VI.

[Inhoud]VI.VI.WAAROM JUIST DEZE?In Java’s beneden-landen is de weersgesteldheid vrij regelmatig. Het is Westmoeson of Oostmoeson, en daartusschen een zeer korte kentering. De elementen voeren er zelden strijd; zij worden er als het ware niet bestuurd, doch geadministreerd in groote eentonigheid; een storing is een fout in de administratie, meestal weinig beteekenend en zonder invloed op den gang der zaken. Een praatje over het weer is daar dan ook niet te houden, wat voor de Hollanders een heel gemis is; men bepaalt zich tot de opmerking: hè, hoe warm, of:[126]hè, wat een bui; meer te zeggen zou àl te banaal zijn.Dat is de regel, maar wee het land als een uitzondering plaats vindt, als in enkele achtereenvolgende jaren de regens verminderen en de droogte langer aanhoudt. Dan daalt na afloop van den Westmoeson het grondwaterpeil, om tegen het midden van den Oostmoeson den bodem geschikt te maken voor de opneming dier vreeselijke kiemen der cholera, die zich weldra in al haar ellende verspreidt, duizenden offers vragend, tot òf fellere droogte het grondwater eindelijk beneden het gevaarlijke punt doet dalen, òf geweldige regens van den volgenden Westmoeson het daar boven doen stijgen, zoodoende een einde makende aan de ramp, die maanden lang de bewoners der beneden-landen in telkens nieuwen rouw dompelde.Zulk een jaar was aangebroken. Langs den Bodjong-weg vermenigvuldigden zich de optochten[127]van inlanders, onder eentonig gezang een der hunnen grafwaarts dragende; maar nog nam men er weinig notitie van onder de Europeanen; de gezondheidstoestand onder hen was voorloopig nog goed, ja beter dan anders, want ook in deze geldt de regel: waar meerderman komt, moet minderman wijken; bij de nadering der cholera schijnen de gewone ziekten te vlieden. Het was de stilte vóór het onweer.Plotseling gaat het gerucht door de plaats van een geval bij een Europeaan, gevolgd door nog een; en dan spreekt men het uit, de couranten bevatten mededeelingen en rapporten, de dokterskoetsen rennen over den weg, heeren rijden met hun zakdoek voor den neus of een sigaar in den mond naar de stad, dames ziet men niet meer, en ’s avonds is de sociëteit drukker bezocht dan anders, door vreesachtigen die gehoord hebben dat de kans op besmettingvermindert wanneer men „het vleesch goed[128]onder den pekel houdt.” Maar overal loopt het discours over dit ééne onderwerp: cholera.„De dokter komt van avond op de sociëteit,” zeide Wije; „ik ga er even heen.”„Blijf je niet lang weg?” vroeg zijn vrouw. „Je weet, ik ben niet bang, maar in dezen tijd …”„Even maar; het is alleen om den dokter uit te hooren.”Zij waren niet bang, de Wije’s, maar de algemeene zenuwachtigheid had hen niet geheel onaangetast gelaten. De voorgeschreven maatregelen, als dubbele reinheid van huis en erf, en een matig glas champagne, namen zij trouw in acht; Anneke bleef schoolgaan, omdat hun alle plotselinge afwijkingen van de normale gewoonten was ontraden; een enkele maal echter ving Wije den dokter op, om zich te laten vertellen dat al wat hij deed goed was en betrouwbare inlichtingen te ontvangen omtrent den stand der epidemie.De dokter had zijn vast partijtje in de[129]sociëteit, doch in dezen tijd, die alles omverwierp, had hij het voorloopig moeten opgeven. Nu zat hij aan de kletstafel met eenige andere oude heeren en verscheiden jongelui, zeker van het feit dat hij binnen het half uur zou worden weggeroepen, meestal om een calmans voor te schrijven tegen uit vermeende symptomen ontstane zenuwachtigheid.„Maar dat kan me niet schelen,” verklaarde hij; „liever tienmaal voor niets rijden, dan dat iemand „het” heeft. Weet jelui wat ik mij echter wel aantrek?”Men schudde ontkennend het hoofd.„Dit,” zeide de dokter, een pand van zijn witte jas met duim en vinger opheffende.Allen lachten; dat zou wel uitkomen, dat men z’n jas aantrok! Maar het was niet zóó bedoeld.„Ziet,” ging de geneesheer voort, „mijn haren zijn grijs, maar nog nooit in mijn leven heb ik iets zoo bespottelijks gezien. Men verlangt dat een dokter in een zwarte jas visites[130]maakt.Soedah!in gewone tijden heb ik er vrede mee; men went aan alles, dus ook dááraan. Ik heb het altijd gedaan; doch nu vind ik het onverantwoordelijk. Zoodra de ziekte begon, heb ik een witte jas aangetrokken;ikwilde haar niet in het zwarte laken overbrengen van ’t eene huis in het andere.”Er waren er die goedkeurend knikten, maar een der jongelui zeide: „Het is toch zóó’n gewoonte, dat een zieke allicht zijn vertrouwen verliest op den geneesheer, die in plaats van deftig in ’t zwart, daar in eens met een wit jasje bij zijn bed komt. Misschien is het heel gek, maar hetiszoo, en vertrouwen doet een heeleboel.Sapada!brandy-soda.”„Je hebt gelijk,” stemde de dokter toe. „Vertrouwen is de halve genezing; de één put het uit een zwarte jas, de ander uitcognac fine champagne.” Hier hield hij even op, terwijl het jonge mensch een kleur kreeg en de anderen glimlachten. „Alleen vind ik het beter[131]in godsnaam de menschen het vertrouwen tijdelijk te doen missen, dan hen direct te infecteeren. Geloof me, als het bacteriologisch laboratorium te Batavia ooit gebrek aan grondstof krijgt, laat ze gerust de oude doktersjassen opvragen, dan hebben zij voor jaren genoeg. Als echter mijn collega’s deden wat ik doe, zou niemand er verder om malen; maar in plaats daarvan, gebruiken zij het als een middel om mij patiënten af te troggelen. Dat is het wat ik mij aantrek! En vooral die één, die smeerlap.….”Een rijtuig reed het erf op en Wije stapte uit. Zijn komst deed den dokter zijn volzin afbreken, zeer tot genoegen der anderen; want als hij over dien collega begon, kwam er geen einde aan; dat wist men bij ervaring.„Toch niets aan de hand?”Het was de gewone vraag in die dagen.„Neen, gelukkig niet,” antwoordde Wije. „Hoe staat het ermee, dokter?”[132]„Het mindert in de laatste dagen, althans in het stadsverband.”„Ik las van avond in de courant, dat men te Batavia een nieuwe geneeswijze toepast; met jodoform.”De dokter haalde de schouders op.„’t Kan zijn,” zeide hij. „We doen allen ons best. Maar voorloopig kan ik niet beter raden dan: neemt voorzorgen. Want wie het krijgt, is in de meeste gevallen veroordeeld.”Enkelen verbleekten, anderen bestelden een nieuwe dosis van hetgeen zij dronken; die dokter was ook zoo ruw!„De lucht is betrokken, naar ik onderweg zag,” deelde Wije mede, en dit deed de gezichten opklaren. Dàt wist men, als het ging regenen was het over! Zij stonden op en keken naar buiten, en werkelijk, het was zoo!„Sapada, kassih pajong!” riep een grappenmaker, moedig voor ’t eerst sinds maanden; doch de aardigheid viel niet in den smaak.[133]„Pas jij maar op!” kreeg hij te hooren.Terwijl zij keken en disputeerden over de kansen op regen, nam Wije den dokter apart, op en neer loopende in de gaanderij en sprekende over de ziekte, tot het den dokter begon te vervelen en deze eindelijk voorstelde weer te gaan zitten. Juist hadden zij plaats genomen, toen een ongewoon geluid op den rijweg vóór de sociëteit aller aandacht trok. Er werd hard gesproken, even maar; daarop zag men de lantaarns van een rijtuig aansteken; een oogenblik later reed het rijtuig naar binnen, terwijl een inlandsch bediende den anderen kant van het hek inholde.De dokter was opgestaan, begrijpende dat het hem gold; als iemand haastig aankwam in dezen tijd was het altijd voor hem. Maar ook de anderen zagen angstig uit, van het licht in het donker, om te weten wiens rijtuig het was en wiens bediende. En toen beiden ongeveer tegelijkertijd voor de trap aankwamen,[134]vloog Wije op met een schreeuw.„Sinjo sakit,” zeide de bediende, nog ademloos van het harde loopen.Geen woord werd meer gewisseld. De dokter, die al gereedstond, drong vooruit het rijtuig in en Wije vlak achter hem aan; de koetsier legde de zweep over de paarden, die deze aansporing niet gewoon, onstuimig in het tuig vielen; en voort ging het in wilde vaart.„Heb je de droppels in huis?” vroeg de dokter, toen zij op de hoogte van de apotheek waren.„Ja,” antwoordde Wije, klappertandend.Met grooter handigheid dan men van een inlander zou verwacht hebben, stuurde de koetsier de nog steeds hollende paarden het erf op, waar het zware grint medehielp om de dieren tot een langzamer gang te dwingen. Zij waren er. Op hun teenen, maar toch snel, liepen de beide mannen door het huis, Wije voorop. Van een der kamers stond de deur open, en daarbinnen zat mevrouw Wije op een[135]stoel, het zieke kind in haar armen. Een scherpe pepermunt-lucht kwam de binnentredenden tegemoet.De dokter nam het kind op en legde het in zijn bedje.„Is het cholera, dokter?”„Ja mevrouw. Heeft u droppels gegeven?”„Ja.”„Ingehouden?”„Neen.”Het jongske lag daar met door de krampen samengetrokken lichaam, zich wentelend in pijnen te hevig om zelfs maar een kreet te ontlokken. De dokter had het fleschje genomen en druppelde er een nieuwe gift uit. Met zorg bracht hij zijn arm onder het hoofdje en diende de medicijn toe. Maar ook ditmaal tevergeefs. Toen zag hij om zich heen in de kamer.„Heeft u een wollen deken, mevrouw?”„Jawel. Zal ik hem halen?” En op een toestemmend[136]hoofdknikje, ijlde zij de kamer uit.„Ziezoo,” zeide de dokter. „Hier Wije, houd eens vast.”Het was een zwart étui, en daaruit nam de geneesheer een spuitje, vulde het voorzichtig en appliceerde het op het kinderlichaampje. Een zwart streepje bleef achter in de blanke huid.„Is er hoop?” vroeg Wije, terwijl de dokter het étui weer opbergde.„Afwachten,” zeide deze.Mevrouw Wije kwam weer binnen, met het verlangde.„Kan de kamferlucht geen kwaad?” vroeg zij.„Integendeel,” zeide de dokter, de deken over den kleinen patiënt uitspreidend. „En nu zoo doenlijk met rust laten. Ik kan voor ’t oogenblik niets meer doen; tegen den morgen kom ik terug.”Wije geleidde hem naar buiten.„Waar is Anneke?” vroeg hij terugkomend.[137]„Ik heb haar naar bed gestuurd, toen het begon. O Willem, zouden we hem moeten verliezen?”„De dokter geeft hoop,” loog hij om bestwil.Zij bleven samen waken, zittend voor het bedje en helpend telkens als het noodig was. Langzaam ging de tijd voorbij in den stillen nacht, en Wije’s denken liep wild dooreen. Tijd, wat was tijd? Ingedeeld in seconden, minuten, uren.… maar dat deugde niet. Hoe kort was soms een uur en hoe lang was het nu! Langer dan een jaar, neen, dan vijf jaren. Doorleefde hij dien tijd niet, vanaf de geboorte van zijn zoon, in minder dan een uur? „’n Jongen hè?” zeide de chef, en wat was hij blij! Dan de eerste tijd, de pogingen om te loopen, om te praten, de humor in zijn kinderlijke opmerkingen … Weer sloeg de klok in de binnengaanderij. Neen, die klok deugde niet; hij zou een betere uitvinden, die den tijd aangaf zooals hij werkelijk doorleefd[138]werd; ja, en haar doen verkoopen door de firma, die dan niet zou vallen, want allen zouden toestroomen om die klokken, Chineezen, Arabieren, inlanders.… enkel door zijn uitvinding! Wat, hij iets uitvinden? ’t Was belachelijk! Kon hij zelfs maar zijn kind behoorlijk helpen? Hoe onhandig was hij, en hoe dikwijls moest zijn vrouw hem vermanen dien nacht! Zijn vrouw.… maar zij kende het gevaar niet; zij geloofde dat er hoop was;hijhad het haar immers gezegd! Zij dacht niet.…Neen, zij dacht niet, zij handelde. Als het kind eenige oogenblikken rustig lag, ging zij ook zitten, steeds den blik op het gezichtje gericht, waarvan geen beweging haar ontging, en zij las trek voor trek de korte maar aangrijpende geschiedenis van den strijd tusschen jong ontluikend leven en den laffen dood, die nooit zijn meerdere in krachten aanvalt, die altijd grijnzend, wegmaait waar hij niet gezaaid[139]heeft, vernielt wat tot voortbestaan bestemd was, dien tegenhanger van de liefderijke engel der eeuwige rust, die levensmoeden zachtkens doet insluimeren en meevoert naar betere oorden. En zoo geheel ging de moeder op in haar zieke kind, dat zij niet gevoelde hoe dezelfde pijn die het jongske kwelde, ook in haar opkwam.„Willem, hij zweet!”Zij sprak moeilijk, haar tong was droog en kleefde aan het verhemelte, maar toch lag er iets als een juichtoon in die woorden. Met een onwillekeurige beweging legde Wije zijn hand op het voorhoofd van het kind. Het was klam en koud. „Goddank!” mompelde ook hij, meenende dat dit een gunstig teeken was.Opeens had er een verschrikkelijke verandering plaats. Het eenigszins opgezette gezichtje viel plotseling in, de kleur ging over in grauwbleek, een paar stuiptrekkingen en toen een kort snikje. Het was uit. Zij vlogen beiden[140]overeind, het feit voor oogen en het toch niet willende gelooven. De moeder stak haar armen uit naar het kind, maar zij gleden af langs het dek en met een doordringenden kreet zakte zij ineen.Schokkende als in een hevige koorts droeg Wije haar naar hun slaapkamer, en toen eerst zag hij, voor de tweede maal dien nacht, die vreeselijke symptomen. Radeloos ijlde hij terug naar de kinderkamer en greep het fleschje met de medicijn. Zonder te weten wat hij deed, goot hij er een lepel vol van uit en gaf het zijn vrouw in.Voor een der kamers van de bijgebouwen zaten de bedienden in een kringetje, eenoborvan klappervezel in het midden, tegen de muskieten. Zij waren niet gaan slapen. Tegen een geval als dit, was zelfs het inlandsch phlegma niet bestand. Af en en toe was debaboevan het zieke kind weggeroepen; en telkens als zij weer terugkwam, vroeg men[141]haar om bericht, dat zij met kreunende stem gaf.Toen zij Wije luid roepende in de achtergaanderij zagen verschijnen, wisten zij dat het ergste gebeurd was, en een gerekte klaagtoon ging onder hen op. Ze verstonden nog wel niet wat hij zeide, maar dat was niet noodig; de koetsier en de staljongen begrepen wat zij te doen hadden. Immers, zonder dat het hun bevolen was, hadden zij de paarden opgetuigd in den stal laten staan, de dokter moest gehaald worden, wat anders?Gewoon aan verrassingen, die zijn vak stempelden tot het droevigste van alle vakken, trof het nieuwe geval in hetzelfde huis den geneesheer toch diep. Innig bewogen staarde hij nu op het lieve vrouwtje, dan op den ongelukkigen Wije. Toen deze hem onder een vloed van zelfverwijtingen had verteld wat er met de medicijn gebeurd was, schrikte hij; maar na eenige oogenblikken aan het ziekbed vertoefd[142]te hebben, drukten zijn trekken zoowel verwondering als vreugde uit.„Stel je gerust,” zeide hij; „het heeft eer goed dan kwaad gedaan.”„Meent u het, dokter?”„Ja, zie maar, de huid blijft lenig. Hier durf ik hoop geven.”Helaas, die hoop werd niet vervuld. Wel doorstond mevrouw Wije de cholera, doch een week later bezweek zij, zonder bij kennis te zijn geweest aan de typhus, die in de meeste gevallen onmiddellijk op de eerstgenoemde ziekte volgt.Anneke was dien eersten dag door den dokter meegenomen naar zijn huis, doch den volgenden morgen vroeg ontsnapte zij. Ze wilde haar moesje oppassen en Wije miste de kracht het haar te weigeren. Met de Indische meisjes aangeboren handigheid vervulde de nu dertienjarige Anneke haar moeielijken plicht, waarin niemand haar hielp. Aan deelneming ontbrak het niet; de Wije’s waren bemind, en[143]iedereen was met hun ongeluk begaan; maar persoonlijk betrad niemand het besmette huis.Op één uitzondering na. ’s Middags na vieren stapte geregeld een breedgeschouderde jongen het erf op, met een pakje boeken onder den arm. Hij ging dan direct naar achter, en op de trede der gaanderij staande, wachtte hij geduldig tot er iemand kwam. Dan luidde het: „Papa en mama laten vragen hoe het met mevrouw gaat.”Meestal was het Wije zelf die antwoordde: „Dankje, Duna; maar het blijft hopen en vreezen.”Een enkele keer had Anneke hem te woord gestaan, en zij had misschien begrepen dat Kees niet namens zijn ouders, maar uit zichzelf kwam. Den middag van de begrafenis zat zij alleen, snikkende, te wachten op de terugkomst van haar vader. Dus was al haar zorg vergeefsch geweest, moeder was weg en een leegte heerschte reeds nu in huis.[144]Zacht werd een hand op haar schouder gelegd.„O Anneke, ik heb zoo’n medelijden met je,” sprak Kees. Zij had hem niet hooren binnenkomen, en de golving van het neergelaten zeil, toen hij het oplichtte, had haar aandacht niet getrokken; nu keek zij op, zonder schrik echter.„Wat ben je goed, Kees.”„Is er niemand gekomen om je te troosten?” vroeg hij verontwaardigd, de ledige binnengaanderij ziende. „Dat is toch te erg.”„Ze zijn bang,” zeide het meisje. „Allemaal behalve jij.”„En jij,” viel hij in met geestdrift. „Thuis vertelden ze dat je weggeloopen was van den dokter. Dat was flink van je; mama zei dat het onverantwoordelijk was van mevrouw, maar ik vond het flink, en daarom ben ik.…”Het knarsen van rijtuigwielen op het voorerf deed hem ophouden. Voor Anneke’s papa was het nog te vroeg om terug te zijn; vreemden dus. Een onwil om door andere[145]menschen hier te worden aangetroffen overviel hem; „men” had altijd wat te zeggen!„Daar komt iemand,” zeide hij; „ik zal maar heengaan. Tot weerziens, Anneke.” En hij verliet de achtergaanderij, op hetzelfde oogenblik dat de voordeur openging, om aan twee dames toegang te verschaffen. Langs het huis heenloopende, zag Kees het rijtuig staan; hij herkende het dadelijk.„Papa datang?” vroeg hij in ’t voorbijgaan den koetsier.„Njonja,” was het antwoord. Het deed Kees goed; de eenige die dan nog kwam was dus zijn moeder.Anneke was naar voren gegaan, de dames te gemoet, maar zonder hartelijkheid. Wat wilde men nu nog, daar moesje toch dood was! Zij liet zich de omhelzingen welgevallen, doch luisterde niet naar de gesproken woorden, die nu geen waarde meer hadden.„Je moest ons eens wijzen waar mama’s[146]kast staat,” zeide mevrouw Duna eindelijk. „Dan kunnen wij wat opredderen. Je pa zal er anders zoo bitter verlegen mee zitten,kassian!”Het klonk Anneke als heiligschennis in de ooren. „Wat, vreemde dames zouden snuffelen in mama’s kast? Zij was wel jong, maar dàt gevoelde zij best dat zou mama nooit hebben gewild. De kast waarin zij zelf pas in den laatsten tijd iets had mogen wegbergen, waarvan mama den sleutel steeds bij zich gedragen had … neen, papa moest het weten, maar zonder hem zou zij het niet toestaan.„Ik weet niet of ik dat doen mag,” zeide zij.„Gerust hoor,” verzekerde mevrouw Duna, terwijl de andere dame bemoedigend knikte.„Als u eens wachtte tot Papa kwam.”„Dat is juist wat we vermijden willen. Heeren hebben daar zoo weinig begrip van; als je pa thuiskomt zal hij heel dankbaar zijn dat we hem die moeite bespaard hebben. Kom, heb je den sleutel of is die bij debaboe?”[147]„Ik heb hem,” zeide Anneke.„Geef hem mij.”„Neen mevrouw.”Zij zeide het zacht, doch beslist. Mevrouw Duna besloot nog een laatste poging te doen.„Kind, kind,” zeide zij, „je weet niet wat je doet. Bij al het verdriet dat je pa al heeft, wil jij hem niets sparen!”Anneke begon te schreien.„Zie je,” ging mevrouw Duna voort, „ik wist wel dat je het zoo niet inzag. Wees nu een flinke meid en help ons voort.”Zij sloeg haar arm om Anneke’s hals; doch deze rukte zich los en door haar tranen heen fonkelden haar groote zwarte oogen.„Neen mevrouw,” zeide zij nogmaals; „niet voor papa thuis is.”„Dan moet jij het zelf maar weten,” zeide mevrouw Duna. „Goeden middag.” Zij wendde zich trotsch om en verliet met haar vriendin[148]het sterfhuis. „Wat ’n kat!” was haar eerste woord in het rijtuig.De vriendin glimlachte fijn.„Ze heeft nòg gelijk!” zeide zij.Het waren nare oogenblikken voor Anneke, toen de dames weg waren. Gelukkig kwam Wije spoedig daarop terug en kon zij haar gemoed uitstorten.„Je hebt goed gedaan,” zeide hij, „er mag niets aangeroerd worden voorloopig. Roep nu debaboeen pak voor ons beiden wat goed in; morgenochtend gaan we samen naar boven. Ik heb voor veertien daag verlof gevraagd; straks komt er antwoord.”Het denkbeeld was van den dokter uitgegaan. Hij had het Wije met een paar woorden gezegd; het was vooral noodzakelijk voor Anneke. Daarop had hij den procuratiehouder der firma gewenkt, die op het kerkhof tegenwoordig was, en hem opgedragen voor het verlof te zorgen, wat deze beloofde.[149]Terborg, Wije’s assistent, bracht ’s avonds antwoord. Komende in de achtergaanderij, schrikte hij van Wije’s uiterlijk. Het blonde haar was in die weinige dagen sterk vergrijsd, en de smart had die eens zoo zachte trekken hoekig en scherp gemaakt. Terborg moest zich geweld aandoen, om zijn verrassing niet te laten merken.„Ik kon van middag niet weg,” zeide hij, Wije’s hand vattende; „maar toen uw boodschap kwam, verzocht ik het antwoord te mogen brengen. Meneer heeft, evenals wij allen, erg met u te doen. Hij laat zeggen, dat u een maand boven moogt blijven.”Den volgenden ochtend gingen Wije en Anneke op reis naar Oengaran. ’s Avonds viel de regen in dichte stroomen, de ziekte, die de plaats zoolang geteisterd had, wegspoelende.Dat had detepêkongder Chineezen uitgewerkt![150]

[Inhoud]VI.VI.WAAROM JUIST DEZE?In Java’s beneden-landen is de weersgesteldheid vrij regelmatig. Het is Westmoeson of Oostmoeson, en daartusschen een zeer korte kentering. De elementen voeren er zelden strijd; zij worden er als het ware niet bestuurd, doch geadministreerd in groote eentonigheid; een storing is een fout in de administratie, meestal weinig beteekenend en zonder invloed op den gang der zaken. Een praatje over het weer is daar dan ook niet te houden, wat voor de Hollanders een heel gemis is; men bepaalt zich tot de opmerking: hè, hoe warm, of:[126]hè, wat een bui; meer te zeggen zou àl te banaal zijn.Dat is de regel, maar wee het land als een uitzondering plaats vindt, als in enkele achtereenvolgende jaren de regens verminderen en de droogte langer aanhoudt. Dan daalt na afloop van den Westmoeson het grondwaterpeil, om tegen het midden van den Oostmoeson den bodem geschikt te maken voor de opneming dier vreeselijke kiemen der cholera, die zich weldra in al haar ellende verspreidt, duizenden offers vragend, tot òf fellere droogte het grondwater eindelijk beneden het gevaarlijke punt doet dalen, òf geweldige regens van den volgenden Westmoeson het daar boven doen stijgen, zoodoende een einde makende aan de ramp, die maanden lang de bewoners der beneden-landen in telkens nieuwen rouw dompelde.Zulk een jaar was aangebroken. Langs den Bodjong-weg vermenigvuldigden zich de optochten[127]van inlanders, onder eentonig gezang een der hunnen grafwaarts dragende; maar nog nam men er weinig notitie van onder de Europeanen; de gezondheidstoestand onder hen was voorloopig nog goed, ja beter dan anders, want ook in deze geldt de regel: waar meerderman komt, moet minderman wijken; bij de nadering der cholera schijnen de gewone ziekten te vlieden. Het was de stilte vóór het onweer.Plotseling gaat het gerucht door de plaats van een geval bij een Europeaan, gevolgd door nog een; en dan spreekt men het uit, de couranten bevatten mededeelingen en rapporten, de dokterskoetsen rennen over den weg, heeren rijden met hun zakdoek voor den neus of een sigaar in den mond naar de stad, dames ziet men niet meer, en ’s avonds is de sociëteit drukker bezocht dan anders, door vreesachtigen die gehoord hebben dat de kans op besmettingvermindert wanneer men „het vleesch goed[128]onder den pekel houdt.” Maar overal loopt het discours over dit ééne onderwerp: cholera.„De dokter komt van avond op de sociëteit,” zeide Wije; „ik ga er even heen.”„Blijf je niet lang weg?” vroeg zijn vrouw. „Je weet, ik ben niet bang, maar in dezen tijd …”„Even maar; het is alleen om den dokter uit te hooren.”Zij waren niet bang, de Wije’s, maar de algemeene zenuwachtigheid had hen niet geheel onaangetast gelaten. De voorgeschreven maatregelen, als dubbele reinheid van huis en erf, en een matig glas champagne, namen zij trouw in acht; Anneke bleef schoolgaan, omdat hun alle plotselinge afwijkingen van de normale gewoonten was ontraden; een enkele maal echter ving Wije den dokter op, om zich te laten vertellen dat al wat hij deed goed was en betrouwbare inlichtingen te ontvangen omtrent den stand der epidemie.De dokter had zijn vast partijtje in de[129]sociëteit, doch in dezen tijd, die alles omverwierp, had hij het voorloopig moeten opgeven. Nu zat hij aan de kletstafel met eenige andere oude heeren en verscheiden jongelui, zeker van het feit dat hij binnen het half uur zou worden weggeroepen, meestal om een calmans voor te schrijven tegen uit vermeende symptomen ontstane zenuwachtigheid.„Maar dat kan me niet schelen,” verklaarde hij; „liever tienmaal voor niets rijden, dan dat iemand „het” heeft. Weet jelui wat ik mij echter wel aantrek?”Men schudde ontkennend het hoofd.„Dit,” zeide de dokter, een pand van zijn witte jas met duim en vinger opheffende.Allen lachten; dat zou wel uitkomen, dat men z’n jas aantrok! Maar het was niet zóó bedoeld.„Ziet,” ging de geneesheer voort, „mijn haren zijn grijs, maar nog nooit in mijn leven heb ik iets zoo bespottelijks gezien. Men verlangt dat een dokter in een zwarte jas visites[130]maakt.Soedah!in gewone tijden heb ik er vrede mee; men went aan alles, dus ook dááraan. Ik heb het altijd gedaan; doch nu vind ik het onverantwoordelijk. Zoodra de ziekte begon, heb ik een witte jas aangetrokken;ikwilde haar niet in het zwarte laken overbrengen van ’t eene huis in het andere.”Er waren er die goedkeurend knikten, maar een der jongelui zeide: „Het is toch zóó’n gewoonte, dat een zieke allicht zijn vertrouwen verliest op den geneesheer, die in plaats van deftig in ’t zwart, daar in eens met een wit jasje bij zijn bed komt. Misschien is het heel gek, maar hetiszoo, en vertrouwen doet een heeleboel.Sapada!brandy-soda.”„Je hebt gelijk,” stemde de dokter toe. „Vertrouwen is de halve genezing; de één put het uit een zwarte jas, de ander uitcognac fine champagne.” Hier hield hij even op, terwijl het jonge mensch een kleur kreeg en de anderen glimlachten. „Alleen vind ik het beter[131]in godsnaam de menschen het vertrouwen tijdelijk te doen missen, dan hen direct te infecteeren. Geloof me, als het bacteriologisch laboratorium te Batavia ooit gebrek aan grondstof krijgt, laat ze gerust de oude doktersjassen opvragen, dan hebben zij voor jaren genoeg. Als echter mijn collega’s deden wat ik doe, zou niemand er verder om malen; maar in plaats daarvan, gebruiken zij het als een middel om mij patiënten af te troggelen. Dat is het wat ik mij aantrek! En vooral die één, die smeerlap.….”Een rijtuig reed het erf op en Wije stapte uit. Zijn komst deed den dokter zijn volzin afbreken, zeer tot genoegen der anderen; want als hij over dien collega begon, kwam er geen einde aan; dat wist men bij ervaring.„Toch niets aan de hand?”Het was de gewone vraag in die dagen.„Neen, gelukkig niet,” antwoordde Wije. „Hoe staat het ermee, dokter?”[132]„Het mindert in de laatste dagen, althans in het stadsverband.”„Ik las van avond in de courant, dat men te Batavia een nieuwe geneeswijze toepast; met jodoform.”De dokter haalde de schouders op.„’t Kan zijn,” zeide hij. „We doen allen ons best. Maar voorloopig kan ik niet beter raden dan: neemt voorzorgen. Want wie het krijgt, is in de meeste gevallen veroordeeld.”Enkelen verbleekten, anderen bestelden een nieuwe dosis van hetgeen zij dronken; die dokter was ook zoo ruw!„De lucht is betrokken, naar ik onderweg zag,” deelde Wije mede, en dit deed de gezichten opklaren. Dàt wist men, als het ging regenen was het over! Zij stonden op en keken naar buiten, en werkelijk, het was zoo!„Sapada, kassih pajong!” riep een grappenmaker, moedig voor ’t eerst sinds maanden; doch de aardigheid viel niet in den smaak.[133]„Pas jij maar op!” kreeg hij te hooren.Terwijl zij keken en disputeerden over de kansen op regen, nam Wije den dokter apart, op en neer loopende in de gaanderij en sprekende over de ziekte, tot het den dokter begon te vervelen en deze eindelijk voorstelde weer te gaan zitten. Juist hadden zij plaats genomen, toen een ongewoon geluid op den rijweg vóór de sociëteit aller aandacht trok. Er werd hard gesproken, even maar; daarop zag men de lantaarns van een rijtuig aansteken; een oogenblik later reed het rijtuig naar binnen, terwijl een inlandsch bediende den anderen kant van het hek inholde.De dokter was opgestaan, begrijpende dat het hem gold; als iemand haastig aankwam in dezen tijd was het altijd voor hem. Maar ook de anderen zagen angstig uit, van het licht in het donker, om te weten wiens rijtuig het was en wiens bediende. En toen beiden ongeveer tegelijkertijd voor de trap aankwamen,[134]vloog Wije op met een schreeuw.„Sinjo sakit,” zeide de bediende, nog ademloos van het harde loopen.Geen woord werd meer gewisseld. De dokter, die al gereedstond, drong vooruit het rijtuig in en Wije vlak achter hem aan; de koetsier legde de zweep over de paarden, die deze aansporing niet gewoon, onstuimig in het tuig vielen; en voort ging het in wilde vaart.„Heb je de droppels in huis?” vroeg de dokter, toen zij op de hoogte van de apotheek waren.„Ja,” antwoordde Wije, klappertandend.Met grooter handigheid dan men van een inlander zou verwacht hebben, stuurde de koetsier de nog steeds hollende paarden het erf op, waar het zware grint medehielp om de dieren tot een langzamer gang te dwingen. Zij waren er. Op hun teenen, maar toch snel, liepen de beide mannen door het huis, Wije voorop. Van een der kamers stond de deur open, en daarbinnen zat mevrouw Wije op een[135]stoel, het zieke kind in haar armen. Een scherpe pepermunt-lucht kwam de binnentredenden tegemoet.De dokter nam het kind op en legde het in zijn bedje.„Is het cholera, dokter?”„Ja mevrouw. Heeft u droppels gegeven?”„Ja.”„Ingehouden?”„Neen.”Het jongske lag daar met door de krampen samengetrokken lichaam, zich wentelend in pijnen te hevig om zelfs maar een kreet te ontlokken. De dokter had het fleschje genomen en druppelde er een nieuwe gift uit. Met zorg bracht hij zijn arm onder het hoofdje en diende de medicijn toe. Maar ook ditmaal tevergeefs. Toen zag hij om zich heen in de kamer.„Heeft u een wollen deken, mevrouw?”„Jawel. Zal ik hem halen?” En op een toestemmend[136]hoofdknikje, ijlde zij de kamer uit.„Ziezoo,” zeide de dokter. „Hier Wije, houd eens vast.”Het was een zwart étui, en daaruit nam de geneesheer een spuitje, vulde het voorzichtig en appliceerde het op het kinderlichaampje. Een zwart streepje bleef achter in de blanke huid.„Is er hoop?” vroeg Wije, terwijl de dokter het étui weer opbergde.„Afwachten,” zeide deze.Mevrouw Wije kwam weer binnen, met het verlangde.„Kan de kamferlucht geen kwaad?” vroeg zij.„Integendeel,” zeide de dokter, de deken over den kleinen patiënt uitspreidend. „En nu zoo doenlijk met rust laten. Ik kan voor ’t oogenblik niets meer doen; tegen den morgen kom ik terug.”Wije geleidde hem naar buiten.„Waar is Anneke?” vroeg hij terugkomend.[137]„Ik heb haar naar bed gestuurd, toen het begon. O Willem, zouden we hem moeten verliezen?”„De dokter geeft hoop,” loog hij om bestwil.Zij bleven samen waken, zittend voor het bedje en helpend telkens als het noodig was. Langzaam ging de tijd voorbij in den stillen nacht, en Wije’s denken liep wild dooreen. Tijd, wat was tijd? Ingedeeld in seconden, minuten, uren.… maar dat deugde niet. Hoe kort was soms een uur en hoe lang was het nu! Langer dan een jaar, neen, dan vijf jaren. Doorleefde hij dien tijd niet, vanaf de geboorte van zijn zoon, in minder dan een uur? „’n Jongen hè?” zeide de chef, en wat was hij blij! Dan de eerste tijd, de pogingen om te loopen, om te praten, de humor in zijn kinderlijke opmerkingen … Weer sloeg de klok in de binnengaanderij. Neen, die klok deugde niet; hij zou een betere uitvinden, die den tijd aangaf zooals hij werkelijk doorleefd[138]werd; ja, en haar doen verkoopen door de firma, die dan niet zou vallen, want allen zouden toestroomen om die klokken, Chineezen, Arabieren, inlanders.… enkel door zijn uitvinding! Wat, hij iets uitvinden? ’t Was belachelijk! Kon hij zelfs maar zijn kind behoorlijk helpen? Hoe onhandig was hij, en hoe dikwijls moest zijn vrouw hem vermanen dien nacht! Zijn vrouw.… maar zij kende het gevaar niet; zij geloofde dat er hoop was;hijhad het haar immers gezegd! Zij dacht niet.…Neen, zij dacht niet, zij handelde. Als het kind eenige oogenblikken rustig lag, ging zij ook zitten, steeds den blik op het gezichtje gericht, waarvan geen beweging haar ontging, en zij las trek voor trek de korte maar aangrijpende geschiedenis van den strijd tusschen jong ontluikend leven en den laffen dood, die nooit zijn meerdere in krachten aanvalt, die altijd grijnzend, wegmaait waar hij niet gezaaid[139]heeft, vernielt wat tot voortbestaan bestemd was, dien tegenhanger van de liefderijke engel der eeuwige rust, die levensmoeden zachtkens doet insluimeren en meevoert naar betere oorden. En zoo geheel ging de moeder op in haar zieke kind, dat zij niet gevoelde hoe dezelfde pijn die het jongske kwelde, ook in haar opkwam.„Willem, hij zweet!”Zij sprak moeilijk, haar tong was droog en kleefde aan het verhemelte, maar toch lag er iets als een juichtoon in die woorden. Met een onwillekeurige beweging legde Wije zijn hand op het voorhoofd van het kind. Het was klam en koud. „Goddank!” mompelde ook hij, meenende dat dit een gunstig teeken was.Opeens had er een verschrikkelijke verandering plaats. Het eenigszins opgezette gezichtje viel plotseling in, de kleur ging over in grauwbleek, een paar stuiptrekkingen en toen een kort snikje. Het was uit. Zij vlogen beiden[140]overeind, het feit voor oogen en het toch niet willende gelooven. De moeder stak haar armen uit naar het kind, maar zij gleden af langs het dek en met een doordringenden kreet zakte zij ineen.Schokkende als in een hevige koorts droeg Wije haar naar hun slaapkamer, en toen eerst zag hij, voor de tweede maal dien nacht, die vreeselijke symptomen. Radeloos ijlde hij terug naar de kinderkamer en greep het fleschje met de medicijn. Zonder te weten wat hij deed, goot hij er een lepel vol van uit en gaf het zijn vrouw in.Voor een der kamers van de bijgebouwen zaten de bedienden in een kringetje, eenoborvan klappervezel in het midden, tegen de muskieten. Zij waren niet gaan slapen. Tegen een geval als dit, was zelfs het inlandsch phlegma niet bestand. Af en en toe was debaboevan het zieke kind weggeroepen; en telkens als zij weer terugkwam, vroeg men[141]haar om bericht, dat zij met kreunende stem gaf.Toen zij Wije luid roepende in de achtergaanderij zagen verschijnen, wisten zij dat het ergste gebeurd was, en een gerekte klaagtoon ging onder hen op. Ze verstonden nog wel niet wat hij zeide, maar dat was niet noodig; de koetsier en de staljongen begrepen wat zij te doen hadden. Immers, zonder dat het hun bevolen was, hadden zij de paarden opgetuigd in den stal laten staan, de dokter moest gehaald worden, wat anders?Gewoon aan verrassingen, die zijn vak stempelden tot het droevigste van alle vakken, trof het nieuwe geval in hetzelfde huis den geneesheer toch diep. Innig bewogen staarde hij nu op het lieve vrouwtje, dan op den ongelukkigen Wije. Toen deze hem onder een vloed van zelfverwijtingen had verteld wat er met de medicijn gebeurd was, schrikte hij; maar na eenige oogenblikken aan het ziekbed vertoefd[142]te hebben, drukten zijn trekken zoowel verwondering als vreugde uit.„Stel je gerust,” zeide hij; „het heeft eer goed dan kwaad gedaan.”„Meent u het, dokter?”„Ja, zie maar, de huid blijft lenig. Hier durf ik hoop geven.”Helaas, die hoop werd niet vervuld. Wel doorstond mevrouw Wije de cholera, doch een week later bezweek zij, zonder bij kennis te zijn geweest aan de typhus, die in de meeste gevallen onmiddellijk op de eerstgenoemde ziekte volgt.Anneke was dien eersten dag door den dokter meegenomen naar zijn huis, doch den volgenden morgen vroeg ontsnapte zij. Ze wilde haar moesje oppassen en Wije miste de kracht het haar te weigeren. Met de Indische meisjes aangeboren handigheid vervulde de nu dertienjarige Anneke haar moeielijken plicht, waarin niemand haar hielp. Aan deelneming ontbrak het niet; de Wije’s waren bemind, en[143]iedereen was met hun ongeluk begaan; maar persoonlijk betrad niemand het besmette huis.Op één uitzondering na. ’s Middags na vieren stapte geregeld een breedgeschouderde jongen het erf op, met een pakje boeken onder den arm. Hij ging dan direct naar achter, en op de trede der gaanderij staande, wachtte hij geduldig tot er iemand kwam. Dan luidde het: „Papa en mama laten vragen hoe het met mevrouw gaat.”Meestal was het Wije zelf die antwoordde: „Dankje, Duna; maar het blijft hopen en vreezen.”Een enkele keer had Anneke hem te woord gestaan, en zij had misschien begrepen dat Kees niet namens zijn ouders, maar uit zichzelf kwam. Den middag van de begrafenis zat zij alleen, snikkende, te wachten op de terugkomst van haar vader. Dus was al haar zorg vergeefsch geweest, moeder was weg en een leegte heerschte reeds nu in huis.[144]Zacht werd een hand op haar schouder gelegd.„O Anneke, ik heb zoo’n medelijden met je,” sprak Kees. Zij had hem niet hooren binnenkomen, en de golving van het neergelaten zeil, toen hij het oplichtte, had haar aandacht niet getrokken; nu keek zij op, zonder schrik echter.„Wat ben je goed, Kees.”„Is er niemand gekomen om je te troosten?” vroeg hij verontwaardigd, de ledige binnengaanderij ziende. „Dat is toch te erg.”„Ze zijn bang,” zeide het meisje. „Allemaal behalve jij.”„En jij,” viel hij in met geestdrift. „Thuis vertelden ze dat je weggeloopen was van den dokter. Dat was flink van je; mama zei dat het onverantwoordelijk was van mevrouw, maar ik vond het flink, en daarom ben ik.…”Het knarsen van rijtuigwielen op het voorerf deed hem ophouden. Voor Anneke’s papa was het nog te vroeg om terug te zijn; vreemden dus. Een onwil om door andere[145]menschen hier te worden aangetroffen overviel hem; „men” had altijd wat te zeggen!„Daar komt iemand,” zeide hij; „ik zal maar heengaan. Tot weerziens, Anneke.” En hij verliet de achtergaanderij, op hetzelfde oogenblik dat de voordeur openging, om aan twee dames toegang te verschaffen. Langs het huis heenloopende, zag Kees het rijtuig staan; hij herkende het dadelijk.„Papa datang?” vroeg hij in ’t voorbijgaan den koetsier.„Njonja,” was het antwoord. Het deed Kees goed; de eenige die dan nog kwam was dus zijn moeder.Anneke was naar voren gegaan, de dames te gemoet, maar zonder hartelijkheid. Wat wilde men nu nog, daar moesje toch dood was! Zij liet zich de omhelzingen welgevallen, doch luisterde niet naar de gesproken woorden, die nu geen waarde meer hadden.„Je moest ons eens wijzen waar mama’s[146]kast staat,” zeide mevrouw Duna eindelijk. „Dan kunnen wij wat opredderen. Je pa zal er anders zoo bitter verlegen mee zitten,kassian!”Het klonk Anneke als heiligschennis in de ooren. „Wat, vreemde dames zouden snuffelen in mama’s kast? Zij was wel jong, maar dàt gevoelde zij best dat zou mama nooit hebben gewild. De kast waarin zij zelf pas in den laatsten tijd iets had mogen wegbergen, waarvan mama den sleutel steeds bij zich gedragen had … neen, papa moest het weten, maar zonder hem zou zij het niet toestaan.„Ik weet niet of ik dat doen mag,” zeide zij.„Gerust hoor,” verzekerde mevrouw Duna, terwijl de andere dame bemoedigend knikte.„Als u eens wachtte tot Papa kwam.”„Dat is juist wat we vermijden willen. Heeren hebben daar zoo weinig begrip van; als je pa thuiskomt zal hij heel dankbaar zijn dat we hem die moeite bespaard hebben. Kom, heb je den sleutel of is die bij debaboe?”[147]„Ik heb hem,” zeide Anneke.„Geef hem mij.”„Neen mevrouw.”Zij zeide het zacht, doch beslist. Mevrouw Duna besloot nog een laatste poging te doen.„Kind, kind,” zeide zij, „je weet niet wat je doet. Bij al het verdriet dat je pa al heeft, wil jij hem niets sparen!”Anneke begon te schreien.„Zie je,” ging mevrouw Duna voort, „ik wist wel dat je het zoo niet inzag. Wees nu een flinke meid en help ons voort.”Zij sloeg haar arm om Anneke’s hals; doch deze rukte zich los en door haar tranen heen fonkelden haar groote zwarte oogen.„Neen mevrouw,” zeide zij nogmaals; „niet voor papa thuis is.”„Dan moet jij het zelf maar weten,” zeide mevrouw Duna. „Goeden middag.” Zij wendde zich trotsch om en verliet met haar vriendin[148]het sterfhuis. „Wat ’n kat!” was haar eerste woord in het rijtuig.De vriendin glimlachte fijn.„Ze heeft nòg gelijk!” zeide zij.Het waren nare oogenblikken voor Anneke, toen de dames weg waren. Gelukkig kwam Wije spoedig daarop terug en kon zij haar gemoed uitstorten.„Je hebt goed gedaan,” zeide hij, „er mag niets aangeroerd worden voorloopig. Roep nu debaboeen pak voor ons beiden wat goed in; morgenochtend gaan we samen naar boven. Ik heb voor veertien daag verlof gevraagd; straks komt er antwoord.”Het denkbeeld was van den dokter uitgegaan. Hij had het Wije met een paar woorden gezegd; het was vooral noodzakelijk voor Anneke. Daarop had hij den procuratiehouder der firma gewenkt, die op het kerkhof tegenwoordig was, en hem opgedragen voor het verlof te zorgen, wat deze beloofde.[149]Terborg, Wije’s assistent, bracht ’s avonds antwoord. Komende in de achtergaanderij, schrikte hij van Wije’s uiterlijk. Het blonde haar was in die weinige dagen sterk vergrijsd, en de smart had die eens zoo zachte trekken hoekig en scherp gemaakt. Terborg moest zich geweld aandoen, om zijn verrassing niet te laten merken.„Ik kon van middag niet weg,” zeide hij, Wije’s hand vattende; „maar toen uw boodschap kwam, verzocht ik het antwoord te mogen brengen. Meneer heeft, evenals wij allen, erg met u te doen. Hij laat zeggen, dat u een maand boven moogt blijven.”Den volgenden ochtend gingen Wije en Anneke op reis naar Oengaran. ’s Avonds viel de regen in dichte stroomen, de ziekte, die de plaats zoolang geteisterd had, wegspoelende.Dat had detepêkongder Chineezen uitgewerkt![150]

[Inhoud]VI.VI.WAAROM JUIST DEZE?In Java’s beneden-landen is de weersgesteldheid vrij regelmatig. Het is Westmoeson of Oostmoeson, en daartusschen een zeer korte kentering. De elementen voeren er zelden strijd; zij worden er als het ware niet bestuurd, doch geadministreerd in groote eentonigheid; een storing is een fout in de administratie, meestal weinig beteekenend en zonder invloed op den gang der zaken. Een praatje over het weer is daar dan ook niet te houden, wat voor de Hollanders een heel gemis is; men bepaalt zich tot de opmerking: hè, hoe warm, of:[126]hè, wat een bui; meer te zeggen zou àl te banaal zijn.Dat is de regel, maar wee het land als een uitzondering plaats vindt, als in enkele achtereenvolgende jaren de regens verminderen en de droogte langer aanhoudt. Dan daalt na afloop van den Westmoeson het grondwaterpeil, om tegen het midden van den Oostmoeson den bodem geschikt te maken voor de opneming dier vreeselijke kiemen der cholera, die zich weldra in al haar ellende verspreidt, duizenden offers vragend, tot òf fellere droogte het grondwater eindelijk beneden het gevaarlijke punt doet dalen, òf geweldige regens van den volgenden Westmoeson het daar boven doen stijgen, zoodoende een einde makende aan de ramp, die maanden lang de bewoners der beneden-landen in telkens nieuwen rouw dompelde.Zulk een jaar was aangebroken. Langs den Bodjong-weg vermenigvuldigden zich de optochten[127]van inlanders, onder eentonig gezang een der hunnen grafwaarts dragende; maar nog nam men er weinig notitie van onder de Europeanen; de gezondheidstoestand onder hen was voorloopig nog goed, ja beter dan anders, want ook in deze geldt de regel: waar meerderman komt, moet minderman wijken; bij de nadering der cholera schijnen de gewone ziekten te vlieden. Het was de stilte vóór het onweer.Plotseling gaat het gerucht door de plaats van een geval bij een Europeaan, gevolgd door nog een; en dan spreekt men het uit, de couranten bevatten mededeelingen en rapporten, de dokterskoetsen rennen over den weg, heeren rijden met hun zakdoek voor den neus of een sigaar in den mond naar de stad, dames ziet men niet meer, en ’s avonds is de sociëteit drukker bezocht dan anders, door vreesachtigen die gehoord hebben dat de kans op besmettingvermindert wanneer men „het vleesch goed[128]onder den pekel houdt.” Maar overal loopt het discours over dit ééne onderwerp: cholera.„De dokter komt van avond op de sociëteit,” zeide Wije; „ik ga er even heen.”„Blijf je niet lang weg?” vroeg zijn vrouw. „Je weet, ik ben niet bang, maar in dezen tijd …”„Even maar; het is alleen om den dokter uit te hooren.”Zij waren niet bang, de Wije’s, maar de algemeene zenuwachtigheid had hen niet geheel onaangetast gelaten. De voorgeschreven maatregelen, als dubbele reinheid van huis en erf, en een matig glas champagne, namen zij trouw in acht; Anneke bleef schoolgaan, omdat hun alle plotselinge afwijkingen van de normale gewoonten was ontraden; een enkele maal echter ving Wije den dokter op, om zich te laten vertellen dat al wat hij deed goed was en betrouwbare inlichtingen te ontvangen omtrent den stand der epidemie.De dokter had zijn vast partijtje in de[129]sociëteit, doch in dezen tijd, die alles omverwierp, had hij het voorloopig moeten opgeven. Nu zat hij aan de kletstafel met eenige andere oude heeren en verscheiden jongelui, zeker van het feit dat hij binnen het half uur zou worden weggeroepen, meestal om een calmans voor te schrijven tegen uit vermeende symptomen ontstane zenuwachtigheid.„Maar dat kan me niet schelen,” verklaarde hij; „liever tienmaal voor niets rijden, dan dat iemand „het” heeft. Weet jelui wat ik mij echter wel aantrek?”Men schudde ontkennend het hoofd.„Dit,” zeide de dokter, een pand van zijn witte jas met duim en vinger opheffende.Allen lachten; dat zou wel uitkomen, dat men z’n jas aantrok! Maar het was niet zóó bedoeld.„Ziet,” ging de geneesheer voort, „mijn haren zijn grijs, maar nog nooit in mijn leven heb ik iets zoo bespottelijks gezien. Men verlangt dat een dokter in een zwarte jas visites[130]maakt.Soedah!in gewone tijden heb ik er vrede mee; men went aan alles, dus ook dááraan. Ik heb het altijd gedaan; doch nu vind ik het onverantwoordelijk. Zoodra de ziekte begon, heb ik een witte jas aangetrokken;ikwilde haar niet in het zwarte laken overbrengen van ’t eene huis in het andere.”Er waren er die goedkeurend knikten, maar een der jongelui zeide: „Het is toch zóó’n gewoonte, dat een zieke allicht zijn vertrouwen verliest op den geneesheer, die in plaats van deftig in ’t zwart, daar in eens met een wit jasje bij zijn bed komt. Misschien is het heel gek, maar hetiszoo, en vertrouwen doet een heeleboel.Sapada!brandy-soda.”„Je hebt gelijk,” stemde de dokter toe. „Vertrouwen is de halve genezing; de één put het uit een zwarte jas, de ander uitcognac fine champagne.” Hier hield hij even op, terwijl het jonge mensch een kleur kreeg en de anderen glimlachten. „Alleen vind ik het beter[131]in godsnaam de menschen het vertrouwen tijdelijk te doen missen, dan hen direct te infecteeren. Geloof me, als het bacteriologisch laboratorium te Batavia ooit gebrek aan grondstof krijgt, laat ze gerust de oude doktersjassen opvragen, dan hebben zij voor jaren genoeg. Als echter mijn collega’s deden wat ik doe, zou niemand er verder om malen; maar in plaats daarvan, gebruiken zij het als een middel om mij patiënten af te troggelen. Dat is het wat ik mij aantrek! En vooral die één, die smeerlap.….”Een rijtuig reed het erf op en Wije stapte uit. Zijn komst deed den dokter zijn volzin afbreken, zeer tot genoegen der anderen; want als hij over dien collega begon, kwam er geen einde aan; dat wist men bij ervaring.„Toch niets aan de hand?”Het was de gewone vraag in die dagen.„Neen, gelukkig niet,” antwoordde Wije. „Hoe staat het ermee, dokter?”[132]„Het mindert in de laatste dagen, althans in het stadsverband.”„Ik las van avond in de courant, dat men te Batavia een nieuwe geneeswijze toepast; met jodoform.”De dokter haalde de schouders op.„’t Kan zijn,” zeide hij. „We doen allen ons best. Maar voorloopig kan ik niet beter raden dan: neemt voorzorgen. Want wie het krijgt, is in de meeste gevallen veroordeeld.”Enkelen verbleekten, anderen bestelden een nieuwe dosis van hetgeen zij dronken; die dokter was ook zoo ruw!„De lucht is betrokken, naar ik onderweg zag,” deelde Wije mede, en dit deed de gezichten opklaren. Dàt wist men, als het ging regenen was het over! Zij stonden op en keken naar buiten, en werkelijk, het was zoo!„Sapada, kassih pajong!” riep een grappenmaker, moedig voor ’t eerst sinds maanden; doch de aardigheid viel niet in den smaak.[133]„Pas jij maar op!” kreeg hij te hooren.Terwijl zij keken en disputeerden over de kansen op regen, nam Wije den dokter apart, op en neer loopende in de gaanderij en sprekende over de ziekte, tot het den dokter begon te vervelen en deze eindelijk voorstelde weer te gaan zitten. Juist hadden zij plaats genomen, toen een ongewoon geluid op den rijweg vóór de sociëteit aller aandacht trok. Er werd hard gesproken, even maar; daarop zag men de lantaarns van een rijtuig aansteken; een oogenblik later reed het rijtuig naar binnen, terwijl een inlandsch bediende den anderen kant van het hek inholde.De dokter was opgestaan, begrijpende dat het hem gold; als iemand haastig aankwam in dezen tijd was het altijd voor hem. Maar ook de anderen zagen angstig uit, van het licht in het donker, om te weten wiens rijtuig het was en wiens bediende. En toen beiden ongeveer tegelijkertijd voor de trap aankwamen,[134]vloog Wije op met een schreeuw.„Sinjo sakit,” zeide de bediende, nog ademloos van het harde loopen.Geen woord werd meer gewisseld. De dokter, die al gereedstond, drong vooruit het rijtuig in en Wije vlak achter hem aan; de koetsier legde de zweep over de paarden, die deze aansporing niet gewoon, onstuimig in het tuig vielen; en voort ging het in wilde vaart.„Heb je de droppels in huis?” vroeg de dokter, toen zij op de hoogte van de apotheek waren.„Ja,” antwoordde Wije, klappertandend.Met grooter handigheid dan men van een inlander zou verwacht hebben, stuurde de koetsier de nog steeds hollende paarden het erf op, waar het zware grint medehielp om de dieren tot een langzamer gang te dwingen. Zij waren er. Op hun teenen, maar toch snel, liepen de beide mannen door het huis, Wije voorop. Van een der kamers stond de deur open, en daarbinnen zat mevrouw Wije op een[135]stoel, het zieke kind in haar armen. Een scherpe pepermunt-lucht kwam de binnentredenden tegemoet.De dokter nam het kind op en legde het in zijn bedje.„Is het cholera, dokter?”„Ja mevrouw. Heeft u droppels gegeven?”„Ja.”„Ingehouden?”„Neen.”Het jongske lag daar met door de krampen samengetrokken lichaam, zich wentelend in pijnen te hevig om zelfs maar een kreet te ontlokken. De dokter had het fleschje genomen en druppelde er een nieuwe gift uit. Met zorg bracht hij zijn arm onder het hoofdje en diende de medicijn toe. Maar ook ditmaal tevergeefs. Toen zag hij om zich heen in de kamer.„Heeft u een wollen deken, mevrouw?”„Jawel. Zal ik hem halen?” En op een toestemmend[136]hoofdknikje, ijlde zij de kamer uit.„Ziezoo,” zeide de dokter. „Hier Wije, houd eens vast.”Het was een zwart étui, en daaruit nam de geneesheer een spuitje, vulde het voorzichtig en appliceerde het op het kinderlichaampje. Een zwart streepje bleef achter in de blanke huid.„Is er hoop?” vroeg Wije, terwijl de dokter het étui weer opbergde.„Afwachten,” zeide deze.Mevrouw Wije kwam weer binnen, met het verlangde.„Kan de kamferlucht geen kwaad?” vroeg zij.„Integendeel,” zeide de dokter, de deken over den kleinen patiënt uitspreidend. „En nu zoo doenlijk met rust laten. Ik kan voor ’t oogenblik niets meer doen; tegen den morgen kom ik terug.”Wije geleidde hem naar buiten.„Waar is Anneke?” vroeg hij terugkomend.[137]„Ik heb haar naar bed gestuurd, toen het begon. O Willem, zouden we hem moeten verliezen?”„De dokter geeft hoop,” loog hij om bestwil.Zij bleven samen waken, zittend voor het bedje en helpend telkens als het noodig was. Langzaam ging de tijd voorbij in den stillen nacht, en Wije’s denken liep wild dooreen. Tijd, wat was tijd? Ingedeeld in seconden, minuten, uren.… maar dat deugde niet. Hoe kort was soms een uur en hoe lang was het nu! Langer dan een jaar, neen, dan vijf jaren. Doorleefde hij dien tijd niet, vanaf de geboorte van zijn zoon, in minder dan een uur? „’n Jongen hè?” zeide de chef, en wat was hij blij! Dan de eerste tijd, de pogingen om te loopen, om te praten, de humor in zijn kinderlijke opmerkingen … Weer sloeg de klok in de binnengaanderij. Neen, die klok deugde niet; hij zou een betere uitvinden, die den tijd aangaf zooals hij werkelijk doorleefd[138]werd; ja, en haar doen verkoopen door de firma, die dan niet zou vallen, want allen zouden toestroomen om die klokken, Chineezen, Arabieren, inlanders.… enkel door zijn uitvinding! Wat, hij iets uitvinden? ’t Was belachelijk! Kon hij zelfs maar zijn kind behoorlijk helpen? Hoe onhandig was hij, en hoe dikwijls moest zijn vrouw hem vermanen dien nacht! Zijn vrouw.… maar zij kende het gevaar niet; zij geloofde dat er hoop was;hijhad het haar immers gezegd! Zij dacht niet.…Neen, zij dacht niet, zij handelde. Als het kind eenige oogenblikken rustig lag, ging zij ook zitten, steeds den blik op het gezichtje gericht, waarvan geen beweging haar ontging, en zij las trek voor trek de korte maar aangrijpende geschiedenis van den strijd tusschen jong ontluikend leven en den laffen dood, die nooit zijn meerdere in krachten aanvalt, die altijd grijnzend, wegmaait waar hij niet gezaaid[139]heeft, vernielt wat tot voortbestaan bestemd was, dien tegenhanger van de liefderijke engel der eeuwige rust, die levensmoeden zachtkens doet insluimeren en meevoert naar betere oorden. En zoo geheel ging de moeder op in haar zieke kind, dat zij niet gevoelde hoe dezelfde pijn die het jongske kwelde, ook in haar opkwam.„Willem, hij zweet!”Zij sprak moeilijk, haar tong was droog en kleefde aan het verhemelte, maar toch lag er iets als een juichtoon in die woorden. Met een onwillekeurige beweging legde Wije zijn hand op het voorhoofd van het kind. Het was klam en koud. „Goddank!” mompelde ook hij, meenende dat dit een gunstig teeken was.Opeens had er een verschrikkelijke verandering plaats. Het eenigszins opgezette gezichtje viel plotseling in, de kleur ging over in grauwbleek, een paar stuiptrekkingen en toen een kort snikje. Het was uit. Zij vlogen beiden[140]overeind, het feit voor oogen en het toch niet willende gelooven. De moeder stak haar armen uit naar het kind, maar zij gleden af langs het dek en met een doordringenden kreet zakte zij ineen.Schokkende als in een hevige koorts droeg Wije haar naar hun slaapkamer, en toen eerst zag hij, voor de tweede maal dien nacht, die vreeselijke symptomen. Radeloos ijlde hij terug naar de kinderkamer en greep het fleschje met de medicijn. Zonder te weten wat hij deed, goot hij er een lepel vol van uit en gaf het zijn vrouw in.Voor een der kamers van de bijgebouwen zaten de bedienden in een kringetje, eenoborvan klappervezel in het midden, tegen de muskieten. Zij waren niet gaan slapen. Tegen een geval als dit, was zelfs het inlandsch phlegma niet bestand. Af en en toe was debaboevan het zieke kind weggeroepen; en telkens als zij weer terugkwam, vroeg men[141]haar om bericht, dat zij met kreunende stem gaf.Toen zij Wije luid roepende in de achtergaanderij zagen verschijnen, wisten zij dat het ergste gebeurd was, en een gerekte klaagtoon ging onder hen op. Ze verstonden nog wel niet wat hij zeide, maar dat was niet noodig; de koetsier en de staljongen begrepen wat zij te doen hadden. Immers, zonder dat het hun bevolen was, hadden zij de paarden opgetuigd in den stal laten staan, de dokter moest gehaald worden, wat anders?Gewoon aan verrassingen, die zijn vak stempelden tot het droevigste van alle vakken, trof het nieuwe geval in hetzelfde huis den geneesheer toch diep. Innig bewogen staarde hij nu op het lieve vrouwtje, dan op den ongelukkigen Wije. Toen deze hem onder een vloed van zelfverwijtingen had verteld wat er met de medicijn gebeurd was, schrikte hij; maar na eenige oogenblikken aan het ziekbed vertoefd[142]te hebben, drukten zijn trekken zoowel verwondering als vreugde uit.„Stel je gerust,” zeide hij; „het heeft eer goed dan kwaad gedaan.”„Meent u het, dokter?”„Ja, zie maar, de huid blijft lenig. Hier durf ik hoop geven.”Helaas, die hoop werd niet vervuld. Wel doorstond mevrouw Wije de cholera, doch een week later bezweek zij, zonder bij kennis te zijn geweest aan de typhus, die in de meeste gevallen onmiddellijk op de eerstgenoemde ziekte volgt.Anneke was dien eersten dag door den dokter meegenomen naar zijn huis, doch den volgenden morgen vroeg ontsnapte zij. Ze wilde haar moesje oppassen en Wije miste de kracht het haar te weigeren. Met de Indische meisjes aangeboren handigheid vervulde de nu dertienjarige Anneke haar moeielijken plicht, waarin niemand haar hielp. Aan deelneming ontbrak het niet; de Wije’s waren bemind, en[143]iedereen was met hun ongeluk begaan; maar persoonlijk betrad niemand het besmette huis.Op één uitzondering na. ’s Middags na vieren stapte geregeld een breedgeschouderde jongen het erf op, met een pakje boeken onder den arm. Hij ging dan direct naar achter, en op de trede der gaanderij staande, wachtte hij geduldig tot er iemand kwam. Dan luidde het: „Papa en mama laten vragen hoe het met mevrouw gaat.”Meestal was het Wije zelf die antwoordde: „Dankje, Duna; maar het blijft hopen en vreezen.”Een enkele keer had Anneke hem te woord gestaan, en zij had misschien begrepen dat Kees niet namens zijn ouders, maar uit zichzelf kwam. Den middag van de begrafenis zat zij alleen, snikkende, te wachten op de terugkomst van haar vader. Dus was al haar zorg vergeefsch geweest, moeder was weg en een leegte heerschte reeds nu in huis.[144]Zacht werd een hand op haar schouder gelegd.„O Anneke, ik heb zoo’n medelijden met je,” sprak Kees. Zij had hem niet hooren binnenkomen, en de golving van het neergelaten zeil, toen hij het oplichtte, had haar aandacht niet getrokken; nu keek zij op, zonder schrik echter.„Wat ben je goed, Kees.”„Is er niemand gekomen om je te troosten?” vroeg hij verontwaardigd, de ledige binnengaanderij ziende. „Dat is toch te erg.”„Ze zijn bang,” zeide het meisje. „Allemaal behalve jij.”„En jij,” viel hij in met geestdrift. „Thuis vertelden ze dat je weggeloopen was van den dokter. Dat was flink van je; mama zei dat het onverantwoordelijk was van mevrouw, maar ik vond het flink, en daarom ben ik.…”Het knarsen van rijtuigwielen op het voorerf deed hem ophouden. Voor Anneke’s papa was het nog te vroeg om terug te zijn; vreemden dus. Een onwil om door andere[145]menschen hier te worden aangetroffen overviel hem; „men” had altijd wat te zeggen!„Daar komt iemand,” zeide hij; „ik zal maar heengaan. Tot weerziens, Anneke.” En hij verliet de achtergaanderij, op hetzelfde oogenblik dat de voordeur openging, om aan twee dames toegang te verschaffen. Langs het huis heenloopende, zag Kees het rijtuig staan; hij herkende het dadelijk.„Papa datang?” vroeg hij in ’t voorbijgaan den koetsier.„Njonja,” was het antwoord. Het deed Kees goed; de eenige die dan nog kwam was dus zijn moeder.Anneke was naar voren gegaan, de dames te gemoet, maar zonder hartelijkheid. Wat wilde men nu nog, daar moesje toch dood was! Zij liet zich de omhelzingen welgevallen, doch luisterde niet naar de gesproken woorden, die nu geen waarde meer hadden.„Je moest ons eens wijzen waar mama’s[146]kast staat,” zeide mevrouw Duna eindelijk. „Dan kunnen wij wat opredderen. Je pa zal er anders zoo bitter verlegen mee zitten,kassian!”Het klonk Anneke als heiligschennis in de ooren. „Wat, vreemde dames zouden snuffelen in mama’s kast? Zij was wel jong, maar dàt gevoelde zij best dat zou mama nooit hebben gewild. De kast waarin zij zelf pas in den laatsten tijd iets had mogen wegbergen, waarvan mama den sleutel steeds bij zich gedragen had … neen, papa moest het weten, maar zonder hem zou zij het niet toestaan.„Ik weet niet of ik dat doen mag,” zeide zij.„Gerust hoor,” verzekerde mevrouw Duna, terwijl de andere dame bemoedigend knikte.„Als u eens wachtte tot Papa kwam.”„Dat is juist wat we vermijden willen. Heeren hebben daar zoo weinig begrip van; als je pa thuiskomt zal hij heel dankbaar zijn dat we hem die moeite bespaard hebben. Kom, heb je den sleutel of is die bij debaboe?”[147]„Ik heb hem,” zeide Anneke.„Geef hem mij.”„Neen mevrouw.”Zij zeide het zacht, doch beslist. Mevrouw Duna besloot nog een laatste poging te doen.„Kind, kind,” zeide zij, „je weet niet wat je doet. Bij al het verdriet dat je pa al heeft, wil jij hem niets sparen!”Anneke begon te schreien.„Zie je,” ging mevrouw Duna voort, „ik wist wel dat je het zoo niet inzag. Wees nu een flinke meid en help ons voort.”Zij sloeg haar arm om Anneke’s hals; doch deze rukte zich los en door haar tranen heen fonkelden haar groote zwarte oogen.„Neen mevrouw,” zeide zij nogmaals; „niet voor papa thuis is.”„Dan moet jij het zelf maar weten,” zeide mevrouw Duna. „Goeden middag.” Zij wendde zich trotsch om en verliet met haar vriendin[148]het sterfhuis. „Wat ’n kat!” was haar eerste woord in het rijtuig.De vriendin glimlachte fijn.„Ze heeft nòg gelijk!” zeide zij.Het waren nare oogenblikken voor Anneke, toen de dames weg waren. Gelukkig kwam Wije spoedig daarop terug en kon zij haar gemoed uitstorten.„Je hebt goed gedaan,” zeide hij, „er mag niets aangeroerd worden voorloopig. Roep nu debaboeen pak voor ons beiden wat goed in; morgenochtend gaan we samen naar boven. Ik heb voor veertien daag verlof gevraagd; straks komt er antwoord.”Het denkbeeld was van den dokter uitgegaan. Hij had het Wije met een paar woorden gezegd; het was vooral noodzakelijk voor Anneke. Daarop had hij den procuratiehouder der firma gewenkt, die op het kerkhof tegenwoordig was, en hem opgedragen voor het verlof te zorgen, wat deze beloofde.[149]Terborg, Wije’s assistent, bracht ’s avonds antwoord. Komende in de achtergaanderij, schrikte hij van Wije’s uiterlijk. Het blonde haar was in die weinige dagen sterk vergrijsd, en de smart had die eens zoo zachte trekken hoekig en scherp gemaakt. Terborg moest zich geweld aandoen, om zijn verrassing niet te laten merken.„Ik kon van middag niet weg,” zeide hij, Wije’s hand vattende; „maar toen uw boodschap kwam, verzocht ik het antwoord te mogen brengen. Meneer heeft, evenals wij allen, erg met u te doen. Hij laat zeggen, dat u een maand boven moogt blijven.”Den volgenden ochtend gingen Wije en Anneke op reis naar Oengaran. ’s Avonds viel de regen in dichte stroomen, de ziekte, die de plaats zoolang geteisterd had, wegspoelende.Dat had detepêkongder Chineezen uitgewerkt![150]

VI.VI.WAAROM JUIST DEZE?

VI.

In Java’s beneden-landen is de weersgesteldheid vrij regelmatig. Het is Westmoeson of Oostmoeson, en daartusschen een zeer korte kentering. De elementen voeren er zelden strijd; zij worden er als het ware niet bestuurd, doch geadministreerd in groote eentonigheid; een storing is een fout in de administratie, meestal weinig beteekenend en zonder invloed op den gang der zaken. Een praatje over het weer is daar dan ook niet te houden, wat voor de Hollanders een heel gemis is; men bepaalt zich tot de opmerking: hè, hoe warm, of:[126]hè, wat een bui; meer te zeggen zou àl te banaal zijn.Dat is de regel, maar wee het land als een uitzondering plaats vindt, als in enkele achtereenvolgende jaren de regens verminderen en de droogte langer aanhoudt. Dan daalt na afloop van den Westmoeson het grondwaterpeil, om tegen het midden van den Oostmoeson den bodem geschikt te maken voor de opneming dier vreeselijke kiemen der cholera, die zich weldra in al haar ellende verspreidt, duizenden offers vragend, tot òf fellere droogte het grondwater eindelijk beneden het gevaarlijke punt doet dalen, òf geweldige regens van den volgenden Westmoeson het daar boven doen stijgen, zoodoende een einde makende aan de ramp, die maanden lang de bewoners der beneden-landen in telkens nieuwen rouw dompelde.Zulk een jaar was aangebroken. Langs den Bodjong-weg vermenigvuldigden zich de optochten[127]van inlanders, onder eentonig gezang een der hunnen grafwaarts dragende; maar nog nam men er weinig notitie van onder de Europeanen; de gezondheidstoestand onder hen was voorloopig nog goed, ja beter dan anders, want ook in deze geldt de regel: waar meerderman komt, moet minderman wijken; bij de nadering der cholera schijnen de gewone ziekten te vlieden. Het was de stilte vóór het onweer.Plotseling gaat het gerucht door de plaats van een geval bij een Europeaan, gevolgd door nog een; en dan spreekt men het uit, de couranten bevatten mededeelingen en rapporten, de dokterskoetsen rennen over den weg, heeren rijden met hun zakdoek voor den neus of een sigaar in den mond naar de stad, dames ziet men niet meer, en ’s avonds is de sociëteit drukker bezocht dan anders, door vreesachtigen die gehoord hebben dat de kans op besmettingvermindert wanneer men „het vleesch goed[128]onder den pekel houdt.” Maar overal loopt het discours over dit ééne onderwerp: cholera.„De dokter komt van avond op de sociëteit,” zeide Wije; „ik ga er even heen.”„Blijf je niet lang weg?” vroeg zijn vrouw. „Je weet, ik ben niet bang, maar in dezen tijd …”„Even maar; het is alleen om den dokter uit te hooren.”Zij waren niet bang, de Wije’s, maar de algemeene zenuwachtigheid had hen niet geheel onaangetast gelaten. De voorgeschreven maatregelen, als dubbele reinheid van huis en erf, en een matig glas champagne, namen zij trouw in acht; Anneke bleef schoolgaan, omdat hun alle plotselinge afwijkingen van de normale gewoonten was ontraden; een enkele maal echter ving Wije den dokter op, om zich te laten vertellen dat al wat hij deed goed was en betrouwbare inlichtingen te ontvangen omtrent den stand der epidemie.De dokter had zijn vast partijtje in de[129]sociëteit, doch in dezen tijd, die alles omverwierp, had hij het voorloopig moeten opgeven. Nu zat hij aan de kletstafel met eenige andere oude heeren en verscheiden jongelui, zeker van het feit dat hij binnen het half uur zou worden weggeroepen, meestal om een calmans voor te schrijven tegen uit vermeende symptomen ontstane zenuwachtigheid.„Maar dat kan me niet schelen,” verklaarde hij; „liever tienmaal voor niets rijden, dan dat iemand „het” heeft. Weet jelui wat ik mij echter wel aantrek?”Men schudde ontkennend het hoofd.„Dit,” zeide de dokter, een pand van zijn witte jas met duim en vinger opheffende.Allen lachten; dat zou wel uitkomen, dat men z’n jas aantrok! Maar het was niet zóó bedoeld.„Ziet,” ging de geneesheer voort, „mijn haren zijn grijs, maar nog nooit in mijn leven heb ik iets zoo bespottelijks gezien. Men verlangt dat een dokter in een zwarte jas visites[130]maakt.Soedah!in gewone tijden heb ik er vrede mee; men went aan alles, dus ook dááraan. Ik heb het altijd gedaan; doch nu vind ik het onverantwoordelijk. Zoodra de ziekte begon, heb ik een witte jas aangetrokken;ikwilde haar niet in het zwarte laken overbrengen van ’t eene huis in het andere.”Er waren er die goedkeurend knikten, maar een der jongelui zeide: „Het is toch zóó’n gewoonte, dat een zieke allicht zijn vertrouwen verliest op den geneesheer, die in plaats van deftig in ’t zwart, daar in eens met een wit jasje bij zijn bed komt. Misschien is het heel gek, maar hetiszoo, en vertrouwen doet een heeleboel.Sapada!brandy-soda.”„Je hebt gelijk,” stemde de dokter toe. „Vertrouwen is de halve genezing; de één put het uit een zwarte jas, de ander uitcognac fine champagne.” Hier hield hij even op, terwijl het jonge mensch een kleur kreeg en de anderen glimlachten. „Alleen vind ik het beter[131]in godsnaam de menschen het vertrouwen tijdelijk te doen missen, dan hen direct te infecteeren. Geloof me, als het bacteriologisch laboratorium te Batavia ooit gebrek aan grondstof krijgt, laat ze gerust de oude doktersjassen opvragen, dan hebben zij voor jaren genoeg. Als echter mijn collega’s deden wat ik doe, zou niemand er verder om malen; maar in plaats daarvan, gebruiken zij het als een middel om mij patiënten af te troggelen. Dat is het wat ik mij aantrek! En vooral die één, die smeerlap.….”Een rijtuig reed het erf op en Wije stapte uit. Zijn komst deed den dokter zijn volzin afbreken, zeer tot genoegen der anderen; want als hij over dien collega begon, kwam er geen einde aan; dat wist men bij ervaring.„Toch niets aan de hand?”Het was de gewone vraag in die dagen.„Neen, gelukkig niet,” antwoordde Wije. „Hoe staat het ermee, dokter?”[132]„Het mindert in de laatste dagen, althans in het stadsverband.”„Ik las van avond in de courant, dat men te Batavia een nieuwe geneeswijze toepast; met jodoform.”De dokter haalde de schouders op.„’t Kan zijn,” zeide hij. „We doen allen ons best. Maar voorloopig kan ik niet beter raden dan: neemt voorzorgen. Want wie het krijgt, is in de meeste gevallen veroordeeld.”Enkelen verbleekten, anderen bestelden een nieuwe dosis van hetgeen zij dronken; die dokter was ook zoo ruw!„De lucht is betrokken, naar ik onderweg zag,” deelde Wije mede, en dit deed de gezichten opklaren. Dàt wist men, als het ging regenen was het over! Zij stonden op en keken naar buiten, en werkelijk, het was zoo!„Sapada, kassih pajong!” riep een grappenmaker, moedig voor ’t eerst sinds maanden; doch de aardigheid viel niet in den smaak.[133]„Pas jij maar op!” kreeg hij te hooren.Terwijl zij keken en disputeerden over de kansen op regen, nam Wije den dokter apart, op en neer loopende in de gaanderij en sprekende over de ziekte, tot het den dokter begon te vervelen en deze eindelijk voorstelde weer te gaan zitten. Juist hadden zij plaats genomen, toen een ongewoon geluid op den rijweg vóór de sociëteit aller aandacht trok. Er werd hard gesproken, even maar; daarop zag men de lantaarns van een rijtuig aansteken; een oogenblik later reed het rijtuig naar binnen, terwijl een inlandsch bediende den anderen kant van het hek inholde.De dokter was opgestaan, begrijpende dat het hem gold; als iemand haastig aankwam in dezen tijd was het altijd voor hem. Maar ook de anderen zagen angstig uit, van het licht in het donker, om te weten wiens rijtuig het was en wiens bediende. En toen beiden ongeveer tegelijkertijd voor de trap aankwamen,[134]vloog Wije op met een schreeuw.„Sinjo sakit,” zeide de bediende, nog ademloos van het harde loopen.Geen woord werd meer gewisseld. De dokter, die al gereedstond, drong vooruit het rijtuig in en Wije vlak achter hem aan; de koetsier legde de zweep over de paarden, die deze aansporing niet gewoon, onstuimig in het tuig vielen; en voort ging het in wilde vaart.„Heb je de droppels in huis?” vroeg de dokter, toen zij op de hoogte van de apotheek waren.„Ja,” antwoordde Wije, klappertandend.Met grooter handigheid dan men van een inlander zou verwacht hebben, stuurde de koetsier de nog steeds hollende paarden het erf op, waar het zware grint medehielp om de dieren tot een langzamer gang te dwingen. Zij waren er. Op hun teenen, maar toch snel, liepen de beide mannen door het huis, Wije voorop. Van een der kamers stond de deur open, en daarbinnen zat mevrouw Wije op een[135]stoel, het zieke kind in haar armen. Een scherpe pepermunt-lucht kwam de binnentredenden tegemoet.De dokter nam het kind op en legde het in zijn bedje.„Is het cholera, dokter?”„Ja mevrouw. Heeft u droppels gegeven?”„Ja.”„Ingehouden?”„Neen.”Het jongske lag daar met door de krampen samengetrokken lichaam, zich wentelend in pijnen te hevig om zelfs maar een kreet te ontlokken. De dokter had het fleschje genomen en druppelde er een nieuwe gift uit. Met zorg bracht hij zijn arm onder het hoofdje en diende de medicijn toe. Maar ook ditmaal tevergeefs. Toen zag hij om zich heen in de kamer.„Heeft u een wollen deken, mevrouw?”„Jawel. Zal ik hem halen?” En op een toestemmend[136]hoofdknikje, ijlde zij de kamer uit.„Ziezoo,” zeide de dokter. „Hier Wije, houd eens vast.”Het was een zwart étui, en daaruit nam de geneesheer een spuitje, vulde het voorzichtig en appliceerde het op het kinderlichaampje. Een zwart streepje bleef achter in de blanke huid.„Is er hoop?” vroeg Wije, terwijl de dokter het étui weer opbergde.„Afwachten,” zeide deze.Mevrouw Wije kwam weer binnen, met het verlangde.„Kan de kamferlucht geen kwaad?” vroeg zij.„Integendeel,” zeide de dokter, de deken over den kleinen patiënt uitspreidend. „En nu zoo doenlijk met rust laten. Ik kan voor ’t oogenblik niets meer doen; tegen den morgen kom ik terug.”Wije geleidde hem naar buiten.„Waar is Anneke?” vroeg hij terugkomend.[137]„Ik heb haar naar bed gestuurd, toen het begon. O Willem, zouden we hem moeten verliezen?”„De dokter geeft hoop,” loog hij om bestwil.Zij bleven samen waken, zittend voor het bedje en helpend telkens als het noodig was. Langzaam ging de tijd voorbij in den stillen nacht, en Wije’s denken liep wild dooreen. Tijd, wat was tijd? Ingedeeld in seconden, minuten, uren.… maar dat deugde niet. Hoe kort was soms een uur en hoe lang was het nu! Langer dan een jaar, neen, dan vijf jaren. Doorleefde hij dien tijd niet, vanaf de geboorte van zijn zoon, in minder dan een uur? „’n Jongen hè?” zeide de chef, en wat was hij blij! Dan de eerste tijd, de pogingen om te loopen, om te praten, de humor in zijn kinderlijke opmerkingen … Weer sloeg de klok in de binnengaanderij. Neen, die klok deugde niet; hij zou een betere uitvinden, die den tijd aangaf zooals hij werkelijk doorleefd[138]werd; ja, en haar doen verkoopen door de firma, die dan niet zou vallen, want allen zouden toestroomen om die klokken, Chineezen, Arabieren, inlanders.… enkel door zijn uitvinding! Wat, hij iets uitvinden? ’t Was belachelijk! Kon hij zelfs maar zijn kind behoorlijk helpen? Hoe onhandig was hij, en hoe dikwijls moest zijn vrouw hem vermanen dien nacht! Zijn vrouw.… maar zij kende het gevaar niet; zij geloofde dat er hoop was;hijhad het haar immers gezegd! Zij dacht niet.…Neen, zij dacht niet, zij handelde. Als het kind eenige oogenblikken rustig lag, ging zij ook zitten, steeds den blik op het gezichtje gericht, waarvan geen beweging haar ontging, en zij las trek voor trek de korte maar aangrijpende geschiedenis van den strijd tusschen jong ontluikend leven en den laffen dood, die nooit zijn meerdere in krachten aanvalt, die altijd grijnzend, wegmaait waar hij niet gezaaid[139]heeft, vernielt wat tot voortbestaan bestemd was, dien tegenhanger van de liefderijke engel der eeuwige rust, die levensmoeden zachtkens doet insluimeren en meevoert naar betere oorden. En zoo geheel ging de moeder op in haar zieke kind, dat zij niet gevoelde hoe dezelfde pijn die het jongske kwelde, ook in haar opkwam.„Willem, hij zweet!”Zij sprak moeilijk, haar tong was droog en kleefde aan het verhemelte, maar toch lag er iets als een juichtoon in die woorden. Met een onwillekeurige beweging legde Wije zijn hand op het voorhoofd van het kind. Het was klam en koud. „Goddank!” mompelde ook hij, meenende dat dit een gunstig teeken was.Opeens had er een verschrikkelijke verandering plaats. Het eenigszins opgezette gezichtje viel plotseling in, de kleur ging over in grauwbleek, een paar stuiptrekkingen en toen een kort snikje. Het was uit. Zij vlogen beiden[140]overeind, het feit voor oogen en het toch niet willende gelooven. De moeder stak haar armen uit naar het kind, maar zij gleden af langs het dek en met een doordringenden kreet zakte zij ineen.Schokkende als in een hevige koorts droeg Wije haar naar hun slaapkamer, en toen eerst zag hij, voor de tweede maal dien nacht, die vreeselijke symptomen. Radeloos ijlde hij terug naar de kinderkamer en greep het fleschje met de medicijn. Zonder te weten wat hij deed, goot hij er een lepel vol van uit en gaf het zijn vrouw in.Voor een der kamers van de bijgebouwen zaten de bedienden in een kringetje, eenoborvan klappervezel in het midden, tegen de muskieten. Zij waren niet gaan slapen. Tegen een geval als dit, was zelfs het inlandsch phlegma niet bestand. Af en en toe was debaboevan het zieke kind weggeroepen; en telkens als zij weer terugkwam, vroeg men[141]haar om bericht, dat zij met kreunende stem gaf.Toen zij Wije luid roepende in de achtergaanderij zagen verschijnen, wisten zij dat het ergste gebeurd was, en een gerekte klaagtoon ging onder hen op. Ze verstonden nog wel niet wat hij zeide, maar dat was niet noodig; de koetsier en de staljongen begrepen wat zij te doen hadden. Immers, zonder dat het hun bevolen was, hadden zij de paarden opgetuigd in den stal laten staan, de dokter moest gehaald worden, wat anders?Gewoon aan verrassingen, die zijn vak stempelden tot het droevigste van alle vakken, trof het nieuwe geval in hetzelfde huis den geneesheer toch diep. Innig bewogen staarde hij nu op het lieve vrouwtje, dan op den ongelukkigen Wije. Toen deze hem onder een vloed van zelfverwijtingen had verteld wat er met de medicijn gebeurd was, schrikte hij; maar na eenige oogenblikken aan het ziekbed vertoefd[142]te hebben, drukten zijn trekken zoowel verwondering als vreugde uit.„Stel je gerust,” zeide hij; „het heeft eer goed dan kwaad gedaan.”„Meent u het, dokter?”„Ja, zie maar, de huid blijft lenig. Hier durf ik hoop geven.”Helaas, die hoop werd niet vervuld. Wel doorstond mevrouw Wije de cholera, doch een week later bezweek zij, zonder bij kennis te zijn geweest aan de typhus, die in de meeste gevallen onmiddellijk op de eerstgenoemde ziekte volgt.Anneke was dien eersten dag door den dokter meegenomen naar zijn huis, doch den volgenden morgen vroeg ontsnapte zij. Ze wilde haar moesje oppassen en Wije miste de kracht het haar te weigeren. Met de Indische meisjes aangeboren handigheid vervulde de nu dertienjarige Anneke haar moeielijken plicht, waarin niemand haar hielp. Aan deelneming ontbrak het niet; de Wije’s waren bemind, en[143]iedereen was met hun ongeluk begaan; maar persoonlijk betrad niemand het besmette huis.Op één uitzondering na. ’s Middags na vieren stapte geregeld een breedgeschouderde jongen het erf op, met een pakje boeken onder den arm. Hij ging dan direct naar achter, en op de trede der gaanderij staande, wachtte hij geduldig tot er iemand kwam. Dan luidde het: „Papa en mama laten vragen hoe het met mevrouw gaat.”Meestal was het Wije zelf die antwoordde: „Dankje, Duna; maar het blijft hopen en vreezen.”Een enkele keer had Anneke hem te woord gestaan, en zij had misschien begrepen dat Kees niet namens zijn ouders, maar uit zichzelf kwam. Den middag van de begrafenis zat zij alleen, snikkende, te wachten op de terugkomst van haar vader. Dus was al haar zorg vergeefsch geweest, moeder was weg en een leegte heerschte reeds nu in huis.[144]Zacht werd een hand op haar schouder gelegd.„O Anneke, ik heb zoo’n medelijden met je,” sprak Kees. Zij had hem niet hooren binnenkomen, en de golving van het neergelaten zeil, toen hij het oplichtte, had haar aandacht niet getrokken; nu keek zij op, zonder schrik echter.„Wat ben je goed, Kees.”„Is er niemand gekomen om je te troosten?” vroeg hij verontwaardigd, de ledige binnengaanderij ziende. „Dat is toch te erg.”„Ze zijn bang,” zeide het meisje. „Allemaal behalve jij.”„En jij,” viel hij in met geestdrift. „Thuis vertelden ze dat je weggeloopen was van den dokter. Dat was flink van je; mama zei dat het onverantwoordelijk was van mevrouw, maar ik vond het flink, en daarom ben ik.…”Het knarsen van rijtuigwielen op het voorerf deed hem ophouden. Voor Anneke’s papa was het nog te vroeg om terug te zijn; vreemden dus. Een onwil om door andere[145]menschen hier te worden aangetroffen overviel hem; „men” had altijd wat te zeggen!„Daar komt iemand,” zeide hij; „ik zal maar heengaan. Tot weerziens, Anneke.” En hij verliet de achtergaanderij, op hetzelfde oogenblik dat de voordeur openging, om aan twee dames toegang te verschaffen. Langs het huis heenloopende, zag Kees het rijtuig staan; hij herkende het dadelijk.„Papa datang?” vroeg hij in ’t voorbijgaan den koetsier.„Njonja,” was het antwoord. Het deed Kees goed; de eenige die dan nog kwam was dus zijn moeder.Anneke was naar voren gegaan, de dames te gemoet, maar zonder hartelijkheid. Wat wilde men nu nog, daar moesje toch dood was! Zij liet zich de omhelzingen welgevallen, doch luisterde niet naar de gesproken woorden, die nu geen waarde meer hadden.„Je moest ons eens wijzen waar mama’s[146]kast staat,” zeide mevrouw Duna eindelijk. „Dan kunnen wij wat opredderen. Je pa zal er anders zoo bitter verlegen mee zitten,kassian!”Het klonk Anneke als heiligschennis in de ooren. „Wat, vreemde dames zouden snuffelen in mama’s kast? Zij was wel jong, maar dàt gevoelde zij best dat zou mama nooit hebben gewild. De kast waarin zij zelf pas in den laatsten tijd iets had mogen wegbergen, waarvan mama den sleutel steeds bij zich gedragen had … neen, papa moest het weten, maar zonder hem zou zij het niet toestaan.„Ik weet niet of ik dat doen mag,” zeide zij.„Gerust hoor,” verzekerde mevrouw Duna, terwijl de andere dame bemoedigend knikte.„Als u eens wachtte tot Papa kwam.”„Dat is juist wat we vermijden willen. Heeren hebben daar zoo weinig begrip van; als je pa thuiskomt zal hij heel dankbaar zijn dat we hem die moeite bespaard hebben. Kom, heb je den sleutel of is die bij debaboe?”[147]„Ik heb hem,” zeide Anneke.„Geef hem mij.”„Neen mevrouw.”Zij zeide het zacht, doch beslist. Mevrouw Duna besloot nog een laatste poging te doen.„Kind, kind,” zeide zij, „je weet niet wat je doet. Bij al het verdriet dat je pa al heeft, wil jij hem niets sparen!”Anneke begon te schreien.„Zie je,” ging mevrouw Duna voort, „ik wist wel dat je het zoo niet inzag. Wees nu een flinke meid en help ons voort.”Zij sloeg haar arm om Anneke’s hals; doch deze rukte zich los en door haar tranen heen fonkelden haar groote zwarte oogen.„Neen mevrouw,” zeide zij nogmaals; „niet voor papa thuis is.”„Dan moet jij het zelf maar weten,” zeide mevrouw Duna. „Goeden middag.” Zij wendde zich trotsch om en verliet met haar vriendin[148]het sterfhuis. „Wat ’n kat!” was haar eerste woord in het rijtuig.De vriendin glimlachte fijn.„Ze heeft nòg gelijk!” zeide zij.Het waren nare oogenblikken voor Anneke, toen de dames weg waren. Gelukkig kwam Wije spoedig daarop terug en kon zij haar gemoed uitstorten.„Je hebt goed gedaan,” zeide hij, „er mag niets aangeroerd worden voorloopig. Roep nu debaboeen pak voor ons beiden wat goed in; morgenochtend gaan we samen naar boven. Ik heb voor veertien daag verlof gevraagd; straks komt er antwoord.”Het denkbeeld was van den dokter uitgegaan. Hij had het Wije met een paar woorden gezegd; het was vooral noodzakelijk voor Anneke. Daarop had hij den procuratiehouder der firma gewenkt, die op het kerkhof tegenwoordig was, en hem opgedragen voor het verlof te zorgen, wat deze beloofde.[149]Terborg, Wije’s assistent, bracht ’s avonds antwoord. Komende in de achtergaanderij, schrikte hij van Wije’s uiterlijk. Het blonde haar was in die weinige dagen sterk vergrijsd, en de smart had die eens zoo zachte trekken hoekig en scherp gemaakt. Terborg moest zich geweld aandoen, om zijn verrassing niet te laten merken.„Ik kon van middag niet weg,” zeide hij, Wije’s hand vattende; „maar toen uw boodschap kwam, verzocht ik het antwoord te mogen brengen. Meneer heeft, evenals wij allen, erg met u te doen. Hij laat zeggen, dat u een maand boven moogt blijven.”Den volgenden ochtend gingen Wije en Anneke op reis naar Oengaran. ’s Avonds viel de regen in dichte stroomen, de ziekte, die de plaats zoolang geteisterd had, wegspoelende.Dat had detepêkongder Chineezen uitgewerkt![150]

In Java’s beneden-landen is de weersgesteldheid vrij regelmatig. Het is Westmoeson of Oostmoeson, en daartusschen een zeer korte kentering. De elementen voeren er zelden strijd; zij worden er als het ware niet bestuurd, doch geadministreerd in groote eentonigheid; een storing is een fout in de administratie, meestal weinig beteekenend en zonder invloed op den gang der zaken. Een praatje over het weer is daar dan ook niet te houden, wat voor de Hollanders een heel gemis is; men bepaalt zich tot de opmerking: hè, hoe warm, of:[126]hè, wat een bui; meer te zeggen zou àl te banaal zijn.

Dat is de regel, maar wee het land als een uitzondering plaats vindt, als in enkele achtereenvolgende jaren de regens verminderen en de droogte langer aanhoudt. Dan daalt na afloop van den Westmoeson het grondwaterpeil, om tegen het midden van den Oostmoeson den bodem geschikt te maken voor de opneming dier vreeselijke kiemen der cholera, die zich weldra in al haar ellende verspreidt, duizenden offers vragend, tot òf fellere droogte het grondwater eindelijk beneden het gevaarlijke punt doet dalen, òf geweldige regens van den volgenden Westmoeson het daar boven doen stijgen, zoodoende een einde makende aan de ramp, die maanden lang de bewoners der beneden-landen in telkens nieuwen rouw dompelde.

Zulk een jaar was aangebroken. Langs den Bodjong-weg vermenigvuldigden zich de optochten[127]van inlanders, onder eentonig gezang een der hunnen grafwaarts dragende; maar nog nam men er weinig notitie van onder de Europeanen; de gezondheidstoestand onder hen was voorloopig nog goed, ja beter dan anders, want ook in deze geldt de regel: waar meerderman komt, moet minderman wijken; bij de nadering der cholera schijnen de gewone ziekten te vlieden. Het was de stilte vóór het onweer.

Plotseling gaat het gerucht door de plaats van een geval bij een Europeaan, gevolgd door nog een; en dan spreekt men het uit, de couranten bevatten mededeelingen en rapporten, de dokterskoetsen rennen over den weg, heeren rijden met hun zakdoek voor den neus of een sigaar in den mond naar de stad, dames ziet men niet meer, en ’s avonds is de sociëteit drukker bezocht dan anders, door vreesachtigen die gehoord hebben dat de kans op besmettingvermindert wanneer men „het vleesch goed[128]onder den pekel houdt.” Maar overal loopt het discours over dit ééne onderwerp: cholera.

„De dokter komt van avond op de sociëteit,” zeide Wije; „ik ga er even heen.”

„Blijf je niet lang weg?” vroeg zijn vrouw. „Je weet, ik ben niet bang, maar in dezen tijd …”

„Even maar; het is alleen om den dokter uit te hooren.”

Zij waren niet bang, de Wije’s, maar de algemeene zenuwachtigheid had hen niet geheel onaangetast gelaten. De voorgeschreven maatregelen, als dubbele reinheid van huis en erf, en een matig glas champagne, namen zij trouw in acht; Anneke bleef schoolgaan, omdat hun alle plotselinge afwijkingen van de normale gewoonten was ontraden; een enkele maal echter ving Wije den dokter op, om zich te laten vertellen dat al wat hij deed goed was en betrouwbare inlichtingen te ontvangen omtrent den stand der epidemie.

De dokter had zijn vast partijtje in de[129]sociëteit, doch in dezen tijd, die alles omverwierp, had hij het voorloopig moeten opgeven. Nu zat hij aan de kletstafel met eenige andere oude heeren en verscheiden jongelui, zeker van het feit dat hij binnen het half uur zou worden weggeroepen, meestal om een calmans voor te schrijven tegen uit vermeende symptomen ontstane zenuwachtigheid.

„Maar dat kan me niet schelen,” verklaarde hij; „liever tienmaal voor niets rijden, dan dat iemand „het” heeft. Weet jelui wat ik mij echter wel aantrek?”

Men schudde ontkennend het hoofd.

„Dit,” zeide de dokter, een pand van zijn witte jas met duim en vinger opheffende.

Allen lachten; dat zou wel uitkomen, dat men z’n jas aantrok! Maar het was niet zóó bedoeld.

„Ziet,” ging de geneesheer voort, „mijn haren zijn grijs, maar nog nooit in mijn leven heb ik iets zoo bespottelijks gezien. Men verlangt dat een dokter in een zwarte jas visites[130]maakt.Soedah!in gewone tijden heb ik er vrede mee; men went aan alles, dus ook dááraan. Ik heb het altijd gedaan; doch nu vind ik het onverantwoordelijk. Zoodra de ziekte begon, heb ik een witte jas aangetrokken;ikwilde haar niet in het zwarte laken overbrengen van ’t eene huis in het andere.”

Er waren er die goedkeurend knikten, maar een der jongelui zeide: „Het is toch zóó’n gewoonte, dat een zieke allicht zijn vertrouwen verliest op den geneesheer, die in plaats van deftig in ’t zwart, daar in eens met een wit jasje bij zijn bed komt. Misschien is het heel gek, maar hetiszoo, en vertrouwen doet een heeleboel.Sapada!brandy-soda.”

„Je hebt gelijk,” stemde de dokter toe. „Vertrouwen is de halve genezing; de één put het uit een zwarte jas, de ander uitcognac fine champagne.” Hier hield hij even op, terwijl het jonge mensch een kleur kreeg en de anderen glimlachten. „Alleen vind ik het beter[131]in godsnaam de menschen het vertrouwen tijdelijk te doen missen, dan hen direct te infecteeren. Geloof me, als het bacteriologisch laboratorium te Batavia ooit gebrek aan grondstof krijgt, laat ze gerust de oude doktersjassen opvragen, dan hebben zij voor jaren genoeg. Als echter mijn collega’s deden wat ik doe, zou niemand er verder om malen; maar in plaats daarvan, gebruiken zij het als een middel om mij patiënten af te troggelen. Dat is het wat ik mij aantrek! En vooral die één, die smeerlap.….”

Een rijtuig reed het erf op en Wije stapte uit. Zijn komst deed den dokter zijn volzin afbreken, zeer tot genoegen der anderen; want als hij over dien collega begon, kwam er geen einde aan; dat wist men bij ervaring.

„Toch niets aan de hand?”

Het was de gewone vraag in die dagen.

„Neen, gelukkig niet,” antwoordde Wije. „Hoe staat het ermee, dokter?”[132]

„Het mindert in de laatste dagen, althans in het stadsverband.”

„Ik las van avond in de courant, dat men te Batavia een nieuwe geneeswijze toepast; met jodoform.”

De dokter haalde de schouders op.

„’t Kan zijn,” zeide hij. „We doen allen ons best. Maar voorloopig kan ik niet beter raden dan: neemt voorzorgen. Want wie het krijgt, is in de meeste gevallen veroordeeld.”

Enkelen verbleekten, anderen bestelden een nieuwe dosis van hetgeen zij dronken; die dokter was ook zoo ruw!

„De lucht is betrokken, naar ik onderweg zag,” deelde Wije mede, en dit deed de gezichten opklaren. Dàt wist men, als het ging regenen was het over! Zij stonden op en keken naar buiten, en werkelijk, het was zoo!

„Sapada, kassih pajong!” riep een grappenmaker, moedig voor ’t eerst sinds maanden; doch de aardigheid viel niet in den smaak.[133]

„Pas jij maar op!” kreeg hij te hooren.

Terwijl zij keken en disputeerden over de kansen op regen, nam Wije den dokter apart, op en neer loopende in de gaanderij en sprekende over de ziekte, tot het den dokter begon te vervelen en deze eindelijk voorstelde weer te gaan zitten. Juist hadden zij plaats genomen, toen een ongewoon geluid op den rijweg vóór de sociëteit aller aandacht trok. Er werd hard gesproken, even maar; daarop zag men de lantaarns van een rijtuig aansteken; een oogenblik later reed het rijtuig naar binnen, terwijl een inlandsch bediende den anderen kant van het hek inholde.

De dokter was opgestaan, begrijpende dat het hem gold; als iemand haastig aankwam in dezen tijd was het altijd voor hem. Maar ook de anderen zagen angstig uit, van het licht in het donker, om te weten wiens rijtuig het was en wiens bediende. En toen beiden ongeveer tegelijkertijd voor de trap aankwamen,[134]vloog Wije op met een schreeuw.

„Sinjo sakit,” zeide de bediende, nog ademloos van het harde loopen.

Geen woord werd meer gewisseld. De dokter, die al gereedstond, drong vooruit het rijtuig in en Wije vlak achter hem aan; de koetsier legde de zweep over de paarden, die deze aansporing niet gewoon, onstuimig in het tuig vielen; en voort ging het in wilde vaart.

„Heb je de droppels in huis?” vroeg de dokter, toen zij op de hoogte van de apotheek waren.

„Ja,” antwoordde Wije, klappertandend.

Met grooter handigheid dan men van een inlander zou verwacht hebben, stuurde de koetsier de nog steeds hollende paarden het erf op, waar het zware grint medehielp om de dieren tot een langzamer gang te dwingen. Zij waren er. Op hun teenen, maar toch snel, liepen de beide mannen door het huis, Wije voorop. Van een der kamers stond de deur open, en daarbinnen zat mevrouw Wije op een[135]stoel, het zieke kind in haar armen. Een scherpe pepermunt-lucht kwam de binnentredenden tegemoet.

De dokter nam het kind op en legde het in zijn bedje.

„Is het cholera, dokter?”

„Ja mevrouw. Heeft u droppels gegeven?”

„Ja.”

„Ingehouden?”

„Neen.”

Het jongske lag daar met door de krampen samengetrokken lichaam, zich wentelend in pijnen te hevig om zelfs maar een kreet te ontlokken. De dokter had het fleschje genomen en druppelde er een nieuwe gift uit. Met zorg bracht hij zijn arm onder het hoofdje en diende de medicijn toe. Maar ook ditmaal tevergeefs. Toen zag hij om zich heen in de kamer.

„Heeft u een wollen deken, mevrouw?”

„Jawel. Zal ik hem halen?” En op een toestemmend[136]hoofdknikje, ijlde zij de kamer uit.

„Ziezoo,” zeide de dokter. „Hier Wije, houd eens vast.”

Het was een zwart étui, en daaruit nam de geneesheer een spuitje, vulde het voorzichtig en appliceerde het op het kinderlichaampje. Een zwart streepje bleef achter in de blanke huid.

„Is er hoop?” vroeg Wije, terwijl de dokter het étui weer opbergde.

„Afwachten,” zeide deze.

Mevrouw Wije kwam weer binnen, met het verlangde.

„Kan de kamferlucht geen kwaad?” vroeg zij.

„Integendeel,” zeide de dokter, de deken over den kleinen patiënt uitspreidend. „En nu zoo doenlijk met rust laten. Ik kan voor ’t oogenblik niets meer doen; tegen den morgen kom ik terug.”

Wije geleidde hem naar buiten.

„Waar is Anneke?” vroeg hij terugkomend.[137]

„Ik heb haar naar bed gestuurd, toen het begon. O Willem, zouden we hem moeten verliezen?”

„De dokter geeft hoop,” loog hij om bestwil.

Zij bleven samen waken, zittend voor het bedje en helpend telkens als het noodig was. Langzaam ging de tijd voorbij in den stillen nacht, en Wije’s denken liep wild dooreen. Tijd, wat was tijd? Ingedeeld in seconden, minuten, uren.… maar dat deugde niet. Hoe kort was soms een uur en hoe lang was het nu! Langer dan een jaar, neen, dan vijf jaren. Doorleefde hij dien tijd niet, vanaf de geboorte van zijn zoon, in minder dan een uur? „’n Jongen hè?” zeide de chef, en wat was hij blij! Dan de eerste tijd, de pogingen om te loopen, om te praten, de humor in zijn kinderlijke opmerkingen … Weer sloeg de klok in de binnengaanderij. Neen, die klok deugde niet; hij zou een betere uitvinden, die den tijd aangaf zooals hij werkelijk doorleefd[138]werd; ja, en haar doen verkoopen door de firma, die dan niet zou vallen, want allen zouden toestroomen om die klokken, Chineezen, Arabieren, inlanders.… enkel door zijn uitvinding! Wat, hij iets uitvinden? ’t Was belachelijk! Kon hij zelfs maar zijn kind behoorlijk helpen? Hoe onhandig was hij, en hoe dikwijls moest zijn vrouw hem vermanen dien nacht! Zijn vrouw.… maar zij kende het gevaar niet; zij geloofde dat er hoop was;hijhad het haar immers gezegd! Zij dacht niet.…

Neen, zij dacht niet, zij handelde. Als het kind eenige oogenblikken rustig lag, ging zij ook zitten, steeds den blik op het gezichtje gericht, waarvan geen beweging haar ontging, en zij las trek voor trek de korte maar aangrijpende geschiedenis van den strijd tusschen jong ontluikend leven en den laffen dood, die nooit zijn meerdere in krachten aanvalt, die altijd grijnzend, wegmaait waar hij niet gezaaid[139]heeft, vernielt wat tot voortbestaan bestemd was, dien tegenhanger van de liefderijke engel der eeuwige rust, die levensmoeden zachtkens doet insluimeren en meevoert naar betere oorden. En zoo geheel ging de moeder op in haar zieke kind, dat zij niet gevoelde hoe dezelfde pijn die het jongske kwelde, ook in haar opkwam.

„Willem, hij zweet!”

Zij sprak moeilijk, haar tong was droog en kleefde aan het verhemelte, maar toch lag er iets als een juichtoon in die woorden. Met een onwillekeurige beweging legde Wije zijn hand op het voorhoofd van het kind. Het was klam en koud. „Goddank!” mompelde ook hij, meenende dat dit een gunstig teeken was.

Opeens had er een verschrikkelijke verandering plaats. Het eenigszins opgezette gezichtje viel plotseling in, de kleur ging over in grauwbleek, een paar stuiptrekkingen en toen een kort snikje. Het was uit. Zij vlogen beiden[140]overeind, het feit voor oogen en het toch niet willende gelooven. De moeder stak haar armen uit naar het kind, maar zij gleden af langs het dek en met een doordringenden kreet zakte zij ineen.

Schokkende als in een hevige koorts droeg Wije haar naar hun slaapkamer, en toen eerst zag hij, voor de tweede maal dien nacht, die vreeselijke symptomen. Radeloos ijlde hij terug naar de kinderkamer en greep het fleschje met de medicijn. Zonder te weten wat hij deed, goot hij er een lepel vol van uit en gaf het zijn vrouw in.

Voor een der kamers van de bijgebouwen zaten de bedienden in een kringetje, eenoborvan klappervezel in het midden, tegen de muskieten. Zij waren niet gaan slapen. Tegen een geval als dit, was zelfs het inlandsch phlegma niet bestand. Af en en toe was debaboevan het zieke kind weggeroepen; en telkens als zij weer terugkwam, vroeg men[141]haar om bericht, dat zij met kreunende stem gaf.

Toen zij Wije luid roepende in de achtergaanderij zagen verschijnen, wisten zij dat het ergste gebeurd was, en een gerekte klaagtoon ging onder hen op. Ze verstonden nog wel niet wat hij zeide, maar dat was niet noodig; de koetsier en de staljongen begrepen wat zij te doen hadden. Immers, zonder dat het hun bevolen was, hadden zij de paarden opgetuigd in den stal laten staan, de dokter moest gehaald worden, wat anders?

Gewoon aan verrassingen, die zijn vak stempelden tot het droevigste van alle vakken, trof het nieuwe geval in hetzelfde huis den geneesheer toch diep. Innig bewogen staarde hij nu op het lieve vrouwtje, dan op den ongelukkigen Wije. Toen deze hem onder een vloed van zelfverwijtingen had verteld wat er met de medicijn gebeurd was, schrikte hij; maar na eenige oogenblikken aan het ziekbed vertoefd[142]te hebben, drukten zijn trekken zoowel verwondering als vreugde uit.

„Stel je gerust,” zeide hij; „het heeft eer goed dan kwaad gedaan.”

„Meent u het, dokter?”

„Ja, zie maar, de huid blijft lenig. Hier durf ik hoop geven.”

Helaas, die hoop werd niet vervuld. Wel doorstond mevrouw Wije de cholera, doch een week later bezweek zij, zonder bij kennis te zijn geweest aan de typhus, die in de meeste gevallen onmiddellijk op de eerstgenoemde ziekte volgt.

Anneke was dien eersten dag door den dokter meegenomen naar zijn huis, doch den volgenden morgen vroeg ontsnapte zij. Ze wilde haar moesje oppassen en Wije miste de kracht het haar te weigeren. Met de Indische meisjes aangeboren handigheid vervulde de nu dertienjarige Anneke haar moeielijken plicht, waarin niemand haar hielp. Aan deelneming ontbrak het niet; de Wije’s waren bemind, en[143]iedereen was met hun ongeluk begaan; maar persoonlijk betrad niemand het besmette huis.

Op één uitzondering na. ’s Middags na vieren stapte geregeld een breedgeschouderde jongen het erf op, met een pakje boeken onder den arm. Hij ging dan direct naar achter, en op de trede der gaanderij staande, wachtte hij geduldig tot er iemand kwam. Dan luidde het: „Papa en mama laten vragen hoe het met mevrouw gaat.”

Meestal was het Wije zelf die antwoordde: „Dankje, Duna; maar het blijft hopen en vreezen.”

Een enkele keer had Anneke hem te woord gestaan, en zij had misschien begrepen dat Kees niet namens zijn ouders, maar uit zichzelf kwam. Den middag van de begrafenis zat zij alleen, snikkende, te wachten op de terugkomst van haar vader. Dus was al haar zorg vergeefsch geweest, moeder was weg en een leegte heerschte reeds nu in huis.[144]

Zacht werd een hand op haar schouder gelegd.

„O Anneke, ik heb zoo’n medelijden met je,” sprak Kees. Zij had hem niet hooren binnenkomen, en de golving van het neergelaten zeil, toen hij het oplichtte, had haar aandacht niet getrokken; nu keek zij op, zonder schrik echter.

„Wat ben je goed, Kees.”

„Is er niemand gekomen om je te troosten?” vroeg hij verontwaardigd, de ledige binnengaanderij ziende. „Dat is toch te erg.”

„Ze zijn bang,” zeide het meisje. „Allemaal behalve jij.”

„En jij,” viel hij in met geestdrift. „Thuis vertelden ze dat je weggeloopen was van den dokter. Dat was flink van je; mama zei dat het onverantwoordelijk was van mevrouw, maar ik vond het flink, en daarom ben ik.…”

Het knarsen van rijtuigwielen op het voorerf deed hem ophouden. Voor Anneke’s papa was het nog te vroeg om terug te zijn; vreemden dus. Een onwil om door andere[145]menschen hier te worden aangetroffen overviel hem; „men” had altijd wat te zeggen!

„Daar komt iemand,” zeide hij; „ik zal maar heengaan. Tot weerziens, Anneke.” En hij verliet de achtergaanderij, op hetzelfde oogenblik dat de voordeur openging, om aan twee dames toegang te verschaffen. Langs het huis heenloopende, zag Kees het rijtuig staan; hij herkende het dadelijk.

„Papa datang?” vroeg hij in ’t voorbijgaan den koetsier.

„Njonja,” was het antwoord. Het deed Kees goed; de eenige die dan nog kwam was dus zijn moeder.

Anneke was naar voren gegaan, de dames te gemoet, maar zonder hartelijkheid. Wat wilde men nu nog, daar moesje toch dood was! Zij liet zich de omhelzingen welgevallen, doch luisterde niet naar de gesproken woorden, die nu geen waarde meer hadden.

„Je moest ons eens wijzen waar mama’s[146]kast staat,” zeide mevrouw Duna eindelijk. „Dan kunnen wij wat opredderen. Je pa zal er anders zoo bitter verlegen mee zitten,kassian!”

Het klonk Anneke als heiligschennis in de ooren. „Wat, vreemde dames zouden snuffelen in mama’s kast? Zij was wel jong, maar dàt gevoelde zij best dat zou mama nooit hebben gewild. De kast waarin zij zelf pas in den laatsten tijd iets had mogen wegbergen, waarvan mama den sleutel steeds bij zich gedragen had … neen, papa moest het weten, maar zonder hem zou zij het niet toestaan.

„Ik weet niet of ik dat doen mag,” zeide zij.

„Gerust hoor,” verzekerde mevrouw Duna, terwijl de andere dame bemoedigend knikte.

„Als u eens wachtte tot Papa kwam.”

„Dat is juist wat we vermijden willen. Heeren hebben daar zoo weinig begrip van; als je pa thuiskomt zal hij heel dankbaar zijn dat we hem die moeite bespaard hebben. Kom, heb je den sleutel of is die bij debaboe?”[147]

„Ik heb hem,” zeide Anneke.

„Geef hem mij.”

„Neen mevrouw.”

Zij zeide het zacht, doch beslist. Mevrouw Duna besloot nog een laatste poging te doen.

„Kind, kind,” zeide zij, „je weet niet wat je doet. Bij al het verdriet dat je pa al heeft, wil jij hem niets sparen!”

Anneke begon te schreien.

„Zie je,” ging mevrouw Duna voort, „ik wist wel dat je het zoo niet inzag. Wees nu een flinke meid en help ons voort.”

Zij sloeg haar arm om Anneke’s hals; doch deze rukte zich los en door haar tranen heen fonkelden haar groote zwarte oogen.

„Neen mevrouw,” zeide zij nogmaals; „niet voor papa thuis is.”

„Dan moet jij het zelf maar weten,” zeide mevrouw Duna. „Goeden middag.” Zij wendde zich trotsch om en verliet met haar vriendin[148]het sterfhuis. „Wat ’n kat!” was haar eerste woord in het rijtuig.

De vriendin glimlachte fijn.

„Ze heeft nòg gelijk!” zeide zij.

Het waren nare oogenblikken voor Anneke, toen de dames weg waren. Gelukkig kwam Wije spoedig daarop terug en kon zij haar gemoed uitstorten.

„Je hebt goed gedaan,” zeide hij, „er mag niets aangeroerd worden voorloopig. Roep nu debaboeen pak voor ons beiden wat goed in; morgenochtend gaan we samen naar boven. Ik heb voor veertien daag verlof gevraagd; straks komt er antwoord.”

Het denkbeeld was van den dokter uitgegaan. Hij had het Wije met een paar woorden gezegd; het was vooral noodzakelijk voor Anneke. Daarop had hij den procuratiehouder der firma gewenkt, die op het kerkhof tegenwoordig was, en hem opgedragen voor het verlof te zorgen, wat deze beloofde.[149]

Terborg, Wije’s assistent, bracht ’s avonds antwoord. Komende in de achtergaanderij, schrikte hij van Wije’s uiterlijk. Het blonde haar was in die weinige dagen sterk vergrijsd, en de smart had die eens zoo zachte trekken hoekig en scherp gemaakt. Terborg moest zich geweld aandoen, om zijn verrassing niet te laten merken.

„Ik kon van middag niet weg,” zeide hij, Wije’s hand vattende; „maar toen uw boodschap kwam, verzocht ik het antwoord te mogen brengen. Meneer heeft, evenals wij allen, erg met u te doen. Hij laat zeggen, dat u een maand boven moogt blijven.”

Den volgenden ochtend gingen Wije en Anneke op reis naar Oengaran. ’s Avonds viel de regen in dichte stroomen, de ziekte, die de plaats zoolang geteisterd had, wegspoelende.

Dat had detepêkongder Chineezen uitgewerkt!

[150]


Back to IndexNext