; als die maar dikwijls tegen haar man zeide, „die Piong Pan Ho zou zoo’n geschikt luitenant wezen” dan ging het van zelf.„Maar men benoemt iemand niet tot luitenant,” zeide Wije, om van dit chapitre af te komen, „die niet minstens een mooi huis bewoont.”„Ada!” riep de voormaligeklontong. „Wil meneer het zien?”Hij leidde zijn bezoeker door de propvollegoedang, tusschen kisten en balen, langs nauwe gangetjes en opende een deur. En Wije stond[94]eensklaps voor een groot, in Europeeschen trant gebouwd woonhuis. Een flauwe bocht in het dak, ten bewijze dat de nokbalk niet uit één stuk bestond en de booze geesten er derhalve geen voor hen geschikt verblijf konden vinden, wat verguldsel aan de ijzeren kolommetjes der voorgaanderij en de paneelen van deuren en vensters, doch overigens een woning van de fraaiste soort, met breede marmer-bevloerde galerijen en ruime hooge vertrekken.Op die plek maakte het een zonderlingen indruk, als van iemand in gala-costuum in een smidswerkplaats of een paard in een huiskamer, omgeven als het was door dichtbijstaande Chineesche barakken met opgelapte zij- en achtergevels.„Hoe komt dàt hier?” zeide Wije onwillekeurig.„Ik heb het gemaakt,” verklaarde Piong Pan Ho, hem voorgaande in de stijf maar kostbaar gemeubelde binnengalerij. Een der deuren van de kamers was hoog uit den grond, en[95]daarvóór stond een los houten trapje. DeSingkehnam het weg en ontblootte dusdoende de brandkastdeur, die tot den halfonderaardschen kelder toegang gaf.„Wacht even, meneer,” zeide Piong Pan Ho; en afdalend, ontstak hij een lamp die aan het gewelf hing. Toen riep hij Wije.Langs den muur stonden kleine, gemakkelijk te hanteeren kistjes, die voorheen volgens het ingebrande merk, tot verpakking van cognac hadden gediend, op sommige plaatsen tot drie en vier hoog opgestapeld; waar berging te kort kwam, waren ze vervangen door aardenkwalies. Een huivering doorliep Wije’s leden toen hij den inhoud zag, zilvergeld en bankpapier. Hij was niet gewoon geld te zien gestapeld en kon dus geen taxatie maken, doch zooveel zag hij wel, dat hier een vermogen was opgeborgen.„Zonde van ’t geld,” merkte hij op, een kistje met banknoten aanwijzende, waar de schimmel een duim dik op lag.[96]„Soesah,” klaagde Piong Pan Ho; „ik kan niet meer in zaken steken. Het volgend jaar, als de opium weer verpacht wordt, denk ik voor de helft mee te doen; dan ruim ik iets op. Maar er komt toch altijd meer bij.”Wije verliet spoedig den kelder; de geldstank maakte hem wee.„Maar zeg eens,” vroeg hij, toen ze het geheele huis hadden gezien, „waar woon je zelf?” Geen der kamers toch droeg sporen van bewoning.„In de bijgebouwen.”Zoo was het. DeSingkehwilde wel een mooi huis bezitten, doch niet bewonen. Wije begreep dit niet.„Heb je geen kinderen?” vroeg hij, om een verklaring daarvoor te zoeken.„Nog niet,” zeide Piong Pan Ho, met iets treurigs in zijn stem.Wije had een wonde plek aangeraakt. Piong Pan Ho had niemand aan wien hij met genoegen zijn rijkdommen kon achterlaten; en[97]dat steekt elk mensch, van welken landaard hij wezen moge. En wat had hij er al niet voor gedaan! Eerst had hij zijn vrouw de schuld gegeven en deze hem eindelijk een voorstel gedaan als oudtijds Sarah aan Abraham; evenals deze had hij zich tot een Hagar gewend, neen, tot verscheiden; doch als hij die de woestijn inzond, hadden zij geen van allen een Ismaël, noch bij zich, noch ook bij Piong Pan Ho achtergelaten.Hij was geëindigd met het te beschouwen als een vloek, die op hem rustte en waaraan hij liever niet dacht. In de zwakke hoop van misschien een goeden raad te zullen krijgen van een Europeaan, die toch zooveel wist, sprak hij er even over met Wije; maar toen hij bemerkte dat het te vergeefs was, veranderde hijzelf haastig van onderwerp.[98]1Wat wil je hier?↑2Om hun goed hart.↑

[Inhoud]IV.IV.MEN POUSSEERT ZICH.Toen hij uit zijn kamer kwam was hij het geheele papiertje en wat daaraan verbonden was, weer geheel vergeten. Eenige maanden geleden zou hem dit, bij zijn voor indrukken zoo ontvankelijken geest, niet gebeurd zijn, doch sedert een week of wat beheerschte en verdrong één gedachte alle andere in hem. Na de tusschenkomst van Piong Pan Ho in de verwikkelingen met deklontongs, hadden de zaken in detokoeen geheel anderen loop genomen als te voren. Er viel geen zweem van tegenwerking meer te bespeuren; iedereen[83]deed zijn plicht met een ijver, die zelfs Wije, die toch zelf wist wat werken was, ten zeerste trof. Hij had tot nu toe steeds in den waan verkeerd dat er uitsluitend door Europeanen hard gewerkt werd, natuurlijk met uitzonderingen, doch in den regel was de particulier—van ambtenaren had hij geen ondervinding en dus geen recht van spreken—met zijn hart bij hetgeen hij te doen had. De inlander daarentegen liet zich steeds dwingen tot arbeid, altijd berekenende met hoe weinig hij kon volstaan en zonder toezicht niets uitvoerende. Ook al werkte hij voor zichzelf, dan nog moest men de tijdelijke meerdere krachtsinspanning, die hij zich daarbij getroostte, niet aan vlijt toeschrijven maar aan luiheid: zijn doel was dan niet zooveel mogelijk werk af te doen, doch zoo spoedig mogelijk weer tot rust te komen. Alleen de rijstcultuur, ter onzaliger ure door de volgers van Mohammed ingevoerd, die zich als een log blok in de weg zet van[84]alle meer winstgevende bedrijven, in langwijlig peuterig werken alle arbeidskrachten verslindend en indirecte voortbrenging door loonend ruilverkeer belemmerend—slechts de rijstcultuur draagt zijn goedkeuring weg, omdat daarbij alles met de langzaamheid van een karbouw geschieden kan.Tusschen die twee in, had Wije zich den Chinees gedacht; maar in deze dagen was hij tot andere gedachten gekomen en meende hij de oplossing van het raadsel: hoe een Chinees rijk wordt, te hebben gevonden in zijn volhardend werken, mits dit gepaard gaat met beleid. Want waarschijnlijk was er onder het beheer van Kan Liong Tjoe niet minder ijver betracht dan thans, nu hij aan het hoofd stond, maar de vorige chef miste beleid, zoowel als de grootere kennis die den Europeaan ten dienste staat. Het was, vond Wije, een harmonisch geheel: Chineesche werkkracht onder Europeesche leiding.[85]Detokoillustreerde deze stelling en ging zóó goed dat Wije zich gelukwenschte, en nu van wege het resultaat, met zijn betrekking. Er was geen kwestie van, of de tractementsregeling zou in zijn voordeel uitkomen; voorzoover hij reeds nu kon nagaan, zou zijn aandeel in de winst alleen zijn vroeger salaris als verkooper van de firma overtreffen. In zekeren zin was hij nu ook chef; geheel onafhankelijk toch was nagenoeg niemand, maar men liet hem de vrije hand èn hij verdiende. Ziedaar de twee factoren die iemand stempelen tot chef. Het hinderde hem nu ook geenszins dat men hem voor een halven Chinees aanzag; eer hij het had bemerkt was hij in zijn phase van geluk gekomen, en die deed hem de rest minachten.Op een morgen verscheen Kan Liong Tjoe in de hem ontnomentoko. Toen hij binnenkwam stond Wije met den rug naar den ingang, een bediende iets aan te wijzen bij een[86]der stellingen met goederen, en deze, die de ontvangen inlichting, volgens een door Wije ingevoerde gewoonte, repeteerde om te doen blijken dat hij het begrepen had, dempte plotseling het geluid van zijn stem, terwijl een ander die haastig kwam aanloopen van uit het magazijn, eensklaps zijn vluggen tred inkortte en voortliep met een slentergang dien Wije al sinds maanden niet meer kende. Het was zulk een verrassende verandering, dat Wije, die met een snellen blik hetzelfde ook bij de overige bedienden opgemerkt had, den bewerker daarvan onwillekeurig onvriendelijk te gemoet trad.„Mau apa di sini?”1vroeg hij norsch en uit de hoogte.Kan Liong Tjoe had wel weer heen kunnen gaan, zoo hij ten minste gekomen was met het voornemen om den door zijn komen veroorzaakten toestand te bestendigen; want nauwelijks[87]hadden de bedienden gehoord op welken toon hun vroegere baas werd aangesproken, of zij gingen weer hun gang als bestond er geen Kan Liong Tjoe. Wellicht gevoelden zij dat hier een conflict dreigde te ontstaan tusschen de groote machten, waarin de kleinere, zoo zij er zich in mengen, steeds het gelag betalen.„Ik wilde meneer gaarne even spreken,” zeide Kan Liong Tjoe beleefd, en toen Wije hem medegenomen had naar het hoekje waar hij zelf vroeger zijn menschen ontving, vervolgde hij: „Men zegt dat het zoo goed gaat met detoko.”„Jawel,” antwoordde Wije, nog steeds kortaf; „maar je komt zeker niet alleen om dàt te vertellen.”„Om te vragen of het waar is.”„Nu ja! Het is waar. Wat verder?”„De menschen zeggen dat het komt doordat meneer zoopinteris.”[88]„Dat kan wel,” lachte Wije, door deze woorden toch eenigermate gevleid.„Nu dacht ik,” zeide Kan Liong Tjoe, „dat zoodoende detokogauw weer aan mij terugkomt. Maar wat zou ik er aan hebben, als ik haar toch niet zoo goed kan beheeren, dat zij winst afwerpt?”„Waar moet dat heen?” vroeg Wije zich af. „Denkt hij mij te kunnen engageeren voor dat geval?”„Met mijn andere zaken gaat het ook al niet,” vervolgde de Chinees. „Ik kan er van leven totdat ik detokoterugkrijg, maar meer ook niet. En dan gaat het toch niet, omdat ik nietpintergenoeg ben. Mijn schuld aan de firma is heel groot; het kan nog eenige jaren duren eer die uit detokois betaald; zou meneer mijn zoon als bediende willen aannemen en hem leeren, tot hij bijna zoopinteris als meneer zelf?”Wije’s gelaat betrok. Hij had niet veel zin[89]in dat voorstel, daar hij den Chinees niet vertrouwde en het zoontje achteraf wel eens een nieuwe oplage van het Trojaansche paard kon blijken. Aan den anderen kant had hij medelijden met den man, die in zijn eigen zaak een plaatsing kwam vragen voor zijn zoon. En over ’t algemeen weigert men niet graag iets aan iemand, die voor een ander wat komt vragen. Wije aarzelde.„Eerst had ik naar de firma willen gaan,” zeide Kan Liong Tjoe, het zwijgen van den ander misduidend, „maar ik bedacht dat ik beter deed, voor ik daartoe overging, bij meneer te komen.”Lag in deze woorden een bedreiging? Wije meende het en werd woedend. Als de Chinees naar de firma ging, stond de kans tien tegen één, dat de chef hem terwille zou trachten te zijn, enkel en alleen omdat hij, Wije, het anders inzag. Er zou weer een reeks onaangenaamheden uit voortvloeien, maar.… hij liet zich niet dwingen en niet dreigen ook. Op het[90]punt Kan Liong Tjoe met een weigering af te schepen, ging hem echter plotseling de vraag door het hoofd: wat zouden de Chineezen er van zeggen? Dáármee viel rekening te houden, dat moest eerst onderzocht.„Ik zal er over denken,” zeide hij, „en je dezer dagen bericht sturen. Trouwens op het oogenblik is er personeel genoeg.”„Hij behoeft geen geld te verdienen, eer meneer hem werkelijk gebruiken kan,” opperde Kan Liong Tjoe.„Begrepen,” zeide Wije. „Nu, zooals gezegd, ik zal bericht sturen.” Hiermede liet hij den Chinees gaan.Er verliepen een paar dagen, gedurende welke Wije het te druk had; doch toen begaf hij zich, op een middag, naar Piong Pan Ho om dezen te raadplegen. Hij trof hem gelukkig thuis, wat anders een zeldzaamheid was, daar deSingkehin den laatsten tijd bijzonder dikwijls op reis ging.[91]„Kan Liong Tjoe is een dikke leugenaar!” barstte Piong Pan Ho los, na Wije aangehoord te hebben. „Nu hij detokokwijt is, heeft hij meer vrijheid en ruimte in zijn zaken dan voorheen; en met de tienduizend gulden die ik voor zijn aandeel in de pacht heb gegeven, ontbreekt het hem niet aan contanten. Meneer moet het niet doen; het is eenakal, daar ik die varkens in detokowel commandeeren kan, doch hem niet, noch zijn zoon. Maar anders had hij dubbel het pakrottan-slagen verdiend, dat ik toen aan dien bediende heb laten geven.”„Oho!” riep Wije uit. „Ik heb er lang over gepikird,sobat, hoe je dat in der tijd hebt aangelegd …”„U zult het toch niet aan den resident vertellen?”„Waar zie je me voor aan? Je hebt me immers geholpen!”„Betoel,” zeide Piong Pan Ho, die er nu reeds aan begon te wennen tusschen oorzaak en[92]gevolg, waar hij het verband niet zag, daarvoor eenvoudig het geheimzinnige Europeescheatiin de plaats te brengen; een begin van abstraheeren! „Dus meneer keurt derottan-straf niet af?”„Neen,” zeide Wije, „dat doet niemand.”„Waarom hebben de Hollanders die dan verboden?”„Ja, dàt weet ik ook niet.”„Sebab dia poenja ati baik,”2besliste Piong Pan Ho, waarmee Wije lachend instemde.„Wat is dat toch voor een feest,” vroeg deSingkeheen oogenblik later, „waarvoor al detoko-blandazoo mooi gemaakt worden?”Wije legde hem uit, zoo goed hij kon, wat Sinterklaas was.„Het is aardig voor de kinderen, dat zij op dien dag cadeautjes mogen ontvangen,” zeide Piong Pan Ho met een uitdrukking alsof hij zich plotseling iets herinnerde. „Maar,” ging[93]hij peinzende voort, „nemen ook groote menschen geschenken aan op dat feest?”„Zeker,” antwoordde Wije. „Hoezoo?”„Ik wou graag luitenant worden,” fluisterde deSingkeh.„Pas op!”waarschuwdeWije. „Een poging tot omkoopen wordt zeer kwalijk opgevat.”Dat wilde de Chinees dan ook niet doen, enkel een cadeau sturen aan de mevrouw; als die maar dikwijls tegen haar man zeide, „die Piong Pan Ho zou zoo’n geschikt luitenant wezen” dan ging het van zelf.„Maar men benoemt iemand niet tot luitenant,” zeide Wije, om van dit chapitre af te komen, „die niet minstens een mooi huis bewoont.”„Ada!” riep de voormaligeklontong. „Wil meneer het zien?”Hij leidde zijn bezoeker door de propvollegoedang, tusschen kisten en balen, langs nauwe gangetjes en opende een deur. En Wije stond[94]eensklaps voor een groot, in Europeeschen trant gebouwd woonhuis. Een flauwe bocht in het dak, ten bewijze dat de nokbalk niet uit één stuk bestond en de booze geesten er derhalve geen voor hen geschikt verblijf konden vinden, wat verguldsel aan de ijzeren kolommetjes der voorgaanderij en de paneelen van deuren en vensters, doch overigens een woning van de fraaiste soort, met breede marmer-bevloerde galerijen en ruime hooge vertrekken.Op die plek maakte het een zonderlingen indruk, als van iemand in gala-costuum in een smidswerkplaats of een paard in een huiskamer, omgeven als het was door dichtbijstaande Chineesche barakken met opgelapte zij- en achtergevels.„Hoe komt dàt hier?” zeide Wije onwillekeurig.„Ik heb het gemaakt,” verklaarde Piong Pan Ho, hem voorgaande in de stijf maar kostbaar gemeubelde binnengalerij. Een der deuren van de kamers was hoog uit den grond, en[95]daarvóór stond een los houten trapje. DeSingkehnam het weg en ontblootte dusdoende de brandkastdeur, die tot den halfonderaardschen kelder toegang gaf.„Wacht even, meneer,” zeide Piong Pan Ho; en afdalend, ontstak hij een lamp die aan het gewelf hing. Toen riep hij Wije.Langs den muur stonden kleine, gemakkelijk te hanteeren kistjes, die voorheen volgens het ingebrande merk, tot verpakking van cognac hadden gediend, op sommige plaatsen tot drie en vier hoog opgestapeld; waar berging te kort kwam, waren ze vervangen door aardenkwalies. Een huivering doorliep Wije’s leden toen hij den inhoud zag, zilvergeld en bankpapier. Hij was niet gewoon geld te zien gestapeld en kon dus geen taxatie maken, doch zooveel zag hij wel, dat hier een vermogen was opgeborgen.„Zonde van ’t geld,” merkte hij op, een kistje met banknoten aanwijzende, waar de schimmel een duim dik op lag.[96]„Soesah,” klaagde Piong Pan Ho; „ik kan niet meer in zaken steken. Het volgend jaar, als de opium weer verpacht wordt, denk ik voor de helft mee te doen; dan ruim ik iets op. Maar er komt toch altijd meer bij.”Wije verliet spoedig den kelder; de geldstank maakte hem wee.„Maar zeg eens,” vroeg hij, toen ze het geheele huis hadden gezien, „waar woon je zelf?” Geen der kamers toch droeg sporen van bewoning.„In de bijgebouwen.”Zoo was het. DeSingkehwilde wel een mooi huis bezitten, doch niet bewonen. Wije begreep dit niet.„Heb je geen kinderen?” vroeg hij, om een verklaring daarvoor te zoeken.„Nog niet,” zeide Piong Pan Ho, met iets treurigs in zijn stem.Wije had een wonde plek aangeraakt. Piong Pan Ho had niemand aan wien hij met genoegen zijn rijkdommen kon achterlaten; en[97]dat steekt elk mensch, van welken landaard hij wezen moge. En wat had hij er al niet voor gedaan! Eerst had hij zijn vrouw de schuld gegeven en deze hem eindelijk een voorstel gedaan als oudtijds Sarah aan Abraham; evenals deze had hij zich tot een Hagar gewend, neen, tot verscheiden; doch als hij die de woestijn inzond, hadden zij geen van allen een Ismaël, noch bij zich, noch ook bij Piong Pan Ho achtergelaten.Hij was geëindigd met het te beschouwen als een vloek, die op hem rustte en waaraan hij liever niet dacht. In de zwakke hoop van misschien een goeden raad te zullen krijgen van een Europeaan, die toch zooveel wist, sprak hij er even over met Wije; maar toen hij bemerkte dat het te vergeefs was, veranderde hijzelf haastig van onderwerp.[98]1Wat wil je hier?↑2Om hun goed hart.↑

[Inhoud]IV.IV.MEN POUSSEERT ZICH.Toen hij uit zijn kamer kwam was hij het geheele papiertje en wat daaraan verbonden was, weer geheel vergeten. Eenige maanden geleden zou hem dit, bij zijn voor indrukken zoo ontvankelijken geest, niet gebeurd zijn, doch sedert een week of wat beheerschte en verdrong één gedachte alle andere in hem. Na de tusschenkomst van Piong Pan Ho in de verwikkelingen met deklontongs, hadden de zaken in detokoeen geheel anderen loop genomen als te voren. Er viel geen zweem van tegenwerking meer te bespeuren; iedereen[83]deed zijn plicht met een ijver, die zelfs Wije, die toch zelf wist wat werken was, ten zeerste trof. Hij had tot nu toe steeds in den waan verkeerd dat er uitsluitend door Europeanen hard gewerkt werd, natuurlijk met uitzonderingen, doch in den regel was de particulier—van ambtenaren had hij geen ondervinding en dus geen recht van spreken—met zijn hart bij hetgeen hij te doen had. De inlander daarentegen liet zich steeds dwingen tot arbeid, altijd berekenende met hoe weinig hij kon volstaan en zonder toezicht niets uitvoerende. Ook al werkte hij voor zichzelf, dan nog moest men de tijdelijke meerdere krachtsinspanning, die hij zich daarbij getroostte, niet aan vlijt toeschrijven maar aan luiheid: zijn doel was dan niet zooveel mogelijk werk af te doen, doch zoo spoedig mogelijk weer tot rust te komen. Alleen de rijstcultuur, ter onzaliger ure door de volgers van Mohammed ingevoerd, die zich als een log blok in de weg zet van[84]alle meer winstgevende bedrijven, in langwijlig peuterig werken alle arbeidskrachten verslindend en indirecte voortbrenging door loonend ruilverkeer belemmerend—slechts de rijstcultuur draagt zijn goedkeuring weg, omdat daarbij alles met de langzaamheid van een karbouw geschieden kan.Tusschen die twee in, had Wije zich den Chinees gedacht; maar in deze dagen was hij tot andere gedachten gekomen en meende hij de oplossing van het raadsel: hoe een Chinees rijk wordt, te hebben gevonden in zijn volhardend werken, mits dit gepaard gaat met beleid. Want waarschijnlijk was er onder het beheer van Kan Liong Tjoe niet minder ijver betracht dan thans, nu hij aan het hoofd stond, maar de vorige chef miste beleid, zoowel als de grootere kennis die den Europeaan ten dienste staat. Het was, vond Wije, een harmonisch geheel: Chineesche werkkracht onder Europeesche leiding.[85]Detokoillustreerde deze stelling en ging zóó goed dat Wije zich gelukwenschte, en nu van wege het resultaat, met zijn betrekking. Er was geen kwestie van, of de tractementsregeling zou in zijn voordeel uitkomen; voorzoover hij reeds nu kon nagaan, zou zijn aandeel in de winst alleen zijn vroeger salaris als verkooper van de firma overtreffen. In zekeren zin was hij nu ook chef; geheel onafhankelijk toch was nagenoeg niemand, maar men liet hem de vrije hand èn hij verdiende. Ziedaar de twee factoren die iemand stempelen tot chef. Het hinderde hem nu ook geenszins dat men hem voor een halven Chinees aanzag; eer hij het had bemerkt was hij in zijn phase van geluk gekomen, en die deed hem de rest minachten.Op een morgen verscheen Kan Liong Tjoe in de hem ontnomentoko. Toen hij binnenkwam stond Wije met den rug naar den ingang, een bediende iets aan te wijzen bij een[86]der stellingen met goederen, en deze, die de ontvangen inlichting, volgens een door Wije ingevoerde gewoonte, repeteerde om te doen blijken dat hij het begrepen had, dempte plotseling het geluid van zijn stem, terwijl een ander die haastig kwam aanloopen van uit het magazijn, eensklaps zijn vluggen tred inkortte en voortliep met een slentergang dien Wije al sinds maanden niet meer kende. Het was zulk een verrassende verandering, dat Wije, die met een snellen blik hetzelfde ook bij de overige bedienden opgemerkt had, den bewerker daarvan onwillekeurig onvriendelijk te gemoet trad.„Mau apa di sini?”1vroeg hij norsch en uit de hoogte.Kan Liong Tjoe had wel weer heen kunnen gaan, zoo hij ten minste gekomen was met het voornemen om den door zijn komen veroorzaakten toestand te bestendigen; want nauwelijks[87]hadden de bedienden gehoord op welken toon hun vroegere baas werd aangesproken, of zij gingen weer hun gang als bestond er geen Kan Liong Tjoe. Wellicht gevoelden zij dat hier een conflict dreigde te ontstaan tusschen de groote machten, waarin de kleinere, zoo zij er zich in mengen, steeds het gelag betalen.„Ik wilde meneer gaarne even spreken,” zeide Kan Liong Tjoe beleefd, en toen Wije hem medegenomen had naar het hoekje waar hij zelf vroeger zijn menschen ontving, vervolgde hij: „Men zegt dat het zoo goed gaat met detoko.”„Jawel,” antwoordde Wije, nog steeds kortaf; „maar je komt zeker niet alleen om dàt te vertellen.”„Om te vragen of het waar is.”„Nu ja! Het is waar. Wat verder?”„De menschen zeggen dat het komt doordat meneer zoopinteris.”[88]„Dat kan wel,” lachte Wije, door deze woorden toch eenigermate gevleid.„Nu dacht ik,” zeide Kan Liong Tjoe, „dat zoodoende detokogauw weer aan mij terugkomt. Maar wat zou ik er aan hebben, als ik haar toch niet zoo goed kan beheeren, dat zij winst afwerpt?”„Waar moet dat heen?” vroeg Wije zich af. „Denkt hij mij te kunnen engageeren voor dat geval?”„Met mijn andere zaken gaat het ook al niet,” vervolgde de Chinees. „Ik kan er van leven totdat ik detokoterugkrijg, maar meer ook niet. En dan gaat het toch niet, omdat ik nietpintergenoeg ben. Mijn schuld aan de firma is heel groot; het kan nog eenige jaren duren eer die uit detokois betaald; zou meneer mijn zoon als bediende willen aannemen en hem leeren, tot hij bijna zoopinteris als meneer zelf?”Wije’s gelaat betrok. Hij had niet veel zin[89]in dat voorstel, daar hij den Chinees niet vertrouwde en het zoontje achteraf wel eens een nieuwe oplage van het Trojaansche paard kon blijken. Aan den anderen kant had hij medelijden met den man, die in zijn eigen zaak een plaatsing kwam vragen voor zijn zoon. En over ’t algemeen weigert men niet graag iets aan iemand, die voor een ander wat komt vragen. Wije aarzelde.„Eerst had ik naar de firma willen gaan,” zeide Kan Liong Tjoe, het zwijgen van den ander misduidend, „maar ik bedacht dat ik beter deed, voor ik daartoe overging, bij meneer te komen.”Lag in deze woorden een bedreiging? Wije meende het en werd woedend. Als de Chinees naar de firma ging, stond de kans tien tegen één, dat de chef hem terwille zou trachten te zijn, enkel en alleen omdat hij, Wije, het anders inzag. Er zou weer een reeks onaangenaamheden uit voortvloeien, maar.… hij liet zich niet dwingen en niet dreigen ook. Op het[90]punt Kan Liong Tjoe met een weigering af te schepen, ging hem echter plotseling de vraag door het hoofd: wat zouden de Chineezen er van zeggen? Dáármee viel rekening te houden, dat moest eerst onderzocht.„Ik zal er over denken,” zeide hij, „en je dezer dagen bericht sturen. Trouwens op het oogenblik is er personeel genoeg.”„Hij behoeft geen geld te verdienen, eer meneer hem werkelijk gebruiken kan,” opperde Kan Liong Tjoe.„Begrepen,” zeide Wije. „Nu, zooals gezegd, ik zal bericht sturen.” Hiermede liet hij den Chinees gaan.Er verliepen een paar dagen, gedurende welke Wije het te druk had; doch toen begaf hij zich, op een middag, naar Piong Pan Ho om dezen te raadplegen. Hij trof hem gelukkig thuis, wat anders een zeldzaamheid was, daar deSingkehin den laatsten tijd bijzonder dikwijls op reis ging.[91]„Kan Liong Tjoe is een dikke leugenaar!” barstte Piong Pan Ho los, na Wije aangehoord te hebben. „Nu hij detokokwijt is, heeft hij meer vrijheid en ruimte in zijn zaken dan voorheen; en met de tienduizend gulden die ik voor zijn aandeel in de pacht heb gegeven, ontbreekt het hem niet aan contanten. Meneer moet het niet doen; het is eenakal, daar ik die varkens in detokowel commandeeren kan, doch hem niet, noch zijn zoon. Maar anders had hij dubbel het pakrottan-slagen verdiend, dat ik toen aan dien bediende heb laten geven.”„Oho!” riep Wije uit. „Ik heb er lang over gepikird,sobat, hoe je dat in der tijd hebt aangelegd …”„U zult het toch niet aan den resident vertellen?”„Waar zie je me voor aan? Je hebt me immers geholpen!”„Betoel,” zeide Piong Pan Ho, die er nu reeds aan begon te wennen tusschen oorzaak en[92]gevolg, waar hij het verband niet zag, daarvoor eenvoudig het geheimzinnige Europeescheatiin de plaats te brengen; een begin van abstraheeren! „Dus meneer keurt derottan-straf niet af?”„Neen,” zeide Wije, „dat doet niemand.”„Waarom hebben de Hollanders die dan verboden?”„Ja, dàt weet ik ook niet.”„Sebab dia poenja ati baik,”2besliste Piong Pan Ho, waarmee Wije lachend instemde.„Wat is dat toch voor een feest,” vroeg deSingkeheen oogenblik later, „waarvoor al detoko-blandazoo mooi gemaakt worden?”Wije legde hem uit, zoo goed hij kon, wat Sinterklaas was.„Het is aardig voor de kinderen, dat zij op dien dag cadeautjes mogen ontvangen,” zeide Piong Pan Ho met een uitdrukking alsof hij zich plotseling iets herinnerde. „Maar,” ging[93]hij peinzende voort, „nemen ook groote menschen geschenken aan op dat feest?”„Zeker,” antwoordde Wije. „Hoezoo?”„Ik wou graag luitenant worden,” fluisterde deSingkeh.„Pas op!”waarschuwdeWije. „Een poging tot omkoopen wordt zeer kwalijk opgevat.”Dat wilde de Chinees dan ook niet doen, enkel een cadeau sturen aan de mevrouw; als die maar dikwijls tegen haar man zeide, „die Piong Pan Ho zou zoo’n geschikt luitenant wezen” dan ging het van zelf.„Maar men benoemt iemand niet tot luitenant,” zeide Wije, om van dit chapitre af te komen, „die niet minstens een mooi huis bewoont.”„Ada!” riep de voormaligeklontong. „Wil meneer het zien?”Hij leidde zijn bezoeker door de propvollegoedang, tusschen kisten en balen, langs nauwe gangetjes en opende een deur. En Wije stond[94]eensklaps voor een groot, in Europeeschen trant gebouwd woonhuis. Een flauwe bocht in het dak, ten bewijze dat de nokbalk niet uit één stuk bestond en de booze geesten er derhalve geen voor hen geschikt verblijf konden vinden, wat verguldsel aan de ijzeren kolommetjes der voorgaanderij en de paneelen van deuren en vensters, doch overigens een woning van de fraaiste soort, met breede marmer-bevloerde galerijen en ruime hooge vertrekken.Op die plek maakte het een zonderlingen indruk, als van iemand in gala-costuum in een smidswerkplaats of een paard in een huiskamer, omgeven als het was door dichtbijstaande Chineesche barakken met opgelapte zij- en achtergevels.„Hoe komt dàt hier?” zeide Wije onwillekeurig.„Ik heb het gemaakt,” verklaarde Piong Pan Ho, hem voorgaande in de stijf maar kostbaar gemeubelde binnengalerij. Een der deuren van de kamers was hoog uit den grond, en[95]daarvóór stond een los houten trapje. DeSingkehnam het weg en ontblootte dusdoende de brandkastdeur, die tot den halfonderaardschen kelder toegang gaf.„Wacht even, meneer,” zeide Piong Pan Ho; en afdalend, ontstak hij een lamp die aan het gewelf hing. Toen riep hij Wije.Langs den muur stonden kleine, gemakkelijk te hanteeren kistjes, die voorheen volgens het ingebrande merk, tot verpakking van cognac hadden gediend, op sommige plaatsen tot drie en vier hoog opgestapeld; waar berging te kort kwam, waren ze vervangen door aardenkwalies. Een huivering doorliep Wije’s leden toen hij den inhoud zag, zilvergeld en bankpapier. Hij was niet gewoon geld te zien gestapeld en kon dus geen taxatie maken, doch zooveel zag hij wel, dat hier een vermogen was opgeborgen.„Zonde van ’t geld,” merkte hij op, een kistje met banknoten aanwijzende, waar de schimmel een duim dik op lag.[96]„Soesah,” klaagde Piong Pan Ho; „ik kan niet meer in zaken steken. Het volgend jaar, als de opium weer verpacht wordt, denk ik voor de helft mee te doen; dan ruim ik iets op. Maar er komt toch altijd meer bij.”Wije verliet spoedig den kelder; de geldstank maakte hem wee.„Maar zeg eens,” vroeg hij, toen ze het geheele huis hadden gezien, „waar woon je zelf?” Geen der kamers toch droeg sporen van bewoning.„In de bijgebouwen.”Zoo was het. DeSingkehwilde wel een mooi huis bezitten, doch niet bewonen. Wije begreep dit niet.„Heb je geen kinderen?” vroeg hij, om een verklaring daarvoor te zoeken.„Nog niet,” zeide Piong Pan Ho, met iets treurigs in zijn stem.Wije had een wonde plek aangeraakt. Piong Pan Ho had niemand aan wien hij met genoegen zijn rijkdommen kon achterlaten; en[97]dat steekt elk mensch, van welken landaard hij wezen moge. En wat had hij er al niet voor gedaan! Eerst had hij zijn vrouw de schuld gegeven en deze hem eindelijk een voorstel gedaan als oudtijds Sarah aan Abraham; evenals deze had hij zich tot een Hagar gewend, neen, tot verscheiden; doch als hij die de woestijn inzond, hadden zij geen van allen een Ismaël, noch bij zich, noch ook bij Piong Pan Ho achtergelaten.Hij was geëindigd met het te beschouwen als een vloek, die op hem rustte en waaraan hij liever niet dacht. In de zwakke hoop van misschien een goeden raad te zullen krijgen van een Europeaan, die toch zooveel wist, sprak hij er even over met Wije; maar toen hij bemerkte dat het te vergeefs was, veranderde hijzelf haastig van onderwerp.[98]1Wat wil je hier?↑2Om hun goed hart.↑

IV.IV.MEN POUSSEERT ZICH.

IV.

Toen hij uit zijn kamer kwam was hij het geheele papiertje en wat daaraan verbonden was, weer geheel vergeten. Eenige maanden geleden zou hem dit, bij zijn voor indrukken zoo ontvankelijken geest, niet gebeurd zijn, doch sedert een week of wat beheerschte en verdrong één gedachte alle andere in hem. Na de tusschenkomst van Piong Pan Ho in de verwikkelingen met deklontongs, hadden de zaken in detokoeen geheel anderen loop genomen als te voren. Er viel geen zweem van tegenwerking meer te bespeuren; iedereen[83]deed zijn plicht met een ijver, die zelfs Wije, die toch zelf wist wat werken was, ten zeerste trof. Hij had tot nu toe steeds in den waan verkeerd dat er uitsluitend door Europeanen hard gewerkt werd, natuurlijk met uitzonderingen, doch in den regel was de particulier—van ambtenaren had hij geen ondervinding en dus geen recht van spreken—met zijn hart bij hetgeen hij te doen had. De inlander daarentegen liet zich steeds dwingen tot arbeid, altijd berekenende met hoe weinig hij kon volstaan en zonder toezicht niets uitvoerende. Ook al werkte hij voor zichzelf, dan nog moest men de tijdelijke meerdere krachtsinspanning, die hij zich daarbij getroostte, niet aan vlijt toeschrijven maar aan luiheid: zijn doel was dan niet zooveel mogelijk werk af te doen, doch zoo spoedig mogelijk weer tot rust te komen. Alleen de rijstcultuur, ter onzaliger ure door de volgers van Mohammed ingevoerd, die zich als een log blok in de weg zet van[84]alle meer winstgevende bedrijven, in langwijlig peuterig werken alle arbeidskrachten verslindend en indirecte voortbrenging door loonend ruilverkeer belemmerend—slechts de rijstcultuur draagt zijn goedkeuring weg, omdat daarbij alles met de langzaamheid van een karbouw geschieden kan.Tusschen die twee in, had Wije zich den Chinees gedacht; maar in deze dagen was hij tot andere gedachten gekomen en meende hij de oplossing van het raadsel: hoe een Chinees rijk wordt, te hebben gevonden in zijn volhardend werken, mits dit gepaard gaat met beleid. Want waarschijnlijk was er onder het beheer van Kan Liong Tjoe niet minder ijver betracht dan thans, nu hij aan het hoofd stond, maar de vorige chef miste beleid, zoowel als de grootere kennis die den Europeaan ten dienste staat. Het was, vond Wije, een harmonisch geheel: Chineesche werkkracht onder Europeesche leiding.[85]Detokoillustreerde deze stelling en ging zóó goed dat Wije zich gelukwenschte, en nu van wege het resultaat, met zijn betrekking. Er was geen kwestie van, of de tractementsregeling zou in zijn voordeel uitkomen; voorzoover hij reeds nu kon nagaan, zou zijn aandeel in de winst alleen zijn vroeger salaris als verkooper van de firma overtreffen. In zekeren zin was hij nu ook chef; geheel onafhankelijk toch was nagenoeg niemand, maar men liet hem de vrije hand èn hij verdiende. Ziedaar de twee factoren die iemand stempelen tot chef. Het hinderde hem nu ook geenszins dat men hem voor een halven Chinees aanzag; eer hij het had bemerkt was hij in zijn phase van geluk gekomen, en die deed hem de rest minachten.Op een morgen verscheen Kan Liong Tjoe in de hem ontnomentoko. Toen hij binnenkwam stond Wije met den rug naar den ingang, een bediende iets aan te wijzen bij een[86]der stellingen met goederen, en deze, die de ontvangen inlichting, volgens een door Wije ingevoerde gewoonte, repeteerde om te doen blijken dat hij het begrepen had, dempte plotseling het geluid van zijn stem, terwijl een ander die haastig kwam aanloopen van uit het magazijn, eensklaps zijn vluggen tred inkortte en voortliep met een slentergang dien Wije al sinds maanden niet meer kende. Het was zulk een verrassende verandering, dat Wije, die met een snellen blik hetzelfde ook bij de overige bedienden opgemerkt had, den bewerker daarvan onwillekeurig onvriendelijk te gemoet trad.„Mau apa di sini?”1vroeg hij norsch en uit de hoogte.Kan Liong Tjoe had wel weer heen kunnen gaan, zoo hij ten minste gekomen was met het voornemen om den door zijn komen veroorzaakten toestand te bestendigen; want nauwelijks[87]hadden de bedienden gehoord op welken toon hun vroegere baas werd aangesproken, of zij gingen weer hun gang als bestond er geen Kan Liong Tjoe. Wellicht gevoelden zij dat hier een conflict dreigde te ontstaan tusschen de groote machten, waarin de kleinere, zoo zij er zich in mengen, steeds het gelag betalen.„Ik wilde meneer gaarne even spreken,” zeide Kan Liong Tjoe beleefd, en toen Wije hem medegenomen had naar het hoekje waar hij zelf vroeger zijn menschen ontving, vervolgde hij: „Men zegt dat het zoo goed gaat met detoko.”„Jawel,” antwoordde Wije, nog steeds kortaf; „maar je komt zeker niet alleen om dàt te vertellen.”„Om te vragen of het waar is.”„Nu ja! Het is waar. Wat verder?”„De menschen zeggen dat het komt doordat meneer zoopinteris.”[88]„Dat kan wel,” lachte Wije, door deze woorden toch eenigermate gevleid.„Nu dacht ik,” zeide Kan Liong Tjoe, „dat zoodoende detokogauw weer aan mij terugkomt. Maar wat zou ik er aan hebben, als ik haar toch niet zoo goed kan beheeren, dat zij winst afwerpt?”„Waar moet dat heen?” vroeg Wije zich af. „Denkt hij mij te kunnen engageeren voor dat geval?”„Met mijn andere zaken gaat het ook al niet,” vervolgde de Chinees. „Ik kan er van leven totdat ik detokoterugkrijg, maar meer ook niet. En dan gaat het toch niet, omdat ik nietpintergenoeg ben. Mijn schuld aan de firma is heel groot; het kan nog eenige jaren duren eer die uit detokois betaald; zou meneer mijn zoon als bediende willen aannemen en hem leeren, tot hij bijna zoopinteris als meneer zelf?”Wije’s gelaat betrok. Hij had niet veel zin[89]in dat voorstel, daar hij den Chinees niet vertrouwde en het zoontje achteraf wel eens een nieuwe oplage van het Trojaansche paard kon blijken. Aan den anderen kant had hij medelijden met den man, die in zijn eigen zaak een plaatsing kwam vragen voor zijn zoon. En over ’t algemeen weigert men niet graag iets aan iemand, die voor een ander wat komt vragen. Wije aarzelde.„Eerst had ik naar de firma willen gaan,” zeide Kan Liong Tjoe, het zwijgen van den ander misduidend, „maar ik bedacht dat ik beter deed, voor ik daartoe overging, bij meneer te komen.”Lag in deze woorden een bedreiging? Wije meende het en werd woedend. Als de Chinees naar de firma ging, stond de kans tien tegen één, dat de chef hem terwille zou trachten te zijn, enkel en alleen omdat hij, Wije, het anders inzag. Er zou weer een reeks onaangenaamheden uit voortvloeien, maar.… hij liet zich niet dwingen en niet dreigen ook. Op het[90]punt Kan Liong Tjoe met een weigering af te schepen, ging hem echter plotseling de vraag door het hoofd: wat zouden de Chineezen er van zeggen? Dáármee viel rekening te houden, dat moest eerst onderzocht.„Ik zal er over denken,” zeide hij, „en je dezer dagen bericht sturen. Trouwens op het oogenblik is er personeel genoeg.”„Hij behoeft geen geld te verdienen, eer meneer hem werkelijk gebruiken kan,” opperde Kan Liong Tjoe.„Begrepen,” zeide Wije. „Nu, zooals gezegd, ik zal bericht sturen.” Hiermede liet hij den Chinees gaan.Er verliepen een paar dagen, gedurende welke Wije het te druk had; doch toen begaf hij zich, op een middag, naar Piong Pan Ho om dezen te raadplegen. Hij trof hem gelukkig thuis, wat anders een zeldzaamheid was, daar deSingkehin den laatsten tijd bijzonder dikwijls op reis ging.[91]„Kan Liong Tjoe is een dikke leugenaar!” barstte Piong Pan Ho los, na Wije aangehoord te hebben. „Nu hij detokokwijt is, heeft hij meer vrijheid en ruimte in zijn zaken dan voorheen; en met de tienduizend gulden die ik voor zijn aandeel in de pacht heb gegeven, ontbreekt het hem niet aan contanten. Meneer moet het niet doen; het is eenakal, daar ik die varkens in detokowel commandeeren kan, doch hem niet, noch zijn zoon. Maar anders had hij dubbel het pakrottan-slagen verdiend, dat ik toen aan dien bediende heb laten geven.”„Oho!” riep Wije uit. „Ik heb er lang over gepikird,sobat, hoe je dat in der tijd hebt aangelegd …”„U zult het toch niet aan den resident vertellen?”„Waar zie je me voor aan? Je hebt me immers geholpen!”„Betoel,” zeide Piong Pan Ho, die er nu reeds aan begon te wennen tusschen oorzaak en[92]gevolg, waar hij het verband niet zag, daarvoor eenvoudig het geheimzinnige Europeescheatiin de plaats te brengen; een begin van abstraheeren! „Dus meneer keurt derottan-straf niet af?”„Neen,” zeide Wije, „dat doet niemand.”„Waarom hebben de Hollanders die dan verboden?”„Ja, dàt weet ik ook niet.”„Sebab dia poenja ati baik,”2besliste Piong Pan Ho, waarmee Wije lachend instemde.„Wat is dat toch voor een feest,” vroeg deSingkeheen oogenblik later, „waarvoor al detoko-blandazoo mooi gemaakt worden?”Wije legde hem uit, zoo goed hij kon, wat Sinterklaas was.„Het is aardig voor de kinderen, dat zij op dien dag cadeautjes mogen ontvangen,” zeide Piong Pan Ho met een uitdrukking alsof hij zich plotseling iets herinnerde. „Maar,” ging[93]hij peinzende voort, „nemen ook groote menschen geschenken aan op dat feest?”„Zeker,” antwoordde Wije. „Hoezoo?”„Ik wou graag luitenant worden,” fluisterde deSingkeh.„Pas op!”waarschuwdeWije. „Een poging tot omkoopen wordt zeer kwalijk opgevat.”Dat wilde de Chinees dan ook niet doen, enkel een cadeau sturen aan de mevrouw; als die maar dikwijls tegen haar man zeide, „die Piong Pan Ho zou zoo’n geschikt luitenant wezen” dan ging het van zelf.„Maar men benoemt iemand niet tot luitenant,” zeide Wije, om van dit chapitre af te komen, „die niet minstens een mooi huis bewoont.”„Ada!” riep de voormaligeklontong. „Wil meneer het zien?”Hij leidde zijn bezoeker door de propvollegoedang, tusschen kisten en balen, langs nauwe gangetjes en opende een deur. En Wije stond[94]eensklaps voor een groot, in Europeeschen trant gebouwd woonhuis. Een flauwe bocht in het dak, ten bewijze dat de nokbalk niet uit één stuk bestond en de booze geesten er derhalve geen voor hen geschikt verblijf konden vinden, wat verguldsel aan de ijzeren kolommetjes der voorgaanderij en de paneelen van deuren en vensters, doch overigens een woning van de fraaiste soort, met breede marmer-bevloerde galerijen en ruime hooge vertrekken.Op die plek maakte het een zonderlingen indruk, als van iemand in gala-costuum in een smidswerkplaats of een paard in een huiskamer, omgeven als het was door dichtbijstaande Chineesche barakken met opgelapte zij- en achtergevels.„Hoe komt dàt hier?” zeide Wije onwillekeurig.„Ik heb het gemaakt,” verklaarde Piong Pan Ho, hem voorgaande in de stijf maar kostbaar gemeubelde binnengalerij. Een der deuren van de kamers was hoog uit den grond, en[95]daarvóór stond een los houten trapje. DeSingkehnam het weg en ontblootte dusdoende de brandkastdeur, die tot den halfonderaardschen kelder toegang gaf.„Wacht even, meneer,” zeide Piong Pan Ho; en afdalend, ontstak hij een lamp die aan het gewelf hing. Toen riep hij Wije.Langs den muur stonden kleine, gemakkelijk te hanteeren kistjes, die voorheen volgens het ingebrande merk, tot verpakking van cognac hadden gediend, op sommige plaatsen tot drie en vier hoog opgestapeld; waar berging te kort kwam, waren ze vervangen door aardenkwalies. Een huivering doorliep Wije’s leden toen hij den inhoud zag, zilvergeld en bankpapier. Hij was niet gewoon geld te zien gestapeld en kon dus geen taxatie maken, doch zooveel zag hij wel, dat hier een vermogen was opgeborgen.„Zonde van ’t geld,” merkte hij op, een kistje met banknoten aanwijzende, waar de schimmel een duim dik op lag.[96]„Soesah,” klaagde Piong Pan Ho; „ik kan niet meer in zaken steken. Het volgend jaar, als de opium weer verpacht wordt, denk ik voor de helft mee te doen; dan ruim ik iets op. Maar er komt toch altijd meer bij.”Wije verliet spoedig den kelder; de geldstank maakte hem wee.„Maar zeg eens,” vroeg hij, toen ze het geheele huis hadden gezien, „waar woon je zelf?” Geen der kamers toch droeg sporen van bewoning.„In de bijgebouwen.”Zoo was het. DeSingkehwilde wel een mooi huis bezitten, doch niet bewonen. Wije begreep dit niet.„Heb je geen kinderen?” vroeg hij, om een verklaring daarvoor te zoeken.„Nog niet,” zeide Piong Pan Ho, met iets treurigs in zijn stem.Wije had een wonde plek aangeraakt. Piong Pan Ho had niemand aan wien hij met genoegen zijn rijkdommen kon achterlaten; en[97]dat steekt elk mensch, van welken landaard hij wezen moge. En wat had hij er al niet voor gedaan! Eerst had hij zijn vrouw de schuld gegeven en deze hem eindelijk een voorstel gedaan als oudtijds Sarah aan Abraham; evenals deze had hij zich tot een Hagar gewend, neen, tot verscheiden; doch als hij die de woestijn inzond, hadden zij geen van allen een Ismaël, noch bij zich, noch ook bij Piong Pan Ho achtergelaten.Hij was geëindigd met het te beschouwen als een vloek, die op hem rustte en waaraan hij liever niet dacht. In de zwakke hoop van misschien een goeden raad te zullen krijgen van een Europeaan, die toch zooveel wist, sprak hij er even over met Wije; maar toen hij bemerkte dat het te vergeefs was, veranderde hijzelf haastig van onderwerp.[98]

Toen hij uit zijn kamer kwam was hij het geheele papiertje en wat daaraan verbonden was, weer geheel vergeten. Eenige maanden geleden zou hem dit, bij zijn voor indrukken zoo ontvankelijken geest, niet gebeurd zijn, doch sedert een week of wat beheerschte en verdrong één gedachte alle andere in hem. Na de tusschenkomst van Piong Pan Ho in de verwikkelingen met deklontongs, hadden de zaken in detokoeen geheel anderen loop genomen als te voren. Er viel geen zweem van tegenwerking meer te bespeuren; iedereen[83]deed zijn plicht met een ijver, die zelfs Wije, die toch zelf wist wat werken was, ten zeerste trof. Hij had tot nu toe steeds in den waan verkeerd dat er uitsluitend door Europeanen hard gewerkt werd, natuurlijk met uitzonderingen, doch in den regel was de particulier—van ambtenaren had hij geen ondervinding en dus geen recht van spreken—met zijn hart bij hetgeen hij te doen had. De inlander daarentegen liet zich steeds dwingen tot arbeid, altijd berekenende met hoe weinig hij kon volstaan en zonder toezicht niets uitvoerende. Ook al werkte hij voor zichzelf, dan nog moest men de tijdelijke meerdere krachtsinspanning, die hij zich daarbij getroostte, niet aan vlijt toeschrijven maar aan luiheid: zijn doel was dan niet zooveel mogelijk werk af te doen, doch zoo spoedig mogelijk weer tot rust te komen. Alleen de rijstcultuur, ter onzaliger ure door de volgers van Mohammed ingevoerd, die zich als een log blok in de weg zet van[84]alle meer winstgevende bedrijven, in langwijlig peuterig werken alle arbeidskrachten verslindend en indirecte voortbrenging door loonend ruilverkeer belemmerend—slechts de rijstcultuur draagt zijn goedkeuring weg, omdat daarbij alles met de langzaamheid van een karbouw geschieden kan.

Tusschen die twee in, had Wije zich den Chinees gedacht; maar in deze dagen was hij tot andere gedachten gekomen en meende hij de oplossing van het raadsel: hoe een Chinees rijk wordt, te hebben gevonden in zijn volhardend werken, mits dit gepaard gaat met beleid. Want waarschijnlijk was er onder het beheer van Kan Liong Tjoe niet minder ijver betracht dan thans, nu hij aan het hoofd stond, maar de vorige chef miste beleid, zoowel als de grootere kennis die den Europeaan ten dienste staat. Het was, vond Wije, een harmonisch geheel: Chineesche werkkracht onder Europeesche leiding.[85]

Detokoillustreerde deze stelling en ging zóó goed dat Wije zich gelukwenschte, en nu van wege het resultaat, met zijn betrekking. Er was geen kwestie van, of de tractementsregeling zou in zijn voordeel uitkomen; voorzoover hij reeds nu kon nagaan, zou zijn aandeel in de winst alleen zijn vroeger salaris als verkooper van de firma overtreffen. In zekeren zin was hij nu ook chef; geheel onafhankelijk toch was nagenoeg niemand, maar men liet hem de vrije hand èn hij verdiende. Ziedaar de twee factoren die iemand stempelen tot chef. Het hinderde hem nu ook geenszins dat men hem voor een halven Chinees aanzag; eer hij het had bemerkt was hij in zijn phase van geluk gekomen, en die deed hem de rest minachten.

Op een morgen verscheen Kan Liong Tjoe in de hem ontnomentoko. Toen hij binnenkwam stond Wije met den rug naar den ingang, een bediende iets aan te wijzen bij een[86]der stellingen met goederen, en deze, die de ontvangen inlichting, volgens een door Wije ingevoerde gewoonte, repeteerde om te doen blijken dat hij het begrepen had, dempte plotseling het geluid van zijn stem, terwijl een ander die haastig kwam aanloopen van uit het magazijn, eensklaps zijn vluggen tred inkortte en voortliep met een slentergang dien Wije al sinds maanden niet meer kende. Het was zulk een verrassende verandering, dat Wije, die met een snellen blik hetzelfde ook bij de overige bedienden opgemerkt had, den bewerker daarvan onwillekeurig onvriendelijk te gemoet trad.

„Mau apa di sini?”1vroeg hij norsch en uit de hoogte.

Kan Liong Tjoe had wel weer heen kunnen gaan, zoo hij ten minste gekomen was met het voornemen om den door zijn komen veroorzaakten toestand te bestendigen; want nauwelijks[87]hadden de bedienden gehoord op welken toon hun vroegere baas werd aangesproken, of zij gingen weer hun gang als bestond er geen Kan Liong Tjoe. Wellicht gevoelden zij dat hier een conflict dreigde te ontstaan tusschen de groote machten, waarin de kleinere, zoo zij er zich in mengen, steeds het gelag betalen.

„Ik wilde meneer gaarne even spreken,” zeide Kan Liong Tjoe beleefd, en toen Wije hem medegenomen had naar het hoekje waar hij zelf vroeger zijn menschen ontving, vervolgde hij: „Men zegt dat het zoo goed gaat met detoko.”

„Jawel,” antwoordde Wije, nog steeds kortaf; „maar je komt zeker niet alleen om dàt te vertellen.”

„Om te vragen of het waar is.”

„Nu ja! Het is waar. Wat verder?”

„De menschen zeggen dat het komt doordat meneer zoopinteris.”[88]

„Dat kan wel,” lachte Wije, door deze woorden toch eenigermate gevleid.

„Nu dacht ik,” zeide Kan Liong Tjoe, „dat zoodoende detokogauw weer aan mij terugkomt. Maar wat zou ik er aan hebben, als ik haar toch niet zoo goed kan beheeren, dat zij winst afwerpt?”

„Waar moet dat heen?” vroeg Wije zich af. „Denkt hij mij te kunnen engageeren voor dat geval?”

„Met mijn andere zaken gaat het ook al niet,” vervolgde de Chinees. „Ik kan er van leven totdat ik detokoterugkrijg, maar meer ook niet. En dan gaat het toch niet, omdat ik nietpintergenoeg ben. Mijn schuld aan de firma is heel groot; het kan nog eenige jaren duren eer die uit detokois betaald; zou meneer mijn zoon als bediende willen aannemen en hem leeren, tot hij bijna zoopinteris als meneer zelf?”

Wije’s gelaat betrok. Hij had niet veel zin[89]in dat voorstel, daar hij den Chinees niet vertrouwde en het zoontje achteraf wel eens een nieuwe oplage van het Trojaansche paard kon blijken. Aan den anderen kant had hij medelijden met den man, die in zijn eigen zaak een plaatsing kwam vragen voor zijn zoon. En over ’t algemeen weigert men niet graag iets aan iemand, die voor een ander wat komt vragen. Wije aarzelde.

„Eerst had ik naar de firma willen gaan,” zeide Kan Liong Tjoe, het zwijgen van den ander misduidend, „maar ik bedacht dat ik beter deed, voor ik daartoe overging, bij meneer te komen.”

Lag in deze woorden een bedreiging? Wije meende het en werd woedend. Als de Chinees naar de firma ging, stond de kans tien tegen één, dat de chef hem terwille zou trachten te zijn, enkel en alleen omdat hij, Wije, het anders inzag. Er zou weer een reeks onaangenaamheden uit voortvloeien, maar.… hij liet zich niet dwingen en niet dreigen ook. Op het[90]punt Kan Liong Tjoe met een weigering af te schepen, ging hem echter plotseling de vraag door het hoofd: wat zouden de Chineezen er van zeggen? Dáármee viel rekening te houden, dat moest eerst onderzocht.

„Ik zal er over denken,” zeide hij, „en je dezer dagen bericht sturen. Trouwens op het oogenblik is er personeel genoeg.”

„Hij behoeft geen geld te verdienen, eer meneer hem werkelijk gebruiken kan,” opperde Kan Liong Tjoe.

„Begrepen,” zeide Wije. „Nu, zooals gezegd, ik zal bericht sturen.” Hiermede liet hij den Chinees gaan.

Er verliepen een paar dagen, gedurende welke Wije het te druk had; doch toen begaf hij zich, op een middag, naar Piong Pan Ho om dezen te raadplegen. Hij trof hem gelukkig thuis, wat anders een zeldzaamheid was, daar deSingkehin den laatsten tijd bijzonder dikwijls op reis ging.[91]

„Kan Liong Tjoe is een dikke leugenaar!” barstte Piong Pan Ho los, na Wije aangehoord te hebben. „Nu hij detokokwijt is, heeft hij meer vrijheid en ruimte in zijn zaken dan voorheen; en met de tienduizend gulden die ik voor zijn aandeel in de pacht heb gegeven, ontbreekt het hem niet aan contanten. Meneer moet het niet doen; het is eenakal, daar ik die varkens in detokowel commandeeren kan, doch hem niet, noch zijn zoon. Maar anders had hij dubbel het pakrottan-slagen verdiend, dat ik toen aan dien bediende heb laten geven.”

„Oho!” riep Wije uit. „Ik heb er lang over gepikird,sobat, hoe je dat in der tijd hebt aangelegd …”

„U zult het toch niet aan den resident vertellen?”

„Waar zie je me voor aan? Je hebt me immers geholpen!”

„Betoel,” zeide Piong Pan Ho, die er nu reeds aan begon te wennen tusschen oorzaak en[92]gevolg, waar hij het verband niet zag, daarvoor eenvoudig het geheimzinnige Europeescheatiin de plaats te brengen; een begin van abstraheeren! „Dus meneer keurt derottan-straf niet af?”

„Neen,” zeide Wije, „dat doet niemand.”

„Waarom hebben de Hollanders die dan verboden?”

„Ja, dàt weet ik ook niet.”

„Sebab dia poenja ati baik,”2besliste Piong Pan Ho, waarmee Wije lachend instemde.

„Wat is dat toch voor een feest,” vroeg deSingkeheen oogenblik later, „waarvoor al detoko-blandazoo mooi gemaakt worden?”

Wije legde hem uit, zoo goed hij kon, wat Sinterklaas was.

„Het is aardig voor de kinderen, dat zij op dien dag cadeautjes mogen ontvangen,” zeide Piong Pan Ho met een uitdrukking alsof hij zich plotseling iets herinnerde. „Maar,” ging[93]hij peinzende voort, „nemen ook groote menschen geschenken aan op dat feest?”

„Zeker,” antwoordde Wije. „Hoezoo?”

„Ik wou graag luitenant worden,” fluisterde deSingkeh.

„Pas op!”waarschuwdeWije. „Een poging tot omkoopen wordt zeer kwalijk opgevat.”

Dat wilde de Chinees dan ook niet doen, enkel een cadeau sturen aan de mevrouw; als die maar dikwijls tegen haar man zeide, „die Piong Pan Ho zou zoo’n geschikt luitenant wezen” dan ging het van zelf.

„Maar men benoemt iemand niet tot luitenant,” zeide Wije, om van dit chapitre af te komen, „die niet minstens een mooi huis bewoont.”

„Ada!” riep de voormaligeklontong. „Wil meneer het zien?”

Hij leidde zijn bezoeker door de propvollegoedang, tusschen kisten en balen, langs nauwe gangetjes en opende een deur. En Wije stond[94]eensklaps voor een groot, in Europeeschen trant gebouwd woonhuis. Een flauwe bocht in het dak, ten bewijze dat de nokbalk niet uit één stuk bestond en de booze geesten er derhalve geen voor hen geschikt verblijf konden vinden, wat verguldsel aan de ijzeren kolommetjes der voorgaanderij en de paneelen van deuren en vensters, doch overigens een woning van de fraaiste soort, met breede marmer-bevloerde galerijen en ruime hooge vertrekken.

Op die plek maakte het een zonderlingen indruk, als van iemand in gala-costuum in een smidswerkplaats of een paard in een huiskamer, omgeven als het was door dichtbijstaande Chineesche barakken met opgelapte zij- en achtergevels.

„Hoe komt dàt hier?” zeide Wije onwillekeurig.

„Ik heb het gemaakt,” verklaarde Piong Pan Ho, hem voorgaande in de stijf maar kostbaar gemeubelde binnengalerij. Een der deuren van de kamers was hoog uit den grond, en[95]daarvóór stond een los houten trapje. DeSingkehnam het weg en ontblootte dusdoende de brandkastdeur, die tot den halfonderaardschen kelder toegang gaf.

„Wacht even, meneer,” zeide Piong Pan Ho; en afdalend, ontstak hij een lamp die aan het gewelf hing. Toen riep hij Wije.

Langs den muur stonden kleine, gemakkelijk te hanteeren kistjes, die voorheen volgens het ingebrande merk, tot verpakking van cognac hadden gediend, op sommige plaatsen tot drie en vier hoog opgestapeld; waar berging te kort kwam, waren ze vervangen door aardenkwalies. Een huivering doorliep Wije’s leden toen hij den inhoud zag, zilvergeld en bankpapier. Hij was niet gewoon geld te zien gestapeld en kon dus geen taxatie maken, doch zooveel zag hij wel, dat hier een vermogen was opgeborgen.

„Zonde van ’t geld,” merkte hij op, een kistje met banknoten aanwijzende, waar de schimmel een duim dik op lag.[96]

„Soesah,” klaagde Piong Pan Ho; „ik kan niet meer in zaken steken. Het volgend jaar, als de opium weer verpacht wordt, denk ik voor de helft mee te doen; dan ruim ik iets op. Maar er komt toch altijd meer bij.”

Wije verliet spoedig den kelder; de geldstank maakte hem wee.

„Maar zeg eens,” vroeg hij, toen ze het geheele huis hadden gezien, „waar woon je zelf?” Geen der kamers toch droeg sporen van bewoning.

„In de bijgebouwen.”

Zoo was het. DeSingkehwilde wel een mooi huis bezitten, doch niet bewonen. Wije begreep dit niet.

„Heb je geen kinderen?” vroeg hij, om een verklaring daarvoor te zoeken.

„Nog niet,” zeide Piong Pan Ho, met iets treurigs in zijn stem.

Wije had een wonde plek aangeraakt. Piong Pan Ho had niemand aan wien hij met genoegen zijn rijkdommen kon achterlaten; en[97]dat steekt elk mensch, van welken landaard hij wezen moge. En wat had hij er al niet voor gedaan! Eerst had hij zijn vrouw de schuld gegeven en deze hem eindelijk een voorstel gedaan als oudtijds Sarah aan Abraham; evenals deze had hij zich tot een Hagar gewend, neen, tot verscheiden; doch als hij die de woestijn inzond, hadden zij geen van allen een Ismaël, noch bij zich, noch ook bij Piong Pan Ho achtergelaten.

Hij was geëindigd met het te beschouwen als een vloek, die op hem rustte en waaraan hij liever niet dacht. In de zwakke hoop van misschien een goeden raad te zullen krijgen van een Europeaan, die toch zooveel wist, sprak hij er even over met Wije; maar toen hij bemerkte dat het te vergeefs was, veranderde hijzelf haastig van onderwerp.

[98]

1Wat wil je hier?↑2Om hun goed hart.↑

1Wat wil je hier?↑2Om hun goed hart.↑

1Wat wil je hier?↑

1Wat wil je hier?↑

2Om hun goed hart.↑

2Om hun goed hart.↑


Back to IndexNext