X.

[Inhoud]X.X.EEN CHINEESCHE LES IN STAATHUISHOUDKUNDE.Op den morgen toen de stoomer zich met bronzen wieken van Semarang’s reede wegstuwde en Kees Duna naar de plaats zijner tijdelijke bestemming voerde, stond Piong Pan Ho het werk te surveilleeren, dat uitgevoerd werd in de ruimte, gelegen tusschen zijntokoen degoedang, die vroeger van den Arabier, doch nu van hem was. De voormalige schuren en hokken waren verdwenen, nog slechts een spoor achterlatende in aan de kanten opgestapelde gebruikte steenen en dakpannen, benevens eenig houtwerk; in hun plaats vertoonde[232]het erf breede, haaks op elkaar loopende uitgravingen, gedeeltelijk met zand aangeplempt; achteraan verrees een drie voet hoog stuk metselwerk, in de verte een massieve ophooging gelijkende van een der toekomstige vertrekken van het in wording zijnde gebouw, doch hetwelk bij nadere beschouwing een overwelfde, in den bodem gegraven ruimte bleek te zijn, met getraliede luchtgaten even boven den beganen grond. De toegang tot dezen kelder bevond zich aan den binnenkant van het gebouw en werd afgesloten door een ingemetseld voorstuk met deur, van een tot dit doel ontleede brandkast.Een zestal metselaars met bijbehoorendekoelies, voor het mengen van specie en aandragen van de tot het werk benoodigde steenen, begonnen in de uitgravingen de fundamenten te leggen, terwijl Piong Pan Ho zich met den baas onderhield. Noodzakelijk was het niet, daar deze reeds lang wist wat er[233]gedaan moest worden, doch deSingkehhield er van de zaken dikwijls te herhalen, en de baas nam daarmee te eer genoegen, daar hij in dien tijd niets behoefde uit te voeren en zijn in daghuur uitbetaald loon toch doorging. Werkte hij daarentegen, dan was het een zwaar baantje, ook voor zijn ondergeschikten trouwens; want een Chinees speelt er niet mee en vergt voor hetzelfde loon ongeveer tweemaal zooveel werk als een Europeaan.Het gesprek tusschen Piong Pan Ho en den baas werd gestoord door de plotselinge komst van Kan Liong Tjoe. Wel moest het iets belangrijks zijn, dat dentoko-houder op dit uur van den dag tot zijn rasgenoot dreef, dien hij buitendien zelden opzocht, en meer nog, hem door deed dringen naar achter in plaats van den ander in detokoop te wachten. Maar wat het ook zijn mocht, eerst maakte hij een doodgewoon praatje, waartoe het werk, dat voor zijn oogen geschiedde,[234]ruimschoots gelegenheid aanbood. Het ligt niet in den aard der oosterlingen zoo ineens met de deur in huis te vallen.„Wat maak je hier?” vroeg hij.„Een woonhuis,” was het antwoord, waarop zij rondliepen en Piong Pan Ho van de inrichting uitleg gaf.„Je moet verbazend veeloentoenggehad hebben!” riep Kan Liong Tjoe uit. „Het wordt grooter dan het huis van den Majoor-Chinees. Als het klaar is, breek je detokozeker af?”„Welneen,” antwoordde Piong Pan Ho. „Die blijft er vóór staan, zoodat niemand het zien kan.”„Waarom, als je toch zóó rijk bent?”„Zóó rijk ben ik niet.”„Toch rijker dan ik,” zuchtte Kan Liong Tjoe.Piong Pan Ho zag snel op.„Soesah?”„Ja.”„Kwam je om er mij over te spreken?”[235]En op bevestigend antwoord ging hij den ander voor, naar het bekende vertrek achter detoko.Kan Liong Tjoe ontwikkelde zijn moeielijkheden, die op het volgende neerkwamen. De vorige droge moeson had schaarschte meegebracht in den rijstoogst, zoodat de prijzen van dat artikel gaandeweg gestegen waren. Hij had geen kapitaal kunnen vinden om een voorraad in te slaan, zooals Piong Pan Ho, om later bij hooge prijzen zijn schade te dekken, en geld te slaan tegen den tijd dat de inlanders daaraan groote behoefte hadden, toen eensdeels de mindere opbrengst van hun grond het afbetalen hunner schuld bemoeielijkte, anderdeels de prijs van het voedingsmiddel zoo duur werd. Had de ander door kracht van contant geld dus geen schade geleden, hij wel. In den beginne had hij detokoden last laten dragen, doch daardoor was zijn toestand niet verbeterd; integendeel, want de voorschotten[236]in dedessahad hij desnoods kunnen weigeren, de betaling van de meermalen geprolongeerde accepten kon hij dat niet doen. En morgen verviel er een van ruim twaalf duizend gulden, in drieëngesplitst, ten bate van Wije’s firma.„Hoe komt dat zoo groot? En is het niet uit te stellen?” vroeg Piong Pan Ho.Kan Liong Tjoe, meenende dat hij niet beter kon doen dan den ander zooveel mogelijk een blik in zijn toestand te vergunnen, om daarna met zijn verzoek voor den dag te komen, dat eigenlijk een voorstel tot zaken doen was, omdat hulp vragen zonder belooning onbegonnen werk zou zijn, beging nu een groote onvoorzichtigheid in zijn antwoord.„Deze accepten,” zeide hij, „betreffen geen werkelijke handelsschuld. Ik zat eenige maanden geleden vast, en toen, bij het inlossen van anderen, vroeg ik om wat accommodatiepapier te mogen afgeven, ten einde aan een oogenblikkelijke[237]verlegenheid te gemoet te kunnen komen. De heeren vonden het goed en zoo werden deze drie accepten opgemaakt.”„In plaats van goederen kreeg je dus geld?” vroeg Piong Pan Ho, die dit soort van transactiën nog niet kende.„Ja. Vroeger heb ik het ook wel voor hen gedaan; onder elkaar doen de Europeanen het zelden, van wege hun crediet, maar dikwijls geschiedt het tusschen hen en een van ons. Jij geeft bijvoorbeeld een accept af; zij disconteeren het en gebruiken het geld; tegen den vervaldag lossen zij het in.”„Hoeveel?” vroeg Piong Pan Ho.„Vijf percent of meer.”„’t Is gemakkelijk en niet erg duur. Mag het?”„Wie ruikt het eraan?”„Dat is waar,” bevestigde Piong Pan Ho, het in zijn geheugen noteerende.„Ik had het geld noodig,” hernam Kan Liong[238]Tjoe, om op zijn eigen belangen terug te komen. „Zooals je weet, ben ik deelhebber in de opiumpacht. Daar is veel contant geld toe noodig, want als wij de pacht aan het Gouvernement moeten betalen of opium koopen, is het uitstaande meestal nog niet binnen. Zooveel als er dan op slag noodig is, passen wij bij, ieder naar zijn krachten, en daarvoor wordt rente berekend, twee percent in de maand. Wie nu voor zijn aandeel in gebreke blijft, lijdt schade, daar de anderen het onder elkaar verdeelen.”„Dat begrijp ik,” zeide deSingkeh; „die rente wordt van de winst der eindrekening afgetrokken.”„Juist. Maar het gebeurt soms dat, als er een niet storten kan, ook de anderen geen geld hebben. Dan wordt het voor zijn rekening bij derden opgenomen, en dat is heel duur! We moeten dit trouwens toch wel doen, want wij zijn niet altijd voldoende bij kas; maar dan dragen we het samen.”[239]„Waar leen je dan?” vroeg Piong Pan Ho, wiens oogen dieper schitterden.„Hier en daar. Er zijn een paar Europeesche landheeren, die ons voor twee percent ’s maands leenen; maar dikwijls is het niet genoeg wat zij kunnen geven. Dan zoeken wij het op andere manieren … zooals ik nu bijvoorbeeld, met die accepten. Het allerlaatst in het Chineesche kamp; dat spreekt.”„Zit er zóóveel in die opium?”Kan Liong Tjoe juichte in zijn hart, als de hengelaar, die een plotselingen ruk aan zijn tuig voelt. En voorzichtig als deze, trachtte hij zijn aas aanlokkender te maken, door het met zachte beweginkjes op en neer te doen dansen voor de oogen van den smulgragen visch.„Nog meer. Worden de Chineesche officieren niet altijd gekozen uit hen, die door de opium rijk zijn geworden?”Piong Pan Ho lachte, een gullen hartelijken lach, als verwelkomde hij de benoeming, die[240]zoozeer door al zijn landgenooten wordt begeerd. Ja, dàt was iets! Als men maar eenvoudig luitenant werd, kon men onberispt in een mooi rijtuig rijden, lid worden van de sociëteit der Europeanen en zooveel meer. Men moest het zelfs doen, om door het voeren van eenigen staat, zich de hooge onderscheiding waardig te toonen!„Vooral nu is de opium zoo mooi geworden,” ging Kan Liong Tjoe voort, den indruk van zijn woorden opmerkende. „Het Gouvernement heeft een vasten tak van dienst ingesteld om den invoer van gesmokkelde opium, door ieder ander, behalve door de pachters, tegen te gaan.”Daar was iets duisters in, vond zijn aandachtige toehoorder. Hoe, het gouvernement verkocht immers de opium aan de pachters? Dat het den smokkelhandel tegenging was te begrijpen; maar waarom dan een uitzondering gemaakt juist voor de grootste afnemers?„Wel, nu kunnen de pachters immers hoogere[241]sommen betalen voor de pacht!” verklaarde Kan Liong Tjoe.„Toch zou het Gouvernement meer verdienen met alleenverkoop,” hield Piong Pan Ho aan.„Dat is waar, doch ik zal je vertellen hoe dat zit; die zaakwaarnemer, die sedert een paar jaar hier rondloopt en vroeger bij het Gouvernement was, heeft het mij uitgelegd. DeRadja Blandaheeft verboden dat er veel opium wordt ingevoerd en door het Gouvernement verstrekt; want als de andereRadja’sdat hooren en zij komen ’s avonds bij elkaar, dan plagen zij hem en zeggen dat er zooveel schuivers zijn op zijn gebied. Daarom is het, zie je. Maar het Gouvernement hier wil toch gaarne veel geld verdienen, en dus hebben zij dat zóó ingericht.”„Oeah! Orang blanda pinter betoel!”1riep deSingkeh, uit de volheid zijns harten.[242]„Zoodat,” vervolgde de ander, die zijn doel in het oog hield, „sedert die maatregel is gaan werken, er voor ons meer te verdienen valt. Maar doordat de clandestiene verkoop zulk een knak heeft gekregen, hebben zich onze zaken uitgebreid. Daarvoor is meer kapitaal noodig, en zoo komt het dat mijn twaalfduizend gulden, die ik zeker meende vóór morgen los te krijgen, vast zijn blijven zitten. Nu wou ik je vragen mijn aandeel in de pacht over te nemen.”Zij praatten nog lang. Piong Pan Ho met groote bedaardheid den ander hoe langer hoe meer uithoorende, tot hij ten slotte begreep, dat zijn gewezen baas naar alle kanten te veel hooi op zijn vork genomen had en noch tegenover dedessa, noch de pacht, noch de Europeesche firma’s in staat was ten volle aan zijn verplichtingen te voldoen. Hij liet intusschen ten volle recht wedervaren aan de stoutmoedigheid waarmee Kan Liong Tjoe zijn zaken dreef, die geheel op crediet gegrondvest, telkens[243]met de winst vergroot, door combinaties waar een gewoon verstand van duizelde, in het leven gehouden, reusachtige afmetingen bezaten. Voorzeker, daar was van denBabahveel te leeren, vooral uit de fouten die hij begaan had en die weldra dat trotsche geheel ineen zouden doen storten, met een geweldigen slag. Piong Pan Ho zag het wankelen en sufte een oogenblik van de grootheid van den val, die door een kleinigheid veroorzaakt zou worden; een geluid als van een donderend kraken suisde in zijn ooren.Maar weldra herstelde hij zich en terwijl Kan Liong Tjoe voortsprak, zijn waar steeds meer aanprijzende, overdacht hij met koele nuchterheid wat voordeeliger zou zijn: bijspringen in den nood, of profiteeren van dedébacle. Het laatste trok hem het meest aan; want hij zou dan eerst gelegenheid hebben om te zien hoe de andere deelhebbers der pacht zich hielden, bij het uitvallen van één hunner. Gesteld dat[244]zij eens allen in een soortgelijken toestand verkeerden! Dan moest de pacht zelf in gebreke blijven, òf alles zou op hem neerkomen; en daartoe was hij bij lange na niet machtig genoeg.Hij stond op het punt in dezen geest een antwoord te geven, toen de stem zijner vrouw hem naar detokoriep.„Wacht even,” zeide hij en ging heen.Het was Wije, op de hielen gevolgd door van Beek, die heden voor ’t eerst mee had mogen gaan naar het Chineesche kamp. De verkoop aan denSingkehhad nooit heel veel bedragen, vooral niet in den laatsten tijd, doch Wije hield er van bij zijn ouden kennis binnen te loopen, al was het alleen om de groote hartelijkheid waarmee deze hem steeds ontving. En, een klein ordertje schoot er toch dikwijls op over. Zoo ook nu. Het werd afgesloten en Wije wilde zich groetend verwijderen.Plotseling scheen Piong Pan Ho een denkbeeld[245]door het hoofd te gaan. Met een min of meer haastige beweging stak hij zijn arm door dien van Wije en trok dezen ter zijde.„Meneer,” begon hij. Maar daar stak van Beek, die zeker meende dat hij er ook bij noodig was, zijn spitsen neus vooruit, tusschen hen beiden in. „A … tjie!” deed Piong Pan Ho, en niesde hem vlak in het gezicht. Beleefd was het niet; misschien dacht deSingkehvan wel; wat hij er echter mee bedoelde gelukte: van Beek week achteruit en poetste zijn brilleglazen af. „Woont meneer nog in hetzelfde huis als vroeger?” fluisterde Piong Pan Ho. „Ik meen te hebben gehoord dat u verhuisd is.”„Ja,” bevestigde Wije, en duidde hem uit waarheen. „Wou je mij spreken, thuis?”„Als het mag, van avond na sluiting.… neen, om zeven uur ongeveer.”„Goed. Kom gerust,” zeide Wije, ziende dat van Beek, onverbeterlijk als hij was, weer naderde. „Dag!”[246]Piong Pan Ho ging terug naar zijn landgenoot.„Hoe laat moet je betalen, morgen?”„Vóór den middag.”„Best. In de vroegte kom ik bij je. Ik weet nog niet of ik het doen kan.”„Als je het niet doet, moet ik mij failliet geven,” verklaarde Kan Liong Tjoe. „En dan valt er vooraf nog veel te beredderen.”„Ik kom vroeg,” beloofde Piong Pan Ho, en daarmee was dit onderhoud afgeloopen.Toen Wije ’s middags thuis kwam, waarschuwde hij Anneke dat er iemand kwam om over zaken te spreken, dus dat zij niet vóór behoefte te komen. Maar even later, toen zij uit de badkamer kwam en de achtergalerij doorliep, waar hij nog een oogenblik zat af te koelen alvorens haar voorbeeld te volgen, hield hij haar staande.„Herinner je je dienSingkeh,” vroeg hij, „die eens alsklontongbij ons geweest is, en je toen een armbandje present gaf?”[247]„Ik geloof niet dat ik hem zou herkennen,” zeide Anneke. „Het is al zoo lang geleden! Maar ik weet nog wel dat ik het kreeg; ook heb ik het snoertje nog. Toen het te nauw werd heeft mama het opgeborgen en bij het uitzoeken heb ik het weerom gevonden.”Beiden zwegen een oogenblik; de laatste woorden van het meisje hadden een nog gevoelige snaar aangeraakt.„Nu,” vervolgde hij ten slotte, „die man komt straks hier.”„Dieklontong?” vroeg zij verbaasd.„Dat is hij al lang niet meer. Sedert jaren is hijtoko-houder en een goed aangeschreven klant van onze firma. Ja ja, die Chineezen hebben slag van handelen, als het er ten minste inzit. En die Piong Pan Ho … enfin, hij komt vanavond hier.Interesseert het je hem te zien? Hij is bovendien nog een soort natuurwonder.”„Hoe dat zoo, pa?”[248]„Wel, dezelfde dankbaarheid, die hem dreef om jou dat ding te geven, schijnt hij nog steeds te koesteren. En dat enkel omdat ik hem even den weg gewezen heb.”„Dat is zeker iets bijzonders,” lachte Anneke. „Zal ik dadelijk even vóór komen, of wachten tot acht uur?”„Zoodra hij komt. Want hij maakt natuurlijk geen visite, om op te staan als het schot valt. Als de zaken afgehandeld zijn, maken die lui het meestal niet lang meer. En.… laat wat brandy vóór brengen; iets anders gebruiken zij gewoonlijk niet.”[249]1Wat zijn die Hollanders toch slim!↑

[Inhoud]X.X.EEN CHINEESCHE LES IN STAATHUISHOUDKUNDE.Op den morgen toen de stoomer zich met bronzen wieken van Semarang’s reede wegstuwde en Kees Duna naar de plaats zijner tijdelijke bestemming voerde, stond Piong Pan Ho het werk te surveilleeren, dat uitgevoerd werd in de ruimte, gelegen tusschen zijntokoen degoedang, die vroeger van den Arabier, doch nu van hem was. De voormalige schuren en hokken waren verdwenen, nog slechts een spoor achterlatende in aan de kanten opgestapelde gebruikte steenen en dakpannen, benevens eenig houtwerk; in hun plaats vertoonde[232]het erf breede, haaks op elkaar loopende uitgravingen, gedeeltelijk met zand aangeplempt; achteraan verrees een drie voet hoog stuk metselwerk, in de verte een massieve ophooging gelijkende van een der toekomstige vertrekken van het in wording zijnde gebouw, doch hetwelk bij nadere beschouwing een overwelfde, in den bodem gegraven ruimte bleek te zijn, met getraliede luchtgaten even boven den beganen grond. De toegang tot dezen kelder bevond zich aan den binnenkant van het gebouw en werd afgesloten door een ingemetseld voorstuk met deur, van een tot dit doel ontleede brandkast.Een zestal metselaars met bijbehoorendekoelies, voor het mengen van specie en aandragen van de tot het werk benoodigde steenen, begonnen in de uitgravingen de fundamenten te leggen, terwijl Piong Pan Ho zich met den baas onderhield. Noodzakelijk was het niet, daar deze reeds lang wist wat er[233]gedaan moest worden, doch deSingkehhield er van de zaken dikwijls te herhalen, en de baas nam daarmee te eer genoegen, daar hij in dien tijd niets behoefde uit te voeren en zijn in daghuur uitbetaald loon toch doorging. Werkte hij daarentegen, dan was het een zwaar baantje, ook voor zijn ondergeschikten trouwens; want een Chinees speelt er niet mee en vergt voor hetzelfde loon ongeveer tweemaal zooveel werk als een Europeaan.Het gesprek tusschen Piong Pan Ho en den baas werd gestoord door de plotselinge komst van Kan Liong Tjoe. Wel moest het iets belangrijks zijn, dat dentoko-houder op dit uur van den dag tot zijn rasgenoot dreef, dien hij buitendien zelden opzocht, en meer nog, hem door deed dringen naar achter in plaats van den ander in detokoop te wachten. Maar wat het ook zijn mocht, eerst maakte hij een doodgewoon praatje, waartoe het werk, dat voor zijn oogen geschiedde,[234]ruimschoots gelegenheid aanbood. Het ligt niet in den aard der oosterlingen zoo ineens met de deur in huis te vallen.„Wat maak je hier?” vroeg hij.„Een woonhuis,” was het antwoord, waarop zij rondliepen en Piong Pan Ho van de inrichting uitleg gaf.„Je moet verbazend veeloentoenggehad hebben!” riep Kan Liong Tjoe uit. „Het wordt grooter dan het huis van den Majoor-Chinees. Als het klaar is, breek je detokozeker af?”„Welneen,” antwoordde Piong Pan Ho. „Die blijft er vóór staan, zoodat niemand het zien kan.”„Waarom, als je toch zóó rijk bent?”„Zóó rijk ben ik niet.”„Toch rijker dan ik,” zuchtte Kan Liong Tjoe.Piong Pan Ho zag snel op.„Soesah?”„Ja.”„Kwam je om er mij over te spreken?”[235]En op bevestigend antwoord ging hij den ander voor, naar het bekende vertrek achter detoko.Kan Liong Tjoe ontwikkelde zijn moeielijkheden, die op het volgende neerkwamen. De vorige droge moeson had schaarschte meegebracht in den rijstoogst, zoodat de prijzen van dat artikel gaandeweg gestegen waren. Hij had geen kapitaal kunnen vinden om een voorraad in te slaan, zooals Piong Pan Ho, om later bij hooge prijzen zijn schade te dekken, en geld te slaan tegen den tijd dat de inlanders daaraan groote behoefte hadden, toen eensdeels de mindere opbrengst van hun grond het afbetalen hunner schuld bemoeielijkte, anderdeels de prijs van het voedingsmiddel zoo duur werd. Had de ander door kracht van contant geld dus geen schade geleden, hij wel. In den beginne had hij detokoden last laten dragen, doch daardoor was zijn toestand niet verbeterd; integendeel, want de voorschotten[236]in dedessahad hij desnoods kunnen weigeren, de betaling van de meermalen geprolongeerde accepten kon hij dat niet doen. En morgen verviel er een van ruim twaalf duizend gulden, in drieëngesplitst, ten bate van Wije’s firma.„Hoe komt dat zoo groot? En is het niet uit te stellen?” vroeg Piong Pan Ho.Kan Liong Tjoe, meenende dat hij niet beter kon doen dan den ander zooveel mogelijk een blik in zijn toestand te vergunnen, om daarna met zijn verzoek voor den dag te komen, dat eigenlijk een voorstel tot zaken doen was, omdat hulp vragen zonder belooning onbegonnen werk zou zijn, beging nu een groote onvoorzichtigheid in zijn antwoord.„Deze accepten,” zeide hij, „betreffen geen werkelijke handelsschuld. Ik zat eenige maanden geleden vast, en toen, bij het inlossen van anderen, vroeg ik om wat accommodatiepapier te mogen afgeven, ten einde aan een oogenblikkelijke[237]verlegenheid te gemoet te kunnen komen. De heeren vonden het goed en zoo werden deze drie accepten opgemaakt.”„In plaats van goederen kreeg je dus geld?” vroeg Piong Pan Ho, die dit soort van transactiën nog niet kende.„Ja. Vroeger heb ik het ook wel voor hen gedaan; onder elkaar doen de Europeanen het zelden, van wege hun crediet, maar dikwijls geschiedt het tusschen hen en een van ons. Jij geeft bijvoorbeeld een accept af; zij disconteeren het en gebruiken het geld; tegen den vervaldag lossen zij het in.”„Hoeveel?” vroeg Piong Pan Ho.„Vijf percent of meer.”„’t Is gemakkelijk en niet erg duur. Mag het?”„Wie ruikt het eraan?”„Dat is waar,” bevestigde Piong Pan Ho, het in zijn geheugen noteerende.„Ik had het geld noodig,” hernam Kan Liong[238]Tjoe, om op zijn eigen belangen terug te komen. „Zooals je weet, ben ik deelhebber in de opiumpacht. Daar is veel contant geld toe noodig, want als wij de pacht aan het Gouvernement moeten betalen of opium koopen, is het uitstaande meestal nog niet binnen. Zooveel als er dan op slag noodig is, passen wij bij, ieder naar zijn krachten, en daarvoor wordt rente berekend, twee percent in de maand. Wie nu voor zijn aandeel in gebreke blijft, lijdt schade, daar de anderen het onder elkaar verdeelen.”„Dat begrijp ik,” zeide deSingkeh; „die rente wordt van de winst der eindrekening afgetrokken.”„Juist. Maar het gebeurt soms dat, als er een niet storten kan, ook de anderen geen geld hebben. Dan wordt het voor zijn rekening bij derden opgenomen, en dat is heel duur! We moeten dit trouwens toch wel doen, want wij zijn niet altijd voldoende bij kas; maar dan dragen we het samen.”[239]„Waar leen je dan?” vroeg Piong Pan Ho, wiens oogen dieper schitterden.„Hier en daar. Er zijn een paar Europeesche landheeren, die ons voor twee percent ’s maands leenen; maar dikwijls is het niet genoeg wat zij kunnen geven. Dan zoeken wij het op andere manieren … zooals ik nu bijvoorbeeld, met die accepten. Het allerlaatst in het Chineesche kamp; dat spreekt.”„Zit er zóóveel in die opium?”Kan Liong Tjoe juichte in zijn hart, als de hengelaar, die een plotselingen ruk aan zijn tuig voelt. En voorzichtig als deze, trachtte hij zijn aas aanlokkender te maken, door het met zachte beweginkjes op en neer te doen dansen voor de oogen van den smulgragen visch.„Nog meer. Worden de Chineesche officieren niet altijd gekozen uit hen, die door de opium rijk zijn geworden?”Piong Pan Ho lachte, een gullen hartelijken lach, als verwelkomde hij de benoeming, die[240]zoozeer door al zijn landgenooten wordt begeerd. Ja, dàt was iets! Als men maar eenvoudig luitenant werd, kon men onberispt in een mooi rijtuig rijden, lid worden van de sociëteit der Europeanen en zooveel meer. Men moest het zelfs doen, om door het voeren van eenigen staat, zich de hooge onderscheiding waardig te toonen!„Vooral nu is de opium zoo mooi geworden,” ging Kan Liong Tjoe voort, den indruk van zijn woorden opmerkende. „Het Gouvernement heeft een vasten tak van dienst ingesteld om den invoer van gesmokkelde opium, door ieder ander, behalve door de pachters, tegen te gaan.”Daar was iets duisters in, vond zijn aandachtige toehoorder. Hoe, het gouvernement verkocht immers de opium aan de pachters? Dat het den smokkelhandel tegenging was te begrijpen; maar waarom dan een uitzondering gemaakt juist voor de grootste afnemers?„Wel, nu kunnen de pachters immers hoogere[241]sommen betalen voor de pacht!” verklaarde Kan Liong Tjoe.„Toch zou het Gouvernement meer verdienen met alleenverkoop,” hield Piong Pan Ho aan.„Dat is waar, doch ik zal je vertellen hoe dat zit; die zaakwaarnemer, die sedert een paar jaar hier rondloopt en vroeger bij het Gouvernement was, heeft het mij uitgelegd. DeRadja Blandaheeft verboden dat er veel opium wordt ingevoerd en door het Gouvernement verstrekt; want als de andereRadja’sdat hooren en zij komen ’s avonds bij elkaar, dan plagen zij hem en zeggen dat er zooveel schuivers zijn op zijn gebied. Daarom is het, zie je. Maar het Gouvernement hier wil toch gaarne veel geld verdienen, en dus hebben zij dat zóó ingericht.”„Oeah! Orang blanda pinter betoel!”1riep deSingkeh, uit de volheid zijns harten.[242]„Zoodat,” vervolgde de ander, die zijn doel in het oog hield, „sedert die maatregel is gaan werken, er voor ons meer te verdienen valt. Maar doordat de clandestiene verkoop zulk een knak heeft gekregen, hebben zich onze zaken uitgebreid. Daarvoor is meer kapitaal noodig, en zoo komt het dat mijn twaalfduizend gulden, die ik zeker meende vóór morgen los te krijgen, vast zijn blijven zitten. Nu wou ik je vragen mijn aandeel in de pacht over te nemen.”Zij praatten nog lang. Piong Pan Ho met groote bedaardheid den ander hoe langer hoe meer uithoorende, tot hij ten slotte begreep, dat zijn gewezen baas naar alle kanten te veel hooi op zijn vork genomen had en noch tegenover dedessa, noch de pacht, noch de Europeesche firma’s in staat was ten volle aan zijn verplichtingen te voldoen. Hij liet intusschen ten volle recht wedervaren aan de stoutmoedigheid waarmee Kan Liong Tjoe zijn zaken dreef, die geheel op crediet gegrondvest, telkens[243]met de winst vergroot, door combinaties waar een gewoon verstand van duizelde, in het leven gehouden, reusachtige afmetingen bezaten. Voorzeker, daar was van denBabahveel te leeren, vooral uit de fouten die hij begaan had en die weldra dat trotsche geheel ineen zouden doen storten, met een geweldigen slag. Piong Pan Ho zag het wankelen en sufte een oogenblik van de grootheid van den val, die door een kleinigheid veroorzaakt zou worden; een geluid als van een donderend kraken suisde in zijn ooren.Maar weldra herstelde hij zich en terwijl Kan Liong Tjoe voortsprak, zijn waar steeds meer aanprijzende, overdacht hij met koele nuchterheid wat voordeeliger zou zijn: bijspringen in den nood, of profiteeren van dedébacle. Het laatste trok hem het meest aan; want hij zou dan eerst gelegenheid hebben om te zien hoe de andere deelhebbers der pacht zich hielden, bij het uitvallen van één hunner. Gesteld dat[244]zij eens allen in een soortgelijken toestand verkeerden! Dan moest de pacht zelf in gebreke blijven, òf alles zou op hem neerkomen; en daartoe was hij bij lange na niet machtig genoeg.Hij stond op het punt in dezen geest een antwoord te geven, toen de stem zijner vrouw hem naar detokoriep.„Wacht even,” zeide hij en ging heen.Het was Wije, op de hielen gevolgd door van Beek, die heden voor ’t eerst mee had mogen gaan naar het Chineesche kamp. De verkoop aan denSingkehhad nooit heel veel bedragen, vooral niet in den laatsten tijd, doch Wije hield er van bij zijn ouden kennis binnen te loopen, al was het alleen om de groote hartelijkheid waarmee deze hem steeds ontving. En, een klein ordertje schoot er toch dikwijls op over. Zoo ook nu. Het werd afgesloten en Wije wilde zich groetend verwijderen.Plotseling scheen Piong Pan Ho een denkbeeld[245]door het hoofd te gaan. Met een min of meer haastige beweging stak hij zijn arm door dien van Wije en trok dezen ter zijde.„Meneer,” begon hij. Maar daar stak van Beek, die zeker meende dat hij er ook bij noodig was, zijn spitsen neus vooruit, tusschen hen beiden in. „A … tjie!” deed Piong Pan Ho, en niesde hem vlak in het gezicht. Beleefd was het niet; misschien dacht deSingkehvan wel; wat hij er echter mee bedoelde gelukte: van Beek week achteruit en poetste zijn brilleglazen af. „Woont meneer nog in hetzelfde huis als vroeger?” fluisterde Piong Pan Ho. „Ik meen te hebben gehoord dat u verhuisd is.”„Ja,” bevestigde Wije, en duidde hem uit waarheen. „Wou je mij spreken, thuis?”„Als het mag, van avond na sluiting.… neen, om zeven uur ongeveer.”„Goed. Kom gerust,” zeide Wije, ziende dat van Beek, onverbeterlijk als hij was, weer naderde. „Dag!”[246]Piong Pan Ho ging terug naar zijn landgenoot.„Hoe laat moet je betalen, morgen?”„Vóór den middag.”„Best. In de vroegte kom ik bij je. Ik weet nog niet of ik het doen kan.”„Als je het niet doet, moet ik mij failliet geven,” verklaarde Kan Liong Tjoe. „En dan valt er vooraf nog veel te beredderen.”„Ik kom vroeg,” beloofde Piong Pan Ho, en daarmee was dit onderhoud afgeloopen.Toen Wije ’s middags thuis kwam, waarschuwde hij Anneke dat er iemand kwam om over zaken te spreken, dus dat zij niet vóór behoefte te komen. Maar even later, toen zij uit de badkamer kwam en de achtergalerij doorliep, waar hij nog een oogenblik zat af te koelen alvorens haar voorbeeld te volgen, hield hij haar staande.„Herinner je je dienSingkeh,” vroeg hij, „die eens alsklontongbij ons geweest is, en je toen een armbandje present gaf?”[247]„Ik geloof niet dat ik hem zou herkennen,” zeide Anneke. „Het is al zoo lang geleden! Maar ik weet nog wel dat ik het kreeg; ook heb ik het snoertje nog. Toen het te nauw werd heeft mama het opgeborgen en bij het uitzoeken heb ik het weerom gevonden.”Beiden zwegen een oogenblik; de laatste woorden van het meisje hadden een nog gevoelige snaar aangeraakt.„Nu,” vervolgde hij ten slotte, „die man komt straks hier.”„Dieklontong?” vroeg zij verbaasd.„Dat is hij al lang niet meer. Sedert jaren is hijtoko-houder en een goed aangeschreven klant van onze firma. Ja ja, die Chineezen hebben slag van handelen, als het er ten minste inzit. En die Piong Pan Ho … enfin, hij komt vanavond hier.Interesseert het je hem te zien? Hij is bovendien nog een soort natuurwonder.”„Hoe dat zoo, pa?”[248]„Wel, dezelfde dankbaarheid, die hem dreef om jou dat ding te geven, schijnt hij nog steeds te koesteren. En dat enkel omdat ik hem even den weg gewezen heb.”„Dat is zeker iets bijzonders,” lachte Anneke. „Zal ik dadelijk even vóór komen, of wachten tot acht uur?”„Zoodra hij komt. Want hij maakt natuurlijk geen visite, om op te staan als het schot valt. Als de zaken afgehandeld zijn, maken die lui het meestal niet lang meer. En.… laat wat brandy vóór brengen; iets anders gebruiken zij gewoonlijk niet.”[249]1Wat zijn die Hollanders toch slim!↑

[Inhoud]X.X.EEN CHINEESCHE LES IN STAATHUISHOUDKUNDE.Op den morgen toen de stoomer zich met bronzen wieken van Semarang’s reede wegstuwde en Kees Duna naar de plaats zijner tijdelijke bestemming voerde, stond Piong Pan Ho het werk te surveilleeren, dat uitgevoerd werd in de ruimte, gelegen tusschen zijntokoen degoedang, die vroeger van den Arabier, doch nu van hem was. De voormalige schuren en hokken waren verdwenen, nog slechts een spoor achterlatende in aan de kanten opgestapelde gebruikte steenen en dakpannen, benevens eenig houtwerk; in hun plaats vertoonde[232]het erf breede, haaks op elkaar loopende uitgravingen, gedeeltelijk met zand aangeplempt; achteraan verrees een drie voet hoog stuk metselwerk, in de verte een massieve ophooging gelijkende van een der toekomstige vertrekken van het in wording zijnde gebouw, doch hetwelk bij nadere beschouwing een overwelfde, in den bodem gegraven ruimte bleek te zijn, met getraliede luchtgaten even boven den beganen grond. De toegang tot dezen kelder bevond zich aan den binnenkant van het gebouw en werd afgesloten door een ingemetseld voorstuk met deur, van een tot dit doel ontleede brandkast.Een zestal metselaars met bijbehoorendekoelies, voor het mengen van specie en aandragen van de tot het werk benoodigde steenen, begonnen in de uitgravingen de fundamenten te leggen, terwijl Piong Pan Ho zich met den baas onderhield. Noodzakelijk was het niet, daar deze reeds lang wist wat er[233]gedaan moest worden, doch deSingkehhield er van de zaken dikwijls te herhalen, en de baas nam daarmee te eer genoegen, daar hij in dien tijd niets behoefde uit te voeren en zijn in daghuur uitbetaald loon toch doorging. Werkte hij daarentegen, dan was het een zwaar baantje, ook voor zijn ondergeschikten trouwens; want een Chinees speelt er niet mee en vergt voor hetzelfde loon ongeveer tweemaal zooveel werk als een Europeaan.Het gesprek tusschen Piong Pan Ho en den baas werd gestoord door de plotselinge komst van Kan Liong Tjoe. Wel moest het iets belangrijks zijn, dat dentoko-houder op dit uur van den dag tot zijn rasgenoot dreef, dien hij buitendien zelden opzocht, en meer nog, hem door deed dringen naar achter in plaats van den ander in detokoop te wachten. Maar wat het ook zijn mocht, eerst maakte hij een doodgewoon praatje, waartoe het werk, dat voor zijn oogen geschiedde,[234]ruimschoots gelegenheid aanbood. Het ligt niet in den aard der oosterlingen zoo ineens met de deur in huis te vallen.„Wat maak je hier?” vroeg hij.„Een woonhuis,” was het antwoord, waarop zij rondliepen en Piong Pan Ho van de inrichting uitleg gaf.„Je moet verbazend veeloentoenggehad hebben!” riep Kan Liong Tjoe uit. „Het wordt grooter dan het huis van den Majoor-Chinees. Als het klaar is, breek je detokozeker af?”„Welneen,” antwoordde Piong Pan Ho. „Die blijft er vóór staan, zoodat niemand het zien kan.”„Waarom, als je toch zóó rijk bent?”„Zóó rijk ben ik niet.”„Toch rijker dan ik,” zuchtte Kan Liong Tjoe.Piong Pan Ho zag snel op.„Soesah?”„Ja.”„Kwam je om er mij over te spreken?”[235]En op bevestigend antwoord ging hij den ander voor, naar het bekende vertrek achter detoko.Kan Liong Tjoe ontwikkelde zijn moeielijkheden, die op het volgende neerkwamen. De vorige droge moeson had schaarschte meegebracht in den rijstoogst, zoodat de prijzen van dat artikel gaandeweg gestegen waren. Hij had geen kapitaal kunnen vinden om een voorraad in te slaan, zooals Piong Pan Ho, om later bij hooge prijzen zijn schade te dekken, en geld te slaan tegen den tijd dat de inlanders daaraan groote behoefte hadden, toen eensdeels de mindere opbrengst van hun grond het afbetalen hunner schuld bemoeielijkte, anderdeels de prijs van het voedingsmiddel zoo duur werd. Had de ander door kracht van contant geld dus geen schade geleden, hij wel. In den beginne had hij detokoden last laten dragen, doch daardoor was zijn toestand niet verbeterd; integendeel, want de voorschotten[236]in dedessahad hij desnoods kunnen weigeren, de betaling van de meermalen geprolongeerde accepten kon hij dat niet doen. En morgen verviel er een van ruim twaalf duizend gulden, in drieëngesplitst, ten bate van Wije’s firma.„Hoe komt dat zoo groot? En is het niet uit te stellen?” vroeg Piong Pan Ho.Kan Liong Tjoe, meenende dat hij niet beter kon doen dan den ander zooveel mogelijk een blik in zijn toestand te vergunnen, om daarna met zijn verzoek voor den dag te komen, dat eigenlijk een voorstel tot zaken doen was, omdat hulp vragen zonder belooning onbegonnen werk zou zijn, beging nu een groote onvoorzichtigheid in zijn antwoord.„Deze accepten,” zeide hij, „betreffen geen werkelijke handelsschuld. Ik zat eenige maanden geleden vast, en toen, bij het inlossen van anderen, vroeg ik om wat accommodatiepapier te mogen afgeven, ten einde aan een oogenblikkelijke[237]verlegenheid te gemoet te kunnen komen. De heeren vonden het goed en zoo werden deze drie accepten opgemaakt.”„In plaats van goederen kreeg je dus geld?” vroeg Piong Pan Ho, die dit soort van transactiën nog niet kende.„Ja. Vroeger heb ik het ook wel voor hen gedaan; onder elkaar doen de Europeanen het zelden, van wege hun crediet, maar dikwijls geschiedt het tusschen hen en een van ons. Jij geeft bijvoorbeeld een accept af; zij disconteeren het en gebruiken het geld; tegen den vervaldag lossen zij het in.”„Hoeveel?” vroeg Piong Pan Ho.„Vijf percent of meer.”„’t Is gemakkelijk en niet erg duur. Mag het?”„Wie ruikt het eraan?”„Dat is waar,” bevestigde Piong Pan Ho, het in zijn geheugen noteerende.„Ik had het geld noodig,” hernam Kan Liong[238]Tjoe, om op zijn eigen belangen terug te komen. „Zooals je weet, ben ik deelhebber in de opiumpacht. Daar is veel contant geld toe noodig, want als wij de pacht aan het Gouvernement moeten betalen of opium koopen, is het uitstaande meestal nog niet binnen. Zooveel als er dan op slag noodig is, passen wij bij, ieder naar zijn krachten, en daarvoor wordt rente berekend, twee percent in de maand. Wie nu voor zijn aandeel in gebreke blijft, lijdt schade, daar de anderen het onder elkaar verdeelen.”„Dat begrijp ik,” zeide deSingkeh; „die rente wordt van de winst der eindrekening afgetrokken.”„Juist. Maar het gebeurt soms dat, als er een niet storten kan, ook de anderen geen geld hebben. Dan wordt het voor zijn rekening bij derden opgenomen, en dat is heel duur! We moeten dit trouwens toch wel doen, want wij zijn niet altijd voldoende bij kas; maar dan dragen we het samen.”[239]„Waar leen je dan?” vroeg Piong Pan Ho, wiens oogen dieper schitterden.„Hier en daar. Er zijn een paar Europeesche landheeren, die ons voor twee percent ’s maands leenen; maar dikwijls is het niet genoeg wat zij kunnen geven. Dan zoeken wij het op andere manieren … zooals ik nu bijvoorbeeld, met die accepten. Het allerlaatst in het Chineesche kamp; dat spreekt.”„Zit er zóóveel in die opium?”Kan Liong Tjoe juichte in zijn hart, als de hengelaar, die een plotselingen ruk aan zijn tuig voelt. En voorzichtig als deze, trachtte hij zijn aas aanlokkender te maken, door het met zachte beweginkjes op en neer te doen dansen voor de oogen van den smulgragen visch.„Nog meer. Worden de Chineesche officieren niet altijd gekozen uit hen, die door de opium rijk zijn geworden?”Piong Pan Ho lachte, een gullen hartelijken lach, als verwelkomde hij de benoeming, die[240]zoozeer door al zijn landgenooten wordt begeerd. Ja, dàt was iets! Als men maar eenvoudig luitenant werd, kon men onberispt in een mooi rijtuig rijden, lid worden van de sociëteit der Europeanen en zooveel meer. Men moest het zelfs doen, om door het voeren van eenigen staat, zich de hooge onderscheiding waardig te toonen!„Vooral nu is de opium zoo mooi geworden,” ging Kan Liong Tjoe voort, den indruk van zijn woorden opmerkende. „Het Gouvernement heeft een vasten tak van dienst ingesteld om den invoer van gesmokkelde opium, door ieder ander, behalve door de pachters, tegen te gaan.”Daar was iets duisters in, vond zijn aandachtige toehoorder. Hoe, het gouvernement verkocht immers de opium aan de pachters? Dat het den smokkelhandel tegenging was te begrijpen; maar waarom dan een uitzondering gemaakt juist voor de grootste afnemers?„Wel, nu kunnen de pachters immers hoogere[241]sommen betalen voor de pacht!” verklaarde Kan Liong Tjoe.„Toch zou het Gouvernement meer verdienen met alleenverkoop,” hield Piong Pan Ho aan.„Dat is waar, doch ik zal je vertellen hoe dat zit; die zaakwaarnemer, die sedert een paar jaar hier rondloopt en vroeger bij het Gouvernement was, heeft het mij uitgelegd. DeRadja Blandaheeft verboden dat er veel opium wordt ingevoerd en door het Gouvernement verstrekt; want als de andereRadja’sdat hooren en zij komen ’s avonds bij elkaar, dan plagen zij hem en zeggen dat er zooveel schuivers zijn op zijn gebied. Daarom is het, zie je. Maar het Gouvernement hier wil toch gaarne veel geld verdienen, en dus hebben zij dat zóó ingericht.”„Oeah! Orang blanda pinter betoel!”1riep deSingkeh, uit de volheid zijns harten.[242]„Zoodat,” vervolgde de ander, die zijn doel in het oog hield, „sedert die maatregel is gaan werken, er voor ons meer te verdienen valt. Maar doordat de clandestiene verkoop zulk een knak heeft gekregen, hebben zich onze zaken uitgebreid. Daarvoor is meer kapitaal noodig, en zoo komt het dat mijn twaalfduizend gulden, die ik zeker meende vóór morgen los te krijgen, vast zijn blijven zitten. Nu wou ik je vragen mijn aandeel in de pacht over te nemen.”Zij praatten nog lang. Piong Pan Ho met groote bedaardheid den ander hoe langer hoe meer uithoorende, tot hij ten slotte begreep, dat zijn gewezen baas naar alle kanten te veel hooi op zijn vork genomen had en noch tegenover dedessa, noch de pacht, noch de Europeesche firma’s in staat was ten volle aan zijn verplichtingen te voldoen. Hij liet intusschen ten volle recht wedervaren aan de stoutmoedigheid waarmee Kan Liong Tjoe zijn zaken dreef, die geheel op crediet gegrondvest, telkens[243]met de winst vergroot, door combinaties waar een gewoon verstand van duizelde, in het leven gehouden, reusachtige afmetingen bezaten. Voorzeker, daar was van denBabahveel te leeren, vooral uit de fouten die hij begaan had en die weldra dat trotsche geheel ineen zouden doen storten, met een geweldigen slag. Piong Pan Ho zag het wankelen en sufte een oogenblik van de grootheid van den val, die door een kleinigheid veroorzaakt zou worden; een geluid als van een donderend kraken suisde in zijn ooren.Maar weldra herstelde hij zich en terwijl Kan Liong Tjoe voortsprak, zijn waar steeds meer aanprijzende, overdacht hij met koele nuchterheid wat voordeeliger zou zijn: bijspringen in den nood, of profiteeren van dedébacle. Het laatste trok hem het meest aan; want hij zou dan eerst gelegenheid hebben om te zien hoe de andere deelhebbers der pacht zich hielden, bij het uitvallen van één hunner. Gesteld dat[244]zij eens allen in een soortgelijken toestand verkeerden! Dan moest de pacht zelf in gebreke blijven, òf alles zou op hem neerkomen; en daartoe was hij bij lange na niet machtig genoeg.Hij stond op het punt in dezen geest een antwoord te geven, toen de stem zijner vrouw hem naar detokoriep.„Wacht even,” zeide hij en ging heen.Het was Wije, op de hielen gevolgd door van Beek, die heden voor ’t eerst mee had mogen gaan naar het Chineesche kamp. De verkoop aan denSingkehhad nooit heel veel bedragen, vooral niet in den laatsten tijd, doch Wije hield er van bij zijn ouden kennis binnen te loopen, al was het alleen om de groote hartelijkheid waarmee deze hem steeds ontving. En, een klein ordertje schoot er toch dikwijls op over. Zoo ook nu. Het werd afgesloten en Wije wilde zich groetend verwijderen.Plotseling scheen Piong Pan Ho een denkbeeld[245]door het hoofd te gaan. Met een min of meer haastige beweging stak hij zijn arm door dien van Wije en trok dezen ter zijde.„Meneer,” begon hij. Maar daar stak van Beek, die zeker meende dat hij er ook bij noodig was, zijn spitsen neus vooruit, tusschen hen beiden in. „A … tjie!” deed Piong Pan Ho, en niesde hem vlak in het gezicht. Beleefd was het niet; misschien dacht deSingkehvan wel; wat hij er echter mee bedoelde gelukte: van Beek week achteruit en poetste zijn brilleglazen af. „Woont meneer nog in hetzelfde huis als vroeger?” fluisterde Piong Pan Ho. „Ik meen te hebben gehoord dat u verhuisd is.”„Ja,” bevestigde Wije, en duidde hem uit waarheen. „Wou je mij spreken, thuis?”„Als het mag, van avond na sluiting.… neen, om zeven uur ongeveer.”„Goed. Kom gerust,” zeide Wije, ziende dat van Beek, onverbeterlijk als hij was, weer naderde. „Dag!”[246]Piong Pan Ho ging terug naar zijn landgenoot.„Hoe laat moet je betalen, morgen?”„Vóór den middag.”„Best. In de vroegte kom ik bij je. Ik weet nog niet of ik het doen kan.”„Als je het niet doet, moet ik mij failliet geven,” verklaarde Kan Liong Tjoe. „En dan valt er vooraf nog veel te beredderen.”„Ik kom vroeg,” beloofde Piong Pan Ho, en daarmee was dit onderhoud afgeloopen.Toen Wije ’s middags thuis kwam, waarschuwde hij Anneke dat er iemand kwam om over zaken te spreken, dus dat zij niet vóór behoefte te komen. Maar even later, toen zij uit de badkamer kwam en de achtergalerij doorliep, waar hij nog een oogenblik zat af te koelen alvorens haar voorbeeld te volgen, hield hij haar staande.„Herinner je je dienSingkeh,” vroeg hij, „die eens alsklontongbij ons geweest is, en je toen een armbandje present gaf?”[247]„Ik geloof niet dat ik hem zou herkennen,” zeide Anneke. „Het is al zoo lang geleden! Maar ik weet nog wel dat ik het kreeg; ook heb ik het snoertje nog. Toen het te nauw werd heeft mama het opgeborgen en bij het uitzoeken heb ik het weerom gevonden.”Beiden zwegen een oogenblik; de laatste woorden van het meisje hadden een nog gevoelige snaar aangeraakt.„Nu,” vervolgde hij ten slotte, „die man komt straks hier.”„Dieklontong?” vroeg zij verbaasd.„Dat is hij al lang niet meer. Sedert jaren is hijtoko-houder en een goed aangeschreven klant van onze firma. Ja ja, die Chineezen hebben slag van handelen, als het er ten minste inzit. En die Piong Pan Ho … enfin, hij komt vanavond hier.Interesseert het je hem te zien? Hij is bovendien nog een soort natuurwonder.”„Hoe dat zoo, pa?”[248]„Wel, dezelfde dankbaarheid, die hem dreef om jou dat ding te geven, schijnt hij nog steeds te koesteren. En dat enkel omdat ik hem even den weg gewezen heb.”„Dat is zeker iets bijzonders,” lachte Anneke. „Zal ik dadelijk even vóór komen, of wachten tot acht uur?”„Zoodra hij komt. Want hij maakt natuurlijk geen visite, om op te staan als het schot valt. Als de zaken afgehandeld zijn, maken die lui het meestal niet lang meer. En.… laat wat brandy vóór brengen; iets anders gebruiken zij gewoonlijk niet.”[249]1Wat zijn die Hollanders toch slim!↑

X.X.EEN CHINEESCHE LES IN STAATHUISHOUDKUNDE.

X.

Op den morgen toen de stoomer zich met bronzen wieken van Semarang’s reede wegstuwde en Kees Duna naar de plaats zijner tijdelijke bestemming voerde, stond Piong Pan Ho het werk te surveilleeren, dat uitgevoerd werd in de ruimte, gelegen tusschen zijntokoen degoedang, die vroeger van den Arabier, doch nu van hem was. De voormalige schuren en hokken waren verdwenen, nog slechts een spoor achterlatende in aan de kanten opgestapelde gebruikte steenen en dakpannen, benevens eenig houtwerk; in hun plaats vertoonde[232]het erf breede, haaks op elkaar loopende uitgravingen, gedeeltelijk met zand aangeplempt; achteraan verrees een drie voet hoog stuk metselwerk, in de verte een massieve ophooging gelijkende van een der toekomstige vertrekken van het in wording zijnde gebouw, doch hetwelk bij nadere beschouwing een overwelfde, in den bodem gegraven ruimte bleek te zijn, met getraliede luchtgaten even boven den beganen grond. De toegang tot dezen kelder bevond zich aan den binnenkant van het gebouw en werd afgesloten door een ingemetseld voorstuk met deur, van een tot dit doel ontleede brandkast.Een zestal metselaars met bijbehoorendekoelies, voor het mengen van specie en aandragen van de tot het werk benoodigde steenen, begonnen in de uitgravingen de fundamenten te leggen, terwijl Piong Pan Ho zich met den baas onderhield. Noodzakelijk was het niet, daar deze reeds lang wist wat er[233]gedaan moest worden, doch deSingkehhield er van de zaken dikwijls te herhalen, en de baas nam daarmee te eer genoegen, daar hij in dien tijd niets behoefde uit te voeren en zijn in daghuur uitbetaald loon toch doorging. Werkte hij daarentegen, dan was het een zwaar baantje, ook voor zijn ondergeschikten trouwens; want een Chinees speelt er niet mee en vergt voor hetzelfde loon ongeveer tweemaal zooveel werk als een Europeaan.Het gesprek tusschen Piong Pan Ho en den baas werd gestoord door de plotselinge komst van Kan Liong Tjoe. Wel moest het iets belangrijks zijn, dat dentoko-houder op dit uur van den dag tot zijn rasgenoot dreef, dien hij buitendien zelden opzocht, en meer nog, hem door deed dringen naar achter in plaats van den ander in detokoop te wachten. Maar wat het ook zijn mocht, eerst maakte hij een doodgewoon praatje, waartoe het werk, dat voor zijn oogen geschiedde,[234]ruimschoots gelegenheid aanbood. Het ligt niet in den aard der oosterlingen zoo ineens met de deur in huis te vallen.„Wat maak je hier?” vroeg hij.„Een woonhuis,” was het antwoord, waarop zij rondliepen en Piong Pan Ho van de inrichting uitleg gaf.„Je moet verbazend veeloentoenggehad hebben!” riep Kan Liong Tjoe uit. „Het wordt grooter dan het huis van den Majoor-Chinees. Als het klaar is, breek je detokozeker af?”„Welneen,” antwoordde Piong Pan Ho. „Die blijft er vóór staan, zoodat niemand het zien kan.”„Waarom, als je toch zóó rijk bent?”„Zóó rijk ben ik niet.”„Toch rijker dan ik,” zuchtte Kan Liong Tjoe.Piong Pan Ho zag snel op.„Soesah?”„Ja.”„Kwam je om er mij over te spreken?”[235]En op bevestigend antwoord ging hij den ander voor, naar het bekende vertrek achter detoko.Kan Liong Tjoe ontwikkelde zijn moeielijkheden, die op het volgende neerkwamen. De vorige droge moeson had schaarschte meegebracht in den rijstoogst, zoodat de prijzen van dat artikel gaandeweg gestegen waren. Hij had geen kapitaal kunnen vinden om een voorraad in te slaan, zooals Piong Pan Ho, om later bij hooge prijzen zijn schade te dekken, en geld te slaan tegen den tijd dat de inlanders daaraan groote behoefte hadden, toen eensdeels de mindere opbrengst van hun grond het afbetalen hunner schuld bemoeielijkte, anderdeels de prijs van het voedingsmiddel zoo duur werd. Had de ander door kracht van contant geld dus geen schade geleden, hij wel. In den beginne had hij detokoden last laten dragen, doch daardoor was zijn toestand niet verbeterd; integendeel, want de voorschotten[236]in dedessahad hij desnoods kunnen weigeren, de betaling van de meermalen geprolongeerde accepten kon hij dat niet doen. En morgen verviel er een van ruim twaalf duizend gulden, in drieëngesplitst, ten bate van Wije’s firma.„Hoe komt dat zoo groot? En is het niet uit te stellen?” vroeg Piong Pan Ho.Kan Liong Tjoe, meenende dat hij niet beter kon doen dan den ander zooveel mogelijk een blik in zijn toestand te vergunnen, om daarna met zijn verzoek voor den dag te komen, dat eigenlijk een voorstel tot zaken doen was, omdat hulp vragen zonder belooning onbegonnen werk zou zijn, beging nu een groote onvoorzichtigheid in zijn antwoord.„Deze accepten,” zeide hij, „betreffen geen werkelijke handelsschuld. Ik zat eenige maanden geleden vast, en toen, bij het inlossen van anderen, vroeg ik om wat accommodatiepapier te mogen afgeven, ten einde aan een oogenblikkelijke[237]verlegenheid te gemoet te kunnen komen. De heeren vonden het goed en zoo werden deze drie accepten opgemaakt.”„In plaats van goederen kreeg je dus geld?” vroeg Piong Pan Ho, die dit soort van transactiën nog niet kende.„Ja. Vroeger heb ik het ook wel voor hen gedaan; onder elkaar doen de Europeanen het zelden, van wege hun crediet, maar dikwijls geschiedt het tusschen hen en een van ons. Jij geeft bijvoorbeeld een accept af; zij disconteeren het en gebruiken het geld; tegen den vervaldag lossen zij het in.”„Hoeveel?” vroeg Piong Pan Ho.„Vijf percent of meer.”„’t Is gemakkelijk en niet erg duur. Mag het?”„Wie ruikt het eraan?”„Dat is waar,” bevestigde Piong Pan Ho, het in zijn geheugen noteerende.„Ik had het geld noodig,” hernam Kan Liong[238]Tjoe, om op zijn eigen belangen terug te komen. „Zooals je weet, ben ik deelhebber in de opiumpacht. Daar is veel contant geld toe noodig, want als wij de pacht aan het Gouvernement moeten betalen of opium koopen, is het uitstaande meestal nog niet binnen. Zooveel als er dan op slag noodig is, passen wij bij, ieder naar zijn krachten, en daarvoor wordt rente berekend, twee percent in de maand. Wie nu voor zijn aandeel in gebreke blijft, lijdt schade, daar de anderen het onder elkaar verdeelen.”„Dat begrijp ik,” zeide deSingkeh; „die rente wordt van de winst der eindrekening afgetrokken.”„Juist. Maar het gebeurt soms dat, als er een niet storten kan, ook de anderen geen geld hebben. Dan wordt het voor zijn rekening bij derden opgenomen, en dat is heel duur! We moeten dit trouwens toch wel doen, want wij zijn niet altijd voldoende bij kas; maar dan dragen we het samen.”[239]„Waar leen je dan?” vroeg Piong Pan Ho, wiens oogen dieper schitterden.„Hier en daar. Er zijn een paar Europeesche landheeren, die ons voor twee percent ’s maands leenen; maar dikwijls is het niet genoeg wat zij kunnen geven. Dan zoeken wij het op andere manieren … zooals ik nu bijvoorbeeld, met die accepten. Het allerlaatst in het Chineesche kamp; dat spreekt.”„Zit er zóóveel in die opium?”Kan Liong Tjoe juichte in zijn hart, als de hengelaar, die een plotselingen ruk aan zijn tuig voelt. En voorzichtig als deze, trachtte hij zijn aas aanlokkender te maken, door het met zachte beweginkjes op en neer te doen dansen voor de oogen van den smulgragen visch.„Nog meer. Worden de Chineesche officieren niet altijd gekozen uit hen, die door de opium rijk zijn geworden?”Piong Pan Ho lachte, een gullen hartelijken lach, als verwelkomde hij de benoeming, die[240]zoozeer door al zijn landgenooten wordt begeerd. Ja, dàt was iets! Als men maar eenvoudig luitenant werd, kon men onberispt in een mooi rijtuig rijden, lid worden van de sociëteit der Europeanen en zooveel meer. Men moest het zelfs doen, om door het voeren van eenigen staat, zich de hooge onderscheiding waardig te toonen!„Vooral nu is de opium zoo mooi geworden,” ging Kan Liong Tjoe voort, den indruk van zijn woorden opmerkende. „Het Gouvernement heeft een vasten tak van dienst ingesteld om den invoer van gesmokkelde opium, door ieder ander, behalve door de pachters, tegen te gaan.”Daar was iets duisters in, vond zijn aandachtige toehoorder. Hoe, het gouvernement verkocht immers de opium aan de pachters? Dat het den smokkelhandel tegenging was te begrijpen; maar waarom dan een uitzondering gemaakt juist voor de grootste afnemers?„Wel, nu kunnen de pachters immers hoogere[241]sommen betalen voor de pacht!” verklaarde Kan Liong Tjoe.„Toch zou het Gouvernement meer verdienen met alleenverkoop,” hield Piong Pan Ho aan.„Dat is waar, doch ik zal je vertellen hoe dat zit; die zaakwaarnemer, die sedert een paar jaar hier rondloopt en vroeger bij het Gouvernement was, heeft het mij uitgelegd. DeRadja Blandaheeft verboden dat er veel opium wordt ingevoerd en door het Gouvernement verstrekt; want als de andereRadja’sdat hooren en zij komen ’s avonds bij elkaar, dan plagen zij hem en zeggen dat er zooveel schuivers zijn op zijn gebied. Daarom is het, zie je. Maar het Gouvernement hier wil toch gaarne veel geld verdienen, en dus hebben zij dat zóó ingericht.”„Oeah! Orang blanda pinter betoel!”1riep deSingkeh, uit de volheid zijns harten.[242]„Zoodat,” vervolgde de ander, die zijn doel in het oog hield, „sedert die maatregel is gaan werken, er voor ons meer te verdienen valt. Maar doordat de clandestiene verkoop zulk een knak heeft gekregen, hebben zich onze zaken uitgebreid. Daarvoor is meer kapitaal noodig, en zoo komt het dat mijn twaalfduizend gulden, die ik zeker meende vóór morgen los te krijgen, vast zijn blijven zitten. Nu wou ik je vragen mijn aandeel in de pacht over te nemen.”Zij praatten nog lang. Piong Pan Ho met groote bedaardheid den ander hoe langer hoe meer uithoorende, tot hij ten slotte begreep, dat zijn gewezen baas naar alle kanten te veel hooi op zijn vork genomen had en noch tegenover dedessa, noch de pacht, noch de Europeesche firma’s in staat was ten volle aan zijn verplichtingen te voldoen. Hij liet intusschen ten volle recht wedervaren aan de stoutmoedigheid waarmee Kan Liong Tjoe zijn zaken dreef, die geheel op crediet gegrondvest, telkens[243]met de winst vergroot, door combinaties waar een gewoon verstand van duizelde, in het leven gehouden, reusachtige afmetingen bezaten. Voorzeker, daar was van denBabahveel te leeren, vooral uit de fouten die hij begaan had en die weldra dat trotsche geheel ineen zouden doen storten, met een geweldigen slag. Piong Pan Ho zag het wankelen en sufte een oogenblik van de grootheid van den val, die door een kleinigheid veroorzaakt zou worden; een geluid als van een donderend kraken suisde in zijn ooren.Maar weldra herstelde hij zich en terwijl Kan Liong Tjoe voortsprak, zijn waar steeds meer aanprijzende, overdacht hij met koele nuchterheid wat voordeeliger zou zijn: bijspringen in den nood, of profiteeren van dedébacle. Het laatste trok hem het meest aan; want hij zou dan eerst gelegenheid hebben om te zien hoe de andere deelhebbers der pacht zich hielden, bij het uitvallen van één hunner. Gesteld dat[244]zij eens allen in een soortgelijken toestand verkeerden! Dan moest de pacht zelf in gebreke blijven, òf alles zou op hem neerkomen; en daartoe was hij bij lange na niet machtig genoeg.Hij stond op het punt in dezen geest een antwoord te geven, toen de stem zijner vrouw hem naar detokoriep.„Wacht even,” zeide hij en ging heen.Het was Wije, op de hielen gevolgd door van Beek, die heden voor ’t eerst mee had mogen gaan naar het Chineesche kamp. De verkoop aan denSingkehhad nooit heel veel bedragen, vooral niet in den laatsten tijd, doch Wije hield er van bij zijn ouden kennis binnen te loopen, al was het alleen om de groote hartelijkheid waarmee deze hem steeds ontving. En, een klein ordertje schoot er toch dikwijls op over. Zoo ook nu. Het werd afgesloten en Wije wilde zich groetend verwijderen.Plotseling scheen Piong Pan Ho een denkbeeld[245]door het hoofd te gaan. Met een min of meer haastige beweging stak hij zijn arm door dien van Wije en trok dezen ter zijde.„Meneer,” begon hij. Maar daar stak van Beek, die zeker meende dat hij er ook bij noodig was, zijn spitsen neus vooruit, tusschen hen beiden in. „A … tjie!” deed Piong Pan Ho, en niesde hem vlak in het gezicht. Beleefd was het niet; misschien dacht deSingkehvan wel; wat hij er echter mee bedoelde gelukte: van Beek week achteruit en poetste zijn brilleglazen af. „Woont meneer nog in hetzelfde huis als vroeger?” fluisterde Piong Pan Ho. „Ik meen te hebben gehoord dat u verhuisd is.”„Ja,” bevestigde Wije, en duidde hem uit waarheen. „Wou je mij spreken, thuis?”„Als het mag, van avond na sluiting.… neen, om zeven uur ongeveer.”„Goed. Kom gerust,” zeide Wije, ziende dat van Beek, onverbeterlijk als hij was, weer naderde. „Dag!”[246]Piong Pan Ho ging terug naar zijn landgenoot.„Hoe laat moet je betalen, morgen?”„Vóór den middag.”„Best. In de vroegte kom ik bij je. Ik weet nog niet of ik het doen kan.”„Als je het niet doet, moet ik mij failliet geven,” verklaarde Kan Liong Tjoe. „En dan valt er vooraf nog veel te beredderen.”„Ik kom vroeg,” beloofde Piong Pan Ho, en daarmee was dit onderhoud afgeloopen.Toen Wije ’s middags thuis kwam, waarschuwde hij Anneke dat er iemand kwam om over zaken te spreken, dus dat zij niet vóór behoefte te komen. Maar even later, toen zij uit de badkamer kwam en de achtergalerij doorliep, waar hij nog een oogenblik zat af te koelen alvorens haar voorbeeld te volgen, hield hij haar staande.„Herinner je je dienSingkeh,” vroeg hij, „die eens alsklontongbij ons geweest is, en je toen een armbandje present gaf?”[247]„Ik geloof niet dat ik hem zou herkennen,” zeide Anneke. „Het is al zoo lang geleden! Maar ik weet nog wel dat ik het kreeg; ook heb ik het snoertje nog. Toen het te nauw werd heeft mama het opgeborgen en bij het uitzoeken heb ik het weerom gevonden.”Beiden zwegen een oogenblik; de laatste woorden van het meisje hadden een nog gevoelige snaar aangeraakt.„Nu,” vervolgde hij ten slotte, „die man komt straks hier.”„Dieklontong?” vroeg zij verbaasd.„Dat is hij al lang niet meer. Sedert jaren is hijtoko-houder en een goed aangeschreven klant van onze firma. Ja ja, die Chineezen hebben slag van handelen, als het er ten minste inzit. En die Piong Pan Ho … enfin, hij komt vanavond hier.Interesseert het je hem te zien? Hij is bovendien nog een soort natuurwonder.”„Hoe dat zoo, pa?”[248]„Wel, dezelfde dankbaarheid, die hem dreef om jou dat ding te geven, schijnt hij nog steeds te koesteren. En dat enkel omdat ik hem even den weg gewezen heb.”„Dat is zeker iets bijzonders,” lachte Anneke. „Zal ik dadelijk even vóór komen, of wachten tot acht uur?”„Zoodra hij komt. Want hij maakt natuurlijk geen visite, om op te staan als het schot valt. Als de zaken afgehandeld zijn, maken die lui het meestal niet lang meer. En.… laat wat brandy vóór brengen; iets anders gebruiken zij gewoonlijk niet.”[249]

Op den morgen toen de stoomer zich met bronzen wieken van Semarang’s reede wegstuwde en Kees Duna naar de plaats zijner tijdelijke bestemming voerde, stond Piong Pan Ho het werk te surveilleeren, dat uitgevoerd werd in de ruimte, gelegen tusschen zijntokoen degoedang, die vroeger van den Arabier, doch nu van hem was. De voormalige schuren en hokken waren verdwenen, nog slechts een spoor achterlatende in aan de kanten opgestapelde gebruikte steenen en dakpannen, benevens eenig houtwerk; in hun plaats vertoonde[232]het erf breede, haaks op elkaar loopende uitgravingen, gedeeltelijk met zand aangeplempt; achteraan verrees een drie voet hoog stuk metselwerk, in de verte een massieve ophooging gelijkende van een der toekomstige vertrekken van het in wording zijnde gebouw, doch hetwelk bij nadere beschouwing een overwelfde, in den bodem gegraven ruimte bleek te zijn, met getraliede luchtgaten even boven den beganen grond. De toegang tot dezen kelder bevond zich aan den binnenkant van het gebouw en werd afgesloten door een ingemetseld voorstuk met deur, van een tot dit doel ontleede brandkast.

Een zestal metselaars met bijbehoorendekoelies, voor het mengen van specie en aandragen van de tot het werk benoodigde steenen, begonnen in de uitgravingen de fundamenten te leggen, terwijl Piong Pan Ho zich met den baas onderhield. Noodzakelijk was het niet, daar deze reeds lang wist wat er[233]gedaan moest worden, doch deSingkehhield er van de zaken dikwijls te herhalen, en de baas nam daarmee te eer genoegen, daar hij in dien tijd niets behoefde uit te voeren en zijn in daghuur uitbetaald loon toch doorging. Werkte hij daarentegen, dan was het een zwaar baantje, ook voor zijn ondergeschikten trouwens; want een Chinees speelt er niet mee en vergt voor hetzelfde loon ongeveer tweemaal zooveel werk als een Europeaan.

Het gesprek tusschen Piong Pan Ho en den baas werd gestoord door de plotselinge komst van Kan Liong Tjoe. Wel moest het iets belangrijks zijn, dat dentoko-houder op dit uur van den dag tot zijn rasgenoot dreef, dien hij buitendien zelden opzocht, en meer nog, hem door deed dringen naar achter in plaats van den ander in detokoop te wachten. Maar wat het ook zijn mocht, eerst maakte hij een doodgewoon praatje, waartoe het werk, dat voor zijn oogen geschiedde,[234]ruimschoots gelegenheid aanbood. Het ligt niet in den aard der oosterlingen zoo ineens met de deur in huis te vallen.

„Wat maak je hier?” vroeg hij.

„Een woonhuis,” was het antwoord, waarop zij rondliepen en Piong Pan Ho van de inrichting uitleg gaf.

„Je moet verbazend veeloentoenggehad hebben!” riep Kan Liong Tjoe uit. „Het wordt grooter dan het huis van den Majoor-Chinees. Als het klaar is, breek je detokozeker af?”

„Welneen,” antwoordde Piong Pan Ho. „Die blijft er vóór staan, zoodat niemand het zien kan.”

„Waarom, als je toch zóó rijk bent?”

„Zóó rijk ben ik niet.”

„Toch rijker dan ik,” zuchtte Kan Liong Tjoe.

Piong Pan Ho zag snel op.

„Soesah?”

„Ja.”

„Kwam je om er mij over te spreken?”[235]En op bevestigend antwoord ging hij den ander voor, naar het bekende vertrek achter detoko.

Kan Liong Tjoe ontwikkelde zijn moeielijkheden, die op het volgende neerkwamen. De vorige droge moeson had schaarschte meegebracht in den rijstoogst, zoodat de prijzen van dat artikel gaandeweg gestegen waren. Hij had geen kapitaal kunnen vinden om een voorraad in te slaan, zooals Piong Pan Ho, om later bij hooge prijzen zijn schade te dekken, en geld te slaan tegen den tijd dat de inlanders daaraan groote behoefte hadden, toen eensdeels de mindere opbrengst van hun grond het afbetalen hunner schuld bemoeielijkte, anderdeels de prijs van het voedingsmiddel zoo duur werd. Had de ander door kracht van contant geld dus geen schade geleden, hij wel. In den beginne had hij detokoden last laten dragen, doch daardoor was zijn toestand niet verbeterd; integendeel, want de voorschotten[236]in dedessahad hij desnoods kunnen weigeren, de betaling van de meermalen geprolongeerde accepten kon hij dat niet doen. En morgen verviel er een van ruim twaalf duizend gulden, in drieëngesplitst, ten bate van Wije’s firma.

„Hoe komt dat zoo groot? En is het niet uit te stellen?” vroeg Piong Pan Ho.

Kan Liong Tjoe, meenende dat hij niet beter kon doen dan den ander zooveel mogelijk een blik in zijn toestand te vergunnen, om daarna met zijn verzoek voor den dag te komen, dat eigenlijk een voorstel tot zaken doen was, omdat hulp vragen zonder belooning onbegonnen werk zou zijn, beging nu een groote onvoorzichtigheid in zijn antwoord.

„Deze accepten,” zeide hij, „betreffen geen werkelijke handelsschuld. Ik zat eenige maanden geleden vast, en toen, bij het inlossen van anderen, vroeg ik om wat accommodatiepapier te mogen afgeven, ten einde aan een oogenblikkelijke[237]verlegenheid te gemoet te kunnen komen. De heeren vonden het goed en zoo werden deze drie accepten opgemaakt.”

„In plaats van goederen kreeg je dus geld?” vroeg Piong Pan Ho, die dit soort van transactiën nog niet kende.

„Ja. Vroeger heb ik het ook wel voor hen gedaan; onder elkaar doen de Europeanen het zelden, van wege hun crediet, maar dikwijls geschiedt het tusschen hen en een van ons. Jij geeft bijvoorbeeld een accept af; zij disconteeren het en gebruiken het geld; tegen den vervaldag lossen zij het in.”

„Hoeveel?” vroeg Piong Pan Ho.

„Vijf percent of meer.”

„’t Is gemakkelijk en niet erg duur. Mag het?”

„Wie ruikt het eraan?”

„Dat is waar,” bevestigde Piong Pan Ho, het in zijn geheugen noteerende.

„Ik had het geld noodig,” hernam Kan Liong[238]Tjoe, om op zijn eigen belangen terug te komen. „Zooals je weet, ben ik deelhebber in de opiumpacht. Daar is veel contant geld toe noodig, want als wij de pacht aan het Gouvernement moeten betalen of opium koopen, is het uitstaande meestal nog niet binnen. Zooveel als er dan op slag noodig is, passen wij bij, ieder naar zijn krachten, en daarvoor wordt rente berekend, twee percent in de maand. Wie nu voor zijn aandeel in gebreke blijft, lijdt schade, daar de anderen het onder elkaar verdeelen.”

„Dat begrijp ik,” zeide deSingkeh; „die rente wordt van de winst der eindrekening afgetrokken.”

„Juist. Maar het gebeurt soms dat, als er een niet storten kan, ook de anderen geen geld hebben. Dan wordt het voor zijn rekening bij derden opgenomen, en dat is heel duur! We moeten dit trouwens toch wel doen, want wij zijn niet altijd voldoende bij kas; maar dan dragen we het samen.”[239]

„Waar leen je dan?” vroeg Piong Pan Ho, wiens oogen dieper schitterden.

„Hier en daar. Er zijn een paar Europeesche landheeren, die ons voor twee percent ’s maands leenen; maar dikwijls is het niet genoeg wat zij kunnen geven. Dan zoeken wij het op andere manieren … zooals ik nu bijvoorbeeld, met die accepten. Het allerlaatst in het Chineesche kamp; dat spreekt.”

„Zit er zóóveel in die opium?”

Kan Liong Tjoe juichte in zijn hart, als de hengelaar, die een plotselingen ruk aan zijn tuig voelt. En voorzichtig als deze, trachtte hij zijn aas aanlokkender te maken, door het met zachte beweginkjes op en neer te doen dansen voor de oogen van den smulgragen visch.

„Nog meer. Worden de Chineesche officieren niet altijd gekozen uit hen, die door de opium rijk zijn geworden?”

Piong Pan Ho lachte, een gullen hartelijken lach, als verwelkomde hij de benoeming, die[240]zoozeer door al zijn landgenooten wordt begeerd. Ja, dàt was iets! Als men maar eenvoudig luitenant werd, kon men onberispt in een mooi rijtuig rijden, lid worden van de sociëteit der Europeanen en zooveel meer. Men moest het zelfs doen, om door het voeren van eenigen staat, zich de hooge onderscheiding waardig te toonen!

„Vooral nu is de opium zoo mooi geworden,” ging Kan Liong Tjoe voort, den indruk van zijn woorden opmerkende. „Het Gouvernement heeft een vasten tak van dienst ingesteld om den invoer van gesmokkelde opium, door ieder ander, behalve door de pachters, tegen te gaan.”

Daar was iets duisters in, vond zijn aandachtige toehoorder. Hoe, het gouvernement verkocht immers de opium aan de pachters? Dat het den smokkelhandel tegenging was te begrijpen; maar waarom dan een uitzondering gemaakt juist voor de grootste afnemers?

„Wel, nu kunnen de pachters immers hoogere[241]sommen betalen voor de pacht!” verklaarde Kan Liong Tjoe.

„Toch zou het Gouvernement meer verdienen met alleenverkoop,” hield Piong Pan Ho aan.

„Dat is waar, doch ik zal je vertellen hoe dat zit; die zaakwaarnemer, die sedert een paar jaar hier rondloopt en vroeger bij het Gouvernement was, heeft het mij uitgelegd. DeRadja Blandaheeft verboden dat er veel opium wordt ingevoerd en door het Gouvernement verstrekt; want als de andereRadja’sdat hooren en zij komen ’s avonds bij elkaar, dan plagen zij hem en zeggen dat er zooveel schuivers zijn op zijn gebied. Daarom is het, zie je. Maar het Gouvernement hier wil toch gaarne veel geld verdienen, en dus hebben zij dat zóó ingericht.”

„Oeah! Orang blanda pinter betoel!”1riep deSingkeh, uit de volheid zijns harten.[242]

„Zoodat,” vervolgde de ander, die zijn doel in het oog hield, „sedert die maatregel is gaan werken, er voor ons meer te verdienen valt. Maar doordat de clandestiene verkoop zulk een knak heeft gekregen, hebben zich onze zaken uitgebreid. Daarvoor is meer kapitaal noodig, en zoo komt het dat mijn twaalfduizend gulden, die ik zeker meende vóór morgen los te krijgen, vast zijn blijven zitten. Nu wou ik je vragen mijn aandeel in de pacht over te nemen.”

Zij praatten nog lang. Piong Pan Ho met groote bedaardheid den ander hoe langer hoe meer uithoorende, tot hij ten slotte begreep, dat zijn gewezen baas naar alle kanten te veel hooi op zijn vork genomen had en noch tegenover dedessa, noch de pacht, noch de Europeesche firma’s in staat was ten volle aan zijn verplichtingen te voldoen. Hij liet intusschen ten volle recht wedervaren aan de stoutmoedigheid waarmee Kan Liong Tjoe zijn zaken dreef, die geheel op crediet gegrondvest, telkens[243]met de winst vergroot, door combinaties waar een gewoon verstand van duizelde, in het leven gehouden, reusachtige afmetingen bezaten. Voorzeker, daar was van denBabahveel te leeren, vooral uit de fouten die hij begaan had en die weldra dat trotsche geheel ineen zouden doen storten, met een geweldigen slag. Piong Pan Ho zag het wankelen en sufte een oogenblik van de grootheid van den val, die door een kleinigheid veroorzaakt zou worden; een geluid als van een donderend kraken suisde in zijn ooren.

Maar weldra herstelde hij zich en terwijl Kan Liong Tjoe voortsprak, zijn waar steeds meer aanprijzende, overdacht hij met koele nuchterheid wat voordeeliger zou zijn: bijspringen in den nood, of profiteeren van dedébacle. Het laatste trok hem het meest aan; want hij zou dan eerst gelegenheid hebben om te zien hoe de andere deelhebbers der pacht zich hielden, bij het uitvallen van één hunner. Gesteld dat[244]zij eens allen in een soortgelijken toestand verkeerden! Dan moest de pacht zelf in gebreke blijven, òf alles zou op hem neerkomen; en daartoe was hij bij lange na niet machtig genoeg.

Hij stond op het punt in dezen geest een antwoord te geven, toen de stem zijner vrouw hem naar detokoriep.

„Wacht even,” zeide hij en ging heen.

Het was Wije, op de hielen gevolgd door van Beek, die heden voor ’t eerst mee had mogen gaan naar het Chineesche kamp. De verkoop aan denSingkehhad nooit heel veel bedragen, vooral niet in den laatsten tijd, doch Wije hield er van bij zijn ouden kennis binnen te loopen, al was het alleen om de groote hartelijkheid waarmee deze hem steeds ontving. En, een klein ordertje schoot er toch dikwijls op over. Zoo ook nu. Het werd afgesloten en Wije wilde zich groetend verwijderen.

Plotseling scheen Piong Pan Ho een denkbeeld[245]door het hoofd te gaan. Met een min of meer haastige beweging stak hij zijn arm door dien van Wije en trok dezen ter zijde.

„Meneer,” begon hij. Maar daar stak van Beek, die zeker meende dat hij er ook bij noodig was, zijn spitsen neus vooruit, tusschen hen beiden in. „A … tjie!” deed Piong Pan Ho, en niesde hem vlak in het gezicht. Beleefd was het niet; misschien dacht deSingkehvan wel; wat hij er echter mee bedoelde gelukte: van Beek week achteruit en poetste zijn brilleglazen af. „Woont meneer nog in hetzelfde huis als vroeger?” fluisterde Piong Pan Ho. „Ik meen te hebben gehoord dat u verhuisd is.”

„Ja,” bevestigde Wije, en duidde hem uit waarheen. „Wou je mij spreken, thuis?”

„Als het mag, van avond na sluiting.… neen, om zeven uur ongeveer.”

„Goed. Kom gerust,” zeide Wije, ziende dat van Beek, onverbeterlijk als hij was, weer naderde. „Dag!”[246]

Piong Pan Ho ging terug naar zijn landgenoot.

„Hoe laat moet je betalen, morgen?”

„Vóór den middag.”

„Best. In de vroegte kom ik bij je. Ik weet nog niet of ik het doen kan.”

„Als je het niet doet, moet ik mij failliet geven,” verklaarde Kan Liong Tjoe. „En dan valt er vooraf nog veel te beredderen.”

„Ik kom vroeg,” beloofde Piong Pan Ho, en daarmee was dit onderhoud afgeloopen.

Toen Wije ’s middags thuis kwam, waarschuwde hij Anneke dat er iemand kwam om over zaken te spreken, dus dat zij niet vóór behoefte te komen. Maar even later, toen zij uit de badkamer kwam en de achtergalerij doorliep, waar hij nog een oogenblik zat af te koelen alvorens haar voorbeeld te volgen, hield hij haar staande.

„Herinner je je dienSingkeh,” vroeg hij, „die eens alsklontongbij ons geweest is, en je toen een armbandje present gaf?”[247]

„Ik geloof niet dat ik hem zou herkennen,” zeide Anneke. „Het is al zoo lang geleden! Maar ik weet nog wel dat ik het kreeg; ook heb ik het snoertje nog. Toen het te nauw werd heeft mama het opgeborgen en bij het uitzoeken heb ik het weerom gevonden.”

Beiden zwegen een oogenblik; de laatste woorden van het meisje hadden een nog gevoelige snaar aangeraakt.

„Nu,” vervolgde hij ten slotte, „die man komt straks hier.”

„Dieklontong?” vroeg zij verbaasd.

„Dat is hij al lang niet meer. Sedert jaren is hijtoko-houder en een goed aangeschreven klant van onze firma. Ja ja, die Chineezen hebben slag van handelen, als het er ten minste inzit. En die Piong Pan Ho … enfin, hij komt vanavond hier.Interesseert het je hem te zien? Hij is bovendien nog een soort natuurwonder.”

„Hoe dat zoo, pa?”[248]

„Wel, dezelfde dankbaarheid, die hem dreef om jou dat ding te geven, schijnt hij nog steeds te koesteren. En dat enkel omdat ik hem even den weg gewezen heb.”

„Dat is zeker iets bijzonders,” lachte Anneke. „Zal ik dadelijk even vóór komen, of wachten tot acht uur?”

„Zoodra hij komt. Want hij maakt natuurlijk geen visite, om op te staan als het schot valt. Als de zaken afgehandeld zijn, maken die lui het meestal niet lang meer. En.… laat wat brandy vóór brengen; iets anders gebruiken zij gewoonlijk niet.”

[249]

1Wat zijn die Hollanders toch slim!↑

1Wat zijn die Hollanders toch slim!↑

1Wat zijn die Hollanders toch slim!↑

1Wat zijn die Hollanders toch slim!↑


Back to IndexNext