[Inhoud]VI.VI.OOK EEN COMPAGNON.Het was een drukke tijd. Om een zuivere balans te kunnen opmaken wilde men den geheelen inventaris van detokoopgenomen hebben, iets wat in de meeste zaken slechts met een taxatie wordt afgedaan. Het lastige hierbij was dat de verkoop ondertusschen niet stilstond en er in de aanwezige hoeveelheden dagelijks dus verandering kwam, die zorgvuldig moest worden bijgehouden. Met de ijverige hulp zijner bedienden kwam Wije er doorheen, en een week na Nieuwjaar verraste hij zijn chef met de netjes geschreven lijsten.[120]„Mooi zoo,” zeide deze. „Nu kunnen ze hier aan den slag komen. Als je ’s morgens een half uurtje kunt komen helpen met inlichtingen en zoo, zullen ze die balans spoedig genoeg klaar hebben.—Apropos, Kan Liong Tjoe is hier geweest; het is al eenigen tijd geleden, maar met die drukte is ’t mij door het hoofd gegaan; hij wou, geloof ik, zijn zoon in detokohebben. Kan je dien plaatsen?”„Hij is met hetzelfde verzoek bij mij geweest,” antwoordde Wije, „en ik … heb het met de drukte óók vergeten.”„O zoo,” zeide de chef, na Wije een poos te hebben aangekeken. „Is je bedoeling het blijvend te vergeten?”„Ja meneer. Ik had informaties …”„Al goed; ’t is mij onverschillig.”Zonderling, dacht Wije bij het heengaan, als de zaken maar marcheeren wordt de lastigste chef tam!Een week of wat later kreeg hij de boodschap[121]om ’s morgens van den volgenden dag op het kantoor te komen en te blijven bij het afsluiten der balans. Wije had daarvan slechts een vaag begrip. Zoolang hij bij de firma was geweest, herinnerde hij zich, dat telken jare de chefs, de procuratiehouder en de hoofdboekhouder zich een geheelen morgen opsloten in de chefskamer. Zij trokken er met gelegenheidsgezichten in en kwamen er met fideele gezichten uit, mompelend „’n mooi jaar!” En de employé’s, die fijne opmerkers, wisten een uur daarna elkaar precies te vertellen of het eenheelmooi, dan wel eenmatigmooi jaar was geweest. In het laatste geval toch werden zij uitgenoodigd, om met de chefs op het welzijn der firma een glas bier te drinken; in het eerste geschiedde hetzelfde, doch met champagne, en zoo er voor de tweede maal werd ingeschonken … ja, dàn bleef ook een maand extra-tractement niet uit!En nu moest Wije tegenwoordig zijn bij[122]zulk een geheimzinnige handeling in de chefskamer, want het betrof de balans van de door hem bestuurdetoko. Wije betrapte zich, bij het binnenkomen, op het deftig plooien van zijn trekken; dat was aanstekelijk! Maar wat er binnen gebeurde viel hem tegen; daar zat nu niets maçonnieks in; het was eenvoudig beraadslagen over de sluitposten: hoeveel men mocht en kon afschrijven, zonder het winstcijfer te sterk te drukken. En hier viel niet veel te redeneeren; er was flink verdiend en er behoefde geen schijn te worden opgehouden; men kon zoo royaal te werk gaan als men verkoos. Het duurde dan ook niet lang of de boekhouder zat van zijn kladstaten de posten over te schrijven in de boeken.„’t Is verbazend goed gegaan,” merkte de chef op, zich met Wije bij een venster opstellend, en fluisterend om den boekhouder niet te storen. „Jij komt er ook best af; en dat doet me het meeste pleizier.”[123]„U is wel vriendelijk, meneer.”„Ja, want toen we je in detokoplaatsten, had ik er een zwaar hoofd in. Maar zooals het nu gaat, zit er een fortuintje voor je in. Eén ding is jammer, dat de zaak weer aan Kan Liong Tjoe teruggaat zoodra wij voldaan zijn; anders kon je er best voor teekenen.”„Zou Kan Liong Tjoe er niet uit te houden zijn? Ik bedoel, dat hij alleen de winst thuis krijgt?”„Ik twijfel er aan. Maar ik zal er Duna eens over hooren; het zou voor ons ook veel voordeeliger en solieder zijn.”„Meneer Duna is op reis, niet waar?”„Ja, hij is even naar Soerabaja. Maar dat belet jou niet om te toucheeren wat je toekomt.”„O, daar dacht ik niet eens aan,” zeide Wije.Zij keken een tijdlang uit het raam, naar de onder hen voortbewegende drukte van[124]sappie-karren,toko-wagens en kistenpikelendeinlanders. Toen kuchte de chef en zeide:„Van Beek komt nogal eens bij je, niet waar?” En op Wije’s bevestigend gebaar, ging hij een weinig aarzelend voort: „Ik heb hem zoo’n beetje onder mijn voogdij, naar je weet; houd me dus de vraag ten goede: Trekt hij verliefde gezichten tegen je dochter?”„Niet dat ik weet,” antwoordde Wije, vroolijk. „Hij vertoont steeds dezelfde merkwaardige facie, die alleen verandert als hij lacht of gaapt.”„Ik zal je zeggen waarom ik het vroeg,” zeide de chef ernstig blijvend. „De oude heer van Beek heeft van iemand—wie doet er niet toe—een zoogenaamde waarschuwing ontvangen. Hij heeft die natuurlijk aan mij gezonden … trouwens, dat is al iets heel bijzonders. Weet je hoe Hollandsche menschen gewoonlijk doen?”„Neen …”[125]„Wel, die met Indië te maken hebben, houden er hier één persoon op na, bij wien zij alles informeeren of door wien zij zich geregeld bericht laten zenden. Wat zij buitendien ontvangen, gaat zonder mededoogen in de voddenmand.”„Dat is toch niet altijd verstandig!”„Dikwijls niet, maar … Enfin, ik heb geantwoord, dat naar mijn weten, er niets van aan was. Voor de voorzichtigheid heb ik er nog bijgevoegd: en al was het zoo, dan zou je zoon den verstandigsten streek doen, die hij ooit van zijn leven kon uithalen. Ik heb het wel in andere woorden uitgedrukt, maar je begrijpt.…”„Jawel,” zeide Wije. „Nu, ik ben zeer gevoelig voor uw opinie …”„Ik ben klaar, meneer,” klonk het van den anderen kant der kamer, en zij braken hun gesprek af om zich weer aan de „zaken” te wijden.[126]„Mag ik u feliciteeren, meneer,” zeide ten slotte de boekhouder. „En jou ook, Wije; je hebt het er kranig afgebracht.”En er verscheen ook champagne, waarop de overige employé’s geïnviteerd werden. Weer stonden zij allen om Wije heen, evenals zooveel jaren geleden. Het waren op een enkel na, dezelfde gezichten, alleen wat verouderd, doch dat merkt men niet, als men met elkaar gelijk op leeft, en zij uitten hun gelukwenschen voor de toekomst, juist als toenmaals.Toen Wije het kantoor verliet, om naar zijntokoterug te keeren, deed de chef hem uitgeleide tot aan de trap, arm in arm met hem over de monsterkamer wandelend en hem tot driemaal toe de hand schuddend op amicale wijze. Van dentoko-wagen wilde hij geen gebruik maken; hij had behoefte zijn ledematen eens flink uit te strekken. En dit deed hij, zonder te letten op den modder en de plassen, zoodat de voorbijgangers hem verbaasd[127]aankeken en snel uitweken om niet bespat te worden. Hij had het gezien, onder cijfers, wat hij voor zich reeds sedert maanden had vermoed, gezien met eigen oogen, dat hij nu geld genoeg bezat om zoo noodig onafhankelijk te kunnen leven. Op bescheiden voet, weliswaar, maar het kòn toch. En als er nog een jaar bij kwam, zoo gelukkig als het afgeloopene, dan zou hij er mee uitscheiden en naar Holland gaan; voorgoed, en daar een welverdiende rust genieten, bij een heel klein beetje werken voor eigen plezier. Het aardigste was dat niemand het kon gissen! Want hij had zijn spaarpenningen nooit bij één kantoor gelaten, doch hier een weinig,dááreen weinig, wat courante aandeeltjes in plaatselijke prauwenveeren, een paar spaarbankboekjes, en zoo voort. Maar nu werd het lastig; het bedrag dat hij dezer dagen zou toucheeren was te groot, om zoo maar te worden weggemoffeld …soedah!hij kon[128]er nog een poos over nadenken, en zelfs al vond hij er niets op, dan wasdieverlegenheid eigenlijk niet eens zoo erg.Behoefte gevoelende zijn geluk mee te deelen aan een ander, liep hij bij Piong Pan Ho binnen. Deze was zeer verheugd dat meneer zooveeloentoenghad, en zelfs min of meer verbaasd dat detokonogzóóveelhad afgeworpen. Dat was bijna zoo goed als de losse handel, dien hij met een deel van zijn geld dreef! Als meneer wilde dan zou hij eens wat kapitaal voor hem uitzetten.„Ik dacht,” zeide Wije, bij dit aanbod stilstaande, dat hem na zijn overlegging van even te voren niet zoo verwerpelijk scheen, „dat je zelf met je geld geen weg wist.”Dat was zoo geweest, legde deSingkehuit, maar nu niet meer. Hij had nieuwe kanalen gevonden, en … men had hem een belegging aangewezen, die wel geen groote winsten zou geven, maar toch buitengewoon voordeelig[129]beloofde te zijn. Meneer herinnerde zich wel wat zij destijds samen besproken hadden, over diecadeaux? Nu, hij had er wil van gehad. Men was bij hem gekomen om eens poolshoogte te nemen. Bij die gelegenheid was er druk gesproken en men had hem verteld wat hij zoo al aan onroerende goederen moest kunnen aantoonen, om in aanmerking te komen voor luitenant-Chinees. Want het stond niet om enkel vlottend kapitaal te hebben, dat zàg men niet. En zoo terloops was er gepraat over een suikerfabriek in het Japarasche, die te koop was.… De vorige week had hij haar gekocht; en nu zou de zoo gewenschte benoeming wel niet lang meer uitblijven, ten minste er werd al voor gezorgd.„En wou je mijn geld in die suikerfabriek steken?” vroeg Wije.„Tida!” riep Piong Pan Ho; „ik zal er mee handelen; dan mag meneer er later een suikerfabriek voor koopen.”[130]De Chinees beschouwde die suikerfabriek blijkbaar als een stuk dood kapitaal of een voorwerp van luxe; doch Wij e wilde hem niet vragen, wat hij dan onder „handel” en „serieuse zaken” verstond, uit vrees van een antwoord te zullen krijgen dat hem zou weerhouden zijn geld aan Piong Pan Ho toe te vertrouwen, vanwege het soort dier zaken. Hij beloofde dus binnen een paar dagen terug te zullen komen, zoodra hij het in detokodoor hem verdiende had ontvangen. DeSingkehvond het uitstekend en droeg hem de groeten op aan Anneke, een beleefdheid die hij nooit verzuimde sedert zij eenige dagen na Sinterklaas met haar vader was meegekomen om hem persoonlijk te bedanken.De heer Duna was van zijn reis terug en zat bij Wije’s chef, de boeken van de Chineeschetokona te zien. In het notitieboekje dat geopend naast hem lag, schreef hij nu en dan iets op. Eindelijk sloeg hij de boeken dicht.[131]„Wel?” vroeg de chef.„We zijn er,” zeide Duna.„Hoe bedoel je dat?”„Ik zal Kan Liong Tjoe laten aanzeggen, dat hij het nog ontbrekende moet aanzuiveren.”„Dat kan hij immers niet!”„Dan houden we vendutie van den inventaris en de goederen. Ik zie dat die er ons juist zullen brengen. En desnoods maken we gebruik van onze hypotheek op het pand zelf.”„Maar wat bezielt je, Duna? Dat is tegen alle afspraak.”„Lees dan de contracten nog maar eens over.”„Die zijn voor geval van nood.”„Dat zie ik anders in,” zeide Duna bedaard. „We hebben die zaak geëntameerd om ons geld te redden, niet om Kan Liong Tjoe van dienst te zijn. Of denk je dat die een oogenblik zou hebben geaarzeld jou te bedriegen en schade te doen, als hij had gekund? Waarom dan consideratie gebruikt tegenover hem?”[132]„Dat toegegeven; maar het plotseling opheffen diertokozou aan onzen afzet enorm veel kwaad doen.”„Onzin; wat de een minder neemt, neemt de ander meer; aan de behoefte moet worden voldaan.”„En Wije?”„Dat is jouw zaak. Maarikmag het geld van onze instelling niet zoo lang vastzetten; dat strijdt tegen alle gezonde beginselen.”„Nu, maar ik neem geen genoegen met die handelwijze.”Duna haalde de schouders op, alsof hem dat volmaakt onverschillig was.„En ik waarschuw je,” vervolgde de chef, zich opwindend, „mij niet te contrarieeren. Het zou je berouwen.”„Al genoeg,” zeide Duna, opstaande. „Ik wil je niet overhaasten. Als de boel tegen einde Mei uit de wereld is, ben ik tevreden; dan kan ik er nog een woord over zeggen in[133]mijn verslag. Neem jij het op je om Kan Liong Tjoe aan te pakken, of zal ik het doen?”„Doe jij het. Misschien bedenk je je nog wel. En anders, denk aan mijn waarschuwing!”„Allright,” spotte Duna. „Bonjour!”Het was voor Wije een harde slag, toen hij het besluit van den heer Duna vernam. De chef trachtte het hem te verzachten door de mededeeling, dat Duna zelf er niet lang plezier van zou hebben. Hij grondde deze voorspelling op den reeds genoemden brief van den ouden heer van Beek. Deze toch had gevraagd wie die mevrouw Duna was? Of haar man aan het hoofd stond van het Semarangsche kantoor dier crediet-instelling in welke hij, van Beek, verscheiden aandeelen bezat? Zoo ja, of de chef hem dan eens een en ander wilde schijven over het verband tusschen de mooie deftige verslagen en het kleine dividend van die zaak. Nu, dàt zou hij doen, dáár kon Duna op rekenen! Doch[134]Wije, ofschoon gestreeld door de warmte waarmee de chef voor hem partij trok, en ook een weinig door het uitzicht op wraak, putte uit dat alles niet veel troost. De schoone toekomst, die hij zich gedroomd had, lag in duigen. Het ergste was dat hij een betrekking zou moeten gaan zoeken, want de firma kon hem, vanwege de inkrimping die haar zaken door dit geval zouden ondergaan, niet weer als verkooper aannemen. Of men moest Terborg ontslaan; en dàt wilde hij niet. Hij besloot er maar dadelijk werk van te maken; het haastte wel niet, maar er was ook niet zoo dadelijk een vacature. De chefs, die hij er in de nu volgende weken over aansprak, beloofden allen zijn sollicitatie in het oog te zullen houden; op ’t oogenblik had niemand een plaats voor hem, maar … men kon nooit weten. Doch toen er op een paar dier kantoren werkelijk vacatures kwamen en deze werden aangevuld, zonder dat men om[135]hem scheen te denken, kreeg Wije den indruk dat men hem „aan ’t lijntje hield” met halve toezeggingen, doch dat feitelijk niemand hem plaatsen wilde. En toen hij, om daarvan zekerheid te krijgen en tevens van de redenen die de menschen tot een dusdanige handelwijze bewogen, nogmaals aanklopte, ontving hij de meest zonderlinge en voor hem onbegrijpelijke antwoorden. Men had gedacht dat hij die betrekking niet zou willen hebben, dat die andere te veel buiten zijn eigenlijke line of business lag; één had hem zelfs voor te ontwikkeld geoordeeld, om hem te kunnen aannemen als inférieur van een ander employé, die „niet erg hoog vloog!” Sommigen beweerden dat het hun speet zich vergist te hebben, een beleefdheid die anderen weer verzuimden, maar het eind van de historie bleef: geen betrekking.Men had iets tegen hem, dat bleek hoe langer hoe meer. Maar wat? Na veel vergeefsche[136]pogingen om er achter te komen, gelukte het Wije ten slotte een der hoogstgeplaatste employé’s eener groote firma aan het spreken te krijgen. Hij vond zijn vermoeden bewaarheid. Er was destijds iets met hem gebeurd, vertelde men; het rechte wist natuurlijk niemand, doch het was niet geheel in orde met hem. En bij gebrek aan bekende feiten, sprak men eenvoudig over zijn „antecedenten.” Dat woord was door één gebruikt, en het had opgang gemaakt: iemand metzijnantecedenten wilde niemand hebben. Iedereen sprak er over, maar niemand was er verantwoordelijk voor. Telkens als Wije er een aanklampte, verklaarde de zoodanige het natuurlijk beter te weten, Wije’s antecedenten waren van de beste soort, het was onzin, laster en zoo voort. Elk afzonderlijk was hem bijzonder genegen en beloofde hem zijn steun, zoowel tot verkrijging van een betrekking als tot tegenspreken van alle mogelijke kletspraatjes …[137]doch met hun allen drongen zij hem onverbiddelijk uit hun maatschappij.Wije worstelde wanhopig tegen, pleitte zich moe om een beschuldiging van zich af te wentelen, die … eigenlijk niet eens een beschuldiging was, om ten slotteinte zien dat zijn moeite vergeefsch was. Tot het uiterste verbitterd gaf hij het eindelijk op, allen die betrekkingen te vergeven hadden collectief voor een „vervloekten ploertenboel” uitmakend; iets wat men zich eveneens collectief aantrok, terwijl elk afzonderlijk het volkomen met hem eens beweerde te zijn.Eindelijk werd de vendutie van detokoin de nieuwsbladen aangekondigd, en nog had Wije geen betrekking. Zelfs zijn sollicitaties naar andere plaatsen op Java, waren zonder vrucht gebleven; het scheen wel dat zijn antecedenten hem ook daarheen vooruitgeloopen waren!Op een avond zat hij ongekleed in zijn[138]achtergalerij. Het was een uitzondering.Hij kleedde zich anders altijd; maar vandaag had hij er geen trek in gehad; en daarbij kwam dat Anneke uit was, en eerst in den naävond zou terugkomen. Voor wien zou hij zich dus kleeden? Hij gaapte eens, ten bewijze dat de rest van het menschdom hem geheel onverschillig was.Er kraakte een voetstap in de grind van het voorerf. Wije hoorde het, door de aan beide zijden der binnengalerij openstaande deuren. Hij trok de schouders op en strekte zich behagelijk uit in zijn luierstoel, zoodat de verlengstukken, waarop zijn beenen lagen, zwiepten en een kreunend geluid gaven; hij dacht er niet aan te ontvangen, maar zou belet geven. Wel zeker,dieweelde kon hij zich nog veroorlooven!Doch er volgde geensapada-geroep. Zonder zich één oogenblik te bedenken, stapte de bezoeker voort, het huis in, door de donkere[139]galerijen, recht op het licht af dat achter brandde. Wije zag verbaasd op, vooral in den laatsten tijd aan dergelijke familiariteiten niet gewoon. Even achter de deur hielden de voetstappen op en Wije bespeurde in het halfduister de omtrekken van een vrouwengestalte, die hem wenkte. Met een gevoel van ergernis en nieuwsgierigheid te gelijk, schoot hij zijn sloffen aan en voldeed aan het zwijgend verzoek. In de binnengalerij stond hij neus aan neus met mevrouw Duna, die zich weer geheel in het donker had teruggetrokken, zoodat Wije, uit het licht komend, geruimen tijd werk had eer hij haar herkende.„Ik moet u even spreken,” zeide zij, „over zaken. Maar niemand behoeft te weten dat ik hier ben geweest. Kunnen we ergens gaan zitten?”„Laat ons dan in mijn kantoortje gaan,” sloeg hij voor, de deur daarvan openend. Binnengekomen, sloot hij de jaloezieën en stak de lamp op.[140]Het was een gezellig kamertje. Ongeveer een meter van den muur af stond de schrijftafel en daarboven hing de lamp, dus niet in het midden, wat al dadelijk de stijfheid der gewone Indische inrichting brak. In een hoek, schuin achter den lessenaar, was een halfronde rustbank geplaatst, waarachter een kleine draperie, gekroond door een witmarmeren beeldje op een hoekconsôle. Het verdere meubilair bestond uit stoelen en knaapjes, zóó gesteld, dat men haast overal, door de stoelen een weinig te verschikken, een zitje had. Het geheel lokte als het ware uit tot causeeren.Mevrouw Duna nam plaats op de rustbank; en met een gebaar dat zij zacht wou spreken, drong zij Wije een stoel te kiezen, die daar vlak tegenaan stond.„Men zegt dat u overal rondloopt om een betrekking,” begon zij; „is dat waar?”„Hm …” deed Wije verlegen.„Wat belet u om op die vendutie alles op[141]te koopen en de zaak eenvoudig voort te zetten?”Hij schrok ervan. Het was iets waaraan hij in ’t geheel nog niet gedacht had, en het imponeerde hem dit denkbeeld, dat zoo stout maar tevens zoo zakelijk was, door een vrouw te hooren opwerpen.„Ik heb niet zooveel geld,” zeide hij. „En denkt u dat zij, die mij niet eens een betrekking willen geven, mij kapitaal zouden toevertrouwen?”„Ja, daar heb ik van gehoord,” zeide zij, antwoord gevend op het laatste deel van zijn gezegde. „Die mannen meenen gewoonlijk dat zij de wijsheid in pacht hebben, doch ze zijn met hun allen één groote domheid. Wat de een den ander niet kan nadoen deugt niet. Maarsoedah, je sprak over geld … Je begrijpt wel dat ik hier niet ben gekomen enkel om een praatje te maken?”Of hij dat begreep! Men had haar slechts[142]aan te zien, om te weten dat zij steeds met een doel sprak of handelde.„Ik zou het niet durven veronderstellen,” zeide hij, met iets ondeugends in zijn blik.„Doe het dan ook niet,” zeide zij kort.„Ik wil in dietokoje compagnon zijn. Denk daar eens over na, en vertel me dan hoeveel geld je zelf kunt bijbrengen en hoeveel je schat dat er noodig is om alles op te koopen.”Hij noemde een bedrag van tachtigduizend gulden, als zijn schatting van de opbrengst der vendutie, en meende daarvan zelf ongeveer de helft te kunnen voldoen. Het scheen haar mee te vallen.„Er zal nog wel wat meer noodig zijn?” informeerde zij. „Men moet toch voor de loopende uitgaven wat hebben!”„Dat is zooveel niet,” zeide Wije. „De verkoop is hoofdzakelijk à contant, terwijl de inkoop op crediet gaat.”„Zou je dat krijgen?”[143]„Bij onze firma natuurlijk,” meende hij, „en die is de voornaamste. Maar er is iets anders dat ik mij afvraag: het tokogebouw is van Kan Liong Tjoe, zal hij het willen verhuren?”„Kom, daar moet je maar voor zorgen. En nu, de tijd is kort; om alles in orde te brengen mag je geen dag verliezen, dus er moet dadelijk beslist worden; neem je mij aan als stille vennoot?”Wije aarzelde. Zooeven had hij gesproken alsof de zaak reeds beklonken was, maar nu schoot het hem plotseling in, dat het toch een malle verhouding gaf. Hij wist, evenals iedereen, dat zij buiten haar man om „scharrelde” en dat deze haar daarin alle vrijheid liet, maar de zaak die zij thans wilde beginnen, behoorde tot een andere categorie als die welke zij tot hiertoe gedreven had. Zij sprak van een stille vennootschap, doch zou men die geheim kunnen houden? Het was heel[144]moeielijk. Men moest elkaar meer dan gewoonlijk ontmoeten om de zaken te bespreken, en dat kon niet altijd wachten op een gelegenheid als die zij heden avond blijkbaar met opzet had gekozen. En zoo het uitkwam, wat dan? Men zou hem uitlachen; nu, dat was minder, hij zou zich daaraan niet storen, dat deed hij reeds lang niet meer. Doch ook Duna, en die wel in de eerste plaats, zou de risée worden van de stad, ja bij de eigenaardige snelheid der Indische faam, van geheel Java. En dan sprak het wel vanzelf, dat hij in zijn qualiteit als echtgenoot den boel in de war zou sturen en afbreken. Neen, ’t was te gek om met de vrouw van een ander zaken te doen; dat mocht over twintig jaar kunnen gebeuren, als de getrouwde vrouw wederom zal hersteld zijn in de positie die zij in den lateren Romeinschen keizertijd bekleedde, nù ging het niet. Toch, aan den anderen kant, was het aanbod voor hem erg aanlokkelijk.[145]Hij begon zijn bezwaren op te sommen.„Bah,” zeide zij, na eenigen tijd te hebben geluisterd, „wat geef ik daarom? Ik wil het stilhouden, omdat het niemand aangaat. Maar anders kon het mij niet schelen.”„Alles goed en wel,” zeide Wije, „maar uw man?”„Duna doet als de rest; hij werkt voor anderen en weet voor zichzelf niet meer te verdienen dan zijn levensonderhoud; hij mag dus blij zijn als zijn vrouw weet op te leggen; en dat is hij ook, want hij geniet van het voordeel dat ik hem bezorg, zonder ooit te vragen hoe ik dat doe. Maak je niet ongerust; als ik er je plezier mee kan doen, zal ik het hem mededeelen, zoodra we een poos aan den gang zijn.”„En als hij het dan afbreekt?”„Dat zal hij niet, dat durft hij niet! Of voor wat zie je mij aan? Denk je datikin mijn schulp kruip voor een boos gezicht van[146]’n man? Hoor eens, als je zakelijke bezwaren hebt, zeg het dan, maar kom niet met zulk een onzin voor den dag. Ik had dien niet van je verwacht. Juist omdat ze allen zoo tegen je zijn, dacht ik dat je wel een uitzondering zou maken op den regel. Neen … ik wil me niet vergist hebben. Hier, sla toe!”Zij was onder het spreken opgestaan, de woorden hoe langer hoe hartstochtelijker uitstootende. Het koele en onvoldane dat haar gelaat kenmerkte was als weggevaagd, haar oogen openden zich wijder, een kleur steeg haar naar de wangen, en toen zij de hand uitstrekte en Wije die onwillekeurig aanvatte, las hij in haar oogen, duidelijker dan woorden het hadden kunnen uitdrukken dat die vrouw, die nog mooi kon zijn als zij wilde, behalve haar geld ook nog iets anders wou inbrengen in de compagnieschap en dat het de vraag was voor welke gedeelte van haar doel zij zich het sterkst beijverde.[147]Het plotselinge daarvan verraste hem en overmeesterde hem.Toen zij wegging was de zaak op alle punten besproken en beklonken. Wije bleef achter met een gevoel van herlevende energie en groote dankbaarheid. ’t Was toch zonderling, vond hij, dat een vrouw van dien leeftijd nog zulk een invloed kon uitoefenen. Hij schreef het toe aan de omstandigheid dat zij een volbloed-Europeesche was. Van een indische verwachtte men, misschien zeer ten onrechte, veel eerder toenadering en stelde die daarom minder op prijs. Doch een Europeesche was opgevoed en zoo vastgeroest in begrippen van uiterlijk fatsoen, dat dit haar ophield zelfs wanneer iets beters ontbrak. Als die uit den band sprong was dat iets nieuws, iets zeldzaams; dan zag men over een jaar of wat gemakkelijk heen.Aan tafel verbaasde hij den bediende door een paar maal hardop te lachen in zijn eentje, en na den eten ging hij weer in zijn luierstoel[148]liggen na-mijmeren, zich vragen stellende, hoe dat idee toch in haar hoofd was opgekomen, of zij het een wilde om het ander, dan wel het ander om het een, waarom zij daar vóór dezen nooit iets van had laten blijken, en zoo voort. Daarna fantaseerde hij over de toekomst; in detokozou een kantoortje worden aangebouwd, dat gesloten kon worden; dáár zou zij komen om over zaken te spreken, ’s middags; dáár zou hij als chef troonen en geld verdienen nu ook voor zich, twee zeer aangename bezigheden.Het rijtuig reed uit de wagenkamer. Het was tien uur; Anneke moest worden gehaald. Anneke! Hij kleurde als een schooljongen bij de gedachte aan zijn dochter. Welk een gezicht zou zij trekken als zij het vernam! Dat kon toch niet uitblijven; in Indië houdt men dergelijke zaken niet geheim. Wat zou zij zeggen, met het oog op de lessen die hij haar placht te geven? Niet dat hij haar al te strenge begrippen had ingeprent, maar toch, een waarschuwing[149]nu en dan, een afkeuring van wat met fatsoen en moraal in strijd was, had hij wel laten hooren en daarbij zichzelf steeds op een tamelijk hoog standpunt geplaatst. En nu? Foei, wat was het warm, men kon nauwelijks nadenken! Enfin, misschien werd het wel niet bekend, althans niet zóó dat Anneke het vernam; men kon daartegen maatregelen nemen, bijvoorbeeld dekabajaverwisselen, die erg gekreukt was en een geur afgaf die sterk deed denken aan de parfum … wat drommel, zijn kantoortje kon er ook naar rieken! Hij sprong op om er de jaloezieën weer open te gooien en ging toen in zijn slaapkamer, waar hij zich in overmaat van zorg ook de handen waschte.De chef schudde het hoofd, toen Wije hem zijn plan meedeelde en vroeg om crediet voor latere inkoopen.„Ik zou het je gaarne gunnen,” zeide hij, „en misschien ware het ook wel in ons eigen belang, maar het gaat niet. Het crediet heeft[150]zijn vaste regels, zijn oude traditie, en daarvan wijkt men niet af. Wij hebben nooit aan een Europeaan crediet gegeven.”„Maar meneer,” betoogde Wije, „we beginnen met een geheelen voorraad als het ware contant te koopen, waarmee niet veel minder dan een ton gemoeid is. Welke Chinees doet dat?”„Dat is waar, en toch … ik twijfel er aan of de Javabank je accepten zou discompteeren. Maar kan je de zaak niet op naam van een solieden Chinees drijven?”„Jawel, maar het is voor mij niet aangenaam. Zoudt u aan Kan Liong Tjoe, als hij detokoweer opnam, crediet geven?”„O zeker.”„’t Is sterk!” riep Wije uit.„Die compagnon van je … is dat geen Chinees?”„Neen meneer,” zeide Wije, lachend zijns ondanks. „Doch als het moet, zal ik wel een[151]solieden Chinees opduikelen. Er zijn er genoeg,” spotte hij, „die pas over den kop zijn geweest.”De chef lachte erom; hij vond de woorden van zijn ex-verkooper geestig en raak; dat nam niet weg dat hij bleef bij wat hij gezegd had; alleen zou hij terwille van Wije, dien hij vertrouwde en kende, iets door de vingers zien wat betrof den te kiezen Chineeschen strooman. Maar Wije, in zijn hart spijtig over de positie waarin de bekrompenheid van zijn chef hem ging plaatsen, beloofde, nu in ernst, met een heel solieden Chinees voor den dag te zullen komen. Hij had daarbij het oog op Piong Pan Ho, die het hem niet zou weigeren. Op weg naar dezen, bedacht hij echter, dat het zaak zou zijn eerst Kan Liong Tjoe op te zoeken en te spreken over de huur van het tokogebouw. Eigenlijk hadhijhiermee wel mogen beginnen, doch hij was niet ontsnapt aan de zucht die de meeste menschen onaangename zaken tot het laatst doet uitstellen.[152]Hoe dichter hij de woning van denBabahnaderde, des te sterker werd zijn voorgevoel, dat hem reeds gister een oogenblik had bevangen en hem zeide dat die man zijn plannen zou contrarieeren, om zich te wreken over de behandeling hem destijds in detokoaangedaan.Kan Liong Tjoe dacht echter niet meer aan die kleinigheid. De streek hem door Duna gespeeld, hield zijn geest geheel alleen bezig en hij beschuldigde allen die tot de beide firma’s behoorden, van medeplichtigheid. Voor ’t eerst van zijn leven zag Wije een Chinees in allen ernst boos. Vóór hem staande, zonder de minste deferentie voor den Europeaan, schold hij de beide chefs voor dieven en oplichters, zich heesch pratend, den mond wijd open, met de handen kletsend op zijn dijen en andere vleezige gedeelten. Nooit zou hij weer een Europeaan vertrouwen en in zijntoko, waarin reeds zijn vader[153]had gewerkt, wilde hij er geen dulden. Zoodra hij die weer in zijn macht had, zou hij haar laten uitrooken om den peststank te verdrijven, dien dat gespuis er in gebracht had … Het was Wije bijna niet mogelijk aan het woord te komen, zóó raasde de Chinees voort. Inziende dat hij tot geen kalme bespreking kon komen, vertrok hij.In detokoriep hij de bedienden bijeen en na hun de zaak te hebben uitgelegd, hun voorhoudend dat het ook in hun belang was zoo de zaak werd voortgezet, droeg hij hun op dien avond Kan Liong Tjoe te bepraten. Doch den volgenden morgen berichtten zij hem, dat deBabahniet te bewegen was. Het stond op hun gezichten te lezen dat zij er zelf grooten spijt van hadden, en een hunner opperde het denkbeeld om detokoergens anders te vestigen; zij wilden gaarne met meneer meegaan, dien zij hadden leeren kennen als een goed enpinterchef. Maar[154]daar viel niet aan te denken. Het verlies van het gebouw nam het cachet van de zaak. Wije, in een andere lokaliteit eentokoopenende, zou voor een Europeeschtoko-houderworden aangezien, de klandizie zou daarmee geheel veranderen, geen inlander zou zijn inkoopen daar komen doen, en ook verscheiden Europeanen zouden er niet meer koopen wat zij nu eenmaal gewoon waren in een Chineeschetokote halen. Men stuurde thans naar detokovan Kan Liong Tjoe; of die er niet langer in was deed niets ter zake; de loop was er heen, en zou niet ophouden voordat de deur gesloten was; dan echter zou zich de stroom verdeelen, doch dien te leiden was ondoenlijk. Het besluit van Kan Liong Tjoe beteekende voor Wije het niet doorgaan van zijn plan, dat hoe jong nog, hem reeds gansch had ingepalmd. En dan het malle figuur tegenover mevrouw Duna! Er was intusschen niets aan te veranderen, dus schreef[155]hij haar een kort briefje, haar verzoekend dien middag in detokote komen.Zij kwam en luisterde aandachtig naar zijn verslag.„Waar woont die Chinees?” vroeg zij toen hij had uitgesproken.„Hoe, je wilt toch niet zelf.…?”„Natuurlijk. Waar woont hij?”Hij duidde het haar uit, aarzelend.„Zal ik meegaan?” vroeg hij ten slotte, doch zij schudde het hoofd, opstaande en zich met vluggen, veerkrachtigen stap naar haar rijtuig begevend.Wije bleef achter; zijn wenkbrauwen omhoog, de wangen opblazend, ging hij weer naar zijn lessenaar. Hij had haar eergister een kranige vrouw gevonden en hij zou bij die opinie blijven zoolang zij uitsluitend tegenover hem haar beradenheid toonde, doch als zij deed, wat hij vermoedde dat zij van plan was te doen om Kan Liong Tjoe tot andere gedachten[156]te brengen … dan verspeelde zij zijn achting ten eenenmale. Dan, meende hij, was het geen voorkeur die haar bewogen had hem een gunst te schenken, maar koele berekening; dan sloot zij eenvoudig een koopen payant de sa personne, en dat was gemeen, ten minste als het buiten hem omging.Na betrekkelijk korten tijd kwam zij terug en Wije herademde toen hij aan haar gezicht zag dat zij niet geslaagd was.„Die vent is krankzinnig,” riep zij uit. „Hij loopt den geheelen dag te schelden en te mopperen. Ik heb een inlander uitgehoord, die voor zijn huis den weg stond te begieten. Had je ’t niet bemerkt?”„Neen,” verklaarde Wije; „wel dat hij erg opgewonden was, toenikmet hem sprak …”„Nu, zoo is hij den geheelen dag. Ik ben maar een oogenblik bij hem gebleven; er viel niet te onderhandelen. Maar, wat nu gedaan?”[157]„Niets,” zeide Wije; „het sprookje is uit.”„En wat ga jij beginnen?”„Ik … wacht totdat de vendutie is afgeloopen en dan ga ik weg.”„Weg? Waarheen?”„Naar Holland. Hier kan ik niet leven van ’t geen ik heb, en ik krijg er toch niets bij; misschien lukt me dat ginds beter, en zoo niet, dan is het daar toch altijd aangenamer wonen.”„Doe het niet,” raadde zij, „het zou je tegenvallen, zooals het iedereen tegenvalt, die hier gewend is. Luister eens, nu ik mijn geld toch niet in dietokokan zetten, moet ik er meer huizen bijkoopen. Want aan een Bank vertrouw ik het niet toe, dàt laat ik aan jelui over. En ik kan als vrouw zoo moeilijk voor al die dingen zorgen, vooral als er meer bijkomt. Wil jij de administratie daarvan op je nemen? ’t Is wel geen lucratieve betrekking, maar voor bijverdienste toch altijd voldoende. Dan kun je tevens hier blijven.”[158]„Voorloopig kan ik het wel aannemen,” zeide Wije. „Als ik het niet kan volhouden, is daarvoor licht iemand anders te vinden. Ik zal echter moeten verhuizen naar een goedkooper woning.”Zij had er een voor hem, in een der dwarslanen die op den Bodjongweg uitkomen; daar kon hij intrekken en voor zijn administratie het paviljoentje inrichten, dat een aparten uitgang had op eenkampong-pad.De vendutie van detokoKan Liong Tjoe had reeds lang te voren de aandacht getrokken. Een zoo groote partij goederen, berekende men, ineens op publieke veiling, moest noodzakelijk goedkoop gaan; en men nam zich voor zijn slag te slaan, terwijl men andere inkoopen zooveel mogelijk uitstelde. Maar juist doordat iedereen dezelfde berekening had gemaakt, liep het druk en joeg men elkaar op, zoodat de opbrengst de taxatie ruim overtrof. Toen het afgeloopen was, werden de deuren gesloten,[159]om in langen tijd niet weer open te gaan.Wije werkte eenige dagen mede op het kantoor der firma, ten einde de finale afrekening op te maken; toen kwam het oogenblik dat de chef hem met iets weemoedigs in zijn blik, de hand reikte tot afscheid. Geen van beiden sprak een woord en even zwijgend stonden de employé’s aan den uitgang der monsterkamer.„Bonjourkerels,” zeide Wije, toen hij den laatsten de hand drukte, en met brandende oogen liep hij de trap af. Beneden gaf hij een ontkennenden wenk aan den koetsier van dentoko-wagen en stapte haastig voort met eenigszins gebogen hoofd. Op den Bodjong-weg gekomen, verminderde hij zijn vaart, den kant van den weg houdend, in de schaduw, den voet af en toe hoog opheffend en wijd neerzettend om over een zonneplek te stappen alsof het een plas water was.[160]
[Inhoud]VI.VI.OOK EEN COMPAGNON.Het was een drukke tijd. Om een zuivere balans te kunnen opmaken wilde men den geheelen inventaris van detokoopgenomen hebben, iets wat in de meeste zaken slechts met een taxatie wordt afgedaan. Het lastige hierbij was dat de verkoop ondertusschen niet stilstond en er in de aanwezige hoeveelheden dagelijks dus verandering kwam, die zorgvuldig moest worden bijgehouden. Met de ijverige hulp zijner bedienden kwam Wije er doorheen, en een week na Nieuwjaar verraste hij zijn chef met de netjes geschreven lijsten.[120]„Mooi zoo,” zeide deze. „Nu kunnen ze hier aan den slag komen. Als je ’s morgens een half uurtje kunt komen helpen met inlichtingen en zoo, zullen ze die balans spoedig genoeg klaar hebben.—Apropos, Kan Liong Tjoe is hier geweest; het is al eenigen tijd geleden, maar met die drukte is ’t mij door het hoofd gegaan; hij wou, geloof ik, zijn zoon in detokohebben. Kan je dien plaatsen?”„Hij is met hetzelfde verzoek bij mij geweest,” antwoordde Wije, „en ik … heb het met de drukte óók vergeten.”„O zoo,” zeide de chef, na Wije een poos te hebben aangekeken. „Is je bedoeling het blijvend te vergeten?”„Ja meneer. Ik had informaties …”„Al goed; ’t is mij onverschillig.”Zonderling, dacht Wije bij het heengaan, als de zaken maar marcheeren wordt de lastigste chef tam!Een week of wat later kreeg hij de boodschap[121]om ’s morgens van den volgenden dag op het kantoor te komen en te blijven bij het afsluiten der balans. Wije had daarvan slechts een vaag begrip. Zoolang hij bij de firma was geweest, herinnerde hij zich, dat telken jare de chefs, de procuratiehouder en de hoofdboekhouder zich een geheelen morgen opsloten in de chefskamer. Zij trokken er met gelegenheidsgezichten in en kwamen er met fideele gezichten uit, mompelend „’n mooi jaar!” En de employé’s, die fijne opmerkers, wisten een uur daarna elkaar precies te vertellen of het eenheelmooi, dan wel eenmatigmooi jaar was geweest. In het laatste geval toch werden zij uitgenoodigd, om met de chefs op het welzijn der firma een glas bier te drinken; in het eerste geschiedde hetzelfde, doch met champagne, en zoo er voor de tweede maal werd ingeschonken … ja, dàn bleef ook een maand extra-tractement niet uit!En nu moest Wije tegenwoordig zijn bij[122]zulk een geheimzinnige handeling in de chefskamer, want het betrof de balans van de door hem bestuurdetoko. Wije betrapte zich, bij het binnenkomen, op het deftig plooien van zijn trekken; dat was aanstekelijk! Maar wat er binnen gebeurde viel hem tegen; daar zat nu niets maçonnieks in; het was eenvoudig beraadslagen over de sluitposten: hoeveel men mocht en kon afschrijven, zonder het winstcijfer te sterk te drukken. En hier viel niet veel te redeneeren; er was flink verdiend en er behoefde geen schijn te worden opgehouden; men kon zoo royaal te werk gaan als men verkoos. Het duurde dan ook niet lang of de boekhouder zat van zijn kladstaten de posten over te schrijven in de boeken.„’t Is verbazend goed gegaan,” merkte de chef op, zich met Wije bij een venster opstellend, en fluisterend om den boekhouder niet te storen. „Jij komt er ook best af; en dat doet me het meeste pleizier.”[123]„U is wel vriendelijk, meneer.”„Ja, want toen we je in detokoplaatsten, had ik er een zwaar hoofd in. Maar zooals het nu gaat, zit er een fortuintje voor je in. Eén ding is jammer, dat de zaak weer aan Kan Liong Tjoe teruggaat zoodra wij voldaan zijn; anders kon je er best voor teekenen.”„Zou Kan Liong Tjoe er niet uit te houden zijn? Ik bedoel, dat hij alleen de winst thuis krijgt?”„Ik twijfel er aan. Maar ik zal er Duna eens over hooren; het zou voor ons ook veel voordeeliger en solieder zijn.”„Meneer Duna is op reis, niet waar?”„Ja, hij is even naar Soerabaja. Maar dat belet jou niet om te toucheeren wat je toekomt.”„O, daar dacht ik niet eens aan,” zeide Wije.Zij keken een tijdlang uit het raam, naar de onder hen voortbewegende drukte van[124]sappie-karren,toko-wagens en kistenpikelendeinlanders. Toen kuchte de chef en zeide:„Van Beek komt nogal eens bij je, niet waar?” En op Wije’s bevestigend gebaar, ging hij een weinig aarzelend voort: „Ik heb hem zoo’n beetje onder mijn voogdij, naar je weet; houd me dus de vraag ten goede: Trekt hij verliefde gezichten tegen je dochter?”„Niet dat ik weet,” antwoordde Wije, vroolijk. „Hij vertoont steeds dezelfde merkwaardige facie, die alleen verandert als hij lacht of gaapt.”„Ik zal je zeggen waarom ik het vroeg,” zeide de chef ernstig blijvend. „De oude heer van Beek heeft van iemand—wie doet er niet toe—een zoogenaamde waarschuwing ontvangen. Hij heeft die natuurlijk aan mij gezonden … trouwens, dat is al iets heel bijzonders. Weet je hoe Hollandsche menschen gewoonlijk doen?”„Neen …”[125]„Wel, die met Indië te maken hebben, houden er hier één persoon op na, bij wien zij alles informeeren of door wien zij zich geregeld bericht laten zenden. Wat zij buitendien ontvangen, gaat zonder mededoogen in de voddenmand.”„Dat is toch niet altijd verstandig!”„Dikwijls niet, maar … Enfin, ik heb geantwoord, dat naar mijn weten, er niets van aan was. Voor de voorzichtigheid heb ik er nog bijgevoegd: en al was het zoo, dan zou je zoon den verstandigsten streek doen, die hij ooit van zijn leven kon uithalen. Ik heb het wel in andere woorden uitgedrukt, maar je begrijpt.…”„Jawel,” zeide Wije. „Nu, ik ben zeer gevoelig voor uw opinie …”„Ik ben klaar, meneer,” klonk het van den anderen kant der kamer, en zij braken hun gesprek af om zich weer aan de „zaken” te wijden.[126]„Mag ik u feliciteeren, meneer,” zeide ten slotte de boekhouder. „En jou ook, Wije; je hebt het er kranig afgebracht.”En er verscheen ook champagne, waarop de overige employé’s geïnviteerd werden. Weer stonden zij allen om Wije heen, evenals zooveel jaren geleden. Het waren op een enkel na, dezelfde gezichten, alleen wat verouderd, doch dat merkt men niet, als men met elkaar gelijk op leeft, en zij uitten hun gelukwenschen voor de toekomst, juist als toenmaals.Toen Wije het kantoor verliet, om naar zijntokoterug te keeren, deed de chef hem uitgeleide tot aan de trap, arm in arm met hem over de monsterkamer wandelend en hem tot driemaal toe de hand schuddend op amicale wijze. Van dentoko-wagen wilde hij geen gebruik maken; hij had behoefte zijn ledematen eens flink uit te strekken. En dit deed hij, zonder te letten op den modder en de plassen, zoodat de voorbijgangers hem verbaasd[127]aankeken en snel uitweken om niet bespat te worden. Hij had het gezien, onder cijfers, wat hij voor zich reeds sedert maanden had vermoed, gezien met eigen oogen, dat hij nu geld genoeg bezat om zoo noodig onafhankelijk te kunnen leven. Op bescheiden voet, weliswaar, maar het kòn toch. En als er nog een jaar bij kwam, zoo gelukkig als het afgeloopene, dan zou hij er mee uitscheiden en naar Holland gaan; voorgoed, en daar een welverdiende rust genieten, bij een heel klein beetje werken voor eigen plezier. Het aardigste was dat niemand het kon gissen! Want hij had zijn spaarpenningen nooit bij één kantoor gelaten, doch hier een weinig,dááreen weinig, wat courante aandeeltjes in plaatselijke prauwenveeren, een paar spaarbankboekjes, en zoo voort. Maar nu werd het lastig; het bedrag dat hij dezer dagen zou toucheeren was te groot, om zoo maar te worden weggemoffeld …soedah!hij kon[128]er nog een poos over nadenken, en zelfs al vond hij er niets op, dan wasdieverlegenheid eigenlijk niet eens zoo erg.Behoefte gevoelende zijn geluk mee te deelen aan een ander, liep hij bij Piong Pan Ho binnen. Deze was zeer verheugd dat meneer zooveeloentoenghad, en zelfs min of meer verbaasd dat detokonogzóóveelhad afgeworpen. Dat was bijna zoo goed als de losse handel, dien hij met een deel van zijn geld dreef! Als meneer wilde dan zou hij eens wat kapitaal voor hem uitzetten.„Ik dacht,” zeide Wije, bij dit aanbod stilstaande, dat hem na zijn overlegging van even te voren niet zoo verwerpelijk scheen, „dat je zelf met je geld geen weg wist.”Dat was zoo geweest, legde deSingkehuit, maar nu niet meer. Hij had nieuwe kanalen gevonden, en … men had hem een belegging aangewezen, die wel geen groote winsten zou geven, maar toch buitengewoon voordeelig[129]beloofde te zijn. Meneer herinnerde zich wel wat zij destijds samen besproken hadden, over diecadeaux? Nu, hij had er wil van gehad. Men was bij hem gekomen om eens poolshoogte te nemen. Bij die gelegenheid was er druk gesproken en men had hem verteld wat hij zoo al aan onroerende goederen moest kunnen aantoonen, om in aanmerking te komen voor luitenant-Chinees. Want het stond niet om enkel vlottend kapitaal te hebben, dat zàg men niet. En zoo terloops was er gepraat over een suikerfabriek in het Japarasche, die te koop was.… De vorige week had hij haar gekocht; en nu zou de zoo gewenschte benoeming wel niet lang meer uitblijven, ten minste er werd al voor gezorgd.„En wou je mijn geld in die suikerfabriek steken?” vroeg Wije.„Tida!” riep Piong Pan Ho; „ik zal er mee handelen; dan mag meneer er later een suikerfabriek voor koopen.”[130]De Chinees beschouwde die suikerfabriek blijkbaar als een stuk dood kapitaal of een voorwerp van luxe; doch Wij e wilde hem niet vragen, wat hij dan onder „handel” en „serieuse zaken” verstond, uit vrees van een antwoord te zullen krijgen dat hem zou weerhouden zijn geld aan Piong Pan Ho toe te vertrouwen, vanwege het soort dier zaken. Hij beloofde dus binnen een paar dagen terug te zullen komen, zoodra hij het in detokodoor hem verdiende had ontvangen. DeSingkehvond het uitstekend en droeg hem de groeten op aan Anneke, een beleefdheid die hij nooit verzuimde sedert zij eenige dagen na Sinterklaas met haar vader was meegekomen om hem persoonlijk te bedanken.De heer Duna was van zijn reis terug en zat bij Wije’s chef, de boeken van de Chineeschetokona te zien. In het notitieboekje dat geopend naast hem lag, schreef hij nu en dan iets op. Eindelijk sloeg hij de boeken dicht.[131]„Wel?” vroeg de chef.„We zijn er,” zeide Duna.„Hoe bedoel je dat?”„Ik zal Kan Liong Tjoe laten aanzeggen, dat hij het nog ontbrekende moet aanzuiveren.”„Dat kan hij immers niet!”„Dan houden we vendutie van den inventaris en de goederen. Ik zie dat die er ons juist zullen brengen. En desnoods maken we gebruik van onze hypotheek op het pand zelf.”„Maar wat bezielt je, Duna? Dat is tegen alle afspraak.”„Lees dan de contracten nog maar eens over.”„Die zijn voor geval van nood.”„Dat zie ik anders in,” zeide Duna bedaard. „We hebben die zaak geëntameerd om ons geld te redden, niet om Kan Liong Tjoe van dienst te zijn. Of denk je dat die een oogenblik zou hebben geaarzeld jou te bedriegen en schade te doen, als hij had gekund? Waarom dan consideratie gebruikt tegenover hem?”[132]„Dat toegegeven; maar het plotseling opheffen diertokozou aan onzen afzet enorm veel kwaad doen.”„Onzin; wat de een minder neemt, neemt de ander meer; aan de behoefte moet worden voldaan.”„En Wije?”„Dat is jouw zaak. Maarikmag het geld van onze instelling niet zoo lang vastzetten; dat strijdt tegen alle gezonde beginselen.”„Nu, maar ik neem geen genoegen met die handelwijze.”Duna haalde de schouders op, alsof hem dat volmaakt onverschillig was.„En ik waarschuw je,” vervolgde de chef, zich opwindend, „mij niet te contrarieeren. Het zou je berouwen.”„Al genoeg,” zeide Duna, opstaande. „Ik wil je niet overhaasten. Als de boel tegen einde Mei uit de wereld is, ben ik tevreden; dan kan ik er nog een woord over zeggen in[133]mijn verslag. Neem jij het op je om Kan Liong Tjoe aan te pakken, of zal ik het doen?”„Doe jij het. Misschien bedenk je je nog wel. En anders, denk aan mijn waarschuwing!”„Allright,” spotte Duna. „Bonjour!”Het was voor Wije een harde slag, toen hij het besluit van den heer Duna vernam. De chef trachtte het hem te verzachten door de mededeeling, dat Duna zelf er niet lang plezier van zou hebben. Hij grondde deze voorspelling op den reeds genoemden brief van den ouden heer van Beek. Deze toch had gevraagd wie die mevrouw Duna was? Of haar man aan het hoofd stond van het Semarangsche kantoor dier crediet-instelling in welke hij, van Beek, verscheiden aandeelen bezat? Zoo ja, of de chef hem dan eens een en ander wilde schijven over het verband tusschen de mooie deftige verslagen en het kleine dividend van die zaak. Nu, dàt zou hij doen, dáár kon Duna op rekenen! Doch[134]Wije, ofschoon gestreeld door de warmte waarmee de chef voor hem partij trok, en ook een weinig door het uitzicht op wraak, putte uit dat alles niet veel troost. De schoone toekomst, die hij zich gedroomd had, lag in duigen. Het ergste was dat hij een betrekking zou moeten gaan zoeken, want de firma kon hem, vanwege de inkrimping die haar zaken door dit geval zouden ondergaan, niet weer als verkooper aannemen. Of men moest Terborg ontslaan; en dàt wilde hij niet. Hij besloot er maar dadelijk werk van te maken; het haastte wel niet, maar er was ook niet zoo dadelijk een vacature. De chefs, die hij er in de nu volgende weken over aansprak, beloofden allen zijn sollicitatie in het oog te zullen houden; op ’t oogenblik had niemand een plaats voor hem, maar … men kon nooit weten. Doch toen er op een paar dier kantoren werkelijk vacatures kwamen en deze werden aangevuld, zonder dat men om[135]hem scheen te denken, kreeg Wije den indruk dat men hem „aan ’t lijntje hield” met halve toezeggingen, doch dat feitelijk niemand hem plaatsen wilde. En toen hij, om daarvan zekerheid te krijgen en tevens van de redenen die de menschen tot een dusdanige handelwijze bewogen, nogmaals aanklopte, ontving hij de meest zonderlinge en voor hem onbegrijpelijke antwoorden. Men had gedacht dat hij die betrekking niet zou willen hebben, dat die andere te veel buiten zijn eigenlijke line of business lag; één had hem zelfs voor te ontwikkeld geoordeeld, om hem te kunnen aannemen als inférieur van een ander employé, die „niet erg hoog vloog!” Sommigen beweerden dat het hun speet zich vergist te hebben, een beleefdheid die anderen weer verzuimden, maar het eind van de historie bleef: geen betrekking.Men had iets tegen hem, dat bleek hoe langer hoe meer. Maar wat? Na veel vergeefsche[136]pogingen om er achter te komen, gelukte het Wije ten slotte een der hoogstgeplaatste employé’s eener groote firma aan het spreken te krijgen. Hij vond zijn vermoeden bewaarheid. Er was destijds iets met hem gebeurd, vertelde men; het rechte wist natuurlijk niemand, doch het was niet geheel in orde met hem. En bij gebrek aan bekende feiten, sprak men eenvoudig over zijn „antecedenten.” Dat woord was door één gebruikt, en het had opgang gemaakt: iemand metzijnantecedenten wilde niemand hebben. Iedereen sprak er over, maar niemand was er verantwoordelijk voor. Telkens als Wije er een aanklampte, verklaarde de zoodanige het natuurlijk beter te weten, Wije’s antecedenten waren van de beste soort, het was onzin, laster en zoo voort. Elk afzonderlijk was hem bijzonder genegen en beloofde hem zijn steun, zoowel tot verkrijging van een betrekking als tot tegenspreken van alle mogelijke kletspraatjes …[137]doch met hun allen drongen zij hem onverbiddelijk uit hun maatschappij.Wije worstelde wanhopig tegen, pleitte zich moe om een beschuldiging van zich af te wentelen, die … eigenlijk niet eens een beschuldiging was, om ten slotteinte zien dat zijn moeite vergeefsch was. Tot het uiterste verbitterd gaf hij het eindelijk op, allen die betrekkingen te vergeven hadden collectief voor een „vervloekten ploertenboel” uitmakend; iets wat men zich eveneens collectief aantrok, terwijl elk afzonderlijk het volkomen met hem eens beweerde te zijn.Eindelijk werd de vendutie van detokoin de nieuwsbladen aangekondigd, en nog had Wije geen betrekking. Zelfs zijn sollicitaties naar andere plaatsen op Java, waren zonder vrucht gebleven; het scheen wel dat zijn antecedenten hem ook daarheen vooruitgeloopen waren!Op een avond zat hij ongekleed in zijn[138]achtergalerij. Het was een uitzondering.Hij kleedde zich anders altijd; maar vandaag had hij er geen trek in gehad; en daarbij kwam dat Anneke uit was, en eerst in den naävond zou terugkomen. Voor wien zou hij zich dus kleeden? Hij gaapte eens, ten bewijze dat de rest van het menschdom hem geheel onverschillig was.Er kraakte een voetstap in de grind van het voorerf. Wije hoorde het, door de aan beide zijden der binnengalerij openstaande deuren. Hij trok de schouders op en strekte zich behagelijk uit in zijn luierstoel, zoodat de verlengstukken, waarop zijn beenen lagen, zwiepten en een kreunend geluid gaven; hij dacht er niet aan te ontvangen, maar zou belet geven. Wel zeker,dieweelde kon hij zich nog veroorlooven!Doch er volgde geensapada-geroep. Zonder zich één oogenblik te bedenken, stapte de bezoeker voort, het huis in, door de donkere[139]galerijen, recht op het licht af dat achter brandde. Wije zag verbaasd op, vooral in den laatsten tijd aan dergelijke familiariteiten niet gewoon. Even achter de deur hielden de voetstappen op en Wije bespeurde in het halfduister de omtrekken van een vrouwengestalte, die hem wenkte. Met een gevoel van ergernis en nieuwsgierigheid te gelijk, schoot hij zijn sloffen aan en voldeed aan het zwijgend verzoek. In de binnengalerij stond hij neus aan neus met mevrouw Duna, die zich weer geheel in het donker had teruggetrokken, zoodat Wije, uit het licht komend, geruimen tijd werk had eer hij haar herkende.„Ik moet u even spreken,” zeide zij, „over zaken. Maar niemand behoeft te weten dat ik hier ben geweest. Kunnen we ergens gaan zitten?”„Laat ons dan in mijn kantoortje gaan,” sloeg hij voor, de deur daarvan openend. Binnengekomen, sloot hij de jaloezieën en stak de lamp op.[140]Het was een gezellig kamertje. Ongeveer een meter van den muur af stond de schrijftafel en daarboven hing de lamp, dus niet in het midden, wat al dadelijk de stijfheid der gewone Indische inrichting brak. In een hoek, schuin achter den lessenaar, was een halfronde rustbank geplaatst, waarachter een kleine draperie, gekroond door een witmarmeren beeldje op een hoekconsôle. Het verdere meubilair bestond uit stoelen en knaapjes, zóó gesteld, dat men haast overal, door de stoelen een weinig te verschikken, een zitje had. Het geheel lokte als het ware uit tot causeeren.Mevrouw Duna nam plaats op de rustbank; en met een gebaar dat zij zacht wou spreken, drong zij Wije een stoel te kiezen, die daar vlak tegenaan stond.„Men zegt dat u overal rondloopt om een betrekking,” begon zij; „is dat waar?”„Hm …” deed Wije verlegen.„Wat belet u om op die vendutie alles op[141]te koopen en de zaak eenvoudig voort te zetten?”Hij schrok ervan. Het was iets waaraan hij in ’t geheel nog niet gedacht had, en het imponeerde hem dit denkbeeld, dat zoo stout maar tevens zoo zakelijk was, door een vrouw te hooren opwerpen.„Ik heb niet zooveel geld,” zeide hij. „En denkt u dat zij, die mij niet eens een betrekking willen geven, mij kapitaal zouden toevertrouwen?”„Ja, daar heb ik van gehoord,” zeide zij, antwoord gevend op het laatste deel van zijn gezegde. „Die mannen meenen gewoonlijk dat zij de wijsheid in pacht hebben, doch ze zijn met hun allen één groote domheid. Wat de een den ander niet kan nadoen deugt niet. Maarsoedah, je sprak over geld … Je begrijpt wel dat ik hier niet ben gekomen enkel om een praatje te maken?”Of hij dat begreep! Men had haar slechts[142]aan te zien, om te weten dat zij steeds met een doel sprak of handelde.„Ik zou het niet durven veronderstellen,” zeide hij, met iets ondeugends in zijn blik.„Doe het dan ook niet,” zeide zij kort.„Ik wil in dietokoje compagnon zijn. Denk daar eens over na, en vertel me dan hoeveel geld je zelf kunt bijbrengen en hoeveel je schat dat er noodig is om alles op te koopen.”Hij noemde een bedrag van tachtigduizend gulden, als zijn schatting van de opbrengst der vendutie, en meende daarvan zelf ongeveer de helft te kunnen voldoen. Het scheen haar mee te vallen.„Er zal nog wel wat meer noodig zijn?” informeerde zij. „Men moet toch voor de loopende uitgaven wat hebben!”„Dat is zooveel niet,” zeide Wije. „De verkoop is hoofdzakelijk à contant, terwijl de inkoop op crediet gaat.”„Zou je dat krijgen?”[143]„Bij onze firma natuurlijk,” meende hij, „en die is de voornaamste. Maar er is iets anders dat ik mij afvraag: het tokogebouw is van Kan Liong Tjoe, zal hij het willen verhuren?”„Kom, daar moet je maar voor zorgen. En nu, de tijd is kort; om alles in orde te brengen mag je geen dag verliezen, dus er moet dadelijk beslist worden; neem je mij aan als stille vennoot?”Wije aarzelde. Zooeven had hij gesproken alsof de zaak reeds beklonken was, maar nu schoot het hem plotseling in, dat het toch een malle verhouding gaf. Hij wist, evenals iedereen, dat zij buiten haar man om „scharrelde” en dat deze haar daarin alle vrijheid liet, maar de zaak die zij thans wilde beginnen, behoorde tot een andere categorie als die welke zij tot hiertoe gedreven had. Zij sprak van een stille vennootschap, doch zou men die geheim kunnen houden? Het was heel[144]moeielijk. Men moest elkaar meer dan gewoonlijk ontmoeten om de zaken te bespreken, en dat kon niet altijd wachten op een gelegenheid als die zij heden avond blijkbaar met opzet had gekozen. En zoo het uitkwam, wat dan? Men zou hem uitlachen; nu, dat was minder, hij zou zich daaraan niet storen, dat deed hij reeds lang niet meer. Doch ook Duna, en die wel in de eerste plaats, zou de risée worden van de stad, ja bij de eigenaardige snelheid der Indische faam, van geheel Java. En dan sprak het wel vanzelf, dat hij in zijn qualiteit als echtgenoot den boel in de war zou sturen en afbreken. Neen, ’t was te gek om met de vrouw van een ander zaken te doen; dat mocht over twintig jaar kunnen gebeuren, als de getrouwde vrouw wederom zal hersteld zijn in de positie die zij in den lateren Romeinschen keizertijd bekleedde, nù ging het niet. Toch, aan den anderen kant, was het aanbod voor hem erg aanlokkelijk.[145]Hij begon zijn bezwaren op te sommen.„Bah,” zeide zij, na eenigen tijd te hebben geluisterd, „wat geef ik daarom? Ik wil het stilhouden, omdat het niemand aangaat. Maar anders kon het mij niet schelen.”„Alles goed en wel,” zeide Wije, „maar uw man?”„Duna doet als de rest; hij werkt voor anderen en weet voor zichzelf niet meer te verdienen dan zijn levensonderhoud; hij mag dus blij zijn als zijn vrouw weet op te leggen; en dat is hij ook, want hij geniet van het voordeel dat ik hem bezorg, zonder ooit te vragen hoe ik dat doe. Maak je niet ongerust; als ik er je plezier mee kan doen, zal ik het hem mededeelen, zoodra we een poos aan den gang zijn.”„En als hij het dan afbreekt?”„Dat zal hij niet, dat durft hij niet! Of voor wat zie je mij aan? Denk je datikin mijn schulp kruip voor een boos gezicht van[146]’n man? Hoor eens, als je zakelijke bezwaren hebt, zeg het dan, maar kom niet met zulk een onzin voor den dag. Ik had dien niet van je verwacht. Juist omdat ze allen zoo tegen je zijn, dacht ik dat je wel een uitzondering zou maken op den regel. Neen … ik wil me niet vergist hebben. Hier, sla toe!”Zij was onder het spreken opgestaan, de woorden hoe langer hoe hartstochtelijker uitstootende. Het koele en onvoldane dat haar gelaat kenmerkte was als weggevaagd, haar oogen openden zich wijder, een kleur steeg haar naar de wangen, en toen zij de hand uitstrekte en Wije die onwillekeurig aanvatte, las hij in haar oogen, duidelijker dan woorden het hadden kunnen uitdrukken dat die vrouw, die nog mooi kon zijn als zij wilde, behalve haar geld ook nog iets anders wou inbrengen in de compagnieschap en dat het de vraag was voor welke gedeelte van haar doel zij zich het sterkst beijverde.[147]Het plotselinge daarvan verraste hem en overmeesterde hem.Toen zij wegging was de zaak op alle punten besproken en beklonken. Wije bleef achter met een gevoel van herlevende energie en groote dankbaarheid. ’t Was toch zonderling, vond hij, dat een vrouw van dien leeftijd nog zulk een invloed kon uitoefenen. Hij schreef het toe aan de omstandigheid dat zij een volbloed-Europeesche was. Van een indische verwachtte men, misschien zeer ten onrechte, veel eerder toenadering en stelde die daarom minder op prijs. Doch een Europeesche was opgevoed en zoo vastgeroest in begrippen van uiterlijk fatsoen, dat dit haar ophield zelfs wanneer iets beters ontbrak. Als die uit den band sprong was dat iets nieuws, iets zeldzaams; dan zag men over een jaar of wat gemakkelijk heen.Aan tafel verbaasde hij den bediende door een paar maal hardop te lachen in zijn eentje, en na den eten ging hij weer in zijn luierstoel[148]liggen na-mijmeren, zich vragen stellende, hoe dat idee toch in haar hoofd was opgekomen, of zij het een wilde om het ander, dan wel het ander om het een, waarom zij daar vóór dezen nooit iets van had laten blijken, en zoo voort. Daarna fantaseerde hij over de toekomst; in detokozou een kantoortje worden aangebouwd, dat gesloten kon worden; dáár zou zij komen om over zaken te spreken, ’s middags; dáár zou hij als chef troonen en geld verdienen nu ook voor zich, twee zeer aangename bezigheden.Het rijtuig reed uit de wagenkamer. Het was tien uur; Anneke moest worden gehaald. Anneke! Hij kleurde als een schooljongen bij de gedachte aan zijn dochter. Welk een gezicht zou zij trekken als zij het vernam! Dat kon toch niet uitblijven; in Indië houdt men dergelijke zaken niet geheim. Wat zou zij zeggen, met het oog op de lessen die hij haar placht te geven? Niet dat hij haar al te strenge begrippen had ingeprent, maar toch, een waarschuwing[149]nu en dan, een afkeuring van wat met fatsoen en moraal in strijd was, had hij wel laten hooren en daarbij zichzelf steeds op een tamelijk hoog standpunt geplaatst. En nu? Foei, wat was het warm, men kon nauwelijks nadenken! Enfin, misschien werd het wel niet bekend, althans niet zóó dat Anneke het vernam; men kon daartegen maatregelen nemen, bijvoorbeeld dekabajaverwisselen, die erg gekreukt was en een geur afgaf die sterk deed denken aan de parfum … wat drommel, zijn kantoortje kon er ook naar rieken! Hij sprong op om er de jaloezieën weer open te gooien en ging toen in zijn slaapkamer, waar hij zich in overmaat van zorg ook de handen waschte.De chef schudde het hoofd, toen Wije hem zijn plan meedeelde en vroeg om crediet voor latere inkoopen.„Ik zou het je gaarne gunnen,” zeide hij, „en misschien ware het ook wel in ons eigen belang, maar het gaat niet. Het crediet heeft[150]zijn vaste regels, zijn oude traditie, en daarvan wijkt men niet af. Wij hebben nooit aan een Europeaan crediet gegeven.”„Maar meneer,” betoogde Wije, „we beginnen met een geheelen voorraad als het ware contant te koopen, waarmee niet veel minder dan een ton gemoeid is. Welke Chinees doet dat?”„Dat is waar, en toch … ik twijfel er aan of de Javabank je accepten zou discompteeren. Maar kan je de zaak niet op naam van een solieden Chinees drijven?”„Jawel, maar het is voor mij niet aangenaam. Zoudt u aan Kan Liong Tjoe, als hij detokoweer opnam, crediet geven?”„O zeker.”„’t Is sterk!” riep Wije uit.„Die compagnon van je … is dat geen Chinees?”„Neen meneer,” zeide Wije, lachend zijns ondanks. „Doch als het moet, zal ik wel een[151]solieden Chinees opduikelen. Er zijn er genoeg,” spotte hij, „die pas over den kop zijn geweest.”De chef lachte erom; hij vond de woorden van zijn ex-verkooper geestig en raak; dat nam niet weg dat hij bleef bij wat hij gezegd had; alleen zou hij terwille van Wije, dien hij vertrouwde en kende, iets door de vingers zien wat betrof den te kiezen Chineeschen strooman. Maar Wije, in zijn hart spijtig over de positie waarin de bekrompenheid van zijn chef hem ging plaatsen, beloofde, nu in ernst, met een heel solieden Chinees voor den dag te zullen komen. Hij had daarbij het oog op Piong Pan Ho, die het hem niet zou weigeren. Op weg naar dezen, bedacht hij echter, dat het zaak zou zijn eerst Kan Liong Tjoe op te zoeken en te spreken over de huur van het tokogebouw. Eigenlijk hadhijhiermee wel mogen beginnen, doch hij was niet ontsnapt aan de zucht die de meeste menschen onaangename zaken tot het laatst doet uitstellen.[152]Hoe dichter hij de woning van denBabahnaderde, des te sterker werd zijn voorgevoel, dat hem reeds gister een oogenblik had bevangen en hem zeide dat die man zijn plannen zou contrarieeren, om zich te wreken over de behandeling hem destijds in detokoaangedaan.Kan Liong Tjoe dacht echter niet meer aan die kleinigheid. De streek hem door Duna gespeeld, hield zijn geest geheel alleen bezig en hij beschuldigde allen die tot de beide firma’s behoorden, van medeplichtigheid. Voor ’t eerst van zijn leven zag Wije een Chinees in allen ernst boos. Vóór hem staande, zonder de minste deferentie voor den Europeaan, schold hij de beide chefs voor dieven en oplichters, zich heesch pratend, den mond wijd open, met de handen kletsend op zijn dijen en andere vleezige gedeelten. Nooit zou hij weer een Europeaan vertrouwen en in zijntoko, waarin reeds zijn vader[153]had gewerkt, wilde hij er geen dulden. Zoodra hij die weer in zijn macht had, zou hij haar laten uitrooken om den peststank te verdrijven, dien dat gespuis er in gebracht had … Het was Wije bijna niet mogelijk aan het woord te komen, zóó raasde de Chinees voort. Inziende dat hij tot geen kalme bespreking kon komen, vertrok hij.In detokoriep hij de bedienden bijeen en na hun de zaak te hebben uitgelegd, hun voorhoudend dat het ook in hun belang was zoo de zaak werd voortgezet, droeg hij hun op dien avond Kan Liong Tjoe te bepraten. Doch den volgenden morgen berichtten zij hem, dat deBabahniet te bewegen was. Het stond op hun gezichten te lezen dat zij er zelf grooten spijt van hadden, en een hunner opperde het denkbeeld om detokoergens anders te vestigen; zij wilden gaarne met meneer meegaan, dien zij hadden leeren kennen als een goed enpinterchef. Maar[154]daar viel niet aan te denken. Het verlies van het gebouw nam het cachet van de zaak. Wije, in een andere lokaliteit eentokoopenende, zou voor een Europeeschtoko-houderworden aangezien, de klandizie zou daarmee geheel veranderen, geen inlander zou zijn inkoopen daar komen doen, en ook verscheiden Europeanen zouden er niet meer koopen wat zij nu eenmaal gewoon waren in een Chineeschetokote halen. Men stuurde thans naar detokovan Kan Liong Tjoe; of die er niet langer in was deed niets ter zake; de loop was er heen, en zou niet ophouden voordat de deur gesloten was; dan echter zou zich de stroom verdeelen, doch dien te leiden was ondoenlijk. Het besluit van Kan Liong Tjoe beteekende voor Wije het niet doorgaan van zijn plan, dat hoe jong nog, hem reeds gansch had ingepalmd. En dan het malle figuur tegenover mevrouw Duna! Er was intusschen niets aan te veranderen, dus schreef[155]hij haar een kort briefje, haar verzoekend dien middag in detokote komen.Zij kwam en luisterde aandachtig naar zijn verslag.„Waar woont die Chinees?” vroeg zij toen hij had uitgesproken.„Hoe, je wilt toch niet zelf.…?”„Natuurlijk. Waar woont hij?”Hij duidde het haar uit, aarzelend.„Zal ik meegaan?” vroeg hij ten slotte, doch zij schudde het hoofd, opstaande en zich met vluggen, veerkrachtigen stap naar haar rijtuig begevend.Wije bleef achter; zijn wenkbrauwen omhoog, de wangen opblazend, ging hij weer naar zijn lessenaar. Hij had haar eergister een kranige vrouw gevonden en hij zou bij die opinie blijven zoolang zij uitsluitend tegenover hem haar beradenheid toonde, doch als zij deed, wat hij vermoedde dat zij van plan was te doen om Kan Liong Tjoe tot andere gedachten[156]te brengen … dan verspeelde zij zijn achting ten eenenmale. Dan, meende hij, was het geen voorkeur die haar bewogen had hem een gunst te schenken, maar koele berekening; dan sloot zij eenvoudig een koopen payant de sa personne, en dat was gemeen, ten minste als het buiten hem omging.Na betrekkelijk korten tijd kwam zij terug en Wije herademde toen hij aan haar gezicht zag dat zij niet geslaagd was.„Die vent is krankzinnig,” riep zij uit. „Hij loopt den geheelen dag te schelden en te mopperen. Ik heb een inlander uitgehoord, die voor zijn huis den weg stond te begieten. Had je ’t niet bemerkt?”„Neen,” verklaarde Wije; „wel dat hij erg opgewonden was, toenikmet hem sprak …”„Nu, zoo is hij den geheelen dag. Ik ben maar een oogenblik bij hem gebleven; er viel niet te onderhandelen. Maar, wat nu gedaan?”[157]„Niets,” zeide Wije; „het sprookje is uit.”„En wat ga jij beginnen?”„Ik … wacht totdat de vendutie is afgeloopen en dan ga ik weg.”„Weg? Waarheen?”„Naar Holland. Hier kan ik niet leven van ’t geen ik heb, en ik krijg er toch niets bij; misschien lukt me dat ginds beter, en zoo niet, dan is het daar toch altijd aangenamer wonen.”„Doe het niet,” raadde zij, „het zou je tegenvallen, zooals het iedereen tegenvalt, die hier gewend is. Luister eens, nu ik mijn geld toch niet in dietokokan zetten, moet ik er meer huizen bijkoopen. Want aan een Bank vertrouw ik het niet toe, dàt laat ik aan jelui over. En ik kan als vrouw zoo moeilijk voor al die dingen zorgen, vooral als er meer bijkomt. Wil jij de administratie daarvan op je nemen? ’t Is wel geen lucratieve betrekking, maar voor bijverdienste toch altijd voldoende. Dan kun je tevens hier blijven.”[158]„Voorloopig kan ik het wel aannemen,” zeide Wije. „Als ik het niet kan volhouden, is daarvoor licht iemand anders te vinden. Ik zal echter moeten verhuizen naar een goedkooper woning.”Zij had er een voor hem, in een der dwarslanen die op den Bodjongweg uitkomen; daar kon hij intrekken en voor zijn administratie het paviljoentje inrichten, dat een aparten uitgang had op eenkampong-pad.De vendutie van detokoKan Liong Tjoe had reeds lang te voren de aandacht getrokken. Een zoo groote partij goederen, berekende men, ineens op publieke veiling, moest noodzakelijk goedkoop gaan; en men nam zich voor zijn slag te slaan, terwijl men andere inkoopen zooveel mogelijk uitstelde. Maar juist doordat iedereen dezelfde berekening had gemaakt, liep het druk en joeg men elkaar op, zoodat de opbrengst de taxatie ruim overtrof. Toen het afgeloopen was, werden de deuren gesloten,[159]om in langen tijd niet weer open te gaan.Wije werkte eenige dagen mede op het kantoor der firma, ten einde de finale afrekening op te maken; toen kwam het oogenblik dat de chef hem met iets weemoedigs in zijn blik, de hand reikte tot afscheid. Geen van beiden sprak een woord en even zwijgend stonden de employé’s aan den uitgang der monsterkamer.„Bonjourkerels,” zeide Wije, toen hij den laatsten de hand drukte, en met brandende oogen liep hij de trap af. Beneden gaf hij een ontkennenden wenk aan den koetsier van dentoko-wagen en stapte haastig voort met eenigszins gebogen hoofd. Op den Bodjong-weg gekomen, verminderde hij zijn vaart, den kant van den weg houdend, in de schaduw, den voet af en toe hoog opheffend en wijd neerzettend om over een zonneplek te stappen alsof het een plas water was.[160]
[Inhoud]VI.VI.OOK EEN COMPAGNON.Het was een drukke tijd. Om een zuivere balans te kunnen opmaken wilde men den geheelen inventaris van detokoopgenomen hebben, iets wat in de meeste zaken slechts met een taxatie wordt afgedaan. Het lastige hierbij was dat de verkoop ondertusschen niet stilstond en er in de aanwezige hoeveelheden dagelijks dus verandering kwam, die zorgvuldig moest worden bijgehouden. Met de ijverige hulp zijner bedienden kwam Wije er doorheen, en een week na Nieuwjaar verraste hij zijn chef met de netjes geschreven lijsten.[120]„Mooi zoo,” zeide deze. „Nu kunnen ze hier aan den slag komen. Als je ’s morgens een half uurtje kunt komen helpen met inlichtingen en zoo, zullen ze die balans spoedig genoeg klaar hebben.—Apropos, Kan Liong Tjoe is hier geweest; het is al eenigen tijd geleden, maar met die drukte is ’t mij door het hoofd gegaan; hij wou, geloof ik, zijn zoon in detokohebben. Kan je dien plaatsen?”„Hij is met hetzelfde verzoek bij mij geweest,” antwoordde Wije, „en ik … heb het met de drukte óók vergeten.”„O zoo,” zeide de chef, na Wije een poos te hebben aangekeken. „Is je bedoeling het blijvend te vergeten?”„Ja meneer. Ik had informaties …”„Al goed; ’t is mij onverschillig.”Zonderling, dacht Wije bij het heengaan, als de zaken maar marcheeren wordt de lastigste chef tam!Een week of wat later kreeg hij de boodschap[121]om ’s morgens van den volgenden dag op het kantoor te komen en te blijven bij het afsluiten der balans. Wije had daarvan slechts een vaag begrip. Zoolang hij bij de firma was geweest, herinnerde hij zich, dat telken jare de chefs, de procuratiehouder en de hoofdboekhouder zich een geheelen morgen opsloten in de chefskamer. Zij trokken er met gelegenheidsgezichten in en kwamen er met fideele gezichten uit, mompelend „’n mooi jaar!” En de employé’s, die fijne opmerkers, wisten een uur daarna elkaar precies te vertellen of het eenheelmooi, dan wel eenmatigmooi jaar was geweest. In het laatste geval toch werden zij uitgenoodigd, om met de chefs op het welzijn der firma een glas bier te drinken; in het eerste geschiedde hetzelfde, doch met champagne, en zoo er voor de tweede maal werd ingeschonken … ja, dàn bleef ook een maand extra-tractement niet uit!En nu moest Wije tegenwoordig zijn bij[122]zulk een geheimzinnige handeling in de chefskamer, want het betrof de balans van de door hem bestuurdetoko. Wije betrapte zich, bij het binnenkomen, op het deftig plooien van zijn trekken; dat was aanstekelijk! Maar wat er binnen gebeurde viel hem tegen; daar zat nu niets maçonnieks in; het was eenvoudig beraadslagen over de sluitposten: hoeveel men mocht en kon afschrijven, zonder het winstcijfer te sterk te drukken. En hier viel niet veel te redeneeren; er was flink verdiend en er behoefde geen schijn te worden opgehouden; men kon zoo royaal te werk gaan als men verkoos. Het duurde dan ook niet lang of de boekhouder zat van zijn kladstaten de posten over te schrijven in de boeken.„’t Is verbazend goed gegaan,” merkte de chef op, zich met Wije bij een venster opstellend, en fluisterend om den boekhouder niet te storen. „Jij komt er ook best af; en dat doet me het meeste pleizier.”[123]„U is wel vriendelijk, meneer.”„Ja, want toen we je in detokoplaatsten, had ik er een zwaar hoofd in. Maar zooals het nu gaat, zit er een fortuintje voor je in. Eén ding is jammer, dat de zaak weer aan Kan Liong Tjoe teruggaat zoodra wij voldaan zijn; anders kon je er best voor teekenen.”„Zou Kan Liong Tjoe er niet uit te houden zijn? Ik bedoel, dat hij alleen de winst thuis krijgt?”„Ik twijfel er aan. Maar ik zal er Duna eens over hooren; het zou voor ons ook veel voordeeliger en solieder zijn.”„Meneer Duna is op reis, niet waar?”„Ja, hij is even naar Soerabaja. Maar dat belet jou niet om te toucheeren wat je toekomt.”„O, daar dacht ik niet eens aan,” zeide Wije.Zij keken een tijdlang uit het raam, naar de onder hen voortbewegende drukte van[124]sappie-karren,toko-wagens en kistenpikelendeinlanders. Toen kuchte de chef en zeide:„Van Beek komt nogal eens bij je, niet waar?” En op Wije’s bevestigend gebaar, ging hij een weinig aarzelend voort: „Ik heb hem zoo’n beetje onder mijn voogdij, naar je weet; houd me dus de vraag ten goede: Trekt hij verliefde gezichten tegen je dochter?”„Niet dat ik weet,” antwoordde Wije, vroolijk. „Hij vertoont steeds dezelfde merkwaardige facie, die alleen verandert als hij lacht of gaapt.”„Ik zal je zeggen waarom ik het vroeg,” zeide de chef ernstig blijvend. „De oude heer van Beek heeft van iemand—wie doet er niet toe—een zoogenaamde waarschuwing ontvangen. Hij heeft die natuurlijk aan mij gezonden … trouwens, dat is al iets heel bijzonders. Weet je hoe Hollandsche menschen gewoonlijk doen?”„Neen …”[125]„Wel, die met Indië te maken hebben, houden er hier één persoon op na, bij wien zij alles informeeren of door wien zij zich geregeld bericht laten zenden. Wat zij buitendien ontvangen, gaat zonder mededoogen in de voddenmand.”„Dat is toch niet altijd verstandig!”„Dikwijls niet, maar … Enfin, ik heb geantwoord, dat naar mijn weten, er niets van aan was. Voor de voorzichtigheid heb ik er nog bijgevoegd: en al was het zoo, dan zou je zoon den verstandigsten streek doen, die hij ooit van zijn leven kon uithalen. Ik heb het wel in andere woorden uitgedrukt, maar je begrijpt.…”„Jawel,” zeide Wije. „Nu, ik ben zeer gevoelig voor uw opinie …”„Ik ben klaar, meneer,” klonk het van den anderen kant der kamer, en zij braken hun gesprek af om zich weer aan de „zaken” te wijden.[126]„Mag ik u feliciteeren, meneer,” zeide ten slotte de boekhouder. „En jou ook, Wije; je hebt het er kranig afgebracht.”En er verscheen ook champagne, waarop de overige employé’s geïnviteerd werden. Weer stonden zij allen om Wije heen, evenals zooveel jaren geleden. Het waren op een enkel na, dezelfde gezichten, alleen wat verouderd, doch dat merkt men niet, als men met elkaar gelijk op leeft, en zij uitten hun gelukwenschen voor de toekomst, juist als toenmaals.Toen Wije het kantoor verliet, om naar zijntokoterug te keeren, deed de chef hem uitgeleide tot aan de trap, arm in arm met hem over de monsterkamer wandelend en hem tot driemaal toe de hand schuddend op amicale wijze. Van dentoko-wagen wilde hij geen gebruik maken; hij had behoefte zijn ledematen eens flink uit te strekken. En dit deed hij, zonder te letten op den modder en de plassen, zoodat de voorbijgangers hem verbaasd[127]aankeken en snel uitweken om niet bespat te worden. Hij had het gezien, onder cijfers, wat hij voor zich reeds sedert maanden had vermoed, gezien met eigen oogen, dat hij nu geld genoeg bezat om zoo noodig onafhankelijk te kunnen leven. Op bescheiden voet, weliswaar, maar het kòn toch. En als er nog een jaar bij kwam, zoo gelukkig als het afgeloopene, dan zou hij er mee uitscheiden en naar Holland gaan; voorgoed, en daar een welverdiende rust genieten, bij een heel klein beetje werken voor eigen plezier. Het aardigste was dat niemand het kon gissen! Want hij had zijn spaarpenningen nooit bij één kantoor gelaten, doch hier een weinig,dááreen weinig, wat courante aandeeltjes in plaatselijke prauwenveeren, een paar spaarbankboekjes, en zoo voort. Maar nu werd het lastig; het bedrag dat hij dezer dagen zou toucheeren was te groot, om zoo maar te worden weggemoffeld …soedah!hij kon[128]er nog een poos over nadenken, en zelfs al vond hij er niets op, dan wasdieverlegenheid eigenlijk niet eens zoo erg.Behoefte gevoelende zijn geluk mee te deelen aan een ander, liep hij bij Piong Pan Ho binnen. Deze was zeer verheugd dat meneer zooveeloentoenghad, en zelfs min of meer verbaasd dat detokonogzóóveelhad afgeworpen. Dat was bijna zoo goed als de losse handel, dien hij met een deel van zijn geld dreef! Als meneer wilde dan zou hij eens wat kapitaal voor hem uitzetten.„Ik dacht,” zeide Wije, bij dit aanbod stilstaande, dat hem na zijn overlegging van even te voren niet zoo verwerpelijk scheen, „dat je zelf met je geld geen weg wist.”Dat was zoo geweest, legde deSingkehuit, maar nu niet meer. Hij had nieuwe kanalen gevonden, en … men had hem een belegging aangewezen, die wel geen groote winsten zou geven, maar toch buitengewoon voordeelig[129]beloofde te zijn. Meneer herinnerde zich wel wat zij destijds samen besproken hadden, over diecadeaux? Nu, hij had er wil van gehad. Men was bij hem gekomen om eens poolshoogte te nemen. Bij die gelegenheid was er druk gesproken en men had hem verteld wat hij zoo al aan onroerende goederen moest kunnen aantoonen, om in aanmerking te komen voor luitenant-Chinees. Want het stond niet om enkel vlottend kapitaal te hebben, dat zàg men niet. En zoo terloops was er gepraat over een suikerfabriek in het Japarasche, die te koop was.… De vorige week had hij haar gekocht; en nu zou de zoo gewenschte benoeming wel niet lang meer uitblijven, ten minste er werd al voor gezorgd.„En wou je mijn geld in die suikerfabriek steken?” vroeg Wije.„Tida!” riep Piong Pan Ho; „ik zal er mee handelen; dan mag meneer er later een suikerfabriek voor koopen.”[130]De Chinees beschouwde die suikerfabriek blijkbaar als een stuk dood kapitaal of een voorwerp van luxe; doch Wij e wilde hem niet vragen, wat hij dan onder „handel” en „serieuse zaken” verstond, uit vrees van een antwoord te zullen krijgen dat hem zou weerhouden zijn geld aan Piong Pan Ho toe te vertrouwen, vanwege het soort dier zaken. Hij beloofde dus binnen een paar dagen terug te zullen komen, zoodra hij het in detokodoor hem verdiende had ontvangen. DeSingkehvond het uitstekend en droeg hem de groeten op aan Anneke, een beleefdheid die hij nooit verzuimde sedert zij eenige dagen na Sinterklaas met haar vader was meegekomen om hem persoonlijk te bedanken.De heer Duna was van zijn reis terug en zat bij Wije’s chef, de boeken van de Chineeschetokona te zien. In het notitieboekje dat geopend naast hem lag, schreef hij nu en dan iets op. Eindelijk sloeg hij de boeken dicht.[131]„Wel?” vroeg de chef.„We zijn er,” zeide Duna.„Hoe bedoel je dat?”„Ik zal Kan Liong Tjoe laten aanzeggen, dat hij het nog ontbrekende moet aanzuiveren.”„Dat kan hij immers niet!”„Dan houden we vendutie van den inventaris en de goederen. Ik zie dat die er ons juist zullen brengen. En desnoods maken we gebruik van onze hypotheek op het pand zelf.”„Maar wat bezielt je, Duna? Dat is tegen alle afspraak.”„Lees dan de contracten nog maar eens over.”„Die zijn voor geval van nood.”„Dat zie ik anders in,” zeide Duna bedaard. „We hebben die zaak geëntameerd om ons geld te redden, niet om Kan Liong Tjoe van dienst te zijn. Of denk je dat die een oogenblik zou hebben geaarzeld jou te bedriegen en schade te doen, als hij had gekund? Waarom dan consideratie gebruikt tegenover hem?”[132]„Dat toegegeven; maar het plotseling opheffen diertokozou aan onzen afzet enorm veel kwaad doen.”„Onzin; wat de een minder neemt, neemt de ander meer; aan de behoefte moet worden voldaan.”„En Wije?”„Dat is jouw zaak. Maarikmag het geld van onze instelling niet zoo lang vastzetten; dat strijdt tegen alle gezonde beginselen.”„Nu, maar ik neem geen genoegen met die handelwijze.”Duna haalde de schouders op, alsof hem dat volmaakt onverschillig was.„En ik waarschuw je,” vervolgde de chef, zich opwindend, „mij niet te contrarieeren. Het zou je berouwen.”„Al genoeg,” zeide Duna, opstaande. „Ik wil je niet overhaasten. Als de boel tegen einde Mei uit de wereld is, ben ik tevreden; dan kan ik er nog een woord over zeggen in[133]mijn verslag. Neem jij het op je om Kan Liong Tjoe aan te pakken, of zal ik het doen?”„Doe jij het. Misschien bedenk je je nog wel. En anders, denk aan mijn waarschuwing!”„Allright,” spotte Duna. „Bonjour!”Het was voor Wije een harde slag, toen hij het besluit van den heer Duna vernam. De chef trachtte het hem te verzachten door de mededeeling, dat Duna zelf er niet lang plezier van zou hebben. Hij grondde deze voorspelling op den reeds genoemden brief van den ouden heer van Beek. Deze toch had gevraagd wie die mevrouw Duna was? Of haar man aan het hoofd stond van het Semarangsche kantoor dier crediet-instelling in welke hij, van Beek, verscheiden aandeelen bezat? Zoo ja, of de chef hem dan eens een en ander wilde schijven over het verband tusschen de mooie deftige verslagen en het kleine dividend van die zaak. Nu, dàt zou hij doen, dáár kon Duna op rekenen! Doch[134]Wije, ofschoon gestreeld door de warmte waarmee de chef voor hem partij trok, en ook een weinig door het uitzicht op wraak, putte uit dat alles niet veel troost. De schoone toekomst, die hij zich gedroomd had, lag in duigen. Het ergste was dat hij een betrekking zou moeten gaan zoeken, want de firma kon hem, vanwege de inkrimping die haar zaken door dit geval zouden ondergaan, niet weer als verkooper aannemen. Of men moest Terborg ontslaan; en dàt wilde hij niet. Hij besloot er maar dadelijk werk van te maken; het haastte wel niet, maar er was ook niet zoo dadelijk een vacature. De chefs, die hij er in de nu volgende weken over aansprak, beloofden allen zijn sollicitatie in het oog te zullen houden; op ’t oogenblik had niemand een plaats voor hem, maar … men kon nooit weten. Doch toen er op een paar dier kantoren werkelijk vacatures kwamen en deze werden aangevuld, zonder dat men om[135]hem scheen te denken, kreeg Wije den indruk dat men hem „aan ’t lijntje hield” met halve toezeggingen, doch dat feitelijk niemand hem plaatsen wilde. En toen hij, om daarvan zekerheid te krijgen en tevens van de redenen die de menschen tot een dusdanige handelwijze bewogen, nogmaals aanklopte, ontving hij de meest zonderlinge en voor hem onbegrijpelijke antwoorden. Men had gedacht dat hij die betrekking niet zou willen hebben, dat die andere te veel buiten zijn eigenlijke line of business lag; één had hem zelfs voor te ontwikkeld geoordeeld, om hem te kunnen aannemen als inférieur van een ander employé, die „niet erg hoog vloog!” Sommigen beweerden dat het hun speet zich vergist te hebben, een beleefdheid die anderen weer verzuimden, maar het eind van de historie bleef: geen betrekking.Men had iets tegen hem, dat bleek hoe langer hoe meer. Maar wat? Na veel vergeefsche[136]pogingen om er achter te komen, gelukte het Wije ten slotte een der hoogstgeplaatste employé’s eener groote firma aan het spreken te krijgen. Hij vond zijn vermoeden bewaarheid. Er was destijds iets met hem gebeurd, vertelde men; het rechte wist natuurlijk niemand, doch het was niet geheel in orde met hem. En bij gebrek aan bekende feiten, sprak men eenvoudig over zijn „antecedenten.” Dat woord was door één gebruikt, en het had opgang gemaakt: iemand metzijnantecedenten wilde niemand hebben. Iedereen sprak er over, maar niemand was er verantwoordelijk voor. Telkens als Wije er een aanklampte, verklaarde de zoodanige het natuurlijk beter te weten, Wije’s antecedenten waren van de beste soort, het was onzin, laster en zoo voort. Elk afzonderlijk was hem bijzonder genegen en beloofde hem zijn steun, zoowel tot verkrijging van een betrekking als tot tegenspreken van alle mogelijke kletspraatjes …[137]doch met hun allen drongen zij hem onverbiddelijk uit hun maatschappij.Wije worstelde wanhopig tegen, pleitte zich moe om een beschuldiging van zich af te wentelen, die … eigenlijk niet eens een beschuldiging was, om ten slotteinte zien dat zijn moeite vergeefsch was. Tot het uiterste verbitterd gaf hij het eindelijk op, allen die betrekkingen te vergeven hadden collectief voor een „vervloekten ploertenboel” uitmakend; iets wat men zich eveneens collectief aantrok, terwijl elk afzonderlijk het volkomen met hem eens beweerde te zijn.Eindelijk werd de vendutie van detokoin de nieuwsbladen aangekondigd, en nog had Wije geen betrekking. Zelfs zijn sollicitaties naar andere plaatsen op Java, waren zonder vrucht gebleven; het scheen wel dat zijn antecedenten hem ook daarheen vooruitgeloopen waren!Op een avond zat hij ongekleed in zijn[138]achtergalerij. Het was een uitzondering.Hij kleedde zich anders altijd; maar vandaag had hij er geen trek in gehad; en daarbij kwam dat Anneke uit was, en eerst in den naävond zou terugkomen. Voor wien zou hij zich dus kleeden? Hij gaapte eens, ten bewijze dat de rest van het menschdom hem geheel onverschillig was.Er kraakte een voetstap in de grind van het voorerf. Wije hoorde het, door de aan beide zijden der binnengalerij openstaande deuren. Hij trok de schouders op en strekte zich behagelijk uit in zijn luierstoel, zoodat de verlengstukken, waarop zijn beenen lagen, zwiepten en een kreunend geluid gaven; hij dacht er niet aan te ontvangen, maar zou belet geven. Wel zeker,dieweelde kon hij zich nog veroorlooven!Doch er volgde geensapada-geroep. Zonder zich één oogenblik te bedenken, stapte de bezoeker voort, het huis in, door de donkere[139]galerijen, recht op het licht af dat achter brandde. Wije zag verbaasd op, vooral in den laatsten tijd aan dergelijke familiariteiten niet gewoon. Even achter de deur hielden de voetstappen op en Wije bespeurde in het halfduister de omtrekken van een vrouwengestalte, die hem wenkte. Met een gevoel van ergernis en nieuwsgierigheid te gelijk, schoot hij zijn sloffen aan en voldeed aan het zwijgend verzoek. In de binnengalerij stond hij neus aan neus met mevrouw Duna, die zich weer geheel in het donker had teruggetrokken, zoodat Wije, uit het licht komend, geruimen tijd werk had eer hij haar herkende.„Ik moet u even spreken,” zeide zij, „over zaken. Maar niemand behoeft te weten dat ik hier ben geweest. Kunnen we ergens gaan zitten?”„Laat ons dan in mijn kantoortje gaan,” sloeg hij voor, de deur daarvan openend. Binnengekomen, sloot hij de jaloezieën en stak de lamp op.[140]Het was een gezellig kamertje. Ongeveer een meter van den muur af stond de schrijftafel en daarboven hing de lamp, dus niet in het midden, wat al dadelijk de stijfheid der gewone Indische inrichting brak. In een hoek, schuin achter den lessenaar, was een halfronde rustbank geplaatst, waarachter een kleine draperie, gekroond door een witmarmeren beeldje op een hoekconsôle. Het verdere meubilair bestond uit stoelen en knaapjes, zóó gesteld, dat men haast overal, door de stoelen een weinig te verschikken, een zitje had. Het geheel lokte als het ware uit tot causeeren.Mevrouw Duna nam plaats op de rustbank; en met een gebaar dat zij zacht wou spreken, drong zij Wije een stoel te kiezen, die daar vlak tegenaan stond.„Men zegt dat u overal rondloopt om een betrekking,” begon zij; „is dat waar?”„Hm …” deed Wije verlegen.„Wat belet u om op die vendutie alles op[141]te koopen en de zaak eenvoudig voort te zetten?”Hij schrok ervan. Het was iets waaraan hij in ’t geheel nog niet gedacht had, en het imponeerde hem dit denkbeeld, dat zoo stout maar tevens zoo zakelijk was, door een vrouw te hooren opwerpen.„Ik heb niet zooveel geld,” zeide hij. „En denkt u dat zij, die mij niet eens een betrekking willen geven, mij kapitaal zouden toevertrouwen?”„Ja, daar heb ik van gehoord,” zeide zij, antwoord gevend op het laatste deel van zijn gezegde. „Die mannen meenen gewoonlijk dat zij de wijsheid in pacht hebben, doch ze zijn met hun allen één groote domheid. Wat de een den ander niet kan nadoen deugt niet. Maarsoedah, je sprak over geld … Je begrijpt wel dat ik hier niet ben gekomen enkel om een praatje te maken?”Of hij dat begreep! Men had haar slechts[142]aan te zien, om te weten dat zij steeds met een doel sprak of handelde.„Ik zou het niet durven veronderstellen,” zeide hij, met iets ondeugends in zijn blik.„Doe het dan ook niet,” zeide zij kort.„Ik wil in dietokoje compagnon zijn. Denk daar eens over na, en vertel me dan hoeveel geld je zelf kunt bijbrengen en hoeveel je schat dat er noodig is om alles op te koopen.”Hij noemde een bedrag van tachtigduizend gulden, als zijn schatting van de opbrengst der vendutie, en meende daarvan zelf ongeveer de helft te kunnen voldoen. Het scheen haar mee te vallen.„Er zal nog wel wat meer noodig zijn?” informeerde zij. „Men moet toch voor de loopende uitgaven wat hebben!”„Dat is zooveel niet,” zeide Wije. „De verkoop is hoofdzakelijk à contant, terwijl de inkoop op crediet gaat.”„Zou je dat krijgen?”[143]„Bij onze firma natuurlijk,” meende hij, „en die is de voornaamste. Maar er is iets anders dat ik mij afvraag: het tokogebouw is van Kan Liong Tjoe, zal hij het willen verhuren?”„Kom, daar moet je maar voor zorgen. En nu, de tijd is kort; om alles in orde te brengen mag je geen dag verliezen, dus er moet dadelijk beslist worden; neem je mij aan als stille vennoot?”Wije aarzelde. Zooeven had hij gesproken alsof de zaak reeds beklonken was, maar nu schoot het hem plotseling in, dat het toch een malle verhouding gaf. Hij wist, evenals iedereen, dat zij buiten haar man om „scharrelde” en dat deze haar daarin alle vrijheid liet, maar de zaak die zij thans wilde beginnen, behoorde tot een andere categorie als die welke zij tot hiertoe gedreven had. Zij sprak van een stille vennootschap, doch zou men die geheim kunnen houden? Het was heel[144]moeielijk. Men moest elkaar meer dan gewoonlijk ontmoeten om de zaken te bespreken, en dat kon niet altijd wachten op een gelegenheid als die zij heden avond blijkbaar met opzet had gekozen. En zoo het uitkwam, wat dan? Men zou hem uitlachen; nu, dat was minder, hij zou zich daaraan niet storen, dat deed hij reeds lang niet meer. Doch ook Duna, en die wel in de eerste plaats, zou de risée worden van de stad, ja bij de eigenaardige snelheid der Indische faam, van geheel Java. En dan sprak het wel vanzelf, dat hij in zijn qualiteit als echtgenoot den boel in de war zou sturen en afbreken. Neen, ’t was te gek om met de vrouw van een ander zaken te doen; dat mocht over twintig jaar kunnen gebeuren, als de getrouwde vrouw wederom zal hersteld zijn in de positie die zij in den lateren Romeinschen keizertijd bekleedde, nù ging het niet. Toch, aan den anderen kant, was het aanbod voor hem erg aanlokkelijk.[145]Hij begon zijn bezwaren op te sommen.„Bah,” zeide zij, na eenigen tijd te hebben geluisterd, „wat geef ik daarom? Ik wil het stilhouden, omdat het niemand aangaat. Maar anders kon het mij niet schelen.”„Alles goed en wel,” zeide Wije, „maar uw man?”„Duna doet als de rest; hij werkt voor anderen en weet voor zichzelf niet meer te verdienen dan zijn levensonderhoud; hij mag dus blij zijn als zijn vrouw weet op te leggen; en dat is hij ook, want hij geniet van het voordeel dat ik hem bezorg, zonder ooit te vragen hoe ik dat doe. Maak je niet ongerust; als ik er je plezier mee kan doen, zal ik het hem mededeelen, zoodra we een poos aan den gang zijn.”„En als hij het dan afbreekt?”„Dat zal hij niet, dat durft hij niet! Of voor wat zie je mij aan? Denk je datikin mijn schulp kruip voor een boos gezicht van[146]’n man? Hoor eens, als je zakelijke bezwaren hebt, zeg het dan, maar kom niet met zulk een onzin voor den dag. Ik had dien niet van je verwacht. Juist omdat ze allen zoo tegen je zijn, dacht ik dat je wel een uitzondering zou maken op den regel. Neen … ik wil me niet vergist hebben. Hier, sla toe!”Zij was onder het spreken opgestaan, de woorden hoe langer hoe hartstochtelijker uitstootende. Het koele en onvoldane dat haar gelaat kenmerkte was als weggevaagd, haar oogen openden zich wijder, een kleur steeg haar naar de wangen, en toen zij de hand uitstrekte en Wije die onwillekeurig aanvatte, las hij in haar oogen, duidelijker dan woorden het hadden kunnen uitdrukken dat die vrouw, die nog mooi kon zijn als zij wilde, behalve haar geld ook nog iets anders wou inbrengen in de compagnieschap en dat het de vraag was voor welke gedeelte van haar doel zij zich het sterkst beijverde.[147]Het plotselinge daarvan verraste hem en overmeesterde hem.Toen zij wegging was de zaak op alle punten besproken en beklonken. Wije bleef achter met een gevoel van herlevende energie en groote dankbaarheid. ’t Was toch zonderling, vond hij, dat een vrouw van dien leeftijd nog zulk een invloed kon uitoefenen. Hij schreef het toe aan de omstandigheid dat zij een volbloed-Europeesche was. Van een indische verwachtte men, misschien zeer ten onrechte, veel eerder toenadering en stelde die daarom minder op prijs. Doch een Europeesche was opgevoed en zoo vastgeroest in begrippen van uiterlijk fatsoen, dat dit haar ophield zelfs wanneer iets beters ontbrak. Als die uit den band sprong was dat iets nieuws, iets zeldzaams; dan zag men over een jaar of wat gemakkelijk heen.Aan tafel verbaasde hij den bediende door een paar maal hardop te lachen in zijn eentje, en na den eten ging hij weer in zijn luierstoel[148]liggen na-mijmeren, zich vragen stellende, hoe dat idee toch in haar hoofd was opgekomen, of zij het een wilde om het ander, dan wel het ander om het een, waarom zij daar vóór dezen nooit iets van had laten blijken, en zoo voort. Daarna fantaseerde hij over de toekomst; in detokozou een kantoortje worden aangebouwd, dat gesloten kon worden; dáár zou zij komen om over zaken te spreken, ’s middags; dáár zou hij als chef troonen en geld verdienen nu ook voor zich, twee zeer aangename bezigheden.Het rijtuig reed uit de wagenkamer. Het was tien uur; Anneke moest worden gehaald. Anneke! Hij kleurde als een schooljongen bij de gedachte aan zijn dochter. Welk een gezicht zou zij trekken als zij het vernam! Dat kon toch niet uitblijven; in Indië houdt men dergelijke zaken niet geheim. Wat zou zij zeggen, met het oog op de lessen die hij haar placht te geven? Niet dat hij haar al te strenge begrippen had ingeprent, maar toch, een waarschuwing[149]nu en dan, een afkeuring van wat met fatsoen en moraal in strijd was, had hij wel laten hooren en daarbij zichzelf steeds op een tamelijk hoog standpunt geplaatst. En nu? Foei, wat was het warm, men kon nauwelijks nadenken! Enfin, misschien werd het wel niet bekend, althans niet zóó dat Anneke het vernam; men kon daartegen maatregelen nemen, bijvoorbeeld dekabajaverwisselen, die erg gekreukt was en een geur afgaf die sterk deed denken aan de parfum … wat drommel, zijn kantoortje kon er ook naar rieken! Hij sprong op om er de jaloezieën weer open te gooien en ging toen in zijn slaapkamer, waar hij zich in overmaat van zorg ook de handen waschte.De chef schudde het hoofd, toen Wije hem zijn plan meedeelde en vroeg om crediet voor latere inkoopen.„Ik zou het je gaarne gunnen,” zeide hij, „en misschien ware het ook wel in ons eigen belang, maar het gaat niet. Het crediet heeft[150]zijn vaste regels, zijn oude traditie, en daarvan wijkt men niet af. Wij hebben nooit aan een Europeaan crediet gegeven.”„Maar meneer,” betoogde Wije, „we beginnen met een geheelen voorraad als het ware contant te koopen, waarmee niet veel minder dan een ton gemoeid is. Welke Chinees doet dat?”„Dat is waar, en toch … ik twijfel er aan of de Javabank je accepten zou discompteeren. Maar kan je de zaak niet op naam van een solieden Chinees drijven?”„Jawel, maar het is voor mij niet aangenaam. Zoudt u aan Kan Liong Tjoe, als hij detokoweer opnam, crediet geven?”„O zeker.”„’t Is sterk!” riep Wije uit.„Die compagnon van je … is dat geen Chinees?”„Neen meneer,” zeide Wije, lachend zijns ondanks. „Doch als het moet, zal ik wel een[151]solieden Chinees opduikelen. Er zijn er genoeg,” spotte hij, „die pas over den kop zijn geweest.”De chef lachte erom; hij vond de woorden van zijn ex-verkooper geestig en raak; dat nam niet weg dat hij bleef bij wat hij gezegd had; alleen zou hij terwille van Wije, dien hij vertrouwde en kende, iets door de vingers zien wat betrof den te kiezen Chineeschen strooman. Maar Wije, in zijn hart spijtig over de positie waarin de bekrompenheid van zijn chef hem ging plaatsen, beloofde, nu in ernst, met een heel solieden Chinees voor den dag te zullen komen. Hij had daarbij het oog op Piong Pan Ho, die het hem niet zou weigeren. Op weg naar dezen, bedacht hij echter, dat het zaak zou zijn eerst Kan Liong Tjoe op te zoeken en te spreken over de huur van het tokogebouw. Eigenlijk hadhijhiermee wel mogen beginnen, doch hij was niet ontsnapt aan de zucht die de meeste menschen onaangename zaken tot het laatst doet uitstellen.[152]Hoe dichter hij de woning van denBabahnaderde, des te sterker werd zijn voorgevoel, dat hem reeds gister een oogenblik had bevangen en hem zeide dat die man zijn plannen zou contrarieeren, om zich te wreken over de behandeling hem destijds in detokoaangedaan.Kan Liong Tjoe dacht echter niet meer aan die kleinigheid. De streek hem door Duna gespeeld, hield zijn geest geheel alleen bezig en hij beschuldigde allen die tot de beide firma’s behoorden, van medeplichtigheid. Voor ’t eerst van zijn leven zag Wije een Chinees in allen ernst boos. Vóór hem staande, zonder de minste deferentie voor den Europeaan, schold hij de beide chefs voor dieven en oplichters, zich heesch pratend, den mond wijd open, met de handen kletsend op zijn dijen en andere vleezige gedeelten. Nooit zou hij weer een Europeaan vertrouwen en in zijntoko, waarin reeds zijn vader[153]had gewerkt, wilde hij er geen dulden. Zoodra hij die weer in zijn macht had, zou hij haar laten uitrooken om den peststank te verdrijven, dien dat gespuis er in gebracht had … Het was Wije bijna niet mogelijk aan het woord te komen, zóó raasde de Chinees voort. Inziende dat hij tot geen kalme bespreking kon komen, vertrok hij.In detokoriep hij de bedienden bijeen en na hun de zaak te hebben uitgelegd, hun voorhoudend dat het ook in hun belang was zoo de zaak werd voortgezet, droeg hij hun op dien avond Kan Liong Tjoe te bepraten. Doch den volgenden morgen berichtten zij hem, dat deBabahniet te bewegen was. Het stond op hun gezichten te lezen dat zij er zelf grooten spijt van hadden, en een hunner opperde het denkbeeld om detokoergens anders te vestigen; zij wilden gaarne met meneer meegaan, dien zij hadden leeren kennen als een goed enpinterchef. Maar[154]daar viel niet aan te denken. Het verlies van het gebouw nam het cachet van de zaak. Wije, in een andere lokaliteit eentokoopenende, zou voor een Europeeschtoko-houderworden aangezien, de klandizie zou daarmee geheel veranderen, geen inlander zou zijn inkoopen daar komen doen, en ook verscheiden Europeanen zouden er niet meer koopen wat zij nu eenmaal gewoon waren in een Chineeschetokote halen. Men stuurde thans naar detokovan Kan Liong Tjoe; of die er niet langer in was deed niets ter zake; de loop was er heen, en zou niet ophouden voordat de deur gesloten was; dan echter zou zich de stroom verdeelen, doch dien te leiden was ondoenlijk. Het besluit van Kan Liong Tjoe beteekende voor Wije het niet doorgaan van zijn plan, dat hoe jong nog, hem reeds gansch had ingepalmd. En dan het malle figuur tegenover mevrouw Duna! Er was intusschen niets aan te veranderen, dus schreef[155]hij haar een kort briefje, haar verzoekend dien middag in detokote komen.Zij kwam en luisterde aandachtig naar zijn verslag.„Waar woont die Chinees?” vroeg zij toen hij had uitgesproken.„Hoe, je wilt toch niet zelf.…?”„Natuurlijk. Waar woont hij?”Hij duidde het haar uit, aarzelend.„Zal ik meegaan?” vroeg hij ten slotte, doch zij schudde het hoofd, opstaande en zich met vluggen, veerkrachtigen stap naar haar rijtuig begevend.Wije bleef achter; zijn wenkbrauwen omhoog, de wangen opblazend, ging hij weer naar zijn lessenaar. Hij had haar eergister een kranige vrouw gevonden en hij zou bij die opinie blijven zoolang zij uitsluitend tegenover hem haar beradenheid toonde, doch als zij deed, wat hij vermoedde dat zij van plan was te doen om Kan Liong Tjoe tot andere gedachten[156]te brengen … dan verspeelde zij zijn achting ten eenenmale. Dan, meende hij, was het geen voorkeur die haar bewogen had hem een gunst te schenken, maar koele berekening; dan sloot zij eenvoudig een koopen payant de sa personne, en dat was gemeen, ten minste als het buiten hem omging.Na betrekkelijk korten tijd kwam zij terug en Wije herademde toen hij aan haar gezicht zag dat zij niet geslaagd was.„Die vent is krankzinnig,” riep zij uit. „Hij loopt den geheelen dag te schelden en te mopperen. Ik heb een inlander uitgehoord, die voor zijn huis den weg stond te begieten. Had je ’t niet bemerkt?”„Neen,” verklaarde Wije; „wel dat hij erg opgewonden was, toenikmet hem sprak …”„Nu, zoo is hij den geheelen dag. Ik ben maar een oogenblik bij hem gebleven; er viel niet te onderhandelen. Maar, wat nu gedaan?”[157]„Niets,” zeide Wije; „het sprookje is uit.”„En wat ga jij beginnen?”„Ik … wacht totdat de vendutie is afgeloopen en dan ga ik weg.”„Weg? Waarheen?”„Naar Holland. Hier kan ik niet leven van ’t geen ik heb, en ik krijg er toch niets bij; misschien lukt me dat ginds beter, en zoo niet, dan is het daar toch altijd aangenamer wonen.”„Doe het niet,” raadde zij, „het zou je tegenvallen, zooals het iedereen tegenvalt, die hier gewend is. Luister eens, nu ik mijn geld toch niet in dietokokan zetten, moet ik er meer huizen bijkoopen. Want aan een Bank vertrouw ik het niet toe, dàt laat ik aan jelui over. En ik kan als vrouw zoo moeilijk voor al die dingen zorgen, vooral als er meer bijkomt. Wil jij de administratie daarvan op je nemen? ’t Is wel geen lucratieve betrekking, maar voor bijverdienste toch altijd voldoende. Dan kun je tevens hier blijven.”[158]„Voorloopig kan ik het wel aannemen,” zeide Wije. „Als ik het niet kan volhouden, is daarvoor licht iemand anders te vinden. Ik zal echter moeten verhuizen naar een goedkooper woning.”Zij had er een voor hem, in een der dwarslanen die op den Bodjongweg uitkomen; daar kon hij intrekken en voor zijn administratie het paviljoentje inrichten, dat een aparten uitgang had op eenkampong-pad.De vendutie van detokoKan Liong Tjoe had reeds lang te voren de aandacht getrokken. Een zoo groote partij goederen, berekende men, ineens op publieke veiling, moest noodzakelijk goedkoop gaan; en men nam zich voor zijn slag te slaan, terwijl men andere inkoopen zooveel mogelijk uitstelde. Maar juist doordat iedereen dezelfde berekening had gemaakt, liep het druk en joeg men elkaar op, zoodat de opbrengst de taxatie ruim overtrof. Toen het afgeloopen was, werden de deuren gesloten,[159]om in langen tijd niet weer open te gaan.Wije werkte eenige dagen mede op het kantoor der firma, ten einde de finale afrekening op te maken; toen kwam het oogenblik dat de chef hem met iets weemoedigs in zijn blik, de hand reikte tot afscheid. Geen van beiden sprak een woord en even zwijgend stonden de employé’s aan den uitgang der monsterkamer.„Bonjourkerels,” zeide Wije, toen hij den laatsten de hand drukte, en met brandende oogen liep hij de trap af. Beneden gaf hij een ontkennenden wenk aan den koetsier van dentoko-wagen en stapte haastig voort met eenigszins gebogen hoofd. Op den Bodjong-weg gekomen, verminderde hij zijn vaart, den kant van den weg houdend, in de schaduw, den voet af en toe hoog opheffend en wijd neerzettend om over een zonneplek te stappen alsof het een plas water was.[160]
VI.VI.OOK EEN COMPAGNON.
VI.
Het was een drukke tijd. Om een zuivere balans te kunnen opmaken wilde men den geheelen inventaris van detokoopgenomen hebben, iets wat in de meeste zaken slechts met een taxatie wordt afgedaan. Het lastige hierbij was dat de verkoop ondertusschen niet stilstond en er in de aanwezige hoeveelheden dagelijks dus verandering kwam, die zorgvuldig moest worden bijgehouden. Met de ijverige hulp zijner bedienden kwam Wije er doorheen, en een week na Nieuwjaar verraste hij zijn chef met de netjes geschreven lijsten.[120]„Mooi zoo,” zeide deze. „Nu kunnen ze hier aan den slag komen. Als je ’s morgens een half uurtje kunt komen helpen met inlichtingen en zoo, zullen ze die balans spoedig genoeg klaar hebben.—Apropos, Kan Liong Tjoe is hier geweest; het is al eenigen tijd geleden, maar met die drukte is ’t mij door het hoofd gegaan; hij wou, geloof ik, zijn zoon in detokohebben. Kan je dien plaatsen?”„Hij is met hetzelfde verzoek bij mij geweest,” antwoordde Wije, „en ik … heb het met de drukte óók vergeten.”„O zoo,” zeide de chef, na Wije een poos te hebben aangekeken. „Is je bedoeling het blijvend te vergeten?”„Ja meneer. Ik had informaties …”„Al goed; ’t is mij onverschillig.”Zonderling, dacht Wije bij het heengaan, als de zaken maar marcheeren wordt de lastigste chef tam!Een week of wat later kreeg hij de boodschap[121]om ’s morgens van den volgenden dag op het kantoor te komen en te blijven bij het afsluiten der balans. Wije had daarvan slechts een vaag begrip. Zoolang hij bij de firma was geweest, herinnerde hij zich, dat telken jare de chefs, de procuratiehouder en de hoofdboekhouder zich een geheelen morgen opsloten in de chefskamer. Zij trokken er met gelegenheidsgezichten in en kwamen er met fideele gezichten uit, mompelend „’n mooi jaar!” En de employé’s, die fijne opmerkers, wisten een uur daarna elkaar precies te vertellen of het eenheelmooi, dan wel eenmatigmooi jaar was geweest. In het laatste geval toch werden zij uitgenoodigd, om met de chefs op het welzijn der firma een glas bier te drinken; in het eerste geschiedde hetzelfde, doch met champagne, en zoo er voor de tweede maal werd ingeschonken … ja, dàn bleef ook een maand extra-tractement niet uit!En nu moest Wije tegenwoordig zijn bij[122]zulk een geheimzinnige handeling in de chefskamer, want het betrof de balans van de door hem bestuurdetoko. Wije betrapte zich, bij het binnenkomen, op het deftig plooien van zijn trekken; dat was aanstekelijk! Maar wat er binnen gebeurde viel hem tegen; daar zat nu niets maçonnieks in; het was eenvoudig beraadslagen over de sluitposten: hoeveel men mocht en kon afschrijven, zonder het winstcijfer te sterk te drukken. En hier viel niet veel te redeneeren; er was flink verdiend en er behoefde geen schijn te worden opgehouden; men kon zoo royaal te werk gaan als men verkoos. Het duurde dan ook niet lang of de boekhouder zat van zijn kladstaten de posten over te schrijven in de boeken.„’t Is verbazend goed gegaan,” merkte de chef op, zich met Wije bij een venster opstellend, en fluisterend om den boekhouder niet te storen. „Jij komt er ook best af; en dat doet me het meeste pleizier.”[123]„U is wel vriendelijk, meneer.”„Ja, want toen we je in detokoplaatsten, had ik er een zwaar hoofd in. Maar zooals het nu gaat, zit er een fortuintje voor je in. Eén ding is jammer, dat de zaak weer aan Kan Liong Tjoe teruggaat zoodra wij voldaan zijn; anders kon je er best voor teekenen.”„Zou Kan Liong Tjoe er niet uit te houden zijn? Ik bedoel, dat hij alleen de winst thuis krijgt?”„Ik twijfel er aan. Maar ik zal er Duna eens over hooren; het zou voor ons ook veel voordeeliger en solieder zijn.”„Meneer Duna is op reis, niet waar?”„Ja, hij is even naar Soerabaja. Maar dat belet jou niet om te toucheeren wat je toekomt.”„O, daar dacht ik niet eens aan,” zeide Wije.Zij keken een tijdlang uit het raam, naar de onder hen voortbewegende drukte van[124]sappie-karren,toko-wagens en kistenpikelendeinlanders. Toen kuchte de chef en zeide:„Van Beek komt nogal eens bij je, niet waar?” En op Wije’s bevestigend gebaar, ging hij een weinig aarzelend voort: „Ik heb hem zoo’n beetje onder mijn voogdij, naar je weet; houd me dus de vraag ten goede: Trekt hij verliefde gezichten tegen je dochter?”„Niet dat ik weet,” antwoordde Wije, vroolijk. „Hij vertoont steeds dezelfde merkwaardige facie, die alleen verandert als hij lacht of gaapt.”„Ik zal je zeggen waarom ik het vroeg,” zeide de chef ernstig blijvend. „De oude heer van Beek heeft van iemand—wie doet er niet toe—een zoogenaamde waarschuwing ontvangen. Hij heeft die natuurlijk aan mij gezonden … trouwens, dat is al iets heel bijzonders. Weet je hoe Hollandsche menschen gewoonlijk doen?”„Neen …”[125]„Wel, die met Indië te maken hebben, houden er hier één persoon op na, bij wien zij alles informeeren of door wien zij zich geregeld bericht laten zenden. Wat zij buitendien ontvangen, gaat zonder mededoogen in de voddenmand.”„Dat is toch niet altijd verstandig!”„Dikwijls niet, maar … Enfin, ik heb geantwoord, dat naar mijn weten, er niets van aan was. Voor de voorzichtigheid heb ik er nog bijgevoegd: en al was het zoo, dan zou je zoon den verstandigsten streek doen, die hij ooit van zijn leven kon uithalen. Ik heb het wel in andere woorden uitgedrukt, maar je begrijpt.…”„Jawel,” zeide Wije. „Nu, ik ben zeer gevoelig voor uw opinie …”„Ik ben klaar, meneer,” klonk het van den anderen kant der kamer, en zij braken hun gesprek af om zich weer aan de „zaken” te wijden.[126]„Mag ik u feliciteeren, meneer,” zeide ten slotte de boekhouder. „En jou ook, Wije; je hebt het er kranig afgebracht.”En er verscheen ook champagne, waarop de overige employé’s geïnviteerd werden. Weer stonden zij allen om Wije heen, evenals zooveel jaren geleden. Het waren op een enkel na, dezelfde gezichten, alleen wat verouderd, doch dat merkt men niet, als men met elkaar gelijk op leeft, en zij uitten hun gelukwenschen voor de toekomst, juist als toenmaals.Toen Wije het kantoor verliet, om naar zijntokoterug te keeren, deed de chef hem uitgeleide tot aan de trap, arm in arm met hem over de monsterkamer wandelend en hem tot driemaal toe de hand schuddend op amicale wijze. Van dentoko-wagen wilde hij geen gebruik maken; hij had behoefte zijn ledematen eens flink uit te strekken. En dit deed hij, zonder te letten op den modder en de plassen, zoodat de voorbijgangers hem verbaasd[127]aankeken en snel uitweken om niet bespat te worden. Hij had het gezien, onder cijfers, wat hij voor zich reeds sedert maanden had vermoed, gezien met eigen oogen, dat hij nu geld genoeg bezat om zoo noodig onafhankelijk te kunnen leven. Op bescheiden voet, weliswaar, maar het kòn toch. En als er nog een jaar bij kwam, zoo gelukkig als het afgeloopene, dan zou hij er mee uitscheiden en naar Holland gaan; voorgoed, en daar een welverdiende rust genieten, bij een heel klein beetje werken voor eigen plezier. Het aardigste was dat niemand het kon gissen! Want hij had zijn spaarpenningen nooit bij één kantoor gelaten, doch hier een weinig,dááreen weinig, wat courante aandeeltjes in plaatselijke prauwenveeren, een paar spaarbankboekjes, en zoo voort. Maar nu werd het lastig; het bedrag dat hij dezer dagen zou toucheeren was te groot, om zoo maar te worden weggemoffeld …soedah!hij kon[128]er nog een poos over nadenken, en zelfs al vond hij er niets op, dan wasdieverlegenheid eigenlijk niet eens zoo erg.Behoefte gevoelende zijn geluk mee te deelen aan een ander, liep hij bij Piong Pan Ho binnen. Deze was zeer verheugd dat meneer zooveeloentoenghad, en zelfs min of meer verbaasd dat detokonogzóóveelhad afgeworpen. Dat was bijna zoo goed als de losse handel, dien hij met een deel van zijn geld dreef! Als meneer wilde dan zou hij eens wat kapitaal voor hem uitzetten.„Ik dacht,” zeide Wije, bij dit aanbod stilstaande, dat hem na zijn overlegging van even te voren niet zoo verwerpelijk scheen, „dat je zelf met je geld geen weg wist.”Dat was zoo geweest, legde deSingkehuit, maar nu niet meer. Hij had nieuwe kanalen gevonden, en … men had hem een belegging aangewezen, die wel geen groote winsten zou geven, maar toch buitengewoon voordeelig[129]beloofde te zijn. Meneer herinnerde zich wel wat zij destijds samen besproken hadden, over diecadeaux? Nu, hij had er wil van gehad. Men was bij hem gekomen om eens poolshoogte te nemen. Bij die gelegenheid was er druk gesproken en men had hem verteld wat hij zoo al aan onroerende goederen moest kunnen aantoonen, om in aanmerking te komen voor luitenant-Chinees. Want het stond niet om enkel vlottend kapitaal te hebben, dat zàg men niet. En zoo terloops was er gepraat over een suikerfabriek in het Japarasche, die te koop was.… De vorige week had hij haar gekocht; en nu zou de zoo gewenschte benoeming wel niet lang meer uitblijven, ten minste er werd al voor gezorgd.„En wou je mijn geld in die suikerfabriek steken?” vroeg Wije.„Tida!” riep Piong Pan Ho; „ik zal er mee handelen; dan mag meneer er later een suikerfabriek voor koopen.”[130]De Chinees beschouwde die suikerfabriek blijkbaar als een stuk dood kapitaal of een voorwerp van luxe; doch Wij e wilde hem niet vragen, wat hij dan onder „handel” en „serieuse zaken” verstond, uit vrees van een antwoord te zullen krijgen dat hem zou weerhouden zijn geld aan Piong Pan Ho toe te vertrouwen, vanwege het soort dier zaken. Hij beloofde dus binnen een paar dagen terug te zullen komen, zoodra hij het in detokodoor hem verdiende had ontvangen. DeSingkehvond het uitstekend en droeg hem de groeten op aan Anneke, een beleefdheid die hij nooit verzuimde sedert zij eenige dagen na Sinterklaas met haar vader was meegekomen om hem persoonlijk te bedanken.De heer Duna was van zijn reis terug en zat bij Wije’s chef, de boeken van de Chineeschetokona te zien. In het notitieboekje dat geopend naast hem lag, schreef hij nu en dan iets op. Eindelijk sloeg hij de boeken dicht.[131]„Wel?” vroeg de chef.„We zijn er,” zeide Duna.„Hoe bedoel je dat?”„Ik zal Kan Liong Tjoe laten aanzeggen, dat hij het nog ontbrekende moet aanzuiveren.”„Dat kan hij immers niet!”„Dan houden we vendutie van den inventaris en de goederen. Ik zie dat die er ons juist zullen brengen. En desnoods maken we gebruik van onze hypotheek op het pand zelf.”„Maar wat bezielt je, Duna? Dat is tegen alle afspraak.”„Lees dan de contracten nog maar eens over.”„Die zijn voor geval van nood.”„Dat zie ik anders in,” zeide Duna bedaard. „We hebben die zaak geëntameerd om ons geld te redden, niet om Kan Liong Tjoe van dienst te zijn. Of denk je dat die een oogenblik zou hebben geaarzeld jou te bedriegen en schade te doen, als hij had gekund? Waarom dan consideratie gebruikt tegenover hem?”[132]„Dat toegegeven; maar het plotseling opheffen diertokozou aan onzen afzet enorm veel kwaad doen.”„Onzin; wat de een minder neemt, neemt de ander meer; aan de behoefte moet worden voldaan.”„En Wije?”„Dat is jouw zaak. Maarikmag het geld van onze instelling niet zoo lang vastzetten; dat strijdt tegen alle gezonde beginselen.”„Nu, maar ik neem geen genoegen met die handelwijze.”Duna haalde de schouders op, alsof hem dat volmaakt onverschillig was.„En ik waarschuw je,” vervolgde de chef, zich opwindend, „mij niet te contrarieeren. Het zou je berouwen.”„Al genoeg,” zeide Duna, opstaande. „Ik wil je niet overhaasten. Als de boel tegen einde Mei uit de wereld is, ben ik tevreden; dan kan ik er nog een woord over zeggen in[133]mijn verslag. Neem jij het op je om Kan Liong Tjoe aan te pakken, of zal ik het doen?”„Doe jij het. Misschien bedenk je je nog wel. En anders, denk aan mijn waarschuwing!”„Allright,” spotte Duna. „Bonjour!”Het was voor Wije een harde slag, toen hij het besluit van den heer Duna vernam. De chef trachtte het hem te verzachten door de mededeeling, dat Duna zelf er niet lang plezier van zou hebben. Hij grondde deze voorspelling op den reeds genoemden brief van den ouden heer van Beek. Deze toch had gevraagd wie die mevrouw Duna was? Of haar man aan het hoofd stond van het Semarangsche kantoor dier crediet-instelling in welke hij, van Beek, verscheiden aandeelen bezat? Zoo ja, of de chef hem dan eens een en ander wilde schijven over het verband tusschen de mooie deftige verslagen en het kleine dividend van die zaak. Nu, dàt zou hij doen, dáár kon Duna op rekenen! Doch[134]Wije, ofschoon gestreeld door de warmte waarmee de chef voor hem partij trok, en ook een weinig door het uitzicht op wraak, putte uit dat alles niet veel troost. De schoone toekomst, die hij zich gedroomd had, lag in duigen. Het ergste was dat hij een betrekking zou moeten gaan zoeken, want de firma kon hem, vanwege de inkrimping die haar zaken door dit geval zouden ondergaan, niet weer als verkooper aannemen. Of men moest Terborg ontslaan; en dàt wilde hij niet. Hij besloot er maar dadelijk werk van te maken; het haastte wel niet, maar er was ook niet zoo dadelijk een vacature. De chefs, die hij er in de nu volgende weken over aansprak, beloofden allen zijn sollicitatie in het oog te zullen houden; op ’t oogenblik had niemand een plaats voor hem, maar … men kon nooit weten. Doch toen er op een paar dier kantoren werkelijk vacatures kwamen en deze werden aangevuld, zonder dat men om[135]hem scheen te denken, kreeg Wije den indruk dat men hem „aan ’t lijntje hield” met halve toezeggingen, doch dat feitelijk niemand hem plaatsen wilde. En toen hij, om daarvan zekerheid te krijgen en tevens van de redenen die de menschen tot een dusdanige handelwijze bewogen, nogmaals aanklopte, ontving hij de meest zonderlinge en voor hem onbegrijpelijke antwoorden. Men had gedacht dat hij die betrekking niet zou willen hebben, dat die andere te veel buiten zijn eigenlijke line of business lag; één had hem zelfs voor te ontwikkeld geoordeeld, om hem te kunnen aannemen als inférieur van een ander employé, die „niet erg hoog vloog!” Sommigen beweerden dat het hun speet zich vergist te hebben, een beleefdheid die anderen weer verzuimden, maar het eind van de historie bleef: geen betrekking.Men had iets tegen hem, dat bleek hoe langer hoe meer. Maar wat? Na veel vergeefsche[136]pogingen om er achter te komen, gelukte het Wije ten slotte een der hoogstgeplaatste employé’s eener groote firma aan het spreken te krijgen. Hij vond zijn vermoeden bewaarheid. Er was destijds iets met hem gebeurd, vertelde men; het rechte wist natuurlijk niemand, doch het was niet geheel in orde met hem. En bij gebrek aan bekende feiten, sprak men eenvoudig over zijn „antecedenten.” Dat woord was door één gebruikt, en het had opgang gemaakt: iemand metzijnantecedenten wilde niemand hebben. Iedereen sprak er over, maar niemand was er verantwoordelijk voor. Telkens als Wije er een aanklampte, verklaarde de zoodanige het natuurlijk beter te weten, Wije’s antecedenten waren van de beste soort, het was onzin, laster en zoo voort. Elk afzonderlijk was hem bijzonder genegen en beloofde hem zijn steun, zoowel tot verkrijging van een betrekking als tot tegenspreken van alle mogelijke kletspraatjes …[137]doch met hun allen drongen zij hem onverbiddelijk uit hun maatschappij.Wije worstelde wanhopig tegen, pleitte zich moe om een beschuldiging van zich af te wentelen, die … eigenlijk niet eens een beschuldiging was, om ten slotteinte zien dat zijn moeite vergeefsch was. Tot het uiterste verbitterd gaf hij het eindelijk op, allen die betrekkingen te vergeven hadden collectief voor een „vervloekten ploertenboel” uitmakend; iets wat men zich eveneens collectief aantrok, terwijl elk afzonderlijk het volkomen met hem eens beweerde te zijn.Eindelijk werd de vendutie van detokoin de nieuwsbladen aangekondigd, en nog had Wije geen betrekking. Zelfs zijn sollicitaties naar andere plaatsen op Java, waren zonder vrucht gebleven; het scheen wel dat zijn antecedenten hem ook daarheen vooruitgeloopen waren!Op een avond zat hij ongekleed in zijn[138]achtergalerij. Het was een uitzondering.Hij kleedde zich anders altijd; maar vandaag had hij er geen trek in gehad; en daarbij kwam dat Anneke uit was, en eerst in den naävond zou terugkomen. Voor wien zou hij zich dus kleeden? Hij gaapte eens, ten bewijze dat de rest van het menschdom hem geheel onverschillig was.Er kraakte een voetstap in de grind van het voorerf. Wije hoorde het, door de aan beide zijden der binnengalerij openstaande deuren. Hij trok de schouders op en strekte zich behagelijk uit in zijn luierstoel, zoodat de verlengstukken, waarop zijn beenen lagen, zwiepten en een kreunend geluid gaven; hij dacht er niet aan te ontvangen, maar zou belet geven. Wel zeker,dieweelde kon hij zich nog veroorlooven!Doch er volgde geensapada-geroep. Zonder zich één oogenblik te bedenken, stapte de bezoeker voort, het huis in, door de donkere[139]galerijen, recht op het licht af dat achter brandde. Wije zag verbaasd op, vooral in den laatsten tijd aan dergelijke familiariteiten niet gewoon. Even achter de deur hielden de voetstappen op en Wije bespeurde in het halfduister de omtrekken van een vrouwengestalte, die hem wenkte. Met een gevoel van ergernis en nieuwsgierigheid te gelijk, schoot hij zijn sloffen aan en voldeed aan het zwijgend verzoek. In de binnengalerij stond hij neus aan neus met mevrouw Duna, die zich weer geheel in het donker had teruggetrokken, zoodat Wije, uit het licht komend, geruimen tijd werk had eer hij haar herkende.„Ik moet u even spreken,” zeide zij, „over zaken. Maar niemand behoeft te weten dat ik hier ben geweest. Kunnen we ergens gaan zitten?”„Laat ons dan in mijn kantoortje gaan,” sloeg hij voor, de deur daarvan openend. Binnengekomen, sloot hij de jaloezieën en stak de lamp op.[140]Het was een gezellig kamertje. Ongeveer een meter van den muur af stond de schrijftafel en daarboven hing de lamp, dus niet in het midden, wat al dadelijk de stijfheid der gewone Indische inrichting brak. In een hoek, schuin achter den lessenaar, was een halfronde rustbank geplaatst, waarachter een kleine draperie, gekroond door een witmarmeren beeldje op een hoekconsôle. Het verdere meubilair bestond uit stoelen en knaapjes, zóó gesteld, dat men haast overal, door de stoelen een weinig te verschikken, een zitje had. Het geheel lokte als het ware uit tot causeeren.Mevrouw Duna nam plaats op de rustbank; en met een gebaar dat zij zacht wou spreken, drong zij Wije een stoel te kiezen, die daar vlak tegenaan stond.„Men zegt dat u overal rondloopt om een betrekking,” begon zij; „is dat waar?”„Hm …” deed Wije verlegen.„Wat belet u om op die vendutie alles op[141]te koopen en de zaak eenvoudig voort te zetten?”Hij schrok ervan. Het was iets waaraan hij in ’t geheel nog niet gedacht had, en het imponeerde hem dit denkbeeld, dat zoo stout maar tevens zoo zakelijk was, door een vrouw te hooren opwerpen.„Ik heb niet zooveel geld,” zeide hij. „En denkt u dat zij, die mij niet eens een betrekking willen geven, mij kapitaal zouden toevertrouwen?”„Ja, daar heb ik van gehoord,” zeide zij, antwoord gevend op het laatste deel van zijn gezegde. „Die mannen meenen gewoonlijk dat zij de wijsheid in pacht hebben, doch ze zijn met hun allen één groote domheid. Wat de een den ander niet kan nadoen deugt niet. Maarsoedah, je sprak over geld … Je begrijpt wel dat ik hier niet ben gekomen enkel om een praatje te maken?”Of hij dat begreep! Men had haar slechts[142]aan te zien, om te weten dat zij steeds met een doel sprak of handelde.„Ik zou het niet durven veronderstellen,” zeide hij, met iets ondeugends in zijn blik.„Doe het dan ook niet,” zeide zij kort.„Ik wil in dietokoje compagnon zijn. Denk daar eens over na, en vertel me dan hoeveel geld je zelf kunt bijbrengen en hoeveel je schat dat er noodig is om alles op te koopen.”Hij noemde een bedrag van tachtigduizend gulden, als zijn schatting van de opbrengst der vendutie, en meende daarvan zelf ongeveer de helft te kunnen voldoen. Het scheen haar mee te vallen.„Er zal nog wel wat meer noodig zijn?” informeerde zij. „Men moet toch voor de loopende uitgaven wat hebben!”„Dat is zooveel niet,” zeide Wije. „De verkoop is hoofdzakelijk à contant, terwijl de inkoop op crediet gaat.”„Zou je dat krijgen?”[143]„Bij onze firma natuurlijk,” meende hij, „en die is de voornaamste. Maar er is iets anders dat ik mij afvraag: het tokogebouw is van Kan Liong Tjoe, zal hij het willen verhuren?”„Kom, daar moet je maar voor zorgen. En nu, de tijd is kort; om alles in orde te brengen mag je geen dag verliezen, dus er moet dadelijk beslist worden; neem je mij aan als stille vennoot?”Wije aarzelde. Zooeven had hij gesproken alsof de zaak reeds beklonken was, maar nu schoot het hem plotseling in, dat het toch een malle verhouding gaf. Hij wist, evenals iedereen, dat zij buiten haar man om „scharrelde” en dat deze haar daarin alle vrijheid liet, maar de zaak die zij thans wilde beginnen, behoorde tot een andere categorie als die welke zij tot hiertoe gedreven had. Zij sprak van een stille vennootschap, doch zou men die geheim kunnen houden? Het was heel[144]moeielijk. Men moest elkaar meer dan gewoonlijk ontmoeten om de zaken te bespreken, en dat kon niet altijd wachten op een gelegenheid als die zij heden avond blijkbaar met opzet had gekozen. En zoo het uitkwam, wat dan? Men zou hem uitlachen; nu, dat was minder, hij zou zich daaraan niet storen, dat deed hij reeds lang niet meer. Doch ook Duna, en die wel in de eerste plaats, zou de risée worden van de stad, ja bij de eigenaardige snelheid der Indische faam, van geheel Java. En dan sprak het wel vanzelf, dat hij in zijn qualiteit als echtgenoot den boel in de war zou sturen en afbreken. Neen, ’t was te gek om met de vrouw van een ander zaken te doen; dat mocht over twintig jaar kunnen gebeuren, als de getrouwde vrouw wederom zal hersteld zijn in de positie die zij in den lateren Romeinschen keizertijd bekleedde, nù ging het niet. Toch, aan den anderen kant, was het aanbod voor hem erg aanlokkelijk.[145]Hij begon zijn bezwaren op te sommen.„Bah,” zeide zij, na eenigen tijd te hebben geluisterd, „wat geef ik daarom? Ik wil het stilhouden, omdat het niemand aangaat. Maar anders kon het mij niet schelen.”„Alles goed en wel,” zeide Wije, „maar uw man?”„Duna doet als de rest; hij werkt voor anderen en weet voor zichzelf niet meer te verdienen dan zijn levensonderhoud; hij mag dus blij zijn als zijn vrouw weet op te leggen; en dat is hij ook, want hij geniet van het voordeel dat ik hem bezorg, zonder ooit te vragen hoe ik dat doe. Maak je niet ongerust; als ik er je plezier mee kan doen, zal ik het hem mededeelen, zoodra we een poos aan den gang zijn.”„En als hij het dan afbreekt?”„Dat zal hij niet, dat durft hij niet! Of voor wat zie je mij aan? Denk je datikin mijn schulp kruip voor een boos gezicht van[146]’n man? Hoor eens, als je zakelijke bezwaren hebt, zeg het dan, maar kom niet met zulk een onzin voor den dag. Ik had dien niet van je verwacht. Juist omdat ze allen zoo tegen je zijn, dacht ik dat je wel een uitzondering zou maken op den regel. Neen … ik wil me niet vergist hebben. Hier, sla toe!”Zij was onder het spreken opgestaan, de woorden hoe langer hoe hartstochtelijker uitstootende. Het koele en onvoldane dat haar gelaat kenmerkte was als weggevaagd, haar oogen openden zich wijder, een kleur steeg haar naar de wangen, en toen zij de hand uitstrekte en Wije die onwillekeurig aanvatte, las hij in haar oogen, duidelijker dan woorden het hadden kunnen uitdrukken dat die vrouw, die nog mooi kon zijn als zij wilde, behalve haar geld ook nog iets anders wou inbrengen in de compagnieschap en dat het de vraag was voor welke gedeelte van haar doel zij zich het sterkst beijverde.[147]Het plotselinge daarvan verraste hem en overmeesterde hem.Toen zij wegging was de zaak op alle punten besproken en beklonken. Wije bleef achter met een gevoel van herlevende energie en groote dankbaarheid. ’t Was toch zonderling, vond hij, dat een vrouw van dien leeftijd nog zulk een invloed kon uitoefenen. Hij schreef het toe aan de omstandigheid dat zij een volbloed-Europeesche was. Van een indische verwachtte men, misschien zeer ten onrechte, veel eerder toenadering en stelde die daarom minder op prijs. Doch een Europeesche was opgevoed en zoo vastgeroest in begrippen van uiterlijk fatsoen, dat dit haar ophield zelfs wanneer iets beters ontbrak. Als die uit den band sprong was dat iets nieuws, iets zeldzaams; dan zag men over een jaar of wat gemakkelijk heen.Aan tafel verbaasde hij den bediende door een paar maal hardop te lachen in zijn eentje, en na den eten ging hij weer in zijn luierstoel[148]liggen na-mijmeren, zich vragen stellende, hoe dat idee toch in haar hoofd was opgekomen, of zij het een wilde om het ander, dan wel het ander om het een, waarom zij daar vóór dezen nooit iets van had laten blijken, en zoo voort. Daarna fantaseerde hij over de toekomst; in detokozou een kantoortje worden aangebouwd, dat gesloten kon worden; dáár zou zij komen om over zaken te spreken, ’s middags; dáár zou hij als chef troonen en geld verdienen nu ook voor zich, twee zeer aangename bezigheden.Het rijtuig reed uit de wagenkamer. Het was tien uur; Anneke moest worden gehaald. Anneke! Hij kleurde als een schooljongen bij de gedachte aan zijn dochter. Welk een gezicht zou zij trekken als zij het vernam! Dat kon toch niet uitblijven; in Indië houdt men dergelijke zaken niet geheim. Wat zou zij zeggen, met het oog op de lessen die hij haar placht te geven? Niet dat hij haar al te strenge begrippen had ingeprent, maar toch, een waarschuwing[149]nu en dan, een afkeuring van wat met fatsoen en moraal in strijd was, had hij wel laten hooren en daarbij zichzelf steeds op een tamelijk hoog standpunt geplaatst. En nu? Foei, wat was het warm, men kon nauwelijks nadenken! Enfin, misschien werd het wel niet bekend, althans niet zóó dat Anneke het vernam; men kon daartegen maatregelen nemen, bijvoorbeeld dekabajaverwisselen, die erg gekreukt was en een geur afgaf die sterk deed denken aan de parfum … wat drommel, zijn kantoortje kon er ook naar rieken! Hij sprong op om er de jaloezieën weer open te gooien en ging toen in zijn slaapkamer, waar hij zich in overmaat van zorg ook de handen waschte.De chef schudde het hoofd, toen Wije hem zijn plan meedeelde en vroeg om crediet voor latere inkoopen.„Ik zou het je gaarne gunnen,” zeide hij, „en misschien ware het ook wel in ons eigen belang, maar het gaat niet. Het crediet heeft[150]zijn vaste regels, zijn oude traditie, en daarvan wijkt men niet af. Wij hebben nooit aan een Europeaan crediet gegeven.”„Maar meneer,” betoogde Wije, „we beginnen met een geheelen voorraad als het ware contant te koopen, waarmee niet veel minder dan een ton gemoeid is. Welke Chinees doet dat?”„Dat is waar, en toch … ik twijfel er aan of de Javabank je accepten zou discompteeren. Maar kan je de zaak niet op naam van een solieden Chinees drijven?”„Jawel, maar het is voor mij niet aangenaam. Zoudt u aan Kan Liong Tjoe, als hij detokoweer opnam, crediet geven?”„O zeker.”„’t Is sterk!” riep Wije uit.„Die compagnon van je … is dat geen Chinees?”„Neen meneer,” zeide Wije, lachend zijns ondanks. „Doch als het moet, zal ik wel een[151]solieden Chinees opduikelen. Er zijn er genoeg,” spotte hij, „die pas over den kop zijn geweest.”De chef lachte erom; hij vond de woorden van zijn ex-verkooper geestig en raak; dat nam niet weg dat hij bleef bij wat hij gezegd had; alleen zou hij terwille van Wije, dien hij vertrouwde en kende, iets door de vingers zien wat betrof den te kiezen Chineeschen strooman. Maar Wije, in zijn hart spijtig over de positie waarin de bekrompenheid van zijn chef hem ging plaatsen, beloofde, nu in ernst, met een heel solieden Chinees voor den dag te zullen komen. Hij had daarbij het oog op Piong Pan Ho, die het hem niet zou weigeren. Op weg naar dezen, bedacht hij echter, dat het zaak zou zijn eerst Kan Liong Tjoe op te zoeken en te spreken over de huur van het tokogebouw. Eigenlijk hadhijhiermee wel mogen beginnen, doch hij was niet ontsnapt aan de zucht die de meeste menschen onaangename zaken tot het laatst doet uitstellen.[152]Hoe dichter hij de woning van denBabahnaderde, des te sterker werd zijn voorgevoel, dat hem reeds gister een oogenblik had bevangen en hem zeide dat die man zijn plannen zou contrarieeren, om zich te wreken over de behandeling hem destijds in detokoaangedaan.Kan Liong Tjoe dacht echter niet meer aan die kleinigheid. De streek hem door Duna gespeeld, hield zijn geest geheel alleen bezig en hij beschuldigde allen die tot de beide firma’s behoorden, van medeplichtigheid. Voor ’t eerst van zijn leven zag Wije een Chinees in allen ernst boos. Vóór hem staande, zonder de minste deferentie voor den Europeaan, schold hij de beide chefs voor dieven en oplichters, zich heesch pratend, den mond wijd open, met de handen kletsend op zijn dijen en andere vleezige gedeelten. Nooit zou hij weer een Europeaan vertrouwen en in zijntoko, waarin reeds zijn vader[153]had gewerkt, wilde hij er geen dulden. Zoodra hij die weer in zijn macht had, zou hij haar laten uitrooken om den peststank te verdrijven, dien dat gespuis er in gebracht had … Het was Wije bijna niet mogelijk aan het woord te komen, zóó raasde de Chinees voort. Inziende dat hij tot geen kalme bespreking kon komen, vertrok hij.In detokoriep hij de bedienden bijeen en na hun de zaak te hebben uitgelegd, hun voorhoudend dat het ook in hun belang was zoo de zaak werd voortgezet, droeg hij hun op dien avond Kan Liong Tjoe te bepraten. Doch den volgenden morgen berichtten zij hem, dat deBabahniet te bewegen was. Het stond op hun gezichten te lezen dat zij er zelf grooten spijt van hadden, en een hunner opperde het denkbeeld om detokoergens anders te vestigen; zij wilden gaarne met meneer meegaan, dien zij hadden leeren kennen als een goed enpinterchef. Maar[154]daar viel niet aan te denken. Het verlies van het gebouw nam het cachet van de zaak. Wije, in een andere lokaliteit eentokoopenende, zou voor een Europeeschtoko-houderworden aangezien, de klandizie zou daarmee geheel veranderen, geen inlander zou zijn inkoopen daar komen doen, en ook verscheiden Europeanen zouden er niet meer koopen wat zij nu eenmaal gewoon waren in een Chineeschetokote halen. Men stuurde thans naar detokovan Kan Liong Tjoe; of die er niet langer in was deed niets ter zake; de loop was er heen, en zou niet ophouden voordat de deur gesloten was; dan echter zou zich de stroom verdeelen, doch dien te leiden was ondoenlijk. Het besluit van Kan Liong Tjoe beteekende voor Wije het niet doorgaan van zijn plan, dat hoe jong nog, hem reeds gansch had ingepalmd. En dan het malle figuur tegenover mevrouw Duna! Er was intusschen niets aan te veranderen, dus schreef[155]hij haar een kort briefje, haar verzoekend dien middag in detokote komen.Zij kwam en luisterde aandachtig naar zijn verslag.„Waar woont die Chinees?” vroeg zij toen hij had uitgesproken.„Hoe, je wilt toch niet zelf.…?”„Natuurlijk. Waar woont hij?”Hij duidde het haar uit, aarzelend.„Zal ik meegaan?” vroeg hij ten slotte, doch zij schudde het hoofd, opstaande en zich met vluggen, veerkrachtigen stap naar haar rijtuig begevend.Wije bleef achter; zijn wenkbrauwen omhoog, de wangen opblazend, ging hij weer naar zijn lessenaar. Hij had haar eergister een kranige vrouw gevonden en hij zou bij die opinie blijven zoolang zij uitsluitend tegenover hem haar beradenheid toonde, doch als zij deed, wat hij vermoedde dat zij van plan was te doen om Kan Liong Tjoe tot andere gedachten[156]te brengen … dan verspeelde zij zijn achting ten eenenmale. Dan, meende hij, was het geen voorkeur die haar bewogen had hem een gunst te schenken, maar koele berekening; dan sloot zij eenvoudig een koopen payant de sa personne, en dat was gemeen, ten minste als het buiten hem omging.Na betrekkelijk korten tijd kwam zij terug en Wije herademde toen hij aan haar gezicht zag dat zij niet geslaagd was.„Die vent is krankzinnig,” riep zij uit. „Hij loopt den geheelen dag te schelden en te mopperen. Ik heb een inlander uitgehoord, die voor zijn huis den weg stond te begieten. Had je ’t niet bemerkt?”„Neen,” verklaarde Wije; „wel dat hij erg opgewonden was, toenikmet hem sprak …”„Nu, zoo is hij den geheelen dag. Ik ben maar een oogenblik bij hem gebleven; er viel niet te onderhandelen. Maar, wat nu gedaan?”[157]„Niets,” zeide Wije; „het sprookje is uit.”„En wat ga jij beginnen?”„Ik … wacht totdat de vendutie is afgeloopen en dan ga ik weg.”„Weg? Waarheen?”„Naar Holland. Hier kan ik niet leven van ’t geen ik heb, en ik krijg er toch niets bij; misschien lukt me dat ginds beter, en zoo niet, dan is het daar toch altijd aangenamer wonen.”„Doe het niet,” raadde zij, „het zou je tegenvallen, zooals het iedereen tegenvalt, die hier gewend is. Luister eens, nu ik mijn geld toch niet in dietokokan zetten, moet ik er meer huizen bijkoopen. Want aan een Bank vertrouw ik het niet toe, dàt laat ik aan jelui over. En ik kan als vrouw zoo moeilijk voor al die dingen zorgen, vooral als er meer bijkomt. Wil jij de administratie daarvan op je nemen? ’t Is wel geen lucratieve betrekking, maar voor bijverdienste toch altijd voldoende. Dan kun je tevens hier blijven.”[158]„Voorloopig kan ik het wel aannemen,” zeide Wije. „Als ik het niet kan volhouden, is daarvoor licht iemand anders te vinden. Ik zal echter moeten verhuizen naar een goedkooper woning.”Zij had er een voor hem, in een der dwarslanen die op den Bodjongweg uitkomen; daar kon hij intrekken en voor zijn administratie het paviljoentje inrichten, dat een aparten uitgang had op eenkampong-pad.De vendutie van detokoKan Liong Tjoe had reeds lang te voren de aandacht getrokken. Een zoo groote partij goederen, berekende men, ineens op publieke veiling, moest noodzakelijk goedkoop gaan; en men nam zich voor zijn slag te slaan, terwijl men andere inkoopen zooveel mogelijk uitstelde. Maar juist doordat iedereen dezelfde berekening had gemaakt, liep het druk en joeg men elkaar op, zoodat de opbrengst de taxatie ruim overtrof. Toen het afgeloopen was, werden de deuren gesloten,[159]om in langen tijd niet weer open te gaan.Wije werkte eenige dagen mede op het kantoor der firma, ten einde de finale afrekening op te maken; toen kwam het oogenblik dat de chef hem met iets weemoedigs in zijn blik, de hand reikte tot afscheid. Geen van beiden sprak een woord en even zwijgend stonden de employé’s aan den uitgang der monsterkamer.„Bonjourkerels,” zeide Wije, toen hij den laatsten de hand drukte, en met brandende oogen liep hij de trap af. Beneden gaf hij een ontkennenden wenk aan den koetsier van dentoko-wagen en stapte haastig voort met eenigszins gebogen hoofd. Op den Bodjong-weg gekomen, verminderde hij zijn vaart, den kant van den weg houdend, in de schaduw, den voet af en toe hoog opheffend en wijd neerzettend om over een zonneplek te stappen alsof het een plas water was.[160]
Het was een drukke tijd. Om een zuivere balans te kunnen opmaken wilde men den geheelen inventaris van detokoopgenomen hebben, iets wat in de meeste zaken slechts met een taxatie wordt afgedaan. Het lastige hierbij was dat de verkoop ondertusschen niet stilstond en er in de aanwezige hoeveelheden dagelijks dus verandering kwam, die zorgvuldig moest worden bijgehouden. Met de ijverige hulp zijner bedienden kwam Wije er doorheen, en een week na Nieuwjaar verraste hij zijn chef met de netjes geschreven lijsten.[120]
„Mooi zoo,” zeide deze. „Nu kunnen ze hier aan den slag komen. Als je ’s morgens een half uurtje kunt komen helpen met inlichtingen en zoo, zullen ze die balans spoedig genoeg klaar hebben.—Apropos, Kan Liong Tjoe is hier geweest; het is al eenigen tijd geleden, maar met die drukte is ’t mij door het hoofd gegaan; hij wou, geloof ik, zijn zoon in detokohebben. Kan je dien plaatsen?”
„Hij is met hetzelfde verzoek bij mij geweest,” antwoordde Wije, „en ik … heb het met de drukte óók vergeten.”
„O zoo,” zeide de chef, na Wije een poos te hebben aangekeken. „Is je bedoeling het blijvend te vergeten?”
„Ja meneer. Ik had informaties …”
„Al goed; ’t is mij onverschillig.”
Zonderling, dacht Wije bij het heengaan, als de zaken maar marcheeren wordt de lastigste chef tam!
Een week of wat later kreeg hij de boodschap[121]om ’s morgens van den volgenden dag op het kantoor te komen en te blijven bij het afsluiten der balans. Wije had daarvan slechts een vaag begrip. Zoolang hij bij de firma was geweest, herinnerde hij zich, dat telken jare de chefs, de procuratiehouder en de hoofdboekhouder zich een geheelen morgen opsloten in de chefskamer. Zij trokken er met gelegenheidsgezichten in en kwamen er met fideele gezichten uit, mompelend „’n mooi jaar!” En de employé’s, die fijne opmerkers, wisten een uur daarna elkaar precies te vertellen of het eenheelmooi, dan wel eenmatigmooi jaar was geweest. In het laatste geval toch werden zij uitgenoodigd, om met de chefs op het welzijn der firma een glas bier te drinken; in het eerste geschiedde hetzelfde, doch met champagne, en zoo er voor de tweede maal werd ingeschonken … ja, dàn bleef ook een maand extra-tractement niet uit!
En nu moest Wije tegenwoordig zijn bij[122]zulk een geheimzinnige handeling in de chefskamer, want het betrof de balans van de door hem bestuurdetoko. Wije betrapte zich, bij het binnenkomen, op het deftig plooien van zijn trekken; dat was aanstekelijk! Maar wat er binnen gebeurde viel hem tegen; daar zat nu niets maçonnieks in; het was eenvoudig beraadslagen over de sluitposten: hoeveel men mocht en kon afschrijven, zonder het winstcijfer te sterk te drukken. En hier viel niet veel te redeneeren; er was flink verdiend en er behoefde geen schijn te worden opgehouden; men kon zoo royaal te werk gaan als men verkoos. Het duurde dan ook niet lang of de boekhouder zat van zijn kladstaten de posten over te schrijven in de boeken.
„’t Is verbazend goed gegaan,” merkte de chef op, zich met Wije bij een venster opstellend, en fluisterend om den boekhouder niet te storen. „Jij komt er ook best af; en dat doet me het meeste pleizier.”[123]
„U is wel vriendelijk, meneer.”
„Ja, want toen we je in detokoplaatsten, had ik er een zwaar hoofd in. Maar zooals het nu gaat, zit er een fortuintje voor je in. Eén ding is jammer, dat de zaak weer aan Kan Liong Tjoe teruggaat zoodra wij voldaan zijn; anders kon je er best voor teekenen.”
„Zou Kan Liong Tjoe er niet uit te houden zijn? Ik bedoel, dat hij alleen de winst thuis krijgt?”
„Ik twijfel er aan. Maar ik zal er Duna eens over hooren; het zou voor ons ook veel voordeeliger en solieder zijn.”
„Meneer Duna is op reis, niet waar?”
„Ja, hij is even naar Soerabaja. Maar dat belet jou niet om te toucheeren wat je toekomt.”
„O, daar dacht ik niet eens aan,” zeide Wije.
Zij keken een tijdlang uit het raam, naar de onder hen voortbewegende drukte van[124]sappie-karren,toko-wagens en kistenpikelendeinlanders. Toen kuchte de chef en zeide:
„Van Beek komt nogal eens bij je, niet waar?” En op Wije’s bevestigend gebaar, ging hij een weinig aarzelend voort: „Ik heb hem zoo’n beetje onder mijn voogdij, naar je weet; houd me dus de vraag ten goede: Trekt hij verliefde gezichten tegen je dochter?”
„Niet dat ik weet,” antwoordde Wije, vroolijk. „Hij vertoont steeds dezelfde merkwaardige facie, die alleen verandert als hij lacht of gaapt.”
„Ik zal je zeggen waarom ik het vroeg,” zeide de chef ernstig blijvend. „De oude heer van Beek heeft van iemand—wie doet er niet toe—een zoogenaamde waarschuwing ontvangen. Hij heeft die natuurlijk aan mij gezonden … trouwens, dat is al iets heel bijzonders. Weet je hoe Hollandsche menschen gewoonlijk doen?”
„Neen …”[125]
„Wel, die met Indië te maken hebben, houden er hier één persoon op na, bij wien zij alles informeeren of door wien zij zich geregeld bericht laten zenden. Wat zij buitendien ontvangen, gaat zonder mededoogen in de voddenmand.”
„Dat is toch niet altijd verstandig!”
„Dikwijls niet, maar … Enfin, ik heb geantwoord, dat naar mijn weten, er niets van aan was. Voor de voorzichtigheid heb ik er nog bijgevoegd: en al was het zoo, dan zou je zoon den verstandigsten streek doen, die hij ooit van zijn leven kon uithalen. Ik heb het wel in andere woorden uitgedrukt, maar je begrijpt.…”
„Jawel,” zeide Wije. „Nu, ik ben zeer gevoelig voor uw opinie …”
„Ik ben klaar, meneer,” klonk het van den anderen kant der kamer, en zij braken hun gesprek af om zich weer aan de „zaken” te wijden.[126]
„Mag ik u feliciteeren, meneer,” zeide ten slotte de boekhouder. „En jou ook, Wije; je hebt het er kranig afgebracht.”
En er verscheen ook champagne, waarop de overige employé’s geïnviteerd werden. Weer stonden zij allen om Wije heen, evenals zooveel jaren geleden. Het waren op een enkel na, dezelfde gezichten, alleen wat verouderd, doch dat merkt men niet, als men met elkaar gelijk op leeft, en zij uitten hun gelukwenschen voor de toekomst, juist als toenmaals.
Toen Wije het kantoor verliet, om naar zijntokoterug te keeren, deed de chef hem uitgeleide tot aan de trap, arm in arm met hem over de monsterkamer wandelend en hem tot driemaal toe de hand schuddend op amicale wijze. Van dentoko-wagen wilde hij geen gebruik maken; hij had behoefte zijn ledematen eens flink uit te strekken. En dit deed hij, zonder te letten op den modder en de plassen, zoodat de voorbijgangers hem verbaasd[127]aankeken en snel uitweken om niet bespat te worden. Hij had het gezien, onder cijfers, wat hij voor zich reeds sedert maanden had vermoed, gezien met eigen oogen, dat hij nu geld genoeg bezat om zoo noodig onafhankelijk te kunnen leven. Op bescheiden voet, weliswaar, maar het kòn toch. En als er nog een jaar bij kwam, zoo gelukkig als het afgeloopene, dan zou hij er mee uitscheiden en naar Holland gaan; voorgoed, en daar een welverdiende rust genieten, bij een heel klein beetje werken voor eigen plezier. Het aardigste was dat niemand het kon gissen! Want hij had zijn spaarpenningen nooit bij één kantoor gelaten, doch hier een weinig,dááreen weinig, wat courante aandeeltjes in plaatselijke prauwenveeren, een paar spaarbankboekjes, en zoo voort. Maar nu werd het lastig; het bedrag dat hij dezer dagen zou toucheeren was te groot, om zoo maar te worden weggemoffeld …soedah!hij kon[128]er nog een poos over nadenken, en zelfs al vond hij er niets op, dan wasdieverlegenheid eigenlijk niet eens zoo erg.
Behoefte gevoelende zijn geluk mee te deelen aan een ander, liep hij bij Piong Pan Ho binnen. Deze was zeer verheugd dat meneer zooveeloentoenghad, en zelfs min of meer verbaasd dat detokonogzóóveelhad afgeworpen. Dat was bijna zoo goed als de losse handel, dien hij met een deel van zijn geld dreef! Als meneer wilde dan zou hij eens wat kapitaal voor hem uitzetten.
„Ik dacht,” zeide Wije, bij dit aanbod stilstaande, dat hem na zijn overlegging van even te voren niet zoo verwerpelijk scheen, „dat je zelf met je geld geen weg wist.”
Dat was zoo geweest, legde deSingkehuit, maar nu niet meer. Hij had nieuwe kanalen gevonden, en … men had hem een belegging aangewezen, die wel geen groote winsten zou geven, maar toch buitengewoon voordeelig[129]beloofde te zijn. Meneer herinnerde zich wel wat zij destijds samen besproken hadden, over diecadeaux? Nu, hij had er wil van gehad. Men was bij hem gekomen om eens poolshoogte te nemen. Bij die gelegenheid was er druk gesproken en men had hem verteld wat hij zoo al aan onroerende goederen moest kunnen aantoonen, om in aanmerking te komen voor luitenant-Chinees. Want het stond niet om enkel vlottend kapitaal te hebben, dat zàg men niet. En zoo terloops was er gepraat over een suikerfabriek in het Japarasche, die te koop was.… De vorige week had hij haar gekocht; en nu zou de zoo gewenschte benoeming wel niet lang meer uitblijven, ten minste er werd al voor gezorgd.
„En wou je mijn geld in die suikerfabriek steken?” vroeg Wije.
„Tida!” riep Piong Pan Ho; „ik zal er mee handelen; dan mag meneer er later een suikerfabriek voor koopen.”[130]
De Chinees beschouwde die suikerfabriek blijkbaar als een stuk dood kapitaal of een voorwerp van luxe; doch Wij e wilde hem niet vragen, wat hij dan onder „handel” en „serieuse zaken” verstond, uit vrees van een antwoord te zullen krijgen dat hem zou weerhouden zijn geld aan Piong Pan Ho toe te vertrouwen, vanwege het soort dier zaken. Hij beloofde dus binnen een paar dagen terug te zullen komen, zoodra hij het in detokodoor hem verdiende had ontvangen. DeSingkehvond het uitstekend en droeg hem de groeten op aan Anneke, een beleefdheid die hij nooit verzuimde sedert zij eenige dagen na Sinterklaas met haar vader was meegekomen om hem persoonlijk te bedanken.
De heer Duna was van zijn reis terug en zat bij Wije’s chef, de boeken van de Chineeschetokona te zien. In het notitieboekje dat geopend naast hem lag, schreef hij nu en dan iets op. Eindelijk sloeg hij de boeken dicht.[131]
„Wel?” vroeg de chef.
„We zijn er,” zeide Duna.
„Hoe bedoel je dat?”
„Ik zal Kan Liong Tjoe laten aanzeggen, dat hij het nog ontbrekende moet aanzuiveren.”
„Dat kan hij immers niet!”
„Dan houden we vendutie van den inventaris en de goederen. Ik zie dat die er ons juist zullen brengen. En desnoods maken we gebruik van onze hypotheek op het pand zelf.”
„Maar wat bezielt je, Duna? Dat is tegen alle afspraak.”
„Lees dan de contracten nog maar eens over.”
„Die zijn voor geval van nood.”
„Dat zie ik anders in,” zeide Duna bedaard. „We hebben die zaak geëntameerd om ons geld te redden, niet om Kan Liong Tjoe van dienst te zijn. Of denk je dat die een oogenblik zou hebben geaarzeld jou te bedriegen en schade te doen, als hij had gekund? Waarom dan consideratie gebruikt tegenover hem?”[132]
„Dat toegegeven; maar het plotseling opheffen diertokozou aan onzen afzet enorm veel kwaad doen.”
„Onzin; wat de een minder neemt, neemt de ander meer; aan de behoefte moet worden voldaan.”
„En Wije?”
„Dat is jouw zaak. Maarikmag het geld van onze instelling niet zoo lang vastzetten; dat strijdt tegen alle gezonde beginselen.”
„Nu, maar ik neem geen genoegen met die handelwijze.”
Duna haalde de schouders op, alsof hem dat volmaakt onverschillig was.
„En ik waarschuw je,” vervolgde de chef, zich opwindend, „mij niet te contrarieeren. Het zou je berouwen.”
„Al genoeg,” zeide Duna, opstaande. „Ik wil je niet overhaasten. Als de boel tegen einde Mei uit de wereld is, ben ik tevreden; dan kan ik er nog een woord over zeggen in[133]mijn verslag. Neem jij het op je om Kan Liong Tjoe aan te pakken, of zal ik het doen?”
„Doe jij het. Misschien bedenk je je nog wel. En anders, denk aan mijn waarschuwing!”
„Allright,” spotte Duna. „Bonjour!”
Het was voor Wije een harde slag, toen hij het besluit van den heer Duna vernam. De chef trachtte het hem te verzachten door de mededeeling, dat Duna zelf er niet lang plezier van zou hebben. Hij grondde deze voorspelling op den reeds genoemden brief van den ouden heer van Beek. Deze toch had gevraagd wie die mevrouw Duna was? Of haar man aan het hoofd stond van het Semarangsche kantoor dier crediet-instelling in welke hij, van Beek, verscheiden aandeelen bezat? Zoo ja, of de chef hem dan eens een en ander wilde schijven over het verband tusschen de mooie deftige verslagen en het kleine dividend van die zaak. Nu, dàt zou hij doen, dáár kon Duna op rekenen! Doch[134]Wije, ofschoon gestreeld door de warmte waarmee de chef voor hem partij trok, en ook een weinig door het uitzicht op wraak, putte uit dat alles niet veel troost. De schoone toekomst, die hij zich gedroomd had, lag in duigen. Het ergste was dat hij een betrekking zou moeten gaan zoeken, want de firma kon hem, vanwege de inkrimping die haar zaken door dit geval zouden ondergaan, niet weer als verkooper aannemen. Of men moest Terborg ontslaan; en dàt wilde hij niet. Hij besloot er maar dadelijk werk van te maken; het haastte wel niet, maar er was ook niet zoo dadelijk een vacature. De chefs, die hij er in de nu volgende weken over aansprak, beloofden allen zijn sollicitatie in het oog te zullen houden; op ’t oogenblik had niemand een plaats voor hem, maar … men kon nooit weten. Doch toen er op een paar dier kantoren werkelijk vacatures kwamen en deze werden aangevuld, zonder dat men om[135]hem scheen te denken, kreeg Wije den indruk dat men hem „aan ’t lijntje hield” met halve toezeggingen, doch dat feitelijk niemand hem plaatsen wilde. En toen hij, om daarvan zekerheid te krijgen en tevens van de redenen die de menschen tot een dusdanige handelwijze bewogen, nogmaals aanklopte, ontving hij de meest zonderlinge en voor hem onbegrijpelijke antwoorden. Men had gedacht dat hij die betrekking niet zou willen hebben, dat die andere te veel buiten zijn eigenlijke line of business lag; één had hem zelfs voor te ontwikkeld geoordeeld, om hem te kunnen aannemen als inférieur van een ander employé, die „niet erg hoog vloog!” Sommigen beweerden dat het hun speet zich vergist te hebben, een beleefdheid die anderen weer verzuimden, maar het eind van de historie bleef: geen betrekking.
Men had iets tegen hem, dat bleek hoe langer hoe meer. Maar wat? Na veel vergeefsche[136]pogingen om er achter te komen, gelukte het Wije ten slotte een der hoogstgeplaatste employé’s eener groote firma aan het spreken te krijgen. Hij vond zijn vermoeden bewaarheid. Er was destijds iets met hem gebeurd, vertelde men; het rechte wist natuurlijk niemand, doch het was niet geheel in orde met hem. En bij gebrek aan bekende feiten, sprak men eenvoudig over zijn „antecedenten.” Dat woord was door één gebruikt, en het had opgang gemaakt: iemand metzijnantecedenten wilde niemand hebben. Iedereen sprak er over, maar niemand was er verantwoordelijk voor. Telkens als Wije er een aanklampte, verklaarde de zoodanige het natuurlijk beter te weten, Wije’s antecedenten waren van de beste soort, het was onzin, laster en zoo voort. Elk afzonderlijk was hem bijzonder genegen en beloofde hem zijn steun, zoowel tot verkrijging van een betrekking als tot tegenspreken van alle mogelijke kletspraatjes …[137]doch met hun allen drongen zij hem onverbiddelijk uit hun maatschappij.
Wije worstelde wanhopig tegen, pleitte zich moe om een beschuldiging van zich af te wentelen, die … eigenlijk niet eens een beschuldiging was, om ten slotteinte zien dat zijn moeite vergeefsch was. Tot het uiterste verbitterd gaf hij het eindelijk op, allen die betrekkingen te vergeven hadden collectief voor een „vervloekten ploertenboel” uitmakend; iets wat men zich eveneens collectief aantrok, terwijl elk afzonderlijk het volkomen met hem eens beweerde te zijn.
Eindelijk werd de vendutie van detokoin de nieuwsbladen aangekondigd, en nog had Wije geen betrekking. Zelfs zijn sollicitaties naar andere plaatsen op Java, waren zonder vrucht gebleven; het scheen wel dat zijn antecedenten hem ook daarheen vooruitgeloopen waren!
Op een avond zat hij ongekleed in zijn[138]achtergalerij. Het was een uitzondering.Hij kleedde zich anders altijd; maar vandaag had hij er geen trek in gehad; en daarbij kwam dat Anneke uit was, en eerst in den naävond zou terugkomen. Voor wien zou hij zich dus kleeden? Hij gaapte eens, ten bewijze dat de rest van het menschdom hem geheel onverschillig was.
Er kraakte een voetstap in de grind van het voorerf. Wije hoorde het, door de aan beide zijden der binnengalerij openstaande deuren. Hij trok de schouders op en strekte zich behagelijk uit in zijn luierstoel, zoodat de verlengstukken, waarop zijn beenen lagen, zwiepten en een kreunend geluid gaven; hij dacht er niet aan te ontvangen, maar zou belet geven. Wel zeker,dieweelde kon hij zich nog veroorlooven!
Doch er volgde geensapada-geroep. Zonder zich één oogenblik te bedenken, stapte de bezoeker voort, het huis in, door de donkere[139]galerijen, recht op het licht af dat achter brandde. Wije zag verbaasd op, vooral in den laatsten tijd aan dergelijke familiariteiten niet gewoon. Even achter de deur hielden de voetstappen op en Wije bespeurde in het halfduister de omtrekken van een vrouwengestalte, die hem wenkte. Met een gevoel van ergernis en nieuwsgierigheid te gelijk, schoot hij zijn sloffen aan en voldeed aan het zwijgend verzoek. In de binnengalerij stond hij neus aan neus met mevrouw Duna, die zich weer geheel in het donker had teruggetrokken, zoodat Wije, uit het licht komend, geruimen tijd werk had eer hij haar herkende.
„Ik moet u even spreken,” zeide zij, „over zaken. Maar niemand behoeft te weten dat ik hier ben geweest. Kunnen we ergens gaan zitten?”
„Laat ons dan in mijn kantoortje gaan,” sloeg hij voor, de deur daarvan openend. Binnengekomen, sloot hij de jaloezieën en stak de lamp op.[140]
Het was een gezellig kamertje. Ongeveer een meter van den muur af stond de schrijftafel en daarboven hing de lamp, dus niet in het midden, wat al dadelijk de stijfheid der gewone Indische inrichting brak. In een hoek, schuin achter den lessenaar, was een halfronde rustbank geplaatst, waarachter een kleine draperie, gekroond door een witmarmeren beeldje op een hoekconsôle. Het verdere meubilair bestond uit stoelen en knaapjes, zóó gesteld, dat men haast overal, door de stoelen een weinig te verschikken, een zitje had. Het geheel lokte als het ware uit tot causeeren.
Mevrouw Duna nam plaats op de rustbank; en met een gebaar dat zij zacht wou spreken, drong zij Wije een stoel te kiezen, die daar vlak tegenaan stond.
„Men zegt dat u overal rondloopt om een betrekking,” begon zij; „is dat waar?”
„Hm …” deed Wije verlegen.
„Wat belet u om op die vendutie alles op[141]te koopen en de zaak eenvoudig voort te zetten?”
Hij schrok ervan. Het was iets waaraan hij in ’t geheel nog niet gedacht had, en het imponeerde hem dit denkbeeld, dat zoo stout maar tevens zoo zakelijk was, door een vrouw te hooren opwerpen.
„Ik heb niet zooveel geld,” zeide hij. „En denkt u dat zij, die mij niet eens een betrekking willen geven, mij kapitaal zouden toevertrouwen?”
„Ja, daar heb ik van gehoord,” zeide zij, antwoord gevend op het laatste deel van zijn gezegde. „Die mannen meenen gewoonlijk dat zij de wijsheid in pacht hebben, doch ze zijn met hun allen één groote domheid. Wat de een den ander niet kan nadoen deugt niet. Maarsoedah, je sprak over geld … Je begrijpt wel dat ik hier niet ben gekomen enkel om een praatje te maken?”
Of hij dat begreep! Men had haar slechts[142]aan te zien, om te weten dat zij steeds met een doel sprak of handelde.
„Ik zou het niet durven veronderstellen,” zeide hij, met iets ondeugends in zijn blik.
„Doe het dan ook niet,” zeide zij kort.
„Ik wil in dietokoje compagnon zijn. Denk daar eens over na, en vertel me dan hoeveel geld je zelf kunt bijbrengen en hoeveel je schat dat er noodig is om alles op te koopen.”
Hij noemde een bedrag van tachtigduizend gulden, als zijn schatting van de opbrengst der vendutie, en meende daarvan zelf ongeveer de helft te kunnen voldoen. Het scheen haar mee te vallen.
„Er zal nog wel wat meer noodig zijn?” informeerde zij. „Men moet toch voor de loopende uitgaven wat hebben!”
„Dat is zooveel niet,” zeide Wije. „De verkoop is hoofdzakelijk à contant, terwijl de inkoop op crediet gaat.”
„Zou je dat krijgen?”[143]
„Bij onze firma natuurlijk,” meende hij, „en die is de voornaamste. Maar er is iets anders dat ik mij afvraag: het tokogebouw is van Kan Liong Tjoe, zal hij het willen verhuren?”
„Kom, daar moet je maar voor zorgen. En nu, de tijd is kort; om alles in orde te brengen mag je geen dag verliezen, dus er moet dadelijk beslist worden; neem je mij aan als stille vennoot?”
Wije aarzelde. Zooeven had hij gesproken alsof de zaak reeds beklonken was, maar nu schoot het hem plotseling in, dat het toch een malle verhouding gaf. Hij wist, evenals iedereen, dat zij buiten haar man om „scharrelde” en dat deze haar daarin alle vrijheid liet, maar de zaak die zij thans wilde beginnen, behoorde tot een andere categorie als die welke zij tot hiertoe gedreven had. Zij sprak van een stille vennootschap, doch zou men die geheim kunnen houden? Het was heel[144]moeielijk. Men moest elkaar meer dan gewoonlijk ontmoeten om de zaken te bespreken, en dat kon niet altijd wachten op een gelegenheid als die zij heden avond blijkbaar met opzet had gekozen. En zoo het uitkwam, wat dan? Men zou hem uitlachen; nu, dat was minder, hij zou zich daaraan niet storen, dat deed hij reeds lang niet meer. Doch ook Duna, en die wel in de eerste plaats, zou de risée worden van de stad, ja bij de eigenaardige snelheid der Indische faam, van geheel Java. En dan sprak het wel vanzelf, dat hij in zijn qualiteit als echtgenoot den boel in de war zou sturen en afbreken. Neen, ’t was te gek om met de vrouw van een ander zaken te doen; dat mocht over twintig jaar kunnen gebeuren, als de getrouwde vrouw wederom zal hersteld zijn in de positie die zij in den lateren Romeinschen keizertijd bekleedde, nù ging het niet. Toch, aan den anderen kant, was het aanbod voor hem erg aanlokkelijk.[145]
Hij begon zijn bezwaren op te sommen.
„Bah,” zeide zij, na eenigen tijd te hebben geluisterd, „wat geef ik daarom? Ik wil het stilhouden, omdat het niemand aangaat. Maar anders kon het mij niet schelen.”
„Alles goed en wel,” zeide Wije, „maar uw man?”
„Duna doet als de rest; hij werkt voor anderen en weet voor zichzelf niet meer te verdienen dan zijn levensonderhoud; hij mag dus blij zijn als zijn vrouw weet op te leggen; en dat is hij ook, want hij geniet van het voordeel dat ik hem bezorg, zonder ooit te vragen hoe ik dat doe. Maak je niet ongerust; als ik er je plezier mee kan doen, zal ik het hem mededeelen, zoodra we een poos aan den gang zijn.”
„En als hij het dan afbreekt?”
„Dat zal hij niet, dat durft hij niet! Of voor wat zie je mij aan? Denk je datikin mijn schulp kruip voor een boos gezicht van[146]’n man? Hoor eens, als je zakelijke bezwaren hebt, zeg het dan, maar kom niet met zulk een onzin voor den dag. Ik had dien niet van je verwacht. Juist omdat ze allen zoo tegen je zijn, dacht ik dat je wel een uitzondering zou maken op den regel. Neen … ik wil me niet vergist hebben. Hier, sla toe!”
Zij was onder het spreken opgestaan, de woorden hoe langer hoe hartstochtelijker uitstootende. Het koele en onvoldane dat haar gelaat kenmerkte was als weggevaagd, haar oogen openden zich wijder, een kleur steeg haar naar de wangen, en toen zij de hand uitstrekte en Wije die onwillekeurig aanvatte, las hij in haar oogen, duidelijker dan woorden het hadden kunnen uitdrukken dat die vrouw, die nog mooi kon zijn als zij wilde, behalve haar geld ook nog iets anders wou inbrengen in de compagnieschap en dat het de vraag was voor welke gedeelte van haar doel zij zich het sterkst beijverde.[147]
Het plotselinge daarvan verraste hem en overmeesterde hem.
Toen zij wegging was de zaak op alle punten besproken en beklonken. Wije bleef achter met een gevoel van herlevende energie en groote dankbaarheid. ’t Was toch zonderling, vond hij, dat een vrouw van dien leeftijd nog zulk een invloed kon uitoefenen. Hij schreef het toe aan de omstandigheid dat zij een volbloed-Europeesche was. Van een indische verwachtte men, misschien zeer ten onrechte, veel eerder toenadering en stelde die daarom minder op prijs. Doch een Europeesche was opgevoed en zoo vastgeroest in begrippen van uiterlijk fatsoen, dat dit haar ophield zelfs wanneer iets beters ontbrak. Als die uit den band sprong was dat iets nieuws, iets zeldzaams; dan zag men over een jaar of wat gemakkelijk heen.
Aan tafel verbaasde hij den bediende door een paar maal hardop te lachen in zijn eentje, en na den eten ging hij weer in zijn luierstoel[148]liggen na-mijmeren, zich vragen stellende, hoe dat idee toch in haar hoofd was opgekomen, of zij het een wilde om het ander, dan wel het ander om het een, waarom zij daar vóór dezen nooit iets van had laten blijken, en zoo voort. Daarna fantaseerde hij over de toekomst; in detokozou een kantoortje worden aangebouwd, dat gesloten kon worden; dáár zou zij komen om over zaken te spreken, ’s middags; dáár zou hij als chef troonen en geld verdienen nu ook voor zich, twee zeer aangename bezigheden.
Het rijtuig reed uit de wagenkamer. Het was tien uur; Anneke moest worden gehaald. Anneke! Hij kleurde als een schooljongen bij de gedachte aan zijn dochter. Welk een gezicht zou zij trekken als zij het vernam! Dat kon toch niet uitblijven; in Indië houdt men dergelijke zaken niet geheim. Wat zou zij zeggen, met het oog op de lessen die hij haar placht te geven? Niet dat hij haar al te strenge begrippen had ingeprent, maar toch, een waarschuwing[149]nu en dan, een afkeuring van wat met fatsoen en moraal in strijd was, had hij wel laten hooren en daarbij zichzelf steeds op een tamelijk hoog standpunt geplaatst. En nu? Foei, wat was het warm, men kon nauwelijks nadenken! Enfin, misschien werd het wel niet bekend, althans niet zóó dat Anneke het vernam; men kon daartegen maatregelen nemen, bijvoorbeeld dekabajaverwisselen, die erg gekreukt was en een geur afgaf die sterk deed denken aan de parfum … wat drommel, zijn kantoortje kon er ook naar rieken! Hij sprong op om er de jaloezieën weer open te gooien en ging toen in zijn slaapkamer, waar hij zich in overmaat van zorg ook de handen waschte.
De chef schudde het hoofd, toen Wije hem zijn plan meedeelde en vroeg om crediet voor latere inkoopen.
„Ik zou het je gaarne gunnen,” zeide hij, „en misschien ware het ook wel in ons eigen belang, maar het gaat niet. Het crediet heeft[150]zijn vaste regels, zijn oude traditie, en daarvan wijkt men niet af. Wij hebben nooit aan een Europeaan crediet gegeven.”
„Maar meneer,” betoogde Wije, „we beginnen met een geheelen voorraad als het ware contant te koopen, waarmee niet veel minder dan een ton gemoeid is. Welke Chinees doet dat?”
„Dat is waar, en toch … ik twijfel er aan of de Javabank je accepten zou discompteeren. Maar kan je de zaak niet op naam van een solieden Chinees drijven?”
„Jawel, maar het is voor mij niet aangenaam. Zoudt u aan Kan Liong Tjoe, als hij detokoweer opnam, crediet geven?”
„O zeker.”
„’t Is sterk!” riep Wije uit.
„Die compagnon van je … is dat geen Chinees?”
„Neen meneer,” zeide Wije, lachend zijns ondanks. „Doch als het moet, zal ik wel een[151]solieden Chinees opduikelen. Er zijn er genoeg,” spotte hij, „die pas over den kop zijn geweest.”
De chef lachte erom; hij vond de woorden van zijn ex-verkooper geestig en raak; dat nam niet weg dat hij bleef bij wat hij gezegd had; alleen zou hij terwille van Wije, dien hij vertrouwde en kende, iets door de vingers zien wat betrof den te kiezen Chineeschen strooman. Maar Wije, in zijn hart spijtig over de positie waarin de bekrompenheid van zijn chef hem ging plaatsen, beloofde, nu in ernst, met een heel solieden Chinees voor den dag te zullen komen. Hij had daarbij het oog op Piong Pan Ho, die het hem niet zou weigeren. Op weg naar dezen, bedacht hij echter, dat het zaak zou zijn eerst Kan Liong Tjoe op te zoeken en te spreken over de huur van het tokogebouw. Eigenlijk hadhijhiermee wel mogen beginnen, doch hij was niet ontsnapt aan de zucht die de meeste menschen onaangename zaken tot het laatst doet uitstellen.[152]Hoe dichter hij de woning van denBabahnaderde, des te sterker werd zijn voorgevoel, dat hem reeds gister een oogenblik had bevangen en hem zeide dat die man zijn plannen zou contrarieeren, om zich te wreken over de behandeling hem destijds in detokoaangedaan.
Kan Liong Tjoe dacht echter niet meer aan die kleinigheid. De streek hem door Duna gespeeld, hield zijn geest geheel alleen bezig en hij beschuldigde allen die tot de beide firma’s behoorden, van medeplichtigheid. Voor ’t eerst van zijn leven zag Wije een Chinees in allen ernst boos. Vóór hem staande, zonder de minste deferentie voor den Europeaan, schold hij de beide chefs voor dieven en oplichters, zich heesch pratend, den mond wijd open, met de handen kletsend op zijn dijen en andere vleezige gedeelten. Nooit zou hij weer een Europeaan vertrouwen en in zijntoko, waarin reeds zijn vader[153]had gewerkt, wilde hij er geen dulden. Zoodra hij die weer in zijn macht had, zou hij haar laten uitrooken om den peststank te verdrijven, dien dat gespuis er in gebracht had … Het was Wije bijna niet mogelijk aan het woord te komen, zóó raasde de Chinees voort. Inziende dat hij tot geen kalme bespreking kon komen, vertrok hij.
In detokoriep hij de bedienden bijeen en na hun de zaak te hebben uitgelegd, hun voorhoudend dat het ook in hun belang was zoo de zaak werd voortgezet, droeg hij hun op dien avond Kan Liong Tjoe te bepraten. Doch den volgenden morgen berichtten zij hem, dat deBabahniet te bewegen was. Het stond op hun gezichten te lezen dat zij er zelf grooten spijt van hadden, en een hunner opperde het denkbeeld om detokoergens anders te vestigen; zij wilden gaarne met meneer meegaan, dien zij hadden leeren kennen als een goed enpinterchef. Maar[154]daar viel niet aan te denken. Het verlies van het gebouw nam het cachet van de zaak. Wije, in een andere lokaliteit eentokoopenende, zou voor een Europeeschtoko-houderworden aangezien, de klandizie zou daarmee geheel veranderen, geen inlander zou zijn inkoopen daar komen doen, en ook verscheiden Europeanen zouden er niet meer koopen wat zij nu eenmaal gewoon waren in een Chineeschetokote halen. Men stuurde thans naar detokovan Kan Liong Tjoe; of die er niet langer in was deed niets ter zake; de loop was er heen, en zou niet ophouden voordat de deur gesloten was; dan echter zou zich de stroom verdeelen, doch dien te leiden was ondoenlijk. Het besluit van Kan Liong Tjoe beteekende voor Wije het niet doorgaan van zijn plan, dat hoe jong nog, hem reeds gansch had ingepalmd. En dan het malle figuur tegenover mevrouw Duna! Er was intusschen niets aan te veranderen, dus schreef[155]hij haar een kort briefje, haar verzoekend dien middag in detokote komen.
Zij kwam en luisterde aandachtig naar zijn verslag.
„Waar woont die Chinees?” vroeg zij toen hij had uitgesproken.
„Hoe, je wilt toch niet zelf.…?”
„Natuurlijk. Waar woont hij?”
Hij duidde het haar uit, aarzelend.
„Zal ik meegaan?” vroeg hij ten slotte, doch zij schudde het hoofd, opstaande en zich met vluggen, veerkrachtigen stap naar haar rijtuig begevend.
Wije bleef achter; zijn wenkbrauwen omhoog, de wangen opblazend, ging hij weer naar zijn lessenaar. Hij had haar eergister een kranige vrouw gevonden en hij zou bij die opinie blijven zoolang zij uitsluitend tegenover hem haar beradenheid toonde, doch als zij deed, wat hij vermoedde dat zij van plan was te doen om Kan Liong Tjoe tot andere gedachten[156]te brengen … dan verspeelde zij zijn achting ten eenenmale. Dan, meende hij, was het geen voorkeur die haar bewogen had hem een gunst te schenken, maar koele berekening; dan sloot zij eenvoudig een koopen payant de sa personne, en dat was gemeen, ten minste als het buiten hem omging.
Na betrekkelijk korten tijd kwam zij terug en Wije herademde toen hij aan haar gezicht zag dat zij niet geslaagd was.
„Die vent is krankzinnig,” riep zij uit. „Hij loopt den geheelen dag te schelden en te mopperen. Ik heb een inlander uitgehoord, die voor zijn huis den weg stond te begieten. Had je ’t niet bemerkt?”
„Neen,” verklaarde Wije; „wel dat hij erg opgewonden was, toenikmet hem sprak …”
„Nu, zoo is hij den geheelen dag. Ik ben maar een oogenblik bij hem gebleven; er viel niet te onderhandelen. Maar, wat nu gedaan?”[157]
„Niets,” zeide Wije; „het sprookje is uit.”
„En wat ga jij beginnen?”
„Ik … wacht totdat de vendutie is afgeloopen en dan ga ik weg.”
„Weg? Waarheen?”
„Naar Holland. Hier kan ik niet leven van ’t geen ik heb, en ik krijg er toch niets bij; misschien lukt me dat ginds beter, en zoo niet, dan is het daar toch altijd aangenamer wonen.”
„Doe het niet,” raadde zij, „het zou je tegenvallen, zooals het iedereen tegenvalt, die hier gewend is. Luister eens, nu ik mijn geld toch niet in dietokokan zetten, moet ik er meer huizen bijkoopen. Want aan een Bank vertrouw ik het niet toe, dàt laat ik aan jelui over. En ik kan als vrouw zoo moeilijk voor al die dingen zorgen, vooral als er meer bijkomt. Wil jij de administratie daarvan op je nemen? ’t Is wel geen lucratieve betrekking, maar voor bijverdienste toch altijd voldoende. Dan kun je tevens hier blijven.”[158]
„Voorloopig kan ik het wel aannemen,” zeide Wije. „Als ik het niet kan volhouden, is daarvoor licht iemand anders te vinden. Ik zal echter moeten verhuizen naar een goedkooper woning.”
Zij had er een voor hem, in een der dwarslanen die op den Bodjongweg uitkomen; daar kon hij intrekken en voor zijn administratie het paviljoentje inrichten, dat een aparten uitgang had op eenkampong-pad.
De vendutie van detokoKan Liong Tjoe had reeds lang te voren de aandacht getrokken. Een zoo groote partij goederen, berekende men, ineens op publieke veiling, moest noodzakelijk goedkoop gaan; en men nam zich voor zijn slag te slaan, terwijl men andere inkoopen zooveel mogelijk uitstelde. Maar juist doordat iedereen dezelfde berekening had gemaakt, liep het druk en joeg men elkaar op, zoodat de opbrengst de taxatie ruim overtrof. Toen het afgeloopen was, werden de deuren gesloten,[159]om in langen tijd niet weer open te gaan.
Wije werkte eenige dagen mede op het kantoor der firma, ten einde de finale afrekening op te maken; toen kwam het oogenblik dat de chef hem met iets weemoedigs in zijn blik, de hand reikte tot afscheid. Geen van beiden sprak een woord en even zwijgend stonden de employé’s aan den uitgang der monsterkamer.
„Bonjourkerels,” zeide Wije, toen hij den laatsten de hand drukte, en met brandende oogen liep hij de trap af. Beneden gaf hij een ontkennenden wenk aan den koetsier van dentoko-wagen en stapte haastig voort met eenigszins gebogen hoofd. Op den Bodjong-weg gekomen, verminderde hij zijn vaart, den kant van den weg houdend, in de schaduw, den voet af en toe hoog opheffend en wijd neerzettend om over een zonneplek te stappen alsof het een plas water was.[160]