[Inhoud]II.II.TWEE DOZIJN MET DE ROTTAN.Zoo Wije met lust en moed zijn nieuwe betrekking had opgevat, hij mocht van beiden wel een voldoenden voorraad hebben om onder haar last niet te bezwijken; want al spoedig zag hij in dat er op medewerking van den kant der Chineezen niet te rekenen viel. Vroeg hij iets in detokoaan een der bedienden, dan wist hij haast zeker dat het antwoord dáárop zou neerkomen, dat de man het niet wist; zelfs de meest dagelijks voorkomende zaken schenen zij allen plotseling te zijn vergeten. Als er klanten kwamen die naar de[23]prijzen vroegen van het een of ander, liepen zij geregeld naar Wije; en als hij, die natuurlijk daarvan ook nog niet geheel op de hoogte was, dan lang werk had eer hij het kon zeggen, of er zich blijkbaar met een Franschen slag uitredde, vermaakten zij zich inwendig met zijn verlegenheid; dat gevoelde hij, hoewel aan hun gezichten niets was te zien. Wat er vroeger voor betaald werd?Ja, nu eens zooveel, dan weer zooveel, al naar men krijgen kon. Men was gewoon maar een prijs te noemen, zorg dragend dat die niet te laag was, en dan betaalde de een, terwijl de andertawarde; in het uiterste geval liep men naar den baas. Doch nu meneer alles zoo precies wenschte, durfde men dat zoo niet meer te doen.Daar viel niets tegen te zeggen, maar lastig was het.Wije begon een boek aan te leggen, waarin hij al de duizend en één artikelen met hun[24]in- en verkoopsprijs opschreef, ruimte latend voor denotitiesvan de schommelingen der markt, een reuzenwerk weliswaar, doch dat hem een boel gemak bezorgde toen het eenmaal gereed was.Ook in de boekhouding had hij orde en regelmaat moeten brengen, doch hierbij was hij zelf de man die het wist, dus dat ging gemakkelijker. De kas werd elken avond opgemaakt. De eenige moeilijkheid die zich bij dit gedeelte van het werk voordeed, was het kleine geld. Overdag was er nooit genoeg om voor de koopers te wisselen, maar ’s avonds, als Wije voor de securiteit het geld meenam, was het juist omgekeerd. Dan ontbrak het zoo gewilde bankpapier ten eenenmale en moest de bodem van zijn wagenbak dikwijls een zware proef doorstaan, om niet te spreken van het uittellen, eerst in detokoen dan weer als hij het afdroeg aan de firma.Wije maakte bij zichzelf de opmerking, dat[25]het een der moeilijkste dingen ter wereld was, om plotseling het beleid eener eenigszins omvangrijke zaak op zich te nemen. Het was daarmede als met een nieuwe taal die men te leeren had; niet alleen moet men de woorden kennen en herkennen, doch men moet ze ook tot zijn beschikking hebben, op ieder oogenblik. Dat kost oefening, die grooter schijnt dan die waarmee men zijn moedertaal heeft aangeleerd.Toen Wije zoowat twee maanden in detokowas geweest en het daar zoover had gebracht dat de zaken een geregelden gang gingen, en het scheen dat de Chineezen hun lijdelijken weerstand hadden opgegeven, gebeurde er eensklaps iets dat hem bijna bewogen had er den bijl bij neer te leggen. De dagelijksche administratie over den verkoop door deklontongsberustte bij een dertoko-bedienden. Op zekeren dag bespeurde Wije dat deze zijn aanteekeningen in Chineesche karakters hield, niettegenstaande[26]hij dit dadelijk bij zijn komst voor goed had verboden, zoowel als het spreken in hun koeterwaalsch als hij tegenwoordig was.Want hij had zich nu eenmaal, terecht of ten onrechte, in zijn hoofd gezet, dat de Chineezen beide dingen enkel deden om de Europeanen te bedriegen.Zonder iets te zeggen nam Wije het boekje weg, sloot het in zijn lessenaar en maakte een ander op volgens de staatjes, die hij van denzelfden bediende ontvangen had. Dit legde hij neer op de plaats van het oude. Daarop verwijderde hij zich van het tafeltje, zeer tevreden over zichzelf, daar dit juist de eenige gelegenheid was waarbij men kon knoeien, sedert er een aparte uitgang was gemaakt voor de localiteiten waar de Chineezen huisden, entokoen magazijn ’s avonds konden worden afgesloten.Toen deklontongseindelijk binnenkwamen,[27]en de bewuste bediende zich naar het magazijn begeven had, waar hij met hen afrekende, vond hij het nieuwe boek. Hij bladerde er eenige oogenblikken in, zich bezinnende wat hij tegen deze nieuweakalvan den Europeaan moest doen. Daarop ging hij naar Wije; en het was merkwaardig om te zien, welk een uitdrukking van goeden wil door groote domheid ijdel gemaakt, zich op dat ronde gelaat had afgespiegeld.Wije kende dien trek en vermoedde wat er gebeuren zou toen hij den Chinees zag aankomen.„Meneer, ik begrijp dit niet.”„Kan je het soms niet lezen?”„Jawel meneer; het is heel goed.”„Wat begrijp je er dan niet van?”„Niets.”„Dat is niet veel,” zeide Wije flegmatiek. „Wil je het begrijpen?”„Heel graag, als meneer mij leeren wil.”[28]„Goed.” En Wije riep den bediende die het winkelboek bijhield. Dezen gelastte hij met den ander mede te gaan en hem te wijzen, hoe hij, uitgaande van de saldo’s die in het door hem opgemaakte boekje stonden, de dagelijksche bijschrijving of afschrijving moest noteeren. „Die is erin geloopen!” zeide hij bij zich zelf, toen de twee Chineezen zich verwijderden.Doch hij had zich te vroeg verheugd; want een kwartier later kwam de een terug met het bericht dat zij in het boekje van meneer niet konden zien hoeveel goed iedereklontongmoest hebben.„Dat komt er niet op aan,” zeide Wije. „De zaak is maar hoeveel geld zij afdragen. Dat schrijf je af; en zoo zij goed noodig hebben, schrijf je de waarde bij.”„Deklontongswillen echter weten of hun rekening uitkomt.”„Kwam hun rekening gister uit?”„Ja meneer.”[29]„Dan moet die immers voor vandaag verminderd worden met wat zij afdragen; en vermeerderd met wat zij opnieuw ontvangen aan goed?”„Ja meneer.”„Welnu, wat dan nog meer?”„Niets meneer; maar zij begrijpen dat niet.”„Laat ze stikken!” riep Wije uit, woedend nu. „Denk je dat ik voor ieder hunner een aparte boekhouding aanleg?”„Zooals meneer wil.”„Nu, ik wil het niet anders. Zeg het hun en ruk uit.”De Chinees deed wat hem bevolen was. Vijf minuten daarna verscheen de ander, de man van deklontongs.„Meneer, deklontongszeggen dat zij het zoo niet gewoon zijn.”„Dan moeten zij er maar aan wennen.”„Een Chinees kan niet wennen aan iets waaraan hij niet gewoon is.”Wije schoot in een luiden lach.[30]„En jullie dan?” vroeg hij. „Er is dunkt me hier heel wat veranderd sinds ik gekomen ben.”Dat was zoo, gaf de man toe. Maar zij waren bereid meneer in alles ter wille te zijn, hoe moeielijk het ook was, doch eenklontongwas daartoe te dom. Het beste zou zijn dat meneer hem het boekje teruggaf; dan zou hij dat voor deklontongsaanhouden en probeeren het andere naar den zin van meneer in te schrijven.Wije wilde daar echter niet van hooren. Hij besloot vol te houden, inziende dat de tegenpartij hier zwak was en haar lijdelijken tegenstand zou moeten opgeven. De Chinees verzocht hem ten slotte zijn voornemen zelf aan deklontongskenbaar te willen maken; hij was overtuigd dat zij zich bij meneer’s besluit zouden neerleggen, als zij het uit diens eigen mond vernamen; het was dantoewan poenja soeka1en niet, zooals zijn nu meenden, een uitvinding van den bediende.[31]Dat scheen billijk, en Wije begaf zich derhalve naar het magazijn, waar deklontongswaren. Onderweg had hij zich bedacht op welke manier hij de zaak zou aanvatten. Zich zettend voor het tafeltje, nam hij het boek en riep den eersten naam die daarin stond, uit. Niemand antwoordde.„Zijn Chineezen soms niet gewoon bij hun naam genoemd te worden?” vroeg Wije den achter hem staanden bediende.„Wien wil meneer hebben?” vroeg deze terug en op Wije’s aanwijzing herhaalde hij den naam, tevens den drager daarvan een wenk gevende.Een kleine magere Chinees trad uit den hoop naar voren.„Jij hadt gister ƒ 132.26 schuld,” zeide Wije. „Klopt dat of niet?”De aangesprokene grijnslachte, doch zeide niets.„Vraag jij het hem,” gebood Wije den bediende, en deze deed het.[32]„Tida tahoe2,” klonk het nu, onder heftig hoofdschudden.„Klopte het gister?”„Ja meneer,” antwoordde de bediende.„En waarom weet hij het nu niet?”„Hij zal het misschien vergeten zijn.”„Maar wat geeft het dan, of het boek in Chineesch schrift wordt bijgehouden, en alles van het goed wordt opgeschreven?”„Ja … dan herinnert hij het zich weer.”„Baik,” zeide Wije kort. „Laat hem zijn geld uittellen.”De bediende begon te spreken, doch in het voor Wije onverstaanbareargot.„Houd op!” viel deze in. „Spreek Maleisch.”„Als ik Maleisch spreek geeft hij zijn geld niet.”Wije’s geduld was ten einde. Opstaande diende hij den bediende een klinkende oorvijg toe. Doch de Chinees, die niet gewoon was zich als een inlander te laten slaan, en er dus volgens[33]zijn eigen uitspraak ook niet aan wennen kon, vloog, zoodra hij van de verbazing bekomen was, op Wije aan. En plotseling ontwaakten ook de anderen uit hun apathie, om hun landgenoot te hulp te komen. Zij waren echter niet vlug genoeg. Met een schop tegen diens maag had Wije zich van zijn bespringer ontslagen, een poot losrukkende van den stoel waarop hij gezeten had, timmerde hij daarmede op de lichaamsdeelen van hen die hem eveneens hadden aangegrepen, en een sprong doende daar waar de rij het dunste was, brak hij er door en bereikte de deuropening. Hier konden zij hem alleen in het front aanvallen en één had de spits moeten afbijten; daartoe scheen niemand lust te hebben.„Trek dat tafeltje hierheen,” gebood Wije den bediende van het winkelboek, die zich tot nu toe geheel passief had gehouden. „Ziezoo. Laat hen één voor één hun geld afdragen, en boek het in. Als zij niet willen, sluit ik de deur en haal de politie.”[34]Dit hielp. De een na den ander telde uit en werd door Wije naar buiten gejaagd met het bevel zich onmiddellijk in het logies te begeven. Eindelijk bleven alleen de twee bedienden over.„Nu weet je hoe het gedaan wordt. Morgen precies eender,” zeide Wije tot den man derklontongs, en ging terug naar detoko.Er was dien avond groote conferentie in het logies der Chineezen. In plaats van de vermoeienissen van den dag te verdrijven door een langen nacht slapens, zaten of stonden deklontongsrondom de bedienden die op dien middag bij Wije’s handelingen waren tegenwoordig geweest. Het eerste uur was doorgebracht met een wild dooreenschreeuwen, waaruit niemand, zelfs geen Chinees, wijs kon worden. Toen kwam er een toestand die den naam van een ongeregeld debat mocht dragen, maar dan toch een debat, ingeleid door een voorstel van den bediende die de administratie over[35]deklontongsvoerde, dat hem eindelijk gelukt was aan allen verstaanbaar te maken. Dit was om den volgenden morgen het werk te staken. Met horten en stooten, telkens een oogenblik van betrekkelijke stilte afwachtende, voerde hij de verdediging, daartoe bijgestaan door zijn kameraad, die beweerde evenals hij de manieren der Europeanen door en door te kennen. Deze toch wisten zich niet te helpen, zoodra er een afwijking plaats vond in den dagelijkschen gang van zaken; zij meenden alles te kunnen regelen met bevelen en geweldplegen, doch waar noch bevelen noch vloeken noch geweld hielp, en ze bovendien niet aan het geld van hun ondergeschikten konden komen, daar stonden zij machteloos. Er was geen sprake van dat hij, die thans aan het hoofd dertokostond, een middel zou weten te bedenken om hen te dwingen. Een Chinees … dat was iets anders. Die zorgde wel dat zij zich door hun schuld gebonden achtten; als hij die niet wettelijk[36]kon invorderen, dan waren er nog andere manieren om tot hetzelfde doel te geraken, want hij vond altijd steun bij zijn landgenooten, en daardoor stond men steeds tegenover een sterkere macht, die nimmer verzwakte, omdat men zich onder elkaar getrouwelijk hield aan de goede gebruiken en wetten der gewoonte. Bij de Europeanen was dat juist omgekeerd. Zij hadden een wet ontvangen van hun overheid, waarbij bepaald was dat iemand die niets bezat, niet verplicht was zijn schuld te betalen en er ook niet voor behoefde te werken. In plaats nu van zich aaneen te sluiten en door onderlinge maatregelen die wet onschadelijk te maken, nam de een den man in zijn dienst, die feitelijk een pandeling van den ander behoorde te zijn. Ja, zij hadden er schik in als hun buurman nadeel leed.De winkelbediende voegde hier een voorbeeld bij. Toen hij nog boodschappen bezorgde, voor Kan Liong Tjoe, was hij eens ergens gekomen[37]waar juist een dame bezig was debaboevan een andere dame af te troggelen. De meid antwoordde dat zij wel genegen was bij mevrouw te komen, maar dat zij niet weg kon omdat zij achttien gulden voorschot had.Tra perdoeli, had hij toen die dame hooren zeggen, en zij had er bijgevoegd dat die schuld toch niet was te innen en de meid niet bang behoefde te zijn voor bedreiging met de politie; dit wastempo doeloewel anders geweest, maar nu kon zij volstrekt geen gevaar.Tegen dat alles hadden deklontongsniets te zeggen; maar hun hoofdbezwaar, een dag verlies, bleef bestaan. En als het nog maar met één dag afliep! Maar wie weet of die Europeaan niet zou volhouden; hij had reeds meer getoond dat hij koppig was als een muildier. Wat dan?Dan nog geen nood, luidde het tegenbetoog. Het was beter twee dagen, ja een week, niets te verdienen en daarna op den bestaanden[38]voet te kunnen doorwerken, dan zich neer te leggen bij den wil van den Europeaan. Want deed men dit, dan waren alle extra’s uit. Men zou rekenschap moeten geven van elke halve el goed, van elken knoop; in de boekhouding der Europeanen ging niets verloren. En zoo heel lang kon het niet duren. Leden zij schade, de zaak eveneens; en al wilde de chef dit tijdelijk laten doorgaan, heel spoedig zouden de anderen, aan wie hij ondergeschikt was, tusschenbeiden komen.Doch het idee van eenstrikewilde erbijde Chineezen niet in. Hoe de bedienden ook hun best deden, deklontongsbleven zich verzetten. Er moest iets gedaan worden, dat erkenden zij, maar werkstaken … dat was zóó nieuw, zóó ongewoon! Eindelijk bedacht een der volksleidersin speeen uitkomst. Hij wilde Kan Liong Tjoe opzoeken en diens oordeel vernemen; als dit ten gunste van zijn voorstel uitviel zouden deklontongshet werk staken,[39]zoo niet, dan moest men iets anders verzinnen. Dit werd aangenomen; en terwijl de bediende zich, ondanks het nachtelijk uur, op weg begaf, zochten de anderen hun slaapsteden op.Wat Kan Liong Tjoe gezegd had bleek den volgenden morgen. Toen Wije kwam en de sleutels van het magazijn aan den bediende overhandigde, deelde deze hem mede dat er geen enkeleklontongwilde werken.„Ook al goed,” zeide Wije, die wel begrepen had dat er iets van dien aard zou geschieden. „Maar dan heb ik jou ook niet noodig. Ga je vrienden opzoeken. Zoodra zij weer uitkomen, kan jij ook terugkeeren. Intusschen staat je verdienste stil.”„Baik,” zeide de bediende, maar blijkbaar ten hoogste verrast.Wije nam de zaak in den beginne niet heel zwaar op. Wat gisteren gebeurd was mocht zich natuurlijk niet herhalen, daarvoor zou hij zorgen; voor het geval dat men hem aanviel[40]had hij een zakrevolvertje bij zich gestoken, en zelf zou hij zijn handen niet meer uitsteken. Op den duur konden deklontongstoch niet blijven luieren; elders werk vinden was voor hen zeer moeilijk; dus het einde van de zaak moest zijn dat hij overwon.In den loop van den dag ging hij naar het kantoor zijner firma en maakte terloops melding van het geval. De chef echter bleek zijn optimisme niet te deelen. Een enkele dag kon geen kwaad, maar als het langer aanhield zou detokoer geducht onder lijden, vond hij. De verkoop door deklontongsbedroeg meer dan men had verwacht en had het groote voordeel van uitsluitend à comptant te zijn. Wije moest derhalve zorgen dat hij de zaak, hoe dan ook, spoedig schikte.„Men moet toch wat zeggen,” mompelde Wije, toen hij het kantoor verliet, doch ’s namiddags, nadat de chef door van Beek had laten vragen hoe het stond met deklontongs,[41]zag hij in dat het ernstiger dreigde te worden dan het zich had laten aanzien. Zoolang men hem vrijheid van handelen liet was het niets, doch die onbekookte inmenging en overhaasting konden alles bederven. Aan toegeven dacht hij echter niet, ook niet toen zich den volgenden dag de boodschappen van het kantoor herhaalden.„Zeg dat ik wel bericht zal sturen,” zeide hij eindelijk tot van Beek; „en als je weer gestuurd wordt, loop dan maar een straatje om. Je gezicht maakt mij zenuwachtig.”„Meneer schijnt zich erg ongerust te maken; hij is al naar meneer Duna geweest ook,” deelde van Beek mee.„’t Kan me niet schelen,” zeide Wije. „Weet ge wat … zeg dat ze op het punt stonden van toe te geven, maar dat zij daarvan hebben afgezien toen zij bemerkten dat jij zoo dikwijls hierheen kwam. Daaruit maken ze op dat ik door den baas word opgejaagd.”[42]„Maar dat is immers niet waar?”„Zeker is dat waar! Een der bedienden heeft het mij verteld.”Aan den avond van den derden dag was Wije wanhopig. Van Beek was weggebleven, maar in diens plaats had de chef eenmandoergezonden met een briefje, een uur daarna weer een en zoo voort, telkens een ander als „brenger,” maar zonder variatie in het verzoek om aan genoemden brenger bericht mede te geven omtrent deklontongs. Hij had een bezoek gebracht aan Kan Liong Tjoe, doch zonder resultaat.De gewezentoko-houder ontving hem beleefd, doch betuigde hem niet te kunnen helpen. Ten eerste schatte meneer zijn invloed te hoog; hij was uit detokoen had dus niets meer te zeggen; ten tweede stond hij gereed om op reis te gaan naar het binnenland, waar hij zaken had.„Die ellendeling!” zeide Wije ’s avonds tot Anneke, aan wie hij de geheele historie had[43]verteld. „Ik ben overtuigd dat hij er plezier in heeft. Eén woord van hem en ’t is uit. Maar ik geef het niet op. Buigen zullen ze, of ik verzoek ontheven te worden van dat baantje.”„Maar Papa,” vroeg Anneke. „Zou die andere Chinees u niet kunnen helpen?”„Welke andere?”„Die toen hier was … u weet wel, de man van dat armbandje.”„Piong Pan Ho!” riep Wije uit. „Wie weet! Ja … ik ga er dadelijk heen.”„Daar komt iemand aan,” zeide Anneke, eenige oogenblikken later, juist toen het rijtuig voorreed. „O!”„O!” herhaalde Wije, met een begin van goeden luim. „Tot straks!” En hij sprong in den mylord om halverwege het voorerf den verbaasden van Beek voorbij te rijden.Deklontongswaren wederom vergaderd. In het langwerpig nauw vertrek heerschte een drukkende hitte. De zware balken aan[44]de zoldering, die niets te dragen hadden dan hun eigen gewicht en een dun planken dek, oorspronkelijk donkerbruin geverfd met roode randen, doch nu zwart door in roetmoppen saamgegroeide spinnewebben, de muren vuilblauw van de eenige jaren geleden opgestreken met indigo vermengde witkalk, de daar tegen steunende rollen beddegoed van hen wier slaapplaats dit vertrek uitmaakte, zogen de weinige lichtstralen, die een pit op een met petroleum gevulde wijnflesch flikkerend verspreide, nagenoeg geheel op, voorzoover zij niet loodkleurig reflecteerden op de aangezichten en bovenlijven van deklontongs, die ditmaal zwijgend den geschorsten bediende aanzagen, luisterend naar hetgeen hij te zeggen had.Meer dan het vorig plan, droeg het zooeven gesproken woord hun instemming weg.„Het is deze Europeaan, die ons in den weg staat,” luidde het. „Een ander zou het[45]al lang hebben opgegeven. Als wij hem kunnen verwijderen zal alles goed gaan. Nu, er is niets anders aan te doen dan dat wij hem doodslaan. Voor minder wijkt hij niet. Maar wij moeten het gezamenlijk doen, en zóó dat het een ongeluk schijnt.”Eenige kreten bewezen den spreker dat men het geheel met hem eens was.„Morgen ochtend,” vervolgde hij, „gaan allen weer aan het werk. Dat wil zeggen, jelui wacht als gewoonlijk vóór de deur vangoedang. Als ik die heb opengemaakt dringen allen naar binnen, op twee na.” Hij wees er twee aan. „Binnen, blijf jij”—wederom een aanwijzing—„vlak achter de deur staan. De anderen heffen een vervaarlijk geschreeuw aan.”Deklontongslachten. Dat viel in hun smaak!„Dan loopt hij natuurlijk naar binnen, om te zien wat het is. Maar de twee die buiten blijven, haken hun voeten om zijn beenen.[46]Kijk, zóó. Dan struikelt hij. Op dit oogenblik steekt hij, die achter de deur staat, hem het mes in de borst. Goed raken hoor!”Dat beloofde de bedoelde.„Vervolgens dragen wij hem een eindje verder, naar een pak goed, en leggen hem daar op, het mes tusschenrottan-touwen stekend. Dan loopen wij naar detokoen vertellen dat deblandagevallen is … toevallig juist in een mes dat op de gewone manier aan het pak van depikoelanwas vastgestoken.”Een daverend applaus op Chineesche manier, gelijkend op het brullen van tijgers en het geschreeuw van krolsche katten doorelkaar, volgde na deze woorden. Het scheen niemand te treffen, dat de bediende zelf geenerlei aandeel in de te plegen handeling voor zijn rekening nam. Wel protesteerden zij die aangewezen waren om Wije te doen struikelen, doch dit werd geschikt door hun getal op vier te brengen. Toen achtten zij zich[47]sterk genoeg en prezen mede den ontwerper van het plan, zich verheugend over zijn terugkeer tot Chineesche begrippen, in de ontwikkeling waarvan hij zich een meester getoond had.„Hondenkinderen!”Met één woord, schrijft Tacitus, dempte Caesar een soldatenoproer: door henQuirites, Ridders, te noemen, die den krijgseed schonden. Piong Pan Ho, plotseling verschijnend in de deuropening, deed iets dergelijks. Wel was er een groot verschil in den aanhef van beider redevoering, maar men bedenke dat Caesar te doen had met mannen die eergevoel bezaten. De uitwerking was nochtans dezelfde.Verlamd door schrik staarden deklontongsop den in donkerblauw gekleedenSingkeh, wiens streng gelaat zij ondanks de slechte verlichting onmiddellijk herkend hadden. En zij luisterden zwijgend naar hetgeen hij verder[48]te zeggen had. Het was weinig en stond wat kieschheid van vorm en inhoud betreft, tot datgene wat Caesar op zijn „Quirites” deed volgen, als de zooeven door Piong Pan Ho gebruikte term tot het woord van den grooten veldheer. Het laatste gedeelte gold in ’t bijzonder den bediende, die rillend en met starren blik voor zich keek.„Haal eenrottan,” gelastte deSingkeh, en een der Chineezen verliet het vertrek om spoedig daarna met het verlangde terug te keeren. „Neem het licht van die kist en leg hem er op.”De bediende liet het doen, zonder aan tegenstand te denken. Voorover op de kist, lag hij roerloos. Men had zijn armen uitgespreid; op ieder daarvan en ook op elken voet, ging een Chinees zitten. Door een grillig spel van het toeval waren het juist die vier, die aangewezen waren om Wije te doen struikelen, en hij die den messteek zou toebrengen[49]stond, na een hinderlijk kleedingstuk te hebben verwijderd, op zij van de kist met derottanin de hand, wachtende.Er was een oogenblik van zoo groote stilte, dat men de ademhaling derklontongshooren kon, grof en zwaar, als van menschen die na langdurige lichaamsinspanning nog niet gerust hebben.„Twee dozijn,” klonk het vonnis, kort maar beteekenisvol.Scherp suisde derottandoor de lucht, neerkomend met een geluid als van een hevigen snik, en de kist met allen die er op zaten, schudde door de geweldige spiertrekking van den getroffene. Bij den derden slag bleef een bloedige striem achter en de bediende uitte een doordringenden gil, den eersten, doch die bij de volgende slagen zich herhaalde, telkens langer, vervloeiende tot een jankend gehuil tegen het einde van de strafoefening. Deze had twee minuten geduurd.[50]„Wie van af heden dentoewan-tokonog iets in den weg legt, ja hem alleen maar niet ijverig genoeg dient, zal gestraft worden,” zeide Piong Pan Ho. „Zorgt dat allen het vernemen. Dieblandawerkt onder ons en met ons, daarom is hij een der onzen.” En hiermede verdween hij.[51]1Het goedvinden van meneer.↑2Ik weet het niet.↑
[Inhoud]II.II.TWEE DOZIJN MET DE ROTTAN.Zoo Wije met lust en moed zijn nieuwe betrekking had opgevat, hij mocht van beiden wel een voldoenden voorraad hebben om onder haar last niet te bezwijken; want al spoedig zag hij in dat er op medewerking van den kant der Chineezen niet te rekenen viel. Vroeg hij iets in detokoaan een der bedienden, dan wist hij haast zeker dat het antwoord dáárop zou neerkomen, dat de man het niet wist; zelfs de meest dagelijks voorkomende zaken schenen zij allen plotseling te zijn vergeten. Als er klanten kwamen die naar de[23]prijzen vroegen van het een of ander, liepen zij geregeld naar Wije; en als hij, die natuurlijk daarvan ook nog niet geheel op de hoogte was, dan lang werk had eer hij het kon zeggen, of er zich blijkbaar met een Franschen slag uitredde, vermaakten zij zich inwendig met zijn verlegenheid; dat gevoelde hij, hoewel aan hun gezichten niets was te zien. Wat er vroeger voor betaald werd?Ja, nu eens zooveel, dan weer zooveel, al naar men krijgen kon. Men was gewoon maar een prijs te noemen, zorg dragend dat die niet te laag was, en dan betaalde de een, terwijl de andertawarde; in het uiterste geval liep men naar den baas. Doch nu meneer alles zoo precies wenschte, durfde men dat zoo niet meer te doen.Daar viel niets tegen te zeggen, maar lastig was het.Wije begon een boek aan te leggen, waarin hij al de duizend en één artikelen met hun[24]in- en verkoopsprijs opschreef, ruimte latend voor denotitiesvan de schommelingen der markt, een reuzenwerk weliswaar, doch dat hem een boel gemak bezorgde toen het eenmaal gereed was.Ook in de boekhouding had hij orde en regelmaat moeten brengen, doch hierbij was hij zelf de man die het wist, dus dat ging gemakkelijker. De kas werd elken avond opgemaakt. De eenige moeilijkheid die zich bij dit gedeelte van het werk voordeed, was het kleine geld. Overdag was er nooit genoeg om voor de koopers te wisselen, maar ’s avonds, als Wije voor de securiteit het geld meenam, was het juist omgekeerd. Dan ontbrak het zoo gewilde bankpapier ten eenenmale en moest de bodem van zijn wagenbak dikwijls een zware proef doorstaan, om niet te spreken van het uittellen, eerst in detokoen dan weer als hij het afdroeg aan de firma.Wije maakte bij zichzelf de opmerking, dat[25]het een der moeilijkste dingen ter wereld was, om plotseling het beleid eener eenigszins omvangrijke zaak op zich te nemen. Het was daarmede als met een nieuwe taal die men te leeren had; niet alleen moet men de woorden kennen en herkennen, doch men moet ze ook tot zijn beschikking hebben, op ieder oogenblik. Dat kost oefening, die grooter schijnt dan die waarmee men zijn moedertaal heeft aangeleerd.Toen Wije zoowat twee maanden in detokowas geweest en het daar zoover had gebracht dat de zaken een geregelden gang gingen, en het scheen dat de Chineezen hun lijdelijken weerstand hadden opgegeven, gebeurde er eensklaps iets dat hem bijna bewogen had er den bijl bij neer te leggen. De dagelijksche administratie over den verkoop door deklontongsberustte bij een dertoko-bedienden. Op zekeren dag bespeurde Wije dat deze zijn aanteekeningen in Chineesche karakters hield, niettegenstaande[26]hij dit dadelijk bij zijn komst voor goed had verboden, zoowel als het spreken in hun koeterwaalsch als hij tegenwoordig was.Want hij had zich nu eenmaal, terecht of ten onrechte, in zijn hoofd gezet, dat de Chineezen beide dingen enkel deden om de Europeanen te bedriegen.Zonder iets te zeggen nam Wije het boekje weg, sloot het in zijn lessenaar en maakte een ander op volgens de staatjes, die hij van denzelfden bediende ontvangen had. Dit legde hij neer op de plaats van het oude. Daarop verwijderde hij zich van het tafeltje, zeer tevreden over zichzelf, daar dit juist de eenige gelegenheid was waarbij men kon knoeien, sedert er een aparte uitgang was gemaakt voor de localiteiten waar de Chineezen huisden, entokoen magazijn ’s avonds konden worden afgesloten.Toen deklontongseindelijk binnenkwamen,[27]en de bewuste bediende zich naar het magazijn begeven had, waar hij met hen afrekende, vond hij het nieuwe boek. Hij bladerde er eenige oogenblikken in, zich bezinnende wat hij tegen deze nieuweakalvan den Europeaan moest doen. Daarop ging hij naar Wije; en het was merkwaardig om te zien, welk een uitdrukking van goeden wil door groote domheid ijdel gemaakt, zich op dat ronde gelaat had afgespiegeld.Wije kende dien trek en vermoedde wat er gebeuren zou toen hij den Chinees zag aankomen.„Meneer, ik begrijp dit niet.”„Kan je het soms niet lezen?”„Jawel meneer; het is heel goed.”„Wat begrijp je er dan niet van?”„Niets.”„Dat is niet veel,” zeide Wije flegmatiek. „Wil je het begrijpen?”„Heel graag, als meneer mij leeren wil.”[28]„Goed.” En Wije riep den bediende die het winkelboek bijhield. Dezen gelastte hij met den ander mede te gaan en hem te wijzen, hoe hij, uitgaande van de saldo’s die in het door hem opgemaakte boekje stonden, de dagelijksche bijschrijving of afschrijving moest noteeren. „Die is erin geloopen!” zeide hij bij zich zelf, toen de twee Chineezen zich verwijderden.Doch hij had zich te vroeg verheugd; want een kwartier later kwam de een terug met het bericht dat zij in het boekje van meneer niet konden zien hoeveel goed iedereklontongmoest hebben.„Dat komt er niet op aan,” zeide Wije. „De zaak is maar hoeveel geld zij afdragen. Dat schrijf je af; en zoo zij goed noodig hebben, schrijf je de waarde bij.”„Deklontongswillen echter weten of hun rekening uitkomt.”„Kwam hun rekening gister uit?”„Ja meneer.”[29]„Dan moet die immers voor vandaag verminderd worden met wat zij afdragen; en vermeerderd met wat zij opnieuw ontvangen aan goed?”„Ja meneer.”„Welnu, wat dan nog meer?”„Niets meneer; maar zij begrijpen dat niet.”„Laat ze stikken!” riep Wije uit, woedend nu. „Denk je dat ik voor ieder hunner een aparte boekhouding aanleg?”„Zooals meneer wil.”„Nu, ik wil het niet anders. Zeg het hun en ruk uit.”De Chinees deed wat hem bevolen was. Vijf minuten daarna verscheen de ander, de man van deklontongs.„Meneer, deklontongszeggen dat zij het zoo niet gewoon zijn.”„Dan moeten zij er maar aan wennen.”„Een Chinees kan niet wennen aan iets waaraan hij niet gewoon is.”Wije schoot in een luiden lach.[30]„En jullie dan?” vroeg hij. „Er is dunkt me hier heel wat veranderd sinds ik gekomen ben.”Dat was zoo, gaf de man toe. Maar zij waren bereid meneer in alles ter wille te zijn, hoe moeielijk het ook was, doch eenklontongwas daartoe te dom. Het beste zou zijn dat meneer hem het boekje teruggaf; dan zou hij dat voor deklontongsaanhouden en probeeren het andere naar den zin van meneer in te schrijven.Wije wilde daar echter niet van hooren. Hij besloot vol te houden, inziende dat de tegenpartij hier zwak was en haar lijdelijken tegenstand zou moeten opgeven. De Chinees verzocht hem ten slotte zijn voornemen zelf aan deklontongskenbaar te willen maken; hij was overtuigd dat zij zich bij meneer’s besluit zouden neerleggen, als zij het uit diens eigen mond vernamen; het was dantoewan poenja soeka1en niet, zooals zijn nu meenden, een uitvinding van den bediende.[31]Dat scheen billijk, en Wije begaf zich derhalve naar het magazijn, waar deklontongswaren. Onderweg had hij zich bedacht op welke manier hij de zaak zou aanvatten. Zich zettend voor het tafeltje, nam hij het boek en riep den eersten naam die daarin stond, uit. Niemand antwoordde.„Zijn Chineezen soms niet gewoon bij hun naam genoemd te worden?” vroeg Wije den achter hem staanden bediende.„Wien wil meneer hebben?” vroeg deze terug en op Wije’s aanwijzing herhaalde hij den naam, tevens den drager daarvan een wenk gevende.Een kleine magere Chinees trad uit den hoop naar voren.„Jij hadt gister ƒ 132.26 schuld,” zeide Wije. „Klopt dat of niet?”De aangesprokene grijnslachte, doch zeide niets.„Vraag jij het hem,” gebood Wije den bediende, en deze deed het.[32]„Tida tahoe2,” klonk het nu, onder heftig hoofdschudden.„Klopte het gister?”„Ja meneer,” antwoordde de bediende.„En waarom weet hij het nu niet?”„Hij zal het misschien vergeten zijn.”„Maar wat geeft het dan, of het boek in Chineesch schrift wordt bijgehouden, en alles van het goed wordt opgeschreven?”„Ja … dan herinnert hij het zich weer.”„Baik,” zeide Wije kort. „Laat hem zijn geld uittellen.”De bediende begon te spreken, doch in het voor Wije onverstaanbareargot.„Houd op!” viel deze in. „Spreek Maleisch.”„Als ik Maleisch spreek geeft hij zijn geld niet.”Wije’s geduld was ten einde. Opstaande diende hij den bediende een klinkende oorvijg toe. Doch de Chinees, die niet gewoon was zich als een inlander te laten slaan, en er dus volgens[33]zijn eigen uitspraak ook niet aan wennen kon, vloog, zoodra hij van de verbazing bekomen was, op Wije aan. En plotseling ontwaakten ook de anderen uit hun apathie, om hun landgenoot te hulp te komen. Zij waren echter niet vlug genoeg. Met een schop tegen diens maag had Wije zich van zijn bespringer ontslagen, een poot losrukkende van den stoel waarop hij gezeten had, timmerde hij daarmede op de lichaamsdeelen van hen die hem eveneens hadden aangegrepen, en een sprong doende daar waar de rij het dunste was, brak hij er door en bereikte de deuropening. Hier konden zij hem alleen in het front aanvallen en één had de spits moeten afbijten; daartoe scheen niemand lust te hebben.„Trek dat tafeltje hierheen,” gebood Wije den bediende van het winkelboek, die zich tot nu toe geheel passief had gehouden. „Ziezoo. Laat hen één voor één hun geld afdragen, en boek het in. Als zij niet willen, sluit ik de deur en haal de politie.”[34]Dit hielp. De een na den ander telde uit en werd door Wije naar buiten gejaagd met het bevel zich onmiddellijk in het logies te begeven. Eindelijk bleven alleen de twee bedienden over.„Nu weet je hoe het gedaan wordt. Morgen precies eender,” zeide Wije tot den man derklontongs, en ging terug naar detoko.Er was dien avond groote conferentie in het logies der Chineezen. In plaats van de vermoeienissen van den dag te verdrijven door een langen nacht slapens, zaten of stonden deklontongsrondom de bedienden die op dien middag bij Wije’s handelingen waren tegenwoordig geweest. Het eerste uur was doorgebracht met een wild dooreenschreeuwen, waaruit niemand, zelfs geen Chinees, wijs kon worden. Toen kwam er een toestand die den naam van een ongeregeld debat mocht dragen, maar dan toch een debat, ingeleid door een voorstel van den bediende die de administratie over[35]deklontongsvoerde, dat hem eindelijk gelukt was aan allen verstaanbaar te maken. Dit was om den volgenden morgen het werk te staken. Met horten en stooten, telkens een oogenblik van betrekkelijke stilte afwachtende, voerde hij de verdediging, daartoe bijgestaan door zijn kameraad, die beweerde evenals hij de manieren der Europeanen door en door te kennen. Deze toch wisten zich niet te helpen, zoodra er een afwijking plaats vond in den dagelijkschen gang van zaken; zij meenden alles te kunnen regelen met bevelen en geweldplegen, doch waar noch bevelen noch vloeken noch geweld hielp, en ze bovendien niet aan het geld van hun ondergeschikten konden komen, daar stonden zij machteloos. Er was geen sprake van dat hij, die thans aan het hoofd dertokostond, een middel zou weten te bedenken om hen te dwingen. Een Chinees … dat was iets anders. Die zorgde wel dat zij zich door hun schuld gebonden achtten; als hij die niet wettelijk[36]kon invorderen, dan waren er nog andere manieren om tot hetzelfde doel te geraken, want hij vond altijd steun bij zijn landgenooten, en daardoor stond men steeds tegenover een sterkere macht, die nimmer verzwakte, omdat men zich onder elkaar getrouwelijk hield aan de goede gebruiken en wetten der gewoonte. Bij de Europeanen was dat juist omgekeerd. Zij hadden een wet ontvangen van hun overheid, waarbij bepaald was dat iemand die niets bezat, niet verplicht was zijn schuld te betalen en er ook niet voor behoefde te werken. In plaats nu van zich aaneen te sluiten en door onderlinge maatregelen die wet onschadelijk te maken, nam de een den man in zijn dienst, die feitelijk een pandeling van den ander behoorde te zijn. Ja, zij hadden er schik in als hun buurman nadeel leed.De winkelbediende voegde hier een voorbeeld bij. Toen hij nog boodschappen bezorgde, voor Kan Liong Tjoe, was hij eens ergens gekomen[37]waar juist een dame bezig was debaboevan een andere dame af te troggelen. De meid antwoordde dat zij wel genegen was bij mevrouw te komen, maar dat zij niet weg kon omdat zij achttien gulden voorschot had.Tra perdoeli, had hij toen die dame hooren zeggen, en zij had er bijgevoegd dat die schuld toch niet was te innen en de meid niet bang behoefde te zijn voor bedreiging met de politie; dit wastempo doeloewel anders geweest, maar nu kon zij volstrekt geen gevaar.Tegen dat alles hadden deklontongsniets te zeggen; maar hun hoofdbezwaar, een dag verlies, bleef bestaan. En als het nog maar met één dag afliep! Maar wie weet of die Europeaan niet zou volhouden; hij had reeds meer getoond dat hij koppig was als een muildier. Wat dan?Dan nog geen nood, luidde het tegenbetoog. Het was beter twee dagen, ja een week, niets te verdienen en daarna op den bestaanden[38]voet te kunnen doorwerken, dan zich neer te leggen bij den wil van den Europeaan. Want deed men dit, dan waren alle extra’s uit. Men zou rekenschap moeten geven van elke halve el goed, van elken knoop; in de boekhouding der Europeanen ging niets verloren. En zoo heel lang kon het niet duren. Leden zij schade, de zaak eveneens; en al wilde de chef dit tijdelijk laten doorgaan, heel spoedig zouden de anderen, aan wie hij ondergeschikt was, tusschenbeiden komen.Doch het idee van eenstrikewilde erbijde Chineezen niet in. Hoe de bedienden ook hun best deden, deklontongsbleven zich verzetten. Er moest iets gedaan worden, dat erkenden zij, maar werkstaken … dat was zóó nieuw, zóó ongewoon! Eindelijk bedacht een der volksleidersin speeen uitkomst. Hij wilde Kan Liong Tjoe opzoeken en diens oordeel vernemen; als dit ten gunste van zijn voorstel uitviel zouden deklontongshet werk staken,[39]zoo niet, dan moest men iets anders verzinnen. Dit werd aangenomen; en terwijl de bediende zich, ondanks het nachtelijk uur, op weg begaf, zochten de anderen hun slaapsteden op.Wat Kan Liong Tjoe gezegd had bleek den volgenden morgen. Toen Wije kwam en de sleutels van het magazijn aan den bediende overhandigde, deelde deze hem mede dat er geen enkeleklontongwilde werken.„Ook al goed,” zeide Wije, die wel begrepen had dat er iets van dien aard zou geschieden. „Maar dan heb ik jou ook niet noodig. Ga je vrienden opzoeken. Zoodra zij weer uitkomen, kan jij ook terugkeeren. Intusschen staat je verdienste stil.”„Baik,” zeide de bediende, maar blijkbaar ten hoogste verrast.Wije nam de zaak in den beginne niet heel zwaar op. Wat gisteren gebeurd was mocht zich natuurlijk niet herhalen, daarvoor zou hij zorgen; voor het geval dat men hem aanviel[40]had hij een zakrevolvertje bij zich gestoken, en zelf zou hij zijn handen niet meer uitsteken. Op den duur konden deklontongstoch niet blijven luieren; elders werk vinden was voor hen zeer moeilijk; dus het einde van de zaak moest zijn dat hij overwon.In den loop van den dag ging hij naar het kantoor zijner firma en maakte terloops melding van het geval. De chef echter bleek zijn optimisme niet te deelen. Een enkele dag kon geen kwaad, maar als het langer aanhield zou detokoer geducht onder lijden, vond hij. De verkoop door deklontongsbedroeg meer dan men had verwacht en had het groote voordeel van uitsluitend à comptant te zijn. Wije moest derhalve zorgen dat hij de zaak, hoe dan ook, spoedig schikte.„Men moet toch wat zeggen,” mompelde Wije, toen hij het kantoor verliet, doch ’s namiddags, nadat de chef door van Beek had laten vragen hoe het stond met deklontongs,[41]zag hij in dat het ernstiger dreigde te worden dan het zich had laten aanzien. Zoolang men hem vrijheid van handelen liet was het niets, doch die onbekookte inmenging en overhaasting konden alles bederven. Aan toegeven dacht hij echter niet, ook niet toen zich den volgenden dag de boodschappen van het kantoor herhaalden.„Zeg dat ik wel bericht zal sturen,” zeide hij eindelijk tot van Beek; „en als je weer gestuurd wordt, loop dan maar een straatje om. Je gezicht maakt mij zenuwachtig.”„Meneer schijnt zich erg ongerust te maken; hij is al naar meneer Duna geweest ook,” deelde van Beek mee.„’t Kan me niet schelen,” zeide Wije. „Weet ge wat … zeg dat ze op het punt stonden van toe te geven, maar dat zij daarvan hebben afgezien toen zij bemerkten dat jij zoo dikwijls hierheen kwam. Daaruit maken ze op dat ik door den baas word opgejaagd.”[42]„Maar dat is immers niet waar?”„Zeker is dat waar! Een der bedienden heeft het mij verteld.”Aan den avond van den derden dag was Wije wanhopig. Van Beek was weggebleven, maar in diens plaats had de chef eenmandoergezonden met een briefje, een uur daarna weer een en zoo voort, telkens een ander als „brenger,” maar zonder variatie in het verzoek om aan genoemden brenger bericht mede te geven omtrent deklontongs. Hij had een bezoek gebracht aan Kan Liong Tjoe, doch zonder resultaat.De gewezentoko-houder ontving hem beleefd, doch betuigde hem niet te kunnen helpen. Ten eerste schatte meneer zijn invloed te hoog; hij was uit detokoen had dus niets meer te zeggen; ten tweede stond hij gereed om op reis te gaan naar het binnenland, waar hij zaken had.„Die ellendeling!” zeide Wije ’s avonds tot Anneke, aan wie hij de geheele historie had[43]verteld. „Ik ben overtuigd dat hij er plezier in heeft. Eén woord van hem en ’t is uit. Maar ik geef het niet op. Buigen zullen ze, of ik verzoek ontheven te worden van dat baantje.”„Maar Papa,” vroeg Anneke. „Zou die andere Chinees u niet kunnen helpen?”„Welke andere?”„Die toen hier was … u weet wel, de man van dat armbandje.”„Piong Pan Ho!” riep Wije uit. „Wie weet! Ja … ik ga er dadelijk heen.”„Daar komt iemand aan,” zeide Anneke, eenige oogenblikken later, juist toen het rijtuig voorreed. „O!”„O!” herhaalde Wije, met een begin van goeden luim. „Tot straks!” En hij sprong in den mylord om halverwege het voorerf den verbaasden van Beek voorbij te rijden.Deklontongswaren wederom vergaderd. In het langwerpig nauw vertrek heerschte een drukkende hitte. De zware balken aan[44]de zoldering, die niets te dragen hadden dan hun eigen gewicht en een dun planken dek, oorspronkelijk donkerbruin geverfd met roode randen, doch nu zwart door in roetmoppen saamgegroeide spinnewebben, de muren vuilblauw van de eenige jaren geleden opgestreken met indigo vermengde witkalk, de daar tegen steunende rollen beddegoed van hen wier slaapplaats dit vertrek uitmaakte, zogen de weinige lichtstralen, die een pit op een met petroleum gevulde wijnflesch flikkerend verspreide, nagenoeg geheel op, voorzoover zij niet loodkleurig reflecteerden op de aangezichten en bovenlijven van deklontongs, die ditmaal zwijgend den geschorsten bediende aanzagen, luisterend naar hetgeen hij te zeggen had.Meer dan het vorig plan, droeg het zooeven gesproken woord hun instemming weg.„Het is deze Europeaan, die ons in den weg staat,” luidde het. „Een ander zou het[45]al lang hebben opgegeven. Als wij hem kunnen verwijderen zal alles goed gaan. Nu, er is niets anders aan te doen dan dat wij hem doodslaan. Voor minder wijkt hij niet. Maar wij moeten het gezamenlijk doen, en zóó dat het een ongeluk schijnt.”Eenige kreten bewezen den spreker dat men het geheel met hem eens was.„Morgen ochtend,” vervolgde hij, „gaan allen weer aan het werk. Dat wil zeggen, jelui wacht als gewoonlijk vóór de deur vangoedang. Als ik die heb opengemaakt dringen allen naar binnen, op twee na.” Hij wees er twee aan. „Binnen, blijf jij”—wederom een aanwijzing—„vlak achter de deur staan. De anderen heffen een vervaarlijk geschreeuw aan.”Deklontongslachten. Dat viel in hun smaak!„Dan loopt hij natuurlijk naar binnen, om te zien wat het is. Maar de twee die buiten blijven, haken hun voeten om zijn beenen.[46]Kijk, zóó. Dan struikelt hij. Op dit oogenblik steekt hij, die achter de deur staat, hem het mes in de borst. Goed raken hoor!”Dat beloofde de bedoelde.„Vervolgens dragen wij hem een eindje verder, naar een pak goed, en leggen hem daar op, het mes tusschenrottan-touwen stekend. Dan loopen wij naar detokoen vertellen dat deblandagevallen is … toevallig juist in een mes dat op de gewone manier aan het pak van depikoelanwas vastgestoken.”Een daverend applaus op Chineesche manier, gelijkend op het brullen van tijgers en het geschreeuw van krolsche katten doorelkaar, volgde na deze woorden. Het scheen niemand te treffen, dat de bediende zelf geenerlei aandeel in de te plegen handeling voor zijn rekening nam. Wel protesteerden zij die aangewezen waren om Wije te doen struikelen, doch dit werd geschikt door hun getal op vier te brengen. Toen achtten zij zich[47]sterk genoeg en prezen mede den ontwerper van het plan, zich verheugend over zijn terugkeer tot Chineesche begrippen, in de ontwikkeling waarvan hij zich een meester getoond had.„Hondenkinderen!”Met één woord, schrijft Tacitus, dempte Caesar een soldatenoproer: door henQuirites, Ridders, te noemen, die den krijgseed schonden. Piong Pan Ho, plotseling verschijnend in de deuropening, deed iets dergelijks. Wel was er een groot verschil in den aanhef van beider redevoering, maar men bedenke dat Caesar te doen had met mannen die eergevoel bezaten. De uitwerking was nochtans dezelfde.Verlamd door schrik staarden deklontongsop den in donkerblauw gekleedenSingkeh, wiens streng gelaat zij ondanks de slechte verlichting onmiddellijk herkend hadden. En zij luisterden zwijgend naar hetgeen hij verder[48]te zeggen had. Het was weinig en stond wat kieschheid van vorm en inhoud betreft, tot datgene wat Caesar op zijn „Quirites” deed volgen, als de zooeven door Piong Pan Ho gebruikte term tot het woord van den grooten veldheer. Het laatste gedeelte gold in ’t bijzonder den bediende, die rillend en met starren blik voor zich keek.„Haal eenrottan,” gelastte deSingkeh, en een der Chineezen verliet het vertrek om spoedig daarna met het verlangde terug te keeren. „Neem het licht van die kist en leg hem er op.”De bediende liet het doen, zonder aan tegenstand te denken. Voorover op de kist, lag hij roerloos. Men had zijn armen uitgespreid; op ieder daarvan en ook op elken voet, ging een Chinees zitten. Door een grillig spel van het toeval waren het juist die vier, die aangewezen waren om Wije te doen struikelen, en hij die den messteek zou toebrengen[49]stond, na een hinderlijk kleedingstuk te hebben verwijderd, op zij van de kist met derottanin de hand, wachtende.Er was een oogenblik van zoo groote stilte, dat men de ademhaling derklontongshooren kon, grof en zwaar, als van menschen die na langdurige lichaamsinspanning nog niet gerust hebben.„Twee dozijn,” klonk het vonnis, kort maar beteekenisvol.Scherp suisde derottandoor de lucht, neerkomend met een geluid als van een hevigen snik, en de kist met allen die er op zaten, schudde door de geweldige spiertrekking van den getroffene. Bij den derden slag bleef een bloedige striem achter en de bediende uitte een doordringenden gil, den eersten, doch die bij de volgende slagen zich herhaalde, telkens langer, vervloeiende tot een jankend gehuil tegen het einde van de strafoefening. Deze had twee minuten geduurd.[50]„Wie van af heden dentoewan-tokonog iets in den weg legt, ja hem alleen maar niet ijverig genoeg dient, zal gestraft worden,” zeide Piong Pan Ho. „Zorgt dat allen het vernemen. Dieblandawerkt onder ons en met ons, daarom is hij een der onzen.” En hiermede verdween hij.[51]1Het goedvinden van meneer.↑2Ik weet het niet.↑
[Inhoud]II.II.TWEE DOZIJN MET DE ROTTAN.Zoo Wije met lust en moed zijn nieuwe betrekking had opgevat, hij mocht van beiden wel een voldoenden voorraad hebben om onder haar last niet te bezwijken; want al spoedig zag hij in dat er op medewerking van den kant der Chineezen niet te rekenen viel. Vroeg hij iets in detokoaan een der bedienden, dan wist hij haast zeker dat het antwoord dáárop zou neerkomen, dat de man het niet wist; zelfs de meest dagelijks voorkomende zaken schenen zij allen plotseling te zijn vergeten. Als er klanten kwamen die naar de[23]prijzen vroegen van het een of ander, liepen zij geregeld naar Wije; en als hij, die natuurlijk daarvan ook nog niet geheel op de hoogte was, dan lang werk had eer hij het kon zeggen, of er zich blijkbaar met een Franschen slag uitredde, vermaakten zij zich inwendig met zijn verlegenheid; dat gevoelde hij, hoewel aan hun gezichten niets was te zien. Wat er vroeger voor betaald werd?Ja, nu eens zooveel, dan weer zooveel, al naar men krijgen kon. Men was gewoon maar een prijs te noemen, zorg dragend dat die niet te laag was, en dan betaalde de een, terwijl de andertawarde; in het uiterste geval liep men naar den baas. Doch nu meneer alles zoo precies wenschte, durfde men dat zoo niet meer te doen.Daar viel niets tegen te zeggen, maar lastig was het.Wije begon een boek aan te leggen, waarin hij al de duizend en één artikelen met hun[24]in- en verkoopsprijs opschreef, ruimte latend voor denotitiesvan de schommelingen der markt, een reuzenwerk weliswaar, doch dat hem een boel gemak bezorgde toen het eenmaal gereed was.Ook in de boekhouding had hij orde en regelmaat moeten brengen, doch hierbij was hij zelf de man die het wist, dus dat ging gemakkelijker. De kas werd elken avond opgemaakt. De eenige moeilijkheid die zich bij dit gedeelte van het werk voordeed, was het kleine geld. Overdag was er nooit genoeg om voor de koopers te wisselen, maar ’s avonds, als Wije voor de securiteit het geld meenam, was het juist omgekeerd. Dan ontbrak het zoo gewilde bankpapier ten eenenmale en moest de bodem van zijn wagenbak dikwijls een zware proef doorstaan, om niet te spreken van het uittellen, eerst in detokoen dan weer als hij het afdroeg aan de firma.Wije maakte bij zichzelf de opmerking, dat[25]het een der moeilijkste dingen ter wereld was, om plotseling het beleid eener eenigszins omvangrijke zaak op zich te nemen. Het was daarmede als met een nieuwe taal die men te leeren had; niet alleen moet men de woorden kennen en herkennen, doch men moet ze ook tot zijn beschikking hebben, op ieder oogenblik. Dat kost oefening, die grooter schijnt dan die waarmee men zijn moedertaal heeft aangeleerd.Toen Wije zoowat twee maanden in detokowas geweest en het daar zoover had gebracht dat de zaken een geregelden gang gingen, en het scheen dat de Chineezen hun lijdelijken weerstand hadden opgegeven, gebeurde er eensklaps iets dat hem bijna bewogen had er den bijl bij neer te leggen. De dagelijksche administratie over den verkoop door deklontongsberustte bij een dertoko-bedienden. Op zekeren dag bespeurde Wije dat deze zijn aanteekeningen in Chineesche karakters hield, niettegenstaande[26]hij dit dadelijk bij zijn komst voor goed had verboden, zoowel als het spreken in hun koeterwaalsch als hij tegenwoordig was.Want hij had zich nu eenmaal, terecht of ten onrechte, in zijn hoofd gezet, dat de Chineezen beide dingen enkel deden om de Europeanen te bedriegen.Zonder iets te zeggen nam Wije het boekje weg, sloot het in zijn lessenaar en maakte een ander op volgens de staatjes, die hij van denzelfden bediende ontvangen had. Dit legde hij neer op de plaats van het oude. Daarop verwijderde hij zich van het tafeltje, zeer tevreden over zichzelf, daar dit juist de eenige gelegenheid was waarbij men kon knoeien, sedert er een aparte uitgang was gemaakt voor de localiteiten waar de Chineezen huisden, entokoen magazijn ’s avonds konden worden afgesloten.Toen deklontongseindelijk binnenkwamen,[27]en de bewuste bediende zich naar het magazijn begeven had, waar hij met hen afrekende, vond hij het nieuwe boek. Hij bladerde er eenige oogenblikken in, zich bezinnende wat hij tegen deze nieuweakalvan den Europeaan moest doen. Daarop ging hij naar Wije; en het was merkwaardig om te zien, welk een uitdrukking van goeden wil door groote domheid ijdel gemaakt, zich op dat ronde gelaat had afgespiegeld.Wije kende dien trek en vermoedde wat er gebeuren zou toen hij den Chinees zag aankomen.„Meneer, ik begrijp dit niet.”„Kan je het soms niet lezen?”„Jawel meneer; het is heel goed.”„Wat begrijp je er dan niet van?”„Niets.”„Dat is niet veel,” zeide Wije flegmatiek. „Wil je het begrijpen?”„Heel graag, als meneer mij leeren wil.”[28]„Goed.” En Wije riep den bediende die het winkelboek bijhield. Dezen gelastte hij met den ander mede te gaan en hem te wijzen, hoe hij, uitgaande van de saldo’s die in het door hem opgemaakte boekje stonden, de dagelijksche bijschrijving of afschrijving moest noteeren. „Die is erin geloopen!” zeide hij bij zich zelf, toen de twee Chineezen zich verwijderden.Doch hij had zich te vroeg verheugd; want een kwartier later kwam de een terug met het bericht dat zij in het boekje van meneer niet konden zien hoeveel goed iedereklontongmoest hebben.„Dat komt er niet op aan,” zeide Wije. „De zaak is maar hoeveel geld zij afdragen. Dat schrijf je af; en zoo zij goed noodig hebben, schrijf je de waarde bij.”„Deklontongswillen echter weten of hun rekening uitkomt.”„Kwam hun rekening gister uit?”„Ja meneer.”[29]„Dan moet die immers voor vandaag verminderd worden met wat zij afdragen; en vermeerderd met wat zij opnieuw ontvangen aan goed?”„Ja meneer.”„Welnu, wat dan nog meer?”„Niets meneer; maar zij begrijpen dat niet.”„Laat ze stikken!” riep Wije uit, woedend nu. „Denk je dat ik voor ieder hunner een aparte boekhouding aanleg?”„Zooals meneer wil.”„Nu, ik wil het niet anders. Zeg het hun en ruk uit.”De Chinees deed wat hem bevolen was. Vijf minuten daarna verscheen de ander, de man van deklontongs.„Meneer, deklontongszeggen dat zij het zoo niet gewoon zijn.”„Dan moeten zij er maar aan wennen.”„Een Chinees kan niet wennen aan iets waaraan hij niet gewoon is.”Wije schoot in een luiden lach.[30]„En jullie dan?” vroeg hij. „Er is dunkt me hier heel wat veranderd sinds ik gekomen ben.”Dat was zoo, gaf de man toe. Maar zij waren bereid meneer in alles ter wille te zijn, hoe moeielijk het ook was, doch eenklontongwas daartoe te dom. Het beste zou zijn dat meneer hem het boekje teruggaf; dan zou hij dat voor deklontongsaanhouden en probeeren het andere naar den zin van meneer in te schrijven.Wije wilde daar echter niet van hooren. Hij besloot vol te houden, inziende dat de tegenpartij hier zwak was en haar lijdelijken tegenstand zou moeten opgeven. De Chinees verzocht hem ten slotte zijn voornemen zelf aan deklontongskenbaar te willen maken; hij was overtuigd dat zij zich bij meneer’s besluit zouden neerleggen, als zij het uit diens eigen mond vernamen; het was dantoewan poenja soeka1en niet, zooals zijn nu meenden, een uitvinding van den bediende.[31]Dat scheen billijk, en Wije begaf zich derhalve naar het magazijn, waar deklontongswaren. Onderweg had hij zich bedacht op welke manier hij de zaak zou aanvatten. Zich zettend voor het tafeltje, nam hij het boek en riep den eersten naam die daarin stond, uit. Niemand antwoordde.„Zijn Chineezen soms niet gewoon bij hun naam genoemd te worden?” vroeg Wije den achter hem staanden bediende.„Wien wil meneer hebben?” vroeg deze terug en op Wije’s aanwijzing herhaalde hij den naam, tevens den drager daarvan een wenk gevende.Een kleine magere Chinees trad uit den hoop naar voren.„Jij hadt gister ƒ 132.26 schuld,” zeide Wije. „Klopt dat of niet?”De aangesprokene grijnslachte, doch zeide niets.„Vraag jij het hem,” gebood Wije den bediende, en deze deed het.[32]„Tida tahoe2,” klonk het nu, onder heftig hoofdschudden.„Klopte het gister?”„Ja meneer,” antwoordde de bediende.„En waarom weet hij het nu niet?”„Hij zal het misschien vergeten zijn.”„Maar wat geeft het dan, of het boek in Chineesch schrift wordt bijgehouden, en alles van het goed wordt opgeschreven?”„Ja … dan herinnert hij het zich weer.”„Baik,” zeide Wije kort. „Laat hem zijn geld uittellen.”De bediende begon te spreken, doch in het voor Wije onverstaanbareargot.„Houd op!” viel deze in. „Spreek Maleisch.”„Als ik Maleisch spreek geeft hij zijn geld niet.”Wije’s geduld was ten einde. Opstaande diende hij den bediende een klinkende oorvijg toe. Doch de Chinees, die niet gewoon was zich als een inlander te laten slaan, en er dus volgens[33]zijn eigen uitspraak ook niet aan wennen kon, vloog, zoodra hij van de verbazing bekomen was, op Wije aan. En plotseling ontwaakten ook de anderen uit hun apathie, om hun landgenoot te hulp te komen. Zij waren echter niet vlug genoeg. Met een schop tegen diens maag had Wije zich van zijn bespringer ontslagen, een poot losrukkende van den stoel waarop hij gezeten had, timmerde hij daarmede op de lichaamsdeelen van hen die hem eveneens hadden aangegrepen, en een sprong doende daar waar de rij het dunste was, brak hij er door en bereikte de deuropening. Hier konden zij hem alleen in het front aanvallen en één had de spits moeten afbijten; daartoe scheen niemand lust te hebben.„Trek dat tafeltje hierheen,” gebood Wije den bediende van het winkelboek, die zich tot nu toe geheel passief had gehouden. „Ziezoo. Laat hen één voor één hun geld afdragen, en boek het in. Als zij niet willen, sluit ik de deur en haal de politie.”[34]Dit hielp. De een na den ander telde uit en werd door Wije naar buiten gejaagd met het bevel zich onmiddellijk in het logies te begeven. Eindelijk bleven alleen de twee bedienden over.„Nu weet je hoe het gedaan wordt. Morgen precies eender,” zeide Wije tot den man derklontongs, en ging terug naar detoko.Er was dien avond groote conferentie in het logies der Chineezen. In plaats van de vermoeienissen van den dag te verdrijven door een langen nacht slapens, zaten of stonden deklontongsrondom de bedienden die op dien middag bij Wije’s handelingen waren tegenwoordig geweest. Het eerste uur was doorgebracht met een wild dooreenschreeuwen, waaruit niemand, zelfs geen Chinees, wijs kon worden. Toen kwam er een toestand die den naam van een ongeregeld debat mocht dragen, maar dan toch een debat, ingeleid door een voorstel van den bediende die de administratie over[35]deklontongsvoerde, dat hem eindelijk gelukt was aan allen verstaanbaar te maken. Dit was om den volgenden morgen het werk te staken. Met horten en stooten, telkens een oogenblik van betrekkelijke stilte afwachtende, voerde hij de verdediging, daartoe bijgestaan door zijn kameraad, die beweerde evenals hij de manieren der Europeanen door en door te kennen. Deze toch wisten zich niet te helpen, zoodra er een afwijking plaats vond in den dagelijkschen gang van zaken; zij meenden alles te kunnen regelen met bevelen en geweldplegen, doch waar noch bevelen noch vloeken noch geweld hielp, en ze bovendien niet aan het geld van hun ondergeschikten konden komen, daar stonden zij machteloos. Er was geen sprake van dat hij, die thans aan het hoofd dertokostond, een middel zou weten te bedenken om hen te dwingen. Een Chinees … dat was iets anders. Die zorgde wel dat zij zich door hun schuld gebonden achtten; als hij die niet wettelijk[36]kon invorderen, dan waren er nog andere manieren om tot hetzelfde doel te geraken, want hij vond altijd steun bij zijn landgenooten, en daardoor stond men steeds tegenover een sterkere macht, die nimmer verzwakte, omdat men zich onder elkaar getrouwelijk hield aan de goede gebruiken en wetten der gewoonte. Bij de Europeanen was dat juist omgekeerd. Zij hadden een wet ontvangen van hun overheid, waarbij bepaald was dat iemand die niets bezat, niet verplicht was zijn schuld te betalen en er ook niet voor behoefde te werken. In plaats nu van zich aaneen te sluiten en door onderlinge maatregelen die wet onschadelijk te maken, nam de een den man in zijn dienst, die feitelijk een pandeling van den ander behoorde te zijn. Ja, zij hadden er schik in als hun buurman nadeel leed.De winkelbediende voegde hier een voorbeeld bij. Toen hij nog boodschappen bezorgde, voor Kan Liong Tjoe, was hij eens ergens gekomen[37]waar juist een dame bezig was debaboevan een andere dame af te troggelen. De meid antwoordde dat zij wel genegen was bij mevrouw te komen, maar dat zij niet weg kon omdat zij achttien gulden voorschot had.Tra perdoeli, had hij toen die dame hooren zeggen, en zij had er bijgevoegd dat die schuld toch niet was te innen en de meid niet bang behoefde te zijn voor bedreiging met de politie; dit wastempo doeloewel anders geweest, maar nu kon zij volstrekt geen gevaar.Tegen dat alles hadden deklontongsniets te zeggen; maar hun hoofdbezwaar, een dag verlies, bleef bestaan. En als het nog maar met één dag afliep! Maar wie weet of die Europeaan niet zou volhouden; hij had reeds meer getoond dat hij koppig was als een muildier. Wat dan?Dan nog geen nood, luidde het tegenbetoog. Het was beter twee dagen, ja een week, niets te verdienen en daarna op den bestaanden[38]voet te kunnen doorwerken, dan zich neer te leggen bij den wil van den Europeaan. Want deed men dit, dan waren alle extra’s uit. Men zou rekenschap moeten geven van elke halve el goed, van elken knoop; in de boekhouding der Europeanen ging niets verloren. En zoo heel lang kon het niet duren. Leden zij schade, de zaak eveneens; en al wilde de chef dit tijdelijk laten doorgaan, heel spoedig zouden de anderen, aan wie hij ondergeschikt was, tusschenbeiden komen.Doch het idee van eenstrikewilde erbijde Chineezen niet in. Hoe de bedienden ook hun best deden, deklontongsbleven zich verzetten. Er moest iets gedaan worden, dat erkenden zij, maar werkstaken … dat was zóó nieuw, zóó ongewoon! Eindelijk bedacht een der volksleidersin speeen uitkomst. Hij wilde Kan Liong Tjoe opzoeken en diens oordeel vernemen; als dit ten gunste van zijn voorstel uitviel zouden deklontongshet werk staken,[39]zoo niet, dan moest men iets anders verzinnen. Dit werd aangenomen; en terwijl de bediende zich, ondanks het nachtelijk uur, op weg begaf, zochten de anderen hun slaapsteden op.Wat Kan Liong Tjoe gezegd had bleek den volgenden morgen. Toen Wije kwam en de sleutels van het magazijn aan den bediende overhandigde, deelde deze hem mede dat er geen enkeleklontongwilde werken.„Ook al goed,” zeide Wije, die wel begrepen had dat er iets van dien aard zou geschieden. „Maar dan heb ik jou ook niet noodig. Ga je vrienden opzoeken. Zoodra zij weer uitkomen, kan jij ook terugkeeren. Intusschen staat je verdienste stil.”„Baik,” zeide de bediende, maar blijkbaar ten hoogste verrast.Wije nam de zaak in den beginne niet heel zwaar op. Wat gisteren gebeurd was mocht zich natuurlijk niet herhalen, daarvoor zou hij zorgen; voor het geval dat men hem aanviel[40]had hij een zakrevolvertje bij zich gestoken, en zelf zou hij zijn handen niet meer uitsteken. Op den duur konden deklontongstoch niet blijven luieren; elders werk vinden was voor hen zeer moeilijk; dus het einde van de zaak moest zijn dat hij overwon.In den loop van den dag ging hij naar het kantoor zijner firma en maakte terloops melding van het geval. De chef echter bleek zijn optimisme niet te deelen. Een enkele dag kon geen kwaad, maar als het langer aanhield zou detokoer geducht onder lijden, vond hij. De verkoop door deklontongsbedroeg meer dan men had verwacht en had het groote voordeel van uitsluitend à comptant te zijn. Wije moest derhalve zorgen dat hij de zaak, hoe dan ook, spoedig schikte.„Men moet toch wat zeggen,” mompelde Wije, toen hij het kantoor verliet, doch ’s namiddags, nadat de chef door van Beek had laten vragen hoe het stond met deklontongs,[41]zag hij in dat het ernstiger dreigde te worden dan het zich had laten aanzien. Zoolang men hem vrijheid van handelen liet was het niets, doch die onbekookte inmenging en overhaasting konden alles bederven. Aan toegeven dacht hij echter niet, ook niet toen zich den volgenden dag de boodschappen van het kantoor herhaalden.„Zeg dat ik wel bericht zal sturen,” zeide hij eindelijk tot van Beek; „en als je weer gestuurd wordt, loop dan maar een straatje om. Je gezicht maakt mij zenuwachtig.”„Meneer schijnt zich erg ongerust te maken; hij is al naar meneer Duna geweest ook,” deelde van Beek mee.„’t Kan me niet schelen,” zeide Wije. „Weet ge wat … zeg dat ze op het punt stonden van toe te geven, maar dat zij daarvan hebben afgezien toen zij bemerkten dat jij zoo dikwijls hierheen kwam. Daaruit maken ze op dat ik door den baas word opgejaagd.”[42]„Maar dat is immers niet waar?”„Zeker is dat waar! Een der bedienden heeft het mij verteld.”Aan den avond van den derden dag was Wije wanhopig. Van Beek was weggebleven, maar in diens plaats had de chef eenmandoergezonden met een briefje, een uur daarna weer een en zoo voort, telkens een ander als „brenger,” maar zonder variatie in het verzoek om aan genoemden brenger bericht mede te geven omtrent deklontongs. Hij had een bezoek gebracht aan Kan Liong Tjoe, doch zonder resultaat.De gewezentoko-houder ontving hem beleefd, doch betuigde hem niet te kunnen helpen. Ten eerste schatte meneer zijn invloed te hoog; hij was uit detokoen had dus niets meer te zeggen; ten tweede stond hij gereed om op reis te gaan naar het binnenland, waar hij zaken had.„Die ellendeling!” zeide Wije ’s avonds tot Anneke, aan wie hij de geheele historie had[43]verteld. „Ik ben overtuigd dat hij er plezier in heeft. Eén woord van hem en ’t is uit. Maar ik geef het niet op. Buigen zullen ze, of ik verzoek ontheven te worden van dat baantje.”„Maar Papa,” vroeg Anneke. „Zou die andere Chinees u niet kunnen helpen?”„Welke andere?”„Die toen hier was … u weet wel, de man van dat armbandje.”„Piong Pan Ho!” riep Wije uit. „Wie weet! Ja … ik ga er dadelijk heen.”„Daar komt iemand aan,” zeide Anneke, eenige oogenblikken later, juist toen het rijtuig voorreed. „O!”„O!” herhaalde Wije, met een begin van goeden luim. „Tot straks!” En hij sprong in den mylord om halverwege het voorerf den verbaasden van Beek voorbij te rijden.Deklontongswaren wederom vergaderd. In het langwerpig nauw vertrek heerschte een drukkende hitte. De zware balken aan[44]de zoldering, die niets te dragen hadden dan hun eigen gewicht en een dun planken dek, oorspronkelijk donkerbruin geverfd met roode randen, doch nu zwart door in roetmoppen saamgegroeide spinnewebben, de muren vuilblauw van de eenige jaren geleden opgestreken met indigo vermengde witkalk, de daar tegen steunende rollen beddegoed van hen wier slaapplaats dit vertrek uitmaakte, zogen de weinige lichtstralen, die een pit op een met petroleum gevulde wijnflesch flikkerend verspreide, nagenoeg geheel op, voorzoover zij niet loodkleurig reflecteerden op de aangezichten en bovenlijven van deklontongs, die ditmaal zwijgend den geschorsten bediende aanzagen, luisterend naar hetgeen hij te zeggen had.Meer dan het vorig plan, droeg het zooeven gesproken woord hun instemming weg.„Het is deze Europeaan, die ons in den weg staat,” luidde het. „Een ander zou het[45]al lang hebben opgegeven. Als wij hem kunnen verwijderen zal alles goed gaan. Nu, er is niets anders aan te doen dan dat wij hem doodslaan. Voor minder wijkt hij niet. Maar wij moeten het gezamenlijk doen, en zóó dat het een ongeluk schijnt.”Eenige kreten bewezen den spreker dat men het geheel met hem eens was.„Morgen ochtend,” vervolgde hij, „gaan allen weer aan het werk. Dat wil zeggen, jelui wacht als gewoonlijk vóór de deur vangoedang. Als ik die heb opengemaakt dringen allen naar binnen, op twee na.” Hij wees er twee aan. „Binnen, blijf jij”—wederom een aanwijzing—„vlak achter de deur staan. De anderen heffen een vervaarlijk geschreeuw aan.”Deklontongslachten. Dat viel in hun smaak!„Dan loopt hij natuurlijk naar binnen, om te zien wat het is. Maar de twee die buiten blijven, haken hun voeten om zijn beenen.[46]Kijk, zóó. Dan struikelt hij. Op dit oogenblik steekt hij, die achter de deur staat, hem het mes in de borst. Goed raken hoor!”Dat beloofde de bedoelde.„Vervolgens dragen wij hem een eindje verder, naar een pak goed, en leggen hem daar op, het mes tusschenrottan-touwen stekend. Dan loopen wij naar detokoen vertellen dat deblandagevallen is … toevallig juist in een mes dat op de gewone manier aan het pak van depikoelanwas vastgestoken.”Een daverend applaus op Chineesche manier, gelijkend op het brullen van tijgers en het geschreeuw van krolsche katten doorelkaar, volgde na deze woorden. Het scheen niemand te treffen, dat de bediende zelf geenerlei aandeel in de te plegen handeling voor zijn rekening nam. Wel protesteerden zij die aangewezen waren om Wije te doen struikelen, doch dit werd geschikt door hun getal op vier te brengen. Toen achtten zij zich[47]sterk genoeg en prezen mede den ontwerper van het plan, zich verheugend over zijn terugkeer tot Chineesche begrippen, in de ontwikkeling waarvan hij zich een meester getoond had.„Hondenkinderen!”Met één woord, schrijft Tacitus, dempte Caesar een soldatenoproer: door henQuirites, Ridders, te noemen, die den krijgseed schonden. Piong Pan Ho, plotseling verschijnend in de deuropening, deed iets dergelijks. Wel was er een groot verschil in den aanhef van beider redevoering, maar men bedenke dat Caesar te doen had met mannen die eergevoel bezaten. De uitwerking was nochtans dezelfde.Verlamd door schrik staarden deklontongsop den in donkerblauw gekleedenSingkeh, wiens streng gelaat zij ondanks de slechte verlichting onmiddellijk herkend hadden. En zij luisterden zwijgend naar hetgeen hij verder[48]te zeggen had. Het was weinig en stond wat kieschheid van vorm en inhoud betreft, tot datgene wat Caesar op zijn „Quirites” deed volgen, als de zooeven door Piong Pan Ho gebruikte term tot het woord van den grooten veldheer. Het laatste gedeelte gold in ’t bijzonder den bediende, die rillend en met starren blik voor zich keek.„Haal eenrottan,” gelastte deSingkeh, en een der Chineezen verliet het vertrek om spoedig daarna met het verlangde terug te keeren. „Neem het licht van die kist en leg hem er op.”De bediende liet het doen, zonder aan tegenstand te denken. Voorover op de kist, lag hij roerloos. Men had zijn armen uitgespreid; op ieder daarvan en ook op elken voet, ging een Chinees zitten. Door een grillig spel van het toeval waren het juist die vier, die aangewezen waren om Wije te doen struikelen, en hij die den messteek zou toebrengen[49]stond, na een hinderlijk kleedingstuk te hebben verwijderd, op zij van de kist met derottanin de hand, wachtende.Er was een oogenblik van zoo groote stilte, dat men de ademhaling derklontongshooren kon, grof en zwaar, als van menschen die na langdurige lichaamsinspanning nog niet gerust hebben.„Twee dozijn,” klonk het vonnis, kort maar beteekenisvol.Scherp suisde derottandoor de lucht, neerkomend met een geluid als van een hevigen snik, en de kist met allen die er op zaten, schudde door de geweldige spiertrekking van den getroffene. Bij den derden slag bleef een bloedige striem achter en de bediende uitte een doordringenden gil, den eersten, doch die bij de volgende slagen zich herhaalde, telkens langer, vervloeiende tot een jankend gehuil tegen het einde van de strafoefening. Deze had twee minuten geduurd.[50]„Wie van af heden dentoewan-tokonog iets in den weg legt, ja hem alleen maar niet ijverig genoeg dient, zal gestraft worden,” zeide Piong Pan Ho. „Zorgt dat allen het vernemen. Dieblandawerkt onder ons en met ons, daarom is hij een der onzen.” En hiermede verdween hij.[51]1Het goedvinden van meneer.↑2Ik weet het niet.↑
II.II.TWEE DOZIJN MET DE ROTTAN.
II.
Zoo Wije met lust en moed zijn nieuwe betrekking had opgevat, hij mocht van beiden wel een voldoenden voorraad hebben om onder haar last niet te bezwijken; want al spoedig zag hij in dat er op medewerking van den kant der Chineezen niet te rekenen viel. Vroeg hij iets in detokoaan een der bedienden, dan wist hij haast zeker dat het antwoord dáárop zou neerkomen, dat de man het niet wist; zelfs de meest dagelijks voorkomende zaken schenen zij allen plotseling te zijn vergeten. Als er klanten kwamen die naar de[23]prijzen vroegen van het een of ander, liepen zij geregeld naar Wije; en als hij, die natuurlijk daarvan ook nog niet geheel op de hoogte was, dan lang werk had eer hij het kon zeggen, of er zich blijkbaar met een Franschen slag uitredde, vermaakten zij zich inwendig met zijn verlegenheid; dat gevoelde hij, hoewel aan hun gezichten niets was te zien. Wat er vroeger voor betaald werd?Ja, nu eens zooveel, dan weer zooveel, al naar men krijgen kon. Men was gewoon maar een prijs te noemen, zorg dragend dat die niet te laag was, en dan betaalde de een, terwijl de andertawarde; in het uiterste geval liep men naar den baas. Doch nu meneer alles zoo precies wenschte, durfde men dat zoo niet meer te doen.Daar viel niets tegen te zeggen, maar lastig was het.Wije begon een boek aan te leggen, waarin hij al de duizend en één artikelen met hun[24]in- en verkoopsprijs opschreef, ruimte latend voor denotitiesvan de schommelingen der markt, een reuzenwerk weliswaar, doch dat hem een boel gemak bezorgde toen het eenmaal gereed was.Ook in de boekhouding had hij orde en regelmaat moeten brengen, doch hierbij was hij zelf de man die het wist, dus dat ging gemakkelijker. De kas werd elken avond opgemaakt. De eenige moeilijkheid die zich bij dit gedeelte van het werk voordeed, was het kleine geld. Overdag was er nooit genoeg om voor de koopers te wisselen, maar ’s avonds, als Wije voor de securiteit het geld meenam, was het juist omgekeerd. Dan ontbrak het zoo gewilde bankpapier ten eenenmale en moest de bodem van zijn wagenbak dikwijls een zware proef doorstaan, om niet te spreken van het uittellen, eerst in detokoen dan weer als hij het afdroeg aan de firma.Wije maakte bij zichzelf de opmerking, dat[25]het een der moeilijkste dingen ter wereld was, om plotseling het beleid eener eenigszins omvangrijke zaak op zich te nemen. Het was daarmede als met een nieuwe taal die men te leeren had; niet alleen moet men de woorden kennen en herkennen, doch men moet ze ook tot zijn beschikking hebben, op ieder oogenblik. Dat kost oefening, die grooter schijnt dan die waarmee men zijn moedertaal heeft aangeleerd.Toen Wije zoowat twee maanden in detokowas geweest en het daar zoover had gebracht dat de zaken een geregelden gang gingen, en het scheen dat de Chineezen hun lijdelijken weerstand hadden opgegeven, gebeurde er eensklaps iets dat hem bijna bewogen had er den bijl bij neer te leggen. De dagelijksche administratie over den verkoop door deklontongsberustte bij een dertoko-bedienden. Op zekeren dag bespeurde Wije dat deze zijn aanteekeningen in Chineesche karakters hield, niettegenstaande[26]hij dit dadelijk bij zijn komst voor goed had verboden, zoowel als het spreken in hun koeterwaalsch als hij tegenwoordig was.Want hij had zich nu eenmaal, terecht of ten onrechte, in zijn hoofd gezet, dat de Chineezen beide dingen enkel deden om de Europeanen te bedriegen.Zonder iets te zeggen nam Wije het boekje weg, sloot het in zijn lessenaar en maakte een ander op volgens de staatjes, die hij van denzelfden bediende ontvangen had. Dit legde hij neer op de plaats van het oude. Daarop verwijderde hij zich van het tafeltje, zeer tevreden over zichzelf, daar dit juist de eenige gelegenheid was waarbij men kon knoeien, sedert er een aparte uitgang was gemaakt voor de localiteiten waar de Chineezen huisden, entokoen magazijn ’s avonds konden worden afgesloten.Toen deklontongseindelijk binnenkwamen,[27]en de bewuste bediende zich naar het magazijn begeven had, waar hij met hen afrekende, vond hij het nieuwe boek. Hij bladerde er eenige oogenblikken in, zich bezinnende wat hij tegen deze nieuweakalvan den Europeaan moest doen. Daarop ging hij naar Wije; en het was merkwaardig om te zien, welk een uitdrukking van goeden wil door groote domheid ijdel gemaakt, zich op dat ronde gelaat had afgespiegeld.Wije kende dien trek en vermoedde wat er gebeuren zou toen hij den Chinees zag aankomen.„Meneer, ik begrijp dit niet.”„Kan je het soms niet lezen?”„Jawel meneer; het is heel goed.”„Wat begrijp je er dan niet van?”„Niets.”„Dat is niet veel,” zeide Wije flegmatiek. „Wil je het begrijpen?”„Heel graag, als meneer mij leeren wil.”[28]„Goed.” En Wije riep den bediende die het winkelboek bijhield. Dezen gelastte hij met den ander mede te gaan en hem te wijzen, hoe hij, uitgaande van de saldo’s die in het door hem opgemaakte boekje stonden, de dagelijksche bijschrijving of afschrijving moest noteeren. „Die is erin geloopen!” zeide hij bij zich zelf, toen de twee Chineezen zich verwijderden.Doch hij had zich te vroeg verheugd; want een kwartier later kwam de een terug met het bericht dat zij in het boekje van meneer niet konden zien hoeveel goed iedereklontongmoest hebben.„Dat komt er niet op aan,” zeide Wije. „De zaak is maar hoeveel geld zij afdragen. Dat schrijf je af; en zoo zij goed noodig hebben, schrijf je de waarde bij.”„Deklontongswillen echter weten of hun rekening uitkomt.”„Kwam hun rekening gister uit?”„Ja meneer.”[29]„Dan moet die immers voor vandaag verminderd worden met wat zij afdragen; en vermeerderd met wat zij opnieuw ontvangen aan goed?”„Ja meneer.”„Welnu, wat dan nog meer?”„Niets meneer; maar zij begrijpen dat niet.”„Laat ze stikken!” riep Wije uit, woedend nu. „Denk je dat ik voor ieder hunner een aparte boekhouding aanleg?”„Zooals meneer wil.”„Nu, ik wil het niet anders. Zeg het hun en ruk uit.”De Chinees deed wat hem bevolen was. Vijf minuten daarna verscheen de ander, de man van deklontongs.„Meneer, deklontongszeggen dat zij het zoo niet gewoon zijn.”„Dan moeten zij er maar aan wennen.”„Een Chinees kan niet wennen aan iets waaraan hij niet gewoon is.”Wije schoot in een luiden lach.[30]„En jullie dan?” vroeg hij. „Er is dunkt me hier heel wat veranderd sinds ik gekomen ben.”Dat was zoo, gaf de man toe. Maar zij waren bereid meneer in alles ter wille te zijn, hoe moeielijk het ook was, doch eenklontongwas daartoe te dom. Het beste zou zijn dat meneer hem het boekje teruggaf; dan zou hij dat voor deklontongsaanhouden en probeeren het andere naar den zin van meneer in te schrijven.Wije wilde daar echter niet van hooren. Hij besloot vol te houden, inziende dat de tegenpartij hier zwak was en haar lijdelijken tegenstand zou moeten opgeven. De Chinees verzocht hem ten slotte zijn voornemen zelf aan deklontongskenbaar te willen maken; hij was overtuigd dat zij zich bij meneer’s besluit zouden neerleggen, als zij het uit diens eigen mond vernamen; het was dantoewan poenja soeka1en niet, zooals zijn nu meenden, een uitvinding van den bediende.[31]Dat scheen billijk, en Wije begaf zich derhalve naar het magazijn, waar deklontongswaren. Onderweg had hij zich bedacht op welke manier hij de zaak zou aanvatten. Zich zettend voor het tafeltje, nam hij het boek en riep den eersten naam die daarin stond, uit. Niemand antwoordde.„Zijn Chineezen soms niet gewoon bij hun naam genoemd te worden?” vroeg Wije den achter hem staanden bediende.„Wien wil meneer hebben?” vroeg deze terug en op Wije’s aanwijzing herhaalde hij den naam, tevens den drager daarvan een wenk gevende.Een kleine magere Chinees trad uit den hoop naar voren.„Jij hadt gister ƒ 132.26 schuld,” zeide Wije. „Klopt dat of niet?”De aangesprokene grijnslachte, doch zeide niets.„Vraag jij het hem,” gebood Wije den bediende, en deze deed het.[32]„Tida tahoe2,” klonk het nu, onder heftig hoofdschudden.„Klopte het gister?”„Ja meneer,” antwoordde de bediende.„En waarom weet hij het nu niet?”„Hij zal het misschien vergeten zijn.”„Maar wat geeft het dan, of het boek in Chineesch schrift wordt bijgehouden, en alles van het goed wordt opgeschreven?”„Ja … dan herinnert hij het zich weer.”„Baik,” zeide Wije kort. „Laat hem zijn geld uittellen.”De bediende begon te spreken, doch in het voor Wije onverstaanbareargot.„Houd op!” viel deze in. „Spreek Maleisch.”„Als ik Maleisch spreek geeft hij zijn geld niet.”Wije’s geduld was ten einde. Opstaande diende hij den bediende een klinkende oorvijg toe. Doch de Chinees, die niet gewoon was zich als een inlander te laten slaan, en er dus volgens[33]zijn eigen uitspraak ook niet aan wennen kon, vloog, zoodra hij van de verbazing bekomen was, op Wije aan. En plotseling ontwaakten ook de anderen uit hun apathie, om hun landgenoot te hulp te komen. Zij waren echter niet vlug genoeg. Met een schop tegen diens maag had Wije zich van zijn bespringer ontslagen, een poot losrukkende van den stoel waarop hij gezeten had, timmerde hij daarmede op de lichaamsdeelen van hen die hem eveneens hadden aangegrepen, en een sprong doende daar waar de rij het dunste was, brak hij er door en bereikte de deuropening. Hier konden zij hem alleen in het front aanvallen en één had de spits moeten afbijten; daartoe scheen niemand lust te hebben.„Trek dat tafeltje hierheen,” gebood Wije den bediende van het winkelboek, die zich tot nu toe geheel passief had gehouden. „Ziezoo. Laat hen één voor één hun geld afdragen, en boek het in. Als zij niet willen, sluit ik de deur en haal de politie.”[34]Dit hielp. De een na den ander telde uit en werd door Wije naar buiten gejaagd met het bevel zich onmiddellijk in het logies te begeven. Eindelijk bleven alleen de twee bedienden over.„Nu weet je hoe het gedaan wordt. Morgen precies eender,” zeide Wije tot den man derklontongs, en ging terug naar detoko.Er was dien avond groote conferentie in het logies der Chineezen. In plaats van de vermoeienissen van den dag te verdrijven door een langen nacht slapens, zaten of stonden deklontongsrondom de bedienden die op dien middag bij Wije’s handelingen waren tegenwoordig geweest. Het eerste uur was doorgebracht met een wild dooreenschreeuwen, waaruit niemand, zelfs geen Chinees, wijs kon worden. Toen kwam er een toestand die den naam van een ongeregeld debat mocht dragen, maar dan toch een debat, ingeleid door een voorstel van den bediende die de administratie over[35]deklontongsvoerde, dat hem eindelijk gelukt was aan allen verstaanbaar te maken. Dit was om den volgenden morgen het werk te staken. Met horten en stooten, telkens een oogenblik van betrekkelijke stilte afwachtende, voerde hij de verdediging, daartoe bijgestaan door zijn kameraad, die beweerde evenals hij de manieren der Europeanen door en door te kennen. Deze toch wisten zich niet te helpen, zoodra er een afwijking plaats vond in den dagelijkschen gang van zaken; zij meenden alles te kunnen regelen met bevelen en geweldplegen, doch waar noch bevelen noch vloeken noch geweld hielp, en ze bovendien niet aan het geld van hun ondergeschikten konden komen, daar stonden zij machteloos. Er was geen sprake van dat hij, die thans aan het hoofd dertokostond, een middel zou weten te bedenken om hen te dwingen. Een Chinees … dat was iets anders. Die zorgde wel dat zij zich door hun schuld gebonden achtten; als hij die niet wettelijk[36]kon invorderen, dan waren er nog andere manieren om tot hetzelfde doel te geraken, want hij vond altijd steun bij zijn landgenooten, en daardoor stond men steeds tegenover een sterkere macht, die nimmer verzwakte, omdat men zich onder elkaar getrouwelijk hield aan de goede gebruiken en wetten der gewoonte. Bij de Europeanen was dat juist omgekeerd. Zij hadden een wet ontvangen van hun overheid, waarbij bepaald was dat iemand die niets bezat, niet verplicht was zijn schuld te betalen en er ook niet voor behoefde te werken. In plaats nu van zich aaneen te sluiten en door onderlinge maatregelen die wet onschadelijk te maken, nam de een den man in zijn dienst, die feitelijk een pandeling van den ander behoorde te zijn. Ja, zij hadden er schik in als hun buurman nadeel leed.De winkelbediende voegde hier een voorbeeld bij. Toen hij nog boodschappen bezorgde, voor Kan Liong Tjoe, was hij eens ergens gekomen[37]waar juist een dame bezig was debaboevan een andere dame af te troggelen. De meid antwoordde dat zij wel genegen was bij mevrouw te komen, maar dat zij niet weg kon omdat zij achttien gulden voorschot had.Tra perdoeli, had hij toen die dame hooren zeggen, en zij had er bijgevoegd dat die schuld toch niet was te innen en de meid niet bang behoefde te zijn voor bedreiging met de politie; dit wastempo doeloewel anders geweest, maar nu kon zij volstrekt geen gevaar.Tegen dat alles hadden deklontongsniets te zeggen; maar hun hoofdbezwaar, een dag verlies, bleef bestaan. En als het nog maar met één dag afliep! Maar wie weet of die Europeaan niet zou volhouden; hij had reeds meer getoond dat hij koppig was als een muildier. Wat dan?Dan nog geen nood, luidde het tegenbetoog. Het was beter twee dagen, ja een week, niets te verdienen en daarna op den bestaanden[38]voet te kunnen doorwerken, dan zich neer te leggen bij den wil van den Europeaan. Want deed men dit, dan waren alle extra’s uit. Men zou rekenschap moeten geven van elke halve el goed, van elken knoop; in de boekhouding der Europeanen ging niets verloren. En zoo heel lang kon het niet duren. Leden zij schade, de zaak eveneens; en al wilde de chef dit tijdelijk laten doorgaan, heel spoedig zouden de anderen, aan wie hij ondergeschikt was, tusschenbeiden komen.Doch het idee van eenstrikewilde erbijde Chineezen niet in. Hoe de bedienden ook hun best deden, deklontongsbleven zich verzetten. Er moest iets gedaan worden, dat erkenden zij, maar werkstaken … dat was zóó nieuw, zóó ongewoon! Eindelijk bedacht een der volksleidersin speeen uitkomst. Hij wilde Kan Liong Tjoe opzoeken en diens oordeel vernemen; als dit ten gunste van zijn voorstel uitviel zouden deklontongshet werk staken,[39]zoo niet, dan moest men iets anders verzinnen. Dit werd aangenomen; en terwijl de bediende zich, ondanks het nachtelijk uur, op weg begaf, zochten de anderen hun slaapsteden op.Wat Kan Liong Tjoe gezegd had bleek den volgenden morgen. Toen Wije kwam en de sleutels van het magazijn aan den bediende overhandigde, deelde deze hem mede dat er geen enkeleklontongwilde werken.„Ook al goed,” zeide Wije, die wel begrepen had dat er iets van dien aard zou geschieden. „Maar dan heb ik jou ook niet noodig. Ga je vrienden opzoeken. Zoodra zij weer uitkomen, kan jij ook terugkeeren. Intusschen staat je verdienste stil.”„Baik,” zeide de bediende, maar blijkbaar ten hoogste verrast.Wije nam de zaak in den beginne niet heel zwaar op. Wat gisteren gebeurd was mocht zich natuurlijk niet herhalen, daarvoor zou hij zorgen; voor het geval dat men hem aanviel[40]had hij een zakrevolvertje bij zich gestoken, en zelf zou hij zijn handen niet meer uitsteken. Op den duur konden deklontongstoch niet blijven luieren; elders werk vinden was voor hen zeer moeilijk; dus het einde van de zaak moest zijn dat hij overwon.In den loop van den dag ging hij naar het kantoor zijner firma en maakte terloops melding van het geval. De chef echter bleek zijn optimisme niet te deelen. Een enkele dag kon geen kwaad, maar als het langer aanhield zou detokoer geducht onder lijden, vond hij. De verkoop door deklontongsbedroeg meer dan men had verwacht en had het groote voordeel van uitsluitend à comptant te zijn. Wije moest derhalve zorgen dat hij de zaak, hoe dan ook, spoedig schikte.„Men moet toch wat zeggen,” mompelde Wije, toen hij het kantoor verliet, doch ’s namiddags, nadat de chef door van Beek had laten vragen hoe het stond met deklontongs,[41]zag hij in dat het ernstiger dreigde te worden dan het zich had laten aanzien. Zoolang men hem vrijheid van handelen liet was het niets, doch die onbekookte inmenging en overhaasting konden alles bederven. Aan toegeven dacht hij echter niet, ook niet toen zich den volgenden dag de boodschappen van het kantoor herhaalden.„Zeg dat ik wel bericht zal sturen,” zeide hij eindelijk tot van Beek; „en als je weer gestuurd wordt, loop dan maar een straatje om. Je gezicht maakt mij zenuwachtig.”„Meneer schijnt zich erg ongerust te maken; hij is al naar meneer Duna geweest ook,” deelde van Beek mee.„’t Kan me niet schelen,” zeide Wije. „Weet ge wat … zeg dat ze op het punt stonden van toe te geven, maar dat zij daarvan hebben afgezien toen zij bemerkten dat jij zoo dikwijls hierheen kwam. Daaruit maken ze op dat ik door den baas word opgejaagd.”[42]„Maar dat is immers niet waar?”„Zeker is dat waar! Een der bedienden heeft het mij verteld.”Aan den avond van den derden dag was Wije wanhopig. Van Beek was weggebleven, maar in diens plaats had de chef eenmandoergezonden met een briefje, een uur daarna weer een en zoo voort, telkens een ander als „brenger,” maar zonder variatie in het verzoek om aan genoemden brenger bericht mede te geven omtrent deklontongs. Hij had een bezoek gebracht aan Kan Liong Tjoe, doch zonder resultaat.De gewezentoko-houder ontving hem beleefd, doch betuigde hem niet te kunnen helpen. Ten eerste schatte meneer zijn invloed te hoog; hij was uit detokoen had dus niets meer te zeggen; ten tweede stond hij gereed om op reis te gaan naar het binnenland, waar hij zaken had.„Die ellendeling!” zeide Wije ’s avonds tot Anneke, aan wie hij de geheele historie had[43]verteld. „Ik ben overtuigd dat hij er plezier in heeft. Eén woord van hem en ’t is uit. Maar ik geef het niet op. Buigen zullen ze, of ik verzoek ontheven te worden van dat baantje.”„Maar Papa,” vroeg Anneke. „Zou die andere Chinees u niet kunnen helpen?”„Welke andere?”„Die toen hier was … u weet wel, de man van dat armbandje.”„Piong Pan Ho!” riep Wije uit. „Wie weet! Ja … ik ga er dadelijk heen.”„Daar komt iemand aan,” zeide Anneke, eenige oogenblikken later, juist toen het rijtuig voorreed. „O!”„O!” herhaalde Wije, met een begin van goeden luim. „Tot straks!” En hij sprong in den mylord om halverwege het voorerf den verbaasden van Beek voorbij te rijden.Deklontongswaren wederom vergaderd. In het langwerpig nauw vertrek heerschte een drukkende hitte. De zware balken aan[44]de zoldering, die niets te dragen hadden dan hun eigen gewicht en een dun planken dek, oorspronkelijk donkerbruin geverfd met roode randen, doch nu zwart door in roetmoppen saamgegroeide spinnewebben, de muren vuilblauw van de eenige jaren geleden opgestreken met indigo vermengde witkalk, de daar tegen steunende rollen beddegoed van hen wier slaapplaats dit vertrek uitmaakte, zogen de weinige lichtstralen, die een pit op een met petroleum gevulde wijnflesch flikkerend verspreide, nagenoeg geheel op, voorzoover zij niet loodkleurig reflecteerden op de aangezichten en bovenlijven van deklontongs, die ditmaal zwijgend den geschorsten bediende aanzagen, luisterend naar hetgeen hij te zeggen had.Meer dan het vorig plan, droeg het zooeven gesproken woord hun instemming weg.„Het is deze Europeaan, die ons in den weg staat,” luidde het. „Een ander zou het[45]al lang hebben opgegeven. Als wij hem kunnen verwijderen zal alles goed gaan. Nu, er is niets anders aan te doen dan dat wij hem doodslaan. Voor minder wijkt hij niet. Maar wij moeten het gezamenlijk doen, en zóó dat het een ongeluk schijnt.”Eenige kreten bewezen den spreker dat men het geheel met hem eens was.„Morgen ochtend,” vervolgde hij, „gaan allen weer aan het werk. Dat wil zeggen, jelui wacht als gewoonlijk vóór de deur vangoedang. Als ik die heb opengemaakt dringen allen naar binnen, op twee na.” Hij wees er twee aan. „Binnen, blijf jij”—wederom een aanwijzing—„vlak achter de deur staan. De anderen heffen een vervaarlijk geschreeuw aan.”Deklontongslachten. Dat viel in hun smaak!„Dan loopt hij natuurlijk naar binnen, om te zien wat het is. Maar de twee die buiten blijven, haken hun voeten om zijn beenen.[46]Kijk, zóó. Dan struikelt hij. Op dit oogenblik steekt hij, die achter de deur staat, hem het mes in de borst. Goed raken hoor!”Dat beloofde de bedoelde.„Vervolgens dragen wij hem een eindje verder, naar een pak goed, en leggen hem daar op, het mes tusschenrottan-touwen stekend. Dan loopen wij naar detokoen vertellen dat deblandagevallen is … toevallig juist in een mes dat op de gewone manier aan het pak van depikoelanwas vastgestoken.”Een daverend applaus op Chineesche manier, gelijkend op het brullen van tijgers en het geschreeuw van krolsche katten doorelkaar, volgde na deze woorden. Het scheen niemand te treffen, dat de bediende zelf geenerlei aandeel in de te plegen handeling voor zijn rekening nam. Wel protesteerden zij die aangewezen waren om Wije te doen struikelen, doch dit werd geschikt door hun getal op vier te brengen. Toen achtten zij zich[47]sterk genoeg en prezen mede den ontwerper van het plan, zich verheugend over zijn terugkeer tot Chineesche begrippen, in de ontwikkeling waarvan hij zich een meester getoond had.„Hondenkinderen!”Met één woord, schrijft Tacitus, dempte Caesar een soldatenoproer: door henQuirites, Ridders, te noemen, die den krijgseed schonden. Piong Pan Ho, plotseling verschijnend in de deuropening, deed iets dergelijks. Wel was er een groot verschil in den aanhef van beider redevoering, maar men bedenke dat Caesar te doen had met mannen die eergevoel bezaten. De uitwerking was nochtans dezelfde.Verlamd door schrik staarden deklontongsop den in donkerblauw gekleedenSingkeh, wiens streng gelaat zij ondanks de slechte verlichting onmiddellijk herkend hadden. En zij luisterden zwijgend naar hetgeen hij verder[48]te zeggen had. Het was weinig en stond wat kieschheid van vorm en inhoud betreft, tot datgene wat Caesar op zijn „Quirites” deed volgen, als de zooeven door Piong Pan Ho gebruikte term tot het woord van den grooten veldheer. Het laatste gedeelte gold in ’t bijzonder den bediende, die rillend en met starren blik voor zich keek.„Haal eenrottan,” gelastte deSingkeh, en een der Chineezen verliet het vertrek om spoedig daarna met het verlangde terug te keeren. „Neem het licht van die kist en leg hem er op.”De bediende liet het doen, zonder aan tegenstand te denken. Voorover op de kist, lag hij roerloos. Men had zijn armen uitgespreid; op ieder daarvan en ook op elken voet, ging een Chinees zitten. Door een grillig spel van het toeval waren het juist die vier, die aangewezen waren om Wije te doen struikelen, en hij die den messteek zou toebrengen[49]stond, na een hinderlijk kleedingstuk te hebben verwijderd, op zij van de kist met derottanin de hand, wachtende.Er was een oogenblik van zoo groote stilte, dat men de ademhaling derklontongshooren kon, grof en zwaar, als van menschen die na langdurige lichaamsinspanning nog niet gerust hebben.„Twee dozijn,” klonk het vonnis, kort maar beteekenisvol.Scherp suisde derottandoor de lucht, neerkomend met een geluid als van een hevigen snik, en de kist met allen die er op zaten, schudde door de geweldige spiertrekking van den getroffene. Bij den derden slag bleef een bloedige striem achter en de bediende uitte een doordringenden gil, den eersten, doch die bij de volgende slagen zich herhaalde, telkens langer, vervloeiende tot een jankend gehuil tegen het einde van de strafoefening. Deze had twee minuten geduurd.[50]„Wie van af heden dentoewan-tokonog iets in den weg legt, ja hem alleen maar niet ijverig genoeg dient, zal gestraft worden,” zeide Piong Pan Ho. „Zorgt dat allen het vernemen. Dieblandawerkt onder ons en met ons, daarom is hij een der onzen.” En hiermede verdween hij.[51]
Zoo Wije met lust en moed zijn nieuwe betrekking had opgevat, hij mocht van beiden wel een voldoenden voorraad hebben om onder haar last niet te bezwijken; want al spoedig zag hij in dat er op medewerking van den kant der Chineezen niet te rekenen viel. Vroeg hij iets in detokoaan een der bedienden, dan wist hij haast zeker dat het antwoord dáárop zou neerkomen, dat de man het niet wist; zelfs de meest dagelijks voorkomende zaken schenen zij allen plotseling te zijn vergeten. Als er klanten kwamen die naar de[23]prijzen vroegen van het een of ander, liepen zij geregeld naar Wije; en als hij, die natuurlijk daarvan ook nog niet geheel op de hoogte was, dan lang werk had eer hij het kon zeggen, of er zich blijkbaar met een Franschen slag uitredde, vermaakten zij zich inwendig met zijn verlegenheid; dat gevoelde hij, hoewel aan hun gezichten niets was te zien. Wat er vroeger voor betaald werd?
Ja, nu eens zooveel, dan weer zooveel, al naar men krijgen kon. Men was gewoon maar een prijs te noemen, zorg dragend dat die niet te laag was, en dan betaalde de een, terwijl de andertawarde; in het uiterste geval liep men naar den baas. Doch nu meneer alles zoo precies wenschte, durfde men dat zoo niet meer te doen.
Daar viel niets tegen te zeggen, maar lastig was het.
Wije begon een boek aan te leggen, waarin hij al de duizend en één artikelen met hun[24]in- en verkoopsprijs opschreef, ruimte latend voor denotitiesvan de schommelingen der markt, een reuzenwerk weliswaar, doch dat hem een boel gemak bezorgde toen het eenmaal gereed was.
Ook in de boekhouding had hij orde en regelmaat moeten brengen, doch hierbij was hij zelf de man die het wist, dus dat ging gemakkelijker. De kas werd elken avond opgemaakt. De eenige moeilijkheid die zich bij dit gedeelte van het werk voordeed, was het kleine geld. Overdag was er nooit genoeg om voor de koopers te wisselen, maar ’s avonds, als Wije voor de securiteit het geld meenam, was het juist omgekeerd. Dan ontbrak het zoo gewilde bankpapier ten eenenmale en moest de bodem van zijn wagenbak dikwijls een zware proef doorstaan, om niet te spreken van het uittellen, eerst in detokoen dan weer als hij het afdroeg aan de firma.
Wije maakte bij zichzelf de opmerking, dat[25]het een der moeilijkste dingen ter wereld was, om plotseling het beleid eener eenigszins omvangrijke zaak op zich te nemen. Het was daarmede als met een nieuwe taal die men te leeren had; niet alleen moet men de woorden kennen en herkennen, doch men moet ze ook tot zijn beschikking hebben, op ieder oogenblik. Dat kost oefening, die grooter schijnt dan die waarmee men zijn moedertaal heeft aangeleerd.
Toen Wije zoowat twee maanden in detokowas geweest en het daar zoover had gebracht dat de zaken een geregelden gang gingen, en het scheen dat de Chineezen hun lijdelijken weerstand hadden opgegeven, gebeurde er eensklaps iets dat hem bijna bewogen had er den bijl bij neer te leggen. De dagelijksche administratie over den verkoop door deklontongsberustte bij een dertoko-bedienden. Op zekeren dag bespeurde Wije dat deze zijn aanteekeningen in Chineesche karakters hield, niettegenstaande[26]hij dit dadelijk bij zijn komst voor goed had verboden, zoowel als het spreken in hun koeterwaalsch als hij tegenwoordig was.
Want hij had zich nu eenmaal, terecht of ten onrechte, in zijn hoofd gezet, dat de Chineezen beide dingen enkel deden om de Europeanen te bedriegen.
Zonder iets te zeggen nam Wije het boekje weg, sloot het in zijn lessenaar en maakte een ander op volgens de staatjes, die hij van denzelfden bediende ontvangen had. Dit legde hij neer op de plaats van het oude. Daarop verwijderde hij zich van het tafeltje, zeer tevreden over zichzelf, daar dit juist de eenige gelegenheid was waarbij men kon knoeien, sedert er een aparte uitgang was gemaakt voor de localiteiten waar de Chineezen huisden, entokoen magazijn ’s avonds konden worden afgesloten.
Toen deklontongseindelijk binnenkwamen,[27]en de bewuste bediende zich naar het magazijn begeven had, waar hij met hen afrekende, vond hij het nieuwe boek. Hij bladerde er eenige oogenblikken in, zich bezinnende wat hij tegen deze nieuweakalvan den Europeaan moest doen. Daarop ging hij naar Wije; en het was merkwaardig om te zien, welk een uitdrukking van goeden wil door groote domheid ijdel gemaakt, zich op dat ronde gelaat had afgespiegeld.
Wije kende dien trek en vermoedde wat er gebeuren zou toen hij den Chinees zag aankomen.
„Meneer, ik begrijp dit niet.”
„Kan je het soms niet lezen?”
„Jawel meneer; het is heel goed.”
„Wat begrijp je er dan niet van?”
„Niets.”
„Dat is niet veel,” zeide Wije flegmatiek. „Wil je het begrijpen?”
„Heel graag, als meneer mij leeren wil.”[28]
„Goed.” En Wije riep den bediende die het winkelboek bijhield. Dezen gelastte hij met den ander mede te gaan en hem te wijzen, hoe hij, uitgaande van de saldo’s die in het door hem opgemaakte boekje stonden, de dagelijksche bijschrijving of afschrijving moest noteeren. „Die is erin geloopen!” zeide hij bij zich zelf, toen de twee Chineezen zich verwijderden.
Doch hij had zich te vroeg verheugd; want een kwartier later kwam de een terug met het bericht dat zij in het boekje van meneer niet konden zien hoeveel goed iedereklontongmoest hebben.
„Dat komt er niet op aan,” zeide Wije. „De zaak is maar hoeveel geld zij afdragen. Dat schrijf je af; en zoo zij goed noodig hebben, schrijf je de waarde bij.”
„Deklontongswillen echter weten of hun rekening uitkomt.”
„Kwam hun rekening gister uit?”
„Ja meneer.”[29]
„Dan moet die immers voor vandaag verminderd worden met wat zij afdragen; en vermeerderd met wat zij opnieuw ontvangen aan goed?”
„Ja meneer.”
„Welnu, wat dan nog meer?”
„Niets meneer; maar zij begrijpen dat niet.”
„Laat ze stikken!” riep Wije uit, woedend nu. „Denk je dat ik voor ieder hunner een aparte boekhouding aanleg?”
„Zooals meneer wil.”
„Nu, ik wil het niet anders. Zeg het hun en ruk uit.”
De Chinees deed wat hem bevolen was. Vijf minuten daarna verscheen de ander, de man van deklontongs.
„Meneer, deklontongszeggen dat zij het zoo niet gewoon zijn.”
„Dan moeten zij er maar aan wennen.”
„Een Chinees kan niet wennen aan iets waaraan hij niet gewoon is.”
Wije schoot in een luiden lach.[30]
„En jullie dan?” vroeg hij. „Er is dunkt me hier heel wat veranderd sinds ik gekomen ben.”
Dat was zoo, gaf de man toe. Maar zij waren bereid meneer in alles ter wille te zijn, hoe moeielijk het ook was, doch eenklontongwas daartoe te dom. Het beste zou zijn dat meneer hem het boekje teruggaf; dan zou hij dat voor deklontongsaanhouden en probeeren het andere naar den zin van meneer in te schrijven.
Wije wilde daar echter niet van hooren. Hij besloot vol te houden, inziende dat de tegenpartij hier zwak was en haar lijdelijken tegenstand zou moeten opgeven. De Chinees verzocht hem ten slotte zijn voornemen zelf aan deklontongskenbaar te willen maken; hij was overtuigd dat zij zich bij meneer’s besluit zouden neerleggen, als zij het uit diens eigen mond vernamen; het was dantoewan poenja soeka1en niet, zooals zijn nu meenden, een uitvinding van den bediende.[31]
Dat scheen billijk, en Wije begaf zich derhalve naar het magazijn, waar deklontongswaren. Onderweg had hij zich bedacht op welke manier hij de zaak zou aanvatten. Zich zettend voor het tafeltje, nam hij het boek en riep den eersten naam die daarin stond, uit. Niemand antwoordde.
„Zijn Chineezen soms niet gewoon bij hun naam genoemd te worden?” vroeg Wije den achter hem staanden bediende.
„Wien wil meneer hebben?” vroeg deze terug en op Wije’s aanwijzing herhaalde hij den naam, tevens den drager daarvan een wenk gevende.
Een kleine magere Chinees trad uit den hoop naar voren.
„Jij hadt gister ƒ 132.26 schuld,” zeide Wije. „Klopt dat of niet?”
De aangesprokene grijnslachte, doch zeide niets.
„Vraag jij het hem,” gebood Wije den bediende, en deze deed het.[32]
„Tida tahoe2,” klonk het nu, onder heftig hoofdschudden.
„Klopte het gister?”
„Ja meneer,” antwoordde de bediende.
„En waarom weet hij het nu niet?”
„Hij zal het misschien vergeten zijn.”
„Maar wat geeft het dan, of het boek in Chineesch schrift wordt bijgehouden, en alles van het goed wordt opgeschreven?”
„Ja … dan herinnert hij het zich weer.”
„Baik,” zeide Wije kort. „Laat hem zijn geld uittellen.”
De bediende begon te spreken, doch in het voor Wije onverstaanbareargot.
„Houd op!” viel deze in. „Spreek Maleisch.”
„Als ik Maleisch spreek geeft hij zijn geld niet.”
Wije’s geduld was ten einde. Opstaande diende hij den bediende een klinkende oorvijg toe. Doch de Chinees, die niet gewoon was zich als een inlander te laten slaan, en er dus volgens[33]zijn eigen uitspraak ook niet aan wennen kon, vloog, zoodra hij van de verbazing bekomen was, op Wije aan. En plotseling ontwaakten ook de anderen uit hun apathie, om hun landgenoot te hulp te komen. Zij waren echter niet vlug genoeg. Met een schop tegen diens maag had Wije zich van zijn bespringer ontslagen, een poot losrukkende van den stoel waarop hij gezeten had, timmerde hij daarmede op de lichaamsdeelen van hen die hem eveneens hadden aangegrepen, en een sprong doende daar waar de rij het dunste was, brak hij er door en bereikte de deuropening. Hier konden zij hem alleen in het front aanvallen en één had de spits moeten afbijten; daartoe scheen niemand lust te hebben.
„Trek dat tafeltje hierheen,” gebood Wije den bediende van het winkelboek, die zich tot nu toe geheel passief had gehouden. „Ziezoo. Laat hen één voor één hun geld afdragen, en boek het in. Als zij niet willen, sluit ik de deur en haal de politie.”[34]
Dit hielp. De een na den ander telde uit en werd door Wije naar buiten gejaagd met het bevel zich onmiddellijk in het logies te begeven. Eindelijk bleven alleen de twee bedienden over.
„Nu weet je hoe het gedaan wordt. Morgen precies eender,” zeide Wije tot den man derklontongs, en ging terug naar detoko.
Er was dien avond groote conferentie in het logies der Chineezen. In plaats van de vermoeienissen van den dag te verdrijven door een langen nacht slapens, zaten of stonden deklontongsrondom de bedienden die op dien middag bij Wije’s handelingen waren tegenwoordig geweest. Het eerste uur was doorgebracht met een wild dooreenschreeuwen, waaruit niemand, zelfs geen Chinees, wijs kon worden. Toen kwam er een toestand die den naam van een ongeregeld debat mocht dragen, maar dan toch een debat, ingeleid door een voorstel van den bediende die de administratie over[35]deklontongsvoerde, dat hem eindelijk gelukt was aan allen verstaanbaar te maken. Dit was om den volgenden morgen het werk te staken. Met horten en stooten, telkens een oogenblik van betrekkelijke stilte afwachtende, voerde hij de verdediging, daartoe bijgestaan door zijn kameraad, die beweerde evenals hij de manieren der Europeanen door en door te kennen. Deze toch wisten zich niet te helpen, zoodra er een afwijking plaats vond in den dagelijkschen gang van zaken; zij meenden alles te kunnen regelen met bevelen en geweldplegen, doch waar noch bevelen noch vloeken noch geweld hielp, en ze bovendien niet aan het geld van hun ondergeschikten konden komen, daar stonden zij machteloos. Er was geen sprake van dat hij, die thans aan het hoofd dertokostond, een middel zou weten te bedenken om hen te dwingen. Een Chinees … dat was iets anders. Die zorgde wel dat zij zich door hun schuld gebonden achtten; als hij die niet wettelijk[36]kon invorderen, dan waren er nog andere manieren om tot hetzelfde doel te geraken, want hij vond altijd steun bij zijn landgenooten, en daardoor stond men steeds tegenover een sterkere macht, die nimmer verzwakte, omdat men zich onder elkaar getrouwelijk hield aan de goede gebruiken en wetten der gewoonte. Bij de Europeanen was dat juist omgekeerd. Zij hadden een wet ontvangen van hun overheid, waarbij bepaald was dat iemand die niets bezat, niet verplicht was zijn schuld te betalen en er ook niet voor behoefde te werken. In plaats nu van zich aaneen te sluiten en door onderlinge maatregelen die wet onschadelijk te maken, nam de een den man in zijn dienst, die feitelijk een pandeling van den ander behoorde te zijn. Ja, zij hadden er schik in als hun buurman nadeel leed.
De winkelbediende voegde hier een voorbeeld bij. Toen hij nog boodschappen bezorgde, voor Kan Liong Tjoe, was hij eens ergens gekomen[37]waar juist een dame bezig was debaboevan een andere dame af te troggelen. De meid antwoordde dat zij wel genegen was bij mevrouw te komen, maar dat zij niet weg kon omdat zij achttien gulden voorschot had.Tra perdoeli, had hij toen die dame hooren zeggen, en zij had er bijgevoegd dat die schuld toch niet was te innen en de meid niet bang behoefde te zijn voor bedreiging met de politie; dit wastempo doeloewel anders geweest, maar nu kon zij volstrekt geen gevaar.
Tegen dat alles hadden deklontongsniets te zeggen; maar hun hoofdbezwaar, een dag verlies, bleef bestaan. En als het nog maar met één dag afliep! Maar wie weet of die Europeaan niet zou volhouden; hij had reeds meer getoond dat hij koppig was als een muildier. Wat dan?
Dan nog geen nood, luidde het tegenbetoog. Het was beter twee dagen, ja een week, niets te verdienen en daarna op den bestaanden[38]voet te kunnen doorwerken, dan zich neer te leggen bij den wil van den Europeaan. Want deed men dit, dan waren alle extra’s uit. Men zou rekenschap moeten geven van elke halve el goed, van elken knoop; in de boekhouding der Europeanen ging niets verloren. En zoo heel lang kon het niet duren. Leden zij schade, de zaak eveneens; en al wilde de chef dit tijdelijk laten doorgaan, heel spoedig zouden de anderen, aan wie hij ondergeschikt was, tusschenbeiden komen.
Doch het idee van eenstrikewilde erbijde Chineezen niet in. Hoe de bedienden ook hun best deden, deklontongsbleven zich verzetten. Er moest iets gedaan worden, dat erkenden zij, maar werkstaken … dat was zóó nieuw, zóó ongewoon! Eindelijk bedacht een der volksleidersin speeen uitkomst. Hij wilde Kan Liong Tjoe opzoeken en diens oordeel vernemen; als dit ten gunste van zijn voorstel uitviel zouden deklontongshet werk staken,[39]zoo niet, dan moest men iets anders verzinnen. Dit werd aangenomen; en terwijl de bediende zich, ondanks het nachtelijk uur, op weg begaf, zochten de anderen hun slaapsteden op.
Wat Kan Liong Tjoe gezegd had bleek den volgenden morgen. Toen Wije kwam en de sleutels van het magazijn aan den bediende overhandigde, deelde deze hem mede dat er geen enkeleklontongwilde werken.
„Ook al goed,” zeide Wije, die wel begrepen had dat er iets van dien aard zou geschieden. „Maar dan heb ik jou ook niet noodig. Ga je vrienden opzoeken. Zoodra zij weer uitkomen, kan jij ook terugkeeren. Intusschen staat je verdienste stil.”
„Baik,” zeide de bediende, maar blijkbaar ten hoogste verrast.
Wije nam de zaak in den beginne niet heel zwaar op. Wat gisteren gebeurd was mocht zich natuurlijk niet herhalen, daarvoor zou hij zorgen; voor het geval dat men hem aanviel[40]had hij een zakrevolvertje bij zich gestoken, en zelf zou hij zijn handen niet meer uitsteken. Op den duur konden deklontongstoch niet blijven luieren; elders werk vinden was voor hen zeer moeilijk; dus het einde van de zaak moest zijn dat hij overwon.
In den loop van den dag ging hij naar het kantoor zijner firma en maakte terloops melding van het geval. De chef echter bleek zijn optimisme niet te deelen. Een enkele dag kon geen kwaad, maar als het langer aanhield zou detokoer geducht onder lijden, vond hij. De verkoop door deklontongsbedroeg meer dan men had verwacht en had het groote voordeel van uitsluitend à comptant te zijn. Wije moest derhalve zorgen dat hij de zaak, hoe dan ook, spoedig schikte.
„Men moet toch wat zeggen,” mompelde Wije, toen hij het kantoor verliet, doch ’s namiddags, nadat de chef door van Beek had laten vragen hoe het stond met deklontongs,[41]zag hij in dat het ernstiger dreigde te worden dan het zich had laten aanzien. Zoolang men hem vrijheid van handelen liet was het niets, doch die onbekookte inmenging en overhaasting konden alles bederven. Aan toegeven dacht hij echter niet, ook niet toen zich den volgenden dag de boodschappen van het kantoor herhaalden.
„Zeg dat ik wel bericht zal sturen,” zeide hij eindelijk tot van Beek; „en als je weer gestuurd wordt, loop dan maar een straatje om. Je gezicht maakt mij zenuwachtig.”
„Meneer schijnt zich erg ongerust te maken; hij is al naar meneer Duna geweest ook,” deelde van Beek mee.
„’t Kan me niet schelen,” zeide Wije. „Weet ge wat … zeg dat ze op het punt stonden van toe te geven, maar dat zij daarvan hebben afgezien toen zij bemerkten dat jij zoo dikwijls hierheen kwam. Daaruit maken ze op dat ik door den baas word opgejaagd.”[42]
„Maar dat is immers niet waar?”
„Zeker is dat waar! Een der bedienden heeft het mij verteld.”
Aan den avond van den derden dag was Wije wanhopig. Van Beek was weggebleven, maar in diens plaats had de chef eenmandoergezonden met een briefje, een uur daarna weer een en zoo voort, telkens een ander als „brenger,” maar zonder variatie in het verzoek om aan genoemden brenger bericht mede te geven omtrent deklontongs. Hij had een bezoek gebracht aan Kan Liong Tjoe, doch zonder resultaat.
De gewezentoko-houder ontving hem beleefd, doch betuigde hem niet te kunnen helpen. Ten eerste schatte meneer zijn invloed te hoog; hij was uit detokoen had dus niets meer te zeggen; ten tweede stond hij gereed om op reis te gaan naar het binnenland, waar hij zaken had.
„Die ellendeling!” zeide Wije ’s avonds tot Anneke, aan wie hij de geheele historie had[43]verteld. „Ik ben overtuigd dat hij er plezier in heeft. Eén woord van hem en ’t is uit. Maar ik geef het niet op. Buigen zullen ze, of ik verzoek ontheven te worden van dat baantje.”
„Maar Papa,” vroeg Anneke. „Zou die andere Chinees u niet kunnen helpen?”
„Welke andere?”
„Die toen hier was … u weet wel, de man van dat armbandje.”
„Piong Pan Ho!” riep Wije uit. „Wie weet! Ja … ik ga er dadelijk heen.”
„Daar komt iemand aan,” zeide Anneke, eenige oogenblikken later, juist toen het rijtuig voorreed. „O!”
„O!” herhaalde Wije, met een begin van goeden luim. „Tot straks!” En hij sprong in den mylord om halverwege het voorerf den verbaasden van Beek voorbij te rijden.
Deklontongswaren wederom vergaderd. In het langwerpig nauw vertrek heerschte een drukkende hitte. De zware balken aan[44]de zoldering, die niets te dragen hadden dan hun eigen gewicht en een dun planken dek, oorspronkelijk donkerbruin geverfd met roode randen, doch nu zwart door in roetmoppen saamgegroeide spinnewebben, de muren vuilblauw van de eenige jaren geleden opgestreken met indigo vermengde witkalk, de daar tegen steunende rollen beddegoed van hen wier slaapplaats dit vertrek uitmaakte, zogen de weinige lichtstralen, die een pit op een met petroleum gevulde wijnflesch flikkerend verspreide, nagenoeg geheel op, voorzoover zij niet loodkleurig reflecteerden op de aangezichten en bovenlijven van deklontongs, die ditmaal zwijgend den geschorsten bediende aanzagen, luisterend naar hetgeen hij te zeggen had.
Meer dan het vorig plan, droeg het zooeven gesproken woord hun instemming weg.
„Het is deze Europeaan, die ons in den weg staat,” luidde het. „Een ander zou het[45]al lang hebben opgegeven. Als wij hem kunnen verwijderen zal alles goed gaan. Nu, er is niets anders aan te doen dan dat wij hem doodslaan. Voor minder wijkt hij niet. Maar wij moeten het gezamenlijk doen, en zóó dat het een ongeluk schijnt.”
Eenige kreten bewezen den spreker dat men het geheel met hem eens was.
„Morgen ochtend,” vervolgde hij, „gaan allen weer aan het werk. Dat wil zeggen, jelui wacht als gewoonlijk vóór de deur vangoedang. Als ik die heb opengemaakt dringen allen naar binnen, op twee na.” Hij wees er twee aan. „Binnen, blijf jij”—wederom een aanwijzing—„vlak achter de deur staan. De anderen heffen een vervaarlijk geschreeuw aan.”
Deklontongslachten. Dat viel in hun smaak!
„Dan loopt hij natuurlijk naar binnen, om te zien wat het is. Maar de twee die buiten blijven, haken hun voeten om zijn beenen.[46]Kijk, zóó. Dan struikelt hij. Op dit oogenblik steekt hij, die achter de deur staat, hem het mes in de borst. Goed raken hoor!”
Dat beloofde de bedoelde.
„Vervolgens dragen wij hem een eindje verder, naar een pak goed, en leggen hem daar op, het mes tusschenrottan-touwen stekend. Dan loopen wij naar detokoen vertellen dat deblandagevallen is … toevallig juist in een mes dat op de gewone manier aan het pak van depikoelanwas vastgestoken.”
Een daverend applaus op Chineesche manier, gelijkend op het brullen van tijgers en het geschreeuw van krolsche katten doorelkaar, volgde na deze woorden. Het scheen niemand te treffen, dat de bediende zelf geenerlei aandeel in de te plegen handeling voor zijn rekening nam. Wel protesteerden zij die aangewezen waren om Wije te doen struikelen, doch dit werd geschikt door hun getal op vier te brengen. Toen achtten zij zich[47]sterk genoeg en prezen mede den ontwerper van het plan, zich verheugend over zijn terugkeer tot Chineesche begrippen, in de ontwikkeling waarvan hij zich een meester getoond had.
„Hondenkinderen!”
Met één woord, schrijft Tacitus, dempte Caesar een soldatenoproer: door henQuirites, Ridders, te noemen, die den krijgseed schonden. Piong Pan Ho, plotseling verschijnend in de deuropening, deed iets dergelijks. Wel was er een groot verschil in den aanhef van beider redevoering, maar men bedenke dat Caesar te doen had met mannen die eergevoel bezaten. De uitwerking was nochtans dezelfde.
Verlamd door schrik staarden deklontongsop den in donkerblauw gekleedenSingkeh, wiens streng gelaat zij ondanks de slechte verlichting onmiddellijk herkend hadden. En zij luisterden zwijgend naar hetgeen hij verder[48]te zeggen had. Het was weinig en stond wat kieschheid van vorm en inhoud betreft, tot datgene wat Caesar op zijn „Quirites” deed volgen, als de zooeven door Piong Pan Ho gebruikte term tot het woord van den grooten veldheer. Het laatste gedeelte gold in ’t bijzonder den bediende, die rillend en met starren blik voor zich keek.
„Haal eenrottan,” gelastte deSingkeh, en een der Chineezen verliet het vertrek om spoedig daarna met het verlangde terug te keeren. „Neem het licht van die kist en leg hem er op.”
De bediende liet het doen, zonder aan tegenstand te denken. Voorover op de kist, lag hij roerloos. Men had zijn armen uitgespreid; op ieder daarvan en ook op elken voet, ging een Chinees zitten. Door een grillig spel van het toeval waren het juist die vier, die aangewezen waren om Wije te doen struikelen, en hij die den messteek zou toebrengen[49]stond, na een hinderlijk kleedingstuk te hebben verwijderd, op zij van de kist met derottanin de hand, wachtende.
Er was een oogenblik van zoo groote stilte, dat men de ademhaling derklontongshooren kon, grof en zwaar, als van menschen die na langdurige lichaamsinspanning nog niet gerust hebben.
„Twee dozijn,” klonk het vonnis, kort maar beteekenisvol.
Scherp suisde derottandoor de lucht, neerkomend met een geluid als van een hevigen snik, en de kist met allen die er op zaten, schudde door de geweldige spiertrekking van den getroffene. Bij den derden slag bleef een bloedige striem achter en de bediende uitte een doordringenden gil, den eersten, doch die bij de volgende slagen zich herhaalde, telkens langer, vervloeiende tot een jankend gehuil tegen het einde van de strafoefening. Deze had twee minuten geduurd.[50]
„Wie van af heden dentoewan-tokonog iets in den weg legt, ja hem alleen maar niet ijverig genoeg dient, zal gestraft worden,” zeide Piong Pan Ho. „Zorgt dat allen het vernemen. Dieblandawerkt onder ons en met ons, daarom is hij een der onzen.” En hiermede verdween hij.
[51]
1Het goedvinden van meneer.↑2Ik weet het niet.↑
1Het goedvinden van meneer.↑2Ik weet het niet.↑
1Het goedvinden van meneer.↑
1Het goedvinden van meneer.↑
2Ik weet het niet.↑
2Ik weet het niet.↑