[Inhoud]V.V.SINTERKLAAS-SURPRISES.In de sociëteit was feest, den avond vóór Sinterklaasavond. Want, zoo had men geredeneerd, op dien avond zelf willen de menschen òf thuis zijn òf een kijkje nemen in de schitterend geëtaleerdetoko’s. Dat genoegen mocht de sociëteit niet storen, en aan den anderen kant wilde zij niet achterblijven om het hare te doen ter eere van den populairen bisschop en tot amusement van kinderen en menschen. Tot tien uur genoot de jeugd, eerst van de tombola, daarna van den marmeren dansvloer; toen hernamen de ouderen van jaren hun tijdelijk[99]opgeschorte rechten, een regeling waarbij niemand zoo profiteerde als meisjes van Anneke’s leeftijd, die ditmaal klein genoeg voor een servet en groot genoeg voor een tafellaken, met beide partijen mochten meedoen.Van af negen uur hadden zich in de voorgaanderij en waar men verder gelegenheid vond, partijtjes georganiseerd, doch Wije, die geen geregeld sociëteitsbezoeker was en dus ook tot geen vast clubje behoorde, had geen partners ontmoet; en ook zij die zonder vaste afspraak zich heden bijeen hadden gevoegd, hadden hem niet uitgenoodigd. Trouwens hij had het niet gezocht; het amuseerde hem veel meer om rond te wandelen, nu dezen dan genen aansprekende. Dat was, vond hij, een surrogaat voor een discours met iemand van veelzijdige ontwikkeling, daar toch ieder afzonderlijk wel over één punt iets dragelijks wist te zeggen.„Zeg, Wije, zou je mij even willen aflossen?”[100]Het was Duna, die met twee hooge handelchefs en den president van den Raad van Justitie speelde. Zijn vrouw had hem door een bediende dringend laten verzoeken even bij haar te komen, en nu trachtte hij op deze wijze voor zijn medespelers de stoornis op te heffen.„Ziehier,” zeide hij, de volgorde aanwijzende op de kaarten die Wije van hem had overgenomen. „Eerst die, dan die, die,… en verder naar omstandigheden.”Wije knikte en hield zijn blik op de kaarten gevestigd, niet ziende wat er op de aangezichten van Duna’s partners omging. Anders zou hij hebben bespeurd dat deze aan de tijdelijke persoonsverwisseling hun goedkeuring niet hechtten. Hij bemerkte het echter toen, na afloop van den robber, de volgende gever volstrekt geen haast maakte, doch met zijn hand op de kaarten, eenvoudig een praatje begon.Het was moeielijk. Opstaan en wegloopen[101]kon hij niet, blijven zitten had geen reden.„Mag ik de heeren een sigaar aanbieden?” vroeg hij plotseling, den eenen handelchef zijn koker voorhoudende, en deze, overbluft, nam er een, welk voorbeeld de president volgde terwijl de andere chef bedankte.„Nu,” zeide de eerste, met welbehagen den rook uitblazende, „diemag je ook wel achter slot houden, want de bedienden van den tegenwoordigen tijd zijn eerste kenners.”„Ja, ’t is krengentuig,” voegde zijn collega er aan toe, grimmig, zoowel van wege den inhoud der opmerking als door het feit dat de sigaar van Wije zoo meeviel en hij die had afgeslagen. „Ze moesten derottanmaar weer invoeren.”Maar de president trok het zich aan, dat de ander iets beoordeelde, dat op zijn gebied thuis hoorde, en zoo ontstond een korte discussie over de wenschelijkheid van de wederinvoering der rottan-straf.[102]Nu, dat was een punt waarover Wije in den laatsten tijd veel had nagedacht. Toch mengde hij zich niet dadelijk in het gesprek. Met de snelheid hem eigen, had hij een plan ontworpen om zich te wreken over de beleediging van zooeven en minder voorzichtig dan vroeger in het voor zich houden van stekelige invallen als men hem prikkelde, nam hij toen hij in de verte, door de openstaande deur der balzaal den heer Duna zag aankomen, het woord.„Bij het bespreken van wat de invoering derrottan-straf in ’t bijzonder, en andere ingrijpende goede maatregelen in ’t algemeen, tegenhoudt, meneeren, moet men tegenwoordig niet meer vragen: welk beginsel is er tegen, doch wie zijn er uithoofde van hun private beginselen of begrippen tegen? En dan moet men hier rekening houden met deze drie partijen: orthodoxen, modernen en juristen. Volgens mijn opinie zou in dit geval geen der partijen er[103]tegen zijn, zoo er maar een grondig onderzoek vooraf ging; de orthodoxen niet, want God zelf heeft derottan, tot gebruik gereed, laten groeien; de modernen niet, want de straf is volkomen in harmonie met hun.… met de humaniteit, aangezien de inlander haar als niet onteerend beschouwt; de juristen niet, omdat zij, in tegenstelling met gevangenisstraf, het karakter niet onherroepelijk bederft, alle rancune verdwijnt zoodra de striemen genezen zijn, en dus zuiver correctioneel werkt. Daar is meneer Duna. Heeren!”Met een lichte buiging verwijderde hij zich.„’n Knappe vent,” zeide de president met een fijn lachje. „Maar ik geloof dat hij ons alle drie ’n beetje voor den mal hield.”„Beunhazerij,” bromde de orthodoxe chef.De moderne chef zeide niets maar keek strak op een reepje papier, dat lag onder zijn holle hand, naast het spel gewasschen kaarten, dat straks, na deze gift, door Duna zou worden[104]opgenomen. Met de sigaar die hij uit Wije’s koker genomen had was het meegekomen, en zoolang deze bij hen zat, had hij er de hand op gehouden. Toen iedereen zich bezighield met het opnemen der kaarten, schoof hij het papiertje ongemerkt onder het tweede spel. Wat de woorden die er op stonden te beteekenen hadden, begreep hij niet, maar bij intuïtie gevoelde hij dat hij dusdoende Wije een kool stoofde; in welk gevoel hij versterkt werd, toen eenige oogenblikken later Duna, met een onderdrukten uitroep en een kleur, het noodlottige reepje in zijn zak stak en in den daarop volgenden robber een fout beging, die hem het gemakkelijk te winnen spel deed verliezen.Het dansen werd hoe langer hoe geanimeerder, en Anneke, voor wie het een nieuwtje was eens in een „heuschelijke” balzaal rond te zweven, gevierd en om strijd genood door „werkelijke” heeren, genoot met volle teugen.[105]„Neen, nu is meneer van Beek aan de beurt,” riep zij uit, drie vier anderen lachend terugwijzende, en den arm nemend van den genoemde.In een der deuren stond een groepje jongelui, van het soort dat niet danst, omdat hun opvoeding de beoefening dier kunst niet had omvat, en nu met minachting sprak over het „koelie-werk,” er tevens met hongerige oogen naar kijkend.„Zou je niet.…!”„Wat is er?”„Die gekke van Beek springt ook al mee.”„Waarachtig! En lekker ook!”„Dat zal waar zijn! Wie is dat?”„Ken je haar niet? ’n Dochter van Wije. Van ’t goeie soort.”„Hoe zoo?”„Kijk haar maar aan …” En de spreker vervolgde zijn zin, Anneke de gevoelens toedichtend, die alleen in staat zouden zijn geweest[106]zijn oogen zoo te doen glinsteren en op zijn wangen die kleur te voorschijn te roepen. Want daar hij niet langer rein genot begreep, kon hij het zich ook niet bij anderen voorstellen.„Pas op!” zeide zijn vriend. „Achter je!”De waarschuwing kwam te laat. Het jongemensch wendde zijn hoofd om, zag twee oogen op zich gevestigd in uitdrukking niet ongelijk aan de zooeven door hem gecritiseerde en ontving een slag met de vlakke hand in zijn gezicht.Er volgde een oogenblik van opschudding, waarin het eene deel der toegeschoten heeren veel moeite had Wije tegen te houden om den beleediger van zijn dochter verder te kastijden, doch hem betrekkelijk snel tot bedaren bracht, terwijl het andere deel weinig moeite had om het jongemensch tegen te houden, die beweerde Wije zijn klap te willen teruggeven, maar lang tobde eer men hem het zwijgen kon opleggen en meetroonen naar het buffet.[107]„Ik zal hem uitdagen.”„Ja, daar kan je niet buiten.”„Maar waarom vlogen jelui er tusschen, eer ik hem zijn klap kon teruggeven?”„Dat gebeurt altijd, je kunt toch midden op een bal geen kloppartij houden!”„’t Was buiten de zaal.”„Maar in de sociëteit.”„Dat is waar … in de sociëteit … Weetje wat? Ik daag hem niet uit.”„Hm!”„Neen. Om de kans te loopen ’n kogel in mijn body te krijgen.…. dankje, dat is geen satisfactie. Ik klaag hem aan bij de directie; dan wordt hij geschrapt, volgens het reglement.”Het was duidelijk dat dit besluit de meesten niet beviel; doch slechts één gaf het op ondubbelzinnige wijze te kennen, door op zijn hakken om te draaien en zich te verwijderen in de richting van de balzaal.[108]„Doe wat je wil,” zeide een ander, daarmee zich opwerpend als tolk van de overigen. Wel ja, hij moest het zelf weten, men zou oordeelen naar den uitslag. Gelukte het hem Wije uit de gezelschapskringen, waarvan de sociëteit het middenpunt vormde, te doen uitstooten, dan kon men zich bij hem blijven houden; leed hijéchec, en werd hij daardoor genoopt zich zelf terug te trekken, dan bleef Wije „getapt.” Dat was de veiligste weg.Wije had zich een poos in de leeszaal opgehouden, om zijn zenuwen tijd van bedaren te laten, en daarop, als ware er niets voorgevallen, zich weer onder de menschen begeven. Het incident was intusschen bij iedereen bekend geworden, behalve bij de jonge dames die alleen voor den dans oogen en ooren open hadden; dat de anderen het wisten, bleek uit de verhoogde vriendelijkheid waarmee men „le vainqueur” behandelde.Den volgenden dag bleef hij in afwachting[109]of soms de ander nog iets van zich zou laten hooren, doch toen de avond gevallen was, begreep hij daarvoor geen oogenblik langer bezorgd te moeten zijn, en hij gaf zich over aan het genoegen der Sinterklaas verrassingen, die hij en Anneke elkaar bereid hadden.Zij zaten in de achtergalerij; want de pakjes moesten natuurlijk aan de voorgalerij worden bezorgd! Met mysterieuse gezichten liepen de bedienden, de vertrouwden van beide partijen, telkens om het huis heen, „Sapada” roepend met veranderd stemgeluid en zelf antwoord gevend, om daarna op een drafje aan te komen bij meneer en de juffrouw, met de oprechte verzekering, dat „dit” juist was afgegeven door eenkoelieof een jongen dien zij niet kenden, grinnikend toenkokki, die ook eens wou meedoen, een pakje heette te hebben aangenomen, dat bij nader onderzoek voor haarzelf bestemd bleek. Want de Wije’s waren gewoon op dien avond ook hun bedienden te[110]bedenken, wat zeker niet door den grijzen bisschop zou zijn afgekeurd, als hij het had kunnen zien.Reeds herhaaldelijk had Anneke haar vader bedankt en deze zijn dochter, onder geveinsd terugwijzen van den dank door beiden, en ook was er een paar maal iets gekomen voor Anneke, dat met zekerheid kon worden gezegd van deze of gene vriendin afkomstig te zijn, toen er een pakket arriveerde welks inhoud werkelijk te raden gaf. Het was een gouden armband, niet zwaar, zooals voor een meisje van Anneke’s leeftijd paste. Een viertal dunne hoepeltjes, hier en daar met een bandje in gespvorm bijeengehouden.„Hé, van wie komt dat?” was de vraag, die voor de hand lag.Maar hoe zij de verpakking ook bekeken, niets was er dat hun eenig licht gaf.„’t Zal wel uitkomen,” meende Wije. „Maar eer we het weten, kan je hem niet dragen.”[111]„Waarom niet, Pa?”„Het cadeau is te kostbaar om bloot als een attentie te kunnen gelden.…”„Ik weet het!” riep Anneke uit. „Hij heeft het me gisteravond gezegd.… niet met ronde woorden, maar ik heb het toch begrepen … het is van van Beek.”„Zoo,” zeide Wije, „dat is meer dan ik achter hem gezocht zou hebben. Nu,.…”„Dari kampong tjina,” annonceerde de huisjongen, de galerij inkomende met een nieuw pakket.„Dat blijkt,” zeide Wije, het aannemende. „Er zit geen stuk Europeesch papier omheen.” En hij begon het te ontpakken.Het duurde lang, daar hij de gewoonte had de knoopen der touwtjes met de vingers los te peuteren, en nog was hij bezig, toen de bediende verscheen met een pakje, waarvan Anneke zich meester maakte.„Een man van het stoomboot-kantoor bracht het,” zeide de jongen, „ik ken hem.”[112]Anneke nam een schaartje en knipte de touwtjes door. Een étui kwam te voorschijn, dat ze opende …„Kees!” riep zij onwillekeurig.„Wat is het?” vroeg haar vader, zonder op te zien. Hij was juist aan den laatsten knoop. „Heb je ’t al?”Maar hij kreeg geen antwoord. Anneke had uit het étui een armband genomen, niet van goud ditmaal, maar van geëmailleerd zilver, bestaande uit vijf platte schakels. Eén er van vormde de sluiting, en daarop stonden tevens haar initialen. Op elk der anderen was een woord gegraveerd:God zij met ons, las zij zacht, en door plotselinge aandoening overmeesterd, boog zij het hoofd, terwijl twee groote tranen in haar ooghoeken parelden en toen neervielen, bol inkrimpend op de gladde oppervlakte van het zilver, in een punt het licht van de lamp weerkaatsend.Wije schoot in een luiden lach. Het laatste[113]papier verwijderend, hield hij een doosje in de hand, waarop met ruwe letters Piong Pan Ho zijn naam had geschreven.„Kijk, Anneke, een cadeau van onzenSingkeh,” zeide hij, „die zich wil schikken naar Europeescheadat, doch tegelijk begrijpt dat een practisch man ook als gever zijn naam niet verbergt. Misschien wist hij niet.… Wat heb je?”„Niets, pa,” zeide Anneke, trachtend zich te herstellen.„Van wie is dat?” vroeg hij, het geschenk van Kees opnemend.„Ik weet het niet … ik geloof … Wat zit dáár in?”„Neen, zóó kom je er niet af,” zeide Wije. „Wacht, ik zal je toonen dat je voor mij geen geheimen kunt hebben.—Waar drommel zit dat ding?” vervolgde hij, zoekend in zijn sigarenkoker. „Dat is sterk! Gister heb ik het nog gezien.”[114]„Wat toch pa?”„Ik begrijp er niets van,” zeide Wije, met de hulpeloosheid van iemand, die een vooruit berekend effect ziet falen. „Soedah, het is van den jongen Duna.”Anneke stond op van haar stoel en zette zichsans gêneop haars vaders knie. En hem onder de kin streelende zag zij hem, hoewel sterk kleurend, onbevreesd in de oogen.„Als het nu eens van Kees was,” zeide zij, „zou dat zoo’n wonder zijn? We zijn immers altijd zulke goede vrienden geweest, dat.… Met zoo gek kijken, pa! Zal je ’t laten? Daar dan … ’t is uw eigen schuld … Ik hou heel veel van Kees.” Bij het uitspreken der laatste woorden had zij in de lucht gekeken; nu verliet zij haar tijdelijke zitplaats en meteen het doosje meenemende, dat Wije naast zich gezet had, besliste zij: „En daarom mag ik het ook hebben.”Zij zette zich, eenigen tijd zwijgend voor[115]zich starende, terwijl ook Wije zijn mond hield. Hij vond het heel moeielijk nu iets verstandigs te zeggen; hij moest er eerst eens overpikiren. Om een afleiding te vinden, diehijnu wenschte, nam hij het nog altijd ongeopende doosje van Piong Pan Ho. Een kreet van verbazing ontsnapte hem, en lokte Anneke weer naast zijn stoel.„Gut pa, hoe mooi!” riep zij uit, haar blik vestigende op het geschenk van denSingkeh. „Hij heeft woord gehouden. Weet u nog wel dien avond, toen hij zei, dat hij het bloedkoralen snoertje zou omzetten in goud en edelsteenen?”„Ja,” zeide Wije; „maar hij heeft overdreven. Je zult dien armband, althans voorloopig, niet kunnen dragen. Een briljant als daar in gezet is, bezit misschien niemand hier.”„Och”.… begon Anneke, die meende dat juist dit de groote aardigheid er van was; maar zich bedwingend vervolgde zij: „Wat zonderling dat iedereen hetzelfde geeft!”[116]„Ja, dat kan zoo treffen,” zeide haar vader. „Vooral bij huwelijkscadeaux is het dikwijls het geval dat men met één artikel overstelpt wordt, bijvoorbeeld met ijskannen. Het grappigst van dien aard, dat ik ooit heb gezien, gebeurde toen ik pas hier op de plaats was. Ik woonde toen samen met iemand, die eenige jaren ouder was dan ik, en zich in gezelschappen heel aardig had gelanceerd. Op zijn verjaardag kreeg hij acht cadeautjes, van acht jonge dames, die allen gemeend hadden de vele attenties zijnerzijds niet beter te kunnen beantwoorden, dan door een handwerkje voor hem te maken. Ik zie ze nog arriveeren! Het eerste was een sluimer-rol. „Kijk,” zei mijn contubernaal, „dat is gezellig. Zoo’n ding geeft aan je inrichting een prettig cachet.” En hij gaf het een plaats. Het tweede was …”„Weer een sluimer-rol?”„Juist. En zoo ging het voort. Ik zie geen kans je te beschrijven welk een humeur mijn[117]vriend bezielde, toen het zesde, het zevende …”„Ajàkkes, pa!”„.… en eindelijk het achtste pakket geopend was! Acht sluimerrollen! Ik had moeite de onschuldige dingen tegen zijn woede te beveiligen.”„Die arme dames!” zeide Anneke. „Men zou bang worden ooit meer iets voor een heer te maken.—Het wordt zoo zachtjes aan laat … en ik heb slaap. Zal ik uw boeltje te gelijk wegbergen?”„Dat is goed,” vond Wije. Doch hij geloofde niet veel aan dien voorgewenden slaap. Zij ging natuurlijk in haar kamer zitten turen op dat ding van dien Duna; jawel, dat was te begrijpen. Enfin, men was nog zoover niet, en hij wilde er zich nu het hoofd niet mee breken. Het beste was maar Anneke’s voorbeeld te volgen; alleen te zitten was toch erg ongezellig.Een paar weken later ontving Wije een[118]schrijven van de directie der sociëteit, erg officieel, tot zelfs in de manier van dichtvouwen, waarin hij een berisping las over zijn gedrag bij gelegenheid van het jongste feest. En waarlijk, men had kans gezien het stuk zóó op te stellen, dat er voor Wije’s gevoelnietskwetsends in stond. Er was een briefje bij van den secretaris, dienende om dit vooral nader toe te lichten.„… Er werd veel gekakeld,” schreef deze, „en het duurde een heele poos eer ze het eens waren. Eindelijk zou niemand voor zoover hemzelf betrof, een andere handelwijze hebben voorgestaan dan nu gevolgd is, zoo er niet van buitenaf invloeden aan ’t werk waren geweest. Het komt mij voor dat je een paar fameuse stille vijanden hebt.…”Lachend om deze uitdrukking, verscheurde Wije de beide geschriften en begaf zich aan zijn arbeid.[119]
[Inhoud]V.V.SINTERKLAAS-SURPRISES.In de sociëteit was feest, den avond vóór Sinterklaasavond. Want, zoo had men geredeneerd, op dien avond zelf willen de menschen òf thuis zijn òf een kijkje nemen in de schitterend geëtaleerdetoko’s. Dat genoegen mocht de sociëteit niet storen, en aan den anderen kant wilde zij niet achterblijven om het hare te doen ter eere van den populairen bisschop en tot amusement van kinderen en menschen. Tot tien uur genoot de jeugd, eerst van de tombola, daarna van den marmeren dansvloer; toen hernamen de ouderen van jaren hun tijdelijk[99]opgeschorte rechten, een regeling waarbij niemand zoo profiteerde als meisjes van Anneke’s leeftijd, die ditmaal klein genoeg voor een servet en groot genoeg voor een tafellaken, met beide partijen mochten meedoen.Van af negen uur hadden zich in de voorgaanderij en waar men verder gelegenheid vond, partijtjes georganiseerd, doch Wije, die geen geregeld sociëteitsbezoeker was en dus ook tot geen vast clubje behoorde, had geen partners ontmoet; en ook zij die zonder vaste afspraak zich heden bijeen hadden gevoegd, hadden hem niet uitgenoodigd. Trouwens hij had het niet gezocht; het amuseerde hem veel meer om rond te wandelen, nu dezen dan genen aansprekende. Dat was, vond hij, een surrogaat voor een discours met iemand van veelzijdige ontwikkeling, daar toch ieder afzonderlijk wel over één punt iets dragelijks wist te zeggen.„Zeg, Wije, zou je mij even willen aflossen?”[100]Het was Duna, die met twee hooge handelchefs en den president van den Raad van Justitie speelde. Zijn vrouw had hem door een bediende dringend laten verzoeken even bij haar te komen, en nu trachtte hij op deze wijze voor zijn medespelers de stoornis op te heffen.„Ziehier,” zeide hij, de volgorde aanwijzende op de kaarten die Wije van hem had overgenomen. „Eerst die, dan die, die,… en verder naar omstandigheden.”Wije knikte en hield zijn blik op de kaarten gevestigd, niet ziende wat er op de aangezichten van Duna’s partners omging. Anders zou hij hebben bespeurd dat deze aan de tijdelijke persoonsverwisseling hun goedkeuring niet hechtten. Hij bemerkte het echter toen, na afloop van den robber, de volgende gever volstrekt geen haast maakte, doch met zijn hand op de kaarten, eenvoudig een praatje begon.Het was moeielijk. Opstaan en wegloopen[101]kon hij niet, blijven zitten had geen reden.„Mag ik de heeren een sigaar aanbieden?” vroeg hij plotseling, den eenen handelchef zijn koker voorhoudende, en deze, overbluft, nam er een, welk voorbeeld de president volgde terwijl de andere chef bedankte.„Nu,” zeide de eerste, met welbehagen den rook uitblazende, „diemag je ook wel achter slot houden, want de bedienden van den tegenwoordigen tijd zijn eerste kenners.”„Ja, ’t is krengentuig,” voegde zijn collega er aan toe, grimmig, zoowel van wege den inhoud der opmerking als door het feit dat de sigaar van Wije zoo meeviel en hij die had afgeslagen. „Ze moesten derottanmaar weer invoeren.”Maar de president trok het zich aan, dat de ander iets beoordeelde, dat op zijn gebied thuis hoorde, en zoo ontstond een korte discussie over de wenschelijkheid van de wederinvoering der rottan-straf.[102]Nu, dat was een punt waarover Wije in den laatsten tijd veel had nagedacht. Toch mengde hij zich niet dadelijk in het gesprek. Met de snelheid hem eigen, had hij een plan ontworpen om zich te wreken over de beleediging van zooeven en minder voorzichtig dan vroeger in het voor zich houden van stekelige invallen als men hem prikkelde, nam hij toen hij in de verte, door de openstaande deur der balzaal den heer Duna zag aankomen, het woord.„Bij het bespreken van wat de invoering derrottan-straf in ’t bijzonder, en andere ingrijpende goede maatregelen in ’t algemeen, tegenhoudt, meneeren, moet men tegenwoordig niet meer vragen: welk beginsel is er tegen, doch wie zijn er uithoofde van hun private beginselen of begrippen tegen? En dan moet men hier rekening houden met deze drie partijen: orthodoxen, modernen en juristen. Volgens mijn opinie zou in dit geval geen der partijen er[103]tegen zijn, zoo er maar een grondig onderzoek vooraf ging; de orthodoxen niet, want God zelf heeft derottan, tot gebruik gereed, laten groeien; de modernen niet, want de straf is volkomen in harmonie met hun.… met de humaniteit, aangezien de inlander haar als niet onteerend beschouwt; de juristen niet, omdat zij, in tegenstelling met gevangenisstraf, het karakter niet onherroepelijk bederft, alle rancune verdwijnt zoodra de striemen genezen zijn, en dus zuiver correctioneel werkt. Daar is meneer Duna. Heeren!”Met een lichte buiging verwijderde hij zich.„’n Knappe vent,” zeide de president met een fijn lachje. „Maar ik geloof dat hij ons alle drie ’n beetje voor den mal hield.”„Beunhazerij,” bromde de orthodoxe chef.De moderne chef zeide niets maar keek strak op een reepje papier, dat lag onder zijn holle hand, naast het spel gewasschen kaarten, dat straks, na deze gift, door Duna zou worden[104]opgenomen. Met de sigaar die hij uit Wije’s koker genomen had was het meegekomen, en zoolang deze bij hen zat, had hij er de hand op gehouden. Toen iedereen zich bezighield met het opnemen der kaarten, schoof hij het papiertje ongemerkt onder het tweede spel. Wat de woorden die er op stonden te beteekenen hadden, begreep hij niet, maar bij intuïtie gevoelde hij dat hij dusdoende Wije een kool stoofde; in welk gevoel hij versterkt werd, toen eenige oogenblikken later Duna, met een onderdrukten uitroep en een kleur, het noodlottige reepje in zijn zak stak en in den daarop volgenden robber een fout beging, die hem het gemakkelijk te winnen spel deed verliezen.Het dansen werd hoe langer hoe geanimeerder, en Anneke, voor wie het een nieuwtje was eens in een „heuschelijke” balzaal rond te zweven, gevierd en om strijd genood door „werkelijke” heeren, genoot met volle teugen.[105]„Neen, nu is meneer van Beek aan de beurt,” riep zij uit, drie vier anderen lachend terugwijzende, en den arm nemend van den genoemde.In een der deuren stond een groepje jongelui, van het soort dat niet danst, omdat hun opvoeding de beoefening dier kunst niet had omvat, en nu met minachting sprak over het „koelie-werk,” er tevens met hongerige oogen naar kijkend.„Zou je niet.…!”„Wat is er?”„Die gekke van Beek springt ook al mee.”„Waarachtig! En lekker ook!”„Dat zal waar zijn! Wie is dat?”„Ken je haar niet? ’n Dochter van Wije. Van ’t goeie soort.”„Hoe zoo?”„Kijk haar maar aan …” En de spreker vervolgde zijn zin, Anneke de gevoelens toedichtend, die alleen in staat zouden zijn geweest[106]zijn oogen zoo te doen glinsteren en op zijn wangen die kleur te voorschijn te roepen. Want daar hij niet langer rein genot begreep, kon hij het zich ook niet bij anderen voorstellen.„Pas op!” zeide zijn vriend. „Achter je!”De waarschuwing kwam te laat. Het jongemensch wendde zijn hoofd om, zag twee oogen op zich gevestigd in uitdrukking niet ongelijk aan de zooeven door hem gecritiseerde en ontving een slag met de vlakke hand in zijn gezicht.Er volgde een oogenblik van opschudding, waarin het eene deel der toegeschoten heeren veel moeite had Wije tegen te houden om den beleediger van zijn dochter verder te kastijden, doch hem betrekkelijk snel tot bedaren bracht, terwijl het andere deel weinig moeite had om het jongemensch tegen te houden, die beweerde Wije zijn klap te willen teruggeven, maar lang tobde eer men hem het zwijgen kon opleggen en meetroonen naar het buffet.[107]„Ik zal hem uitdagen.”„Ja, daar kan je niet buiten.”„Maar waarom vlogen jelui er tusschen, eer ik hem zijn klap kon teruggeven?”„Dat gebeurt altijd, je kunt toch midden op een bal geen kloppartij houden!”„’t Was buiten de zaal.”„Maar in de sociëteit.”„Dat is waar … in de sociëteit … Weetje wat? Ik daag hem niet uit.”„Hm!”„Neen. Om de kans te loopen ’n kogel in mijn body te krijgen.…. dankje, dat is geen satisfactie. Ik klaag hem aan bij de directie; dan wordt hij geschrapt, volgens het reglement.”Het was duidelijk dat dit besluit de meesten niet beviel; doch slechts één gaf het op ondubbelzinnige wijze te kennen, door op zijn hakken om te draaien en zich te verwijderen in de richting van de balzaal.[108]„Doe wat je wil,” zeide een ander, daarmee zich opwerpend als tolk van de overigen. Wel ja, hij moest het zelf weten, men zou oordeelen naar den uitslag. Gelukte het hem Wije uit de gezelschapskringen, waarvan de sociëteit het middenpunt vormde, te doen uitstooten, dan kon men zich bij hem blijven houden; leed hijéchec, en werd hij daardoor genoopt zich zelf terug te trekken, dan bleef Wije „getapt.” Dat was de veiligste weg.Wije had zich een poos in de leeszaal opgehouden, om zijn zenuwen tijd van bedaren te laten, en daarop, als ware er niets voorgevallen, zich weer onder de menschen begeven. Het incident was intusschen bij iedereen bekend geworden, behalve bij de jonge dames die alleen voor den dans oogen en ooren open hadden; dat de anderen het wisten, bleek uit de verhoogde vriendelijkheid waarmee men „le vainqueur” behandelde.Den volgenden dag bleef hij in afwachting[109]of soms de ander nog iets van zich zou laten hooren, doch toen de avond gevallen was, begreep hij daarvoor geen oogenblik langer bezorgd te moeten zijn, en hij gaf zich over aan het genoegen der Sinterklaas verrassingen, die hij en Anneke elkaar bereid hadden.Zij zaten in de achtergalerij; want de pakjes moesten natuurlijk aan de voorgalerij worden bezorgd! Met mysterieuse gezichten liepen de bedienden, de vertrouwden van beide partijen, telkens om het huis heen, „Sapada” roepend met veranderd stemgeluid en zelf antwoord gevend, om daarna op een drafje aan te komen bij meneer en de juffrouw, met de oprechte verzekering, dat „dit” juist was afgegeven door eenkoelieof een jongen dien zij niet kenden, grinnikend toenkokki, die ook eens wou meedoen, een pakje heette te hebben aangenomen, dat bij nader onderzoek voor haarzelf bestemd bleek. Want de Wije’s waren gewoon op dien avond ook hun bedienden te[110]bedenken, wat zeker niet door den grijzen bisschop zou zijn afgekeurd, als hij het had kunnen zien.Reeds herhaaldelijk had Anneke haar vader bedankt en deze zijn dochter, onder geveinsd terugwijzen van den dank door beiden, en ook was er een paar maal iets gekomen voor Anneke, dat met zekerheid kon worden gezegd van deze of gene vriendin afkomstig te zijn, toen er een pakket arriveerde welks inhoud werkelijk te raden gaf. Het was een gouden armband, niet zwaar, zooals voor een meisje van Anneke’s leeftijd paste. Een viertal dunne hoepeltjes, hier en daar met een bandje in gespvorm bijeengehouden.„Hé, van wie komt dat?” was de vraag, die voor de hand lag.Maar hoe zij de verpakking ook bekeken, niets was er dat hun eenig licht gaf.„’t Zal wel uitkomen,” meende Wije. „Maar eer we het weten, kan je hem niet dragen.”[111]„Waarom niet, Pa?”„Het cadeau is te kostbaar om bloot als een attentie te kunnen gelden.…”„Ik weet het!” riep Anneke uit. „Hij heeft het me gisteravond gezegd.… niet met ronde woorden, maar ik heb het toch begrepen … het is van van Beek.”„Zoo,” zeide Wije, „dat is meer dan ik achter hem gezocht zou hebben. Nu,.…”„Dari kampong tjina,” annonceerde de huisjongen, de galerij inkomende met een nieuw pakket.„Dat blijkt,” zeide Wije, het aannemende. „Er zit geen stuk Europeesch papier omheen.” En hij begon het te ontpakken.Het duurde lang, daar hij de gewoonte had de knoopen der touwtjes met de vingers los te peuteren, en nog was hij bezig, toen de bediende verscheen met een pakje, waarvan Anneke zich meester maakte.„Een man van het stoomboot-kantoor bracht het,” zeide de jongen, „ik ken hem.”[112]Anneke nam een schaartje en knipte de touwtjes door. Een étui kwam te voorschijn, dat ze opende …„Kees!” riep zij onwillekeurig.„Wat is het?” vroeg haar vader, zonder op te zien. Hij was juist aan den laatsten knoop. „Heb je ’t al?”Maar hij kreeg geen antwoord. Anneke had uit het étui een armband genomen, niet van goud ditmaal, maar van geëmailleerd zilver, bestaande uit vijf platte schakels. Eén er van vormde de sluiting, en daarop stonden tevens haar initialen. Op elk der anderen was een woord gegraveerd:God zij met ons, las zij zacht, en door plotselinge aandoening overmeesterd, boog zij het hoofd, terwijl twee groote tranen in haar ooghoeken parelden en toen neervielen, bol inkrimpend op de gladde oppervlakte van het zilver, in een punt het licht van de lamp weerkaatsend.Wije schoot in een luiden lach. Het laatste[113]papier verwijderend, hield hij een doosje in de hand, waarop met ruwe letters Piong Pan Ho zijn naam had geschreven.„Kijk, Anneke, een cadeau van onzenSingkeh,” zeide hij, „die zich wil schikken naar Europeescheadat, doch tegelijk begrijpt dat een practisch man ook als gever zijn naam niet verbergt. Misschien wist hij niet.… Wat heb je?”„Niets, pa,” zeide Anneke, trachtend zich te herstellen.„Van wie is dat?” vroeg hij, het geschenk van Kees opnemend.„Ik weet het niet … ik geloof … Wat zit dáár in?”„Neen, zóó kom je er niet af,” zeide Wije. „Wacht, ik zal je toonen dat je voor mij geen geheimen kunt hebben.—Waar drommel zit dat ding?” vervolgde hij, zoekend in zijn sigarenkoker. „Dat is sterk! Gister heb ik het nog gezien.”[114]„Wat toch pa?”„Ik begrijp er niets van,” zeide Wije, met de hulpeloosheid van iemand, die een vooruit berekend effect ziet falen. „Soedah, het is van den jongen Duna.”Anneke stond op van haar stoel en zette zichsans gêneop haars vaders knie. En hem onder de kin streelende zag zij hem, hoewel sterk kleurend, onbevreesd in de oogen.„Als het nu eens van Kees was,” zeide zij, „zou dat zoo’n wonder zijn? We zijn immers altijd zulke goede vrienden geweest, dat.… Met zoo gek kijken, pa! Zal je ’t laten? Daar dan … ’t is uw eigen schuld … Ik hou heel veel van Kees.” Bij het uitspreken der laatste woorden had zij in de lucht gekeken; nu verliet zij haar tijdelijke zitplaats en meteen het doosje meenemende, dat Wije naast zich gezet had, besliste zij: „En daarom mag ik het ook hebben.”Zij zette zich, eenigen tijd zwijgend voor[115]zich starende, terwijl ook Wije zijn mond hield. Hij vond het heel moeielijk nu iets verstandigs te zeggen; hij moest er eerst eens overpikiren. Om een afleiding te vinden, diehijnu wenschte, nam hij het nog altijd ongeopende doosje van Piong Pan Ho. Een kreet van verbazing ontsnapte hem, en lokte Anneke weer naast zijn stoel.„Gut pa, hoe mooi!” riep zij uit, haar blik vestigende op het geschenk van denSingkeh. „Hij heeft woord gehouden. Weet u nog wel dien avond, toen hij zei, dat hij het bloedkoralen snoertje zou omzetten in goud en edelsteenen?”„Ja,” zeide Wije; „maar hij heeft overdreven. Je zult dien armband, althans voorloopig, niet kunnen dragen. Een briljant als daar in gezet is, bezit misschien niemand hier.”„Och”.… begon Anneke, die meende dat juist dit de groote aardigheid er van was; maar zich bedwingend vervolgde zij: „Wat zonderling dat iedereen hetzelfde geeft!”[116]„Ja, dat kan zoo treffen,” zeide haar vader. „Vooral bij huwelijkscadeaux is het dikwijls het geval dat men met één artikel overstelpt wordt, bijvoorbeeld met ijskannen. Het grappigst van dien aard, dat ik ooit heb gezien, gebeurde toen ik pas hier op de plaats was. Ik woonde toen samen met iemand, die eenige jaren ouder was dan ik, en zich in gezelschappen heel aardig had gelanceerd. Op zijn verjaardag kreeg hij acht cadeautjes, van acht jonge dames, die allen gemeend hadden de vele attenties zijnerzijds niet beter te kunnen beantwoorden, dan door een handwerkje voor hem te maken. Ik zie ze nog arriveeren! Het eerste was een sluimer-rol. „Kijk,” zei mijn contubernaal, „dat is gezellig. Zoo’n ding geeft aan je inrichting een prettig cachet.” En hij gaf het een plaats. Het tweede was …”„Weer een sluimer-rol?”„Juist. En zoo ging het voort. Ik zie geen kans je te beschrijven welk een humeur mijn[117]vriend bezielde, toen het zesde, het zevende …”„Ajàkkes, pa!”„.… en eindelijk het achtste pakket geopend was! Acht sluimerrollen! Ik had moeite de onschuldige dingen tegen zijn woede te beveiligen.”„Die arme dames!” zeide Anneke. „Men zou bang worden ooit meer iets voor een heer te maken.—Het wordt zoo zachtjes aan laat … en ik heb slaap. Zal ik uw boeltje te gelijk wegbergen?”„Dat is goed,” vond Wije. Doch hij geloofde niet veel aan dien voorgewenden slaap. Zij ging natuurlijk in haar kamer zitten turen op dat ding van dien Duna; jawel, dat was te begrijpen. Enfin, men was nog zoover niet, en hij wilde er zich nu het hoofd niet mee breken. Het beste was maar Anneke’s voorbeeld te volgen; alleen te zitten was toch erg ongezellig.Een paar weken later ontving Wije een[118]schrijven van de directie der sociëteit, erg officieel, tot zelfs in de manier van dichtvouwen, waarin hij een berisping las over zijn gedrag bij gelegenheid van het jongste feest. En waarlijk, men had kans gezien het stuk zóó op te stellen, dat er voor Wije’s gevoelnietskwetsends in stond. Er was een briefje bij van den secretaris, dienende om dit vooral nader toe te lichten.„… Er werd veel gekakeld,” schreef deze, „en het duurde een heele poos eer ze het eens waren. Eindelijk zou niemand voor zoover hemzelf betrof, een andere handelwijze hebben voorgestaan dan nu gevolgd is, zoo er niet van buitenaf invloeden aan ’t werk waren geweest. Het komt mij voor dat je een paar fameuse stille vijanden hebt.…”Lachend om deze uitdrukking, verscheurde Wije de beide geschriften en begaf zich aan zijn arbeid.[119]
[Inhoud]V.V.SINTERKLAAS-SURPRISES.In de sociëteit was feest, den avond vóór Sinterklaasavond. Want, zoo had men geredeneerd, op dien avond zelf willen de menschen òf thuis zijn òf een kijkje nemen in de schitterend geëtaleerdetoko’s. Dat genoegen mocht de sociëteit niet storen, en aan den anderen kant wilde zij niet achterblijven om het hare te doen ter eere van den populairen bisschop en tot amusement van kinderen en menschen. Tot tien uur genoot de jeugd, eerst van de tombola, daarna van den marmeren dansvloer; toen hernamen de ouderen van jaren hun tijdelijk[99]opgeschorte rechten, een regeling waarbij niemand zoo profiteerde als meisjes van Anneke’s leeftijd, die ditmaal klein genoeg voor een servet en groot genoeg voor een tafellaken, met beide partijen mochten meedoen.Van af negen uur hadden zich in de voorgaanderij en waar men verder gelegenheid vond, partijtjes georganiseerd, doch Wije, die geen geregeld sociëteitsbezoeker was en dus ook tot geen vast clubje behoorde, had geen partners ontmoet; en ook zij die zonder vaste afspraak zich heden bijeen hadden gevoegd, hadden hem niet uitgenoodigd. Trouwens hij had het niet gezocht; het amuseerde hem veel meer om rond te wandelen, nu dezen dan genen aansprekende. Dat was, vond hij, een surrogaat voor een discours met iemand van veelzijdige ontwikkeling, daar toch ieder afzonderlijk wel over één punt iets dragelijks wist te zeggen.„Zeg, Wije, zou je mij even willen aflossen?”[100]Het was Duna, die met twee hooge handelchefs en den president van den Raad van Justitie speelde. Zijn vrouw had hem door een bediende dringend laten verzoeken even bij haar te komen, en nu trachtte hij op deze wijze voor zijn medespelers de stoornis op te heffen.„Ziehier,” zeide hij, de volgorde aanwijzende op de kaarten die Wije van hem had overgenomen. „Eerst die, dan die, die,… en verder naar omstandigheden.”Wije knikte en hield zijn blik op de kaarten gevestigd, niet ziende wat er op de aangezichten van Duna’s partners omging. Anders zou hij hebben bespeurd dat deze aan de tijdelijke persoonsverwisseling hun goedkeuring niet hechtten. Hij bemerkte het echter toen, na afloop van den robber, de volgende gever volstrekt geen haast maakte, doch met zijn hand op de kaarten, eenvoudig een praatje begon.Het was moeielijk. Opstaan en wegloopen[101]kon hij niet, blijven zitten had geen reden.„Mag ik de heeren een sigaar aanbieden?” vroeg hij plotseling, den eenen handelchef zijn koker voorhoudende, en deze, overbluft, nam er een, welk voorbeeld de president volgde terwijl de andere chef bedankte.„Nu,” zeide de eerste, met welbehagen den rook uitblazende, „diemag je ook wel achter slot houden, want de bedienden van den tegenwoordigen tijd zijn eerste kenners.”„Ja, ’t is krengentuig,” voegde zijn collega er aan toe, grimmig, zoowel van wege den inhoud der opmerking als door het feit dat de sigaar van Wije zoo meeviel en hij die had afgeslagen. „Ze moesten derottanmaar weer invoeren.”Maar de president trok het zich aan, dat de ander iets beoordeelde, dat op zijn gebied thuis hoorde, en zoo ontstond een korte discussie over de wenschelijkheid van de wederinvoering der rottan-straf.[102]Nu, dat was een punt waarover Wije in den laatsten tijd veel had nagedacht. Toch mengde hij zich niet dadelijk in het gesprek. Met de snelheid hem eigen, had hij een plan ontworpen om zich te wreken over de beleediging van zooeven en minder voorzichtig dan vroeger in het voor zich houden van stekelige invallen als men hem prikkelde, nam hij toen hij in de verte, door de openstaande deur der balzaal den heer Duna zag aankomen, het woord.„Bij het bespreken van wat de invoering derrottan-straf in ’t bijzonder, en andere ingrijpende goede maatregelen in ’t algemeen, tegenhoudt, meneeren, moet men tegenwoordig niet meer vragen: welk beginsel is er tegen, doch wie zijn er uithoofde van hun private beginselen of begrippen tegen? En dan moet men hier rekening houden met deze drie partijen: orthodoxen, modernen en juristen. Volgens mijn opinie zou in dit geval geen der partijen er[103]tegen zijn, zoo er maar een grondig onderzoek vooraf ging; de orthodoxen niet, want God zelf heeft derottan, tot gebruik gereed, laten groeien; de modernen niet, want de straf is volkomen in harmonie met hun.… met de humaniteit, aangezien de inlander haar als niet onteerend beschouwt; de juristen niet, omdat zij, in tegenstelling met gevangenisstraf, het karakter niet onherroepelijk bederft, alle rancune verdwijnt zoodra de striemen genezen zijn, en dus zuiver correctioneel werkt. Daar is meneer Duna. Heeren!”Met een lichte buiging verwijderde hij zich.„’n Knappe vent,” zeide de president met een fijn lachje. „Maar ik geloof dat hij ons alle drie ’n beetje voor den mal hield.”„Beunhazerij,” bromde de orthodoxe chef.De moderne chef zeide niets maar keek strak op een reepje papier, dat lag onder zijn holle hand, naast het spel gewasschen kaarten, dat straks, na deze gift, door Duna zou worden[104]opgenomen. Met de sigaar die hij uit Wije’s koker genomen had was het meegekomen, en zoolang deze bij hen zat, had hij er de hand op gehouden. Toen iedereen zich bezighield met het opnemen der kaarten, schoof hij het papiertje ongemerkt onder het tweede spel. Wat de woorden die er op stonden te beteekenen hadden, begreep hij niet, maar bij intuïtie gevoelde hij dat hij dusdoende Wije een kool stoofde; in welk gevoel hij versterkt werd, toen eenige oogenblikken later Duna, met een onderdrukten uitroep en een kleur, het noodlottige reepje in zijn zak stak en in den daarop volgenden robber een fout beging, die hem het gemakkelijk te winnen spel deed verliezen.Het dansen werd hoe langer hoe geanimeerder, en Anneke, voor wie het een nieuwtje was eens in een „heuschelijke” balzaal rond te zweven, gevierd en om strijd genood door „werkelijke” heeren, genoot met volle teugen.[105]„Neen, nu is meneer van Beek aan de beurt,” riep zij uit, drie vier anderen lachend terugwijzende, en den arm nemend van den genoemde.In een der deuren stond een groepje jongelui, van het soort dat niet danst, omdat hun opvoeding de beoefening dier kunst niet had omvat, en nu met minachting sprak over het „koelie-werk,” er tevens met hongerige oogen naar kijkend.„Zou je niet.…!”„Wat is er?”„Die gekke van Beek springt ook al mee.”„Waarachtig! En lekker ook!”„Dat zal waar zijn! Wie is dat?”„Ken je haar niet? ’n Dochter van Wije. Van ’t goeie soort.”„Hoe zoo?”„Kijk haar maar aan …” En de spreker vervolgde zijn zin, Anneke de gevoelens toedichtend, die alleen in staat zouden zijn geweest[106]zijn oogen zoo te doen glinsteren en op zijn wangen die kleur te voorschijn te roepen. Want daar hij niet langer rein genot begreep, kon hij het zich ook niet bij anderen voorstellen.„Pas op!” zeide zijn vriend. „Achter je!”De waarschuwing kwam te laat. Het jongemensch wendde zijn hoofd om, zag twee oogen op zich gevestigd in uitdrukking niet ongelijk aan de zooeven door hem gecritiseerde en ontving een slag met de vlakke hand in zijn gezicht.Er volgde een oogenblik van opschudding, waarin het eene deel der toegeschoten heeren veel moeite had Wije tegen te houden om den beleediger van zijn dochter verder te kastijden, doch hem betrekkelijk snel tot bedaren bracht, terwijl het andere deel weinig moeite had om het jongemensch tegen te houden, die beweerde Wije zijn klap te willen teruggeven, maar lang tobde eer men hem het zwijgen kon opleggen en meetroonen naar het buffet.[107]„Ik zal hem uitdagen.”„Ja, daar kan je niet buiten.”„Maar waarom vlogen jelui er tusschen, eer ik hem zijn klap kon teruggeven?”„Dat gebeurt altijd, je kunt toch midden op een bal geen kloppartij houden!”„’t Was buiten de zaal.”„Maar in de sociëteit.”„Dat is waar … in de sociëteit … Weetje wat? Ik daag hem niet uit.”„Hm!”„Neen. Om de kans te loopen ’n kogel in mijn body te krijgen.…. dankje, dat is geen satisfactie. Ik klaag hem aan bij de directie; dan wordt hij geschrapt, volgens het reglement.”Het was duidelijk dat dit besluit de meesten niet beviel; doch slechts één gaf het op ondubbelzinnige wijze te kennen, door op zijn hakken om te draaien en zich te verwijderen in de richting van de balzaal.[108]„Doe wat je wil,” zeide een ander, daarmee zich opwerpend als tolk van de overigen. Wel ja, hij moest het zelf weten, men zou oordeelen naar den uitslag. Gelukte het hem Wije uit de gezelschapskringen, waarvan de sociëteit het middenpunt vormde, te doen uitstooten, dan kon men zich bij hem blijven houden; leed hijéchec, en werd hij daardoor genoopt zich zelf terug te trekken, dan bleef Wije „getapt.” Dat was de veiligste weg.Wije had zich een poos in de leeszaal opgehouden, om zijn zenuwen tijd van bedaren te laten, en daarop, als ware er niets voorgevallen, zich weer onder de menschen begeven. Het incident was intusschen bij iedereen bekend geworden, behalve bij de jonge dames die alleen voor den dans oogen en ooren open hadden; dat de anderen het wisten, bleek uit de verhoogde vriendelijkheid waarmee men „le vainqueur” behandelde.Den volgenden dag bleef hij in afwachting[109]of soms de ander nog iets van zich zou laten hooren, doch toen de avond gevallen was, begreep hij daarvoor geen oogenblik langer bezorgd te moeten zijn, en hij gaf zich over aan het genoegen der Sinterklaas verrassingen, die hij en Anneke elkaar bereid hadden.Zij zaten in de achtergalerij; want de pakjes moesten natuurlijk aan de voorgalerij worden bezorgd! Met mysterieuse gezichten liepen de bedienden, de vertrouwden van beide partijen, telkens om het huis heen, „Sapada” roepend met veranderd stemgeluid en zelf antwoord gevend, om daarna op een drafje aan te komen bij meneer en de juffrouw, met de oprechte verzekering, dat „dit” juist was afgegeven door eenkoelieof een jongen dien zij niet kenden, grinnikend toenkokki, die ook eens wou meedoen, een pakje heette te hebben aangenomen, dat bij nader onderzoek voor haarzelf bestemd bleek. Want de Wije’s waren gewoon op dien avond ook hun bedienden te[110]bedenken, wat zeker niet door den grijzen bisschop zou zijn afgekeurd, als hij het had kunnen zien.Reeds herhaaldelijk had Anneke haar vader bedankt en deze zijn dochter, onder geveinsd terugwijzen van den dank door beiden, en ook was er een paar maal iets gekomen voor Anneke, dat met zekerheid kon worden gezegd van deze of gene vriendin afkomstig te zijn, toen er een pakket arriveerde welks inhoud werkelijk te raden gaf. Het was een gouden armband, niet zwaar, zooals voor een meisje van Anneke’s leeftijd paste. Een viertal dunne hoepeltjes, hier en daar met een bandje in gespvorm bijeengehouden.„Hé, van wie komt dat?” was de vraag, die voor de hand lag.Maar hoe zij de verpakking ook bekeken, niets was er dat hun eenig licht gaf.„’t Zal wel uitkomen,” meende Wije. „Maar eer we het weten, kan je hem niet dragen.”[111]„Waarom niet, Pa?”„Het cadeau is te kostbaar om bloot als een attentie te kunnen gelden.…”„Ik weet het!” riep Anneke uit. „Hij heeft het me gisteravond gezegd.… niet met ronde woorden, maar ik heb het toch begrepen … het is van van Beek.”„Zoo,” zeide Wije, „dat is meer dan ik achter hem gezocht zou hebben. Nu,.…”„Dari kampong tjina,” annonceerde de huisjongen, de galerij inkomende met een nieuw pakket.„Dat blijkt,” zeide Wije, het aannemende. „Er zit geen stuk Europeesch papier omheen.” En hij begon het te ontpakken.Het duurde lang, daar hij de gewoonte had de knoopen der touwtjes met de vingers los te peuteren, en nog was hij bezig, toen de bediende verscheen met een pakje, waarvan Anneke zich meester maakte.„Een man van het stoomboot-kantoor bracht het,” zeide de jongen, „ik ken hem.”[112]Anneke nam een schaartje en knipte de touwtjes door. Een étui kwam te voorschijn, dat ze opende …„Kees!” riep zij onwillekeurig.„Wat is het?” vroeg haar vader, zonder op te zien. Hij was juist aan den laatsten knoop. „Heb je ’t al?”Maar hij kreeg geen antwoord. Anneke had uit het étui een armband genomen, niet van goud ditmaal, maar van geëmailleerd zilver, bestaande uit vijf platte schakels. Eén er van vormde de sluiting, en daarop stonden tevens haar initialen. Op elk der anderen was een woord gegraveerd:God zij met ons, las zij zacht, en door plotselinge aandoening overmeesterd, boog zij het hoofd, terwijl twee groote tranen in haar ooghoeken parelden en toen neervielen, bol inkrimpend op de gladde oppervlakte van het zilver, in een punt het licht van de lamp weerkaatsend.Wije schoot in een luiden lach. Het laatste[113]papier verwijderend, hield hij een doosje in de hand, waarop met ruwe letters Piong Pan Ho zijn naam had geschreven.„Kijk, Anneke, een cadeau van onzenSingkeh,” zeide hij, „die zich wil schikken naar Europeescheadat, doch tegelijk begrijpt dat een practisch man ook als gever zijn naam niet verbergt. Misschien wist hij niet.… Wat heb je?”„Niets, pa,” zeide Anneke, trachtend zich te herstellen.„Van wie is dat?” vroeg hij, het geschenk van Kees opnemend.„Ik weet het niet … ik geloof … Wat zit dáár in?”„Neen, zóó kom je er niet af,” zeide Wije. „Wacht, ik zal je toonen dat je voor mij geen geheimen kunt hebben.—Waar drommel zit dat ding?” vervolgde hij, zoekend in zijn sigarenkoker. „Dat is sterk! Gister heb ik het nog gezien.”[114]„Wat toch pa?”„Ik begrijp er niets van,” zeide Wije, met de hulpeloosheid van iemand, die een vooruit berekend effect ziet falen. „Soedah, het is van den jongen Duna.”Anneke stond op van haar stoel en zette zichsans gêneop haars vaders knie. En hem onder de kin streelende zag zij hem, hoewel sterk kleurend, onbevreesd in de oogen.„Als het nu eens van Kees was,” zeide zij, „zou dat zoo’n wonder zijn? We zijn immers altijd zulke goede vrienden geweest, dat.… Met zoo gek kijken, pa! Zal je ’t laten? Daar dan … ’t is uw eigen schuld … Ik hou heel veel van Kees.” Bij het uitspreken der laatste woorden had zij in de lucht gekeken; nu verliet zij haar tijdelijke zitplaats en meteen het doosje meenemende, dat Wije naast zich gezet had, besliste zij: „En daarom mag ik het ook hebben.”Zij zette zich, eenigen tijd zwijgend voor[115]zich starende, terwijl ook Wije zijn mond hield. Hij vond het heel moeielijk nu iets verstandigs te zeggen; hij moest er eerst eens overpikiren. Om een afleiding te vinden, diehijnu wenschte, nam hij het nog altijd ongeopende doosje van Piong Pan Ho. Een kreet van verbazing ontsnapte hem, en lokte Anneke weer naast zijn stoel.„Gut pa, hoe mooi!” riep zij uit, haar blik vestigende op het geschenk van denSingkeh. „Hij heeft woord gehouden. Weet u nog wel dien avond, toen hij zei, dat hij het bloedkoralen snoertje zou omzetten in goud en edelsteenen?”„Ja,” zeide Wije; „maar hij heeft overdreven. Je zult dien armband, althans voorloopig, niet kunnen dragen. Een briljant als daar in gezet is, bezit misschien niemand hier.”„Och”.… begon Anneke, die meende dat juist dit de groote aardigheid er van was; maar zich bedwingend vervolgde zij: „Wat zonderling dat iedereen hetzelfde geeft!”[116]„Ja, dat kan zoo treffen,” zeide haar vader. „Vooral bij huwelijkscadeaux is het dikwijls het geval dat men met één artikel overstelpt wordt, bijvoorbeeld met ijskannen. Het grappigst van dien aard, dat ik ooit heb gezien, gebeurde toen ik pas hier op de plaats was. Ik woonde toen samen met iemand, die eenige jaren ouder was dan ik, en zich in gezelschappen heel aardig had gelanceerd. Op zijn verjaardag kreeg hij acht cadeautjes, van acht jonge dames, die allen gemeend hadden de vele attenties zijnerzijds niet beter te kunnen beantwoorden, dan door een handwerkje voor hem te maken. Ik zie ze nog arriveeren! Het eerste was een sluimer-rol. „Kijk,” zei mijn contubernaal, „dat is gezellig. Zoo’n ding geeft aan je inrichting een prettig cachet.” En hij gaf het een plaats. Het tweede was …”„Weer een sluimer-rol?”„Juist. En zoo ging het voort. Ik zie geen kans je te beschrijven welk een humeur mijn[117]vriend bezielde, toen het zesde, het zevende …”„Ajàkkes, pa!”„.… en eindelijk het achtste pakket geopend was! Acht sluimerrollen! Ik had moeite de onschuldige dingen tegen zijn woede te beveiligen.”„Die arme dames!” zeide Anneke. „Men zou bang worden ooit meer iets voor een heer te maken.—Het wordt zoo zachtjes aan laat … en ik heb slaap. Zal ik uw boeltje te gelijk wegbergen?”„Dat is goed,” vond Wije. Doch hij geloofde niet veel aan dien voorgewenden slaap. Zij ging natuurlijk in haar kamer zitten turen op dat ding van dien Duna; jawel, dat was te begrijpen. Enfin, men was nog zoover niet, en hij wilde er zich nu het hoofd niet mee breken. Het beste was maar Anneke’s voorbeeld te volgen; alleen te zitten was toch erg ongezellig.Een paar weken later ontving Wije een[118]schrijven van de directie der sociëteit, erg officieel, tot zelfs in de manier van dichtvouwen, waarin hij een berisping las over zijn gedrag bij gelegenheid van het jongste feest. En waarlijk, men had kans gezien het stuk zóó op te stellen, dat er voor Wije’s gevoelnietskwetsends in stond. Er was een briefje bij van den secretaris, dienende om dit vooral nader toe te lichten.„… Er werd veel gekakeld,” schreef deze, „en het duurde een heele poos eer ze het eens waren. Eindelijk zou niemand voor zoover hemzelf betrof, een andere handelwijze hebben voorgestaan dan nu gevolgd is, zoo er niet van buitenaf invloeden aan ’t werk waren geweest. Het komt mij voor dat je een paar fameuse stille vijanden hebt.…”Lachend om deze uitdrukking, verscheurde Wije de beide geschriften en begaf zich aan zijn arbeid.[119]
V.V.SINTERKLAAS-SURPRISES.
V.
In de sociëteit was feest, den avond vóór Sinterklaasavond. Want, zoo had men geredeneerd, op dien avond zelf willen de menschen òf thuis zijn òf een kijkje nemen in de schitterend geëtaleerdetoko’s. Dat genoegen mocht de sociëteit niet storen, en aan den anderen kant wilde zij niet achterblijven om het hare te doen ter eere van den populairen bisschop en tot amusement van kinderen en menschen. Tot tien uur genoot de jeugd, eerst van de tombola, daarna van den marmeren dansvloer; toen hernamen de ouderen van jaren hun tijdelijk[99]opgeschorte rechten, een regeling waarbij niemand zoo profiteerde als meisjes van Anneke’s leeftijd, die ditmaal klein genoeg voor een servet en groot genoeg voor een tafellaken, met beide partijen mochten meedoen.Van af negen uur hadden zich in de voorgaanderij en waar men verder gelegenheid vond, partijtjes georganiseerd, doch Wije, die geen geregeld sociëteitsbezoeker was en dus ook tot geen vast clubje behoorde, had geen partners ontmoet; en ook zij die zonder vaste afspraak zich heden bijeen hadden gevoegd, hadden hem niet uitgenoodigd. Trouwens hij had het niet gezocht; het amuseerde hem veel meer om rond te wandelen, nu dezen dan genen aansprekende. Dat was, vond hij, een surrogaat voor een discours met iemand van veelzijdige ontwikkeling, daar toch ieder afzonderlijk wel over één punt iets dragelijks wist te zeggen.„Zeg, Wije, zou je mij even willen aflossen?”[100]Het was Duna, die met twee hooge handelchefs en den president van den Raad van Justitie speelde. Zijn vrouw had hem door een bediende dringend laten verzoeken even bij haar te komen, en nu trachtte hij op deze wijze voor zijn medespelers de stoornis op te heffen.„Ziehier,” zeide hij, de volgorde aanwijzende op de kaarten die Wije van hem had overgenomen. „Eerst die, dan die, die,… en verder naar omstandigheden.”Wije knikte en hield zijn blik op de kaarten gevestigd, niet ziende wat er op de aangezichten van Duna’s partners omging. Anders zou hij hebben bespeurd dat deze aan de tijdelijke persoonsverwisseling hun goedkeuring niet hechtten. Hij bemerkte het echter toen, na afloop van den robber, de volgende gever volstrekt geen haast maakte, doch met zijn hand op de kaarten, eenvoudig een praatje begon.Het was moeielijk. Opstaan en wegloopen[101]kon hij niet, blijven zitten had geen reden.„Mag ik de heeren een sigaar aanbieden?” vroeg hij plotseling, den eenen handelchef zijn koker voorhoudende, en deze, overbluft, nam er een, welk voorbeeld de president volgde terwijl de andere chef bedankte.„Nu,” zeide de eerste, met welbehagen den rook uitblazende, „diemag je ook wel achter slot houden, want de bedienden van den tegenwoordigen tijd zijn eerste kenners.”„Ja, ’t is krengentuig,” voegde zijn collega er aan toe, grimmig, zoowel van wege den inhoud der opmerking als door het feit dat de sigaar van Wije zoo meeviel en hij die had afgeslagen. „Ze moesten derottanmaar weer invoeren.”Maar de president trok het zich aan, dat de ander iets beoordeelde, dat op zijn gebied thuis hoorde, en zoo ontstond een korte discussie over de wenschelijkheid van de wederinvoering der rottan-straf.[102]Nu, dat was een punt waarover Wije in den laatsten tijd veel had nagedacht. Toch mengde hij zich niet dadelijk in het gesprek. Met de snelheid hem eigen, had hij een plan ontworpen om zich te wreken over de beleediging van zooeven en minder voorzichtig dan vroeger in het voor zich houden van stekelige invallen als men hem prikkelde, nam hij toen hij in de verte, door de openstaande deur der balzaal den heer Duna zag aankomen, het woord.„Bij het bespreken van wat de invoering derrottan-straf in ’t bijzonder, en andere ingrijpende goede maatregelen in ’t algemeen, tegenhoudt, meneeren, moet men tegenwoordig niet meer vragen: welk beginsel is er tegen, doch wie zijn er uithoofde van hun private beginselen of begrippen tegen? En dan moet men hier rekening houden met deze drie partijen: orthodoxen, modernen en juristen. Volgens mijn opinie zou in dit geval geen der partijen er[103]tegen zijn, zoo er maar een grondig onderzoek vooraf ging; de orthodoxen niet, want God zelf heeft derottan, tot gebruik gereed, laten groeien; de modernen niet, want de straf is volkomen in harmonie met hun.… met de humaniteit, aangezien de inlander haar als niet onteerend beschouwt; de juristen niet, omdat zij, in tegenstelling met gevangenisstraf, het karakter niet onherroepelijk bederft, alle rancune verdwijnt zoodra de striemen genezen zijn, en dus zuiver correctioneel werkt. Daar is meneer Duna. Heeren!”Met een lichte buiging verwijderde hij zich.„’n Knappe vent,” zeide de president met een fijn lachje. „Maar ik geloof dat hij ons alle drie ’n beetje voor den mal hield.”„Beunhazerij,” bromde de orthodoxe chef.De moderne chef zeide niets maar keek strak op een reepje papier, dat lag onder zijn holle hand, naast het spel gewasschen kaarten, dat straks, na deze gift, door Duna zou worden[104]opgenomen. Met de sigaar die hij uit Wije’s koker genomen had was het meegekomen, en zoolang deze bij hen zat, had hij er de hand op gehouden. Toen iedereen zich bezighield met het opnemen der kaarten, schoof hij het papiertje ongemerkt onder het tweede spel. Wat de woorden die er op stonden te beteekenen hadden, begreep hij niet, maar bij intuïtie gevoelde hij dat hij dusdoende Wije een kool stoofde; in welk gevoel hij versterkt werd, toen eenige oogenblikken later Duna, met een onderdrukten uitroep en een kleur, het noodlottige reepje in zijn zak stak en in den daarop volgenden robber een fout beging, die hem het gemakkelijk te winnen spel deed verliezen.Het dansen werd hoe langer hoe geanimeerder, en Anneke, voor wie het een nieuwtje was eens in een „heuschelijke” balzaal rond te zweven, gevierd en om strijd genood door „werkelijke” heeren, genoot met volle teugen.[105]„Neen, nu is meneer van Beek aan de beurt,” riep zij uit, drie vier anderen lachend terugwijzende, en den arm nemend van den genoemde.In een der deuren stond een groepje jongelui, van het soort dat niet danst, omdat hun opvoeding de beoefening dier kunst niet had omvat, en nu met minachting sprak over het „koelie-werk,” er tevens met hongerige oogen naar kijkend.„Zou je niet.…!”„Wat is er?”„Die gekke van Beek springt ook al mee.”„Waarachtig! En lekker ook!”„Dat zal waar zijn! Wie is dat?”„Ken je haar niet? ’n Dochter van Wije. Van ’t goeie soort.”„Hoe zoo?”„Kijk haar maar aan …” En de spreker vervolgde zijn zin, Anneke de gevoelens toedichtend, die alleen in staat zouden zijn geweest[106]zijn oogen zoo te doen glinsteren en op zijn wangen die kleur te voorschijn te roepen. Want daar hij niet langer rein genot begreep, kon hij het zich ook niet bij anderen voorstellen.„Pas op!” zeide zijn vriend. „Achter je!”De waarschuwing kwam te laat. Het jongemensch wendde zijn hoofd om, zag twee oogen op zich gevestigd in uitdrukking niet ongelijk aan de zooeven door hem gecritiseerde en ontving een slag met de vlakke hand in zijn gezicht.Er volgde een oogenblik van opschudding, waarin het eene deel der toegeschoten heeren veel moeite had Wije tegen te houden om den beleediger van zijn dochter verder te kastijden, doch hem betrekkelijk snel tot bedaren bracht, terwijl het andere deel weinig moeite had om het jongemensch tegen te houden, die beweerde Wije zijn klap te willen teruggeven, maar lang tobde eer men hem het zwijgen kon opleggen en meetroonen naar het buffet.[107]„Ik zal hem uitdagen.”„Ja, daar kan je niet buiten.”„Maar waarom vlogen jelui er tusschen, eer ik hem zijn klap kon teruggeven?”„Dat gebeurt altijd, je kunt toch midden op een bal geen kloppartij houden!”„’t Was buiten de zaal.”„Maar in de sociëteit.”„Dat is waar … in de sociëteit … Weetje wat? Ik daag hem niet uit.”„Hm!”„Neen. Om de kans te loopen ’n kogel in mijn body te krijgen.…. dankje, dat is geen satisfactie. Ik klaag hem aan bij de directie; dan wordt hij geschrapt, volgens het reglement.”Het was duidelijk dat dit besluit de meesten niet beviel; doch slechts één gaf het op ondubbelzinnige wijze te kennen, door op zijn hakken om te draaien en zich te verwijderen in de richting van de balzaal.[108]„Doe wat je wil,” zeide een ander, daarmee zich opwerpend als tolk van de overigen. Wel ja, hij moest het zelf weten, men zou oordeelen naar den uitslag. Gelukte het hem Wije uit de gezelschapskringen, waarvan de sociëteit het middenpunt vormde, te doen uitstooten, dan kon men zich bij hem blijven houden; leed hijéchec, en werd hij daardoor genoopt zich zelf terug te trekken, dan bleef Wije „getapt.” Dat was de veiligste weg.Wije had zich een poos in de leeszaal opgehouden, om zijn zenuwen tijd van bedaren te laten, en daarop, als ware er niets voorgevallen, zich weer onder de menschen begeven. Het incident was intusschen bij iedereen bekend geworden, behalve bij de jonge dames die alleen voor den dans oogen en ooren open hadden; dat de anderen het wisten, bleek uit de verhoogde vriendelijkheid waarmee men „le vainqueur” behandelde.Den volgenden dag bleef hij in afwachting[109]of soms de ander nog iets van zich zou laten hooren, doch toen de avond gevallen was, begreep hij daarvoor geen oogenblik langer bezorgd te moeten zijn, en hij gaf zich over aan het genoegen der Sinterklaas verrassingen, die hij en Anneke elkaar bereid hadden.Zij zaten in de achtergalerij; want de pakjes moesten natuurlijk aan de voorgalerij worden bezorgd! Met mysterieuse gezichten liepen de bedienden, de vertrouwden van beide partijen, telkens om het huis heen, „Sapada” roepend met veranderd stemgeluid en zelf antwoord gevend, om daarna op een drafje aan te komen bij meneer en de juffrouw, met de oprechte verzekering, dat „dit” juist was afgegeven door eenkoelieof een jongen dien zij niet kenden, grinnikend toenkokki, die ook eens wou meedoen, een pakje heette te hebben aangenomen, dat bij nader onderzoek voor haarzelf bestemd bleek. Want de Wije’s waren gewoon op dien avond ook hun bedienden te[110]bedenken, wat zeker niet door den grijzen bisschop zou zijn afgekeurd, als hij het had kunnen zien.Reeds herhaaldelijk had Anneke haar vader bedankt en deze zijn dochter, onder geveinsd terugwijzen van den dank door beiden, en ook was er een paar maal iets gekomen voor Anneke, dat met zekerheid kon worden gezegd van deze of gene vriendin afkomstig te zijn, toen er een pakket arriveerde welks inhoud werkelijk te raden gaf. Het was een gouden armband, niet zwaar, zooals voor een meisje van Anneke’s leeftijd paste. Een viertal dunne hoepeltjes, hier en daar met een bandje in gespvorm bijeengehouden.„Hé, van wie komt dat?” was de vraag, die voor de hand lag.Maar hoe zij de verpakking ook bekeken, niets was er dat hun eenig licht gaf.„’t Zal wel uitkomen,” meende Wije. „Maar eer we het weten, kan je hem niet dragen.”[111]„Waarom niet, Pa?”„Het cadeau is te kostbaar om bloot als een attentie te kunnen gelden.…”„Ik weet het!” riep Anneke uit. „Hij heeft het me gisteravond gezegd.… niet met ronde woorden, maar ik heb het toch begrepen … het is van van Beek.”„Zoo,” zeide Wije, „dat is meer dan ik achter hem gezocht zou hebben. Nu,.…”„Dari kampong tjina,” annonceerde de huisjongen, de galerij inkomende met een nieuw pakket.„Dat blijkt,” zeide Wije, het aannemende. „Er zit geen stuk Europeesch papier omheen.” En hij begon het te ontpakken.Het duurde lang, daar hij de gewoonte had de knoopen der touwtjes met de vingers los te peuteren, en nog was hij bezig, toen de bediende verscheen met een pakje, waarvan Anneke zich meester maakte.„Een man van het stoomboot-kantoor bracht het,” zeide de jongen, „ik ken hem.”[112]Anneke nam een schaartje en knipte de touwtjes door. Een étui kwam te voorschijn, dat ze opende …„Kees!” riep zij onwillekeurig.„Wat is het?” vroeg haar vader, zonder op te zien. Hij was juist aan den laatsten knoop. „Heb je ’t al?”Maar hij kreeg geen antwoord. Anneke had uit het étui een armband genomen, niet van goud ditmaal, maar van geëmailleerd zilver, bestaande uit vijf platte schakels. Eén er van vormde de sluiting, en daarop stonden tevens haar initialen. Op elk der anderen was een woord gegraveerd:God zij met ons, las zij zacht, en door plotselinge aandoening overmeesterd, boog zij het hoofd, terwijl twee groote tranen in haar ooghoeken parelden en toen neervielen, bol inkrimpend op de gladde oppervlakte van het zilver, in een punt het licht van de lamp weerkaatsend.Wije schoot in een luiden lach. Het laatste[113]papier verwijderend, hield hij een doosje in de hand, waarop met ruwe letters Piong Pan Ho zijn naam had geschreven.„Kijk, Anneke, een cadeau van onzenSingkeh,” zeide hij, „die zich wil schikken naar Europeescheadat, doch tegelijk begrijpt dat een practisch man ook als gever zijn naam niet verbergt. Misschien wist hij niet.… Wat heb je?”„Niets, pa,” zeide Anneke, trachtend zich te herstellen.„Van wie is dat?” vroeg hij, het geschenk van Kees opnemend.„Ik weet het niet … ik geloof … Wat zit dáár in?”„Neen, zóó kom je er niet af,” zeide Wije. „Wacht, ik zal je toonen dat je voor mij geen geheimen kunt hebben.—Waar drommel zit dat ding?” vervolgde hij, zoekend in zijn sigarenkoker. „Dat is sterk! Gister heb ik het nog gezien.”[114]„Wat toch pa?”„Ik begrijp er niets van,” zeide Wije, met de hulpeloosheid van iemand, die een vooruit berekend effect ziet falen. „Soedah, het is van den jongen Duna.”Anneke stond op van haar stoel en zette zichsans gêneop haars vaders knie. En hem onder de kin streelende zag zij hem, hoewel sterk kleurend, onbevreesd in de oogen.„Als het nu eens van Kees was,” zeide zij, „zou dat zoo’n wonder zijn? We zijn immers altijd zulke goede vrienden geweest, dat.… Met zoo gek kijken, pa! Zal je ’t laten? Daar dan … ’t is uw eigen schuld … Ik hou heel veel van Kees.” Bij het uitspreken der laatste woorden had zij in de lucht gekeken; nu verliet zij haar tijdelijke zitplaats en meteen het doosje meenemende, dat Wije naast zich gezet had, besliste zij: „En daarom mag ik het ook hebben.”Zij zette zich, eenigen tijd zwijgend voor[115]zich starende, terwijl ook Wije zijn mond hield. Hij vond het heel moeielijk nu iets verstandigs te zeggen; hij moest er eerst eens overpikiren. Om een afleiding te vinden, diehijnu wenschte, nam hij het nog altijd ongeopende doosje van Piong Pan Ho. Een kreet van verbazing ontsnapte hem, en lokte Anneke weer naast zijn stoel.„Gut pa, hoe mooi!” riep zij uit, haar blik vestigende op het geschenk van denSingkeh. „Hij heeft woord gehouden. Weet u nog wel dien avond, toen hij zei, dat hij het bloedkoralen snoertje zou omzetten in goud en edelsteenen?”„Ja,” zeide Wije; „maar hij heeft overdreven. Je zult dien armband, althans voorloopig, niet kunnen dragen. Een briljant als daar in gezet is, bezit misschien niemand hier.”„Och”.… begon Anneke, die meende dat juist dit de groote aardigheid er van was; maar zich bedwingend vervolgde zij: „Wat zonderling dat iedereen hetzelfde geeft!”[116]„Ja, dat kan zoo treffen,” zeide haar vader. „Vooral bij huwelijkscadeaux is het dikwijls het geval dat men met één artikel overstelpt wordt, bijvoorbeeld met ijskannen. Het grappigst van dien aard, dat ik ooit heb gezien, gebeurde toen ik pas hier op de plaats was. Ik woonde toen samen met iemand, die eenige jaren ouder was dan ik, en zich in gezelschappen heel aardig had gelanceerd. Op zijn verjaardag kreeg hij acht cadeautjes, van acht jonge dames, die allen gemeend hadden de vele attenties zijnerzijds niet beter te kunnen beantwoorden, dan door een handwerkje voor hem te maken. Ik zie ze nog arriveeren! Het eerste was een sluimer-rol. „Kijk,” zei mijn contubernaal, „dat is gezellig. Zoo’n ding geeft aan je inrichting een prettig cachet.” En hij gaf het een plaats. Het tweede was …”„Weer een sluimer-rol?”„Juist. En zoo ging het voort. Ik zie geen kans je te beschrijven welk een humeur mijn[117]vriend bezielde, toen het zesde, het zevende …”„Ajàkkes, pa!”„.… en eindelijk het achtste pakket geopend was! Acht sluimerrollen! Ik had moeite de onschuldige dingen tegen zijn woede te beveiligen.”„Die arme dames!” zeide Anneke. „Men zou bang worden ooit meer iets voor een heer te maken.—Het wordt zoo zachtjes aan laat … en ik heb slaap. Zal ik uw boeltje te gelijk wegbergen?”„Dat is goed,” vond Wije. Doch hij geloofde niet veel aan dien voorgewenden slaap. Zij ging natuurlijk in haar kamer zitten turen op dat ding van dien Duna; jawel, dat was te begrijpen. Enfin, men was nog zoover niet, en hij wilde er zich nu het hoofd niet mee breken. Het beste was maar Anneke’s voorbeeld te volgen; alleen te zitten was toch erg ongezellig.Een paar weken later ontving Wije een[118]schrijven van de directie der sociëteit, erg officieel, tot zelfs in de manier van dichtvouwen, waarin hij een berisping las over zijn gedrag bij gelegenheid van het jongste feest. En waarlijk, men had kans gezien het stuk zóó op te stellen, dat er voor Wije’s gevoelnietskwetsends in stond. Er was een briefje bij van den secretaris, dienende om dit vooral nader toe te lichten.„… Er werd veel gekakeld,” schreef deze, „en het duurde een heele poos eer ze het eens waren. Eindelijk zou niemand voor zoover hemzelf betrof, een andere handelwijze hebben voorgestaan dan nu gevolgd is, zoo er niet van buitenaf invloeden aan ’t werk waren geweest. Het komt mij voor dat je een paar fameuse stille vijanden hebt.…”Lachend om deze uitdrukking, verscheurde Wije de beide geschriften en begaf zich aan zijn arbeid.[119]
In de sociëteit was feest, den avond vóór Sinterklaasavond. Want, zoo had men geredeneerd, op dien avond zelf willen de menschen òf thuis zijn òf een kijkje nemen in de schitterend geëtaleerdetoko’s. Dat genoegen mocht de sociëteit niet storen, en aan den anderen kant wilde zij niet achterblijven om het hare te doen ter eere van den populairen bisschop en tot amusement van kinderen en menschen. Tot tien uur genoot de jeugd, eerst van de tombola, daarna van den marmeren dansvloer; toen hernamen de ouderen van jaren hun tijdelijk[99]opgeschorte rechten, een regeling waarbij niemand zoo profiteerde als meisjes van Anneke’s leeftijd, die ditmaal klein genoeg voor een servet en groot genoeg voor een tafellaken, met beide partijen mochten meedoen.
Van af negen uur hadden zich in de voorgaanderij en waar men verder gelegenheid vond, partijtjes georganiseerd, doch Wije, die geen geregeld sociëteitsbezoeker was en dus ook tot geen vast clubje behoorde, had geen partners ontmoet; en ook zij die zonder vaste afspraak zich heden bijeen hadden gevoegd, hadden hem niet uitgenoodigd. Trouwens hij had het niet gezocht; het amuseerde hem veel meer om rond te wandelen, nu dezen dan genen aansprekende. Dat was, vond hij, een surrogaat voor een discours met iemand van veelzijdige ontwikkeling, daar toch ieder afzonderlijk wel over één punt iets dragelijks wist te zeggen.
„Zeg, Wije, zou je mij even willen aflossen?”[100]
Het was Duna, die met twee hooge handelchefs en den president van den Raad van Justitie speelde. Zijn vrouw had hem door een bediende dringend laten verzoeken even bij haar te komen, en nu trachtte hij op deze wijze voor zijn medespelers de stoornis op te heffen.
„Ziehier,” zeide hij, de volgorde aanwijzende op de kaarten die Wije van hem had overgenomen. „Eerst die, dan die, die,… en verder naar omstandigheden.”
Wije knikte en hield zijn blik op de kaarten gevestigd, niet ziende wat er op de aangezichten van Duna’s partners omging. Anders zou hij hebben bespeurd dat deze aan de tijdelijke persoonsverwisseling hun goedkeuring niet hechtten. Hij bemerkte het echter toen, na afloop van den robber, de volgende gever volstrekt geen haast maakte, doch met zijn hand op de kaarten, eenvoudig een praatje begon.
Het was moeielijk. Opstaan en wegloopen[101]kon hij niet, blijven zitten had geen reden.
„Mag ik de heeren een sigaar aanbieden?” vroeg hij plotseling, den eenen handelchef zijn koker voorhoudende, en deze, overbluft, nam er een, welk voorbeeld de president volgde terwijl de andere chef bedankte.
„Nu,” zeide de eerste, met welbehagen den rook uitblazende, „diemag je ook wel achter slot houden, want de bedienden van den tegenwoordigen tijd zijn eerste kenners.”
„Ja, ’t is krengentuig,” voegde zijn collega er aan toe, grimmig, zoowel van wege den inhoud der opmerking als door het feit dat de sigaar van Wije zoo meeviel en hij die had afgeslagen. „Ze moesten derottanmaar weer invoeren.”
Maar de president trok het zich aan, dat de ander iets beoordeelde, dat op zijn gebied thuis hoorde, en zoo ontstond een korte discussie over de wenschelijkheid van de wederinvoering der rottan-straf.[102]
Nu, dat was een punt waarover Wije in den laatsten tijd veel had nagedacht. Toch mengde hij zich niet dadelijk in het gesprek. Met de snelheid hem eigen, had hij een plan ontworpen om zich te wreken over de beleediging van zooeven en minder voorzichtig dan vroeger in het voor zich houden van stekelige invallen als men hem prikkelde, nam hij toen hij in de verte, door de openstaande deur der balzaal den heer Duna zag aankomen, het woord.
„Bij het bespreken van wat de invoering derrottan-straf in ’t bijzonder, en andere ingrijpende goede maatregelen in ’t algemeen, tegenhoudt, meneeren, moet men tegenwoordig niet meer vragen: welk beginsel is er tegen, doch wie zijn er uithoofde van hun private beginselen of begrippen tegen? En dan moet men hier rekening houden met deze drie partijen: orthodoxen, modernen en juristen. Volgens mijn opinie zou in dit geval geen der partijen er[103]tegen zijn, zoo er maar een grondig onderzoek vooraf ging; de orthodoxen niet, want God zelf heeft derottan, tot gebruik gereed, laten groeien; de modernen niet, want de straf is volkomen in harmonie met hun.… met de humaniteit, aangezien de inlander haar als niet onteerend beschouwt; de juristen niet, omdat zij, in tegenstelling met gevangenisstraf, het karakter niet onherroepelijk bederft, alle rancune verdwijnt zoodra de striemen genezen zijn, en dus zuiver correctioneel werkt. Daar is meneer Duna. Heeren!”
Met een lichte buiging verwijderde hij zich.
„’n Knappe vent,” zeide de president met een fijn lachje. „Maar ik geloof dat hij ons alle drie ’n beetje voor den mal hield.”
„Beunhazerij,” bromde de orthodoxe chef.
De moderne chef zeide niets maar keek strak op een reepje papier, dat lag onder zijn holle hand, naast het spel gewasschen kaarten, dat straks, na deze gift, door Duna zou worden[104]opgenomen. Met de sigaar die hij uit Wije’s koker genomen had was het meegekomen, en zoolang deze bij hen zat, had hij er de hand op gehouden. Toen iedereen zich bezighield met het opnemen der kaarten, schoof hij het papiertje ongemerkt onder het tweede spel. Wat de woorden die er op stonden te beteekenen hadden, begreep hij niet, maar bij intuïtie gevoelde hij dat hij dusdoende Wije een kool stoofde; in welk gevoel hij versterkt werd, toen eenige oogenblikken later Duna, met een onderdrukten uitroep en een kleur, het noodlottige reepje in zijn zak stak en in den daarop volgenden robber een fout beging, die hem het gemakkelijk te winnen spel deed verliezen.
Het dansen werd hoe langer hoe geanimeerder, en Anneke, voor wie het een nieuwtje was eens in een „heuschelijke” balzaal rond te zweven, gevierd en om strijd genood door „werkelijke” heeren, genoot met volle teugen.[105]
„Neen, nu is meneer van Beek aan de beurt,” riep zij uit, drie vier anderen lachend terugwijzende, en den arm nemend van den genoemde.
In een der deuren stond een groepje jongelui, van het soort dat niet danst, omdat hun opvoeding de beoefening dier kunst niet had omvat, en nu met minachting sprak over het „koelie-werk,” er tevens met hongerige oogen naar kijkend.
„Zou je niet.…!”
„Wat is er?”
„Die gekke van Beek springt ook al mee.”
„Waarachtig! En lekker ook!”
„Dat zal waar zijn! Wie is dat?”
„Ken je haar niet? ’n Dochter van Wije. Van ’t goeie soort.”
„Hoe zoo?”
„Kijk haar maar aan …” En de spreker vervolgde zijn zin, Anneke de gevoelens toedichtend, die alleen in staat zouden zijn geweest[106]zijn oogen zoo te doen glinsteren en op zijn wangen die kleur te voorschijn te roepen. Want daar hij niet langer rein genot begreep, kon hij het zich ook niet bij anderen voorstellen.
„Pas op!” zeide zijn vriend. „Achter je!”
De waarschuwing kwam te laat. Het jongemensch wendde zijn hoofd om, zag twee oogen op zich gevestigd in uitdrukking niet ongelijk aan de zooeven door hem gecritiseerde en ontving een slag met de vlakke hand in zijn gezicht.
Er volgde een oogenblik van opschudding, waarin het eene deel der toegeschoten heeren veel moeite had Wije tegen te houden om den beleediger van zijn dochter verder te kastijden, doch hem betrekkelijk snel tot bedaren bracht, terwijl het andere deel weinig moeite had om het jongemensch tegen te houden, die beweerde Wije zijn klap te willen teruggeven, maar lang tobde eer men hem het zwijgen kon opleggen en meetroonen naar het buffet.[107]
„Ik zal hem uitdagen.”
„Ja, daar kan je niet buiten.”
„Maar waarom vlogen jelui er tusschen, eer ik hem zijn klap kon teruggeven?”
„Dat gebeurt altijd, je kunt toch midden op een bal geen kloppartij houden!”
„’t Was buiten de zaal.”
„Maar in de sociëteit.”
„Dat is waar … in de sociëteit … Weetje wat? Ik daag hem niet uit.”
„Hm!”
„Neen. Om de kans te loopen ’n kogel in mijn body te krijgen.…. dankje, dat is geen satisfactie. Ik klaag hem aan bij de directie; dan wordt hij geschrapt, volgens het reglement.”
Het was duidelijk dat dit besluit de meesten niet beviel; doch slechts één gaf het op ondubbelzinnige wijze te kennen, door op zijn hakken om te draaien en zich te verwijderen in de richting van de balzaal.[108]
„Doe wat je wil,” zeide een ander, daarmee zich opwerpend als tolk van de overigen. Wel ja, hij moest het zelf weten, men zou oordeelen naar den uitslag. Gelukte het hem Wije uit de gezelschapskringen, waarvan de sociëteit het middenpunt vormde, te doen uitstooten, dan kon men zich bij hem blijven houden; leed hijéchec, en werd hij daardoor genoopt zich zelf terug te trekken, dan bleef Wije „getapt.” Dat was de veiligste weg.
Wije had zich een poos in de leeszaal opgehouden, om zijn zenuwen tijd van bedaren te laten, en daarop, als ware er niets voorgevallen, zich weer onder de menschen begeven. Het incident was intusschen bij iedereen bekend geworden, behalve bij de jonge dames die alleen voor den dans oogen en ooren open hadden; dat de anderen het wisten, bleek uit de verhoogde vriendelijkheid waarmee men „le vainqueur” behandelde.
Den volgenden dag bleef hij in afwachting[109]of soms de ander nog iets van zich zou laten hooren, doch toen de avond gevallen was, begreep hij daarvoor geen oogenblik langer bezorgd te moeten zijn, en hij gaf zich over aan het genoegen der Sinterklaas verrassingen, die hij en Anneke elkaar bereid hadden.
Zij zaten in de achtergalerij; want de pakjes moesten natuurlijk aan de voorgalerij worden bezorgd! Met mysterieuse gezichten liepen de bedienden, de vertrouwden van beide partijen, telkens om het huis heen, „Sapada” roepend met veranderd stemgeluid en zelf antwoord gevend, om daarna op een drafje aan te komen bij meneer en de juffrouw, met de oprechte verzekering, dat „dit” juist was afgegeven door eenkoelieof een jongen dien zij niet kenden, grinnikend toenkokki, die ook eens wou meedoen, een pakje heette te hebben aangenomen, dat bij nader onderzoek voor haarzelf bestemd bleek. Want de Wije’s waren gewoon op dien avond ook hun bedienden te[110]bedenken, wat zeker niet door den grijzen bisschop zou zijn afgekeurd, als hij het had kunnen zien.
Reeds herhaaldelijk had Anneke haar vader bedankt en deze zijn dochter, onder geveinsd terugwijzen van den dank door beiden, en ook was er een paar maal iets gekomen voor Anneke, dat met zekerheid kon worden gezegd van deze of gene vriendin afkomstig te zijn, toen er een pakket arriveerde welks inhoud werkelijk te raden gaf. Het was een gouden armband, niet zwaar, zooals voor een meisje van Anneke’s leeftijd paste. Een viertal dunne hoepeltjes, hier en daar met een bandje in gespvorm bijeengehouden.
„Hé, van wie komt dat?” was de vraag, die voor de hand lag.
Maar hoe zij de verpakking ook bekeken, niets was er dat hun eenig licht gaf.
„’t Zal wel uitkomen,” meende Wije. „Maar eer we het weten, kan je hem niet dragen.”[111]
„Waarom niet, Pa?”
„Het cadeau is te kostbaar om bloot als een attentie te kunnen gelden.…”
„Ik weet het!” riep Anneke uit. „Hij heeft het me gisteravond gezegd.… niet met ronde woorden, maar ik heb het toch begrepen … het is van van Beek.”
„Zoo,” zeide Wije, „dat is meer dan ik achter hem gezocht zou hebben. Nu,.…”
„Dari kampong tjina,” annonceerde de huisjongen, de galerij inkomende met een nieuw pakket.
„Dat blijkt,” zeide Wije, het aannemende. „Er zit geen stuk Europeesch papier omheen.” En hij begon het te ontpakken.
Het duurde lang, daar hij de gewoonte had de knoopen der touwtjes met de vingers los te peuteren, en nog was hij bezig, toen de bediende verscheen met een pakje, waarvan Anneke zich meester maakte.
„Een man van het stoomboot-kantoor bracht het,” zeide de jongen, „ik ken hem.”[112]
Anneke nam een schaartje en knipte de touwtjes door. Een étui kwam te voorschijn, dat ze opende …
„Kees!” riep zij onwillekeurig.
„Wat is het?” vroeg haar vader, zonder op te zien. Hij was juist aan den laatsten knoop. „Heb je ’t al?”
Maar hij kreeg geen antwoord. Anneke had uit het étui een armband genomen, niet van goud ditmaal, maar van geëmailleerd zilver, bestaande uit vijf platte schakels. Eén er van vormde de sluiting, en daarop stonden tevens haar initialen. Op elk der anderen was een woord gegraveerd:God zij met ons, las zij zacht, en door plotselinge aandoening overmeesterd, boog zij het hoofd, terwijl twee groote tranen in haar ooghoeken parelden en toen neervielen, bol inkrimpend op de gladde oppervlakte van het zilver, in een punt het licht van de lamp weerkaatsend.
Wije schoot in een luiden lach. Het laatste[113]papier verwijderend, hield hij een doosje in de hand, waarop met ruwe letters Piong Pan Ho zijn naam had geschreven.
„Kijk, Anneke, een cadeau van onzenSingkeh,” zeide hij, „die zich wil schikken naar Europeescheadat, doch tegelijk begrijpt dat een practisch man ook als gever zijn naam niet verbergt. Misschien wist hij niet.… Wat heb je?”
„Niets, pa,” zeide Anneke, trachtend zich te herstellen.
„Van wie is dat?” vroeg hij, het geschenk van Kees opnemend.
„Ik weet het niet … ik geloof … Wat zit dáár in?”
„Neen, zóó kom je er niet af,” zeide Wije. „Wacht, ik zal je toonen dat je voor mij geen geheimen kunt hebben.—Waar drommel zit dat ding?” vervolgde hij, zoekend in zijn sigarenkoker. „Dat is sterk! Gister heb ik het nog gezien.”[114]
„Wat toch pa?”
„Ik begrijp er niets van,” zeide Wije, met de hulpeloosheid van iemand, die een vooruit berekend effect ziet falen. „Soedah, het is van den jongen Duna.”
Anneke stond op van haar stoel en zette zichsans gêneop haars vaders knie. En hem onder de kin streelende zag zij hem, hoewel sterk kleurend, onbevreesd in de oogen.
„Als het nu eens van Kees was,” zeide zij, „zou dat zoo’n wonder zijn? We zijn immers altijd zulke goede vrienden geweest, dat.… Met zoo gek kijken, pa! Zal je ’t laten? Daar dan … ’t is uw eigen schuld … Ik hou heel veel van Kees.” Bij het uitspreken der laatste woorden had zij in de lucht gekeken; nu verliet zij haar tijdelijke zitplaats en meteen het doosje meenemende, dat Wije naast zich gezet had, besliste zij: „En daarom mag ik het ook hebben.”
Zij zette zich, eenigen tijd zwijgend voor[115]zich starende, terwijl ook Wije zijn mond hield. Hij vond het heel moeielijk nu iets verstandigs te zeggen; hij moest er eerst eens overpikiren. Om een afleiding te vinden, diehijnu wenschte, nam hij het nog altijd ongeopende doosje van Piong Pan Ho. Een kreet van verbazing ontsnapte hem, en lokte Anneke weer naast zijn stoel.
„Gut pa, hoe mooi!” riep zij uit, haar blik vestigende op het geschenk van denSingkeh. „Hij heeft woord gehouden. Weet u nog wel dien avond, toen hij zei, dat hij het bloedkoralen snoertje zou omzetten in goud en edelsteenen?”
„Ja,” zeide Wije; „maar hij heeft overdreven. Je zult dien armband, althans voorloopig, niet kunnen dragen. Een briljant als daar in gezet is, bezit misschien niemand hier.”
„Och”.… begon Anneke, die meende dat juist dit de groote aardigheid er van was; maar zich bedwingend vervolgde zij: „Wat zonderling dat iedereen hetzelfde geeft!”[116]
„Ja, dat kan zoo treffen,” zeide haar vader. „Vooral bij huwelijkscadeaux is het dikwijls het geval dat men met één artikel overstelpt wordt, bijvoorbeeld met ijskannen. Het grappigst van dien aard, dat ik ooit heb gezien, gebeurde toen ik pas hier op de plaats was. Ik woonde toen samen met iemand, die eenige jaren ouder was dan ik, en zich in gezelschappen heel aardig had gelanceerd. Op zijn verjaardag kreeg hij acht cadeautjes, van acht jonge dames, die allen gemeend hadden de vele attenties zijnerzijds niet beter te kunnen beantwoorden, dan door een handwerkje voor hem te maken. Ik zie ze nog arriveeren! Het eerste was een sluimer-rol. „Kijk,” zei mijn contubernaal, „dat is gezellig. Zoo’n ding geeft aan je inrichting een prettig cachet.” En hij gaf het een plaats. Het tweede was …”
„Weer een sluimer-rol?”
„Juist. En zoo ging het voort. Ik zie geen kans je te beschrijven welk een humeur mijn[117]vriend bezielde, toen het zesde, het zevende …”
„Ajàkkes, pa!”
„.… en eindelijk het achtste pakket geopend was! Acht sluimerrollen! Ik had moeite de onschuldige dingen tegen zijn woede te beveiligen.”
„Die arme dames!” zeide Anneke. „Men zou bang worden ooit meer iets voor een heer te maken.—Het wordt zoo zachtjes aan laat … en ik heb slaap. Zal ik uw boeltje te gelijk wegbergen?”
„Dat is goed,” vond Wije. Doch hij geloofde niet veel aan dien voorgewenden slaap. Zij ging natuurlijk in haar kamer zitten turen op dat ding van dien Duna; jawel, dat was te begrijpen. Enfin, men was nog zoover niet, en hij wilde er zich nu het hoofd niet mee breken. Het beste was maar Anneke’s voorbeeld te volgen; alleen te zitten was toch erg ongezellig.
Een paar weken later ontving Wije een[118]schrijven van de directie der sociëteit, erg officieel, tot zelfs in de manier van dichtvouwen, waarin hij een berisping las over zijn gedrag bij gelegenheid van het jongste feest. En waarlijk, men had kans gezien het stuk zóó op te stellen, dat er voor Wije’s gevoelnietskwetsends in stond. Er was een briefje bij van den secretaris, dienende om dit vooral nader toe te lichten.
„… Er werd veel gekakeld,” schreef deze, „en het duurde een heele poos eer ze het eens waren. Eindelijk zou niemand voor zoover hemzelf betrof, een andere handelwijze hebben voorgestaan dan nu gevolgd is, zoo er niet van buitenaf invloeden aan ’t werk waren geweest. Het komt mij voor dat je een paar fameuse stille vijanden hebt.…”
Lachend om deze uitdrukking, verscheurde Wije de beide geschriften en begaf zich aan zijn arbeid.
[119]