[Inhoud]X.X.VOOR AAN UED. GELEVERD: EEN MEISJE.Op het terrein in de Europeesche wijk, waar hij noch een ander Chinees mocht wonen, liet Piong Pan Ho nu ook bouwen, en met de zenuwachtige haast die hij achter alles zette wat hij deed in die dagen, schoot daar uit den grond een huis op, dat reeds in den aanbouw het oog trok van alle voorbijgangers.Op een vroegen morgen wandelden Wije en Anneke er langs.„Kijk, dat is het huis van Piong Pan Ho,” zeide hij, daarmee tevens het stilzwijgen verbrekend, dat geduurd had van het begin hunner[253]wandeling, die zij slechts maakten voor Anneke’s gezondheid. Het was na herhaald aandringen van zijn vrouw dat Wije dit deed, maar plezierig vond hij het niet. Zij mokte nu al tegen hem ook, tenminste het leek er hard naar; tot praten was zij niet over te halen, en als hij vroeg wat ze had, kreeg hij geregeld dat sarrige typisch-indische „niets” ten antwoord, dat langzaam en slepend uitgesproken, hetzij men wil of niet, steeds een smadelijken trek te voorschijn roept op het gelaat van den spreker of spreekster.Anneke bleef staan en keek even naar het gebouw dat reeds onder de kap was.„Mooi,” zeide zij.Ongeduldig schokte hij met de schouders en wilde de wandeling voortzetten, toen achter hen een dogcart stil hield, waaruit Piong Pan Ho zelf stapte. Goddank, daar was ten minste iemand met wien men een verstandig woord kon wisselen![254]„Komt u eens kijken?” vroeg deSingkehop hen toetredend, en hij rustte niet eer hij alles had vertoond en uitgelegd. Af en toe sprak hij ook tot Anneke, met moeite zijn bewondering verbergend, telkens als hij haar aanzag. En tot groote woede van haar vader antwoordde zij vriendelijk en met meer woorden dan hij in de laatste maand uit haar mond vernomen had.„Zounonnagraag zoo’n huis als dit bezitten?” vroeg eensklaps Piong Pan Ho.„O ja,” riep Anneke uit, „wie zou dat niet?”„Baik,” zeide hij, haar toeknikkend; „als klaar is, geef ik het.”Zij lachten alle drie, de Chinees uit gulheid, Wije en Anneke de zaak als een grap opvattend.Eenige weken later, op een middag, stormde Wije zijn kantoortje uit naar de achtergalerij, waar zijn vrouw bezig was thee te zetten.[255]„Piong Pan Ho is gek geworden,” riep hij uit, haar eenige stukken voorhoudend. „Hij heeft waarachtig dat nieuwe huis van hem op naam van Anneke laten zetten!”„Watzeg je!” zeide zij, de grootste verbazing voorwendende. „Hoe komt hij dáár toe?”„Dat mag de hemel weten. Indertijd zei hij, dat hij het haar zou geven, maar ik dacht dat hij gekheid maakte. Nu heeft hij wel altijd de gewoonte gehad om haar te schenken, wat hij, misschien uit kieschheid, mij niet wilde aanbieden, maar dit is wat al te bar. Een huis!”„Weet je wat ik er van denk?” vroeg zij. „Je hebt me eens gezegd dat hij een groot bewonderaar was van Anneke … het schijnt dat je toen nader bij de waarheid was dan je zelf vermoedde.”Wije verbleekte.„Zou hij dàt bedoelen?” stamelde hij. „Dan[256]is het uit met geldverdienen; dat zou een val zijn voor ons.”„Of een uitkomst,” zeide zij zacht.„Hoe? Je meent toch niet …?” riep hij uit met verheffing van zijn stem.„Stil!” viel zij hem in de rede. „We kunnen ook praten zonder zóó te schreeuwen dat iedereen het hoort. Zie eens hier, ik sta natuurlijk op een ander standpunt dan jij; maar al was ik haar eigen moeder, in onze omstandigheden zou ik niet anders spreken. En om nu maar niets te zeggen over wat er gebeurt als je hem weigert, want dat heb je zelf zooeven reeds gedaan, vraag ik je, of jij voor haar iets beters weet.”„Maar vrouw, wat scheelt je? Iets beters dan een Chinees?”„Waar is de Europeaan te vinden die haar trouwt uit ons huis, en die begint met zóó’n geschenk zonder nog iets te vragen?”„Trouwen, ja … maar een Chinees trouwt[257]haar ook niet, ten minste volgens onze opvatting.”„’n Mooie opvatting,” zeide zij spottend. „Ik zie het verschil niet in; een huwelijk is een huwelijk. En wat de vastigheid betreft, dunkt mij dat een geschenk als dit vooraf en later nog wat—dat spreekt van zelf—meer waarborg aanbiedt dan het contractje dat wij Europeanen aangaan, en dat, zooals je gezien hebt, met weinig moeite is te verbreken.”De onverschillige wijze, waarop zij sprak over hetgeen hij liefst niet meer aanroerde, haar scheiding van Duna, ergerde hem.„We praten over iets dat enkel op een losse veronderstelling berust,” zeide hij om er een eind aan te maken. „Kom, ik ga het Anneke eens laten zien; misschien ontlokt haar dit wel een enkel woord.”„Wacht even,” verzocht zij. „Je moet er hem voor bedanken.”„Ja … hoe zoo?”[258]„Als je het aanneemt, en hij heeft het gedaan met die bedoeling, dan heeft hij een zeker recht verkregen.”„Men kan het altijd teruggeven. Ik behoef niet dadelijk te beslissen.”„Teruggeven,” herhaalde zij. „Juist; dit, je tractement, je verdiensten, alles!”„Vervloekt!” bromde hij.„Zal ik eens naar Piong Pan Ho toe gaan, en hem polsen?”„Jij …?”„Ja, ik. Het zal er toch op neer komen, dat we met hem moeten handelen over wat hij meer op haar zet dan dit huis en … enfin, daarover later. In dat geval kan ik het beter doen dan jij.”„Nog niet,” zeide hij kort, zich terugbegevend naar zijn kantoor. „Stuur me nog een kop thee.”Zij bracht het hem zelf, doch sprak geen woord meer over het zooeven behandelde, wetende[259]dat hij toch niets zou doen zonder haar en er spoedig genoeg op zou terugkomen.Zoo was het, en hij vond dat zij gelijk had; eer men iets besloot, diende men te weten waaraan zich te houden; zij moest dus maar trachten plannen uit te vinden welke Piong Pan Ho koesterde; hij kon zich voorloopig achteraf houden en optreden zoodra het noodig was. Hij bedoelde hiermee niets geks, maar het bleek heel gauw, dat de voorloopige toestand van zich op den achtergrond te houden, een blijvende was; tot optreden noodigde hem niemand, en langzamerhand raakte hij er aan gewoon dat zijn vrouw in deze zaak precies deed wat zij wilde, terwijl hij het een vóór en het andere na toegaf, ten slotte dat Anneke met Piong Pan Ho een Chineesch huwelijk mocht aangaan, mits zij zelf wilde. Het haar voor te stellen weigerde hij echter, doch dit was ook het eenige.„Goed,” zeide zijn vrouw; „maar ik kan[260]het niet; dus moeten we den luitenant in de gelegenheid stellen het zelf te doen. Ik zal daar wel voor zorgen.”Anneke wist derhalve niets van hetgeen haar boven het hoofd hing. Met de schenking van het huis was zij in ’t eerst zeer verheugd geweest, meenende dat zij nu daarin gingen wonen en zoodoende zij door de grootere ruimte nog meer vrijheid zou krijgen in haar afzondering, die zij hardnekkig bleef volhouden. Doch toen haar vader kortweg verklaarde de grootere kosten aan zulk een huis verbonden niet te kunnen bestrijden, begreep zij niet wat zij er aan had, en verviel weer in haar vorige apathie, waaruit zelfs het bericht in de courant, dat Kees Duna verloofd was met eenDjokdjaschmeisje, haar slechts even vermocht op te wekken.Had mevrouw Wije op zich genomen, Piong Pan Ho gelegenheid te geven zijn belangen bij Anneke te bepleiten, weldra zou blijken, wat zij daaronder verstond. Zij haastte zich[261]echter volstrekt niet; alles wat zij tot nu toe tegen Anneke had ondernomen, was haar als bij de handen afgebroken; dat mocht ditmaal niet geschieden, maar dan moest ook alles zoodanig worden overwogen en beschikt, dat niemand zich kon onttrekken. Van haar man was zij nu geheel zeker; Anneke telde in haar plan niet mee; die moest plotseling voor eenfait accomplistaan; doch Piong Pan Ho, die als eenig handelend persoon zou optreden, was nog niet vast genoeg thuis in de rol die zij hem had toebedacht. Eindelijk begon de laatste ongeduld te toonen, en nu meende zij dat het tijdstip was aangebroken om de zaak tot een besluit te brengen.Op zekeren avond was, door een ongeluk in de keuken, het etensuur vertraagd geworden. Wije, die erg onrustig en gehaast scheen, had even gemopperd, doch was geëindigd zich nog een bittertje in te schenken. Aan tafel praatte hij iets drukker dan gewoonlijk en[262]gebruikte ook meer wijn. Men was nog aan de vruchten, toen Piong Pan Ho werd aangemeld.„Laat maar achter komen,” gelastte Wije den bediende.DeSingkehkwam en groette. Het speet hem dat hij de familie aan tafel overviel; gewichtige brieven, die hij zoo pas ontvangen had en aan meneer Wije moest laten lezen, waren de aanleiding; of meneer zoo goed wilde zijn ze in te zien; intusschen zou hij even naar den majoor-chinees rijden, en later op den avond terugkomen.Wije nam het pakje aan en Piong Pan Ho stapte op. Maar aan het eind van de galerij gekomen, keerde hij eensklaps terug.„De majoor woont dicht bij Tjandie,” zeide hij, zich tot Anneke wendende, „en ik heb er maar heel kort noodig. Heeftnonnaplezier om mee te rijden? Dan gaan we over Bodjong en toeren zoo om. Het is mooi weer en maneschijn.”[263]„Mag het pa?” vroeg Anneke, op een toon waarvan de bitsheid getemperd werd door blijdschap over het aanbod.„Ga je gang,” antwoordde Wije, zonder op te zien en een stuk afrukkend van het papier dat hij vasthield.Piong Pan Ho gaf geen enkele order aan zijn koetsier; toch reed het rijtuig aan het eind der zijlaan gekomen, in de richting die hij daareven had genoemd. Anneke bemerkte niets van die bijzonderheid. De Chinees had haar gevraagd of zij het thuis niet prettig had, en zijn deelnemende toon had haar aanleiding gegeven om uit te barsten in bitter beklag. Hij had van te voren geweten dat dit naar alle waarschijnlijkheid volgen zou, maar nu hij haar hoorde spreken, roerden hem dezelfde dingen, die hij bij de cynische voordracht van haar stiefmoeder onverschillig had opgenomen. Een vreemd, hem onbekend gevoel maakte zich gaandeweg van hem meester, dat van medelijden.[264]Even voor zij den hoek omsloegen passeerde hen een ander rijtuig, doch geen van beiden zagen zij hoe daaruit zich plotseling een hoofd, met een met goud gegalonneerden pet bedekt, vooroverboog, en twee scherpe oogen hen nastaarden. Het was de resident.„Luit’nant-tjina, kandjeng toewan,” zeide de looper achterop.„Wie zat naast hem?” vroeg de resident, om zich te overtuigen of hij goed had gezien.De looper wist het niet; hij had alleen den koetsier en de paarden herkend, en naar iets anders hadden ook de koetsier van den resident en depajong-drager niet gekeken.Piong Pan Ho was bij den majoor-Chinees geweest, dien hij niet thuis gevonden had; daarop waren zij verder gereden, het gesprek nog steeds loopend over het onderwerp waarmee het was begonnen. Anneke had een oogenblik geschreid, en toen het rijtuig stilhield voor de woning van den Chinees, nam zij zonder[265]erg zijn uitnoodiging om even uit te stappen aan; bij denonjazou zij haar gelaat afwasschen. Hij liet haar voorgaan, door de binnengalerij waar een lamp brandde, en wees haar den weg naar een eveneens verlichte kamer, doch toen zij die binnenging bleef hij achter, haar verzoekende zichzelf te helpen.Daar Anneke in de kamer niemand vond, veronderstelde zij dat Piong Pan Ho zijn „nonja” was gaan roepen. Intusschen maakte zij gebruik van het waschgerei. Daarmee gereed, keek zij, in afwachting, eens rond in het vertrek, dat zeker de slaapkamer moest zijn van den luitenant, en verwonderde zich dat alles er zoo Europeesch uitzag, ja als door een dameshand ingericht. Toen viel het haar op dat de handdoeken en ook het beddegoed nieuw en ongebruikt waren, en zij herinnerde zich dat haar vader eens had verteld, dat de heer van dit huis zelf in een kamertje van de bijgebouwen woonde. Zij vond het zonde, maar tevens heel[266]gek waschstellen te vullen en bedden op te maken in een zoo goed als leegstaand huis.In de binnengalerij zat Piong Pan Ho op een bank, hevig bewogen. Het oogenblik was dan eindelijk gekomen, waarnaar hij zoo had verlangd, waarvoor hij zooveel had gedaan; zij was in zijn huis. Van haar vader en stiefmoeder had hij verlof om haar te houden, desnoods tegen haar zin. Hij moest haar door overreding trachten te winnen, had de laatste gezegd; dat waren Europeesche meisjes gewoon, maar aan te lang volgehoudentinka’sbehoefde hij zich niet te storen. Als zij een uur geleden hier was gekomen, zou hij zich zonder gemoedsbezwaren aan die instructies hebben gehouden; nu echter wist hij niet hoe hij het had; het eene oogenblik voelde hij zijn hartstocht opvlammen en zich tot alles in staat, dan weer ontzonk hem de moed en was het hem of hij een heiligschennis stond te begaan enkel door haar aan te zien.[267]„Mana nonja?” vroeg Anneke, opeens te voorschijn komende. Het wachten had haar verveeld en de deur openend zag zij hem alleen.„Ga even zitten,” noodde Piong Pan Ho, naast zich wijzend op de bank en tevens zelf een heel eind opschuivend, meer dan noodig was om plaats voor haar te maken. Toen, zijn stem zooveel mogelijk verzachtend, begon hij haar in te lichten dat er geennonjawas, en vervolgde onmiddellijk daarop met de verzekering dat zij daarom niet bang behoefde te wezen. Hij was niet ruw, vooral niet tegenover zulk een lief meisje als zij, waarmee hij diepkassianhad. Zooeven had zij verteld dat het thuis voor haar niet plezierig was; waarom zou zij niet hier blijven en het zich zoo aangenaam maken als zij wilde. Natuurlijk sprak hij met voorkennis van haar vader, die haar al niet meer terug verwachtte. Hij zou haar in hooge eer houden, meer nog dan deblanda’sgewoon waren hun vrouwen te doen; de eerste dagen moest ze[268]hier in huis doorbrengen, terwijl hij in de bijgebouwen verblijf hield, tot hij haar eigen huis gemeubeld had; dan zou hij hier een feest geven, stil maar rijk, en daarop de voornaamsten van zijn ras uitnoodigen om tevens bij hun huwelijk tegenwoordig te zijn; daarna mocht zij verhuizen naar die andere woning, waar zij als gebiedster zou tronen, met rijtuig, paarden en bedienden zooveel zij wenschte, zich tooien met kleeren en edelgesteenten naarmate zij lust had, en waar hij slechts zou komen als zij hem riep, tot tijd en wijle zij aan hem zou gewend zijn. Hij herhaalde het, hij was niet ruw, maar hoewel een Chinees, had hij een goedati; dat had haar eigen vader gezegd en daarom hen permissie gegeven haar mee te nemen.Bij zijn eerste woorden had Anneke een groote verontwaardiging in zich voelen opkomen, en het „apa kwè gila?”1lag haar op de lippen; doch toen zij vernam dat haar[269]vader haar aan den Chinees had overgeleverd, beving haar een geweldige angst. Zij twijfelde er niet aan of hij had de macht dit te doen, en dat hij het deed was om haar te straffen voor haar houding jegens hem. O, kon zij hem maar spreken en vergiffenis vragen!„Ik wil naar huis,” klaagde zij opstaande, zoodra hij zweeg.„Djangan!” riep hij uit, haar arm grijpende.Zij droeg, naar de mode dier dagen, wijde mouwen. De hand van denSingkehschoof, door zijn iets te snelle beweging, hoog op in haar mouw en zij voelde zijn knokkelige vingers met het harde binnenvel, waarvan het eelt nog niet was afgesleten, haar arm omspannen, terwijl hij moeite deed zich eveneens van de bank te verheffen. Met een gil van afschuw rukte zij zich los, en eer hij er aan dacht verdween zij door de deur, die hij vergeten had te sluiten, het erf afsnellend en den grooten weg op.[270]Piong Pan Ho wilde haar naloopen, doch de Europeesche schoenen, die hij sedert kort pas droeg, belemmerden zijn gang. Op den weg durfde hij haar niet meer volgen; en zichzelven voor een grooten domoor uitmakende, dat hij haar had laten ontsnappen nog eer zij bekomen was van den eersten schrik, wierp hij het ijzeren hek dat de inrij afsloot met kracht dicht. Het zou intusschen heel wat moeite kosten haar nu weer hier te krijgen;soedah, het was zijn eigen schuld; morgen zou hij er over raadplegen met haar vader, die nu zeker wel zelf zou willen spreken met hem, en anders maar weer met haar stiefmoeder.Na Anneke ’s vertrek had Wije eenigen tijd heen en weer geloopen, onverstaanbaar mompelend, zijn wandeling, die hij eerst had uitgestrekt tot den uitersten rand der galerij hoe langer hoe meer inkortend, tot hij op het laatst, na eenig draaien voor zijn stoel, zich daarop liet neervallen en, een half uur[271]te vroeg, met heesche stem zijn vrouw gelastte de brandy-soda te krijgen. Zij maakte een aanmerking, doch hij wierp haar zulk een woedenden blik toe, dat zij zonder meer zich haastte aan zijn verlangen te voldoen.En het drong tot haar door, hoe weinig het had gescheeld of haar plan zou mislukt zijn. Als hij het zich zoo aantrok, als uit zijn geheele doen bleek, mocht zij zich gelukwenschen dat de zaak achter den rug was en onherroepelijk voltrokken. Nu kon hij een dag of wat malen over het geval en zich boos maken, doch dat kwam terecht; hij zou moeten eindigen met het zichzelf en des noods anderen op te dringen als iets heel moois; ongedaan was het gelukkig niet meer te maken.Wije had het eerste grogje schielijk uitgedronken en dadelijk een tweede geprepareerd, dat het eerste niet lang op zich scheen te zullen laten wachten. Hij had een hoogroode kleur, terwijl dikke zweetdroppels parelden op[272]zijn voorhoofd; nu en dan gleed er een naar beneden, op zij af langs zijn neus, zoodat het leek of hij gehuild had. Opeens loosde hij een zwaren zucht, waardoor zij opkeek en schrok van zijn uitzicht.„Man, wat heb je?” vroeg zij.„We moeten weg … ver weg,” antwoordde hij met moeite de woorden articuleerend, „we hebben ons onmogelijk gemaakt! Weet je wat dat is?” En na een wanhopige poging om daarvan een bepaling te geven, ging hij voort, zichzelf en haar zwartmakend, Anneke te gelijk hoog verheffend en beklagend als hun slachtoffer. „En als dat lieve kind nu thuis komt,” eindigde hij, „zal ze denken dat haar vader … hm, ’n stuk in zijn kraag heeft. Maar het is niet waar; of durf jij soms beweren dat ik dronken ben, hè? Durf jij dat, zeg?”„Neen, o neen,” zeide zij, nu eerst ziende in welken toestand hij verkeerde. „Zouden we niet naar bed gaan?”[273]Hij wilde er natuurlijk niet van hooren en ging voort, met de halsstarrigheid aan dronken menschen eigen, zich volkomen nuchter te willen toonen, en ten bewijze daarvan nog meer te drinken. Zij bleef bij hem, zich niet durvende verwijderen, maar walgend van hem, vooral toen hij eindelijk in het stadium van aandoenlijkheid was geraakt.Tegen half elf nam zij de flesch weg, niet langer voor verzet beducht, en bracht die naar binnen in ’t buffet. Daarmee nog bezig, hoorde zij eensklaps iemand hard loopen langs het huis; en door het vermoeden van de werkelijkheid gedreven, ijlde zij terug naar achter, waar zij Anneke zag liggen aan de voeten van haar vader.„O papa, laat mij bij u blijven,” snikte het ongelukkige meisje; „ik zal alles doen wat u wilt; stuur me niet weg …!”Met een theatraal gebaar strekte hij de hand uit over haar hoofd, terwijl hij trachtte[274]van onder zijn zware oogleden zijn vrouw smeekend aan te zien. En deze, inziende dat haar spel verloren was, besloot met groote tegenwoordigheid van geest, onmiddellijk partij te trekken van den toestand. Zij kwam naderbij en raakte Anneke’s schouder aan.Het meisje sprong op, een stap vooruit doende, terwijl haar houding en blik herinnerden aan den dag, waarop zij nog eens zoo gestaan had tegenover diezelfde vrouw, die toen nog mevrouw Duna heette. Doch eer zij spreken kon wees haar stiefmoeder met de hand op Wije.„Zie,” zeide zij. En toen Anneke half versuft staarde op haar vader: „Als straks de luitenant-Chinees hier komt, hangt het van mij af of je mee moet, of hier moogt blijven. En je gaat onverbiddelijk, tenzij je mij belooft in den vervolge een andere houding tegen mij aan te nemen. Wil je dat?”„Ja mevrouw,” stamelde Anneke, rillend van vrees.[275]„Een houding zooals een meisje betaamt tegenover, haar … mama?”„Ja mevrouw.”„Mevrouw?”„Mama,” zeide Anneke zacht, maar ondanks alles kostte het haar onbeschrijfelijke moeite.„Goed. Morgen praten we nader.”„Ja, dat is goed,” zeide ook Wije, die nog genoeg besef over had gehouden of weer teruggekregen om de hoofdstrekking van het gesprokene te vatten. „Nu kan ik gaan slapen.”En hij voegde de daad bij het woord, door zijn hoofd opzij te laten vallen en de oogen te sluiten. Mevrouw zag op hem neer, even nadenkend; toen vatte zij het eene eind van den stoel aan, Anneke een wenk gevend hetzelfde te doen, en met hun beiden droegen zij hem bij kleine eindjes tot in zijn slaapkamer.Vreeselijk overspannen en bij ieder gerucht opschrikkend, sliep Anneke dien nacht zoo goed als niet. Vroeg opgestaan, durfde zij echter[276]haar kamer niet verlaten eer zij had gehoord dat haar stiefmoeder in huis rondliep, want die moest haar beschermen tegen den Chinees, die, nu hij gisteren avond niet was verschenen, zeker van morgen zou opdagen. En het gevoel van haar afhankelijk te zijn, vermeerderd met de vrees voor de komende dingen, brak en verlamde Anneke’s haat.Onder het ontbijt, waarbij Wije niet tegenwoordig was, sprak mevrouw tot Anneke, haar een gedragslijn voorstellend. Hartelijkheid verlangde ze niet, maar wel een zoodanigen omgang, als hen in staat zou stellen desnoods tezamen in het publiek te verschijnen, zonder dat iedereen bemerkte dat die hartelijkheid geheel ontbrak, ja het tegenovergestelde bestond. En het meisje stemde in alles toe, zich dwingende ook na afloop van dit gesprek, nu en dan het woord tot haar stiefmoeder te richten.[277]1Ben je gek?↑
[Inhoud]X.X.VOOR AAN UED. GELEVERD: EEN MEISJE.Op het terrein in de Europeesche wijk, waar hij noch een ander Chinees mocht wonen, liet Piong Pan Ho nu ook bouwen, en met de zenuwachtige haast die hij achter alles zette wat hij deed in die dagen, schoot daar uit den grond een huis op, dat reeds in den aanbouw het oog trok van alle voorbijgangers.Op een vroegen morgen wandelden Wije en Anneke er langs.„Kijk, dat is het huis van Piong Pan Ho,” zeide hij, daarmee tevens het stilzwijgen verbrekend, dat geduurd had van het begin hunner[253]wandeling, die zij slechts maakten voor Anneke’s gezondheid. Het was na herhaald aandringen van zijn vrouw dat Wije dit deed, maar plezierig vond hij het niet. Zij mokte nu al tegen hem ook, tenminste het leek er hard naar; tot praten was zij niet over te halen, en als hij vroeg wat ze had, kreeg hij geregeld dat sarrige typisch-indische „niets” ten antwoord, dat langzaam en slepend uitgesproken, hetzij men wil of niet, steeds een smadelijken trek te voorschijn roept op het gelaat van den spreker of spreekster.Anneke bleef staan en keek even naar het gebouw dat reeds onder de kap was.„Mooi,” zeide zij.Ongeduldig schokte hij met de schouders en wilde de wandeling voortzetten, toen achter hen een dogcart stil hield, waaruit Piong Pan Ho zelf stapte. Goddank, daar was ten minste iemand met wien men een verstandig woord kon wisselen![254]„Komt u eens kijken?” vroeg deSingkehop hen toetredend, en hij rustte niet eer hij alles had vertoond en uitgelegd. Af en toe sprak hij ook tot Anneke, met moeite zijn bewondering verbergend, telkens als hij haar aanzag. En tot groote woede van haar vader antwoordde zij vriendelijk en met meer woorden dan hij in de laatste maand uit haar mond vernomen had.„Zounonnagraag zoo’n huis als dit bezitten?” vroeg eensklaps Piong Pan Ho.„O ja,” riep Anneke uit, „wie zou dat niet?”„Baik,” zeide hij, haar toeknikkend; „als klaar is, geef ik het.”Zij lachten alle drie, de Chinees uit gulheid, Wije en Anneke de zaak als een grap opvattend.Eenige weken later, op een middag, stormde Wije zijn kantoortje uit naar de achtergalerij, waar zijn vrouw bezig was thee te zetten.[255]„Piong Pan Ho is gek geworden,” riep hij uit, haar eenige stukken voorhoudend. „Hij heeft waarachtig dat nieuwe huis van hem op naam van Anneke laten zetten!”„Watzeg je!” zeide zij, de grootste verbazing voorwendende. „Hoe komt hij dáár toe?”„Dat mag de hemel weten. Indertijd zei hij, dat hij het haar zou geven, maar ik dacht dat hij gekheid maakte. Nu heeft hij wel altijd de gewoonte gehad om haar te schenken, wat hij, misschien uit kieschheid, mij niet wilde aanbieden, maar dit is wat al te bar. Een huis!”„Weet je wat ik er van denk?” vroeg zij. „Je hebt me eens gezegd dat hij een groot bewonderaar was van Anneke … het schijnt dat je toen nader bij de waarheid was dan je zelf vermoedde.”Wije verbleekte.„Zou hij dàt bedoelen?” stamelde hij. „Dan[256]is het uit met geldverdienen; dat zou een val zijn voor ons.”„Of een uitkomst,” zeide zij zacht.„Hoe? Je meent toch niet …?” riep hij uit met verheffing van zijn stem.„Stil!” viel zij hem in de rede. „We kunnen ook praten zonder zóó te schreeuwen dat iedereen het hoort. Zie eens hier, ik sta natuurlijk op een ander standpunt dan jij; maar al was ik haar eigen moeder, in onze omstandigheden zou ik niet anders spreken. En om nu maar niets te zeggen over wat er gebeurt als je hem weigert, want dat heb je zelf zooeven reeds gedaan, vraag ik je, of jij voor haar iets beters weet.”„Maar vrouw, wat scheelt je? Iets beters dan een Chinees?”„Waar is de Europeaan te vinden die haar trouwt uit ons huis, en die begint met zóó’n geschenk zonder nog iets te vragen?”„Trouwen, ja … maar een Chinees trouwt[257]haar ook niet, ten minste volgens onze opvatting.”„’n Mooie opvatting,” zeide zij spottend. „Ik zie het verschil niet in; een huwelijk is een huwelijk. En wat de vastigheid betreft, dunkt mij dat een geschenk als dit vooraf en later nog wat—dat spreekt van zelf—meer waarborg aanbiedt dan het contractje dat wij Europeanen aangaan, en dat, zooals je gezien hebt, met weinig moeite is te verbreken.”De onverschillige wijze, waarop zij sprak over hetgeen hij liefst niet meer aanroerde, haar scheiding van Duna, ergerde hem.„We praten over iets dat enkel op een losse veronderstelling berust,” zeide hij om er een eind aan te maken. „Kom, ik ga het Anneke eens laten zien; misschien ontlokt haar dit wel een enkel woord.”„Wacht even,” verzocht zij. „Je moet er hem voor bedanken.”„Ja … hoe zoo?”[258]„Als je het aanneemt, en hij heeft het gedaan met die bedoeling, dan heeft hij een zeker recht verkregen.”„Men kan het altijd teruggeven. Ik behoef niet dadelijk te beslissen.”„Teruggeven,” herhaalde zij. „Juist; dit, je tractement, je verdiensten, alles!”„Vervloekt!” bromde hij.„Zal ik eens naar Piong Pan Ho toe gaan, en hem polsen?”„Jij …?”„Ja, ik. Het zal er toch op neer komen, dat we met hem moeten handelen over wat hij meer op haar zet dan dit huis en … enfin, daarover later. In dat geval kan ik het beter doen dan jij.”„Nog niet,” zeide hij kort, zich terugbegevend naar zijn kantoor. „Stuur me nog een kop thee.”Zij bracht het hem zelf, doch sprak geen woord meer over het zooeven behandelde, wetende[259]dat hij toch niets zou doen zonder haar en er spoedig genoeg op zou terugkomen.Zoo was het, en hij vond dat zij gelijk had; eer men iets besloot, diende men te weten waaraan zich te houden; zij moest dus maar trachten plannen uit te vinden welke Piong Pan Ho koesterde; hij kon zich voorloopig achteraf houden en optreden zoodra het noodig was. Hij bedoelde hiermee niets geks, maar het bleek heel gauw, dat de voorloopige toestand van zich op den achtergrond te houden, een blijvende was; tot optreden noodigde hem niemand, en langzamerhand raakte hij er aan gewoon dat zijn vrouw in deze zaak precies deed wat zij wilde, terwijl hij het een vóór en het andere na toegaf, ten slotte dat Anneke met Piong Pan Ho een Chineesch huwelijk mocht aangaan, mits zij zelf wilde. Het haar voor te stellen weigerde hij echter, doch dit was ook het eenige.„Goed,” zeide zijn vrouw; „maar ik kan[260]het niet; dus moeten we den luitenant in de gelegenheid stellen het zelf te doen. Ik zal daar wel voor zorgen.”Anneke wist derhalve niets van hetgeen haar boven het hoofd hing. Met de schenking van het huis was zij in ’t eerst zeer verheugd geweest, meenende dat zij nu daarin gingen wonen en zoodoende zij door de grootere ruimte nog meer vrijheid zou krijgen in haar afzondering, die zij hardnekkig bleef volhouden. Doch toen haar vader kortweg verklaarde de grootere kosten aan zulk een huis verbonden niet te kunnen bestrijden, begreep zij niet wat zij er aan had, en verviel weer in haar vorige apathie, waaruit zelfs het bericht in de courant, dat Kees Duna verloofd was met eenDjokdjaschmeisje, haar slechts even vermocht op te wekken.Had mevrouw Wije op zich genomen, Piong Pan Ho gelegenheid te geven zijn belangen bij Anneke te bepleiten, weldra zou blijken, wat zij daaronder verstond. Zij haastte zich[261]echter volstrekt niet; alles wat zij tot nu toe tegen Anneke had ondernomen, was haar als bij de handen afgebroken; dat mocht ditmaal niet geschieden, maar dan moest ook alles zoodanig worden overwogen en beschikt, dat niemand zich kon onttrekken. Van haar man was zij nu geheel zeker; Anneke telde in haar plan niet mee; die moest plotseling voor eenfait accomplistaan; doch Piong Pan Ho, die als eenig handelend persoon zou optreden, was nog niet vast genoeg thuis in de rol die zij hem had toebedacht. Eindelijk begon de laatste ongeduld te toonen, en nu meende zij dat het tijdstip was aangebroken om de zaak tot een besluit te brengen.Op zekeren avond was, door een ongeluk in de keuken, het etensuur vertraagd geworden. Wije, die erg onrustig en gehaast scheen, had even gemopperd, doch was geëindigd zich nog een bittertje in te schenken. Aan tafel praatte hij iets drukker dan gewoonlijk en[262]gebruikte ook meer wijn. Men was nog aan de vruchten, toen Piong Pan Ho werd aangemeld.„Laat maar achter komen,” gelastte Wije den bediende.DeSingkehkwam en groette. Het speet hem dat hij de familie aan tafel overviel; gewichtige brieven, die hij zoo pas ontvangen had en aan meneer Wije moest laten lezen, waren de aanleiding; of meneer zoo goed wilde zijn ze in te zien; intusschen zou hij even naar den majoor-chinees rijden, en later op den avond terugkomen.Wije nam het pakje aan en Piong Pan Ho stapte op. Maar aan het eind van de galerij gekomen, keerde hij eensklaps terug.„De majoor woont dicht bij Tjandie,” zeide hij, zich tot Anneke wendende, „en ik heb er maar heel kort noodig. Heeftnonnaplezier om mee te rijden? Dan gaan we over Bodjong en toeren zoo om. Het is mooi weer en maneschijn.”[263]„Mag het pa?” vroeg Anneke, op een toon waarvan de bitsheid getemperd werd door blijdschap over het aanbod.„Ga je gang,” antwoordde Wije, zonder op te zien en een stuk afrukkend van het papier dat hij vasthield.Piong Pan Ho gaf geen enkele order aan zijn koetsier; toch reed het rijtuig aan het eind der zijlaan gekomen, in de richting die hij daareven had genoemd. Anneke bemerkte niets van die bijzonderheid. De Chinees had haar gevraagd of zij het thuis niet prettig had, en zijn deelnemende toon had haar aanleiding gegeven om uit te barsten in bitter beklag. Hij had van te voren geweten dat dit naar alle waarschijnlijkheid volgen zou, maar nu hij haar hoorde spreken, roerden hem dezelfde dingen, die hij bij de cynische voordracht van haar stiefmoeder onverschillig had opgenomen. Een vreemd, hem onbekend gevoel maakte zich gaandeweg van hem meester, dat van medelijden.[264]Even voor zij den hoek omsloegen passeerde hen een ander rijtuig, doch geen van beiden zagen zij hoe daaruit zich plotseling een hoofd, met een met goud gegalonneerden pet bedekt, vooroverboog, en twee scherpe oogen hen nastaarden. Het was de resident.„Luit’nant-tjina, kandjeng toewan,” zeide de looper achterop.„Wie zat naast hem?” vroeg de resident, om zich te overtuigen of hij goed had gezien.De looper wist het niet; hij had alleen den koetsier en de paarden herkend, en naar iets anders hadden ook de koetsier van den resident en depajong-drager niet gekeken.Piong Pan Ho was bij den majoor-Chinees geweest, dien hij niet thuis gevonden had; daarop waren zij verder gereden, het gesprek nog steeds loopend over het onderwerp waarmee het was begonnen. Anneke had een oogenblik geschreid, en toen het rijtuig stilhield voor de woning van den Chinees, nam zij zonder[265]erg zijn uitnoodiging om even uit te stappen aan; bij denonjazou zij haar gelaat afwasschen. Hij liet haar voorgaan, door de binnengalerij waar een lamp brandde, en wees haar den weg naar een eveneens verlichte kamer, doch toen zij die binnenging bleef hij achter, haar verzoekende zichzelf te helpen.Daar Anneke in de kamer niemand vond, veronderstelde zij dat Piong Pan Ho zijn „nonja” was gaan roepen. Intusschen maakte zij gebruik van het waschgerei. Daarmee gereed, keek zij, in afwachting, eens rond in het vertrek, dat zeker de slaapkamer moest zijn van den luitenant, en verwonderde zich dat alles er zoo Europeesch uitzag, ja als door een dameshand ingericht. Toen viel het haar op dat de handdoeken en ook het beddegoed nieuw en ongebruikt waren, en zij herinnerde zich dat haar vader eens had verteld, dat de heer van dit huis zelf in een kamertje van de bijgebouwen woonde. Zij vond het zonde, maar tevens heel[266]gek waschstellen te vullen en bedden op te maken in een zoo goed als leegstaand huis.In de binnengalerij zat Piong Pan Ho op een bank, hevig bewogen. Het oogenblik was dan eindelijk gekomen, waarnaar hij zoo had verlangd, waarvoor hij zooveel had gedaan; zij was in zijn huis. Van haar vader en stiefmoeder had hij verlof om haar te houden, desnoods tegen haar zin. Hij moest haar door overreding trachten te winnen, had de laatste gezegd; dat waren Europeesche meisjes gewoon, maar aan te lang volgehoudentinka’sbehoefde hij zich niet te storen. Als zij een uur geleden hier was gekomen, zou hij zich zonder gemoedsbezwaren aan die instructies hebben gehouden; nu echter wist hij niet hoe hij het had; het eene oogenblik voelde hij zijn hartstocht opvlammen en zich tot alles in staat, dan weer ontzonk hem de moed en was het hem of hij een heiligschennis stond te begaan enkel door haar aan te zien.[267]„Mana nonja?” vroeg Anneke, opeens te voorschijn komende. Het wachten had haar verveeld en de deur openend zag zij hem alleen.„Ga even zitten,” noodde Piong Pan Ho, naast zich wijzend op de bank en tevens zelf een heel eind opschuivend, meer dan noodig was om plaats voor haar te maken. Toen, zijn stem zooveel mogelijk verzachtend, begon hij haar in te lichten dat er geennonjawas, en vervolgde onmiddellijk daarop met de verzekering dat zij daarom niet bang behoefde te wezen. Hij was niet ruw, vooral niet tegenover zulk een lief meisje als zij, waarmee hij diepkassianhad. Zooeven had zij verteld dat het thuis voor haar niet plezierig was; waarom zou zij niet hier blijven en het zich zoo aangenaam maken als zij wilde. Natuurlijk sprak hij met voorkennis van haar vader, die haar al niet meer terug verwachtte. Hij zou haar in hooge eer houden, meer nog dan deblanda’sgewoon waren hun vrouwen te doen; de eerste dagen moest ze[268]hier in huis doorbrengen, terwijl hij in de bijgebouwen verblijf hield, tot hij haar eigen huis gemeubeld had; dan zou hij hier een feest geven, stil maar rijk, en daarop de voornaamsten van zijn ras uitnoodigen om tevens bij hun huwelijk tegenwoordig te zijn; daarna mocht zij verhuizen naar die andere woning, waar zij als gebiedster zou tronen, met rijtuig, paarden en bedienden zooveel zij wenschte, zich tooien met kleeren en edelgesteenten naarmate zij lust had, en waar hij slechts zou komen als zij hem riep, tot tijd en wijle zij aan hem zou gewend zijn. Hij herhaalde het, hij was niet ruw, maar hoewel een Chinees, had hij een goedati; dat had haar eigen vader gezegd en daarom hen permissie gegeven haar mee te nemen.Bij zijn eerste woorden had Anneke een groote verontwaardiging in zich voelen opkomen, en het „apa kwè gila?”1lag haar op de lippen; doch toen zij vernam dat haar[269]vader haar aan den Chinees had overgeleverd, beving haar een geweldige angst. Zij twijfelde er niet aan of hij had de macht dit te doen, en dat hij het deed was om haar te straffen voor haar houding jegens hem. O, kon zij hem maar spreken en vergiffenis vragen!„Ik wil naar huis,” klaagde zij opstaande, zoodra hij zweeg.„Djangan!” riep hij uit, haar arm grijpende.Zij droeg, naar de mode dier dagen, wijde mouwen. De hand van denSingkehschoof, door zijn iets te snelle beweging, hoog op in haar mouw en zij voelde zijn knokkelige vingers met het harde binnenvel, waarvan het eelt nog niet was afgesleten, haar arm omspannen, terwijl hij moeite deed zich eveneens van de bank te verheffen. Met een gil van afschuw rukte zij zich los, en eer hij er aan dacht verdween zij door de deur, die hij vergeten had te sluiten, het erf afsnellend en den grooten weg op.[270]Piong Pan Ho wilde haar naloopen, doch de Europeesche schoenen, die hij sedert kort pas droeg, belemmerden zijn gang. Op den weg durfde hij haar niet meer volgen; en zichzelven voor een grooten domoor uitmakende, dat hij haar had laten ontsnappen nog eer zij bekomen was van den eersten schrik, wierp hij het ijzeren hek dat de inrij afsloot met kracht dicht. Het zou intusschen heel wat moeite kosten haar nu weer hier te krijgen;soedah, het was zijn eigen schuld; morgen zou hij er over raadplegen met haar vader, die nu zeker wel zelf zou willen spreken met hem, en anders maar weer met haar stiefmoeder.Na Anneke ’s vertrek had Wije eenigen tijd heen en weer geloopen, onverstaanbaar mompelend, zijn wandeling, die hij eerst had uitgestrekt tot den uitersten rand der galerij hoe langer hoe meer inkortend, tot hij op het laatst, na eenig draaien voor zijn stoel, zich daarop liet neervallen en, een half uur[271]te vroeg, met heesche stem zijn vrouw gelastte de brandy-soda te krijgen. Zij maakte een aanmerking, doch hij wierp haar zulk een woedenden blik toe, dat zij zonder meer zich haastte aan zijn verlangen te voldoen.En het drong tot haar door, hoe weinig het had gescheeld of haar plan zou mislukt zijn. Als hij het zich zoo aantrok, als uit zijn geheele doen bleek, mocht zij zich gelukwenschen dat de zaak achter den rug was en onherroepelijk voltrokken. Nu kon hij een dag of wat malen over het geval en zich boos maken, doch dat kwam terecht; hij zou moeten eindigen met het zichzelf en des noods anderen op te dringen als iets heel moois; ongedaan was het gelukkig niet meer te maken.Wije had het eerste grogje schielijk uitgedronken en dadelijk een tweede geprepareerd, dat het eerste niet lang op zich scheen te zullen laten wachten. Hij had een hoogroode kleur, terwijl dikke zweetdroppels parelden op[272]zijn voorhoofd; nu en dan gleed er een naar beneden, op zij af langs zijn neus, zoodat het leek of hij gehuild had. Opeens loosde hij een zwaren zucht, waardoor zij opkeek en schrok van zijn uitzicht.„Man, wat heb je?” vroeg zij.„We moeten weg … ver weg,” antwoordde hij met moeite de woorden articuleerend, „we hebben ons onmogelijk gemaakt! Weet je wat dat is?” En na een wanhopige poging om daarvan een bepaling te geven, ging hij voort, zichzelf en haar zwartmakend, Anneke te gelijk hoog verheffend en beklagend als hun slachtoffer. „En als dat lieve kind nu thuis komt,” eindigde hij, „zal ze denken dat haar vader … hm, ’n stuk in zijn kraag heeft. Maar het is niet waar; of durf jij soms beweren dat ik dronken ben, hè? Durf jij dat, zeg?”„Neen, o neen,” zeide zij, nu eerst ziende in welken toestand hij verkeerde. „Zouden we niet naar bed gaan?”[273]Hij wilde er natuurlijk niet van hooren en ging voort, met de halsstarrigheid aan dronken menschen eigen, zich volkomen nuchter te willen toonen, en ten bewijze daarvan nog meer te drinken. Zij bleef bij hem, zich niet durvende verwijderen, maar walgend van hem, vooral toen hij eindelijk in het stadium van aandoenlijkheid was geraakt.Tegen half elf nam zij de flesch weg, niet langer voor verzet beducht, en bracht die naar binnen in ’t buffet. Daarmee nog bezig, hoorde zij eensklaps iemand hard loopen langs het huis; en door het vermoeden van de werkelijkheid gedreven, ijlde zij terug naar achter, waar zij Anneke zag liggen aan de voeten van haar vader.„O papa, laat mij bij u blijven,” snikte het ongelukkige meisje; „ik zal alles doen wat u wilt; stuur me niet weg …!”Met een theatraal gebaar strekte hij de hand uit over haar hoofd, terwijl hij trachtte[274]van onder zijn zware oogleden zijn vrouw smeekend aan te zien. En deze, inziende dat haar spel verloren was, besloot met groote tegenwoordigheid van geest, onmiddellijk partij te trekken van den toestand. Zij kwam naderbij en raakte Anneke’s schouder aan.Het meisje sprong op, een stap vooruit doende, terwijl haar houding en blik herinnerden aan den dag, waarop zij nog eens zoo gestaan had tegenover diezelfde vrouw, die toen nog mevrouw Duna heette. Doch eer zij spreken kon wees haar stiefmoeder met de hand op Wije.„Zie,” zeide zij. En toen Anneke half versuft staarde op haar vader: „Als straks de luitenant-Chinees hier komt, hangt het van mij af of je mee moet, of hier moogt blijven. En je gaat onverbiddelijk, tenzij je mij belooft in den vervolge een andere houding tegen mij aan te nemen. Wil je dat?”„Ja mevrouw,” stamelde Anneke, rillend van vrees.[275]„Een houding zooals een meisje betaamt tegenover, haar … mama?”„Ja mevrouw.”„Mevrouw?”„Mama,” zeide Anneke zacht, maar ondanks alles kostte het haar onbeschrijfelijke moeite.„Goed. Morgen praten we nader.”„Ja, dat is goed,” zeide ook Wije, die nog genoeg besef over had gehouden of weer teruggekregen om de hoofdstrekking van het gesprokene te vatten. „Nu kan ik gaan slapen.”En hij voegde de daad bij het woord, door zijn hoofd opzij te laten vallen en de oogen te sluiten. Mevrouw zag op hem neer, even nadenkend; toen vatte zij het eene eind van den stoel aan, Anneke een wenk gevend hetzelfde te doen, en met hun beiden droegen zij hem bij kleine eindjes tot in zijn slaapkamer.Vreeselijk overspannen en bij ieder gerucht opschrikkend, sliep Anneke dien nacht zoo goed als niet. Vroeg opgestaan, durfde zij echter[276]haar kamer niet verlaten eer zij had gehoord dat haar stiefmoeder in huis rondliep, want die moest haar beschermen tegen den Chinees, die, nu hij gisteren avond niet was verschenen, zeker van morgen zou opdagen. En het gevoel van haar afhankelijk te zijn, vermeerderd met de vrees voor de komende dingen, brak en verlamde Anneke’s haat.Onder het ontbijt, waarbij Wije niet tegenwoordig was, sprak mevrouw tot Anneke, haar een gedragslijn voorstellend. Hartelijkheid verlangde ze niet, maar wel een zoodanigen omgang, als hen in staat zou stellen desnoods tezamen in het publiek te verschijnen, zonder dat iedereen bemerkte dat die hartelijkheid geheel ontbrak, ja het tegenovergestelde bestond. En het meisje stemde in alles toe, zich dwingende ook na afloop van dit gesprek, nu en dan het woord tot haar stiefmoeder te richten.[277]1Ben je gek?↑
[Inhoud]X.X.VOOR AAN UED. GELEVERD: EEN MEISJE.Op het terrein in de Europeesche wijk, waar hij noch een ander Chinees mocht wonen, liet Piong Pan Ho nu ook bouwen, en met de zenuwachtige haast die hij achter alles zette wat hij deed in die dagen, schoot daar uit den grond een huis op, dat reeds in den aanbouw het oog trok van alle voorbijgangers.Op een vroegen morgen wandelden Wije en Anneke er langs.„Kijk, dat is het huis van Piong Pan Ho,” zeide hij, daarmee tevens het stilzwijgen verbrekend, dat geduurd had van het begin hunner[253]wandeling, die zij slechts maakten voor Anneke’s gezondheid. Het was na herhaald aandringen van zijn vrouw dat Wije dit deed, maar plezierig vond hij het niet. Zij mokte nu al tegen hem ook, tenminste het leek er hard naar; tot praten was zij niet over te halen, en als hij vroeg wat ze had, kreeg hij geregeld dat sarrige typisch-indische „niets” ten antwoord, dat langzaam en slepend uitgesproken, hetzij men wil of niet, steeds een smadelijken trek te voorschijn roept op het gelaat van den spreker of spreekster.Anneke bleef staan en keek even naar het gebouw dat reeds onder de kap was.„Mooi,” zeide zij.Ongeduldig schokte hij met de schouders en wilde de wandeling voortzetten, toen achter hen een dogcart stil hield, waaruit Piong Pan Ho zelf stapte. Goddank, daar was ten minste iemand met wien men een verstandig woord kon wisselen![254]„Komt u eens kijken?” vroeg deSingkehop hen toetredend, en hij rustte niet eer hij alles had vertoond en uitgelegd. Af en toe sprak hij ook tot Anneke, met moeite zijn bewondering verbergend, telkens als hij haar aanzag. En tot groote woede van haar vader antwoordde zij vriendelijk en met meer woorden dan hij in de laatste maand uit haar mond vernomen had.„Zounonnagraag zoo’n huis als dit bezitten?” vroeg eensklaps Piong Pan Ho.„O ja,” riep Anneke uit, „wie zou dat niet?”„Baik,” zeide hij, haar toeknikkend; „als klaar is, geef ik het.”Zij lachten alle drie, de Chinees uit gulheid, Wije en Anneke de zaak als een grap opvattend.Eenige weken later, op een middag, stormde Wije zijn kantoortje uit naar de achtergalerij, waar zijn vrouw bezig was thee te zetten.[255]„Piong Pan Ho is gek geworden,” riep hij uit, haar eenige stukken voorhoudend. „Hij heeft waarachtig dat nieuwe huis van hem op naam van Anneke laten zetten!”„Watzeg je!” zeide zij, de grootste verbazing voorwendende. „Hoe komt hij dáár toe?”„Dat mag de hemel weten. Indertijd zei hij, dat hij het haar zou geven, maar ik dacht dat hij gekheid maakte. Nu heeft hij wel altijd de gewoonte gehad om haar te schenken, wat hij, misschien uit kieschheid, mij niet wilde aanbieden, maar dit is wat al te bar. Een huis!”„Weet je wat ik er van denk?” vroeg zij. „Je hebt me eens gezegd dat hij een groot bewonderaar was van Anneke … het schijnt dat je toen nader bij de waarheid was dan je zelf vermoedde.”Wije verbleekte.„Zou hij dàt bedoelen?” stamelde hij. „Dan[256]is het uit met geldverdienen; dat zou een val zijn voor ons.”„Of een uitkomst,” zeide zij zacht.„Hoe? Je meent toch niet …?” riep hij uit met verheffing van zijn stem.„Stil!” viel zij hem in de rede. „We kunnen ook praten zonder zóó te schreeuwen dat iedereen het hoort. Zie eens hier, ik sta natuurlijk op een ander standpunt dan jij; maar al was ik haar eigen moeder, in onze omstandigheden zou ik niet anders spreken. En om nu maar niets te zeggen over wat er gebeurt als je hem weigert, want dat heb je zelf zooeven reeds gedaan, vraag ik je, of jij voor haar iets beters weet.”„Maar vrouw, wat scheelt je? Iets beters dan een Chinees?”„Waar is de Europeaan te vinden die haar trouwt uit ons huis, en die begint met zóó’n geschenk zonder nog iets te vragen?”„Trouwen, ja … maar een Chinees trouwt[257]haar ook niet, ten minste volgens onze opvatting.”„’n Mooie opvatting,” zeide zij spottend. „Ik zie het verschil niet in; een huwelijk is een huwelijk. En wat de vastigheid betreft, dunkt mij dat een geschenk als dit vooraf en later nog wat—dat spreekt van zelf—meer waarborg aanbiedt dan het contractje dat wij Europeanen aangaan, en dat, zooals je gezien hebt, met weinig moeite is te verbreken.”De onverschillige wijze, waarop zij sprak over hetgeen hij liefst niet meer aanroerde, haar scheiding van Duna, ergerde hem.„We praten over iets dat enkel op een losse veronderstelling berust,” zeide hij om er een eind aan te maken. „Kom, ik ga het Anneke eens laten zien; misschien ontlokt haar dit wel een enkel woord.”„Wacht even,” verzocht zij. „Je moet er hem voor bedanken.”„Ja … hoe zoo?”[258]„Als je het aanneemt, en hij heeft het gedaan met die bedoeling, dan heeft hij een zeker recht verkregen.”„Men kan het altijd teruggeven. Ik behoef niet dadelijk te beslissen.”„Teruggeven,” herhaalde zij. „Juist; dit, je tractement, je verdiensten, alles!”„Vervloekt!” bromde hij.„Zal ik eens naar Piong Pan Ho toe gaan, en hem polsen?”„Jij …?”„Ja, ik. Het zal er toch op neer komen, dat we met hem moeten handelen over wat hij meer op haar zet dan dit huis en … enfin, daarover later. In dat geval kan ik het beter doen dan jij.”„Nog niet,” zeide hij kort, zich terugbegevend naar zijn kantoor. „Stuur me nog een kop thee.”Zij bracht het hem zelf, doch sprak geen woord meer over het zooeven behandelde, wetende[259]dat hij toch niets zou doen zonder haar en er spoedig genoeg op zou terugkomen.Zoo was het, en hij vond dat zij gelijk had; eer men iets besloot, diende men te weten waaraan zich te houden; zij moest dus maar trachten plannen uit te vinden welke Piong Pan Ho koesterde; hij kon zich voorloopig achteraf houden en optreden zoodra het noodig was. Hij bedoelde hiermee niets geks, maar het bleek heel gauw, dat de voorloopige toestand van zich op den achtergrond te houden, een blijvende was; tot optreden noodigde hem niemand, en langzamerhand raakte hij er aan gewoon dat zijn vrouw in deze zaak precies deed wat zij wilde, terwijl hij het een vóór en het andere na toegaf, ten slotte dat Anneke met Piong Pan Ho een Chineesch huwelijk mocht aangaan, mits zij zelf wilde. Het haar voor te stellen weigerde hij echter, doch dit was ook het eenige.„Goed,” zeide zijn vrouw; „maar ik kan[260]het niet; dus moeten we den luitenant in de gelegenheid stellen het zelf te doen. Ik zal daar wel voor zorgen.”Anneke wist derhalve niets van hetgeen haar boven het hoofd hing. Met de schenking van het huis was zij in ’t eerst zeer verheugd geweest, meenende dat zij nu daarin gingen wonen en zoodoende zij door de grootere ruimte nog meer vrijheid zou krijgen in haar afzondering, die zij hardnekkig bleef volhouden. Doch toen haar vader kortweg verklaarde de grootere kosten aan zulk een huis verbonden niet te kunnen bestrijden, begreep zij niet wat zij er aan had, en verviel weer in haar vorige apathie, waaruit zelfs het bericht in de courant, dat Kees Duna verloofd was met eenDjokdjaschmeisje, haar slechts even vermocht op te wekken.Had mevrouw Wije op zich genomen, Piong Pan Ho gelegenheid te geven zijn belangen bij Anneke te bepleiten, weldra zou blijken, wat zij daaronder verstond. Zij haastte zich[261]echter volstrekt niet; alles wat zij tot nu toe tegen Anneke had ondernomen, was haar als bij de handen afgebroken; dat mocht ditmaal niet geschieden, maar dan moest ook alles zoodanig worden overwogen en beschikt, dat niemand zich kon onttrekken. Van haar man was zij nu geheel zeker; Anneke telde in haar plan niet mee; die moest plotseling voor eenfait accomplistaan; doch Piong Pan Ho, die als eenig handelend persoon zou optreden, was nog niet vast genoeg thuis in de rol die zij hem had toebedacht. Eindelijk begon de laatste ongeduld te toonen, en nu meende zij dat het tijdstip was aangebroken om de zaak tot een besluit te brengen.Op zekeren avond was, door een ongeluk in de keuken, het etensuur vertraagd geworden. Wije, die erg onrustig en gehaast scheen, had even gemopperd, doch was geëindigd zich nog een bittertje in te schenken. Aan tafel praatte hij iets drukker dan gewoonlijk en[262]gebruikte ook meer wijn. Men was nog aan de vruchten, toen Piong Pan Ho werd aangemeld.„Laat maar achter komen,” gelastte Wije den bediende.DeSingkehkwam en groette. Het speet hem dat hij de familie aan tafel overviel; gewichtige brieven, die hij zoo pas ontvangen had en aan meneer Wije moest laten lezen, waren de aanleiding; of meneer zoo goed wilde zijn ze in te zien; intusschen zou hij even naar den majoor-chinees rijden, en later op den avond terugkomen.Wije nam het pakje aan en Piong Pan Ho stapte op. Maar aan het eind van de galerij gekomen, keerde hij eensklaps terug.„De majoor woont dicht bij Tjandie,” zeide hij, zich tot Anneke wendende, „en ik heb er maar heel kort noodig. Heeftnonnaplezier om mee te rijden? Dan gaan we over Bodjong en toeren zoo om. Het is mooi weer en maneschijn.”[263]„Mag het pa?” vroeg Anneke, op een toon waarvan de bitsheid getemperd werd door blijdschap over het aanbod.„Ga je gang,” antwoordde Wije, zonder op te zien en een stuk afrukkend van het papier dat hij vasthield.Piong Pan Ho gaf geen enkele order aan zijn koetsier; toch reed het rijtuig aan het eind der zijlaan gekomen, in de richting die hij daareven had genoemd. Anneke bemerkte niets van die bijzonderheid. De Chinees had haar gevraagd of zij het thuis niet prettig had, en zijn deelnemende toon had haar aanleiding gegeven om uit te barsten in bitter beklag. Hij had van te voren geweten dat dit naar alle waarschijnlijkheid volgen zou, maar nu hij haar hoorde spreken, roerden hem dezelfde dingen, die hij bij de cynische voordracht van haar stiefmoeder onverschillig had opgenomen. Een vreemd, hem onbekend gevoel maakte zich gaandeweg van hem meester, dat van medelijden.[264]Even voor zij den hoek omsloegen passeerde hen een ander rijtuig, doch geen van beiden zagen zij hoe daaruit zich plotseling een hoofd, met een met goud gegalonneerden pet bedekt, vooroverboog, en twee scherpe oogen hen nastaarden. Het was de resident.„Luit’nant-tjina, kandjeng toewan,” zeide de looper achterop.„Wie zat naast hem?” vroeg de resident, om zich te overtuigen of hij goed had gezien.De looper wist het niet; hij had alleen den koetsier en de paarden herkend, en naar iets anders hadden ook de koetsier van den resident en depajong-drager niet gekeken.Piong Pan Ho was bij den majoor-Chinees geweest, dien hij niet thuis gevonden had; daarop waren zij verder gereden, het gesprek nog steeds loopend over het onderwerp waarmee het was begonnen. Anneke had een oogenblik geschreid, en toen het rijtuig stilhield voor de woning van den Chinees, nam zij zonder[265]erg zijn uitnoodiging om even uit te stappen aan; bij denonjazou zij haar gelaat afwasschen. Hij liet haar voorgaan, door de binnengalerij waar een lamp brandde, en wees haar den weg naar een eveneens verlichte kamer, doch toen zij die binnenging bleef hij achter, haar verzoekende zichzelf te helpen.Daar Anneke in de kamer niemand vond, veronderstelde zij dat Piong Pan Ho zijn „nonja” was gaan roepen. Intusschen maakte zij gebruik van het waschgerei. Daarmee gereed, keek zij, in afwachting, eens rond in het vertrek, dat zeker de slaapkamer moest zijn van den luitenant, en verwonderde zich dat alles er zoo Europeesch uitzag, ja als door een dameshand ingericht. Toen viel het haar op dat de handdoeken en ook het beddegoed nieuw en ongebruikt waren, en zij herinnerde zich dat haar vader eens had verteld, dat de heer van dit huis zelf in een kamertje van de bijgebouwen woonde. Zij vond het zonde, maar tevens heel[266]gek waschstellen te vullen en bedden op te maken in een zoo goed als leegstaand huis.In de binnengalerij zat Piong Pan Ho op een bank, hevig bewogen. Het oogenblik was dan eindelijk gekomen, waarnaar hij zoo had verlangd, waarvoor hij zooveel had gedaan; zij was in zijn huis. Van haar vader en stiefmoeder had hij verlof om haar te houden, desnoods tegen haar zin. Hij moest haar door overreding trachten te winnen, had de laatste gezegd; dat waren Europeesche meisjes gewoon, maar aan te lang volgehoudentinka’sbehoefde hij zich niet te storen. Als zij een uur geleden hier was gekomen, zou hij zich zonder gemoedsbezwaren aan die instructies hebben gehouden; nu echter wist hij niet hoe hij het had; het eene oogenblik voelde hij zijn hartstocht opvlammen en zich tot alles in staat, dan weer ontzonk hem de moed en was het hem of hij een heiligschennis stond te begaan enkel door haar aan te zien.[267]„Mana nonja?” vroeg Anneke, opeens te voorschijn komende. Het wachten had haar verveeld en de deur openend zag zij hem alleen.„Ga even zitten,” noodde Piong Pan Ho, naast zich wijzend op de bank en tevens zelf een heel eind opschuivend, meer dan noodig was om plaats voor haar te maken. Toen, zijn stem zooveel mogelijk verzachtend, begon hij haar in te lichten dat er geennonjawas, en vervolgde onmiddellijk daarop met de verzekering dat zij daarom niet bang behoefde te wezen. Hij was niet ruw, vooral niet tegenover zulk een lief meisje als zij, waarmee hij diepkassianhad. Zooeven had zij verteld dat het thuis voor haar niet plezierig was; waarom zou zij niet hier blijven en het zich zoo aangenaam maken als zij wilde. Natuurlijk sprak hij met voorkennis van haar vader, die haar al niet meer terug verwachtte. Hij zou haar in hooge eer houden, meer nog dan deblanda’sgewoon waren hun vrouwen te doen; de eerste dagen moest ze[268]hier in huis doorbrengen, terwijl hij in de bijgebouwen verblijf hield, tot hij haar eigen huis gemeubeld had; dan zou hij hier een feest geven, stil maar rijk, en daarop de voornaamsten van zijn ras uitnoodigen om tevens bij hun huwelijk tegenwoordig te zijn; daarna mocht zij verhuizen naar die andere woning, waar zij als gebiedster zou tronen, met rijtuig, paarden en bedienden zooveel zij wenschte, zich tooien met kleeren en edelgesteenten naarmate zij lust had, en waar hij slechts zou komen als zij hem riep, tot tijd en wijle zij aan hem zou gewend zijn. Hij herhaalde het, hij was niet ruw, maar hoewel een Chinees, had hij een goedati; dat had haar eigen vader gezegd en daarom hen permissie gegeven haar mee te nemen.Bij zijn eerste woorden had Anneke een groote verontwaardiging in zich voelen opkomen, en het „apa kwè gila?”1lag haar op de lippen; doch toen zij vernam dat haar[269]vader haar aan den Chinees had overgeleverd, beving haar een geweldige angst. Zij twijfelde er niet aan of hij had de macht dit te doen, en dat hij het deed was om haar te straffen voor haar houding jegens hem. O, kon zij hem maar spreken en vergiffenis vragen!„Ik wil naar huis,” klaagde zij opstaande, zoodra hij zweeg.„Djangan!” riep hij uit, haar arm grijpende.Zij droeg, naar de mode dier dagen, wijde mouwen. De hand van denSingkehschoof, door zijn iets te snelle beweging, hoog op in haar mouw en zij voelde zijn knokkelige vingers met het harde binnenvel, waarvan het eelt nog niet was afgesleten, haar arm omspannen, terwijl hij moeite deed zich eveneens van de bank te verheffen. Met een gil van afschuw rukte zij zich los, en eer hij er aan dacht verdween zij door de deur, die hij vergeten had te sluiten, het erf afsnellend en den grooten weg op.[270]Piong Pan Ho wilde haar naloopen, doch de Europeesche schoenen, die hij sedert kort pas droeg, belemmerden zijn gang. Op den weg durfde hij haar niet meer volgen; en zichzelven voor een grooten domoor uitmakende, dat hij haar had laten ontsnappen nog eer zij bekomen was van den eersten schrik, wierp hij het ijzeren hek dat de inrij afsloot met kracht dicht. Het zou intusschen heel wat moeite kosten haar nu weer hier te krijgen;soedah, het was zijn eigen schuld; morgen zou hij er over raadplegen met haar vader, die nu zeker wel zelf zou willen spreken met hem, en anders maar weer met haar stiefmoeder.Na Anneke ’s vertrek had Wije eenigen tijd heen en weer geloopen, onverstaanbaar mompelend, zijn wandeling, die hij eerst had uitgestrekt tot den uitersten rand der galerij hoe langer hoe meer inkortend, tot hij op het laatst, na eenig draaien voor zijn stoel, zich daarop liet neervallen en, een half uur[271]te vroeg, met heesche stem zijn vrouw gelastte de brandy-soda te krijgen. Zij maakte een aanmerking, doch hij wierp haar zulk een woedenden blik toe, dat zij zonder meer zich haastte aan zijn verlangen te voldoen.En het drong tot haar door, hoe weinig het had gescheeld of haar plan zou mislukt zijn. Als hij het zich zoo aantrok, als uit zijn geheele doen bleek, mocht zij zich gelukwenschen dat de zaak achter den rug was en onherroepelijk voltrokken. Nu kon hij een dag of wat malen over het geval en zich boos maken, doch dat kwam terecht; hij zou moeten eindigen met het zichzelf en des noods anderen op te dringen als iets heel moois; ongedaan was het gelukkig niet meer te maken.Wije had het eerste grogje schielijk uitgedronken en dadelijk een tweede geprepareerd, dat het eerste niet lang op zich scheen te zullen laten wachten. Hij had een hoogroode kleur, terwijl dikke zweetdroppels parelden op[272]zijn voorhoofd; nu en dan gleed er een naar beneden, op zij af langs zijn neus, zoodat het leek of hij gehuild had. Opeens loosde hij een zwaren zucht, waardoor zij opkeek en schrok van zijn uitzicht.„Man, wat heb je?” vroeg zij.„We moeten weg … ver weg,” antwoordde hij met moeite de woorden articuleerend, „we hebben ons onmogelijk gemaakt! Weet je wat dat is?” En na een wanhopige poging om daarvan een bepaling te geven, ging hij voort, zichzelf en haar zwartmakend, Anneke te gelijk hoog verheffend en beklagend als hun slachtoffer. „En als dat lieve kind nu thuis komt,” eindigde hij, „zal ze denken dat haar vader … hm, ’n stuk in zijn kraag heeft. Maar het is niet waar; of durf jij soms beweren dat ik dronken ben, hè? Durf jij dat, zeg?”„Neen, o neen,” zeide zij, nu eerst ziende in welken toestand hij verkeerde. „Zouden we niet naar bed gaan?”[273]Hij wilde er natuurlijk niet van hooren en ging voort, met de halsstarrigheid aan dronken menschen eigen, zich volkomen nuchter te willen toonen, en ten bewijze daarvan nog meer te drinken. Zij bleef bij hem, zich niet durvende verwijderen, maar walgend van hem, vooral toen hij eindelijk in het stadium van aandoenlijkheid was geraakt.Tegen half elf nam zij de flesch weg, niet langer voor verzet beducht, en bracht die naar binnen in ’t buffet. Daarmee nog bezig, hoorde zij eensklaps iemand hard loopen langs het huis; en door het vermoeden van de werkelijkheid gedreven, ijlde zij terug naar achter, waar zij Anneke zag liggen aan de voeten van haar vader.„O papa, laat mij bij u blijven,” snikte het ongelukkige meisje; „ik zal alles doen wat u wilt; stuur me niet weg …!”Met een theatraal gebaar strekte hij de hand uit over haar hoofd, terwijl hij trachtte[274]van onder zijn zware oogleden zijn vrouw smeekend aan te zien. En deze, inziende dat haar spel verloren was, besloot met groote tegenwoordigheid van geest, onmiddellijk partij te trekken van den toestand. Zij kwam naderbij en raakte Anneke’s schouder aan.Het meisje sprong op, een stap vooruit doende, terwijl haar houding en blik herinnerden aan den dag, waarop zij nog eens zoo gestaan had tegenover diezelfde vrouw, die toen nog mevrouw Duna heette. Doch eer zij spreken kon wees haar stiefmoeder met de hand op Wije.„Zie,” zeide zij. En toen Anneke half versuft staarde op haar vader: „Als straks de luitenant-Chinees hier komt, hangt het van mij af of je mee moet, of hier moogt blijven. En je gaat onverbiddelijk, tenzij je mij belooft in den vervolge een andere houding tegen mij aan te nemen. Wil je dat?”„Ja mevrouw,” stamelde Anneke, rillend van vrees.[275]„Een houding zooals een meisje betaamt tegenover, haar … mama?”„Ja mevrouw.”„Mevrouw?”„Mama,” zeide Anneke zacht, maar ondanks alles kostte het haar onbeschrijfelijke moeite.„Goed. Morgen praten we nader.”„Ja, dat is goed,” zeide ook Wije, die nog genoeg besef over had gehouden of weer teruggekregen om de hoofdstrekking van het gesprokene te vatten. „Nu kan ik gaan slapen.”En hij voegde de daad bij het woord, door zijn hoofd opzij te laten vallen en de oogen te sluiten. Mevrouw zag op hem neer, even nadenkend; toen vatte zij het eene eind van den stoel aan, Anneke een wenk gevend hetzelfde te doen, en met hun beiden droegen zij hem bij kleine eindjes tot in zijn slaapkamer.Vreeselijk overspannen en bij ieder gerucht opschrikkend, sliep Anneke dien nacht zoo goed als niet. Vroeg opgestaan, durfde zij echter[276]haar kamer niet verlaten eer zij had gehoord dat haar stiefmoeder in huis rondliep, want die moest haar beschermen tegen den Chinees, die, nu hij gisteren avond niet was verschenen, zeker van morgen zou opdagen. En het gevoel van haar afhankelijk te zijn, vermeerderd met de vrees voor de komende dingen, brak en verlamde Anneke’s haat.Onder het ontbijt, waarbij Wije niet tegenwoordig was, sprak mevrouw tot Anneke, haar een gedragslijn voorstellend. Hartelijkheid verlangde ze niet, maar wel een zoodanigen omgang, als hen in staat zou stellen desnoods tezamen in het publiek te verschijnen, zonder dat iedereen bemerkte dat die hartelijkheid geheel ontbrak, ja het tegenovergestelde bestond. En het meisje stemde in alles toe, zich dwingende ook na afloop van dit gesprek, nu en dan het woord tot haar stiefmoeder te richten.[277]1Ben je gek?↑
X.X.VOOR AAN UED. GELEVERD: EEN MEISJE.
X.
Op het terrein in de Europeesche wijk, waar hij noch een ander Chinees mocht wonen, liet Piong Pan Ho nu ook bouwen, en met de zenuwachtige haast die hij achter alles zette wat hij deed in die dagen, schoot daar uit den grond een huis op, dat reeds in den aanbouw het oog trok van alle voorbijgangers.Op een vroegen morgen wandelden Wije en Anneke er langs.„Kijk, dat is het huis van Piong Pan Ho,” zeide hij, daarmee tevens het stilzwijgen verbrekend, dat geduurd had van het begin hunner[253]wandeling, die zij slechts maakten voor Anneke’s gezondheid. Het was na herhaald aandringen van zijn vrouw dat Wije dit deed, maar plezierig vond hij het niet. Zij mokte nu al tegen hem ook, tenminste het leek er hard naar; tot praten was zij niet over te halen, en als hij vroeg wat ze had, kreeg hij geregeld dat sarrige typisch-indische „niets” ten antwoord, dat langzaam en slepend uitgesproken, hetzij men wil of niet, steeds een smadelijken trek te voorschijn roept op het gelaat van den spreker of spreekster.Anneke bleef staan en keek even naar het gebouw dat reeds onder de kap was.„Mooi,” zeide zij.Ongeduldig schokte hij met de schouders en wilde de wandeling voortzetten, toen achter hen een dogcart stil hield, waaruit Piong Pan Ho zelf stapte. Goddank, daar was ten minste iemand met wien men een verstandig woord kon wisselen![254]„Komt u eens kijken?” vroeg deSingkehop hen toetredend, en hij rustte niet eer hij alles had vertoond en uitgelegd. Af en toe sprak hij ook tot Anneke, met moeite zijn bewondering verbergend, telkens als hij haar aanzag. En tot groote woede van haar vader antwoordde zij vriendelijk en met meer woorden dan hij in de laatste maand uit haar mond vernomen had.„Zounonnagraag zoo’n huis als dit bezitten?” vroeg eensklaps Piong Pan Ho.„O ja,” riep Anneke uit, „wie zou dat niet?”„Baik,” zeide hij, haar toeknikkend; „als klaar is, geef ik het.”Zij lachten alle drie, de Chinees uit gulheid, Wije en Anneke de zaak als een grap opvattend.Eenige weken later, op een middag, stormde Wije zijn kantoortje uit naar de achtergalerij, waar zijn vrouw bezig was thee te zetten.[255]„Piong Pan Ho is gek geworden,” riep hij uit, haar eenige stukken voorhoudend. „Hij heeft waarachtig dat nieuwe huis van hem op naam van Anneke laten zetten!”„Watzeg je!” zeide zij, de grootste verbazing voorwendende. „Hoe komt hij dáár toe?”„Dat mag de hemel weten. Indertijd zei hij, dat hij het haar zou geven, maar ik dacht dat hij gekheid maakte. Nu heeft hij wel altijd de gewoonte gehad om haar te schenken, wat hij, misschien uit kieschheid, mij niet wilde aanbieden, maar dit is wat al te bar. Een huis!”„Weet je wat ik er van denk?” vroeg zij. „Je hebt me eens gezegd dat hij een groot bewonderaar was van Anneke … het schijnt dat je toen nader bij de waarheid was dan je zelf vermoedde.”Wije verbleekte.„Zou hij dàt bedoelen?” stamelde hij. „Dan[256]is het uit met geldverdienen; dat zou een val zijn voor ons.”„Of een uitkomst,” zeide zij zacht.„Hoe? Je meent toch niet …?” riep hij uit met verheffing van zijn stem.„Stil!” viel zij hem in de rede. „We kunnen ook praten zonder zóó te schreeuwen dat iedereen het hoort. Zie eens hier, ik sta natuurlijk op een ander standpunt dan jij; maar al was ik haar eigen moeder, in onze omstandigheden zou ik niet anders spreken. En om nu maar niets te zeggen over wat er gebeurt als je hem weigert, want dat heb je zelf zooeven reeds gedaan, vraag ik je, of jij voor haar iets beters weet.”„Maar vrouw, wat scheelt je? Iets beters dan een Chinees?”„Waar is de Europeaan te vinden die haar trouwt uit ons huis, en die begint met zóó’n geschenk zonder nog iets te vragen?”„Trouwen, ja … maar een Chinees trouwt[257]haar ook niet, ten minste volgens onze opvatting.”„’n Mooie opvatting,” zeide zij spottend. „Ik zie het verschil niet in; een huwelijk is een huwelijk. En wat de vastigheid betreft, dunkt mij dat een geschenk als dit vooraf en later nog wat—dat spreekt van zelf—meer waarborg aanbiedt dan het contractje dat wij Europeanen aangaan, en dat, zooals je gezien hebt, met weinig moeite is te verbreken.”De onverschillige wijze, waarop zij sprak over hetgeen hij liefst niet meer aanroerde, haar scheiding van Duna, ergerde hem.„We praten over iets dat enkel op een losse veronderstelling berust,” zeide hij om er een eind aan te maken. „Kom, ik ga het Anneke eens laten zien; misschien ontlokt haar dit wel een enkel woord.”„Wacht even,” verzocht zij. „Je moet er hem voor bedanken.”„Ja … hoe zoo?”[258]„Als je het aanneemt, en hij heeft het gedaan met die bedoeling, dan heeft hij een zeker recht verkregen.”„Men kan het altijd teruggeven. Ik behoef niet dadelijk te beslissen.”„Teruggeven,” herhaalde zij. „Juist; dit, je tractement, je verdiensten, alles!”„Vervloekt!” bromde hij.„Zal ik eens naar Piong Pan Ho toe gaan, en hem polsen?”„Jij …?”„Ja, ik. Het zal er toch op neer komen, dat we met hem moeten handelen over wat hij meer op haar zet dan dit huis en … enfin, daarover later. In dat geval kan ik het beter doen dan jij.”„Nog niet,” zeide hij kort, zich terugbegevend naar zijn kantoor. „Stuur me nog een kop thee.”Zij bracht het hem zelf, doch sprak geen woord meer over het zooeven behandelde, wetende[259]dat hij toch niets zou doen zonder haar en er spoedig genoeg op zou terugkomen.Zoo was het, en hij vond dat zij gelijk had; eer men iets besloot, diende men te weten waaraan zich te houden; zij moest dus maar trachten plannen uit te vinden welke Piong Pan Ho koesterde; hij kon zich voorloopig achteraf houden en optreden zoodra het noodig was. Hij bedoelde hiermee niets geks, maar het bleek heel gauw, dat de voorloopige toestand van zich op den achtergrond te houden, een blijvende was; tot optreden noodigde hem niemand, en langzamerhand raakte hij er aan gewoon dat zijn vrouw in deze zaak precies deed wat zij wilde, terwijl hij het een vóór en het andere na toegaf, ten slotte dat Anneke met Piong Pan Ho een Chineesch huwelijk mocht aangaan, mits zij zelf wilde. Het haar voor te stellen weigerde hij echter, doch dit was ook het eenige.„Goed,” zeide zijn vrouw; „maar ik kan[260]het niet; dus moeten we den luitenant in de gelegenheid stellen het zelf te doen. Ik zal daar wel voor zorgen.”Anneke wist derhalve niets van hetgeen haar boven het hoofd hing. Met de schenking van het huis was zij in ’t eerst zeer verheugd geweest, meenende dat zij nu daarin gingen wonen en zoodoende zij door de grootere ruimte nog meer vrijheid zou krijgen in haar afzondering, die zij hardnekkig bleef volhouden. Doch toen haar vader kortweg verklaarde de grootere kosten aan zulk een huis verbonden niet te kunnen bestrijden, begreep zij niet wat zij er aan had, en verviel weer in haar vorige apathie, waaruit zelfs het bericht in de courant, dat Kees Duna verloofd was met eenDjokdjaschmeisje, haar slechts even vermocht op te wekken.Had mevrouw Wije op zich genomen, Piong Pan Ho gelegenheid te geven zijn belangen bij Anneke te bepleiten, weldra zou blijken, wat zij daaronder verstond. Zij haastte zich[261]echter volstrekt niet; alles wat zij tot nu toe tegen Anneke had ondernomen, was haar als bij de handen afgebroken; dat mocht ditmaal niet geschieden, maar dan moest ook alles zoodanig worden overwogen en beschikt, dat niemand zich kon onttrekken. Van haar man was zij nu geheel zeker; Anneke telde in haar plan niet mee; die moest plotseling voor eenfait accomplistaan; doch Piong Pan Ho, die als eenig handelend persoon zou optreden, was nog niet vast genoeg thuis in de rol die zij hem had toebedacht. Eindelijk begon de laatste ongeduld te toonen, en nu meende zij dat het tijdstip was aangebroken om de zaak tot een besluit te brengen.Op zekeren avond was, door een ongeluk in de keuken, het etensuur vertraagd geworden. Wije, die erg onrustig en gehaast scheen, had even gemopperd, doch was geëindigd zich nog een bittertje in te schenken. Aan tafel praatte hij iets drukker dan gewoonlijk en[262]gebruikte ook meer wijn. Men was nog aan de vruchten, toen Piong Pan Ho werd aangemeld.„Laat maar achter komen,” gelastte Wije den bediende.DeSingkehkwam en groette. Het speet hem dat hij de familie aan tafel overviel; gewichtige brieven, die hij zoo pas ontvangen had en aan meneer Wije moest laten lezen, waren de aanleiding; of meneer zoo goed wilde zijn ze in te zien; intusschen zou hij even naar den majoor-chinees rijden, en later op den avond terugkomen.Wije nam het pakje aan en Piong Pan Ho stapte op. Maar aan het eind van de galerij gekomen, keerde hij eensklaps terug.„De majoor woont dicht bij Tjandie,” zeide hij, zich tot Anneke wendende, „en ik heb er maar heel kort noodig. Heeftnonnaplezier om mee te rijden? Dan gaan we over Bodjong en toeren zoo om. Het is mooi weer en maneschijn.”[263]„Mag het pa?” vroeg Anneke, op een toon waarvan de bitsheid getemperd werd door blijdschap over het aanbod.„Ga je gang,” antwoordde Wije, zonder op te zien en een stuk afrukkend van het papier dat hij vasthield.Piong Pan Ho gaf geen enkele order aan zijn koetsier; toch reed het rijtuig aan het eind der zijlaan gekomen, in de richting die hij daareven had genoemd. Anneke bemerkte niets van die bijzonderheid. De Chinees had haar gevraagd of zij het thuis niet prettig had, en zijn deelnemende toon had haar aanleiding gegeven om uit te barsten in bitter beklag. Hij had van te voren geweten dat dit naar alle waarschijnlijkheid volgen zou, maar nu hij haar hoorde spreken, roerden hem dezelfde dingen, die hij bij de cynische voordracht van haar stiefmoeder onverschillig had opgenomen. Een vreemd, hem onbekend gevoel maakte zich gaandeweg van hem meester, dat van medelijden.[264]Even voor zij den hoek omsloegen passeerde hen een ander rijtuig, doch geen van beiden zagen zij hoe daaruit zich plotseling een hoofd, met een met goud gegalonneerden pet bedekt, vooroverboog, en twee scherpe oogen hen nastaarden. Het was de resident.„Luit’nant-tjina, kandjeng toewan,” zeide de looper achterop.„Wie zat naast hem?” vroeg de resident, om zich te overtuigen of hij goed had gezien.De looper wist het niet; hij had alleen den koetsier en de paarden herkend, en naar iets anders hadden ook de koetsier van den resident en depajong-drager niet gekeken.Piong Pan Ho was bij den majoor-Chinees geweest, dien hij niet thuis gevonden had; daarop waren zij verder gereden, het gesprek nog steeds loopend over het onderwerp waarmee het was begonnen. Anneke had een oogenblik geschreid, en toen het rijtuig stilhield voor de woning van den Chinees, nam zij zonder[265]erg zijn uitnoodiging om even uit te stappen aan; bij denonjazou zij haar gelaat afwasschen. Hij liet haar voorgaan, door de binnengalerij waar een lamp brandde, en wees haar den weg naar een eveneens verlichte kamer, doch toen zij die binnenging bleef hij achter, haar verzoekende zichzelf te helpen.Daar Anneke in de kamer niemand vond, veronderstelde zij dat Piong Pan Ho zijn „nonja” was gaan roepen. Intusschen maakte zij gebruik van het waschgerei. Daarmee gereed, keek zij, in afwachting, eens rond in het vertrek, dat zeker de slaapkamer moest zijn van den luitenant, en verwonderde zich dat alles er zoo Europeesch uitzag, ja als door een dameshand ingericht. Toen viel het haar op dat de handdoeken en ook het beddegoed nieuw en ongebruikt waren, en zij herinnerde zich dat haar vader eens had verteld, dat de heer van dit huis zelf in een kamertje van de bijgebouwen woonde. Zij vond het zonde, maar tevens heel[266]gek waschstellen te vullen en bedden op te maken in een zoo goed als leegstaand huis.In de binnengalerij zat Piong Pan Ho op een bank, hevig bewogen. Het oogenblik was dan eindelijk gekomen, waarnaar hij zoo had verlangd, waarvoor hij zooveel had gedaan; zij was in zijn huis. Van haar vader en stiefmoeder had hij verlof om haar te houden, desnoods tegen haar zin. Hij moest haar door overreding trachten te winnen, had de laatste gezegd; dat waren Europeesche meisjes gewoon, maar aan te lang volgehoudentinka’sbehoefde hij zich niet te storen. Als zij een uur geleden hier was gekomen, zou hij zich zonder gemoedsbezwaren aan die instructies hebben gehouden; nu echter wist hij niet hoe hij het had; het eene oogenblik voelde hij zijn hartstocht opvlammen en zich tot alles in staat, dan weer ontzonk hem de moed en was het hem of hij een heiligschennis stond te begaan enkel door haar aan te zien.[267]„Mana nonja?” vroeg Anneke, opeens te voorschijn komende. Het wachten had haar verveeld en de deur openend zag zij hem alleen.„Ga even zitten,” noodde Piong Pan Ho, naast zich wijzend op de bank en tevens zelf een heel eind opschuivend, meer dan noodig was om plaats voor haar te maken. Toen, zijn stem zooveel mogelijk verzachtend, begon hij haar in te lichten dat er geennonjawas, en vervolgde onmiddellijk daarop met de verzekering dat zij daarom niet bang behoefde te wezen. Hij was niet ruw, vooral niet tegenover zulk een lief meisje als zij, waarmee hij diepkassianhad. Zooeven had zij verteld dat het thuis voor haar niet plezierig was; waarom zou zij niet hier blijven en het zich zoo aangenaam maken als zij wilde. Natuurlijk sprak hij met voorkennis van haar vader, die haar al niet meer terug verwachtte. Hij zou haar in hooge eer houden, meer nog dan deblanda’sgewoon waren hun vrouwen te doen; de eerste dagen moest ze[268]hier in huis doorbrengen, terwijl hij in de bijgebouwen verblijf hield, tot hij haar eigen huis gemeubeld had; dan zou hij hier een feest geven, stil maar rijk, en daarop de voornaamsten van zijn ras uitnoodigen om tevens bij hun huwelijk tegenwoordig te zijn; daarna mocht zij verhuizen naar die andere woning, waar zij als gebiedster zou tronen, met rijtuig, paarden en bedienden zooveel zij wenschte, zich tooien met kleeren en edelgesteenten naarmate zij lust had, en waar hij slechts zou komen als zij hem riep, tot tijd en wijle zij aan hem zou gewend zijn. Hij herhaalde het, hij was niet ruw, maar hoewel een Chinees, had hij een goedati; dat had haar eigen vader gezegd en daarom hen permissie gegeven haar mee te nemen.Bij zijn eerste woorden had Anneke een groote verontwaardiging in zich voelen opkomen, en het „apa kwè gila?”1lag haar op de lippen; doch toen zij vernam dat haar[269]vader haar aan den Chinees had overgeleverd, beving haar een geweldige angst. Zij twijfelde er niet aan of hij had de macht dit te doen, en dat hij het deed was om haar te straffen voor haar houding jegens hem. O, kon zij hem maar spreken en vergiffenis vragen!„Ik wil naar huis,” klaagde zij opstaande, zoodra hij zweeg.„Djangan!” riep hij uit, haar arm grijpende.Zij droeg, naar de mode dier dagen, wijde mouwen. De hand van denSingkehschoof, door zijn iets te snelle beweging, hoog op in haar mouw en zij voelde zijn knokkelige vingers met het harde binnenvel, waarvan het eelt nog niet was afgesleten, haar arm omspannen, terwijl hij moeite deed zich eveneens van de bank te verheffen. Met een gil van afschuw rukte zij zich los, en eer hij er aan dacht verdween zij door de deur, die hij vergeten had te sluiten, het erf afsnellend en den grooten weg op.[270]Piong Pan Ho wilde haar naloopen, doch de Europeesche schoenen, die hij sedert kort pas droeg, belemmerden zijn gang. Op den weg durfde hij haar niet meer volgen; en zichzelven voor een grooten domoor uitmakende, dat hij haar had laten ontsnappen nog eer zij bekomen was van den eersten schrik, wierp hij het ijzeren hek dat de inrij afsloot met kracht dicht. Het zou intusschen heel wat moeite kosten haar nu weer hier te krijgen;soedah, het was zijn eigen schuld; morgen zou hij er over raadplegen met haar vader, die nu zeker wel zelf zou willen spreken met hem, en anders maar weer met haar stiefmoeder.Na Anneke ’s vertrek had Wije eenigen tijd heen en weer geloopen, onverstaanbaar mompelend, zijn wandeling, die hij eerst had uitgestrekt tot den uitersten rand der galerij hoe langer hoe meer inkortend, tot hij op het laatst, na eenig draaien voor zijn stoel, zich daarop liet neervallen en, een half uur[271]te vroeg, met heesche stem zijn vrouw gelastte de brandy-soda te krijgen. Zij maakte een aanmerking, doch hij wierp haar zulk een woedenden blik toe, dat zij zonder meer zich haastte aan zijn verlangen te voldoen.En het drong tot haar door, hoe weinig het had gescheeld of haar plan zou mislukt zijn. Als hij het zich zoo aantrok, als uit zijn geheele doen bleek, mocht zij zich gelukwenschen dat de zaak achter den rug was en onherroepelijk voltrokken. Nu kon hij een dag of wat malen over het geval en zich boos maken, doch dat kwam terecht; hij zou moeten eindigen met het zichzelf en des noods anderen op te dringen als iets heel moois; ongedaan was het gelukkig niet meer te maken.Wije had het eerste grogje schielijk uitgedronken en dadelijk een tweede geprepareerd, dat het eerste niet lang op zich scheen te zullen laten wachten. Hij had een hoogroode kleur, terwijl dikke zweetdroppels parelden op[272]zijn voorhoofd; nu en dan gleed er een naar beneden, op zij af langs zijn neus, zoodat het leek of hij gehuild had. Opeens loosde hij een zwaren zucht, waardoor zij opkeek en schrok van zijn uitzicht.„Man, wat heb je?” vroeg zij.„We moeten weg … ver weg,” antwoordde hij met moeite de woorden articuleerend, „we hebben ons onmogelijk gemaakt! Weet je wat dat is?” En na een wanhopige poging om daarvan een bepaling te geven, ging hij voort, zichzelf en haar zwartmakend, Anneke te gelijk hoog verheffend en beklagend als hun slachtoffer. „En als dat lieve kind nu thuis komt,” eindigde hij, „zal ze denken dat haar vader … hm, ’n stuk in zijn kraag heeft. Maar het is niet waar; of durf jij soms beweren dat ik dronken ben, hè? Durf jij dat, zeg?”„Neen, o neen,” zeide zij, nu eerst ziende in welken toestand hij verkeerde. „Zouden we niet naar bed gaan?”[273]Hij wilde er natuurlijk niet van hooren en ging voort, met de halsstarrigheid aan dronken menschen eigen, zich volkomen nuchter te willen toonen, en ten bewijze daarvan nog meer te drinken. Zij bleef bij hem, zich niet durvende verwijderen, maar walgend van hem, vooral toen hij eindelijk in het stadium van aandoenlijkheid was geraakt.Tegen half elf nam zij de flesch weg, niet langer voor verzet beducht, en bracht die naar binnen in ’t buffet. Daarmee nog bezig, hoorde zij eensklaps iemand hard loopen langs het huis; en door het vermoeden van de werkelijkheid gedreven, ijlde zij terug naar achter, waar zij Anneke zag liggen aan de voeten van haar vader.„O papa, laat mij bij u blijven,” snikte het ongelukkige meisje; „ik zal alles doen wat u wilt; stuur me niet weg …!”Met een theatraal gebaar strekte hij de hand uit over haar hoofd, terwijl hij trachtte[274]van onder zijn zware oogleden zijn vrouw smeekend aan te zien. En deze, inziende dat haar spel verloren was, besloot met groote tegenwoordigheid van geest, onmiddellijk partij te trekken van den toestand. Zij kwam naderbij en raakte Anneke’s schouder aan.Het meisje sprong op, een stap vooruit doende, terwijl haar houding en blik herinnerden aan den dag, waarop zij nog eens zoo gestaan had tegenover diezelfde vrouw, die toen nog mevrouw Duna heette. Doch eer zij spreken kon wees haar stiefmoeder met de hand op Wije.„Zie,” zeide zij. En toen Anneke half versuft staarde op haar vader: „Als straks de luitenant-Chinees hier komt, hangt het van mij af of je mee moet, of hier moogt blijven. En je gaat onverbiddelijk, tenzij je mij belooft in den vervolge een andere houding tegen mij aan te nemen. Wil je dat?”„Ja mevrouw,” stamelde Anneke, rillend van vrees.[275]„Een houding zooals een meisje betaamt tegenover, haar … mama?”„Ja mevrouw.”„Mevrouw?”„Mama,” zeide Anneke zacht, maar ondanks alles kostte het haar onbeschrijfelijke moeite.„Goed. Morgen praten we nader.”„Ja, dat is goed,” zeide ook Wije, die nog genoeg besef over had gehouden of weer teruggekregen om de hoofdstrekking van het gesprokene te vatten. „Nu kan ik gaan slapen.”En hij voegde de daad bij het woord, door zijn hoofd opzij te laten vallen en de oogen te sluiten. Mevrouw zag op hem neer, even nadenkend; toen vatte zij het eene eind van den stoel aan, Anneke een wenk gevend hetzelfde te doen, en met hun beiden droegen zij hem bij kleine eindjes tot in zijn slaapkamer.Vreeselijk overspannen en bij ieder gerucht opschrikkend, sliep Anneke dien nacht zoo goed als niet. Vroeg opgestaan, durfde zij echter[276]haar kamer niet verlaten eer zij had gehoord dat haar stiefmoeder in huis rondliep, want die moest haar beschermen tegen den Chinees, die, nu hij gisteren avond niet was verschenen, zeker van morgen zou opdagen. En het gevoel van haar afhankelijk te zijn, vermeerderd met de vrees voor de komende dingen, brak en verlamde Anneke’s haat.Onder het ontbijt, waarbij Wije niet tegenwoordig was, sprak mevrouw tot Anneke, haar een gedragslijn voorstellend. Hartelijkheid verlangde ze niet, maar wel een zoodanigen omgang, als hen in staat zou stellen desnoods tezamen in het publiek te verschijnen, zonder dat iedereen bemerkte dat die hartelijkheid geheel ontbrak, ja het tegenovergestelde bestond. En het meisje stemde in alles toe, zich dwingende ook na afloop van dit gesprek, nu en dan het woord tot haar stiefmoeder te richten.[277]
Op het terrein in de Europeesche wijk, waar hij noch een ander Chinees mocht wonen, liet Piong Pan Ho nu ook bouwen, en met de zenuwachtige haast die hij achter alles zette wat hij deed in die dagen, schoot daar uit den grond een huis op, dat reeds in den aanbouw het oog trok van alle voorbijgangers.
Op een vroegen morgen wandelden Wije en Anneke er langs.
„Kijk, dat is het huis van Piong Pan Ho,” zeide hij, daarmee tevens het stilzwijgen verbrekend, dat geduurd had van het begin hunner[253]wandeling, die zij slechts maakten voor Anneke’s gezondheid. Het was na herhaald aandringen van zijn vrouw dat Wije dit deed, maar plezierig vond hij het niet. Zij mokte nu al tegen hem ook, tenminste het leek er hard naar; tot praten was zij niet over te halen, en als hij vroeg wat ze had, kreeg hij geregeld dat sarrige typisch-indische „niets” ten antwoord, dat langzaam en slepend uitgesproken, hetzij men wil of niet, steeds een smadelijken trek te voorschijn roept op het gelaat van den spreker of spreekster.
Anneke bleef staan en keek even naar het gebouw dat reeds onder de kap was.
„Mooi,” zeide zij.
Ongeduldig schokte hij met de schouders en wilde de wandeling voortzetten, toen achter hen een dogcart stil hield, waaruit Piong Pan Ho zelf stapte. Goddank, daar was ten minste iemand met wien men een verstandig woord kon wisselen![254]
„Komt u eens kijken?” vroeg deSingkehop hen toetredend, en hij rustte niet eer hij alles had vertoond en uitgelegd. Af en toe sprak hij ook tot Anneke, met moeite zijn bewondering verbergend, telkens als hij haar aanzag. En tot groote woede van haar vader antwoordde zij vriendelijk en met meer woorden dan hij in de laatste maand uit haar mond vernomen had.
„Zounonnagraag zoo’n huis als dit bezitten?” vroeg eensklaps Piong Pan Ho.
„O ja,” riep Anneke uit, „wie zou dat niet?”
„Baik,” zeide hij, haar toeknikkend; „als klaar is, geef ik het.”
Zij lachten alle drie, de Chinees uit gulheid, Wije en Anneke de zaak als een grap opvattend.
Eenige weken later, op een middag, stormde Wije zijn kantoortje uit naar de achtergalerij, waar zijn vrouw bezig was thee te zetten.[255]
„Piong Pan Ho is gek geworden,” riep hij uit, haar eenige stukken voorhoudend. „Hij heeft waarachtig dat nieuwe huis van hem op naam van Anneke laten zetten!”
„Watzeg je!” zeide zij, de grootste verbazing voorwendende. „Hoe komt hij dáár toe?”
„Dat mag de hemel weten. Indertijd zei hij, dat hij het haar zou geven, maar ik dacht dat hij gekheid maakte. Nu heeft hij wel altijd de gewoonte gehad om haar te schenken, wat hij, misschien uit kieschheid, mij niet wilde aanbieden, maar dit is wat al te bar. Een huis!”
„Weet je wat ik er van denk?” vroeg zij. „Je hebt me eens gezegd dat hij een groot bewonderaar was van Anneke … het schijnt dat je toen nader bij de waarheid was dan je zelf vermoedde.”
Wije verbleekte.
„Zou hij dàt bedoelen?” stamelde hij. „Dan[256]is het uit met geldverdienen; dat zou een val zijn voor ons.”
„Of een uitkomst,” zeide zij zacht.
„Hoe? Je meent toch niet …?” riep hij uit met verheffing van zijn stem.
„Stil!” viel zij hem in de rede. „We kunnen ook praten zonder zóó te schreeuwen dat iedereen het hoort. Zie eens hier, ik sta natuurlijk op een ander standpunt dan jij; maar al was ik haar eigen moeder, in onze omstandigheden zou ik niet anders spreken. En om nu maar niets te zeggen over wat er gebeurt als je hem weigert, want dat heb je zelf zooeven reeds gedaan, vraag ik je, of jij voor haar iets beters weet.”
„Maar vrouw, wat scheelt je? Iets beters dan een Chinees?”
„Waar is de Europeaan te vinden die haar trouwt uit ons huis, en die begint met zóó’n geschenk zonder nog iets te vragen?”
„Trouwen, ja … maar een Chinees trouwt[257]haar ook niet, ten minste volgens onze opvatting.”
„’n Mooie opvatting,” zeide zij spottend. „Ik zie het verschil niet in; een huwelijk is een huwelijk. En wat de vastigheid betreft, dunkt mij dat een geschenk als dit vooraf en later nog wat—dat spreekt van zelf—meer waarborg aanbiedt dan het contractje dat wij Europeanen aangaan, en dat, zooals je gezien hebt, met weinig moeite is te verbreken.”
De onverschillige wijze, waarop zij sprak over hetgeen hij liefst niet meer aanroerde, haar scheiding van Duna, ergerde hem.
„We praten over iets dat enkel op een losse veronderstelling berust,” zeide hij om er een eind aan te maken. „Kom, ik ga het Anneke eens laten zien; misschien ontlokt haar dit wel een enkel woord.”
„Wacht even,” verzocht zij. „Je moet er hem voor bedanken.”
„Ja … hoe zoo?”[258]
„Als je het aanneemt, en hij heeft het gedaan met die bedoeling, dan heeft hij een zeker recht verkregen.”
„Men kan het altijd teruggeven. Ik behoef niet dadelijk te beslissen.”
„Teruggeven,” herhaalde zij. „Juist; dit, je tractement, je verdiensten, alles!”
„Vervloekt!” bromde hij.
„Zal ik eens naar Piong Pan Ho toe gaan, en hem polsen?”
„Jij …?”
„Ja, ik. Het zal er toch op neer komen, dat we met hem moeten handelen over wat hij meer op haar zet dan dit huis en … enfin, daarover later. In dat geval kan ik het beter doen dan jij.”
„Nog niet,” zeide hij kort, zich terugbegevend naar zijn kantoor. „Stuur me nog een kop thee.”
Zij bracht het hem zelf, doch sprak geen woord meer over het zooeven behandelde, wetende[259]dat hij toch niets zou doen zonder haar en er spoedig genoeg op zou terugkomen.
Zoo was het, en hij vond dat zij gelijk had; eer men iets besloot, diende men te weten waaraan zich te houden; zij moest dus maar trachten plannen uit te vinden welke Piong Pan Ho koesterde; hij kon zich voorloopig achteraf houden en optreden zoodra het noodig was. Hij bedoelde hiermee niets geks, maar het bleek heel gauw, dat de voorloopige toestand van zich op den achtergrond te houden, een blijvende was; tot optreden noodigde hem niemand, en langzamerhand raakte hij er aan gewoon dat zijn vrouw in deze zaak precies deed wat zij wilde, terwijl hij het een vóór en het andere na toegaf, ten slotte dat Anneke met Piong Pan Ho een Chineesch huwelijk mocht aangaan, mits zij zelf wilde. Het haar voor te stellen weigerde hij echter, doch dit was ook het eenige.
„Goed,” zeide zijn vrouw; „maar ik kan[260]het niet; dus moeten we den luitenant in de gelegenheid stellen het zelf te doen. Ik zal daar wel voor zorgen.”
Anneke wist derhalve niets van hetgeen haar boven het hoofd hing. Met de schenking van het huis was zij in ’t eerst zeer verheugd geweest, meenende dat zij nu daarin gingen wonen en zoodoende zij door de grootere ruimte nog meer vrijheid zou krijgen in haar afzondering, die zij hardnekkig bleef volhouden. Doch toen haar vader kortweg verklaarde de grootere kosten aan zulk een huis verbonden niet te kunnen bestrijden, begreep zij niet wat zij er aan had, en verviel weer in haar vorige apathie, waaruit zelfs het bericht in de courant, dat Kees Duna verloofd was met eenDjokdjaschmeisje, haar slechts even vermocht op te wekken.
Had mevrouw Wije op zich genomen, Piong Pan Ho gelegenheid te geven zijn belangen bij Anneke te bepleiten, weldra zou blijken, wat zij daaronder verstond. Zij haastte zich[261]echter volstrekt niet; alles wat zij tot nu toe tegen Anneke had ondernomen, was haar als bij de handen afgebroken; dat mocht ditmaal niet geschieden, maar dan moest ook alles zoodanig worden overwogen en beschikt, dat niemand zich kon onttrekken. Van haar man was zij nu geheel zeker; Anneke telde in haar plan niet mee; die moest plotseling voor eenfait accomplistaan; doch Piong Pan Ho, die als eenig handelend persoon zou optreden, was nog niet vast genoeg thuis in de rol die zij hem had toebedacht. Eindelijk begon de laatste ongeduld te toonen, en nu meende zij dat het tijdstip was aangebroken om de zaak tot een besluit te brengen.
Op zekeren avond was, door een ongeluk in de keuken, het etensuur vertraagd geworden. Wije, die erg onrustig en gehaast scheen, had even gemopperd, doch was geëindigd zich nog een bittertje in te schenken. Aan tafel praatte hij iets drukker dan gewoonlijk en[262]gebruikte ook meer wijn. Men was nog aan de vruchten, toen Piong Pan Ho werd aangemeld.
„Laat maar achter komen,” gelastte Wije den bediende.
DeSingkehkwam en groette. Het speet hem dat hij de familie aan tafel overviel; gewichtige brieven, die hij zoo pas ontvangen had en aan meneer Wije moest laten lezen, waren de aanleiding; of meneer zoo goed wilde zijn ze in te zien; intusschen zou hij even naar den majoor-chinees rijden, en later op den avond terugkomen.
Wije nam het pakje aan en Piong Pan Ho stapte op. Maar aan het eind van de galerij gekomen, keerde hij eensklaps terug.
„De majoor woont dicht bij Tjandie,” zeide hij, zich tot Anneke wendende, „en ik heb er maar heel kort noodig. Heeftnonnaplezier om mee te rijden? Dan gaan we over Bodjong en toeren zoo om. Het is mooi weer en maneschijn.”[263]
„Mag het pa?” vroeg Anneke, op een toon waarvan de bitsheid getemperd werd door blijdschap over het aanbod.
„Ga je gang,” antwoordde Wije, zonder op te zien en een stuk afrukkend van het papier dat hij vasthield.
Piong Pan Ho gaf geen enkele order aan zijn koetsier; toch reed het rijtuig aan het eind der zijlaan gekomen, in de richting die hij daareven had genoemd. Anneke bemerkte niets van die bijzonderheid. De Chinees had haar gevraagd of zij het thuis niet prettig had, en zijn deelnemende toon had haar aanleiding gegeven om uit te barsten in bitter beklag. Hij had van te voren geweten dat dit naar alle waarschijnlijkheid volgen zou, maar nu hij haar hoorde spreken, roerden hem dezelfde dingen, die hij bij de cynische voordracht van haar stiefmoeder onverschillig had opgenomen. Een vreemd, hem onbekend gevoel maakte zich gaandeweg van hem meester, dat van medelijden.[264]
Even voor zij den hoek omsloegen passeerde hen een ander rijtuig, doch geen van beiden zagen zij hoe daaruit zich plotseling een hoofd, met een met goud gegalonneerden pet bedekt, vooroverboog, en twee scherpe oogen hen nastaarden. Het was de resident.
„Luit’nant-tjina, kandjeng toewan,” zeide de looper achterop.
„Wie zat naast hem?” vroeg de resident, om zich te overtuigen of hij goed had gezien.
De looper wist het niet; hij had alleen den koetsier en de paarden herkend, en naar iets anders hadden ook de koetsier van den resident en depajong-drager niet gekeken.
Piong Pan Ho was bij den majoor-Chinees geweest, dien hij niet thuis gevonden had; daarop waren zij verder gereden, het gesprek nog steeds loopend over het onderwerp waarmee het was begonnen. Anneke had een oogenblik geschreid, en toen het rijtuig stilhield voor de woning van den Chinees, nam zij zonder[265]erg zijn uitnoodiging om even uit te stappen aan; bij denonjazou zij haar gelaat afwasschen. Hij liet haar voorgaan, door de binnengalerij waar een lamp brandde, en wees haar den weg naar een eveneens verlichte kamer, doch toen zij die binnenging bleef hij achter, haar verzoekende zichzelf te helpen.
Daar Anneke in de kamer niemand vond, veronderstelde zij dat Piong Pan Ho zijn „nonja” was gaan roepen. Intusschen maakte zij gebruik van het waschgerei. Daarmee gereed, keek zij, in afwachting, eens rond in het vertrek, dat zeker de slaapkamer moest zijn van den luitenant, en verwonderde zich dat alles er zoo Europeesch uitzag, ja als door een dameshand ingericht. Toen viel het haar op dat de handdoeken en ook het beddegoed nieuw en ongebruikt waren, en zij herinnerde zich dat haar vader eens had verteld, dat de heer van dit huis zelf in een kamertje van de bijgebouwen woonde. Zij vond het zonde, maar tevens heel[266]gek waschstellen te vullen en bedden op te maken in een zoo goed als leegstaand huis.
In de binnengalerij zat Piong Pan Ho op een bank, hevig bewogen. Het oogenblik was dan eindelijk gekomen, waarnaar hij zoo had verlangd, waarvoor hij zooveel had gedaan; zij was in zijn huis. Van haar vader en stiefmoeder had hij verlof om haar te houden, desnoods tegen haar zin. Hij moest haar door overreding trachten te winnen, had de laatste gezegd; dat waren Europeesche meisjes gewoon, maar aan te lang volgehoudentinka’sbehoefde hij zich niet te storen. Als zij een uur geleden hier was gekomen, zou hij zich zonder gemoedsbezwaren aan die instructies hebben gehouden; nu echter wist hij niet hoe hij het had; het eene oogenblik voelde hij zijn hartstocht opvlammen en zich tot alles in staat, dan weer ontzonk hem de moed en was het hem of hij een heiligschennis stond te begaan enkel door haar aan te zien.[267]
„Mana nonja?” vroeg Anneke, opeens te voorschijn komende. Het wachten had haar verveeld en de deur openend zag zij hem alleen.
„Ga even zitten,” noodde Piong Pan Ho, naast zich wijzend op de bank en tevens zelf een heel eind opschuivend, meer dan noodig was om plaats voor haar te maken. Toen, zijn stem zooveel mogelijk verzachtend, begon hij haar in te lichten dat er geennonjawas, en vervolgde onmiddellijk daarop met de verzekering dat zij daarom niet bang behoefde te wezen. Hij was niet ruw, vooral niet tegenover zulk een lief meisje als zij, waarmee hij diepkassianhad. Zooeven had zij verteld dat het thuis voor haar niet plezierig was; waarom zou zij niet hier blijven en het zich zoo aangenaam maken als zij wilde. Natuurlijk sprak hij met voorkennis van haar vader, die haar al niet meer terug verwachtte. Hij zou haar in hooge eer houden, meer nog dan deblanda’sgewoon waren hun vrouwen te doen; de eerste dagen moest ze[268]hier in huis doorbrengen, terwijl hij in de bijgebouwen verblijf hield, tot hij haar eigen huis gemeubeld had; dan zou hij hier een feest geven, stil maar rijk, en daarop de voornaamsten van zijn ras uitnoodigen om tevens bij hun huwelijk tegenwoordig te zijn; daarna mocht zij verhuizen naar die andere woning, waar zij als gebiedster zou tronen, met rijtuig, paarden en bedienden zooveel zij wenschte, zich tooien met kleeren en edelgesteenten naarmate zij lust had, en waar hij slechts zou komen als zij hem riep, tot tijd en wijle zij aan hem zou gewend zijn. Hij herhaalde het, hij was niet ruw, maar hoewel een Chinees, had hij een goedati; dat had haar eigen vader gezegd en daarom hen permissie gegeven haar mee te nemen.
Bij zijn eerste woorden had Anneke een groote verontwaardiging in zich voelen opkomen, en het „apa kwè gila?”1lag haar op de lippen; doch toen zij vernam dat haar[269]vader haar aan den Chinees had overgeleverd, beving haar een geweldige angst. Zij twijfelde er niet aan of hij had de macht dit te doen, en dat hij het deed was om haar te straffen voor haar houding jegens hem. O, kon zij hem maar spreken en vergiffenis vragen!
„Ik wil naar huis,” klaagde zij opstaande, zoodra hij zweeg.
„Djangan!” riep hij uit, haar arm grijpende.
Zij droeg, naar de mode dier dagen, wijde mouwen. De hand van denSingkehschoof, door zijn iets te snelle beweging, hoog op in haar mouw en zij voelde zijn knokkelige vingers met het harde binnenvel, waarvan het eelt nog niet was afgesleten, haar arm omspannen, terwijl hij moeite deed zich eveneens van de bank te verheffen. Met een gil van afschuw rukte zij zich los, en eer hij er aan dacht verdween zij door de deur, die hij vergeten had te sluiten, het erf afsnellend en den grooten weg op.[270]
Piong Pan Ho wilde haar naloopen, doch de Europeesche schoenen, die hij sedert kort pas droeg, belemmerden zijn gang. Op den weg durfde hij haar niet meer volgen; en zichzelven voor een grooten domoor uitmakende, dat hij haar had laten ontsnappen nog eer zij bekomen was van den eersten schrik, wierp hij het ijzeren hek dat de inrij afsloot met kracht dicht. Het zou intusschen heel wat moeite kosten haar nu weer hier te krijgen;soedah, het was zijn eigen schuld; morgen zou hij er over raadplegen met haar vader, die nu zeker wel zelf zou willen spreken met hem, en anders maar weer met haar stiefmoeder.
Na Anneke ’s vertrek had Wije eenigen tijd heen en weer geloopen, onverstaanbaar mompelend, zijn wandeling, die hij eerst had uitgestrekt tot den uitersten rand der galerij hoe langer hoe meer inkortend, tot hij op het laatst, na eenig draaien voor zijn stoel, zich daarop liet neervallen en, een half uur[271]te vroeg, met heesche stem zijn vrouw gelastte de brandy-soda te krijgen. Zij maakte een aanmerking, doch hij wierp haar zulk een woedenden blik toe, dat zij zonder meer zich haastte aan zijn verlangen te voldoen.
En het drong tot haar door, hoe weinig het had gescheeld of haar plan zou mislukt zijn. Als hij het zich zoo aantrok, als uit zijn geheele doen bleek, mocht zij zich gelukwenschen dat de zaak achter den rug was en onherroepelijk voltrokken. Nu kon hij een dag of wat malen over het geval en zich boos maken, doch dat kwam terecht; hij zou moeten eindigen met het zichzelf en des noods anderen op te dringen als iets heel moois; ongedaan was het gelukkig niet meer te maken.
Wije had het eerste grogje schielijk uitgedronken en dadelijk een tweede geprepareerd, dat het eerste niet lang op zich scheen te zullen laten wachten. Hij had een hoogroode kleur, terwijl dikke zweetdroppels parelden op[272]zijn voorhoofd; nu en dan gleed er een naar beneden, op zij af langs zijn neus, zoodat het leek of hij gehuild had. Opeens loosde hij een zwaren zucht, waardoor zij opkeek en schrok van zijn uitzicht.
„Man, wat heb je?” vroeg zij.
„We moeten weg … ver weg,” antwoordde hij met moeite de woorden articuleerend, „we hebben ons onmogelijk gemaakt! Weet je wat dat is?” En na een wanhopige poging om daarvan een bepaling te geven, ging hij voort, zichzelf en haar zwartmakend, Anneke te gelijk hoog verheffend en beklagend als hun slachtoffer. „En als dat lieve kind nu thuis komt,” eindigde hij, „zal ze denken dat haar vader … hm, ’n stuk in zijn kraag heeft. Maar het is niet waar; of durf jij soms beweren dat ik dronken ben, hè? Durf jij dat, zeg?”
„Neen, o neen,” zeide zij, nu eerst ziende in welken toestand hij verkeerde. „Zouden we niet naar bed gaan?”[273]
Hij wilde er natuurlijk niet van hooren en ging voort, met de halsstarrigheid aan dronken menschen eigen, zich volkomen nuchter te willen toonen, en ten bewijze daarvan nog meer te drinken. Zij bleef bij hem, zich niet durvende verwijderen, maar walgend van hem, vooral toen hij eindelijk in het stadium van aandoenlijkheid was geraakt.
Tegen half elf nam zij de flesch weg, niet langer voor verzet beducht, en bracht die naar binnen in ’t buffet. Daarmee nog bezig, hoorde zij eensklaps iemand hard loopen langs het huis; en door het vermoeden van de werkelijkheid gedreven, ijlde zij terug naar achter, waar zij Anneke zag liggen aan de voeten van haar vader.
„O papa, laat mij bij u blijven,” snikte het ongelukkige meisje; „ik zal alles doen wat u wilt; stuur me niet weg …!”
Met een theatraal gebaar strekte hij de hand uit over haar hoofd, terwijl hij trachtte[274]van onder zijn zware oogleden zijn vrouw smeekend aan te zien. En deze, inziende dat haar spel verloren was, besloot met groote tegenwoordigheid van geest, onmiddellijk partij te trekken van den toestand. Zij kwam naderbij en raakte Anneke’s schouder aan.
Het meisje sprong op, een stap vooruit doende, terwijl haar houding en blik herinnerden aan den dag, waarop zij nog eens zoo gestaan had tegenover diezelfde vrouw, die toen nog mevrouw Duna heette. Doch eer zij spreken kon wees haar stiefmoeder met de hand op Wije.
„Zie,” zeide zij. En toen Anneke half versuft staarde op haar vader: „Als straks de luitenant-Chinees hier komt, hangt het van mij af of je mee moet, of hier moogt blijven. En je gaat onverbiddelijk, tenzij je mij belooft in den vervolge een andere houding tegen mij aan te nemen. Wil je dat?”
„Ja mevrouw,” stamelde Anneke, rillend van vrees.[275]
„Een houding zooals een meisje betaamt tegenover, haar … mama?”
„Ja mevrouw.”
„Mevrouw?”
„Mama,” zeide Anneke zacht, maar ondanks alles kostte het haar onbeschrijfelijke moeite.
„Goed. Morgen praten we nader.”
„Ja, dat is goed,” zeide ook Wije, die nog genoeg besef over had gehouden of weer teruggekregen om de hoofdstrekking van het gesprokene te vatten. „Nu kan ik gaan slapen.”
En hij voegde de daad bij het woord, door zijn hoofd opzij te laten vallen en de oogen te sluiten. Mevrouw zag op hem neer, even nadenkend; toen vatte zij het eene eind van den stoel aan, Anneke een wenk gevend hetzelfde te doen, en met hun beiden droegen zij hem bij kleine eindjes tot in zijn slaapkamer.
Vreeselijk overspannen en bij ieder gerucht opschrikkend, sliep Anneke dien nacht zoo goed als niet. Vroeg opgestaan, durfde zij echter[276]haar kamer niet verlaten eer zij had gehoord dat haar stiefmoeder in huis rondliep, want die moest haar beschermen tegen den Chinees, die, nu hij gisteren avond niet was verschenen, zeker van morgen zou opdagen. En het gevoel van haar afhankelijk te zijn, vermeerderd met de vrees voor de komende dingen, brak en verlamde Anneke’s haat.
Onder het ontbijt, waarbij Wije niet tegenwoordig was, sprak mevrouw tot Anneke, haar een gedragslijn voorstellend. Hartelijkheid verlangde ze niet, maar wel een zoodanigen omgang, als hen in staat zou stellen desnoods tezamen in het publiek te verschijnen, zonder dat iedereen bemerkte dat die hartelijkheid geheel ontbrak, ja het tegenovergestelde bestond. En het meisje stemde in alles toe, zich dwingende ook na afloop van dit gesprek, nu en dan het woord tot haar stiefmoeder te richten.
[277]
1Ben je gek?↑
1Ben je gek?↑
1Ben je gek?↑
1Ben je gek?↑