VIII.

[Inhoud]VIII.VIII.ZOU DIE OOIT TERECHT KOMEN?De eerste keer dat Wije weer op het kantoor verscheen, wachtte hem een nieuwtje. Eenige dagen geleden, zoo vertelde men hem, hadden de chefs ’s morgens vroeg zitten lachen en pret gehad, wel tien minuten lang. Waarover, had men niet kunnen opvangen; doch in het middaguur, toen ze naar huis waren, liet de correspondent door den klerk Meijerbeer een paar brieven op den lessenaar van den chef neerleggen. Men hoorde kort daarop een gegiegel, en de klerk met zijn muzikalen naam kwam grijnzend terug.[175]„Ik weet, meneer,” riep hij uit, zoo opgewonden als dat bij iemand van zijn slag mogelijk was.„Laat hooren.”„Zal-d-er komen een jongelui met de overgroote meerderheid van zedelijkheid.”„Watblief?” zeide de correspondent.„De desbetreffende missive ligt op meneer zijn tafel,” ging de klerk voort; „zijn schaapachtigheid grenst aan de ongeloovigheid, maartida koerang wang. Hij moet met de stukken van het geld leeren slaan.”De employé’s zagen elkaar aan; de nieuwsgierigheid was groot; ieder dacht hetzelfde, koesterde dezelfde begeerte; maar toen deze op het punt stond zich te uiten in een algemeen opstaan en stormen naar de kamer der chefs, werd zij intijds bedwongen door den correspondent, die inzag dat zoo iets geen pas gaf tegenover de inlandsche oppassers.„Hier, Meijerbeer,” zeide hij, dezen een[176]schoon vel papier en een potlood aanreikende, „maak als de bliksem een afschrift. ’t Hoeft niet mooi, hoor! En niets verschikken op de tafel.”Het luidde als volgt:Amice!Heb medelijden met een diep ongelukkig vader! Als gij dezen ontvangt is mijn zoon Johan, mijn eenige, dicht bij de stad uwer inwoning en zal weldra voor u staan. Schrik niet als gij hem ziet en lach niet, wat ik u bidden mag; het is te ernstig. Het zal u moeielijk vallen in zijn trekken de mijne te herkennen of die mijner overleden vrouw, zóó zijn zij misvormd door een uitdrukking van schaapachtigheid, die aan ’t ongeloofelijke grenst. Misschien is het mijn schuld, dat ik hem als jongen te weinig bespied, te veel toegegeven heb, te lang een gouvernante gelaten—ik weet het niet; trouwens in onzen kring werken allerlei omstandigheden daartoe[177]mede, dat wij de zorg voor een kind aan vreemden moeten overlaten. Maar toen zijn moeder dood was had ik meer gelegenheid hem te observeeren. Ik zag toen zijn kwaal en meende die te moeten toeschrijven aan gebrek aan omgang met jongelui van zijn leeftijd. Zoo spoedig mogelijk liet ik hem klaar maken voor de academie, en bracht hem zelf naar Leiden. Helaas! twee maanden later kwam hij weer thuis, nu voorgoed bedorven. Ik kon hem niet meer weg krijgen; van dien dag af leidde hij een leven dat ik verklaar niet te begrijpen. Hij is ziek; ziek door overmaat van zedelijkheid, ingetogenheid, lichtgeloovigheid—wat moet ik er nog meer bijvoegen? Ik heb het onmogelijke gedaan om hem te genezen; ik heb feesten gegeven, maar dan sloot hij zich op in zijn kamer; ik heb zijn nichtjes hier gelogeerd, maar na eenige dagen liep hij met hen op en neer als ware hij zelf een meisje; en zij, die anders nuffig[178]genoeg zijn, sloegen de armen om zijn taille—bah! Eindelijk heb ik zelf geprobeerd hem te verleiden; ik heb hem gebracht in de buurt van plaatsen—enfin, ik ben gegaan zoover als ik durfde en gaan kon als vader. Maar het is niet langer te dulden. Zooals hij is kan hij niet blijven, kan hij niet optreden als erfgenaam van onzen ouden naam en fortuin. Mijn laatste hoop is gevestigd op Indië. Gij hebt het mij nooit geschreven, doch als ik de boeken mag vertrouwen die over dat land handelen, dan is het daar een zoodanige maatschappij, dat men hier te lande wèl zal doen zoo men verzwijgt er in te hebben verkeerd. Daarheen zend ik mijn Johan, in het vaste geloof dat de invloed van de omgeving op den duur uitwerken moet, wat hier onmogelijk blijkt: eenigermate een mensch van hem te maken. Ik geef hem royaal reisgeld mee en zeide hem zich voor het verdere tot u te wenden; ingesloten zult ge een wissel van[179]ƒ 5000.— vinden, terwijl een gelijk bedrag in den loop van het volgend kwartaal door mij zal verzonden worden. Wil hem aanmoedigen er zooveel mogelijk van te gebruiken en mij schrijven als er meer noodig mocht zijn. Van harte hoop ik dat hij terecht komt. Het eenige wat ik u in den naam onzer oude vriendschap verzoek is dit: wil het oog op hem houden; en als hij het te eeniger tijd zóó bont mocht maken, dat zelfs in de Indische maatschappij zijn doen en laten wordt gelaakt, stuur hem dan terug. Dan eerst geloof ik aan eene duurzame verbetering. Vrees niets zoo hij zich aan de ten uwent getolereerde ondeugden mocht overgeven; onder de strengere vormen onzer samenleving hier, zal zich dat alles bij een karakter als het zijne, spoedig tot de normale grenzen laten terugbrengen.Ontvang mijne meest vriendschappelijke groeten.J. Th.…[180]De handteekening had Meijerbeer niet kunnen ontcijferen. Dat was een groote teleurstelling, doch na een paar dagen wist men den naam; er was in het logement waar ook de procuratiehouder woonde, door den chef een kamer besteld voor den heer van Beek.„Sapristi, wat ’n ouwe naam!”„Die heer papa schijnt een klap van den molen beet te hebben.”Ook Wije had geglimlacht, toen hij na het lezen van den brief, dien zoo veel verspreiden naam vernam.„Maar met het geld schijnt het in orde te zijn,” merkte hij op.„Dat zal waar zijn! We hebben al plan gemaakt om hem zijn aankomst met een gloeiende fuif te laten vieren.”„Met dat al is het niet plezierig voor hem, dat die brief … zoo verdwaald is geraakt,” zeide Wije. „Jelui hebt er toch buitenaf niet over gesproken?”[181]Er volgde eenig zwijgen.„’t Is geen zaak die de firma betreft,” meende de correspondent.„Hm, ik zie het al,” zeide Wije; „en ik begrijp wat er volgen moet, als de stumper voet aan wal gezet heeft. Ik had wel trek hem onder mijn bescherming te nemen.”„Dat doe,” zeide de procuratiehouder lachend.De oude heer van Beek had verzuimd te melden met welke boot zijn zoon zou vertrekken. De chef der Semarangsche firma had in den beginne een paar maal de passagierslijsten ingezien van de kustbooten, maar onder alle andere drukten had hij de geheele geschiedenis vergeten, tot plotseling de jonge van Beek zijn kantoor binnenkwam. Een tamelijk lange, schrale figuur, een spitse neus tusschen bleekblauwe, starende oogen, door een bril in hun functie bijgestaan, donkerblond haar dat minstens in geen twee maanden geknipt was, ziedaar de persoon die, gestoken in een grijs fantasiepak,[182]blazende van de hitte en verschrikkelijk transpireerende, zich voorstelde als Johan van Beek.„Aangenaam kennis te maken; ga zitten,” zeide de chef. „Je schijnt het warm te hebben.”„Ja meneer, de wandeling hierheen viel niet mee.”„Je hebt toch niet geloopen? Ja? Waarom heb je geen wagen of dogcart genomen?”„Men zei dat het zoo wat twintig minuten gaans was, en toen vond ik het zonde daarvoor een rijtuig te nemen,” verklaarde van Beek, terwijl de jongste chef zich dieper over zijn papieren heenboog.„Nu, dat zal je in ’t vervolg wel anders leeren inzien. Is de reis voorts nogal voorspoedig geweest?”„Dank u. Alleen hier heb ik moeite gekregen met mijn bagage. Men vroeg mij een bewijs, een pas, of zoo iets, en toen ik dien niet had, moest alles door naar een grooten[183]boom.… men zei ik zou hem wel zien onderweg, maar ik heb niets als kleine boompjes gezien en een breede laan.”„In orde, ik zal er voor laten zorgen.” En de chef schelde. Aan den oppasser gelastte hij den boomklerk te roepen en ging voort tot van Beek: „De „Boom” is hier het douanelokaal. Je zult zelf even met den klerk mee moeten. Heb je witte kleeding in je koffers?”„Jawel meneer, maar ze zeiden dat het gevaarlijk was daarmee aan wal te gaan voor iemand die de eerste keer in ’t land kwam, vanwege de plotselinge koude buien.”„Je moet je niet zooveel wijs laten maken,” zeide de chef met geweld zijn ernst bewarende. „Ha, daar is Bolman. Bolman, ga met meneer mee naar den Boom en help hem zijn goed in te klaren. Vervolgens breng je hem in ’t logement, en.… rijd even bij een kapper aan en zeg hem meneer’s haar te knippen zooals hier gebruikelijk is. Begrepen?”[184]„Best meneer,” zeide de boomklerk.„Nu, van Beek,” vervolgde de chef, „tot ziens. Ik kom in den vooravond bij je; blijf zoolang thuis en kleed je wat luchtiger. Bonjour.”Het sprak vanzelf dat de boomklerk ’s middags, toen de chefs waren gaan eten, rapport moest doen. De employé’s kregen hun rijsttafel op het kantoor gezonden, en zelden waren zij daarmee zoo spoedig gereed en de bedienden met de etensdragers vertrokken, als heden. Toen verzamelden zij zich om Bolman heen.„Wat ’n portret!” begon deze. „Wij gingen maar eerst naar den kapper; want ik geneerde mij een beetje om zóó met hem aan den Boom te komen. Ik zei den Franschman, dat hij hem kort knippen moest—in ’t Maleisch, omdat de baas mij een knipoogje gegeven had—en hij deed het. Onze vriend zweeg als een mof zoolang het duurde. Toen het afgeloopen was haalde hij een dikke portemonnaie uit zijn zak[185]en scharrelde er een poos in, totdat hij een kwartje vond. Dat legde hij op tafel. Maar de Franschman deed alsof hij het niet zag en zei: „Ça fait un florin, monsieur.” Daar had je de poppen aan het dansen! Hij dacht zeker dat hij werd afgezet en begon op te spelen van heb ik jou daar. Ik had niet gedacht dat er nog zooveel pit in den vent zat, en Fransch sprak hij als water, zoodat ik het nauwelijks volgen kon. Het duurde een heele poos, eer ik hem kon beduiden dat dit hier de prijs was. En nog geloof ik dat hij mij maar half vertrouwde.Soedah, om aan den Boom niet weer hetzelfde gehaspel te krijgen, heb ik eerst betaald en hem later in ’t logement de quitantie voorgelegd. Dat heertje schijnt erg op den penning te zijn. Maar.… hoe oud denken de heeren dat hij is?”„Zeven en twintig,” raadde er een, en op het ontkennend hoofdschudden van den boomklerk telde men door, tot dertig toe.[186]„Een en twintig!” zeide Bolman eindelijk, onder kreten van verbazing. „Hij wordt de volgende maand twee en twintig.”In den vooravond reed de chef naar het logement. Hij ontveinsde zich niet, dat het een moeielijke opdracht was hem door van Beek’s vader gegeven; maar hij herinnerde zich, hoe hijzelf eenmaal door zijn rijken schoolvriend was voortgeholpen, ja feitelijk gebracht tot de positie die hij nu bekleedde; en mocht hij er al eenige oogenblikken over gedacht hebben zich dezen last van den hals te schuiven, bij nadere overweging begreep hij dat de oude van Beek, met de macht van zijn enorm fortuin, een niet te verachten vijand zou wezen en hem evenveel kwaad als voorheen goed zou kunnen doen.„Wel, van Beek,” opende hij het gesprek, „vertel me nu eens wat van den ouden heer.” En terwijl het jonge mensch praatte, daartoe telkens door een korte vraag aangemoedigd,[187]bespiedde hij hem en trachtte de met hem te volgen gedragslijn gaandeweg vast te stellen.Nu is men in Indië gewoonlijk nogal spoedig gereed met zijn oordeel over een nieuwgekomene; een toevallige indruk, een ongelukkig woord, een praatje van iemand die hem vroeger gekend heeft, en men is gereed om een uitspraak te doen, die dit eigenaardige heeft dat zij den getroffene overal volgt, waarheen hij zich in dat land ook begeeft. Is zij gunstig, zooveel te beter, doch dikwijls vernietigt zij zonder mededoogen een geheele carrière.De chef had dan zitten luisteren, met het rustige van iemand die zeker van zijn zaak is. Hij zou dat karakter wel binnen korten tijd schatten. En zie, na een goed kwartier trok hij met groote beslistheid de som. Die jonge man was niet zoo dom als zijn vader meende, enkel maar wat groen, en dàt zou er door de wrijving met anderen wel uitgaan. Och heer, hij had er zooveel zien komen, die[188]erger waren dan deze, en in een paar jaar ontbolsterd waren!„En wat zijn nu je plannen voor de naaste toekomst?”„Papa zei, ik zou dat eens met u overleggen.”„Jawel, maar aangezien het je vrij staat te kiezen, zou ik wel eerst willen weten waar je den meesten lust toe hebt. Over de uitvoering kunnen we dan spreken. Hoe denk je over een reis door Java, om te beginnen?”„O neen, meneer,” antwoordde van Beek haastig; „ik wil werken.”„Werken?” herhaalde de chef.„Ja meneer. Ik mag, nu ik hier ben, mijn vader niet langer tot last zijn. De reis heeft toch al zoo verschrikkelijk veel geld gekost.”De chef begon te lachen.„Hoeveel denk je wel dat je vader bezit?”„Drie millioen ongeveer, en als de oude tantes sterven komt er nog een millioen bij. Dat weet ik; maar aan alles is opmaken.”[189]Met een beweging van schrik en verrassing sprong de chef op van zijn stoel. Het was toch ernstiger dan hij gemeend had. Was dat onnoozelheid of vrekkigheid? De toon waarop het gezegd was en de keus der woorden weersprak het eerste. Maar dan was het een abnormaliteit, zóó groot … ja, dàn had de oude van Beek toch gelijk!„Hoor eens,” zeide hij, eenigszins kortaf, „dat je wilt werken is goed; ik zal je er aan voorthelpen. Wij staan in relatie met een suikerfabriek niet ver van Solo; daar zal ik je een plaatsing bezorgen. Eerstbeginnenden doen het beste de binnenlanden in te gaan, en de stad is niet ver van de fabriek. Maar je blijkt zoo in ’t geheel geen verstand te hebben van geld en van wat je past als je vaders zoon, datikvoorloopig de manier zal regelen waarop je verteringen worden ingezet. Kom overmorgenavond bij ons eten, dan is er tevens antwoord van de fabriek.”[190]Onder dit gesprek, dat in een hoek der groote voorgaanderij plaats vond, had zich meer in het midden, een kring gevormd van logé’s. Hij paalde aan de bittertafel, waar de eene helft met den rug heengewend zat, terwijl zich de uitersten van de andere helft buiten het afdak in de open lucht bevonden. Het waren stadsbewoners en buitenlui, onderscheiden door hun gelaatskleur, die van gene wit, van deze vuurrood was. Een tweede verschil, maar dat allengs verdween naarmate de avond vorderde, was het stemgeluid, dat van de buitenlui ongegeneerd hard klonk.Van Beek, die den vertrekkenden chef nazag, bemerkte dat hij bij het passeeren van het vroolijke troepje eerbiedig gegroet werd, terwijl een hunner opstond en hem blijkbaar een vraag deed, die de chef na eenig aarzelen, schouderophalend en lachend beantwoordde. En toen hij weggereden was ontstond er in den kring een gefluister. Plotseling[191]rees een groote gestalte van zijn stoel op.„Wat zeg je?” hoorde de nieuweling in den hoek. „Van Beek? Een zoon van.…?” En hij trad uit den kring rechtstreeks op den genoemde aan.„Wat hoor ik,” zeide hij; „is u een zoon van den ouden heer van Beek?”De aangesprokene verklaarde dit inderdaad te zijn.„Wel wel, dat doet me plezier! Bergen en dalen.… dat ken je. Kom eens gauw bij ons zitten.”„Heeft u papa gekend?” vroeg van Beek, die door reuzenkracht meegetroond, zelfs niet aan tegenspartelen dacht.„Dat zal waar zijn! Je vader en de mijne waren schoolkameraads. En.… laat me je eens voorstellen: meneer Rivière, óók een schoolkennis van je vader, dat wil zeggen zijn oude heer; meneer Jansen, van Epscheuten, Kraai, en ik heet Bach. Allemaal van de fabrieken[192]Iringmanis en Koeningajoe. De andere heeren hooren hier in de stad thuis en staan al te popelen om hun naam te zeggen.”Zoo was het, en na iederen naam een handdruk, tot van Beek eindelijk op een stoel gedrukt werd, met een gevoel alsof hij eksteroogen aan al zijn vingers had.„Een bittertje, of een glas port?” presenteerde hij, die zich Bach genoemd had.„Liever een glas port,” nam van Beek aan.Aan tafel zou hij bij voorkeur water gedronken hebben, maar men liet niet af, en al spoedig hadden de jongelui de overtuiging dat van Beek, om hun eigen woorden te gebruiken, niets afsloeg dan vliegen. En in deze opinie werden zij versterkt, toen zij hem na den eten, meegenomen hadden naar de sociëteit.Van Beek verklaarde niet te kunnen biljarten. Met edele zelfopoffering schaarden zij zich daarop om de kletstafel; maar als de wijn aan tafel en de voortzetting daarvan in de sociëteit[193]niet alreeds hun invloed op van Beek hadden doen gelden, dan zou hij voorzeker weggevloden zijn. Wat een gesprekken! En welk een tafereel hing men op van het leven in de binnenlanden! Hij twijfelde geen oogenblik, of alles wat men zeide was de nuchtere waarheid, want zij spraken immers niet tot hem, doch onder elkaar, en op den meest eenvoudigen toon. Die Jansen bijvoorbeeld, vertelde met het grootste cynisme, hoe hij een paar weken geleden een Javaansch meisje uit haar woning had weggeroofd, op een oogenblik dat haar vader en haar broers in desawahwerkten; en toen deze later op hun knieën voor hem lagen, hem smeekende het meisje terug te geven, had hij hen met revolverschoten neergeveld en de lijken in de rivier doen werpen. Daarop hadden allen gelachen en Jansen „een kraan van ’n vent” genoemd.Het was zóó erg, dat van Beek niet eens zijn afschuw durfde te kennen geven en zich bepaalde[194]tot een poging om zijn schrik weg te spoelen uit het voor hem staande glas, dat door een geheimzinnige zorg steeds opnieuw gevuld werd.„Je mocht óók wel eens wat presenteeren,” fluisterde zijn buurman hem in. „Ze hebben jou al zoo veel geöffreerd.”„Dat moeten zij weten,” was het antwoord. „En.… ik heb eigenlijk al genoeg.”„Wel verd.…” begon de buurman, bijna uit zijn rol vallende, met grooten lust van Beek een oorvijg toe te dienen; doch hij herstelde zich. „Nu, een glaasje champagne tot besluit, drink je nog wel met ons mee?”„Ja, daar heb ik altijd veel van gehouden.”Hij hield het niet lang meer vol, doch tot het laatste oogenblik bewaarde hij wat men zijn „verstand” geliefde te noemen en met zijn plotseling wegzakken de jongelui, die hem in de armen van zekere Olympische godin hadden willen voeren, het koopje gevend van hem thuis te moeten brengen.[195]Den volgenden dag moest van Beek het bed houden. Vruchteloos trachtte hij zich te herinneren wat er in den loop van den vorigen avond met hem gebeurd was, doch één indruk was blijvend: die van de schildering der binnenlanden. Daar zou hij zich niet in wagen, en dit herhaalde hij telkens bij zichzelf, tot hij gevoelde een voldoenden voorraad koppigheid te hebben aangekweekt, om het ook tegenover den vriend van zijn vader te kunnen volhouden.Het gelukte dezen niet hem dien onzin uit het hoofd te praten, en het einde was, dat hij om erger te voorkomen, van Beek bij de firma inlijfde, voorloopig zonder tractement, om te zien wat er uit hem te maken was. Om te beginnen werd hij aan den boomklerk toegevoegd, en belastte deze hem met het schrijven der duplicaat-verklaringen van invoer, terwijl hij hem gaandeweg onderwees in het opmaken dier stukken in originali. Het bleek[196]dat het van Beek noch aan goeden wil, noch aan vlug begrip ontbrak.„Ik zou hem gerust alles overlaten,” zeide de boomklerk een paar maanden later, „als hij zich niet telkens wat liet wijs maken. Maar soms doet hij de gekste dingen, en dan komt het geregeld uit dat de een of ander hem er heeft laten inloopen; waarschuwen helpt niet.”Meestal waren het de jongelui uit het hotel, die van Beek beetnamen. In den eersten tijd na het sociëteitsavondje hadden zij hem links laten liggen. De indruk van een klaplooper te zijn, dien hij hun gegeven had, was daarvan de oorzaak. Maar daar hij toch onder hen woonde en verkeerde, was dit op den duur moeilijk vol te houden. Toen begonnen zij zijn lichtgeloovigheid te exploiteeren; en de vele koopjes die hij daarbij snapte, waren een bron van vermaak en conversatie. Wie de sociëteit of bij een familie binnenkwam met de woorden: „heb je de laatste mop van van Beek al vernomen?”[197]was zeker van een willig gehoor. Zoodat zijn reputatie overal doordrong. Hemzelf kregen echter weinigen te zien, want behalve tot de meest verplichte, was hij tot visites maken niet over te halen; en nadat een der jongelui hem een plaats in zijn rijtuig geweigerd had, bij gelegenheid van een partij bij den resident, en hij toen was thuisgebleven, omdat hij geloofde wat men hem vertelde, dat men er te voet niet heen kon gaan, en hij de uitgaaf van een rijtuig niet wilde doen, bedankte hij voor alle volgende invitaties.De belangstelling in zijn persoon begon echter langzamerhand te verflauwen, vooral daar de Oostmoeson was aangevangen en men zich afvroeg wat er dit jaar van de ziekte komen zou, toen van Beek plotseling door twee daden zijn naam weer op aller tong bracht. De eerste deed vooral de handelswereld het hoofd schudden.Het was hem toch niet ontgaan, dat bij het opmaken der verklaringen tot invoer der goederen,[198]de zoogenaamde passen, waar die goederen niet op de bij Staatsblad vastgestelde prijslijst voorkwamen, en de firma dus zelf de waarde moest opgeven, dit met een zekere zuinigheid gedaan werd. En hoe kon het ook, daar de boomklerk hem had uitgelegd dat juist hierin de kracht van zijn betrekking lag, zóó aan te geven dat de Boom geen aanmerkingen maakte en toch de firma niet meer dan een minimum invoerrecht betaalde, ja zelfs een soliden naam aan den Boom behield. Want ging men te ver dan heette het smokkelen, en wee de firma die daarvoor bekend stond! Alles wat zij invoerde werd opengemaakt, gewogen, doorzocht; hetgeen groot tijdverlies en dikwerf schade aan de goederen en althans aan de verpakking met zich bracht.De employé’s die in het logement woonden, hadden de gewoonte om soms hoog op te geven van hun slimheid in boomzaken, en de trekken te verhalen die zij de ambtenaren[199]speelden. Het spreekt dat daarbij niet zelden werd overdreven, en toen van Beek kwam deed men dit opzettelijk om hem, die alles geloofde, er in te doen loopen. Op zekeren avond zaten zij weer bij elkaar, en vormde de Boom het onderwerp van discours.„Heb je al eens Adrianopel-garen ingevoerd, van Beek?”„Neen, nog niet.”„Zoo; dan ken je dentrucook niet. Het komt in kisten en is verpakt in kleine pakjes van een gros kluwtjes, of soms meer; dat hangt van den afzender af. Maar het wordt geprijsd per gewicht. Aan den Boom nemen ze een pakje, storten dat uit, wegen het, en berekenen het totaal, dat natuurlijk kloppen moet met je aangifte. Begrijp je dat?”„Ja zeker.”„Maar als je dat deed, zou je toch heel gek staan te kijken. Weet je waarom? In de kluwentjes zitten stukjes hout, van een vrij zwaar[200]soort, en daarvan is het gewicht natuurlijk op de factuur afgetrokken.”„O juist!” zeide van Beek. „Dus wegen zij meer.”„Goed gezegd. Ik zie dat je vooruit gaat. Maar wat moet je nu doen?”„Ik zou het aan den verificateur vertellen.”Een algemeen lachen volgde op deze woorden.„Daar heb je meneer Simpel weer!” riep de onderwijzer uit. „Neen man, dat gaat niet. De verificateurs weten het net zoo goed als jij, maar ze moeten zich aan de letter van de wet houden; dus wegen zij, hout en al, en … beboeten je.”Het was een moeielijk geval. Van Beek trok zich aan de punt van zijn neus, een gewoonte van hem als hij nadacht, maar hij kon er niets op vinden.„Zal ik het hem zeggen?”„Ja, ga je gang maar,” zeiden de anderen goedig.[201]„Nu, opgelet dan. Als de verificateur de kist heeft aangewezen, die hij geopend wil hebben, gaat hij gewoonlijk even weg tot het klaar is. Van dat oogenblik maak je gebruik en neemt uit een pakje zes kluwentjes weg; let wel: zes! Dat pakje geef je hem, en het klopt precies.”Welk een vreugde beving van Beek, toen den volgenden morgen de boomklerk hem een stel passen overgaf met de woorden: „Ga even met denmandoernaar den Boom: we hebben niets dan vier kisten Adrianopel-garen; er is niets bijzonders aan, dus je kunt het wel even alleen doen.”Of hij dat kon! Hij spoedde zich weg, zijn gelukkig gesternte prijzend. Hoe toevallig dat men hem juist gisteravond had ingelicht!Het ging precies zooals men gezegd had. Gemakkelijker zelfs. Want toen hij den verificateur het pakje toereikte, waaruit zes kluwentjes in zijn zak verdwaald waren, keek[202]deze er even in en zeide: „Het zal wel in orde zijn; ga maar door.” Doch dit maakte de rekening niet. Van Beek wilde nu, de eerste maal dat hij alleen handelde, ook toonen dat hij zijn zaken wist.„Weegt u het als u blieft na,” zeide hij, het pakje terugwijzende.De verificateur lachte even om zijn drukte, en wilde juist het pakje in de kist werpen, toen plotseling zijn oog viel op van Beek’s zijzak, waaruit een rooden draad afhing. Dat was mis! En onder de suspicie van een smokkelpartij, greep hij van Beek bij den arm.„Mee naar den controleur,” zeide hij kort.Van Beek had den controleur nog nooit gezien, doch de faam die van dezen ambtenaar uitging, was geweldig. Het was de opperste macht op dit kleine terrein, hij besliste als het ware over leven en dood, tronende in zijn bureau, waar men hem alleen in hoogst belangrijke geschillen mocht komen storen.[203]„Blijf hier even staan,” zeide de verificateur, zoodra zij de deur binnen waren, en ging zelf naar den hoogen lessenaar, waarachter de controleur verborgen zat, met wien hij eenige oogenblikken fluisterend sprak.„Kom eens hier, vriend!” klonk een gestrenge stem, die van Beek deed sidderen. „Wat heb je daar in je zak?”„De zes kluwentjes overwicht,” stotterde de ongelukkige, de corpora delicti te voorschijn halende.„Overwicht?Wat is dat? Kom je ons nog voor den gek houden ook?—Weegt u het even na,” vervolgde de controleur tot zijn ondergeschikte, terwijl hij wees op een balans in de vensterbank.De verificateur deed wat hem gelast werd; maar toen de schaal in evenwicht was, teekende zijn gelaat onverholen verbazing en hij keek beurtelings naar de koperen gewichtjes en op den pas.[204]„Het komt precies uit, meneer,” zeide hij eindelijk. „Daar begrijp ik niets van!”Neen, en de controleur begreep het evenmin.„Hoe heet je?” vroeg hij om iets te zeggen.„Van Beek, meneer.”„O.…!”Dat „O!” was typisch. De verificateur begon zich te schamen en zocht naar een afleiding, die gevonden werd in het binnenkomen van den oppasser, met het leitje waarop Bolman, de boomklerk, zich liet aandienen. Demandoerwas hem gaan waarschuwen, en hij kwam juist intijds om medeaanhoorder te zijn van van Beek’s explicatie.De controleur moest er om lachen, maar dat nam niet weg dat het feit bleef bestaan, dat van Beek, hetzij dan uit onnoozelheid, zich aan de hooge waardigheid van den Boom vergrepen had.„Ik zal het er voor ditmaal bij laten,” sprak hij tot Bolman. „Maar zeg aan je chef,[205]dat hij vriendelijk verzocht wordt ons dergelijke tooneelen te besparen en dit jonge mensch thuis te houden; op den duur zou het aan den goeden naam uwer firma schade doen.”Deze boodschap, behoorlijk overgebracht, bezorgde van Beek een klinkend standje van den chef. Hij beloofde beterschap en van nu af aan niets meer te zullen gelooven. Intusschen, daar hij aan den Boom niet meer komen mocht, voegde de chef hem aan Wije toe.Onder de leiding van dezen en den bedaarden Terborg viel er werkelijk eenige beterschap te bespeuren, maar aan de volkomen genezing moest nog eerst het tweede feit voorafgaan.Er was een avondje geweest bij een familie, en twee der jongelui uit het logement zaten na afloop op het galerijtje vóór hun bovenkamers te bekoelen en wat na te praten. Daar opende zich van Beek’s kamerdeur en deze trad naar buiten.[206]„Op mijn kamer is een verschrikkelijk groote vleermuis,” deelde hij mee.„Schiet hem dood,” raadde de een; en de ander, met een goed geveinsd gebaar van schrik en afschuw, schoof zijn stoel achteruit en week als ontzet eenige passen zijwaarts.„Je deur is toch goed dicht?” vroeg hij.„Ja, waarom?”„Gelukkig. Neen, alsjeblieft, niet te dicht bij mij! Die beesten zitten vol ongedierte en licht heb je al wat te pakken.”„Neen, dat kan niet,” betuigde van Beek. „Ik ben stilletjes in mijn bed gebleven tot hij onbeweeglijk tegen den zolder bleef zitten. Toen ben ik eruit gekomen om te vragen wat ik doen moest.”„Wel.… je hebt een geweer. Heb je hagelpatronen?”„Ja.”„Nu, dan is het eenvoudig genoeg, als je maar voorzichtig bent, zoodat je hem niet[207]opschrikt. Ga zoo zacht mogelijk terug, neem je spuit en mik secuur.”„Zou jij het niet voor me willen doen?”„Merci; ieder op zijn eigen kamer, hoor!”„Nu.… dankje.” En hij verwijderde zich. Maar nauwelijks had hij de deur in alle stilte achter zich gesloten, of de beide jongelui namen hun sloffen in de handen en slopen op hun bloote teenen naar hun kamers.Het was één uur in den nacht. Het geluid dertongtongsaan de wachthuisjes, die het uur aangaven, voorafgegaan door debedoekin de moskee, stierf in de verte weg; een enkele nablijver, die geslapen had op zijn post, liet nog even zijn slag hooren, en toen was alles stil, zoo stil als het in een Oostmoeson’s nacht zonder kikkers en krekels slechts wezen kan. In het hotel sliep iedereen of lag althans te bed. Daar klinkt de scherpe knal van een geweerschot, scheurend door de luchtlagen. Deuren vlogen open, en van alle kanten[208]stroomden halfgekleede gestalten toe onder angstig vragen: „Wie is het? Heere, wie zou het zijn?”„Boven, boven!” was het antwoord, en men vloog, struikelend over elkaar, de trap op, de logementhouder voorop. Ook dáár waren alle deuren open.… op drie na. De logementhouder bonsde op de eerste, en een slaapdronken stem gaf antwoord. De tweede deur was die van van Beek. Men gevoelde, zoodra zijn naam genoemd was, dat hij het moest zijn, en diep medelijden beving allen. De deur werd geopend … en daar stond de gewaande zelfmoordenaar, zich oprichtende, voorzichtig, met een papiertje, een doode vleermuis aanvattend en in de hoogte houdend onder den blijden uitroep: „Ik heb hem!” Het geweer tegen de kastdeur aangeleund, illustreerde de rest.’s Morgens daarna zat de stumper in zijn kamer. Naast hem een kom met ijs, waarin[209]hij de compressen koud maakte, alvorens die op zijn deerlijk gehavend gelaat te appliceeren. Intusschen bevond zich de logementhouder op het kantoor, waar hij den chef het gebeurde mededeelde, zijn leedwezen betuigende dat hij de logé’s niet had kunnen verhinderen van Beek een geducht pak slaag te geven, maar aan den anderen kant den chef beleefd doch dringend verzoekend, den jongen man elders onder dak te brengen.Deze begreep dat dit verzoek billijk was, en zoodra van Beek weer voor den dag kon komen verhuisde hij naar het paviljoen van den chef, bij zichzelven zwerende dat hij nu heusch niemand meer vertrouwen zou.[210]

[Inhoud]VIII.VIII.ZOU DIE OOIT TERECHT KOMEN?De eerste keer dat Wije weer op het kantoor verscheen, wachtte hem een nieuwtje. Eenige dagen geleden, zoo vertelde men hem, hadden de chefs ’s morgens vroeg zitten lachen en pret gehad, wel tien minuten lang. Waarover, had men niet kunnen opvangen; doch in het middaguur, toen ze naar huis waren, liet de correspondent door den klerk Meijerbeer een paar brieven op den lessenaar van den chef neerleggen. Men hoorde kort daarop een gegiegel, en de klerk met zijn muzikalen naam kwam grijnzend terug.[175]„Ik weet, meneer,” riep hij uit, zoo opgewonden als dat bij iemand van zijn slag mogelijk was.„Laat hooren.”„Zal-d-er komen een jongelui met de overgroote meerderheid van zedelijkheid.”„Watblief?” zeide de correspondent.„De desbetreffende missive ligt op meneer zijn tafel,” ging de klerk voort; „zijn schaapachtigheid grenst aan de ongeloovigheid, maartida koerang wang. Hij moet met de stukken van het geld leeren slaan.”De employé’s zagen elkaar aan; de nieuwsgierigheid was groot; ieder dacht hetzelfde, koesterde dezelfde begeerte; maar toen deze op het punt stond zich te uiten in een algemeen opstaan en stormen naar de kamer der chefs, werd zij intijds bedwongen door den correspondent, die inzag dat zoo iets geen pas gaf tegenover de inlandsche oppassers.„Hier, Meijerbeer,” zeide hij, dezen een[176]schoon vel papier en een potlood aanreikende, „maak als de bliksem een afschrift. ’t Hoeft niet mooi, hoor! En niets verschikken op de tafel.”Het luidde als volgt:Amice!Heb medelijden met een diep ongelukkig vader! Als gij dezen ontvangt is mijn zoon Johan, mijn eenige, dicht bij de stad uwer inwoning en zal weldra voor u staan. Schrik niet als gij hem ziet en lach niet, wat ik u bidden mag; het is te ernstig. Het zal u moeielijk vallen in zijn trekken de mijne te herkennen of die mijner overleden vrouw, zóó zijn zij misvormd door een uitdrukking van schaapachtigheid, die aan ’t ongeloofelijke grenst. Misschien is het mijn schuld, dat ik hem als jongen te weinig bespied, te veel toegegeven heb, te lang een gouvernante gelaten—ik weet het niet; trouwens in onzen kring werken allerlei omstandigheden daartoe[177]mede, dat wij de zorg voor een kind aan vreemden moeten overlaten. Maar toen zijn moeder dood was had ik meer gelegenheid hem te observeeren. Ik zag toen zijn kwaal en meende die te moeten toeschrijven aan gebrek aan omgang met jongelui van zijn leeftijd. Zoo spoedig mogelijk liet ik hem klaar maken voor de academie, en bracht hem zelf naar Leiden. Helaas! twee maanden later kwam hij weer thuis, nu voorgoed bedorven. Ik kon hem niet meer weg krijgen; van dien dag af leidde hij een leven dat ik verklaar niet te begrijpen. Hij is ziek; ziek door overmaat van zedelijkheid, ingetogenheid, lichtgeloovigheid—wat moet ik er nog meer bijvoegen? Ik heb het onmogelijke gedaan om hem te genezen; ik heb feesten gegeven, maar dan sloot hij zich op in zijn kamer; ik heb zijn nichtjes hier gelogeerd, maar na eenige dagen liep hij met hen op en neer als ware hij zelf een meisje; en zij, die anders nuffig[178]genoeg zijn, sloegen de armen om zijn taille—bah! Eindelijk heb ik zelf geprobeerd hem te verleiden; ik heb hem gebracht in de buurt van plaatsen—enfin, ik ben gegaan zoover als ik durfde en gaan kon als vader. Maar het is niet langer te dulden. Zooals hij is kan hij niet blijven, kan hij niet optreden als erfgenaam van onzen ouden naam en fortuin. Mijn laatste hoop is gevestigd op Indië. Gij hebt het mij nooit geschreven, doch als ik de boeken mag vertrouwen die over dat land handelen, dan is het daar een zoodanige maatschappij, dat men hier te lande wèl zal doen zoo men verzwijgt er in te hebben verkeerd. Daarheen zend ik mijn Johan, in het vaste geloof dat de invloed van de omgeving op den duur uitwerken moet, wat hier onmogelijk blijkt: eenigermate een mensch van hem te maken. Ik geef hem royaal reisgeld mee en zeide hem zich voor het verdere tot u te wenden; ingesloten zult ge een wissel van[179]ƒ 5000.— vinden, terwijl een gelijk bedrag in den loop van het volgend kwartaal door mij zal verzonden worden. Wil hem aanmoedigen er zooveel mogelijk van te gebruiken en mij schrijven als er meer noodig mocht zijn. Van harte hoop ik dat hij terecht komt. Het eenige wat ik u in den naam onzer oude vriendschap verzoek is dit: wil het oog op hem houden; en als hij het te eeniger tijd zóó bont mocht maken, dat zelfs in de Indische maatschappij zijn doen en laten wordt gelaakt, stuur hem dan terug. Dan eerst geloof ik aan eene duurzame verbetering. Vrees niets zoo hij zich aan de ten uwent getolereerde ondeugden mocht overgeven; onder de strengere vormen onzer samenleving hier, zal zich dat alles bij een karakter als het zijne, spoedig tot de normale grenzen laten terugbrengen.Ontvang mijne meest vriendschappelijke groeten.J. Th.…[180]De handteekening had Meijerbeer niet kunnen ontcijferen. Dat was een groote teleurstelling, doch na een paar dagen wist men den naam; er was in het logement waar ook de procuratiehouder woonde, door den chef een kamer besteld voor den heer van Beek.„Sapristi, wat ’n ouwe naam!”„Die heer papa schijnt een klap van den molen beet te hebben.”Ook Wije had geglimlacht, toen hij na het lezen van den brief, dien zoo veel verspreiden naam vernam.„Maar met het geld schijnt het in orde te zijn,” merkte hij op.„Dat zal waar zijn! We hebben al plan gemaakt om hem zijn aankomst met een gloeiende fuif te laten vieren.”„Met dat al is het niet plezierig voor hem, dat die brief … zoo verdwaald is geraakt,” zeide Wije. „Jelui hebt er toch buitenaf niet over gesproken?”[181]Er volgde eenig zwijgen.„’t Is geen zaak die de firma betreft,” meende de correspondent.„Hm, ik zie het al,” zeide Wije; „en ik begrijp wat er volgen moet, als de stumper voet aan wal gezet heeft. Ik had wel trek hem onder mijn bescherming te nemen.”„Dat doe,” zeide de procuratiehouder lachend.De oude heer van Beek had verzuimd te melden met welke boot zijn zoon zou vertrekken. De chef der Semarangsche firma had in den beginne een paar maal de passagierslijsten ingezien van de kustbooten, maar onder alle andere drukten had hij de geheele geschiedenis vergeten, tot plotseling de jonge van Beek zijn kantoor binnenkwam. Een tamelijk lange, schrale figuur, een spitse neus tusschen bleekblauwe, starende oogen, door een bril in hun functie bijgestaan, donkerblond haar dat minstens in geen twee maanden geknipt was, ziedaar de persoon die, gestoken in een grijs fantasiepak,[182]blazende van de hitte en verschrikkelijk transpireerende, zich voorstelde als Johan van Beek.„Aangenaam kennis te maken; ga zitten,” zeide de chef. „Je schijnt het warm te hebben.”„Ja meneer, de wandeling hierheen viel niet mee.”„Je hebt toch niet geloopen? Ja? Waarom heb je geen wagen of dogcart genomen?”„Men zei dat het zoo wat twintig minuten gaans was, en toen vond ik het zonde daarvoor een rijtuig te nemen,” verklaarde van Beek, terwijl de jongste chef zich dieper over zijn papieren heenboog.„Nu, dat zal je in ’t vervolg wel anders leeren inzien. Is de reis voorts nogal voorspoedig geweest?”„Dank u. Alleen hier heb ik moeite gekregen met mijn bagage. Men vroeg mij een bewijs, een pas, of zoo iets, en toen ik dien niet had, moest alles door naar een grooten[183]boom.… men zei ik zou hem wel zien onderweg, maar ik heb niets als kleine boompjes gezien en een breede laan.”„In orde, ik zal er voor laten zorgen.” En de chef schelde. Aan den oppasser gelastte hij den boomklerk te roepen en ging voort tot van Beek: „De „Boom” is hier het douanelokaal. Je zult zelf even met den klerk mee moeten. Heb je witte kleeding in je koffers?”„Jawel meneer, maar ze zeiden dat het gevaarlijk was daarmee aan wal te gaan voor iemand die de eerste keer in ’t land kwam, vanwege de plotselinge koude buien.”„Je moet je niet zooveel wijs laten maken,” zeide de chef met geweld zijn ernst bewarende. „Ha, daar is Bolman. Bolman, ga met meneer mee naar den Boom en help hem zijn goed in te klaren. Vervolgens breng je hem in ’t logement, en.… rijd even bij een kapper aan en zeg hem meneer’s haar te knippen zooals hier gebruikelijk is. Begrepen?”[184]„Best meneer,” zeide de boomklerk.„Nu, van Beek,” vervolgde de chef, „tot ziens. Ik kom in den vooravond bij je; blijf zoolang thuis en kleed je wat luchtiger. Bonjour.”Het sprak vanzelf dat de boomklerk ’s middags, toen de chefs waren gaan eten, rapport moest doen. De employé’s kregen hun rijsttafel op het kantoor gezonden, en zelden waren zij daarmee zoo spoedig gereed en de bedienden met de etensdragers vertrokken, als heden. Toen verzamelden zij zich om Bolman heen.„Wat ’n portret!” begon deze. „Wij gingen maar eerst naar den kapper; want ik geneerde mij een beetje om zóó met hem aan den Boom te komen. Ik zei den Franschman, dat hij hem kort knippen moest—in ’t Maleisch, omdat de baas mij een knipoogje gegeven had—en hij deed het. Onze vriend zweeg als een mof zoolang het duurde. Toen het afgeloopen was haalde hij een dikke portemonnaie uit zijn zak[185]en scharrelde er een poos in, totdat hij een kwartje vond. Dat legde hij op tafel. Maar de Franschman deed alsof hij het niet zag en zei: „Ça fait un florin, monsieur.” Daar had je de poppen aan het dansen! Hij dacht zeker dat hij werd afgezet en begon op te spelen van heb ik jou daar. Ik had niet gedacht dat er nog zooveel pit in den vent zat, en Fransch sprak hij als water, zoodat ik het nauwelijks volgen kon. Het duurde een heele poos, eer ik hem kon beduiden dat dit hier de prijs was. En nog geloof ik dat hij mij maar half vertrouwde.Soedah, om aan den Boom niet weer hetzelfde gehaspel te krijgen, heb ik eerst betaald en hem later in ’t logement de quitantie voorgelegd. Dat heertje schijnt erg op den penning te zijn. Maar.… hoe oud denken de heeren dat hij is?”„Zeven en twintig,” raadde er een, en op het ontkennend hoofdschudden van den boomklerk telde men door, tot dertig toe.[186]„Een en twintig!” zeide Bolman eindelijk, onder kreten van verbazing. „Hij wordt de volgende maand twee en twintig.”In den vooravond reed de chef naar het logement. Hij ontveinsde zich niet, dat het een moeielijke opdracht was hem door van Beek’s vader gegeven; maar hij herinnerde zich, hoe hijzelf eenmaal door zijn rijken schoolvriend was voortgeholpen, ja feitelijk gebracht tot de positie die hij nu bekleedde; en mocht hij er al eenige oogenblikken over gedacht hebben zich dezen last van den hals te schuiven, bij nadere overweging begreep hij dat de oude van Beek, met de macht van zijn enorm fortuin, een niet te verachten vijand zou wezen en hem evenveel kwaad als voorheen goed zou kunnen doen.„Wel, van Beek,” opende hij het gesprek, „vertel me nu eens wat van den ouden heer.” En terwijl het jonge mensch praatte, daartoe telkens door een korte vraag aangemoedigd,[187]bespiedde hij hem en trachtte de met hem te volgen gedragslijn gaandeweg vast te stellen.Nu is men in Indië gewoonlijk nogal spoedig gereed met zijn oordeel over een nieuwgekomene; een toevallige indruk, een ongelukkig woord, een praatje van iemand die hem vroeger gekend heeft, en men is gereed om een uitspraak te doen, die dit eigenaardige heeft dat zij den getroffene overal volgt, waarheen hij zich in dat land ook begeeft. Is zij gunstig, zooveel te beter, doch dikwijls vernietigt zij zonder mededoogen een geheele carrière.De chef had dan zitten luisteren, met het rustige van iemand die zeker van zijn zaak is. Hij zou dat karakter wel binnen korten tijd schatten. En zie, na een goed kwartier trok hij met groote beslistheid de som. Die jonge man was niet zoo dom als zijn vader meende, enkel maar wat groen, en dàt zou er door de wrijving met anderen wel uitgaan. Och heer, hij had er zooveel zien komen, die[188]erger waren dan deze, en in een paar jaar ontbolsterd waren!„En wat zijn nu je plannen voor de naaste toekomst?”„Papa zei, ik zou dat eens met u overleggen.”„Jawel, maar aangezien het je vrij staat te kiezen, zou ik wel eerst willen weten waar je den meesten lust toe hebt. Over de uitvoering kunnen we dan spreken. Hoe denk je over een reis door Java, om te beginnen?”„O neen, meneer,” antwoordde van Beek haastig; „ik wil werken.”„Werken?” herhaalde de chef.„Ja meneer. Ik mag, nu ik hier ben, mijn vader niet langer tot last zijn. De reis heeft toch al zoo verschrikkelijk veel geld gekost.”De chef begon te lachen.„Hoeveel denk je wel dat je vader bezit?”„Drie millioen ongeveer, en als de oude tantes sterven komt er nog een millioen bij. Dat weet ik; maar aan alles is opmaken.”[189]Met een beweging van schrik en verrassing sprong de chef op van zijn stoel. Het was toch ernstiger dan hij gemeend had. Was dat onnoozelheid of vrekkigheid? De toon waarop het gezegd was en de keus der woorden weersprak het eerste. Maar dan was het een abnormaliteit, zóó groot … ja, dàn had de oude van Beek toch gelijk!„Hoor eens,” zeide hij, eenigszins kortaf, „dat je wilt werken is goed; ik zal je er aan voorthelpen. Wij staan in relatie met een suikerfabriek niet ver van Solo; daar zal ik je een plaatsing bezorgen. Eerstbeginnenden doen het beste de binnenlanden in te gaan, en de stad is niet ver van de fabriek. Maar je blijkt zoo in ’t geheel geen verstand te hebben van geld en van wat je past als je vaders zoon, datikvoorloopig de manier zal regelen waarop je verteringen worden ingezet. Kom overmorgenavond bij ons eten, dan is er tevens antwoord van de fabriek.”[190]Onder dit gesprek, dat in een hoek der groote voorgaanderij plaats vond, had zich meer in het midden, een kring gevormd van logé’s. Hij paalde aan de bittertafel, waar de eene helft met den rug heengewend zat, terwijl zich de uitersten van de andere helft buiten het afdak in de open lucht bevonden. Het waren stadsbewoners en buitenlui, onderscheiden door hun gelaatskleur, die van gene wit, van deze vuurrood was. Een tweede verschil, maar dat allengs verdween naarmate de avond vorderde, was het stemgeluid, dat van de buitenlui ongegeneerd hard klonk.Van Beek, die den vertrekkenden chef nazag, bemerkte dat hij bij het passeeren van het vroolijke troepje eerbiedig gegroet werd, terwijl een hunner opstond en hem blijkbaar een vraag deed, die de chef na eenig aarzelen, schouderophalend en lachend beantwoordde. En toen hij weggereden was ontstond er in den kring een gefluister. Plotseling[191]rees een groote gestalte van zijn stoel op.„Wat zeg je?” hoorde de nieuweling in den hoek. „Van Beek? Een zoon van.…?” En hij trad uit den kring rechtstreeks op den genoemde aan.„Wat hoor ik,” zeide hij; „is u een zoon van den ouden heer van Beek?”De aangesprokene verklaarde dit inderdaad te zijn.„Wel wel, dat doet me plezier! Bergen en dalen.… dat ken je. Kom eens gauw bij ons zitten.”„Heeft u papa gekend?” vroeg van Beek, die door reuzenkracht meegetroond, zelfs niet aan tegenspartelen dacht.„Dat zal waar zijn! Je vader en de mijne waren schoolkameraads. En.… laat me je eens voorstellen: meneer Rivière, óók een schoolkennis van je vader, dat wil zeggen zijn oude heer; meneer Jansen, van Epscheuten, Kraai, en ik heet Bach. Allemaal van de fabrieken[192]Iringmanis en Koeningajoe. De andere heeren hooren hier in de stad thuis en staan al te popelen om hun naam te zeggen.”Zoo was het, en na iederen naam een handdruk, tot van Beek eindelijk op een stoel gedrukt werd, met een gevoel alsof hij eksteroogen aan al zijn vingers had.„Een bittertje, of een glas port?” presenteerde hij, die zich Bach genoemd had.„Liever een glas port,” nam van Beek aan.Aan tafel zou hij bij voorkeur water gedronken hebben, maar men liet niet af, en al spoedig hadden de jongelui de overtuiging dat van Beek, om hun eigen woorden te gebruiken, niets afsloeg dan vliegen. En in deze opinie werden zij versterkt, toen zij hem na den eten, meegenomen hadden naar de sociëteit.Van Beek verklaarde niet te kunnen biljarten. Met edele zelfopoffering schaarden zij zich daarop om de kletstafel; maar als de wijn aan tafel en de voortzetting daarvan in de sociëteit[193]niet alreeds hun invloed op van Beek hadden doen gelden, dan zou hij voorzeker weggevloden zijn. Wat een gesprekken! En welk een tafereel hing men op van het leven in de binnenlanden! Hij twijfelde geen oogenblik, of alles wat men zeide was de nuchtere waarheid, want zij spraken immers niet tot hem, doch onder elkaar, en op den meest eenvoudigen toon. Die Jansen bijvoorbeeld, vertelde met het grootste cynisme, hoe hij een paar weken geleden een Javaansch meisje uit haar woning had weggeroofd, op een oogenblik dat haar vader en haar broers in desawahwerkten; en toen deze later op hun knieën voor hem lagen, hem smeekende het meisje terug te geven, had hij hen met revolverschoten neergeveld en de lijken in de rivier doen werpen. Daarop hadden allen gelachen en Jansen „een kraan van ’n vent” genoemd.Het was zóó erg, dat van Beek niet eens zijn afschuw durfde te kennen geven en zich bepaalde[194]tot een poging om zijn schrik weg te spoelen uit het voor hem staande glas, dat door een geheimzinnige zorg steeds opnieuw gevuld werd.„Je mocht óók wel eens wat presenteeren,” fluisterde zijn buurman hem in. „Ze hebben jou al zoo veel geöffreerd.”„Dat moeten zij weten,” was het antwoord. „En.… ik heb eigenlijk al genoeg.”„Wel verd.…” begon de buurman, bijna uit zijn rol vallende, met grooten lust van Beek een oorvijg toe te dienen; doch hij herstelde zich. „Nu, een glaasje champagne tot besluit, drink je nog wel met ons mee?”„Ja, daar heb ik altijd veel van gehouden.”Hij hield het niet lang meer vol, doch tot het laatste oogenblik bewaarde hij wat men zijn „verstand” geliefde te noemen en met zijn plotseling wegzakken de jongelui, die hem in de armen van zekere Olympische godin hadden willen voeren, het koopje gevend van hem thuis te moeten brengen.[195]Den volgenden dag moest van Beek het bed houden. Vruchteloos trachtte hij zich te herinneren wat er in den loop van den vorigen avond met hem gebeurd was, doch één indruk was blijvend: die van de schildering der binnenlanden. Daar zou hij zich niet in wagen, en dit herhaalde hij telkens bij zichzelf, tot hij gevoelde een voldoenden voorraad koppigheid te hebben aangekweekt, om het ook tegenover den vriend van zijn vader te kunnen volhouden.Het gelukte dezen niet hem dien onzin uit het hoofd te praten, en het einde was, dat hij om erger te voorkomen, van Beek bij de firma inlijfde, voorloopig zonder tractement, om te zien wat er uit hem te maken was. Om te beginnen werd hij aan den boomklerk toegevoegd, en belastte deze hem met het schrijven der duplicaat-verklaringen van invoer, terwijl hij hem gaandeweg onderwees in het opmaken dier stukken in originali. Het bleek[196]dat het van Beek noch aan goeden wil, noch aan vlug begrip ontbrak.„Ik zou hem gerust alles overlaten,” zeide de boomklerk een paar maanden later, „als hij zich niet telkens wat liet wijs maken. Maar soms doet hij de gekste dingen, en dan komt het geregeld uit dat de een of ander hem er heeft laten inloopen; waarschuwen helpt niet.”Meestal waren het de jongelui uit het hotel, die van Beek beetnamen. In den eersten tijd na het sociëteitsavondje hadden zij hem links laten liggen. De indruk van een klaplooper te zijn, dien hij hun gegeven had, was daarvan de oorzaak. Maar daar hij toch onder hen woonde en verkeerde, was dit op den duur moeilijk vol te houden. Toen begonnen zij zijn lichtgeloovigheid te exploiteeren; en de vele koopjes die hij daarbij snapte, waren een bron van vermaak en conversatie. Wie de sociëteit of bij een familie binnenkwam met de woorden: „heb je de laatste mop van van Beek al vernomen?”[197]was zeker van een willig gehoor. Zoodat zijn reputatie overal doordrong. Hemzelf kregen echter weinigen te zien, want behalve tot de meest verplichte, was hij tot visites maken niet over te halen; en nadat een der jongelui hem een plaats in zijn rijtuig geweigerd had, bij gelegenheid van een partij bij den resident, en hij toen was thuisgebleven, omdat hij geloofde wat men hem vertelde, dat men er te voet niet heen kon gaan, en hij de uitgaaf van een rijtuig niet wilde doen, bedankte hij voor alle volgende invitaties.De belangstelling in zijn persoon begon echter langzamerhand te verflauwen, vooral daar de Oostmoeson was aangevangen en men zich afvroeg wat er dit jaar van de ziekte komen zou, toen van Beek plotseling door twee daden zijn naam weer op aller tong bracht. De eerste deed vooral de handelswereld het hoofd schudden.Het was hem toch niet ontgaan, dat bij het opmaken der verklaringen tot invoer der goederen,[198]de zoogenaamde passen, waar die goederen niet op de bij Staatsblad vastgestelde prijslijst voorkwamen, en de firma dus zelf de waarde moest opgeven, dit met een zekere zuinigheid gedaan werd. En hoe kon het ook, daar de boomklerk hem had uitgelegd dat juist hierin de kracht van zijn betrekking lag, zóó aan te geven dat de Boom geen aanmerkingen maakte en toch de firma niet meer dan een minimum invoerrecht betaalde, ja zelfs een soliden naam aan den Boom behield. Want ging men te ver dan heette het smokkelen, en wee de firma die daarvoor bekend stond! Alles wat zij invoerde werd opengemaakt, gewogen, doorzocht; hetgeen groot tijdverlies en dikwerf schade aan de goederen en althans aan de verpakking met zich bracht.De employé’s die in het logement woonden, hadden de gewoonte om soms hoog op te geven van hun slimheid in boomzaken, en de trekken te verhalen die zij de ambtenaren[199]speelden. Het spreekt dat daarbij niet zelden werd overdreven, en toen van Beek kwam deed men dit opzettelijk om hem, die alles geloofde, er in te doen loopen. Op zekeren avond zaten zij weer bij elkaar, en vormde de Boom het onderwerp van discours.„Heb je al eens Adrianopel-garen ingevoerd, van Beek?”„Neen, nog niet.”„Zoo; dan ken je dentrucook niet. Het komt in kisten en is verpakt in kleine pakjes van een gros kluwtjes, of soms meer; dat hangt van den afzender af. Maar het wordt geprijsd per gewicht. Aan den Boom nemen ze een pakje, storten dat uit, wegen het, en berekenen het totaal, dat natuurlijk kloppen moet met je aangifte. Begrijp je dat?”„Ja zeker.”„Maar als je dat deed, zou je toch heel gek staan te kijken. Weet je waarom? In de kluwentjes zitten stukjes hout, van een vrij zwaar[200]soort, en daarvan is het gewicht natuurlijk op de factuur afgetrokken.”„O juist!” zeide van Beek. „Dus wegen zij meer.”„Goed gezegd. Ik zie dat je vooruit gaat. Maar wat moet je nu doen?”„Ik zou het aan den verificateur vertellen.”Een algemeen lachen volgde op deze woorden.„Daar heb je meneer Simpel weer!” riep de onderwijzer uit. „Neen man, dat gaat niet. De verificateurs weten het net zoo goed als jij, maar ze moeten zich aan de letter van de wet houden; dus wegen zij, hout en al, en … beboeten je.”Het was een moeielijk geval. Van Beek trok zich aan de punt van zijn neus, een gewoonte van hem als hij nadacht, maar hij kon er niets op vinden.„Zal ik het hem zeggen?”„Ja, ga je gang maar,” zeiden de anderen goedig.[201]„Nu, opgelet dan. Als de verificateur de kist heeft aangewezen, die hij geopend wil hebben, gaat hij gewoonlijk even weg tot het klaar is. Van dat oogenblik maak je gebruik en neemt uit een pakje zes kluwentjes weg; let wel: zes! Dat pakje geef je hem, en het klopt precies.”Welk een vreugde beving van Beek, toen den volgenden morgen de boomklerk hem een stel passen overgaf met de woorden: „Ga even met denmandoernaar den Boom: we hebben niets dan vier kisten Adrianopel-garen; er is niets bijzonders aan, dus je kunt het wel even alleen doen.”Of hij dat kon! Hij spoedde zich weg, zijn gelukkig gesternte prijzend. Hoe toevallig dat men hem juist gisteravond had ingelicht!Het ging precies zooals men gezegd had. Gemakkelijker zelfs. Want toen hij den verificateur het pakje toereikte, waaruit zes kluwentjes in zijn zak verdwaald waren, keek[202]deze er even in en zeide: „Het zal wel in orde zijn; ga maar door.” Doch dit maakte de rekening niet. Van Beek wilde nu, de eerste maal dat hij alleen handelde, ook toonen dat hij zijn zaken wist.„Weegt u het als u blieft na,” zeide hij, het pakje terugwijzende.De verificateur lachte even om zijn drukte, en wilde juist het pakje in de kist werpen, toen plotseling zijn oog viel op van Beek’s zijzak, waaruit een rooden draad afhing. Dat was mis! En onder de suspicie van een smokkelpartij, greep hij van Beek bij den arm.„Mee naar den controleur,” zeide hij kort.Van Beek had den controleur nog nooit gezien, doch de faam die van dezen ambtenaar uitging, was geweldig. Het was de opperste macht op dit kleine terrein, hij besliste als het ware over leven en dood, tronende in zijn bureau, waar men hem alleen in hoogst belangrijke geschillen mocht komen storen.[203]„Blijf hier even staan,” zeide de verificateur, zoodra zij de deur binnen waren, en ging zelf naar den hoogen lessenaar, waarachter de controleur verborgen zat, met wien hij eenige oogenblikken fluisterend sprak.„Kom eens hier, vriend!” klonk een gestrenge stem, die van Beek deed sidderen. „Wat heb je daar in je zak?”„De zes kluwentjes overwicht,” stotterde de ongelukkige, de corpora delicti te voorschijn halende.„Overwicht?Wat is dat? Kom je ons nog voor den gek houden ook?—Weegt u het even na,” vervolgde de controleur tot zijn ondergeschikte, terwijl hij wees op een balans in de vensterbank.De verificateur deed wat hem gelast werd; maar toen de schaal in evenwicht was, teekende zijn gelaat onverholen verbazing en hij keek beurtelings naar de koperen gewichtjes en op den pas.[204]„Het komt precies uit, meneer,” zeide hij eindelijk. „Daar begrijp ik niets van!”Neen, en de controleur begreep het evenmin.„Hoe heet je?” vroeg hij om iets te zeggen.„Van Beek, meneer.”„O.…!”Dat „O!” was typisch. De verificateur begon zich te schamen en zocht naar een afleiding, die gevonden werd in het binnenkomen van den oppasser, met het leitje waarop Bolman, de boomklerk, zich liet aandienen. Demandoerwas hem gaan waarschuwen, en hij kwam juist intijds om medeaanhoorder te zijn van van Beek’s explicatie.De controleur moest er om lachen, maar dat nam niet weg dat het feit bleef bestaan, dat van Beek, hetzij dan uit onnoozelheid, zich aan de hooge waardigheid van den Boom vergrepen had.„Ik zal het er voor ditmaal bij laten,” sprak hij tot Bolman. „Maar zeg aan je chef,[205]dat hij vriendelijk verzocht wordt ons dergelijke tooneelen te besparen en dit jonge mensch thuis te houden; op den duur zou het aan den goeden naam uwer firma schade doen.”Deze boodschap, behoorlijk overgebracht, bezorgde van Beek een klinkend standje van den chef. Hij beloofde beterschap en van nu af aan niets meer te zullen gelooven. Intusschen, daar hij aan den Boom niet meer komen mocht, voegde de chef hem aan Wije toe.Onder de leiding van dezen en den bedaarden Terborg viel er werkelijk eenige beterschap te bespeuren, maar aan de volkomen genezing moest nog eerst het tweede feit voorafgaan.Er was een avondje geweest bij een familie, en twee der jongelui uit het logement zaten na afloop op het galerijtje vóór hun bovenkamers te bekoelen en wat na te praten. Daar opende zich van Beek’s kamerdeur en deze trad naar buiten.[206]„Op mijn kamer is een verschrikkelijk groote vleermuis,” deelde hij mee.„Schiet hem dood,” raadde de een; en de ander, met een goed geveinsd gebaar van schrik en afschuw, schoof zijn stoel achteruit en week als ontzet eenige passen zijwaarts.„Je deur is toch goed dicht?” vroeg hij.„Ja, waarom?”„Gelukkig. Neen, alsjeblieft, niet te dicht bij mij! Die beesten zitten vol ongedierte en licht heb je al wat te pakken.”„Neen, dat kan niet,” betuigde van Beek. „Ik ben stilletjes in mijn bed gebleven tot hij onbeweeglijk tegen den zolder bleef zitten. Toen ben ik eruit gekomen om te vragen wat ik doen moest.”„Wel.… je hebt een geweer. Heb je hagelpatronen?”„Ja.”„Nu, dan is het eenvoudig genoeg, als je maar voorzichtig bent, zoodat je hem niet[207]opschrikt. Ga zoo zacht mogelijk terug, neem je spuit en mik secuur.”„Zou jij het niet voor me willen doen?”„Merci; ieder op zijn eigen kamer, hoor!”„Nu.… dankje.” En hij verwijderde zich. Maar nauwelijks had hij de deur in alle stilte achter zich gesloten, of de beide jongelui namen hun sloffen in de handen en slopen op hun bloote teenen naar hun kamers.Het was één uur in den nacht. Het geluid dertongtongsaan de wachthuisjes, die het uur aangaven, voorafgegaan door debedoekin de moskee, stierf in de verte weg; een enkele nablijver, die geslapen had op zijn post, liet nog even zijn slag hooren, en toen was alles stil, zoo stil als het in een Oostmoeson’s nacht zonder kikkers en krekels slechts wezen kan. In het hotel sliep iedereen of lag althans te bed. Daar klinkt de scherpe knal van een geweerschot, scheurend door de luchtlagen. Deuren vlogen open, en van alle kanten[208]stroomden halfgekleede gestalten toe onder angstig vragen: „Wie is het? Heere, wie zou het zijn?”„Boven, boven!” was het antwoord, en men vloog, struikelend over elkaar, de trap op, de logementhouder voorop. Ook dáár waren alle deuren open.… op drie na. De logementhouder bonsde op de eerste, en een slaapdronken stem gaf antwoord. De tweede deur was die van van Beek. Men gevoelde, zoodra zijn naam genoemd was, dat hij het moest zijn, en diep medelijden beving allen. De deur werd geopend … en daar stond de gewaande zelfmoordenaar, zich oprichtende, voorzichtig, met een papiertje, een doode vleermuis aanvattend en in de hoogte houdend onder den blijden uitroep: „Ik heb hem!” Het geweer tegen de kastdeur aangeleund, illustreerde de rest.’s Morgens daarna zat de stumper in zijn kamer. Naast hem een kom met ijs, waarin[209]hij de compressen koud maakte, alvorens die op zijn deerlijk gehavend gelaat te appliceeren. Intusschen bevond zich de logementhouder op het kantoor, waar hij den chef het gebeurde mededeelde, zijn leedwezen betuigende dat hij de logé’s niet had kunnen verhinderen van Beek een geducht pak slaag te geven, maar aan den anderen kant den chef beleefd doch dringend verzoekend, den jongen man elders onder dak te brengen.Deze begreep dat dit verzoek billijk was, en zoodra van Beek weer voor den dag kon komen verhuisde hij naar het paviljoen van den chef, bij zichzelven zwerende dat hij nu heusch niemand meer vertrouwen zou.[210]

[Inhoud]VIII.VIII.ZOU DIE OOIT TERECHT KOMEN?De eerste keer dat Wije weer op het kantoor verscheen, wachtte hem een nieuwtje. Eenige dagen geleden, zoo vertelde men hem, hadden de chefs ’s morgens vroeg zitten lachen en pret gehad, wel tien minuten lang. Waarover, had men niet kunnen opvangen; doch in het middaguur, toen ze naar huis waren, liet de correspondent door den klerk Meijerbeer een paar brieven op den lessenaar van den chef neerleggen. Men hoorde kort daarop een gegiegel, en de klerk met zijn muzikalen naam kwam grijnzend terug.[175]„Ik weet, meneer,” riep hij uit, zoo opgewonden als dat bij iemand van zijn slag mogelijk was.„Laat hooren.”„Zal-d-er komen een jongelui met de overgroote meerderheid van zedelijkheid.”„Watblief?” zeide de correspondent.„De desbetreffende missive ligt op meneer zijn tafel,” ging de klerk voort; „zijn schaapachtigheid grenst aan de ongeloovigheid, maartida koerang wang. Hij moet met de stukken van het geld leeren slaan.”De employé’s zagen elkaar aan; de nieuwsgierigheid was groot; ieder dacht hetzelfde, koesterde dezelfde begeerte; maar toen deze op het punt stond zich te uiten in een algemeen opstaan en stormen naar de kamer der chefs, werd zij intijds bedwongen door den correspondent, die inzag dat zoo iets geen pas gaf tegenover de inlandsche oppassers.„Hier, Meijerbeer,” zeide hij, dezen een[176]schoon vel papier en een potlood aanreikende, „maak als de bliksem een afschrift. ’t Hoeft niet mooi, hoor! En niets verschikken op de tafel.”Het luidde als volgt:Amice!Heb medelijden met een diep ongelukkig vader! Als gij dezen ontvangt is mijn zoon Johan, mijn eenige, dicht bij de stad uwer inwoning en zal weldra voor u staan. Schrik niet als gij hem ziet en lach niet, wat ik u bidden mag; het is te ernstig. Het zal u moeielijk vallen in zijn trekken de mijne te herkennen of die mijner overleden vrouw, zóó zijn zij misvormd door een uitdrukking van schaapachtigheid, die aan ’t ongeloofelijke grenst. Misschien is het mijn schuld, dat ik hem als jongen te weinig bespied, te veel toegegeven heb, te lang een gouvernante gelaten—ik weet het niet; trouwens in onzen kring werken allerlei omstandigheden daartoe[177]mede, dat wij de zorg voor een kind aan vreemden moeten overlaten. Maar toen zijn moeder dood was had ik meer gelegenheid hem te observeeren. Ik zag toen zijn kwaal en meende die te moeten toeschrijven aan gebrek aan omgang met jongelui van zijn leeftijd. Zoo spoedig mogelijk liet ik hem klaar maken voor de academie, en bracht hem zelf naar Leiden. Helaas! twee maanden later kwam hij weer thuis, nu voorgoed bedorven. Ik kon hem niet meer weg krijgen; van dien dag af leidde hij een leven dat ik verklaar niet te begrijpen. Hij is ziek; ziek door overmaat van zedelijkheid, ingetogenheid, lichtgeloovigheid—wat moet ik er nog meer bijvoegen? Ik heb het onmogelijke gedaan om hem te genezen; ik heb feesten gegeven, maar dan sloot hij zich op in zijn kamer; ik heb zijn nichtjes hier gelogeerd, maar na eenige dagen liep hij met hen op en neer als ware hij zelf een meisje; en zij, die anders nuffig[178]genoeg zijn, sloegen de armen om zijn taille—bah! Eindelijk heb ik zelf geprobeerd hem te verleiden; ik heb hem gebracht in de buurt van plaatsen—enfin, ik ben gegaan zoover als ik durfde en gaan kon als vader. Maar het is niet langer te dulden. Zooals hij is kan hij niet blijven, kan hij niet optreden als erfgenaam van onzen ouden naam en fortuin. Mijn laatste hoop is gevestigd op Indië. Gij hebt het mij nooit geschreven, doch als ik de boeken mag vertrouwen die over dat land handelen, dan is het daar een zoodanige maatschappij, dat men hier te lande wèl zal doen zoo men verzwijgt er in te hebben verkeerd. Daarheen zend ik mijn Johan, in het vaste geloof dat de invloed van de omgeving op den duur uitwerken moet, wat hier onmogelijk blijkt: eenigermate een mensch van hem te maken. Ik geef hem royaal reisgeld mee en zeide hem zich voor het verdere tot u te wenden; ingesloten zult ge een wissel van[179]ƒ 5000.— vinden, terwijl een gelijk bedrag in den loop van het volgend kwartaal door mij zal verzonden worden. Wil hem aanmoedigen er zooveel mogelijk van te gebruiken en mij schrijven als er meer noodig mocht zijn. Van harte hoop ik dat hij terecht komt. Het eenige wat ik u in den naam onzer oude vriendschap verzoek is dit: wil het oog op hem houden; en als hij het te eeniger tijd zóó bont mocht maken, dat zelfs in de Indische maatschappij zijn doen en laten wordt gelaakt, stuur hem dan terug. Dan eerst geloof ik aan eene duurzame verbetering. Vrees niets zoo hij zich aan de ten uwent getolereerde ondeugden mocht overgeven; onder de strengere vormen onzer samenleving hier, zal zich dat alles bij een karakter als het zijne, spoedig tot de normale grenzen laten terugbrengen.Ontvang mijne meest vriendschappelijke groeten.J. Th.…[180]De handteekening had Meijerbeer niet kunnen ontcijferen. Dat was een groote teleurstelling, doch na een paar dagen wist men den naam; er was in het logement waar ook de procuratiehouder woonde, door den chef een kamer besteld voor den heer van Beek.„Sapristi, wat ’n ouwe naam!”„Die heer papa schijnt een klap van den molen beet te hebben.”Ook Wije had geglimlacht, toen hij na het lezen van den brief, dien zoo veel verspreiden naam vernam.„Maar met het geld schijnt het in orde te zijn,” merkte hij op.„Dat zal waar zijn! We hebben al plan gemaakt om hem zijn aankomst met een gloeiende fuif te laten vieren.”„Met dat al is het niet plezierig voor hem, dat die brief … zoo verdwaald is geraakt,” zeide Wije. „Jelui hebt er toch buitenaf niet over gesproken?”[181]Er volgde eenig zwijgen.„’t Is geen zaak die de firma betreft,” meende de correspondent.„Hm, ik zie het al,” zeide Wije; „en ik begrijp wat er volgen moet, als de stumper voet aan wal gezet heeft. Ik had wel trek hem onder mijn bescherming te nemen.”„Dat doe,” zeide de procuratiehouder lachend.De oude heer van Beek had verzuimd te melden met welke boot zijn zoon zou vertrekken. De chef der Semarangsche firma had in den beginne een paar maal de passagierslijsten ingezien van de kustbooten, maar onder alle andere drukten had hij de geheele geschiedenis vergeten, tot plotseling de jonge van Beek zijn kantoor binnenkwam. Een tamelijk lange, schrale figuur, een spitse neus tusschen bleekblauwe, starende oogen, door een bril in hun functie bijgestaan, donkerblond haar dat minstens in geen twee maanden geknipt was, ziedaar de persoon die, gestoken in een grijs fantasiepak,[182]blazende van de hitte en verschrikkelijk transpireerende, zich voorstelde als Johan van Beek.„Aangenaam kennis te maken; ga zitten,” zeide de chef. „Je schijnt het warm te hebben.”„Ja meneer, de wandeling hierheen viel niet mee.”„Je hebt toch niet geloopen? Ja? Waarom heb je geen wagen of dogcart genomen?”„Men zei dat het zoo wat twintig minuten gaans was, en toen vond ik het zonde daarvoor een rijtuig te nemen,” verklaarde van Beek, terwijl de jongste chef zich dieper over zijn papieren heenboog.„Nu, dat zal je in ’t vervolg wel anders leeren inzien. Is de reis voorts nogal voorspoedig geweest?”„Dank u. Alleen hier heb ik moeite gekregen met mijn bagage. Men vroeg mij een bewijs, een pas, of zoo iets, en toen ik dien niet had, moest alles door naar een grooten[183]boom.… men zei ik zou hem wel zien onderweg, maar ik heb niets als kleine boompjes gezien en een breede laan.”„In orde, ik zal er voor laten zorgen.” En de chef schelde. Aan den oppasser gelastte hij den boomklerk te roepen en ging voort tot van Beek: „De „Boom” is hier het douanelokaal. Je zult zelf even met den klerk mee moeten. Heb je witte kleeding in je koffers?”„Jawel meneer, maar ze zeiden dat het gevaarlijk was daarmee aan wal te gaan voor iemand die de eerste keer in ’t land kwam, vanwege de plotselinge koude buien.”„Je moet je niet zooveel wijs laten maken,” zeide de chef met geweld zijn ernst bewarende. „Ha, daar is Bolman. Bolman, ga met meneer mee naar den Boom en help hem zijn goed in te klaren. Vervolgens breng je hem in ’t logement, en.… rijd even bij een kapper aan en zeg hem meneer’s haar te knippen zooals hier gebruikelijk is. Begrepen?”[184]„Best meneer,” zeide de boomklerk.„Nu, van Beek,” vervolgde de chef, „tot ziens. Ik kom in den vooravond bij je; blijf zoolang thuis en kleed je wat luchtiger. Bonjour.”Het sprak vanzelf dat de boomklerk ’s middags, toen de chefs waren gaan eten, rapport moest doen. De employé’s kregen hun rijsttafel op het kantoor gezonden, en zelden waren zij daarmee zoo spoedig gereed en de bedienden met de etensdragers vertrokken, als heden. Toen verzamelden zij zich om Bolman heen.„Wat ’n portret!” begon deze. „Wij gingen maar eerst naar den kapper; want ik geneerde mij een beetje om zóó met hem aan den Boom te komen. Ik zei den Franschman, dat hij hem kort knippen moest—in ’t Maleisch, omdat de baas mij een knipoogje gegeven had—en hij deed het. Onze vriend zweeg als een mof zoolang het duurde. Toen het afgeloopen was haalde hij een dikke portemonnaie uit zijn zak[185]en scharrelde er een poos in, totdat hij een kwartje vond. Dat legde hij op tafel. Maar de Franschman deed alsof hij het niet zag en zei: „Ça fait un florin, monsieur.” Daar had je de poppen aan het dansen! Hij dacht zeker dat hij werd afgezet en begon op te spelen van heb ik jou daar. Ik had niet gedacht dat er nog zooveel pit in den vent zat, en Fransch sprak hij als water, zoodat ik het nauwelijks volgen kon. Het duurde een heele poos, eer ik hem kon beduiden dat dit hier de prijs was. En nog geloof ik dat hij mij maar half vertrouwde.Soedah, om aan den Boom niet weer hetzelfde gehaspel te krijgen, heb ik eerst betaald en hem later in ’t logement de quitantie voorgelegd. Dat heertje schijnt erg op den penning te zijn. Maar.… hoe oud denken de heeren dat hij is?”„Zeven en twintig,” raadde er een, en op het ontkennend hoofdschudden van den boomklerk telde men door, tot dertig toe.[186]„Een en twintig!” zeide Bolman eindelijk, onder kreten van verbazing. „Hij wordt de volgende maand twee en twintig.”In den vooravond reed de chef naar het logement. Hij ontveinsde zich niet, dat het een moeielijke opdracht was hem door van Beek’s vader gegeven; maar hij herinnerde zich, hoe hijzelf eenmaal door zijn rijken schoolvriend was voortgeholpen, ja feitelijk gebracht tot de positie die hij nu bekleedde; en mocht hij er al eenige oogenblikken over gedacht hebben zich dezen last van den hals te schuiven, bij nadere overweging begreep hij dat de oude van Beek, met de macht van zijn enorm fortuin, een niet te verachten vijand zou wezen en hem evenveel kwaad als voorheen goed zou kunnen doen.„Wel, van Beek,” opende hij het gesprek, „vertel me nu eens wat van den ouden heer.” En terwijl het jonge mensch praatte, daartoe telkens door een korte vraag aangemoedigd,[187]bespiedde hij hem en trachtte de met hem te volgen gedragslijn gaandeweg vast te stellen.Nu is men in Indië gewoonlijk nogal spoedig gereed met zijn oordeel over een nieuwgekomene; een toevallige indruk, een ongelukkig woord, een praatje van iemand die hem vroeger gekend heeft, en men is gereed om een uitspraak te doen, die dit eigenaardige heeft dat zij den getroffene overal volgt, waarheen hij zich in dat land ook begeeft. Is zij gunstig, zooveel te beter, doch dikwijls vernietigt zij zonder mededoogen een geheele carrière.De chef had dan zitten luisteren, met het rustige van iemand die zeker van zijn zaak is. Hij zou dat karakter wel binnen korten tijd schatten. En zie, na een goed kwartier trok hij met groote beslistheid de som. Die jonge man was niet zoo dom als zijn vader meende, enkel maar wat groen, en dàt zou er door de wrijving met anderen wel uitgaan. Och heer, hij had er zooveel zien komen, die[188]erger waren dan deze, en in een paar jaar ontbolsterd waren!„En wat zijn nu je plannen voor de naaste toekomst?”„Papa zei, ik zou dat eens met u overleggen.”„Jawel, maar aangezien het je vrij staat te kiezen, zou ik wel eerst willen weten waar je den meesten lust toe hebt. Over de uitvoering kunnen we dan spreken. Hoe denk je over een reis door Java, om te beginnen?”„O neen, meneer,” antwoordde van Beek haastig; „ik wil werken.”„Werken?” herhaalde de chef.„Ja meneer. Ik mag, nu ik hier ben, mijn vader niet langer tot last zijn. De reis heeft toch al zoo verschrikkelijk veel geld gekost.”De chef begon te lachen.„Hoeveel denk je wel dat je vader bezit?”„Drie millioen ongeveer, en als de oude tantes sterven komt er nog een millioen bij. Dat weet ik; maar aan alles is opmaken.”[189]Met een beweging van schrik en verrassing sprong de chef op van zijn stoel. Het was toch ernstiger dan hij gemeend had. Was dat onnoozelheid of vrekkigheid? De toon waarop het gezegd was en de keus der woorden weersprak het eerste. Maar dan was het een abnormaliteit, zóó groot … ja, dàn had de oude van Beek toch gelijk!„Hoor eens,” zeide hij, eenigszins kortaf, „dat je wilt werken is goed; ik zal je er aan voorthelpen. Wij staan in relatie met een suikerfabriek niet ver van Solo; daar zal ik je een plaatsing bezorgen. Eerstbeginnenden doen het beste de binnenlanden in te gaan, en de stad is niet ver van de fabriek. Maar je blijkt zoo in ’t geheel geen verstand te hebben van geld en van wat je past als je vaders zoon, datikvoorloopig de manier zal regelen waarop je verteringen worden ingezet. Kom overmorgenavond bij ons eten, dan is er tevens antwoord van de fabriek.”[190]Onder dit gesprek, dat in een hoek der groote voorgaanderij plaats vond, had zich meer in het midden, een kring gevormd van logé’s. Hij paalde aan de bittertafel, waar de eene helft met den rug heengewend zat, terwijl zich de uitersten van de andere helft buiten het afdak in de open lucht bevonden. Het waren stadsbewoners en buitenlui, onderscheiden door hun gelaatskleur, die van gene wit, van deze vuurrood was. Een tweede verschil, maar dat allengs verdween naarmate de avond vorderde, was het stemgeluid, dat van de buitenlui ongegeneerd hard klonk.Van Beek, die den vertrekkenden chef nazag, bemerkte dat hij bij het passeeren van het vroolijke troepje eerbiedig gegroet werd, terwijl een hunner opstond en hem blijkbaar een vraag deed, die de chef na eenig aarzelen, schouderophalend en lachend beantwoordde. En toen hij weggereden was ontstond er in den kring een gefluister. Plotseling[191]rees een groote gestalte van zijn stoel op.„Wat zeg je?” hoorde de nieuweling in den hoek. „Van Beek? Een zoon van.…?” En hij trad uit den kring rechtstreeks op den genoemde aan.„Wat hoor ik,” zeide hij; „is u een zoon van den ouden heer van Beek?”De aangesprokene verklaarde dit inderdaad te zijn.„Wel wel, dat doet me plezier! Bergen en dalen.… dat ken je. Kom eens gauw bij ons zitten.”„Heeft u papa gekend?” vroeg van Beek, die door reuzenkracht meegetroond, zelfs niet aan tegenspartelen dacht.„Dat zal waar zijn! Je vader en de mijne waren schoolkameraads. En.… laat me je eens voorstellen: meneer Rivière, óók een schoolkennis van je vader, dat wil zeggen zijn oude heer; meneer Jansen, van Epscheuten, Kraai, en ik heet Bach. Allemaal van de fabrieken[192]Iringmanis en Koeningajoe. De andere heeren hooren hier in de stad thuis en staan al te popelen om hun naam te zeggen.”Zoo was het, en na iederen naam een handdruk, tot van Beek eindelijk op een stoel gedrukt werd, met een gevoel alsof hij eksteroogen aan al zijn vingers had.„Een bittertje, of een glas port?” presenteerde hij, die zich Bach genoemd had.„Liever een glas port,” nam van Beek aan.Aan tafel zou hij bij voorkeur water gedronken hebben, maar men liet niet af, en al spoedig hadden de jongelui de overtuiging dat van Beek, om hun eigen woorden te gebruiken, niets afsloeg dan vliegen. En in deze opinie werden zij versterkt, toen zij hem na den eten, meegenomen hadden naar de sociëteit.Van Beek verklaarde niet te kunnen biljarten. Met edele zelfopoffering schaarden zij zich daarop om de kletstafel; maar als de wijn aan tafel en de voortzetting daarvan in de sociëteit[193]niet alreeds hun invloed op van Beek hadden doen gelden, dan zou hij voorzeker weggevloden zijn. Wat een gesprekken! En welk een tafereel hing men op van het leven in de binnenlanden! Hij twijfelde geen oogenblik, of alles wat men zeide was de nuchtere waarheid, want zij spraken immers niet tot hem, doch onder elkaar, en op den meest eenvoudigen toon. Die Jansen bijvoorbeeld, vertelde met het grootste cynisme, hoe hij een paar weken geleden een Javaansch meisje uit haar woning had weggeroofd, op een oogenblik dat haar vader en haar broers in desawahwerkten; en toen deze later op hun knieën voor hem lagen, hem smeekende het meisje terug te geven, had hij hen met revolverschoten neergeveld en de lijken in de rivier doen werpen. Daarop hadden allen gelachen en Jansen „een kraan van ’n vent” genoemd.Het was zóó erg, dat van Beek niet eens zijn afschuw durfde te kennen geven en zich bepaalde[194]tot een poging om zijn schrik weg te spoelen uit het voor hem staande glas, dat door een geheimzinnige zorg steeds opnieuw gevuld werd.„Je mocht óók wel eens wat presenteeren,” fluisterde zijn buurman hem in. „Ze hebben jou al zoo veel geöffreerd.”„Dat moeten zij weten,” was het antwoord. „En.… ik heb eigenlijk al genoeg.”„Wel verd.…” begon de buurman, bijna uit zijn rol vallende, met grooten lust van Beek een oorvijg toe te dienen; doch hij herstelde zich. „Nu, een glaasje champagne tot besluit, drink je nog wel met ons mee?”„Ja, daar heb ik altijd veel van gehouden.”Hij hield het niet lang meer vol, doch tot het laatste oogenblik bewaarde hij wat men zijn „verstand” geliefde te noemen en met zijn plotseling wegzakken de jongelui, die hem in de armen van zekere Olympische godin hadden willen voeren, het koopje gevend van hem thuis te moeten brengen.[195]Den volgenden dag moest van Beek het bed houden. Vruchteloos trachtte hij zich te herinneren wat er in den loop van den vorigen avond met hem gebeurd was, doch één indruk was blijvend: die van de schildering der binnenlanden. Daar zou hij zich niet in wagen, en dit herhaalde hij telkens bij zichzelf, tot hij gevoelde een voldoenden voorraad koppigheid te hebben aangekweekt, om het ook tegenover den vriend van zijn vader te kunnen volhouden.Het gelukte dezen niet hem dien onzin uit het hoofd te praten, en het einde was, dat hij om erger te voorkomen, van Beek bij de firma inlijfde, voorloopig zonder tractement, om te zien wat er uit hem te maken was. Om te beginnen werd hij aan den boomklerk toegevoegd, en belastte deze hem met het schrijven der duplicaat-verklaringen van invoer, terwijl hij hem gaandeweg onderwees in het opmaken dier stukken in originali. Het bleek[196]dat het van Beek noch aan goeden wil, noch aan vlug begrip ontbrak.„Ik zou hem gerust alles overlaten,” zeide de boomklerk een paar maanden later, „als hij zich niet telkens wat liet wijs maken. Maar soms doet hij de gekste dingen, en dan komt het geregeld uit dat de een of ander hem er heeft laten inloopen; waarschuwen helpt niet.”Meestal waren het de jongelui uit het hotel, die van Beek beetnamen. In den eersten tijd na het sociëteitsavondje hadden zij hem links laten liggen. De indruk van een klaplooper te zijn, dien hij hun gegeven had, was daarvan de oorzaak. Maar daar hij toch onder hen woonde en verkeerde, was dit op den duur moeilijk vol te houden. Toen begonnen zij zijn lichtgeloovigheid te exploiteeren; en de vele koopjes die hij daarbij snapte, waren een bron van vermaak en conversatie. Wie de sociëteit of bij een familie binnenkwam met de woorden: „heb je de laatste mop van van Beek al vernomen?”[197]was zeker van een willig gehoor. Zoodat zijn reputatie overal doordrong. Hemzelf kregen echter weinigen te zien, want behalve tot de meest verplichte, was hij tot visites maken niet over te halen; en nadat een der jongelui hem een plaats in zijn rijtuig geweigerd had, bij gelegenheid van een partij bij den resident, en hij toen was thuisgebleven, omdat hij geloofde wat men hem vertelde, dat men er te voet niet heen kon gaan, en hij de uitgaaf van een rijtuig niet wilde doen, bedankte hij voor alle volgende invitaties.De belangstelling in zijn persoon begon echter langzamerhand te verflauwen, vooral daar de Oostmoeson was aangevangen en men zich afvroeg wat er dit jaar van de ziekte komen zou, toen van Beek plotseling door twee daden zijn naam weer op aller tong bracht. De eerste deed vooral de handelswereld het hoofd schudden.Het was hem toch niet ontgaan, dat bij het opmaken der verklaringen tot invoer der goederen,[198]de zoogenaamde passen, waar die goederen niet op de bij Staatsblad vastgestelde prijslijst voorkwamen, en de firma dus zelf de waarde moest opgeven, dit met een zekere zuinigheid gedaan werd. En hoe kon het ook, daar de boomklerk hem had uitgelegd dat juist hierin de kracht van zijn betrekking lag, zóó aan te geven dat de Boom geen aanmerkingen maakte en toch de firma niet meer dan een minimum invoerrecht betaalde, ja zelfs een soliden naam aan den Boom behield. Want ging men te ver dan heette het smokkelen, en wee de firma die daarvoor bekend stond! Alles wat zij invoerde werd opengemaakt, gewogen, doorzocht; hetgeen groot tijdverlies en dikwerf schade aan de goederen en althans aan de verpakking met zich bracht.De employé’s die in het logement woonden, hadden de gewoonte om soms hoog op te geven van hun slimheid in boomzaken, en de trekken te verhalen die zij de ambtenaren[199]speelden. Het spreekt dat daarbij niet zelden werd overdreven, en toen van Beek kwam deed men dit opzettelijk om hem, die alles geloofde, er in te doen loopen. Op zekeren avond zaten zij weer bij elkaar, en vormde de Boom het onderwerp van discours.„Heb je al eens Adrianopel-garen ingevoerd, van Beek?”„Neen, nog niet.”„Zoo; dan ken je dentrucook niet. Het komt in kisten en is verpakt in kleine pakjes van een gros kluwtjes, of soms meer; dat hangt van den afzender af. Maar het wordt geprijsd per gewicht. Aan den Boom nemen ze een pakje, storten dat uit, wegen het, en berekenen het totaal, dat natuurlijk kloppen moet met je aangifte. Begrijp je dat?”„Ja zeker.”„Maar als je dat deed, zou je toch heel gek staan te kijken. Weet je waarom? In de kluwentjes zitten stukjes hout, van een vrij zwaar[200]soort, en daarvan is het gewicht natuurlijk op de factuur afgetrokken.”„O juist!” zeide van Beek. „Dus wegen zij meer.”„Goed gezegd. Ik zie dat je vooruit gaat. Maar wat moet je nu doen?”„Ik zou het aan den verificateur vertellen.”Een algemeen lachen volgde op deze woorden.„Daar heb je meneer Simpel weer!” riep de onderwijzer uit. „Neen man, dat gaat niet. De verificateurs weten het net zoo goed als jij, maar ze moeten zich aan de letter van de wet houden; dus wegen zij, hout en al, en … beboeten je.”Het was een moeielijk geval. Van Beek trok zich aan de punt van zijn neus, een gewoonte van hem als hij nadacht, maar hij kon er niets op vinden.„Zal ik het hem zeggen?”„Ja, ga je gang maar,” zeiden de anderen goedig.[201]„Nu, opgelet dan. Als de verificateur de kist heeft aangewezen, die hij geopend wil hebben, gaat hij gewoonlijk even weg tot het klaar is. Van dat oogenblik maak je gebruik en neemt uit een pakje zes kluwentjes weg; let wel: zes! Dat pakje geef je hem, en het klopt precies.”Welk een vreugde beving van Beek, toen den volgenden morgen de boomklerk hem een stel passen overgaf met de woorden: „Ga even met denmandoernaar den Boom: we hebben niets dan vier kisten Adrianopel-garen; er is niets bijzonders aan, dus je kunt het wel even alleen doen.”Of hij dat kon! Hij spoedde zich weg, zijn gelukkig gesternte prijzend. Hoe toevallig dat men hem juist gisteravond had ingelicht!Het ging precies zooals men gezegd had. Gemakkelijker zelfs. Want toen hij den verificateur het pakje toereikte, waaruit zes kluwentjes in zijn zak verdwaald waren, keek[202]deze er even in en zeide: „Het zal wel in orde zijn; ga maar door.” Doch dit maakte de rekening niet. Van Beek wilde nu, de eerste maal dat hij alleen handelde, ook toonen dat hij zijn zaken wist.„Weegt u het als u blieft na,” zeide hij, het pakje terugwijzende.De verificateur lachte even om zijn drukte, en wilde juist het pakje in de kist werpen, toen plotseling zijn oog viel op van Beek’s zijzak, waaruit een rooden draad afhing. Dat was mis! En onder de suspicie van een smokkelpartij, greep hij van Beek bij den arm.„Mee naar den controleur,” zeide hij kort.Van Beek had den controleur nog nooit gezien, doch de faam die van dezen ambtenaar uitging, was geweldig. Het was de opperste macht op dit kleine terrein, hij besliste als het ware over leven en dood, tronende in zijn bureau, waar men hem alleen in hoogst belangrijke geschillen mocht komen storen.[203]„Blijf hier even staan,” zeide de verificateur, zoodra zij de deur binnen waren, en ging zelf naar den hoogen lessenaar, waarachter de controleur verborgen zat, met wien hij eenige oogenblikken fluisterend sprak.„Kom eens hier, vriend!” klonk een gestrenge stem, die van Beek deed sidderen. „Wat heb je daar in je zak?”„De zes kluwentjes overwicht,” stotterde de ongelukkige, de corpora delicti te voorschijn halende.„Overwicht?Wat is dat? Kom je ons nog voor den gek houden ook?—Weegt u het even na,” vervolgde de controleur tot zijn ondergeschikte, terwijl hij wees op een balans in de vensterbank.De verificateur deed wat hem gelast werd; maar toen de schaal in evenwicht was, teekende zijn gelaat onverholen verbazing en hij keek beurtelings naar de koperen gewichtjes en op den pas.[204]„Het komt precies uit, meneer,” zeide hij eindelijk. „Daar begrijp ik niets van!”Neen, en de controleur begreep het evenmin.„Hoe heet je?” vroeg hij om iets te zeggen.„Van Beek, meneer.”„O.…!”Dat „O!” was typisch. De verificateur begon zich te schamen en zocht naar een afleiding, die gevonden werd in het binnenkomen van den oppasser, met het leitje waarop Bolman, de boomklerk, zich liet aandienen. Demandoerwas hem gaan waarschuwen, en hij kwam juist intijds om medeaanhoorder te zijn van van Beek’s explicatie.De controleur moest er om lachen, maar dat nam niet weg dat het feit bleef bestaan, dat van Beek, hetzij dan uit onnoozelheid, zich aan de hooge waardigheid van den Boom vergrepen had.„Ik zal het er voor ditmaal bij laten,” sprak hij tot Bolman. „Maar zeg aan je chef,[205]dat hij vriendelijk verzocht wordt ons dergelijke tooneelen te besparen en dit jonge mensch thuis te houden; op den duur zou het aan den goeden naam uwer firma schade doen.”Deze boodschap, behoorlijk overgebracht, bezorgde van Beek een klinkend standje van den chef. Hij beloofde beterschap en van nu af aan niets meer te zullen gelooven. Intusschen, daar hij aan den Boom niet meer komen mocht, voegde de chef hem aan Wije toe.Onder de leiding van dezen en den bedaarden Terborg viel er werkelijk eenige beterschap te bespeuren, maar aan de volkomen genezing moest nog eerst het tweede feit voorafgaan.Er was een avondje geweest bij een familie, en twee der jongelui uit het logement zaten na afloop op het galerijtje vóór hun bovenkamers te bekoelen en wat na te praten. Daar opende zich van Beek’s kamerdeur en deze trad naar buiten.[206]„Op mijn kamer is een verschrikkelijk groote vleermuis,” deelde hij mee.„Schiet hem dood,” raadde de een; en de ander, met een goed geveinsd gebaar van schrik en afschuw, schoof zijn stoel achteruit en week als ontzet eenige passen zijwaarts.„Je deur is toch goed dicht?” vroeg hij.„Ja, waarom?”„Gelukkig. Neen, alsjeblieft, niet te dicht bij mij! Die beesten zitten vol ongedierte en licht heb je al wat te pakken.”„Neen, dat kan niet,” betuigde van Beek. „Ik ben stilletjes in mijn bed gebleven tot hij onbeweeglijk tegen den zolder bleef zitten. Toen ben ik eruit gekomen om te vragen wat ik doen moest.”„Wel.… je hebt een geweer. Heb je hagelpatronen?”„Ja.”„Nu, dan is het eenvoudig genoeg, als je maar voorzichtig bent, zoodat je hem niet[207]opschrikt. Ga zoo zacht mogelijk terug, neem je spuit en mik secuur.”„Zou jij het niet voor me willen doen?”„Merci; ieder op zijn eigen kamer, hoor!”„Nu.… dankje.” En hij verwijderde zich. Maar nauwelijks had hij de deur in alle stilte achter zich gesloten, of de beide jongelui namen hun sloffen in de handen en slopen op hun bloote teenen naar hun kamers.Het was één uur in den nacht. Het geluid dertongtongsaan de wachthuisjes, die het uur aangaven, voorafgegaan door debedoekin de moskee, stierf in de verte weg; een enkele nablijver, die geslapen had op zijn post, liet nog even zijn slag hooren, en toen was alles stil, zoo stil als het in een Oostmoeson’s nacht zonder kikkers en krekels slechts wezen kan. In het hotel sliep iedereen of lag althans te bed. Daar klinkt de scherpe knal van een geweerschot, scheurend door de luchtlagen. Deuren vlogen open, en van alle kanten[208]stroomden halfgekleede gestalten toe onder angstig vragen: „Wie is het? Heere, wie zou het zijn?”„Boven, boven!” was het antwoord, en men vloog, struikelend over elkaar, de trap op, de logementhouder voorop. Ook dáár waren alle deuren open.… op drie na. De logementhouder bonsde op de eerste, en een slaapdronken stem gaf antwoord. De tweede deur was die van van Beek. Men gevoelde, zoodra zijn naam genoemd was, dat hij het moest zijn, en diep medelijden beving allen. De deur werd geopend … en daar stond de gewaande zelfmoordenaar, zich oprichtende, voorzichtig, met een papiertje, een doode vleermuis aanvattend en in de hoogte houdend onder den blijden uitroep: „Ik heb hem!” Het geweer tegen de kastdeur aangeleund, illustreerde de rest.’s Morgens daarna zat de stumper in zijn kamer. Naast hem een kom met ijs, waarin[209]hij de compressen koud maakte, alvorens die op zijn deerlijk gehavend gelaat te appliceeren. Intusschen bevond zich de logementhouder op het kantoor, waar hij den chef het gebeurde mededeelde, zijn leedwezen betuigende dat hij de logé’s niet had kunnen verhinderen van Beek een geducht pak slaag te geven, maar aan den anderen kant den chef beleefd doch dringend verzoekend, den jongen man elders onder dak te brengen.Deze begreep dat dit verzoek billijk was, en zoodra van Beek weer voor den dag kon komen verhuisde hij naar het paviljoen van den chef, bij zichzelven zwerende dat hij nu heusch niemand meer vertrouwen zou.[210]

VIII.VIII.ZOU DIE OOIT TERECHT KOMEN?

VIII.

De eerste keer dat Wije weer op het kantoor verscheen, wachtte hem een nieuwtje. Eenige dagen geleden, zoo vertelde men hem, hadden de chefs ’s morgens vroeg zitten lachen en pret gehad, wel tien minuten lang. Waarover, had men niet kunnen opvangen; doch in het middaguur, toen ze naar huis waren, liet de correspondent door den klerk Meijerbeer een paar brieven op den lessenaar van den chef neerleggen. Men hoorde kort daarop een gegiegel, en de klerk met zijn muzikalen naam kwam grijnzend terug.[175]„Ik weet, meneer,” riep hij uit, zoo opgewonden als dat bij iemand van zijn slag mogelijk was.„Laat hooren.”„Zal-d-er komen een jongelui met de overgroote meerderheid van zedelijkheid.”„Watblief?” zeide de correspondent.„De desbetreffende missive ligt op meneer zijn tafel,” ging de klerk voort; „zijn schaapachtigheid grenst aan de ongeloovigheid, maartida koerang wang. Hij moet met de stukken van het geld leeren slaan.”De employé’s zagen elkaar aan; de nieuwsgierigheid was groot; ieder dacht hetzelfde, koesterde dezelfde begeerte; maar toen deze op het punt stond zich te uiten in een algemeen opstaan en stormen naar de kamer der chefs, werd zij intijds bedwongen door den correspondent, die inzag dat zoo iets geen pas gaf tegenover de inlandsche oppassers.„Hier, Meijerbeer,” zeide hij, dezen een[176]schoon vel papier en een potlood aanreikende, „maak als de bliksem een afschrift. ’t Hoeft niet mooi, hoor! En niets verschikken op de tafel.”Het luidde als volgt:Amice!Heb medelijden met een diep ongelukkig vader! Als gij dezen ontvangt is mijn zoon Johan, mijn eenige, dicht bij de stad uwer inwoning en zal weldra voor u staan. Schrik niet als gij hem ziet en lach niet, wat ik u bidden mag; het is te ernstig. Het zal u moeielijk vallen in zijn trekken de mijne te herkennen of die mijner overleden vrouw, zóó zijn zij misvormd door een uitdrukking van schaapachtigheid, die aan ’t ongeloofelijke grenst. Misschien is het mijn schuld, dat ik hem als jongen te weinig bespied, te veel toegegeven heb, te lang een gouvernante gelaten—ik weet het niet; trouwens in onzen kring werken allerlei omstandigheden daartoe[177]mede, dat wij de zorg voor een kind aan vreemden moeten overlaten. Maar toen zijn moeder dood was had ik meer gelegenheid hem te observeeren. Ik zag toen zijn kwaal en meende die te moeten toeschrijven aan gebrek aan omgang met jongelui van zijn leeftijd. Zoo spoedig mogelijk liet ik hem klaar maken voor de academie, en bracht hem zelf naar Leiden. Helaas! twee maanden later kwam hij weer thuis, nu voorgoed bedorven. Ik kon hem niet meer weg krijgen; van dien dag af leidde hij een leven dat ik verklaar niet te begrijpen. Hij is ziek; ziek door overmaat van zedelijkheid, ingetogenheid, lichtgeloovigheid—wat moet ik er nog meer bijvoegen? Ik heb het onmogelijke gedaan om hem te genezen; ik heb feesten gegeven, maar dan sloot hij zich op in zijn kamer; ik heb zijn nichtjes hier gelogeerd, maar na eenige dagen liep hij met hen op en neer als ware hij zelf een meisje; en zij, die anders nuffig[178]genoeg zijn, sloegen de armen om zijn taille—bah! Eindelijk heb ik zelf geprobeerd hem te verleiden; ik heb hem gebracht in de buurt van plaatsen—enfin, ik ben gegaan zoover als ik durfde en gaan kon als vader. Maar het is niet langer te dulden. Zooals hij is kan hij niet blijven, kan hij niet optreden als erfgenaam van onzen ouden naam en fortuin. Mijn laatste hoop is gevestigd op Indië. Gij hebt het mij nooit geschreven, doch als ik de boeken mag vertrouwen die over dat land handelen, dan is het daar een zoodanige maatschappij, dat men hier te lande wèl zal doen zoo men verzwijgt er in te hebben verkeerd. Daarheen zend ik mijn Johan, in het vaste geloof dat de invloed van de omgeving op den duur uitwerken moet, wat hier onmogelijk blijkt: eenigermate een mensch van hem te maken. Ik geef hem royaal reisgeld mee en zeide hem zich voor het verdere tot u te wenden; ingesloten zult ge een wissel van[179]ƒ 5000.— vinden, terwijl een gelijk bedrag in den loop van het volgend kwartaal door mij zal verzonden worden. Wil hem aanmoedigen er zooveel mogelijk van te gebruiken en mij schrijven als er meer noodig mocht zijn. Van harte hoop ik dat hij terecht komt. Het eenige wat ik u in den naam onzer oude vriendschap verzoek is dit: wil het oog op hem houden; en als hij het te eeniger tijd zóó bont mocht maken, dat zelfs in de Indische maatschappij zijn doen en laten wordt gelaakt, stuur hem dan terug. Dan eerst geloof ik aan eene duurzame verbetering. Vrees niets zoo hij zich aan de ten uwent getolereerde ondeugden mocht overgeven; onder de strengere vormen onzer samenleving hier, zal zich dat alles bij een karakter als het zijne, spoedig tot de normale grenzen laten terugbrengen.Ontvang mijne meest vriendschappelijke groeten.J. Th.…[180]De handteekening had Meijerbeer niet kunnen ontcijferen. Dat was een groote teleurstelling, doch na een paar dagen wist men den naam; er was in het logement waar ook de procuratiehouder woonde, door den chef een kamer besteld voor den heer van Beek.„Sapristi, wat ’n ouwe naam!”„Die heer papa schijnt een klap van den molen beet te hebben.”Ook Wije had geglimlacht, toen hij na het lezen van den brief, dien zoo veel verspreiden naam vernam.„Maar met het geld schijnt het in orde te zijn,” merkte hij op.„Dat zal waar zijn! We hebben al plan gemaakt om hem zijn aankomst met een gloeiende fuif te laten vieren.”„Met dat al is het niet plezierig voor hem, dat die brief … zoo verdwaald is geraakt,” zeide Wije. „Jelui hebt er toch buitenaf niet over gesproken?”[181]Er volgde eenig zwijgen.„’t Is geen zaak die de firma betreft,” meende de correspondent.„Hm, ik zie het al,” zeide Wije; „en ik begrijp wat er volgen moet, als de stumper voet aan wal gezet heeft. Ik had wel trek hem onder mijn bescherming te nemen.”„Dat doe,” zeide de procuratiehouder lachend.De oude heer van Beek had verzuimd te melden met welke boot zijn zoon zou vertrekken. De chef der Semarangsche firma had in den beginne een paar maal de passagierslijsten ingezien van de kustbooten, maar onder alle andere drukten had hij de geheele geschiedenis vergeten, tot plotseling de jonge van Beek zijn kantoor binnenkwam. Een tamelijk lange, schrale figuur, een spitse neus tusschen bleekblauwe, starende oogen, door een bril in hun functie bijgestaan, donkerblond haar dat minstens in geen twee maanden geknipt was, ziedaar de persoon die, gestoken in een grijs fantasiepak,[182]blazende van de hitte en verschrikkelijk transpireerende, zich voorstelde als Johan van Beek.„Aangenaam kennis te maken; ga zitten,” zeide de chef. „Je schijnt het warm te hebben.”„Ja meneer, de wandeling hierheen viel niet mee.”„Je hebt toch niet geloopen? Ja? Waarom heb je geen wagen of dogcart genomen?”„Men zei dat het zoo wat twintig minuten gaans was, en toen vond ik het zonde daarvoor een rijtuig te nemen,” verklaarde van Beek, terwijl de jongste chef zich dieper over zijn papieren heenboog.„Nu, dat zal je in ’t vervolg wel anders leeren inzien. Is de reis voorts nogal voorspoedig geweest?”„Dank u. Alleen hier heb ik moeite gekregen met mijn bagage. Men vroeg mij een bewijs, een pas, of zoo iets, en toen ik dien niet had, moest alles door naar een grooten[183]boom.… men zei ik zou hem wel zien onderweg, maar ik heb niets als kleine boompjes gezien en een breede laan.”„In orde, ik zal er voor laten zorgen.” En de chef schelde. Aan den oppasser gelastte hij den boomklerk te roepen en ging voort tot van Beek: „De „Boom” is hier het douanelokaal. Je zult zelf even met den klerk mee moeten. Heb je witte kleeding in je koffers?”„Jawel meneer, maar ze zeiden dat het gevaarlijk was daarmee aan wal te gaan voor iemand die de eerste keer in ’t land kwam, vanwege de plotselinge koude buien.”„Je moet je niet zooveel wijs laten maken,” zeide de chef met geweld zijn ernst bewarende. „Ha, daar is Bolman. Bolman, ga met meneer mee naar den Boom en help hem zijn goed in te klaren. Vervolgens breng je hem in ’t logement, en.… rijd even bij een kapper aan en zeg hem meneer’s haar te knippen zooals hier gebruikelijk is. Begrepen?”[184]„Best meneer,” zeide de boomklerk.„Nu, van Beek,” vervolgde de chef, „tot ziens. Ik kom in den vooravond bij je; blijf zoolang thuis en kleed je wat luchtiger. Bonjour.”Het sprak vanzelf dat de boomklerk ’s middags, toen de chefs waren gaan eten, rapport moest doen. De employé’s kregen hun rijsttafel op het kantoor gezonden, en zelden waren zij daarmee zoo spoedig gereed en de bedienden met de etensdragers vertrokken, als heden. Toen verzamelden zij zich om Bolman heen.„Wat ’n portret!” begon deze. „Wij gingen maar eerst naar den kapper; want ik geneerde mij een beetje om zóó met hem aan den Boom te komen. Ik zei den Franschman, dat hij hem kort knippen moest—in ’t Maleisch, omdat de baas mij een knipoogje gegeven had—en hij deed het. Onze vriend zweeg als een mof zoolang het duurde. Toen het afgeloopen was haalde hij een dikke portemonnaie uit zijn zak[185]en scharrelde er een poos in, totdat hij een kwartje vond. Dat legde hij op tafel. Maar de Franschman deed alsof hij het niet zag en zei: „Ça fait un florin, monsieur.” Daar had je de poppen aan het dansen! Hij dacht zeker dat hij werd afgezet en begon op te spelen van heb ik jou daar. Ik had niet gedacht dat er nog zooveel pit in den vent zat, en Fransch sprak hij als water, zoodat ik het nauwelijks volgen kon. Het duurde een heele poos, eer ik hem kon beduiden dat dit hier de prijs was. En nog geloof ik dat hij mij maar half vertrouwde.Soedah, om aan den Boom niet weer hetzelfde gehaspel te krijgen, heb ik eerst betaald en hem later in ’t logement de quitantie voorgelegd. Dat heertje schijnt erg op den penning te zijn. Maar.… hoe oud denken de heeren dat hij is?”„Zeven en twintig,” raadde er een, en op het ontkennend hoofdschudden van den boomklerk telde men door, tot dertig toe.[186]„Een en twintig!” zeide Bolman eindelijk, onder kreten van verbazing. „Hij wordt de volgende maand twee en twintig.”In den vooravond reed de chef naar het logement. Hij ontveinsde zich niet, dat het een moeielijke opdracht was hem door van Beek’s vader gegeven; maar hij herinnerde zich, hoe hijzelf eenmaal door zijn rijken schoolvriend was voortgeholpen, ja feitelijk gebracht tot de positie die hij nu bekleedde; en mocht hij er al eenige oogenblikken over gedacht hebben zich dezen last van den hals te schuiven, bij nadere overweging begreep hij dat de oude van Beek, met de macht van zijn enorm fortuin, een niet te verachten vijand zou wezen en hem evenveel kwaad als voorheen goed zou kunnen doen.„Wel, van Beek,” opende hij het gesprek, „vertel me nu eens wat van den ouden heer.” En terwijl het jonge mensch praatte, daartoe telkens door een korte vraag aangemoedigd,[187]bespiedde hij hem en trachtte de met hem te volgen gedragslijn gaandeweg vast te stellen.Nu is men in Indië gewoonlijk nogal spoedig gereed met zijn oordeel over een nieuwgekomene; een toevallige indruk, een ongelukkig woord, een praatje van iemand die hem vroeger gekend heeft, en men is gereed om een uitspraak te doen, die dit eigenaardige heeft dat zij den getroffene overal volgt, waarheen hij zich in dat land ook begeeft. Is zij gunstig, zooveel te beter, doch dikwijls vernietigt zij zonder mededoogen een geheele carrière.De chef had dan zitten luisteren, met het rustige van iemand die zeker van zijn zaak is. Hij zou dat karakter wel binnen korten tijd schatten. En zie, na een goed kwartier trok hij met groote beslistheid de som. Die jonge man was niet zoo dom als zijn vader meende, enkel maar wat groen, en dàt zou er door de wrijving met anderen wel uitgaan. Och heer, hij had er zooveel zien komen, die[188]erger waren dan deze, en in een paar jaar ontbolsterd waren!„En wat zijn nu je plannen voor de naaste toekomst?”„Papa zei, ik zou dat eens met u overleggen.”„Jawel, maar aangezien het je vrij staat te kiezen, zou ik wel eerst willen weten waar je den meesten lust toe hebt. Over de uitvoering kunnen we dan spreken. Hoe denk je over een reis door Java, om te beginnen?”„O neen, meneer,” antwoordde van Beek haastig; „ik wil werken.”„Werken?” herhaalde de chef.„Ja meneer. Ik mag, nu ik hier ben, mijn vader niet langer tot last zijn. De reis heeft toch al zoo verschrikkelijk veel geld gekost.”De chef begon te lachen.„Hoeveel denk je wel dat je vader bezit?”„Drie millioen ongeveer, en als de oude tantes sterven komt er nog een millioen bij. Dat weet ik; maar aan alles is opmaken.”[189]Met een beweging van schrik en verrassing sprong de chef op van zijn stoel. Het was toch ernstiger dan hij gemeend had. Was dat onnoozelheid of vrekkigheid? De toon waarop het gezegd was en de keus der woorden weersprak het eerste. Maar dan was het een abnormaliteit, zóó groot … ja, dàn had de oude van Beek toch gelijk!„Hoor eens,” zeide hij, eenigszins kortaf, „dat je wilt werken is goed; ik zal je er aan voorthelpen. Wij staan in relatie met een suikerfabriek niet ver van Solo; daar zal ik je een plaatsing bezorgen. Eerstbeginnenden doen het beste de binnenlanden in te gaan, en de stad is niet ver van de fabriek. Maar je blijkt zoo in ’t geheel geen verstand te hebben van geld en van wat je past als je vaders zoon, datikvoorloopig de manier zal regelen waarop je verteringen worden ingezet. Kom overmorgenavond bij ons eten, dan is er tevens antwoord van de fabriek.”[190]Onder dit gesprek, dat in een hoek der groote voorgaanderij plaats vond, had zich meer in het midden, een kring gevormd van logé’s. Hij paalde aan de bittertafel, waar de eene helft met den rug heengewend zat, terwijl zich de uitersten van de andere helft buiten het afdak in de open lucht bevonden. Het waren stadsbewoners en buitenlui, onderscheiden door hun gelaatskleur, die van gene wit, van deze vuurrood was. Een tweede verschil, maar dat allengs verdween naarmate de avond vorderde, was het stemgeluid, dat van de buitenlui ongegeneerd hard klonk.Van Beek, die den vertrekkenden chef nazag, bemerkte dat hij bij het passeeren van het vroolijke troepje eerbiedig gegroet werd, terwijl een hunner opstond en hem blijkbaar een vraag deed, die de chef na eenig aarzelen, schouderophalend en lachend beantwoordde. En toen hij weggereden was ontstond er in den kring een gefluister. Plotseling[191]rees een groote gestalte van zijn stoel op.„Wat zeg je?” hoorde de nieuweling in den hoek. „Van Beek? Een zoon van.…?” En hij trad uit den kring rechtstreeks op den genoemde aan.„Wat hoor ik,” zeide hij; „is u een zoon van den ouden heer van Beek?”De aangesprokene verklaarde dit inderdaad te zijn.„Wel wel, dat doet me plezier! Bergen en dalen.… dat ken je. Kom eens gauw bij ons zitten.”„Heeft u papa gekend?” vroeg van Beek, die door reuzenkracht meegetroond, zelfs niet aan tegenspartelen dacht.„Dat zal waar zijn! Je vader en de mijne waren schoolkameraads. En.… laat me je eens voorstellen: meneer Rivière, óók een schoolkennis van je vader, dat wil zeggen zijn oude heer; meneer Jansen, van Epscheuten, Kraai, en ik heet Bach. Allemaal van de fabrieken[192]Iringmanis en Koeningajoe. De andere heeren hooren hier in de stad thuis en staan al te popelen om hun naam te zeggen.”Zoo was het, en na iederen naam een handdruk, tot van Beek eindelijk op een stoel gedrukt werd, met een gevoel alsof hij eksteroogen aan al zijn vingers had.„Een bittertje, of een glas port?” presenteerde hij, die zich Bach genoemd had.„Liever een glas port,” nam van Beek aan.Aan tafel zou hij bij voorkeur water gedronken hebben, maar men liet niet af, en al spoedig hadden de jongelui de overtuiging dat van Beek, om hun eigen woorden te gebruiken, niets afsloeg dan vliegen. En in deze opinie werden zij versterkt, toen zij hem na den eten, meegenomen hadden naar de sociëteit.Van Beek verklaarde niet te kunnen biljarten. Met edele zelfopoffering schaarden zij zich daarop om de kletstafel; maar als de wijn aan tafel en de voortzetting daarvan in de sociëteit[193]niet alreeds hun invloed op van Beek hadden doen gelden, dan zou hij voorzeker weggevloden zijn. Wat een gesprekken! En welk een tafereel hing men op van het leven in de binnenlanden! Hij twijfelde geen oogenblik, of alles wat men zeide was de nuchtere waarheid, want zij spraken immers niet tot hem, doch onder elkaar, en op den meest eenvoudigen toon. Die Jansen bijvoorbeeld, vertelde met het grootste cynisme, hoe hij een paar weken geleden een Javaansch meisje uit haar woning had weggeroofd, op een oogenblik dat haar vader en haar broers in desawahwerkten; en toen deze later op hun knieën voor hem lagen, hem smeekende het meisje terug te geven, had hij hen met revolverschoten neergeveld en de lijken in de rivier doen werpen. Daarop hadden allen gelachen en Jansen „een kraan van ’n vent” genoemd.Het was zóó erg, dat van Beek niet eens zijn afschuw durfde te kennen geven en zich bepaalde[194]tot een poging om zijn schrik weg te spoelen uit het voor hem staande glas, dat door een geheimzinnige zorg steeds opnieuw gevuld werd.„Je mocht óók wel eens wat presenteeren,” fluisterde zijn buurman hem in. „Ze hebben jou al zoo veel geöffreerd.”„Dat moeten zij weten,” was het antwoord. „En.… ik heb eigenlijk al genoeg.”„Wel verd.…” begon de buurman, bijna uit zijn rol vallende, met grooten lust van Beek een oorvijg toe te dienen; doch hij herstelde zich. „Nu, een glaasje champagne tot besluit, drink je nog wel met ons mee?”„Ja, daar heb ik altijd veel van gehouden.”Hij hield het niet lang meer vol, doch tot het laatste oogenblik bewaarde hij wat men zijn „verstand” geliefde te noemen en met zijn plotseling wegzakken de jongelui, die hem in de armen van zekere Olympische godin hadden willen voeren, het koopje gevend van hem thuis te moeten brengen.[195]Den volgenden dag moest van Beek het bed houden. Vruchteloos trachtte hij zich te herinneren wat er in den loop van den vorigen avond met hem gebeurd was, doch één indruk was blijvend: die van de schildering der binnenlanden. Daar zou hij zich niet in wagen, en dit herhaalde hij telkens bij zichzelf, tot hij gevoelde een voldoenden voorraad koppigheid te hebben aangekweekt, om het ook tegenover den vriend van zijn vader te kunnen volhouden.Het gelukte dezen niet hem dien onzin uit het hoofd te praten, en het einde was, dat hij om erger te voorkomen, van Beek bij de firma inlijfde, voorloopig zonder tractement, om te zien wat er uit hem te maken was. Om te beginnen werd hij aan den boomklerk toegevoegd, en belastte deze hem met het schrijven der duplicaat-verklaringen van invoer, terwijl hij hem gaandeweg onderwees in het opmaken dier stukken in originali. Het bleek[196]dat het van Beek noch aan goeden wil, noch aan vlug begrip ontbrak.„Ik zou hem gerust alles overlaten,” zeide de boomklerk een paar maanden later, „als hij zich niet telkens wat liet wijs maken. Maar soms doet hij de gekste dingen, en dan komt het geregeld uit dat de een of ander hem er heeft laten inloopen; waarschuwen helpt niet.”Meestal waren het de jongelui uit het hotel, die van Beek beetnamen. In den eersten tijd na het sociëteitsavondje hadden zij hem links laten liggen. De indruk van een klaplooper te zijn, dien hij hun gegeven had, was daarvan de oorzaak. Maar daar hij toch onder hen woonde en verkeerde, was dit op den duur moeilijk vol te houden. Toen begonnen zij zijn lichtgeloovigheid te exploiteeren; en de vele koopjes die hij daarbij snapte, waren een bron van vermaak en conversatie. Wie de sociëteit of bij een familie binnenkwam met de woorden: „heb je de laatste mop van van Beek al vernomen?”[197]was zeker van een willig gehoor. Zoodat zijn reputatie overal doordrong. Hemzelf kregen echter weinigen te zien, want behalve tot de meest verplichte, was hij tot visites maken niet over te halen; en nadat een der jongelui hem een plaats in zijn rijtuig geweigerd had, bij gelegenheid van een partij bij den resident, en hij toen was thuisgebleven, omdat hij geloofde wat men hem vertelde, dat men er te voet niet heen kon gaan, en hij de uitgaaf van een rijtuig niet wilde doen, bedankte hij voor alle volgende invitaties.De belangstelling in zijn persoon begon echter langzamerhand te verflauwen, vooral daar de Oostmoeson was aangevangen en men zich afvroeg wat er dit jaar van de ziekte komen zou, toen van Beek plotseling door twee daden zijn naam weer op aller tong bracht. De eerste deed vooral de handelswereld het hoofd schudden.Het was hem toch niet ontgaan, dat bij het opmaken der verklaringen tot invoer der goederen,[198]de zoogenaamde passen, waar die goederen niet op de bij Staatsblad vastgestelde prijslijst voorkwamen, en de firma dus zelf de waarde moest opgeven, dit met een zekere zuinigheid gedaan werd. En hoe kon het ook, daar de boomklerk hem had uitgelegd dat juist hierin de kracht van zijn betrekking lag, zóó aan te geven dat de Boom geen aanmerkingen maakte en toch de firma niet meer dan een minimum invoerrecht betaalde, ja zelfs een soliden naam aan den Boom behield. Want ging men te ver dan heette het smokkelen, en wee de firma die daarvoor bekend stond! Alles wat zij invoerde werd opengemaakt, gewogen, doorzocht; hetgeen groot tijdverlies en dikwerf schade aan de goederen en althans aan de verpakking met zich bracht.De employé’s die in het logement woonden, hadden de gewoonte om soms hoog op te geven van hun slimheid in boomzaken, en de trekken te verhalen die zij de ambtenaren[199]speelden. Het spreekt dat daarbij niet zelden werd overdreven, en toen van Beek kwam deed men dit opzettelijk om hem, die alles geloofde, er in te doen loopen. Op zekeren avond zaten zij weer bij elkaar, en vormde de Boom het onderwerp van discours.„Heb je al eens Adrianopel-garen ingevoerd, van Beek?”„Neen, nog niet.”„Zoo; dan ken je dentrucook niet. Het komt in kisten en is verpakt in kleine pakjes van een gros kluwtjes, of soms meer; dat hangt van den afzender af. Maar het wordt geprijsd per gewicht. Aan den Boom nemen ze een pakje, storten dat uit, wegen het, en berekenen het totaal, dat natuurlijk kloppen moet met je aangifte. Begrijp je dat?”„Ja zeker.”„Maar als je dat deed, zou je toch heel gek staan te kijken. Weet je waarom? In de kluwentjes zitten stukjes hout, van een vrij zwaar[200]soort, en daarvan is het gewicht natuurlijk op de factuur afgetrokken.”„O juist!” zeide van Beek. „Dus wegen zij meer.”„Goed gezegd. Ik zie dat je vooruit gaat. Maar wat moet je nu doen?”„Ik zou het aan den verificateur vertellen.”Een algemeen lachen volgde op deze woorden.„Daar heb je meneer Simpel weer!” riep de onderwijzer uit. „Neen man, dat gaat niet. De verificateurs weten het net zoo goed als jij, maar ze moeten zich aan de letter van de wet houden; dus wegen zij, hout en al, en … beboeten je.”Het was een moeielijk geval. Van Beek trok zich aan de punt van zijn neus, een gewoonte van hem als hij nadacht, maar hij kon er niets op vinden.„Zal ik het hem zeggen?”„Ja, ga je gang maar,” zeiden de anderen goedig.[201]„Nu, opgelet dan. Als de verificateur de kist heeft aangewezen, die hij geopend wil hebben, gaat hij gewoonlijk even weg tot het klaar is. Van dat oogenblik maak je gebruik en neemt uit een pakje zes kluwentjes weg; let wel: zes! Dat pakje geef je hem, en het klopt precies.”Welk een vreugde beving van Beek, toen den volgenden morgen de boomklerk hem een stel passen overgaf met de woorden: „Ga even met denmandoernaar den Boom: we hebben niets dan vier kisten Adrianopel-garen; er is niets bijzonders aan, dus je kunt het wel even alleen doen.”Of hij dat kon! Hij spoedde zich weg, zijn gelukkig gesternte prijzend. Hoe toevallig dat men hem juist gisteravond had ingelicht!Het ging precies zooals men gezegd had. Gemakkelijker zelfs. Want toen hij den verificateur het pakje toereikte, waaruit zes kluwentjes in zijn zak verdwaald waren, keek[202]deze er even in en zeide: „Het zal wel in orde zijn; ga maar door.” Doch dit maakte de rekening niet. Van Beek wilde nu, de eerste maal dat hij alleen handelde, ook toonen dat hij zijn zaken wist.„Weegt u het als u blieft na,” zeide hij, het pakje terugwijzende.De verificateur lachte even om zijn drukte, en wilde juist het pakje in de kist werpen, toen plotseling zijn oog viel op van Beek’s zijzak, waaruit een rooden draad afhing. Dat was mis! En onder de suspicie van een smokkelpartij, greep hij van Beek bij den arm.„Mee naar den controleur,” zeide hij kort.Van Beek had den controleur nog nooit gezien, doch de faam die van dezen ambtenaar uitging, was geweldig. Het was de opperste macht op dit kleine terrein, hij besliste als het ware over leven en dood, tronende in zijn bureau, waar men hem alleen in hoogst belangrijke geschillen mocht komen storen.[203]„Blijf hier even staan,” zeide de verificateur, zoodra zij de deur binnen waren, en ging zelf naar den hoogen lessenaar, waarachter de controleur verborgen zat, met wien hij eenige oogenblikken fluisterend sprak.„Kom eens hier, vriend!” klonk een gestrenge stem, die van Beek deed sidderen. „Wat heb je daar in je zak?”„De zes kluwentjes overwicht,” stotterde de ongelukkige, de corpora delicti te voorschijn halende.„Overwicht?Wat is dat? Kom je ons nog voor den gek houden ook?—Weegt u het even na,” vervolgde de controleur tot zijn ondergeschikte, terwijl hij wees op een balans in de vensterbank.De verificateur deed wat hem gelast werd; maar toen de schaal in evenwicht was, teekende zijn gelaat onverholen verbazing en hij keek beurtelings naar de koperen gewichtjes en op den pas.[204]„Het komt precies uit, meneer,” zeide hij eindelijk. „Daar begrijp ik niets van!”Neen, en de controleur begreep het evenmin.„Hoe heet je?” vroeg hij om iets te zeggen.„Van Beek, meneer.”„O.…!”Dat „O!” was typisch. De verificateur begon zich te schamen en zocht naar een afleiding, die gevonden werd in het binnenkomen van den oppasser, met het leitje waarop Bolman, de boomklerk, zich liet aandienen. Demandoerwas hem gaan waarschuwen, en hij kwam juist intijds om medeaanhoorder te zijn van van Beek’s explicatie.De controleur moest er om lachen, maar dat nam niet weg dat het feit bleef bestaan, dat van Beek, hetzij dan uit onnoozelheid, zich aan de hooge waardigheid van den Boom vergrepen had.„Ik zal het er voor ditmaal bij laten,” sprak hij tot Bolman. „Maar zeg aan je chef,[205]dat hij vriendelijk verzocht wordt ons dergelijke tooneelen te besparen en dit jonge mensch thuis te houden; op den duur zou het aan den goeden naam uwer firma schade doen.”Deze boodschap, behoorlijk overgebracht, bezorgde van Beek een klinkend standje van den chef. Hij beloofde beterschap en van nu af aan niets meer te zullen gelooven. Intusschen, daar hij aan den Boom niet meer komen mocht, voegde de chef hem aan Wije toe.Onder de leiding van dezen en den bedaarden Terborg viel er werkelijk eenige beterschap te bespeuren, maar aan de volkomen genezing moest nog eerst het tweede feit voorafgaan.Er was een avondje geweest bij een familie, en twee der jongelui uit het logement zaten na afloop op het galerijtje vóór hun bovenkamers te bekoelen en wat na te praten. Daar opende zich van Beek’s kamerdeur en deze trad naar buiten.[206]„Op mijn kamer is een verschrikkelijk groote vleermuis,” deelde hij mee.„Schiet hem dood,” raadde de een; en de ander, met een goed geveinsd gebaar van schrik en afschuw, schoof zijn stoel achteruit en week als ontzet eenige passen zijwaarts.„Je deur is toch goed dicht?” vroeg hij.„Ja, waarom?”„Gelukkig. Neen, alsjeblieft, niet te dicht bij mij! Die beesten zitten vol ongedierte en licht heb je al wat te pakken.”„Neen, dat kan niet,” betuigde van Beek. „Ik ben stilletjes in mijn bed gebleven tot hij onbeweeglijk tegen den zolder bleef zitten. Toen ben ik eruit gekomen om te vragen wat ik doen moest.”„Wel.… je hebt een geweer. Heb je hagelpatronen?”„Ja.”„Nu, dan is het eenvoudig genoeg, als je maar voorzichtig bent, zoodat je hem niet[207]opschrikt. Ga zoo zacht mogelijk terug, neem je spuit en mik secuur.”„Zou jij het niet voor me willen doen?”„Merci; ieder op zijn eigen kamer, hoor!”„Nu.… dankje.” En hij verwijderde zich. Maar nauwelijks had hij de deur in alle stilte achter zich gesloten, of de beide jongelui namen hun sloffen in de handen en slopen op hun bloote teenen naar hun kamers.Het was één uur in den nacht. Het geluid dertongtongsaan de wachthuisjes, die het uur aangaven, voorafgegaan door debedoekin de moskee, stierf in de verte weg; een enkele nablijver, die geslapen had op zijn post, liet nog even zijn slag hooren, en toen was alles stil, zoo stil als het in een Oostmoeson’s nacht zonder kikkers en krekels slechts wezen kan. In het hotel sliep iedereen of lag althans te bed. Daar klinkt de scherpe knal van een geweerschot, scheurend door de luchtlagen. Deuren vlogen open, en van alle kanten[208]stroomden halfgekleede gestalten toe onder angstig vragen: „Wie is het? Heere, wie zou het zijn?”„Boven, boven!” was het antwoord, en men vloog, struikelend over elkaar, de trap op, de logementhouder voorop. Ook dáár waren alle deuren open.… op drie na. De logementhouder bonsde op de eerste, en een slaapdronken stem gaf antwoord. De tweede deur was die van van Beek. Men gevoelde, zoodra zijn naam genoemd was, dat hij het moest zijn, en diep medelijden beving allen. De deur werd geopend … en daar stond de gewaande zelfmoordenaar, zich oprichtende, voorzichtig, met een papiertje, een doode vleermuis aanvattend en in de hoogte houdend onder den blijden uitroep: „Ik heb hem!” Het geweer tegen de kastdeur aangeleund, illustreerde de rest.’s Morgens daarna zat de stumper in zijn kamer. Naast hem een kom met ijs, waarin[209]hij de compressen koud maakte, alvorens die op zijn deerlijk gehavend gelaat te appliceeren. Intusschen bevond zich de logementhouder op het kantoor, waar hij den chef het gebeurde mededeelde, zijn leedwezen betuigende dat hij de logé’s niet had kunnen verhinderen van Beek een geducht pak slaag te geven, maar aan den anderen kant den chef beleefd doch dringend verzoekend, den jongen man elders onder dak te brengen.Deze begreep dat dit verzoek billijk was, en zoodra van Beek weer voor den dag kon komen verhuisde hij naar het paviljoen van den chef, bij zichzelven zwerende dat hij nu heusch niemand meer vertrouwen zou.[210]

De eerste keer dat Wije weer op het kantoor verscheen, wachtte hem een nieuwtje. Eenige dagen geleden, zoo vertelde men hem, hadden de chefs ’s morgens vroeg zitten lachen en pret gehad, wel tien minuten lang. Waarover, had men niet kunnen opvangen; doch in het middaguur, toen ze naar huis waren, liet de correspondent door den klerk Meijerbeer een paar brieven op den lessenaar van den chef neerleggen. Men hoorde kort daarop een gegiegel, en de klerk met zijn muzikalen naam kwam grijnzend terug.[175]

„Ik weet, meneer,” riep hij uit, zoo opgewonden als dat bij iemand van zijn slag mogelijk was.

„Laat hooren.”

„Zal-d-er komen een jongelui met de overgroote meerderheid van zedelijkheid.”

„Watblief?” zeide de correspondent.

„De desbetreffende missive ligt op meneer zijn tafel,” ging de klerk voort; „zijn schaapachtigheid grenst aan de ongeloovigheid, maartida koerang wang. Hij moet met de stukken van het geld leeren slaan.”

De employé’s zagen elkaar aan; de nieuwsgierigheid was groot; ieder dacht hetzelfde, koesterde dezelfde begeerte; maar toen deze op het punt stond zich te uiten in een algemeen opstaan en stormen naar de kamer der chefs, werd zij intijds bedwongen door den correspondent, die inzag dat zoo iets geen pas gaf tegenover de inlandsche oppassers.

„Hier, Meijerbeer,” zeide hij, dezen een[176]schoon vel papier en een potlood aanreikende, „maak als de bliksem een afschrift. ’t Hoeft niet mooi, hoor! En niets verschikken op de tafel.”

Het luidde als volgt:

Amice!Heb medelijden met een diep ongelukkig vader! Als gij dezen ontvangt is mijn zoon Johan, mijn eenige, dicht bij de stad uwer inwoning en zal weldra voor u staan. Schrik niet als gij hem ziet en lach niet, wat ik u bidden mag; het is te ernstig. Het zal u moeielijk vallen in zijn trekken de mijne te herkennen of die mijner overleden vrouw, zóó zijn zij misvormd door een uitdrukking van schaapachtigheid, die aan ’t ongeloofelijke grenst. Misschien is het mijn schuld, dat ik hem als jongen te weinig bespied, te veel toegegeven heb, te lang een gouvernante gelaten—ik weet het niet; trouwens in onzen kring werken allerlei omstandigheden daartoe[177]mede, dat wij de zorg voor een kind aan vreemden moeten overlaten. Maar toen zijn moeder dood was had ik meer gelegenheid hem te observeeren. Ik zag toen zijn kwaal en meende die te moeten toeschrijven aan gebrek aan omgang met jongelui van zijn leeftijd. Zoo spoedig mogelijk liet ik hem klaar maken voor de academie, en bracht hem zelf naar Leiden. Helaas! twee maanden later kwam hij weer thuis, nu voorgoed bedorven. Ik kon hem niet meer weg krijgen; van dien dag af leidde hij een leven dat ik verklaar niet te begrijpen. Hij is ziek; ziek door overmaat van zedelijkheid, ingetogenheid, lichtgeloovigheid—wat moet ik er nog meer bijvoegen? Ik heb het onmogelijke gedaan om hem te genezen; ik heb feesten gegeven, maar dan sloot hij zich op in zijn kamer; ik heb zijn nichtjes hier gelogeerd, maar na eenige dagen liep hij met hen op en neer als ware hij zelf een meisje; en zij, die anders nuffig[178]genoeg zijn, sloegen de armen om zijn taille—bah! Eindelijk heb ik zelf geprobeerd hem te verleiden; ik heb hem gebracht in de buurt van plaatsen—enfin, ik ben gegaan zoover als ik durfde en gaan kon als vader. Maar het is niet langer te dulden. Zooals hij is kan hij niet blijven, kan hij niet optreden als erfgenaam van onzen ouden naam en fortuin. Mijn laatste hoop is gevestigd op Indië. Gij hebt het mij nooit geschreven, doch als ik de boeken mag vertrouwen die over dat land handelen, dan is het daar een zoodanige maatschappij, dat men hier te lande wèl zal doen zoo men verzwijgt er in te hebben verkeerd. Daarheen zend ik mijn Johan, in het vaste geloof dat de invloed van de omgeving op den duur uitwerken moet, wat hier onmogelijk blijkt: eenigermate een mensch van hem te maken. Ik geef hem royaal reisgeld mee en zeide hem zich voor het verdere tot u te wenden; ingesloten zult ge een wissel van[179]ƒ 5000.— vinden, terwijl een gelijk bedrag in den loop van het volgend kwartaal door mij zal verzonden worden. Wil hem aanmoedigen er zooveel mogelijk van te gebruiken en mij schrijven als er meer noodig mocht zijn. Van harte hoop ik dat hij terecht komt. Het eenige wat ik u in den naam onzer oude vriendschap verzoek is dit: wil het oog op hem houden; en als hij het te eeniger tijd zóó bont mocht maken, dat zelfs in de Indische maatschappij zijn doen en laten wordt gelaakt, stuur hem dan terug. Dan eerst geloof ik aan eene duurzame verbetering. Vrees niets zoo hij zich aan de ten uwent getolereerde ondeugden mocht overgeven; onder de strengere vormen onzer samenleving hier, zal zich dat alles bij een karakter als het zijne, spoedig tot de normale grenzen laten terugbrengen.Ontvang mijne meest vriendschappelijke groeten.J. Th.…

Amice!

Heb medelijden met een diep ongelukkig vader! Als gij dezen ontvangt is mijn zoon Johan, mijn eenige, dicht bij de stad uwer inwoning en zal weldra voor u staan. Schrik niet als gij hem ziet en lach niet, wat ik u bidden mag; het is te ernstig. Het zal u moeielijk vallen in zijn trekken de mijne te herkennen of die mijner overleden vrouw, zóó zijn zij misvormd door een uitdrukking van schaapachtigheid, die aan ’t ongeloofelijke grenst. Misschien is het mijn schuld, dat ik hem als jongen te weinig bespied, te veel toegegeven heb, te lang een gouvernante gelaten—ik weet het niet; trouwens in onzen kring werken allerlei omstandigheden daartoe[177]mede, dat wij de zorg voor een kind aan vreemden moeten overlaten. Maar toen zijn moeder dood was had ik meer gelegenheid hem te observeeren. Ik zag toen zijn kwaal en meende die te moeten toeschrijven aan gebrek aan omgang met jongelui van zijn leeftijd. Zoo spoedig mogelijk liet ik hem klaar maken voor de academie, en bracht hem zelf naar Leiden. Helaas! twee maanden later kwam hij weer thuis, nu voorgoed bedorven. Ik kon hem niet meer weg krijgen; van dien dag af leidde hij een leven dat ik verklaar niet te begrijpen. Hij is ziek; ziek door overmaat van zedelijkheid, ingetogenheid, lichtgeloovigheid—wat moet ik er nog meer bijvoegen? Ik heb het onmogelijke gedaan om hem te genezen; ik heb feesten gegeven, maar dan sloot hij zich op in zijn kamer; ik heb zijn nichtjes hier gelogeerd, maar na eenige dagen liep hij met hen op en neer als ware hij zelf een meisje; en zij, die anders nuffig[178]genoeg zijn, sloegen de armen om zijn taille—bah! Eindelijk heb ik zelf geprobeerd hem te verleiden; ik heb hem gebracht in de buurt van plaatsen—enfin, ik ben gegaan zoover als ik durfde en gaan kon als vader. Maar het is niet langer te dulden. Zooals hij is kan hij niet blijven, kan hij niet optreden als erfgenaam van onzen ouden naam en fortuin. Mijn laatste hoop is gevestigd op Indië. Gij hebt het mij nooit geschreven, doch als ik de boeken mag vertrouwen die over dat land handelen, dan is het daar een zoodanige maatschappij, dat men hier te lande wèl zal doen zoo men verzwijgt er in te hebben verkeerd. Daarheen zend ik mijn Johan, in het vaste geloof dat de invloed van de omgeving op den duur uitwerken moet, wat hier onmogelijk blijkt: eenigermate een mensch van hem te maken. Ik geef hem royaal reisgeld mee en zeide hem zich voor het verdere tot u te wenden; ingesloten zult ge een wissel van[179]ƒ 5000.— vinden, terwijl een gelijk bedrag in den loop van het volgend kwartaal door mij zal verzonden worden. Wil hem aanmoedigen er zooveel mogelijk van te gebruiken en mij schrijven als er meer noodig mocht zijn. Van harte hoop ik dat hij terecht komt. Het eenige wat ik u in den naam onzer oude vriendschap verzoek is dit: wil het oog op hem houden; en als hij het te eeniger tijd zóó bont mocht maken, dat zelfs in de Indische maatschappij zijn doen en laten wordt gelaakt, stuur hem dan terug. Dan eerst geloof ik aan eene duurzame verbetering. Vrees niets zoo hij zich aan de ten uwent getolereerde ondeugden mocht overgeven; onder de strengere vormen onzer samenleving hier, zal zich dat alles bij een karakter als het zijne, spoedig tot de normale grenzen laten terugbrengen.

Ontvang mijne meest vriendschappelijke groeten.

J. Th.…

[180]

De handteekening had Meijerbeer niet kunnen ontcijferen. Dat was een groote teleurstelling, doch na een paar dagen wist men den naam; er was in het logement waar ook de procuratiehouder woonde, door den chef een kamer besteld voor den heer van Beek.

„Sapristi, wat ’n ouwe naam!”

„Die heer papa schijnt een klap van den molen beet te hebben.”

Ook Wije had geglimlacht, toen hij na het lezen van den brief, dien zoo veel verspreiden naam vernam.

„Maar met het geld schijnt het in orde te zijn,” merkte hij op.

„Dat zal waar zijn! We hebben al plan gemaakt om hem zijn aankomst met een gloeiende fuif te laten vieren.”

„Met dat al is het niet plezierig voor hem, dat die brief … zoo verdwaald is geraakt,” zeide Wije. „Jelui hebt er toch buitenaf niet over gesproken?”[181]

Er volgde eenig zwijgen.

„’t Is geen zaak die de firma betreft,” meende de correspondent.

„Hm, ik zie het al,” zeide Wije; „en ik begrijp wat er volgen moet, als de stumper voet aan wal gezet heeft. Ik had wel trek hem onder mijn bescherming te nemen.”

„Dat doe,” zeide de procuratiehouder lachend.

De oude heer van Beek had verzuimd te melden met welke boot zijn zoon zou vertrekken. De chef der Semarangsche firma had in den beginne een paar maal de passagierslijsten ingezien van de kustbooten, maar onder alle andere drukten had hij de geheele geschiedenis vergeten, tot plotseling de jonge van Beek zijn kantoor binnenkwam. Een tamelijk lange, schrale figuur, een spitse neus tusschen bleekblauwe, starende oogen, door een bril in hun functie bijgestaan, donkerblond haar dat minstens in geen twee maanden geknipt was, ziedaar de persoon die, gestoken in een grijs fantasiepak,[182]blazende van de hitte en verschrikkelijk transpireerende, zich voorstelde als Johan van Beek.

„Aangenaam kennis te maken; ga zitten,” zeide de chef. „Je schijnt het warm te hebben.”

„Ja meneer, de wandeling hierheen viel niet mee.”

„Je hebt toch niet geloopen? Ja? Waarom heb je geen wagen of dogcart genomen?”

„Men zei dat het zoo wat twintig minuten gaans was, en toen vond ik het zonde daarvoor een rijtuig te nemen,” verklaarde van Beek, terwijl de jongste chef zich dieper over zijn papieren heenboog.

„Nu, dat zal je in ’t vervolg wel anders leeren inzien. Is de reis voorts nogal voorspoedig geweest?”

„Dank u. Alleen hier heb ik moeite gekregen met mijn bagage. Men vroeg mij een bewijs, een pas, of zoo iets, en toen ik dien niet had, moest alles door naar een grooten[183]boom.… men zei ik zou hem wel zien onderweg, maar ik heb niets als kleine boompjes gezien en een breede laan.”

„In orde, ik zal er voor laten zorgen.” En de chef schelde. Aan den oppasser gelastte hij den boomklerk te roepen en ging voort tot van Beek: „De „Boom” is hier het douanelokaal. Je zult zelf even met den klerk mee moeten. Heb je witte kleeding in je koffers?”

„Jawel meneer, maar ze zeiden dat het gevaarlijk was daarmee aan wal te gaan voor iemand die de eerste keer in ’t land kwam, vanwege de plotselinge koude buien.”

„Je moet je niet zooveel wijs laten maken,” zeide de chef met geweld zijn ernst bewarende. „Ha, daar is Bolman. Bolman, ga met meneer mee naar den Boom en help hem zijn goed in te klaren. Vervolgens breng je hem in ’t logement, en.… rijd even bij een kapper aan en zeg hem meneer’s haar te knippen zooals hier gebruikelijk is. Begrepen?”[184]

„Best meneer,” zeide de boomklerk.

„Nu, van Beek,” vervolgde de chef, „tot ziens. Ik kom in den vooravond bij je; blijf zoolang thuis en kleed je wat luchtiger. Bonjour.”

Het sprak vanzelf dat de boomklerk ’s middags, toen de chefs waren gaan eten, rapport moest doen. De employé’s kregen hun rijsttafel op het kantoor gezonden, en zelden waren zij daarmee zoo spoedig gereed en de bedienden met de etensdragers vertrokken, als heden. Toen verzamelden zij zich om Bolman heen.

„Wat ’n portret!” begon deze. „Wij gingen maar eerst naar den kapper; want ik geneerde mij een beetje om zóó met hem aan den Boom te komen. Ik zei den Franschman, dat hij hem kort knippen moest—in ’t Maleisch, omdat de baas mij een knipoogje gegeven had—en hij deed het. Onze vriend zweeg als een mof zoolang het duurde. Toen het afgeloopen was haalde hij een dikke portemonnaie uit zijn zak[185]en scharrelde er een poos in, totdat hij een kwartje vond. Dat legde hij op tafel. Maar de Franschman deed alsof hij het niet zag en zei: „Ça fait un florin, monsieur.” Daar had je de poppen aan het dansen! Hij dacht zeker dat hij werd afgezet en begon op te spelen van heb ik jou daar. Ik had niet gedacht dat er nog zooveel pit in den vent zat, en Fransch sprak hij als water, zoodat ik het nauwelijks volgen kon. Het duurde een heele poos, eer ik hem kon beduiden dat dit hier de prijs was. En nog geloof ik dat hij mij maar half vertrouwde.Soedah, om aan den Boom niet weer hetzelfde gehaspel te krijgen, heb ik eerst betaald en hem later in ’t logement de quitantie voorgelegd. Dat heertje schijnt erg op den penning te zijn. Maar.… hoe oud denken de heeren dat hij is?”

„Zeven en twintig,” raadde er een, en op het ontkennend hoofdschudden van den boomklerk telde men door, tot dertig toe.[186]

„Een en twintig!” zeide Bolman eindelijk, onder kreten van verbazing. „Hij wordt de volgende maand twee en twintig.”

In den vooravond reed de chef naar het logement. Hij ontveinsde zich niet, dat het een moeielijke opdracht was hem door van Beek’s vader gegeven; maar hij herinnerde zich, hoe hijzelf eenmaal door zijn rijken schoolvriend was voortgeholpen, ja feitelijk gebracht tot de positie die hij nu bekleedde; en mocht hij er al eenige oogenblikken over gedacht hebben zich dezen last van den hals te schuiven, bij nadere overweging begreep hij dat de oude van Beek, met de macht van zijn enorm fortuin, een niet te verachten vijand zou wezen en hem evenveel kwaad als voorheen goed zou kunnen doen.

„Wel, van Beek,” opende hij het gesprek, „vertel me nu eens wat van den ouden heer.” En terwijl het jonge mensch praatte, daartoe telkens door een korte vraag aangemoedigd,[187]bespiedde hij hem en trachtte de met hem te volgen gedragslijn gaandeweg vast te stellen.

Nu is men in Indië gewoonlijk nogal spoedig gereed met zijn oordeel over een nieuwgekomene; een toevallige indruk, een ongelukkig woord, een praatje van iemand die hem vroeger gekend heeft, en men is gereed om een uitspraak te doen, die dit eigenaardige heeft dat zij den getroffene overal volgt, waarheen hij zich in dat land ook begeeft. Is zij gunstig, zooveel te beter, doch dikwijls vernietigt zij zonder mededoogen een geheele carrière.

De chef had dan zitten luisteren, met het rustige van iemand die zeker van zijn zaak is. Hij zou dat karakter wel binnen korten tijd schatten. En zie, na een goed kwartier trok hij met groote beslistheid de som. Die jonge man was niet zoo dom als zijn vader meende, enkel maar wat groen, en dàt zou er door de wrijving met anderen wel uitgaan. Och heer, hij had er zooveel zien komen, die[188]erger waren dan deze, en in een paar jaar ontbolsterd waren!

„En wat zijn nu je plannen voor de naaste toekomst?”

„Papa zei, ik zou dat eens met u overleggen.”

„Jawel, maar aangezien het je vrij staat te kiezen, zou ik wel eerst willen weten waar je den meesten lust toe hebt. Over de uitvoering kunnen we dan spreken. Hoe denk je over een reis door Java, om te beginnen?”

„O neen, meneer,” antwoordde van Beek haastig; „ik wil werken.”

„Werken?” herhaalde de chef.

„Ja meneer. Ik mag, nu ik hier ben, mijn vader niet langer tot last zijn. De reis heeft toch al zoo verschrikkelijk veel geld gekost.”

De chef begon te lachen.

„Hoeveel denk je wel dat je vader bezit?”

„Drie millioen ongeveer, en als de oude tantes sterven komt er nog een millioen bij. Dat weet ik; maar aan alles is opmaken.”[189]

Met een beweging van schrik en verrassing sprong de chef op van zijn stoel. Het was toch ernstiger dan hij gemeend had. Was dat onnoozelheid of vrekkigheid? De toon waarop het gezegd was en de keus der woorden weersprak het eerste. Maar dan was het een abnormaliteit, zóó groot … ja, dàn had de oude van Beek toch gelijk!

„Hoor eens,” zeide hij, eenigszins kortaf, „dat je wilt werken is goed; ik zal je er aan voorthelpen. Wij staan in relatie met een suikerfabriek niet ver van Solo; daar zal ik je een plaatsing bezorgen. Eerstbeginnenden doen het beste de binnenlanden in te gaan, en de stad is niet ver van de fabriek. Maar je blijkt zoo in ’t geheel geen verstand te hebben van geld en van wat je past als je vaders zoon, datikvoorloopig de manier zal regelen waarop je verteringen worden ingezet. Kom overmorgenavond bij ons eten, dan is er tevens antwoord van de fabriek.”[190]

Onder dit gesprek, dat in een hoek der groote voorgaanderij plaats vond, had zich meer in het midden, een kring gevormd van logé’s. Hij paalde aan de bittertafel, waar de eene helft met den rug heengewend zat, terwijl zich de uitersten van de andere helft buiten het afdak in de open lucht bevonden. Het waren stadsbewoners en buitenlui, onderscheiden door hun gelaatskleur, die van gene wit, van deze vuurrood was. Een tweede verschil, maar dat allengs verdween naarmate de avond vorderde, was het stemgeluid, dat van de buitenlui ongegeneerd hard klonk.

Van Beek, die den vertrekkenden chef nazag, bemerkte dat hij bij het passeeren van het vroolijke troepje eerbiedig gegroet werd, terwijl een hunner opstond en hem blijkbaar een vraag deed, die de chef na eenig aarzelen, schouderophalend en lachend beantwoordde. En toen hij weggereden was ontstond er in den kring een gefluister. Plotseling[191]rees een groote gestalte van zijn stoel op.

„Wat zeg je?” hoorde de nieuweling in den hoek. „Van Beek? Een zoon van.…?” En hij trad uit den kring rechtstreeks op den genoemde aan.

„Wat hoor ik,” zeide hij; „is u een zoon van den ouden heer van Beek?”

De aangesprokene verklaarde dit inderdaad te zijn.

„Wel wel, dat doet me plezier! Bergen en dalen.… dat ken je. Kom eens gauw bij ons zitten.”

„Heeft u papa gekend?” vroeg van Beek, die door reuzenkracht meegetroond, zelfs niet aan tegenspartelen dacht.

„Dat zal waar zijn! Je vader en de mijne waren schoolkameraads. En.… laat me je eens voorstellen: meneer Rivière, óók een schoolkennis van je vader, dat wil zeggen zijn oude heer; meneer Jansen, van Epscheuten, Kraai, en ik heet Bach. Allemaal van de fabrieken[192]Iringmanis en Koeningajoe. De andere heeren hooren hier in de stad thuis en staan al te popelen om hun naam te zeggen.”

Zoo was het, en na iederen naam een handdruk, tot van Beek eindelijk op een stoel gedrukt werd, met een gevoel alsof hij eksteroogen aan al zijn vingers had.

„Een bittertje, of een glas port?” presenteerde hij, die zich Bach genoemd had.

„Liever een glas port,” nam van Beek aan.

Aan tafel zou hij bij voorkeur water gedronken hebben, maar men liet niet af, en al spoedig hadden de jongelui de overtuiging dat van Beek, om hun eigen woorden te gebruiken, niets afsloeg dan vliegen. En in deze opinie werden zij versterkt, toen zij hem na den eten, meegenomen hadden naar de sociëteit.

Van Beek verklaarde niet te kunnen biljarten. Met edele zelfopoffering schaarden zij zich daarop om de kletstafel; maar als de wijn aan tafel en de voortzetting daarvan in de sociëteit[193]niet alreeds hun invloed op van Beek hadden doen gelden, dan zou hij voorzeker weggevloden zijn. Wat een gesprekken! En welk een tafereel hing men op van het leven in de binnenlanden! Hij twijfelde geen oogenblik, of alles wat men zeide was de nuchtere waarheid, want zij spraken immers niet tot hem, doch onder elkaar, en op den meest eenvoudigen toon. Die Jansen bijvoorbeeld, vertelde met het grootste cynisme, hoe hij een paar weken geleden een Javaansch meisje uit haar woning had weggeroofd, op een oogenblik dat haar vader en haar broers in desawahwerkten; en toen deze later op hun knieën voor hem lagen, hem smeekende het meisje terug te geven, had hij hen met revolverschoten neergeveld en de lijken in de rivier doen werpen. Daarop hadden allen gelachen en Jansen „een kraan van ’n vent” genoemd.

Het was zóó erg, dat van Beek niet eens zijn afschuw durfde te kennen geven en zich bepaalde[194]tot een poging om zijn schrik weg te spoelen uit het voor hem staande glas, dat door een geheimzinnige zorg steeds opnieuw gevuld werd.

„Je mocht óók wel eens wat presenteeren,” fluisterde zijn buurman hem in. „Ze hebben jou al zoo veel geöffreerd.”

„Dat moeten zij weten,” was het antwoord. „En.… ik heb eigenlijk al genoeg.”

„Wel verd.…” begon de buurman, bijna uit zijn rol vallende, met grooten lust van Beek een oorvijg toe te dienen; doch hij herstelde zich. „Nu, een glaasje champagne tot besluit, drink je nog wel met ons mee?”

„Ja, daar heb ik altijd veel van gehouden.”

Hij hield het niet lang meer vol, doch tot het laatste oogenblik bewaarde hij wat men zijn „verstand” geliefde te noemen en met zijn plotseling wegzakken de jongelui, die hem in de armen van zekere Olympische godin hadden willen voeren, het koopje gevend van hem thuis te moeten brengen.[195]

Den volgenden dag moest van Beek het bed houden. Vruchteloos trachtte hij zich te herinneren wat er in den loop van den vorigen avond met hem gebeurd was, doch één indruk was blijvend: die van de schildering der binnenlanden. Daar zou hij zich niet in wagen, en dit herhaalde hij telkens bij zichzelf, tot hij gevoelde een voldoenden voorraad koppigheid te hebben aangekweekt, om het ook tegenover den vriend van zijn vader te kunnen volhouden.

Het gelukte dezen niet hem dien onzin uit het hoofd te praten, en het einde was, dat hij om erger te voorkomen, van Beek bij de firma inlijfde, voorloopig zonder tractement, om te zien wat er uit hem te maken was. Om te beginnen werd hij aan den boomklerk toegevoegd, en belastte deze hem met het schrijven der duplicaat-verklaringen van invoer, terwijl hij hem gaandeweg onderwees in het opmaken dier stukken in originali. Het bleek[196]dat het van Beek noch aan goeden wil, noch aan vlug begrip ontbrak.

„Ik zou hem gerust alles overlaten,” zeide de boomklerk een paar maanden later, „als hij zich niet telkens wat liet wijs maken. Maar soms doet hij de gekste dingen, en dan komt het geregeld uit dat de een of ander hem er heeft laten inloopen; waarschuwen helpt niet.”

Meestal waren het de jongelui uit het hotel, die van Beek beetnamen. In den eersten tijd na het sociëteitsavondje hadden zij hem links laten liggen. De indruk van een klaplooper te zijn, dien hij hun gegeven had, was daarvan de oorzaak. Maar daar hij toch onder hen woonde en verkeerde, was dit op den duur moeilijk vol te houden. Toen begonnen zij zijn lichtgeloovigheid te exploiteeren; en de vele koopjes die hij daarbij snapte, waren een bron van vermaak en conversatie. Wie de sociëteit of bij een familie binnenkwam met de woorden: „heb je de laatste mop van van Beek al vernomen?”[197]was zeker van een willig gehoor. Zoodat zijn reputatie overal doordrong. Hemzelf kregen echter weinigen te zien, want behalve tot de meest verplichte, was hij tot visites maken niet over te halen; en nadat een der jongelui hem een plaats in zijn rijtuig geweigerd had, bij gelegenheid van een partij bij den resident, en hij toen was thuisgebleven, omdat hij geloofde wat men hem vertelde, dat men er te voet niet heen kon gaan, en hij de uitgaaf van een rijtuig niet wilde doen, bedankte hij voor alle volgende invitaties.

De belangstelling in zijn persoon begon echter langzamerhand te verflauwen, vooral daar de Oostmoeson was aangevangen en men zich afvroeg wat er dit jaar van de ziekte komen zou, toen van Beek plotseling door twee daden zijn naam weer op aller tong bracht. De eerste deed vooral de handelswereld het hoofd schudden.

Het was hem toch niet ontgaan, dat bij het opmaken der verklaringen tot invoer der goederen,[198]de zoogenaamde passen, waar die goederen niet op de bij Staatsblad vastgestelde prijslijst voorkwamen, en de firma dus zelf de waarde moest opgeven, dit met een zekere zuinigheid gedaan werd. En hoe kon het ook, daar de boomklerk hem had uitgelegd dat juist hierin de kracht van zijn betrekking lag, zóó aan te geven dat de Boom geen aanmerkingen maakte en toch de firma niet meer dan een minimum invoerrecht betaalde, ja zelfs een soliden naam aan den Boom behield. Want ging men te ver dan heette het smokkelen, en wee de firma die daarvoor bekend stond! Alles wat zij invoerde werd opengemaakt, gewogen, doorzocht; hetgeen groot tijdverlies en dikwerf schade aan de goederen en althans aan de verpakking met zich bracht.

De employé’s die in het logement woonden, hadden de gewoonte om soms hoog op te geven van hun slimheid in boomzaken, en de trekken te verhalen die zij de ambtenaren[199]speelden. Het spreekt dat daarbij niet zelden werd overdreven, en toen van Beek kwam deed men dit opzettelijk om hem, die alles geloofde, er in te doen loopen. Op zekeren avond zaten zij weer bij elkaar, en vormde de Boom het onderwerp van discours.

„Heb je al eens Adrianopel-garen ingevoerd, van Beek?”

„Neen, nog niet.”

„Zoo; dan ken je dentrucook niet. Het komt in kisten en is verpakt in kleine pakjes van een gros kluwtjes, of soms meer; dat hangt van den afzender af. Maar het wordt geprijsd per gewicht. Aan den Boom nemen ze een pakje, storten dat uit, wegen het, en berekenen het totaal, dat natuurlijk kloppen moet met je aangifte. Begrijp je dat?”

„Ja zeker.”

„Maar als je dat deed, zou je toch heel gek staan te kijken. Weet je waarom? In de kluwentjes zitten stukjes hout, van een vrij zwaar[200]soort, en daarvan is het gewicht natuurlijk op de factuur afgetrokken.”

„O juist!” zeide van Beek. „Dus wegen zij meer.”

„Goed gezegd. Ik zie dat je vooruit gaat. Maar wat moet je nu doen?”

„Ik zou het aan den verificateur vertellen.”

Een algemeen lachen volgde op deze woorden.

„Daar heb je meneer Simpel weer!” riep de onderwijzer uit. „Neen man, dat gaat niet. De verificateurs weten het net zoo goed als jij, maar ze moeten zich aan de letter van de wet houden; dus wegen zij, hout en al, en … beboeten je.”

Het was een moeielijk geval. Van Beek trok zich aan de punt van zijn neus, een gewoonte van hem als hij nadacht, maar hij kon er niets op vinden.

„Zal ik het hem zeggen?”

„Ja, ga je gang maar,” zeiden de anderen goedig.[201]

„Nu, opgelet dan. Als de verificateur de kist heeft aangewezen, die hij geopend wil hebben, gaat hij gewoonlijk even weg tot het klaar is. Van dat oogenblik maak je gebruik en neemt uit een pakje zes kluwentjes weg; let wel: zes! Dat pakje geef je hem, en het klopt precies.”

Welk een vreugde beving van Beek, toen den volgenden morgen de boomklerk hem een stel passen overgaf met de woorden: „Ga even met denmandoernaar den Boom: we hebben niets dan vier kisten Adrianopel-garen; er is niets bijzonders aan, dus je kunt het wel even alleen doen.”

Of hij dat kon! Hij spoedde zich weg, zijn gelukkig gesternte prijzend. Hoe toevallig dat men hem juist gisteravond had ingelicht!

Het ging precies zooals men gezegd had. Gemakkelijker zelfs. Want toen hij den verificateur het pakje toereikte, waaruit zes kluwentjes in zijn zak verdwaald waren, keek[202]deze er even in en zeide: „Het zal wel in orde zijn; ga maar door.” Doch dit maakte de rekening niet. Van Beek wilde nu, de eerste maal dat hij alleen handelde, ook toonen dat hij zijn zaken wist.

„Weegt u het als u blieft na,” zeide hij, het pakje terugwijzende.

De verificateur lachte even om zijn drukte, en wilde juist het pakje in de kist werpen, toen plotseling zijn oog viel op van Beek’s zijzak, waaruit een rooden draad afhing. Dat was mis! En onder de suspicie van een smokkelpartij, greep hij van Beek bij den arm.

„Mee naar den controleur,” zeide hij kort.

Van Beek had den controleur nog nooit gezien, doch de faam die van dezen ambtenaar uitging, was geweldig. Het was de opperste macht op dit kleine terrein, hij besliste als het ware over leven en dood, tronende in zijn bureau, waar men hem alleen in hoogst belangrijke geschillen mocht komen storen.[203]

„Blijf hier even staan,” zeide de verificateur, zoodra zij de deur binnen waren, en ging zelf naar den hoogen lessenaar, waarachter de controleur verborgen zat, met wien hij eenige oogenblikken fluisterend sprak.

„Kom eens hier, vriend!” klonk een gestrenge stem, die van Beek deed sidderen. „Wat heb je daar in je zak?”

„De zes kluwentjes overwicht,” stotterde de ongelukkige, de corpora delicti te voorschijn halende.

„Overwicht?Wat is dat? Kom je ons nog voor den gek houden ook?—Weegt u het even na,” vervolgde de controleur tot zijn ondergeschikte, terwijl hij wees op een balans in de vensterbank.

De verificateur deed wat hem gelast werd; maar toen de schaal in evenwicht was, teekende zijn gelaat onverholen verbazing en hij keek beurtelings naar de koperen gewichtjes en op den pas.[204]

„Het komt precies uit, meneer,” zeide hij eindelijk. „Daar begrijp ik niets van!”

Neen, en de controleur begreep het evenmin.

„Hoe heet je?” vroeg hij om iets te zeggen.

„Van Beek, meneer.”

„O.…!”

Dat „O!” was typisch. De verificateur begon zich te schamen en zocht naar een afleiding, die gevonden werd in het binnenkomen van den oppasser, met het leitje waarop Bolman, de boomklerk, zich liet aandienen. Demandoerwas hem gaan waarschuwen, en hij kwam juist intijds om medeaanhoorder te zijn van van Beek’s explicatie.

De controleur moest er om lachen, maar dat nam niet weg dat het feit bleef bestaan, dat van Beek, hetzij dan uit onnoozelheid, zich aan de hooge waardigheid van den Boom vergrepen had.

„Ik zal het er voor ditmaal bij laten,” sprak hij tot Bolman. „Maar zeg aan je chef,[205]dat hij vriendelijk verzocht wordt ons dergelijke tooneelen te besparen en dit jonge mensch thuis te houden; op den duur zou het aan den goeden naam uwer firma schade doen.”

Deze boodschap, behoorlijk overgebracht, bezorgde van Beek een klinkend standje van den chef. Hij beloofde beterschap en van nu af aan niets meer te zullen gelooven. Intusschen, daar hij aan den Boom niet meer komen mocht, voegde de chef hem aan Wije toe.

Onder de leiding van dezen en den bedaarden Terborg viel er werkelijk eenige beterschap te bespeuren, maar aan de volkomen genezing moest nog eerst het tweede feit voorafgaan.

Er was een avondje geweest bij een familie, en twee der jongelui uit het logement zaten na afloop op het galerijtje vóór hun bovenkamers te bekoelen en wat na te praten. Daar opende zich van Beek’s kamerdeur en deze trad naar buiten.[206]

„Op mijn kamer is een verschrikkelijk groote vleermuis,” deelde hij mee.

„Schiet hem dood,” raadde de een; en de ander, met een goed geveinsd gebaar van schrik en afschuw, schoof zijn stoel achteruit en week als ontzet eenige passen zijwaarts.

„Je deur is toch goed dicht?” vroeg hij.

„Ja, waarom?”

„Gelukkig. Neen, alsjeblieft, niet te dicht bij mij! Die beesten zitten vol ongedierte en licht heb je al wat te pakken.”

„Neen, dat kan niet,” betuigde van Beek. „Ik ben stilletjes in mijn bed gebleven tot hij onbeweeglijk tegen den zolder bleef zitten. Toen ben ik eruit gekomen om te vragen wat ik doen moest.”

„Wel.… je hebt een geweer. Heb je hagelpatronen?”

„Ja.”

„Nu, dan is het eenvoudig genoeg, als je maar voorzichtig bent, zoodat je hem niet[207]opschrikt. Ga zoo zacht mogelijk terug, neem je spuit en mik secuur.”

„Zou jij het niet voor me willen doen?”

„Merci; ieder op zijn eigen kamer, hoor!”

„Nu.… dankje.” En hij verwijderde zich. Maar nauwelijks had hij de deur in alle stilte achter zich gesloten, of de beide jongelui namen hun sloffen in de handen en slopen op hun bloote teenen naar hun kamers.

Het was één uur in den nacht. Het geluid dertongtongsaan de wachthuisjes, die het uur aangaven, voorafgegaan door debedoekin de moskee, stierf in de verte weg; een enkele nablijver, die geslapen had op zijn post, liet nog even zijn slag hooren, en toen was alles stil, zoo stil als het in een Oostmoeson’s nacht zonder kikkers en krekels slechts wezen kan. In het hotel sliep iedereen of lag althans te bed. Daar klinkt de scherpe knal van een geweerschot, scheurend door de luchtlagen. Deuren vlogen open, en van alle kanten[208]stroomden halfgekleede gestalten toe onder angstig vragen: „Wie is het? Heere, wie zou het zijn?”

„Boven, boven!” was het antwoord, en men vloog, struikelend over elkaar, de trap op, de logementhouder voorop. Ook dáár waren alle deuren open.… op drie na. De logementhouder bonsde op de eerste, en een slaapdronken stem gaf antwoord. De tweede deur was die van van Beek. Men gevoelde, zoodra zijn naam genoemd was, dat hij het moest zijn, en diep medelijden beving allen. De deur werd geopend … en daar stond de gewaande zelfmoordenaar, zich oprichtende, voorzichtig, met een papiertje, een doode vleermuis aanvattend en in de hoogte houdend onder den blijden uitroep: „Ik heb hem!” Het geweer tegen de kastdeur aangeleund, illustreerde de rest.

’s Morgens daarna zat de stumper in zijn kamer. Naast hem een kom met ijs, waarin[209]hij de compressen koud maakte, alvorens die op zijn deerlijk gehavend gelaat te appliceeren. Intusschen bevond zich de logementhouder op het kantoor, waar hij den chef het gebeurde mededeelde, zijn leedwezen betuigende dat hij de logé’s niet had kunnen verhinderen van Beek een geducht pak slaag te geven, maar aan den anderen kant den chef beleefd doch dringend verzoekend, den jongen man elders onder dak te brengen.

Deze begreep dat dit verzoek billijk was, en zoodra van Beek weer voor den dag kon komen verhuisde hij naar het paviljoen van den chef, bij zichzelven zwerende dat hij nu heusch niemand meer vertrouwen zou.

[210]


Back to IndexNext