[Inhoud]IX.IX.TROUWEN … GOED; MAAR GEËNGAGEERD …!In het begin van den Oostmoeson had Wije zijn plan om te verhuizen volvoerd. Zijn nieuwe woning was iets minder ruim dan de vorige, maar had het voordeel van beter gebouwd te zijn; iets wat in Indië voornamelijk uitkomt bij deuren en vensters, in de meerdere of mindere mogelijkheid die te kunnen sluiten, en in het al of niet optrekken van vocht in de muren. Het voorerf was klein, zoodat het huis vrij dicht op den weg stond, maar het achtererf zooveel te langer. De achtergaanderij lag nagenoeg op één lijn met de voorgaanderij[211]van het huis daarnaast, waarin toevallig Wije’s oudste chef woonde. Wat men met de plaatsing van het huis, zoover naar voren, bedoeld had, was een geheim dier befaamde Indische bouwkunst, maar wat er mee te doen was, wist mevrouw Duna bij haar eerste bezoek onmiddellijk te zeggen. Zij raadde Wije aan het geheele erf te koopen, er in de lengte een weggetje af te scheiden, breed genoeg voor een dogcart, en heel achteraan een inlandschekampongaan te leggen, waarvan hij huur kon trekken. Een mooier en secuurder geldbelegging was er niet, verklaarde zij.„Ik zou bang zijn dat er niet veel van de huur terecht kwam,” meende Wije. „De huurders zouden toch arme inlanders zijn, en we weten allen hoe weinig men die financieel kan vertrouwen.”„En het Gouvernement dan?” vroeg zij. „Hoe krijgt dàt zijn geld binnen van diezelfde inlanders? Hoe anders dan door hoofden aan[212]te stellen, die belang hebben dat te blijven, en daarom zorgen dat het geld wordt opgebracht?”Wije had op zijn tong om te zeggen dat het Gouvernement geen particulier was, dat het als souverein regeerde en als zoodanig wettelijke handelingen deed, bekend onder termen als landrente en belastingheffen, rechtspraak, en zoo voort; maar dat diezelfde zaken door particulieren uitgeoefend andere namen droegen, waaronder de meest populaire „scharrelen met inlanders in de kampong.” Doch hij was een voorzichtig man.„U spreekt alsof u ondervinding had van die dingen,” peilde hij het terrein, lachend.„Nu ja,” viel de heer Duna in, „mijn vrouw heeft voor haar liefhebberij en met een philanthropisch doel wat huisjes laten zetten, óók op een achtererf, van een huis dat mij toebehoort. Maar dat is geen maatstaf voor sérieuse zaken.—Wel Anneke wat zie je er goed uit. Hoe oud ben je nu?”[213]Maar die manier om van onderwerp te veranderen lukte niet. Mevrouw Duna had den wenk van haar man wel begrepen, doch het beviel haar niet dat hij door zijn vraag de attentie op Anneke vestigde, wie zij het gebeurde op den sterfdag van haar moeder nog niet vergeven had.„Hoor nu zoo’n man eens,” ging zij hardnekkig voort, Anneke’s antwoord overstemmend. „Of denkt u, meneer Wije, dat een huishouden als het mijne met zeshonderd gulden in de maand te drijven is?”„Neen, mevrouw zeker niet.—Hé,” vervolgde Wije, na even geluisterd te hebben, „begint de zee nu al te spoken? Dat is vroeg!”Als de Westmoeson doorstaat, is er betrekkelijk weinig wind noodig om de naar die zijde open reede van Semarang woelig te maken; en dan hoort men ’s avonds, als de geluiden die de dag meebrengt, verstomd zijn, op Bodjong het slaan van de branding. Maar het[214]jaargetij was nog zoover niet. De opmerking van Wije deed allen naar buiten zien, de oogen in de richting vanwaar men meende dat het geluid kwam.„Het is een rijtuig, dat van de stad komt.”„Neen pa, van boven,” zeide Anneke.Men twistte een oogenblik over deze vraag; en toen het bleek dat Anneke gelijk had, vond Wije gelegenheid iets te zeggen over de slechte ontwikkeling van het gehoor bij Europeanen, in tegenstelling van inlanders en ook van de in Indië geborenen. Men had daar zoo niet op gelet, doch nu Wije het zei … jawel! nu wist men staaltjes bij te brengen, die voor de juistheid van zijn stelling getuigden; men herinnerde zich dat men steeds bij ieder vreemd geluid als onwillekeurig de bedienden naar de herkomst, de beteekenis vroeg, en meestal een voldoend antwoord kreeg. En daarmee was men over het gevaarlijke punt heen, dat niet meer werd aangeroerd. Toen het schot, om[215]acht uur, gevallen was, vertrok de visite.Naar huis rijdende verweet Duna zijn vrouw haar onvoorzichtigheid, en dreigde haar den heelen boel op te zullen ruimen, als zij hun reputatie daarmee in gevaar bracht. Zóóveel was die liefhebberij niet waard; gelukkig dat Wije het klaarblijkelijk niet had begrepen, en.… dat hij de discrete Wije was. Zij antwoordde niet, maar leunde behagelijk achterover, stil voor zich heen lachende over de domheid dier beide mannen; de een die zoo weinigbon entendeurwas, en de ander die zóó weinig blik op zijn eigen huishouden had, dat hij werkelijk geloofde dat zij dit met zijn vaste toelage bestreed—nu ja, iets kwam er misschien uit diekampong, maar veel kon het toch niet zijn.Wije intusschen herdacht het gehoorde, dat hij best begrepen had. Hij bracht het in verband met een vroeger door hem vernomen gezegde van mevrouw Duna, die zich eens[216]had uitgelaten dat een vrouw, die niet minstens het geld voor haar huishouden wist te verdienen, geen knip voor haar neus waard was. En hij had schik dat hij de oplossing van deze raadselachtige woorden gevonden had. Aan den anderen kant maakte het zijn verontwaardiging gaande. Weliswaar bestond ten slotte ook zijn firma van den inlander, die de katoentjes kocht; ja, men kon verder gaan, en zeggen dat het tractement van den Gouverneur-generaal en al die hooge heeren voor het grootste deel bestond uit de centen van Kromo en Wongso, maar.… wat maar? Wije was even vast geraakt, doch vond spoedig een uitweg. Men handelde niet direct met die lui. Dáár zat de knoop. Kromo ging niet naar Buitenzorg om zijn centen te deponeeren en Wongso kwam niet bij de firma om anderhalve el katoen voor zijn baadje. Er waren tusschenpersonen: hoog, lager en laagst. De laagsten kwamen slechts met den inlander in[217]aanraking. Dus: deed men het na, dan verlaagde men zich.Heel tevreden met die redeneering ging hij aan tafel; daarna gaf hij Anneke les. De methode die hij hierbij volgde was zeer bijzonder en zou, als hij bekend was geworden, van vakmannen de haren te berge hebben doen rijzen. Op school had Anneke de beginselen van het Fransch geleerd; daarmee was hij doorgegaan, om na korten tijd er Engelsch en Duitsch bij te nemen, afwisselend voor elke taal een week. Een grammaire werd niet gebruikt en toch was het onderricht streng grammatikaal. Men nam eenvoudig een roman en begon te lezen. Eerst woord voor woord, elk rededeel op zichzelf beschouwende en er de bijzonderheden van opsommende, van een werkwoord de beknopte vervoeging, van een zelfstandig naamwoord meervoud, naamvallen en geslacht, en zoo voort; dan de plaats der woorden in den zin en hun betrekking tot[218]elkaar; eindelijk de vertaling, en na eenigen tijd een resumé van het gelezene in de oorspronkelijke taal. Geen thema’s, geen fouten, geen opvoedkundig en leerzaam strafwerk … hoe kon dat goed gaan? Gelukkig dat Anneke nooit rekenschap heeft behoeven te geven van de wijze, waarop zij geleerd had zich zoo vloeiend uit te drukken in de vreemde talen. Voorloopig was van de buitenwereld Kees Duna de eenige die iets bemerkte van haar vorderingen, en er zich in verheugde.Kees had dit jaar eindexamen gedaan; na de vacantie zou hij naar Batavia vertrekken, om voor Indisch ambtenaar te studeeren. Achttien jaar oud, had hij zijn vollen wasdom bereikt; iets korter dan zijn vader, maar breeder in de schouders. Over zijn geheele gestalte lag een waas van groote rustigheid en zekerheid verspreid, en zijn ernstige grijze oogen teekenden een vasten wil en geduld om dien uit te voeren; over het algemeen zou men hem ouder geschat[219]hebben dan hij was, zoo niet het dons op zijn bovenlip zijn leeftijd verraden had. Bij de drukke bezigheden van zijn vader, die zelfs tehuis werkte, en een moeder die haar tijd liever besteedde aan haar geldmakerij dan aan haar zoon, had Kees zich al vroeg alleen gevoeld en geleerd de personen met wie hij in aanraking kwam, te beproeven en te schatten eer hij zich bij iemand aansloot. In zijn sympathieën was hij zeer conservatief, en steeds kostte het hem moeite zich los te rukken van iemand of iets, waarbij zich die geplaatst hadden. Zijn gevoel voor Anneke, in den beginne niets meer dan groote-jongens-genegenheid voor het mooie kinderkopje, was langzamerhand overgegaan in een sterke gehechtheid, voortgesproten uit de gewoonte van dagelijks zien, en elkaar meedeelen der gedachten. Kindergedachten weliswaar, doch voor kinderharten minstens even belangrijk als voor groote menschen de hunne. De tijd van scheiding, gevolgd na de afspraakjes[220]op het erf der hoogere burgerschool, was voor Kees, ondanks zijn volharding, een tijd van pijnlijke zelfkwelling geweest. Zijn wil had toen strijd gevoerd tegen zijn conservatisme, en de overwinning behouden, tot Anneke door haar daad van moed en liefde in zijn oogen de oude schuld had uitgewischt.Gepraat hadden zij er niet veel over; op een middag na haar terugkomst van Oengaran stond Anneke als vroeger aan den ingang van het erf, en daar kwam ook Kees weer aan. Dat was alles. Eerst later bekende Kees hoe naar hij die langdurige verkoeling gevonden had.„Ik ook, Kees,” antwoordde zij. „En weetje, ik ben zoo veranderlijk … maar op ’t eind houd ik toch altijd het meest van jou.”Dat wist hij en daarmee was hij tevreden. Iets anders echter maakte hem ongerust. Hij had nu de hoogere burgerschool achter den rug, en daardoor een groote mate van wetenschap[221]en kennis in zich opgenomen. Pedant had het hem niet gemaakt, maar hij gevoelde toch dat hij, met alles wat hij wist en een encyclopaedie tot zijn beschikking, op een zoo hoogen trap van ontwikkeling stond, dat er feitelijk niets was dat hij niet kende. Er was nauwelijks één onderwerp, dat hij niet aandurfde; en dikwijls had hij reeds ouderen in jaren al disputeerende vastgezet, met behulp van een honderdtal axiomata en stellingen, die hij tot zijn beschikking had.Anneke daarentegen had weinig schoolonderwijs genoten. Was zij nu voor hem een geschikte gezellin? Vreemd was het, dat de gemakkelijkheid waarmee hij anderen overtuigde,bijhaar geheel in ’t riet liep. Want ook in hun minnekout droeg soms de wetenschap door; en als hij dan zijn vaste stellingen in ’t vuur bracht, bukte zij niet zooals de anderen, maar viel in haar onnoozelheid die onomstootelijke waarheden zelf aan, door[222]te vragen naar de beteekenis van het meest kernachtige woord. Trachtte hij die te ontwikkelen, dan stond het tien tegen een of door haar domme manier van de dingen op het eenvoudigst op te nemen, spatte de geheele stelling uiteen en bleek niet langer bruikbaar.Hij gaf daarvan de schuld aan haar weinige woordenkennis, en daarom vernam hij met blijdschap dat haar vader haar onderwees in de moderne talen. Zoodoende zou zij toch eenigszins in staat zijn hem te volgen!Opmerkelijk was dat hun vrijerij, die toch altijd plaats vond aan den kant van den openbaren weg, tot nu toe onbesproken was gebleven. Misschien was de reden daarvan wel juist deze, dat zij niets trachtten te verbergen voor het alziend oog van het publiek. Maar zelfs de wederzijdscheoudershadden er niet de minste erg in. Toen echter Kees op het punt stond voor langeren tijd naar Batavia te vertrekken, meende hij het tijdstip gekomen[223]om er over te spreken. Hij begon met het Anneke voor te stellen.„Ik zal je erg missen, Kees,” had zij gezegd. „Zal je eens schrijven?”„Schrijven …” zeide hij met een ernstig gezicht. „Ja, zie je, daar komen we juist op iets waarover ik je van avond wou spreken.Ikwil heel graag; dàt is het niet … maar, als men elkaar schrijft … de vraag is of je pa het goedvindt.”„Pa? Waarom niet?”„Wel,” zeide hij, „omdat als wij elkaar brieven schrijven … Je zoudt mij toch antwoorden?”„O zeker, Kees,” beloofde zij, door zijn blijkbaar aarzelen gespannen.„Dan zouden we zoo goed als … geëngageerd zijn.”Het was eruit! Kees keek verlegen om zich heen en Anneke beefde als een blad, terwijl het bloed haar naar het hoofd steeg. Zij dacht[224]niet aan het zotte, dat twee gelieven elkaar wel zouden mogen spreken, dag aan dag, en bij het afscheid, als het donker was geworden, elkaar een zoen geven, maar niet op eenige honderden mijlen afstand mochten correspondeeren, zonder dat eerst op hun verhouding een officieele stempel gedrukt was. Aan de gedachte dat zij eenmaal met Kees zou trouwen was zij reeds lang gewoon—hoe dikwijls hadden zij het elkaar niet gezegd!—maar geëngageerd … Dat was iets anders! En dat zou morgen of overmorgen moeten geschieden, zoo plotseling, zoo onverwacht? Op haar leeftijd? Het was om zich dood te schamen!„Ik zou niet durven, als je er niet bij was,” betuigde zij.„Maar dat bedoel ik niet,” zeide hij, begrijpende wat haar voor de oogen zweefde; „geen publiek engagement; daarvoor zijn we allebei nog te jong. Geheim, weet je; niets dan een afspraak.… Later, als ik klaar ben, en aangesteld,[225]wordt het pas publiek. Twee jaar moet ik te Batavia zijn, en dan duurt het nog wel een jaar dat ik aspirant ben. Over drie jaar ben je zeventien en ik controleur. Het is maar om elkaar in dien tusschentijd te mogen schrijven; en ook, als ik in de vacantie thuis kom, om je te kunnen opzoeken.”„Moetikhet papa vragen, Kees?”„N..neen,” zeide hij na een oogenblik nagedacht te hebben. „Ik zal er thuis over spreken met mijn pa, en dan zal die wel verder zorgen. Zoo hoort het.”Eerst in den naävond van den volgenden dag vond Kees gelegenheid zijn vader de zaak voor te dragen. De heer Duna glimlachte over de zonderlinge convenance-begrippen van zijn zoon, maar nam het feit zelf ernstig op.„Je begint vroeg, Kees,” zeide hij. „Maarsoedah, dat is tot daaraantoe. Je kunt echter van mij niet vergen dat ik accès voor je ga vragen bij een kind van veertien jaar. Neen …[226]ik weet wat je zeggen wilt; om haar nu en dan een brief te mogen schrijven, kan je desnoods zelf vragen, bijvoorbeeld als je een afscheidsvisite maakt. Iets anders. Je moogt niets doen zonder er eerst je moeder in gekend te hebben. Wat mij betreft, ik heb me altijd voorgenomen om in een geval als dit volkomen neutraal te blijven, en mij hoogstens te bepalen tot een waarschuwing, als die noodig mocht zijn.”„Zou u het mama willen zeggen?” vroeg Kees.„Hm, ja. Maar blijf er bij, dan weet je het meteen. Ga vast vooruit; ik moet even wat afmaken.”Kees verliet het „kantoor” en begaf zich naar de achtergalerij, waar hij bij wijze van voorbereiding met geforceerde lievigheid zijn moeder in een goede luim zocht te brengen. Het gelukte vrijwel, doch toen zijn vader kwam en opening van zaken gaf, zag Kees dat hij vergeefsche moeite had gedaan.[227]„Wat? Dat nest, dat mij zóó gebrutaliseerd heeft!” riep mevrouw Duna uit. „Nooit!”Zij moest haar woorden toelichten, en dit deed zij, hoewel met schromelijke overdrijving van de houding die Anneke had aangenomen, die volgens haar met de nagels een attaque had uitgevoerd en zoodoende de behulpzame bezoeksters had doen wijken.„Kassian,” zeide de heer Duna; „het kind zal gek van smart geweest zijn. En wat deed je er ook!”De laatste woorden had hij gemompeld, maar niet zacht genoeg. Er volgde een scène, die eerst den vader en toen den zoon de vlucht deed nemen, ieder naar zijn kamer.Met dat al was Kees niet veel verder, want zijn vader bleef bij wat hij noemde zijn neutrale houding en besliste dat Kees het met zijn moeder moest trachten te vinden. Toen hij na een geheelen dag in vruchtelooze pogingen verspild te hebben, inzag dat zijn moeder[228]onverzettelijk bleef, gaf hij het op haar te vermurwen; doch zijn zin zoude hij doordrijven, met of tegen haar goedvinden. Nadenkende over den te volgen weg, herinnerde hij zich de woorden zijns vaders en besloot den daarin gelegen wenk op te volgen.Na op den gewonen tijd Anneke gesproken en haar op de hoogte der feiten te hebben gebracht, kwam hij iets vroeger dan het gebruikelijke visite-uur, bij Wije.„Ik kom afscheid nemen,” kondigde hij aan, en opende daarmee het gesprek, dat natuurlijk liep over de zaak die tot dit bezoek aanleiding had gegeven.„Waar blijft Anneke toch!” zeide Wije na eenigen tijd; en hij riep een bediende om haar te waarschuwen. „Hier is Duna,” ging hij voort, toen zij eindelijk verscheen, „die overmorgen vertrekt en ons goeden dag komt zeggen.”„O!” deed de kleine huichelaarster, Kees een hand gevende. „Niemand had er mij[229]iets van gezegd. Dus ga je naar Batavia?”„Ja,” zeide Kees.„Hè hoe prettig!” speelde zij haar rol verder. „Ik zou ook wel eens naar Batavia willen. Alle menschen zeggen dat het er zoo mooi is; maar als je ze vraagt om iets te vertellen, weten ze niets.”„Nu,” bood Kees aan, „als je met mijn stijl en voorstellingsmanier genoegen neemt, wil ik je wel het een en ander schrijven—wanneer ik tijd heb.”„Tijd,” pruilde Anneke. „Dan komt er natuurlijk niets van.”„Foei,” viel Wije in. „Is dat nu een manier om een vriendelijk aanbod te beantwoorden?”„Ik weet wat!” zeide Kees. „Telkens als ik een epistel stuur over Batavia, krijg ik er van jou een terug over alle kennissen hier.”„Goed,” beloofde zij. „We zullen zien wie het langer volhoudt.”[230]„Ik wed Duna,” zeide Wije plagende, maar geheel de dupe van de geschiedenis, die hij met al zijn schranderheid niet doorzag. Hij was trouwens ook slechts vader; een moeder zou zich zoo gemakkelijk niet hebben laten bedotten.[231]
[Inhoud]IX.IX.TROUWEN … GOED; MAAR GEËNGAGEERD …!In het begin van den Oostmoeson had Wije zijn plan om te verhuizen volvoerd. Zijn nieuwe woning was iets minder ruim dan de vorige, maar had het voordeel van beter gebouwd te zijn; iets wat in Indië voornamelijk uitkomt bij deuren en vensters, in de meerdere of mindere mogelijkheid die te kunnen sluiten, en in het al of niet optrekken van vocht in de muren. Het voorerf was klein, zoodat het huis vrij dicht op den weg stond, maar het achtererf zooveel te langer. De achtergaanderij lag nagenoeg op één lijn met de voorgaanderij[211]van het huis daarnaast, waarin toevallig Wije’s oudste chef woonde. Wat men met de plaatsing van het huis, zoover naar voren, bedoeld had, was een geheim dier befaamde Indische bouwkunst, maar wat er mee te doen was, wist mevrouw Duna bij haar eerste bezoek onmiddellijk te zeggen. Zij raadde Wije aan het geheele erf te koopen, er in de lengte een weggetje af te scheiden, breed genoeg voor een dogcart, en heel achteraan een inlandschekampongaan te leggen, waarvan hij huur kon trekken. Een mooier en secuurder geldbelegging was er niet, verklaarde zij.„Ik zou bang zijn dat er niet veel van de huur terecht kwam,” meende Wije. „De huurders zouden toch arme inlanders zijn, en we weten allen hoe weinig men die financieel kan vertrouwen.”„En het Gouvernement dan?” vroeg zij. „Hoe krijgt dàt zijn geld binnen van diezelfde inlanders? Hoe anders dan door hoofden aan[212]te stellen, die belang hebben dat te blijven, en daarom zorgen dat het geld wordt opgebracht?”Wije had op zijn tong om te zeggen dat het Gouvernement geen particulier was, dat het als souverein regeerde en als zoodanig wettelijke handelingen deed, bekend onder termen als landrente en belastingheffen, rechtspraak, en zoo voort; maar dat diezelfde zaken door particulieren uitgeoefend andere namen droegen, waaronder de meest populaire „scharrelen met inlanders in de kampong.” Doch hij was een voorzichtig man.„U spreekt alsof u ondervinding had van die dingen,” peilde hij het terrein, lachend.„Nu ja,” viel de heer Duna in, „mijn vrouw heeft voor haar liefhebberij en met een philanthropisch doel wat huisjes laten zetten, óók op een achtererf, van een huis dat mij toebehoort. Maar dat is geen maatstaf voor sérieuse zaken.—Wel Anneke wat zie je er goed uit. Hoe oud ben je nu?”[213]Maar die manier om van onderwerp te veranderen lukte niet. Mevrouw Duna had den wenk van haar man wel begrepen, doch het beviel haar niet dat hij door zijn vraag de attentie op Anneke vestigde, wie zij het gebeurde op den sterfdag van haar moeder nog niet vergeven had.„Hoor nu zoo’n man eens,” ging zij hardnekkig voort, Anneke’s antwoord overstemmend. „Of denkt u, meneer Wije, dat een huishouden als het mijne met zeshonderd gulden in de maand te drijven is?”„Neen, mevrouw zeker niet.—Hé,” vervolgde Wije, na even geluisterd te hebben, „begint de zee nu al te spoken? Dat is vroeg!”Als de Westmoeson doorstaat, is er betrekkelijk weinig wind noodig om de naar die zijde open reede van Semarang woelig te maken; en dan hoort men ’s avonds, als de geluiden die de dag meebrengt, verstomd zijn, op Bodjong het slaan van de branding. Maar het[214]jaargetij was nog zoover niet. De opmerking van Wije deed allen naar buiten zien, de oogen in de richting vanwaar men meende dat het geluid kwam.„Het is een rijtuig, dat van de stad komt.”„Neen pa, van boven,” zeide Anneke.Men twistte een oogenblik over deze vraag; en toen het bleek dat Anneke gelijk had, vond Wije gelegenheid iets te zeggen over de slechte ontwikkeling van het gehoor bij Europeanen, in tegenstelling van inlanders en ook van de in Indië geborenen. Men had daar zoo niet op gelet, doch nu Wije het zei … jawel! nu wist men staaltjes bij te brengen, die voor de juistheid van zijn stelling getuigden; men herinnerde zich dat men steeds bij ieder vreemd geluid als onwillekeurig de bedienden naar de herkomst, de beteekenis vroeg, en meestal een voldoend antwoord kreeg. En daarmee was men over het gevaarlijke punt heen, dat niet meer werd aangeroerd. Toen het schot, om[215]acht uur, gevallen was, vertrok de visite.Naar huis rijdende verweet Duna zijn vrouw haar onvoorzichtigheid, en dreigde haar den heelen boel op te zullen ruimen, als zij hun reputatie daarmee in gevaar bracht. Zóóveel was die liefhebberij niet waard; gelukkig dat Wije het klaarblijkelijk niet had begrepen, en.… dat hij de discrete Wije was. Zij antwoordde niet, maar leunde behagelijk achterover, stil voor zich heen lachende over de domheid dier beide mannen; de een die zoo weinigbon entendeurwas, en de ander die zóó weinig blik op zijn eigen huishouden had, dat hij werkelijk geloofde dat zij dit met zijn vaste toelage bestreed—nu ja, iets kwam er misschien uit diekampong, maar veel kon het toch niet zijn.Wije intusschen herdacht het gehoorde, dat hij best begrepen had. Hij bracht het in verband met een vroeger door hem vernomen gezegde van mevrouw Duna, die zich eens[216]had uitgelaten dat een vrouw, die niet minstens het geld voor haar huishouden wist te verdienen, geen knip voor haar neus waard was. En hij had schik dat hij de oplossing van deze raadselachtige woorden gevonden had. Aan den anderen kant maakte het zijn verontwaardiging gaande. Weliswaar bestond ten slotte ook zijn firma van den inlander, die de katoentjes kocht; ja, men kon verder gaan, en zeggen dat het tractement van den Gouverneur-generaal en al die hooge heeren voor het grootste deel bestond uit de centen van Kromo en Wongso, maar.… wat maar? Wije was even vast geraakt, doch vond spoedig een uitweg. Men handelde niet direct met die lui. Dáár zat de knoop. Kromo ging niet naar Buitenzorg om zijn centen te deponeeren en Wongso kwam niet bij de firma om anderhalve el katoen voor zijn baadje. Er waren tusschenpersonen: hoog, lager en laagst. De laagsten kwamen slechts met den inlander in[217]aanraking. Dus: deed men het na, dan verlaagde men zich.Heel tevreden met die redeneering ging hij aan tafel; daarna gaf hij Anneke les. De methode die hij hierbij volgde was zeer bijzonder en zou, als hij bekend was geworden, van vakmannen de haren te berge hebben doen rijzen. Op school had Anneke de beginselen van het Fransch geleerd; daarmee was hij doorgegaan, om na korten tijd er Engelsch en Duitsch bij te nemen, afwisselend voor elke taal een week. Een grammaire werd niet gebruikt en toch was het onderricht streng grammatikaal. Men nam eenvoudig een roman en begon te lezen. Eerst woord voor woord, elk rededeel op zichzelf beschouwende en er de bijzonderheden van opsommende, van een werkwoord de beknopte vervoeging, van een zelfstandig naamwoord meervoud, naamvallen en geslacht, en zoo voort; dan de plaats der woorden in den zin en hun betrekking tot[218]elkaar; eindelijk de vertaling, en na eenigen tijd een resumé van het gelezene in de oorspronkelijke taal. Geen thema’s, geen fouten, geen opvoedkundig en leerzaam strafwerk … hoe kon dat goed gaan? Gelukkig dat Anneke nooit rekenschap heeft behoeven te geven van de wijze, waarop zij geleerd had zich zoo vloeiend uit te drukken in de vreemde talen. Voorloopig was van de buitenwereld Kees Duna de eenige die iets bemerkte van haar vorderingen, en er zich in verheugde.Kees had dit jaar eindexamen gedaan; na de vacantie zou hij naar Batavia vertrekken, om voor Indisch ambtenaar te studeeren. Achttien jaar oud, had hij zijn vollen wasdom bereikt; iets korter dan zijn vader, maar breeder in de schouders. Over zijn geheele gestalte lag een waas van groote rustigheid en zekerheid verspreid, en zijn ernstige grijze oogen teekenden een vasten wil en geduld om dien uit te voeren; over het algemeen zou men hem ouder geschat[219]hebben dan hij was, zoo niet het dons op zijn bovenlip zijn leeftijd verraden had. Bij de drukke bezigheden van zijn vader, die zelfs tehuis werkte, en een moeder die haar tijd liever besteedde aan haar geldmakerij dan aan haar zoon, had Kees zich al vroeg alleen gevoeld en geleerd de personen met wie hij in aanraking kwam, te beproeven en te schatten eer hij zich bij iemand aansloot. In zijn sympathieën was hij zeer conservatief, en steeds kostte het hem moeite zich los te rukken van iemand of iets, waarbij zich die geplaatst hadden. Zijn gevoel voor Anneke, in den beginne niets meer dan groote-jongens-genegenheid voor het mooie kinderkopje, was langzamerhand overgegaan in een sterke gehechtheid, voortgesproten uit de gewoonte van dagelijks zien, en elkaar meedeelen der gedachten. Kindergedachten weliswaar, doch voor kinderharten minstens even belangrijk als voor groote menschen de hunne. De tijd van scheiding, gevolgd na de afspraakjes[220]op het erf der hoogere burgerschool, was voor Kees, ondanks zijn volharding, een tijd van pijnlijke zelfkwelling geweest. Zijn wil had toen strijd gevoerd tegen zijn conservatisme, en de overwinning behouden, tot Anneke door haar daad van moed en liefde in zijn oogen de oude schuld had uitgewischt.Gepraat hadden zij er niet veel over; op een middag na haar terugkomst van Oengaran stond Anneke als vroeger aan den ingang van het erf, en daar kwam ook Kees weer aan. Dat was alles. Eerst later bekende Kees hoe naar hij die langdurige verkoeling gevonden had.„Ik ook, Kees,” antwoordde zij. „En weetje, ik ben zoo veranderlijk … maar op ’t eind houd ik toch altijd het meest van jou.”Dat wist hij en daarmee was hij tevreden. Iets anders echter maakte hem ongerust. Hij had nu de hoogere burgerschool achter den rug, en daardoor een groote mate van wetenschap[221]en kennis in zich opgenomen. Pedant had het hem niet gemaakt, maar hij gevoelde toch dat hij, met alles wat hij wist en een encyclopaedie tot zijn beschikking, op een zoo hoogen trap van ontwikkeling stond, dat er feitelijk niets was dat hij niet kende. Er was nauwelijks één onderwerp, dat hij niet aandurfde; en dikwijls had hij reeds ouderen in jaren al disputeerende vastgezet, met behulp van een honderdtal axiomata en stellingen, die hij tot zijn beschikking had.Anneke daarentegen had weinig schoolonderwijs genoten. Was zij nu voor hem een geschikte gezellin? Vreemd was het, dat de gemakkelijkheid waarmee hij anderen overtuigde,bijhaar geheel in ’t riet liep. Want ook in hun minnekout droeg soms de wetenschap door; en als hij dan zijn vaste stellingen in ’t vuur bracht, bukte zij niet zooals de anderen, maar viel in haar onnoozelheid die onomstootelijke waarheden zelf aan, door[222]te vragen naar de beteekenis van het meest kernachtige woord. Trachtte hij die te ontwikkelen, dan stond het tien tegen een of door haar domme manier van de dingen op het eenvoudigst op te nemen, spatte de geheele stelling uiteen en bleek niet langer bruikbaar.Hij gaf daarvan de schuld aan haar weinige woordenkennis, en daarom vernam hij met blijdschap dat haar vader haar onderwees in de moderne talen. Zoodoende zou zij toch eenigszins in staat zijn hem te volgen!Opmerkelijk was dat hun vrijerij, die toch altijd plaats vond aan den kant van den openbaren weg, tot nu toe onbesproken was gebleven. Misschien was de reden daarvan wel juist deze, dat zij niets trachtten te verbergen voor het alziend oog van het publiek. Maar zelfs de wederzijdscheoudershadden er niet de minste erg in. Toen echter Kees op het punt stond voor langeren tijd naar Batavia te vertrekken, meende hij het tijdstip gekomen[223]om er over te spreken. Hij begon met het Anneke voor te stellen.„Ik zal je erg missen, Kees,” had zij gezegd. „Zal je eens schrijven?”„Schrijven …” zeide hij met een ernstig gezicht. „Ja, zie je, daar komen we juist op iets waarover ik je van avond wou spreken.Ikwil heel graag; dàt is het niet … maar, als men elkaar schrijft … de vraag is of je pa het goedvindt.”„Pa? Waarom niet?”„Wel,” zeide hij, „omdat als wij elkaar brieven schrijven … Je zoudt mij toch antwoorden?”„O zeker, Kees,” beloofde zij, door zijn blijkbaar aarzelen gespannen.„Dan zouden we zoo goed als … geëngageerd zijn.”Het was eruit! Kees keek verlegen om zich heen en Anneke beefde als een blad, terwijl het bloed haar naar het hoofd steeg. Zij dacht[224]niet aan het zotte, dat twee gelieven elkaar wel zouden mogen spreken, dag aan dag, en bij het afscheid, als het donker was geworden, elkaar een zoen geven, maar niet op eenige honderden mijlen afstand mochten correspondeeren, zonder dat eerst op hun verhouding een officieele stempel gedrukt was. Aan de gedachte dat zij eenmaal met Kees zou trouwen was zij reeds lang gewoon—hoe dikwijls hadden zij het elkaar niet gezegd!—maar geëngageerd … Dat was iets anders! En dat zou morgen of overmorgen moeten geschieden, zoo plotseling, zoo onverwacht? Op haar leeftijd? Het was om zich dood te schamen!„Ik zou niet durven, als je er niet bij was,” betuigde zij.„Maar dat bedoel ik niet,” zeide hij, begrijpende wat haar voor de oogen zweefde; „geen publiek engagement; daarvoor zijn we allebei nog te jong. Geheim, weet je; niets dan een afspraak.… Later, als ik klaar ben, en aangesteld,[225]wordt het pas publiek. Twee jaar moet ik te Batavia zijn, en dan duurt het nog wel een jaar dat ik aspirant ben. Over drie jaar ben je zeventien en ik controleur. Het is maar om elkaar in dien tusschentijd te mogen schrijven; en ook, als ik in de vacantie thuis kom, om je te kunnen opzoeken.”„Moetikhet papa vragen, Kees?”„N..neen,” zeide hij na een oogenblik nagedacht te hebben. „Ik zal er thuis over spreken met mijn pa, en dan zal die wel verder zorgen. Zoo hoort het.”Eerst in den naävond van den volgenden dag vond Kees gelegenheid zijn vader de zaak voor te dragen. De heer Duna glimlachte over de zonderlinge convenance-begrippen van zijn zoon, maar nam het feit zelf ernstig op.„Je begint vroeg, Kees,” zeide hij. „Maarsoedah, dat is tot daaraantoe. Je kunt echter van mij niet vergen dat ik accès voor je ga vragen bij een kind van veertien jaar. Neen …[226]ik weet wat je zeggen wilt; om haar nu en dan een brief te mogen schrijven, kan je desnoods zelf vragen, bijvoorbeeld als je een afscheidsvisite maakt. Iets anders. Je moogt niets doen zonder er eerst je moeder in gekend te hebben. Wat mij betreft, ik heb me altijd voorgenomen om in een geval als dit volkomen neutraal te blijven, en mij hoogstens te bepalen tot een waarschuwing, als die noodig mocht zijn.”„Zou u het mama willen zeggen?” vroeg Kees.„Hm, ja. Maar blijf er bij, dan weet je het meteen. Ga vast vooruit; ik moet even wat afmaken.”Kees verliet het „kantoor” en begaf zich naar de achtergalerij, waar hij bij wijze van voorbereiding met geforceerde lievigheid zijn moeder in een goede luim zocht te brengen. Het gelukte vrijwel, doch toen zijn vader kwam en opening van zaken gaf, zag Kees dat hij vergeefsche moeite had gedaan.[227]„Wat? Dat nest, dat mij zóó gebrutaliseerd heeft!” riep mevrouw Duna uit. „Nooit!”Zij moest haar woorden toelichten, en dit deed zij, hoewel met schromelijke overdrijving van de houding die Anneke had aangenomen, die volgens haar met de nagels een attaque had uitgevoerd en zoodoende de behulpzame bezoeksters had doen wijken.„Kassian,” zeide de heer Duna; „het kind zal gek van smart geweest zijn. En wat deed je er ook!”De laatste woorden had hij gemompeld, maar niet zacht genoeg. Er volgde een scène, die eerst den vader en toen den zoon de vlucht deed nemen, ieder naar zijn kamer.Met dat al was Kees niet veel verder, want zijn vader bleef bij wat hij noemde zijn neutrale houding en besliste dat Kees het met zijn moeder moest trachten te vinden. Toen hij na een geheelen dag in vruchtelooze pogingen verspild te hebben, inzag dat zijn moeder[228]onverzettelijk bleef, gaf hij het op haar te vermurwen; doch zijn zin zoude hij doordrijven, met of tegen haar goedvinden. Nadenkende over den te volgen weg, herinnerde hij zich de woorden zijns vaders en besloot den daarin gelegen wenk op te volgen.Na op den gewonen tijd Anneke gesproken en haar op de hoogte der feiten te hebben gebracht, kwam hij iets vroeger dan het gebruikelijke visite-uur, bij Wije.„Ik kom afscheid nemen,” kondigde hij aan, en opende daarmee het gesprek, dat natuurlijk liep over de zaak die tot dit bezoek aanleiding had gegeven.„Waar blijft Anneke toch!” zeide Wije na eenigen tijd; en hij riep een bediende om haar te waarschuwen. „Hier is Duna,” ging hij voort, toen zij eindelijk verscheen, „die overmorgen vertrekt en ons goeden dag komt zeggen.”„O!” deed de kleine huichelaarster, Kees een hand gevende. „Niemand had er mij[229]iets van gezegd. Dus ga je naar Batavia?”„Ja,” zeide Kees.„Hè hoe prettig!” speelde zij haar rol verder. „Ik zou ook wel eens naar Batavia willen. Alle menschen zeggen dat het er zoo mooi is; maar als je ze vraagt om iets te vertellen, weten ze niets.”„Nu,” bood Kees aan, „als je met mijn stijl en voorstellingsmanier genoegen neemt, wil ik je wel het een en ander schrijven—wanneer ik tijd heb.”„Tijd,” pruilde Anneke. „Dan komt er natuurlijk niets van.”„Foei,” viel Wije in. „Is dat nu een manier om een vriendelijk aanbod te beantwoorden?”„Ik weet wat!” zeide Kees. „Telkens als ik een epistel stuur over Batavia, krijg ik er van jou een terug over alle kennissen hier.”„Goed,” beloofde zij. „We zullen zien wie het langer volhoudt.”[230]„Ik wed Duna,” zeide Wije plagende, maar geheel de dupe van de geschiedenis, die hij met al zijn schranderheid niet doorzag. Hij was trouwens ook slechts vader; een moeder zou zich zoo gemakkelijk niet hebben laten bedotten.[231]
[Inhoud]IX.IX.TROUWEN … GOED; MAAR GEËNGAGEERD …!In het begin van den Oostmoeson had Wije zijn plan om te verhuizen volvoerd. Zijn nieuwe woning was iets minder ruim dan de vorige, maar had het voordeel van beter gebouwd te zijn; iets wat in Indië voornamelijk uitkomt bij deuren en vensters, in de meerdere of mindere mogelijkheid die te kunnen sluiten, en in het al of niet optrekken van vocht in de muren. Het voorerf was klein, zoodat het huis vrij dicht op den weg stond, maar het achtererf zooveel te langer. De achtergaanderij lag nagenoeg op één lijn met de voorgaanderij[211]van het huis daarnaast, waarin toevallig Wije’s oudste chef woonde. Wat men met de plaatsing van het huis, zoover naar voren, bedoeld had, was een geheim dier befaamde Indische bouwkunst, maar wat er mee te doen was, wist mevrouw Duna bij haar eerste bezoek onmiddellijk te zeggen. Zij raadde Wije aan het geheele erf te koopen, er in de lengte een weggetje af te scheiden, breed genoeg voor een dogcart, en heel achteraan een inlandschekampongaan te leggen, waarvan hij huur kon trekken. Een mooier en secuurder geldbelegging was er niet, verklaarde zij.„Ik zou bang zijn dat er niet veel van de huur terecht kwam,” meende Wije. „De huurders zouden toch arme inlanders zijn, en we weten allen hoe weinig men die financieel kan vertrouwen.”„En het Gouvernement dan?” vroeg zij. „Hoe krijgt dàt zijn geld binnen van diezelfde inlanders? Hoe anders dan door hoofden aan[212]te stellen, die belang hebben dat te blijven, en daarom zorgen dat het geld wordt opgebracht?”Wije had op zijn tong om te zeggen dat het Gouvernement geen particulier was, dat het als souverein regeerde en als zoodanig wettelijke handelingen deed, bekend onder termen als landrente en belastingheffen, rechtspraak, en zoo voort; maar dat diezelfde zaken door particulieren uitgeoefend andere namen droegen, waaronder de meest populaire „scharrelen met inlanders in de kampong.” Doch hij was een voorzichtig man.„U spreekt alsof u ondervinding had van die dingen,” peilde hij het terrein, lachend.„Nu ja,” viel de heer Duna in, „mijn vrouw heeft voor haar liefhebberij en met een philanthropisch doel wat huisjes laten zetten, óók op een achtererf, van een huis dat mij toebehoort. Maar dat is geen maatstaf voor sérieuse zaken.—Wel Anneke wat zie je er goed uit. Hoe oud ben je nu?”[213]Maar die manier om van onderwerp te veranderen lukte niet. Mevrouw Duna had den wenk van haar man wel begrepen, doch het beviel haar niet dat hij door zijn vraag de attentie op Anneke vestigde, wie zij het gebeurde op den sterfdag van haar moeder nog niet vergeven had.„Hoor nu zoo’n man eens,” ging zij hardnekkig voort, Anneke’s antwoord overstemmend. „Of denkt u, meneer Wije, dat een huishouden als het mijne met zeshonderd gulden in de maand te drijven is?”„Neen, mevrouw zeker niet.—Hé,” vervolgde Wije, na even geluisterd te hebben, „begint de zee nu al te spoken? Dat is vroeg!”Als de Westmoeson doorstaat, is er betrekkelijk weinig wind noodig om de naar die zijde open reede van Semarang woelig te maken; en dan hoort men ’s avonds, als de geluiden die de dag meebrengt, verstomd zijn, op Bodjong het slaan van de branding. Maar het[214]jaargetij was nog zoover niet. De opmerking van Wije deed allen naar buiten zien, de oogen in de richting vanwaar men meende dat het geluid kwam.„Het is een rijtuig, dat van de stad komt.”„Neen pa, van boven,” zeide Anneke.Men twistte een oogenblik over deze vraag; en toen het bleek dat Anneke gelijk had, vond Wije gelegenheid iets te zeggen over de slechte ontwikkeling van het gehoor bij Europeanen, in tegenstelling van inlanders en ook van de in Indië geborenen. Men had daar zoo niet op gelet, doch nu Wije het zei … jawel! nu wist men staaltjes bij te brengen, die voor de juistheid van zijn stelling getuigden; men herinnerde zich dat men steeds bij ieder vreemd geluid als onwillekeurig de bedienden naar de herkomst, de beteekenis vroeg, en meestal een voldoend antwoord kreeg. En daarmee was men over het gevaarlijke punt heen, dat niet meer werd aangeroerd. Toen het schot, om[215]acht uur, gevallen was, vertrok de visite.Naar huis rijdende verweet Duna zijn vrouw haar onvoorzichtigheid, en dreigde haar den heelen boel op te zullen ruimen, als zij hun reputatie daarmee in gevaar bracht. Zóóveel was die liefhebberij niet waard; gelukkig dat Wije het klaarblijkelijk niet had begrepen, en.… dat hij de discrete Wije was. Zij antwoordde niet, maar leunde behagelijk achterover, stil voor zich heen lachende over de domheid dier beide mannen; de een die zoo weinigbon entendeurwas, en de ander die zóó weinig blik op zijn eigen huishouden had, dat hij werkelijk geloofde dat zij dit met zijn vaste toelage bestreed—nu ja, iets kwam er misschien uit diekampong, maar veel kon het toch niet zijn.Wije intusschen herdacht het gehoorde, dat hij best begrepen had. Hij bracht het in verband met een vroeger door hem vernomen gezegde van mevrouw Duna, die zich eens[216]had uitgelaten dat een vrouw, die niet minstens het geld voor haar huishouden wist te verdienen, geen knip voor haar neus waard was. En hij had schik dat hij de oplossing van deze raadselachtige woorden gevonden had. Aan den anderen kant maakte het zijn verontwaardiging gaande. Weliswaar bestond ten slotte ook zijn firma van den inlander, die de katoentjes kocht; ja, men kon verder gaan, en zeggen dat het tractement van den Gouverneur-generaal en al die hooge heeren voor het grootste deel bestond uit de centen van Kromo en Wongso, maar.… wat maar? Wije was even vast geraakt, doch vond spoedig een uitweg. Men handelde niet direct met die lui. Dáár zat de knoop. Kromo ging niet naar Buitenzorg om zijn centen te deponeeren en Wongso kwam niet bij de firma om anderhalve el katoen voor zijn baadje. Er waren tusschenpersonen: hoog, lager en laagst. De laagsten kwamen slechts met den inlander in[217]aanraking. Dus: deed men het na, dan verlaagde men zich.Heel tevreden met die redeneering ging hij aan tafel; daarna gaf hij Anneke les. De methode die hij hierbij volgde was zeer bijzonder en zou, als hij bekend was geworden, van vakmannen de haren te berge hebben doen rijzen. Op school had Anneke de beginselen van het Fransch geleerd; daarmee was hij doorgegaan, om na korten tijd er Engelsch en Duitsch bij te nemen, afwisselend voor elke taal een week. Een grammaire werd niet gebruikt en toch was het onderricht streng grammatikaal. Men nam eenvoudig een roman en begon te lezen. Eerst woord voor woord, elk rededeel op zichzelf beschouwende en er de bijzonderheden van opsommende, van een werkwoord de beknopte vervoeging, van een zelfstandig naamwoord meervoud, naamvallen en geslacht, en zoo voort; dan de plaats der woorden in den zin en hun betrekking tot[218]elkaar; eindelijk de vertaling, en na eenigen tijd een resumé van het gelezene in de oorspronkelijke taal. Geen thema’s, geen fouten, geen opvoedkundig en leerzaam strafwerk … hoe kon dat goed gaan? Gelukkig dat Anneke nooit rekenschap heeft behoeven te geven van de wijze, waarop zij geleerd had zich zoo vloeiend uit te drukken in de vreemde talen. Voorloopig was van de buitenwereld Kees Duna de eenige die iets bemerkte van haar vorderingen, en er zich in verheugde.Kees had dit jaar eindexamen gedaan; na de vacantie zou hij naar Batavia vertrekken, om voor Indisch ambtenaar te studeeren. Achttien jaar oud, had hij zijn vollen wasdom bereikt; iets korter dan zijn vader, maar breeder in de schouders. Over zijn geheele gestalte lag een waas van groote rustigheid en zekerheid verspreid, en zijn ernstige grijze oogen teekenden een vasten wil en geduld om dien uit te voeren; over het algemeen zou men hem ouder geschat[219]hebben dan hij was, zoo niet het dons op zijn bovenlip zijn leeftijd verraden had. Bij de drukke bezigheden van zijn vader, die zelfs tehuis werkte, en een moeder die haar tijd liever besteedde aan haar geldmakerij dan aan haar zoon, had Kees zich al vroeg alleen gevoeld en geleerd de personen met wie hij in aanraking kwam, te beproeven en te schatten eer hij zich bij iemand aansloot. In zijn sympathieën was hij zeer conservatief, en steeds kostte het hem moeite zich los te rukken van iemand of iets, waarbij zich die geplaatst hadden. Zijn gevoel voor Anneke, in den beginne niets meer dan groote-jongens-genegenheid voor het mooie kinderkopje, was langzamerhand overgegaan in een sterke gehechtheid, voortgesproten uit de gewoonte van dagelijks zien, en elkaar meedeelen der gedachten. Kindergedachten weliswaar, doch voor kinderharten minstens even belangrijk als voor groote menschen de hunne. De tijd van scheiding, gevolgd na de afspraakjes[220]op het erf der hoogere burgerschool, was voor Kees, ondanks zijn volharding, een tijd van pijnlijke zelfkwelling geweest. Zijn wil had toen strijd gevoerd tegen zijn conservatisme, en de overwinning behouden, tot Anneke door haar daad van moed en liefde in zijn oogen de oude schuld had uitgewischt.Gepraat hadden zij er niet veel over; op een middag na haar terugkomst van Oengaran stond Anneke als vroeger aan den ingang van het erf, en daar kwam ook Kees weer aan. Dat was alles. Eerst later bekende Kees hoe naar hij die langdurige verkoeling gevonden had.„Ik ook, Kees,” antwoordde zij. „En weetje, ik ben zoo veranderlijk … maar op ’t eind houd ik toch altijd het meest van jou.”Dat wist hij en daarmee was hij tevreden. Iets anders echter maakte hem ongerust. Hij had nu de hoogere burgerschool achter den rug, en daardoor een groote mate van wetenschap[221]en kennis in zich opgenomen. Pedant had het hem niet gemaakt, maar hij gevoelde toch dat hij, met alles wat hij wist en een encyclopaedie tot zijn beschikking, op een zoo hoogen trap van ontwikkeling stond, dat er feitelijk niets was dat hij niet kende. Er was nauwelijks één onderwerp, dat hij niet aandurfde; en dikwijls had hij reeds ouderen in jaren al disputeerende vastgezet, met behulp van een honderdtal axiomata en stellingen, die hij tot zijn beschikking had.Anneke daarentegen had weinig schoolonderwijs genoten. Was zij nu voor hem een geschikte gezellin? Vreemd was het, dat de gemakkelijkheid waarmee hij anderen overtuigde,bijhaar geheel in ’t riet liep. Want ook in hun minnekout droeg soms de wetenschap door; en als hij dan zijn vaste stellingen in ’t vuur bracht, bukte zij niet zooals de anderen, maar viel in haar onnoozelheid die onomstootelijke waarheden zelf aan, door[222]te vragen naar de beteekenis van het meest kernachtige woord. Trachtte hij die te ontwikkelen, dan stond het tien tegen een of door haar domme manier van de dingen op het eenvoudigst op te nemen, spatte de geheele stelling uiteen en bleek niet langer bruikbaar.Hij gaf daarvan de schuld aan haar weinige woordenkennis, en daarom vernam hij met blijdschap dat haar vader haar onderwees in de moderne talen. Zoodoende zou zij toch eenigszins in staat zijn hem te volgen!Opmerkelijk was dat hun vrijerij, die toch altijd plaats vond aan den kant van den openbaren weg, tot nu toe onbesproken was gebleven. Misschien was de reden daarvan wel juist deze, dat zij niets trachtten te verbergen voor het alziend oog van het publiek. Maar zelfs de wederzijdscheoudershadden er niet de minste erg in. Toen echter Kees op het punt stond voor langeren tijd naar Batavia te vertrekken, meende hij het tijdstip gekomen[223]om er over te spreken. Hij begon met het Anneke voor te stellen.„Ik zal je erg missen, Kees,” had zij gezegd. „Zal je eens schrijven?”„Schrijven …” zeide hij met een ernstig gezicht. „Ja, zie je, daar komen we juist op iets waarover ik je van avond wou spreken.Ikwil heel graag; dàt is het niet … maar, als men elkaar schrijft … de vraag is of je pa het goedvindt.”„Pa? Waarom niet?”„Wel,” zeide hij, „omdat als wij elkaar brieven schrijven … Je zoudt mij toch antwoorden?”„O zeker, Kees,” beloofde zij, door zijn blijkbaar aarzelen gespannen.„Dan zouden we zoo goed als … geëngageerd zijn.”Het was eruit! Kees keek verlegen om zich heen en Anneke beefde als een blad, terwijl het bloed haar naar het hoofd steeg. Zij dacht[224]niet aan het zotte, dat twee gelieven elkaar wel zouden mogen spreken, dag aan dag, en bij het afscheid, als het donker was geworden, elkaar een zoen geven, maar niet op eenige honderden mijlen afstand mochten correspondeeren, zonder dat eerst op hun verhouding een officieele stempel gedrukt was. Aan de gedachte dat zij eenmaal met Kees zou trouwen was zij reeds lang gewoon—hoe dikwijls hadden zij het elkaar niet gezegd!—maar geëngageerd … Dat was iets anders! En dat zou morgen of overmorgen moeten geschieden, zoo plotseling, zoo onverwacht? Op haar leeftijd? Het was om zich dood te schamen!„Ik zou niet durven, als je er niet bij was,” betuigde zij.„Maar dat bedoel ik niet,” zeide hij, begrijpende wat haar voor de oogen zweefde; „geen publiek engagement; daarvoor zijn we allebei nog te jong. Geheim, weet je; niets dan een afspraak.… Later, als ik klaar ben, en aangesteld,[225]wordt het pas publiek. Twee jaar moet ik te Batavia zijn, en dan duurt het nog wel een jaar dat ik aspirant ben. Over drie jaar ben je zeventien en ik controleur. Het is maar om elkaar in dien tusschentijd te mogen schrijven; en ook, als ik in de vacantie thuis kom, om je te kunnen opzoeken.”„Moetikhet papa vragen, Kees?”„N..neen,” zeide hij na een oogenblik nagedacht te hebben. „Ik zal er thuis over spreken met mijn pa, en dan zal die wel verder zorgen. Zoo hoort het.”Eerst in den naävond van den volgenden dag vond Kees gelegenheid zijn vader de zaak voor te dragen. De heer Duna glimlachte over de zonderlinge convenance-begrippen van zijn zoon, maar nam het feit zelf ernstig op.„Je begint vroeg, Kees,” zeide hij. „Maarsoedah, dat is tot daaraantoe. Je kunt echter van mij niet vergen dat ik accès voor je ga vragen bij een kind van veertien jaar. Neen …[226]ik weet wat je zeggen wilt; om haar nu en dan een brief te mogen schrijven, kan je desnoods zelf vragen, bijvoorbeeld als je een afscheidsvisite maakt. Iets anders. Je moogt niets doen zonder er eerst je moeder in gekend te hebben. Wat mij betreft, ik heb me altijd voorgenomen om in een geval als dit volkomen neutraal te blijven, en mij hoogstens te bepalen tot een waarschuwing, als die noodig mocht zijn.”„Zou u het mama willen zeggen?” vroeg Kees.„Hm, ja. Maar blijf er bij, dan weet je het meteen. Ga vast vooruit; ik moet even wat afmaken.”Kees verliet het „kantoor” en begaf zich naar de achtergalerij, waar hij bij wijze van voorbereiding met geforceerde lievigheid zijn moeder in een goede luim zocht te brengen. Het gelukte vrijwel, doch toen zijn vader kwam en opening van zaken gaf, zag Kees dat hij vergeefsche moeite had gedaan.[227]„Wat? Dat nest, dat mij zóó gebrutaliseerd heeft!” riep mevrouw Duna uit. „Nooit!”Zij moest haar woorden toelichten, en dit deed zij, hoewel met schromelijke overdrijving van de houding die Anneke had aangenomen, die volgens haar met de nagels een attaque had uitgevoerd en zoodoende de behulpzame bezoeksters had doen wijken.„Kassian,” zeide de heer Duna; „het kind zal gek van smart geweest zijn. En wat deed je er ook!”De laatste woorden had hij gemompeld, maar niet zacht genoeg. Er volgde een scène, die eerst den vader en toen den zoon de vlucht deed nemen, ieder naar zijn kamer.Met dat al was Kees niet veel verder, want zijn vader bleef bij wat hij noemde zijn neutrale houding en besliste dat Kees het met zijn moeder moest trachten te vinden. Toen hij na een geheelen dag in vruchtelooze pogingen verspild te hebben, inzag dat zijn moeder[228]onverzettelijk bleef, gaf hij het op haar te vermurwen; doch zijn zin zoude hij doordrijven, met of tegen haar goedvinden. Nadenkende over den te volgen weg, herinnerde hij zich de woorden zijns vaders en besloot den daarin gelegen wenk op te volgen.Na op den gewonen tijd Anneke gesproken en haar op de hoogte der feiten te hebben gebracht, kwam hij iets vroeger dan het gebruikelijke visite-uur, bij Wije.„Ik kom afscheid nemen,” kondigde hij aan, en opende daarmee het gesprek, dat natuurlijk liep over de zaak die tot dit bezoek aanleiding had gegeven.„Waar blijft Anneke toch!” zeide Wije na eenigen tijd; en hij riep een bediende om haar te waarschuwen. „Hier is Duna,” ging hij voort, toen zij eindelijk verscheen, „die overmorgen vertrekt en ons goeden dag komt zeggen.”„O!” deed de kleine huichelaarster, Kees een hand gevende. „Niemand had er mij[229]iets van gezegd. Dus ga je naar Batavia?”„Ja,” zeide Kees.„Hè hoe prettig!” speelde zij haar rol verder. „Ik zou ook wel eens naar Batavia willen. Alle menschen zeggen dat het er zoo mooi is; maar als je ze vraagt om iets te vertellen, weten ze niets.”„Nu,” bood Kees aan, „als je met mijn stijl en voorstellingsmanier genoegen neemt, wil ik je wel het een en ander schrijven—wanneer ik tijd heb.”„Tijd,” pruilde Anneke. „Dan komt er natuurlijk niets van.”„Foei,” viel Wije in. „Is dat nu een manier om een vriendelijk aanbod te beantwoorden?”„Ik weet wat!” zeide Kees. „Telkens als ik een epistel stuur over Batavia, krijg ik er van jou een terug over alle kennissen hier.”„Goed,” beloofde zij. „We zullen zien wie het langer volhoudt.”[230]„Ik wed Duna,” zeide Wije plagende, maar geheel de dupe van de geschiedenis, die hij met al zijn schranderheid niet doorzag. Hij was trouwens ook slechts vader; een moeder zou zich zoo gemakkelijk niet hebben laten bedotten.[231]
IX.IX.TROUWEN … GOED; MAAR GEËNGAGEERD …!
IX.
In het begin van den Oostmoeson had Wije zijn plan om te verhuizen volvoerd. Zijn nieuwe woning was iets minder ruim dan de vorige, maar had het voordeel van beter gebouwd te zijn; iets wat in Indië voornamelijk uitkomt bij deuren en vensters, in de meerdere of mindere mogelijkheid die te kunnen sluiten, en in het al of niet optrekken van vocht in de muren. Het voorerf was klein, zoodat het huis vrij dicht op den weg stond, maar het achtererf zooveel te langer. De achtergaanderij lag nagenoeg op één lijn met de voorgaanderij[211]van het huis daarnaast, waarin toevallig Wije’s oudste chef woonde. Wat men met de plaatsing van het huis, zoover naar voren, bedoeld had, was een geheim dier befaamde Indische bouwkunst, maar wat er mee te doen was, wist mevrouw Duna bij haar eerste bezoek onmiddellijk te zeggen. Zij raadde Wije aan het geheele erf te koopen, er in de lengte een weggetje af te scheiden, breed genoeg voor een dogcart, en heel achteraan een inlandschekampongaan te leggen, waarvan hij huur kon trekken. Een mooier en secuurder geldbelegging was er niet, verklaarde zij.„Ik zou bang zijn dat er niet veel van de huur terecht kwam,” meende Wije. „De huurders zouden toch arme inlanders zijn, en we weten allen hoe weinig men die financieel kan vertrouwen.”„En het Gouvernement dan?” vroeg zij. „Hoe krijgt dàt zijn geld binnen van diezelfde inlanders? Hoe anders dan door hoofden aan[212]te stellen, die belang hebben dat te blijven, en daarom zorgen dat het geld wordt opgebracht?”Wije had op zijn tong om te zeggen dat het Gouvernement geen particulier was, dat het als souverein regeerde en als zoodanig wettelijke handelingen deed, bekend onder termen als landrente en belastingheffen, rechtspraak, en zoo voort; maar dat diezelfde zaken door particulieren uitgeoefend andere namen droegen, waaronder de meest populaire „scharrelen met inlanders in de kampong.” Doch hij was een voorzichtig man.„U spreekt alsof u ondervinding had van die dingen,” peilde hij het terrein, lachend.„Nu ja,” viel de heer Duna in, „mijn vrouw heeft voor haar liefhebberij en met een philanthropisch doel wat huisjes laten zetten, óók op een achtererf, van een huis dat mij toebehoort. Maar dat is geen maatstaf voor sérieuse zaken.—Wel Anneke wat zie je er goed uit. Hoe oud ben je nu?”[213]Maar die manier om van onderwerp te veranderen lukte niet. Mevrouw Duna had den wenk van haar man wel begrepen, doch het beviel haar niet dat hij door zijn vraag de attentie op Anneke vestigde, wie zij het gebeurde op den sterfdag van haar moeder nog niet vergeven had.„Hoor nu zoo’n man eens,” ging zij hardnekkig voort, Anneke’s antwoord overstemmend. „Of denkt u, meneer Wije, dat een huishouden als het mijne met zeshonderd gulden in de maand te drijven is?”„Neen, mevrouw zeker niet.—Hé,” vervolgde Wije, na even geluisterd te hebben, „begint de zee nu al te spoken? Dat is vroeg!”Als de Westmoeson doorstaat, is er betrekkelijk weinig wind noodig om de naar die zijde open reede van Semarang woelig te maken; en dan hoort men ’s avonds, als de geluiden die de dag meebrengt, verstomd zijn, op Bodjong het slaan van de branding. Maar het[214]jaargetij was nog zoover niet. De opmerking van Wije deed allen naar buiten zien, de oogen in de richting vanwaar men meende dat het geluid kwam.„Het is een rijtuig, dat van de stad komt.”„Neen pa, van boven,” zeide Anneke.Men twistte een oogenblik over deze vraag; en toen het bleek dat Anneke gelijk had, vond Wije gelegenheid iets te zeggen over de slechte ontwikkeling van het gehoor bij Europeanen, in tegenstelling van inlanders en ook van de in Indië geborenen. Men had daar zoo niet op gelet, doch nu Wije het zei … jawel! nu wist men staaltjes bij te brengen, die voor de juistheid van zijn stelling getuigden; men herinnerde zich dat men steeds bij ieder vreemd geluid als onwillekeurig de bedienden naar de herkomst, de beteekenis vroeg, en meestal een voldoend antwoord kreeg. En daarmee was men over het gevaarlijke punt heen, dat niet meer werd aangeroerd. Toen het schot, om[215]acht uur, gevallen was, vertrok de visite.Naar huis rijdende verweet Duna zijn vrouw haar onvoorzichtigheid, en dreigde haar den heelen boel op te zullen ruimen, als zij hun reputatie daarmee in gevaar bracht. Zóóveel was die liefhebberij niet waard; gelukkig dat Wije het klaarblijkelijk niet had begrepen, en.… dat hij de discrete Wije was. Zij antwoordde niet, maar leunde behagelijk achterover, stil voor zich heen lachende over de domheid dier beide mannen; de een die zoo weinigbon entendeurwas, en de ander die zóó weinig blik op zijn eigen huishouden had, dat hij werkelijk geloofde dat zij dit met zijn vaste toelage bestreed—nu ja, iets kwam er misschien uit diekampong, maar veel kon het toch niet zijn.Wije intusschen herdacht het gehoorde, dat hij best begrepen had. Hij bracht het in verband met een vroeger door hem vernomen gezegde van mevrouw Duna, die zich eens[216]had uitgelaten dat een vrouw, die niet minstens het geld voor haar huishouden wist te verdienen, geen knip voor haar neus waard was. En hij had schik dat hij de oplossing van deze raadselachtige woorden gevonden had. Aan den anderen kant maakte het zijn verontwaardiging gaande. Weliswaar bestond ten slotte ook zijn firma van den inlander, die de katoentjes kocht; ja, men kon verder gaan, en zeggen dat het tractement van den Gouverneur-generaal en al die hooge heeren voor het grootste deel bestond uit de centen van Kromo en Wongso, maar.… wat maar? Wije was even vast geraakt, doch vond spoedig een uitweg. Men handelde niet direct met die lui. Dáár zat de knoop. Kromo ging niet naar Buitenzorg om zijn centen te deponeeren en Wongso kwam niet bij de firma om anderhalve el katoen voor zijn baadje. Er waren tusschenpersonen: hoog, lager en laagst. De laagsten kwamen slechts met den inlander in[217]aanraking. Dus: deed men het na, dan verlaagde men zich.Heel tevreden met die redeneering ging hij aan tafel; daarna gaf hij Anneke les. De methode die hij hierbij volgde was zeer bijzonder en zou, als hij bekend was geworden, van vakmannen de haren te berge hebben doen rijzen. Op school had Anneke de beginselen van het Fransch geleerd; daarmee was hij doorgegaan, om na korten tijd er Engelsch en Duitsch bij te nemen, afwisselend voor elke taal een week. Een grammaire werd niet gebruikt en toch was het onderricht streng grammatikaal. Men nam eenvoudig een roman en begon te lezen. Eerst woord voor woord, elk rededeel op zichzelf beschouwende en er de bijzonderheden van opsommende, van een werkwoord de beknopte vervoeging, van een zelfstandig naamwoord meervoud, naamvallen en geslacht, en zoo voort; dan de plaats der woorden in den zin en hun betrekking tot[218]elkaar; eindelijk de vertaling, en na eenigen tijd een resumé van het gelezene in de oorspronkelijke taal. Geen thema’s, geen fouten, geen opvoedkundig en leerzaam strafwerk … hoe kon dat goed gaan? Gelukkig dat Anneke nooit rekenschap heeft behoeven te geven van de wijze, waarop zij geleerd had zich zoo vloeiend uit te drukken in de vreemde talen. Voorloopig was van de buitenwereld Kees Duna de eenige die iets bemerkte van haar vorderingen, en er zich in verheugde.Kees had dit jaar eindexamen gedaan; na de vacantie zou hij naar Batavia vertrekken, om voor Indisch ambtenaar te studeeren. Achttien jaar oud, had hij zijn vollen wasdom bereikt; iets korter dan zijn vader, maar breeder in de schouders. Over zijn geheele gestalte lag een waas van groote rustigheid en zekerheid verspreid, en zijn ernstige grijze oogen teekenden een vasten wil en geduld om dien uit te voeren; over het algemeen zou men hem ouder geschat[219]hebben dan hij was, zoo niet het dons op zijn bovenlip zijn leeftijd verraden had. Bij de drukke bezigheden van zijn vader, die zelfs tehuis werkte, en een moeder die haar tijd liever besteedde aan haar geldmakerij dan aan haar zoon, had Kees zich al vroeg alleen gevoeld en geleerd de personen met wie hij in aanraking kwam, te beproeven en te schatten eer hij zich bij iemand aansloot. In zijn sympathieën was hij zeer conservatief, en steeds kostte het hem moeite zich los te rukken van iemand of iets, waarbij zich die geplaatst hadden. Zijn gevoel voor Anneke, in den beginne niets meer dan groote-jongens-genegenheid voor het mooie kinderkopje, was langzamerhand overgegaan in een sterke gehechtheid, voortgesproten uit de gewoonte van dagelijks zien, en elkaar meedeelen der gedachten. Kindergedachten weliswaar, doch voor kinderharten minstens even belangrijk als voor groote menschen de hunne. De tijd van scheiding, gevolgd na de afspraakjes[220]op het erf der hoogere burgerschool, was voor Kees, ondanks zijn volharding, een tijd van pijnlijke zelfkwelling geweest. Zijn wil had toen strijd gevoerd tegen zijn conservatisme, en de overwinning behouden, tot Anneke door haar daad van moed en liefde in zijn oogen de oude schuld had uitgewischt.Gepraat hadden zij er niet veel over; op een middag na haar terugkomst van Oengaran stond Anneke als vroeger aan den ingang van het erf, en daar kwam ook Kees weer aan. Dat was alles. Eerst later bekende Kees hoe naar hij die langdurige verkoeling gevonden had.„Ik ook, Kees,” antwoordde zij. „En weetje, ik ben zoo veranderlijk … maar op ’t eind houd ik toch altijd het meest van jou.”Dat wist hij en daarmee was hij tevreden. Iets anders echter maakte hem ongerust. Hij had nu de hoogere burgerschool achter den rug, en daardoor een groote mate van wetenschap[221]en kennis in zich opgenomen. Pedant had het hem niet gemaakt, maar hij gevoelde toch dat hij, met alles wat hij wist en een encyclopaedie tot zijn beschikking, op een zoo hoogen trap van ontwikkeling stond, dat er feitelijk niets was dat hij niet kende. Er was nauwelijks één onderwerp, dat hij niet aandurfde; en dikwijls had hij reeds ouderen in jaren al disputeerende vastgezet, met behulp van een honderdtal axiomata en stellingen, die hij tot zijn beschikking had.Anneke daarentegen had weinig schoolonderwijs genoten. Was zij nu voor hem een geschikte gezellin? Vreemd was het, dat de gemakkelijkheid waarmee hij anderen overtuigde,bijhaar geheel in ’t riet liep. Want ook in hun minnekout droeg soms de wetenschap door; en als hij dan zijn vaste stellingen in ’t vuur bracht, bukte zij niet zooals de anderen, maar viel in haar onnoozelheid die onomstootelijke waarheden zelf aan, door[222]te vragen naar de beteekenis van het meest kernachtige woord. Trachtte hij die te ontwikkelen, dan stond het tien tegen een of door haar domme manier van de dingen op het eenvoudigst op te nemen, spatte de geheele stelling uiteen en bleek niet langer bruikbaar.Hij gaf daarvan de schuld aan haar weinige woordenkennis, en daarom vernam hij met blijdschap dat haar vader haar onderwees in de moderne talen. Zoodoende zou zij toch eenigszins in staat zijn hem te volgen!Opmerkelijk was dat hun vrijerij, die toch altijd plaats vond aan den kant van den openbaren weg, tot nu toe onbesproken was gebleven. Misschien was de reden daarvan wel juist deze, dat zij niets trachtten te verbergen voor het alziend oog van het publiek. Maar zelfs de wederzijdscheoudershadden er niet de minste erg in. Toen echter Kees op het punt stond voor langeren tijd naar Batavia te vertrekken, meende hij het tijdstip gekomen[223]om er over te spreken. Hij begon met het Anneke voor te stellen.„Ik zal je erg missen, Kees,” had zij gezegd. „Zal je eens schrijven?”„Schrijven …” zeide hij met een ernstig gezicht. „Ja, zie je, daar komen we juist op iets waarover ik je van avond wou spreken.Ikwil heel graag; dàt is het niet … maar, als men elkaar schrijft … de vraag is of je pa het goedvindt.”„Pa? Waarom niet?”„Wel,” zeide hij, „omdat als wij elkaar brieven schrijven … Je zoudt mij toch antwoorden?”„O zeker, Kees,” beloofde zij, door zijn blijkbaar aarzelen gespannen.„Dan zouden we zoo goed als … geëngageerd zijn.”Het was eruit! Kees keek verlegen om zich heen en Anneke beefde als een blad, terwijl het bloed haar naar het hoofd steeg. Zij dacht[224]niet aan het zotte, dat twee gelieven elkaar wel zouden mogen spreken, dag aan dag, en bij het afscheid, als het donker was geworden, elkaar een zoen geven, maar niet op eenige honderden mijlen afstand mochten correspondeeren, zonder dat eerst op hun verhouding een officieele stempel gedrukt was. Aan de gedachte dat zij eenmaal met Kees zou trouwen was zij reeds lang gewoon—hoe dikwijls hadden zij het elkaar niet gezegd!—maar geëngageerd … Dat was iets anders! En dat zou morgen of overmorgen moeten geschieden, zoo plotseling, zoo onverwacht? Op haar leeftijd? Het was om zich dood te schamen!„Ik zou niet durven, als je er niet bij was,” betuigde zij.„Maar dat bedoel ik niet,” zeide hij, begrijpende wat haar voor de oogen zweefde; „geen publiek engagement; daarvoor zijn we allebei nog te jong. Geheim, weet je; niets dan een afspraak.… Later, als ik klaar ben, en aangesteld,[225]wordt het pas publiek. Twee jaar moet ik te Batavia zijn, en dan duurt het nog wel een jaar dat ik aspirant ben. Over drie jaar ben je zeventien en ik controleur. Het is maar om elkaar in dien tusschentijd te mogen schrijven; en ook, als ik in de vacantie thuis kom, om je te kunnen opzoeken.”„Moetikhet papa vragen, Kees?”„N..neen,” zeide hij na een oogenblik nagedacht te hebben. „Ik zal er thuis over spreken met mijn pa, en dan zal die wel verder zorgen. Zoo hoort het.”Eerst in den naävond van den volgenden dag vond Kees gelegenheid zijn vader de zaak voor te dragen. De heer Duna glimlachte over de zonderlinge convenance-begrippen van zijn zoon, maar nam het feit zelf ernstig op.„Je begint vroeg, Kees,” zeide hij. „Maarsoedah, dat is tot daaraantoe. Je kunt echter van mij niet vergen dat ik accès voor je ga vragen bij een kind van veertien jaar. Neen …[226]ik weet wat je zeggen wilt; om haar nu en dan een brief te mogen schrijven, kan je desnoods zelf vragen, bijvoorbeeld als je een afscheidsvisite maakt. Iets anders. Je moogt niets doen zonder er eerst je moeder in gekend te hebben. Wat mij betreft, ik heb me altijd voorgenomen om in een geval als dit volkomen neutraal te blijven, en mij hoogstens te bepalen tot een waarschuwing, als die noodig mocht zijn.”„Zou u het mama willen zeggen?” vroeg Kees.„Hm, ja. Maar blijf er bij, dan weet je het meteen. Ga vast vooruit; ik moet even wat afmaken.”Kees verliet het „kantoor” en begaf zich naar de achtergalerij, waar hij bij wijze van voorbereiding met geforceerde lievigheid zijn moeder in een goede luim zocht te brengen. Het gelukte vrijwel, doch toen zijn vader kwam en opening van zaken gaf, zag Kees dat hij vergeefsche moeite had gedaan.[227]„Wat? Dat nest, dat mij zóó gebrutaliseerd heeft!” riep mevrouw Duna uit. „Nooit!”Zij moest haar woorden toelichten, en dit deed zij, hoewel met schromelijke overdrijving van de houding die Anneke had aangenomen, die volgens haar met de nagels een attaque had uitgevoerd en zoodoende de behulpzame bezoeksters had doen wijken.„Kassian,” zeide de heer Duna; „het kind zal gek van smart geweest zijn. En wat deed je er ook!”De laatste woorden had hij gemompeld, maar niet zacht genoeg. Er volgde een scène, die eerst den vader en toen den zoon de vlucht deed nemen, ieder naar zijn kamer.Met dat al was Kees niet veel verder, want zijn vader bleef bij wat hij noemde zijn neutrale houding en besliste dat Kees het met zijn moeder moest trachten te vinden. Toen hij na een geheelen dag in vruchtelooze pogingen verspild te hebben, inzag dat zijn moeder[228]onverzettelijk bleef, gaf hij het op haar te vermurwen; doch zijn zin zoude hij doordrijven, met of tegen haar goedvinden. Nadenkende over den te volgen weg, herinnerde hij zich de woorden zijns vaders en besloot den daarin gelegen wenk op te volgen.Na op den gewonen tijd Anneke gesproken en haar op de hoogte der feiten te hebben gebracht, kwam hij iets vroeger dan het gebruikelijke visite-uur, bij Wije.„Ik kom afscheid nemen,” kondigde hij aan, en opende daarmee het gesprek, dat natuurlijk liep over de zaak die tot dit bezoek aanleiding had gegeven.„Waar blijft Anneke toch!” zeide Wije na eenigen tijd; en hij riep een bediende om haar te waarschuwen. „Hier is Duna,” ging hij voort, toen zij eindelijk verscheen, „die overmorgen vertrekt en ons goeden dag komt zeggen.”„O!” deed de kleine huichelaarster, Kees een hand gevende. „Niemand had er mij[229]iets van gezegd. Dus ga je naar Batavia?”„Ja,” zeide Kees.„Hè hoe prettig!” speelde zij haar rol verder. „Ik zou ook wel eens naar Batavia willen. Alle menschen zeggen dat het er zoo mooi is; maar als je ze vraagt om iets te vertellen, weten ze niets.”„Nu,” bood Kees aan, „als je met mijn stijl en voorstellingsmanier genoegen neemt, wil ik je wel het een en ander schrijven—wanneer ik tijd heb.”„Tijd,” pruilde Anneke. „Dan komt er natuurlijk niets van.”„Foei,” viel Wije in. „Is dat nu een manier om een vriendelijk aanbod te beantwoorden?”„Ik weet wat!” zeide Kees. „Telkens als ik een epistel stuur over Batavia, krijg ik er van jou een terug over alle kennissen hier.”„Goed,” beloofde zij. „We zullen zien wie het langer volhoudt.”[230]„Ik wed Duna,” zeide Wije plagende, maar geheel de dupe van de geschiedenis, die hij met al zijn schranderheid niet doorzag. Hij was trouwens ook slechts vader; een moeder zou zich zoo gemakkelijk niet hebben laten bedotten.[231]
In het begin van den Oostmoeson had Wije zijn plan om te verhuizen volvoerd. Zijn nieuwe woning was iets minder ruim dan de vorige, maar had het voordeel van beter gebouwd te zijn; iets wat in Indië voornamelijk uitkomt bij deuren en vensters, in de meerdere of mindere mogelijkheid die te kunnen sluiten, en in het al of niet optrekken van vocht in de muren. Het voorerf was klein, zoodat het huis vrij dicht op den weg stond, maar het achtererf zooveel te langer. De achtergaanderij lag nagenoeg op één lijn met de voorgaanderij[211]van het huis daarnaast, waarin toevallig Wije’s oudste chef woonde. Wat men met de plaatsing van het huis, zoover naar voren, bedoeld had, was een geheim dier befaamde Indische bouwkunst, maar wat er mee te doen was, wist mevrouw Duna bij haar eerste bezoek onmiddellijk te zeggen. Zij raadde Wije aan het geheele erf te koopen, er in de lengte een weggetje af te scheiden, breed genoeg voor een dogcart, en heel achteraan een inlandschekampongaan te leggen, waarvan hij huur kon trekken. Een mooier en secuurder geldbelegging was er niet, verklaarde zij.
„Ik zou bang zijn dat er niet veel van de huur terecht kwam,” meende Wije. „De huurders zouden toch arme inlanders zijn, en we weten allen hoe weinig men die financieel kan vertrouwen.”
„En het Gouvernement dan?” vroeg zij. „Hoe krijgt dàt zijn geld binnen van diezelfde inlanders? Hoe anders dan door hoofden aan[212]te stellen, die belang hebben dat te blijven, en daarom zorgen dat het geld wordt opgebracht?”
Wije had op zijn tong om te zeggen dat het Gouvernement geen particulier was, dat het als souverein regeerde en als zoodanig wettelijke handelingen deed, bekend onder termen als landrente en belastingheffen, rechtspraak, en zoo voort; maar dat diezelfde zaken door particulieren uitgeoefend andere namen droegen, waaronder de meest populaire „scharrelen met inlanders in de kampong.” Doch hij was een voorzichtig man.
„U spreekt alsof u ondervinding had van die dingen,” peilde hij het terrein, lachend.
„Nu ja,” viel de heer Duna in, „mijn vrouw heeft voor haar liefhebberij en met een philanthropisch doel wat huisjes laten zetten, óók op een achtererf, van een huis dat mij toebehoort. Maar dat is geen maatstaf voor sérieuse zaken.—Wel Anneke wat zie je er goed uit. Hoe oud ben je nu?”[213]
Maar die manier om van onderwerp te veranderen lukte niet. Mevrouw Duna had den wenk van haar man wel begrepen, doch het beviel haar niet dat hij door zijn vraag de attentie op Anneke vestigde, wie zij het gebeurde op den sterfdag van haar moeder nog niet vergeven had.
„Hoor nu zoo’n man eens,” ging zij hardnekkig voort, Anneke’s antwoord overstemmend. „Of denkt u, meneer Wije, dat een huishouden als het mijne met zeshonderd gulden in de maand te drijven is?”
„Neen, mevrouw zeker niet.—Hé,” vervolgde Wije, na even geluisterd te hebben, „begint de zee nu al te spoken? Dat is vroeg!”
Als de Westmoeson doorstaat, is er betrekkelijk weinig wind noodig om de naar die zijde open reede van Semarang woelig te maken; en dan hoort men ’s avonds, als de geluiden die de dag meebrengt, verstomd zijn, op Bodjong het slaan van de branding. Maar het[214]jaargetij was nog zoover niet. De opmerking van Wije deed allen naar buiten zien, de oogen in de richting vanwaar men meende dat het geluid kwam.
„Het is een rijtuig, dat van de stad komt.”
„Neen pa, van boven,” zeide Anneke.
Men twistte een oogenblik over deze vraag; en toen het bleek dat Anneke gelijk had, vond Wije gelegenheid iets te zeggen over de slechte ontwikkeling van het gehoor bij Europeanen, in tegenstelling van inlanders en ook van de in Indië geborenen. Men had daar zoo niet op gelet, doch nu Wije het zei … jawel! nu wist men staaltjes bij te brengen, die voor de juistheid van zijn stelling getuigden; men herinnerde zich dat men steeds bij ieder vreemd geluid als onwillekeurig de bedienden naar de herkomst, de beteekenis vroeg, en meestal een voldoend antwoord kreeg. En daarmee was men over het gevaarlijke punt heen, dat niet meer werd aangeroerd. Toen het schot, om[215]acht uur, gevallen was, vertrok de visite.
Naar huis rijdende verweet Duna zijn vrouw haar onvoorzichtigheid, en dreigde haar den heelen boel op te zullen ruimen, als zij hun reputatie daarmee in gevaar bracht. Zóóveel was die liefhebberij niet waard; gelukkig dat Wije het klaarblijkelijk niet had begrepen, en.… dat hij de discrete Wije was. Zij antwoordde niet, maar leunde behagelijk achterover, stil voor zich heen lachende over de domheid dier beide mannen; de een die zoo weinigbon entendeurwas, en de ander die zóó weinig blik op zijn eigen huishouden had, dat hij werkelijk geloofde dat zij dit met zijn vaste toelage bestreed—nu ja, iets kwam er misschien uit diekampong, maar veel kon het toch niet zijn.
Wije intusschen herdacht het gehoorde, dat hij best begrepen had. Hij bracht het in verband met een vroeger door hem vernomen gezegde van mevrouw Duna, die zich eens[216]had uitgelaten dat een vrouw, die niet minstens het geld voor haar huishouden wist te verdienen, geen knip voor haar neus waard was. En hij had schik dat hij de oplossing van deze raadselachtige woorden gevonden had. Aan den anderen kant maakte het zijn verontwaardiging gaande. Weliswaar bestond ten slotte ook zijn firma van den inlander, die de katoentjes kocht; ja, men kon verder gaan, en zeggen dat het tractement van den Gouverneur-generaal en al die hooge heeren voor het grootste deel bestond uit de centen van Kromo en Wongso, maar.… wat maar? Wije was even vast geraakt, doch vond spoedig een uitweg. Men handelde niet direct met die lui. Dáár zat de knoop. Kromo ging niet naar Buitenzorg om zijn centen te deponeeren en Wongso kwam niet bij de firma om anderhalve el katoen voor zijn baadje. Er waren tusschenpersonen: hoog, lager en laagst. De laagsten kwamen slechts met den inlander in[217]aanraking. Dus: deed men het na, dan verlaagde men zich.
Heel tevreden met die redeneering ging hij aan tafel; daarna gaf hij Anneke les. De methode die hij hierbij volgde was zeer bijzonder en zou, als hij bekend was geworden, van vakmannen de haren te berge hebben doen rijzen. Op school had Anneke de beginselen van het Fransch geleerd; daarmee was hij doorgegaan, om na korten tijd er Engelsch en Duitsch bij te nemen, afwisselend voor elke taal een week. Een grammaire werd niet gebruikt en toch was het onderricht streng grammatikaal. Men nam eenvoudig een roman en begon te lezen. Eerst woord voor woord, elk rededeel op zichzelf beschouwende en er de bijzonderheden van opsommende, van een werkwoord de beknopte vervoeging, van een zelfstandig naamwoord meervoud, naamvallen en geslacht, en zoo voort; dan de plaats der woorden in den zin en hun betrekking tot[218]elkaar; eindelijk de vertaling, en na eenigen tijd een resumé van het gelezene in de oorspronkelijke taal. Geen thema’s, geen fouten, geen opvoedkundig en leerzaam strafwerk … hoe kon dat goed gaan? Gelukkig dat Anneke nooit rekenschap heeft behoeven te geven van de wijze, waarop zij geleerd had zich zoo vloeiend uit te drukken in de vreemde talen. Voorloopig was van de buitenwereld Kees Duna de eenige die iets bemerkte van haar vorderingen, en er zich in verheugde.
Kees had dit jaar eindexamen gedaan; na de vacantie zou hij naar Batavia vertrekken, om voor Indisch ambtenaar te studeeren. Achttien jaar oud, had hij zijn vollen wasdom bereikt; iets korter dan zijn vader, maar breeder in de schouders. Over zijn geheele gestalte lag een waas van groote rustigheid en zekerheid verspreid, en zijn ernstige grijze oogen teekenden een vasten wil en geduld om dien uit te voeren; over het algemeen zou men hem ouder geschat[219]hebben dan hij was, zoo niet het dons op zijn bovenlip zijn leeftijd verraden had. Bij de drukke bezigheden van zijn vader, die zelfs tehuis werkte, en een moeder die haar tijd liever besteedde aan haar geldmakerij dan aan haar zoon, had Kees zich al vroeg alleen gevoeld en geleerd de personen met wie hij in aanraking kwam, te beproeven en te schatten eer hij zich bij iemand aansloot. In zijn sympathieën was hij zeer conservatief, en steeds kostte het hem moeite zich los te rukken van iemand of iets, waarbij zich die geplaatst hadden. Zijn gevoel voor Anneke, in den beginne niets meer dan groote-jongens-genegenheid voor het mooie kinderkopje, was langzamerhand overgegaan in een sterke gehechtheid, voortgesproten uit de gewoonte van dagelijks zien, en elkaar meedeelen der gedachten. Kindergedachten weliswaar, doch voor kinderharten minstens even belangrijk als voor groote menschen de hunne. De tijd van scheiding, gevolgd na de afspraakjes[220]op het erf der hoogere burgerschool, was voor Kees, ondanks zijn volharding, een tijd van pijnlijke zelfkwelling geweest. Zijn wil had toen strijd gevoerd tegen zijn conservatisme, en de overwinning behouden, tot Anneke door haar daad van moed en liefde in zijn oogen de oude schuld had uitgewischt.
Gepraat hadden zij er niet veel over; op een middag na haar terugkomst van Oengaran stond Anneke als vroeger aan den ingang van het erf, en daar kwam ook Kees weer aan. Dat was alles. Eerst later bekende Kees hoe naar hij die langdurige verkoeling gevonden had.
„Ik ook, Kees,” antwoordde zij. „En weetje, ik ben zoo veranderlijk … maar op ’t eind houd ik toch altijd het meest van jou.”
Dat wist hij en daarmee was hij tevreden. Iets anders echter maakte hem ongerust. Hij had nu de hoogere burgerschool achter den rug, en daardoor een groote mate van wetenschap[221]en kennis in zich opgenomen. Pedant had het hem niet gemaakt, maar hij gevoelde toch dat hij, met alles wat hij wist en een encyclopaedie tot zijn beschikking, op een zoo hoogen trap van ontwikkeling stond, dat er feitelijk niets was dat hij niet kende. Er was nauwelijks één onderwerp, dat hij niet aandurfde; en dikwijls had hij reeds ouderen in jaren al disputeerende vastgezet, met behulp van een honderdtal axiomata en stellingen, die hij tot zijn beschikking had.
Anneke daarentegen had weinig schoolonderwijs genoten. Was zij nu voor hem een geschikte gezellin? Vreemd was het, dat de gemakkelijkheid waarmee hij anderen overtuigde,bijhaar geheel in ’t riet liep. Want ook in hun minnekout droeg soms de wetenschap door; en als hij dan zijn vaste stellingen in ’t vuur bracht, bukte zij niet zooals de anderen, maar viel in haar onnoozelheid die onomstootelijke waarheden zelf aan, door[222]te vragen naar de beteekenis van het meest kernachtige woord. Trachtte hij die te ontwikkelen, dan stond het tien tegen een of door haar domme manier van de dingen op het eenvoudigst op te nemen, spatte de geheele stelling uiteen en bleek niet langer bruikbaar.
Hij gaf daarvan de schuld aan haar weinige woordenkennis, en daarom vernam hij met blijdschap dat haar vader haar onderwees in de moderne talen. Zoodoende zou zij toch eenigszins in staat zijn hem te volgen!
Opmerkelijk was dat hun vrijerij, die toch altijd plaats vond aan den kant van den openbaren weg, tot nu toe onbesproken was gebleven. Misschien was de reden daarvan wel juist deze, dat zij niets trachtten te verbergen voor het alziend oog van het publiek. Maar zelfs de wederzijdscheoudershadden er niet de minste erg in. Toen echter Kees op het punt stond voor langeren tijd naar Batavia te vertrekken, meende hij het tijdstip gekomen[223]om er over te spreken. Hij begon met het Anneke voor te stellen.
„Ik zal je erg missen, Kees,” had zij gezegd. „Zal je eens schrijven?”
„Schrijven …” zeide hij met een ernstig gezicht. „Ja, zie je, daar komen we juist op iets waarover ik je van avond wou spreken.Ikwil heel graag; dàt is het niet … maar, als men elkaar schrijft … de vraag is of je pa het goedvindt.”
„Pa? Waarom niet?”
„Wel,” zeide hij, „omdat als wij elkaar brieven schrijven … Je zoudt mij toch antwoorden?”
„O zeker, Kees,” beloofde zij, door zijn blijkbaar aarzelen gespannen.
„Dan zouden we zoo goed als … geëngageerd zijn.”
Het was eruit! Kees keek verlegen om zich heen en Anneke beefde als een blad, terwijl het bloed haar naar het hoofd steeg. Zij dacht[224]niet aan het zotte, dat twee gelieven elkaar wel zouden mogen spreken, dag aan dag, en bij het afscheid, als het donker was geworden, elkaar een zoen geven, maar niet op eenige honderden mijlen afstand mochten correspondeeren, zonder dat eerst op hun verhouding een officieele stempel gedrukt was. Aan de gedachte dat zij eenmaal met Kees zou trouwen was zij reeds lang gewoon—hoe dikwijls hadden zij het elkaar niet gezegd!—maar geëngageerd … Dat was iets anders! En dat zou morgen of overmorgen moeten geschieden, zoo plotseling, zoo onverwacht? Op haar leeftijd? Het was om zich dood te schamen!
„Ik zou niet durven, als je er niet bij was,” betuigde zij.
„Maar dat bedoel ik niet,” zeide hij, begrijpende wat haar voor de oogen zweefde; „geen publiek engagement; daarvoor zijn we allebei nog te jong. Geheim, weet je; niets dan een afspraak.… Later, als ik klaar ben, en aangesteld,[225]wordt het pas publiek. Twee jaar moet ik te Batavia zijn, en dan duurt het nog wel een jaar dat ik aspirant ben. Over drie jaar ben je zeventien en ik controleur. Het is maar om elkaar in dien tusschentijd te mogen schrijven; en ook, als ik in de vacantie thuis kom, om je te kunnen opzoeken.”
„Moetikhet papa vragen, Kees?”
„N..neen,” zeide hij na een oogenblik nagedacht te hebben. „Ik zal er thuis over spreken met mijn pa, en dan zal die wel verder zorgen. Zoo hoort het.”
Eerst in den naävond van den volgenden dag vond Kees gelegenheid zijn vader de zaak voor te dragen. De heer Duna glimlachte over de zonderlinge convenance-begrippen van zijn zoon, maar nam het feit zelf ernstig op.
„Je begint vroeg, Kees,” zeide hij. „Maarsoedah, dat is tot daaraantoe. Je kunt echter van mij niet vergen dat ik accès voor je ga vragen bij een kind van veertien jaar. Neen …[226]ik weet wat je zeggen wilt; om haar nu en dan een brief te mogen schrijven, kan je desnoods zelf vragen, bijvoorbeeld als je een afscheidsvisite maakt. Iets anders. Je moogt niets doen zonder er eerst je moeder in gekend te hebben. Wat mij betreft, ik heb me altijd voorgenomen om in een geval als dit volkomen neutraal te blijven, en mij hoogstens te bepalen tot een waarschuwing, als die noodig mocht zijn.”
„Zou u het mama willen zeggen?” vroeg Kees.
„Hm, ja. Maar blijf er bij, dan weet je het meteen. Ga vast vooruit; ik moet even wat afmaken.”
Kees verliet het „kantoor” en begaf zich naar de achtergalerij, waar hij bij wijze van voorbereiding met geforceerde lievigheid zijn moeder in een goede luim zocht te brengen. Het gelukte vrijwel, doch toen zijn vader kwam en opening van zaken gaf, zag Kees dat hij vergeefsche moeite had gedaan.[227]
„Wat? Dat nest, dat mij zóó gebrutaliseerd heeft!” riep mevrouw Duna uit. „Nooit!”
Zij moest haar woorden toelichten, en dit deed zij, hoewel met schromelijke overdrijving van de houding die Anneke had aangenomen, die volgens haar met de nagels een attaque had uitgevoerd en zoodoende de behulpzame bezoeksters had doen wijken.
„Kassian,” zeide de heer Duna; „het kind zal gek van smart geweest zijn. En wat deed je er ook!”
De laatste woorden had hij gemompeld, maar niet zacht genoeg. Er volgde een scène, die eerst den vader en toen den zoon de vlucht deed nemen, ieder naar zijn kamer.
Met dat al was Kees niet veel verder, want zijn vader bleef bij wat hij noemde zijn neutrale houding en besliste dat Kees het met zijn moeder moest trachten te vinden. Toen hij na een geheelen dag in vruchtelooze pogingen verspild te hebben, inzag dat zijn moeder[228]onverzettelijk bleef, gaf hij het op haar te vermurwen; doch zijn zin zoude hij doordrijven, met of tegen haar goedvinden. Nadenkende over den te volgen weg, herinnerde hij zich de woorden zijns vaders en besloot den daarin gelegen wenk op te volgen.
Na op den gewonen tijd Anneke gesproken en haar op de hoogte der feiten te hebben gebracht, kwam hij iets vroeger dan het gebruikelijke visite-uur, bij Wije.
„Ik kom afscheid nemen,” kondigde hij aan, en opende daarmee het gesprek, dat natuurlijk liep over de zaak die tot dit bezoek aanleiding had gegeven.
„Waar blijft Anneke toch!” zeide Wije na eenigen tijd; en hij riep een bediende om haar te waarschuwen. „Hier is Duna,” ging hij voort, toen zij eindelijk verscheen, „die overmorgen vertrekt en ons goeden dag komt zeggen.”
„O!” deed de kleine huichelaarster, Kees een hand gevende. „Niemand had er mij[229]iets van gezegd. Dus ga je naar Batavia?”
„Ja,” zeide Kees.
„Hè hoe prettig!” speelde zij haar rol verder. „Ik zou ook wel eens naar Batavia willen. Alle menschen zeggen dat het er zoo mooi is; maar als je ze vraagt om iets te vertellen, weten ze niets.”
„Nu,” bood Kees aan, „als je met mijn stijl en voorstellingsmanier genoegen neemt, wil ik je wel het een en ander schrijven—wanneer ik tijd heb.”
„Tijd,” pruilde Anneke. „Dan komt er natuurlijk niets van.”
„Foei,” viel Wije in. „Is dat nu een manier om een vriendelijk aanbod te beantwoorden?”
„Ik weet wat!” zeide Kees. „Telkens als ik een epistel stuur over Batavia, krijg ik er van jou een terug over alle kennissen hier.”
„Goed,” beloofde zij. „We zullen zien wie het langer volhoudt.”[230]
„Ik wed Duna,” zeide Wije plagende, maar geheel de dupe van de geschiedenis, die hij met al zijn schranderheid niet doorzag. Hij was trouwens ook slechts vader; een moeder zou zich zoo gemakkelijk niet hebben laten bedotten.
[231]