VIII.

[Inhoud]VIII.VIII.ONVERBREEKBARE BANDEN.Anneke daarentegen pruilde. Zij was boos op haar vader en verdrietig dat van Beek nu niet meer aan huis kon komen. In den laatsten tijd was hij zoowat hun eenige bezoeker geweest. En sedert zij verhuisd waren, hadden haar vriendinnen haar langzamerhand allen in den steek gelaten. Wel hadden meisjes, die in de benedenstad woonden, en daarom stadsmeisjes genaamd, pogingen gedaan tot toenadering, doch daarop had Anneke geen weerwerk gegeven; zij hoorde in de Bodjong-coterie, daarin had zij haar leven lang verkeerd en zij[196]wilde zich niet encanailleeren met dochters van kleermakers, winkeliers of koekebakkers; dan liever geen omgang! Het was intusschen hard om zich boos te houden tegen den eenige met wien zij wel omgang had, haar vader; met de bedienden praten viel niet in haar smaak, te meer daar de oude getrouwen, die nog uit haar moeders tijd stamden, de een vóór, de ander na, hadden verklaard in dit huis nietkrassante zijn en dus vertrokken waren, vervangen door nieuwe, onverschillige gezichten. Dus begon zij bij beetjes vriendelijker te worden, om weer geheel de oude te zijn, toen zij op zekeren dag onder de van Batavia vertrokken passagiers den naam las van C. Duna, ambtenaar ter beschikking.„Zou hij komen?” vroeg zij den ochtend toen de boot aankwam. En ’s middags: „O, ik weet wanneer hij komt; op het gewone uurtje, als u nog aan ’t kleeden is, pa.”„Ik zal mij haasten,” plaagde hij. Maar hij[197]deelde Anneke’s zekerheid niet. Zoo zelden toch kwam het voor, dat uit wat hij kalverenliefde noemde, ernst werd, vooral als men van elkaar ging. Kees, vreesde hij, zou die geschiedenis van twee jaar geleden, wel vergeten zijn, althans de toen gegeven beloften en gedane verklaringen zoo zwaar niet opnemen.Doch dan kende hij Kees niet. Geen minuut vroeger dan hij jaren geleden gewoon was, kwam hij, rustig opstappend, zonder zelfs den tred te verhaasten toen hij Anneke, die al een half uur had staan wachten, in de verte bespeurde, kalm en zeker, recht op zijn doel afgaand.„Dag vrouwtje,” zeide hij, met groote innigheid, haar de beide handen toestekende.Zij riep slechts zijn naam, terwijl zij haar gezicht naar hem ophief, vergetend waar zij stond. En het was bloot toeval, dat niet geheel Semarang het zag.„Wat zei je daareven?” vroeg zij plagend, terwijl ze naar binnen wandelden.[198]„Heb je ’t niet gehoord?”„Ja … maar zoo zonder vragen!”„Dat heb ik al gedaan toen je nog zóó’n hummel was,” betoogde Kees, heel laag bij den grond wijzend.In de voorgalerij namen zij plaats, op een bank, achter de zware houten balustrade, zich verbeeldende dat een toevallig voorbijganger hen niet kon zien; en onder den indruk van hun beginnend geluk zwegen zij, slechts nu en dan elkaars namen fluisterend, met een handdruk als antwoord, dichter bij elkaar naarmate het buiten donkerder werd.„Daar komt papa,” zeide Anneke, plotseling oprijzend. „Kees is vóór,” riep zij haar vader toe, terwijl zij hem in de deur voorbij snelde.„Zoo, Duna,” groette Wije; „welkom thuis op Semarang. We zullen de lamp eens opsteken; net iets voor Anneke om je in ’t duister te laten zitten.”[199]„Dat was zoo erg niet,” vond Kees.„Je zult mekaar wel een boel te vertellen hebben gehad, hè? En denk je lang hier te kunnen blijven?”„Ik heb maar tien dagen tijd; dan moet ik naar mijn standplaats: Djokdja.”„Waren de oudelui niet blij je te zien?”„O ja. ’t Is wel jammer dat die verplaatsing van papa naar Batavia niet twee jaar vroeger is geschied.”„Gaat je pa naar Batavia? Ik had wel iets gehoord … maar toch, het rechte wist ik niet,” jokte Wije, die onder belofte van geheimhouding reeds alles had vernomen van mevrouw Duna. „De drukte … doch vertel me eens, wat zijn z’n plannen? Of mag dat nog niet bekend worden?”„Als u er niet op tegen heeft, wilde ik gaarne eerst iets anders behandelen,” zeide Kees. „Ik kwam namelijk vragen of Anneke en ik samen mogen trouwen.”[200]„Drommels!” riep Wije uit, zich verrast houdend, „dat is geen gekheid.”„Het is met voorkennis en goedvinden van mijn ouders dat ik dezen stap doe.”„Zoo … ik dacht, dat je moeder …”„Toen mama zag, hoezeer het mij ernst was, heeft zij toegegeven. Waarom zij er trouwens in den beginne tegen was, heb ik nooit gevat en weet het nog niet,” verklaarde Kees, verzwijgende dat hij dien namiddag de grootste moeite had gehad met zijn vader, die beweerde dat Wije „valsch” was. Ten bewijze daarvan had hij de geschiedenis verteld van het stukje envelop, dat Wije opzettelijk onder zijn kaarten zou hebben geschoven. Doch toen Kees telkens vroeg wat Anneke daarmee te maken had en niet afliet, had ook hij er zich bij neergelegd.„Nu,” zeide Wije, „ik heb niets tegen je. Maar we zullen Anneke moeten raadplegen; die heeft in deze het laatste woord. Waarom[201]lach je zoo? Hm, ik begrijp … enfin, dan zal ik haar roepen.”Doch eer hij kon opstaan, voelde hij twee armen om zijn hals, die hem weer achterover trokken in zijn stoel, en kuste Anneke hem op beide wangen.Een geëngageerd paar in Indië rijdt in den vooravond, tenzij men het niet kan betalen; eerst een toertje langs de wandelwegen, om de kennissen tegen te komen; daarna, zoodra de schemering invalt, langs de buitenwegen, om niemand tegen te komen; eindelijk weer terug, om bij bevriende families, wier voorgalerij niet verlicht is en die dus geacht kunnen worden uit te zijn of niet te ontvangen, een „tot hun spijt” vergeefsche visite te maken. Tegen acht uur komen zij thuis, om te eten; in den naävond vrijen zij, of praten buitengewoon gezellig met ieder die zich bij hen voegt of op eenigerlei wijze hen belet alleen te zijn.[202]Kees had bij dit alles nog gedaan weten te krijgen dat hij mocht komen rijsttafelen, bewerende dat de tijd zoo kort was. Daarin had hij wel gelijk, doch hoe kort ook, het was alsof een zonnestraal in dat kleine huisje was binnengedrongen, alles wat goed was en rein verlichtend, en het booze verjagend. Het geluk van zijn kind hief ook Wije op uit den toestand waarin hij langzamerhand was verzonken, dien hij zich niet ontveinsde, maar weet aan de omstandigheden. En aan deze was voorloopig niets te veranderen, meende hij; op het oogenblik dat hij genoeg had bijeengegaard zou hij zich daaruit losrukken, maar tot zoolang kon hij er niets aan doen. Met zijn oude neiging tot philosopheeren had hij zichzelf intusschen tot onderwerp van bespiegeling gekozen, zich afvragend wat hem meer demoraliseeerde, de omgang met mevrouw Duna of het geldmaken door tusschenkomst van Piong Pan Ho. Want dat zulks[203]het geval was had hij gevoeld. Door een toeval toch. Gewoon artikelen te schrijven voor de courant, die daar steeds welkom waren, kreeg hij op zekeren dag een stuk terug met de kantteekening: „niet bruikbaar.” En dit herhaalde zich, tot hij ten slotte zelf naar de redactie liep om opheldering te vragen.„Ik weet niet wat het is,” zeide de redacteur, „maar je stukken deugen niet. Het lijkt wel of je achteruit gaat, of je gedachten er soms niet bij zijn als je schrijft.”Thuisgekomen peinsde hij er over en vond dat de man gelijk had. Werkelijk wilden zijn gedachten slechts twee bepaalde richtingen uit, en die kon hij toch niet op het papier zetten! Van toen af was hij begonnen zich die vraag te stellen en de oplossing daarvan te zoeken, zonder echter eenige moeite te doen zich van het kwaad af te wenden. Het was alsof er twee personen in hem vereenigd waren, de een die handelde, een ander die toezag en[204]opmerkte met steeds grooter belangstelling. Zoolang Kees er was, bleef mevrouw Duna weg van zijn kantoor, en zie, dat had een merkwaardigen invloed op hem. Dàt was het dus! Hij verheugde zich in de vondst, doch slechts matig in het feit, tot hij het oog sloeg op zijn dochter en al het andere voor ’t oogenblik vergat.Anneke dong in die tien dagen naar den eernaam dien haar moeder vroeger had gedragen. Toen zij met Kees verscheen op de receptie van den resident, waren alle oogen op haar gericht, terwijl zich achteraan, in de op een troep staande heeren, een indiscreet tonggeklik liet hooren. En haar vriendinnen wilden haar nu weer allen kennen, het onmogelijke verzinnende om hun terugtrekken van voorheen te bedekken, haar den pet met het gouden biesje, waaronder Kees zich bevond, niet weinig benijdend. Zij werd overstroomd met aanbiedingen om bij haar uitzet te komen helpen.[205]„Het is haast te druk geweest om goed verliefd te kunnen zijn,” beweerde Kees op den laatsten avond.„Deugniet, wou je ’t nog erger maken?” vroeg zij terug.Na het vertrek van Kees begon ook voor zijn ouders de tijd te korten. Reeds was Duna’s opvolger aangekomen, de procuratiehouder van Semarang in diens plaats te Soerabaja aangesteld en de betrekking van den employé die nu procuratie kreeg, door van Beek ingenomen. De gissingen waren dus juist geweest en men behoefde ook niet langer te raden naar de plannen van den heer Duna; deze ging te Batavia een eigen handelshuis, een administratiekantoor oprichten, waartoe hij geld van anderen had weten te krijgen. Mevrouw Duna was in die laatste dagen stroever dan ooit, zelfs tegen Wije, die het weet aan haar sterk ontwikkeld gevoel voor zaken. Want er viel heel wat te beredderen! De huizen bleven haar eigendom[206]en daarover behield Wije het beheer, doch buitendien had zij nog zoo veel. In haarkampongswoonden verscheidenen, die den kost verdienden met rondventen van artikelen die depasseroplevert; wat ’s morgens werd ingekocht moest men ’s avonds kwijt zijn, maar tot dien inkoop, hoe gering ook, was kapitaal noodig, dat een inlander nooit bezit. Dus leende zij hun dat; den gulden, dien zij ’s morgens of den avond te voren ontvingen, betaalden zij des avonds terug met een kwartje „huurgeld.” Het ging echter niet aan die menschen te laten komen in het groote deftige huis op Bodjong, derhalvebehandeldende hoofden derkampongsdie zaken, waarvan het onvermijdelijk gevolg was, dat deze in den loop der tijden niet onbelangrijk in voorschot waren gekomen, naar het heette door het achterstallig zijn der leenende inlanders. Dat moest nu zooveel mogelijk geïnd worden en voorts dit soort van zaken worden opgeruimd, die zij Wije niet[207]kon overgeven, omdat dit vrouwenwerk was volgens haar, waartoe een man ten eenenmale de geschiktheid miste.De morgen was aangebroken waarop de afreis van de Duna’s zou plaats hebben. In de drukkerijen der couranten stond het verslag ervan, een week te voren opgemaakt, reeds gezet, beginnend met de woorden: „Door tal van vrienden en kennissen uitgeleid …” en eindigend: „met diep leedwezen zagen velen de zoo algemeen geachte en beminde familie vertrekken.” Aan den kleinen Boom lagen de beide bootjes onder stoom, één voor de gewone passagiers, het ander afgehuurd door hen, die de Duna’s wegbrachten naar boord van de kustboot. Nog had de zon geen kracht genoeg om de koelte uit de atmosfeer te verdrijven en het donkerblauw van den hemel te ontkleuren, toen de rijtuigen aanreden en zich een schaar gekleede dames en heer en met zwarte jasjes verzamelde aan denkalie-kant, een zeldzaam[208]schouwspel zoo vroeg in een Indischen ochtend. Men sprak onder elkaar en slechts weinig metdefamilie, die te veel had te doen met de zorg voor koffers en pakken. Eindelijk verscheen een zestal muzikanten, die zich op de brug van het stoomertje nederzetten en, zoodra de touwen waren losgegooid en het klepperen der raderen in het weerstrevende water zich deed hooren, de instrumenten aan den mond brachten en … iets speelden, geaccompagneerd door het gillen der stoomfluit.Men kwam aan boord; op het achterdek werd de champagne ontkurkt, toespraken uitlokkend die al meer hadden dienst gedaan, en sommigen die de nawerking van het bruisend vocht in hun maag niet konden verdragen, tot een haastig afdalen in het salon nopend, waar zij zich te goed deden aan het gereedstaande ontbijt met cervelaatworstà discrétion. Onder hen die spraken, was ook Wije, die alleen gekomen, daar Anneke zich onwel had[209]gevoeld, zijn vroegere gemakkelijkheid van zich uit te drukken had teruggevonden, door de vreugde over het zich vanzelf oplossen eener relatie, waaraan hij machteloos was zich op een andere wijze te onttrekken.Dan, de tijd verstreek; het kleine stoomertje was ontladen en zuchtte den terugtocht te gemoet, krakend in de voegen van zijn bovenbouw, als de deining het deed aanleunen tegen de groote boot, die onbeweeglijk lag. Men moest afscheid nemen.De rij af, voorop de resident en de generaal, toen de grootste „handelshuizen” gevolgd door de kleinere, eindelijk de employé’s, gaf elk de vertrekkende familie een hand. Zij stonden naast elkander, Duna met een gedwongen lachje om de lippen, de officieele handdrukken half buigend beantwoordende, die van kennissen vriendelijk, nu en dan aandoening toonend en die leggend in zijn blik bij het afscheid nemen van een bijzonderen vriend, mevrouw stijf[210]rechtop, niemand aanziende, maar doodsbleek.Wije was een der laatsten, wat hij eigenlijk niet had gewild. Doch zonder geweld had hij niet kunnen doordringen tot de voorsten; telkens sloot zich de opening voor zijn neus; men drong hem niet opzij en hield er hem toch uit.„Dag Wije, beterschap met Anneke. Groet haar nogmaals van me; zal je?” zeide Duna.„Van mij ook,” sprak zij toonloos, zijn hand knijpend uit al haar macht. En plotseling, terwijl een schok haar lichaam doorvoer, zag zij hem in de oogen, heel diep; toen, vooruitstortend, sloeg zij haar beide armen om hem heen, zenuwachtig uitgillende: „Ik verlaat je niet, ik kan niet, o ik kan niet!”Een algemeene consternatie volgde. Duna had in de eerste opwelling zijn arm uitgestoken om haar terug te trekken; doch toen het tot hem doordrong wat zij gedaan had, en hij aan de houding van Wije, die zijn tegenwoordigheid van geest was kwijtgeraakt en[211]haar willoos liet begaan, met één blik alles zag, sloeg hij de handen voor het gezicht, wankelend. De deftige rij, waarvan de eersten de loopplank reeds bereikt hadden, brak, en die haar vormden vertoonden zich, in bonte mengeling van rang en stand, weer op het achterdek. Tusschen hen door leidde Wije mevrouw Duna weg, of liever zij trok hem mee, terwijl Duna, ondersteund door zijn voormalige employé’s weldra het middelpunt vormde van een medelijdenden kring, tot men hem op zijn verzoek naar de hut bracht.Voorbij het luik komend, waar de koffers nog stonden opgestapeld om eerst nedergelaten te worden als het schip wegstoomde, zag Duna zijn vrouw, bezig uit te zoeken wat het hare was.„Laat haar begaan,” fluisterde hij zich afwendende, ten antwoord op de vraag hem door iemand gedaan of men haar dat niet zou beletten.Toen het stoomertje zich losmaakte van de[212]groote boot, in hobbelend omzwaaien, waren Wije en mevrouw Duna daarop de eenige passagiers; de overigen hadden, na een conferentie met den kapitein, verkozen te wachten tot het andere stoomertje van de Molukken-boot terug kwam en dat te praaien. Zij stond bij de bagage, natellend of er niets ontbrak, nu het feit begaan was en achter den rug, weer geheel de oude, koel en zakelijk; hij zat onder de tent op de bank in ’t midden, het hoofd met den arm steunend in doffe berusting, doch vloog woedend op, toen de muziek boven op de brug het bekende wijsje intoneerde: „En hij komt nooit weerom …”„Diëm, gévédé!” brulde hij, en één voor één hielden de muzikanten op, wat echter niet verhinderde dat de maten die zij gespeeld hadden, ook op de kustboot waren gehoord. Eerst had het daar de verontwaardiging doen vermeerderen; doch het plotseling afbreken, waarvan men de oorzaak zonder veel moeite kon raden,[213]had een andere uitwerking. Men had den resident met de mondhoeken zien trekken, terwijl de generaal zijn neus snoot; dat was genoeg, en eensklaps barstte de hilariteit allerwege los.Men had gelachen, en hoe! Geheeldésarméwas men daardoor echter niet, maar toch … Reeds onder het terugvaren naar den kleinen Boom had het zwaartepunt van de publieke opinie zich verlegd. Men had Wije uitgemaakt voor een ellendeling, die eens anders huishouden in het ongeluk stortte, en dat op zijn leeftijd! Nu beklaagde men hem schier, en viel háár aan, die eer en plicht met voeten trad, haar mans naam bezoedelde en hemzelf rampzalig maakte om der wille van een dwazen hartstocht, en dat—ook hier ontbrak dit slotwoord niet—op haar leeftijd! Wije kon plezier hebben van die „tang,” ten minste als hij haar trouwde. Over de waarschijnlijkheid hiervan liepen de meeningen uiteen; zijn gezicht stond er niet naar, beweerde er een, terwijl[214]een ander volhield dat hij er onmogelijk af kon, na het schandaal van heden.De alzoo besprokenen waren intusschen terug aan wal, waar zij na eenige moeite met het goed en vreeselijk te zijn aangegaapt door het personeel van den Boom, plaats hadden genomen in het huurrijtuig dat Wije dien morgen besteld had. Op het bootje hadden zij afgesproken wat hun verder stond te doen; het eerste was; dat mevrouw Duna haar intrek zou nemen bij een oude weduwe, die in een huis aan den Karangtoerie-weg woonde; daar kon zij wachten tot het scheidingproces, dat Duna natuurlijk zou instellen, was afgeloopen. Zij had dit eenige dagen geleden reeds met die weduwe bedisseld, men behoefde er slechts heen te rijden.Met een zeer beklemd gevoel kwam Wije eindelijk thuis. De omstandigheid vooral dat die geheele scène aan boord als het ware te voren reeds berekend was, en niet ontsproten[215]uit fel opbruischenden hartstocht, deed hem er met weerzin aan terugdenken. Als hij dat geweten had! Dan zou hij haar met een beweging van verwondering en eenair hautainvan zich hebben gestooten, zooals hij het nu deed in zijn eentje, zóó. Het was jammer, erg jammer. Nu was het te laat; want hij dacht er geen oogenblik aan zich aan de gevolgen van het gebeurde te onttrekken; zijn ander ik, het gedeelte dat toezag en opmerkte, constateerde dat hij het niet durfde.Anneke moest een dag of vier het bed houden, hoewel zij niet erg ziek was. Maar de dokter had rust aanbevolen en Wije handhaafde dit voorschrift, om tijd te hebben zich voor te bereiden op de mededeeling, die hij haar doen moest. Toen zij hersteld was en in den loop van den dag zich had uitgelaten, dat zij in den vooravond een vriendin wilde gaan opzoeken, vertelde hij haar wat geschied was, zichzelf zooveel doenlijk voorstellende als[216]door de omstandigheden te zijn gedwongen, en te kiesch om een dame in den steek te laten. Met dit al was het zeer pijnlijk, zich als het ware te moeten vrijpleiten tegenover zijn dochter, in zulk een zaak!Vanaf het eerste woord had haar een angst bekropen; wat zou Kees doen? Met deze vraag viel zij hem in de rede, en toen hij daarop zweeg, barstte zij los, beginnend met een klacht en eindigend met harde verwijten, hem ten slotte voor de voeten werpend dat hij haar geluk had verstoord.Doch hiertegen had hij een verontschuldiging.„Het was al zoover,” zeide hij, „eer ik iets van Kees wist. Had je mij je vertrouwen geschonken, dan zou het anders geloopen zijn.”„Kan ik niet gaan logeeren bij een ander?” vroeg zij, zonder het laatste te beantwoorden.Hij boog het hoofd, haar bedoeling radend uit den toon waarop zij sprak. Zij wilde hem ontvluchten, als om zich voor besmetting te[217]hoeden, en dit afficheeren zóó, dat men haar en hem niet langer in één adem noemde; een scheiding, die den band tusschen vader en dochter, zoo niet wettelijk, dan toch feitelijk zou verbreken. Maar tevens zag hij in, dat dit de eenige manier was om dien anderen band te behouden, welken zij met Kees gesloten had, en dat hij geen recht had zich daartegen te verzetten.„Ik zal het den dokter gaan vragen,” antwoordde hij na eenig peinzen.Niet zonder moeite, en alleen op voorwaarden die voor hem zeer krenkend waren, slaagde Wije er in van den dokter gedaan te krijgen wat hij wenschte; toch kwam hij thuis met het gevoel van iemand die een lastig schuldeischer voldaan heeft. Zoodra zij den uitslag vernam riep Anneke den bediende en gaf hem een brief ter bezorging op de post, dien zij aan Kees geschreven had.„Geef mij een kus, Anneke,” zeide Wije,[218]toen in den naävond het rijtuig vóór stond, waarmee zij ging vertrekken; „den laatsten misschien. Ik mag je niet ontmoeten zoolang je ginds logeert, en daarna …”Het doktershuis scheen Anneke niet lang te kunnen houden. Al den eersten dag maakte zij zich nuttig door de twee kleinkinderen van den dokter, weezen, zoodanig bezig te houden, dat zij niet alleen de harten der kleinen, maar ook dat der grootmoeder veroverde.„Daar zit een geboren moedertje in,” verklaarde deze, erover sprekend met haar man.De dokter begon te lachen.„Ja, dat zal wel uitkomen,” zeide hij; „of waartoe wou je onze meisjes anders zien geboren worden?”„Och, zoo bedoel ik het niet. De aanleg om met kinderen om te gaan, zit er bij haar in.”„Niets natuurlijker, wat men ook in onzen[219]tijd moge zeggen over de roeping der vrouw. Of werpen zich niet de meesten, die beweren van geen huwelijk te willen hooren, in de armen van het onderwijs? En dit is bij wijze van surrogaat.”Op den avond van den derden dag werd een brief bezorgd voor Anneke; de jongen van Wije bracht hem. Zij was reeds in haar kamer, en de dokter, die nog wat na bleef zitten in zijn achtergalerij, had hem aangenomen en door de reet geschoven, die er was tusschen den drempel en de deur van haar kamer.Hij kwam van Kees; en hem dicht bij het pitje van haar nachtlicht houdend, las zij den korten inhoud.Mejuffrouw!Hetgeen is voorgevallen, en dat ik wel niet nader behoef aan te duiden, deed mijn vader eischen dat alle betrekkingen tusschen onze families zouden worden afgebroken. Ik[220]acht dit eveneens billijk, en uit dien hoofde kan de middenweg door u voorgeslagen, mijn goedkeuring niet wegdragen. Beleefd geef ik u in overweging mij af te schrijven.HoogachtendC. Duna.Koud, dor en even onmeedoogend als de bij oude ambtenaren zoo gevreesde „wenken” om hun pensioen aan te vragen, had het briefje van Kees een gelijke uitwerking als deze. Anneke beefde van woede. Zich verder ontkleedende, rukte zij zich den boel van het lijf, hijgend van de haast toen zij in bed lag. Dat had hij kunnen doen! Hij, die voorgaf haar lief te hebben, liever dan alles op aarde, die zwoer dat zijn ziel met de hare was saamgegroeid en meer dergelijken onzin. Want anders was het niet geweest, onzin, leugens, bedrog! Met krampachtig gesloten vuisten bonsde zij aan beide zijden op de[221]matras, de oogen wijd open, het lichaam nu en dan opheffend in hevige zenuwwerking. Eensklaps wierp zij zich om en schreide.Een mot vloog in het nachtlampje, dat in zijn sterven uitblusschend. Anneke stond niet op, gelijk zij anders placht te doen, maar bleef liggen in het duister, zich overgevend aan haar gedachten, die nu den vorm van zelfverwijten hadden aangenomen. Zij beschuldigde zich van groote slechtheid en eigenbaat. Waarom had zij haar vader verlaten? Enkel omdat zij de voorkeur gaf aan een ander, die niets voor haar geweest was. Of had hij haar opgevoed, haar onderwezen, haar telkens en telkens de feitelijke bewijzen zijner liefde gegeven? Neen, dat had hij niet; gegeven had hij nooit; hij had zich met haar vermaakt, ziedaar alles. Misschien had het hem eenige moeite gekost dezen stap te doen, doch voorzeker geen lange aarzeling. Zijn vader eischte en hij volgde. Zie, daarin lag[222]een beschamend voorbeeld voor haar. Wie weet of Kees niet juist daarom … o, zij was slecht geweest! Eerst nu begreep zij de aandoening, die haar vader getoond had bij het scheiden; hij had alles voor haar over, en vergaf het haar dat zij hem dien smaad aandeed, die goede vader!Den volgenden morgen deelde zij de doktersvrouw haar besluit mede, om nog dienzelfden dag terug te keeren naar huis, haar den brief van Kees toonend; en het mocht die dame niet gelukken Anneke te weerhouden, van wat zij een overijlden stap noemde.Ofschoon hij verwacht had dat Kees het engagement zou verbreken, was Wije toch erg boos over de ruwe manier waarop dit geschiedde. Op Anneke’s verzoek schreef hij aan Kees het antwoord, in weinig regels al de kwaadaardigheid uitdrukkend, die het besef van zelf de grootste schuld te hebben een mensch kan ingeven.[223]

[Inhoud]VIII.VIII.ONVERBREEKBARE BANDEN.Anneke daarentegen pruilde. Zij was boos op haar vader en verdrietig dat van Beek nu niet meer aan huis kon komen. In den laatsten tijd was hij zoowat hun eenige bezoeker geweest. En sedert zij verhuisd waren, hadden haar vriendinnen haar langzamerhand allen in den steek gelaten. Wel hadden meisjes, die in de benedenstad woonden, en daarom stadsmeisjes genaamd, pogingen gedaan tot toenadering, doch daarop had Anneke geen weerwerk gegeven; zij hoorde in de Bodjong-coterie, daarin had zij haar leven lang verkeerd en zij[196]wilde zich niet encanailleeren met dochters van kleermakers, winkeliers of koekebakkers; dan liever geen omgang! Het was intusschen hard om zich boos te houden tegen den eenige met wien zij wel omgang had, haar vader; met de bedienden praten viel niet in haar smaak, te meer daar de oude getrouwen, die nog uit haar moeders tijd stamden, de een vóór, de ander na, hadden verklaard in dit huis nietkrassante zijn en dus vertrokken waren, vervangen door nieuwe, onverschillige gezichten. Dus begon zij bij beetjes vriendelijker te worden, om weer geheel de oude te zijn, toen zij op zekeren dag onder de van Batavia vertrokken passagiers den naam las van C. Duna, ambtenaar ter beschikking.„Zou hij komen?” vroeg zij den ochtend toen de boot aankwam. En ’s middags: „O, ik weet wanneer hij komt; op het gewone uurtje, als u nog aan ’t kleeden is, pa.”„Ik zal mij haasten,” plaagde hij. Maar hij[197]deelde Anneke’s zekerheid niet. Zoo zelden toch kwam het voor, dat uit wat hij kalverenliefde noemde, ernst werd, vooral als men van elkaar ging. Kees, vreesde hij, zou die geschiedenis van twee jaar geleden, wel vergeten zijn, althans de toen gegeven beloften en gedane verklaringen zoo zwaar niet opnemen.Doch dan kende hij Kees niet. Geen minuut vroeger dan hij jaren geleden gewoon was, kwam hij, rustig opstappend, zonder zelfs den tred te verhaasten toen hij Anneke, die al een half uur had staan wachten, in de verte bespeurde, kalm en zeker, recht op zijn doel afgaand.„Dag vrouwtje,” zeide hij, met groote innigheid, haar de beide handen toestekende.Zij riep slechts zijn naam, terwijl zij haar gezicht naar hem ophief, vergetend waar zij stond. En het was bloot toeval, dat niet geheel Semarang het zag.„Wat zei je daareven?” vroeg zij plagend, terwijl ze naar binnen wandelden.[198]„Heb je ’t niet gehoord?”„Ja … maar zoo zonder vragen!”„Dat heb ik al gedaan toen je nog zóó’n hummel was,” betoogde Kees, heel laag bij den grond wijzend.In de voorgalerij namen zij plaats, op een bank, achter de zware houten balustrade, zich verbeeldende dat een toevallig voorbijganger hen niet kon zien; en onder den indruk van hun beginnend geluk zwegen zij, slechts nu en dan elkaars namen fluisterend, met een handdruk als antwoord, dichter bij elkaar naarmate het buiten donkerder werd.„Daar komt papa,” zeide Anneke, plotseling oprijzend. „Kees is vóór,” riep zij haar vader toe, terwijl zij hem in de deur voorbij snelde.„Zoo, Duna,” groette Wije; „welkom thuis op Semarang. We zullen de lamp eens opsteken; net iets voor Anneke om je in ’t duister te laten zitten.”[199]„Dat was zoo erg niet,” vond Kees.„Je zult mekaar wel een boel te vertellen hebben gehad, hè? En denk je lang hier te kunnen blijven?”„Ik heb maar tien dagen tijd; dan moet ik naar mijn standplaats: Djokdja.”„Waren de oudelui niet blij je te zien?”„O ja. ’t Is wel jammer dat die verplaatsing van papa naar Batavia niet twee jaar vroeger is geschied.”„Gaat je pa naar Batavia? Ik had wel iets gehoord … maar toch, het rechte wist ik niet,” jokte Wije, die onder belofte van geheimhouding reeds alles had vernomen van mevrouw Duna. „De drukte … doch vertel me eens, wat zijn z’n plannen? Of mag dat nog niet bekend worden?”„Als u er niet op tegen heeft, wilde ik gaarne eerst iets anders behandelen,” zeide Kees. „Ik kwam namelijk vragen of Anneke en ik samen mogen trouwen.”[200]„Drommels!” riep Wije uit, zich verrast houdend, „dat is geen gekheid.”„Het is met voorkennis en goedvinden van mijn ouders dat ik dezen stap doe.”„Zoo … ik dacht, dat je moeder …”„Toen mama zag, hoezeer het mij ernst was, heeft zij toegegeven. Waarom zij er trouwens in den beginne tegen was, heb ik nooit gevat en weet het nog niet,” verklaarde Kees, verzwijgende dat hij dien namiddag de grootste moeite had gehad met zijn vader, die beweerde dat Wije „valsch” was. Ten bewijze daarvan had hij de geschiedenis verteld van het stukje envelop, dat Wije opzettelijk onder zijn kaarten zou hebben geschoven. Doch toen Kees telkens vroeg wat Anneke daarmee te maken had en niet afliet, had ook hij er zich bij neergelegd.„Nu,” zeide Wije, „ik heb niets tegen je. Maar we zullen Anneke moeten raadplegen; die heeft in deze het laatste woord. Waarom[201]lach je zoo? Hm, ik begrijp … enfin, dan zal ik haar roepen.”Doch eer hij kon opstaan, voelde hij twee armen om zijn hals, die hem weer achterover trokken in zijn stoel, en kuste Anneke hem op beide wangen.Een geëngageerd paar in Indië rijdt in den vooravond, tenzij men het niet kan betalen; eerst een toertje langs de wandelwegen, om de kennissen tegen te komen; daarna, zoodra de schemering invalt, langs de buitenwegen, om niemand tegen te komen; eindelijk weer terug, om bij bevriende families, wier voorgalerij niet verlicht is en die dus geacht kunnen worden uit te zijn of niet te ontvangen, een „tot hun spijt” vergeefsche visite te maken. Tegen acht uur komen zij thuis, om te eten; in den naävond vrijen zij, of praten buitengewoon gezellig met ieder die zich bij hen voegt of op eenigerlei wijze hen belet alleen te zijn.[202]Kees had bij dit alles nog gedaan weten te krijgen dat hij mocht komen rijsttafelen, bewerende dat de tijd zoo kort was. Daarin had hij wel gelijk, doch hoe kort ook, het was alsof een zonnestraal in dat kleine huisje was binnengedrongen, alles wat goed was en rein verlichtend, en het booze verjagend. Het geluk van zijn kind hief ook Wije op uit den toestand waarin hij langzamerhand was verzonken, dien hij zich niet ontveinsde, maar weet aan de omstandigheden. En aan deze was voorloopig niets te veranderen, meende hij; op het oogenblik dat hij genoeg had bijeengegaard zou hij zich daaruit losrukken, maar tot zoolang kon hij er niets aan doen. Met zijn oude neiging tot philosopheeren had hij zichzelf intusschen tot onderwerp van bespiegeling gekozen, zich afvragend wat hem meer demoraliseeerde, de omgang met mevrouw Duna of het geldmaken door tusschenkomst van Piong Pan Ho. Want dat zulks[203]het geval was had hij gevoeld. Door een toeval toch. Gewoon artikelen te schrijven voor de courant, die daar steeds welkom waren, kreeg hij op zekeren dag een stuk terug met de kantteekening: „niet bruikbaar.” En dit herhaalde zich, tot hij ten slotte zelf naar de redactie liep om opheldering te vragen.„Ik weet niet wat het is,” zeide de redacteur, „maar je stukken deugen niet. Het lijkt wel of je achteruit gaat, of je gedachten er soms niet bij zijn als je schrijft.”Thuisgekomen peinsde hij er over en vond dat de man gelijk had. Werkelijk wilden zijn gedachten slechts twee bepaalde richtingen uit, en die kon hij toch niet op het papier zetten! Van toen af was hij begonnen zich die vraag te stellen en de oplossing daarvan te zoeken, zonder echter eenige moeite te doen zich van het kwaad af te wenden. Het was alsof er twee personen in hem vereenigd waren, de een die handelde, een ander die toezag en[204]opmerkte met steeds grooter belangstelling. Zoolang Kees er was, bleef mevrouw Duna weg van zijn kantoor, en zie, dat had een merkwaardigen invloed op hem. Dàt was het dus! Hij verheugde zich in de vondst, doch slechts matig in het feit, tot hij het oog sloeg op zijn dochter en al het andere voor ’t oogenblik vergat.Anneke dong in die tien dagen naar den eernaam dien haar moeder vroeger had gedragen. Toen zij met Kees verscheen op de receptie van den resident, waren alle oogen op haar gericht, terwijl zich achteraan, in de op een troep staande heeren, een indiscreet tonggeklik liet hooren. En haar vriendinnen wilden haar nu weer allen kennen, het onmogelijke verzinnende om hun terugtrekken van voorheen te bedekken, haar den pet met het gouden biesje, waaronder Kees zich bevond, niet weinig benijdend. Zij werd overstroomd met aanbiedingen om bij haar uitzet te komen helpen.[205]„Het is haast te druk geweest om goed verliefd te kunnen zijn,” beweerde Kees op den laatsten avond.„Deugniet, wou je ’t nog erger maken?” vroeg zij terug.Na het vertrek van Kees begon ook voor zijn ouders de tijd te korten. Reeds was Duna’s opvolger aangekomen, de procuratiehouder van Semarang in diens plaats te Soerabaja aangesteld en de betrekking van den employé die nu procuratie kreeg, door van Beek ingenomen. De gissingen waren dus juist geweest en men behoefde ook niet langer te raden naar de plannen van den heer Duna; deze ging te Batavia een eigen handelshuis, een administratiekantoor oprichten, waartoe hij geld van anderen had weten te krijgen. Mevrouw Duna was in die laatste dagen stroever dan ooit, zelfs tegen Wije, die het weet aan haar sterk ontwikkeld gevoel voor zaken. Want er viel heel wat te beredderen! De huizen bleven haar eigendom[206]en daarover behield Wije het beheer, doch buitendien had zij nog zoo veel. In haarkampongswoonden verscheidenen, die den kost verdienden met rondventen van artikelen die depasseroplevert; wat ’s morgens werd ingekocht moest men ’s avonds kwijt zijn, maar tot dien inkoop, hoe gering ook, was kapitaal noodig, dat een inlander nooit bezit. Dus leende zij hun dat; den gulden, dien zij ’s morgens of den avond te voren ontvingen, betaalden zij des avonds terug met een kwartje „huurgeld.” Het ging echter niet aan die menschen te laten komen in het groote deftige huis op Bodjong, derhalvebehandeldende hoofden derkampongsdie zaken, waarvan het onvermijdelijk gevolg was, dat deze in den loop der tijden niet onbelangrijk in voorschot waren gekomen, naar het heette door het achterstallig zijn der leenende inlanders. Dat moest nu zooveel mogelijk geïnd worden en voorts dit soort van zaken worden opgeruimd, die zij Wije niet[207]kon overgeven, omdat dit vrouwenwerk was volgens haar, waartoe een man ten eenenmale de geschiktheid miste.De morgen was aangebroken waarop de afreis van de Duna’s zou plaats hebben. In de drukkerijen der couranten stond het verslag ervan, een week te voren opgemaakt, reeds gezet, beginnend met de woorden: „Door tal van vrienden en kennissen uitgeleid …” en eindigend: „met diep leedwezen zagen velen de zoo algemeen geachte en beminde familie vertrekken.” Aan den kleinen Boom lagen de beide bootjes onder stoom, één voor de gewone passagiers, het ander afgehuurd door hen, die de Duna’s wegbrachten naar boord van de kustboot. Nog had de zon geen kracht genoeg om de koelte uit de atmosfeer te verdrijven en het donkerblauw van den hemel te ontkleuren, toen de rijtuigen aanreden en zich een schaar gekleede dames en heer en met zwarte jasjes verzamelde aan denkalie-kant, een zeldzaam[208]schouwspel zoo vroeg in een Indischen ochtend. Men sprak onder elkaar en slechts weinig metdefamilie, die te veel had te doen met de zorg voor koffers en pakken. Eindelijk verscheen een zestal muzikanten, die zich op de brug van het stoomertje nederzetten en, zoodra de touwen waren losgegooid en het klepperen der raderen in het weerstrevende water zich deed hooren, de instrumenten aan den mond brachten en … iets speelden, geaccompagneerd door het gillen der stoomfluit.Men kwam aan boord; op het achterdek werd de champagne ontkurkt, toespraken uitlokkend die al meer hadden dienst gedaan, en sommigen die de nawerking van het bruisend vocht in hun maag niet konden verdragen, tot een haastig afdalen in het salon nopend, waar zij zich te goed deden aan het gereedstaande ontbijt met cervelaatworstà discrétion. Onder hen die spraken, was ook Wije, die alleen gekomen, daar Anneke zich onwel had[209]gevoeld, zijn vroegere gemakkelijkheid van zich uit te drukken had teruggevonden, door de vreugde over het zich vanzelf oplossen eener relatie, waaraan hij machteloos was zich op een andere wijze te onttrekken.Dan, de tijd verstreek; het kleine stoomertje was ontladen en zuchtte den terugtocht te gemoet, krakend in de voegen van zijn bovenbouw, als de deining het deed aanleunen tegen de groote boot, die onbeweeglijk lag. Men moest afscheid nemen.De rij af, voorop de resident en de generaal, toen de grootste „handelshuizen” gevolgd door de kleinere, eindelijk de employé’s, gaf elk de vertrekkende familie een hand. Zij stonden naast elkander, Duna met een gedwongen lachje om de lippen, de officieele handdrukken half buigend beantwoordende, die van kennissen vriendelijk, nu en dan aandoening toonend en die leggend in zijn blik bij het afscheid nemen van een bijzonderen vriend, mevrouw stijf[210]rechtop, niemand aanziende, maar doodsbleek.Wije was een der laatsten, wat hij eigenlijk niet had gewild. Doch zonder geweld had hij niet kunnen doordringen tot de voorsten; telkens sloot zich de opening voor zijn neus; men drong hem niet opzij en hield er hem toch uit.„Dag Wije, beterschap met Anneke. Groet haar nogmaals van me; zal je?” zeide Duna.„Van mij ook,” sprak zij toonloos, zijn hand knijpend uit al haar macht. En plotseling, terwijl een schok haar lichaam doorvoer, zag zij hem in de oogen, heel diep; toen, vooruitstortend, sloeg zij haar beide armen om hem heen, zenuwachtig uitgillende: „Ik verlaat je niet, ik kan niet, o ik kan niet!”Een algemeene consternatie volgde. Duna had in de eerste opwelling zijn arm uitgestoken om haar terug te trekken; doch toen het tot hem doordrong wat zij gedaan had, en hij aan de houding van Wije, die zijn tegenwoordigheid van geest was kwijtgeraakt en[211]haar willoos liet begaan, met één blik alles zag, sloeg hij de handen voor het gezicht, wankelend. De deftige rij, waarvan de eersten de loopplank reeds bereikt hadden, brak, en die haar vormden vertoonden zich, in bonte mengeling van rang en stand, weer op het achterdek. Tusschen hen door leidde Wije mevrouw Duna weg, of liever zij trok hem mee, terwijl Duna, ondersteund door zijn voormalige employé’s weldra het middelpunt vormde van een medelijdenden kring, tot men hem op zijn verzoek naar de hut bracht.Voorbij het luik komend, waar de koffers nog stonden opgestapeld om eerst nedergelaten te worden als het schip wegstoomde, zag Duna zijn vrouw, bezig uit te zoeken wat het hare was.„Laat haar begaan,” fluisterde hij zich afwendende, ten antwoord op de vraag hem door iemand gedaan of men haar dat niet zou beletten.Toen het stoomertje zich losmaakte van de[212]groote boot, in hobbelend omzwaaien, waren Wije en mevrouw Duna daarop de eenige passagiers; de overigen hadden, na een conferentie met den kapitein, verkozen te wachten tot het andere stoomertje van de Molukken-boot terug kwam en dat te praaien. Zij stond bij de bagage, natellend of er niets ontbrak, nu het feit begaan was en achter den rug, weer geheel de oude, koel en zakelijk; hij zat onder de tent op de bank in ’t midden, het hoofd met den arm steunend in doffe berusting, doch vloog woedend op, toen de muziek boven op de brug het bekende wijsje intoneerde: „En hij komt nooit weerom …”„Diëm, gévédé!” brulde hij, en één voor één hielden de muzikanten op, wat echter niet verhinderde dat de maten die zij gespeeld hadden, ook op de kustboot waren gehoord. Eerst had het daar de verontwaardiging doen vermeerderen; doch het plotseling afbreken, waarvan men de oorzaak zonder veel moeite kon raden,[213]had een andere uitwerking. Men had den resident met de mondhoeken zien trekken, terwijl de generaal zijn neus snoot; dat was genoeg, en eensklaps barstte de hilariteit allerwege los.Men had gelachen, en hoe! Geheeldésarméwas men daardoor echter niet, maar toch … Reeds onder het terugvaren naar den kleinen Boom had het zwaartepunt van de publieke opinie zich verlegd. Men had Wije uitgemaakt voor een ellendeling, die eens anders huishouden in het ongeluk stortte, en dat op zijn leeftijd! Nu beklaagde men hem schier, en viel háár aan, die eer en plicht met voeten trad, haar mans naam bezoedelde en hemzelf rampzalig maakte om der wille van een dwazen hartstocht, en dat—ook hier ontbrak dit slotwoord niet—op haar leeftijd! Wije kon plezier hebben van die „tang,” ten minste als hij haar trouwde. Over de waarschijnlijkheid hiervan liepen de meeningen uiteen; zijn gezicht stond er niet naar, beweerde er een, terwijl[214]een ander volhield dat hij er onmogelijk af kon, na het schandaal van heden.De alzoo besprokenen waren intusschen terug aan wal, waar zij na eenige moeite met het goed en vreeselijk te zijn aangegaapt door het personeel van den Boom, plaats hadden genomen in het huurrijtuig dat Wije dien morgen besteld had. Op het bootje hadden zij afgesproken wat hun verder stond te doen; het eerste was; dat mevrouw Duna haar intrek zou nemen bij een oude weduwe, die in een huis aan den Karangtoerie-weg woonde; daar kon zij wachten tot het scheidingproces, dat Duna natuurlijk zou instellen, was afgeloopen. Zij had dit eenige dagen geleden reeds met die weduwe bedisseld, men behoefde er slechts heen te rijden.Met een zeer beklemd gevoel kwam Wije eindelijk thuis. De omstandigheid vooral dat die geheele scène aan boord als het ware te voren reeds berekend was, en niet ontsproten[215]uit fel opbruischenden hartstocht, deed hem er met weerzin aan terugdenken. Als hij dat geweten had! Dan zou hij haar met een beweging van verwondering en eenair hautainvan zich hebben gestooten, zooals hij het nu deed in zijn eentje, zóó. Het was jammer, erg jammer. Nu was het te laat; want hij dacht er geen oogenblik aan zich aan de gevolgen van het gebeurde te onttrekken; zijn ander ik, het gedeelte dat toezag en opmerkte, constateerde dat hij het niet durfde.Anneke moest een dag of vier het bed houden, hoewel zij niet erg ziek was. Maar de dokter had rust aanbevolen en Wije handhaafde dit voorschrift, om tijd te hebben zich voor te bereiden op de mededeeling, die hij haar doen moest. Toen zij hersteld was en in den loop van den dag zich had uitgelaten, dat zij in den vooravond een vriendin wilde gaan opzoeken, vertelde hij haar wat geschied was, zichzelf zooveel doenlijk voorstellende als[216]door de omstandigheden te zijn gedwongen, en te kiesch om een dame in den steek te laten. Met dit al was het zeer pijnlijk, zich als het ware te moeten vrijpleiten tegenover zijn dochter, in zulk een zaak!Vanaf het eerste woord had haar een angst bekropen; wat zou Kees doen? Met deze vraag viel zij hem in de rede, en toen hij daarop zweeg, barstte zij los, beginnend met een klacht en eindigend met harde verwijten, hem ten slotte voor de voeten werpend dat hij haar geluk had verstoord.Doch hiertegen had hij een verontschuldiging.„Het was al zoover,” zeide hij, „eer ik iets van Kees wist. Had je mij je vertrouwen geschonken, dan zou het anders geloopen zijn.”„Kan ik niet gaan logeeren bij een ander?” vroeg zij, zonder het laatste te beantwoorden.Hij boog het hoofd, haar bedoeling radend uit den toon waarop zij sprak. Zij wilde hem ontvluchten, als om zich voor besmetting te[217]hoeden, en dit afficheeren zóó, dat men haar en hem niet langer in één adem noemde; een scheiding, die den band tusschen vader en dochter, zoo niet wettelijk, dan toch feitelijk zou verbreken. Maar tevens zag hij in, dat dit de eenige manier was om dien anderen band te behouden, welken zij met Kees gesloten had, en dat hij geen recht had zich daartegen te verzetten.„Ik zal het den dokter gaan vragen,” antwoordde hij na eenig peinzen.Niet zonder moeite, en alleen op voorwaarden die voor hem zeer krenkend waren, slaagde Wije er in van den dokter gedaan te krijgen wat hij wenschte; toch kwam hij thuis met het gevoel van iemand die een lastig schuldeischer voldaan heeft. Zoodra zij den uitslag vernam riep Anneke den bediende en gaf hem een brief ter bezorging op de post, dien zij aan Kees geschreven had.„Geef mij een kus, Anneke,” zeide Wije,[218]toen in den naävond het rijtuig vóór stond, waarmee zij ging vertrekken; „den laatsten misschien. Ik mag je niet ontmoeten zoolang je ginds logeert, en daarna …”Het doktershuis scheen Anneke niet lang te kunnen houden. Al den eersten dag maakte zij zich nuttig door de twee kleinkinderen van den dokter, weezen, zoodanig bezig te houden, dat zij niet alleen de harten der kleinen, maar ook dat der grootmoeder veroverde.„Daar zit een geboren moedertje in,” verklaarde deze, erover sprekend met haar man.De dokter begon te lachen.„Ja, dat zal wel uitkomen,” zeide hij; „of waartoe wou je onze meisjes anders zien geboren worden?”„Och, zoo bedoel ik het niet. De aanleg om met kinderen om te gaan, zit er bij haar in.”„Niets natuurlijker, wat men ook in onzen[219]tijd moge zeggen over de roeping der vrouw. Of werpen zich niet de meesten, die beweren van geen huwelijk te willen hooren, in de armen van het onderwijs? En dit is bij wijze van surrogaat.”Op den avond van den derden dag werd een brief bezorgd voor Anneke; de jongen van Wije bracht hem. Zij was reeds in haar kamer, en de dokter, die nog wat na bleef zitten in zijn achtergalerij, had hem aangenomen en door de reet geschoven, die er was tusschen den drempel en de deur van haar kamer.Hij kwam van Kees; en hem dicht bij het pitje van haar nachtlicht houdend, las zij den korten inhoud.Mejuffrouw!Hetgeen is voorgevallen, en dat ik wel niet nader behoef aan te duiden, deed mijn vader eischen dat alle betrekkingen tusschen onze families zouden worden afgebroken. Ik[220]acht dit eveneens billijk, en uit dien hoofde kan de middenweg door u voorgeslagen, mijn goedkeuring niet wegdragen. Beleefd geef ik u in overweging mij af te schrijven.HoogachtendC. Duna.Koud, dor en even onmeedoogend als de bij oude ambtenaren zoo gevreesde „wenken” om hun pensioen aan te vragen, had het briefje van Kees een gelijke uitwerking als deze. Anneke beefde van woede. Zich verder ontkleedende, rukte zij zich den boel van het lijf, hijgend van de haast toen zij in bed lag. Dat had hij kunnen doen! Hij, die voorgaf haar lief te hebben, liever dan alles op aarde, die zwoer dat zijn ziel met de hare was saamgegroeid en meer dergelijken onzin. Want anders was het niet geweest, onzin, leugens, bedrog! Met krampachtig gesloten vuisten bonsde zij aan beide zijden op de[221]matras, de oogen wijd open, het lichaam nu en dan opheffend in hevige zenuwwerking. Eensklaps wierp zij zich om en schreide.Een mot vloog in het nachtlampje, dat in zijn sterven uitblusschend. Anneke stond niet op, gelijk zij anders placht te doen, maar bleef liggen in het duister, zich overgevend aan haar gedachten, die nu den vorm van zelfverwijten hadden aangenomen. Zij beschuldigde zich van groote slechtheid en eigenbaat. Waarom had zij haar vader verlaten? Enkel omdat zij de voorkeur gaf aan een ander, die niets voor haar geweest was. Of had hij haar opgevoed, haar onderwezen, haar telkens en telkens de feitelijke bewijzen zijner liefde gegeven? Neen, dat had hij niet; gegeven had hij nooit; hij had zich met haar vermaakt, ziedaar alles. Misschien had het hem eenige moeite gekost dezen stap te doen, doch voorzeker geen lange aarzeling. Zijn vader eischte en hij volgde. Zie, daarin lag[222]een beschamend voorbeeld voor haar. Wie weet of Kees niet juist daarom … o, zij was slecht geweest! Eerst nu begreep zij de aandoening, die haar vader getoond had bij het scheiden; hij had alles voor haar over, en vergaf het haar dat zij hem dien smaad aandeed, die goede vader!Den volgenden morgen deelde zij de doktersvrouw haar besluit mede, om nog dienzelfden dag terug te keeren naar huis, haar den brief van Kees toonend; en het mocht die dame niet gelukken Anneke te weerhouden, van wat zij een overijlden stap noemde.Ofschoon hij verwacht had dat Kees het engagement zou verbreken, was Wije toch erg boos over de ruwe manier waarop dit geschiedde. Op Anneke’s verzoek schreef hij aan Kees het antwoord, in weinig regels al de kwaadaardigheid uitdrukkend, die het besef van zelf de grootste schuld te hebben een mensch kan ingeven.[223]

[Inhoud]VIII.VIII.ONVERBREEKBARE BANDEN.Anneke daarentegen pruilde. Zij was boos op haar vader en verdrietig dat van Beek nu niet meer aan huis kon komen. In den laatsten tijd was hij zoowat hun eenige bezoeker geweest. En sedert zij verhuisd waren, hadden haar vriendinnen haar langzamerhand allen in den steek gelaten. Wel hadden meisjes, die in de benedenstad woonden, en daarom stadsmeisjes genaamd, pogingen gedaan tot toenadering, doch daarop had Anneke geen weerwerk gegeven; zij hoorde in de Bodjong-coterie, daarin had zij haar leven lang verkeerd en zij[196]wilde zich niet encanailleeren met dochters van kleermakers, winkeliers of koekebakkers; dan liever geen omgang! Het was intusschen hard om zich boos te houden tegen den eenige met wien zij wel omgang had, haar vader; met de bedienden praten viel niet in haar smaak, te meer daar de oude getrouwen, die nog uit haar moeders tijd stamden, de een vóór, de ander na, hadden verklaard in dit huis nietkrassante zijn en dus vertrokken waren, vervangen door nieuwe, onverschillige gezichten. Dus begon zij bij beetjes vriendelijker te worden, om weer geheel de oude te zijn, toen zij op zekeren dag onder de van Batavia vertrokken passagiers den naam las van C. Duna, ambtenaar ter beschikking.„Zou hij komen?” vroeg zij den ochtend toen de boot aankwam. En ’s middags: „O, ik weet wanneer hij komt; op het gewone uurtje, als u nog aan ’t kleeden is, pa.”„Ik zal mij haasten,” plaagde hij. Maar hij[197]deelde Anneke’s zekerheid niet. Zoo zelden toch kwam het voor, dat uit wat hij kalverenliefde noemde, ernst werd, vooral als men van elkaar ging. Kees, vreesde hij, zou die geschiedenis van twee jaar geleden, wel vergeten zijn, althans de toen gegeven beloften en gedane verklaringen zoo zwaar niet opnemen.Doch dan kende hij Kees niet. Geen minuut vroeger dan hij jaren geleden gewoon was, kwam hij, rustig opstappend, zonder zelfs den tred te verhaasten toen hij Anneke, die al een half uur had staan wachten, in de verte bespeurde, kalm en zeker, recht op zijn doel afgaand.„Dag vrouwtje,” zeide hij, met groote innigheid, haar de beide handen toestekende.Zij riep slechts zijn naam, terwijl zij haar gezicht naar hem ophief, vergetend waar zij stond. En het was bloot toeval, dat niet geheel Semarang het zag.„Wat zei je daareven?” vroeg zij plagend, terwijl ze naar binnen wandelden.[198]„Heb je ’t niet gehoord?”„Ja … maar zoo zonder vragen!”„Dat heb ik al gedaan toen je nog zóó’n hummel was,” betoogde Kees, heel laag bij den grond wijzend.In de voorgalerij namen zij plaats, op een bank, achter de zware houten balustrade, zich verbeeldende dat een toevallig voorbijganger hen niet kon zien; en onder den indruk van hun beginnend geluk zwegen zij, slechts nu en dan elkaars namen fluisterend, met een handdruk als antwoord, dichter bij elkaar naarmate het buiten donkerder werd.„Daar komt papa,” zeide Anneke, plotseling oprijzend. „Kees is vóór,” riep zij haar vader toe, terwijl zij hem in de deur voorbij snelde.„Zoo, Duna,” groette Wije; „welkom thuis op Semarang. We zullen de lamp eens opsteken; net iets voor Anneke om je in ’t duister te laten zitten.”[199]„Dat was zoo erg niet,” vond Kees.„Je zult mekaar wel een boel te vertellen hebben gehad, hè? En denk je lang hier te kunnen blijven?”„Ik heb maar tien dagen tijd; dan moet ik naar mijn standplaats: Djokdja.”„Waren de oudelui niet blij je te zien?”„O ja. ’t Is wel jammer dat die verplaatsing van papa naar Batavia niet twee jaar vroeger is geschied.”„Gaat je pa naar Batavia? Ik had wel iets gehoord … maar toch, het rechte wist ik niet,” jokte Wije, die onder belofte van geheimhouding reeds alles had vernomen van mevrouw Duna. „De drukte … doch vertel me eens, wat zijn z’n plannen? Of mag dat nog niet bekend worden?”„Als u er niet op tegen heeft, wilde ik gaarne eerst iets anders behandelen,” zeide Kees. „Ik kwam namelijk vragen of Anneke en ik samen mogen trouwen.”[200]„Drommels!” riep Wije uit, zich verrast houdend, „dat is geen gekheid.”„Het is met voorkennis en goedvinden van mijn ouders dat ik dezen stap doe.”„Zoo … ik dacht, dat je moeder …”„Toen mama zag, hoezeer het mij ernst was, heeft zij toegegeven. Waarom zij er trouwens in den beginne tegen was, heb ik nooit gevat en weet het nog niet,” verklaarde Kees, verzwijgende dat hij dien namiddag de grootste moeite had gehad met zijn vader, die beweerde dat Wije „valsch” was. Ten bewijze daarvan had hij de geschiedenis verteld van het stukje envelop, dat Wije opzettelijk onder zijn kaarten zou hebben geschoven. Doch toen Kees telkens vroeg wat Anneke daarmee te maken had en niet afliet, had ook hij er zich bij neergelegd.„Nu,” zeide Wije, „ik heb niets tegen je. Maar we zullen Anneke moeten raadplegen; die heeft in deze het laatste woord. Waarom[201]lach je zoo? Hm, ik begrijp … enfin, dan zal ik haar roepen.”Doch eer hij kon opstaan, voelde hij twee armen om zijn hals, die hem weer achterover trokken in zijn stoel, en kuste Anneke hem op beide wangen.Een geëngageerd paar in Indië rijdt in den vooravond, tenzij men het niet kan betalen; eerst een toertje langs de wandelwegen, om de kennissen tegen te komen; daarna, zoodra de schemering invalt, langs de buitenwegen, om niemand tegen te komen; eindelijk weer terug, om bij bevriende families, wier voorgalerij niet verlicht is en die dus geacht kunnen worden uit te zijn of niet te ontvangen, een „tot hun spijt” vergeefsche visite te maken. Tegen acht uur komen zij thuis, om te eten; in den naävond vrijen zij, of praten buitengewoon gezellig met ieder die zich bij hen voegt of op eenigerlei wijze hen belet alleen te zijn.[202]Kees had bij dit alles nog gedaan weten te krijgen dat hij mocht komen rijsttafelen, bewerende dat de tijd zoo kort was. Daarin had hij wel gelijk, doch hoe kort ook, het was alsof een zonnestraal in dat kleine huisje was binnengedrongen, alles wat goed was en rein verlichtend, en het booze verjagend. Het geluk van zijn kind hief ook Wije op uit den toestand waarin hij langzamerhand was verzonken, dien hij zich niet ontveinsde, maar weet aan de omstandigheden. En aan deze was voorloopig niets te veranderen, meende hij; op het oogenblik dat hij genoeg had bijeengegaard zou hij zich daaruit losrukken, maar tot zoolang kon hij er niets aan doen. Met zijn oude neiging tot philosopheeren had hij zichzelf intusschen tot onderwerp van bespiegeling gekozen, zich afvragend wat hem meer demoraliseeerde, de omgang met mevrouw Duna of het geldmaken door tusschenkomst van Piong Pan Ho. Want dat zulks[203]het geval was had hij gevoeld. Door een toeval toch. Gewoon artikelen te schrijven voor de courant, die daar steeds welkom waren, kreeg hij op zekeren dag een stuk terug met de kantteekening: „niet bruikbaar.” En dit herhaalde zich, tot hij ten slotte zelf naar de redactie liep om opheldering te vragen.„Ik weet niet wat het is,” zeide de redacteur, „maar je stukken deugen niet. Het lijkt wel of je achteruit gaat, of je gedachten er soms niet bij zijn als je schrijft.”Thuisgekomen peinsde hij er over en vond dat de man gelijk had. Werkelijk wilden zijn gedachten slechts twee bepaalde richtingen uit, en die kon hij toch niet op het papier zetten! Van toen af was hij begonnen zich die vraag te stellen en de oplossing daarvan te zoeken, zonder echter eenige moeite te doen zich van het kwaad af te wenden. Het was alsof er twee personen in hem vereenigd waren, de een die handelde, een ander die toezag en[204]opmerkte met steeds grooter belangstelling. Zoolang Kees er was, bleef mevrouw Duna weg van zijn kantoor, en zie, dat had een merkwaardigen invloed op hem. Dàt was het dus! Hij verheugde zich in de vondst, doch slechts matig in het feit, tot hij het oog sloeg op zijn dochter en al het andere voor ’t oogenblik vergat.Anneke dong in die tien dagen naar den eernaam dien haar moeder vroeger had gedragen. Toen zij met Kees verscheen op de receptie van den resident, waren alle oogen op haar gericht, terwijl zich achteraan, in de op een troep staande heeren, een indiscreet tonggeklik liet hooren. En haar vriendinnen wilden haar nu weer allen kennen, het onmogelijke verzinnende om hun terugtrekken van voorheen te bedekken, haar den pet met het gouden biesje, waaronder Kees zich bevond, niet weinig benijdend. Zij werd overstroomd met aanbiedingen om bij haar uitzet te komen helpen.[205]„Het is haast te druk geweest om goed verliefd te kunnen zijn,” beweerde Kees op den laatsten avond.„Deugniet, wou je ’t nog erger maken?” vroeg zij terug.Na het vertrek van Kees begon ook voor zijn ouders de tijd te korten. Reeds was Duna’s opvolger aangekomen, de procuratiehouder van Semarang in diens plaats te Soerabaja aangesteld en de betrekking van den employé die nu procuratie kreeg, door van Beek ingenomen. De gissingen waren dus juist geweest en men behoefde ook niet langer te raden naar de plannen van den heer Duna; deze ging te Batavia een eigen handelshuis, een administratiekantoor oprichten, waartoe hij geld van anderen had weten te krijgen. Mevrouw Duna was in die laatste dagen stroever dan ooit, zelfs tegen Wije, die het weet aan haar sterk ontwikkeld gevoel voor zaken. Want er viel heel wat te beredderen! De huizen bleven haar eigendom[206]en daarover behield Wije het beheer, doch buitendien had zij nog zoo veel. In haarkampongswoonden verscheidenen, die den kost verdienden met rondventen van artikelen die depasseroplevert; wat ’s morgens werd ingekocht moest men ’s avonds kwijt zijn, maar tot dien inkoop, hoe gering ook, was kapitaal noodig, dat een inlander nooit bezit. Dus leende zij hun dat; den gulden, dien zij ’s morgens of den avond te voren ontvingen, betaalden zij des avonds terug met een kwartje „huurgeld.” Het ging echter niet aan die menschen te laten komen in het groote deftige huis op Bodjong, derhalvebehandeldende hoofden derkampongsdie zaken, waarvan het onvermijdelijk gevolg was, dat deze in den loop der tijden niet onbelangrijk in voorschot waren gekomen, naar het heette door het achterstallig zijn der leenende inlanders. Dat moest nu zooveel mogelijk geïnd worden en voorts dit soort van zaken worden opgeruimd, die zij Wije niet[207]kon overgeven, omdat dit vrouwenwerk was volgens haar, waartoe een man ten eenenmale de geschiktheid miste.De morgen was aangebroken waarop de afreis van de Duna’s zou plaats hebben. In de drukkerijen der couranten stond het verslag ervan, een week te voren opgemaakt, reeds gezet, beginnend met de woorden: „Door tal van vrienden en kennissen uitgeleid …” en eindigend: „met diep leedwezen zagen velen de zoo algemeen geachte en beminde familie vertrekken.” Aan den kleinen Boom lagen de beide bootjes onder stoom, één voor de gewone passagiers, het ander afgehuurd door hen, die de Duna’s wegbrachten naar boord van de kustboot. Nog had de zon geen kracht genoeg om de koelte uit de atmosfeer te verdrijven en het donkerblauw van den hemel te ontkleuren, toen de rijtuigen aanreden en zich een schaar gekleede dames en heer en met zwarte jasjes verzamelde aan denkalie-kant, een zeldzaam[208]schouwspel zoo vroeg in een Indischen ochtend. Men sprak onder elkaar en slechts weinig metdefamilie, die te veel had te doen met de zorg voor koffers en pakken. Eindelijk verscheen een zestal muzikanten, die zich op de brug van het stoomertje nederzetten en, zoodra de touwen waren losgegooid en het klepperen der raderen in het weerstrevende water zich deed hooren, de instrumenten aan den mond brachten en … iets speelden, geaccompagneerd door het gillen der stoomfluit.Men kwam aan boord; op het achterdek werd de champagne ontkurkt, toespraken uitlokkend die al meer hadden dienst gedaan, en sommigen die de nawerking van het bruisend vocht in hun maag niet konden verdragen, tot een haastig afdalen in het salon nopend, waar zij zich te goed deden aan het gereedstaande ontbijt met cervelaatworstà discrétion. Onder hen die spraken, was ook Wije, die alleen gekomen, daar Anneke zich onwel had[209]gevoeld, zijn vroegere gemakkelijkheid van zich uit te drukken had teruggevonden, door de vreugde over het zich vanzelf oplossen eener relatie, waaraan hij machteloos was zich op een andere wijze te onttrekken.Dan, de tijd verstreek; het kleine stoomertje was ontladen en zuchtte den terugtocht te gemoet, krakend in de voegen van zijn bovenbouw, als de deining het deed aanleunen tegen de groote boot, die onbeweeglijk lag. Men moest afscheid nemen.De rij af, voorop de resident en de generaal, toen de grootste „handelshuizen” gevolgd door de kleinere, eindelijk de employé’s, gaf elk de vertrekkende familie een hand. Zij stonden naast elkander, Duna met een gedwongen lachje om de lippen, de officieele handdrukken half buigend beantwoordende, die van kennissen vriendelijk, nu en dan aandoening toonend en die leggend in zijn blik bij het afscheid nemen van een bijzonderen vriend, mevrouw stijf[210]rechtop, niemand aanziende, maar doodsbleek.Wije was een der laatsten, wat hij eigenlijk niet had gewild. Doch zonder geweld had hij niet kunnen doordringen tot de voorsten; telkens sloot zich de opening voor zijn neus; men drong hem niet opzij en hield er hem toch uit.„Dag Wije, beterschap met Anneke. Groet haar nogmaals van me; zal je?” zeide Duna.„Van mij ook,” sprak zij toonloos, zijn hand knijpend uit al haar macht. En plotseling, terwijl een schok haar lichaam doorvoer, zag zij hem in de oogen, heel diep; toen, vooruitstortend, sloeg zij haar beide armen om hem heen, zenuwachtig uitgillende: „Ik verlaat je niet, ik kan niet, o ik kan niet!”Een algemeene consternatie volgde. Duna had in de eerste opwelling zijn arm uitgestoken om haar terug te trekken; doch toen het tot hem doordrong wat zij gedaan had, en hij aan de houding van Wije, die zijn tegenwoordigheid van geest was kwijtgeraakt en[211]haar willoos liet begaan, met één blik alles zag, sloeg hij de handen voor het gezicht, wankelend. De deftige rij, waarvan de eersten de loopplank reeds bereikt hadden, brak, en die haar vormden vertoonden zich, in bonte mengeling van rang en stand, weer op het achterdek. Tusschen hen door leidde Wije mevrouw Duna weg, of liever zij trok hem mee, terwijl Duna, ondersteund door zijn voormalige employé’s weldra het middelpunt vormde van een medelijdenden kring, tot men hem op zijn verzoek naar de hut bracht.Voorbij het luik komend, waar de koffers nog stonden opgestapeld om eerst nedergelaten te worden als het schip wegstoomde, zag Duna zijn vrouw, bezig uit te zoeken wat het hare was.„Laat haar begaan,” fluisterde hij zich afwendende, ten antwoord op de vraag hem door iemand gedaan of men haar dat niet zou beletten.Toen het stoomertje zich losmaakte van de[212]groote boot, in hobbelend omzwaaien, waren Wije en mevrouw Duna daarop de eenige passagiers; de overigen hadden, na een conferentie met den kapitein, verkozen te wachten tot het andere stoomertje van de Molukken-boot terug kwam en dat te praaien. Zij stond bij de bagage, natellend of er niets ontbrak, nu het feit begaan was en achter den rug, weer geheel de oude, koel en zakelijk; hij zat onder de tent op de bank in ’t midden, het hoofd met den arm steunend in doffe berusting, doch vloog woedend op, toen de muziek boven op de brug het bekende wijsje intoneerde: „En hij komt nooit weerom …”„Diëm, gévédé!” brulde hij, en één voor één hielden de muzikanten op, wat echter niet verhinderde dat de maten die zij gespeeld hadden, ook op de kustboot waren gehoord. Eerst had het daar de verontwaardiging doen vermeerderen; doch het plotseling afbreken, waarvan men de oorzaak zonder veel moeite kon raden,[213]had een andere uitwerking. Men had den resident met de mondhoeken zien trekken, terwijl de generaal zijn neus snoot; dat was genoeg, en eensklaps barstte de hilariteit allerwege los.Men had gelachen, en hoe! Geheeldésarméwas men daardoor echter niet, maar toch … Reeds onder het terugvaren naar den kleinen Boom had het zwaartepunt van de publieke opinie zich verlegd. Men had Wije uitgemaakt voor een ellendeling, die eens anders huishouden in het ongeluk stortte, en dat op zijn leeftijd! Nu beklaagde men hem schier, en viel háár aan, die eer en plicht met voeten trad, haar mans naam bezoedelde en hemzelf rampzalig maakte om der wille van een dwazen hartstocht, en dat—ook hier ontbrak dit slotwoord niet—op haar leeftijd! Wije kon plezier hebben van die „tang,” ten minste als hij haar trouwde. Over de waarschijnlijkheid hiervan liepen de meeningen uiteen; zijn gezicht stond er niet naar, beweerde er een, terwijl[214]een ander volhield dat hij er onmogelijk af kon, na het schandaal van heden.De alzoo besprokenen waren intusschen terug aan wal, waar zij na eenige moeite met het goed en vreeselijk te zijn aangegaapt door het personeel van den Boom, plaats hadden genomen in het huurrijtuig dat Wije dien morgen besteld had. Op het bootje hadden zij afgesproken wat hun verder stond te doen; het eerste was; dat mevrouw Duna haar intrek zou nemen bij een oude weduwe, die in een huis aan den Karangtoerie-weg woonde; daar kon zij wachten tot het scheidingproces, dat Duna natuurlijk zou instellen, was afgeloopen. Zij had dit eenige dagen geleden reeds met die weduwe bedisseld, men behoefde er slechts heen te rijden.Met een zeer beklemd gevoel kwam Wije eindelijk thuis. De omstandigheid vooral dat die geheele scène aan boord als het ware te voren reeds berekend was, en niet ontsproten[215]uit fel opbruischenden hartstocht, deed hem er met weerzin aan terugdenken. Als hij dat geweten had! Dan zou hij haar met een beweging van verwondering en eenair hautainvan zich hebben gestooten, zooals hij het nu deed in zijn eentje, zóó. Het was jammer, erg jammer. Nu was het te laat; want hij dacht er geen oogenblik aan zich aan de gevolgen van het gebeurde te onttrekken; zijn ander ik, het gedeelte dat toezag en opmerkte, constateerde dat hij het niet durfde.Anneke moest een dag of vier het bed houden, hoewel zij niet erg ziek was. Maar de dokter had rust aanbevolen en Wije handhaafde dit voorschrift, om tijd te hebben zich voor te bereiden op de mededeeling, die hij haar doen moest. Toen zij hersteld was en in den loop van den dag zich had uitgelaten, dat zij in den vooravond een vriendin wilde gaan opzoeken, vertelde hij haar wat geschied was, zichzelf zooveel doenlijk voorstellende als[216]door de omstandigheden te zijn gedwongen, en te kiesch om een dame in den steek te laten. Met dit al was het zeer pijnlijk, zich als het ware te moeten vrijpleiten tegenover zijn dochter, in zulk een zaak!Vanaf het eerste woord had haar een angst bekropen; wat zou Kees doen? Met deze vraag viel zij hem in de rede, en toen hij daarop zweeg, barstte zij los, beginnend met een klacht en eindigend met harde verwijten, hem ten slotte voor de voeten werpend dat hij haar geluk had verstoord.Doch hiertegen had hij een verontschuldiging.„Het was al zoover,” zeide hij, „eer ik iets van Kees wist. Had je mij je vertrouwen geschonken, dan zou het anders geloopen zijn.”„Kan ik niet gaan logeeren bij een ander?” vroeg zij, zonder het laatste te beantwoorden.Hij boog het hoofd, haar bedoeling radend uit den toon waarop zij sprak. Zij wilde hem ontvluchten, als om zich voor besmetting te[217]hoeden, en dit afficheeren zóó, dat men haar en hem niet langer in één adem noemde; een scheiding, die den band tusschen vader en dochter, zoo niet wettelijk, dan toch feitelijk zou verbreken. Maar tevens zag hij in, dat dit de eenige manier was om dien anderen band te behouden, welken zij met Kees gesloten had, en dat hij geen recht had zich daartegen te verzetten.„Ik zal het den dokter gaan vragen,” antwoordde hij na eenig peinzen.Niet zonder moeite, en alleen op voorwaarden die voor hem zeer krenkend waren, slaagde Wije er in van den dokter gedaan te krijgen wat hij wenschte; toch kwam hij thuis met het gevoel van iemand die een lastig schuldeischer voldaan heeft. Zoodra zij den uitslag vernam riep Anneke den bediende en gaf hem een brief ter bezorging op de post, dien zij aan Kees geschreven had.„Geef mij een kus, Anneke,” zeide Wije,[218]toen in den naävond het rijtuig vóór stond, waarmee zij ging vertrekken; „den laatsten misschien. Ik mag je niet ontmoeten zoolang je ginds logeert, en daarna …”Het doktershuis scheen Anneke niet lang te kunnen houden. Al den eersten dag maakte zij zich nuttig door de twee kleinkinderen van den dokter, weezen, zoodanig bezig te houden, dat zij niet alleen de harten der kleinen, maar ook dat der grootmoeder veroverde.„Daar zit een geboren moedertje in,” verklaarde deze, erover sprekend met haar man.De dokter begon te lachen.„Ja, dat zal wel uitkomen,” zeide hij; „of waartoe wou je onze meisjes anders zien geboren worden?”„Och, zoo bedoel ik het niet. De aanleg om met kinderen om te gaan, zit er bij haar in.”„Niets natuurlijker, wat men ook in onzen[219]tijd moge zeggen over de roeping der vrouw. Of werpen zich niet de meesten, die beweren van geen huwelijk te willen hooren, in de armen van het onderwijs? En dit is bij wijze van surrogaat.”Op den avond van den derden dag werd een brief bezorgd voor Anneke; de jongen van Wije bracht hem. Zij was reeds in haar kamer, en de dokter, die nog wat na bleef zitten in zijn achtergalerij, had hem aangenomen en door de reet geschoven, die er was tusschen den drempel en de deur van haar kamer.Hij kwam van Kees; en hem dicht bij het pitje van haar nachtlicht houdend, las zij den korten inhoud.Mejuffrouw!Hetgeen is voorgevallen, en dat ik wel niet nader behoef aan te duiden, deed mijn vader eischen dat alle betrekkingen tusschen onze families zouden worden afgebroken. Ik[220]acht dit eveneens billijk, en uit dien hoofde kan de middenweg door u voorgeslagen, mijn goedkeuring niet wegdragen. Beleefd geef ik u in overweging mij af te schrijven.HoogachtendC. Duna.Koud, dor en even onmeedoogend als de bij oude ambtenaren zoo gevreesde „wenken” om hun pensioen aan te vragen, had het briefje van Kees een gelijke uitwerking als deze. Anneke beefde van woede. Zich verder ontkleedende, rukte zij zich den boel van het lijf, hijgend van de haast toen zij in bed lag. Dat had hij kunnen doen! Hij, die voorgaf haar lief te hebben, liever dan alles op aarde, die zwoer dat zijn ziel met de hare was saamgegroeid en meer dergelijken onzin. Want anders was het niet geweest, onzin, leugens, bedrog! Met krampachtig gesloten vuisten bonsde zij aan beide zijden op de[221]matras, de oogen wijd open, het lichaam nu en dan opheffend in hevige zenuwwerking. Eensklaps wierp zij zich om en schreide.Een mot vloog in het nachtlampje, dat in zijn sterven uitblusschend. Anneke stond niet op, gelijk zij anders placht te doen, maar bleef liggen in het duister, zich overgevend aan haar gedachten, die nu den vorm van zelfverwijten hadden aangenomen. Zij beschuldigde zich van groote slechtheid en eigenbaat. Waarom had zij haar vader verlaten? Enkel omdat zij de voorkeur gaf aan een ander, die niets voor haar geweest was. Of had hij haar opgevoed, haar onderwezen, haar telkens en telkens de feitelijke bewijzen zijner liefde gegeven? Neen, dat had hij niet; gegeven had hij nooit; hij had zich met haar vermaakt, ziedaar alles. Misschien had het hem eenige moeite gekost dezen stap te doen, doch voorzeker geen lange aarzeling. Zijn vader eischte en hij volgde. Zie, daarin lag[222]een beschamend voorbeeld voor haar. Wie weet of Kees niet juist daarom … o, zij was slecht geweest! Eerst nu begreep zij de aandoening, die haar vader getoond had bij het scheiden; hij had alles voor haar over, en vergaf het haar dat zij hem dien smaad aandeed, die goede vader!Den volgenden morgen deelde zij de doktersvrouw haar besluit mede, om nog dienzelfden dag terug te keeren naar huis, haar den brief van Kees toonend; en het mocht die dame niet gelukken Anneke te weerhouden, van wat zij een overijlden stap noemde.Ofschoon hij verwacht had dat Kees het engagement zou verbreken, was Wije toch erg boos over de ruwe manier waarop dit geschiedde. Op Anneke’s verzoek schreef hij aan Kees het antwoord, in weinig regels al de kwaadaardigheid uitdrukkend, die het besef van zelf de grootste schuld te hebben een mensch kan ingeven.[223]

VIII.VIII.ONVERBREEKBARE BANDEN.

VIII.

Anneke daarentegen pruilde. Zij was boos op haar vader en verdrietig dat van Beek nu niet meer aan huis kon komen. In den laatsten tijd was hij zoowat hun eenige bezoeker geweest. En sedert zij verhuisd waren, hadden haar vriendinnen haar langzamerhand allen in den steek gelaten. Wel hadden meisjes, die in de benedenstad woonden, en daarom stadsmeisjes genaamd, pogingen gedaan tot toenadering, doch daarop had Anneke geen weerwerk gegeven; zij hoorde in de Bodjong-coterie, daarin had zij haar leven lang verkeerd en zij[196]wilde zich niet encanailleeren met dochters van kleermakers, winkeliers of koekebakkers; dan liever geen omgang! Het was intusschen hard om zich boos te houden tegen den eenige met wien zij wel omgang had, haar vader; met de bedienden praten viel niet in haar smaak, te meer daar de oude getrouwen, die nog uit haar moeders tijd stamden, de een vóór, de ander na, hadden verklaard in dit huis nietkrassante zijn en dus vertrokken waren, vervangen door nieuwe, onverschillige gezichten. Dus begon zij bij beetjes vriendelijker te worden, om weer geheel de oude te zijn, toen zij op zekeren dag onder de van Batavia vertrokken passagiers den naam las van C. Duna, ambtenaar ter beschikking.„Zou hij komen?” vroeg zij den ochtend toen de boot aankwam. En ’s middags: „O, ik weet wanneer hij komt; op het gewone uurtje, als u nog aan ’t kleeden is, pa.”„Ik zal mij haasten,” plaagde hij. Maar hij[197]deelde Anneke’s zekerheid niet. Zoo zelden toch kwam het voor, dat uit wat hij kalverenliefde noemde, ernst werd, vooral als men van elkaar ging. Kees, vreesde hij, zou die geschiedenis van twee jaar geleden, wel vergeten zijn, althans de toen gegeven beloften en gedane verklaringen zoo zwaar niet opnemen.Doch dan kende hij Kees niet. Geen minuut vroeger dan hij jaren geleden gewoon was, kwam hij, rustig opstappend, zonder zelfs den tred te verhaasten toen hij Anneke, die al een half uur had staan wachten, in de verte bespeurde, kalm en zeker, recht op zijn doel afgaand.„Dag vrouwtje,” zeide hij, met groote innigheid, haar de beide handen toestekende.Zij riep slechts zijn naam, terwijl zij haar gezicht naar hem ophief, vergetend waar zij stond. En het was bloot toeval, dat niet geheel Semarang het zag.„Wat zei je daareven?” vroeg zij plagend, terwijl ze naar binnen wandelden.[198]„Heb je ’t niet gehoord?”„Ja … maar zoo zonder vragen!”„Dat heb ik al gedaan toen je nog zóó’n hummel was,” betoogde Kees, heel laag bij den grond wijzend.In de voorgalerij namen zij plaats, op een bank, achter de zware houten balustrade, zich verbeeldende dat een toevallig voorbijganger hen niet kon zien; en onder den indruk van hun beginnend geluk zwegen zij, slechts nu en dan elkaars namen fluisterend, met een handdruk als antwoord, dichter bij elkaar naarmate het buiten donkerder werd.„Daar komt papa,” zeide Anneke, plotseling oprijzend. „Kees is vóór,” riep zij haar vader toe, terwijl zij hem in de deur voorbij snelde.„Zoo, Duna,” groette Wije; „welkom thuis op Semarang. We zullen de lamp eens opsteken; net iets voor Anneke om je in ’t duister te laten zitten.”[199]„Dat was zoo erg niet,” vond Kees.„Je zult mekaar wel een boel te vertellen hebben gehad, hè? En denk je lang hier te kunnen blijven?”„Ik heb maar tien dagen tijd; dan moet ik naar mijn standplaats: Djokdja.”„Waren de oudelui niet blij je te zien?”„O ja. ’t Is wel jammer dat die verplaatsing van papa naar Batavia niet twee jaar vroeger is geschied.”„Gaat je pa naar Batavia? Ik had wel iets gehoord … maar toch, het rechte wist ik niet,” jokte Wije, die onder belofte van geheimhouding reeds alles had vernomen van mevrouw Duna. „De drukte … doch vertel me eens, wat zijn z’n plannen? Of mag dat nog niet bekend worden?”„Als u er niet op tegen heeft, wilde ik gaarne eerst iets anders behandelen,” zeide Kees. „Ik kwam namelijk vragen of Anneke en ik samen mogen trouwen.”[200]„Drommels!” riep Wije uit, zich verrast houdend, „dat is geen gekheid.”„Het is met voorkennis en goedvinden van mijn ouders dat ik dezen stap doe.”„Zoo … ik dacht, dat je moeder …”„Toen mama zag, hoezeer het mij ernst was, heeft zij toegegeven. Waarom zij er trouwens in den beginne tegen was, heb ik nooit gevat en weet het nog niet,” verklaarde Kees, verzwijgende dat hij dien namiddag de grootste moeite had gehad met zijn vader, die beweerde dat Wije „valsch” was. Ten bewijze daarvan had hij de geschiedenis verteld van het stukje envelop, dat Wije opzettelijk onder zijn kaarten zou hebben geschoven. Doch toen Kees telkens vroeg wat Anneke daarmee te maken had en niet afliet, had ook hij er zich bij neergelegd.„Nu,” zeide Wije, „ik heb niets tegen je. Maar we zullen Anneke moeten raadplegen; die heeft in deze het laatste woord. Waarom[201]lach je zoo? Hm, ik begrijp … enfin, dan zal ik haar roepen.”Doch eer hij kon opstaan, voelde hij twee armen om zijn hals, die hem weer achterover trokken in zijn stoel, en kuste Anneke hem op beide wangen.Een geëngageerd paar in Indië rijdt in den vooravond, tenzij men het niet kan betalen; eerst een toertje langs de wandelwegen, om de kennissen tegen te komen; daarna, zoodra de schemering invalt, langs de buitenwegen, om niemand tegen te komen; eindelijk weer terug, om bij bevriende families, wier voorgalerij niet verlicht is en die dus geacht kunnen worden uit te zijn of niet te ontvangen, een „tot hun spijt” vergeefsche visite te maken. Tegen acht uur komen zij thuis, om te eten; in den naävond vrijen zij, of praten buitengewoon gezellig met ieder die zich bij hen voegt of op eenigerlei wijze hen belet alleen te zijn.[202]Kees had bij dit alles nog gedaan weten te krijgen dat hij mocht komen rijsttafelen, bewerende dat de tijd zoo kort was. Daarin had hij wel gelijk, doch hoe kort ook, het was alsof een zonnestraal in dat kleine huisje was binnengedrongen, alles wat goed was en rein verlichtend, en het booze verjagend. Het geluk van zijn kind hief ook Wije op uit den toestand waarin hij langzamerhand was verzonken, dien hij zich niet ontveinsde, maar weet aan de omstandigheden. En aan deze was voorloopig niets te veranderen, meende hij; op het oogenblik dat hij genoeg had bijeengegaard zou hij zich daaruit losrukken, maar tot zoolang kon hij er niets aan doen. Met zijn oude neiging tot philosopheeren had hij zichzelf intusschen tot onderwerp van bespiegeling gekozen, zich afvragend wat hem meer demoraliseeerde, de omgang met mevrouw Duna of het geldmaken door tusschenkomst van Piong Pan Ho. Want dat zulks[203]het geval was had hij gevoeld. Door een toeval toch. Gewoon artikelen te schrijven voor de courant, die daar steeds welkom waren, kreeg hij op zekeren dag een stuk terug met de kantteekening: „niet bruikbaar.” En dit herhaalde zich, tot hij ten slotte zelf naar de redactie liep om opheldering te vragen.„Ik weet niet wat het is,” zeide de redacteur, „maar je stukken deugen niet. Het lijkt wel of je achteruit gaat, of je gedachten er soms niet bij zijn als je schrijft.”Thuisgekomen peinsde hij er over en vond dat de man gelijk had. Werkelijk wilden zijn gedachten slechts twee bepaalde richtingen uit, en die kon hij toch niet op het papier zetten! Van toen af was hij begonnen zich die vraag te stellen en de oplossing daarvan te zoeken, zonder echter eenige moeite te doen zich van het kwaad af te wenden. Het was alsof er twee personen in hem vereenigd waren, de een die handelde, een ander die toezag en[204]opmerkte met steeds grooter belangstelling. Zoolang Kees er was, bleef mevrouw Duna weg van zijn kantoor, en zie, dat had een merkwaardigen invloed op hem. Dàt was het dus! Hij verheugde zich in de vondst, doch slechts matig in het feit, tot hij het oog sloeg op zijn dochter en al het andere voor ’t oogenblik vergat.Anneke dong in die tien dagen naar den eernaam dien haar moeder vroeger had gedragen. Toen zij met Kees verscheen op de receptie van den resident, waren alle oogen op haar gericht, terwijl zich achteraan, in de op een troep staande heeren, een indiscreet tonggeklik liet hooren. En haar vriendinnen wilden haar nu weer allen kennen, het onmogelijke verzinnende om hun terugtrekken van voorheen te bedekken, haar den pet met het gouden biesje, waaronder Kees zich bevond, niet weinig benijdend. Zij werd overstroomd met aanbiedingen om bij haar uitzet te komen helpen.[205]„Het is haast te druk geweest om goed verliefd te kunnen zijn,” beweerde Kees op den laatsten avond.„Deugniet, wou je ’t nog erger maken?” vroeg zij terug.Na het vertrek van Kees begon ook voor zijn ouders de tijd te korten. Reeds was Duna’s opvolger aangekomen, de procuratiehouder van Semarang in diens plaats te Soerabaja aangesteld en de betrekking van den employé die nu procuratie kreeg, door van Beek ingenomen. De gissingen waren dus juist geweest en men behoefde ook niet langer te raden naar de plannen van den heer Duna; deze ging te Batavia een eigen handelshuis, een administratiekantoor oprichten, waartoe hij geld van anderen had weten te krijgen. Mevrouw Duna was in die laatste dagen stroever dan ooit, zelfs tegen Wije, die het weet aan haar sterk ontwikkeld gevoel voor zaken. Want er viel heel wat te beredderen! De huizen bleven haar eigendom[206]en daarover behield Wije het beheer, doch buitendien had zij nog zoo veel. In haarkampongswoonden verscheidenen, die den kost verdienden met rondventen van artikelen die depasseroplevert; wat ’s morgens werd ingekocht moest men ’s avonds kwijt zijn, maar tot dien inkoop, hoe gering ook, was kapitaal noodig, dat een inlander nooit bezit. Dus leende zij hun dat; den gulden, dien zij ’s morgens of den avond te voren ontvingen, betaalden zij des avonds terug met een kwartje „huurgeld.” Het ging echter niet aan die menschen te laten komen in het groote deftige huis op Bodjong, derhalvebehandeldende hoofden derkampongsdie zaken, waarvan het onvermijdelijk gevolg was, dat deze in den loop der tijden niet onbelangrijk in voorschot waren gekomen, naar het heette door het achterstallig zijn der leenende inlanders. Dat moest nu zooveel mogelijk geïnd worden en voorts dit soort van zaken worden opgeruimd, die zij Wije niet[207]kon overgeven, omdat dit vrouwenwerk was volgens haar, waartoe een man ten eenenmale de geschiktheid miste.De morgen was aangebroken waarop de afreis van de Duna’s zou plaats hebben. In de drukkerijen der couranten stond het verslag ervan, een week te voren opgemaakt, reeds gezet, beginnend met de woorden: „Door tal van vrienden en kennissen uitgeleid …” en eindigend: „met diep leedwezen zagen velen de zoo algemeen geachte en beminde familie vertrekken.” Aan den kleinen Boom lagen de beide bootjes onder stoom, één voor de gewone passagiers, het ander afgehuurd door hen, die de Duna’s wegbrachten naar boord van de kustboot. Nog had de zon geen kracht genoeg om de koelte uit de atmosfeer te verdrijven en het donkerblauw van den hemel te ontkleuren, toen de rijtuigen aanreden en zich een schaar gekleede dames en heer en met zwarte jasjes verzamelde aan denkalie-kant, een zeldzaam[208]schouwspel zoo vroeg in een Indischen ochtend. Men sprak onder elkaar en slechts weinig metdefamilie, die te veel had te doen met de zorg voor koffers en pakken. Eindelijk verscheen een zestal muzikanten, die zich op de brug van het stoomertje nederzetten en, zoodra de touwen waren losgegooid en het klepperen der raderen in het weerstrevende water zich deed hooren, de instrumenten aan den mond brachten en … iets speelden, geaccompagneerd door het gillen der stoomfluit.Men kwam aan boord; op het achterdek werd de champagne ontkurkt, toespraken uitlokkend die al meer hadden dienst gedaan, en sommigen die de nawerking van het bruisend vocht in hun maag niet konden verdragen, tot een haastig afdalen in het salon nopend, waar zij zich te goed deden aan het gereedstaande ontbijt met cervelaatworstà discrétion. Onder hen die spraken, was ook Wije, die alleen gekomen, daar Anneke zich onwel had[209]gevoeld, zijn vroegere gemakkelijkheid van zich uit te drukken had teruggevonden, door de vreugde over het zich vanzelf oplossen eener relatie, waaraan hij machteloos was zich op een andere wijze te onttrekken.Dan, de tijd verstreek; het kleine stoomertje was ontladen en zuchtte den terugtocht te gemoet, krakend in de voegen van zijn bovenbouw, als de deining het deed aanleunen tegen de groote boot, die onbeweeglijk lag. Men moest afscheid nemen.De rij af, voorop de resident en de generaal, toen de grootste „handelshuizen” gevolgd door de kleinere, eindelijk de employé’s, gaf elk de vertrekkende familie een hand. Zij stonden naast elkander, Duna met een gedwongen lachje om de lippen, de officieele handdrukken half buigend beantwoordende, die van kennissen vriendelijk, nu en dan aandoening toonend en die leggend in zijn blik bij het afscheid nemen van een bijzonderen vriend, mevrouw stijf[210]rechtop, niemand aanziende, maar doodsbleek.Wije was een der laatsten, wat hij eigenlijk niet had gewild. Doch zonder geweld had hij niet kunnen doordringen tot de voorsten; telkens sloot zich de opening voor zijn neus; men drong hem niet opzij en hield er hem toch uit.„Dag Wije, beterschap met Anneke. Groet haar nogmaals van me; zal je?” zeide Duna.„Van mij ook,” sprak zij toonloos, zijn hand knijpend uit al haar macht. En plotseling, terwijl een schok haar lichaam doorvoer, zag zij hem in de oogen, heel diep; toen, vooruitstortend, sloeg zij haar beide armen om hem heen, zenuwachtig uitgillende: „Ik verlaat je niet, ik kan niet, o ik kan niet!”Een algemeene consternatie volgde. Duna had in de eerste opwelling zijn arm uitgestoken om haar terug te trekken; doch toen het tot hem doordrong wat zij gedaan had, en hij aan de houding van Wije, die zijn tegenwoordigheid van geest was kwijtgeraakt en[211]haar willoos liet begaan, met één blik alles zag, sloeg hij de handen voor het gezicht, wankelend. De deftige rij, waarvan de eersten de loopplank reeds bereikt hadden, brak, en die haar vormden vertoonden zich, in bonte mengeling van rang en stand, weer op het achterdek. Tusschen hen door leidde Wije mevrouw Duna weg, of liever zij trok hem mee, terwijl Duna, ondersteund door zijn voormalige employé’s weldra het middelpunt vormde van een medelijdenden kring, tot men hem op zijn verzoek naar de hut bracht.Voorbij het luik komend, waar de koffers nog stonden opgestapeld om eerst nedergelaten te worden als het schip wegstoomde, zag Duna zijn vrouw, bezig uit te zoeken wat het hare was.„Laat haar begaan,” fluisterde hij zich afwendende, ten antwoord op de vraag hem door iemand gedaan of men haar dat niet zou beletten.Toen het stoomertje zich losmaakte van de[212]groote boot, in hobbelend omzwaaien, waren Wije en mevrouw Duna daarop de eenige passagiers; de overigen hadden, na een conferentie met den kapitein, verkozen te wachten tot het andere stoomertje van de Molukken-boot terug kwam en dat te praaien. Zij stond bij de bagage, natellend of er niets ontbrak, nu het feit begaan was en achter den rug, weer geheel de oude, koel en zakelijk; hij zat onder de tent op de bank in ’t midden, het hoofd met den arm steunend in doffe berusting, doch vloog woedend op, toen de muziek boven op de brug het bekende wijsje intoneerde: „En hij komt nooit weerom …”„Diëm, gévédé!” brulde hij, en één voor één hielden de muzikanten op, wat echter niet verhinderde dat de maten die zij gespeeld hadden, ook op de kustboot waren gehoord. Eerst had het daar de verontwaardiging doen vermeerderen; doch het plotseling afbreken, waarvan men de oorzaak zonder veel moeite kon raden,[213]had een andere uitwerking. Men had den resident met de mondhoeken zien trekken, terwijl de generaal zijn neus snoot; dat was genoeg, en eensklaps barstte de hilariteit allerwege los.Men had gelachen, en hoe! Geheeldésarméwas men daardoor echter niet, maar toch … Reeds onder het terugvaren naar den kleinen Boom had het zwaartepunt van de publieke opinie zich verlegd. Men had Wije uitgemaakt voor een ellendeling, die eens anders huishouden in het ongeluk stortte, en dat op zijn leeftijd! Nu beklaagde men hem schier, en viel háár aan, die eer en plicht met voeten trad, haar mans naam bezoedelde en hemzelf rampzalig maakte om der wille van een dwazen hartstocht, en dat—ook hier ontbrak dit slotwoord niet—op haar leeftijd! Wije kon plezier hebben van die „tang,” ten minste als hij haar trouwde. Over de waarschijnlijkheid hiervan liepen de meeningen uiteen; zijn gezicht stond er niet naar, beweerde er een, terwijl[214]een ander volhield dat hij er onmogelijk af kon, na het schandaal van heden.De alzoo besprokenen waren intusschen terug aan wal, waar zij na eenige moeite met het goed en vreeselijk te zijn aangegaapt door het personeel van den Boom, plaats hadden genomen in het huurrijtuig dat Wije dien morgen besteld had. Op het bootje hadden zij afgesproken wat hun verder stond te doen; het eerste was; dat mevrouw Duna haar intrek zou nemen bij een oude weduwe, die in een huis aan den Karangtoerie-weg woonde; daar kon zij wachten tot het scheidingproces, dat Duna natuurlijk zou instellen, was afgeloopen. Zij had dit eenige dagen geleden reeds met die weduwe bedisseld, men behoefde er slechts heen te rijden.Met een zeer beklemd gevoel kwam Wije eindelijk thuis. De omstandigheid vooral dat die geheele scène aan boord als het ware te voren reeds berekend was, en niet ontsproten[215]uit fel opbruischenden hartstocht, deed hem er met weerzin aan terugdenken. Als hij dat geweten had! Dan zou hij haar met een beweging van verwondering en eenair hautainvan zich hebben gestooten, zooals hij het nu deed in zijn eentje, zóó. Het was jammer, erg jammer. Nu was het te laat; want hij dacht er geen oogenblik aan zich aan de gevolgen van het gebeurde te onttrekken; zijn ander ik, het gedeelte dat toezag en opmerkte, constateerde dat hij het niet durfde.Anneke moest een dag of vier het bed houden, hoewel zij niet erg ziek was. Maar de dokter had rust aanbevolen en Wije handhaafde dit voorschrift, om tijd te hebben zich voor te bereiden op de mededeeling, die hij haar doen moest. Toen zij hersteld was en in den loop van den dag zich had uitgelaten, dat zij in den vooravond een vriendin wilde gaan opzoeken, vertelde hij haar wat geschied was, zichzelf zooveel doenlijk voorstellende als[216]door de omstandigheden te zijn gedwongen, en te kiesch om een dame in den steek te laten. Met dit al was het zeer pijnlijk, zich als het ware te moeten vrijpleiten tegenover zijn dochter, in zulk een zaak!Vanaf het eerste woord had haar een angst bekropen; wat zou Kees doen? Met deze vraag viel zij hem in de rede, en toen hij daarop zweeg, barstte zij los, beginnend met een klacht en eindigend met harde verwijten, hem ten slotte voor de voeten werpend dat hij haar geluk had verstoord.Doch hiertegen had hij een verontschuldiging.„Het was al zoover,” zeide hij, „eer ik iets van Kees wist. Had je mij je vertrouwen geschonken, dan zou het anders geloopen zijn.”„Kan ik niet gaan logeeren bij een ander?” vroeg zij, zonder het laatste te beantwoorden.Hij boog het hoofd, haar bedoeling radend uit den toon waarop zij sprak. Zij wilde hem ontvluchten, als om zich voor besmetting te[217]hoeden, en dit afficheeren zóó, dat men haar en hem niet langer in één adem noemde; een scheiding, die den band tusschen vader en dochter, zoo niet wettelijk, dan toch feitelijk zou verbreken. Maar tevens zag hij in, dat dit de eenige manier was om dien anderen band te behouden, welken zij met Kees gesloten had, en dat hij geen recht had zich daartegen te verzetten.„Ik zal het den dokter gaan vragen,” antwoordde hij na eenig peinzen.Niet zonder moeite, en alleen op voorwaarden die voor hem zeer krenkend waren, slaagde Wije er in van den dokter gedaan te krijgen wat hij wenschte; toch kwam hij thuis met het gevoel van iemand die een lastig schuldeischer voldaan heeft. Zoodra zij den uitslag vernam riep Anneke den bediende en gaf hem een brief ter bezorging op de post, dien zij aan Kees geschreven had.„Geef mij een kus, Anneke,” zeide Wije,[218]toen in den naävond het rijtuig vóór stond, waarmee zij ging vertrekken; „den laatsten misschien. Ik mag je niet ontmoeten zoolang je ginds logeert, en daarna …”Het doktershuis scheen Anneke niet lang te kunnen houden. Al den eersten dag maakte zij zich nuttig door de twee kleinkinderen van den dokter, weezen, zoodanig bezig te houden, dat zij niet alleen de harten der kleinen, maar ook dat der grootmoeder veroverde.„Daar zit een geboren moedertje in,” verklaarde deze, erover sprekend met haar man.De dokter begon te lachen.„Ja, dat zal wel uitkomen,” zeide hij; „of waartoe wou je onze meisjes anders zien geboren worden?”„Och, zoo bedoel ik het niet. De aanleg om met kinderen om te gaan, zit er bij haar in.”„Niets natuurlijker, wat men ook in onzen[219]tijd moge zeggen over de roeping der vrouw. Of werpen zich niet de meesten, die beweren van geen huwelijk te willen hooren, in de armen van het onderwijs? En dit is bij wijze van surrogaat.”Op den avond van den derden dag werd een brief bezorgd voor Anneke; de jongen van Wije bracht hem. Zij was reeds in haar kamer, en de dokter, die nog wat na bleef zitten in zijn achtergalerij, had hem aangenomen en door de reet geschoven, die er was tusschen den drempel en de deur van haar kamer.Hij kwam van Kees; en hem dicht bij het pitje van haar nachtlicht houdend, las zij den korten inhoud.Mejuffrouw!Hetgeen is voorgevallen, en dat ik wel niet nader behoef aan te duiden, deed mijn vader eischen dat alle betrekkingen tusschen onze families zouden worden afgebroken. Ik[220]acht dit eveneens billijk, en uit dien hoofde kan de middenweg door u voorgeslagen, mijn goedkeuring niet wegdragen. Beleefd geef ik u in overweging mij af te schrijven.HoogachtendC. Duna.Koud, dor en even onmeedoogend als de bij oude ambtenaren zoo gevreesde „wenken” om hun pensioen aan te vragen, had het briefje van Kees een gelijke uitwerking als deze. Anneke beefde van woede. Zich verder ontkleedende, rukte zij zich den boel van het lijf, hijgend van de haast toen zij in bed lag. Dat had hij kunnen doen! Hij, die voorgaf haar lief te hebben, liever dan alles op aarde, die zwoer dat zijn ziel met de hare was saamgegroeid en meer dergelijken onzin. Want anders was het niet geweest, onzin, leugens, bedrog! Met krampachtig gesloten vuisten bonsde zij aan beide zijden op de[221]matras, de oogen wijd open, het lichaam nu en dan opheffend in hevige zenuwwerking. Eensklaps wierp zij zich om en schreide.Een mot vloog in het nachtlampje, dat in zijn sterven uitblusschend. Anneke stond niet op, gelijk zij anders placht te doen, maar bleef liggen in het duister, zich overgevend aan haar gedachten, die nu den vorm van zelfverwijten hadden aangenomen. Zij beschuldigde zich van groote slechtheid en eigenbaat. Waarom had zij haar vader verlaten? Enkel omdat zij de voorkeur gaf aan een ander, die niets voor haar geweest was. Of had hij haar opgevoed, haar onderwezen, haar telkens en telkens de feitelijke bewijzen zijner liefde gegeven? Neen, dat had hij niet; gegeven had hij nooit; hij had zich met haar vermaakt, ziedaar alles. Misschien had het hem eenige moeite gekost dezen stap te doen, doch voorzeker geen lange aarzeling. Zijn vader eischte en hij volgde. Zie, daarin lag[222]een beschamend voorbeeld voor haar. Wie weet of Kees niet juist daarom … o, zij was slecht geweest! Eerst nu begreep zij de aandoening, die haar vader getoond had bij het scheiden; hij had alles voor haar over, en vergaf het haar dat zij hem dien smaad aandeed, die goede vader!Den volgenden morgen deelde zij de doktersvrouw haar besluit mede, om nog dienzelfden dag terug te keeren naar huis, haar den brief van Kees toonend; en het mocht die dame niet gelukken Anneke te weerhouden, van wat zij een overijlden stap noemde.Ofschoon hij verwacht had dat Kees het engagement zou verbreken, was Wije toch erg boos over de ruwe manier waarop dit geschiedde. Op Anneke’s verzoek schreef hij aan Kees het antwoord, in weinig regels al de kwaadaardigheid uitdrukkend, die het besef van zelf de grootste schuld te hebben een mensch kan ingeven.[223]

Anneke daarentegen pruilde. Zij was boos op haar vader en verdrietig dat van Beek nu niet meer aan huis kon komen. In den laatsten tijd was hij zoowat hun eenige bezoeker geweest. En sedert zij verhuisd waren, hadden haar vriendinnen haar langzamerhand allen in den steek gelaten. Wel hadden meisjes, die in de benedenstad woonden, en daarom stadsmeisjes genaamd, pogingen gedaan tot toenadering, doch daarop had Anneke geen weerwerk gegeven; zij hoorde in de Bodjong-coterie, daarin had zij haar leven lang verkeerd en zij[196]wilde zich niet encanailleeren met dochters van kleermakers, winkeliers of koekebakkers; dan liever geen omgang! Het was intusschen hard om zich boos te houden tegen den eenige met wien zij wel omgang had, haar vader; met de bedienden praten viel niet in haar smaak, te meer daar de oude getrouwen, die nog uit haar moeders tijd stamden, de een vóór, de ander na, hadden verklaard in dit huis nietkrassante zijn en dus vertrokken waren, vervangen door nieuwe, onverschillige gezichten. Dus begon zij bij beetjes vriendelijker te worden, om weer geheel de oude te zijn, toen zij op zekeren dag onder de van Batavia vertrokken passagiers den naam las van C. Duna, ambtenaar ter beschikking.

„Zou hij komen?” vroeg zij den ochtend toen de boot aankwam. En ’s middags: „O, ik weet wanneer hij komt; op het gewone uurtje, als u nog aan ’t kleeden is, pa.”

„Ik zal mij haasten,” plaagde hij. Maar hij[197]deelde Anneke’s zekerheid niet. Zoo zelden toch kwam het voor, dat uit wat hij kalverenliefde noemde, ernst werd, vooral als men van elkaar ging. Kees, vreesde hij, zou die geschiedenis van twee jaar geleden, wel vergeten zijn, althans de toen gegeven beloften en gedane verklaringen zoo zwaar niet opnemen.

Doch dan kende hij Kees niet. Geen minuut vroeger dan hij jaren geleden gewoon was, kwam hij, rustig opstappend, zonder zelfs den tred te verhaasten toen hij Anneke, die al een half uur had staan wachten, in de verte bespeurde, kalm en zeker, recht op zijn doel afgaand.

„Dag vrouwtje,” zeide hij, met groote innigheid, haar de beide handen toestekende.

Zij riep slechts zijn naam, terwijl zij haar gezicht naar hem ophief, vergetend waar zij stond. En het was bloot toeval, dat niet geheel Semarang het zag.

„Wat zei je daareven?” vroeg zij plagend, terwijl ze naar binnen wandelden.[198]

„Heb je ’t niet gehoord?”

„Ja … maar zoo zonder vragen!”

„Dat heb ik al gedaan toen je nog zóó’n hummel was,” betoogde Kees, heel laag bij den grond wijzend.

In de voorgalerij namen zij plaats, op een bank, achter de zware houten balustrade, zich verbeeldende dat een toevallig voorbijganger hen niet kon zien; en onder den indruk van hun beginnend geluk zwegen zij, slechts nu en dan elkaars namen fluisterend, met een handdruk als antwoord, dichter bij elkaar naarmate het buiten donkerder werd.

„Daar komt papa,” zeide Anneke, plotseling oprijzend. „Kees is vóór,” riep zij haar vader toe, terwijl zij hem in de deur voorbij snelde.

„Zoo, Duna,” groette Wije; „welkom thuis op Semarang. We zullen de lamp eens opsteken; net iets voor Anneke om je in ’t duister te laten zitten.”[199]

„Dat was zoo erg niet,” vond Kees.

„Je zult mekaar wel een boel te vertellen hebben gehad, hè? En denk je lang hier te kunnen blijven?”

„Ik heb maar tien dagen tijd; dan moet ik naar mijn standplaats: Djokdja.”

„Waren de oudelui niet blij je te zien?”

„O ja. ’t Is wel jammer dat die verplaatsing van papa naar Batavia niet twee jaar vroeger is geschied.”

„Gaat je pa naar Batavia? Ik had wel iets gehoord … maar toch, het rechte wist ik niet,” jokte Wije, die onder belofte van geheimhouding reeds alles had vernomen van mevrouw Duna. „De drukte … doch vertel me eens, wat zijn z’n plannen? Of mag dat nog niet bekend worden?”

„Als u er niet op tegen heeft, wilde ik gaarne eerst iets anders behandelen,” zeide Kees. „Ik kwam namelijk vragen of Anneke en ik samen mogen trouwen.”[200]

„Drommels!” riep Wije uit, zich verrast houdend, „dat is geen gekheid.”

„Het is met voorkennis en goedvinden van mijn ouders dat ik dezen stap doe.”

„Zoo … ik dacht, dat je moeder …”

„Toen mama zag, hoezeer het mij ernst was, heeft zij toegegeven. Waarom zij er trouwens in den beginne tegen was, heb ik nooit gevat en weet het nog niet,” verklaarde Kees, verzwijgende dat hij dien namiddag de grootste moeite had gehad met zijn vader, die beweerde dat Wije „valsch” was. Ten bewijze daarvan had hij de geschiedenis verteld van het stukje envelop, dat Wije opzettelijk onder zijn kaarten zou hebben geschoven. Doch toen Kees telkens vroeg wat Anneke daarmee te maken had en niet afliet, had ook hij er zich bij neergelegd.

„Nu,” zeide Wije, „ik heb niets tegen je. Maar we zullen Anneke moeten raadplegen; die heeft in deze het laatste woord. Waarom[201]lach je zoo? Hm, ik begrijp … enfin, dan zal ik haar roepen.”

Doch eer hij kon opstaan, voelde hij twee armen om zijn hals, die hem weer achterover trokken in zijn stoel, en kuste Anneke hem op beide wangen.

Een geëngageerd paar in Indië rijdt in den vooravond, tenzij men het niet kan betalen; eerst een toertje langs de wandelwegen, om de kennissen tegen te komen; daarna, zoodra de schemering invalt, langs de buitenwegen, om niemand tegen te komen; eindelijk weer terug, om bij bevriende families, wier voorgalerij niet verlicht is en die dus geacht kunnen worden uit te zijn of niet te ontvangen, een „tot hun spijt” vergeefsche visite te maken. Tegen acht uur komen zij thuis, om te eten; in den naävond vrijen zij, of praten buitengewoon gezellig met ieder die zich bij hen voegt of op eenigerlei wijze hen belet alleen te zijn.[202]

Kees had bij dit alles nog gedaan weten te krijgen dat hij mocht komen rijsttafelen, bewerende dat de tijd zoo kort was. Daarin had hij wel gelijk, doch hoe kort ook, het was alsof een zonnestraal in dat kleine huisje was binnengedrongen, alles wat goed was en rein verlichtend, en het booze verjagend. Het geluk van zijn kind hief ook Wije op uit den toestand waarin hij langzamerhand was verzonken, dien hij zich niet ontveinsde, maar weet aan de omstandigheden. En aan deze was voorloopig niets te veranderen, meende hij; op het oogenblik dat hij genoeg had bijeengegaard zou hij zich daaruit losrukken, maar tot zoolang kon hij er niets aan doen. Met zijn oude neiging tot philosopheeren had hij zichzelf intusschen tot onderwerp van bespiegeling gekozen, zich afvragend wat hem meer demoraliseeerde, de omgang met mevrouw Duna of het geldmaken door tusschenkomst van Piong Pan Ho. Want dat zulks[203]het geval was had hij gevoeld. Door een toeval toch. Gewoon artikelen te schrijven voor de courant, die daar steeds welkom waren, kreeg hij op zekeren dag een stuk terug met de kantteekening: „niet bruikbaar.” En dit herhaalde zich, tot hij ten slotte zelf naar de redactie liep om opheldering te vragen.

„Ik weet niet wat het is,” zeide de redacteur, „maar je stukken deugen niet. Het lijkt wel of je achteruit gaat, of je gedachten er soms niet bij zijn als je schrijft.”

Thuisgekomen peinsde hij er over en vond dat de man gelijk had. Werkelijk wilden zijn gedachten slechts twee bepaalde richtingen uit, en die kon hij toch niet op het papier zetten! Van toen af was hij begonnen zich die vraag te stellen en de oplossing daarvan te zoeken, zonder echter eenige moeite te doen zich van het kwaad af te wenden. Het was alsof er twee personen in hem vereenigd waren, de een die handelde, een ander die toezag en[204]opmerkte met steeds grooter belangstelling. Zoolang Kees er was, bleef mevrouw Duna weg van zijn kantoor, en zie, dat had een merkwaardigen invloed op hem. Dàt was het dus! Hij verheugde zich in de vondst, doch slechts matig in het feit, tot hij het oog sloeg op zijn dochter en al het andere voor ’t oogenblik vergat.

Anneke dong in die tien dagen naar den eernaam dien haar moeder vroeger had gedragen. Toen zij met Kees verscheen op de receptie van den resident, waren alle oogen op haar gericht, terwijl zich achteraan, in de op een troep staande heeren, een indiscreet tonggeklik liet hooren. En haar vriendinnen wilden haar nu weer allen kennen, het onmogelijke verzinnende om hun terugtrekken van voorheen te bedekken, haar den pet met het gouden biesje, waaronder Kees zich bevond, niet weinig benijdend. Zij werd overstroomd met aanbiedingen om bij haar uitzet te komen helpen.[205]

„Het is haast te druk geweest om goed verliefd te kunnen zijn,” beweerde Kees op den laatsten avond.

„Deugniet, wou je ’t nog erger maken?” vroeg zij terug.

Na het vertrek van Kees begon ook voor zijn ouders de tijd te korten. Reeds was Duna’s opvolger aangekomen, de procuratiehouder van Semarang in diens plaats te Soerabaja aangesteld en de betrekking van den employé die nu procuratie kreeg, door van Beek ingenomen. De gissingen waren dus juist geweest en men behoefde ook niet langer te raden naar de plannen van den heer Duna; deze ging te Batavia een eigen handelshuis, een administratiekantoor oprichten, waartoe hij geld van anderen had weten te krijgen. Mevrouw Duna was in die laatste dagen stroever dan ooit, zelfs tegen Wije, die het weet aan haar sterk ontwikkeld gevoel voor zaken. Want er viel heel wat te beredderen! De huizen bleven haar eigendom[206]en daarover behield Wije het beheer, doch buitendien had zij nog zoo veel. In haarkampongswoonden verscheidenen, die den kost verdienden met rondventen van artikelen die depasseroplevert; wat ’s morgens werd ingekocht moest men ’s avonds kwijt zijn, maar tot dien inkoop, hoe gering ook, was kapitaal noodig, dat een inlander nooit bezit. Dus leende zij hun dat; den gulden, dien zij ’s morgens of den avond te voren ontvingen, betaalden zij des avonds terug met een kwartje „huurgeld.” Het ging echter niet aan die menschen te laten komen in het groote deftige huis op Bodjong, derhalvebehandeldende hoofden derkampongsdie zaken, waarvan het onvermijdelijk gevolg was, dat deze in den loop der tijden niet onbelangrijk in voorschot waren gekomen, naar het heette door het achterstallig zijn der leenende inlanders. Dat moest nu zooveel mogelijk geïnd worden en voorts dit soort van zaken worden opgeruimd, die zij Wije niet[207]kon overgeven, omdat dit vrouwenwerk was volgens haar, waartoe een man ten eenenmale de geschiktheid miste.

De morgen was aangebroken waarop de afreis van de Duna’s zou plaats hebben. In de drukkerijen der couranten stond het verslag ervan, een week te voren opgemaakt, reeds gezet, beginnend met de woorden: „Door tal van vrienden en kennissen uitgeleid …” en eindigend: „met diep leedwezen zagen velen de zoo algemeen geachte en beminde familie vertrekken.” Aan den kleinen Boom lagen de beide bootjes onder stoom, één voor de gewone passagiers, het ander afgehuurd door hen, die de Duna’s wegbrachten naar boord van de kustboot. Nog had de zon geen kracht genoeg om de koelte uit de atmosfeer te verdrijven en het donkerblauw van den hemel te ontkleuren, toen de rijtuigen aanreden en zich een schaar gekleede dames en heer en met zwarte jasjes verzamelde aan denkalie-kant, een zeldzaam[208]schouwspel zoo vroeg in een Indischen ochtend. Men sprak onder elkaar en slechts weinig metdefamilie, die te veel had te doen met de zorg voor koffers en pakken. Eindelijk verscheen een zestal muzikanten, die zich op de brug van het stoomertje nederzetten en, zoodra de touwen waren losgegooid en het klepperen der raderen in het weerstrevende water zich deed hooren, de instrumenten aan den mond brachten en … iets speelden, geaccompagneerd door het gillen der stoomfluit.

Men kwam aan boord; op het achterdek werd de champagne ontkurkt, toespraken uitlokkend die al meer hadden dienst gedaan, en sommigen die de nawerking van het bruisend vocht in hun maag niet konden verdragen, tot een haastig afdalen in het salon nopend, waar zij zich te goed deden aan het gereedstaande ontbijt met cervelaatworstà discrétion. Onder hen die spraken, was ook Wije, die alleen gekomen, daar Anneke zich onwel had[209]gevoeld, zijn vroegere gemakkelijkheid van zich uit te drukken had teruggevonden, door de vreugde over het zich vanzelf oplossen eener relatie, waaraan hij machteloos was zich op een andere wijze te onttrekken.

Dan, de tijd verstreek; het kleine stoomertje was ontladen en zuchtte den terugtocht te gemoet, krakend in de voegen van zijn bovenbouw, als de deining het deed aanleunen tegen de groote boot, die onbeweeglijk lag. Men moest afscheid nemen.

De rij af, voorop de resident en de generaal, toen de grootste „handelshuizen” gevolgd door de kleinere, eindelijk de employé’s, gaf elk de vertrekkende familie een hand. Zij stonden naast elkander, Duna met een gedwongen lachje om de lippen, de officieele handdrukken half buigend beantwoordende, die van kennissen vriendelijk, nu en dan aandoening toonend en die leggend in zijn blik bij het afscheid nemen van een bijzonderen vriend, mevrouw stijf[210]rechtop, niemand aanziende, maar doodsbleek.

Wije was een der laatsten, wat hij eigenlijk niet had gewild. Doch zonder geweld had hij niet kunnen doordringen tot de voorsten; telkens sloot zich de opening voor zijn neus; men drong hem niet opzij en hield er hem toch uit.

„Dag Wije, beterschap met Anneke. Groet haar nogmaals van me; zal je?” zeide Duna.

„Van mij ook,” sprak zij toonloos, zijn hand knijpend uit al haar macht. En plotseling, terwijl een schok haar lichaam doorvoer, zag zij hem in de oogen, heel diep; toen, vooruitstortend, sloeg zij haar beide armen om hem heen, zenuwachtig uitgillende: „Ik verlaat je niet, ik kan niet, o ik kan niet!”

Een algemeene consternatie volgde. Duna had in de eerste opwelling zijn arm uitgestoken om haar terug te trekken; doch toen het tot hem doordrong wat zij gedaan had, en hij aan de houding van Wije, die zijn tegenwoordigheid van geest was kwijtgeraakt en[211]haar willoos liet begaan, met één blik alles zag, sloeg hij de handen voor het gezicht, wankelend. De deftige rij, waarvan de eersten de loopplank reeds bereikt hadden, brak, en die haar vormden vertoonden zich, in bonte mengeling van rang en stand, weer op het achterdek. Tusschen hen door leidde Wije mevrouw Duna weg, of liever zij trok hem mee, terwijl Duna, ondersteund door zijn voormalige employé’s weldra het middelpunt vormde van een medelijdenden kring, tot men hem op zijn verzoek naar de hut bracht.

Voorbij het luik komend, waar de koffers nog stonden opgestapeld om eerst nedergelaten te worden als het schip wegstoomde, zag Duna zijn vrouw, bezig uit te zoeken wat het hare was.

„Laat haar begaan,” fluisterde hij zich afwendende, ten antwoord op de vraag hem door iemand gedaan of men haar dat niet zou beletten.

Toen het stoomertje zich losmaakte van de[212]groote boot, in hobbelend omzwaaien, waren Wije en mevrouw Duna daarop de eenige passagiers; de overigen hadden, na een conferentie met den kapitein, verkozen te wachten tot het andere stoomertje van de Molukken-boot terug kwam en dat te praaien. Zij stond bij de bagage, natellend of er niets ontbrak, nu het feit begaan was en achter den rug, weer geheel de oude, koel en zakelijk; hij zat onder de tent op de bank in ’t midden, het hoofd met den arm steunend in doffe berusting, doch vloog woedend op, toen de muziek boven op de brug het bekende wijsje intoneerde: „En hij komt nooit weerom …”

„Diëm, gévédé!” brulde hij, en één voor één hielden de muzikanten op, wat echter niet verhinderde dat de maten die zij gespeeld hadden, ook op de kustboot waren gehoord. Eerst had het daar de verontwaardiging doen vermeerderen; doch het plotseling afbreken, waarvan men de oorzaak zonder veel moeite kon raden,[213]had een andere uitwerking. Men had den resident met de mondhoeken zien trekken, terwijl de generaal zijn neus snoot; dat was genoeg, en eensklaps barstte de hilariteit allerwege los.

Men had gelachen, en hoe! Geheeldésarméwas men daardoor echter niet, maar toch … Reeds onder het terugvaren naar den kleinen Boom had het zwaartepunt van de publieke opinie zich verlegd. Men had Wije uitgemaakt voor een ellendeling, die eens anders huishouden in het ongeluk stortte, en dat op zijn leeftijd! Nu beklaagde men hem schier, en viel háár aan, die eer en plicht met voeten trad, haar mans naam bezoedelde en hemzelf rampzalig maakte om der wille van een dwazen hartstocht, en dat—ook hier ontbrak dit slotwoord niet—op haar leeftijd! Wije kon plezier hebben van die „tang,” ten minste als hij haar trouwde. Over de waarschijnlijkheid hiervan liepen de meeningen uiteen; zijn gezicht stond er niet naar, beweerde er een, terwijl[214]een ander volhield dat hij er onmogelijk af kon, na het schandaal van heden.

De alzoo besprokenen waren intusschen terug aan wal, waar zij na eenige moeite met het goed en vreeselijk te zijn aangegaapt door het personeel van den Boom, plaats hadden genomen in het huurrijtuig dat Wije dien morgen besteld had. Op het bootje hadden zij afgesproken wat hun verder stond te doen; het eerste was; dat mevrouw Duna haar intrek zou nemen bij een oude weduwe, die in een huis aan den Karangtoerie-weg woonde; daar kon zij wachten tot het scheidingproces, dat Duna natuurlijk zou instellen, was afgeloopen. Zij had dit eenige dagen geleden reeds met die weduwe bedisseld, men behoefde er slechts heen te rijden.

Met een zeer beklemd gevoel kwam Wije eindelijk thuis. De omstandigheid vooral dat die geheele scène aan boord als het ware te voren reeds berekend was, en niet ontsproten[215]uit fel opbruischenden hartstocht, deed hem er met weerzin aan terugdenken. Als hij dat geweten had! Dan zou hij haar met een beweging van verwondering en eenair hautainvan zich hebben gestooten, zooals hij het nu deed in zijn eentje, zóó. Het was jammer, erg jammer. Nu was het te laat; want hij dacht er geen oogenblik aan zich aan de gevolgen van het gebeurde te onttrekken; zijn ander ik, het gedeelte dat toezag en opmerkte, constateerde dat hij het niet durfde.

Anneke moest een dag of vier het bed houden, hoewel zij niet erg ziek was. Maar de dokter had rust aanbevolen en Wije handhaafde dit voorschrift, om tijd te hebben zich voor te bereiden op de mededeeling, die hij haar doen moest. Toen zij hersteld was en in den loop van den dag zich had uitgelaten, dat zij in den vooravond een vriendin wilde gaan opzoeken, vertelde hij haar wat geschied was, zichzelf zooveel doenlijk voorstellende als[216]door de omstandigheden te zijn gedwongen, en te kiesch om een dame in den steek te laten. Met dit al was het zeer pijnlijk, zich als het ware te moeten vrijpleiten tegenover zijn dochter, in zulk een zaak!

Vanaf het eerste woord had haar een angst bekropen; wat zou Kees doen? Met deze vraag viel zij hem in de rede, en toen hij daarop zweeg, barstte zij los, beginnend met een klacht en eindigend met harde verwijten, hem ten slotte voor de voeten werpend dat hij haar geluk had verstoord.

Doch hiertegen had hij een verontschuldiging.

„Het was al zoover,” zeide hij, „eer ik iets van Kees wist. Had je mij je vertrouwen geschonken, dan zou het anders geloopen zijn.”

„Kan ik niet gaan logeeren bij een ander?” vroeg zij, zonder het laatste te beantwoorden.

Hij boog het hoofd, haar bedoeling radend uit den toon waarop zij sprak. Zij wilde hem ontvluchten, als om zich voor besmetting te[217]hoeden, en dit afficheeren zóó, dat men haar en hem niet langer in één adem noemde; een scheiding, die den band tusschen vader en dochter, zoo niet wettelijk, dan toch feitelijk zou verbreken. Maar tevens zag hij in, dat dit de eenige manier was om dien anderen band te behouden, welken zij met Kees gesloten had, en dat hij geen recht had zich daartegen te verzetten.

„Ik zal het den dokter gaan vragen,” antwoordde hij na eenig peinzen.

Niet zonder moeite, en alleen op voorwaarden die voor hem zeer krenkend waren, slaagde Wije er in van den dokter gedaan te krijgen wat hij wenschte; toch kwam hij thuis met het gevoel van iemand die een lastig schuldeischer voldaan heeft. Zoodra zij den uitslag vernam riep Anneke den bediende en gaf hem een brief ter bezorging op de post, dien zij aan Kees geschreven had.

„Geef mij een kus, Anneke,” zeide Wije,[218]toen in den naävond het rijtuig vóór stond, waarmee zij ging vertrekken; „den laatsten misschien. Ik mag je niet ontmoeten zoolang je ginds logeert, en daarna …”

Het doktershuis scheen Anneke niet lang te kunnen houden. Al den eersten dag maakte zij zich nuttig door de twee kleinkinderen van den dokter, weezen, zoodanig bezig te houden, dat zij niet alleen de harten der kleinen, maar ook dat der grootmoeder veroverde.

„Daar zit een geboren moedertje in,” verklaarde deze, erover sprekend met haar man.

De dokter begon te lachen.

„Ja, dat zal wel uitkomen,” zeide hij; „of waartoe wou je onze meisjes anders zien geboren worden?”

„Och, zoo bedoel ik het niet. De aanleg om met kinderen om te gaan, zit er bij haar in.”

„Niets natuurlijker, wat men ook in onzen[219]tijd moge zeggen over de roeping der vrouw. Of werpen zich niet de meesten, die beweren van geen huwelijk te willen hooren, in de armen van het onderwijs? En dit is bij wijze van surrogaat.”

Op den avond van den derden dag werd een brief bezorgd voor Anneke; de jongen van Wije bracht hem. Zij was reeds in haar kamer, en de dokter, die nog wat na bleef zitten in zijn achtergalerij, had hem aangenomen en door de reet geschoven, die er was tusschen den drempel en de deur van haar kamer.

Hij kwam van Kees; en hem dicht bij het pitje van haar nachtlicht houdend, las zij den korten inhoud.

Mejuffrouw!Hetgeen is voorgevallen, en dat ik wel niet nader behoef aan te duiden, deed mijn vader eischen dat alle betrekkingen tusschen onze families zouden worden afgebroken. Ik[220]acht dit eveneens billijk, en uit dien hoofde kan de middenweg door u voorgeslagen, mijn goedkeuring niet wegdragen. Beleefd geef ik u in overweging mij af te schrijven.HoogachtendC. Duna.

Mejuffrouw!

Hetgeen is voorgevallen, en dat ik wel niet nader behoef aan te duiden, deed mijn vader eischen dat alle betrekkingen tusschen onze families zouden worden afgebroken. Ik[220]acht dit eveneens billijk, en uit dien hoofde kan de middenweg door u voorgeslagen, mijn goedkeuring niet wegdragen. Beleefd geef ik u in overweging mij af te schrijven.

Hoogachtend

C. Duna.

Koud, dor en even onmeedoogend als de bij oude ambtenaren zoo gevreesde „wenken” om hun pensioen aan te vragen, had het briefje van Kees een gelijke uitwerking als deze. Anneke beefde van woede. Zich verder ontkleedende, rukte zij zich den boel van het lijf, hijgend van de haast toen zij in bed lag. Dat had hij kunnen doen! Hij, die voorgaf haar lief te hebben, liever dan alles op aarde, die zwoer dat zijn ziel met de hare was saamgegroeid en meer dergelijken onzin. Want anders was het niet geweest, onzin, leugens, bedrog! Met krampachtig gesloten vuisten bonsde zij aan beide zijden op de[221]matras, de oogen wijd open, het lichaam nu en dan opheffend in hevige zenuwwerking. Eensklaps wierp zij zich om en schreide.

Een mot vloog in het nachtlampje, dat in zijn sterven uitblusschend. Anneke stond niet op, gelijk zij anders placht te doen, maar bleef liggen in het duister, zich overgevend aan haar gedachten, die nu den vorm van zelfverwijten hadden aangenomen. Zij beschuldigde zich van groote slechtheid en eigenbaat. Waarom had zij haar vader verlaten? Enkel omdat zij de voorkeur gaf aan een ander, die niets voor haar geweest was. Of had hij haar opgevoed, haar onderwezen, haar telkens en telkens de feitelijke bewijzen zijner liefde gegeven? Neen, dat had hij niet; gegeven had hij nooit; hij had zich met haar vermaakt, ziedaar alles. Misschien had het hem eenige moeite gekost dezen stap te doen, doch voorzeker geen lange aarzeling. Zijn vader eischte en hij volgde. Zie, daarin lag[222]een beschamend voorbeeld voor haar. Wie weet of Kees niet juist daarom … o, zij was slecht geweest! Eerst nu begreep zij de aandoening, die haar vader getoond had bij het scheiden; hij had alles voor haar over, en vergaf het haar dat zij hem dien smaad aandeed, die goede vader!

Den volgenden morgen deelde zij de doktersvrouw haar besluit mede, om nog dienzelfden dag terug te keeren naar huis, haar den brief van Kees toonend; en het mocht die dame niet gelukken Anneke te weerhouden, van wat zij een overijlden stap noemde.

Ofschoon hij verwacht had dat Kees het engagement zou verbreken, was Wije toch erg boos over de ruwe manier waarop dit geschiedde. Op Anneke’s verzoek schreef hij aan Kees het antwoord, in weinig regels al de kwaadaardigheid uitdrukkend, die het besef van zelf de grootste schuld te hebben een mensch kan ingeven.[223]


Back to IndexNext