[Inhoud]VII.VII.HANDEL EN ROUW.Want ook in het Chineesche kamp waren offers gevallen, en toen het getal daarvan onrustbarend bleef stijgen, werd er een verzoek gericht aan den resident om een grooten optocht te mogen houden met vuurwerk.Hooge stellages, met doek en papier bekleed, versierd met allegorische drakenfiguren en spreuken in gulden letters, en in den top een paar jonge inlandsche kinderen, stevig vastgebonden, voorafgegaan en gevolgd door wonderlijk toegetakelde Chineezen, werden langs de wegen gepikold door Javaanschekoelies.[151]En overal knalde en spatte het vuurwerk, pijlen, donderbussen enmertjons, oorverdoovend en den adem belemmerend. Doch dat was niets, zoo het doel slechts bereikt werd. En zie, het gelukte!In het geheele Chineesche kamp was misschien niemand meer in zijn schik dan Piong Pan Ho. Ook voor zijn deur hadden dedjengeesstilgehouden, om zijn bijdrage te ontvangen; hij behoorde dus onder de bemiddelden. Hij wist het wel, en het feit op zichzelf verschafte hem natuurlijk groot genoegen, maar heden was hij voor de eerste maal in de gelegenheid het te kunnen toonen, en dat was veel meer waard. Zoolang toch een Chinees niet onaantastbaar rijk is, veroorlooft hij zich niets dat naar weelde of vertoon zweemt. En zóóver was Piong Pan Ho nog lang niet.Even na zijn vestiging alstoko-houder was hij gehuwd. Het meisje dat hem in den beginne zoo bekoord had in detokovan Kan Liong[152]Tjoe, had hij van dezen overgenomen op billijke voorwaarden. Zij was een voorbeeldige Chineesche vrouw geworden. Als Piong Pan Ho op reis was, nam zij de zaken waar alsof het zoo behoorde; en het zou de vraag geweest zijn in wien de ondergeschikten een gemakkelijker chef zouden gehad hebben, in haar of in hem, gesteld dat hij zich met detokowas blijven bemoeien. Doch dit deed hij niet. Toen hij zag hoe goed het ging, bepaalde hij zich tot de onderhandelingen betreffende den inkoop, en voorts reisde hij, zaken doende voor Kan Liong Tjoe en zich, maar hoe langer hoe meer voor zich en minder voor den ander.Het veroorzaakte geen breuk tusschen die twee. Kan Liong Tjoe had zooveel mogelijk voordeel getrokken uit zijn voormaligenklontong; daarmee moest hij tevreden zijn. Misschien had hij gehoopt nog meer uit hem te halen en hem daarom de vrije hand gelaten in het aanknoopen van nieuwe relaties, die nu van[153]wege hun eisch om veel contant geld en door de omstandigheid dat Piong Pan Ho het leeuwenaandeel in de voor hem geopende credieten had weten te bemachtigen, zwaar op hem drukten, stipt genomen was dit zijn eigen schuld, een speculatie die tegengeloopen was.Toen het eerste jaar om was, dacht Kan Liong Tjoe dit nadeel te kunnen stuiten door zijn borgstelling bij de verschillende huizen op te zeggen. Hij ging dus rond, naar hij voorgaf om eens te informeeren naar den stand van Piong Pan Ho’s rekening. Doch overal waar hij kwam oogstte hij een onverwachten dank voor zijn recommandatie. Piong Pan Ho betaalde prompt en zelfs liet hij in den laatsten tijd slechts zelden prolongeeren, niettegenstaande zijn inkoopen gaandeweg grooter werden. Om geen mal figuur te slaan sprak Kan Liong Tjoe maar niet van zijn borgstelling, en verliet de eene firma na de ander met een flauw bewustzijn, dat zijn gewezen[154]klontongzoo mogelijk nog solider stond aangeschreven dan hijzelf, zij het voor een kleiner bedrag.Piong Pan Ho moest grooter winsten maken dan hij; dàt stond vast. Maar hoe? Uit de binnenlanden was immers niet meer te plukken dan die zaken voor ieder ander opbrachten; trouwens de eerste maal dat deSingkehvoor hem uit was geweest, had hij één agent op knoeierij betrapt en getrouwelijk aangegeven; als de anderen ook knoeiden zou Piong Pan Ho dit evenzeer bemerkt hebben; voor medeplichtigheid was hij toen nog te groen, dàt bewees het aanbrengen van dien één. In de opiumpacht kon hij niet betrokken zijn, dat wist Kan Liong Tjoe, zelf deelhebber zijnde, te goed … Het intrigeerde hem eindelijk zoo sterk, dat hij besloot te trachten het persoonlijk uit te vinden en daartoe Piong Pan Ho in zijntokoop te zoeken.Dit geschiedde den dag na Wije’s vertrek[155]en den grooten Chineeschen optocht. Hij was er niet geweest sedert het begin van Piong Pan Ho’s vestiging, want de bruiloft waarop hij genoodigd was geworden, mocht niet meerekenen; de geheele feestelijkheid had bestaan in lekker eten en drinken in een aangebouwdebamboe pendoppo, en veel verder waren de gasten ook niet gekomen. Dus zag hij nieuwsgierig rond. De indruk dien detokomaakte was: benauwd maar ordelijk. De legplanken langs de muren, die vroeger tot berging en uitstalling van dranken dienden, waren nu door doozen en pakken ingenomen; de ruimte in het midden werd gevuld door stapels zwaardere goederen en glazen kasten met galanteriewaren, precies als bij Kan Liong Tjoe, alleen de uitgespaarde gangetjes waren veel nauwer; men kon er maar even tusschen door en dan nog bukkende, want juist daar hingen de verschillende soorten van lampen aan de lage zoldering, die verder geheel bekleed was met in strikken[156]hangende spiegels, een uitstalling die tevens als reflector dienst deed en in alle hoeken voldoende licht wierp.Voor het raam stond een tafeltje met Chineesche boeken, een bakje oost-indische inkt en een telbord; daarachter zat Piong Pan Ho’s echtgenoote. Zij riep met dat eigenaardig stemgeluid, het midden houdende tusschen het harde scherpe Chineesche en het zangerige Javaansche, en van uit een der gangetjes trad de huisheer zijn bezoeker te gemoet.„Kan Liong Tjoe!” verwelkomde hij, aangenaam verrast. „Goed nieuws?”„Goed nieuws,” zeide de ander. „Ik kom je eens opzoeken.”„Ga mee naar achter,” raadde Piong Pan Ho.Hij wees den weg. Het eerste gedeelte, grenzende aan detokoen een magazijntje daarop volgend, kende Kan Liong Tjoe, maar niet weinig was hij verwonderd toen hij in den muur hiervan een nieuwe deur zag. Zij[157]gingen er door en kwamen in een ander locaal, over een erfje en weer in een bergplaats; en zoo ging het voort door verscheiden gebouwtjes en hokjes. Eindelijk stond Piong Pan Ho stil.„Dit,” zeide hij met de vlakke hand op een muur slaande, „moet ik er nog bij hebben; dan is het genoeg.”„Waarvoor?” vroeg Kan Liong Tjoe. „Wil je detokovergrooten?”Hij zei het maar om een vraag te doen, want op hun weg had hij opgemerkt dat Piong Pan Ho geen gebrek aan ruimte had; alleen in de voorste localen stonden koopwaren en niet eens dicht op elkaar. Maar waarvoor kocht deSingkehdan al die schuren?„Laat ons teruggaan,” zeide Piong Pan Ho. „De thee staat klaar; binnen zal ik je mijn plan vertellen.”Toen zij zaten ging hij voort:„Dit gedeelte en detokowil ik laten staan.[158]Ook degoedangheel achteraan. Die komt uit op den weg aan den anderen kant, en is van een Arabier die haar wil verkoopen, doch op ’t oogenblik nog te duur; en.… ik moet ook nog wat wachten. Al wat er tusschen staat laat ik afbreken.”Hij hield op en Kan Liong Tjoe zweeg eveneens; het duizelde hem. DieSingkehpraatte over koopen en afbreken alsof hij een goudmijn ontdekt had. „Ik moet nog wat wachten,” had hij zooeven gezegd, alsof de grootste financieele moeielijkheden daarmee vanzelf te overkomen waren.„Dus je wilt,” vroeg hij ten slotte, toen de stilte aanhield, „diegoedangvoor bergplaats gebruiken?”„Ja, voor rijst. We doen verkeerd met in dedessaenkel geld te brengen. Ze moeten daarvoor immers toch ook weer rijst koopen?”Kan Liong Tjoe begreep eindelijk. Piong Pan Ho wilde zijn voorschotten in dedessa[159]in rijst verstrekken, natuurlijk tegen den prijs die in tijden van gebrek te maken was. Daartoe schuurde hij de rijst op, die dedessazelf hem leverde in goedkoope tijden. Eenvoudiger kon het niet; en het resultaat zou zijn dat de Javaan werkte voor den kost, en het surplus in den zak van den Chinees en consorten terechtkwam. Nu ja, dàt was altijd zoo, maar dezeSingkehverstond de kunst om zooveel mogelijk aan zich alleen te trekken.„Waar berg je dan detoko-waren?”„Ik doek detokoop, zoodra ik kan,” zeide Piong Pan Ho.„Toch geen failliet?” vroeg de ander schrikkende. Hij dacht aan het gesprek van ruim twee jaar geleden en tevens aan zijn borgstelling.„Neen.”„Waarom dan?”„Detokois goed om mee te beginnen. Men moet haar echter niet te lang aanhouden;[160]dan wordt het moeielijk en later onmogelijk zich ervan los te maken, en zij bindt mij de handen voor andere zaken.”Een gevoel van kleinheid beving Kan Liong Tjoe. Hij, de grootstetoko-houder in het Chineesche kamp, was op dit oogenblik de mindere van zijn vroegeren leerling, die hem daar opeens een fout aanwees in zijn zaken, die hij vóór dezen nooit zóó had ingezien. Het drukte hem, zoodat hij opstond en afscheid nam, eerst toen hij thuis was tot het besef komend, dat hij het eigenlijke doel van zijn tocht had gemist. Piong Pan Ho had hem zijn toekomstplannen meegedeeld, maar hoe hij zoover gekomen was als hij nu blijkbaar stond, wist Kan Liong Tjoe nog altijd niet.Eén geruststelling nam hij echter mee. Zijn instaan voor denSingkehzou hem geen nadeel berokkenen; dat had hij uit alles opgemerkt, en dat was een heel ding; want toen Piong Pan Ho sprak over het gebonden zijn door[161]detoko, vermoedde hij weinig hoe juist hij den spijker op zijn kop sloeg. Kan Liong Tjoe zat sedert het laatste jaar zoo vast als een muur. De zaken gingen goed genoeg, maar wat uit het eene hoekje los kwam, moest dienen om onmiddellijk het andere te stoppen; hij had over zijn vlottend werkkapitaal te veel beschikt; een toestand die jaren kon duren, doch door een kleinigheid in zijn evenwicht gestoord worden. Dat Piong Pan Ho in zijn te grooten ijver de aanleiding hiertoe geweest was, nam hij dezen alweer niet kwalijk; hij had op zijn voorstellen niet behoeven in te gaan. De zaak was nu vol te houden zoo goed hij kon; viel de slag, dan was het betrekkelijk niet eens zoo erg, en misschien zelfs beter; hij zou dan weliswaar opnieuw moeten beginnen, doch met de relaties buiten detokoom, en het voorbeeld van Piong Pan Ho volgende, was het te doen.In kalme rust hadden Wije en Anneke hun[162]tijd in het gebergte doorgebracht. Rustig en zorgeloos. Met buitengewone kieschheid had iedereen hen in hun droefheid alleen gelaten, zonder hinderlijk betoon van deelneming, en toch hadden zij van af den eersten dag zich omringd gevoeld van vrienden, die zij niet zagen maar in allerlei kleine attenties bemerkten. Wije was nog nooit verder geweest dan Semarang. De wenk van den dokter om wat beddelakens en sloopen mede te nemen, was hem niet bijzonder opgevallen; wie wist hoe zoo’n logement in de bergen ingericht was! Doch te Oengaran wachtte een inlander het rijtuig op, zeide een paar woorden tot den koetsier en sprong op het achterplankje. Toen sloegen zij rechtsaf, achter de sociëteit om, en hielden even daarna stil voor een kleine woning.„Is dit het logement?” vroeg Wije, nadat zij uitgestegen waren.„Neen meneer, een logement is hier niet,”[163]zeide de inlander. „Meneer is toch de vriend van dentoewandokter?”„Ja.…”„Dan moet meneer hier wezen. Ik heb gisteren avond laat bevel gekregen om meneer op te wachten.”Later toen hij weer op Semarang terug was, vernam Wije dat het optrekje aan een administrateur van een onderneming in ’t gebergte toebehoorde, en deze er den dokter de beschikking over liet gedurende de eerste maanden van den Westmoeson.De eerste dagen praatten Wije en Anneke bijna uitsluitend over hun verlies. Maar elk onderwerp raakt uitgeput, zoo ook dit, te meer waar de omgeving niet bijdroeg hen daar telkens en telkens weer aan te herinneren. Thuis, met alles dat sprak van haar die heengegaan was, zouden zij zich niet zoo spoedig over hun geweldige droefheid heengezet hebben, doch hier ondergingen zij weldra den invloed van[164]het nieuwe. En daar beiden voor het eerst van hun leven het majestueuze natuurschoon van de bergen aanschouwden, kon het niet missen of hun aandacht werd daardoor afgeleid.Er was een plekje, ongeveer een half uur van hun huis, waar zij dikwijls heengingen. Daar hadden zij het steeds zoo aantrekkelijke gezicht in de vlakte, thans in donzigen nevel gehuld, vlak en gelijkmatig zwevend waar de zon scheen, maar witbruisend opstijgende op die plaatsen, waar de wolken hun regen in grauwe strepen omlaag zonden. Onder hen de kruinen der boomen in de ravijnen, in hun zwaarmoedig donkergroen, uit de diepte langzaam opkomend, aan weerszijden van de plek waar zij stonden, zich achter hen hoog verheffend.Wije leerde zijn dochter het schoone daarvan te zien, naarmate hij zelf het in zich opnam, telkens wat nieuws. Maar toen zijn eigen gemoedsstemming veranderde, begon hij in het[165]landschap, dat hem de eerste maal overweldigend had aangedaan, iets te missen. Tevergeefs trachtte hij zich echter rekenschap te geven, van wat er dan ontbrak.„Men schijnt het toch niet te dikwijls te moeten zien,” zeide hij eens, nadat zij langen tijd zwijgend hadden staan kijken.„Het is zoo stil,” merkte Anneke op.Wije greep het denkbeeld.„Je hebt gelijk,” zeide hij. „Er ontbreekt leven en bedrijvigheid. Nu voel ik het! Op een plaats als deze moet het geweest zijn dat de Ziener zijn paradijs schiep; onder den indruk dezer natuur bevolkte hij het met levende wezens, veranderde hij de wildernis in een lusthof, geschikt tot opname van den mensch. Maar weldra, zich met dezen vereenzelvigende, gevoelde hij de verveling, die hij eerst zocht te verdrijven met de rangschikking van het bestaande, daarna door zich te wijden aan het onderzoek naar het ontstaan. Hierin niet slagende,[166]zag hij om naar een ander wezen, aan wie hij zijn kennis kon mededeelen en die hem verder helpen zou waar hij stuitte; de vrouw. Doch ook te zamen konden zij niet doordringen in de geheimen van het heelal; en beiden zouden zij bezweken zijn onder hun rusteloos denken, bij de eenvormigheid van den alles voorkomenden overvloed door niets afgeleid, zoo hun de weg niet gewezen ware naar de laaglanden, waar behoefte hen drong tot werken; zij het in het zweet huns aanschijns, maar werken! Daarin alleen ligt genezing voor de kranke ziel.„Ook wij, Anneke, moeten werken. Wij hebben volop genoten van de rust en de natuur; laat ons gaan eer het ons te veel wordt. Je hadt gelijk; het is hier te stil.”Hij wierp nog een laatsten blik over het landschap, en wendde zich om. Anneke volgde hem op het smalle voetpad. De woorden, die hij gesproken had, begreep zij niet geheel;[167]doch naar het voorbeeld van haar overleden moeder, had zij zonder zich te bewegen geluisterd. Alleen het slot meende zij te vatten, en het verheugde haar. Zoodra de weg breeder werd, kwam zij naast hem, haar hand in zijn arm leggende.„Wanneer gaan we, papa?”„Begin je ook te verlangen?” vroeg hij terug. „Nu, dan zullen wij dadelijk zorgen. Overmorgen kan er een rijtuig zijn. Maar eer we heengaan, dienen wij eenige visites te maken bij de menschen die ons vriendelijkheid betoond hebben. Willen we daar van avond maar mee beginnen?”„Goed pa,” zeide Anneke.Toch zag zij er een weinig tegen op om vreemde menschen te ontmoeten. Zij was anders niet teruggetrokken, iets dat trouwens in Indië over het algemeen zeldzaam voorkomt. In Europa zijn de huizen gesloten, dikwerf nog met een stevig hek voorzien, dat den[168]bezoeker als ’t ware toeroept: ge komt er niet gemakkelijk in! Zet hij zich over dien indruk heen en schelt hij aan, dan blikken de vensters op hem neer, voorzien met horretjes of de meer moderne vitrage, waarachter zich de huisgenooten verbergen zonder hun eigen uitzicht te belemmeren, en de onaangename gewaarwording van bespied te worden maakt zich van hem meester. Hij weet dat men door een dier vensters hem bekijkt met de wat-is-dat-voor-’n-vent uitdrukking in de oogen, doch uit welk kan hij zelfs niet gissen; op goed geluk af heeft hij zijn gelaat naar links gewend, geplooid tot een trek die voorname vriendelijkheid moet te kennen geven, maar in werkelijkheid òf knorrig òf schaapachtig uitvalt. Maar … het zou ook kunnen wezen dat „men” achter hem zit. Dus tracht hij met zijn keerzijde denzelfden indruk te maken, wat de verschijnselen van lichten spierkramp in het leven roept, en is de bezoeker, een bezoekster,[169]een nog komischer uitwerking heeft. Eindelijk gaat de deur open en bij al het vorige voegt zich het kritisch onderzoek door de meid of, wat nog hatelijker is, door den knecht. Is dit gunstig uitgevallen, het verlof gegeven om te mogen zeggen wie er is, de bezoeker naar den indruk die zijn naam maakt, in de mooie kamer, of het spreekkamertje gelaten, de drie minuten verloopen waarin hij zich vervelen mag en die in de huiskamer met het uitspreken van woorden als: wie is het, ken jij hem, neen, hm, vervelend, zijn aangevuld, dan treedt ten slotte de heer des huizes bij den patiënt binnen en liegt hem voor dat het een aangename kennismaking is. De bezoeker hoopt in stilte dat zij dit op den duur worden moge; maar tenzij hij in rang ongeveer gelijk staat met den sultan van Turkije of den Shah van Perzië, blijven voorloopig de bewoonsters van wat hij in de bitterheid zijner ziel denharemnoemt, voor hem onzichtbaar.[170]In Indië daarentegen zijn de huizen open, de erven omtuind door een laag muurtje of een ketting in pilaartjes opgehangen, de ingang meest zonder hek. De bezoeker ziet de familie in haar voorgaanderij en treedt onmiddellijk bij zijn komst in den kring; en al was men niet vóór, op het oogenblik van zijn komst, toch duurt het niet lang of allen verschijnen en scharen zich om de groote ronde tafel. Men verzoekt hem allereerst zich op z’n gemak te zetten, presenteert hem iets. Dan wordt weldra het gesprek algemeen en alle gegevens zijn daar om de kennismaking werkelijk aangenaam te doen zijn. Het behoeft geen betoog dat door deze methode de jongeren tot conversabele menschen worden opgevoed; waar dat niet plaats vindt ligt het aan de personen, niet aan de omstandigheden.Zoo was ook Anneke het thuis gewoon, en een vreemd gezicht schrikte haar niet af.Dat was het dus niet, wat haar dien avond[171]met looden schoenen haar vader deed vergezellen. Doch ieder mensch die het slachtoffer werd van een groote ramp, draagt nog lang daarna zijn ziel als gewond met zich om. Elke aanraking, hetzij goed of kwaad bedoeld, smart hem en hij trekt zich schuw terug. Tot langzamerhand de tijd de wonden heelt of ruwheid het leed afstompt.Het werd haar gespaard. Alleen op de laatste visite, den vooravond van hun vertrek, vroeg de gastheer aan Wije of hij dacht te blijven wonen in zijn tegenwoordig huis.„Jawel,” meende deze. „Zoo heel groot is het niet.”„Daarom vroeg ik het niet,” zeide de gastheer. „Maar om de ziekte.”„De ziekte? Die komt en treft wiens tijd het is. Wij hadden alle voorzorgen genomen, en toch …”„In ’t geheel niet. De ziekte zit in het huis.”„De dokter verzekerde mij dat besmetting[172]haar overbrengt. Natuurlijk moet er aanleg zijn bij de persoon, maar voorts is het enkel besmetting.”Doch heftig protest volgde op deze woorden, vooral van de zijde der dames.„Weet niet, die dokter!” riep de vrouw des huizes, een Indische, uit. „Massa, besmetting; is-t-er niet.Tobat… zeg jij maar man.”„Indische lui,” verklaarde deze, „beweren dat de ziekte altijd bepaalde woningen treft. En ik geloof het ook. Veertien jaar geleden woonden wij in de stad; toen de ziekte kwam, zijn wij verhuisd, omdat een oude meid aan mijn vrouw gezegd had, dat in ons huis vroeger een geval was voorgekomen. Na ons trok een onderwijzer er in, en hij en zijn vrouw hebben het beiden gekregen.”„Ik dank u voor de raadgeving,” zeide Wije, en bracht het gesprek op iets anders over.Toen zij huiswaarts reden kwam het hem echter weer in de gedachte, en hij overwoog[173]de vraag, of er verband kon bestaan tusschen de overtuiging dier menschen en het feit, dat Anneke en hij, die het grootste gedeelte van den dag uit huis waren, zij op school, hij op het kantoor, waren gespaard gebleven; en hij nam zich voor tegen den Oostmoeson, onder een of ander voorwendsel, te verhuizen.Nog een paar dagen bleven er over eer zijn verlof om was, die hij doorbracht met in zijn huis alles te ordenen. Hij besloot Anneke niet langer te laten schoolgaan; de avonden kon hij nu geheel aan haar wijden; het was toch altijd een lievelingsdenkbeeld van hem geweest zijn eigen kinderen te onderwijzen; overdag moest zij dan voor het huishouden zorgen. Het meisje was met dit plan zeer ingenomen.[174]
[Inhoud]VII.VII.HANDEL EN ROUW.Want ook in het Chineesche kamp waren offers gevallen, en toen het getal daarvan onrustbarend bleef stijgen, werd er een verzoek gericht aan den resident om een grooten optocht te mogen houden met vuurwerk.Hooge stellages, met doek en papier bekleed, versierd met allegorische drakenfiguren en spreuken in gulden letters, en in den top een paar jonge inlandsche kinderen, stevig vastgebonden, voorafgegaan en gevolgd door wonderlijk toegetakelde Chineezen, werden langs de wegen gepikold door Javaanschekoelies.[151]En overal knalde en spatte het vuurwerk, pijlen, donderbussen enmertjons, oorverdoovend en den adem belemmerend. Doch dat was niets, zoo het doel slechts bereikt werd. En zie, het gelukte!In het geheele Chineesche kamp was misschien niemand meer in zijn schik dan Piong Pan Ho. Ook voor zijn deur hadden dedjengeesstilgehouden, om zijn bijdrage te ontvangen; hij behoorde dus onder de bemiddelden. Hij wist het wel, en het feit op zichzelf verschafte hem natuurlijk groot genoegen, maar heden was hij voor de eerste maal in de gelegenheid het te kunnen toonen, en dat was veel meer waard. Zoolang toch een Chinees niet onaantastbaar rijk is, veroorlooft hij zich niets dat naar weelde of vertoon zweemt. En zóóver was Piong Pan Ho nog lang niet.Even na zijn vestiging alstoko-houder was hij gehuwd. Het meisje dat hem in den beginne zoo bekoord had in detokovan Kan Liong[152]Tjoe, had hij van dezen overgenomen op billijke voorwaarden. Zij was een voorbeeldige Chineesche vrouw geworden. Als Piong Pan Ho op reis was, nam zij de zaken waar alsof het zoo behoorde; en het zou de vraag geweest zijn in wien de ondergeschikten een gemakkelijker chef zouden gehad hebben, in haar of in hem, gesteld dat hij zich met detokowas blijven bemoeien. Doch dit deed hij niet. Toen hij zag hoe goed het ging, bepaalde hij zich tot de onderhandelingen betreffende den inkoop, en voorts reisde hij, zaken doende voor Kan Liong Tjoe en zich, maar hoe langer hoe meer voor zich en minder voor den ander.Het veroorzaakte geen breuk tusschen die twee. Kan Liong Tjoe had zooveel mogelijk voordeel getrokken uit zijn voormaligenklontong; daarmee moest hij tevreden zijn. Misschien had hij gehoopt nog meer uit hem te halen en hem daarom de vrije hand gelaten in het aanknoopen van nieuwe relaties, die nu van[153]wege hun eisch om veel contant geld en door de omstandigheid dat Piong Pan Ho het leeuwenaandeel in de voor hem geopende credieten had weten te bemachtigen, zwaar op hem drukten, stipt genomen was dit zijn eigen schuld, een speculatie die tegengeloopen was.Toen het eerste jaar om was, dacht Kan Liong Tjoe dit nadeel te kunnen stuiten door zijn borgstelling bij de verschillende huizen op te zeggen. Hij ging dus rond, naar hij voorgaf om eens te informeeren naar den stand van Piong Pan Ho’s rekening. Doch overal waar hij kwam oogstte hij een onverwachten dank voor zijn recommandatie. Piong Pan Ho betaalde prompt en zelfs liet hij in den laatsten tijd slechts zelden prolongeeren, niettegenstaande zijn inkoopen gaandeweg grooter werden. Om geen mal figuur te slaan sprak Kan Liong Tjoe maar niet van zijn borgstelling, en verliet de eene firma na de ander met een flauw bewustzijn, dat zijn gewezen[154]klontongzoo mogelijk nog solider stond aangeschreven dan hijzelf, zij het voor een kleiner bedrag.Piong Pan Ho moest grooter winsten maken dan hij; dàt stond vast. Maar hoe? Uit de binnenlanden was immers niet meer te plukken dan die zaken voor ieder ander opbrachten; trouwens de eerste maal dat deSingkehvoor hem uit was geweest, had hij één agent op knoeierij betrapt en getrouwelijk aangegeven; als de anderen ook knoeiden zou Piong Pan Ho dit evenzeer bemerkt hebben; voor medeplichtigheid was hij toen nog te groen, dàt bewees het aanbrengen van dien één. In de opiumpacht kon hij niet betrokken zijn, dat wist Kan Liong Tjoe, zelf deelhebber zijnde, te goed … Het intrigeerde hem eindelijk zoo sterk, dat hij besloot te trachten het persoonlijk uit te vinden en daartoe Piong Pan Ho in zijntokoop te zoeken.Dit geschiedde den dag na Wije’s vertrek[155]en den grooten Chineeschen optocht. Hij was er niet geweest sedert het begin van Piong Pan Ho’s vestiging, want de bruiloft waarop hij genoodigd was geworden, mocht niet meerekenen; de geheele feestelijkheid had bestaan in lekker eten en drinken in een aangebouwdebamboe pendoppo, en veel verder waren de gasten ook niet gekomen. Dus zag hij nieuwsgierig rond. De indruk dien detokomaakte was: benauwd maar ordelijk. De legplanken langs de muren, die vroeger tot berging en uitstalling van dranken dienden, waren nu door doozen en pakken ingenomen; de ruimte in het midden werd gevuld door stapels zwaardere goederen en glazen kasten met galanteriewaren, precies als bij Kan Liong Tjoe, alleen de uitgespaarde gangetjes waren veel nauwer; men kon er maar even tusschen door en dan nog bukkende, want juist daar hingen de verschillende soorten van lampen aan de lage zoldering, die verder geheel bekleed was met in strikken[156]hangende spiegels, een uitstalling die tevens als reflector dienst deed en in alle hoeken voldoende licht wierp.Voor het raam stond een tafeltje met Chineesche boeken, een bakje oost-indische inkt en een telbord; daarachter zat Piong Pan Ho’s echtgenoote. Zij riep met dat eigenaardig stemgeluid, het midden houdende tusschen het harde scherpe Chineesche en het zangerige Javaansche, en van uit een der gangetjes trad de huisheer zijn bezoeker te gemoet.„Kan Liong Tjoe!” verwelkomde hij, aangenaam verrast. „Goed nieuws?”„Goed nieuws,” zeide de ander. „Ik kom je eens opzoeken.”„Ga mee naar achter,” raadde Piong Pan Ho.Hij wees den weg. Het eerste gedeelte, grenzende aan detokoen een magazijntje daarop volgend, kende Kan Liong Tjoe, maar niet weinig was hij verwonderd toen hij in den muur hiervan een nieuwe deur zag. Zij[157]gingen er door en kwamen in een ander locaal, over een erfje en weer in een bergplaats; en zoo ging het voort door verscheiden gebouwtjes en hokjes. Eindelijk stond Piong Pan Ho stil.„Dit,” zeide hij met de vlakke hand op een muur slaande, „moet ik er nog bij hebben; dan is het genoeg.”„Waarvoor?” vroeg Kan Liong Tjoe. „Wil je detokovergrooten?”Hij zei het maar om een vraag te doen, want op hun weg had hij opgemerkt dat Piong Pan Ho geen gebrek aan ruimte had; alleen in de voorste localen stonden koopwaren en niet eens dicht op elkaar. Maar waarvoor kocht deSingkehdan al die schuren?„Laat ons teruggaan,” zeide Piong Pan Ho. „De thee staat klaar; binnen zal ik je mijn plan vertellen.”Toen zij zaten ging hij voort:„Dit gedeelte en detokowil ik laten staan.[158]Ook degoedangheel achteraan. Die komt uit op den weg aan den anderen kant, en is van een Arabier die haar wil verkoopen, doch op ’t oogenblik nog te duur; en.… ik moet ook nog wat wachten. Al wat er tusschen staat laat ik afbreken.”Hij hield op en Kan Liong Tjoe zweeg eveneens; het duizelde hem. DieSingkehpraatte over koopen en afbreken alsof hij een goudmijn ontdekt had. „Ik moet nog wat wachten,” had hij zooeven gezegd, alsof de grootste financieele moeielijkheden daarmee vanzelf te overkomen waren.„Dus je wilt,” vroeg hij ten slotte, toen de stilte aanhield, „diegoedangvoor bergplaats gebruiken?”„Ja, voor rijst. We doen verkeerd met in dedessaenkel geld te brengen. Ze moeten daarvoor immers toch ook weer rijst koopen?”Kan Liong Tjoe begreep eindelijk. Piong Pan Ho wilde zijn voorschotten in dedessa[159]in rijst verstrekken, natuurlijk tegen den prijs die in tijden van gebrek te maken was. Daartoe schuurde hij de rijst op, die dedessazelf hem leverde in goedkoope tijden. Eenvoudiger kon het niet; en het resultaat zou zijn dat de Javaan werkte voor den kost, en het surplus in den zak van den Chinees en consorten terechtkwam. Nu ja, dàt was altijd zoo, maar dezeSingkehverstond de kunst om zooveel mogelijk aan zich alleen te trekken.„Waar berg je dan detoko-waren?”„Ik doek detokoop, zoodra ik kan,” zeide Piong Pan Ho.„Toch geen failliet?” vroeg de ander schrikkende. Hij dacht aan het gesprek van ruim twee jaar geleden en tevens aan zijn borgstelling.„Neen.”„Waarom dan?”„Detokois goed om mee te beginnen. Men moet haar echter niet te lang aanhouden;[160]dan wordt het moeielijk en later onmogelijk zich ervan los te maken, en zij bindt mij de handen voor andere zaken.”Een gevoel van kleinheid beving Kan Liong Tjoe. Hij, de grootstetoko-houder in het Chineesche kamp, was op dit oogenblik de mindere van zijn vroegeren leerling, die hem daar opeens een fout aanwees in zijn zaken, die hij vóór dezen nooit zóó had ingezien. Het drukte hem, zoodat hij opstond en afscheid nam, eerst toen hij thuis was tot het besef komend, dat hij het eigenlijke doel van zijn tocht had gemist. Piong Pan Ho had hem zijn toekomstplannen meegedeeld, maar hoe hij zoover gekomen was als hij nu blijkbaar stond, wist Kan Liong Tjoe nog altijd niet.Eén geruststelling nam hij echter mee. Zijn instaan voor denSingkehzou hem geen nadeel berokkenen; dat had hij uit alles opgemerkt, en dat was een heel ding; want toen Piong Pan Ho sprak over het gebonden zijn door[161]detoko, vermoedde hij weinig hoe juist hij den spijker op zijn kop sloeg. Kan Liong Tjoe zat sedert het laatste jaar zoo vast als een muur. De zaken gingen goed genoeg, maar wat uit het eene hoekje los kwam, moest dienen om onmiddellijk het andere te stoppen; hij had over zijn vlottend werkkapitaal te veel beschikt; een toestand die jaren kon duren, doch door een kleinigheid in zijn evenwicht gestoord worden. Dat Piong Pan Ho in zijn te grooten ijver de aanleiding hiertoe geweest was, nam hij dezen alweer niet kwalijk; hij had op zijn voorstellen niet behoeven in te gaan. De zaak was nu vol te houden zoo goed hij kon; viel de slag, dan was het betrekkelijk niet eens zoo erg, en misschien zelfs beter; hij zou dan weliswaar opnieuw moeten beginnen, doch met de relaties buiten detokoom, en het voorbeeld van Piong Pan Ho volgende, was het te doen.In kalme rust hadden Wije en Anneke hun[162]tijd in het gebergte doorgebracht. Rustig en zorgeloos. Met buitengewone kieschheid had iedereen hen in hun droefheid alleen gelaten, zonder hinderlijk betoon van deelneming, en toch hadden zij van af den eersten dag zich omringd gevoeld van vrienden, die zij niet zagen maar in allerlei kleine attenties bemerkten. Wije was nog nooit verder geweest dan Semarang. De wenk van den dokter om wat beddelakens en sloopen mede te nemen, was hem niet bijzonder opgevallen; wie wist hoe zoo’n logement in de bergen ingericht was! Doch te Oengaran wachtte een inlander het rijtuig op, zeide een paar woorden tot den koetsier en sprong op het achterplankje. Toen sloegen zij rechtsaf, achter de sociëteit om, en hielden even daarna stil voor een kleine woning.„Is dit het logement?” vroeg Wije, nadat zij uitgestegen waren.„Neen meneer, een logement is hier niet,”[163]zeide de inlander. „Meneer is toch de vriend van dentoewandokter?”„Ja.…”„Dan moet meneer hier wezen. Ik heb gisteren avond laat bevel gekregen om meneer op te wachten.”Later toen hij weer op Semarang terug was, vernam Wije dat het optrekje aan een administrateur van een onderneming in ’t gebergte toebehoorde, en deze er den dokter de beschikking over liet gedurende de eerste maanden van den Westmoeson.De eerste dagen praatten Wije en Anneke bijna uitsluitend over hun verlies. Maar elk onderwerp raakt uitgeput, zoo ook dit, te meer waar de omgeving niet bijdroeg hen daar telkens en telkens weer aan te herinneren. Thuis, met alles dat sprak van haar die heengegaan was, zouden zij zich niet zoo spoedig over hun geweldige droefheid heengezet hebben, doch hier ondergingen zij weldra den invloed van[164]het nieuwe. En daar beiden voor het eerst van hun leven het majestueuze natuurschoon van de bergen aanschouwden, kon het niet missen of hun aandacht werd daardoor afgeleid.Er was een plekje, ongeveer een half uur van hun huis, waar zij dikwijls heengingen. Daar hadden zij het steeds zoo aantrekkelijke gezicht in de vlakte, thans in donzigen nevel gehuld, vlak en gelijkmatig zwevend waar de zon scheen, maar witbruisend opstijgende op die plaatsen, waar de wolken hun regen in grauwe strepen omlaag zonden. Onder hen de kruinen der boomen in de ravijnen, in hun zwaarmoedig donkergroen, uit de diepte langzaam opkomend, aan weerszijden van de plek waar zij stonden, zich achter hen hoog verheffend.Wije leerde zijn dochter het schoone daarvan te zien, naarmate hij zelf het in zich opnam, telkens wat nieuws. Maar toen zijn eigen gemoedsstemming veranderde, begon hij in het[165]landschap, dat hem de eerste maal overweldigend had aangedaan, iets te missen. Tevergeefs trachtte hij zich echter rekenschap te geven, van wat er dan ontbrak.„Men schijnt het toch niet te dikwijls te moeten zien,” zeide hij eens, nadat zij langen tijd zwijgend hadden staan kijken.„Het is zoo stil,” merkte Anneke op.Wije greep het denkbeeld.„Je hebt gelijk,” zeide hij. „Er ontbreekt leven en bedrijvigheid. Nu voel ik het! Op een plaats als deze moet het geweest zijn dat de Ziener zijn paradijs schiep; onder den indruk dezer natuur bevolkte hij het met levende wezens, veranderde hij de wildernis in een lusthof, geschikt tot opname van den mensch. Maar weldra, zich met dezen vereenzelvigende, gevoelde hij de verveling, die hij eerst zocht te verdrijven met de rangschikking van het bestaande, daarna door zich te wijden aan het onderzoek naar het ontstaan. Hierin niet slagende,[166]zag hij om naar een ander wezen, aan wie hij zijn kennis kon mededeelen en die hem verder helpen zou waar hij stuitte; de vrouw. Doch ook te zamen konden zij niet doordringen in de geheimen van het heelal; en beiden zouden zij bezweken zijn onder hun rusteloos denken, bij de eenvormigheid van den alles voorkomenden overvloed door niets afgeleid, zoo hun de weg niet gewezen ware naar de laaglanden, waar behoefte hen drong tot werken; zij het in het zweet huns aanschijns, maar werken! Daarin alleen ligt genezing voor de kranke ziel.„Ook wij, Anneke, moeten werken. Wij hebben volop genoten van de rust en de natuur; laat ons gaan eer het ons te veel wordt. Je hadt gelijk; het is hier te stil.”Hij wierp nog een laatsten blik over het landschap, en wendde zich om. Anneke volgde hem op het smalle voetpad. De woorden, die hij gesproken had, begreep zij niet geheel;[167]doch naar het voorbeeld van haar overleden moeder, had zij zonder zich te bewegen geluisterd. Alleen het slot meende zij te vatten, en het verheugde haar. Zoodra de weg breeder werd, kwam zij naast hem, haar hand in zijn arm leggende.„Wanneer gaan we, papa?”„Begin je ook te verlangen?” vroeg hij terug. „Nu, dan zullen wij dadelijk zorgen. Overmorgen kan er een rijtuig zijn. Maar eer we heengaan, dienen wij eenige visites te maken bij de menschen die ons vriendelijkheid betoond hebben. Willen we daar van avond maar mee beginnen?”„Goed pa,” zeide Anneke.Toch zag zij er een weinig tegen op om vreemde menschen te ontmoeten. Zij was anders niet teruggetrokken, iets dat trouwens in Indië over het algemeen zeldzaam voorkomt. In Europa zijn de huizen gesloten, dikwerf nog met een stevig hek voorzien, dat den[168]bezoeker als ’t ware toeroept: ge komt er niet gemakkelijk in! Zet hij zich over dien indruk heen en schelt hij aan, dan blikken de vensters op hem neer, voorzien met horretjes of de meer moderne vitrage, waarachter zich de huisgenooten verbergen zonder hun eigen uitzicht te belemmeren, en de onaangename gewaarwording van bespied te worden maakt zich van hem meester. Hij weet dat men door een dier vensters hem bekijkt met de wat-is-dat-voor-’n-vent uitdrukking in de oogen, doch uit welk kan hij zelfs niet gissen; op goed geluk af heeft hij zijn gelaat naar links gewend, geplooid tot een trek die voorname vriendelijkheid moet te kennen geven, maar in werkelijkheid òf knorrig òf schaapachtig uitvalt. Maar … het zou ook kunnen wezen dat „men” achter hem zit. Dus tracht hij met zijn keerzijde denzelfden indruk te maken, wat de verschijnselen van lichten spierkramp in het leven roept, en is de bezoeker, een bezoekster,[169]een nog komischer uitwerking heeft. Eindelijk gaat de deur open en bij al het vorige voegt zich het kritisch onderzoek door de meid of, wat nog hatelijker is, door den knecht. Is dit gunstig uitgevallen, het verlof gegeven om te mogen zeggen wie er is, de bezoeker naar den indruk die zijn naam maakt, in de mooie kamer, of het spreekkamertje gelaten, de drie minuten verloopen waarin hij zich vervelen mag en die in de huiskamer met het uitspreken van woorden als: wie is het, ken jij hem, neen, hm, vervelend, zijn aangevuld, dan treedt ten slotte de heer des huizes bij den patiënt binnen en liegt hem voor dat het een aangename kennismaking is. De bezoeker hoopt in stilte dat zij dit op den duur worden moge; maar tenzij hij in rang ongeveer gelijk staat met den sultan van Turkije of den Shah van Perzië, blijven voorloopig de bewoonsters van wat hij in de bitterheid zijner ziel denharemnoemt, voor hem onzichtbaar.[170]In Indië daarentegen zijn de huizen open, de erven omtuind door een laag muurtje of een ketting in pilaartjes opgehangen, de ingang meest zonder hek. De bezoeker ziet de familie in haar voorgaanderij en treedt onmiddellijk bij zijn komst in den kring; en al was men niet vóór, op het oogenblik van zijn komst, toch duurt het niet lang of allen verschijnen en scharen zich om de groote ronde tafel. Men verzoekt hem allereerst zich op z’n gemak te zetten, presenteert hem iets. Dan wordt weldra het gesprek algemeen en alle gegevens zijn daar om de kennismaking werkelijk aangenaam te doen zijn. Het behoeft geen betoog dat door deze methode de jongeren tot conversabele menschen worden opgevoed; waar dat niet plaats vindt ligt het aan de personen, niet aan de omstandigheden.Zoo was ook Anneke het thuis gewoon, en een vreemd gezicht schrikte haar niet af.Dat was het dus niet, wat haar dien avond[171]met looden schoenen haar vader deed vergezellen. Doch ieder mensch die het slachtoffer werd van een groote ramp, draagt nog lang daarna zijn ziel als gewond met zich om. Elke aanraking, hetzij goed of kwaad bedoeld, smart hem en hij trekt zich schuw terug. Tot langzamerhand de tijd de wonden heelt of ruwheid het leed afstompt.Het werd haar gespaard. Alleen op de laatste visite, den vooravond van hun vertrek, vroeg de gastheer aan Wije of hij dacht te blijven wonen in zijn tegenwoordig huis.„Jawel,” meende deze. „Zoo heel groot is het niet.”„Daarom vroeg ik het niet,” zeide de gastheer. „Maar om de ziekte.”„De ziekte? Die komt en treft wiens tijd het is. Wij hadden alle voorzorgen genomen, en toch …”„In ’t geheel niet. De ziekte zit in het huis.”„De dokter verzekerde mij dat besmetting[172]haar overbrengt. Natuurlijk moet er aanleg zijn bij de persoon, maar voorts is het enkel besmetting.”Doch heftig protest volgde op deze woorden, vooral van de zijde der dames.„Weet niet, die dokter!” riep de vrouw des huizes, een Indische, uit. „Massa, besmetting; is-t-er niet.Tobat… zeg jij maar man.”„Indische lui,” verklaarde deze, „beweren dat de ziekte altijd bepaalde woningen treft. En ik geloof het ook. Veertien jaar geleden woonden wij in de stad; toen de ziekte kwam, zijn wij verhuisd, omdat een oude meid aan mijn vrouw gezegd had, dat in ons huis vroeger een geval was voorgekomen. Na ons trok een onderwijzer er in, en hij en zijn vrouw hebben het beiden gekregen.”„Ik dank u voor de raadgeving,” zeide Wije, en bracht het gesprek op iets anders over.Toen zij huiswaarts reden kwam het hem echter weer in de gedachte, en hij overwoog[173]de vraag, of er verband kon bestaan tusschen de overtuiging dier menschen en het feit, dat Anneke en hij, die het grootste gedeelte van den dag uit huis waren, zij op school, hij op het kantoor, waren gespaard gebleven; en hij nam zich voor tegen den Oostmoeson, onder een of ander voorwendsel, te verhuizen.Nog een paar dagen bleven er over eer zijn verlof om was, die hij doorbracht met in zijn huis alles te ordenen. Hij besloot Anneke niet langer te laten schoolgaan; de avonden kon hij nu geheel aan haar wijden; het was toch altijd een lievelingsdenkbeeld van hem geweest zijn eigen kinderen te onderwijzen; overdag moest zij dan voor het huishouden zorgen. Het meisje was met dit plan zeer ingenomen.[174]
[Inhoud]VII.VII.HANDEL EN ROUW.Want ook in het Chineesche kamp waren offers gevallen, en toen het getal daarvan onrustbarend bleef stijgen, werd er een verzoek gericht aan den resident om een grooten optocht te mogen houden met vuurwerk.Hooge stellages, met doek en papier bekleed, versierd met allegorische drakenfiguren en spreuken in gulden letters, en in den top een paar jonge inlandsche kinderen, stevig vastgebonden, voorafgegaan en gevolgd door wonderlijk toegetakelde Chineezen, werden langs de wegen gepikold door Javaanschekoelies.[151]En overal knalde en spatte het vuurwerk, pijlen, donderbussen enmertjons, oorverdoovend en den adem belemmerend. Doch dat was niets, zoo het doel slechts bereikt werd. En zie, het gelukte!In het geheele Chineesche kamp was misschien niemand meer in zijn schik dan Piong Pan Ho. Ook voor zijn deur hadden dedjengeesstilgehouden, om zijn bijdrage te ontvangen; hij behoorde dus onder de bemiddelden. Hij wist het wel, en het feit op zichzelf verschafte hem natuurlijk groot genoegen, maar heden was hij voor de eerste maal in de gelegenheid het te kunnen toonen, en dat was veel meer waard. Zoolang toch een Chinees niet onaantastbaar rijk is, veroorlooft hij zich niets dat naar weelde of vertoon zweemt. En zóóver was Piong Pan Ho nog lang niet.Even na zijn vestiging alstoko-houder was hij gehuwd. Het meisje dat hem in den beginne zoo bekoord had in detokovan Kan Liong[152]Tjoe, had hij van dezen overgenomen op billijke voorwaarden. Zij was een voorbeeldige Chineesche vrouw geworden. Als Piong Pan Ho op reis was, nam zij de zaken waar alsof het zoo behoorde; en het zou de vraag geweest zijn in wien de ondergeschikten een gemakkelijker chef zouden gehad hebben, in haar of in hem, gesteld dat hij zich met detokowas blijven bemoeien. Doch dit deed hij niet. Toen hij zag hoe goed het ging, bepaalde hij zich tot de onderhandelingen betreffende den inkoop, en voorts reisde hij, zaken doende voor Kan Liong Tjoe en zich, maar hoe langer hoe meer voor zich en minder voor den ander.Het veroorzaakte geen breuk tusschen die twee. Kan Liong Tjoe had zooveel mogelijk voordeel getrokken uit zijn voormaligenklontong; daarmee moest hij tevreden zijn. Misschien had hij gehoopt nog meer uit hem te halen en hem daarom de vrije hand gelaten in het aanknoopen van nieuwe relaties, die nu van[153]wege hun eisch om veel contant geld en door de omstandigheid dat Piong Pan Ho het leeuwenaandeel in de voor hem geopende credieten had weten te bemachtigen, zwaar op hem drukten, stipt genomen was dit zijn eigen schuld, een speculatie die tegengeloopen was.Toen het eerste jaar om was, dacht Kan Liong Tjoe dit nadeel te kunnen stuiten door zijn borgstelling bij de verschillende huizen op te zeggen. Hij ging dus rond, naar hij voorgaf om eens te informeeren naar den stand van Piong Pan Ho’s rekening. Doch overal waar hij kwam oogstte hij een onverwachten dank voor zijn recommandatie. Piong Pan Ho betaalde prompt en zelfs liet hij in den laatsten tijd slechts zelden prolongeeren, niettegenstaande zijn inkoopen gaandeweg grooter werden. Om geen mal figuur te slaan sprak Kan Liong Tjoe maar niet van zijn borgstelling, en verliet de eene firma na de ander met een flauw bewustzijn, dat zijn gewezen[154]klontongzoo mogelijk nog solider stond aangeschreven dan hijzelf, zij het voor een kleiner bedrag.Piong Pan Ho moest grooter winsten maken dan hij; dàt stond vast. Maar hoe? Uit de binnenlanden was immers niet meer te plukken dan die zaken voor ieder ander opbrachten; trouwens de eerste maal dat deSingkehvoor hem uit was geweest, had hij één agent op knoeierij betrapt en getrouwelijk aangegeven; als de anderen ook knoeiden zou Piong Pan Ho dit evenzeer bemerkt hebben; voor medeplichtigheid was hij toen nog te groen, dàt bewees het aanbrengen van dien één. In de opiumpacht kon hij niet betrokken zijn, dat wist Kan Liong Tjoe, zelf deelhebber zijnde, te goed … Het intrigeerde hem eindelijk zoo sterk, dat hij besloot te trachten het persoonlijk uit te vinden en daartoe Piong Pan Ho in zijntokoop te zoeken.Dit geschiedde den dag na Wije’s vertrek[155]en den grooten Chineeschen optocht. Hij was er niet geweest sedert het begin van Piong Pan Ho’s vestiging, want de bruiloft waarop hij genoodigd was geworden, mocht niet meerekenen; de geheele feestelijkheid had bestaan in lekker eten en drinken in een aangebouwdebamboe pendoppo, en veel verder waren de gasten ook niet gekomen. Dus zag hij nieuwsgierig rond. De indruk dien detokomaakte was: benauwd maar ordelijk. De legplanken langs de muren, die vroeger tot berging en uitstalling van dranken dienden, waren nu door doozen en pakken ingenomen; de ruimte in het midden werd gevuld door stapels zwaardere goederen en glazen kasten met galanteriewaren, precies als bij Kan Liong Tjoe, alleen de uitgespaarde gangetjes waren veel nauwer; men kon er maar even tusschen door en dan nog bukkende, want juist daar hingen de verschillende soorten van lampen aan de lage zoldering, die verder geheel bekleed was met in strikken[156]hangende spiegels, een uitstalling die tevens als reflector dienst deed en in alle hoeken voldoende licht wierp.Voor het raam stond een tafeltje met Chineesche boeken, een bakje oost-indische inkt en een telbord; daarachter zat Piong Pan Ho’s echtgenoote. Zij riep met dat eigenaardig stemgeluid, het midden houdende tusschen het harde scherpe Chineesche en het zangerige Javaansche, en van uit een der gangetjes trad de huisheer zijn bezoeker te gemoet.„Kan Liong Tjoe!” verwelkomde hij, aangenaam verrast. „Goed nieuws?”„Goed nieuws,” zeide de ander. „Ik kom je eens opzoeken.”„Ga mee naar achter,” raadde Piong Pan Ho.Hij wees den weg. Het eerste gedeelte, grenzende aan detokoen een magazijntje daarop volgend, kende Kan Liong Tjoe, maar niet weinig was hij verwonderd toen hij in den muur hiervan een nieuwe deur zag. Zij[157]gingen er door en kwamen in een ander locaal, over een erfje en weer in een bergplaats; en zoo ging het voort door verscheiden gebouwtjes en hokjes. Eindelijk stond Piong Pan Ho stil.„Dit,” zeide hij met de vlakke hand op een muur slaande, „moet ik er nog bij hebben; dan is het genoeg.”„Waarvoor?” vroeg Kan Liong Tjoe. „Wil je detokovergrooten?”Hij zei het maar om een vraag te doen, want op hun weg had hij opgemerkt dat Piong Pan Ho geen gebrek aan ruimte had; alleen in de voorste localen stonden koopwaren en niet eens dicht op elkaar. Maar waarvoor kocht deSingkehdan al die schuren?„Laat ons teruggaan,” zeide Piong Pan Ho. „De thee staat klaar; binnen zal ik je mijn plan vertellen.”Toen zij zaten ging hij voort:„Dit gedeelte en detokowil ik laten staan.[158]Ook degoedangheel achteraan. Die komt uit op den weg aan den anderen kant, en is van een Arabier die haar wil verkoopen, doch op ’t oogenblik nog te duur; en.… ik moet ook nog wat wachten. Al wat er tusschen staat laat ik afbreken.”Hij hield op en Kan Liong Tjoe zweeg eveneens; het duizelde hem. DieSingkehpraatte over koopen en afbreken alsof hij een goudmijn ontdekt had. „Ik moet nog wat wachten,” had hij zooeven gezegd, alsof de grootste financieele moeielijkheden daarmee vanzelf te overkomen waren.„Dus je wilt,” vroeg hij ten slotte, toen de stilte aanhield, „diegoedangvoor bergplaats gebruiken?”„Ja, voor rijst. We doen verkeerd met in dedessaenkel geld te brengen. Ze moeten daarvoor immers toch ook weer rijst koopen?”Kan Liong Tjoe begreep eindelijk. Piong Pan Ho wilde zijn voorschotten in dedessa[159]in rijst verstrekken, natuurlijk tegen den prijs die in tijden van gebrek te maken was. Daartoe schuurde hij de rijst op, die dedessazelf hem leverde in goedkoope tijden. Eenvoudiger kon het niet; en het resultaat zou zijn dat de Javaan werkte voor den kost, en het surplus in den zak van den Chinees en consorten terechtkwam. Nu ja, dàt was altijd zoo, maar dezeSingkehverstond de kunst om zooveel mogelijk aan zich alleen te trekken.„Waar berg je dan detoko-waren?”„Ik doek detokoop, zoodra ik kan,” zeide Piong Pan Ho.„Toch geen failliet?” vroeg de ander schrikkende. Hij dacht aan het gesprek van ruim twee jaar geleden en tevens aan zijn borgstelling.„Neen.”„Waarom dan?”„Detokois goed om mee te beginnen. Men moet haar echter niet te lang aanhouden;[160]dan wordt het moeielijk en later onmogelijk zich ervan los te maken, en zij bindt mij de handen voor andere zaken.”Een gevoel van kleinheid beving Kan Liong Tjoe. Hij, de grootstetoko-houder in het Chineesche kamp, was op dit oogenblik de mindere van zijn vroegeren leerling, die hem daar opeens een fout aanwees in zijn zaken, die hij vóór dezen nooit zóó had ingezien. Het drukte hem, zoodat hij opstond en afscheid nam, eerst toen hij thuis was tot het besef komend, dat hij het eigenlijke doel van zijn tocht had gemist. Piong Pan Ho had hem zijn toekomstplannen meegedeeld, maar hoe hij zoover gekomen was als hij nu blijkbaar stond, wist Kan Liong Tjoe nog altijd niet.Eén geruststelling nam hij echter mee. Zijn instaan voor denSingkehzou hem geen nadeel berokkenen; dat had hij uit alles opgemerkt, en dat was een heel ding; want toen Piong Pan Ho sprak over het gebonden zijn door[161]detoko, vermoedde hij weinig hoe juist hij den spijker op zijn kop sloeg. Kan Liong Tjoe zat sedert het laatste jaar zoo vast als een muur. De zaken gingen goed genoeg, maar wat uit het eene hoekje los kwam, moest dienen om onmiddellijk het andere te stoppen; hij had over zijn vlottend werkkapitaal te veel beschikt; een toestand die jaren kon duren, doch door een kleinigheid in zijn evenwicht gestoord worden. Dat Piong Pan Ho in zijn te grooten ijver de aanleiding hiertoe geweest was, nam hij dezen alweer niet kwalijk; hij had op zijn voorstellen niet behoeven in te gaan. De zaak was nu vol te houden zoo goed hij kon; viel de slag, dan was het betrekkelijk niet eens zoo erg, en misschien zelfs beter; hij zou dan weliswaar opnieuw moeten beginnen, doch met de relaties buiten detokoom, en het voorbeeld van Piong Pan Ho volgende, was het te doen.In kalme rust hadden Wije en Anneke hun[162]tijd in het gebergte doorgebracht. Rustig en zorgeloos. Met buitengewone kieschheid had iedereen hen in hun droefheid alleen gelaten, zonder hinderlijk betoon van deelneming, en toch hadden zij van af den eersten dag zich omringd gevoeld van vrienden, die zij niet zagen maar in allerlei kleine attenties bemerkten. Wije was nog nooit verder geweest dan Semarang. De wenk van den dokter om wat beddelakens en sloopen mede te nemen, was hem niet bijzonder opgevallen; wie wist hoe zoo’n logement in de bergen ingericht was! Doch te Oengaran wachtte een inlander het rijtuig op, zeide een paar woorden tot den koetsier en sprong op het achterplankje. Toen sloegen zij rechtsaf, achter de sociëteit om, en hielden even daarna stil voor een kleine woning.„Is dit het logement?” vroeg Wije, nadat zij uitgestegen waren.„Neen meneer, een logement is hier niet,”[163]zeide de inlander. „Meneer is toch de vriend van dentoewandokter?”„Ja.…”„Dan moet meneer hier wezen. Ik heb gisteren avond laat bevel gekregen om meneer op te wachten.”Later toen hij weer op Semarang terug was, vernam Wije dat het optrekje aan een administrateur van een onderneming in ’t gebergte toebehoorde, en deze er den dokter de beschikking over liet gedurende de eerste maanden van den Westmoeson.De eerste dagen praatten Wije en Anneke bijna uitsluitend over hun verlies. Maar elk onderwerp raakt uitgeput, zoo ook dit, te meer waar de omgeving niet bijdroeg hen daar telkens en telkens weer aan te herinneren. Thuis, met alles dat sprak van haar die heengegaan was, zouden zij zich niet zoo spoedig over hun geweldige droefheid heengezet hebben, doch hier ondergingen zij weldra den invloed van[164]het nieuwe. En daar beiden voor het eerst van hun leven het majestueuze natuurschoon van de bergen aanschouwden, kon het niet missen of hun aandacht werd daardoor afgeleid.Er was een plekje, ongeveer een half uur van hun huis, waar zij dikwijls heengingen. Daar hadden zij het steeds zoo aantrekkelijke gezicht in de vlakte, thans in donzigen nevel gehuld, vlak en gelijkmatig zwevend waar de zon scheen, maar witbruisend opstijgende op die plaatsen, waar de wolken hun regen in grauwe strepen omlaag zonden. Onder hen de kruinen der boomen in de ravijnen, in hun zwaarmoedig donkergroen, uit de diepte langzaam opkomend, aan weerszijden van de plek waar zij stonden, zich achter hen hoog verheffend.Wije leerde zijn dochter het schoone daarvan te zien, naarmate hij zelf het in zich opnam, telkens wat nieuws. Maar toen zijn eigen gemoedsstemming veranderde, begon hij in het[165]landschap, dat hem de eerste maal overweldigend had aangedaan, iets te missen. Tevergeefs trachtte hij zich echter rekenschap te geven, van wat er dan ontbrak.„Men schijnt het toch niet te dikwijls te moeten zien,” zeide hij eens, nadat zij langen tijd zwijgend hadden staan kijken.„Het is zoo stil,” merkte Anneke op.Wije greep het denkbeeld.„Je hebt gelijk,” zeide hij. „Er ontbreekt leven en bedrijvigheid. Nu voel ik het! Op een plaats als deze moet het geweest zijn dat de Ziener zijn paradijs schiep; onder den indruk dezer natuur bevolkte hij het met levende wezens, veranderde hij de wildernis in een lusthof, geschikt tot opname van den mensch. Maar weldra, zich met dezen vereenzelvigende, gevoelde hij de verveling, die hij eerst zocht te verdrijven met de rangschikking van het bestaande, daarna door zich te wijden aan het onderzoek naar het ontstaan. Hierin niet slagende,[166]zag hij om naar een ander wezen, aan wie hij zijn kennis kon mededeelen en die hem verder helpen zou waar hij stuitte; de vrouw. Doch ook te zamen konden zij niet doordringen in de geheimen van het heelal; en beiden zouden zij bezweken zijn onder hun rusteloos denken, bij de eenvormigheid van den alles voorkomenden overvloed door niets afgeleid, zoo hun de weg niet gewezen ware naar de laaglanden, waar behoefte hen drong tot werken; zij het in het zweet huns aanschijns, maar werken! Daarin alleen ligt genezing voor de kranke ziel.„Ook wij, Anneke, moeten werken. Wij hebben volop genoten van de rust en de natuur; laat ons gaan eer het ons te veel wordt. Je hadt gelijk; het is hier te stil.”Hij wierp nog een laatsten blik over het landschap, en wendde zich om. Anneke volgde hem op het smalle voetpad. De woorden, die hij gesproken had, begreep zij niet geheel;[167]doch naar het voorbeeld van haar overleden moeder, had zij zonder zich te bewegen geluisterd. Alleen het slot meende zij te vatten, en het verheugde haar. Zoodra de weg breeder werd, kwam zij naast hem, haar hand in zijn arm leggende.„Wanneer gaan we, papa?”„Begin je ook te verlangen?” vroeg hij terug. „Nu, dan zullen wij dadelijk zorgen. Overmorgen kan er een rijtuig zijn. Maar eer we heengaan, dienen wij eenige visites te maken bij de menschen die ons vriendelijkheid betoond hebben. Willen we daar van avond maar mee beginnen?”„Goed pa,” zeide Anneke.Toch zag zij er een weinig tegen op om vreemde menschen te ontmoeten. Zij was anders niet teruggetrokken, iets dat trouwens in Indië over het algemeen zeldzaam voorkomt. In Europa zijn de huizen gesloten, dikwerf nog met een stevig hek voorzien, dat den[168]bezoeker als ’t ware toeroept: ge komt er niet gemakkelijk in! Zet hij zich over dien indruk heen en schelt hij aan, dan blikken de vensters op hem neer, voorzien met horretjes of de meer moderne vitrage, waarachter zich de huisgenooten verbergen zonder hun eigen uitzicht te belemmeren, en de onaangename gewaarwording van bespied te worden maakt zich van hem meester. Hij weet dat men door een dier vensters hem bekijkt met de wat-is-dat-voor-’n-vent uitdrukking in de oogen, doch uit welk kan hij zelfs niet gissen; op goed geluk af heeft hij zijn gelaat naar links gewend, geplooid tot een trek die voorname vriendelijkheid moet te kennen geven, maar in werkelijkheid òf knorrig òf schaapachtig uitvalt. Maar … het zou ook kunnen wezen dat „men” achter hem zit. Dus tracht hij met zijn keerzijde denzelfden indruk te maken, wat de verschijnselen van lichten spierkramp in het leven roept, en is de bezoeker, een bezoekster,[169]een nog komischer uitwerking heeft. Eindelijk gaat de deur open en bij al het vorige voegt zich het kritisch onderzoek door de meid of, wat nog hatelijker is, door den knecht. Is dit gunstig uitgevallen, het verlof gegeven om te mogen zeggen wie er is, de bezoeker naar den indruk die zijn naam maakt, in de mooie kamer, of het spreekkamertje gelaten, de drie minuten verloopen waarin hij zich vervelen mag en die in de huiskamer met het uitspreken van woorden als: wie is het, ken jij hem, neen, hm, vervelend, zijn aangevuld, dan treedt ten slotte de heer des huizes bij den patiënt binnen en liegt hem voor dat het een aangename kennismaking is. De bezoeker hoopt in stilte dat zij dit op den duur worden moge; maar tenzij hij in rang ongeveer gelijk staat met den sultan van Turkije of den Shah van Perzië, blijven voorloopig de bewoonsters van wat hij in de bitterheid zijner ziel denharemnoemt, voor hem onzichtbaar.[170]In Indië daarentegen zijn de huizen open, de erven omtuind door een laag muurtje of een ketting in pilaartjes opgehangen, de ingang meest zonder hek. De bezoeker ziet de familie in haar voorgaanderij en treedt onmiddellijk bij zijn komst in den kring; en al was men niet vóór, op het oogenblik van zijn komst, toch duurt het niet lang of allen verschijnen en scharen zich om de groote ronde tafel. Men verzoekt hem allereerst zich op z’n gemak te zetten, presenteert hem iets. Dan wordt weldra het gesprek algemeen en alle gegevens zijn daar om de kennismaking werkelijk aangenaam te doen zijn. Het behoeft geen betoog dat door deze methode de jongeren tot conversabele menschen worden opgevoed; waar dat niet plaats vindt ligt het aan de personen, niet aan de omstandigheden.Zoo was ook Anneke het thuis gewoon, en een vreemd gezicht schrikte haar niet af.Dat was het dus niet, wat haar dien avond[171]met looden schoenen haar vader deed vergezellen. Doch ieder mensch die het slachtoffer werd van een groote ramp, draagt nog lang daarna zijn ziel als gewond met zich om. Elke aanraking, hetzij goed of kwaad bedoeld, smart hem en hij trekt zich schuw terug. Tot langzamerhand de tijd de wonden heelt of ruwheid het leed afstompt.Het werd haar gespaard. Alleen op de laatste visite, den vooravond van hun vertrek, vroeg de gastheer aan Wije of hij dacht te blijven wonen in zijn tegenwoordig huis.„Jawel,” meende deze. „Zoo heel groot is het niet.”„Daarom vroeg ik het niet,” zeide de gastheer. „Maar om de ziekte.”„De ziekte? Die komt en treft wiens tijd het is. Wij hadden alle voorzorgen genomen, en toch …”„In ’t geheel niet. De ziekte zit in het huis.”„De dokter verzekerde mij dat besmetting[172]haar overbrengt. Natuurlijk moet er aanleg zijn bij de persoon, maar voorts is het enkel besmetting.”Doch heftig protest volgde op deze woorden, vooral van de zijde der dames.„Weet niet, die dokter!” riep de vrouw des huizes, een Indische, uit. „Massa, besmetting; is-t-er niet.Tobat… zeg jij maar man.”„Indische lui,” verklaarde deze, „beweren dat de ziekte altijd bepaalde woningen treft. En ik geloof het ook. Veertien jaar geleden woonden wij in de stad; toen de ziekte kwam, zijn wij verhuisd, omdat een oude meid aan mijn vrouw gezegd had, dat in ons huis vroeger een geval was voorgekomen. Na ons trok een onderwijzer er in, en hij en zijn vrouw hebben het beiden gekregen.”„Ik dank u voor de raadgeving,” zeide Wije, en bracht het gesprek op iets anders over.Toen zij huiswaarts reden kwam het hem echter weer in de gedachte, en hij overwoog[173]de vraag, of er verband kon bestaan tusschen de overtuiging dier menschen en het feit, dat Anneke en hij, die het grootste gedeelte van den dag uit huis waren, zij op school, hij op het kantoor, waren gespaard gebleven; en hij nam zich voor tegen den Oostmoeson, onder een of ander voorwendsel, te verhuizen.Nog een paar dagen bleven er over eer zijn verlof om was, die hij doorbracht met in zijn huis alles te ordenen. Hij besloot Anneke niet langer te laten schoolgaan; de avonden kon hij nu geheel aan haar wijden; het was toch altijd een lievelingsdenkbeeld van hem geweest zijn eigen kinderen te onderwijzen; overdag moest zij dan voor het huishouden zorgen. Het meisje was met dit plan zeer ingenomen.[174]
VII.VII.HANDEL EN ROUW.
VII.
Want ook in het Chineesche kamp waren offers gevallen, en toen het getal daarvan onrustbarend bleef stijgen, werd er een verzoek gericht aan den resident om een grooten optocht te mogen houden met vuurwerk.Hooge stellages, met doek en papier bekleed, versierd met allegorische drakenfiguren en spreuken in gulden letters, en in den top een paar jonge inlandsche kinderen, stevig vastgebonden, voorafgegaan en gevolgd door wonderlijk toegetakelde Chineezen, werden langs de wegen gepikold door Javaanschekoelies.[151]En overal knalde en spatte het vuurwerk, pijlen, donderbussen enmertjons, oorverdoovend en den adem belemmerend. Doch dat was niets, zoo het doel slechts bereikt werd. En zie, het gelukte!In het geheele Chineesche kamp was misschien niemand meer in zijn schik dan Piong Pan Ho. Ook voor zijn deur hadden dedjengeesstilgehouden, om zijn bijdrage te ontvangen; hij behoorde dus onder de bemiddelden. Hij wist het wel, en het feit op zichzelf verschafte hem natuurlijk groot genoegen, maar heden was hij voor de eerste maal in de gelegenheid het te kunnen toonen, en dat was veel meer waard. Zoolang toch een Chinees niet onaantastbaar rijk is, veroorlooft hij zich niets dat naar weelde of vertoon zweemt. En zóóver was Piong Pan Ho nog lang niet.Even na zijn vestiging alstoko-houder was hij gehuwd. Het meisje dat hem in den beginne zoo bekoord had in detokovan Kan Liong[152]Tjoe, had hij van dezen overgenomen op billijke voorwaarden. Zij was een voorbeeldige Chineesche vrouw geworden. Als Piong Pan Ho op reis was, nam zij de zaken waar alsof het zoo behoorde; en het zou de vraag geweest zijn in wien de ondergeschikten een gemakkelijker chef zouden gehad hebben, in haar of in hem, gesteld dat hij zich met detokowas blijven bemoeien. Doch dit deed hij niet. Toen hij zag hoe goed het ging, bepaalde hij zich tot de onderhandelingen betreffende den inkoop, en voorts reisde hij, zaken doende voor Kan Liong Tjoe en zich, maar hoe langer hoe meer voor zich en minder voor den ander.Het veroorzaakte geen breuk tusschen die twee. Kan Liong Tjoe had zooveel mogelijk voordeel getrokken uit zijn voormaligenklontong; daarmee moest hij tevreden zijn. Misschien had hij gehoopt nog meer uit hem te halen en hem daarom de vrije hand gelaten in het aanknoopen van nieuwe relaties, die nu van[153]wege hun eisch om veel contant geld en door de omstandigheid dat Piong Pan Ho het leeuwenaandeel in de voor hem geopende credieten had weten te bemachtigen, zwaar op hem drukten, stipt genomen was dit zijn eigen schuld, een speculatie die tegengeloopen was.Toen het eerste jaar om was, dacht Kan Liong Tjoe dit nadeel te kunnen stuiten door zijn borgstelling bij de verschillende huizen op te zeggen. Hij ging dus rond, naar hij voorgaf om eens te informeeren naar den stand van Piong Pan Ho’s rekening. Doch overal waar hij kwam oogstte hij een onverwachten dank voor zijn recommandatie. Piong Pan Ho betaalde prompt en zelfs liet hij in den laatsten tijd slechts zelden prolongeeren, niettegenstaande zijn inkoopen gaandeweg grooter werden. Om geen mal figuur te slaan sprak Kan Liong Tjoe maar niet van zijn borgstelling, en verliet de eene firma na de ander met een flauw bewustzijn, dat zijn gewezen[154]klontongzoo mogelijk nog solider stond aangeschreven dan hijzelf, zij het voor een kleiner bedrag.Piong Pan Ho moest grooter winsten maken dan hij; dàt stond vast. Maar hoe? Uit de binnenlanden was immers niet meer te plukken dan die zaken voor ieder ander opbrachten; trouwens de eerste maal dat deSingkehvoor hem uit was geweest, had hij één agent op knoeierij betrapt en getrouwelijk aangegeven; als de anderen ook knoeiden zou Piong Pan Ho dit evenzeer bemerkt hebben; voor medeplichtigheid was hij toen nog te groen, dàt bewees het aanbrengen van dien één. In de opiumpacht kon hij niet betrokken zijn, dat wist Kan Liong Tjoe, zelf deelhebber zijnde, te goed … Het intrigeerde hem eindelijk zoo sterk, dat hij besloot te trachten het persoonlijk uit te vinden en daartoe Piong Pan Ho in zijntokoop te zoeken.Dit geschiedde den dag na Wije’s vertrek[155]en den grooten Chineeschen optocht. Hij was er niet geweest sedert het begin van Piong Pan Ho’s vestiging, want de bruiloft waarop hij genoodigd was geworden, mocht niet meerekenen; de geheele feestelijkheid had bestaan in lekker eten en drinken in een aangebouwdebamboe pendoppo, en veel verder waren de gasten ook niet gekomen. Dus zag hij nieuwsgierig rond. De indruk dien detokomaakte was: benauwd maar ordelijk. De legplanken langs de muren, die vroeger tot berging en uitstalling van dranken dienden, waren nu door doozen en pakken ingenomen; de ruimte in het midden werd gevuld door stapels zwaardere goederen en glazen kasten met galanteriewaren, precies als bij Kan Liong Tjoe, alleen de uitgespaarde gangetjes waren veel nauwer; men kon er maar even tusschen door en dan nog bukkende, want juist daar hingen de verschillende soorten van lampen aan de lage zoldering, die verder geheel bekleed was met in strikken[156]hangende spiegels, een uitstalling die tevens als reflector dienst deed en in alle hoeken voldoende licht wierp.Voor het raam stond een tafeltje met Chineesche boeken, een bakje oost-indische inkt en een telbord; daarachter zat Piong Pan Ho’s echtgenoote. Zij riep met dat eigenaardig stemgeluid, het midden houdende tusschen het harde scherpe Chineesche en het zangerige Javaansche, en van uit een der gangetjes trad de huisheer zijn bezoeker te gemoet.„Kan Liong Tjoe!” verwelkomde hij, aangenaam verrast. „Goed nieuws?”„Goed nieuws,” zeide de ander. „Ik kom je eens opzoeken.”„Ga mee naar achter,” raadde Piong Pan Ho.Hij wees den weg. Het eerste gedeelte, grenzende aan detokoen een magazijntje daarop volgend, kende Kan Liong Tjoe, maar niet weinig was hij verwonderd toen hij in den muur hiervan een nieuwe deur zag. Zij[157]gingen er door en kwamen in een ander locaal, over een erfje en weer in een bergplaats; en zoo ging het voort door verscheiden gebouwtjes en hokjes. Eindelijk stond Piong Pan Ho stil.„Dit,” zeide hij met de vlakke hand op een muur slaande, „moet ik er nog bij hebben; dan is het genoeg.”„Waarvoor?” vroeg Kan Liong Tjoe. „Wil je detokovergrooten?”Hij zei het maar om een vraag te doen, want op hun weg had hij opgemerkt dat Piong Pan Ho geen gebrek aan ruimte had; alleen in de voorste localen stonden koopwaren en niet eens dicht op elkaar. Maar waarvoor kocht deSingkehdan al die schuren?„Laat ons teruggaan,” zeide Piong Pan Ho. „De thee staat klaar; binnen zal ik je mijn plan vertellen.”Toen zij zaten ging hij voort:„Dit gedeelte en detokowil ik laten staan.[158]Ook degoedangheel achteraan. Die komt uit op den weg aan den anderen kant, en is van een Arabier die haar wil verkoopen, doch op ’t oogenblik nog te duur; en.… ik moet ook nog wat wachten. Al wat er tusschen staat laat ik afbreken.”Hij hield op en Kan Liong Tjoe zweeg eveneens; het duizelde hem. DieSingkehpraatte over koopen en afbreken alsof hij een goudmijn ontdekt had. „Ik moet nog wat wachten,” had hij zooeven gezegd, alsof de grootste financieele moeielijkheden daarmee vanzelf te overkomen waren.„Dus je wilt,” vroeg hij ten slotte, toen de stilte aanhield, „diegoedangvoor bergplaats gebruiken?”„Ja, voor rijst. We doen verkeerd met in dedessaenkel geld te brengen. Ze moeten daarvoor immers toch ook weer rijst koopen?”Kan Liong Tjoe begreep eindelijk. Piong Pan Ho wilde zijn voorschotten in dedessa[159]in rijst verstrekken, natuurlijk tegen den prijs die in tijden van gebrek te maken was. Daartoe schuurde hij de rijst op, die dedessazelf hem leverde in goedkoope tijden. Eenvoudiger kon het niet; en het resultaat zou zijn dat de Javaan werkte voor den kost, en het surplus in den zak van den Chinees en consorten terechtkwam. Nu ja, dàt was altijd zoo, maar dezeSingkehverstond de kunst om zooveel mogelijk aan zich alleen te trekken.„Waar berg je dan detoko-waren?”„Ik doek detokoop, zoodra ik kan,” zeide Piong Pan Ho.„Toch geen failliet?” vroeg de ander schrikkende. Hij dacht aan het gesprek van ruim twee jaar geleden en tevens aan zijn borgstelling.„Neen.”„Waarom dan?”„Detokois goed om mee te beginnen. Men moet haar echter niet te lang aanhouden;[160]dan wordt het moeielijk en later onmogelijk zich ervan los te maken, en zij bindt mij de handen voor andere zaken.”Een gevoel van kleinheid beving Kan Liong Tjoe. Hij, de grootstetoko-houder in het Chineesche kamp, was op dit oogenblik de mindere van zijn vroegeren leerling, die hem daar opeens een fout aanwees in zijn zaken, die hij vóór dezen nooit zóó had ingezien. Het drukte hem, zoodat hij opstond en afscheid nam, eerst toen hij thuis was tot het besef komend, dat hij het eigenlijke doel van zijn tocht had gemist. Piong Pan Ho had hem zijn toekomstplannen meegedeeld, maar hoe hij zoover gekomen was als hij nu blijkbaar stond, wist Kan Liong Tjoe nog altijd niet.Eén geruststelling nam hij echter mee. Zijn instaan voor denSingkehzou hem geen nadeel berokkenen; dat had hij uit alles opgemerkt, en dat was een heel ding; want toen Piong Pan Ho sprak over het gebonden zijn door[161]detoko, vermoedde hij weinig hoe juist hij den spijker op zijn kop sloeg. Kan Liong Tjoe zat sedert het laatste jaar zoo vast als een muur. De zaken gingen goed genoeg, maar wat uit het eene hoekje los kwam, moest dienen om onmiddellijk het andere te stoppen; hij had over zijn vlottend werkkapitaal te veel beschikt; een toestand die jaren kon duren, doch door een kleinigheid in zijn evenwicht gestoord worden. Dat Piong Pan Ho in zijn te grooten ijver de aanleiding hiertoe geweest was, nam hij dezen alweer niet kwalijk; hij had op zijn voorstellen niet behoeven in te gaan. De zaak was nu vol te houden zoo goed hij kon; viel de slag, dan was het betrekkelijk niet eens zoo erg, en misschien zelfs beter; hij zou dan weliswaar opnieuw moeten beginnen, doch met de relaties buiten detokoom, en het voorbeeld van Piong Pan Ho volgende, was het te doen.In kalme rust hadden Wije en Anneke hun[162]tijd in het gebergte doorgebracht. Rustig en zorgeloos. Met buitengewone kieschheid had iedereen hen in hun droefheid alleen gelaten, zonder hinderlijk betoon van deelneming, en toch hadden zij van af den eersten dag zich omringd gevoeld van vrienden, die zij niet zagen maar in allerlei kleine attenties bemerkten. Wije was nog nooit verder geweest dan Semarang. De wenk van den dokter om wat beddelakens en sloopen mede te nemen, was hem niet bijzonder opgevallen; wie wist hoe zoo’n logement in de bergen ingericht was! Doch te Oengaran wachtte een inlander het rijtuig op, zeide een paar woorden tot den koetsier en sprong op het achterplankje. Toen sloegen zij rechtsaf, achter de sociëteit om, en hielden even daarna stil voor een kleine woning.„Is dit het logement?” vroeg Wije, nadat zij uitgestegen waren.„Neen meneer, een logement is hier niet,”[163]zeide de inlander. „Meneer is toch de vriend van dentoewandokter?”„Ja.…”„Dan moet meneer hier wezen. Ik heb gisteren avond laat bevel gekregen om meneer op te wachten.”Later toen hij weer op Semarang terug was, vernam Wije dat het optrekje aan een administrateur van een onderneming in ’t gebergte toebehoorde, en deze er den dokter de beschikking over liet gedurende de eerste maanden van den Westmoeson.De eerste dagen praatten Wije en Anneke bijna uitsluitend over hun verlies. Maar elk onderwerp raakt uitgeput, zoo ook dit, te meer waar de omgeving niet bijdroeg hen daar telkens en telkens weer aan te herinneren. Thuis, met alles dat sprak van haar die heengegaan was, zouden zij zich niet zoo spoedig over hun geweldige droefheid heengezet hebben, doch hier ondergingen zij weldra den invloed van[164]het nieuwe. En daar beiden voor het eerst van hun leven het majestueuze natuurschoon van de bergen aanschouwden, kon het niet missen of hun aandacht werd daardoor afgeleid.Er was een plekje, ongeveer een half uur van hun huis, waar zij dikwijls heengingen. Daar hadden zij het steeds zoo aantrekkelijke gezicht in de vlakte, thans in donzigen nevel gehuld, vlak en gelijkmatig zwevend waar de zon scheen, maar witbruisend opstijgende op die plaatsen, waar de wolken hun regen in grauwe strepen omlaag zonden. Onder hen de kruinen der boomen in de ravijnen, in hun zwaarmoedig donkergroen, uit de diepte langzaam opkomend, aan weerszijden van de plek waar zij stonden, zich achter hen hoog verheffend.Wije leerde zijn dochter het schoone daarvan te zien, naarmate hij zelf het in zich opnam, telkens wat nieuws. Maar toen zijn eigen gemoedsstemming veranderde, begon hij in het[165]landschap, dat hem de eerste maal overweldigend had aangedaan, iets te missen. Tevergeefs trachtte hij zich echter rekenschap te geven, van wat er dan ontbrak.„Men schijnt het toch niet te dikwijls te moeten zien,” zeide hij eens, nadat zij langen tijd zwijgend hadden staan kijken.„Het is zoo stil,” merkte Anneke op.Wije greep het denkbeeld.„Je hebt gelijk,” zeide hij. „Er ontbreekt leven en bedrijvigheid. Nu voel ik het! Op een plaats als deze moet het geweest zijn dat de Ziener zijn paradijs schiep; onder den indruk dezer natuur bevolkte hij het met levende wezens, veranderde hij de wildernis in een lusthof, geschikt tot opname van den mensch. Maar weldra, zich met dezen vereenzelvigende, gevoelde hij de verveling, die hij eerst zocht te verdrijven met de rangschikking van het bestaande, daarna door zich te wijden aan het onderzoek naar het ontstaan. Hierin niet slagende,[166]zag hij om naar een ander wezen, aan wie hij zijn kennis kon mededeelen en die hem verder helpen zou waar hij stuitte; de vrouw. Doch ook te zamen konden zij niet doordringen in de geheimen van het heelal; en beiden zouden zij bezweken zijn onder hun rusteloos denken, bij de eenvormigheid van den alles voorkomenden overvloed door niets afgeleid, zoo hun de weg niet gewezen ware naar de laaglanden, waar behoefte hen drong tot werken; zij het in het zweet huns aanschijns, maar werken! Daarin alleen ligt genezing voor de kranke ziel.„Ook wij, Anneke, moeten werken. Wij hebben volop genoten van de rust en de natuur; laat ons gaan eer het ons te veel wordt. Je hadt gelijk; het is hier te stil.”Hij wierp nog een laatsten blik over het landschap, en wendde zich om. Anneke volgde hem op het smalle voetpad. De woorden, die hij gesproken had, begreep zij niet geheel;[167]doch naar het voorbeeld van haar overleden moeder, had zij zonder zich te bewegen geluisterd. Alleen het slot meende zij te vatten, en het verheugde haar. Zoodra de weg breeder werd, kwam zij naast hem, haar hand in zijn arm leggende.„Wanneer gaan we, papa?”„Begin je ook te verlangen?” vroeg hij terug. „Nu, dan zullen wij dadelijk zorgen. Overmorgen kan er een rijtuig zijn. Maar eer we heengaan, dienen wij eenige visites te maken bij de menschen die ons vriendelijkheid betoond hebben. Willen we daar van avond maar mee beginnen?”„Goed pa,” zeide Anneke.Toch zag zij er een weinig tegen op om vreemde menschen te ontmoeten. Zij was anders niet teruggetrokken, iets dat trouwens in Indië over het algemeen zeldzaam voorkomt. In Europa zijn de huizen gesloten, dikwerf nog met een stevig hek voorzien, dat den[168]bezoeker als ’t ware toeroept: ge komt er niet gemakkelijk in! Zet hij zich over dien indruk heen en schelt hij aan, dan blikken de vensters op hem neer, voorzien met horretjes of de meer moderne vitrage, waarachter zich de huisgenooten verbergen zonder hun eigen uitzicht te belemmeren, en de onaangename gewaarwording van bespied te worden maakt zich van hem meester. Hij weet dat men door een dier vensters hem bekijkt met de wat-is-dat-voor-’n-vent uitdrukking in de oogen, doch uit welk kan hij zelfs niet gissen; op goed geluk af heeft hij zijn gelaat naar links gewend, geplooid tot een trek die voorname vriendelijkheid moet te kennen geven, maar in werkelijkheid òf knorrig òf schaapachtig uitvalt. Maar … het zou ook kunnen wezen dat „men” achter hem zit. Dus tracht hij met zijn keerzijde denzelfden indruk te maken, wat de verschijnselen van lichten spierkramp in het leven roept, en is de bezoeker, een bezoekster,[169]een nog komischer uitwerking heeft. Eindelijk gaat de deur open en bij al het vorige voegt zich het kritisch onderzoek door de meid of, wat nog hatelijker is, door den knecht. Is dit gunstig uitgevallen, het verlof gegeven om te mogen zeggen wie er is, de bezoeker naar den indruk die zijn naam maakt, in de mooie kamer, of het spreekkamertje gelaten, de drie minuten verloopen waarin hij zich vervelen mag en die in de huiskamer met het uitspreken van woorden als: wie is het, ken jij hem, neen, hm, vervelend, zijn aangevuld, dan treedt ten slotte de heer des huizes bij den patiënt binnen en liegt hem voor dat het een aangename kennismaking is. De bezoeker hoopt in stilte dat zij dit op den duur worden moge; maar tenzij hij in rang ongeveer gelijk staat met den sultan van Turkije of den Shah van Perzië, blijven voorloopig de bewoonsters van wat hij in de bitterheid zijner ziel denharemnoemt, voor hem onzichtbaar.[170]In Indië daarentegen zijn de huizen open, de erven omtuind door een laag muurtje of een ketting in pilaartjes opgehangen, de ingang meest zonder hek. De bezoeker ziet de familie in haar voorgaanderij en treedt onmiddellijk bij zijn komst in den kring; en al was men niet vóór, op het oogenblik van zijn komst, toch duurt het niet lang of allen verschijnen en scharen zich om de groote ronde tafel. Men verzoekt hem allereerst zich op z’n gemak te zetten, presenteert hem iets. Dan wordt weldra het gesprek algemeen en alle gegevens zijn daar om de kennismaking werkelijk aangenaam te doen zijn. Het behoeft geen betoog dat door deze methode de jongeren tot conversabele menschen worden opgevoed; waar dat niet plaats vindt ligt het aan de personen, niet aan de omstandigheden.Zoo was ook Anneke het thuis gewoon, en een vreemd gezicht schrikte haar niet af.Dat was het dus niet, wat haar dien avond[171]met looden schoenen haar vader deed vergezellen. Doch ieder mensch die het slachtoffer werd van een groote ramp, draagt nog lang daarna zijn ziel als gewond met zich om. Elke aanraking, hetzij goed of kwaad bedoeld, smart hem en hij trekt zich schuw terug. Tot langzamerhand de tijd de wonden heelt of ruwheid het leed afstompt.Het werd haar gespaard. Alleen op de laatste visite, den vooravond van hun vertrek, vroeg de gastheer aan Wije of hij dacht te blijven wonen in zijn tegenwoordig huis.„Jawel,” meende deze. „Zoo heel groot is het niet.”„Daarom vroeg ik het niet,” zeide de gastheer. „Maar om de ziekte.”„De ziekte? Die komt en treft wiens tijd het is. Wij hadden alle voorzorgen genomen, en toch …”„In ’t geheel niet. De ziekte zit in het huis.”„De dokter verzekerde mij dat besmetting[172]haar overbrengt. Natuurlijk moet er aanleg zijn bij de persoon, maar voorts is het enkel besmetting.”Doch heftig protest volgde op deze woorden, vooral van de zijde der dames.„Weet niet, die dokter!” riep de vrouw des huizes, een Indische, uit. „Massa, besmetting; is-t-er niet.Tobat… zeg jij maar man.”„Indische lui,” verklaarde deze, „beweren dat de ziekte altijd bepaalde woningen treft. En ik geloof het ook. Veertien jaar geleden woonden wij in de stad; toen de ziekte kwam, zijn wij verhuisd, omdat een oude meid aan mijn vrouw gezegd had, dat in ons huis vroeger een geval was voorgekomen. Na ons trok een onderwijzer er in, en hij en zijn vrouw hebben het beiden gekregen.”„Ik dank u voor de raadgeving,” zeide Wije, en bracht het gesprek op iets anders over.Toen zij huiswaarts reden kwam het hem echter weer in de gedachte, en hij overwoog[173]de vraag, of er verband kon bestaan tusschen de overtuiging dier menschen en het feit, dat Anneke en hij, die het grootste gedeelte van den dag uit huis waren, zij op school, hij op het kantoor, waren gespaard gebleven; en hij nam zich voor tegen den Oostmoeson, onder een of ander voorwendsel, te verhuizen.Nog een paar dagen bleven er over eer zijn verlof om was, die hij doorbracht met in zijn huis alles te ordenen. Hij besloot Anneke niet langer te laten schoolgaan; de avonden kon hij nu geheel aan haar wijden; het was toch altijd een lievelingsdenkbeeld van hem geweest zijn eigen kinderen te onderwijzen; overdag moest zij dan voor het huishouden zorgen. Het meisje was met dit plan zeer ingenomen.[174]
Want ook in het Chineesche kamp waren offers gevallen, en toen het getal daarvan onrustbarend bleef stijgen, werd er een verzoek gericht aan den resident om een grooten optocht te mogen houden met vuurwerk.
Hooge stellages, met doek en papier bekleed, versierd met allegorische drakenfiguren en spreuken in gulden letters, en in den top een paar jonge inlandsche kinderen, stevig vastgebonden, voorafgegaan en gevolgd door wonderlijk toegetakelde Chineezen, werden langs de wegen gepikold door Javaanschekoelies.[151]En overal knalde en spatte het vuurwerk, pijlen, donderbussen enmertjons, oorverdoovend en den adem belemmerend. Doch dat was niets, zoo het doel slechts bereikt werd. En zie, het gelukte!
In het geheele Chineesche kamp was misschien niemand meer in zijn schik dan Piong Pan Ho. Ook voor zijn deur hadden dedjengeesstilgehouden, om zijn bijdrage te ontvangen; hij behoorde dus onder de bemiddelden. Hij wist het wel, en het feit op zichzelf verschafte hem natuurlijk groot genoegen, maar heden was hij voor de eerste maal in de gelegenheid het te kunnen toonen, en dat was veel meer waard. Zoolang toch een Chinees niet onaantastbaar rijk is, veroorlooft hij zich niets dat naar weelde of vertoon zweemt. En zóóver was Piong Pan Ho nog lang niet.
Even na zijn vestiging alstoko-houder was hij gehuwd. Het meisje dat hem in den beginne zoo bekoord had in detokovan Kan Liong[152]Tjoe, had hij van dezen overgenomen op billijke voorwaarden. Zij was een voorbeeldige Chineesche vrouw geworden. Als Piong Pan Ho op reis was, nam zij de zaken waar alsof het zoo behoorde; en het zou de vraag geweest zijn in wien de ondergeschikten een gemakkelijker chef zouden gehad hebben, in haar of in hem, gesteld dat hij zich met detokowas blijven bemoeien. Doch dit deed hij niet. Toen hij zag hoe goed het ging, bepaalde hij zich tot de onderhandelingen betreffende den inkoop, en voorts reisde hij, zaken doende voor Kan Liong Tjoe en zich, maar hoe langer hoe meer voor zich en minder voor den ander.
Het veroorzaakte geen breuk tusschen die twee. Kan Liong Tjoe had zooveel mogelijk voordeel getrokken uit zijn voormaligenklontong; daarmee moest hij tevreden zijn. Misschien had hij gehoopt nog meer uit hem te halen en hem daarom de vrije hand gelaten in het aanknoopen van nieuwe relaties, die nu van[153]wege hun eisch om veel contant geld en door de omstandigheid dat Piong Pan Ho het leeuwenaandeel in de voor hem geopende credieten had weten te bemachtigen, zwaar op hem drukten, stipt genomen was dit zijn eigen schuld, een speculatie die tegengeloopen was.
Toen het eerste jaar om was, dacht Kan Liong Tjoe dit nadeel te kunnen stuiten door zijn borgstelling bij de verschillende huizen op te zeggen. Hij ging dus rond, naar hij voorgaf om eens te informeeren naar den stand van Piong Pan Ho’s rekening. Doch overal waar hij kwam oogstte hij een onverwachten dank voor zijn recommandatie. Piong Pan Ho betaalde prompt en zelfs liet hij in den laatsten tijd slechts zelden prolongeeren, niettegenstaande zijn inkoopen gaandeweg grooter werden. Om geen mal figuur te slaan sprak Kan Liong Tjoe maar niet van zijn borgstelling, en verliet de eene firma na de ander met een flauw bewustzijn, dat zijn gewezen[154]klontongzoo mogelijk nog solider stond aangeschreven dan hijzelf, zij het voor een kleiner bedrag.
Piong Pan Ho moest grooter winsten maken dan hij; dàt stond vast. Maar hoe? Uit de binnenlanden was immers niet meer te plukken dan die zaken voor ieder ander opbrachten; trouwens de eerste maal dat deSingkehvoor hem uit was geweest, had hij één agent op knoeierij betrapt en getrouwelijk aangegeven; als de anderen ook knoeiden zou Piong Pan Ho dit evenzeer bemerkt hebben; voor medeplichtigheid was hij toen nog te groen, dàt bewees het aanbrengen van dien één. In de opiumpacht kon hij niet betrokken zijn, dat wist Kan Liong Tjoe, zelf deelhebber zijnde, te goed … Het intrigeerde hem eindelijk zoo sterk, dat hij besloot te trachten het persoonlijk uit te vinden en daartoe Piong Pan Ho in zijntokoop te zoeken.
Dit geschiedde den dag na Wije’s vertrek[155]en den grooten Chineeschen optocht. Hij was er niet geweest sedert het begin van Piong Pan Ho’s vestiging, want de bruiloft waarop hij genoodigd was geworden, mocht niet meerekenen; de geheele feestelijkheid had bestaan in lekker eten en drinken in een aangebouwdebamboe pendoppo, en veel verder waren de gasten ook niet gekomen. Dus zag hij nieuwsgierig rond. De indruk dien detokomaakte was: benauwd maar ordelijk. De legplanken langs de muren, die vroeger tot berging en uitstalling van dranken dienden, waren nu door doozen en pakken ingenomen; de ruimte in het midden werd gevuld door stapels zwaardere goederen en glazen kasten met galanteriewaren, precies als bij Kan Liong Tjoe, alleen de uitgespaarde gangetjes waren veel nauwer; men kon er maar even tusschen door en dan nog bukkende, want juist daar hingen de verschillende soorten van lampen aan de lage zoldering, die verder geheel bekleed was met in strikken[156]hangende spiegels, een uitstalling die tevens als reflector dienst deed en in alle hoeken voldoende licht wierp.
Voor het raam stond een tafeltje met Chineesche boeken, een bakje oost-indische inkt en een telbord; daarachter zat Piong Pan Ho’s echtgenoote. Zij riep met dat eigenaardig stemgeluid, het midden houdende tusschen het harde scherpe Chineesche en het zangerige Javaansche, en van uit een der gangetjes trad de huisheer zijn bezoeker te gemoet.
„Kan Liong Tjoe!” verwelkomde hij, aangenaam verrast. „Goed nieuws?”
„Goed nieuws,” zeide de ander. „Ik kom je eens opzoeken.”
„Ga mee naar achter,” raadde Piong Pan Ho.
Hij wees den weg. Het eerste gedeelte, grenzende aan detokoen een magazijntje daarop volgend, kende Kan Liong Tjoe, maar niet weinig was hij verwonderd toen hij in den muur hiervan een nieuwe deur zag. Zij[157]gingen er door en kwamen in een ander locaal, over een erfje en weer in een bergplaats; en zoo ging het voort door verscheiden gebouwtjes en hokjes. Eindelijk stond Piong Pan Ho stil.
„Dit,” zeide hij met de vlakke hand op een muur slaande, „moet ik er nog bij hebben; dan is het genoeg.”
„Waarvoor?” vroeg Kan Liong Tjoe. „Wil je detokovergrooten?”
Hij zei het maar om een vraag te doen, want op hun weg had hij opgemerkt dat Piong Pan Ho geen gebrek aan ruimte had; alleen in de voorste localen stonden koopwaren en niet eens dicht op elkaar. Maar waarvoor kocht deSingkehdan al die schuren?
„Laat ons teruggaan,” zeide Piong Pan Ho. „De thee staat klaar; binnen zal ik je mijn plan vertellen.”
Toen zij zaten ging hij voort:
„Dit gedeelte en detokowil ik laten staan.[158]Ook degoedangheel achteraan. Die komt uit op den weg aan den anderen kant, en is van een Arabier die haar wil verkoopen, doch op ’t oogenblik nog te duur; en.… ik moet ook nog wat wachten. Al wat er tusschen staat laat ik afbreken.”
Hij hield op en Kan Liong Tjoe zweeg eveneens; het duizelde hem. DieSingkehpraatte over koopen en afbreken alsof hij een goudmijn ontdekt had. „Ik moet nog wat wachten,” had hij zooeven gezegd, alsof de grootste financieele moeielijkheden daarmee vanzelf te overkomen waren.
„Dus je wilt,” vroeg hij ten slotte, toen de stilte aanhield, „diegoedangvoor bergplaats gebruiken?”
„Ja, voor rijst. We doen verkeerd met in dedessaenkel geld te brengen. Ze moeten daarvoor immers toch ook weer rijst koopen?”
Kan Liong Tjoe begreep eindelijk. Piong Pan Ho wilde zijn voorschotten in dedessa[159]in rijst verstrekken, natuurlijk tegen den prijs die in tijden van gebrek te maken was. Daartoe schuurde hij de rijst op, die dedessazelf hem leverde in goedkoope tijden. Eenvoudiger kon het niet; en het resultaat zou zijn dat de Javaan werkte voor den kost, en het surplus in den zak van den Chinees en consorten terechtkwam. Nu ja, dàt was altijd zoo, maar dezeSingkehverstond de kunst om zooveel mogelijk aan zich alleen te trekken.
„Waar berg je dan detoko-waren?”
„Ik doek detokoop, zoodra ik kan,” zeide Piong Pan Ho.
„Toch geen failliet?” vroeg de ander schrikkende. Hij dacht aan het gesprek van ruim twee jaar geleden en tevens aan zijn borgstelling.
„Neen.”
„Waarom dan?”
„Detokois goed om mee te beginnen. Men moet haar echter niet te lang aanhouden;[160]dan wordt het moeielijk en later onmogelijk zich ervan los te maken, en zij bindt mij de handen voor andere zaken.”
Een gevoel van kleinheid beving Kan Liong Tjoe. Hij, de grootstetoko-houder in het Chineesche kamp, was op dit oogenblik de mindere van zijn vroegeren leerling, die hem daar opeens een fout aanwees in zijn zaken, die hij vóór dezen nooit zóó had ingezien. Het drukte hem, zoodat hij opstond en afscheid nam, eerst toen hij thuis was tot het besef komend, dat hij het eigenlijke doel van zijn tocht had gemist. Piong Pan Ho had hem zijn toekomstplannen meegedeeld, maar hoe hij zoover gekomen was als hij nu blijkbaar stond, wist Kan Liong Tjoe nog altijd niet.
Eén geruststelling nam hij echter mee. Zijn instaan voor denSingkehzou hem geen nadeel berokkenen; dat had hij uit alles opgemerkt, en dat was een heel ding; want toen Piong Pan Ho sprak over het gebonden zijn door[161]detoko, vermoedde hij weinig hoe juist hij den spijker op zijn kop sloeg. Kan Liong Tjoe zat sedert het laatste jaar zoo vast als een muur. De zaken gingen goed genoeg, maar wat uit het eene hoekje los kwam, moest dienen om onmiddellijk het andere te stoppen; hij had over zijn vlottend werkkapitaal te veel beschikt; een toestand die jaren kon duren, doch door een kleinigheid in zijn evenwicht gestoord worden. Dat Piong Pan Ho in zijn te grooten ijver de aanleiding hiertoe geweest was, nam hij dezen alweer niet kwalijk; hij had op zijn voorstellen niet behoeven in te gaan. De zaak was nu vol te houden zoo goed hij kon; viel de slag, dan was het betrekkelijk niet eens zoo erg, en misschien zelfs beter; hij zou dan weliswaar opnieuw moeten beginnen, doch met de relaties buiten detokoom, en het voorbeeld van Piong Pan Ho volgende, was het te doen.
In kalme rust hadden Wije en Anneke hun[162]tijd in het gebergte doorgebracht. Rustig en zorgeloos. Met buitengewone kieschheid had iedereen hen in hun droefheid alleen gelaten, zonder hinderlijk betoon van deelneming, en toch hadden zij van af den eersten dag zich omringd gevoeld van vrienden, die zij niet zagen maar in allerlei kleine attenties bemerkten. Wije was nog nooit verder geweest dan Semarang. De wenk van den dokter om wat beddelakens en sloopen mede te nemen, was hem niet bijzonder opgevallen; wie wist hoe zoo’n logement in de bergen ingericht was! Doch te Oengaran wachtte een inlander het rijtuig op, zeide een paar woorden tot den koetsier en sprong op het achterplankje. Toen sloegen zij rechtsaf, achter de sociëteit om, en hielden even daarna stil voor een kleine woning.
„Is dit het logement?” vroeg Wije, nadat zij uitgestegen waren.
„Neen meneer, een logement is hier niet,”[163]zeide de inlander. „Meneer is toch de vriend van dentoewandokter?”
„Ja.…”
„Dan moet meneer hier wezen. Ik heb gisteren avond laat bevel gekregen om meneer op te wachten.”
Later toen hij weer op Semarang terug was, vernam Wije dat het optrekje aan een administrateur van een onderneming in ’t gebergte toebehoorde, en deze er den dokter de beschikking over liet gedurende de eerste maanden van den Westmoeson.
De eerste dagen praatten Wije en Anneke bijna uitsluitend over hun verlies. Maar elk onderwerp raakt uitgeput, zoo ook dit, te meer waar de omgeving niet bijdroeg hen daar telkens en telkens weer aan te herinneren. Thuis, met alles dat sprak van haar die heengegaan was, zouden zij zich niet zoo spoedig over hun geweldige droefheid heengezet hebben, doch hier ondergingen zij weldra den invloed van[164]het nieuwe. En daar beiden voor het eerst van hun leven het majestueuze natuurschoon van de bergen aanschouwden, kon het niet missen of hun aandacht werd daardoor afgeleid.
Er was een plekje, ongeveer een half uur van hun huis, waar zij dikwijls heengingen. Daar hadden zij het steeds zoo aantrekkelijke gezicht in de vlakte, thans in donzigen nevel gehuld, vlak en gelijkmatig zwevend waar de zon scheen, maar witbruisend opstijgende op die plaatsen, waar de wolken hun regen in grauwe strepen omlaag zonden. Onder hen de kruinen der boomen in de ravijnen, in hun zwaarmoedig donkergroen, uit de diepte langzaam opkomend, aan weerszijden van de plek waar zij stonden, zich achter hen hoog verheffend.
Wije leerde zijn dochter het schoone daarvan te zien, naarmate hij zelf het in zich opnam, telkens wat nieuws. Maar toen zijn eigen gemoedsstemming veranderde, begon hij in het[165]landschap, dat hem de eerste maal overweldigend had aangedaan, iets te missen. Tevergeefs trachtte hij zich echter rekenschap te geven, van wat er dan ontbrak.
„Men schijnt het toch niet te dikwijls te moeten zien,” zeide hij eens, nadat zij langen tijd zwijgend hadden staan kijken.
„Het is zoo stil,” merkte Anneke op.
Wije greep het denkbeeld.
„Je hebt gelijk,” zeide hij. „Er ontbreekt leven en bedrijvigheid. Nu voel ik het! Op een plaats als deze moet het geweest zijn dat de Ziener zijn paradijs schiep; onder den indruk dezer natuur bevolkte hij het met levende wezens, veranderde hij de wildernis in een lusthof, geschikt tot opname van den mensch. Maar weldra, zich met dezen vereenzelvigende, gevoelde hij de verveling, die hij eerst zocht te verdrijven met de rangschikking van het bestaande, daarna door zich te wijden aan het onderzoek naar het ontstaan. Hierin niet slagende,[166]zag hij om naar een ander wezen, aan wie hij zijn kennis kon mededeelen en die hem verder helpen zou waar hij stuitte; de vrouw. Doch ook te zamen konden zij niet doordringen in de geheimen van het heelal; en beiden zouden zij bezweken zijn onder hun rusteloos denken, bij de eenvormigheid van den alles voorkomenden overvloed door niets afgeleid, zoo hun de weg niet gewezen ware naar de laaglanden, waar behoefte hen drong tot werken; zij het in het zweet huns aanschijns, maar werken! Daarin alleen ligt genezing voor de kranke ziel.
„Ook wij, Anneke, moeten werken. Wij hebben volop genoten van de rust en de natuur; laat ons gaan eer het ons te veel wordt. Je hadt gelijk; het is hier te stil.”
Hij wierp nog een laatsten blik over het landschap, en wendde zich om. Anneke volgde hem op het smalle voetpad. De woorden, die hij gesproken had, begreep zij niet geheel;[167]doch naar het voorbeeld van haar overleden moeder, had zij zonder zich te bewegen geluisterd. Alleen het slot meende zij te vatten, en het verheugde haar. Zoodra de weg breeder werd, kwam zij naast hem, haar hand in zijn arm leggende.
„Wanneer gaan we, papa?”
„Begin je ook te verlangen?” vroeg hij terug. „Nu, dan zullen wij dadelijk zorgen. Overmorgen kan er een rijtuig zijn. Maar eer we heengaan, dienen wij eenige visites te maken bij de menschen die ons vriendelijkheid betoond hebben. Willen we daar van avond maar mee beginnen?”
„Goed pa,” zeide Anneke.
Toch zag zij er een weinig tegen op om vreemde menschen te ontmoeten. Zij was anders niet teruggetrokken, iets dat trouwens in Indië over het algemeen zeldzaam voorkomt. In Europa zijn de huizen gesloten, dikwerf nog met een stevig hek voorzien, dat den[168]bezoeker als ’t ware toeroept: ge komt er niet gemakkelijk in! Zet hij zich over dien indruk heen en schelt hij aan, dan blikken de vensters op hem neer, voorzien met horretjes of de meer moderne vitrage, waarachter zich de huisgenooten verbergen zonder hun eigen uitzicht te belemmeren, en de onaangename gewaarwording van bespied te worden maakt zich van hem meester. Hij weet dat men door een dier vensters hem bekijkt met de wat-is-dat-voor-’n-vent uitdrukking in de oogen, doch uit welk kan hij zelfs niet gissen; op goed geluk af heeft hij zijn gelaat naar links gewend, geplooid tot een trek die voorname vriendelijkheid moet te kennen geven, maar in werkelijkheid òf knorrig òf schaapachtig uitvalt. Maar … het zou ook kunnen wezen dat „men” achter hem zit. Dus tracht hij met zijn keerzijde denzelfden indruk te maken, wat de verschijnselen van lichten spierkramp in het leven roept, en is de bezoeker, een bezoekster,[169]een nog komischer uitwerking heeft. Eindelijk gaat de deur open en bij al het vorige voegt zich het kritisch onderzoek door de meid of, wat nog hatelijker is, door den knecht. Is dit gunstig uitgevallen, het verlof gegeven om te mogen zeggen wie er is, de bezoeker naar den indruk die zijn naam maakt, in de mooie kamer, of het spreekkamertje gelaten, de drie minuten verloopen waarin hij zich vervelen mag en die in de huiskamer met het uitspreken van woorden als: wie is het, ken jij hem, neen, hm, vervelend, zijn aangevuld, dan treedt ten slotte de heer des huizes bij den patiënt binnen en liegt hem voor dat het een aangename kennismaking is. De bezoeker hoopt in stilte dat zij dit op den duur worden moge; maar tenzij hij in rang ongeveer gelijk staat met den sultan van Turkije of den Shah van Perzië, blijven voorloopig de bewoonsters van wat hij in de bitterheid zijner ziel denharemnoemt, voor hem onzichtbaar.[170]
In Indië daarentegen zijn de huizen open, de erven omtuind door een laag muurtje of een ketting in pilaartjes opgehangen, de ingang meest zonder hek. De bezoeker ziet de familie in haar voorgaanderij en treedt onmiddellijk bij zijn komst in den kring; en al was men niet vóór, op het oogenblik van zijn komst, toch duurt het niet lang of allen verschijnen en scharen zich om de groote ronde tafel. Men verzoekt hem allereerst zich op z’n gemak te zetten, presenteert hem iets. Dan wordt weldra het gesprek algemeen en alle gegevens zijn daar om de kennismaking werkelijk aangenaam te doen zijn. Het behoeft geen betoog dat door deze methode de jongeren tot conversabele menschen worden opgevoed; waar dat niet plaats vindt ligt het aan de personen, niet aan de omstandigheden.
Zoo was ook Anneke het thuis gewoon, en een vreemd gezicht schrikte haar niet af.
Dat was het dus niet, wat haar dien avond[171]met looden schoenen haar vader deed vergezellen. Doch ieder mensch die het slachtoffer werd van een groote ramp, draagt nog lang daarna zijn ziel als gewond met zich om. Elke aanraking, hetzij goed of kwaad bedoeld, smart hem en hij trekt zich schuw terug. Tot langzamerhand de tijd de wonden heelt of ruwheid het leed afstompt.
Het werd haar gespaard. Alleen op de laatste visite, den vooravond van hun vertrek, vroeg de gastheer aan Wije of hij dacht te blijven wonen in zijn tegenwoordig huis.
„Jawel,” meende deze. „Zoo heel groot is het niet.”
„Daarom vroeg ik het niet,” zeide de gastheer. „Maar om de ziekte.”
„De ziekte? Die komt en treft wiens tijd het is. Wij hadden alle voorzorgen genomen, en toch …”
„In ’t geheel niet. De ziekte zit in het huis.”
„De dokter verzekerde mij dat besmetting[172]haar overbrengt. Natuurlijk moet er aanleg zijn bij de persoon, maar voorts is het enkel besmetting.”
Doch heftig protest volgde op deze woorden, vooral van de zijde der dames.
„Weet niet, die dokter!” riep de vrouw des huizes, een Indische, uit. „Massa, besmetting; is-t-er niet.Tobat… zeg jij maar man.”
„Indische lui,” verklaarde deze, „beweren dat de ziekte altijd bepaalde woningen treft. En ik geloof het ook. Veertien jaar geleden woonden wij in de stad; toen de ziekte kwam, zijn wij verhuisd, omdat een oude meid aan mijn vrouw gezegd had, dat in ons huis vroeger een geval was voorgekomen. Na ons trok een onderwijzer er in, en hij en zijn vrouw hebben het beiden gekregen.”
„Ik dank u voor de raadgeving,” zeide Wije, en bracht het gesprek op iets anders over.
Toen zij huiswaarts reden kwam het hem echter weer in de gedachte, en hij overwoog[173]de vraag, of er verband kon bestaan tusschen de overtuiging dier menschen en het feit, dat Anneke en hij, die het grootste gedeelte van den dag uit huis waren, zij op school, hij op het kantoor, waren gespaard gebleven; en hij nam zich voor tegen den Oostmoeson, onder een of ander voorwendsel, te verhuizen.
Nog een paar dagen bleven er over eer zijn verlof om was, die hij doorbracht met in zijn huis alles te ordenen. Hij besloot Anneke niet langer te laten schoolgaan; de avonden kon hij nu geheel aan haar wijden; het was toch altijd een lievelingsdenkbeeld van hem geweest zijn eigen kinderen te onderwijzen; overdag moest zij dan voor het huishouden zorgen. Het meisje was met dit plan zeer ingenomen.
[174]