IX.

[Inhoud]IX.IX.OORLOG IN HUIS.De hereeniging van vader en dochter was gedurende een korten tijd zeer innig, waartoe ongetwijfeld de omstandigheid meewerkte, dat Wije slechts hoogst zelden mevrouw Duna bezocht. Dit was op haar eigen verlangen;sauver les apparences, noemde zij dat. Wije schikte zich daarin zóó goed, dat hij voorstelde dien schijn nog eenigen tijd voort te blijven redden, ook toen de scheiding tusschen haar en Duna was uitgesproken. Doch daarvan wilde zij niet weten, en hij, gewoon zijn wenschen aan de hare ondergeschikt te stellen, beloofde[224]onmiddellijk voor het „aanteekenen” te zullen zorgen.„Waar zullen we gaan wonen?” vroeg zij.„Wonen? Wel … ik dacht, dat het beste zou zijn te blijven, waar ik nu ben. Het is stil en bescheiden; in ons geval kunnen we niet beter doen dan ons een weinig te cacheeren.”„Je bent een groot kind, Willem, zoo oud als je bent,” betuigde zij. „Hetgeen je daar zegt is de manier om te maken dat je door iedereen met den nek wordt aangezien. We moeten de lui niet naloopen, dat staat vast, maar ons zoo inrichten, dat iedereen trek krijgt bij ons te komen.”„Zonde van de kosten,” bromde Wije, die niet wilde zeggen dat hij juist niet iedereen bij zich of liever bij haar wenschte te zien komen. „Laat ons liever voortgaan, zooals ik reeds lang bezig ben, en sparen, tot we voor goed hier vandaan kunnen.”[225]„Dat zouden we nu al kunnen doen, ten minste als jij er niet op bent achteruit gegaan. Maar ik wil het nog niet. Eerst moeten we hier onze reputatie herwinnen; geloof me, wij zijn goed op weg. Ik heb gezorgd dat men ongeveer wist hoeveel ik bezit; dat heeft indruk gemaakt. Als jij niet altijd had stilgehouden dat je geld had, zouden ze je nooit op die manier links hebben laten liggen. Over de kosten behoef je niet tepikirentrouwens; ik weet altijd over te houden.”Maar hij had er geen zin in en bleef op dit eene punt onverzettelijk, ieder oogenblik een nieuw argument aanbrengende voor zijn inzicht, dat hij beter noemde dan het hare. Daarvan overtuigde hij haar echter niet en het duurde een heele poos eer zij tot een besluit konden komen. Eindelijk gaf zij toe, doch om een reden die hij inconsequent noemde. Onder het praten en nog eens praten had hij, afdwalend van het onderwerp, haar verteld[226]van de zaken die hij deed met Piong Pan Ho, behalve die de suikerfabriek betroffen, en nauwelijks had zij dit vernomen of zij gaf allen tegenstand op. Hoewel het hem sterk intrigeerde, waarom zij, wetend haar plan juist door die omstandigheid beter en gemakkelijker te kunnen uitvoeren, opeens het zijne bijviel, vroeg hij geen uitlegging, blij dat hij de zege behaald had en er een eind kwam aan het geharrewar.Zonder meer dan het strikt noodige werd het huwelijk gesloten. Behalve een paar aardigheden over de „jonggehuwden”, praatte men er ook niet over; men vond dat de zaak behandeld was zoo netjes als het in de gegeven omstandigheden mogelijk was, en voorts wachtte men af.Tot op den trouwdag had Anneke geweigerd haar tweede moeder te zien, doch aan haar vader had zij beloofd geen moeite te zullen veroorzaken als „die mevrouw” in huis kwam, en[227]deze belofte hield zij woordelijk. Zij sprak niet tot haar, keek haar niet aan en zonderde zich af in haar kamer. Het huishouden had zij overgedragen door debaboeeen bos sleutels te geven, met de woorden: „boewat njonja”; aan elken sleutel zat een linnen lapje, met de aangifte van het slot waarop hij paste, in merkinkt. Overdag kwam zij haast niet te voorschijn, dan aan tafel; maar toen de eerste week om was, en mevrouw Wije ’s avonds tegen tien uur naar bed ging, terwijl haar man nog een brandysoda bleef gebruiken in de achtergalerij, hield zij hem geregeld gezelschap. Dan spraken zij over alles en nog wat, doch nimmer over mevrouw Wije. Eens had hij een poging gewaagd daarin verandering te brengen.„Ik doe wat ik kan,” had zij toen gezegd. „Verg niet meer van mij.” En hij had het laten rusten, hopende dat de tijd, die zooveel doet slijten, ook hier zijn plicht zou doen.[228]In den beginne hield Anneke zich bezig met het herlezen van al haar boeken en het bijhouden van hetgeen zij had geleerd, doch langzamerhand gaf zij zich over aan een steeds machtiger wordende zucht tot nietsdoen, tot droomend zitten of liggen in een gemakkelijken stoel, zich wegdenkend uit haar omgeving, in haar verbeelding een nieuwe scheppend waarvan zij het middelpunt vormde. En naarmate haar lichaam loomer werd, werkte haar geest krachtiger, maar ongezonder.„Kijk toch eens naar Anneke,” zeide mevrouw Wije op zekeren dag tot haar man.„Hoezoo?”„Het leven dat zij leidt, bederft haar.”„Wat kan ik er aan doen? Zij wil niet anders. Als jij eens probeerde …”„Ik?” riep zij uit. „Dat kan je begrijpen! Ze zou het mij niet lastig maken … maar zie je dan niet, dat haar geheele doen en laten één doorgaande beleediging voor mij is?[229]De bedienden praten erover en amuseeren er zich mee. En in plaats dat jij er iets aan doet, maak je ’s avonds een gezellig praatje met haar en brengt haar in de meening dat je alles goedvindt.”„Dat weet zij beter,” zeide Wije; „en wat het gezellige aangaat … dat is ook heen. Zij spreekt bijna niet meer.”„Verbeelje wat zij gisteren aan de meid vroeg. Of ik een pandjeshuis of een dobbelkit hield!” ging mevrouw voort. „En dat enkel omdat er een paar inlanders in haar weg zaten, toen ze naar demandie-kamer ging. Zieje, dat verdraag ik niet op den duur; er moet een eind aan gemaakt worden; als zij niet verkiest van houding te veranderen, moet zij het huis uit.”„Gemakkelijker gezegd dan gedaan.”„Als jij wilde verhuizen en menschen ontvangen, zou het niet lang duren.”„Och kom,” zeide Wije, haar latende staan.[230]Dat was het oude praatje, waarover zij in de laatste weken weer was gaan zeuren. En hij verkoos het niet. Het was het eenige waaromtrent hij nog een wil had, en hij had zich schrap gezet om dien te handhaven. Zooals zij nu leefden hielden zij hoe langer hoe meer geld over; daarom was het immers alleen te doen! Geld, veel geld, en dan naar Holland, weg van de plaats waar ieder hun geschiedenis kende. Waarom zou men dingen doen, die het aanbreken van dat oogenblik vertraagden? Om de menschen? Bah, als men geld had kwamen die vanzelf. Maar als zijn vrouw over dat verhuizen begon, wist Wije dat er gewoonlijk iets anders was, dat zij hebben wilde, iets waarvoor zij dan in ruil hem zijn zin gaf. Ditmaal zou het zeker Anneke betreffen, en daarom liep hij weg; want hij durfde zoomin zijn vrouw aan als zijn dochter; als er tusschen die twee iets moest verhandeld worden, mochten zij het voor zijn part zelf[231]doen, maar hem er liefst buiten laten. Hij haalde zijn hoed om uit te gaan; dat was het veiligst. Doch in de binnengalerij moest hij zijn vrouw passeeren, en eerst vertellen waar hij heenging.„Naar Piong Pan Ho,” gaf hij op.„Hm,” deed zij. „Waarom ga jij altijd naar hem toe, en komt hij nooit hier?”„Waarschijnlijk omdat ik hem nu en dan wat te vragen heb dat haast heeft en hij mij nooit.”„Hij kon toch wel eens een visite maken. Kwam hij vroeger?”„Jawel,” zeide Wije. „Misschien heeft hij op een uitnoodiging gewacht; hij is wat dat betreft erg bescheiden.”„Moedig hem dan aan.”„Waartoe? zijn praten kan je onmogelijk interesseeren, en meer geld beleggen kan hij voor ons niet doen; hij zit met het zijne al in den weg. Daarenboven is hij een groot vereerder[232]van Anneke; als hij merkte hoe de verhouding hier is, had je ’t voorgoed verbruid.”Ditmaal scheen het of zij weg wilde loopen, althans zij draaide zich eensklaps om; doch toen Wije een paar stappen verder deed, riep zij hem na: „Doe het toch maar; ik zal wel zorgen dat hij niets merkt.”„Nu, goed,” bromde hij de schouders ophalend. Het zou haar niet meevallen; als er iets te doen was had hij ’t immers wel gedaan gekregen; enfin, ze moest het maar ondervinden, anders was zij toch niet tevreden.Terwijl hij het erf afliep, bleef zij in de binnengalerij staan kijken, tot hij den weg had bereikt; toen sloeg zij de armen omhoog, die strekkende met gevouwen handen; een uitdrukking van groote blijdschap, van voldoening over een goed idee, verspreidde zich over haar trekken.’s Avonds aan tafel sprak zij veel; een paar[233]maal noemde zij Anneke ’s naam, tot heimelijken angst van Wije, die zich afvroeg of het meisje op die pogingen, om met hem als tusschenpersoon een gesprek aan te knoopen, zou ingaan. Maar weldra was hij op dat punt gerustgesteld; Anneke deed als hoorde zij het niet en hield dit vol ook toen mevrouw in de volgende dagen deze nieuwe manier van doen herhaalde en ten slotte bevestigde; zij liet over zich spreken, zelfs aanmerkingen maken, zonder het zich in ’t minst aan te trekken.Wije had bij gelegenheid van zijn laatste bezoek aan Piong Pan Ho de opdracht van zijn vrouw vervuld. DeSingkehwas heel blij en beloofde zoo spoedig mogelijk te zullen komen, maar eerst moest hij de binnenlanden in, voor een dag of veertien. Daarna zou hij de Wije’s opzoeken, zoo dikwijls als hij mocht. De reden waarom hij sinds Wije’s huwelijk er niet geweest was, vloeide[234]voort uit het onthaal dat hij elders gevonden had, in ’t bijzonder van de zijde der dames. De heeren waren vriendelijk genoeg; verscheidenen speelden een partij biljart met hem als hij in de sociëteit kwam, en ook bij de officieele bezoeken die hij gemaakt had als luitenant, traden zij hem welwillend te gemoet, hoewel iets meer uit de hoogte dan anders, als de dames niet tegenwoordig waren. Doch deze behandelden hem als verreweg hun mindere. Daarop waren slechts een paar uitzonderingen, en dat had zijn redenen! Het hinderde hem zoo, dat hij wegbleef overal waar hij niet bepaald verplicht was te komen. Hij had zich laten vertellen dat alleen de Hollanders zoo laag neerzagen op iemand van ander ras; de Engelschen, Duitschers en Franschen waren wat dat betreft beter. Weliswaar deden de Chineezen evenzoo, in hun land, en gebruikten zelfs een heel leelijk woord om een mensch aan te duiden die geen Chinees was, maar[235]sedert zijn komst in Java vond hij dat dom, en het speet hem dat de Hollanders, die in sommige dingen zoo uitstaken, op dit punt zich aanstelden als … Chineezen. Dat Wije het in zijn huis anders wist te dwingen, bewees voor de goede tucht die hij uitoefende.Toen Piong Pan Ho na zijn terugkomst uit het binnenland de Wije’s bezocht, had hij een nieuwe grief. Op een terrein dat hem in eigendom toebehoorde, wilde hij een huis bouwen, en had daartoe de noodige vergunning gevraagd. Nu was de rooimeester bij hem geweest en had hem te kennen gegeven dat niemand hem beletten kon te bouwen, doch dat het plan der woning hem op het vermoeden had gebracht, dat Piong Pan Ho of een andere Chinees het huis na gereedzijn dacht te betrekken; dat mocht niet, daar het terrein in de Europeesche wijk lag, en dus kwam hij den luitenant waarschuwen eer hij begon!Mevrouw Wije steunde hem in zijn klachten.[236]Zij vond dat desobatgroot gelijk had er boos over te zijn; zulk een bepaling was goed om kleine en voddige huisjes, door arme Chineezen bewoond, uit de mooie wijken te houden, maar onzin tegenover iemand die zoo rijk was als Piong Pan Ho. Die vleierij had effect; deSingkehwerd er geheel door ingepalmd. Hij noodigde haar uit eens mee te komen met haar man, om zijn huis te zien en zijn paarden, die nu in ’t donker op den weg stonden. Als zij wilde zou hij zijn rijtuig sturen om hen af te halen, dan had zij meteen gelegenheid eens te zien hoe mooi het vandehandsche paard steigerde bij het aantrekken en onder het loopen aldoortandakte, welk een glad vel zij hadden door het voeren met jonge muizen, waardoor zij tevens zoo vurig werden, dat de koetsier met gestrekte armen, in iedere hand een leidsel, ja met een slag daaromheen gewonden, ze nauwelijks houden kon.Toen Anneke verscheen, bewonderde Wije[237]de slimheid van zijn vrouw. Zij volgde haar taktiek, die zij in de laatste weken had voorbereid, om over het meisje te spreken, nu ook tot Piong Pan Ho, en een enkele maal kon Anneke er niet buiten om denSingkeheen antwoord te geven, dat als het ware indirect sloeg op een gezegde van haar stiefmoeder.Op een oogenblik toen het discours weer liep over het rijtuig van den Chinees, drukte Anneke haar verlangen uit eens in zoo’n wagen te rijden; zij had nog nimmer in een landauer gezeten.„Boleh!” riep Piong Pan Ho. „Nonnamag er een toer mee maken, zoover zij wil. Gaat mevrouw ook mee?”Die vraag bracht mevrouw Wije bijna van haar stuk, doch zich onmiddellijk herstellende bedankte zij, voorgevend nu liever wat te blijven praten.Piong Pan Ho geleidde Anneke naar het rijtuig, zijn orders gevend aan den koetsier.[238]Teruggekomen vroeg hij aan Wije, wanneer deze naar de suikerfabriek dacht te gaan.„Ik kan desnoods morgen,” antwoordde Wije, „maar we reizen er immers samen heen?”„Het is beter dat u alleen gaat,” zeide Piong Pan Ho en bracht allerlei bij voor deze opinie, die enkel voortkwam uit zijn onwil om zich te vertoonen als chef van Europeesch personeel. Wije sprak daartegen van de groote verantwoordelijkheid die hij op zich nam, wanneer hij alleen moest beslissen over de groote verbeteringen die de administrateur voorstelde, maar zwichtte ten slotte, er in zijn hart niets rouwig om dat de ander thuis bleef; want het was nog heel iets anders de gemachtigde te zijn van een Chinees, als zich in het publiek met hem te begeven als zijn ondergeschikte.Intusschen reed Anneke Bodjong en Pontjol rond, zich vreemd gevoelend in die bekende buurten, als iemand die na een langdurige[239]ziekte voor het eerst uitgaat. Het was haar of alles kleiner, enger geworden was; dan het herkennen van plekjes en het herleven der herinneringen daaraan verbonden, door de snelle opvolging wel aandoening opwekkend doch geen indruk makend, weer verdwijnend als de ademtocht op een warme glasruit. Dicht bij huis dook zij weg in den ruimen wagenbak, slechts aan het trillen van de randen en het doffe rommelen der wielen onder haar bemerkend dat zij voortging, steeds nader en nader bij de plaats die zij haatte en niet wilde zien voor het laatste oogenblik.Niet lang na haar terugkomst, nam Piong Pan Ho afscheid.Wije ging dus alleen naar Japara. Voor zijn vertrek had hij een ernstig onderhoud met zijn vrouw en daarna met Anneke, die nu gedurende eenige dagen alleen achter zouden blijven, en hij nam beiden de belofte af dat zij in zijn afwezigheid elkaar niet in het[240]haar zouden vliegen. In stilte hoopte hij dat zij het wel mochten doen, daar een uitbarsting tusschen die twee zijns inziens het eenige middel was tot een toenadering, die hij hartelijk wenschte. Want die eeuwige stootkussendienst verveelde hem en was oorzaak dat eigenlijk alles hem tegenstond. Soms, als hij alleen was, wond hij zich op over de zonderlinge positie die hij innam in zijn huis, en nam zich voor er door forsche maatregelen een verandering in te brengen. Welzeker, een klein standje was een groot gemak, en als hij nu zijn vrouw … of neen, die deed niets, maar Anneke eens flink onderhanden nam … Het lamme was, dat telkens als hij wou beginnen, zij hem aankeek met die groote, weemoedig starende oogen, die hem aan haar moeder herinnerden en de woorden deden stokken in zijn keel. Feitelijk had hij nooit goed tegen vrouwen opgekund, en tegenwoordig minder dan ooit; doch zijn vrouw had[241]gelijk: één van hen moest het huis uit en dan natuurlijk Anneke. Zoodra hij terugkwam zou hij daarover met haar spreken en een middel beramen om daartoe te geraken. Was het noodig menschen en met name jongelui te ontvangen, in godsnaam dan!Terwijl hij zoo zat te soezen in den reiswagen, bevond zich mevrouw Wije bij Piong Pan Ho. Het huis en de paarden waren bekeken en bewonderd, toen zij, zich zettend in de voorgalerij der ongebruikte woning, hem met een enkel woord aanleiding gaf om nog eens breed uit te wijden over zijn grieven tegen de houding der Europeanen jegens hem. En hem meer en meer aanmoedigend, bemerkte zij na weinig tijd, dat deSingkehhet zich buitengewoon zwaar aantrok niet te worden gelijkgesteld, althans met zulke Europeanen, die evenals hij, bij gebrek aan beter, in Indië waren verzeild geraakt en daar iets waren geworden … of niets. Had hij geen geld en[242]mooie dingen; kon hij niet meepraten over de Europeesche politiek, over Bismarck en Disraeli, zelfs zonder in de war te raken met de namen der landen en regeerende vorsten; hakkelde hij als hij sprak, hoogstens de helft gebruikende van de woorden die noodig waren om uit te drukken wat men bedoelde; dronk hij of vloekte hij.…?„Neen luitenant, dàt is het niet,” zeide mevrouwWijeeindelijk. „Het zit hem in de vrouwen.”„Janjonja, die zijn het ergst.”„Ik meen niet onze dames, maar jelui vrouwen.”„Bagimana, wat doen die?” vroeg Piong Pan Ho verwonderd.„In de eerste plaats weet niemand hoe je er aan komt,” antwoordde zij.„Wij trouwen ze, net als deorang Olanda.”„Nu ja … De zaak is, dat de Europeanen gewoon zijn om niet slechts naar den man te kijken, maar ook naar de vrouw. Als iemand[243]getrouwd is, moet men zijn echtgenoote eveneens ontvangen, en die moet met onze dames kunnen praten, zonder dat deze zich moeite behoeven te geven; in één woord, zij moet haars gelijke zijn.”DeSingkehzuchtte.„Soesah,” zeide hij; „zulke vrouwen kunnen wij hier niet krijgen. In China zijn er wel, die weten te babbelen over allerlei, en steeds van ieder schandaaltje op de hoogte zijn; maar die mogen niet worden uitgevoerd.”„Men moet zoeken waar iets te vinden is,” hernam zij, „en niet de oogen wenden in een verkeerde richting.”„Ja,” beaamde hij, „ik begrijp al wat mevrouw bedoelt. Misschien is er in het binnenland een regent te vinden, die geld noodig heeft en mij daarvoor een dochter zou willen afstaan.”„Mis. Die inlandsche vrouwen zijn allen precies eender, onverschillig of zij van hooge of lage geboorte zijn. Onder hen moet je niet[244]zoeken, luitenant. Ook niet bij de zoogenaamde Chineesche, maar bij de Hollandsche meisjes, en liefst die op Bodjong wonen.”„Mevrouw maakt gekheid,” zeide Piong Pan Ho.„Heusch niet; ik meen wat ik zeg. Het maakt een groot verschil uit of je een visite komt maken en een praatje houdt, dat hen verveelt misschien, of dat je zegt:nonna, wilt u met me trouwen, ik bezit meer geld dan al de menschen hier op Bodjong te zamen.”Piong Pan Ho was stil. Het denkbeeld, dat zijn bezoekster had geopperd, begon te pakken. Zij was toch ook een Hollandsche vrouw en kende haar soort; maar anders had hij het nooit durven denken. Hoe, een dier trotsche dames zou met hem willen samenwonen, als zijn echtgenoote? Zij, die zijn hand aanvatten alsof zij vies van hem waren? Doch als hij bedacht wat men al niet voor geld kon gedaan krijgen op ander gebied … ja, dan kon zij[245]wel gelijk hebben. Het zou niet onaardig zijn, zoo’n blanke vrouw! Laatst, op het officieele bal had hij zijn oogen uitgekeken, den SoerabajaschenBabah, die den heelen avond naast hem gezeten had, sterk benijdend, toen deze hem vertelde hoe daar ter plaatse de Chineezen op al hun feesten diezelfde mooie dames voor zich lieten dansen, precies zoo gekleed als bij die gelegenheid. En dan het voordeel van niet langer uit de hoogte te worden behandeld …„Weet mevrouw er een,” vroeg hij eindelijk.„Niet zoo dadelijk,” antwoordde zij; „maar ik wil wel eens rondkijken, luitenant.” En zij stond op. Doch eensklaps scheen haar iets in te vallen. „De dochter van mijn man; hoe zou je die lijken?”Den mond opengesperd, de wenkbrauwen schuin omhoog getrokken, beide handen opgeheven met gespreide vingers, de duimen wijzend naar zijn jukbeenderen, wijdbeens en wiegelend naar links en rechts op zijn heupen, stond[246]Piong Pan Ho daar, een type van eenwajang-figuur, in de eerste oogenblikken onmachtig een woord uit te brengen van schrik en verrassing.Zij was er ten zeerste door getroffen, meenende de houding van denSingkehte moeten toeschrijven aan het plotseling hooren uitspreken van een geheim, dat hij zich verbeeld had in het diepst van zijn gemoed verborgen te zijn; iets dat hij niet bekend wilde hebben, eer hij na lange voorbereiding en goed gewikte intriges, zeker was van zijn slag; dat, verraden zijnde, hem overleverde aan degeen die het wist, of al zijn moeite en wenschen verijdelde.Doch zij vergiste zich. De gedachte zelfs aan Anneke Wije had bij Piong Pan Ho nog niet bestaan en onder de figuren, die bij het zooeven gehouden gesprek hem voor de oogen hadden gezweefd, bevond zich de hare niet. Als een ander als haar stiefmoeder het voorstel had gedaan,[247]zou hij dien uitgelachen hebben of zich boos gemaakt. Dat meisje stond voor hem onbereikbaar hoog. Want hij zag zeer goed in, dat niettegenstaande den eenvoudigen toon waarop zijn bezoekster over de zaak sprak, de uitvoering niet zonder moeite zou geschieden. Het was mogelijk dat er een zwichtte voor een zeer hoog bod van zijn kant, doch overigens zouden zoowel de belanghebbende als alle andere Europeanen het feit, dat een hunner meisjes huwde met een Chinees, als een onteering beschouwen voor haar en haar familie. Zoo waren ze nu eenmaal; en wien hij ook zou durven naderen met een vraag van die strekking, Wije niet. De rest … bah! Bij die durfde hij met alles aankomen; hun prestige hadden zij door hun manier van hem te behandelen geheel verspeeld. Maar Wije was zoo geheel verschillend; hij sprak nooit uit de hoogte, geneerde zich niet om vriendelijk te zijn en deed alles wat hij ter hand nam, solide en goed. Dat de andere[248]Europeanen hem ietwat links lieten liggen, wist Piong Pan Ho best, en hij verklaarde dat op Chineesche manier: Wije was gelukkig geweest en werd benijd, omdat men het wist; zoo hij het verborgen had kunnen houden zou niemand het hem lastig maken; nu was het een quaestie van tijd, van afwachten tot hij zooveel bezat dat men hem niet meer aandurfde. Voor Piong Pan Ho was dat geen reden om hem minder te achten, minder tegen hem op te zien; wantdàtdeed hij. Daarop had de houding van de anderen geen invloed, noch ook het gebeurde met de tegenwoordige mevrouw Wije, waarin deSingkehtrouwens zoo veel niet zag. Neen, Wije kon nog heel wat doen eer Piong Pan Ho hem op een lijn stelde met de rest, eer hij hem zou durven voorstellen wat daareven was gezegd. Daar schrok hij van.„Houdt u niet van denonna?” vroeg hij wantrouwend.„Neen, niet erg,” erkende zij na eenig aarzelen.[249]„Maar alleen omdat zij haar vader plaagt.”„Massa!”„Heusch, het is zoo. Zij was, eer ik kwam, baas in huis … begrijp je?”Piong Pan Ho knikte.„Nu dwingt ze om eruit te komen,” ging mevrouw Wije voort. „En daarom hebben mijn man en ik besloten er werk van te maken.”„Dus weet meneer, dat u met mij zoo spreekt?” vroeg de Chinees, diep ademend.„Welneen, ik bedacht het nu pas.”„Ah,” deed hij teleurgesteld, „dan komt er niets van.”„Waarom niet?”„Meneer zal niet willen.”Zij zweeg en maakte de beweging van geldtellen met duim en wijsvinger; doch Piong Pan Ho schudde het hoofd ongeloovig.„Dat kan meneer zelf verdienen,” zeide hij.„Als daar nu eens bijkwam, datikhet wilde?”[250]„Dan zou het misschien lukken,” zeide hij langzaam, als in zich zelf sprekende. Hij kende den invloed dien de Europeesche vrouwen op hun mannen uitoefenden, doch met zijn beschouwingen over Wije, twijfelde hij nog of dat ook bij dezen opging. Alleen voor ’t geval dat zij waarheid sprak en haar man eveneens wenschte dat Anneke, hoe dan ook, het huis uit ging, was het mogelijk.„Laat ons eens zaken bespreken,” sloeg zij voor. „Ik kan er met mijn man alleen dan over beginnen, als ik hem tevens kan mededeelen dat zoowel zijn eigen toekomst als die zijner dochter verzekerd zou zijn; vooral het laatste.”Piong Pan Ho vond het goed en heel wat gemakkelijker dan wat tot nu toe verhandeld was. Toen mevrouw Wije ten tweeden male opstond om heen te gaan waren zij het op alle punten eens.„Je moet alleen wat geduld hebben,” was[251]haar laatste woord geweest en dat had hij beloofd, intusschen onmiddellijk een aanvang makende met al hetgeen hij van zijn kant te doen had. Dat bestond vooreerst in het verstooten van zijn Javaansche echtgenoote. En daarbij kwam heel wat kijken; want zij vertegenwoordigde de huishouding en detoko. De laatste had wel niet zoo heel veel meer te beteekenen, doch een opruiming geeft altijd werk, te meer daar de goederen en inventaris moesten worden overgebracht naar Bodja, alwaar de verstooten vrouw werd gezet in een eigen zaakje. Hettoko-gebouw werd gedeeltelijk ingericht als woonhuis, terwijl het op een derde van de breedte werd doorgeslagen tot een inrij voor het daarachter gelegen gebouw.[252]

[Inhoud]IX.IX.OORLOG IN HUIS.De hereeniging van vader en dochter was gedurende een korten tijd zeer innig, waartoe ongetwijfeld de omstandigheid meewerkte, dat Wije slechts hoogst zelden mevrouw Duna bezocht. Dit was op haar eigen verlangen;sauver les apparences, noemde zij dat. Wije schikte zich daarin zóó goed, dat hij voorstelde dien schijn nog eenigen tijd voort te blijven redden, ook toen de scheiding tusschen haar en Duna was uitgesproken. Doch daarvan wilde zij niet weten, en hij, gewoon zijn wenschen aan de hare ondergeschikt te stellen, beloofde[224]onmiddellijk voor het „aanteekenen” te zullen zorgen.„Waar zullen we gaan wonen?” vroeg zij.„Wonen? Wel … ik dacht, dat het beste zou zijn te blijven, waar ik nu ben. Het is stil en bescheiden; in ons geval kunnen we niet beter doen dan ons een weinig te cacheeren.”„Je bent een groot kind, Willem, zoo oud als je bent,” betuigde zij. „Hetgeen je daar zegt is de manier om te maken dat je door iedereen met den nek wordt aangezien. We moeten de lui niet naloopen, dat staat vast, maar ons zoo inrichten, dat iedereen trek krijgt bij ons te komen.”„Zonde van de kosten,” bromde Wije, die niet wilde zeggen dat hij juist niet iedereen bij zich of liever bij haar wenschte te zien komen. „Laat ons liever voortgaan, zooals ik reeds lang bezig ben, en sparen, tot we voor goed hier vandaan kunnen.”[225]„Dat zouden we nu al kunnen doen, ten minste als jij er niet op bent achteruit gegaan. Maar ik wil het nog niet. Eerst moeten we hier onze reputatie herwinnen; geloof me, wij zijn goed op weg. Ik heb gezorgd dat men ongeveer wist hoeveel ik bezit; dat heeft indruk gemaakt. Als jij niet altijd had stilgehouden dat je geld had, zouden ze je nooit op die manier links hebben laten liggen. Over de kosten behoef je niet tepikirentrouwens; ik weet altijd over te houden.”Maar hij had er geen zin in en bleef op dit eene punt onverzettelijk, ieder oogenblik een nieuw argument aanbrengende voor zijn inzicht, dat hij beter noemde dan het hare. Daarvan overtuigde hij haar echter niet en het duurde een heele poos eer zij tot een besluit konden komen. Eindelijk gaf zij toe, doch om een reden die hij inconsequent noemde. Onder het praten en nog eens praten had hij, afdwalend van het onderwerp, haar verteld[226]van de zaken die hij deed met Piong Pan Ho, behalve die de suikerfabriek betroffen, en nauwelijks had zij dit vernomen of zij gaf allen tegenstand op. Hoewel het hem sterk intrigeerde, waarom zij, wetend haar plan juist door die omstandigheid beter en gemakkelijker te kunnen uitvoeren, opeens het zijne bijviel, vroeg hij geen uitlegging, blij dat hij de zege behaald had en er een eind kwam aan het geharrewar.Zonder meer dan het strikt noodige werd het huwelijk gesloten. Behalve een paar aardigheden over de „jonggehuwden”, praatte men er ook niet over; men vond dat de zaak behandeld was zoo netjes als het in de gegeven omstandigheden mogelijk was, en voorts wachtte men af.Tot op den trouwdag had Anneke geweigerd haar tweede moeder te zien, doch aan haar vader had zij beloofd geen moeite te zullen veroorzaken als „die mevrouw” in huis kwam, en[227]deze belofte hield zij woordelijk. Zij sprak niet tot haar, keek haar niet aan en zonderde zich af in haar kamer. Het huishouden had zij overgedragen door debaboeeen bos sleutels te geven, met de woorden: „boewat njonja”; aan elken sleutel zat een linnen lapje, met de aangifte van het slot waarop hij paste, in merkinkt. Overdag kwam zij haast niet te voorschijn, dan aan tafel; maar toen de eerste week om was, en mevrouw Wije ’s avonds tegen tien uur naar bed ging, terwijl haar man nog een brandysoda bleef gebruiken in de achtergalerij, hield zij hem geregeld gezelschap. Dan spraken zij over alles en nog wat, doch nimmer over mevrouw Wije. Eens had hij een poging gewaagd daarin verandering te brengen.„Ik doe wat ik kan,” had zij toen gezegd. „Verg niet meer van mij.” En hij had het laten rusten, hopende dat de tijd, die zooveel doet slijten, ook hier zijn plicht zou doen.[228]In den beginne hield Anneke zich bezig met het herlezen van al haar boeken en het bijhouden van hetgeen zij had geleerd, doch langzamerhand gaf zij zich over aan een steeds machtiger wordende zucht tot nietsdoen, tot droomend zitten of liggen in een gemakkelijken stoel, zich wegdenkend uit haar omgeving, in haar verbeelding een nieuwe scheppend waarvan zij het middelpunt vormde. En naarmate haar lichaam loomer werd, werkte haar geest krachtiger, maar ongezonder.„Kijk toch eens naar Anneke,” zeide mevrouw Wije op zekeren dag tot haar man.„Hoezoo?”„Het leven dat zij leidt, bederft haar.”„Wat kan ik er aan doen? Zij wil niet anders. Als jij eens probeerde …”„Ik?” riep zij uit. „Dat kan je begrijpen! Ze zou het mij niet lastig maken … maar zie je dan niet, dat haar geheele doen en laten één doorgaande beleediging voor mij is?[229]De bedienden praten erover en amuseeren er zich mee. En in plaats dat jij er iets aan doet, maak je ’s avonds een gezellig praatje met haar en brengt haar in de meening dat je alles goedvindt.”„Dat weet zij beter,” zeide Wije; „en wat het gezellige aangaat … dat is ook heen. Zij spreekt bijna niet meer.”„Verbeelje wat zij gisteren aan de meid vroeg. Of ik een pandjeshuis of een dobbelkit hield!” ging mevrouw voort. „En dat enkel omdat er een paar inlanders in haar weg zaten, toen ze naar demandie-kamer ging. Zieje, dat verdraag ik niet op den duur; er moet een eind aan gemaakt worden; als zij niet verkiest van houding te veranderen, moet zij het huis uit.”„Gemakkelijker gezegd dan gedaan.”„Als jij wilde verhuizen en menschen ontvangen, zou het niet lang duren.”„Och kom,” zeide Wije, haar latende staan.[230]Dat was het oude praatje, waarover zij in de laatste weken weer was gaan zeuren. En hij verkoos het niet. Het was het eenige waaromtrent hij nog een wil had, en hij had zich schrap gezet om dien te handhaven. Zooals zij nu leefden hielden zij hoe langer hoe meer geld over; daarom was het immers alleen te doen! Geld, veel geld, en dan naar Holland, weg van de plaats waar ieder hun geschiedenis kende. Waarom zou men dingen doen, die het aanbreken van dat oogenblik vertraagden? Om de menschen? Bah, als men geld had kwamen die vanzelf. Maar als zijn vrouw over dat verhuizen begon, wist Wije dat er gewoonlijk iets anders was, dat zij hebben wilde, iets waarvoor zij dan in ruil hem zijn zin gaf. Ditmaal zou het zeker Anneke betreffen, en daarom liep hij weg; want hij durfde zoomin zijn vrouw aan als zijn dochter; als er tusschen die twee iets moest verhandeld worden, mochten zij het voor zijn part zelf[231]doen, maar hem er liefst buiten laten. Hij haalde zijn hoed om uit te gaan; dat was het veiligst. Doch in de binnengalerij moest hij zijn vrouw passeeren, en eerst vertellen waar hij heenging.„Naar Piong Pan Ho,” gaf hij op.„Hm,” deed zij. „Waarom ga jij altijd naar hem toe, en komt hij nooit hier?”„Waarschijnlijk omdat ik hem nu en dan wat te vragen heb dat haast heeft en hij mij nooit.”„Hij kon toch wel eens een visite maken. Kwam hij vroeger?”„Jawel,” zeide Wije. „Misschien heeft hij op een uitnoodiging gewacht; hij is wat dat betreft erg bescheiden.”„Moedig hem dan aan.”„Waartoe? zijn praten kan je onmogelijk interesseeren, en meer geld beleggen kan hij voor ons niet doen; hij zit met het zijne al in den weg. Daarenboven is hij een groot vereerder[232]van Anneke; als hij merkte hoe de verhouding hier is, had je ’t voorgoed verbruid.”Ditmaal scheen het of zij weg wilde loopen, althans zij draaide zich eensklaps om; doch toen Wije een paar stappen verder deed, riep zij hem na: „Doe het toch maar; ik zal wel zorgen dat hij niets merkt.”„Nu, goed,” bromde hij de schouders ophalend. Het zou haar niet meevallen; als er iets te doen was had hij ’t immers wel gedaan gekregen; enfin, ze moest het maar ondervinden, anders was zij toch niet tevreden.Terwijl hij het erf afliep, bleef zij in de binnengalerij staan kijken, tot hij den weg had bereikt; toen sloeg zij de armen omhoog, die strekkende met gevouwen handen; een uitdrukking van groote blijdschap, van voldoening over een goed idee, verspreidde zich over haar trekken.’s Avonds aan tafel sprak zij veel; een paar[233]maal noemde zij Anneke ’s naam, tot heimelijken angst van Wije, die zich afvroeg of het meisje op die pogingen, om met hem als tusschenpersoon een gesprek aan te knoopen, zou ingaan. Maar weldra was hij op dat punt gerustgesteld; Anneke deed als hoorde zij het niet en hield dit vol ook toen mevrouw in de volgende dagen deze nieuwe manier van doen herhaalde en ten slotte bevestigde; zij liet over zich spreken, zelfs aanmerkingen maken, zonder het zich in ’t minst aan te trekken.Wije had bij gelegenheid van zijn laatste bezoek aan Piong Pan Ho de opdracht van zijn vrouw vervuld. DeSingkehwas heel blij en beloofde zoo spoedig mogelijk te zullen komen, maar eerst moest hij de binnenlanden in, voor een dag of veertien. Daarna zou hij de Wije’s opzoeken, zoo dikwijls als hij mocht. De reden waarom hij sinds Wije’s huwelijk er niet geweest was, vloeide[234]voort uit het onthaal dat hij elders gevonden had, in ’t bijzonder van de zijde der dames. De heeren waren vriendelijk genoeg; verscheidenen speelden een partij biljart met hem als hij in de sociëteit kwam, en ook bij de officieele bezoeken die hij gemaakt had als luitenant, traden zij hem welwillend te gemoet, hoewel iets meer uit de hoogte dan anders, als de dames niet tegenwoordig waren. Doch deze behandelden hem als verreweg hun mindere. Daarop waren slechts een paar uitzonderingen, en dat had zijn redenen! Het hinderde hem zoo, dat hij wegbleef overal waar hij niet bepaald verplicht was te komen. Hij had zich laten vertellen dat alleen de Hollanders zoo laag neerzagen op iemand van ander ras; de Engelschen, Duitschers en Franschen waren wat dat betreft beter. Weliswaar deden de Chineezen evenzoo, in hun land, en gebruikten zelfs een heel leelijk woord om een mensch aan te duiden die geen Chinees was, maar[235]sedert zijn komst in Java vond hij dat dom, en het speet hem dat de Hollanders, die in sommige dingen zoo uitstaken, op dit punt zich aanstelden als … Chineezen. Dat Wije het in zijn huis anders wist te dwingen, bewees voor de goede tucht die hij uitoefende.Toen Piong Pan Ho na zijn terugkomst uit het binnenland de Wije’s bezocht, had hij een nieuwe grief. Op een terrein dat hem in eigendom toebehoorde, wilde hij een huis bouwen, en had daartoe de noodige vergunning gevraagd. Nu was de rooimeester bij hem geweest en had hem te kennen gegeven dat niemand hem beletten kon te bouwen, doch dat het plan der woning hem op het vermoeden had gebracht, dat Piong Pan Ho of een andere Chinees het huis na gereedzijn dacht te betrekken; dat mocht niet, daar het terrein in de Europeesche wijk lag, en dus kwam hij den luitenant waarschuwen eer hij begon!Mevrouw Wije steunde hem in zijn klachten.[236]Zij vond dat desobatgroot gelijk had er boos over te zijn; zulk een bepaling was goed om kleine en voddige huisjes, door arme Chineezen bewoond, uit de mooie wijken te houden, maar onzin tegenover iemand die zoo rijk was als Piong Pan Ho. Die vleierij had effect; deSingkehwerd er geheel door ingepalmd. Hij noodigde haar uit eens mee te komen met haar man, om zijn huis te zien en zijn paarden, die nu in ’t donker op den weg stonden. Als zij wilde zou hij zijn rijtuig sturen om hen af te halen, dan had zij meteen gelegenheid eens te zien hoe mooi het vandehandsche paard steigerde bij het aantrekken en onder het loopen aldoortandakte, welk een glad vel zij hadden door het voeren met jonge muizen, waardoor zij tevens zoo vurig werden, dat de koetsier met gestrekte armen, in iedere hand een leidsel, ja met een slag daaromheen gewonden, ze nauwelijks houden kon.Toen Anneke verscheen, bewonderde Wije[237]de slimheid van zijn vrouw. Zij volgde haar taktiek, die zij in de laatste weken had voorbereid, om over het meisje te spreken, nu ook tot Piong Pan Ho, en een enkele maal kon Anneke er niet buiten om denSingkeheen antwoord te geven, dat als het ware indirect sloeg op een gezegde van haar stiefmoeder.Op een oogenblik toen het discours weer liep over het rijtuig van den Chinees, drukte Anneke haar verlangen uit eens in zoo’n wagen te rijden; zij had nog nimmer in een landauer gezeten.„Boleh!” riep Piong Pan Ho. „Nonnamag er een toer mee maken, zoover zij wil. Gaat mevrouw ook mee?”Die vraag bracht mevrouw Wije bijna van haar stuk, doch zich onmiddellijk herstellende bedankte zij, voorgevend nu liever wat te blijven praten.Piong Pan Ho geleidde Anneke naar het rijtuig, zijn orders gevend aan den koetsier.[238]Teruggekomen vroeg hij aan Wije, wanneer deze naar de suikerfabriek dacht te gaan.„Ik kan desnoods morgen,” antwoordde Wije, „maar we reizen er immers samen heen?”„Het is beter dat u alleen gaat,” zeide Piong Pan Ho en bracht allerlei bij voor deze opinie, die enkel voortkwam uit zijn onwil om zich te vertoonen als chef van Europeesch personeel. Wije sprak daartegen van de groote verantwoordelijkheid die hij op zich nam, wanneer hij alleen moest beslissen over de groote verbeteringen die de administrateur voorstelde, maar zwichtte ten slotte, er in zijn hart niets rouwig om dat de ander thuis bleef; want het was nog heel iets anders de gemachtigde te zijn van een Chinees, als zich in het publiek met hem te begeven als zijn ondergeschikte.Intusschen reed Anneke Bodjong en Pontjol rond, zich vreemd gevoelend in die bekende buurten, als iemand die na een langdurige[239]ziekte voor het eerst uitgaat. Het was haar of alles kleiner, enger geworden was; dan het herkennen van plekjes en het herleven der herinneringen daaraan verbonden, door de snelle opvolging wel aandoening opwekkend doch geen indruk makend, weer verdwijnend als de ademtocht op een warme glasruit. Dicht bij huis dook zij weg in den ruimen wagenbak, slechts aan het trillen van de randen en het doffe rommelen der wielen onder haar bemerkend dat zij voortging, steeds nader en nader bij de plaats die zij haatte en niet wilde zien voor het laatste oogenblik.Niet lang na haar terugkomst, nam Piong Pan Ho afscheid.Wije ging dus alleen naar Japara. Voor zijn vertrek had hij een ernstig onderhoud met zijn vrouw en daarna met Anneke, die nu gedurende eenige dagen alleen achter zouden blijven, en hij nam beiden de belofte af dat zij in zijn afwezigheid elkaar niet in het[240]haar zouden vliegen. In stilte hoopte hij dat zij het wel mochten doen, daar een uitbarsting tusschen die twee zijns inziens het eenige middel was tot een toenadering, die hij hartelijk wenschte. Want die eeuwige stootkussendienst verveelde hem en was oorzaak dat eigenlijk alles hem tegenstond. Soms, als hij alleen was, wond hij zich op over de zonderlinge positie die hij innam in zijn huis, en nam zich voor er door forsche maatregelen een verandering in te brengen. Welzeker, een klein standje was een groot gemak, en als hij nu zijn vrouw … of neen, die deed niets, maar Anneke eens flink onderhanden nam … Het lamme was, dat telkens als hij wou beginnen, zij hem aankeek met die groote, weemoedig starende oogen, die hem aan haar moeder herinnerden en de woorden deden stokken in zijn keel. Feitelijk had hij nooit goed tegen vrouwen opgekund, en tegenwoordig minder dan ooit; doch zijn vrouw had[241]gelijk: één van hen moest het huis uit en dan natuurlijk Anneke. Zoodra hij terugkwam zou hij daarover met haar spreken en een middel beramen om daartoe te geraken. Was het noodig menschen en met name jongelui te ontvangen, in godsnaam dan!Terwijl hij zoo zat te soezen in den reiswagen, bevond zich mevrouw Wije bij Piong Pan Ho. Het huis en de paarden waren bekeken en bewonderd, toen zij, zich zettend in de voorgalerij der ongebruikte woning, hem met een enkel woord aanleiding gaf om nog eens breed uit te wijden over zijn grieven tegen de houding der Europeanen jegens hem. En hem meer en meer aanmoedigend, bemerkte zij na weinig tijd, dat deSingkehhet zich buitengewoon zwaar aantrok niet te worden gelijkgesteld, althans met zulke Europeanen, die evenals hij, bij gebrek aan beter, in Indië waren verzeild geraakt en daar iets waren geworden … of niets. Had hij geen geld en[242]mooie dingen; kon hij niet meepraten over de Europeesche politiek, over Bismarck en Disraeli, zelfs zonder in de war te raken met de namen der landen en regeerende vorsten; hakkelde hij als hij sprak, hoogstens de helft gebruikende van de woorden die noodig waren om uit te drukken wat men bedoelde; dronk hij of vloekte hij.…?„Neen luitenant, dàt is het niet,” zeide mevrouwWijeeindelijk. „Het zit hem in de vrouwen.”„Janjonja, die zijn het ergst.”„Ik meen niet onze dames, maar jelui vrouwen.”„Bagimana, wat doen die?” vroeg Piong Pan Ho verwonderd.„In de eerste plaats weet niemand hoe je er aan komt,” antwoordde zij.„Wij trouwen ze, net als deorang Olanda.”„Nu ja … De zaak is, dat de Europeanen gewoon zijn om niet slechts naar den man te kijken, maar ook naar de vrouw. Als iemand[243]getrouwd is, moet men zijn echtgenoote eveneens ontvangen, en die moet met onze dames kunnen praten, zonder dat deze zich moeite behoeven te geven; in één woord, zij moet haars gelijke zijn.”DeSingkehzuchtte.„Soesah,” zeide hij; „zulke vrouwen kunnen wij hier niet krijgen. In China zijn er wel, die weten te babbelen over allerlei, en steeds van ieder schandaaltje op de hoogte zijn; maar die mogen niet worden uitgevoerd.”„Men moet zoeken waar iets te vinden is,” hernam zij, „en niet de oogen wenden in een verkeerde richting.”„Ja,” beaamde hij, „ik begrijp al wat mevrouw bedoelt. Misschien is er in het binnenland een regent te vinden, die geld noodig heeft en mij daarvoor een dochter zou willen afstaan.”„Mis. Die inlandsche vrouwen zijn allen precies eender, onverschillig of zij van hooge of lage geboorte zijn. Onder hen moet je niet[244]zoeken, luitenant. Ook niet bij de zoogenaamde Chineesche, maar bij de Hollandsche meisjes, en liefst die op Bodjong wonen.”„Mevrouw maakt gekheid,” zeide Piong Pan Ho.„Heusch niet; ik meen wat ik zeg. Het maakt een groot verschil uit of je een visite komt maken en een praatje houdt, dat hen verveelt misschien, of dat je zegt:nonna, wilt u met me trouwen, ik bezit meer geld dan al de menschen hier op Bodjong te zamen.”Piong Pan Ho was stil. Het denkbeeld, dat zijn bezoekster had geopperd, begon te pakken. Zij was toch ook een Hollandsche vrouw en kende haar soort; maar anders had hij het nooit durven denken. Hoe, een dier trotsche dames zou met hem willen samenwonen, als zijn echtgenoote? Zij, die zijn hand aanvatten alsof zij vies van hem waren? Doch als hij bedacht wat men al niet voor geld kon gedaan krijgen op ander gebied … ja, dan kon zij[245]wel gelijk hebben. Het zou niet onaardig zijn, zoo’n blanke vrouw! Laatst, op het officieele bal had hij zijn oogen uitgekeken, den SoerabajaschenBabah, die den heelen avond naast hem gezeten had, sterk benijdend, toen deze hem vertelde hoe daar ter plaatse de Chineezen op al hun feesten diezelfde mooie dames voor zich lieten dansen, precies zoo gekleed als bij die gelegenheid. En dan het voordeel van niet langer uit de hoogte te worden behandeld …„Weet mevrouw er een,” vroeg hij eindelijk.„Niet zoo dadelijk,” antwoordde zij; „maar ik wil wel eens rondkijken, luitenant.” En zij stond op. Doch eensklaps scheen haar iets in te vallen. „De dochter van mijn man; hoe zou je die lijken?”Den mond opengesperd, de wenkbrauwen schuin omhoog getrokken, beide handen opgeheven met gespreide vingers, de duimen wijzend naar zijn jukbeenderen, wijdbeens en wiegelend naar links en rechts op zijn heupen, stond[246]Piong Pan Ho daar, een type van eenwajang-figuur, in de eerste oogenblikken onmachtig een woord uit te brengen van schrik en verrassing.Zij was er ten zeerste door getroffen, meenende de houding van denSingkehte moeten toeschrijven aan het plotseling hooren uitspreken van een geheim, dat hij zich verbeeld had in het diepst van zijn gemoed verborgen te zijn; iets dat hij niet bekend wilde hebben, eer hij na lange voorbereiding en goed gewikte intriges, zeker was van zijn slag; dat, verraden zijnde, hem overleverde aan degeen die het wist, of al zijn moeite en wenschen verijdelde.Doch zij vergiste zich. De gedachte zelfs aan Anneke Wije had bij Piong Pan Ho nog niet bestaan en onder de figuren, die bij het zooeven gehouden gesprek hem voor de oogen hadden gezweefd, bevond zich de hare niet. Als een ander als haar stiefmoeder het voorstel had gedaan,[247]zou hij dien uitgelachen hebben of zich boos gemaakt. Dat meisje stond voor hem onbereikbaar hoog. Want hij zag zeer goed in, dat niettegenstaande den eenvoudigen toon waarop zijn bezoekster over de zaak sprak, de uitvoering niet zonder moeite zou geschieden. Het was mogelijk dat er een zwichtte voor een zeer hoog bod van zijn kant, doch overigens zouden zoowel de belanghebbende als alle andere Europeanen het feit, dat een hunner meisjes huwde met een Chinees, als een onteering beschouwen voor haar en haar familie. Zoo waren ze nu eenmaal; en wien hij ook zou durven naderen met een vraag van die strekking, Wije niet. De rest … bah! Bij die durfde hij met alles aankomen; hun prestige hadden zij door hun manier van hem te behandelen geheel verspeeld. Maar Wije was zoo geheel verschillend; hij sprak nooit uit de hoogte, geneerde zich niet om vriendelijk te zijn en deed alles wat hij ter hand nam, solide en goed. Dat de andere[248]Europeanen hem ietwat links lieten liggen, wist Piong Pan Ho best, en hij verklaarde dat op Chineesche manier: Wije was gelukkig geweest en werd benijd, omdat men het wist; zoo hij het verborgen had kunnen houden zou niemand het hem lastig maken; nu was het een quaestie van tijd, van afwachten tot hij zooveel bezat dat men hem niet meer aandurfde. Voor Piong Pan Ho was dat geen reden om hem minder te achten, minder tegen hem op te zien; wantdàtdeed hij. Daarop had de houding van de anderen geen invloed, noch ook het gebeurde met de tegenwoordige mevrouw Wije, waarin deSingkehtrouwens zoo veel niet zag. Neen, Wije kon nog heel wat doen eer Piong Pan Ho hem op een lijn stelde met de rest, eer hij hem zou durven voorstellen wat daareven was gezegd. Daar schrok hij van.„Houdt u niet van denonna?” vroeg hij wantrouwend.„Neen, niet erg,” erkende zij na eenig aarzelen.[249]„Maar alleen omdat zij haar vader plaagt.”„Massa!”„Heusch, het is zoo. Zij was, eer ik kwam, baas in huis … begrijp je?”Piong Pan Ho knikte.„Nu dwingt ze om eruit te komen,” ging mevrouw Wije voort. „En daarom hebben mijn man en ik besloten er werk van te maken.”„Dus weet meneer, dat u met mij zoo spreekt?” vroeg de Chinees, diep ademend.„Welneen, ik bedacht het nu pas.”„Ah,” deed hij teleurgesteld, „dan komt er niets van.”„Waarom niet?”„Meneer zal niet willen.”Zij zweeg en maakte de beweging van geldtellen met duim en wijsvinger; doch Piong Pan Ho schudde het hoofd ongeloovig.„Dat kan meneer zelf verdienen,” zeide hij.„Als daar nu eens bijkwam, datikhet wilde?”[250]„Dan zou het misschien lukken,” zeide hij langzaam, als in zich zelf sprekende. Hij kende den invloed dien de Europeesche vrouwen op hun mannen uitoefenden, doch met zijn beschouwingen over Wije, twijfelde hij nog of dat ook bij dezen opging. Alleen voor ’t geval dat zij waarheid sprak en haar man eveneens wenschte dat Anneke, hoe dan ook, het huis uit ging, was het mogelijk.„Laat ons eens zaken bespreken,” sloeg zij voor. „Ik kan er met mijn man alleen dan over beginnen, als ik hem tevens kan mededeelen dat zoowel zijn eigen toekomst als die zijner dochter verzekerd zou zijn; vooral het laatste.”Piong Pan Ho vond het goed en heel wat gemakkelijker dan wat tot nu toe verhandeld was. Toen mevrouw Wije ten tweeden male opstond om heen te gaan waren zij het op alle punten eens.„Je moet alleen wat geduld hebben,” was[251]haar laatste woord geweest en dat had hij beloofd, intusschen onmiddellijk een aanvang makende met al hetgeen hij van zijn kant te doen had. Dat bestond vooreerst in het verstooten van zijn Javaansche echtgenoote. En daarbij kwam heel wat kijken; want zij vertegenwoordigde de huishouding en detoko. De laatste had wel niet zoo heel veel meer te beteekenen, doch een opruiming geeft altijd werk, te meer daar de goederen en inventaris moesten worden overgebracht naar Bodja, alwaar de verstooten vrouw werd gezet in een eigen zaakje. Hettoko-gebouw werd gedeeltelijk ingericht als woonhuis, terwijl het op een derde van de breedte werd doorgeslagen tot een inrij voor het daarachter gelegen gebouw.[252]

[Inhoud]IX.IX.OORLOG IN HUIS.De hereeniging van vader en dochter was gedurende een korten tijd zeer innig, waartoe ongetwijfeld de omstandigheid meewerkte, dat Wije slechts hoogst zelden mevrouw Duna bezocht. Dit was op haar eigen verlangen;sauver les apparences, noemde zij dat. Wije schikte zich daarin zóó goed, dat hij voorstelde dien schijn nog eenigen tijd voort te blijven redden, ook toen de scheiding tusschen haar en Duna was uitgesproken. Doch daarvan wilde zij niet weten, en hij, gewoon zijn wenschen aan de hare ondergeschikt te stellen, beloofde[224]onmiddellijk voor het „aanteekenen” te zullen zorgen.„Waar zullen we gaan wonen?” vroeg zij.„Wonen? Wel … ik dacht, dat het beste zou zijn te blijven, waar ik nu ben. Het is stil en bescheiden; in ons geval kunnen we niet beter doen dan ons een weinig te cacheeren.”„Je bent een groot kind, Willem, zoo oud als je bent,” betuigde zij. „Hetgeen je daar zegt is de manier om te maken dat je door iedereen met den nek wordt aangezien. We moeten de lui niet naloopen, dat staat vast, maar ons zoo inrichten, dat iedereen trek krijgt bij ons te komen.”„Zonde van de kosten,” bromde Wije, die niet wilde zeggen dat hij juist niet iedereen bij zich of liever bij haar wenschte te zien komen. „Laat ons liever voortgaan, zooals ik reeds lang bezig ben, en sparen, tot we voor goed hier vandaan kunnen.”[225]„Dat zouden we nu al kunnen doen, ten minste als jij er niet op bent achteruit gegaan. Maar ik wil het nog niet. Eerst moeten we hier onze reputatie herwinnen; geloof me, wij zijn goed op weg. Ik heb gezorgd dat men ongeveer wist hoeveel ik bezit; dat heeft indruk gemaakt. Als jij niet altijd had stilgehouden dat je geld had, zouden ze je nooit op die manier links hebben laten liggen. Over de kosten behoef je niet tepikirentrouwens; ik weet altijd over te houden.”Maar hij had er geen zin in en bleef op dit eene punt onverzettelijk, ieder oogenblik een nieuw argument aanbrengende voor zijn inzicht, dat hij beter noemde dan het hare. Daarvan overtuigde hij haar echter niet en het duurde een heele poos eer zij tot een besluit konden komen. Eindelijk gaf zij toe, doch om een reden die hij inconsequent noemde. Onder het praten en nog eens praten had hij, afdwalend van het onderwerp, haar verteld[226]van de zaken die hij deed met Piong Pan Ho, behalve die de suikerfabriek betroffen, en nauwelijks had zij dit vernomen of zij gaf allen tegenstand op. Hoewel het hem sterk intrigeerde, waarom zij, wetend haar plan juist door die omstandigheid beter en gemakkelijker te kunnen uitvoeren, opeens het zijne bijviel, vroeg hij geen uitlegging, blij dat hij de zege behaald had en er een eind kwam aan het geharrewar.Zonder meer dan het strikt noodige werd het huwelijk gesloten. Behalve een paar aardigheden over de „jonggehuwden”, praatte men er ook niet over; men vond dat de zaak behandeld was zoo netjes als het in de gegeven omstandigheden mogelijk was, en voorts wachtte men af.Tot op den trouwdag had Anneke geweigerd haar tweede moeder te zien, doch aan haar vader had zij beloofd geen moeite te zullen veroorzaken als „die mevrouw” in huis kwam, en[227]deze belofte hield zij woordelijk. Zij sprak niet tot haar, keek haar niet aan en zonderde zich af in haar kamer. Het huishouden had zij overgedragen door debaboeeen bos sleutels te geven, met de woorden: „boewat njonja”; aan elken sleutel zat een linnen lapje, met de aangifte van het slot waarop hij paste, in merkinkt. Overdag kwam zij haast niet te voorschijn, dan aan tafel; maar toen de eerste week om was, en mevrouw Wije ’s avonds tegen tien uur naar bed ging, terwijl haar man nog een brandysoda bleef gebruiken in de achtergalerij, hield zij hem geregeld gezelschap. Dan spraken zij over alles en nog wat, doch nimmer over mevrouw Wije. Eens had hij een poging gewaagd daarin verandering te brengen.„Ik doe wat ik kan,” had zij toen gezegd. „Verg niet meer van mij.” En hij had het laten rusten, hopende dat de tijd, die zooveel doet slijten, ook hier zijn plicht zou doen.[228]In den beginne hield Anneke zich bezig met het herlezen van al haar boeken en het bijhouden van hetgeen zij had geleerd, doch langzamerhand gaf zij zich over aan een steeds machtiger wordende zucht tot nietsdoen, tot droomend zitten of liggen in een gemakkelijken stoel, zich wegdenkend uit haar omgeving, in haar verbeelding een nieuwe scheppend waarvan zij het middelpunt vormde. En naarmate haar lichaam loomer werd, werkte haar geest krachtiger, maar ongezonder.„Kijk toch eens naar Anneke,” zeide mevrouw Wije op zekeren dag tot haar man.„Hoezoo?”„Het leven dat zij leidt, bederft haar.”„Wat kan ik er aan doen? Zij wil niet anders. Als jij eens probeerde …”„Ik?” riep zij uit. „Dat kan je begrijpen! Ze zou het mij niet lastig maken … maar zie je dan niet, dat haar geheele doen en laten één doorgaande beleediging voor mij is?[229]De bedienden praten erover en amuseeren er zich mee. En in plaats dat jij er iets aan doet, maak je ’s avonds een gezellig praatje met haar en brengt haar in de meening dat je alles goedvindt.”„Dat weet zij beter,” zeide Wije; „en wat het gezellige aangaat … dat is ook heen. Zij spreekt bijna niet meer.”„Verbeelje wat zij gisteren aan de meid vroeg. Of ik een pandjeshuis of een dobbelkit hield!” ging mevrouw voort. „En dat enkel omdat er een paar inlanders in haar weg zaten, toen ze naar demandie-kamer ging. Zieje, dat verdraag ik niet op den duur; er moet een eind aan gemaakt worden; als zij niet verkiest van houding te veranderen, moet zij het huis uit.”„Gemakkelijker gezegd dan gedaan.”„Als jij wilde verhuizen en menschen ontvangen, zou het niet lang duren.”„Och kom,” zeide Wije, haar latende staan.[230]Dat was het oude praatje, waarover zij in de laatste weken weer was gaan zeuren. En hij verkoos het niet. Het was het eenige waaromtrent hij nog een wil had, en hij had zich schrap gezet om dien te handhaven. Zooals zij nu leefden hielden zij hoe langer hoe meer geld over; daarom was het immers alleen te doen! Geld, veel geld, en dan naar Holland, weg van de plaats waar ieder hun geschiedenis kende. Waarom zou men dingen doen, die het aanbreken van dat oogenblik vertraagden? Om de menschen? Bah, als men geld had kwamen die vanzelf. Maar als zijn vrouw over dat verhuizen begon, wist Wije dat er gewoonlijk iets anders was, dat zij hebben wilde, iets waarvoor zij dan in ruil hem zijn zin gaf. Ditmaal zou het zeker Anneke betreffen, en daarom liep hij weg; want hij durfde zoomin zijn vrouw aan als zijn dochter; als er tusschen die twee iets moest verhandeld worden, mochten zij het voor zijn part zelf[231]doen, maar hem er liefst buiten laten. Hij haalde zijn hoed om uit te gaan; dat was het veiligst. Doch in de binnengalerij moest hij zijn vrouw passeeren, en eerst vertellen waar hij heenging.„Naar Piong Pan Ho,” gaf hij op.„Hm,” deed zij. „Waarom ga jij altijd naar hem toe, en komt hij nooit hier?”„Waarschijnlijk omdat ik hem nu en dan wat te vragen heb dat haast heeft en hij mij nooit.”„Hij kon toch wel eens een visite maken. Kwam hij vroeger?”„Jawel,” zeide Wije. „Misschien heeft hij op een uitnoodiging gewacht; hij is wat dat betreft erg bescheiden.”„Moedig hem dan aan.”„Waartoe? zijn praten kan je onmogelijk interesseeren, en meer geld beleggen kan hij voor ons niet doen; hij zit met het zijne al in den weg. Daarenboven is hij een groot vereerder[232]van Anneke; als hij merkte hoe de verhouding hier is, had je ’t voorgoed verbruid.”Ditmaal scheen het of zij weg wilde loopen, althans zij draaide zich eensklaps om; doch toen Wije een paar stappen verder deed, riep zij hem na: „Doe het toch maar; ik zal wel zorgen dat hij niets merkt.”„Nu, goed,” bromde hij de schouders ophalend. Het zou haar niet meevallen; als er iets te doen was had hij ’t immers wel gedaan gekregen; enfin, ze moest het maar ondervinden, anders was zij toch niet tevreden.Terwijl hij het erf afliep, bleef zij in de binnengalerij staan kijken, tot hij den weg had bereikt; toen sloeg zij de armen omhoog, die strekkende met gevouwen handen; een uitdrukking van groote blijdschap, van voldoening over een goed idee, verspreidde zich over haar trekken.’s Avonds aan tafel sprak zij veel; een paar[233]maal noemde zij Anneke ’s naam, tot heimelijken angst van Wije, die zich afvroeg of het meisje op die pogingen, om met hem als tusschenpersoon een gesprek aan te knoopen, zou ingaan. Maar weldra was hij op dat punt gerustgesteld; Anneke deed als hoorde zij het niet en hield dit vol ook toen mevrouw in de volgende dagen deze nieuwe manier van doen herhaalde en ten slotte bevestigde; zij liet over zich spreken, zelfs aanmerkingen maken, zonder het zich in ’t minst aan te trekken.Wije had bij gelegenheid van zijn laatste bezoek aan Piong Pan Ho de opdracht van zijn vrouw vervuld. DeSingkehwas heel blij en beloofde zoo spoedig mogelijk te zullen komen, maar eerst moest hij de binnenlanden in, voor een dag of veertien. Daarna zou hij de Wije’s opzoeken, zoo dikwijls als hij mocht. De reden waarom hij sinds Wije’s huwelijk er niet geweest was, vloeide[234]voort uit het onthaal dat hij elders gevonden had, in ’t bijzonder van de zijde der dames. De heeren waren vriendelijk genoeg; verscheidenen speelden een partij biljart met hem als hij in de sociëteit kwam, en ook bij de officieele bezoeken die hij gemaakt had als luitenant, traden zij hem welwillend te gemoet, hoewel iets meer uit de hoogte dan anders, als de dames niet tegenwoordig waren. Doch deze behandelden hem als verreweg hun mindere. Daarop waren slechts een paar uitzonderingen, en dat had zijn redenen! Het hinderde hem zoo, dat hij wegbleef overal waar hij niet bepaald verplicht was te komen. Hij had zich laten vertellen dat alleen de Hollanders zoo laag neerzagen op iemand van ander ras; de Engelschen, Duitschers en Franschen waren wat dat betreft beter. Weliswaar deden de Chineezen evenzoo, in hun land, en gebruikten zelfs een heel leelijk woord om een mensch aan te duiden die geen Chinees was, maar[235]sedert zijn komst in Java vond hij dat dom, en het speet hem dat de Hollanders, die in sommige dingen zoo uitstaken, op dit punt zich aanstelden als … Chineezen. Dat Wije het in zijn huis anders wist te dwingen, bewees voor de goede tucht die hij uitoefende.Toen Piong Pan Ho na zijn terugkomst uit het binnenland de Wije’s bezocht, had hij een nieuwe grief. Op een terrein dat hem in eigendom toebehoorde, wilde hij een huis bouwen, en had daartoe de noodige vergunning gevraagd. Nu was de rooimeester bij hem geweest en had hem te kennen gegeven dat niemand hem beletten kon te bouwen, doch dat het plan der woning hem op het vermoeden had gebracht, dat Piong Pan Ho of een andere Chinees het huis na gereedzijn dacht te betrekken; dat mocht niet, daar het terrein in de Europeesche wijk lag, en dus kwam hij den luitenant waarschuwen eer hij begon!Mevrouw Wije steunde hem in zijn klachten.[236]Zij vond dat desobatgroot gelijk had er boos over te zijn; zulk een bepaling was goed om kleine en voddige huisjes, door arme Chineezen bewoond, uit de mooie wijken te houden, maar onzin tegenover iemand die zoo rijk was als Piong Pan Ho. Die vleierij had effect; deSingkehwerd er geheel door ingepalmd. Hij noodigde haar uit eens mee te komen met haar man, om zijn huis te zien en zijn paarden, die nu in ’t donker op den weg stonden. Als zij wilde zou hij zijn rijtuig sturen om hen af te halen, dan had zij meteen gelegenheid eens te zien hoe mooi het vandehandsche paard steigerde bij het aantrekken en onder het loopen aldoortandakte, welk een glad vel zij hadden door het voeren met jonge muizen, waardoor zij tevens zoo vurig werden, dat de koetsier met gestrekte armen, in iedere hand een leidsel, ja met een slag daaromheen gewonden, ze nauwelijks houden kon.Toen Anneke verscheen, bewonderde Wije[237]de slimheid van zijn vrouw. Zij volgde haar taktiek, die zij in de laatste weken had voorbereid, om over het meisje te spreken, nu ook tot Piong Pan Ho, en een enkele maal kon Anneke er niet buiten om denSingkeheen antwoord te geven, dat als het ware indirect sloeg op een gezegde van haar stiefmoeder.Op een oogenblik toen het discours weer liep over het rijtuig van den Chinees, drukte Anneke haar verlangen uit eens in zoo’n wagen te rijden; zij had nog nimmer in een landauer gezeten.„Boleh!” riep Piong Pan Ho. „Nonnamag er een toer mee maken, zoover zij wil. Gaat mevrouw ook mee?”Die vraag bracht mevrouw Wije bijna van haar stuk, doch zich onmiddellijk herstellende bedankte zij, voorgevend nu liever wat te blijven praten.Piong Pan Ho geleidde Anneke naar het rijtuig, zijn orders gevend aan den koetsier.[238]Teruggekomen vroeg hij aan Wije, wanneer deze naar de suikerfabriek dacht te gaan.„Ik kan desnoods morgen,” antwoordde Wije, „maar we reizen er immers samen heen?”„Het is beter dat u alleen gaat,” zeide Piong Pan Ho en bracht allerlei bij voor deze opinie, die enkel voortkwam uit zijn onwil om zich te vertoonen als chef van Europeesch personeel. Wije sprak daartegen van de groote verantwoordelijkheid die hij op zich nam, wanneer hij alleen moest beslissen over de groote verbeteringen die de administrateur voorstelde, maar zwichtte ten slotte, er in zijn hart niets rouwig om dat de ander thuis bleef; want het was nog heel iets anders de gemachtigde te zijn van een Chinees, als zich in het publiek met hem te begeven als zijn ondergeschikte.Intusschen reed Anneke Bodjong en Pontjol rond, zich vreemd gevoelend in die bekende buurten, als iemand die na een langdurige[239]ziekte voor het eerst uitgaat. Het was haar of alles kleiner, enger geworden was; dan het herkennen van plekjes en het herleven der herinneringen daaraan verbonden, door de snelle opvolging wel aandoening opwekkend doch geen indruk makend, weer verdwijnend als de ademtocht op een warme glasruit. Dicht bij huis dook zij weg in den ruimen wagenbak, slechts aan het trillen van de randen en het doffe rommelen der wielen onder haar bemerkend dat zij voortging, steeds nader en nader bij de plaats die zij haatte en niet wilde zien voor het laatste oogenblik.Niet lang na haar terugkomst, nam Piong Pan Ho afscheid.Wije ging dus alleen naar Japara. Voor zijn vertrek had hij een ernstig onderhoud met zijn vrouw en daarna met Anneke, die nu gedurende eenige dagen alleen achter zouden blijven, en hij nam beiden de belofte af dat zij in zijn afwezigheid elkaar niet in het[240]haar zouden vliegen. In stilte hoopte hij dat zij het wel mochten doen, daar een uitbarsting tusschen die twee zijns inziens het eenige middel was tot een toenadering, die hij hartelijk wenschte. Want die eeuwige stootkussendienst verveelde hem en was oorzaak dat eigenlijk alles hem tegenstond. Soms, als hij alleen was, wond hij zich op over de zonderlinge positie die hij innam in zijn huis, en nam zich voor er door forsche maatregelen een verandering in te brengen. Welzeker, een klein standje was een groot gemak, en als hij nu zijn vrouw … of neen, die deed niets, maar Anneke eens flink onderhanden nam … Het lamme was, dat telkens als hij wou beginnen, zij hem aankeek met die groote, weemoedig starende oogen, die hem aan haar moeder herinnerden en de woorden deden stokken in zijn keel. Feitelijk had hij nooit goed tegen vrouwen opgekund, en tegenwoordig minder dan ooit; doch zijn vrouw had[241]gelijk: één van hen moest het huis uit en dan natuurlijk Anneke. Zoodra hij terugkwam zou hij daarover met haar spreken en een middel beramen om daartoe te geraken. Was het noodig menschen en met name jongelui te ontvangen, in godsnaam dan!Terwijl hij zoo zat te soezen in den reiswagen, bevond zich mevrouw Wije bij Piong Pan Ho. Het huis en de paarden waren bekeken en bewonderd, toen zij, zich zettend in de voorgalerij der ongebruikte woning, hem met een enkel woord aanleiding gaf om nog eens breed uit te wijden over zijn grieven tegen de houding der Europeanen jegens hem. En hem meer en meer aanmoedigend, bemerkte zij na weinig tijd, dat deSingkehhet zich buitengewoon zwaar aantrok niet te worden gelijkgesteld, althans met zulke Europeanen, die evenals hij, bij gebrek aan beter, in Indië waren verzeild geraakt en daar iets waren geworden … of niets. Had hij geen geld en[242]mooie dingen; kon hij niet meepraten over de Europeesche politiek, over Bismarck en Disraeli, zelfs zonder in de war te raken met de namen der landen en regeerende vorsten; hakkelde hij als hij sprak, hoogstens de helft gebruikende van de woorden die noodig waren om uit te drukken wat men bedoelde; dronk hij of vloekte hij.…?„Neen luitenant, dàt is het niet,” zeide mevrouwWijeeindelijk. „Het zit hem in de vrouwen.”„Janjonja, die zijn het ergst.”„Ik meen niet onze dames, maar jelui vrouwen.”„Bagimana, wat doen die?” vroeg Piong Pan Ho verwonderd.„In de eerste plaats weet niemand hoe je er aan komt,” antwoordde zij.„Wij trouwen ze, net als deorang Olanda.”„Nu ja … De zaak is, dat de Europeanen gewoon zijn om niet slechts naar den man te kijken, maar ook naar de vrouw. Als iemand[243]getrouwd is, moet men zijn echtgenoote eveneens ontvangen, en die moet met onze dames kunnen praten, zonder dat deze zich moeite behoeven te geven; in één woord, zij moet haars gelijke zijn.”DeSingkehzuchtte.„Soesah,” zeide hij; „zulke vrouwen kunnen wij hier niet krijgen. In China zijn er wel, die weten te babbelen over allerlei, en steeds van ieder schandaaltje op de hoogte zijn; maar die mogen niet worden uitgevoerd.”„Men moet zoeken waar iets te vinden is,” hernam zij, „en niet de oogen wenden in een verkeerde richting.”„Ja,” beaamde hij, „ik begrijp al wat mevrouw bedoelt. Misschien is er in het binnenland een regent te vinden, die geld noodig heeft en mij daarvoor een dochter zou willen afstaan.”„Mis. Die inlandsche vrouwen zijn allen precies eender, onverschillig of zij van hooge of lage geboorte zijn. Onder hen moet je niet[244]zoeken, luitenant. Ook niet bij de zoogenaamde Chineesche, maar bij de Hollandsche meisjes, en liefst die op Bodjong wonen.”„Mevrouw maakt gekheid,” zeide Piong Pan Ho.„Heusch niet; ik meen wat ik zeg. Het maakt een groot verschil uit of je een visite komt maken en een praatje houdt, dat hen verveelt misschien, of dat je zegt:nonna, wilt u met me trouwen, ik bezit meer geld dan al de menschen hier op Bodjong te zamen.”Piong Pan Ho was stil. Het denkbeeld, dat zijn bezoekster had geopperd, begon te pakken. Zij was toch ook een Hollandsche vrouw en kende haar soort; maar anders had hij het nooit durven denken. Hoe, een dier trotsche dames zou met hem willen samenwonen, als zijn echtgenoote? Zij, die zijn hand aanvatten alsof zij vies van hem waren? Doch als hij bedacht wat men al niet voor geld kon gedaan krijgen op ander gebied … ja, dan kon zij[245]wel gelijk hebben. Het zou niet onaardig zijn, zoo’n blanke vrouw! Laatst, op het officieele bal had hij zijn oogen uitgekeken, den SoerabajaschenBabah, die den heelen avond naast hem gezeten had, sterk benijdend, toen deze hem vertelde hoe daar ter plaatse de Chineezen op al hun feesten diezelfde mooie dames voor zich lieten dansen, precies zoo gekleed als bij die gelegenheid. En dan het voordeel van niet langer uit de hoogte te worden behandeld …„Weet mevrouw er een,” vroeg hij eindelijk.„Niet zoo dadelijk,” antwoordde zij; „maar ik wil wel eens rondkijken, luitenant.” En zij stond op. Doch eensklaps scheen haar iets in te vallen. „De dochter van mijn man; hoe zou je die lijken?”Den mond opengesperd, de wenkbrauwen schuin omhoog getrokken, beide handen opgeheven met gespreide vingers, de duimen wijzend naar zijn jukbeenderen, wijdbeens en wiegelend naar links en rechts op zijn heupen, stond[246]Piong Pan Ho daar, een type van eenwajang-figuur, in de eerste oogenblikken onmachtig een woord uit te brengen van schrik en verrassing.Zij was er ten zeerste door getroffen, meenende de houding van denSingkehte moeten toeschrijven aan het plotseling hooren uitspreken van een geheim, dat hij zich verbeeld had in het diepst van zijn gemoed verborgen te zijn; iets dat hij niet bekend wilde hebben, eer hij na lange voorbereiding en goed gewikte intriges, zeker was van zijn slag; dat, verraden zijnde, hem overleverde aan degeen die het wist, of al zijn moeite en wenschen verijdelde.Doch zij vergiste zich. De gedachte zelfs aan Anneke Wije had bij Piong Pan Ho nog niet bestaan en onder de figuren, die bij het zooeven gehouden gesprek hem voor de oogen hadden gezweefd, bevond zich de hare niet. Als een ander als haar stiefmoeder het voorstel had gedaan,[247]zou hij dien uitgelachen hebben of zich boos gemaakt. Dat meisje stond voor hem onbereikbaar hoog. Want hij zag zeer goed in, dat niettegenstaande den eenvoudigen toon waarop zijn bezoekster over de zaak sprak, de uitvoering niet zonder moeite zou geschieden. Het was mogelijk dat er een zwichtte voor een zeer hoog bod van zijn kant, doch overigens zouden zoowel de belanghebbende als alle andere Europeanen het feit, dat een hunner meisjes huwde met een Chinees, als een onteering beschouwen voor haar en haar familie. Zoo waren ze nu eenmaal; en wien hij ook zou durven naderen met een vraag van die strekking, Wije niet. De rest … bah! Bij die durfde hij met alles aankomen; hun prestige hadden zij door hun manier van hem te behandelen geheel verspeeld. Maar Wije was zoo geheel verschillend; hij sprak nooit uit de hoogte, geneerde zich niet om vriendelijk te zijn en deed alles wat hij ter hand nam, solide en goed. Dat de andere[248]Europeanen hem ietwat links lieten liggen, wist Piong Pan Ho best, en hij verklaarde dat op Chineesche manier: Wije was gelukkig geweest en werd benijd, omdat men het wist; zoo hij het verborgen had kunnen houden zou niemand het hem lastig maken; nu was het een quaestie van tijd, van afwachten tot hij zooveel bezat dat men hem niet meer aandurfde. Voor Piong Pan Ho was dat geen reden om hem minder te achten, minder tegen hem op te zien; wantdàtdeed hij. Daarop had de houding van de anderen geen invloed, noch ook het gebeurde met de tegenwoordige mevrouw Wije, waarin deSingkehtrouwens zoo veel niet zag. Neen, Wije kon nog heel wat doen eer Piong Pan Ho hem op een lijn stelde met de rest, eer hij hem zou durven voorstellen wat daareven was gezegd. Daar schrok hij van.„Houdt u niet van denonna?” vroeg hij wantrouwend.„Neen, niet erg,” erkende zij na eenig aarzelen.[249]„Maar alleen omdat zij haar vader plaagt.”„Massa!”„Heusch, het is zoo. Zij was, eer ik kwam, baas in huis … begrijp je?”Piong Pan Ho knikte.„Nu dwingt ze om eruit te komen,” ging mevrouw Wije voort. „En daarom hebben mijn man en ik besloten er werk van te maken.”„Dus weet meneer, dat u met mij zoo spreekt?” vroeg de Chinees, diep ademend.„Welneen, ik bedacht het nu pas.”„Ah,” deed hij teleurgesteld, „dan komt er niets van.”„Waarom niet?”„Meneer zal niet willen.”Zij zweeg en maakte de beweging van geldtellen met duim en wijsvinger; doch Piong Pan Ho schudde het hoofd ongeloovig.„Dat kan meneer zelf verdienen,” zeide hij.„Als daar nu eens bijkwam, datikhet wilde?”[250]„Dan zou het misschien lukken,” zeide hij langzaam, als in zich zelf sprekende. Hij kende den invloed dien de Europeesche vrouwen op hun mannen uitoefenden, doch met zijn beschouwingen over Wije, twijfelde hij nog of dat ook bij dezen opging. Alleen voor ’t geval dat zij waarheid sprak en haar man eveneens wenschte dat Anneke, hoe dan ook, het huis uit ging, was het mogelijk.„Laat ons eens zaken bespreken,” sloeg zij voor. „Ik kan er met mijn man alleen dan over beginnen, als ik hem tevens kan mededeelen dat zoowel zijn eigen toekomst als die zijner dochter verzekerd zou zijn; vooral het laatste.”Piong Pan Ho vond het goed en heel wat gemakkelijker dan wat tot nu toe verhandeld was. Toen mevrouw Wije ten tweeden male opstond om heen te gaan waren zij het op alle punten eens.„Je moet alleen wat geduld hebben,” was[251]haar laatste woord geweest en dat had hij beloofd, intusschen onmiddellijk een aanvang makende met al hetgeen hij van zijn kant te doen had. Dat bestond vooreerst in het verstooten van zijn Javaansche echtgenoote. En daarbij kwam heel wat kijken; want zij vertegenwoordigde de huishouding en detoko. De laatste had wel niet zoo heel veel meer te beteekenen, doch een opruiming geeft altijd werk, te meer daar de goederen en inventaris moesten worden overgebracht naar Bodja, alwaar de verstooten vrouw werd gezet in een eigen zaakje. Hettoko-gebouw werd gedeeltelijk ingericht als woonhuis, terwijl het op een derde van de breedte werd doorgeslagen tot een inrij voor het daarachter gelegen gebouw.[252]

IX.IX.OORLOG IN HUIS.

IX.

De hereeniging van vader en dochter was gedurende een korten tijd zeer innig, waartoe ongetwijfeld de omstandigheid meewerkte, dat Wije slechts hoogst zelden mevrouw Duna bezocht. Dit was op haar eigen verlangen;sauver les apparences, noemde zij dat. Wije schikte zich daarin zóó goed, dat hij voorstelde dien schijn nog eenigen tijd voort te blijven redden, ook toen de scheiding tusschen haar en Duna was uitgesproken. Doch daarvan wilde zij niet weten, en hij, gewoon zijn wenschen aan de hare ondergeschikt te stellen, beloofde[224]onmiddellijk voor het „aanteekenen” te zullen zorgen.„Waar zullen we gaan wonen?” vroeg zij.„Wonen? Wel … ik dacht, dat het beste zou zijn te blijven, waar ik nu ben. Het is stil en bescheiden; in ons geval kunnen we niet beter doen dan ons een weinig te cacheeren.”„Je bent een groot kind, Willem, zoo oud als je bent,” betuigde zij. „Hetgeen je daar zegt is de manier om te maken dat je door iedereen met den nek wordt aangezien. We moeten de lui niet naloopen, dat staat vast, maar ons zoo inrichten, dat iedereen trek krijgt bij ons te komen.”„Zonde van de kosten,” bromde Wije, die niet wilde zeggen dat hij juist niet iedereen bij zich of liever bij haar wenschte te zien komen. „Laat ons liever voortgaan, zooals ik reeds lang bezig ben, en sparen, tot we voor goed hier vandaan kunnen.”[225]„Dat zouden we nu al kunnen doen, ten minste als jij er niet op bent achteruit gegaan. Maar ik wil het nog niet. Eerst moeten we hier onze reputatie herwinnen; geloof me, wij zijn goed op weg. Ik heb gezorgd dat men ongeveer wist hoeveel ik bezit; dat heeft indruk gemaakt. Als jij niet altijd had stilgehouden dat je geld had, zouden ze je nooit op die manier links hebben laten liggen. Over de kosten behoef je niet tepikirentrouwens; ik weet altijd over te houden.”Maar hij had er geen zin in en bleef op dit eene punt onverzettelijk, ieder oogenblik een nieuw argument aanbrengende voor zijn inzicht, dat hij beter noemde dan het hare. Daarvan overtuigde hij haar echter niet en het duurde een heele poos eer zij tot een besluit konden komen. Eindelijk gaf zij toe, doch om een reden die hij inconsequent noemde. Onder het praten en nog eens praten had hij, afdwalend van het onderwerp, haar verteld[226]van de zaken die hij deed met Piong Pan Ho, behalve die de suikerfabriek betroffen, en nauwelijks had zij dit vernomen of zij gaf allen tegenstand op. Hoewel het hem sterk intrigeerde, waarom zij, wetend haar plan juist door die omstandigheid beter en gemakkelijker te kunnen uitvoeren, opeens het zijne bijviel, vroeg hij geen uitlegging, blij dat hij de zege behaald had en er een eind kwam aan het geharrewar.Zonder meer dan het strikt noodige werd het huwelijk gesloten. Behalve een paar aardigheden over de „jonggehuwden”, praatte men er ook niet over; men vond dat de zaak behandeld was zoo netjes als het in de gegeven omstandigheden mogelijk was, en voorts wachtte men af.Tot op den trouwdag had Anneke geweigerd haar tweede moeder te zien, doch aan haar vader had zij beloofd geen moeite te zullen veroorzaken als „die mevrouw” in huis kwam, en[227]deze belofte hield zij woordelijk. Zij sprak niet tot haar, keek haar niet aan en zonderde zich af in haar kamer. Het huishouden had zij overgedragen door debaboeeen bos sleutels te geven, met de woorden: „boewat njonja”; aan elken sleutel zat een linnen lapje, met de aangifte van het slot waarop hij paste, in merkinkt. Overdag kwam zij haast niet te voorschijn, dan aan tafel; maar toen de eerste week om was, en mevrouw Wije ’s avonds tegen tien uur naar bed ging, terwijl haar man nog een brandysoda bleef gebruiken in de achtergalerij, hield zij hem geregeld gezelschap. Dan spraken zij over alles en nog wat, doch nimmer over mevrouw Wije. Eens had hij een poging gewaagd daarin verandering te brengen.„Ik doe wat ik kan,” had zij toen gezegd. „Verg niet meer van mij.” En hij had het laten rusten, hopende dat de tijd, die zooveel doet slijten, ook hier zijn plicht zou doen.[228]In den beginne hield Anneke zich bezig met het herlezen van al haar boeken en het bijhouden van hetgeen zij had geleerd, doch langzamerhand gaf zij zich over aan een steeds machtiger wordende zucht tot nietsdoen, tot droomend zitten of liggen in een gemakkelijken stoel, zich wegdenkend uit haar omgeving, in haar verbeelding een nieuwe scheppend waarvan zij het middelpunt vormde. En naarmate haar lichaam loomer werd, werkte haar geest krachtiger, maar ongezonder.„Kijk toch eens naar Anneke,” zeide mevrouw Wije op zekeren dag tot haar man.„Hoezoo?”„Het leven dat zij leidt, bederft haar.”„Wat kan ik er aan doen? Zij wil niet anders. Als jij eens probeerde …”„Ik?” riep zij uit. „Dat kan je begrijpen! Ze zou het mij niet lastig maken … maar zie je dan niet, dat haar geheele doen en laten één doorgaande beleediging voor mij is?[229]De bedienden praten erover en amuseeren er zich mee. En in plaats dat jij er iets aan doet, maak je ’s avonds een gezellig praatje met haar en brengt haar in de meening dat je alles goedvindt.”„Dat weet zij beter,” zeide Wije; „en wat het gezellige aangaat … dat is ook heen. Zij spreekt bijna niet meer.”„Verbeelje wat zij gisteren aan de meid vroeg. Of ik een pandjeshuis of een dobbelkit hield!” ging mevrouw voort. „En dat enkel omdat er een paar inlanders in haar weg zaten, toen ze naar demandie-kamer ging. Zieje, dat verdraag ik niet op den duur; er moet een eind aan gemaakt worden; als zij niet verkiest van houding te veranderen, moet zij het huis uit.”„Gemakkelijker gezegd dan gedaan.”„Als jij wilde verhuizen en menschen ontvangen, zou het niet lang duren.”„Och kom,” zeide Wije, haar latende staan.[230]Dat was het oude praatje, waarover zij in de laatste weken weer was gaan zeuren. En hij verkoos het niet. Het was het eenige waaromtrent hij nog een wil had, en hij had zich schrap gezet om dien te handhaven. Zooals zij nu leefden hielden zij hoe langer hoe meer geld over; daarom was het immers alleen te doen! Geld, veel geld, en dan naar Holland, weg van de plaats waar ieder hun geschiedenis kende. Waarom zou men dingen doen, die het aanbreken van dat oogenblik vertraagden? Om de menschen? Bah, als men geld had kwamen die vanzelf. Maar als zijn vrouw over dat verhuizen begon, wist Wije dat er gewoonlijk iets anders was, dat zij hebben wilde, iets waarvoor zij dan in ruil hem zijn zin gaf. Ditmaal zou het zeker Anneke betreffen, en daarom liep hij weg; want hij durfde zoomin zijn vrouw aan als zijn dochter; als er tusschen die twee iets moest verhandeld worden, mochten zij het voor zijn part zelf[231]doen, maar hem er liefst buiten laten. Hij haalde zijn hoed om uit te gaan; dat was het veiligst. Doch in de binnengalerij moest hij zijn vrouw passeeren, en eerst vertellen waar hij heenging.„Naar Piong Pan Ho,” gaf hij op.„Hm,” deed zij. „Waarom ga jij altijd naar hem toe, en komt hij nooit hier?”„Waarschijnlijk omdat ik hem nu en dan wat te vragen heb dat haast heeft en hij mij nooit.”„Hij kon toch wel eens een visite maken. Kwam hij vroeger?”„Jawel,” zeide Wije. „Misschien heeft hij op een uitnoodiging gewacht; hij is wat dat betreft erg bescheiden.”„Moedig hem dan aan.”„Waartoe? zijn praten kan je onmogelijk interesseeren, en meer geld beleggen kan hij voor ons niet doen; hij zit met het zijne al in den weg. Daarenboven is hij een groot vereerder[232]van Anneke; als hij merkte hoe de verhouding hier is, had je ’t voorgoed verbruid.”Ditmaal scheen het of zij weg wilde loopen, althans zij draaide zich eensklaps om; doch toen Wije een paar stappen verder deed, riep zij hem na: „Doe het toch maar; ik zal wel zorgen dat hij niets merkt.”„Nu, goed,” bromde hij de schouders ophalend. Het zou haar niet meevallen; als er iets te doen was had hij ’t immers wel gedaan gekregen; enfin, ze moest het maar ondervinden, anders was zij toch niet tevreden.Terwijl hij het erf afliep, bleef zij in de binnengalerij staan kijken, tot hij den weg had bereikt; toen sloeg zij de armen omhoog, die strekkende met gevouwen handen; een uitdrukking van groote blijdschap, van voldoening over een goed idee, verspreidde zich over haar trekken.’s Avonds aan tafel sprak zij veel; een paar[233]maal noemde zij Anneke ’s naam, tot heimelijken angst van Wije, die zich afvroeg of het meisje op die pogingen, om met hem als tusschenpersoon een gesprek aan te knoopen, zou ingaan. Maar weldra was hij op dat punt gerustgesteld; Anneke deed als hoorde zij het niet en hield dit vol ook toen mevrouw in de volgende dagen deze nieuwe manier van doen herhaalde en ten slotte bevestigde; zij liet over zich spreken, zelfs aanmerkingen maken, zonder het zich in ’t minst aan te trekken.Wije had bij gelegenheid van zijn laatste bezoek aan Piong Pan Ho de opdracht van zijn vrouw vervuld. DeSingkehwas heel blij en beloofde zoo spoedig mogelijk te zullen komen, maar eerst moest hij de binnenlanden in, voor een dag of veertien. Daarna zou hij de Wije’s opzoeken, zoo dikwijls als hij mocht. De reden waarom hij sinds Wije’s huwelijk er niet geweest was, vloeide[234]voort uit het onthaal dat hij elders gevonden had, in ’t bijzonder van de zijde der dames. De heeren waren vriendelijk genoeg; verscheidenen speelden een partij biljart met hem als hij in de sociëteit kwam, en ook bij de officieele bezoeken die hij gemaakt had als luitenant, traden zij hem welwillend te gemoet, hoewel iets meer uit de hoogte dan anders, als de dames niet tegenwoordig waren. Doch deze behandelden hem als verreweg hun mindere. Daarop waren slechts een paar uitzonderingen, en dat had zijn redenen! Het hinderde hem zoo, dat hij wegbleef overal waar hij niet bepaald verplicht was te komen. Hij had zich laten vertellen dat alleen de Hollanders zoo laag neerzagen op iemand van ander ras; de Engelschen, Duitschers en Franschen waren wat dat betreft beter. Weliswaar deden de Chineezen evenzoo, in hun land, en gebruikten zelfs een heel leelijk woord om een mensch aan te duiden die geen Chinees was, maar[235]sedert zijn komst in Java vond hij dat dom, en het speet hem dat de Hollanders, die in sommige dingen zoo uitstaken, op dit punt zich aanstelden als … Chineezen. Dat Wije het in zijn huis anders wist te dwingen, bewees voor de goede tucht die hij uitoefende.Toen Piong Pan Ho na zijn terugkomst uit het binnenland de Wije’s bezocht, had hij een nieuwe grief. Op een terrein dat hem in eigendom toebehoorde, wilde hij een huis bouwen, en had daartoe de noodige vergunning gevraagd. Nu was de rooimeester bij hem geweest en had hem te kennen gegeven dat niemand hem beletten kon te bouwen, doch dat het plan der woning hem op het vermoeden had gebracht, dat Piong Pan Ho of een andere Chinees het huis na gereedzijn dacht te betrekken; dat mocht niet, daar het terrein in de Europeesche wijk lag, en dus kwam hij den luitenant waarschuwen eer hij begon!Mevrouw Wije steunde hem in zijn klachten.[236]Zij vond dat desobatgroot gelijk had er boos over te zijn; zulk een bepaling was goed om kleine en voddige huisjes, door arme Chineezen bewoond, uit de mooie wijken te houden, maar onzin tegenover iemand die zoo rijk was als Piong Pan Ho. Die vleierij had effect; deSingkehwerd er geheel door ingepalmd. Hij noodigde haar uit eens mee te komen met haar man, om zijn huis te zien en zijn paarden, die nu in ’t donker op den weg stonden. Als zij wilde zou hij zijn rijtuig sturen om hen af te halen, dan had zij meteen gelegenheid eens te zien hoe mooi het vandehandsche paard steigerde bij het aantrekken en onder het loopen aldoortandakte, welk een glad vel zij hadden door het voeren met jonge muizen, waardoor zij tevens zoo vurig werden, dat de koetsier met gestrekte armen, in iedere hand een leidsel, ja met een slag daaromheen gewonden, ze nauwelijks houden kon.Toen Anneke verscheen, bewonderde Wije[237]de slimheid van zijn vrouw. Zij volgde haar taktiek, die zij in de laatste weken had voorbereid, om over het meisje te spreken, nu ook tot Piong Pan Ho, en een enkele maal kon Anneke er niet buiten om denSingkeheen antwoord te geven, dat als het ware indirect sloeg op een gezegde van haar stiefmoeder.Op een oogenblik toen het discours weer liep over het rijtuig van den Chinees, drukte Anneke haar verlangen uit eens in zoo’n wagen te rijden; zij had nog nimmer in een landauer gezeten.„Boleh!” riep Piong Pan Ho. „Nonnamag er een toer mee maken, zoover zij wil. Gaat mevrouw ook mee?”Die vraag bracht mevrouw Wije bijna van haar stuk, doch zich onmiddellijk herstellende bedankte zij, voorgevend nu liever wat te blijven praten.Piong Pan Ho geleidde Anneke naar het rijtuig, zijn orders gevend aan den koetsier.[238]Teruggekomen vroeg hij aan Wije, wanneer deze naar de suikerfabriek dacht te gaan.„Ik kan desnoods morgen,” antwoordde Wije, „maar we reizen er immers samen heen?”„Het is beter dat u alleen gaat,” zeide Piong Pan Ho en bracht allerlei bij voor deze opinie, die enkel voortkwam uit zijn onwil om zich te vertoonen als chef van Europeesch personeel. Wije sprak daartegen van de groote verantwoordelijkheid die hij op zich nam, wanneer hij alleen moest beslissen over de groote verbeteringen die de administrateur voorstelde, maar zwichtte ten slotte, er in zijn hart niets rouwig om dat de ander thuis bleef; want het was nog heel iets anders de gemachtigde te zijn van een Chinees, als zich in het publiek met hem te begeven als zijn ondergeschikte.Intusschen reed Anneke Bodjong en Pontjol rond, zich vreemd gevoelend in die bekende buurten, als iemand die na een langdurige[239]ziekte voor het eerst uitgaat. Het was haar of alles kleiner, enger geworden was; dan het herkennen van plekjes en het herleven der herinneringen daaraan verbonden, door de snelle opvolging wel aandoening opwekkend doch geen indruk makend, weer verdwijnend als de ademtocht op een warme glasruit. Dicht bij huis dook zij weg in den ruimen wagenbak, slechts aan het trillen van de randen en het doffe rommelen der wielen onder haar bemerkend dat zij voortging, steeds nader en nader bij de plaats die zij haatte en niet wilde zien voor het laatste oogenblik.Niet lang na haar terugkomst, nam Piong Pan Ho afscheid.Wije ging dus alleen naar Japara. Voor zijn vertrek had hij een ernstig onderhoud met zijn vrouw en daarna met Anneke, die nu gedurende eenige dagen alleen achter zouden blijven, en hij nam beiden de belofte af dat zij in zijn afwezigheid elkaar niet in het[240]haar zouden vliegen. In stilte hoopte hij dat zij het wel mochten doen, daar een uitbarsting tusschen die twee zijns inziens het eenige middel was tot een toenadering, die hij hartelijk wenschte. Want die eeuwige stootkussendienst verveelde hem en was oorzaak dat eigenlijk alles hem tegenstond. Soms, als hij alleen was, wond hij zich op over de zonderlinge positie die hij innam in zijn huis, en nam zich voor er door forsche maatregelen een verandering in te brengen. Welzeker, een klein standje was een groot gemak, en als hij nu zijn vrouw … of neen, die deed niets, maar Anneke eens flink onderhanden nam … Het lamme was, dat telkens als hij wou beginnen, zij hem aankeek met die groote, weemoedig starende oogen, die hem aan haar moeder herinnerden en de woorden deden stokken in zijn keel. Feitelijk had hij nooit goed tegen vrouwen opgekund, en tegenwoordig minder dan ooit; doch zijn vrouw had[241]gelijk: één van hen moest het huis uit en dan natuurlijk Anneke. Zoodra hij terugkwam zou hij daarover met haar spreken en een middel beramen om daartoe te geraken. Was het noodig menschen en met name jongelui te ontvangen, in godsnaam dan!Terwijl hij zoo zat te soezen in den reiswagen, bevond zich mevrouw Wije bij Piong Pan Ho. Het huis en de paarden waren bekeken en bewonderd, toen zij, zich zettend in de voorgalerij der ongebruikte woning, hem met een enkel woord aanleiding gaf om nog eens breed uit te wijden over zijn grieven tegen de houding der Europeanen jegens hem. En hem meer en meer aanmoedigend, bemerkte zij na weinig tijd, dat deSingkehhet zich buitengewoon zwaar aantrok niet te worden gelijkgesteld, althans met zulke Europeanen, die evenals hij, bij gebrek aan beter, in Indië waren verzeild geraakt en daar iets waren geworden … of niets. Had hij geen geld en[242]mooie dingen; kon hij niet meepraten over de Europeesche politiek, over Bismarck en Disraeli, zelfs zonder in de war te raken met de namen der landen en regeerende vorsten; hakkelde hij als hij sprak, hoogstens de helft gebruikende van de woorden die noodig waren om uit te drukken wat men bedoelde; dronk hij of vloekte hij.…?„Neen luitenant, dàt is het niet,” zeide mevrouwWijeeindelijk. „Het zit hem in de vrouwen.”„Janjonja, die zijn het ergst.”„Ik meen niet onze dames, maar jelui vrouwen.”„Bagimana, wat doen die?” vroeg Piong Pan Ho verwonderd.„In de eerste plaats weet niemand hoe je er aan komt,” antwoordde zij.„Wij trouwen ze, net als deorang Olanda.”„Nu ja … De zaak is, dat de Europeanen gewoon zijn om niet slechts naar den man te kijken, maar ook naar de vrouw. Als iemand[243]getrouwd is, moet men zijn echtgenoote eveneens ontvangen, en die moet met onze dames kunnen praten, zonder dat deze zich moeite behoeven te geven; in één woord, zij moet haars gelijke zijn.”DeSingkehzuchtte.„Soesah,” zeide hij; „zulke vrouwen kunnen wij hier niet krijgen. In China zijn er wel, die weten te babbelen over allerlei, en steeds van ieder schandaaltje op de hoogte zijn; maar die mogen niet worden uitgevoerd.”„Men moet zoeken waar iets te vinden is,” hernam zij, „en niet de oogen wenden in een verkeerde richting.”„Ja,” beaamde hij, „ik begrijp al wat mevrouw bedoelt. Misschien is er in het binnenland een regent te vinden, die geld noodig heeft en mij daarvoor een dochter zou willen afstaan.”„Mis. Die inlandsche vrouwen zijn allen precies eender, onverschillig of zij van hooge of lage geboorte zijn. Onder hen moet je niet[244]zoeken, luitenant. Ook niet bij de zoogenaamde Chineesche, maar bij de Hollandsche meisjes, en liefst die op Bodjong wonen.”„Mevrouw maakt gekheid,” zeide Piong Pan Ho.„Heusch niet; ik meen wat ik zeg. Het maakt een groot verschil uit of je een visite komt maken en een praatje houdt, dat hen verveelt misschien, of dat je zegt:nonna, wilt u met me trouwen, ik bezit meer geld dan al de menschen hier op Bodjong te zamen.”Piong Pan Ho was stil. Het denkbeeld, dat zijn bezoekster had geopperd, begon te pakken. Zij was toch ook een Hollandsche vrouw en kende haar soort; maar anders had hij het nooit durven denken. Hoe, een dier trotsche dames zou met hem willen samenwonen, als zijn echtgenoote? Zij, die zijn hand aanvatten alsof zij vies van hem waren? Doch als hij bedacht wat men al niet voor geld kon gedaan krijgen op ander gebied … ja, dan kon zij[245]wel gelijk hebben. Het zou niet onaardig zijn, zoo’n blanke vrouw! Laatst, op het officieele bal had hij zijn oogen uitgekeken, den SoerabajaschenBabah, die den heelen avond naast hem gezeten had, sterk benijdend, toen deze hem vertelde hoe daar ter plaatse de Chineezen op al hun feesten diezelfde mooie dames voor zich lieten dansen, precies zoo gekleed als bij die gelegenheid. En dan het voordeel van niet langer uit de hoogte te worden behandeld …„Weet mevrouw er een,” vroeg hij eindelijk.„Niet zoo dadelijk,” antwoordde zij; „maar ik wil wel eens rondkijken, luitenant.” En zij stond op. Doch eensklaps scheen haar iets in te vallen. „De dochter van mijn man; hoe zou je die lijken?”Den mond opengesperd, de wenkbrauwen schuin omhoog getrokken, beide handen opgeheven met gespreide vingers, de duimen wijzend naar zijn jukbeenderen, wijdbeens en wiegelend naar links en rechts op zijn heupen, stond[246]Piong Pan Ho daar, een type van eenwajang-figuur, in de eerste oogenblikken onmachtig een woord uit te brengen van schrik en verrassing.Zij was er ten zeerste door getroffen, meenende de houding van denSingkehte moeten toeschrijven aan het plotseling hooren uitspreken van een geheim, dat hij zich verbeeld had in het diepst van zijn gemoed verborgen te zijn; iets dat hij niet bekend wilde hebben, eer hij na lange voorbereiding en goed gewikte intriges, zeker was van zijn slag; dat, verraden zijnde, hem overleverde aan degeen die het wist, of al zijn moeite en wenschen verijdelde.Doch zij vergiste zich. De gedachte zelfs aan Anneke Wije had bij Piong Pan Ho nog niet bestaan en onder de figuren, die bij het zooeven gehouden gesprek hem voor de oogen hadden gezweefd, bevond zich de hare niet. Als een ander als haar stiefmoeder het voorstel had gedaan,[247]zou hij dien uitgelachen hebben of zich boos gemaakt. Dat meisje stond voor hem onbereikbaar hoog. Want hij zag zeer goed in, dat niettegenstaande den eenvoudigen toon waarop zijn bezoekster over de zaak sprak, de uitvoering niet zonder moeite zou geschieden. Het was mogelijk dat er een zwichtte voor een zeer hoog bod van zijn kant, doch overigens zouden zoowel de belanghebbende als alle andere Europeanen het feit, dat een hunner meisjes huwde met een Chinees, als een onteering beschouwen voor haar en haar familie. Zoo waren ze nu eenmaal; en wien hij ook zou durven naderen met een vraag van die strekking, Wije niet. De rest … bah! Bij die durfde hij met alles aankomen; hun prestige hadden zij door hun manier van hem te behandelen geheel verspeeld. Maar Wije was zoo geheel verschillend; hij sprak nooit uit de hoogte, geneerde zich niet om vriendelijk te zijn en deed alles wat hij ter hand nam, solide en goed. Dat de andere[248]Europeanen hem ietwat links lieten liggen, wist Piong Pan Ho best, en hij verklaarde dat op Chineesche manier: Wije was gelukkig geweest en werd benijd, omdat men het wist; zoo hij het verborgen had kunnen houden zou niemand het hem lastig maken; nu was het een quaestie van tijd, van afwachten tot hij zooveel bezat dat men hem niet meer aandurfde. Voor Piong Pan Ho was dat geen reden om hem minder te achten, minder tegen hem op te zien; wantdàtdeed hij. Daarop had de houding van de anderen geen invloed, noch ook het gebeurde met de tegenwoordige mevrouw Wije, waarin deSingkehtrouwens zoo veel niet zag. Neen, Wije kon nog heel wat doen eer Piong Pan Ho hem op een lijn stelde met de rest, eer hij hem zou durven voorstellen wat daareven was gezegd. Daar schrok hij van.„Houdt u niet van denonna?” vroeg hij wantrouwend.„Neen, niet erg,” erkende zij na eenig aarzelen.[249]„Maar alleen omdat zij haar vader plaagt.”„Massa!”„Heusch, het is zoo. Zij was, eer ik kwam, baas in huis … begrijp je?”Piong Pan Ho knikte.„Nu dwingt ze om eruit te komen,” ging mevrouw Wije voort. „En daarom hebben mijn man en ik besloten er werk van te maken.”„Dus weet meneer, dat u met mij zoo spreekt?” vroeg de Chinees, diep ademend.„Welneen, ik bedacht het nu pas.”„Ah,” deed hij teleurgesteld, „dan komt er niets van.”„Waarom niet?”„Meneer zal niet willen.”Zij zweeg en maakte de beweging van geldtellen met duim en wijsvinger; doch Piong Pan Ho schudde het hoofd ongeloovig.„Dat kan meneer zelf verdienen,” zeide hij.„Als daar nu eens bijkwam, datikhet wilde?”[250]„Dan zou het misschien lukken,” zeide hij langzaam, als in zich zelf sprekende. Hij kende den invloed dien de Europeesche vrouwen op hun mannen uitoefenden, doch met zijn beschouwingen over Wije, twijfelde hij nog of dat ook bij dezen opging. Alleen voor ’t geval dat zij waarheid sprak en haar man eveneens wenschte dat Anneke, hoe dan ook, het huis uit ging, was het mogelijk.„Laat ons eens zaken bespreken,” sloeg zij voor. „Ik kan er met mijn man alleen dan over beginnen, als ik hem tevens kan mededeelen dat zoowel zijn eigen toekomst als die zijner dochter verzekerd zou zijn; vooral het laatste.”Piong Pan Ho vond het goed en heel wat gemakkelijker dan wat tot nu toe verhandeld was. Toen mevrouw Wije ten tweeden male opstond om heen te gaan waren zij het op alle punten eens.„Je moet alleen wat geduld hebben,” was[251]haar laatste woord geweest en dat had hij beloofd, intusschen onmiddellijk een aanvang makende met al hetgeen hij van zijn kant te doen had. Dat bestond vooreerst in het verstooten van zijn Javaansche echtgenoote. En daarbij kwam heel wat kijken; want zij vertegenwoordigde de huishouding en detoko. De laatste had wel niet zoo heel veel meer te beteekenen, doch een opruiming geeft altijd werk, te meer daar de goederen en inventaris moesten worden overgebracht naar Bodja, alwaar de verstooten vrouw werd gezet in een eigen zaakje. Hettoko-gebouw werd gedeeltelijk ingericht als woonhuis, terwijl het op een derde van de breedte werd doorgeslagen tot een inrij voor het daarachter gelegen gebouw.[252]

De hereeniging van vader en dochter was gedurende een korten tijd zeer innig, waartoe ongetwijfeld de omstandigheid meewerkte, dat Wije slechts hoogst zelden mevrouw Duna bezocht. Dit was op haar eigen verlangen;sauver les apparences, noemde zij dat. Wije schikte zich daarin zóó goed, dat hij voorstelde dien schijn nog eenigen tijd voort te blijven redden, ook toen de scheiding tusschen haar en Duna was uitgesproken. Doch daarvan wilde zij niet weten, en hij, gewoon zijn wenschen aan de hare ondergeschikt te stellen, beloofde[224]onmiddellijk voor het „aanteekenen” te zullen zorgen.

„Waar zullen we gaan wonen?” vroeg zij.

„Wonen? Wel … ik dacht, dat het beste zou zijn te blijven, waar ik nu ben. Het is stil en bescheiden; in ons geval kunnen we niet beter doen dan ons een weinig te cacheeren.”

„Je bent een groot kind, Willem, zoo oud als je bent,” betuigde zij. „Hetgeen je daar zegt is de manier om te maken dat je door iedereen met den nek wordt aangezien. We moeten de lui niet naloopen, dat staat vast, maar ons zoo inrichten, dat iedereen trek krijgt bij ons te komen.”

„Zonde van de kosten,” bromde Wije, die niet wilde zeggen dat hij juist niet iedereen bij zich of liever bij haar wenschte te zien komen. „Laat ons liever voortgaan, zooals ik reeds lang bezig ben, en sparen, tot we voor goed hier vandaan kunnen.”[225]

„Dat zouden we nu al kunnen doen, ten minste als jij er niet op bent achteruit gegaan. Maar ik wil het nog niet. Eerst moeten we hier onze reputatie herwinnen; geloof me, wij zijn goed op weg. Ik heb gezorgd dat men ongeveer wist hoeveel ik bezit; dat heeft indruk gemaakt. Als jij niet altijd had stilgehouden dat je geld had, zouden ze je nooit op die manier links hebben laten liggen. Over de kosten behoef je niet tepikirentrouwens; ik weet altijd over te houden.”

Maar hij had er geen zin in en bleef op dit eene punt onverzettelijk, ieder oogenblik een nieuw argument aanbrengende voor zijn inzicht, dat hij beter noemde dan het hare. Daarvan overtuigde hij haar echter niet en het duurde een heele poos eer zij tot een besluit konden komen. Eindelijk gaf zij toe, doch om een reden die hij inconsequent noemde. Onder het praten en nog eens praten had hij, afdwalend van het onderwerp, haar verteld[226]van de zaken die hij deed met Piong Pan Ho, behalve die de suikerfabriek betroffen, en nauwelijks had zij dit vernomen of zij gaf allen tegenstand op. Hoewel het hem sterk intrigeerde, waarom zij, wetend haar plan juist door die omstandigheid beter en gemakkelijker te kunnen uitvoeren, opeens het zijne bijviel, vroeg hij geen uitlegging, blij dat hij de zege behaald had en er een eind kwam aan het geharrewar.

Zonder meer dan het strikt noodige werd het huwelijk gesloten. Behalve een paar aardigheden over de „jonggehuwden”, praatte men er ook niet over; men vond dat de zaak behandeld was zoo netjes als het in de gegeven omstandigheden mogelijk was, en voorts wachtte men af.

Tot op den trouwdag had Anneke geweigerd haar tweede moeder te zien, doch aan haar vader had zij beloofd geen moeite te zullen veroorzaken als „die mevrouw” in huis kwam, en[227]deze belofte hield zij woordelijk. Zij sprak niet tot haar, keek haar niet aan en zonderde zich af in haar kamer. Het huishouden had zij overgedragen door debaboeeen bos sleutels te geven, met de woorden: „boewat njonja”; aan elken sleutel zat een linnen lapje, met de aangifte van het slot waarop hij paste, in merkinkt. Overdag kwam zij haast niet te voorschijn, dan aan tafel; maar toen de eerste week om was, en mevrouw Wije ’s avonds tegen tien uur naar bed ging, terwijl haar man nog een brandysoda bleef gebruiken in de achtergalerij, hield zij hem geregeld gezelschap. Dan spraken zij over alles en nog wat, doch nimmer over mevrouw Wije. Eens had hij een poging gewaagd daarin verandering te brengen.

„Ik doe wat ik kan,” had zij toen gezegd. „Verg niet meer van mij.” En hij had het laten rusten, hopende dat de tijd, die zooveel doet slijten, ook hier zijn plicht zou doen.[228]

In den beginne hield Anneke zich bezig met het herlezen van al haar boeken en het bijhouden van hetgeen zij had geleerd, doch langzamerhand gaf zij zich over aan een steeds machtiger wordende zucht tot nietsdoen, tot droomend zitten of liggen in een gemakkelijken stoel, zich wegdenkend uit haar omgeving, in haar verbeelding een nieuwe scheppend waarvan zij het middelpunt vormde. En naarmate haar lichaam loomer werd, werkte haar geest krachtiger, maar ongezonder.

„Kijk toch eens naar Anneke,” zeide mevrouw Wije op zekeren dag tot haar man.

„Hoezoo?”

„Het leven dat zij leidt, bederft haar.”

„Wat kan ik er aan doen? Zij wil niet anders. Als jij eens probeerde …”

„Ik?” riep zij uit. „Dat kan je begrijpen! Ze zou het mij niet lastig maken … maar zie je dan niet, dat haar geheele doen en laten één doorgaande beleediging voor mij is?[229]De bedienden praten erover en amuseeren er zich mee. En in plaats dat jij er iets aan doet, maak je ’s avonds een gezellig praatje met haar en brengt haar in de meening dat je alles goedvindt.”

„Dat weet zij beter,” zeide Wije; „en wat het gezellige aangaat … dat is ook heen. Zij spreekt bijna niet meer.”

„Verbeelje wat zij gisteren aan de meid vroeg. Of ik een pandjeshuis of een dobbelkit hield!” ging mevrouw voort. „En dat enkel omdat er een paar inlanders in haar weg zaten, toen ze naar demandie-kamer ging. Zieje, dat verdraag ik niet op den duur; er moet een eind aan gemaakt worden; als zij niet verkiest van houding te veranderen, moet zij het huis uit.”

„Gemakkelijker gezegd dan gedaan.”

„Als jij wilde verhuizen en menschen ontvangen, zou het niet lang duren.”

„Och kom,” zeide Wije, haar latende staan.[230]

Dat was het oude praatje, waarover zij in de laatste weken weer was gaan zeuren. En hij verkoos het niet. Het was het eenige waaromtrent hij nog een wil had, en hij had zich schrap gezet om dien te handhaven. Zooals zij nu leefden hielden zij hoe langer hoe meer geld over; daarom was het immers alleen te doen! Geld, veel geld, en dan naar Holland, weg van de plaats waar ieder hun geschiedenis kende. Waarom zou men dingen doen, die het aanbreken van dat oogenblik vertraagden? Om de menschen? Bah, als men geld had kwamen die vanzelf. Maar als zijn vrouw over dat verhuizen begon, wist Wije dat er gewoonlijk iets anders was, dat zij hebben wilde, iets waarvoor zij dan in ruil hem zijn zin gaf. Ditmaal zou het zeker Anneke betreffen, en daarom liep hij weg; want hij durfde zoomin zijn vrouw aan als zijn dochter; als er tusschen die twee iets moest verhandeld worden, mochten zij het voor zijn part zelf[231]doen, maar hem er liefst buiten laten. Hij haalde zijn hoed om uit te gaan; dat was het veiligst. Doch in de binnengalerij moest hij zijn vrouw passeeren, en eerst vertellen waar hij heenging.

„Naar Piong Pan Ho,” gaf hij op.

„Hm,” deed zij. „Waarom ga jij altijd naar hem toe, en komt hij nooit hier?”

„Waarschijnlijk omdat ik hem nu en dan wat te vragen heb dat haast heeft en hij mij nooit.”

„Hij kon toch wel eens een visite maken. Kwam hij vroeger?”

„Jawel,” zeide Wije. „Misschien heeft hij op een uitnoodiging gewacht; hij is wat dat betreft erg bescheiden.”

„Moedig hem dan aan.”

„Waartoe? zijn praten kan je onmogelijk interesseeren, en meer geld beleggen kan hij voor ons niet doen; hij zit met het zijne al in den weg. Daarenboven is hij een groot vereerder[232]van Anneke; als hij merkte hoe de verhouding hier is, had je ’t voorgoed verbruid.”

Ditmaal scheen het of zij weg wilde loopen, althans zij draaide zich eensklaps om; doch toen Wije een paar stappen verder deed, riep zij hem na: „Doe het toch maar; ik zal wel zorgen dat hij niets merkt.”

„Nu, goed,” bromde hij de schouders ophalend. Het zou haar niet meevallen; als er iets te doen was had hij ’t immers wel gedaan gekregen; enfin, ze moest het maar ondervinden, anders was zij toch niet tevreden.

Terwijl hij het erf afliep, bleef zij in de binnengalerij staan kijken, tot hij den weg had bereikt; toen sloeg zij de armen omhoog, die strekkende met gevouwen handen; een uitdrukking van groote blijdschap, van voldoening over een goed idee, verspreidde zich over haar trekken.

’s Avonds aan tafel sprak zij veel; een paar[233]maal noemde zij Anneke ’s naam, tot heimelijken angst van Wije, die zich afvroeg of het meisje op die pogingen, om met hem als tusschenpersoon een gesprek aan te knoopen, zou ingaan. Maar weldra was hij op dat punt gerustgesteld; Anneke deed als hoorde zij het niet en hield dit vol ook toen mevrouw in de volgende dagen deze nieuwe manier van doen herhaalde en ten slotte bevestigde; zij liet over zich spreken, zelfs aanmerkingen maken, zonder het zich in ’t minst aan te trekken.

Wije had bij gelegenheid van zijn laatste bezoek aan Piong Pan Ho de opdracht van zijn vrouw vervuld. DeSingkehwas heel blij en beloofde zoo spoedig mogelijk te zullen komen, maar eerst moest hij de binnenlanden in, voor een dag of veertien. Daarna zou hij de Wije’s opzoeken, zoo dikwijls als hij mocht. De reden waarom hij sinds Wije’s huwelijk er niet geweest was, vloeide[234]voort uit het onthaal dat hij elders gevonden had, in ’t bijzonder van de zijde der dames. De heeren waren vriendelijk genoeg; verscheidenen speelden een partij biljart met hem als hij in de sociëteit kwam, en ook bij de officieele bezoeken die hij gemaakt had als luitenant, traden zij hem welwillend te gemoet, hoewel iets meer uit de hoogte dan anders, als de dames niet tegenwoordig waren. Doch deze behandelden hem als verreweg hun mindere. Daarop waren slechts een paar uitzonderingen, en dat had zijn redenen! Het hinderde hem zoo, dat hij wegbleef overal waar hij niet bepaald verplicht was te komen. Hij had zich laten vertellen dat alleen de Hollanders zoo laag neerzagen op iemand van ander ras; de Engelschen, Duitschers en Franschen waren wat dat betreft beter. Weliswaar deden de Chineezen evenzoo, in hun land, en gebruikten zelfs een heel leelijk woord om een mensch aan te duiden die geen Chinees was, maar[235]sedert zijn komst in Java vond hij dat dom, en het speet hem dat de Hollanders, die in sommige dingen zoo uitstaken, op dit punt zich aanstelden als … Chineezen. Dat Wije het in zijn huis anders wist te dwingen, bewees voor de goede tucht die hij uitoefende.

Toen Piong Pan Ho na zijn terugkomst uit het binnenland de Wije’s bezocht, had hij een nieuwe grief. Op een terrein dat hem in eigendom toebehoorde, wilde hij een huis bouwen, en had daartoe de noodige vergunning gevraagd. Nu was de rooimeester bij hem geweest en had hem te kennen gegeven dat niemand hem beletten kon te bouwen, doch dat het plan der woning hem op het vermoeden had gebracht, dat Piong Pan Ho of een andere Chinees het huis na gereedzijn dacht te betrekken; dat mocht niet, daar het terrein in de Europeesche wijk lag, en dus kwam hij den luitenant waarschuwen eer hij begon!

Mevrouw Wije steunde hem in zijn klachten.[236]Zij vond dat desobatgroot gelijk had er boos over te zijn; zulk een bepaling was goed om kleine en voddige huisjes, door arme Chineezen bewoond, uit de mooie wijken te houden, maar onzin tegenover iemand die zoo rijk was als Piong Pan Ho. Die vleierij had effect; deSingkehwerd er geheel door ingepalmd. Hij noodigde haar uit eens mee te komen met haar man, om zijn huis te zien en zijn paarden, die nu in ’t donker op den weg stonden. Als zij wilde zou hij zijn rijtuig sturen om hen af te halen, dan had zij meteen gelegenheid eens te zien hoe mooi het vandehandsche paard steigerde bij het aantrekken en onder het loopen aldoortandakte, welk een glad vel zij hadden door het voeren met jonge muizen, waardoor zij tevens zoo vurig werden, dat de koetsier met gestrekte armen, in iedere hand een leidsel, ja met een slag daaromheen gewonden, ze nauwelijks houden kon.

Toen Anneke verscheen, bewonderde Wije[237]de slimheid van zijn vrouw. Zij volgde haar taktiek, die zij in de laatste weken had voorbereid, om over het meisje te spreken, nu ook tot Piong Pan Ho, en een enkele maal kon Anneke er niet buiten om denSingkeheen antwoord te geven, dat als het ware indirect sloeg op een gezegde van haar stiefmoeder.

Op een oogenblik toen het discours weer liep over het rijtuig van den Chinees, drukte Anneke haar verlangen uit eens in zoo’n wagen te rijden; zij had nog nimmer in een landauer gezeten.

„Boleh!” riep Piong Pan Ho. „Nonnamag er een toer mee maken, zoover zij wil. Gaat mevrouw ook mee?”

Die vraag bracht mevrouw Wije bijna van haar stuk, doch zich onmiddellijk herstellende bedankte zij, voorgevend nu liever wat te blijven praten.

Piong Pan Ho geleidde Anneke naar het rijtuig, zijn orders gevend aan den koetsier.[238]Teruggekomen vroeg hij aan Wije, wanneer deze naar de suikerfabriek dacht te gaan.

„Ik kan desnoods morgen,” antwoordde Wije, „maar we reizen er immers samen heen?”

„Het is beter dat u alleen gaat,” zeide Piong Pan Ho en bracht allerlei bij voor deze opinie, die enkel voortkwam uit zijn onwil om zich te vertoonen als chef van Europeesch personeel. Wije sprak daartegen van de groote verantwoordelijkheid die hij op zich nam, wanneer hij alleen moest beslissen over de groote verbeteringen die de administrateur voorstelde, maar zwichtte ten slotte, er in zijn hart niets rouwig om dat de ander thuis bleef; want het was nog heel iets anders de gemachtigde te zijn van een Chinees, als zich in het publiek met hem te begeven als zijn ondergeschikte.

Intusschen reed Anneke Bodjong en Pontjol rond, zich vreemd gevoelend in die bekende buurten, als iemand die na een langdurige[239]ziekte voor het eerst uitgaat. Het was haar of alles kleiner, enger geworden was; dan het herkennen van plekjes en het herleven der herinneringen daaraan verbonden, door de snelle opvolging wel aandoening opwekkend doch geen indruk makend, weer verdwijnend als de ademtocht op een warme glasruit. Dicht bij huis dook zij weg in den ruimen wagenbak, slechts aan het trillen van de randen en het doffe rommelen der wielen onder haar bemerkend dat zij voortging, steeds nader en nader bij de plaats die zij haatte en niet wilde zien voor het laatste oogenblik.

Niet lang na haar terugkomst, nam Piong Pan Ho afscheid.

Wije ging dus alleen naar Japara. Voor zijn vertrek had hij een ernstig onderhoud met zijn vrouw en daarna met Anneke, die nu gedurende eenige dagen alleen achter zouden blijven, en hij nam beiden de belofte af dat zij in zijn afwezigheid elkaar niet in het[240]haar zouden vliegen. In stilte hoopte hij dat zij het wel mochten doen, daar een uitbarsting tusschen die twee zijns inziens het eenige middel was tot een toenadering, die hij hartelijk wenschte. Want die eeuwige stootkussendienst verveelde hem en was oorzaak dat eigenlijk alles hem tegenstond. Soms, als hij alleen was, wond hij zich op over de zonderlinge positie die hij innam in zijn huis, en nam zich voor er door forsche maatregelen een verandering in te brengen. Welzeker, een klein standje was een groot gemak, en als hij nu zijn vrouw … of neen, die deed niets, maar Anneke eens flink onderhanden nam … Het lamme was, dat telkens als hij wou beginnen, zij hem aankeek met die groote, weemoedig starende oogen, die hem aan haar moeder herinnerden en de woorden deden stokken in zijn keel. Feitelijk had hij nooit goed tegen vrouwen opgekund, en tegenwoordig minder dan ooit; doch zijn vrouw had[241]gelijk: één van hen moest het huis uit en dan natuurlijk Anneke. Zoodra hij terugkwam zou hij daarover met haar spreken en een middel beramen om daartoe te geraken. Was het noodig menschen en met name jongelui te ontvangen, in godsnaam dan!

Terwijl hij zoo zat te soezen in den reiswagen, bevond zich mevrouw Wije bij Piong Pan Ho. Het huis en de paarden waren bekeken en bewonderd, toen zij, zich zettend in de voorgalerij der ongebruikte woning, hem met een enkel woord aanleiding gaf om nog eens breed uit te wijden over zijn grieven tegen de houding der Europeanen jegens hem. En hem meer en meer aanmoedigend, bemerkte zij na weinig tijd, dat deSingkehhet zich buitengewoon zwaar aantrok niet te worden gelijkgesteld, althans met zulke Europeanen, die evenals hij, bij gebrek aan beter, in Indië waren verzeild geraakt en daar iets waren geworden … of niets. Had hij geen geld en[242]mooie dingen; kon hij niet meepraten over de Europeesche politiek, over Bismarck en Disraeli, zelfs zonder in de war te raken met de namen der landen en regeerende vorsten; hakkelde hij als hij sprak, hoogstens de helft gebruikende van de woorden die noodig waren om uit te drukken wat men bedoelde; dronk hij of vloekte hij.…?

„Neen luitenant, dàt is het niet,” zeide mevrouwWijeeindelijk. „Het zit hem in de vrouwen.”

„Janjonja, die zijn het ergst.”

„Ik meen niet onze dames, maar jelui vrouwen.”

„Bagimana, wat doen die?” vroeg Piong Pan Ho verwonderd.

„In de eerste plaats weet niemand hoe je er aan komt,” antwoordde zij.

„Wij trouwen ze, net als deorang Olanda.”

„Nu ja … De zaak is, dat de Europeanen gewoon zijn om niet slechts naar den man te kijken, maar ook naar de vrouw. Als iemand[243]getrouwd is, moet men zijn echtgenoote eveneens ontvangen, en die moet met onze dames kunnen praten, zonder dat deze zich moeite behoeven te geven; in één woord, zij moet haars gelijke zijn.”

DeSingkehzuchtte.

„Soesah,” zeide hij; „zulke vrouwen kunnen wij hier niet krijgen. In China zijn er wel, die weten te babbelen over allerlei, en steeds van ieder schandaaltje op de hoogte zijn; maar die mogen niet worden uitgevoerd.”

„Men moet zoeken waar iets te vinden is,” hernam zij, „en niet de oogen wenden in een verkeerde richting.”

„Ja,” beaamde hij, „ik begrijp al wat mevrouw bedoelt. Misschien is er in het binnenland een regent te vinden, die geld noodig heeft en mij daarvoor een dochter zou willen afstaan.”

„Mis. Die inlandsche vrouwen zijn allen precies eender, onverschillig of zij van hooge of lage geboorte zijn. Onder hen moet je niet[244]zoeken, luitenant. Ook niet bij de zoogenaamde Chineesche, maar bij de Hollandsche meisjes, en liefst die op Bodjong wonen.”

„Mevrouw maakt gekheid,” zeide Piong Pan Ho.

„Heusch niet; ik meen wat ik zeg. Het maakt een groot verschil uit of je een visite komt maken en een praatje houdt, dat hen verveelt misschien, of dat je zegt:nonna, wilt u met me trouwen, ik bezit meer geld dan al de menschen hier op Bodjong te zamen.”

Piong Pan Ho was stil. Het denkbeeld, dat zijn bezoekster had geopperd, begon te pakken. Zij was toch ook een Hollandsche vrouw en kende haar soort; maar anders had hij het nooit durven denken. Hoe, een dier trotsche dames zou met hem willen samenwonen, als zijn echtgenoote? Zij, die zijn hand aanvatten alsof zij vies van hem waren? Doch als hij bedacht wat men al niet voor geld kon gedaan krijgen op ander gebied … ja, dan kon zij[245]wel gelijk hebben. Het zou niet onaardig zijn, zoo’n blanke vrouw! Laatst, op het officieele bal had hij zijn oogen uitgekeken, den SoerabajaschenBabah, die den heelen avond naast hem gezeten had, sterk benijdend, toen deze hem vertelde hoe daar ter plaatse de Chineezen op al hun feesten diezelfde mooie dames voor zich lieten dansen, precies zoo gekleed als bij die gelegenheid. En dan het voordeel van niet langer uit de hoogte te worden behandeld …

„Weet mevrouw er een,” vroeg hij eindelijk.

„Niet zoo dadelijk,” antwoordde zij; „maar ik wil wel eens rondkijken, luitenant.” En zij stond op. Doch eensklaps scheen haar iets in te vallen. „De dochter van mijn man; hoe zou je die lijken?”

Den mond opengesperd, de wenkbrauwen schuin omhoog getrokken, beide handen opgeheven met gespreide vingers, de duimen wijzend naar zijn jukbeenderen, wijdbeens en wiegelend naar links en rechts op zijn heupen, stond[246]Piong Pan Ho daar, een type van eenwajang-figuur, in de eerste oogenblikken onmachtig een woord uit te brengen van schrik en verrassing.

Zij was er ten zeerste door getroffen, meenende de houding van denSingkehte moeten toeschrijven aan het plotseling hooren uitspreken van een geheim, dat hij zich verbeeld had in het diepst van zijn gemoed verborgen te zijn; iets dat hij niet bekend wilde hebben, eer hij na lange voorbereiding en goed gewikte intriges, zeker was van zijn slag; dat, verraden zijnde, hem overleverde aan degeen die het wist, of al zijn moeite en wenschen verijdelde.

Doch zij vergiste zich. De gedachte zelfs aan Anneke Wije had bij Piong Pan Ho nog niet bestaan en onder de figuren, die bij het zooeven gehouden gesprek hem voor de oogen hadden gezweefd, bevond zich de hare niet. Als een ander als haar stiefmoeder het voorstel had gedaan,[247]zou hij dien uitgelachen hebben of zich boos gemaakt. Dat meisje stond voor hem onbereikbaar hoog. Want hij zag zeer goed in, dat niettegenstaande den eenvoudigen toon waarop zijn bezoekster over de zaak sprak, de uitvoering niet zonder moeite zou geschieden. Het was mogelijk dat er een zwichtte voor een zeer hoog bod van zijn kant, doch overigens zouden zoowel de belanghebbende als alle andere Europeanen het feit, dat een hunner meisjes huwde met een Chinees, als een onteering beschouwen voor haar en haar familie. Zoo waren ze nu eenmaal; en wien hij ook zou durven naderen met een vraag van die strekking, Wije niet. De rest … bah! Bij die durfde hij met alles aankomen; hun prestige hadden zij door hun manier van hem te behandelen geheel verspeeld. Maar Wije was zoo geheel verschillend; hij sprak nooit uit de hoogte, geneerde zich niet om vriendelijk te zijn en deed alles wat hij ter hand nam, solide en goed. Dat de andere[248]Europeanen hem ietwat links lieten liggen, wist Piong Pan Ho best, en hij verklaarde dat op Chineesche manier: Wije was gelukkig geweest en werd benijd, omdat men het wist; zoo hij het verborgen had kunnen houden zou niemand het hem lastig maken; nu was het een quaestie van tijd, van afwachten tot hij zooveel bezat dat men hem niet meer aandurfde. Voor Piong Pan Ho was dat geen reden om hem minder te achten, minder tegen hem op te zien; wantdàtdeed hij. Daarop had de houding van de anderen geen invloed, noch ook het gebeurde met de tegenwoordige mevrouw Wije, waarin deSingkehtrouwens zoo veel niet zag. Neen, Wije kon nog heel wat doen eer Piong Pan Ho hem op een lijn stelde met de rest, eer hij hem zou durven voorstellen wat daareven was gezegd. Daar schrok hij van.

„Houdt u niet van denonna?” vroeg hij wantrouwend.

„Neen, niet erg,” erkende zij na eenig aarzelen.[249]„Maar alleen omdat zij haar vader plaagt.”

„Massa!”

„Heusch, het is zoo. Zij was, eer ik kwam, baas in huis … begrijp je?”

Piong Pan Ho knikte.

„Nu dwingt ze om eruit te komen,” ging mevrouw Wije voort. „En daarom hebben mijn man en ik besloten er werk van te maken.”

„Dus weet meneer, dat u met mij zoo spreekt?” vroeg de Chinees, diep ademend.

„Welneen, ik bedacht het nu pas.”

„Ah,” deed hij teleurgesteld, „dan komt er niets van.”

„Waarom niet?”

„Meneer zal niet willen.”

Zij zweeg en maakte de beweging van geldtellen met duim en wijsvinger; doch Piong Pan Ho schudde het hoofd ongeloovig.

„Dat kan meneer zelf verdienen,” zeide hij.

„Als daar nu eens bijkwam, datikhet wilde?”[250]

„Dan zou het misschien lukken,” zeide hij langzaam, als in zich zelf sprekende. Hij kende den invloed dien de Europeesche vrouwen op hun mannen uitoefenden, doch met zijn beschouwingen over Wije, twijfelde hij nog of dat ook bij dezen opging. Alleen voor ’t geval dat zij waarheid sprak en haar man eveneens wenschte dat Anneke, hoe dan ook, het huis uit ging, was het mogelijk.

„Laat ons eens zaken bespreken,” sloeg zij voor. „Ik kan er met mijn man alleen dan over beginnen, als ik hem tevens kan mededeelen dat zoowel zijn eigen toekomst als die zijner dochter verzekerd zou zijn; vooral het laatste.”

Piong Pan Ho vond het goed en heel wat gemakkelijker dan wat tot nu toe verhandeld was. Toen mevrouw Wije ten tweeden male opstond om heen te gaan waren zij het op alle punten eens.

„Je moet alleen wat geduld hebben,” was[251]haar laatste woord geweest en dat had hij beloofd, intusschen onmiddellijk een aanvang makende met al hetgeen hij van zijn kant te doen had. Dat bestond vooreerst in het verstooten van zijn Javaansche echtgenoote. En daarbij kwam heel wat kijken; want zij vertegenwoordigde de huishouding en detoko. De laatste had wel niet zoo heel veel meer te beteekenen, doch een opruiming geeft altijd werk, te meer daar de goederen en inventaris moesten worden overgebracht naar Bodja, alwaar de verstooten vrouw werd gezet in een eigen zaakje. Hettoko-gebouw werd gedeeltelijk ingericht als woonhuis, terwijl het op een derde van de breedte werd doorgeslagen tot een inrij voor het daarachter gelegen gebouw.

[252]


Back to IndexNext