[Inhoud]VII.VII.EEN OORSPRONKELIJKE DECLARATIE EN EEN BLAUWTJE.Thuis gekomen liep Wije onmiddellijk naar zijn kantoortje, om het geld op te bergen dat hij zooeven van de firma ontvangen had. Morgen kon hij dat bezorgen, en in één woord, aan zijn eigen zaken beginnen. Ja, het beste was maar al het oude van zich te schudden en met kalmte en moed de toekomst in te gaan, die toch zoo heel donker nog niet was. Hij scheurde de papiertjes van drie dagen van den kalender en las dat van heden:Quand tout est perdu, c’est l’heure des grandes âmes, stond er op. Wel niet heelemaal toepasselijk,[161]doch als men het vrij vertaalde: wanneer het slecht gaat, steek dan het hoofd op, dan was het te gebruiken; bovendien kon men zich desnoods verbeelden eengrande âmete zijn.„Is u daar al?” vroeg Anneke binnenkomende. „Alles afgeloopen?”„Ja, we zijn zoover.”Zij zag hem even aan, doch zijn gezicht stond niet treurig en ook de toon van zijn stem klonk niet gedrukt, dus scheen hij zich de zaak niet zoo erg aan te trekken als zij had gevreesd. Wat er eigenlijk gebeurd was, besefte zij niet ten volle. Nog nooit in de omstandigheden verkeerd hebbende voor zich zelf en anderen te moeten zorgen, wist zij niet wat dat beteekende, en evenmin wat het was zich te moeten verminderen, als men niet alleen staat op de wereld. Zij kon er derhalve ook geen angst voor gevoelen, en het alleen naar vinden dat haar pa ergens over tobde. Doch zoo dit niet langer het geval[162]was, dan was immers alles in orde. Zij praatte met hem door over al wat er gedaan moest worden in de eerstvolgende dagen, hoewel ze reeds alles wist: welke meubels meegingen naar het kleine huisje en dat de rest netjes opgepoetst werd voor de vendutie. Want daarmee was reeds een begin gemaakt. En hij vond het gelukkig dat zij het blijkbaar beschouwde als een niet onplezierige verandering, zonder begrip van meerdere of mindere weelde.Een groot uur later, terwijl Wije in zijn kamer was, stond zij in de achtergalerij en bespeurde aan den kant van depaggervan Beek, die zoodra zij hem in ’t oog kreeg, haar wenkte. Zij ging er heen.„Juffrouw Anneke, u gaat verhuizen?” vroeg hij, met iets afgemetens in zijn houding.„Ja, dat heb ik u immers voor een paar dagen al verteld!” zeide zij.„Juist,” ging hij voort; „dus we zullen geen praatje meer kunnen houden zooals nu.”[163]„Neen, dat is jammer. Maar u komt ons ginds toch wel opzoeken?”„Zeker heel graag. Komt u morgen … neen … ik zal het nu maar doen. Ik … had u wat te zeggen, hier, aan de heg.” En hij wees met zijn vinger op een blaadje, alsof dàt er niet bij kon gemist worden.Anneke knipte met de oogen. Als Indisch meisje op die punten zeer gevat, begreep zij dadelijk waar hij heen wilde, doch zij miste den slag hem te voorkomen; en terwijl zij nadacht over de wijze hoe hem nog van zijn stuk te brengen, stak hij van wal, eentonig de woorden opdreunend, alsof hij een van buiten geleerd lesje opzei, wat dan ook werkelijk het geval was.„Er komt,” sprak hij, „in het leven van elken man een oogenblik waarop hij diegene ontmoet, die hem aan het geluk doet gelooven. Dan grijpt er een verandering in hem plaats; uit wat hij gisteren nog gewoon en prozaïsch[164]vond, schept hij heden poëzie, de reinste, de schoonste, die hem het hart doet zwellen in de borst, zich uit in alles wat hij spreekt of schrijft, hem den verrukkelijksten droom doet droomen en, door hem te vergrooten in zijn eigen gevoel, den moed inboezemt haar te naderen, die van dit alles de oorzaak is, en haar te vragen dien droom te verwezenlijken. Dat oogenblik is voor mij aangebroken, en die ik bemin zijt gij, Anneke. Wilt gij de zonnestraal zijn die mijn pad verlicht? En, ziet u, u kunt het best doen, wat dat betreft; mijn papa is schatrijk, hij is millionnair.”De laatste zin was oorspronkelijk.Van Beek’s declaratie had het gewone effect dat die dingen altijd hebben; er volgde geen antwoord. Maar ook uit Anneke’s houding viel niet op te merken of zij hem aannam of niet. De zaak was dat zij het een niet wilde, het ander niet durfde, en het ten slotte zelf niet meer wist. De tirade door hem geuit, had zij[165]voor ernst, voor uit hemzelf gekomen aangezien, en meende daarom dat het hem in ’t hoofd geslagen was, een tijdelijke toestand, doch die misschien door een weigering bestendigd kon worden. Zij had in ’t algemeen te veelkassianmet hem, en thans in ’t bijzonder, om hem dàt aan te doen. Dan de laatste woorden, waarvan het lompe haar ontsnapt was, doch de beteekenis niet. Millionnair! Dat wil zeggen … Anneke wist het nauwelijks, maar wel dat het nog meer was dan officier of ambtenaar, ook schoone zaken, zooals zelfs een zestienjarige gevoelt vanwege het gedurig hooren zeggen. Dat vulde aan wat er aan die hoekige gestalte ontbrak, fatsoeneerde den neus, tintte de oogen, maakte den bril tot een sieraad, was oorzaak dat zij van Beek de voorkeur gaf als zij aan Kees dacht, maar aan Kees als zij van Beek voor zich zag.Terwijl de gedachten haar door het hoofd kruisten in snelle opvolging en afwisseling, het[166]antwoorden onmogelijk makend, zich oplossende in één verlangen, om weg te kunnen loopen, stond van Beek daar onbewegelijk, schijnbaar zonder spanning en onverschillig. Een vraag om antwoord, een aandringen, had hij te voren niet geprepareerd, en in zijn langzaam denken kon zich dat niet zoo ineens ontwikkelen, daar waren minstens eenige dagen mee gemoeid. Hij bleef staren op haar bewogen trekken, niet in staat daarvan af te lezen wat zij uitdrukten.„Anneke! Waar ben je?” riep haar vader; en het was een verlossing.„Ik zal het papa zeggen,” sprak zij, zich verwijderend.„Alsublieft,” zeide hij, „dan ben ik er meteen af.”Anneke hoorde het laatste niet meer; op een drafje snelde zij naar het huis terug. Wije was gekleed en had zin een eindje te wandelen. Anneke deed dit gaarne; en om uitstel te[167]voorkomen, en tevens zelf nog eens te kunnen bedenken hoe zij het zou vertellen, zeide zij voorloopig niets van het zooeven gebeurde.Toen zij terugkwamen was het donker met zwartbewolkte lucht. De lantaarns, opgehangen in het midden tusschen de boomen, vermochten hun petroleumlicht niet te doen doordringen tot op den weg; het bescheen slechts een bolvormige ruimte in de duisternis, daartegen zichtbaar stuitend, met takjes en bladeren van boomen in den kring, groener dan overdag, door de inwerking van het oranjegeel schijnsel. Laag bij den grond, dicht langs den wegkant, de oliepitjes en smeulende stukken hout, waarvan men de inlandsche dragers niet zien kon, dan als voorbijzwevende vlekken op het zwart rondom.Gestuurd door de gewoonte van dagelijks doen, vonden Wije en Anneke hun weg op het voorerf, zij hangende aan zijn arm tot zij stil stonden voor de trap van de voorgalerij,[168]er tegen stootend met den voet.„Papa, van Beek heeft mij gevraagd.”Hij liet haar los, onwillekeurig starend in de richting waarin zij stond, een hè! van verrassing uitstootend. Maar hij kon haar niet zien; en kloppend op zijn zak, waarin hij gewoon was een doosje lucifers te hebben, liep hij naar binnen; Anneke hem achterna, de warme kleur die zij bij het zeggen der laatste woorden had gekregen, onder het gaan voelende zakken, langzaam wegtrekkend van haar voorhoofd naar omlaag in haar hals. Haastig stak hij de lamp op, en die nog vasthoudend, het hoofd half onder de kap, zag hij haar scherp aan; te laat.„Je hebt zeker nog wel meer te vertellen?”„Neen pa.”„Wat heb je hem geantwoord?”„Niets pa; alleen dat ik het u zou zeggen.”„Doe me een plezier en zeg wat je wilt. Het is je gewoonte niet om je de woorden[169]zoo uit de keel te laten halen; waarom dat dan nu gedaan?”„Omdat ik het zelf nog niet weet,” zeide Anneke eenvoudig. „Ik zou graag trouwen, maar liever niet met van Beek.”„Je zegt dat op een toon alsof je bedoelde: desnoods met van Beek.”„Ja pa, dat bedoel ik.”Wije zweeg, niet wetend hoe hij het had. Hij zag haar aan, terwijl zij droomerig naar buiten staarde, en ontdekte een vreemden trek om haar mond, rimpels, loopende van de neusvleugels naar de mondhoeken, cirkelvormig. Hij kende dat bij oudere meisjes, die een leeftijd hadden bereikt waarop zij heetten te berusten in het denkbeeld van nooit te zullen trouwen, doch bij Anneke vond hij het onrustwekkend vroeg. Het gaf hem een vraag in, die hij niet durfde uiten, zich geneerende voor het antwoord, al kwam dat van zijn eigen dochter.[170]„Correspondeer je nog met Duna?” vroeg hij, naar den bekenden weg.„Ja pa. Kees komt over een week of wat thuis.”„Hoe sta je met hem?”„We zijn altijd goede vrienden geweest, en met Sinterklaas … dat weet u.” Zij stond op, om uit het glazenkastje, aan het andere eind van de galerij, deminoemante krijgen, zijn verklaring overhoorend, dat hij het eigenlijknietwist. Maar toen zij weer terugkwam, erg druk met het overeindzetten der glaasjes en inschenken, was hem plotseling een andere gedachte ingeschoten, aan mevrouw Duna.„Je kunt van Beek niet gedurende „een week of wat” aan de praat houden,” zeide hij, „en afwachten wat Duna wil, zooals ik meen dat eigenlijk je zoeken is. Hij moet antwoord hebben, ja of neen. En ik zou het eens goed overwegen; ik weet toevallig dat er zich bij zijn aanzoek geen bezwaren zouden[171]opdoen, terwijl bij Duna … hm, ik heb reden …”„U meent Kees zijn mama,” zeide Anneke met verachtelijk optrekken van haar bovenlip en even uitsteken van het puntje van haar tong.„Hoe … wat …? Waar haal je dat vandaan? Ik bedoelde … zijn papa,” loog Wije, die fameus geschrokken was.„Neen, dan weet u het niet,” zeide Anneke, en verhaalde hem, wat zij wist van de kwaadsprekerij van mevrouw Duna en het blijk dat meneer gegeven had daar niet mee in te stemmen.„Juist, dat reepje papier,” zeide hij. „Ik had het gevonden en daaruit … maar ik zie nu dat ik het mis heb. Intusschen als mevrouw tegen je is, voorzie ik toch groote moeielijkheden.”Anneke voorzag die niet, doch gevoelde ze. En dat deed de kansen van van Beek voor[172]’t oogenblik rijzen. Want zij had daareven de waarheid gezegd, zij wilde trouwen. Niet uit ziekelijke begeerte of maatschappelijk oogpunt, doch omdat zij was, die zij was, een gezond ontwikkeld meisje met het bewustzijn van groote geschiktheid voor die zijde van het leven, die zich in het huwelijk openbaart, en totale ongeschiktheid voor de misère, die juist om deze redenen, haar in geval van teleurstelling zoude wachten. Ook dit kon zij niet formuleeren en toch wist zij het, als bij instinct. Intusschen, zij hield van Kees; het zou haar geen moeite kosten haar hand in de zijne te leggen, als hij om haar kwam; zij was met die gedachte al zoo lang vertrouwd, dat ze het zich haast niet anders meer kon voorstellen. Maar soms beving haar een schrik bij de gedachte dat het wel eens niet zoo kon uitkomen en drong zich de vraag in haar op: wat dan? Of, wie dan? Het antwoord echter hierop had zich nog nooit belichaamd, tot op dezen avond, plotseling,[173]op een oogenblik waarin zij de vraag in ’t geheel niet stelde. En men verlangde dat zij dadelijk zou kiezen; niet eerst afwachten, neen, onmiddellijk. Maar dat ging immers niet. Daar moest over worden gedacht … daartoe moest men een vertrouwde hebben, een moeder, aan wier voeten men kon gaan zitten of knielen, het hoofd in haar schoot, met twee woorden telkens een volzin beginnende, die het hart verder voltooide, en daartusschen korte schreibuien. Zoo kon men alles oplossen, doch een man was niet de persoon bij wien men op die wijze hulp kon zoeken, aan zijn gesteven witten pantalon was daarvoor geen plaats.„Ik voor mij,” hernam Wije, toen zij bleef zwijgen, „vind beide partijen even mooi, maar zooals altijd, de zekere de beste. En bovendien is, waar men elkaar kent en de een den ander niet bepaald afstoot of tegenstaat, een zoogenaamdmariage de raisonin de meeste gevallen te verkiezen boven een huwelijk uit liefde, of[174]beter: verliefdheid. In het laatste geval stelt men wederzijds eischen, hooger dan met den besten wil vervuld kunnen worden, en slechts weinigen zijn zoo verstandig zich wat in te toornen; in het eerste weet men nagenoeg wat men aan elkaar heeft, de eischen die men stelt gaan daar niet overheen en zijn bescheiden, en de gewoonte van met elkaar te leven doet de rest om het huwelijk althans aangenaam te maken.”„Foei pa, wat is u prozaïsch,” viel Anneke in. „Is dat nu niet, wat u mij laatst hebt gezegd dat men een paradox noemt?”„Betrekkelijk ja. Voorzoover men de meening van jongelui en romanschrijvers als de heerschende aanneemt. Maar we dwalen af. Ik zie wel dat je nu geen trek hebt er verder over door te gaan.Soedah, een paar dagen mag je er altijd over nadenken. Beloof je mij dat ook te zullen doen?”„Ja pa. Van Beek zal er misschien wel op[175]terugkomen of zondag … neen dan zijn we pas verhuisd, maar zondag over acht dagen komt hij vast weer bij ons, en dan … kunnen we zien.”Wije glimlachte over haar slimheid in het uitstellen, doch vond ten slotte dat het geen kwaad kon als zij er eens overpikirde, hopende dat zij van Beek zou aannemen. Er was in zijn ideeën omtrent een huwelijk van Anneke een verandering gekomen, die dateerde van af het eerste bezoek van mevrouw Duna. Anneke was lastig in huis, een sta in den weg en … hij hield te veel van haar, om niet in gedurigen angst te verkeeren, dat zij het zou bemerken.Als zij echter met Kees geëngageerd raakte, dan was het nog gekker, vooral daar dit engagement lang kon duren, omdat zij met trouwen moesten wachten tot hij bevorderd was tot controleur. En ten slotte werd de verhouding zoo mal, zoodra men „het” wist. Het kwam niet in hem op, dat feitelijk hijzelf, en niet Anneke, voor een keus stond.[176]Er volgden eenige dagen van drukte en bezigheid, de vendutie, het verhuizen en eindelijk, voor Wije, het zich inwerken in de administratie, die hij voeren moest voor mevrouw Duna. Toen hij die in orde had, niet dan nadat zij verscheiden malen inlichtingen was komen geven, begon hij aan zijn eigen zaken, het laatst ontvangen geld op de gewone wijze beleggend. Daarop bezocht hij Piong Pan Ho, wiens benoeming tot luitenant hij in de courant had gelezen.Hij vond denSingkehniet in detoko, die vergeleken met de vorige maal dat hij er geweest was, erg leeg was, zoo dat men nu zonder zich te stooten er doorheen kon wandelen. De bediende, die Piong Pan Ho ging waarschuwen, kwam terug met het verzoek of meneer achter wou komen. Wije liep daarop door, om het nieuwe huis heen, naar de bijgebouwen. In een der kamertjes zat de man dien hij zocht, achter een met papieren beladen tafel, een grooten hoornen bril op zijn neus.[177]„Dag luitenant,” groette Wije, en het hooren van zijn nieuwen titel riep een flauwen glimlach te voorschijn op het gelaat van denSingkeh.„Banjak soesah,” zeide hij toen, wijzende op eenige rekeningen die voor hem lagen.„Wat is er?” vroeg Wije deelnemend.„Die suikerfabriek is de rotste zaak die er bestaat,” barstte Piong Pan Ho los. „Het is een dievenboel! Daar liggen de rekeningen van benoodigdheden; ik heb laten informeeren wat zij kosten, alles twintig percent minder dan hier staat; de reparaties kan ik niet nagaan, maar ook daar is op gestolen. Op die manier lijd ik verlies; ik wist wel dat er geen groote winsten mee te behalen waren, soedah! maar verliezen is toch jammer, dat doe ik nooit.”„Ja,” zeide Wije, die een papier had opgenomen en ingezien, „het is erg, dat zie ik zóó wel, al ken ik de prijzen niet. Nu je ’t echter weet,[178]is het niet moeielijk er een eind aan te maken.”„Het zijn Europeanen, meneer. Wat helpt het mij of ik het weet; ik heb er een Chinees naar toe gezonden om mij te berichten hoe het op de fabriek zelf toegaat, maar wat helpt het mij? Ik kan hen toch niets doen.”Een oogenblik moest Wije lachen om het idee: Piong Pan Ho met eenrottanden administrateur en de employé’s der fabriek afranselend; want iets anders kon hij niet bedoelen met zijn klacht.„Er zijn nog andere middelen,” zeide hij. „Maar … ik weet wat! Ik heb nu toch niets te doen, en zoek werk … stel mij als je gemachtigde aan; dan zal ik alle bestellingen en leveringen zelf behandelen, de administratie hier voeren en, in één woord, hun niets overlaten dan het werk op de fabriek.”Piong Pan Ho stond op van zijn stoel en greep Wije’s hand, zich daarover heenbuigend zooals hij het de inlanders had zien doen bij[179]hunhadjies. Toen sprak hij lang en luid over de goedheid van dien Europeaan, die hoewel pinterder dan de anderen, zijnoentoengniet zocht in het plukken van een armen Chinees, wiens dood het zou zijn als hij op zijn zaken doorgaand verloor; en er volgde eencombat de génerositéover het salaris dat Wije zou genieten. Het werd eindelijk bepaald op vijfhonderd gulden; minder wou Piong Pan Ho in geen geval geven, en hij behield zich voor ingeval de fabriek winsten afwierp, Wije daarvan percenten toe te kennen, zoo goed als hij die moest uitbetalen aan dien administrateur. En nu men toch over geld sprak, herinnerde hij zich dat er reeds veel was binnengekomen van hetgeen hij voor meneer had uitgezet; hij zou het even nakijken. Wat hij deed in een dier langwerpige blauwe boekjes, blaadje voor blaadje omslaand, en zonder er naar te zien, met zijn vingers de balletjes op het telbord heen en weer schuivend.[180]„Acht duizend driehonderd twee en twintig,” las hij af; „ik zal het gaan halen.”Toen hij weg was stond Wije op, zich uitrekkend bij gebrek aan iets anders dat hij niet durfde doen, maar toch behoefte hebbend aan eenigerlei lichaamsbeweging om zijn vreugde te uiten. ’t Was vreemd, dat zijn „antecedenten” niet waren doorgedrongen tot dienSingkeh! Hoewel, die was te nuchter om zich aan praatjes te storen.„Hoeveel staat er nu nog?” vroeg hij, nadat hij het geld van Piong Pan Ho had aangenomen, wenschende alzoo een winstberekening te maken.„Zooveel als u mij heeft toevertrouwd.”„En dit dan?”„Dat is binnengekomen.”„Is het dan enkel winst?”Zooals men het nemen wilde, verklaarde Piong Pan Ho. Het uitgezette geld zat vast; dat zag men nooit weerom, doch er bleef[181]steeds binnenkomen,samadjoega pantjoeran, altijd doorloopend, jarenlang, tot er hier en daar wat wegraakte dat niet te forceeren viel; maar iets bleef het allicht geven en met een deel van het binnengekomene kon men weer nieuwe zaken doen„Waar zit het dan?” vroeg Wije.„In dedessa. Nu komt er in lang niets binnen, maar tegen het begin van den westmoeson is het waarschijnlijk weer meer dan nu.”Wije stond verstomd en durfde niet verder vragen. Hij had dikwijls hooren spreken van „uitzuigen van den inlander” door Chineezen en vreemde Oosterlingen, zonder ooit in de gelegenheid te zijn geweest nadere détails te vernemen; want zij, die dien term geregeld in den mond namen, wisten zelf niets meer, hun niet weten achter geheimzinnige gezichten verbergende; nu kon hij er achter komen en wilde niet, vreezende iets te zullen hooren dat hem afschuw zou inboezemen voor die „pantjoeran” van geld.[182]Opgewonden kwam hij thuis.„De dag is goed geweest,” zeide hij tot Anneke;„ik heb zóóveel werk gekregen en dat geeft zóóveel … dat we niet hadden behoeven te verhuizen, als ik het maar eerder geweten had.”„Gaan we dan terug naar ons oude huis?”„Neen, dat zou niet staan. En laat ons maar zuinig zijn, des te vroeger kunnen we alle onrust voor de toekomst op zij schuiven. Is er iets dat je niet bevalt in dit huis?”„Het huis is goed,” zeide Anneke, „maar we hebben zulke rare buren. Die kijven den ganschen dag, en als de man uit is, gaat zij verschrikkelijk aan tegen de bedienden. Als u daar bij depaggergaat staan kunt u het hooren.”„Ga er dan niet staan.”„Men moet toch rondkijken op het erf. O ja, dat herinnert me … Gistermiddag zag ik, aan den anderen kant, een inlander uit[183]dekamponghiernaast, die een ladder zette tegen den muur van het paviljoen en probeerde door een van die ronde gaten naarbinnen te zien. Zouden ze willen inbreken?”„Die duivelskinderen!” schold Wije, naar het paviljoen loopende. Daar bekeek hij de ronde luchtgaten in den zijmuur, en achteruitstappend om de richting te meten, onderzocht hij of men daar doorheen kon zien wat er in het kantoor geschiedde. Bukkend, met zijn hoofd ter hoogte van de rustbank, zag hij het luchtgat daartegenover gesloten. Toch liet hij onmiddellijk een metselaar roepen, die de gaten dichtmaakte, ofschoon Anneke opmerkte dat zij te klein waren, zelfs voor een inlander, om er zich door te wringen. Hij gaf haar gelijk, maar het was nu eenmaal gelast, dus moest het gebeuren. Bij zichzelf mopperde hij over de nieuwsgierigheid van dat volk; want hij had dadelijk begrepen dat zij slechts de bevestiging zochten van een,[184]door de vele bezoeken van mevrouw Duna, bij hen gerezen vermoeden. Het was ergerlijk, dat men in Indië niets van dien aard geheim kon houden. Wat ging het hun aan?Een paar dagen later meldde zich bij Wije de administrateur van Piong Pan Ho’s suikerfabriek. Hij had Wije’s brief ontvangen, die hem de verandering meldde in het direct beheer, en kwam er nu eens over praten. Het was een man van fatsoenlijk voorkomen en manieren. In plaats van de standjes, die Wije half en half verwacht had, begon hij een langdradige verhandeling over zijn positie, die zoo mooi was vroeger, toen de fabriek aan Europeesche eigenaars toebehoorde en zoo in minachting, nu die van een Chinees was. Eindelijk, daar Wije hem liet doorspreken, had hij het over hetgeen aanleiding had gegeven tot deze handeling van den eigenaar, want hij wilde er geen doekjes om winden, dàt was hem duidelijk genoeg. Het speet hem[185]nu, dat hij bij den overgang zijn ontslag niet had genomen, toen hij gemakkelijk een gelijke betrekking had kunnen krijgen, wat nu voor goed was verkeken omdat hij bij een Chinees had gediend. Wat er dat toe deed, verklaarde hij niet te beseffen, maar het stond er toe, men nam niemand aan, die dàt achter zich had. Men deed het dan ook alleen, en zoo ook hij, om der wille van de „losse emolumenten” die men op een Chineesche fabriek genoot; daar schaamde hij zich voorts volstrekt niet over, dat was usance. En nu waren die zoo opeens weggevallen!„Ik hoop, meneer Wije,” besloot hij, „dat u zult weten te leven en te laten leven.”„U vergist zich,” zeide Wije, „als u denkt dat de u ontvallen „losse emolumenten” aan mij zijn gekomen. Ik heb deze zaak op mij genomen uit een soort vriendschap voor den eigenaar der fabriek. Natuurlijk niet zonder belooning. Doch mijn grootste verdiensten zullen[186]moeten komen uit het voordeel dat de fabriek oplevert, en dat behoort ook bij u het geval te zijn.”„Dat zou mooi gezegd zijn als we tien jaar vroeger leefden,” zeide de administrateur. „De machines zijn nu oud, en wat erger is, met de lage suikerprijzen, verouderd. Om behoorlijke winsten te kunnen maken zoude de heele installatie moeten worden vernieuwd, althans nagenoeg. De vorige eigenaars hebben er tegen opgezien en haar daarom verkocht.”„Is dat de eenige reden,” vroeg Wije, „en durft u mij op uw woord en als vakman verzekeren dat nieuwe machines de onderneming beter zouden doen rendeeren?”„Op mijn woord van eer,” zei de ander. „Maar gaat u zelf zien op andere fabrieken; ik zal er u een lijstje van opgeven.”„Goed. Ik zal het onthouden. Als na afloop van den maaltijd de zaak betrekkelijk meevalt, zal ik Piong Pan Ho voorstellen doen van[187]die strekking, en ik twijfel geenszins of u krijgt wat u wenscht en … noodig is.”„Belooft u mij dat?” riep de administrateur. „Ja? Nu dan kunt u op mij rekenen. Dat is een buitenkansje. Zoo mag ik het veel liever dan te moeten … laat ons het nu maar stelen noemen. En als u hier de man is, maakt het voor mij ook een groot verschil; ik heb dan ten minste niet direct met een Chinees te doen.”De administrateur verliet Wije’s kantoor in de beste stemming, die zich uitte toen hij even daarna in de sociëteit zat. Aan wie het hooren wilde, vertelde hij met groot genoegen te hebben kennis gemaakt met Wije, den gemachtigde van den luitenant-Chinees; met dien kon men nu eens flink opschieten!Zij die het hoorden, dachten er het hunne van. Enfin, het was een Chinees; maar dat die Wije nu juist zoo’n baantje op den kop moest tikken; hij was altijd een scharrelaar[188]geweest en … met goed fatsoen kon men nu niet meer met hem omgaan.Van Beek wachtte nog steeds op antwoord. Dat het lang duurde, was hem niet opgevallen; hij had zelf veel tijd noodig om te besluiten en gunde dien een ander eveneens. Er was trouwens geen haast bij; aan het gevoel van een heldenstuk verricht te hebben had hij voorloopig genoeg. Men mocht het natuurlijk niemand vertellen, dat begreep hij, ofschoon hij het wel had willen uitschreeuwen; dus hield hij zijn mond. Wat echter niet belette dat het influenceerde op zijn gansche persoonlijkheid, op zijn voorkomen zoowel als zijn uitingen; men vond op het kantoor dat van Beek wakker scheen te worden, terwijl anderen er zelfs bijvoegden dat hij zich „airs” gaf. Een week na zijn aanzoek kwam hij bij den Franschen kapper, en voor ’t eerst deed deze hem de stereotype vraag:Monsieur a encore besoin de quelque chose?bij het uitgaan van[189]het knip- en scheerhokje, anders gezegdsalon, niet tevergeefs. Van Beek kocht dassen, boorden van het nieuwste model, bottines en nog allerlei andere zaken die men in een Indischen coiffeurs-winkel aantreft. Eenige dagen later kocht hij in een apotheek een gouden lorgnet, en dat deed de deur dicht!Voor de zooveelste maal sprak heel Semarang over van Beek. En men wist wat er aan de hand was! Reeds lang was de lucht zwaar van de praatjes over een mutatie in de hoogste handelskringen. Er was uitgelekt, dat op het kantoor van den heer Duna allerlei werk verricht werd, dat geen zin zou hebben, tenzij men stond voor een overgave van het beheer aan een ander chef. Op den dag vóór het opzetten van het lorgnet, was van Beek door zijn chef naar Duna gezonden, onder wiens toezicht hij een en ander had moeten doen, dat de goedkeuring van den laatstgenoemde had weggedragen. Die feiten stonden vast en[190]niets gemakkelijker dan er verder op door te bouwen. Duna ging weg; waarheen en wie hem zou vervangen was een open vraag; van Beek kreeg een positie bij decrediet-instelling, en een hooge, want daarop wees alles wat hij aantrok.De tweede week was om; zondagmorgen, en nog geen antwoord. Van Beek begon ongeduldig te worden. Over de zaak nadenkende, kwam hij tot het besluit dat Anneke het zeker niet aan haar vader had durven zeggen. Daar kon hij in komen;hijzou het ook niet durven. Maar als dat het geval was, kon het verbazend lang duren, langer dan aangenaam was, nu het ophield een nieuwtje te zijn. Hij had zich al zoo dikwerf met Anneke geëngageerd en wandelend gedroomd, dat zijn hersenen weigerden in die richting verder te functioneeren. Er zat niets anders op dan vanavond bij de Wije’s te gaan eten, en bleek het dat zijn vermoeden juist was, den volgenden dag een brief te schrijven,[191]waarvoor er in den Franschen bundel, waaruit hij zijn declaratie had gehaald, een model als geknipt was.Zoo overviel hij Wije en Anneke. De eerste had in de drukte van den laatsten tijd het geheele aanzoek vergeten, en Anneke had zich stil gehouden; doch nu begreep haar vader dat het niet aanging van Beek langer op te houden. Na den eten, terwijl Anneke nog achter bezig was, kwam Wije, onder een voorwendsel zich een oogenblik verwijderende, bij haar.„Hoor eens Anneke,” zeide hij een weinig driftig, „dat gaat zoo niet. Ik schaam me mijn oogen uit mijn hoofd als ik dien jongen aanzie. Je hebt nu tijd genoeg gehad om er over te denken; wat wil je? Ik sta er op het hem mee te deelen.”„Dan, neen!” antwoordde zij bits.„Nog een half uur geef ik je,” hernam hij. „Kom je vóór, dan zal ik het beschouwen als een teeken dat je hem aanneemt, blijf je achter,[192]en dan bij voorkeur in je kamer, zoo zeg ik hem het tegendeel.”Zonder verder antwoord af te wachten ging hij terug naar van Beek, onderweg op zijn horloge ziende.Het half uur verstreek onder een zeer gedwongen discours. Wije liet er een minuut of vijf overheen loopen en riep toen den huisjongen, hem vragende waar de juffrouw was.„Nonna soedah masok kamar,1” berichtte de bediende.„Goed,” zeide Wije en zich tot van Beek wendende vervolgde hij: „Anneke heeft mij verteld wat je haar gevraagd hebt.”„O ja …?”„Ik kan niet anders zeggen, dan dat haar en mij je aanzoek vereerd heeft. De beslissing moest ik natuurlijk overlaten aan haar, en zij kon er maar niet toe komen. Intusschen heb je recht op een antwoord. Welnu, het spijt mij,[193]doch haar niet verschijnen beduidt een afwijzing.”Van Beek had van de redeneering niet veel verstaan; hij had een aanval van benauwdheid, meer door verlegenheid dan door spanning veroorzaakt; het laatste woord echter drong tot hem door, en iets als toorn beving hem.„Dat is gemeen,” mompelde hij, doch heel zacht.„Nogmaals, het spijt mij,” zeide Wije. „Gelukkig weet niemand er iets van; want dat is altijd onaangenaam. Ik zal Anneke streng verbieden er zich tegen wien ook, over uit te laten.” En toen van Beek langzaam opstond: „We scheiden hoop ik als vrienden? Dat is best. Nu, al heeft dit niet zoo mogen zijn, je blijft ons welkom. Misschien krijg je later wel weer eens trek om hier aan te komen.”Het eerste wat van Beek deed, toen hij thuis kwam, was de vuist ballen en een slag geven, die slechts deklamboeraakte van zijn bed; daarna nam hij een stoel, ging er verkeerd[194]op zitten, de leuning vóór hem, zijn armen op de leuning, zijn hoofd op zijn armen, en huilde.Den volgenden morgen werd hij wakker als vrouwenhater. Slechts even stelde hij zich de vraag of het publiek er naar raden moest of weten hoe hij dit was geworden; hij besloot tot het laatste, en Wije’s woorden in den wind slaande, vertelde hij aan zijn mede-employé’s dat hij een blauwtje geloopen had op Anneke Wije. Dat kleedde, meende hij, en verkneukelde zich als men hem meewarig aanzag, terwijl hij zich zooveel mogelijk in het publiek liet zien, met name bij de uitvoeringen der schutterij-muziek op de aloon-aloon en voor het residentie-huis. Bij een dier gelegenheden voegde zich een jongmensch, een Semarangschlionbij hem.„Weetje,” vroeg deze, „waarom ik met je loop?”„Neen,” antwoordde van Beek.„Omdat alle dames naar je kijken, en zoodoende ook naar mij.”Toen was hij overgelukkig.[195]1De juffrouw is al in haar kamer.↑
[Inhoud]VII.VII.EEN OORSPRONKELIJKE DECLARATIE EN EEN BLAUWTJE.Thuis gekomen liep Wije onmiddellijk naar zijn kantoortje, om het geld op te bergen dat hij zooeven van de firma ontvangen had. Morgen kon hij dat bezorgen, en in één woord, aan zijn eigen zaken beginnen. Ja, het beste was maar al het oude van zich te schudden en met kalmte en moed de toekomst in te gaan, die toch zoo heel donker nog niet was. Hij scheurde de papiertjes van drie dagen van den kalender en las dat van heden:Quand tout est perdu, c’est l’heure des grandes âmes, stond er op. Wel niet heelemaal toepasselijk,[161]doch als men het vrij vertaalde: wanneer het slecht gaat, steek dan het hoofd op, dan was het te gebruiken; bovendien kon men zich desnoods verbeelden eengrande âmete zijn.„Is u daar al?” vroeg Anneke binnenkomende. „Alles afgeloopen?”„Ja, we zijn zoover.”Zij zag hem even aan, doch zijn gezicht stond niet treurig en ook de toon van zijn stem klonk niet gedrukt, dus scheen hij zich de zaak niet zoo erg aan te trekken als zij had gevreesd. Wat er eigenlijk gebeurd was, besefte zij niet ten volle. Nog nooit in de omstandigheden verkeerd hebbende voor zich zelf en anderen te moeten zorgen, wist zij niet wat dat beteekende, en evenmin wat het was zich te moeten verminderen, als men niet alleen staat op de wereld. Zij kon er derhalve ook geen angst voor gevoelen, en het alleen naar vinden dat haar pa ergens over tobde. Doch zoo dit niet langer het geval[162]was, dan was immers alles in orde. Zij praatte met hem door over al wat er gedaan moest worden in de eerstvolgende dagen, hoewel ze reeds alles wist: welke meubels meegingen naar het kleine huisje en dat de rest netjes opgepoetst werd voor de vendutie. Want daarmee was reeds een begin gemaakt. En hij vond het gelukkig dat zij het blijkbaar beschouwde als een niet onplezierige verandering, zonder begrip van meerdere of mindere weelde.Een groot uur later, terwijl Wije in zijn kamer was, stond zij in de achtergalerij en bespeurde aan den kant van depaggervan Beek, die zoodra zij hem in ’t oog kreeg, haar wenkte. Zij ging er heen.„Juffrouw Anneke, u gaat verhuizen?” vroeg hij, met iets afgemetens in zijn houding.„Ja, dat heb ik u immers voor een paar dagen al verteld!” zeide zij.„Juist,” ging hij voort; „dus we zullen geen praatje meer kunnen houden zooals nu.”[163]„Neen, dat is jammer. Maar u komt ons ginds toch wel opzoeken?”„Zeker heel graag. Komt u morgen … neen … ik zal het nu maar doen. Ik … had u wat te zeggen, hier, aan de heg.” En hij wees met zijn vinger op een blaadje, alsof dàt er niet bij kon gemist worden.Anneke knipte met de oogen. Als Indisch meisje op die punten zeer gevat, begreep zij dadelijk waar hij heen wilde, doch zij miste den slag hem te voorkomen; en terwijl zij nadacht over de wijze hoe hem nog van zijn stuk te brengen, stak hij van wal, eentonig de woorden opdreunend, alsof hij een van buiten geleerd lesje opzei, wat dan ook werkelijk het geval was.„Er komt,” sprak hij, „in het leven van elken man een oogenblik waarop hij diegene ontmoet, die hem aan het geluk doet gelooven. Dan grijpt er een verandering in hem plaats; uit wat hij gisteren nog gewoon en prozaïsch[164]vond, schept hij heden poëzie, de reinste, de schoonste, die hem het hart doet zwellen in de borst, zich uit in alles wat hij spreekt of schrijft, hem den verrukkelijksten droom doet droomen en, door hem te vergrooten in zijn eigen gevoel, den moed inboezemt haar te naderen, die van dit alles de oorzaak is, en haar te vragen dien droom te verwezenlijken. Dat oogenblik is voor mij aangebroken, en die ik bemin zijt gij, Anneke. Wilt gij de zonnestraal zijn die mijn pad verlicht? En, ziet u, u kunt het best doen, wat dat betreft; mijn papa is schatrijk, hij is millionnair.”De laatste zin was oorspronkelijk.Van Beek’s declaratie had het gewone effect dat die dingen altijd hebben; er volgde geen antwoord. Maar ook uit Anneke’s houding viel niet op te merken of zij hem aannam of niet. De zaak was dat zij het een niet wilde, het ander niet durfde, en het ten slotte zelf niet meer wist. De tirade door hem geuit, had zij[165]voor ernst, voor uit hemzelf gekomen aangezien, en meende daarom dat het hem in ’t hoofd geslagen was, een tijdelijke toestand, doch die misschien door een weigering bestendigd kon worden. Zij had in ’t algemeen te veelkassianmet hem, en thans in ’t bijzonder, om hem dàt aan te doen. Dan de laatste woorden, waarvan het lompe haar ontsnapt was, doch de beteekenis niet. Millionnair! Dat wil zeggen … Anneke wist het nauwelijks, maar wel dat het nog meer was dan officier of ambtenaar, ook schoone zaken, zooals zelfs een zestienjarige gevoelt vanwege het gedurig hooren zeggen. Dat vulde aan wat er aan die hoekige gestalte ontbrak, fatsoeneerde den neus, tintte de oogen, maakte den bril tot een sieraad, was oorzaak dat zij van Beek de voorkeur gaf als zij aan Kees dacht, maar aan Kees als zij van Beek voor zich zag.Terwijl de gedachten haar door het hoofd kruisten in snelle opvolging en afwisseling, het[166]antwoorden onmogelijk makend, zich oplossende in één verlangen, om weg te kunnen loopen, stond van Beek daar onbewegelijk, schijnbaar zonder spanning en onverschillig. Een vraag om antwoord, een aandringen, had hij te voren niet geprepareerd, en in zijn langzaam denken kon zich dat niet zoo ineens ontwikkelen, daar waren minstens eenige dagen mee gemoeid. Hij bleef staren op haar bewogen trekken, niet in staat daarvan af te lezen wat zij uitdrukten.„Anneke! Waar ben je?” riep haar vader; en het was een verlossing.„Ik zal het papa zeggen,” sprak zij, zich verwijderend.„Alsublieft,” zeide hij, „dan ben ik er meteen af.”Anneke hoorde het laatste niet meer; op een drafje snelde zij naar het huis terug. Wije was gekleed en had zin een eindje te wandelen. Anneke deed dit gaarne; en om uitstel te[167]voorkomen, en tevens zelf nog eens te kunnen bedenken hoe zij het zou vertellen, zeide zij voorloopig niets van het zooeven gebeurde.Toen zij terugkwamen was het donker met zwartbewolkte lucht. De lantaarns, opgehangen in het midden tusschen de boomen, vermochten hun petroleumlicht niet te doen doordringen tot op den weg; het bescheen slechts een bolvormige ruimte in de duisternis, daartegen zichtbaar stuitend, met takjes en bladeren van boomen in den kring, groener dan overdag, door de inwerking van het oranjegeel schijnsel. Laag bij den grond, dicht langs den wegkant, de oliepitjes en smeulende stukken hout, waarvan men de inlandsche dragers niet zien kon, dan als voorbijzwevende vlekken op het zwart rondom.Gestuurd door de gewoonte van dagelijks doen, vonden Wije en Anneke hun weg op het voorerf, zij hangende aan zijn arm tot zij stil stonden voor de trap van de voorgalerij,[168]er tegen stootend met den voet.„Papa, van Beek heeft mij gevraagd.”Hij liet haar los, onwillekeurig starend in de richting waarin zij stond, een hè! van verrassing uitstootend. Maar hij kon haar niet zien; en kloppend op zijn zak, waarin hij gewoon was een doosje lucifers te hebben, liep hij naar binnen; Anneke hem achterna, de warme kleur die zij bij het zeggen der laatste woorden had gekregen, onder het gaan voelende zakken, langzaam wegtrekkend van haar voorhoofd naar omlaag in haar hals. Haastig stak hij de lamp op, en die nog vasthoudend, het hoofd half onder de kap, zag hij haar scherp aan; te laat.„Je hebt zeker nog wel meer te vertellen?”„Neen pa.”„Wat heb je hem geantwoord?”„Niets pa; alleen dat ik het u zou zeggen.”„Doe me een plezier en zeg wat je wilt. Het is je gewoonte niet om je de woorden[169]zoo uit de keel te laten halen; waarom dat dan nu gedaan?”„Omdat ik het zelf nog niet weet,” zeide Anneke eenvoudig. „Ik zou graag trouwen, maar liever niet met van Beek.”„Je zegt dat op een toon alsof je bedoelde: desnoods met van Beek.”„Ja pa, dat bedoel ik.”Wije zweeg, niet wetend hoe hij het had. Hij zag haar aan, terwijl zij droomerig naar buiten staarde, en ontdekte een vreemden trek om haar mond, rimpels, loopende van de neusvleugels naar de mondhoeken, cirkelvormig. Hij kende dat bij oudere meisjes, die een leeftijd hadden bereikt waarop zij heetten te berusten in het denkbeeld van nooit te zullen trouwen, doch bij Anneke vond hij het onrustwekkend vroeg. Het gaf hem een vraag in, die hij niet durfde uiten, zich geneerende voor het antwoord, al kwam dat van zijn eigen dochter.[170]„Correspondeer je nog met Duna?” vroeg hij, naar den bekenden weg.„Ja pa. Kees komt over een week of wat thuis.”„Hoe sta je met hem?”„We zijn altijd goede vrienden geweest, en met Sinterklaas … dat weet u.” Zij stond op, om uit het glazenkastje, aan het andere eind van de galerij, deminoemante krijgen, zijn verklaring overhoorend, dat hij het eigenlijknietwist. Maar toen zij weer terugkwam, erg druk met het overeindzetten der glaasjes en inschenken, was hem plotseling een andere gedachte ingeschoten, aan mevrouw Duna.„Je kunt van Beek niet gedurende „een week of wat” aan de praat houden,” zeide hij, „en afwachten wat Duna wil, zooals ik meen dat eigenlijk je zoeken is. Hij moet antwoord hebben, ja of neen. En ik zou het eens goed overwegen; ik weet toevallig dat er zich bij zijn aanzoek geen bezwaren zouden[171]opdoen, terwijl bij Duna … hm, ik heb reden …”„U meent Kees zijn mama,” zeide Anneke met verachtelijk optrekken van haar bovenlip en even uitsteken van het puntje van haar tong.„Hoe … wat …? Waar haal je dat vandaan? Ik bedoelde … zijn papa,” loog Wije, die fameus geschrokken was.„Neen, dan weet u het niet,” zeide Anneke, en verhaalde hem, wat zij wist van de kwaadsprekerij van mevrouw Duna en het blijk dat meneer gegeven had daar niet mee in te stemmen.„Juist, dat reepje papier,” zeide hij. „Ik had het gevonden en daaruit … maar ik zie nu dat ik het mis heb. Intusschen als mevrouw tegen je is, voorzie ik toch groote moeielijkheden.”Anneke voorzag die niet, doch gevoelde ze. En dat deed de kansen van van Beek voor[172]’t oogenblik rijzen. Want zij had daareven de waarheid gezegd, zij wilde trouwen. Niet uit ziekelijke begeerte of maatschappelijk oogpunt, doch omdat zij was, die zij was, een gezond ontwikkeld meisje met het bewustzijn van groote geschiktheid voor die zijde van het leven, die zich in het huwelijk openbaart, en totale ongeschiktheid voor de misère, die juist om deze redenen, haar in geval van teleurstelling zoude wachten. Ook dit kon zij niet formuleeren en toch wist zij het, als bij instinct. Intusschen, zij hield van Kees; het zou haar geen moeite kosten haar hand in de zijne te leggen, als hij om haar kwam; zij was met die gedachte al zoo lang vertrouwd, dat ze het zich haast niet anders meer kon voorstellen. Maar soms beving haar een schrik bij de gedachte dat het wel eens niet zoo kon uitkomen en drong zich de vraag in haar op: wat dan? Of, wie dan? Het antwoord echter hierop had zich nog nooit belichaamd, tot op dezen avond, plotseling,[173]op een oogenblik waarin zij de vraag in ’t geheel niet stelde. En men verlangde dat zij dadelijk zou kiezen; niet eerst afwachten, neen, onmiddellijk. Maar dat ging immers niet. Daar moest over worden gedacht … daartoe moest men een vertrouwde hebben, een moeder, aan wier voeten men kon gaan zitten of knielen, het hoofd in haar schoot, met twee woorden telkens een volzin beginnende, die het hart verder voltooide, en daartusschen korte schreibuien. Zoo kon men alles oplossen, doch een man was niet de persoon bij wien men op die wijze hulp kon zoeken, aan zijn gesteven witten pantalon was daarvoor geen plaats.„Ik voor mij,” hernam Wije, toen zij bleef zwijgen, „vind beide partijen even mooi, maar zooals altijd, de zekere de beste. En bovendien is, waar men elkaar kent en de een den ander niet bepaald afstoot of tegenstaat, een zoogenaamdmariage de raisonin de meeste gevallen te verkiezen boven een huwelijk uit liefde, of[174]beter: verliefdheid. In het laatste geval stelt men wederzijds eischen, hooger dan met den besten wil vervuld kunnen worden, en slechts weinigen zijn zoo verstandig zich wat in te toornen; in het eerste weet men nagenoeg wat men aan elkaar heeft, de eischen die men stelt gaan daar niet overheen en zijn bescheiden, en de gewoonte van met elkaar te leven doet de rest om het huwelijk althans aangenaam te maken.”„Foei pa, wat is u prozaïsch,” viel Anneke in. „Is dat nu niet, wat u mij laatst hebt gezegd dat men een paradox noemt?”„Betrekkelijk ja. Voorzoover men de meening van jongelui en romanschrijvers als de heerschende aanneemt. Maar we dwalen af. Ik zie wel dat je nu geen trek hebt er verder over door te gaan.Soedah, een paar dagen mag je er altijd over nadenken. Beloof je mij dat ook te zullen doen?”„Ja pa. Van Beek zal er misschien wel op[175]terugkomen of zondag … neen dan zijn we pas verhuisd, maar zondag over acht dagen komt hij vast weer bij ons, en dan … kunnen we zien.”Wije glimlachte over haar slimheid in het uitstellen, doch vond ten slotte dat het geen kwaad kon als zij er eens overpikirde, hopende dat zij van Beek zou aannemen. Er was in zijn ideeën omtrent een huwelijk van Anneke een verandering gekomen, die dateerde van af het eerste bezoek van mevrouw Duna. Anneke was lastig in huis, een sta in den weg en … hij hield te veel van haar, om niet in gedurigen angst te verkeeren, dat zij het zou bemerken.Als zij echter met Kees geëngageerd raakte, dan was het nog gekker, vooral daar dit engagement lang kon duren, omdat zij met trouwen moesten wachten tot hij bevorderd was tot controleur. En ten slotte werd de verhouding zoo mal, zoodra men „het” wist. Het kwam niet in hem op, dat feitelijk hijzelf, en niet Anneke, voor een keus stond.[176]Er volgden eenige dagen van drukte en bezigheid, de vendutie, het verhuizen en eindelijk, voor Wije, het zich inwerken in de administratie, die hij voeren moest voor mevrouw Duna. Toen hij die in orde had, niet dan nadat zij verscheiden malen inlichtingen was komen geven, begon hij aan zijn eigen zaken, het laatst ontvangen geld op de gewone wijze beleggend. Daarop bezocht hij Piong Pan Ho, wiens benoeming tot luitenant hij in de courant had gelezen.Hij vond denSingkehniet in detoko, die vergeleken met de vorige maal dat hij er geweest was, erg leeg was, zoo dat men nu zonder zich te stooten er doorheen kon wandelen. De bediende, die Piong Pan Ho ging waarschuwen, kwam terug met het verzoek of meneer achter wou komen. Wije liep daarop door, om het nieuwe huis heen, naar de bijgebouwen. In een der kamertjes zat de man dien hij zocht, achter een met papieren beladen tafel, een grooten hoornen bril op zijn neus.[177]„Dag luitenant,” groette Wije, en het hooren van zijn nieuwen titel riep een flauwen glimlach te voorschijn op het gelaat van denSingkeh.„Banjak soesah,” zeide hij toen, wijzende op eenige rekeningen die voor hem lagen.„Wat is er?” vroeg Wije deelnemend.„Die suikerfabriek is de rotste zaak die er bestaat,” barstte Piong Pan Ho los. „Het is een dievenboel! Daar liggen de rekeningen van benoodigdheden; ik heb laten informeeren wat zij kosten, alles twintig percent minder dan hier staat; de reparaties kan ik niet nagaan, maar ook daar is op gestolen. Op die manier lijd ik verlies; ik wist wel dat er geen groote winsten mee te behalen waren, soedah! maar verliezen is toch jammer, dat doe ik nooit.”„Ja,” zeide Wije, die een papier had opgenomen en ingezien, „het is erg, dat zie ik zóó wel, al ken ik de prijzen niet. Nu je ’t echter weet,[178]is het niet moeielijk er een eind aan te maken.”„Het zijn Europeanen, meneer. Wat helpt het mij of ik het weet; ik heb er een Chinees naar toe gezonden om mij te berichten hoe het op de fabriek zelf toegaat, maar wat helpt het mij? Ik kan hen toch niets doen.”Een oogenblik moest Wije lachen om het idee: Piong Pan Ho met eenrottanden administrateur en de employé’s der fabriek afranselend; want iets anders kon hij niet bedoelen met zijn klacht.„Er zijn nog andere middelen,” zeide hij. „Maar … ik weet wat! Ik heb nu toch niets te doen, en zoek werk … stel mij als je gemachtigde aan; dan zal ik alle bestellingen en leveringen zelf behandelen, de administratie hier voeren en, in één woord, hun niets overlaten dan het werk op de fabriek.”Piong Pan Ho stond op van zijn stoel en greep Wije’s hand, zich daarover heenbuigend zooals hij het de inlanders had zien doen bij[179]hunhadjies. Toen sprak hij lang en luid over de goedheid van dien Europeaan, die hoewel pinterder dan de anderen, zijnoentoengniet zocht in het plukken van een armen Chinees, wiens dood het zou zijn als hij op zijn zaken doorgaand verloor; en er volgde eencombat de génerositéover het salaris dat Wije zou genieten. Het werd eindelijk bepaald op vijfhonderd gulden; minder wou Piong Pan Ho in geen geval geven, en hij behield zich voor ingeval de fabriek winsten afwierp, Wije daarvan percenten toe te kennen, zoo goed als hij die moest uitbetalen aan dien administrateur. En nu men toch over geld sprak, herinnerde hij zich dat er reeds veel was binnengekomen van hetgeen hij voor meneer had uitgezet; hij zou het even nakijken. Wat hij deed in een dier langwerpige blauwe boekjes, blaadje voor blaadje omslaand, en zonder er naar te zien, met zijn vingers de balletjes op het telbord heen en weer schuivend.[180]„Acht duizend driehonderd twee en twintig,” las hij af; „ik zal het gaan halen.”Toen hij weg was stond Wije op, zich uitrekkend bij gebrek aan iets anders dat hij niet durfde doen, maar toch behoefte hebbend aan eenigerlei lichaamsbeweging om zijn vreugde te uiten. ’t Was vreemd, dat zijn „antecedenten” niet waren doorgedrongen tot dienSingkeh! Hoewel, die was te nuchter om zich aan praatjes te storen.„Hoeveel staat er nu nog?” vroeg hij, nadat hij het geld van Piong Pan Ho had aangenomen, wenschende alzoo een winstberekening te maken.„Zooveel als u mij heeft toevertrouwd.”„En dit dan?”„Dat is binnengekomen.”„Is het dan enkel winst?”Zooals men het nemen wilde, verklaarde Piong Pan Ho. Het uitgezette geld zat vast; dat zag men nooit weerom, doch er bleef[181]steeds binnenkomen,samadjoega pantjoeran, altijd doorloopend, jarenlang, tot er hier en daar wat wegraakte dat niet te forceeren viel; maar iets bleef het allicht geven en met een deel van het binnengekomene kon men weer nieuwe zaken doen„Waar zit het dan?” vroeg Wije.„In dedessa. Nu komt er in lang niets binnen, maar tegen het begin van den westmoeson is het waarschijnlijk weer meer dan nu.”Wije stond verstomd en durfde niet verder vragen. Hij had dikwijls hooren spreken van „uitzuigen van den inlander” door Chineezen en vreemde Oosterlingen, zonder ooit in de gelegenheid te zijn geweest nadere détails te vernemen; want zij, die dien term geregeld in den mond namen, wisten zelf niets meer, hun niet weten achter geheimzinnige gezichten verbergende; nu kon hij er achter komen en wilde niet, vreezende iets te zullen hooren dat hem afschuw zou inboezemen voor die „pantjoeran” van geld.[182]Opgewonden kwam hij thuis.„De dag is goed geweest,” zeide hij tot Anneke;„ik heb zóóveel werk gekregen en dat geeft zóóveel … dat we niet hadden behoeven te verhuizen, als ik het maar eerder geweten had.”„Gaan we dan terug naar ons oude huis?”„Neen, dat zou niet staan. En laat ons maar zuinig zijn, des te vroeger kunnen we alle onrust voor de toekomst op zij schuiven. Is er iets dat je niet bevalt in dit huis?”„Het huis is goed,” zeide Anneke, „maar we hebben zulke rare buren. Die kijven den ganschen dag, en als de man uit is, gaat zij verschrikkelijk aan tegen de bedienden. Als u daar bij depaggergaat staan kunt u het hooren.”„Ga er dan niet staan.”„Men moet toch rondkijken op het erf. O ja, dat herinnert me … Gistermiddag zag ik, aan den anderen kant, een inlander uit[183]dekamponghiernaast, die een ladder zette tegen den muur van het paviljoen en probeerde door een van die ronde gaten naarbinnen te zien. Zouden ze willen inbreken?”„Die duivelskinderen!” schold Wije, naar het paviljoen loopende. Daar bekeek hij de ronde luchtgaten in den zijmuur, en achteruitstappend om de richting te meten, onderzocht hij of men daar doorheen kon zien wat er in het kantoor geschiedde. Bukkend, met zijn hoofd ter hoogte van de rustbank, zag hij het luchtgat daartegenover gesloten. Toch liet hij onmiddellijk een metselaar roepen, die de gaten dichtmaakte, ofschoon Anneke opmerkte dat zij te klein waren, zelfs voor een inlander, om er zich door te wringen. Hij gaf haar gelijk, maar het was nu eenmaal gelast, dus moest het gebeuren. Bij zichzelf mopperde hij over de nieuwsgierigheid van dat volk; want hij had dadelijk begrepen dat zij slechts de bevestiging zochten van een,[184]door de vele bezoeken van mevrouw Duna, bij hen gerezen vermoeden. Het was ergerlijk, dat men in Indië niets van dien aard geheim kon houden. Wat ging het hun aan?Een paar dagen later meldde zich bij Wije de administrateur van Piong Pan Ho’s suikerfabriek. Hij had Wije’s brief ontvangen, die hem de verandering meldde in het direct beheer, en kwam er nu eens over praten. Het was een man van fatsoenlijk voorkomen en manieren. In plaats van de standjes, die Wije half en half verwacht had, begon hij een langdradige verhandeling over zijn positie, die zoo mooi was vroeger, toen de fabriek aan Europeesche eigenaars toebehoorde en zoo in minachting, nu die van een Chinees was. Eindelijk, daar Wije hem liet doorspreken, had hij het over hetgeen aanleiding had gegeven tot deze handeling van den eigenaar, want hij wilde er geen doekjes om winden, dàt was hem duidelijk genoeg. Het speet hem[185]nu, dat hij bij den overgang zijn ontslag niet had genomen, toen hij gemakkelijk een gelijke betrekking had kunnen krijgen, wat nu voor goed was verkeken omdat hij bij een Chinees had gediend. Wat er dat toe deed, verklaarde hij niet te beseffen, maar het stond er toe, men nam niemand aan, die dàt achter zich had. Men deed het dan ook alleen, en zoo ook hij, om der wille van de „losse emolumenten” die men op een Chineesche fabriek genoot; daar schaamde hij zich voorts volstrekt niet over, dat was usance. En nu waren die zoo opeens weggevallen!„Ik hoop, meneer Wije,” besloot hij, „dat u zult weten te leven en te laten leven.”„U vergist zich,” zeide Wije, „als u denkt dat de u ontvallen „losse emolumenten” aan mij zijn gekomen. Ik heb deze zaak op mij genomen uit een soort vriendschap voor den eigenaar der fabriek. Natuurlijk niet zonder belooning. Doch mijn grootste verdiensten zullen[186]moeten komen uit het voordeel dat de fabriek oplevert, en dat behoort ook bij u het geval te zijn.”„Dat zou mooi gezegd zijn als we tien jaar vroeger leefden,” zeide de administrateur. „De machines zijn nu oud, en wat erger is, met de lage suikerprijzen, verouderd. Om behoorlijke winsten te kunnen maken zoude de heele installatie moeten worden vernieuwd, althans nagenoeg. De vorige eigenaars hebben er tegen opgezien en haar daarom verkocht.”„Is dat de eenige reden,” vroeg Wije, „en durft u mij op uw woord en als vakman verzekeren dat nieuwe machines de onderneming beter zouden doen rendeeren?”„Op mijn woord van eer,” zei de ander. „Maar gaat u zelf zien op andere fabrieken; ik zal er u een lijstje van opgeven.”„Goed. Ik zal het onthouden. Als na afloop van den maaltijd de zaak betrekkelijk meevalt, zal ik Piong Pan Ho voorstellen doen van[187]die strekking, en ik twijfel geenszins of u krijgt wat u wenscht en … noodig is.”„Belooft u mij dat?” riep de administrateur. „Ja? Nu dan kunt u op mij rekenen. Dat is een buitenkansje. Zoo mag ik het veel liever dan te moeten … laat ons het nu maar stelen noemen. En als u hier de man is, maakt het voor mij ook een groot verschil; ik heb dan ten minste niet direct met een Chinees te doen.”De administrateur verliet Wije’s kantoor in de beste stemming, die zich uitte toen hij even daarna in de sociëteit zat. Aan wie het hooren wilde, vertelde hij met groot genoegen te hebben kennis gemaakt met Wije, den gemachtigde van den luitenant-Chinees; met dien kon men nu eens flink opschieten!Zij die het hoorden, dachten er het hunne van. Enfin, het was een Chinees; maar dat die Wije nu juist zoo’n baantje op den kop moest tikken; hij was altijd een scharrelaar[188]geweest en … met goed fatsoen kon men nu niet meer met hem omgaan.Van Beek wachtte nog steeds op antwoord. Dat het lang duurde, was hem niet opgevallen; hij had zelf veel tijd noodig om te besluiten en gunde dien een ander eveneens. Er was trouwens geen haast bij; aan het gevoel van een heldenstuk verricht te hebben had hij voorloopig genoeg. Men mocht het natuurlijk niemand vertellen, dat begreep hij, ofschoon hij het wel had willen uitschreeuwen; dus hield hij zijn mond. Wat echter niet belette dat het influenceerde op zijn gansche persoonlijkheid, op zijn voorkomen zoowel als zijn uitingen; men vond op het kantoor dat van Beek wakker scheen te worden, terwijl anderen er zelfs bijvoegden dat hij zich „airs” gaf. Een week na zijn aanzoek kwam hij bij den Franschen kapper, en voor ’t eerst deed deze hem de stereotype vraag:Monsieur a encore besoin de quelque chose?bij het uitgaan van[189]het knip- en scheerhokje, anders gezegdsalon, niet tevergeefs. Van Beek kocht dassen, boorden van het nieuwste model, bottines en nog allerlei andere zaken die men in een Indischen coiffeurs-winkel aantreft. Eenige dagen later kocht hij in een apotheek een gouden lorgnet, en dat deed de deur dicht!Voor de zooveelste maal sprak heel Semarang over van Beek. En men wist wat er aan de hand was! Reeds lang was de lucht zwaar van de praatjes over een mutatie in de hoogste handelskringen. Er was uitgelekt, dat op het kantoor van den heer Duna allerlei werk verricht werd, dat geen zin zou hebben, tenzij men stond voor een overgave van het beheer aan een ander chef. Op den dag vóór het opzetten van het lorgnet, was van Beek door zijn chef naar Duna gezonden, onder wiens toezicht hij een en ander had moeten doen, dat de goedkeuring van den laatstgenoemde had weggedragen. Die feiten stonden vast en[190]niets gemakkelijker dan er verder op door te bouwen. Duna ging weg; waarheen en wie hem zou vervangen was een open vraag; van Beek kreeg een positie bij decrediet-instelling, en een hooge, want daarop wees alles wat hij aantrok.De tweede week was om; zondagmorgen, en nog geen antwoord. Van Beek begon ongeduldig te worden. Over de zaak nadenkende, kwam hij tot het besluit dat Anneke het zeker niet aan haar vader had durven zeggen. Daar kon hij in komen;hijzou het ook niet durven. Maar als dat het geval was, kon het verbazend lang duren, langer dan aangenaam was, nu het ophield een nieuwtje te zijn. Hij had zich al zoo dikwerf met Anneke geëngageerd en wandelend gedroomd, dat zijn hersenen weigerden in die richting verder te functioneeren. Er zat niets anders op dan vanavond bij de Wije’s te gaan eten, en bleek het dat zijn vermoeden juist was, den volgenden dag een brief te schrijven,[191]waarvoor er in den Franschen bundel, waaruit hij zijn declaratie had gehaald, een model als geknipt was.Zoo overviel hij Wije en Anneke. De eerste had in de drukte van den laatsten tijd het geheele aanzoek vergeten, en Anneke had zich stil gehouden; doch nu begreep haar vader dat het niet aanging van Beek langer op te houden. Na den eten, terwijl Anneke nog achter bezig was, kwam Wije, onder een voorwendsel zich een oogenblik verwijderende, bij haar.„Hoor eens Anneke,” zeide hij een weinig driftig, „dat gaat zoo niet. Ik schaam me mijn oogen uit mijn hoofd als ik dien jongen aanzie. Je hebt nu tijd genoeg gehad om er over te denken; wat wil je? Ik sta er op het hem mee te deelen.”„Dan, neen!” antwoordde zij bits.„Nog een half uur geef ik je,” hernam hij. „Kom je vóór, dan zal ik het beschouwen als een teeken dat je hem aanneemt, blijf je achter,[192]en dan bij voorkeur in je kamer, zoo zeg ik hem het tegendeel.”Zonder verder antwoord af te wachten ging hij terug naar van Beek, onderweg op zijn horloge ziende.Het half uur verstreek onder een zeer gedwongen discours. Wije liet er een minuut of vijf overheen loopen en riep toen den huisjongen, hem vragende waar de juffrouw was.„Nonna soedah masok kamar,1” berichtte de bediende.„Goed,” zeide Wije en zich tot van Beek wendende vervolgde hij: „Anneke heeft mij verteld wat je haar gevraagd hebt.”„O ja …?”„Ik kan niet anders zeggen, dan dat haar en mij je aanzoek vereerd heeft. De beslissing moest ik natuurlijk overlaten aan haar, en zij kon er maar niet toe komen. Intusschen heb je recht op een antwoord. Welnu, het spijt mij,[193]doch haar niet verschijnen beduidt een afwijzing.”Van Beek had van de redeneering niet veel verstaan; hij had een aanval van benauwdheid, meer door verlegenheid dan door spanning veroorzaakt; het laatste woord echter drong tot hem door, en iets als toorn beving hem.„Dat is gemeen,” mompelde hij, doch heel zacht.„Nogmaals, het spijt mij,” zeide Wije. „Gelukkig weet niemand er iets van; want dat is altijd onaangenaam. Ik zal Anneke streng verbieden er zich tegen wien ook, over uit te laten.” En toen van Beek langzaam opstond: „We scheiden hoop ik als vrienden? Dat is best. Nu, al heeft dit niet zoo mogen zijn, je blijft ons welkom. Misschien krijg je later wel weer eens trek om hier aan te komen.”Het eerste wat van Beek deed, toen hij thuis kwam, was de vuist ballen en een slag geven, die slechts deklamboeraakte van zijn bed; daarna nam hij een stoel, ging er verkeerd[194]op zitten, de leuning vóór hem, zijn armen op de leuning, zijn hoofd op zijn armen, en huilde.Den volgenden morgen werd hij wakker als vrouwenhater. Slechts even stelde hij zich de vraag of het publiek er naar raden moest of weten hoe hij dit was geworden; hij besloot tot het laatste, en Wije’s woorden in den wind slaande, vertelde hij aan zijn mede-employé’s dat hij een blauwtje geloopen had op Anneke Wije. Dat kleedde, meende hij, en verkneukelde zich als men hem meewarig aanzag, terwijl hij zich zooveel mogelijk in het publiek liet zien, met name bij de uitvoeringen der schutterij-muziek op de aloon-aloon en voor het residentie-huis. Bij een dier gelegenheden voegde zich een jongmensch, een Semarangschlionbij hem.„Weetje,” vroeg deze, „waarom ik met je loop?”„Neen,” antwoordde van Beek.„Omdat alle dames naar je kijken, en zoodoende ook naar mij.”Toen was hij overgelukkig.[195]1De juffrouw is al in haar kamer.↑
[Inhoud]VII.VII.EEN OORSPRONKELIJKE DECLARATIE EN EEN BLAUWTJE.Thuis gekomen liep Wije onmiddellijk naar zijn kantoortje, om het geld op te bergen dat hij zooeven van de firma ontvangen had. Morgen kon hij dat bezorgen, en in één woord, aan zijn eigen zaken beginnen. Ja, het beste was maar al het oude van zich te schudden en met kalmte en moed de toekomst in te gaan, die toch zoo heel donker nog niet was. Hij scheurde de papiertjes van drie dagen van den kalender en las dat van heden:Quand tout est perdu, c’est l’heure des grandes âmes, stond er op. Wel niet heelemaal toepasselijk,[161]doch als men het vrij vertaalde: wanneer het slecht gaat, steek dan het hoofd op, dan was het te gebruiken; bovendien kon men zich desnoods verbeelden eengrande âmete zijn.„Is u daar al?” vroeg Anneke binnenkomende. „Alles afgeloopen?”„Ja, we zijn zoover.”Zij zag hem even aan, doch zijn gezicht stond niet treurig en ook de toon van zijn stem klonk niet gedrukt, dus scheen hij zich de zaak niet zoo erg aan te trekken als zij had gevreesd. Wat er eigenlijk gebeurd was, besefte zij niet ten volle. Nog nooit in de omstandigheden verkeerd hebbende voor zich zelf en anderen te moeten zorgen, wist zij niet wat dat beteekende, en evenmin wat het was zich te moeten verminderen, als men niet alleen staat op de wereld. Zij kon er derhalve ook geen angst voor gevoelen, en het alleen naar vinden dat haar pa ergens over tobde. Doch zoo dit niet langer het geval[162]was, dan was immers alles in orde. Zij praatte met hem door over al wat er gedaan moest worden in de eerstvolgende dagen, hoewel ze reeds alles wist: welke meubels meegingen naar het kleine huisje en dat de rest netjes opgepoetst werd voor de vendutie. Want daarmee was reeds een begin gemaakt. En hij vond het gelukkig dat zij het blijkbaar beschouwde als een niet onplezierige verandering, zonder begrip van meerdere of mindere weelde.Een groot uur later, terwijl Wije in zijn kamer was, stond zij in de achtergalerij en bespeurde aan den kant van depaggervan Beek, die zoodra zij hem in ’t oog kreeg, haar wenkte. Zij ging er heen.„Juffrouw Anneke, u gaat verhuizen?” vroeg hij, met iets afgemetens in zijn houding.„Ja, dat heb ik u immers voor een paar dagen al verteld!” zeide zij.„Juist,” ging hij voort; „dus we zullen geen praatje meer kunnen houden zooals nu.”[163]„Neen, dat is jammer. Maar u komt ons ginds toch wel opzoeken?”„Zeker heel graag. Komt u morgen … neen … ik zal het nu maar doen. Ik … had u wat te zeggen, hier, aan de heg.” En hij wees met zijn vinger op een blaadje, alsof dàt er niet bij kon gemist worden.Anneke knipte met de oogen. Als Indisch meisje op die punten zeer gevat, begreep zij dadelijk waar hij heen wilde, doch zij miste den slag hem te voorkomen; en terwijl zij nadacht over de wijze hoe hem nog van zijn stuk te brengen, stak hij van wal, eentonig de woorden opdreunend, alsof hij een van buiten geleerd lesje opzei, wat dan ook werkelijk het geval was.„Er komt,” sprak hij, „in het leven van elken man een oogenblik waarop hij diegene ontmoet, die hem aan het geluk doet gelooven. Dan grijpt er een verandering in hem plaats; uit wat hij gisteren nog gewoon en prozaïsch[164]vond, schept hij heden poëzie, de reinste, de schoonste, die hem het hart doet zwellen in de borst, zich uit in alles wat hij spreekt of schrijft, hem den verrukkelijksten droom doet droomen en, door hem te vergrooten in zijn eigen gevoel, den moed inboezemt haar te naderen, die van dit alles de oorzaak is, en haar te vragen dien droom te verwezenlijken. Dat oogenblik is voor mij aangebroken, en die ik bemin zijt gij, Anneke. Wilt gij de zonnestraal zijn die mijn pad verlicht? En, ziet u, u kunt het best doen, wat dat betreft; mijn papa is schatrijk, hij is millionnair.”De laatste zin was oorspronkelijk.Van Beek’s declaratie had het gewone effect dat die dingen altijd hebben; er volgde geen antwoord. Maar ook uit Anneke’s houding viel niet op te merken of zij hem aannam of niet. De zaak was dat zij het een niet wilde, het ander niet durfde, en het ten slotte zelf niet meer wist. De tirade door hem geuit, had zij[165]voor ernst, voor uit hemzelf gekomen aangezien, en meende daarom dat het hem in ’t hoofd geslagen was, een tijdelijke toestand, doch die misschien door een weigering bestendigd kon worden. Zij had in ’t algemeen te veelkassianmet hem, en thans in ’t bijzonder, om hem dàt aan te doen. Dan de laatste woorden, waarvan het lompe haar ontsnapt was, doch de beteekenis niet. Millionnair! Dat wil zeggen … Anneke wist het nauwelijks, maar wel dat het nog meer was dan officier of ambtenaar, ook schoone zaken, zooals zelfs een zestienjarige gevoelt vanwege het gedurig hooren zeggen. Dat vulde aan wat er aan die hoekige gestalte ontbrak, fatsoeneerde den neus, tintte de oogen, maakte den bril tot een sieraad, was oorzaak dat zij van Beek de voorkeur gaf als zij aan Kees dacht, maar aan Kees als zij van Beek voor zich zag.Terwijl de gedachten haar door het hoofd kruisten in snelle opvolging en afwisseling, het[166]antwoorden onmogelijk makend, zich oplossende in één verlangen, om weg te kunnen loopen, stond van Beek daar onbewegelijk, schijnbaar zonder spanning en onverschillig. Een vraag om antwoord, een aandringen, had hij te voren niet geprepareerd, en in zijn langzaam denken kon zich dat niet zoo ineens ontwikkelen, daar waren minstens eenige dagen mee gemoeid. Hij bleef staren op haar bewogen trekken, niet in staat daarvan af te lezen wat zij uitdrukten.„Anneke! Waar ben je?” riep haar vader; en het was een verlossing.„Ik zal het papa zeggen,” sprak zij, zich verwijderend.„Alsublieft,” zeide hij, „dan ben ik er meteen af.”Anneke hoorde het laatste niet meer; op een drafje snelde zij naar het huis terug. Wije was gekleed en had zin een eindje te wandelen. Anneke deed dit gaarne; en om uitstel te[167]voorkomen, en tevens zelf nog eens te kunnen bedenken hoe zij het zou vertellen, zeide zij voorloopig niets van het zooeven gebeurde.Toen zij terugkwamen was het donker met zwartbewolkte lucht. De lantaarns, opgehangen in het midden tusschen de boomen, vermochten hun petroleumlicht niet te doen doordringen tot op den weg; het bescheen slechts een bolvormige ruimte in de duisternis, daartegen zichtbaar stuitend, met takjes en bladeren van boomen in den kring, groener dan overdag, door de inwerking van het oranjegeel schijnsel. Laag bij den grond, dicht langs den wegkant, de oliepitjes en smeulende stukken hout, waarvan men de inlandsche dragers niet zien kon, dan als voorbijzwevende vlekken op het zwart rondom.Gestuurd door de gewoonte van dagelijks doen, vonden Wije en Anneke hun weg op het voorerf, zij hangende aan zijn arm tot zij stil stonden voor de trap van de voorgalerij,[168]er tegen stootend met den voet.„Papa, van Beek heeft mij gevraagd.”Hij liet haar los, onwillekeurig starend in de richting waarin zij stond, een hè! van verrassing uitstootend. Maar hij kon haar niet zien; en kloppend op zijn zak, waarin hij gewoon was een doosje lucifers te hebben, liep hij naar binnen; Anneke hem achterna, de warme kleur die zij bij het zeggen der laatste woorden had gekregen, onder het gaan voelende zakken, langzaam wegtrekkend van haar voorhoofd naar omlaag in haar hals. Haastig stak hij de lamp op, en die nog vasthoudend, het hoofd half onder de kap, zag hij haar scherp aan; te laat.„Je hebt zeker nog wel meer te vertellen?”„Neen pa.”„Wat heb je hem geantwoord?”„Niets pa; alleen dat ik het u zou zeggen.”„Doe me een plezier en zeg wat je wilt. Het is je gewoonte niet om je de woorden[169]zoo uit de keel te laten halen; waarom dat dan nu gedaan?”„Omdat ik het zelf nog niet weet,” zeide Anneke eenvoudig. „Ik zou graag trouwen, maar liever niet met van Beek.”„Je zegt dat op een toon alsof je bedoelde: desnoods met van Beek.”„Ja pa, dat bedoel ik.”Wije zweeg, niet wetend hoe hij het had. Hij zag haar aan, terwijl zij droomerig naar buiten staarde, en ontdekte een vreemden trek om haar mond, rimpels, loopende van de neusvleugels naar de mondhoeken, cirkelvormig. Hij kende dat bij oudere meisjes, die een leeftijd hadden bereikt waarop zij heetten te berusten in het denkbeeld van nooit te zullen trouwen, doch bij Anneke vond hij het onrustwekkend vroeg. Het gaf hem een vraag in, die hij niet durfde uiten, zich geneerende voor het antwoord, al kwam dat van zijn eigen dochter.[170]„Correspondeer je nog met Duna?” vroeg hij, naar den bekenden weg.„Ja pa. Kees komt over een week of wat thuis.”„Hoe sta je met hem?”„We zijn altijd goede vrienden geweest, en met Sinterklaas … dat weet u.” Zij stond op, om uit het glazenkastje, aan het andere eind van de galerij, deminoemante krijgen, zijn verklaring overhoorend, dat hij het eigenlijknietwist. Maar toen zij weer terugkwam, erg druk met het overeindzetten der glaasjes en inschenken, was hem plotseling een andere gedachte ingeschoten, aan mevrouw Duna.„Je kunt van Beek niet gedurende „een week of wat” aan de praat houden,” zeide hij, „en afwachten wat Duna wil, zooals ik meen dat eigenlijk je zoeken is. Hij moet antwoord hebben, ja of neen. En ik zou het eens goed overwegen; ik weet toevallig dat er zich bij zijn aanzoek geen bezwaren zouden[171]opdoen, terwijl bij Duna … hm, ik heb reden …”„U meent Kees zijn mama,” zeide Anneke met verachtelijk optrekken van haar bovenlip en even uitsteken van het puntje van haar tong.„Hoe … wat …? Waar haal je dat vandaan? Ik bedoelde … zijn papa,” loog Wije, die fameus geschrokken was.„Neen, dan weet u het niet,” zeide Anneke, en verhaalde hem, wat zij wist van de kwaadsprekerij van mevrouw Duna en het blijk dat meneer gegeven had daar niet mee in te stemmen.„Juist, dat reepje papier,” zeide hij. „Ik had het gevonden en daaruit … maar ik zie nu dat ik het mis heb. Intusschen als mevrouw tegen je is, voorzie ik toch groote moeielijkheden.”Anneke voorzag die niet, doch gevoelde ze. En dat deed de kansen van van Beek voor[172]’t oogenblik rijzen. Want zij had daareven de waarheid gezegd, zij wilde trouwen. Niet uit ziekelijke begeerte of maatschappelijk oogpunt, doch omdat zij was, die zij was, een gezond ontwikkeld meisje met het bewustzijn van groote geschiktheid voor die zijde van het leven, die zich in het huwelijk openbaart, en totale ongeschiktheid voor de misère, die juist om deze redenen, haar in geval van teleurstelling zoude wachten. Ook dit kon zij niet formuleeren en toch wist zij het, als bij instinct. Intusschen, zij hield van Kees; het zou haar geen moeite kosten haar hand in de zijne te leggen, als hij om haar kwam; zij was met die gedachte al zoo lang vertrouwd, dat ze het zich haast niet anders meer kon voorstellen. Maar soms beving haar een schrik bij de gedachte dat het wel eens niet zoo kon uitkomen en drong zich de vraag in haar op: wat dan? Of, wie dan? Het antwoord echter hierop had zich nog nooit belichaamd, tot op dezen avond, plotseling,[173]op een oogenblik waarin zij de vraag in ’t geheel niet stelde. En men verlangde dat zij dadelijk zou kiezen; niet eerst afwachten, neen, onmiddellijk. Maar dat ging immers niet. Daar moest over worden gedacht … daartoe moest men een vertrouwde hebben, een moeder, aan wier voeten men kon gaan zitten of knielen, het hoofd in haar schoot, met twee woorden telkens een volzin beginnende, die het hart verder voltooide, en daartusschen korte schreibuien. Zoo kon men alles oplossen, doch een man was niet de persoon bij wien men op die wijze hulp kon zoeken, aan zijn gesteven witten pantalon was daarvoor geen plaats.„Ik voor mij,” hernam Wije, toen zij bleef zwijgen, „vind beide partijen even mooi, maar zooals altijd, de zekere de beste. En bovendien is, waar men elkaar kent en de een den ander niet bepaald afstoot of tegenstaat, een zoogenaamdmariage de raisonin de meeste gevallen te verkiezen boven een huwelijk uit liefde, of[174]beter: verliefdheid. In het laatste geval stelt men wederzijds eischen, hooger dan met den besten wil vervuld kunnen worden, en slechts weinigen zijn zoo verstandig zich wat in te toornen; in het eerste weet men nagenoeg wat men aan elkaar heeft, de eischen die men stelt gaan daar niet overheen en zijn bescheiden, en de gewoonte van met elkaar te leven doet de rest om het huwelijk althans aangenaam te maken.”„Foei pa, wat is u prozaïsch,” viel Anneke in. „Is dat nu niet, wat u mij laatst hebt gezegd dat men een paradox noemt?”„Betrekkelijk ja. Voorzoover men de meening van jongelui en romanschrijvers als de heerschende aanneemt. Maar we dwalen af. Ik zie wel dat je nu geen trek hebt er verder over door te gaan.Soedah, een paar dagen mag je er altijd over nadenken. Beloof je mij dat ook te zullen doen?”„Ja pa. Van Beek zal er misschien wel op[175]terugkomen of zondag … neen dan zijn we pas verhuisd, maar zondag over acht dagen komt hij vast weer bij ons, en dan … kunnen we zien.”Wije glimlachte over haar slimheid in het uitstellen, doch vond ten slotte dat het geen kwaad kon als zij er eens overpikirde, hopende dat zij van Beek zou aannemen. Er was in zijn ideeën omtrent een huwelijk van Anneke een verandering gekomen, die dateerde van af het eerste bezoek van mevrouw Duna. Anneke was lastig in huis, een sta in den weg en … hij hield te veel van haar, om niet in gedurigen angst te verkeeren, dat zij het zou bemerken.Als zij echter met Kees geëngageerd raakte, dan was het nog gekker, vooral daar dit engagement lang kon duren, omdat zij met trouwen moesten wachten tot hij bevorderd was tot controleur. En ten slotte werd de verhouding zoo mal, zoodra men „het” wist. Het kwam niet in hem op, dat feitelijk hijzelf, en niet Anneke, voor een keus stond.[176]Er volgden eenige dagen van drukte en bezigheid, de vendutie, het verhuizen en eindelijk, voor Wije, het zich inwerken in de administratie, die hij voeren moest voor mevrouw Duna. Toen hij die in orde had, niet dan nadat zij verscheiden malen inlichtingen was komen geven, begon hij aan zijn eigen zaken, het laatst ontvangen geld op de gewone wijze beleggend. Daarop bezocht hij Piong Pan Ho, wiens benoeming tot luitenant hij in de courant had gelezen.Hij vond denSingkehniet in detoko, die vergeleken met de vorige maal dat hij er geweest was, erg leeg was, zoo dat men nu zonder zich te stooten er doorheen kon wandelen. De bediende, die Piong Pan Ho ging waarschuwen, kwam terug met het verzoek of meneer achter wou komen. Wije liep daarop door, om het nieuwe huis heen, naar de bijgebouwen. In een der kamertjes zat de man dien hij zocht, achter een met papieren beladen tafel, een grooten hoornen bril op zijn neus.[177]„Dag luitenant,” groette Wije, en het hooren van zijn nieuwen titel riep een flauwen glimlach te voorschijn op het gelaat van denSingkeh.„Banjak soesah,” zeide hij toen, wijzende op eenige rekeningen die voor hem lagen.„Wat is er?” vroeg Wije deelnemend.„Die suikerfabriek is de rotste zaak die er bestaat,” barstte Piong Pan Ho los. „Het is een dievenboel! Daar liggen de rekeningen van benoodigdheden; ik heb laten informeeren wat zij kosten, alles twintig percent minder dan hier staat; de reparaties kan ik niet nagaan, maar ook daar is op gestolen. Op die manier lijd ik verlies; ik wist wel dat er geen groote winsten mee te behalen waren, soedah! maar verliezen is toch jammer, dat doe ik nooit.”„Ja,” zeide Wije, die een papier had opgenomen en ingezien, „het is erg, dat zie ik zóó wel, al ken ik de prijzen niet. Nu je ’t echter weet,[178]is het niet moeielijk er een eind aan te maken.”„Het zijn Europeanen, meneer. Wat helpt het mij of ik het weet; ik heb er een Chinees naar toe gezonden om mij te berichten hoe het op de fabriek zelf toegaat, maar wat helpt het mij? Ik kan hen toch niets doen.”Een oogenblik moest Wije lachen om het idee: Piong Pan Ho met eenrottanden administrateur en de employé’s der fabriek afranselend; want iets anders kon hij niet bedoelen met zijn klacht.„Er zijn nog andere middelen,” zeide hij. „Maar … ik weet wat! Ik heb nu toch niets te doen, en zoek werk … stel mij als je gemachtigde aan; dan zal ik alle bestellingen en leveringen zelf behandelen, de administratie hier voeren en, in één woord, hun niets overlaten dan het werk op de fabriek.”Piong Pan Ho stond op van zijn stoel en greep Wije’s hand, zich daarover heenbuigend zooals hij het de inlanders had zien doen bij[179]hunhadjies. Toen sprak hij lang en luid over de goedheid van dien Europeaan, die hoewel pinterder dan de anderen, zijnoentoengniet zocht in het plukken van een armen Chinees, wiens dood het zou zijn als hij op zijn zaken doorgaand verloor; en er volgde eencombat de génerositéover het salaris dat Wije zou genieten. Het werd eindelijk bepaald op vijfhonderd gulden; minder wou Piong Pan Ho in geen geval geven, en hij behield zich voor ingeval de fabriek winsten afwierp, Wije daarvan percenten toe te kennen, zoo goed als hij die moest uitbetalen aan dien administrateur. En nu men toch over geld sprak, herinnerde hij zich dat er reeds veel was binnengekomen van hetgeen hij voor meneer had uitgezet; hij zou het even nakijken. Wat hij deed in een dier langwerpige blauwe boekjes, blaadje voor blaadje omslaand, en zonder er naar te zien, met zijn vingers de balletjes op het telbord heen en weer schuivend.[180]„Acht duizend driehonderd twee en twintig,” las hij af; „ik zal het gaan halen.”Toen hij weg was stond Wije op, zich uitrekkend bij gebrek aan iets anders dat hij niet durfde doen, maar toch behoefte hebbend aan eenigerlei lichaamsbeweging om zijn vreugde te uiten. ’t Was vreemd, dat zijn „antecedenten” niet waren doorgedrongen tot dienSingkeh! Hoewel, die was te nuchter om zich aan praatjes te storen.„Hoeveel staat er nu nog?” vroeg hij, nadat hij het geld van Piong Pan Ho had aangenomen, wenschende alzoo een winstberekening te maken.„Zooveel als u mij heeft toevertrouwd.”„En dit dan?”„Dat is binnengekomen.”„Is het dan enkel winst?”Zooals men het nemen wilde, verklaarde Piong Pan Ho. Het uitgezette geld zat vast; dat zag men nooit weerom, doch er bleef[181]steeds binnenkomen,samadjoega pantjoeran, altijd doorloopend, jarenlang, tot er hier en daar wat wegraakte dat niet te forceeren viel; maar iets bleef het allicht geven en met een deel van het binnengekomene kon men weer nieuwe zaken doen„Waar zit het dan?” vroeg Wije.„In dedessa. Nu komt er in lang niets binnen, maar tegen het begin van den westmoeson is het waarschijnlijk weer meer dan nu.”Wije stond verstomd en durfde niet verder vragen. Hij had dikwijls hooren spreken van „uitzuigen van den inlander” door Chineezen en vreemde Oosterlingen, zonder ooit in de gelegenheid te zijn geweest nadere détails te vernemen; want zij, die dien term geregeld in den mond namen, wisten zelf niets meer, hun niet weten achter geheimzinnige gezichten verbergende; nu kon hij er achter komen en wilde niet, vreezende iets te zullen hooren dat hem afschuw zou inboezemen voor die „pantjoeran” van geld.[182]Opgewonden kwam hij thuis.„De dag is goed geweest,” zeide hij tot Anneke;„ik heb zóóveel werk gekregen en dat geeft zóóveel … dat we niet hadden behoeven te verhuizen, als ik het maar eerder geweten had.”„Gaan we dan terug naar ons oude huis?”„Neen, dat zou niet staan. En laat ons maar zuinig zijn, des te vroeger kunnen we alle onrust voor de toekomst op zij schuiven. Is er iets dat je niet bevalt in dit huis?”„Het huis is goed,” zeide Anneke, „maar we hebben zulke rare buren. Die kijven den ganschen dag, en als de man uit is, gaat zij verschrikkelijk aan tegen de bedienden. Als u daar bij depaggergaat staan kunt u het hooren.”„Ga er dan niet staan.”„Men moet toch rondkijken op het erf. O ja, dat herinnert me … Gistermiddag zag ik, aan den anderen kant, een inlander uit[183]dekamponghiernaast, die een ladder zette tegen den muur van het paviljoen en probeerde door een van die ronde gaten naarbinnen te zien. Zouden ze willen inbreken?”„Die duivelskinderen!” schold Wije, naar het paviljoen loopende. Daar bekeek hij de ronde luchtgaten in den zijmuur, en achteruitstappend om de richting te meten, onderzocht hij of men daar doorheen kon zien wat er in het kantoor geschiedde. Bukkend, met zijn hoofd ter hoogte van de rustbank, zag hij het luchtgat daartegenover gesloten. Toch liet hij onmiddellijk een metselaar roepen, die de gaten dichtmaakte, ofschoon Anneke opmerkte dat zij te klein waren, zelfs voor een inlander, om er zich door te wringen. Hij gaf haar gelijk, maar het was nu eenmaal gelast, dus moest het gebeuren. Bij zichzelf mopperde hij over de nieuwsgierigheid van dat volk; want hij had dadelijk begrepen dat zij slechts de bevestiging zochten van een,[184]door de vele bezoeken van mevrouw Duna, bij hen gerezen vermoeden. Het was ergerlijk, dat men in Indië niets van dien aard geheim kon houden. Wat ging het hun aan?Een paar dagen later meldde zich bij Wije de administrateur van Piong Pan Ho’s suikerfabriek. Hij had Wije’s brief ontvangen, die hem de verandering meldde in het direct beheer, en kwam er nu eens over praten. Het was een man van fatsoenlijk voorkomen en manieren. In plaats van de standjes, die Wije half en half verwacht had, begon hij een langdradige verhandeling over zijn positie, die zoo mooi was vroeger, toen de fabriek aan Europeesche eigenaars toebehoorde en zoo in minachting, nu die van een Chinees was. Eindelijk, daar Wije hem liet doorspreken, had hij het over hetgeen aanleiding had gegeven tot deze handeling van den eigenaar, want hij wilde er geen doekjes om winden, dàt was hem duidelijk genoeg. Het speet hem[185]nu, dat hij bij den overgang zijn ontslag niet had genomen, toen hij gemakkelijk een gelijke betrekking had kunnen krijgen, wat nu voor goed was verkeken omdat hij bij een Chinees had gediend. Wat er dat toe deed, verklaarde hij niet te beseffen, maar het stond er toe, men nam niemand aan, die dàt achter zich had. Men deed het dan ook alleen, en zoo ook hij, om der wille van de „losse emolumenten” die men op een Chineesche fabriek genoot; daar schaamde hij zich voorts volstrekt niet over, dat was usance. En nu waren die zoo opeens weggevallen!„Ik hoop, meneer Wije,” besloot hij, „dat u zult weten te leven en te laten leven.”„U vergist zich,” zeide Wije, „als u denkt dat de u ontvallen „losse emolumenten” aan mij zijn gekomen. Ik heb deze zaak op mij genomen uit een soort vriendschap voor den eigenaar der fabriek. Natuurlijk niet zonder belooning. Doch mijn grootste verdiensten zullen[186]moeten komen uit het voordeel dat de fabriek oplevert, en dat behoort ook bij u het geval te zijn.”„Dat zou mooi gezegd zijn als we tien jaar vroeger leefden,” zeide de administrateur. „De machines zijn nu oud, en wat erger is, met de lage suikerprijzen, verouderd. Om behoorlijke winsten te kunnen maken zoude de heele installatie moeten worden vernieuwd, althans nagenoeg. De vorige eigenaars hebben er tegen opgezien en haar daarom verkocht.”„Is dat de eenige reden,” vroeg Wije, „en durft u mij op uw woord en als vakman verzekeren dat nieuwe machines de onderneming beter zouden doen rendeeren?”„Op mijn woord van eer,” zei de ander. „Maar gaat u zelf zien op andere fabrieken; ik zal er u een lijstje van opgeven.”„Goed. Ik zal het onthouden. Als na afloop van den maaltijd de zaak betrekkelijk meevalt, zal ik Piong Pan Ho voorstellen doen van[187]die strekking, en ik twijfel geenszins of u krijgt wat u wenscht en … noodig is.”„Belooft u mij dat?” riep de administrateur. „Ja? Nu dan kunt u op mij rekenen. Dat is een buitenkansje. Zoo mag ik het veel liever dan te moeten … laat ons het nu maar stelen noemen. En als u hier de man is, maakt het voor mij ook een groot verschil; ik heb dan ten minste niet direct met een Chinees te doen.”De administrateur verliet Wije’s kantoor in de beste stemming, die zich uitte toen hij even daarna in de sociëteit zat. Aan wie het hooren wilde, vertelde hij met groot genoegen te hebben kennis gemaakt met Wije, den gemachtigde van den luitenant-Chinees; met dien kon men nu eens flink opschieten!Zij die het hoorden, dachten er het hunne van. Enfin, het was een Chinees; maar dat die Wije nu juist zoo’n baantje op den kop moest tikken; hij was altijd een scharrelaar[188]geweest en … met goed fatsoen kon men nu niet meer met hem omgaan.Van Beek wachtte nog steeds op antwoord. Dat het lang duurde, was hem niet opgevallen; hij had zelf veel tijd noodig om te besluiten en gunde dien een ander eveneens. Er was trouwens geen haast bij; aan het gevoel van een heldenstuk verricht te hebben had hij voorloopig genoeg. Men mocht het natuurlijk niemand vertellen, dat begreep hij, ofschoon hij het wel had willen uitschreeuwen; dus hield hij zijn mond. Wat echter niet belette dat het influenceerde op zijn gansche persoonlijkheid, op zijn voorkomen zoowel als zijn uitingen; men vond op het kantoor dat van Beek wakker scheen te worden, terwijl anderen er zelfs bijvoegden dat hij zich „airs” gaf. Een week na zijn aanzoek kwam hij bij den Franschen kapper, en voor ’t eerst deed deze hem de stereotype vraag:Monsieur a encore besoin de quelque chose?bij het uitgaan van[189]het knip- en scheerhokje, anders gezegdsalon, niet tevergeefs. Van Beek kocht dassen, boorden van het nieuwste model, bottines en nog allerlei andere zaken die men in een Indischen coiffeurs-winkel aantreft. Eenige dagen later kocht hij in een apotheek een gouden lorgnet, en dat deed de deur dicht!Voor de zooveelste maal sprak heel Semarang over van Beek. En men wist wat er aan de hand was! Reeds lang was de lucht zwaar van de praatjes over een mutatie in de hoogste handelskringen. Er was uitgelekt, dat op het kantoor van den heer Duna allerlei werk verricht werd, dat geen zin zou hebben, tenzij men stond voor een overgave van het beheer aan een ander chef. Op den dag vóór het opzetten van het lorgnet, was van Beek door zijn chef naar Duna gezonden, onder wiens toezicht hij een en ander had moeten doen, dat de goedkeuring van den laatstgenoemde had weggedragen. Die feiten stonden vast en[190]niets gemakkelijker dan er verder op door te bouwen. Duna ging weg; waarheen en wie hem zou vervangen was een open vraag; van Beek kreeg een positie bij decrediet-instelling, en een hooge, want daarop wees alles wat hij aantrok.De tweede week was om; zondagmorgen, en nog geen antwoord. Van Beek begon ongeduldig te worden. Over de zaak nadenkende, kwam hij tot het besluit dat Anneke het zeker niet aan haar vader had durven zeggen. Daar kon hij in komen;hijzou het ook niet durven. Maar als dat het geval was, kon het verbazend lang duren, langer dan aangenaam was, nu het ophield een nieuwtje te zijn. Hij had zich al zoo dikwerf met Anneke geëngageerd en wandelend gedroomd, dat zijn hersenen weigerden in die richting verder te functioneeren. Er zat niets anders op dan vanavond bij de Wije’s te gaan eten, en bleek het dat zijn vermoeden juist was, den volgenden dag een brief te schrijven,[191]waarvoor er in den Franschen bundel, waaruit hij zijn declaratie had gehaald, een model als geknipt was.Zoo overviel hij Wije en Anneke. De eerste had in de drukte van den laatsten tijd het geheele aanzoek vergeten, en Anneke had zich stil gehouden; doch nu begreep haar vader dat het niet aanging van Beek langer op te houden. Na den eten, terwijl Anneke nog achter bezig was, kwam Wije, onder een voorwendsel zich een oogenblik verwijderende, bij haar.„Hoor eens Anneke,” zeide hij een weinig driftig, „dat gaat zoo niet. Ik schaam me mijn oogen uit mijn hoofd als ik dien jongen aanzie. Je hebt nu tijd genoeg gehad om er over te denken; wat wil je? Ik sta er op het hem mee te deelen.”„Dan, neen!” antwoordde zij bits.„Nog een half uur geef ik je,” hernam hij. „Kom je vóór, dan zal ik het beschouwen als een teeken dat je hem aanneemt, blijf je achter,[192]en dan bij voorkeur in je kamer, zoo zeg ik hem het tegendeel.”Zonder verder antwoord af te wachten ging hij terug naar van Beek, onderweg op zijn horloge ziende.Het half uur verstreek onder een zeer gedwongen discours. Wije liet er een minuut of vijf overheen loopen en riep toen den huisjongen, hem vragende waar de juffrouw was.„Nonna soedah masok kamar,1” berichtte de bediende.„Goed,” zeide Wije en zich tot van Beek wendende vervolgde hij: „Anneke heeft mij verteld wat je haar gevraagd hebt.”„O ja …?”„Ik kan niet anders zeggen, dan dat haar en mij je aanzoek vereerd heeft. De beslissing moest ik natuurlijk overlaten aan haar, en zij kon er maar niet toe komen. Intusschen heb je recht op een antwoord. Welnu, het spijt mij,[193]doch haar niet verschijnen beduidt een afwijzing.”Van Beek had van de redeneering niet veel verstaan; hij had een aanval van benauwdheid, meer door verlegenheid dan door spanning veroorzaakt; het laatste woord echter drong tot hem door, en iets als toorn beving hem.„Dat is gemeen,” mompelde hij, doch heel zacht.„Nogmaals, het spijt mij,” zeide Wije. „Gelukkig weet niemand er iets van; want dat is altijd onaangenaam. Ik zal Anneke streng verbieden er zich tegen wien ook, over uit te laten.” En toen van Beek langzaam opstond: „We scheiden hoop ik als vrienden? Dat is best. Nu, al heeft dit niet zoo mogen zijn, je blijft ons welkom. Misschien krijg je later wel weer eens trek om hier aan te komen.”Het eerste wat van Beek deed, toen hij thuis kwam, was de vuist ballen en een slag geven, die slechts deklamboeraakte van zijn bed; daarna nam hij een stoel, ging er verkeerd[194]op zitten, de leuning vóór hem, zijn armen op de leuning, zijn hoofd op zijn armen, en huilde.Den volgenden morgen werd hij wakker als vrouwenhater. Slechts even stelde hij zich de vraag of het publiek er naar raden moest of weten hoe hij dit was geworden; hij besloot tot het laatste, en Wije’s woorden in den wind slaande, vertelde hij aan zijn mede-employé’s dat hij een blauwtje geloopen had op Anneke Wije. Dat kleedde, meende hij, en verkneukelde zich als men hem meewarig aanzag, terwijl hij zich zooveel mogelijk in het publiek liet zien, met name bij de uitvoeringen der schutterij-muziek op de aloon-aloon en voor het residentie-huis. Bij een dier gelegenheden voegde zich een jongmensch, een Semarangschlionbij hem.„Weetje,” vroeg deze, „waarom ik met je loop?”„Neen,” antwoordde van Beek.„Omdat alle dames naar je kijken, en zoodoende ook naar mij.”Toen was hij overgelukkig.[195]1De juffrouw is al in haar kamer.↑
VII.VII.EEN OORSPRONKELIJKE DECLARATIE EN EEN BLAUWTJE.
VII.
Thuis gekomen liep Wije onmiddellijk naar zijn kantoortje, om het geld op te bergen dat hij zooeven van de firma ontvangen had. Morgen kon hij dat bezorgen, en in één woord, aan zijn eigen zaken beginnen. Ja, het beste was maar al het oude van zich te schudden en met kalmte en moed de toekomst in te gaan, die toch zoo heel donker nog niet was. Hij scheurde de papiertjes van drie dagen van den kalender en las dat van heden:Quand tout est perdu, c’est l’heure des grandes âmes, stond er op. Wel niet heelemaal toepasselijk,[161]doch als men het vrij vertaalde: wanneer het slecht gaat, steek dan het hoofd op, dan was het te gebruiken; bovendien kon men zich desnoods verbeelden eengrande âmete zijn.„Is u daar al?” vroeg Anneke binnenkomende. „Alles afgeloopen?”„Ja, we zijn zoover.”Zij zag hem even aan, doch zijn gezicht stond niet treurig en ook de toon van zijn stem klonk niet gedrukt, dus scheen hij zich de zaak niet zoo erg aan te trekken als zij had gevreesd. Wat er eigenlijk gebeurd was, besefte zij niet ten volle. Nog nooit in de omstandigheden verkeerd hebbende voor zich zelf en anderen te moeten zorgen, wist zij niet wat dat beteekende, en evenmin wat het was zich te moeten verminderen, als men niet alleen staat op de wereld. Zij kon er derhalve ook geen angst voor gevoelen, en het alleen naar vinden dat haar pa ergens over tobde. Doch zoo dit niet langer het geval[162]was, dan was immers alles in orde. Zij praatte met hem door over al wat er gedaan moest worden in de eerstvolgende dagen, hoewel ze reeds alles wist: welke meubels meegingen naar het kleine huisje en dat de rest netjes opgepoetst werd voor de vendutie. Want daarmee was reeds een begin gemaakt. En hij vond het gelukkig dat zij het blijkbaar beschouwde als een niet onplezierige verandering, zonder begrip van meerdere of mindere weelde.Een groot uur later, terwijl Wije in zijn kamer was, stond zij in de achtergalerij en bespeurde aan den kant van depaggervan Beek, die zoodra zij hem in ’t oog kreeg, haar wenkte. Zij ging er heen.„Juffrouw Anneke, u gaat verhuizen?” vroeg hij, met iets afgemetens in zijn houding.„Ja, dat heb ik u immers voor een paar dagen al verteld!” zeide zij.„Juist,” ging hij voort; „dus we zullen geen praatje meer kunnen houden zooals nu.”[163]„Neen, dat is jammer. Maar u komt ons ginds toch wel opzoeken?”„Zeker heel graag. Komt u morgen … neen … ik zal het nu maar doen. Ik … had u wat te zeggen, hier, aan de heg.” En hij wees met zijn vinger op een blaadje, alsof dàt er niet bij kon gemist worden.Anneke knipte met de oogen. Als Indisch meisje op die punten zeer gevat, begreep zij dadelijk waar hij heen wilde, doch zij miste den slag hem te voorkomen; en terwijl zij nadacht over de wijze hoe hem nog van zijn stuk te brengen, stak hij van wal, eentonig de woorden opdreunend, alsof hij een van buiten geleerd lesje opzei, wat dan ook werkelijk het geval was.„Er komt,” sprak hij, „in het leven van elken man een oogenblik waarop hij diegene ontmoet, die hem aan het geluk doet gelooven. Dan grijpt er een verandering in hem plaats; uit wat hij gisteren nog gewoon en prozaïsch[164]vond, schept hij heden poëzie, de reinste, de schoonste, die hem het hart doet zwellen in de borst, zich uit in alles wat hij spreekt of schrijft, hem den verrukkelijksten droom doet droomen en, door hem te vergrooten in zijn eigen gevoel, den moed inboezemt haar te naderen, die van dit alles de oorzaak is, en haar te vragen dien droom te verwezenlijken. Dat oogenblik is voor mij aangebroken, en die ik bemin zijt gij, Anneke. Wilt gij de zonnestraal zijn die mijn pad verlicht? En, ziet u, u kunt het best doen, wat dat betreft; mijn papa is schatrijk, hij is millionnair.”De laatste zin was oorspronkelijk.Van Beek’s declaratie had het gewone effect dat die dingen altijd hebben; er volgde geen antwoord. Maar ook uit Anneke’s houding viel niet op te merken of zij hem aannam of niet. De zaak was dat zij het een niet wilde, het ander niet durfde, en het ten slotte zelf niet meer wist. De tirade door hem geuit, had zij[165]voor ernst, voor uit hemzelf gekomen aangezien, en meende daarom dat het hem in ’t hoofd geslagen was, een tijdelijke toestand, doch die misschien door een weigering bestendigd kon worden. Zij had in ’t algemeen te veelkassianmet hem, en thans in ’t bijzonder, om hem dàt aan te doen. Dan de laatste woorden, waarvan het lompe haar ontsnapt was, doch de beteekenis niet. Millionnair! Dat wil zeggen … Anneke wist het nauwelijks, maar wel dat het nog meer was dan officier of ambtenaar, ook schoone zaken, zooals zelfs een zestienjarige gevoelt vanwege het gedurig hooren zeggen. Dat vulde aan wat er aan die hoekige gestalte ontbrak, fatsoeneerde den neus, tintte de oogen, maakte den bril tot een sieraad, was oorzaak dat zij van Beek de voorkeur gaf als zij aan Kees dacht, maar aan Kees als zij van Beek voor zich zag.Terwijl de gedachten haar door het hoofd kruisten in snelle opvolging en afwisseling, het[166]antwoorden onmogelijk makend, zich oplossende in één verlangen, om weg te kunnen loopen, stond van Beek daar onbewegelijk, schijnbaar zonder spanning en onverschillig. Een vraag om antwoord, een aandringen, had hij te voren niet geprepareerd, en in zijn langzaam denken kon zich dat niet zoo ineens ontwikkelen, daar waren minstens eenige dagen mee gemoeid. Hij bleef staren op haar bewogen trekken, niet in staat daarvan af te lezen wat zij uitdrukten.„Anneke! Waar ben je?” riep haar vader; en het was een verlossing.„Ik zal het papa zeggen,” sprak zij, zich verwijderend.„Alsublieft,” zeide hij, „dan ben ik er meteen af.”Anneke hoorde het laatste niet meer; op een drafje snelde zij naar het huis terug. Wije was gekleed en had zin een eindje te wandelen. Anneke deed dit gaarne; en om uitstel te[167]voorkomen, en tevens zelf nog eens te kunnen bedenken hoe zij het zou vertellen, zeide zij voorloopig niets van het zooeven gebeurde.Toen zij terugkwamen was het donker met zwartbewolkte lucht. De lantaarns, opgehangen in het midden tusschen de boomen, vermochten hun petroleumlicht niet te doen doordringen tot op den weg; het bescheen slechts een bolvormige ruimte in de duisternis, daartegen zichtbaar stuitend, met takjes en bladeren van boomen in den kring, groener dan overdag, door de inwerking van het oranjegeel schijnsel. Laag bij den grond, dicht langs den wegkant, de oliepitjes en smeulende stukken hout, waarvan men de inlandsche dragers niet zien kon, dan als voorbijzwevende vlekken op het zwart rondom.Gestuurd door de gewoonte van dagelijks doen, vonden Wije en Anneke hun weg op het voorerf, zij hangende aan zijn arm tot zij stil stonden voor de trap van de voorgalerij,[168]er tegen stootend met den voet.„Papa, van Beek heeft mij gevraagd.”Hij liet haar los, onwillekeurig starend in de richting waarin zij stond, een hè! van verrassing uitstootend. Maar hij kon haar niet zien; en kloppend op zijn zak, waarin hij gewoon was een doosje lucifers te hebben, liep hij naar binnen; Anneke hem achterna, de warme kleur die zij bij het zeggen der laatste woorden had gekregen, onder het gaan voelende zakken, langzaam wegtrekkend van haar voorhoofd naar omlaag in haar hals. Haastig stak hij de lamp op, en die nog vasthoudend, het hoofd half onder de kap, zag hij haar scherp aan; te laat.„Je hebt zeker nog wel meer te vertellen?”„Neen pa.”„Wat heb je hem geantwoord?”„Niets pa; alleen dat ik het u zou zeggen.”„Doe me een plezier en zeg wat je wilt. Het is je gewoonte niet om je de woorden[169]zoo uit de keel te laten halen; waarom dat dan nu gedaan?”„Omdat ik het zelf nog niet weet,” zeide Anneke eenvoudig. „Ik zou graag trouwen, maar liever niet met van Beek.”„Je zegt dat op een toon alsof je bedoelde: desnoods met van Beek.”„Ja pa, dat bedoel ik.”Wije zweeg, niet wetend hoe hij het had. Hij zag haar aan, terwijl zij droomerig naar buiten staarde, en ontdekte een vreemden trek om haar mond, rimpels, loopende van de neusvleugels naar de mondhoeken, cirkelvormig. Hij kende dat bij oudere meisjes, die een leeftijd hadden bereikt waarop zij heetten te berusten in het denkbeeld van nooit te zullen trouwen, doch bij Anneke vond hij het onrustwekkend vroeg. Het gaf hem een vraag in, die hij niet durfde uiten, zich geneerende voor het antwoord, al kwam dat van zijn eigen dochter.[170]„Correspondeer je nog met Duna?” vroeg hij, naar den bekenden weg.„Ja pa. Kees komt over een week of wat thuis.”„Hoe sta je met hem?”„We zijn altijd goede vrienden geweest, en met Sinterklaas … dat weet u.” Zij stond op, om uit het glazenkastje, aan het andere eind van de galerij, deminoemante krijgen, zijn verklaring overhoorend, dat hij het eigenlijknietwist. Maar toen zij weer terugkwam, erg druk met het overeindzetten der glaasjes en inschenken, was hem plotseling een andere gedachte ingeschoten, aan mevrouw Duna.„Je kunt van Beek niet gedurende „een week of wat” aan de praat houden,” zeide hij, „en afwachten wat Duna wil, zooals ik meen dat eigenlijk je zoeken is. Hij moet antwoord hebben, ja of neen. En ik zou het eens goed overwegen; ik weet toevallig dat er zich bij zijn aanzoek geen bezwaren zouden[171]opdoen, terwijl bij Duna … hm, ik heb reden …”„U meent Kees zijn mama,” zeide Anneke met verachtelijk optrekken van haar bovenlip en even uitsteken van het puntje van haar tong.„Hoe … wat …? Waar haal je dat vandaan? Ik bedoelde … zijn papa,” loog Wije, die fameus geschrokken was.„Neen, dan weet u het niet,” zeide Anneke, en verhaalde hem, wat zij wist van de kwaadsprekerij van mevrouw Duna en het blijk dat meneer gegeven had daar niet mee in te stemmen.„Juist, dat reepje papier,” zeide hij. „Ik had het gevonden en daaruit … maar ik zie nu dat ik het mis heb. Intusschen als mevrouw tegen je is, voorzie ik toch groote moeielijkheden.”Anneke voorzag die niet, doch gevoelde ze. En dat deed de kansen van van Beek voor[172]’t oogenblik rijzen. Want zij had daareven de waarheid gezegd, zij wilde trouwen. Niet uit ziekelijke begeerte of maatschappelijk oogpunt, doch omdat zij was, die zij was, een gezond ontwikkeld meisje met het bewustzijn van groote geschiktheid voor die zijde van het leven, die zich in het huwelijk openbaart, en totale ongeschiktheid voor de misère, die juist om deze redenen, haar in geval van teleurstelling zoude wachten. Ook dit kon zij niet formuleeren en toch wist zij het, als bij instinct. Intusschen, zij hield van Kees; het zou haar geen moeite kosten haar hand in de zijne te leggen, als hij om haar kwam; zij was met die gedachte al zoo lang vertrouwd, dat ze het zich haast niet anders meer kon voorstellen. Maar soms beving haar een schrik bij de gedachte dat het wel eens niet zoo kon uitkomen en drong zich de vraag in haar op: wat dan? Of, wie dan? Het antwoord echter hierop had zich nog nooit belichaamd, tot op dezen avond, plotseling,[173]op een oogenblik waarin zij de vraag in ’t geheel niet stelde. En men verlangde dat zij dadelijk zou kiezen; niet eerst afwachten, neen, onmiddellijk. Maar dat ging immers niet. Daar moest over worden gedacht … daartoe moest men een vertrouwde hebben, een moeder, aan wier voeten men kon gaan zitten of knielen, het hoofd in haar schoot, met twee woorden telkens een volzin beginnende, die het hart verder voltooide, en daartusschen korte schreibuien. Zoo kon men alles oplossen, doch een man was niet de persoon bij wien men op die wijze hulp kon zoeken, aan zijn gesteven witten pantalon was daarvoor geen plaats.„Ik voor mij,” hernam Wije, toen zij bleef zwijgen, „vind beide partijen even mooi, maar zooals altijd, de zekere de beste. En bovendien is, waar men elkaar kent en de een den ander niet bepaald afstoot of tegenstaat, een zoogenaamdmariage de raisonin de meeste gevallen te verkiezen boven een huwelijk uit liefde, of[174]beter: verliefdheid. In het laatste geval stelt men wederzijds eischen, hooger dan met den besten wil vervuld kunnen worden, en slechts weinigen zijn zoo verstandig zich wat in te toornen; in het eerste weet men nagenoeg wat men aan elkaar heeft, de eischen die men stelt gaan daar niet overheen en zijn bescheiden, en de gewoonte van met elkaar te leven doet de rest om het huwelijk althans aangenaam te maken.”„Foei pa, wat is u prozaïsch,” viel Anneke in. „Is dat nu niet, wat u mij laatst hebt gezegd dat men een paradox noemt?”„Betrekkelijk ja. Voorzoover men de meening van jongelui en romanschrijvers als de heerschende aanneemt. Maar we dwalen af. Ik zie wel dat je nu geen trek hebt er verder over door te gaan.Soedah, een paar dagen mag je er altijd over nadenken. Beloof je mij dat ook te zullen doen?”„Ja pa. Van Beek zal er misschien wel op[175]terugkomen of zondag … neen dan zijn we pas verhuisd, maar zondag over acht dagen komt hij vast weer bij ons, en dan … kunnen we zien.”Wije glimlachte over haar slimheid in het uitstellen, doch vond ten slotte dat het geen kwaad kon als zij er eens overpikirde, hopende dat zij van Beek zou aannemen. Er was in zijn ideeën omtrent een huwelijk van Anneke een verandering gekomen, die dateerde van af het eerste bezoek van mevrouw Duna. Anneke was lastig in huis, een sta in den weg en … hij hield te veel van haar, om niet in gedurigen angst te verkeeren, dat zij het zou bemerken.Als zij echter met Kees geëngageerd raakte, dan was het nog gekker, vooral daar dit engagement lang kon duren, omdat zij met trouwen moesten wachten tot hij bevorderd was tot controleur. En ten slotte werd de verhouding zoo mal, zoodra men „het” wist. Het kwam niet in hem op, dat feitelijk hijzelf, en niet Anneke, voor een keus stond.[176]Er volgden eenige dagen van drukte en bezigheid, de vendutie, het verhuizen en eindelijk, voor Wije, het zich inwerken in de administratie, die hij voeren moest voor mevrouw Duna. Toen hij die in orde had, niet dan nadat zij verscheiden malen inlichtingen was komen geven, begon hij aan zijn eigen zaken, het laatst ontvangen geld op de gewone wijze beleggend. Daarop bezocht hij Piong Pan Ho, wiens benoeming tot luitenant hij in de courant had gelezen.Hij vond denSingkehniet in detoko, die vergeleken met de vorige maal dat hij er geweest was, erg leeg was, zoo dat men nu zonder zich te stooten er doorheen kon wandelen. De bediende, die Piong Pan Ho ging waarschuwen, kwam terug met het verzoek of meneer achter wou komen. Wije liep daarop door, om het nieuwe huis heen, naar de bijgebouwen. In een der kamertjes zat de man dien hij zocht, achter een met papieren beladen tafel, een grooten hoornen bril op zijn neus.[177]„Dag luitenant,” groette Wije, en het hooren van zijn nieuwen titel riep een flauwen glimlach te voorschijn op het gelaat van denSingkeh.„Banjak soesah,” zeide hij toen, wijzende op eenige rekeningen die voor hem lagen.„Wat is er?” vroeg Wije deelnemend.„Die suikerfabriek is de rotste zaak die er bestaat,” barstte Piong Pan Ho los. „Het is een dievenboel! Daar liggen de rekeningen van benoodigdheden; ik heb laten informeeren wat zij kosten, alles twintig percent minder dan hier staat; de reparaties kan ik niet nagaan, maar ook daar is op gestolen. Op die manier lijd ik verlies; ik wist wel dat er geen groote winsten mee te behalen waren, soedah! maar verliezen is toch jammer, dat doe ik nooit.”„Ja,” zeide Wije, die een papier had opgenomen en ingezien, „het is erg, dat zie ik zóó wel, al ken ik de prijzen niet. Nu je ’t echter weet,[178]is het niet moeielijk er een eind aan te maken.”„Het zijn Europeanen, meneer. Wat helpt het mij of ik het weet; ik heb er een Chinees naar toe gezonden om mij te berichten hoe het op de fabriek zelf toegaat, maar wat helpt het mij? Ik kan hen toch niets doen.”Een oogenblik moest Wije lachen om het idee: Piong Pan Ho met eenrottanden administrateur en de employé’s der fabriek afranselend; want iets anders kon hij niet bedoelen met zijn klacht.„Er zijn nog andere middelen,” zeide hij. „Maar … ik weet wat! Ik heb nu toch niets te doen, en zoek werk … stel mij als je gemachtigde aan; dan zal ik alle bestellingen en leveringen zelf behandelen, de administratie hier voeren en, in één woord, hun niets overlaten dan het werk op de fabriek.”Piong Pan Ho stond op van zijn stoel en greep Wije’s hand, zich daarover heenbuigend zooals hij het de inlanders had zien doen bij[179]hunhadjies. Toen sprak hij lang en luid over de goedheid van dien Europeaan, die hoewel pinterder dan de anderen, zijnoentoengniet zocht in het plukken van een armen Chinees, wiens dood het zou zijn als hij op zijn zaken doorgaand verloor; en er volgde eencombat de génerositéover het salaris dat Wije zou genieten. Het werd eindelijk bepaald op vijfhonderd gulden; minder wou Piong Pan Ho in geen geval geven, en hij behield zich voor ingeval de fabriek winsten afwierp, Wije daarvan percenten toe te kennen, zoo goed als hij die moest uitbetalen aan dien administrateur. En nu men toch over geld sprak, herinnerde hij zich dat er reeds veel was binnengekomen van hetgeen hij voor meneer had uitgezet; hij zou het even nakijken. Wat hij deed in een dier langwerpige blauwe boekjes, blaadje voor blaadje omslaand, en zonder er naar te zien, met zijn vingers de balletjes op het telbord heen en weer schuivend.[180]„Acht duizend driehonderd twee en twintig,” las hij af; „ik zal het gaan halen.”Toen hij weg was stond Wije op, zich uitrekkend bij gebrek aan iets anders dat hij niet durfde doen, maar toch behoefte hebbend aan eenigerlei lichaamsbeweging om zijn vreugde te uiten. ’t Was vreemd, dat zijn „antecedenten” niet waren doorgedrongen tot dienSingkeh! Hoewel, die was te nuchter om zich aan praatjes te storen.„Hoeveel staat er nu nog?” vroeg hij, nadat hij het geld van Piong Pan Ho had aangenomen, wenschende alzoo een winstberekening te maken.„Zooveel als u mij heeft toevertrouwd.”„En dit dan?”„Dat is binnengekomen.”„Is het dan enkel winst?”Zooals men het nemen wilde, verklaarde Piong Pan Ho. Het uitgezette geld zat vast; dat zag men nooit weerom, doch er bleef[181]steeds binnenkomen,samadjoega pantjoeran, altijd doorloopend, jarenlang, tot er hier en daar wat wegraakte dat niet te forceeren viel; maar iets bleef het allicht geven en met een deel van het binnengekomene kon men weer nieuwe zaken doen„Waar zit het dan?” vroeg Wije.„In dedessa. Nu komt er in lang niets binnen, maar tegen het begin van den westmoeson is het waarschijnlijk weer meer dan nu.”Wije stond verstomd en durfde niet verder vragen. Hij had dikwijls hooren spreken van „uitzuigen van den inlander” door Chineezen en vreemde Oosterlingen, zonder ooit in de gelegenheid te zijn geweest nadere détails te vernemen; want zij, die dien term geregeld in den mond namen, wisten zelf niets meer, hun niet weten achter geheimzinnige gezichten verbergende; nu kon hij er achter komen en wilde niet, vreezende iets te zullen hooren dat hem afschuw zou inboezemen voor die „pantjoeran” van geld.[182]Opgewonden kwam hij thuis.„De dag is goed geweest,” zeide hij tot Anneke;„ik heb zóóveel werk gekregen en dat geeft zóóveel … dat we niet hadden behoeven te verhuizen, als ik het maar eerder geweten had.”„Gaan we dan terug naar ons oude huis?”„Neen, dat zou niet staan. En laat ons maar zuinig zijn, des te vroeger kunnen we alle onrust voor de toekomst op zij schuiven. Is er iets dat je niet bevalt in dit huis?”„Het huis is goed,” zeide Anneke, „maar we hebben zulke rare buren. Die kijven den ganschen dag, en als de man uit is, gaat zij verschrikkelijk aan tegen de bedienden. Als u daar bij depaggergaat staan kunt u het hooren.”„Ga er dan niet staan.”„Men moet toch rondkijken op het erf. O ja, dat herinnert me … Gistermiddag zag ik, aan den anderen kant, een inlander uit[183]dekamponghiernaast, die een ladder zette tegen den muur van het paviljoen en probeerde door een van die ronde gaten naarbinnen te zien. Zouden ze willen inbreken?”„Die duivelskinderen!” schold Wije, naar het paviljoen loopende. Daar bekeek hij de ronde luchtgaten in den zijmuur, en achteruitstappend om de richting te meten, onderzocht hij of men daar doorheen kon zien wat er in het kantoor geschiedde. Bukkend, met zijn hoofd ter hoogte van de rustbank, zag hij het luchtgat daartegenover gesloten. Toch liet hij onmiddellijk een metselaar roepen, die de gaten dichtmaakte, ofschoon Anneke opmerkte dat zij te klein waren, zelfs voor een inlander, om er zich door te wringen. Hij gaf haar gelijk, maar het was nu eenmaal gelast, dus moest het gebeuren. Bij zichzelf mopperde hij over de nieuwsgierigheid van dat volk; want hij had dadelijk begrepen dat zij slechts de bevestiging zochten van een,[184]door de vele bezoeken van mevrouw Duna, bij hen gerezen vermoeden. Het was ergerlijk, dat men in Indië niets van dien aard geheim kon houden. Wat ging het hun aan?Een paar dagen later meldde zich bij Wije de administrateur van Piong Pan Ho’s suikerfabriek. Hij had Wije’s brief ontvangen, die hem de verandering meldde in het direct beheer, en kwam er nu eens over praten. Het was een man van fatsoenlijk voorkomen en manieren. In plaats van de standjes, die Wije half en half verwacht had, begon hij een langdradige verhandeling over zijn positie, die zoo mooi was vroeger, toen de fabriek aan Europeesche eigenaars toebehoorde en zoo in minachting, nu die van een Chinees was. Eindelijk, daar Wije hem liet doorspreken, had hij het over hetgeen aanleiding had gegeven tot deze handeling van den eigenaar, want hij wilde er geen doekjes om winden, dàt was hem duidelijk genoeg. Het speet hem[185]nu, dat hij bij den overgang zijn ontslag niet had genomen, toen hij gemakkelijk een gelijke betrekking had kunnen krijgen, wat nu voor goed was verkeken omdat hij bij een Chinees had gediend. Wat er dat toe deed, verklaarde hij niet te beseffen, maar het stond er toe, men nam niemand aan, die dàt achter zich had. Men deed het dan ook alleen, en zoo ook hij, om der wille van de „losse emolumenten” die men op een Chineesche fabriek genoot; daar schaamde hij zich voorts volstrekt niet over, dat was usance. En nu waren die zoo opeens weggevallen!„Ik hoop, meneer Wije,” besloot hij, „dat u zult weten te leven en te laten leven.”„U vergist zich,” zeide Wije, „als u denkt dat de u ontvallen „losse emolumenten” aan mij zijn gekomen. Ik heb deze zaak op mij genomen uit een soort vriendschap voor den eigenaar der fabriek. Natuurlijk niet zonder belooning. Doch mijn grootste verdiensten zullen[186]moeten komen uit het voordeel dat de fabriek oplevert, en dat behoort ook bij u het geval te zijn.”„Dat zou mooi gezegd zijn als we tien jaar vroeger leefden,” zeide de administrateur. „De machines zijn nu oud, en wat erger is, met de lage suikerprijzen, verouderd. Om behoorlijke winsten te kunnen maken zoude de heele installatie moeten worden vernieuwd, althans nagenoeg. De vorige eigenaars hebben er tegen opgezien en haar daarom verkocht.”„Is dat de eenige reden,” vroeg Wije, „en durft u mij op uw woord en als vakman verzekeren dat nieuwe machines de onderneming beter zouden doen rendeeren?”„Op mijn woord van eer,” zei de ander. „Maar gaat u zelf zien op andere fabrieken; ik zal er u een lijstje van opgeven.”„Goed. Ik zal het onthouden. Als na afloop van den maaltijd de zaak betrekkelijk meevalt, zal ik Piong Pan Ho voorstellen doen van[187]die strekking, en ik twijfel geenszins of u krijgt wat u wenscht en … noodig is.”„Belooft u mij dat?” riep de administrateur. „Ja? Nu dan kunt u op mij rekenen. Dat is een buitenkansje. Zoo mag ik het veel liever dan te moeten … laat ons het nu maar stelen noemen. En als u hier de man is, maakt het voor mij ook een groot verschil; ik heb dan ten minste niet direct met een Chinees te doen.”De administrateur verliet Wije’s kantoor in de beste stemming, die zich uitte toen hij even daarna in de sociëteit zat. Aan wie het hooren wilde, vertelde hij met groot genoegen te hebben kennis gemaakt met Wije, den gemachtigde van den luitenant-Chinees; met dien kon men nu eens flink opschieten!Zij die het hoorden, dachten er het hunne van. Enfin, het was een Chinees; maar dat die Wije nu juist zoo’n baantje op den kop moest tikken; hij was altijd een scharrelaar[188]geweest en … met goed fatsoen kon men nu niet meer met hem omgaan.Van Beek wachtte nog steeds op antwoord. Dat het lang duurde, was hem niet opgevallen; hij had zelf veel tijd noodig om te besluiten en gunde dien een ander eveneens. Er was trouwens geen haast bij; aan het gevoel van een heldenstuk verricht te hebben had hij voorloopig genoeg. Men mocht het natuurlijk niemand vertellen, dat begreep hij, ofschoon hij het wel had willen uitschreeuwen; dus hield hij zijn mond. Wat echter niet belette dat het influenceerde op zijn gansche persoonlijkheid, op zijn voorkomen zoowel als zijn uitingen; men vond op het kantoor dat van Beek wakker scheen te worden, terwijl anderen er zelfs bijvoegden dat hij zich „airs” gaf. Een week na zijn aanzoek kwam hij bij den Franschen kapper, en voor ’t eerst deed deze hem de stereotype vraag:Monsieur a encore besoin de quelque chose?bij het uitgaan van[189]het knip- en scheerhokje, anders gezegdsalon, niet tevergeefs. Van Beek kocht dassen, boorden van het nieuwste model, bottines en nog allerlei andere zaken die men in een Indischen coiffeurs-winkel aantreft. Eenige dagen later kocht hij in een apotheek een gouden lorgnet, en dat deed de deur dicht!Voor de zooveelste maal sprak heel Semarang over van Beek. En men wist wat er aan de hand was! Reeds lang was de lucht zwaar van de praatjes over een mutatie in de hoogste handelskringen. Er was uitgelekt, dat op het kantoor van den heer Duna allerlei werk verricht werd, dat geen zin zou hebben, tenzij men stond voor een overgave van het beheer aan een ander chef. Op den dag vóór het opzetten van het lorgnet, was van Beek door zijn chef naar Duna gezonden, onder wiens toezicht hij een en ander had moeten doen, dat de goedkeuring van den laatstgenoemde had weggedragen. Die feiten stonden vast en[190]niets gemakkelijker dan er verder op door te bouwen. Duna ging weg; waarheen en wie hem zou vervangen was een open vraag; van Beek kreeg een positie bij decrediet-instelling, en een hooge, want daarop wees alles wat hij aantrok.De tweede week was om; zondagmorgen, en nog geen antwoord. Van Beek begon ongeduldig te worden. Over de zaak nadenkende, kwam hij tot het besluit dat Anneke het zeker niet aan haar vader had durven zeggen. Daar kon hij in komen;hijzou het ook niet durven. Maar als dat het geval was, kon het verbazend lang duren, langer dan aangenaam was, nu het ophield een nieuwtje te zijn. Hij had zich al zoo dikwerf met Anneke geëngageerd en wandelend gedroomd, dat zijn hersenen weigerden in die richting verder te functioneeren. Er zat niets anders op dan vanavond bij de Wije’s te gaan eten, en bleek het dat zijn vermoeden juist was, den volgenden dag een brief te schrijven,[191]waarvoor er in den Franschen bundel, waaruit hij zijn declaratie had gehaald, een model als geknipt was.Zoo overviel hij Wije en Anneke. De eerste had in de drukte van den laatsten tijd het geheele aanzoek vergeten, en Anneke had zich stil gehouden; doch nu begreep haar vader dat het niet aanging van Beek langer op te houden. Na den eten, terwijl Anneke nog achter bezig was, kwam Wije, onder een voorwendsel zich een oogenblik verwijderende, bij haar.„Hoor eens Anneke,” zeide hij een weinig driftig, „dat gaat zoo niet. Ik schaam me mijn oogen uit mijn hoofd als ik dien jongen aanzie. Je hebt nu tijd genoeg gehad om er over te denken; wat wil je? Ik sta er op het hem mee te deelen.”„Dan, neen!” antwoordde zij bits.„Nog een half uur geef ik je,” hernam hij. „Kom je vóór, dan zal ik het beschouwen als een teeken dat je hem aanneemt, blijf je achter,[192]en dan bij voorkeur in je kamer, zoo zeg ik hem het tegendeel.”Zonder verder antwoord af te wachten ging hij terug naar van Beek, onderweg op zijn horloge ziende.Het half uur verstreek onder een zeer gedwongen discours. Wije liet er een minuut of vijf overheen loopen en riep toen den huisjongen, hem vragende waar de juffrouw was.„Nonna soedah masok kamar,1” berichtte de bediende.„Goed,” zeide Wije en zich tot van Beek wendende vervolgde hij: „Anneke heeft mij verteld wat je haar gevraagd hebt.”„O ja …?”„Ik kan niet anders zeggen, dan dat haar en mij je aanzoek vereerd heeft. De beslissing moest ik natuurlijk overlaten aan haar, en zij kon er maar niet toe komen. Intusschen heb je recht op een antwoord. Welnu, het spijt mij,[193]doch haar niet verschijnen beduidt een afwijzing.”Van Beek had van de redeneering niet veel verstaan; hij had een aanval van benauwdheid, meer door verlegenheid dan door spanning veroorzaakt; het laatste woord echter drong tot hem door, en iets als toorn beving hem.„Dat is gemeen,” mompelde hij, doch heel zacht.„Nogmaals, het spijt mij,” zeide Wije. „Gelukkig weet niemand er iets van; want dat is altijd onaangenaam. Ik zal Anneke streng verbieden er zich tegen wien ook, over uit te laten.” En toen van Beek langzaam opstond: „We scheiden hoop ik als vrienden? Dat is best. Nu, al heeft dit niet zoo mogen zijn, je blijft ons welkom. Misschien krijg je later wel weer eens trek om hier aan te komen.”Het eerste wat van Beek deed, toen hij thuis kwam, was de vuist ballen en een slag geven, die slechts deklamboeraakte van zijn bed; daarna nam hij een stoel, ging er verkeerd[194]op zitten, de leuning vóór hem, zijn armen op de leuning, zijn hoofd op zijn armen, en huilde.Den volgenden morgen werd hij wakker als vrouwenhater. Slechts even stelde hij zich de vraag of het publiek er naar raden moest of weten hoe hij dit was geworden; hij besloot tot het laatste, en Wije’s woorden in den wind slaande, vertelde hij aan zijn mede-employé’s dat hij een blauwtje geloopen had op Anneke Wije. Dat kleedde, meende hij, en verkneukelde zich als men hem meewarig aanzag, terwijl hij zich zooveel mogelijk in het publiek liet zien, met name bij de uitvoeringen der schutterij-muziek op de aloon-aloon en voor het residentie-huis. Bij een dier gelegenheden voegde zich een jongmensch, een Semarangschlionbij hem.„Weetje,” vroeg deze, „waarom ik met je loop?”„Neen,” antwoordde van Beek.„Omdat alle dames naar je kijken, en zoodoende ook naar mij.”Toen was hij overgelukkig.[195]
Thuis gekomen liep Wije onmiddellijk naar zijn kantoortje, om het geld op te bergen dat hij zooeven van de firma ontvangen had. Morgen kon hij dat bezorgen, en in één woord, aan zijn eigen zaken beginnen. Ja, het beste was maar al het oude van zich te schudden en met kalmte en moed de toekomst in te gaan, die toch zoo heel donker nog niet was. Hij scheurde de papiertjes van drie dagen van den kalender en las dat van heden:Quand tout est perdu, c’est l’heure des grandes âmes, stond er op. Wel niet heelemaal toepasselijk,[161]doch als men het vrij vertaalde: wanneer het slecht gaat, steek dan het hoofd op, dan was het te gebruiken; bovendien kon men zich desnoods verbeelden eengrande âmete zijn.
„Is u daar al?” vroeg Anneke binnenkomende. „Alles afgeloopen?”
„Ja, we zijn zoover.”
Zij zag hem even aan, doch zijn gezicht stond niet treurig en ook de toon van zijn stem klonk niet gedrukt, dus scheen hij zich de zaak niet zoo erg aan te trekken als zij had gevreesd. Wat er eigenlijk gebeurd was, besefte zij niet ten volle. Nog nooit in de omstandigheden verkeerd hebbende voor zich zelf en anderen te moeten zorgen, wist zij niet wat dat beteekende, en evenmin wat het was zich te moeten verminderen, als men niet alleen staat op de wereld. Zij kon er derhalve ook geen angst voor gevoelen, en het alleen naar vinden dat haar pa ergens over tobde. Doch zoo dit niet langer het geval[162]was, dan was immers alles in orde. Zij praatte met hem door over al wat er gedaan moest worden in de eerstvolgende dagen, hoewel ze reeds alles wist: welke meubels meegingen naar het kleine huisje en dat de rest netjes opgepoetst werd voor de vendutie. Want daarmee was reeds een begin gemaakt. En hij vond het gelukkig dat zij het blijkbaar beschouwde als een niet onplezierige verandering, zonder begrip van meerdere of mindere weelde.
Een groot uur later, terwijl Wije in zijn kamer was, stond zij in de achtergalerij en bespeurde aan den kant van depaggervan Beek, die zoodra zij hem in ’t oog kreeg, haar wenkte. Zij ging er heen.
„Juffrouw Anneke, u gaat verhuizen?” vroeg hij, met iets afgemetens in zijn houding.
„Ja, dat heb ik u immers voor een paar dagen al verteld!” zeide zij.
„Juist,” ging hij voort; „dus we zullen geen praatje meer kunnen houden zooals nu.”[163]
„Neen, dat is jammer. Maar u komt ons ginds toch wel opzoeken?”
„Zeker heel graag. Komt u morgen … neen … ik zal het nu maar doen. Ik … had u wat te zeggen, hier, aan de heg.” En hij wees met zijn vinger op een blaadje, alsof dàt er niet bij kon gemist worden.
Anneke knipte met de oogen. Als Indisch meisje op die punten zeer gevat, begreep zij dadelijk waar hij heen wilde, doch zij miste den slag hem te voorkomen; en terwijl zij nadacht over de wijze hoe hem nog van zijn stuk te brengen, stak hij van wal, eentonig de woorden opdreunend, alsof hij een van buiten geleerd lesje opzei, wat dan ook werkelijk het geval was.
„Er komt,” sprak hij, „in het leven van elken man een oogenblik waarop hij diegene ontmoet, die hem aan het geluk doet gelooven. Dan grijpt er een verandering in hem plaats; uit wat hij gisteren nog gewoon en prozaïsch[164]vond, schept hij heden poëzie, de reinste, de schoonste, die hem het hart doet zwellen in de borst, zich uit in alles wat hij spreekt of schrijft, hem den verrukkelijksten droom doet droomen en, door hem te vergrooten in zijn eigen gevoel, den moed inboezemt haar te naderen, die van dit alles de oorzaak is, en haar te vragen dien droom te verwezenlijken. Dat oogenblik is voor mij aangebroken, en die ik bemin zijt gij, Anneke. Wilt gij de zonnestraal zijn die mijn pad verlicht? En, ziet u, u kunt het best doen, wat dat betreft; mijn papa is schatrijk, hij is millionnair.”
De laatste zin was oorspronkelijk.
Van Beek’s declaratie had het gewone effect dat die dingen altijd hebben; er volgde geen antwoord. Maar ook uit Anneke’s houding viel niet op te merken of zij hem aannam of niet. De zaak was dat zij het een niet wilde, het ander niet durfde, en het ten slotte zelf niet meer wist. De tirade door hem geuit, had zij[165]voor ernst, voor uit hemzelf gekomen aangezien, en meende daarom dat het hem in ’t hoofd geslagen was, een tijdelijke toestand, doch die misschien door een weigering bestendigd kon worden. Zij had in ’t algemeen te veelkassianmet hem, en thans in ’t bijzonder, om hem dàt aan te doen. Dan de laatste woorden, waarvan het lompe haar ontsnapt was, doch de beteekenis niet. Millionnair! Dat wil zeggen … Anneke wist het nauwelijks, maar wel dat het nog meer was dan officier of ambtenaar, ook schoone zaken, zooals zelfs een zestienjarige gevoelt vanwege het gedurig hooren zeggen. Dat vulde aan wat er aan die hoekige gestalte ontbrak, fatsoeneerde den neus, tintte de oogen, maakte den bril tot een sieraad, was oorzaak dat zij van Beek de voorkeur gaf als zij aan Kees dacht, maar aan Kees als zij van Beek voor zich zag.
Terwijl de gedachten haar door het hoofd kruisten in snelle opvolging en afwisseling, het[166]antwoorden onmogelijk makend, zich oplossende in één verlangen, om weg te kunnen loopen, stond van Beek daar onbewegelijk, schijnbaar zonder spanning en onverschillig. Een vraag om antwoord, een aandringen, had hij te voren niet geprepareerd, en in zijn langzaam denken kon zich dat niet zoo ineens ontwikkelen, daar waren minstens eenige dagen mee gemoeid. Hij bleef staren op haar bewogen trekken, niet in staat daarvan af te lezen wat zij uitdrukten.
„Anneke! Waar ben je?” riep haar vader; en het was een verlossing.
„Ik zal het papa zeggen,” sprak zij, zich verwijderend.
„Alsublieft,” zeide hij, „dan ben ik er meteen af.”
Anneke hoorde het laatste niet meer; op een drafje snelde zij naar het huis terug. Wije was gekleed en had zin een eindje te wandelen. Anneke deed dit gaarne; en om uitstel te[167]voorkomen, en tevens zelf nog eens te kunnen bedenken hoe zij het zou vertellen, zeide zij voorloopig niets van het zooeven gebeurde.
Toen zij terugkwamen was het donker met zwartbewolkte lucht. De lantaarns, opgehangen in het midden tusschen de boomen, vermochten hun petroleumlicht niet te doen doordringen tot op den weg; het bescheen slechts een bolvormige ruimte in de duisternis, daartegen zichtbaar stuitend, met takjes en bladeren van boomen in den kring, groener dan overdag, door de inwerking van het oranjegeel schijnsel. Laag bij den grond, dicht langs den wegkant, de oliepitjes en smeulende stukken hout, waarvan men de inlandsche dragers niet zien kon, dan als voorbijzwevende vlekken op het zwart rondom.
Gestuurd door de gewoonte van dagelijks doen, vonden Wije en Anneke hun weg op het voorerf, zij hangende aan zijn arm tot zij stil stonden voor de trap van de voorgalerij,[168]er tegen stootend met den voet.
„Papa, van Beek heeft mij gevraagd.”
Hij liet haar los, onwillekeurig starend in de richting waarin zij stond, een hè! van verrassing uitstootend. Maar hij kon haar niet zien; en kloppend op zijn zak, waarin hij gewoon was een doosje lucifers te hebben, liep hij naar binnen; Anneke hem achterna, de warme kleur die zij bij het zeggen der laatste woorden had gekregen, onder het gaan voelende zakken, langzaam wegtrekkend van haar voorhoofd naar omlaag in haar hals. Haastig stak hij de lamp op, en die nog vasthoudend, het hoofd half onder de kap, zag hij haar scherp aan; te laat.
„Je hebt zeker nog wel meer te vertellen?”
„Neen pa.”
„Wat heb je hem geantwoord?”
„Niets pa; alleen dat ik het u zou zeggen.”
„Doe me een plezier en zeg wat je wilt. Het is je gewoonte niet om je de woorden[169]zoo uit de keel te laten halen; waarom dat dan nu gedaan?”
„Omdat ik het zelf nog niet weet,” zeide Anneke eenvoudig. „Ik zou graag trouwen, maar liever niet met van Beek.”
„Je zegt dat op een toon alsof je bedoelde: desnoods met van Beek.”
„Ja pa, dat bedoel ik.”
Wije zweeg, niet wetend hoe hij het had. Hij zag haar aan, terwijl zij droomerig naar buiten staarde, en ontdekte een vreemden trek om haar mond, rimpels, loopende van de neusvleugels naar de mondhoeken, cirkelvormig. Hij kende dat bij oudere meisjes, die een leeftijd hadden bereikt waarop zij heetten te berusten in het denkbeeld van nooit te zullen trouwen, doch bij Anneke vond hij het onrustwekkend vroeg. Het gaf hem een vraag in, die hij niet durfde uiten, zich geneerende voor het antwoord, al kwam dat van zijn eigen dochter.[170]
„Correspondeer je nog met Duna?” vroeg hij, naar den bekenden weg.
„Ja pa. Kees komt over een week of wat thuis.”
„Hoe sta je met hem?”
„We zijn altijd goede vrienden geweest, en met Sinterklaas … dat weet u.” Zij stond op, om uit het glazenkastje, aan het andere eind van de galerij, deminoemante krijgen, zijn verklaring overhoorend, dat hij het eigenlijknietwist. Maar toen zij weer terugkwam, erg druk met het overeindzetten der glaasjes en inschenken, was hem plotseling een andere gedachte ingeschoten, aan mevrouw Duna.
„Je kunt van Beek niet gedurende „een week of wat” aan de praat houden,” zeide hij, „en afwachten wat Duna wil, zooals ik meen dat eigenlijk je zoeken is. Hij moet antwoord hebben, ja of neen. En ik zou het eens goed overwegen; ik weet toevallig dat er zich bij zijn aanzoek geen bezwaren zouden[171]opdoen, terwijl bij Duna … hm, ik heb reden …”
„U meent Kees zijn mama,” zeide Anneke met verachtelijk optrekken van haar bovenlip en even uitsteken van het puntje van haar tong.
„Hoe … wat …? Waar haal je dat vandaan? Ik bedoelde … zijn papa,” loog Wije, die fameus geschrokken was.
„Neen, dan weet u het niet,” zeide Anneke, en verhaalde hem, wat zij wist van de kwaadsprekerij van mevrouw Duna en het blijk dat meneer gegeven had daar niet mee in te stemmen.
„Juist, dat reepje papier,” zeide hij. „Ik had het gevonden en daaruit … maar ik zie nu dat ik het mis heb. Intusschen als mevrouw tegen je is, voorzie ik toch groote moeielijkheden.”
Anneke voorzag die niet, doch gevoelde ze. En dat deed de kansen van van Beek voor[172]’t oogenblik rijzen. Want zij had daareven de waarheid gezegd, zij wilde trouwen. Niet uit ziekelijke begeerte of maatschappelijk oogpunt, doch omdat zij was, die zij was, een gezond ontwikkeld meisje met het bewustzijn van groote geschiktheid voor die zijde van het leven, die zich in het huwelijk openbaart, en totale ongeschiktheid voor de misère, die juist om deze redenen, haar in geval van teleurstelling zoude wachten. Ook dit kon zij niet formuleeren en toch wist zij het, als bij instinct. Intusschen, zij hield van Kees; het zou haar geen moeite kosten haar hand in de zijne te leggen, als hij om haar kwam; zij was met die gedachte al zoo lang vertrouwd, dat ze het zich haast niet anders meer kon voorstellen. Maar soms beving haar een schrik bij de gedachte dat het wel eens niet zoo kon uitkomen en drong zich de vraag in haar op: wat dan? Of, wie dan? Het antwoord echter hierop had zich nog nooit belichaamd, tot op dezen avond, plotseling,[173]op een oogenblik waarin zij de vraag in ’t geheel niet stelde. En men verlangde dat zij dadelijk zou kiezen; niet eerst afwachten, neen, onmiddellijk. Maar dat ging immers niet. Daar moest over worden gedacht … daartoe moest men een vertrouwde hebben, een moeder, aan wier voeten men kon gaan zitten of knielen, het hoofd in haar schoot, met twee woorden telkens een volzin beginnende, die het hart verder voltooide, en daartusschen korte schreibuien. Zoo kon men alles oplossen, doch een man was niet de persoon bij wien men op die wijze hulp kon zoeken, aan zijn gesteven witten pantalon was daarvoor geen plaats.
„Ik voor mij,” hernam Wije, toen zij bleef zwijgen, „vind beide partijen even mooi, maar zooals altijd, de zekere de beste. En bovendien is, waar men elkaar kent en de een den ander niet bepaald afstoot of tegenstaat, een zoogenaamdmariage de raisonin de meeste gevallen te verkiezen boven een huwelijk uit liefde, of[174]beter: verliefdheid. In het laatste geval stelt men wederzijds eischen, hooger dan met den besten wil vervuld kunnen worden, en slechts weinigen zijn zoo verstandig zich wat in te toornen; in het eerste weet men nagenoeg wat men aan elkaar heeft, de eischen die men stelt gaan daar niet overheen en zijn bescheiden, en de gewoonte van met elkaar te leven doet de rest om het huwelijk althans aangenaam te maken.”
„Foei pa, wat is u prozaïsch,” viel Anneke in. „Is dat nu niet, wat u mij laatst hebt gezegd dat men een paradox noemt?”
„Betrekkelijk ja. Voorzoover men de meening van jongelui en romanschrijvers als de heerschende aanneemt. Maar we dwalen af. Ik zie wel dat je nu geen trek hebt er verder over door te gaan.Soedah, een paar dagen mag je er altijd over nadenken. Beloof je mij dat ook te zullen doen?”
„Ja pa. Van Beek zal er misschien wel op[175]terugkomen of zondag … neen dan zijn we pas verhuisd, maar zondag over acht dagen komt hij vast weer bij ons, en dan … kunnen we zien.”
Wije glimlachte over haar slimheid in het uitstellen, doch vond ten slotte dat het geen kwaad kon als zij er eens overpikirde, hopende dat zij van Beek zou aannemen. Er was in zijn ideeën omtrent een huwelijk van Anneke een verandering gekomen, die dateerde van af het eerste bezoek van mevrouw Duna. Anneke was lastig in huis, een sta in den weg en … hij hield te veel van haar, om niet in gedurigen angst te verkeeren, dat zij het zou bemerken.
Als zij echter met Kees geëngageerd raakte, dan was het nog gekker, vooral daar dit engagement lang kon duren, omdat zij met trouwen moesten wachten tot hij bevorderd was tot controleur. En ten slotte werd de verhouding zoo mal, zoodra men „het” wist. Het kwam niet in hem op, dat feitelijk hijzelf, en niet Anneke, voor een keus stond.[176]
Er volgden eenige dagen van drukte en bezigheid, de vendutie, het verhuizen en eindelijk, voor Wije, het zich inwerken in de administratie, die hij voeren moest voor mevrouw Duna. Toen hij die in orde had, niet dan nadat zij verscheiden malen inlichtingen was komen geven, begon hij aan zijn eigen zaken, het laatst ontvangen geld op de gewone wijze beleggend. Daarop bezocht hij Piong Pan Ho, wiens benoeming tot luitenant hij in de courant had gelezen.
Hij vond denSingkehniet in detoko, die vergeleken met de vorige maal dat hij er geweest was, erg leeg was, zoo dat men nu zonder zich te stooten er doorheen kon wandelen. De bediende, die Piong Pan Ho ging waarschuwen, kwam terug met het verzoek of meneer achter wou komen. Wije liep daarop door, om het nieuwe huis heen, naar de bijgebouwen. In een der kamertjes zat de man dien hij zocht, achter een met papieren beladen tafel, een grooten hoornen bril op zijn neus.[177]
„Dag luitenant,” groette Wije, en het hooren van zijn nieuwen titel riep een flauwen glimlach te voorschijn op het gelaat van denSingkeh.
„Banjak soesah,” zeide hij toen, wijzende op eenige rekeningen die voor hem lagen.
„Wat is er?” vroeg Wije deelnemend.
„Die suikerfabriek is de rotste zaak die er bestaat,” barstte Piong Pan Ho los. „Het is een dievenboel! Daar liggen de rekeningen van benoodigdheden; ik heb laten informeeren wat zij kosten, alles twintig percent minder dan hier staat; de reparaties kan ik niet nagaan, maar ook daar is op gestolen. Op die manier lijd ik verlies; ik wist wel dat er geen groote winsten mee te behalen waren, soedah! maar verliezen is toch jammer, dat doe ik nooit.”
„Ja,” zeide Wije, die een papier had opgenomen en ingezien, „het is erg, dat zie ik zóó wel, al ken ik de prijzen niet. Nu je ’t echter weet,[178]is het niet moeielijk er een eind aan te maken.”
„Het zijn Europeanen, meneer. Wat helpt het mij of ik het weet; ik heb er een Chinees naar toe gezonden om mij te berichten hoe het op de fabriek zelf toegaat, maar wat helpt het mij? Ik kan hen toch niets doen.”
Een oogenblik moest Wije lachen om het idee: Piong Pan Ho met eenrottanden administrateur en de employé’s der fabriek afranselend; want iets anders kon hij niet bedoelen met zijn klacht.
„Er zijn nog andere middelen,” zeide hij. „Maar … ik weet wat! Ik heb nu toch niets te doen, en zoek werk … stel mij als je gemachtigde aan; dan zal ik alle bestellingen en leveringen zelf behandelen, de administratie hier voeren en, in één woord, hun niets overlaten dan het werk op de fabriek.”
Piong Pan Ho stond op van zijn stoel en greep Wije’s hand, zich daarover heenbuigend zooals hij het de inlanders had zien doen bij[179]hunhadjies. Toen sprak hij lang en luid over de goedheid van dien Europeaan, die hoewel pinterder dan de anderen, zijnoentoengniet zocht in het plukken van een armen Chinees, wiens dood het zou zijn als hij op zijn zaken doorgaand verloor; en er volgde eencombat de génerositéover het salaris dat Wije zou genieten. Het werd eindelijk bepaald op vijfhonderd gulden; minder wou Piong Pan Ho in geen geval geven, en hij behield zich voor ingeval de fabriek winsten afwierp, Wije daarvan percenten toe te kennen, zoo goed als hij die moest uitbetalen aan dien administrateur. En nu men toch over geld sprak, herinnerde hij zich dat er reeds veel was binnengekomen van hetgeen hij voor meneer had uitgezet; hij zou het even nakijken. Wat hij deed in een dier langwerpige blauwe boekjes, blaadje voor blaadje omslaand, en zonder er naar te zien, met zijn vingers de balletjes op het telbord heen en weer schuivend.[180]
„Acht duizend driehonderd twee en twintig,” las hij af; „ik zal het gaan halen.”
Toen hij weg was stond Wije op, zich uitrekkend bij gebrek aan iets anders dat hij niet durfde doen, maar toch behoefte hebbend aan eenigerlei lichaamsbeweging om zijn vreugde te uiten. ’t Was vreemd, dat zijn „antecedenten” niet waren doorgedrongen tot dienSingkeh! Hoewel, die was te nuchter om zich aan praatjes te storen.
„Hoeveel staat er nu nog?” vroeg hij, nadat hij het geld van Piong Pan Ho had aangenomen, wenschende alzoo een winstberekening te maken.
„Zooveel als u mij heeft toevertrouwd.”
„En dit dan?”
„Dat is binnengekomen.”
„Is het dan enkel winst?”
Zooals men het nemen wilde, verklaarde Piong Pan Ho. Het uitgezette geld zat vast; dat zag men nooit weerom, doch er bleef[181]steeds binnenkomen,samadjoega pantjoeran, altijd doorloopend, jarenlang, tot er hier en daar wat wegraakte dat niet te forceeren viel; maar iets bleef het allicht geven en met een deel van het binnengekomene kon men weer nieuwe zaken doen
„Waar zit het dan?” vroeg Wije.
„In dedessa. Nu komt er in lang niets binnen, maar tegen het begin van den westmoeson is het waarschijnlijk weer meer dan nu.”
Wije stond verstomd en durfde niet verder vragen. Hij had dikwijls hooren spreken van „uitzuigen van den inlander” door Chineezen en vreemde Oosterlingen, zonder ooit in de gelegenheid te zijn geweest nadere détails te vernemen; want zij, die dien term geregeld in den mond namen, wisten zelf niets meer, hun niet weten achter geheimzinnige gezichten verbergende; nu kon hij er achter komen en wilde niet, vreezende iets te zullen hooren dat hem afschuw zou inboezemen voor die „pantjoeran” van geld.[182]
Opgewonden kwam hij thuis.
„De dag is goed geweest,” zeide hij tot Anneke;„ik heb zóóveel werk gekregen en dat geeft zóóveel … dat we niet hadden behoeven te verhuizen, als ik het maar eerder geweten had.”
„Gaan we dan terug naar ons oude huis?”
„Neen, dat zou niet staan. En laat ons maar zuinig zijn, des te vroeger kunnen we alle onrust voor de toekomst op zij schuiven. Is er iets dat je niet bevalt in dit huis?”
„Het huis is goed,” zeide Anneke, „maar we hebben zulke rare buren. Die kijven den ganschen dag, en als de man uit is, gaat zij verschrikkelijk aan tegen de bedienden. Als u daar bij depaggergaat staan kunt u het hooren.”
„Ga er dan niet staan.”
„Men moet toch rondkijken op het erf. O ja, dat herinnert me … Gistermiddag zag ik, aan den anderen kant, een inlander uit[183]dekamponghiernaast, die een ladder zette tegen den muur van het paviljoen en probeerde door een van die ronde gaten naarbinnen te zien. Zouden ze willen inbreken?”
„Die duivelskinderen!” schold Wije, naar het paviljoen loopende. Daar bekeek hij de ronde luchtgaten in den zijmuur, en achteruitstappend om de richting te meten, onderzocht hij of men daar doorheen kon zien wat er in het kantoor geschiedde. Bukkend, met zijn hoofd ter hoogte van de rustbank, zag hij het luchtgat daartegenover gesloten. Toch liet hij onmiddellijk een metselaar roepen, die de gaten dichtmaakte, ofschoon Anneke opmerkte dat zij te klein waren, zelfs voor een inlander, om er zich door te wringen. Hij gaf haar gelijk, maar het was nu eenmaal gelast, dus moest het gebeuren. Bij zichzelf mopperde hij over de nieuwsgierigheid van dat volk; want hij had dadelijk begrepen dat zij slechts de bevestiging zochten van een,[184]door de vele bezoeken van mevrouw Duna, bij hen gerezen vermoeden. Het was ergerlijk, dat men in Indië niets van dien aard geheim kon houden. Wat ging het hun aan?
Een paar dagen later meldde zich bij Wije de administrateur van Piong Pan Ho’s suikerfabriek. Hij had Wije’s brief ontvangen, die hem de verandering meldde in het direct beheer, en kwam er nu eens over praten. Het was een man van fatsoenlijk voorkomen en manieren. In plaats van de standjes, die Wije half en half verwacht had, begon hij een langdradige verhandeling over zijn positie, die zoo mooi was vroeger, toen de fabriek aan Europeesche eigenaars toebehoorde en zoo in minachting, nu die van een Chinees was. Eindelijk, daar Wije hem liet doorspreken, had hij het over hetgeen aanleiding had gegeven tot deze handeling van den eigenaar, want hij wilde er geen doekjes om winden, dàt was hem duidelijk genoeg. Het speet hem[185]nu, dat hij bij den overgang zijn ontslag niet had genomen, toen hij gemakkelijk een gelijke betrekking had kunnen krijgen, wat nu voor goed was verkeken omdat hij bij een Chinees had gediend. Wat er dat toe deed, verklaarde hij niet te beseffen, maar het stond er toe, men nam niemand aan, die dàt achter zich had. Men deed het dan ook alleen, en zoo ook hij, om der wille van de „losse emolumenten” die men op een Chineesche fabriek genoot; daar schaamde hij zich voorts volstrekt niet over, dat was usance. En nu waren die zoo opeens weggevallen!
„Ik hoop, meneer Wije,” besloot hij, „dat u zult weten te leven en te laten leven.”
„U vergist zich,” zeide Wije, „als u denkt dat de u ontvallen „losse emolumenten” aan mij zijn gekomen. Ik heb deze zaak op mij genomen uit een soort vriendschap voor den eigenaar der fabriek. Natuurlijk niet zonder belooning. Doch mijn grootste verdiensten zullen[186]moeten komen uit het voordeel dat de fabriek oplevert, en dat behoort ook bij u het geval te zijn.”
„Dat zou mooi gezegd zijn als we tien jaar vroeger leefden,” zeide de administrateur. „De machines zijn nu oud, en wat erger is, met de lage suikerprijzen, verouderd. Om behoorlijke winsten te kunnen maken zoude de heele installatie moeten worden vernieuwd, althans nagenoeg. De vorige eigenaars hebben er tegen opgezien en haar daarom verkocht.”
„Is dat de eenige reden,” vroeg Wije, „en durft u mij op uw woord en als vakman verzekeren dat nieuwe machines de onderneming beter zouden doen rendeeren?”
„Op mijn woord van eer,” zei de ander. „Maar gaat u zelf zien op andere fabrieken; ik zal er u een lijstje van opgeven.”
„Goed. Ik zal het onthouden. Als na afloop van den maaltijd de zaak betrekkelijk meevalt, zal ik Piong Pan Ho voorstellen doen van[187]die strekking, en ik twijfel geenszins of u krijgt wat u wenscht en … noodig is.”
„Belooft u mij dat?” riep de administrateur. „Ja? Nu dan kunt u op mij rekenen. Dat is een buitenkansje. Zoo mag ik het veel liever dan te moeten … laat ons het nu maar stelen noemen. En als u hier de man is, maakt het voor mij ook een groot verschil; ik heb dan ten minste niet direct met een Chinees te doen.”
De administrateur verliet Wije’s kantoor in de beste stemming, die zich uitte toen hij even daarna in de sociëteit zat. Aan wie het hooren wilde, vertelde hij met groot genoegen te hebben kennis gemaakt met Wije, den gemachtigde van den luitenant-Chinees; met dien kon men nu eens flink opschieten!
Zij die het hoorden, dachten er het hunne van. Enfin, het was een Chinees; maar dat die Wije nu juist zoo’n baantje op den kop moest tikken; hij was altijd een scharrelaar[188]geweest en … met goed fatsoen kon men nu niet meer met hem omgaan.
Van Beek wachtte nog steeds op antwoord. Dat het lang duurde, was hem niet opgevallen; hij had zelf veel tijd noodig om te besluiten en gunde dien een ander eveneens. Er was trouwens geen haast bij; aan het gevoel van een heldenstuk verricht te hebben had hij voorloopig genoeg. Men mocht het natuurlijk niemand vertellen, dat begreep hij, ofschoon hij het wel had willen uitschreeuwen; dus hield hij zijn mond. Wat echter niet belette dat het influenceerde op zijn gansche persoonlijkheid, op zijn voorkomen zoowel als zijn uitingen; men vond op het kantoor dat van Beek wakker scheen te worden, terwijl anderen er zelfs bijvoegden dat hij zich „airs” gaf. Een week na zijn aanzoek kwam hij bij den Franschen kapper, en voor ’t eerst deed deze hem de stereotype vraag:Monsieur a encore besoin de quelque chose?bij het uitgaan van[189]het knip- en scheerhokje, anders gezegdsalon, niet tevergeefs. Van Beek kocht dassen, boorden van het nieuwste model, bottines en nog allerlei andere zaken die men in een Indischen coiffeurs-winkel aantreft. Eenige dagen later kocht hij in een apotheek een gouden lorgnet, en dat deed de deur dicht!
Voor de zooveelste maal sprak heel Semarang over van Beek. En men wist wat er aan de hand was! Reeds lang was de lucht zwaar van de praatjes over een mutatie in de hoogste handelskringen. Er was uitgelekt, dat op het kantoor van den heer Duna allerlei werk verricht werd, dat geen zin zou hebben, tenzij men stond voor een overgave van het beheer aan een ander chef. Op den dag vóór het opzetten van het lorgnet, was van Beek door zijn chef naar Duna gezonden, onder wiens toezicht hij een en ander had moeten doen, dat de goedkeuring van den laatstgenoemde had weggedragen. Die feiten stonden vast en[190]niets gemakkelijker dan er verder op door te bouwen. Duna ging weg; waarheen en wie hem zou vervangen was een open vraag; van Beek kreeg een positie bij decrediet-instelling, en een hooge, want daarop wees alles wat hij aantrok.
De tweede week was om; zondagmorgen, en nog geen antwoord. Van Beek begon ongeduldig te worden. Over de zaak nadenkende, kwam hij tot het besluit dat Anneke het zeker niet aan haar vader had durven zeggen. Daar kon hij in komen;hijzou het ook niet durven. Maar als dat het geval was, kon het verbazend lang duren, langer dan aangenaam was, nu het ophield een nieuwtje te zijn. Hij had zich al zoo dikwerf met Anneke geëngageerd en wandelend gedroomd, dat zijn hersenen weigerden in die richting verder te functioneeren. Er zat niets anders op dan vanavond bij de Wije’s te gaan eten, en bleek het dat zijn vermoeden juist was, den volgenden dag een brief te schrijven,[191]waarvoor er in den Franschen bundel, waaruit hij zijn declaratie had gehaald, een model als geknipt was.
Zoo overviel hij Wije en Anneke. De eerste had in de drukte van den laatsten tijd het geheele aanzoek vergeten, en Anneke had zich stil gehouden; doch nu begreep haar vader dat het niet aanging van Beek langer op te houden. Na den eten, terwijl Anneke nog achter bezig was, kwam Wije, onder een voorwendsel zich een oogenblik verwijderende, bij haar.
„Hoor eens Anneke,” zeide hij een weinig driftig, „dat gaat zoo niet. Ik schaam me mijn oogen uit mijn hoofd als ik dien jongen aanzie. Je hebt nu tijd genoeg gehad om er over te denken; wat wil je? Ik sta er op het hem mee te deelen.”
„Dan, neen!” antwoordde zij bits.
„Nog een half uur geef ik je,” hernam hij. „Kom je vóór, dan zal ik het beschouwen als een teeken dat je hem aanneemt, blijf je achter,[192]en dan bij voorkeur in je kamer, zoo zeg ik hem het tegendeel.”
Zonder verder antwoord af te wachten ging hij terug naar van Beek, onderweg op zijn horloge ziende.
Het half uur verstreek onder een zeer gedwongen discours. Wije liet er een minuut of vijf overheen loopen en riep toen den huisjongen, hem vragende waar de juffrouw was.
„Nonna soedah masok kamar,1” berichtte de bediende.
„Goed,” zeide Wije en zich tot van Beek wendende vervolgde hij: „Anneke heeft mij verteld wat je haar gevraagd hebt.”
„O ja …?”
„Ik kan niet anders zeggen, dan dat haar en mij je aanzoek vereerd heeft. De beslissing moest ik natuurlijk overlaten aan haar, en zij kon er maar niet toe komen. Intusschen heb je recht op een antwoord. Welnu, het spijt mij,[193]doch haar niet verschijnen beduidt een afwijzing.”
Van Beek had van de redeneering niet veel verstaan; hij had een aanval van benauwdheid, meer door verlegenheid dan door spanning veroorzaakt; het laatste woord echter drong tot hem door, en iets als toorn beving hem.
„Dat is gemeen,” mompelde hij, doch heel zacht.
„Nogmaals, het spijt mij,” zeide Wije. „Gelukkig weet niemand er iets van; want dat is altijd onaangenaam. Ik zal Anneke streng verbieden er zich tegen wien ook, over uit te laten.” En toen van Beek langzaam opstond: „We scheiden hoop ik als vrienden? Dat is best. Nu, al heeft dit niet zoo mogen zijn, je blijft ons welkom. Misschien krijg je later wel weer eens trek om hier aan te komen.”
Het eerste wat van Beek deed, toen hij thuis kwam, was de vuist ballen en een slag geven, die slechts deklamboeraakte van zijn bed; daarna nam hij een stoel, ging er verkeerd[194]op zitten, de leuning vóór hem, zijn armen op de leuning, zijn hoofd op zijn armen, en huilde.
Den volgenden morgen werd hij wakker als vrouwenhater. Slechts even stelde hij zich de vraag of het publiek er naar raden moest of weten hoe hij dit was geworden; hij besloot tot het laatste, en Wije’s woorden in den wind slaande, vertelde hij aan zijn mede-employé’s dat hij een blauwtje geloopen had op Anneke Wije. Dat kleedde, meende hij, en verkneukelde zich als men hem meewarig aanzag, terwijl hij zich zooveel mogelijk in het publiek liet zien, met name bij de uitvoeringen der schutterij-muziek op de aloon-aloon en voor het residentie-huis. Bij een dier gelegenheden voegde zich een jongmensch, een Semarangschlionbij hem.
„Weetje,” vroeg deze, „waarom ik met je loop?”
„Neen,” antwoordde van Beek.
„Omdat alle dames naar je kijken, en zoodoende ook naar mij.”
Toen was hij overgelukkig.[195]
1De juffrouw is al in haar kamer.↑
1De juffrouw is al in haar kamer.↑
1De juffrouw is al in haar kamer.↑
1De juffrouw is al in haar kamer.↑