[Inhoud]XI.XI.NOG EEN PAAR AANBIDDERS.Anneke ging zich kleeden en Wije ondernam den tocht naar de badkamer. Het was toen nog geen zes uur, maar eer hij geheel gekleed was, werd het nagenoeg zeven uur. Want na den dood zijner vrouw was Wije in zijn slechte gewoonte van vroeger vervallen, om gedurende het aankleeden verbazend te treuzelen. Eigenlijk vóór het aankleeden, want dan liep hij heen en weer in zijn slaapkamer, palen afstands, soms hardop redeneerende, doch steeds in nadenken over eenig onderwerp dat hem in den loop van den dag of vroeger getroffen had, dit uitwerkend[250]tot hij ermee gereed was, of plotseling door zijn klok gewaarschuwd werd dat de tijd niet stilstond. De minuten die overbleven besteedde hij aan een haastig toilet.Daarna las hij de courant, tenzij er visite kwam, en week in zoover af van zijn vroegere gewoonte, dat hij al wat daarin interessant voorkwam, aan Anneke voorlas. Aan tafel openbaarde zich het resultaat van zijn overpeinzingen, ten minste als hij tot een conclusie had kunnen komen; en voorzeker was het voor Anneke leerzaam en ontwikkelend om hem aan te hooren.Zij had intusschen minder tijd noodig dan haar vader; zelfs heden, ofschoon zij bijna een kwartier verbeuzelde om het roode armbandje van Piong Pan Ho, met een tusschenvoegsel van andere kraaltjes, zoo te vermaken dat het wijd genoeg werd haar pols te omspannen. Toen zij ermee gereed was, verliet zij haar kamer, benieuwd of deSingkehhet herkennen zou.[251]Uit gewoonte wilde zij eerst het voorerf opgaan, doch zich bedenkend, draaide zij om in de binnengalerij en liep naar achter, onderweg een paarpisangsmedenemende voor de paarden. De stal was geheel aan het uiteinde der bijgebouwen. Daar staande, terwijl de vriendelijke dieren haar nog dankbaar voor de lekkernij besnuffelden en zij hen streelde, zag zij plotseling aan den voet van de grens-paggerverderop, iets wits. Zeker een doek of een stuk goed, dat daar te drogen had gehangen, er afgewaaid was, en door de bedienden vergeten!Vlug wipte zij er heen, maar toen zij de plaats bereikt had uitte zij een klein gilletje. Gehurkt op den grond, achter een plekje waar de pagger minder dicht begroeid was, zat een Europeaan, die nu verrast oprees. Blijkbaar had hij haar bespied. Dit en het feit dat zij even geschrikt was, riep een toornigen blos op haar wangen te voorschijn.[252]„Djonkok’t1u zoo graag, of durfde u niet over depaggerheen kijken?” vroeg zij verontwaardigd.„Hè …?” deed hij, onbeleefd, de door haar gebruikte woorden niet verstaande. „U is zeker de jongejuffrouw Wije.”„Ja,” erkende zij, vreemd ophoorend van de betiteling, die in Indië gemeenlijk door „non,” vervangen wordt of bij meisjes van Anneke’s leeftijd en ontwikkeling reeds door juffrouw. „Wie is u?”„Ik ben van Beek.”„O!” was de uitroep, waaraan de ander bij het noemen van zijn naam zelden ontsnapte. „Toen u bij papa een visite maakte, was ik niet thuis,” liet zij er op volgen. „Maar waarom loerde u zoo, en hoe komt u hier?”„Ik woon hier in het paviljoen, en ik keek … naar u,” biechtte hij zijns ondanks.[253]„Nette manieren! Verbeelje dat een der bedienden het gezien had!”„Ik … was bang dat u weg zou loopen,” stotterde hij, „en ik vond dat u zulk mooi haar had.”Er moest een wondere kracht in die zwarte oogen schuilen, dat zij van Beek een niet al te slecht verzonnen uitvlucht en een direct compliment—het eerste van zijn leven!—ontlokken konden.Anneke was gevleid en daarmee haar boosheid verdwenen. Coquet wendde zij haar hoofd af, als zag zij iets in de achtergalerij, en liet hem een oogenblik gelegenheid den rijken tooi van donkere zacht krullende lokken van nabij te bewonderen, doch spoedig daarop tintelde er iets guitigs in haar blik.„’t Is niet allemaal echt,” zeide zij.Dadelijk stak hij zijn armen over depagger; en eer zij er op bedacht was, haalde hij met de eene hand haar hoofd naar zich toe, terwijl[254]hij met de andere aan haar haren trok.Pats! volgde een klap op zijn gezicht, die zich weldra rood afteekende op den bleeken achtergrond van zijn wang. Van Beek tuimelde eenige passen achteruit onder het uiten van een zeer onridderlijk scheldwoord, en half bukkende, scheen hij naar een voorwerp te zoeken waarmee hij kon gooien. Anneke begreep zijn bedoeling en het ongehoorde daarvan deed al haar gevoelens wijken voor een plotselingen machtig opkomenden spotlust.„Nero, Nero, Nero!” riep zij in de handen klappende, maar zonder van depaggerte wijken. „Kom hier; pak ze! Kss, kss, kss!”En van Beek, zich geen tijd gunnende om te zien, zette het op een loopen naar zijn paviljoen, achtervolgd door den helderen lach van het meisje.Een kwartier later opende hij voorzichtig de deur en sloop naar het hoofdgebouw. In de voorgalerij was visite, die hij niet had hooren[255]komen—anders zou hij achtergebleven zijn—maar waar hij nu midden in viel. De zelfs eenigszins gezwollen vlek op zijn wang lokte een vraag uit van den chef, en van Beek wist niet beter te doen dan een getrouw verhaal te geven van het gebeurde. Tot zijn eer moet gezegd worden dat hij van de waarheid niet afweek, doch hij meende dat een dergelijke handeling van een meisje op zichzelf al afkeurenswaard genoeg was.„Iedereen probeert mij wat wijs te maken, en dat laat ik mij niet langer doen,” eindigde hij, terwijl de aanwezigen elkaar nauwelijks durfden aanzien.„Heeft Wije tegenwoordig een hond?” vroeg de gastheer aan zijn vrouw.„Welneen,” antwoordde zij, onder algemeen gelach.„Had ik dat geweten!” was de uitroep die de vroolijkheid ten top deed stijgen.Piong Pan Ho was prompt op zijn tijd gekomen,[256]uitgedoscht in een nieuw pak, van kleur en model echter gelijk aan dat waarmee hij ruim zes jaar geleden aan wal gestapt was; alleen waren de toenmalige beenen knoopen thans vervangen door de sierlijke tresjes, die menkantjing-tjinanoemt, en waaraan losse knopjes zaten uit edel metaal vervaardigd.Anneke, gewoon de gasten haars vaders de hand toe te steken, maakte met denSingkehgeen onderscheid. Daardoor viel diens blik op het versierseltje dat zij droeg; het onmiddellijk herkennende, streelde hij even haar arm en barstte los in een woordenvloed die zijn hooge emotie te kennen gaf. Het meisje was schooner dan de schoonste bloem, betuigde hij, en haar hart van goud en edelsteenen, waarin hij binnen weinige dagen het prul dat zij alleen had aangedaan om vriendelijk te zijn jegens hem, den schurftigen hond, hoopte om te zetten.…Wije wist er eindelijk lachende een eind aan te maken en Anneke retireerde zich,[257]doodverlegen door het effect dat zij niet had kunnen voorzien.„Heeft meneer deel in de firma waarbij hij werkt?” vroeg deSingkeh, toen beiden wederom gezeten waren.„Neen,” zeide Wije.„Waar werkt u dan voor?”„Voor tractement.”„Dat hadden ze mij verteld,” zeide Piong Pan Ho. „Maar als de firma groote winsten maakt, krijgt u dan niets daarvan?”„Niets hoegenaamd.”„En de verliezen?”„Gaan mij ook niet aan.”„Dan begrijp ik niet waarom u zoo hard werkt. Andere heeren verkoopen niet half zooveel als u.”„Toch wel,” zeide Wije, het moeilijk vindende om in ’t Maleisch, aan een Chinees, uit te leggen welke innerlijke hoedanigheden een ondergeschikte aanspoorden om zijn best te doen, zelfs al was de uitslag daarvan voor[258]hemzelf, wat het financieele betrof, onverschillig.Abstractakomen in een onderhoud tusschen Europeaan en Aziaat zóó zelden voor, dat nagenoeg niemand ze kent.Wije behielp zich met de verklaring dat uit hetati, het hart, allerlei goede daden kunnen voortkomen, onder anderen medelijden, de zucht om iemand te helpen en zooveel meer. Had niet zijn toehoorder zelf zooeven blijken gegeven een goedatite bezitten?Ja, dat begreep Piong Pan Ho. Men kon dankbaar zijn en aangedaan tegenover iemand, vooral als dat een beeldig mooi meisje was; maar in zaken, in den handel … neen, dat ging hem te hoog! Werken deed niemand zonder loon; hoe harder werk, hoe hooger verdienste; daar had eenatiniet mee te maken.Soedah, hij wist echter ongeveer wat hij weten wilde. Nog één vraag slechts.„Waar bewaart meneer het geld dat hij overhoudt?”[259]„Bij de Bank.”„Dus kan het meneer volstrekt geen kwaad, als een groote klant van de firma failleert?”„Neen,” zeide Wije, maar plotseling opmerkzaam. Hij had het tot nu toe gevoerde gesprek voor een der gewone praatjes gehouden, die altijd aan de zaak waarvoor een Chinees komt, voorafgaan. Nu echter begon hij het vermoeden te krijgen, dat dezeSingkeh, bij uitzondering, in eens met de hoofdquaestie begonnen was.„Ik kon het meneer van morgen niet zeggen,” ging Piong Pan Ho voort, „omdat Kan Liong Tjoe bij mij was, vlak achter detoko, en het zou gehoord hebben.”„Kan Liong Tjoe,” riep Wije verschrikt uit. „Die zal toch niet …?”„Ja, meneer; morgen. Ik had hem eenigen tijd kunnen ophouden; dat kwam hij vragen. Maar het is voor mij erg gewaagd; en nu het u geen kwaad kan, laat ik hem liever vallen.”[260]Wije staarde den gewezenklontongmet groote oogen aan, terwijl allerlei gedachten zijn hoofd doorkruisten. Wie was die man, die daar naar willekeur beschikte over het lot van een firma als Kan Liong Tjoe? De grootste, de voornaamste uit het geheele Chineesche kamp, en wiens val een verschrikkelijken nasleep zou hebben! Ook zijn firma zou er onder lijden … en deze gedachte verdrong de anderen. Toen begon hij te pleiten.Piong Pan Ho vatte er niets van. Hoe kon iemand zich zoo opwinden voor een vreemde zaak, aan welke hij niets verschuldigd was, welker winst of verlies hem niet raakte? En er voor spreken als gold het hemzelf? Dat kwam zeker weer uit dat fameuseati! Jawel, daar gebruikte Wije het woord alweer. Hij begon het te beschouwen als een ziekte, een hinderlijk ding, dat op den duur allen handel in den weg moest staan. Misschien was het iets waaraan men verslaafd raakte, als aan de[261]opium. Het loste zich op in woorden, in volzinnen, die hij niet verstond en omzichtig beantwoordde, maar toch zóó dat Wije ten laatste inzag dat het neerkwam op verschil in principes, waaromtrent zij elkaar niet verstonden. Zij hadden evengoed uren tot elkaar kunnen blijven doorspreken, maar dan ieder in zijn eigen taal, zonder schade voor het resultaat.En dit bleef een weigering van denSingkehom iets voor zijn landgenoot en daardoor indirect voor Wije’s firma te doen. Des ondanks was Wije hem dankbaar, bespeurende dat Piong Pan Ho van zijn standpunt uit, met dit bezoek blijken gaf hem boven allen, ja boven zijn eigen handelsbelangen te stellen.„Mag ik mijn chef van avond nog waarschuwen?” vroeg hij.„Als u niet zegt dat ik hier geweest ben, ja.”Met een hartelijken handdruk verliet Piong Pan Ho de voorgalerij, en Wije oogde hem na, tot hij verdwenen was in het duister van[262]den weg. Toen riep hij om spoedig het eten te laten opdragen, berekenende dat zijn chef nog aan tafel moest zitten, waarbij hij hem niet wilde overvallen.„Houd je van avond zelf maar wat bezig,” zeide hij tot Anneke. „Ik moet hiernaast zijn en weet niet hoe lang het duren zal.”[263]1Hurken.↑
[Inhoud]XI.XI.NOG EEN PAAR AANBIDDERS.Anneke ging zich kleeden en Wije ondernam den tocht naar de badkamer. Het was toen nog geen zes uur, maar eer hij geheel gekleed was, werd het nagenoeg zeven uur. Want na den dood zijner vrouw was Wije in zijn slechte gewoonte van vroeger vervallen, om gedurende het aankleeden verbazend te treuzelen. Eigenlijk vóór het aankleeden, want dan liep hij heen en weer in zijn slaapkamer, palen afstands, soms hardop redeneerende, doch steeds in nadenken over eenig onderwerp dat hem in den loop van den dag of vroeger getroffen had, dit uitwerkend[250]tot hij ermee gereed was, of plotseling door zijn klok gewaarschuwd werd dat de tijd niet stilstond. De minuten die overbleven besteedde hij aan een haastig toilet.Daarna las hij de courant, tenzij er visite kwam, en week in zoover af van zijn vroegere gewoonte, dat hij al wat daarin interessant voorkwam, aan Anneke voorlas. Aan tafel openbaarde zich het resultaat van zijn overpeinzingen, ten minste als hij tot een conclusie had kunnen komen; en voorzeker was het voor Anneke leerzaam en ontwikkelend om hem aan te hooren.Zij had intusschen minder tijd noodig dan haar vader; zelfs heden, ofschoon zij bijna een kwartier verbeuzelde om het roode armbandje van Piong Pan Ho, met een tusschenvoegsel van andere kraaltjes, zoo te vermaken dat het wijd genoeg werd haar pols te omspannen. Toen zij ermee gereed was, verliet zij haar kamer, benieuwd of deSingkehhet herkennen zou.[251]Uit gewoonte wilde zij eerst het voorerf opgaan, doch zich bedenkend, draaide zij om in de binnengalerij en liep naar achter, onderweg een paarpisangsmedenemende voor de paarden. De stal was geheel aan het uiteinde der bijgebouwen. Daar staande, terwijl de vriendelijke dieren haar nog dankbaar voor de lekkernij besnuffelden en zij hen streelde, zag zij plotseling aan den voet van de grens-paggerverderop, iets wits. Zeker een doek of een stuk goed, dat daar te drogen had gehangen, er afgewaaid was, en door de bedienden vergeten!Vlug wipte zij er heen, maar toen zij de plaats bereikt had uitte zij een klein gilletje. Gehurkt op den grond, achter een plekje waar de pagger minder dicht begroeid was, zat een Europeaan, die nu verrast oprees. Blijkbaar had hij haar bespied. Dit en het feit dat zij even geschrikt was, riep een toornigen blos op haar wangen te voorschijn.[252]„Djonkok’t1u zoo graag, of durfde u niet over depaggerheen kijken?” vroeg zij verontwaardigd.„Hè …?” deed hij, onbeleefd, de door haar gebruikte woorden niet verstaande. „U is zeker de jongejuffrouw Wije.”„Ja,” erkende zij, vreemd ophoorend van de betiteling, die in Indië gemeenlijk door „non,” vervangen wordt of bij meisjes van Anneke’s leeftijd en ontwikkeling reeds door juffrouw. „Wie is u?”„Ik ben van Beek.”„O!” was de uitroep, waaraan de ander bij het noemen van zijn naam zelden ontsnapte. „Toen u bij papa een visite maakte, was ik niet thuis,” liet zij er op volgen. „Maar waarom loerde u zoo, en hoe komt u hier?”„Ik woon hier in het paviljoen, en ik keek … naar u,” biechtte hij zijns ondanks.[253]„Nette manieren! Verbeelje dat een der bedienden het gezien had!”„Ik … was bang dat u weg zou loopen,” stotterde hij, „en ik vond dat u zulk mooi haar had.”Er moest een wondere kracht in die zwarte oogen schuilen, dat zij van Beek een niet al te slecht verzonnen uitvlucht en een direct compliment—het eerste van zijn leven!—ontlokken konden.Anneke was gevleid en daarmee haar boosheid verdwenen. Coquet wendde zij haar hoofd af, als zag zij iets in de achtergalerij, en liet hem een oogenblik gelegenheid den rijken tooi van donkere zacht krullende lokken van nabij te bewonderen, doch spoedig daarop tintelde er iets guitigs in haar blik.„’t Is niet allemaal echt,” zeide zij.Dadelijk stak hij zijn armen over depagger; en eer zij er op bedacht was, haalde hij met de eene hand haar hoofd naar zich toe, terwijl[254]hij met de andere aan haar haren trok.Pats! volgde een klap op zijn gezicht, die zich weldra rood afteekende op den bleeken achtergrond van zijn wang. Van Beek tuimelde eenige passen achteruit onder het uiten van een zeer onridderlijk scheldwoord, en half bukkende, scheen hij naar een voorwerp te zoeken waarmee hij kon gooien. Anneke begreep zijn bedoeling en het ongehoorde daarvan deed al haar gevoelens wijken voor een plotselingen machtig opkomenden spotlust.„Nero, Nero, Nero!” riep zij in de handen klappende, maar zonder van depaggerte wijken. „Kom hier; pak ze! Kss, kss, kss!”En van Beek, zich geen tijd gunnende om te zien, zette het op een loopen naar zijn paviljoen, achtervolgd door den helderen lach van het meisje.Een kwartier later opende hij voorzichtig de deur en sloop naar het hoofdgebouw. In de voorgalerij was visite, die hij niet had hooren[255]komen—anders zou hij achtergebleven zijn—maar waar hij nu midden in viel. De zelfs eenigszins gezwollen vlek op zijn wang lokte een vraag uit van den chef, en van Beek wist niet beter te doen dan een getrouw verhaal te geven van het gebeurde. Tot zijn eer moet gezegd worden dat hij van de waarheid niet afweek, doch hij meende dat een dergelijke handeling van een meisje op zichzelf al afkeurenswaard genoeg was.„Iedereen probeert mij wat wijs te maken, en dat laat ik mij niet langer doen,” eindigde hij, terwijl de aanwezigen elkaar nauwelijks durfden aanzien.„Heeft Wije tegenwoordig een hond?” vroeg de gastheer aan zijn vrouw.„Welneen,” antwoordde zij, onder algemeen gelach.„Had ik dat geweten!” was de uitroep die de vroolijkheid ten top deed stijgen.Piong Pan Ho was prompt op zijn tijd gekomen,[256]uitgedoscht in een nieuw pak, van kleur en model echter gelijk aan dat waarmee hij ruim zes jaar geleden aan wal gestapt was; alleen waren de toenmalige beenen knoopen thans vervangen door de sierlijke tresjes, die menkantjing-tjinanoemt, en waaraan losse knopjes zaten uit edel metaal vervaardigd.Anneke, gewoon de gasten haars vaders de hand toe te steken, maakte met denSingkehgeen onderscheid. Daardoor viel diens blik op het versierseltje dat zij droeg; het onmiddellijk herkennende, streelde hij even haar arm en barstte los in een woordenvloed die zijn hooge emotie te kennen gaf. Het meisje was schooner dan de schoonste bloem, betuigde hij, en haar hart van goud en edelsteenen, waarin hij binnen weinige dagen het prul dat zij alleen had aangedaan om vriendelijk te zijn jegens hem, den schurftigen hond, hoopte om te zetten.…Wije wist er eindelijk lachende een eind aan te maken en Anneke retireerde zich,[257]doodverlegen door het effect dat zij niet had kunnen voorzien.„Heeft meneer deel in de firma waarbij hij werkt?” vroeg deSingkeh, toen beiden wederom gezeten waren.„Neen,” zeide Wije.„Waar werkt u dan voor?”„Voor tractement.”„Dat hadden ze mij verteld,” zeide Piong Pan Ho. „Maar als de firma groote winsten maakt, krijgt u dan niets daarvan?”„Niets hoegenaamd.”„En de verliezen?”„Gaan mij ook niet aan.”„Dan begrijp ik niet waarom u zoo hard werkt. Andere heeren verkoopen niet half zooveel als u.”„Toch wel,” zeide Wije, het moeilijk vindende om in ’t Maleisch, aan een Chinees, uit te leggen welke innerlijke hoedanigheden een ondergeschikte aanspoorden om zijn best te doen, zelfs al was de uitslag daarvan voor[258]hemzelf, wat het financieele betrof, onverschillig.Abstractakomen in een onderhoud tusschen Europeaan en Aziaat zóó zelden voor, dat nagenoeg niemand ze kent.Wije behielp zich met de verklaring dat uit hetati, het hart, allerlei goede daden kunnen voortkomen, onder anderen medelijden, de zucht om iemand te helpen en zooveel meer. Had niet zijn toehoorder zelf zooeven blijken gegeven een goedatite bezitten?Ja, dat begreep Piong Pan Ho. Men kon dankbaar zijn en aangedaan tegenover iemand, vooral als dat een beeldig mooi meisje was; maar in zaken, in den handel … neen, dat ging hem te hoog! Werken deed niemand zonder loon; hoe harder werk, hoe hooger verdienste; daar had eenatiniet mee te maken.Soedah, hij wist echter ongeveer wat hij weten wilde. Nog één vraag slechts.„Waar bewaart meneer het geld dat hij overhoudt?”[259]„Bij de Bank.”„Dus kan het meneer volstrekt geen kwaad, als een groote klant van de firma failleert?”„Neen,” zeide Wije, maar plotseling opmerkzaam. Hij had het tot nu toe gevoerde gesprek voor een der gewone praatjes gehouden, die altijd aan de zaak waarvoor een Chinees komt, voorafgaan. Nu echter begon hij het vermoeden te krijgen, dat dezeSingkeh, bij uitzondering, in eens met de hoofdquaestie begonnen was.„Ik kon het meneer van morgen niet zeggen,” ging Piong Pan Ho voort, „omdat Kan Liong Tjoe bij mij was, vlak achter detoko, en het zou gehoord hebben.”„Kan Liong Tjoe,” riep Wije verschrikt uit. „Die zal toch niet …?”„Ja, meneer; morgen. Ik had hem eenigen tijd kunnen ophouden; dat kwam hij vragen. Maar het is voor mij erg gewaagd; en nu het u geen kwaad kan, laat ik hem liever vallen.”[260]Wije staarde den gewezenklontongmet groote oogen aan, terwijl allerlei gedachten zijn hoofd doorkruisten. Wie was die man, die daar naar willekeur beschikte over het lot van een firma als Kan Liong Tjoe? De grootste, de voornaamste uit het geheele Chineesche kamp, en wiens val een verschrikkelijken nasleep zou hebben! Ook zijn firma zou er onder lijden … en deze gedachte verdrong de anderen. Toen begon hij te pleiten.Piong Pan Ho vatte er niets van. Hoe kon iemand zich zoo opwinden voor een vreemde zaak, aan welke hij niets verschuldigd was, welker winst of verlies hem niet raakte? En er voor spreken als gold het hemzelf? Dat kwam zeker weer uit dat fameuseati! Jawel, daar gebruikte Wije het woord alweer. Hij begon het te beschouwen als een ziekte, een hinderlijk ding, dat op den duur allen handel in den weg moest staan. Misschien was het iets waaraan men verslaafd raakte, als aan de[261]opium. Het loste zich op in woorden, in volzinnen, die hij niet verstond en omzichtig beantwoordde, maar toch zóó dat Wije ten laatste inzag dat het neerkwam op verschil in principes, waaromtrent zij elkaar niet verstonden. Zij hadden evengoed uren tot elkaar kunnen blijven doorspreken, maar dan ieder in zijn eigen taal, zonder schade voor het resultaat.En dit bleef een weigering van denSingkehom iets voor zijn landgenoot en daardoor indirect voor Wije’s firma te doen. Des ondanks was Wije hem dankbaar, bespeurende dat Piong Pan Ho van zijn standpunt uit, met dit bezoek blijken gaf hem boven allen, ja boven zijn eigen handelsbelangen te stellen.„Mag ik mijn chef van avond nog waarschuwen?” vroeg hij.„Als u niet zegt dat ik hier geweest ben, ja.”Met een hartelijken handdruk verliet Piong Pan Ho de voorgalerij, en Wije oogde hem na, tot hij verdwenen was in het duister van[262]den weg. Toen riep hij om spoedig het eten te laten opdragen, berekenende dat zijn chef nog aan tafel moest zitten, waarbij hij hem niet wilde overvallen.„Houd je van avond zelf maar wat bezig,” zeide hij tot Anneke. „Ik moet hiernaast zijn en weet niet hoe lang het duren zal.”[263]1Hurken.↑
[Inhoud]XI.XI.NOG EEN PAAR AANBIDDERS.Anneke ging zich kleeden en Wije ondernam den tocht naar de badkamer. Het was toen nog geen zes uur, maar eer hij geheel gekleed was, werd het nagenoeg zeven uur. Want na den dood zijner vrouw was Wije in zijn slechte gewoonte van vroeger vervallen, om gedurende het aankleeden verbazend te treuzelen. Eigenlijk vóór het aankleeden, want dan liep hij heen en weer in zijn slaapkamer, palen afstands, soms hardop redeneerende, doch steeds in nadenken over eenig onderwerp dat hem in den loop van den dag of vroeger getroffen had, dit uitwerkend[250]tot hij ermee gereed was, of plotseling door zijn klok gewaarschuwd werd dat de tijd niet stilstond. De minuten die overbleven besteedde hij aan een haastig toilet.Daarna las hij de courant, tenzij er visite kwam, en week in zoover af van zijn vroegere gewoonte, dat hij al wat daarin interessant voorkwam, aan Anneke voorlas. Aan tafel openbaarde zich het resultaat van zijn overpeinzingen, ten minste als hij tot een conclusie had kunnen komen; en voorzeker was het voor Anneke leerzaam en ontwikkelend om hem aan te hooren.Zij had intusschen minder tijd noodig dan haar vader; zelfs heden, ofschoon zij bijna een kwartier verbeuzelde om het roode armbandje van Piong Pan Ho, met een tusschenvoegsel van andere kraaltjes, zoo te vermaken dat het wijd genoeg werd haar pols te omspannen. Toen zij ermee gereed was, verliet zij haar kamer, benieuwd of deSingkehhet herkennen zou.[251]Uit gewoonte wilde zij eerst het voorerf opgaan, doch zich bedenkend, draaide zij om in de binnengalerij en liep naar achter, onderweg een paarpisangsmedenemende voor de paarden. De stal was geheel aan het uiteinde der bijgebouwen. Daar staande, terwijl de vriendelijke dieren haar nog dankbaar voor de lekkernij besnuffelden en zij hen streelde, zag zij plotseling aan den voet van de grens-paggerverderop, iets wits. Zeker een doek of een stuk goed, dat daar te drogen had gehangen, er afgewaaid was, en door de bedienden vergeten!Vlug wipte zij er heen, maar toen zij de plaats bereikt had uitte zij een klein gilletje. Gehurkt op den grond, achter een plekje waar de pagger minder dicht begroeid was, zat een Europeaan, die nu verrast oprees. Blijkbaar had hij haar bespied. Dit en het feit dat zij even geschrikt was, riep een toornigen blos op haar wangen te voorschijn.[252]„Djonkok’t1u zoo graag, of durfde u niet over depaggerheen kijken?” vroeg zij verontwaardigd.„Hè …?” deed hij, onbeleefd, de door haar gebruikte woorden niet verstaande. „U is zeker de jongejuffrouw Wije.”„Ja,” erkende zij, vreemd ophoorend van de betiteling, die in Indië gemeenlijk door „non,” vervangen wordt of bij meisjes van Anneke’s leeftijd en ontwikkeling reeds door juffrouw. „Wie is u?”„Ik ben van Beek.”„O!” was de uitroep, waaraan de ander bij het noemen van zijn naam zelden ontsnapte. „Toen u bij papa een visite maakte, was ik niet thuis,” liet zij er op volgen. „Maar waarom loerde u zoo, en hoe komt u hier?”„Ik woon hier in het paviljoen, en ik keek … naar u,” biechtte hij zijns ondanks.[253]„Nette manieren! Verbeelje dat een der bedienden het gezien had!”„Ik … was bang dat u weg zou loopen,” stotterde hij, „en ik vond dat u zulk mooi haar had.”Er moest een wondere kracht in die zwarte oogen schuilen, dat zij van Beek een niet al te slecht verzonnen uitvlucht en een direct compliment—het eerste van zijn leven!—ontlokken konden.Anneke was gevleid en daarmee haar boosheid verdwenen. Coquet wendde zij haar hoofd af, als zag zij iets in de achtergalerij, en liet hem een oogenblik gelegenheid den rijken tooi van donkere zacht krullende lokken van nabij te bewonderen, doch spoedig daarop tintelde er iets guitigs in haar blik.„’t Is niet allemaal echt,” zeide zij.Dadelijk stak hij zijn armen over depagger; en eer zij er op bedacht was, haalde hij met de eene hand haar hoofd naar zich toe, terwijl[254]hij met de andere aan haar haren trok.Pats! volgde een klap op zijn gezicht, die zich weldra rood afteekende op den bleeken achtergrond van zijn wang. Van Beek tuimelde eenige passen achteruit onder het uiten van een zeer onridderlijk scheldwoord, en half bukkende, scheen hij naar een voorwerp te zoeken waarmee hij kon gooien. Anneke begreep zijn bedoeling en het ongehoorde daarvan deed al haar gevoelens wijken voor een plotselingen machtig opkomenden spotlust.„Nero, Nero, Nero!” riep zij in de handen klappende, maar zonder van depaggerte wijken. „Kom hier; pak ze! Kss, kss, kss!”En van Beek, zich geen tijd gunnende om te zien, zette het op een loopen naar zijn paviljoen, achtervolgd door den helderen lach van het meisje.Een kwartier later opende hij voorzichtig de deur en sloop naar het hoofdgebouw. In de voorgalerij was visite, die hij niet had hooren[255]komen—anders zou hij achtergebleven zijn—maar waar hij nu midden in viel. De zelfs eenigszins gezwollen vlek op zijn wang lokte een vraag uit van den chef, en van Beek wist niet beter te doen dan een getrouw verhaal te geven van het gebeurde. Tot zijn eer moet gezegd worden dat hij van de waarheid niet afweek, doch hij meende dat een dergelijke handeling van een meisje op zichzelf al afkeurenswaard genoeg was.„Iedereen probeert mij wat wijs te maken, en dat laat ik mij niet langer doen,” eindigde hij, terwijl de aanwezigen elkaar nauwelijks durfden aanzien.„Heeft Wije tegenwoordig een hond?” vroeg de gastheer aan zijn vrouw.„Welneen,” antwoordde zij, onder algemeen gelach.„Had ik dat geweten!” was de uitroep die de vroolijkheid ten top deed stijgen.Piong Pan Ho was prompt op zijn tijd gekomen,[256]uitgedoscht in een nieuw pak, van kleur en model echter gelijk aan dat waarmee hij ruim zes jaar geleden aan wal gestapt was; alleen waren de toenmalige beenen knoopen thans vervangen door de sierlijke tresjes, die menkantjing-tjinanoemt, en waaraan losse knopjes zaten uit edel metaal vervaardigd.Anneke, gewoon de gasten haars vaders de hand toe te steken, maakte met denSingkehgeen onderscheid. Daardoor viel diens blik op het versierseltje dat zij droeg; het onmiddellijk herkennende, streelde hij even haar arm en barstte los in een woordenvloed die zijn hooge emotie te kennen gaf. Het meisje was schooner dan de schoonste bloem, betuigde hij, en haar hart van goud en edelsteenen, waarin hij binnen weinige dagen het prul dat zij alleen had aangedaan om vriendelijk te zijn jegens hem, den schurftigen hond, hoopte om te zetten.…Wije wist er eindelijk lachende een eind aan te maken en Anneke retireerde zich,[257]doodverlegen door het effect dat zij niet had kunnen voorzien.„Heeft meneer deel in de firma waarbij hij werkt?” vroeg deSingkeh, toen beiden wederom gezeten waren.„Neen,” zeide Wije.„Waar werkt u dan voor?”„Voor tractement.”„Dat hadden ze mij verteld,” zeide Piong Pan Ho. „Maar als de firma groote winsten maakt, krijgt u dan niets daarvan?”„Niets hoegenaamd.”„En de verliezen?”„Gaan mij ook niet aan.”„Dan begrijp ik niet waarom u zoo hard werkt. Andere heeren verkoopen niet half zooveel als u.”„Toch wel,” zeide Wije, het moeilijk vindende om in ’t Maleisch, aan een Chinees, uit te leggen welke innerlijke hoedanigheden een ondergeschikte aanspoorden om zijn best te doen, zelfs al was de uitslag daarvan voor[258]hemzelf, wat het financieele betrof, onverschillig.Abstractakomen in een onderhoud tusschen Europeaan en Aziaat zóó zelden voor, dat nagenoeg niemand ze kent.Wije behielp zich met de verklaring dat uit hetati, het hart, allerlei goede daden kunnen voortkomen, onder anderen medelijden, de zucht om iemand te helpen en zooveel meer. Had niet zijn toehoorder zelf zooeven blijken gegeven een goedatite bezitten?Ja, dat begreep Piong Pan Ho. Men kon dankbaar zijn en aangedaan tegenover iemand, vooral als dat een beeldig mooi meisje was; maar in zaken, in den handel … neen, dat ging hem te hoog! Werken deed niemand zonder loon; hoe harder werk, hoe hooger verdienste; daar had eenatiniet mee te maken.Soedah, hij wist echter ongeveer wat hij weten wilde. Nog één vraag slechts.„Waar bewaart meneer het geld dat hij overhoudt?”[259]„Bij de Bank.”„Dus kan het meneer volstrekt geen kwaad, als een groote klant van de firma failleert?”„Neen,” zeide Wije, maar plotseling opmerkzaam. Hij had het tot nu toe gevoerde gesprek voor een der gewone praatjes gehouden, die altijd aan de zaak waarvoor een Chinees komt, voorafgaan. Nu echter begon hij het vermoeden te krijgen, dat dezeSingkeh, bij uitzondering, in eens met de hoofdquaestie begonnen was.„Ik kon het meneer van morgen niet zeggen,” ging Piong Pan Ho voort, „omdat Kan Liong Tjoe bij mij was, vlak achter detoko, en het zou gehoord hebben.”„Kan Liong Tjoe,” riep Wije verschrikt uit. „Die zal toch niet …?”„Ja, meneer; morgen. Ik had hem eenigen tijd kunnen ophouden; dat kwam hij vragen. Maar het is voor mij erg gewaagd; en nu het u geen kwaad kan, laat ik hem liever vallen.”[260]Wije staarde den gewezenklontongmet groote oogen aan, terwijl allerlei gedachten zijn hoofd doorkruisten. Wie was die man, die daar naar willekeur beschikte over het lot van een firma als Kan Liong Tjoe? De grootste, de voornaamste uit het geheele Chineesche kamp, en wiens val een verschrikkelijken nasleep zou hebben! Ook zijn firma zou er onder lijden … en deze gedachte verdrong de anderen. Toen begon hij te pleiten.Piong Pan Ho vatte er niets van. Hoe kon iemand zich zoo opwinden voor een vreemde zaak, aan welke hij niets verschuldigd was, welker winst of verlies hem niet raakte? En er voor spreken als gold het hemzelf? Dat kwam zeker weer uit dat fameuseati! Jawel, daar gebruikte Wije het woord alweer. Hij begon het te beschouwen als een ziekte, een hinderlijk ding, dat op den duur allen handel in den weg moest staan. Misschien was het iets waaraan men verslaafd raakte, als aan de[261]opium. Het loste zich op in woorden, in volzinnen, die hij niet verstond en omzichtig beantwoordde, maar toch zóó dat Wije ten laatste inzag dat het neerkwam op verschil in principes, waaromtrent zij elkaar niet verstonden. Zij hadden evengoed uren tot elkaar kunnen blijven doorspreken, maar dan ieder in zijn eigen taal, zonder schade voor het resultaat.En dit bleef een weigering van denSingkehom iets voor zijn landgenoot en daardoor indirect voor Wije’s firma te doen. Des ondanks was Wije hem dankbaar, bespeurende dat Piong Pan Ho van zijn standpunt uit, met dit bezoek blijken gaf hem boven allen, ja boven zijn eigen handelsbelangen te stellen.„Mag ik mijn chef van avond nog waarschuwen?” vroeg hij.„Als u niet zegt dat ik hier geweest ben, ja.”Met een hartelijken handdruk verliet Piong Pan Ho de voorgalerij, en Wije oogde hem na, tot hij verdwenen was in het duister van[262]den weg. Toen riep hij om spoedig het eten te laten opdragen, berekenende dat zijn chef nog aan tafel moest zitten, waarbij hij hem niet wilde overvallen.„Houd je van avond zelf maar wat bezig,” zeide hij tot Anneke. „Ik moet hiernaast zijn en weet niet hoe lang het duren zal.”[263]1Hurken.↑
XI.XI.NOG EEN PAAR AANBIDDERS.
XI.
Anneke ging zich kleeden en Wije ondernam den tocht naar de badkamer. Het was toen nog geen zes uur, maar eer hij geheel gekleed was, werd het nagenoeg zeven uur. Want na den dood zijner vrouw was Wije in zijn slechte gewoonte van vroeger vervallen, om gedurende het aankleeden verbazend te treuzelen. Eigenlijk vóór het aankleeden, want dan liep hij heen en weer in zijn slaapkamer, palen afstands, soms hardop redeneerende, doch steeds in nadenken over eenig onderwerp dat hem in den loop van den dag of vroeger getroffen had, dit uitwerkend[250]tot hij ermee gereed was, of plotseling door zijn klok gewaarschuwd werd dat de tijd niet stilstond. De minuten die overbleven besteedde hij aan een haastig toilet.Daarna las hij de courant, tenzij er visite kwam, en week in zoover af van zijn vroegere gewoonte, dat hij al wat daarin interessant voorkwam, aan Anneke voorlas. Aan tafel openbaarde zich het resultaat van zijn overpeinzingen, ten minste als hij tot een conclusie had kunnen komen; en voorzeker was het voor Anneke leerzaam en ontwikkelend om hem aan te hooren.Zij had intusschen minder tijd noodig dan haar vader; zelfs heden, ofschoon zij bijna een kwartier verbeuzelde om het roode armbandje van Piong Pan Ho, met een tusschenvoegsel van andere kraaltjes, zoo te vermaken dat het wijd genoeg werd haar pols te omspannen. Toen zij ermee gereed was, verliet zij haar kamer, benieuwd of deSingkehhet herkennen zou.[251]Uit gewoonte wilde zij eerst het voorerf opgaan, doch zich bedenkend, draaide zij om in de binnengalerij en liep naar achter, onderweg een paarpisangsmedenemende voor de paarden. De stal was geheel aan het uiteinde der bijgebouwen. Daar staande, terwijl de vriendelijke dieren haar nog dankbaar voor de lekkernij besnuffelden en zij hen streelde, zag zij plotseling aan den voet van de grens-paggerverderop, iets wits. Zeker een doek of een stuk goed, dat daar te drogen had gehangen, er afgewaaid was, en door de bedienden vergeten!Vlug wipte zij er heen, maar toen zij de plaats bereikt had uitte zij een klein gilletje. Gehurkt op den grond, achter een plekje waar de pagger minder dicht begroeid was, zat een Europeaan, die nu verrast oprees. Blijkbaar had hij haar bespied. Dit en het feit dat zij even geschrikt was, riep een toornigen blos op haar wangen te voorschijn.[252]„Djonkok’t1u zoo graag, of durfde u niet over depaggerheen kijken?” vroeg zij verontwaardigd.„Hè …?” deed hij, onbeleefd, de door haar gebruikte woorden niet verstaande. „U is zeker de jongejuffrouw Wije.”„Ja,” erkende zij, vreemd ophoorend van de betiteling, die in Indië gemeenlijk door „non,” vervangen wordt of bij meisjes van Anneke’s leeftijd en ontwikkeling reeds door juffrouw. „Wie is u?”„Ik ben van Beek.”„O!” was de uitroep, waaraan de ander bij het noemen van zijn naam zelden ontsnapte. „Toen u bij papa een visite maakte, was ik niet thuis,” liet zij er op volgen. „Maar waarom loerde u zoo, en hoe komt u hier?”„Ik woon hier in het paviljoen, en ik keek … naar u,” biechtte hij zijns ondanks.[253]„Nette manieren! Verbeelje dat een der bedienden het gezien had!”„Ik … was bang dat u weg zou loopen,” stotterde hij, „en ik vond dat u zulk mooi haar had.”Er moest een wondere kracht in die zwarte oogen schuilen, dat zij van Beek een niet al te slecht verzonnen uitvlucht en een direct compliment—het eerste van zijn leven!—ontlokken konden.Anneke was gevleid en daarmee haar boosheid verdwenen. Coquet wendde zij haar hoofd af, als zag zij iets in de achtergalerij, en liet hem een oogenblik gelegenheid den rijken tooi van donkere zacht krullende lokken van nabij te bewonderen, doch spoedig daarop tintelde er iets guitigs in haar blik.„’t Is niet allemaal echt,” zeide zij.Dadelijk stak hij zijn armen over depagger; en eer zij er op bedacht was, haalde hij met de eene hand haar hoofd naar zich toe, terwijl[254]hij met de andere aan haar haren trok.Pats! volgde een klap op zijn gezicht, die zich weldra rood afteekende op den bleeken achtergrond van zijn wang. Van Beek tuimelde eenige passen achteruit onder het uiten van een zeer onridderlijk scheldwoord, en half bukkende, scheen hij naar een voorwerp te zoeken waarmee hij kon gooien. Anneke begreep zijn bedoeling en het ongehoorde daarvan deed al haar gevoelens wijken voor een plotselingen machtig opkomenden spotlust.„Nero, Nero, Nero!” riep zij in de handen klappende, maar zonder van depaggerte wijken. „Kom hier; pak ze! Kss, kss, kss!”En van Beek, zich geen tijd gunnende om te zien, zette het op een loopen naar zijn paviljoen, achtervolgd door den helderen lach van het meisje.Een kwartier later opende hij voorzichtig de deur en sloop naar het hoofdgebouw. In de voorgalerij was visite, die hij niet had hooren[255]komen—anders zou hij achtergebleven zijn—maar waar hij nu midden in viel. De zelfs eenigszins gezwollen vlek op zijn wang lokte een vraag uit van den chef, en van Beek wist niet beter te doen dan een getrouw verhaal te geven van het gebeurde. Tot zijn eer moet gezegd worden dat hij van de waarheid niet afweek, doch hij meende dat een dergelijke handeling van een meisje op zichzelf al afkeurenswaard genoeg was.„Iedereen probeert mij wat wijs te maken, en dat laat ik mij niet langer doen,” eindigde hij, terwijl de aanwezigen elkaar nauwelijks durfden aanzien.„Heeft Wije tegenwoordig een hond?” vroeg de gastheer aan zijn vrouw.„Welneen,” antwoordde zij, onder algemeen gelach.„Had ik dat geweten!” was de uitroep die de vroolijkheid ten top deed stijgen.Piong Pan Ho was prompt op zijn tijd gekomen,[256]uitgedoscht in een nieuw pak, van kleur en model echter gelijk aan dat waarmee hij ruim zes jaar geleden aan wal gestapt was; alleen waren de toenmalige beenen knoopen thans vervangen door de sierlijke tresjes, die menkantjing-tjinanoemt, en waaraan losse knopjes zaten uit edel metaal vervaardigd.Anneke, gewoon de gasten haars vaders de hand toe te steken, maakte met denSingkehgeen onderscheid. Daardoor viel diens blik op het versierseltje dat zij droeg; het onmiddellijk herkennende, streelde hij even haar arm en barstte los in een woordenvloed die zijn hooge emotie te kennen gaf. Het meisje was schooner dan de schoonste bloem, betuigde hij, en haar hart van goud en edelsteenen, waarin hij binnen weinige dagen het prul dat zij alleen had aangedaan om vriendelijk te zijn jegens hem, den schurftigen hond, hoopte om te zetten.…Wije wist er eindelijk lachende een eind aan te maken en Anneke retireerde zich,[257]doodverlegen door het effect dat zij niet had kunnen voorzien.„Heeft meneer deel in de firma waarbij hij werkt?” vroeg deSingkeh, toen beiden wederom gezeten waren.„Neen,” zeide Wije.„Waar werkt u dan voor?”„Voor tractement.”„Dat hadden ze mij verteld,” zeide Piong Pan Ho. „Maar als de firma groote winsten maakt, krijgt u dan niets daarvan?”„Niets hoegenaamd.”„En de verliezen?”„Gaan mij ook niet aan.”„Dan begrijp ik niet waarom u zoo hard werkt. Andere heeren verkoopen niet half zooveel als u.”„Toch wel,” zeide Wije, het moeilijk vindende om in ’t Maleisch, aan een Chinees, uit te leggen welke innerlijke hoedanigheden een ondergeschikte aanspoorden om zijn best te doen, zelfs al was de uitslag daarvan voor[258]hemzelf, wat het financieele betrof, onverschillig.Abstractakomen in een onderhoud tusschen Europeaan en Aziaat zóó zelden voor, dat nagenoeg niemand ze kent.Wije behielp zich met de verklaring dat uit hetati, het hart, allerlei goede daden kunnen voortkomen, onder anderen medelijden, de zucht om iemand te helpen en zooveel meer. Had niet zijn toehoorder zelf zooeven blijken gegeven een goedatite bezitten?Ja, dat begreep Piong Pan Ho. Men kon dankbaar zijn en aangedaan tegenover iemand, vooral als dat een beeldig mooi meisje was; maar in zaken, in den handel … neen, dat ging hem te hoog! Werken deed niemand zonder loon; hoe harder werk, hoe hooger verdienste; daar had eenatiniet mee te maken.Soedah, hij wist echter ongeveer wat hij weten wilde. Nog één vraag slechts.„Waar bewaart meneer het geld dat hij overhoudt?”[259]„Bij de Bank.”„Dus kan het meneer volstrekt geen kwaad, als een groote klant van de firma failleert?”„Neen,” zeide Wije, maar plotseling opmerkzaam. Hij had het tot nu toe gevoerde gesprek voor een der gewone praatjes gehouden, die altijd aan de zaak waarvoor een Chinees komt, voorafgaan. Nu echter begon hij het vermoeden te krijgen, dat dezeSingkeh, bij uitzondering, in eens met de hoofdquaestie begonnen was.„Ik kon het meneer van morgen niet zeggen,” ging Piong Pan Ho voort, „omdat Kan Liong Tjoe bij mij was, vlak achter detoko, en het zou gehoord hebben.”„Kan Liong Tjoe,” riep Wije verschrikt uit. „Die zal toch niet …?”„Ja, meneer; morgen. Ik had hem eenigen tijd kunnen ophouden; dat kwam hij vragen. Maar het is voor mij erg gewaagd; en nu het u geen kwaad kan, laat ik hem liever vallen.”[260]Wije staarde den gewezenklontongmet groote oogen aan, terwijl allerlei gedachten zijn hoofd doorkruisten. Wie was die man, die daar naar willekeur beschikte over het lot van een firma als Kan Liong Tjoe? De grootste, de voornaamste uit het geheele Chineesche kamp, en wiens val een verschrikkelijken nasleep zou hebben! Ook zijn firma zou er onder lijden … en deze gedachte verdrong de anderen. Toen begon hij te pleiten.Piong Pan Ho vatte er niets van. Hoe kon iemand zich zoo opwinden voor een vreemde zaak, aan welke hij niets verschuldigd was, welker winst of verlies hem niet raakte? En er voor spreken als gold het hemzelf? Dat kwam zeker weer uit dat fameuseati! Jawel, daar gebruikte Wije het woord alweer. Hij begon het te beschouwen als een ziekte, een hinderlijk ding, dat op den duur allen handel in den weg moest staan. Misschien was het iets waaraan men verslaafd raakte, als aan de[261]opium. Het loste zich op in woorden, in volzinnen, die hij niet verstond en omzichtig beantwoordde, maar toch zóó dat Wije ten laatste inzag dat het neerkwam op verschil in principes, waaromtrent zij elkaar niet verstonden. Zij hadden evengoed uren tot elkaar kunnen blijven doorspreken, maar dan ieder in zijn eigen taal, zonder schade voor het resultaat.En dit bleef een weigering van denSingkehom iets voor zijn landgenoot en daardoor indirect voor Wije’s firma te doen. Des ondanks was Wije hem dankbaar, bespeurende dat Piong Pan Ho van zijn standpunt uit, met dit bezoek blijken gaf hem boven allen, ja boven zijn eigen handelsbelangen te stellen.„Mag ik mijn chef van avond nog waarschuwen?” vroeg hij.„Als u niet zegt dat ik hier geweest ben, ja.”Met een hartelijken handdruk verliet Piong Pan Ho de voorgalerij, en Wije oogde hem na, tot hij verdwenen was in het duister van[262]den weg. Toen riep hij om spoedig het eten te laten opdragen, berekenende dat zijn chef nog aan tafel moest zitten, waarbij hij hem niet wilde overvallen.„Houd je van avond zelf maar wat bezig,” zeide hij tot Anneke. „Ik moet hiernaast zijn en weet niet hoe lang het duren zal.”[263]
Anneke ging zich kleeden en Wije ondernam den tocht naar de badkamer. Het was toen nog geen zes uur, maar eer hij geheel gekleed was, werd het nagenoeg zeven uur. Want na den dood zijner vrouw was Wije in zijn slechte gewoonte van vroeger vervallen, om gedurende het aankleeden verbazend te treuzelen. Eigenlijk vóór het aankleeden, want dan liep hij heen en weer in zijn slaapkamer, palen afstands, soms hardop redeneerende, doch steeds in nadenken over eenig onderwerp dat hem in den loop van den dag of vroeger getroffen had, dit uitwerkend[250]tot hij ermee gereed was, of plotseling door zijn klok gewaarschuwd werd dat de tijd niet stilstond. De minuten die overbleven besteedde hij aan een haastig toilet.
Daarna las hij de courant, tenzij er visite kwam, en week in zoover af van zijn vroegere gewoonte, dat hij al wat daarin interessant voorkwam, aan Anneke voorlas. Aan tafel openbaarde zich het resultaat van zijn overpeinzingen, ten minste als hij tot een conclusie had kunnen komen; en voorzeker was het voor Anneke leerzaam en ontwikkelend om hem aan te hooren.
Zij had intusschen minder tijd noodig dan haar vader; zelfs heden, ofschoon zij bijna een kwartier verbeuzelde om het roode armbandje van Piong Pan Ho, met een tusschenvoegsel van andere kraaltjes, zoo te vermaken dat het wijd genoeg werd haar pols te omspannen. Toen zij ermee gereed was, verliet zij haar kamer, benieuwd of deSingkehhet herkennen zou.[251]
Uit gewoonte wilde zij eerst het voorerf opgaan, doch zich bedenkend, draaide zij om in de binnengalerij en liep naar achter, onderweg een paarpisangsmedenemende voor de paarden. De stal was geheel aan het uiteinde der bijgebouwen. Daar staande, terwijl de vriendelijke dieren haar nog dankbaar voor de lekkernij besnuffelden en zij hen streelde, zag zij plotseling aan den voet van de grens-paggerverderop, iets wits. Zeker een doek of een stuk goed, dat daar te drogen had gehangen, er afgewaaid was, en door de bedienden vergeten!
Vlug wipte zij er heen, maar toen zij de plaats bereikt had uitte zij een klein gilletje. Gehurkt op den grond, achter een plekje waar de pagger minder dicht begroeid was, zat een Europeaan, die nu verrast oprees. Blijkbaar had hij haar bespied. Dit en het feit dat zij even geschrikt was, riep een toornigen blos op haar wangen te voorschijn.[252]
„Djonkok’t1u zoo graag, of durfde u niet over depaggerheen kijken?” vroeg zij verontwaardigd.
„Hè …?” deed hij, onbeleefd, de door haar gebruikte woorden niet verstaande. „U is zeker de jongejuffrouw Wije.”
„Ja,” erkende zij, vreemd ophoorend van de betiteling, die in Indië gemeenlijk door „non,” vervangen wordt of bij meisjes van Anneke’s leeftijd en ontwikkeling reeds door juffrouw. „Wie is u?”
„Ik ben van Beek.”
„O!” was de uitroep, waaraan de ander bij het noemen van zijn naam zelden ontsnapte. „Toen u bij papa een visite maakte, was ik niet thuis,” liet zij er op volgen. „Maar waarom loerde u zoo, en hoe komt u hier?”
„Ik woon hier in het paviljoen, en ik keek … naar u,” biechtte hij zijns ondanks.[253]
„Nette manieren! Verbeelje dat een der bedienden het gezien had!”
„Ik … was bang dat u weg zou loopen,” stotterde hij, „en ik vond dat u zulk mooi haar had.”
Er moest een wondere kracht in die zwarte oogen schuilen, dat zij van Beek een niet al te slecht verzonnen uitvlucht en een direct compliment—het eerste van zijn leven!—ontlokken konden.
Anneke was gevleid en daarmee haar boosheid verdwenen. Coquet wendde zij haar hoofd af, als zag zij iets in de achtergalerij, en liet hem een oogenblik gelegenheid den rijken tooi van donkere zacht krullende lokken van nabij te bewonderen, doch spoedig daarop tintelde er iets guitigs in haar blik.
„’t Is niet allemaal echt,” zeide zij.
Dadelijk stak hij zijn armen over depagger; en eer zij er op bedacht was, haalde hij met de eene hand haar hoofd naar zich toe, terwijl[254]hij met de andere aan haar haren trok.
Pats! volgde een klap op zijn gezicht, die zich weldra rood afteekende op den bleeken achtergrond van zijn wang. Van Beek tuimelde eenige passen achteruit onder het uiten van een zeer onridderlijk scheldwoord, en half bukkende, scheen hij naar een voorwerp te zoeken waarmee hij kon gooien. Anneke begreep zijn bedoeling en het ongehoorde daarvan deed al haar gevoelens wijken voor een plotselingen machtig opkomenden spotlust.
„Nero, Nero, Nero!” riep zij in de handen klappende, maar zonder van depaggerte wijken. „Kom hier; pak ze! Kss, kss, kss!”
En van Beek, zich geen tijd gunnende om te zien, zette het op een loopen naar zijn paviljoen, achtervolgd door den helderen lach van het meisje.
Een kwartier later opende hij voorzichtig de deur en sloop naar het hoofdgebouw. In de voorgalerij was visite, die hij niet had hooren[255]komen—anders zou hij achtergebleven zijn—maar waar hij nu midden in viel. De zelfs eenigszins gezwollen vlek op zijn wang lokte een vraag uit van den chef, en van Beek wist niet beter te doen dan een getrouw verhaal te geven van het gebeurde. Tot zijn eer moet gezegd worden dat hij van de waarheid niet afweek, doch hij meende dat een dergelijke handeling van een meisje op zichzelf al afkeurenswaard genoeg was.
„Iedereen probeert mij wat wijs te maken, en dat laat ik mij niet langer doen,” eindigde hij, terwijl de aanwezigen elkaar nauwelijks durfden aanzien.
„Heeft Wije tegenwoordig een hond?” vroeg de gastheer aan zijn vrouw.
„Welneen,” antwoordde zij, onder algemeen gelach.
„Had ik dat geweten!” was de uitroep die de vroolijkheid ten top deed stijgen.
Piong Pan Ho was prompt op zijn tijd gekomen,[256]uitgedoscht in een nieuw pak, van kleur en model echter gelijk aan dat waarmee hij ruim zes jaar geleden aan wal gestapt was; alleen waren de toenmalige beenen knoopen thans vervangen door de sierlijke tresjes, die menkantjing-tjinanoemt, en waaraan losse knopjes zaten uit edel metaal vervaardigd.
Anneke, gewoon de gasten haars vaders de hand toe te steken, maakte met denSingkehgeen onderscheid. Daardoor viel diens blik op het versierseltje dat zij droeg; het onmiddellijk herkennende, streelde hij even haar arm en barstte los in een woordenvloed die zijn hooge emotie te kennen gaf. Het meisje was schooner dan de schoonste bloem, betuigde hij, en haar hart van goud en edelsteenen, waarin hij binnen weinige dagen het prul dat zij alleen had aangedaan om vriendelijk te zijn jegens hem, den schurftigen hond, hoopte om te zetten.…
Wije wist er eindelijk lachende een eind aan te maken en Anneke retireerde zich,[257]doodverlegen door het effect dat zij niet had kunnen voorzien.
„Heeft meneer deel in de firma waarbij hij werkt?” vroeg deSingkeh, toen beiden wederom gezeten waren.
„Neen,” zeide Wije.
„Waar werkt u dan voor?”
„Voor tractement.”
„Dat hadden ze mij verteld,” zeide Piong Pan Ho. „Maar als de firma groote winsten maakt, krijgt u dan niets daarvan?”
„Niets hoegenaamd.”
„En de verliezen?”
„Gaan mij ook niet aan.”
„Dan begrijp ik niet waarom u zoo hard werkt. Andere heeren verkoopen niet half zooveel als u.”
„Toch wel,” zeide Wije, het moeilijk vindende om in ’t Maleisch, aan een Chinees, uit te leggen welke innerlijke hoedanigheden een ondergeschikte aanspoorden om zijn best te doen, zelfs al was de uitslag daarvan voor[258]hemzelf, wat het financieele betrof, onverschillig.Abstractakomen in een onderhoud tusschen Europeaan en Aziaat zóó zelden voor, dat nagenoeg niemand ze kent.
Wije behielp zich met de verklaring dat uit hetati, het hart, allerlei goede daden kunnen voortkomen, onder anderen medelijden, de zucht om iemand te helpen en zooveel meer. Had niet zijn toehoorder zelf zooeven blijken gegeven een goedatite bezitten?
Ja, dat begreep Piong Pan Ho. Men kon dankbaar zijn en aangedaan tegenover iemand, vooral als dat een beeldig mooi meisje was; maar in zaken, in den handel … neen, dat ging hem te hoog! Werken deed niemand zonder loon; hoe harder werk, hoe hooger verdienste; daar had eenatiniet mee te maken.Soedah, hij wist echter ongeveer wat hij weten wilde. Nog één vraag slechts.
„Waar bewaart meneer het geld dat hij overhoudt?”[259]
„Bij de Bank.”
„Dus kan het meneer volstrekt geen kwaad, als een groote klant van de firma failleert?”
„Neen,” zeide Wije, maar plotseling opmerkzaam. Hij had het tot nu toe gevoerde gesprek voor een der gewone praatjes gehouden, die altijd aan de zaak waarvoor een Chinees komt, voorafgaan. Nu echter begon hij het vermoeden te krijgen, dat dezeSingkeh, bij uitzondering, in eens met de hoofdquaestie begonnen was.
„Ik kon het meneer van morgen niet zeggen,” ging Piong Pan Ho voort, „omdat Kan Liong Tjoe bij mij was, vlak achter detoko, en het zou gehoord hebben.”
„Kan Liong Tjoe,” riep Wije verschrikt uit. „Die zal toch niet …?”
„Ja, meneer; morgen. Ik had hem eenigen tijd kunnen ophouden; dat kwam hij vragen. Maar het is voor mij erg gewaagd; en nu het u geen kwaad kan, laat ik hem liever vallen.”[260]
Wije staarde den gewezenklontongmet groote oogen aan, terwijl allerlei gedachten zijn hoofd doorkruisten. Wie was die man, die daar naar willekeur beschikte over het lot van een firma als Kan Liong Tjoe? De grootste, de voornaamste uit het geheele Chineesche kamp, en wiens val een verschrikkelijken nasleep zou hebben! Ook zijn firma zou er onder lijden … en deze gedachte verdrong de anderen. Toen begon hij te pleiten.
Piong Pan Ho vatte er niets van. Hoe kon iemand zich zoo opwinden voor een vreemde zaak, aan welke hij niets verschuldigd was, welker winst of verlies hem niet raakte? En er voor spreken als gold het hemzelf? Dat kwam zeker weer uit dat fameuseati! Jawel, daar gebruikte Wije het woord alweer. Hij begon het te beschouwen als een ziekte, een hinderlijk ding, dat op den duur allen handel in den weg moest staan. Misschien was het iets waaraan men verslaafd raakte, als aan de[261]opium. Het loste zich op in woorden, in volzinnen, die hij niet verstond en omzichtig beantwoordde, maar toch zóó dat Wije ten laatste inzag dat het neerkwam op verschil in principes, waaromtrent zij elkaar niet verstonden. Zij hadden evengoed uren tot elkaar kunnen blijven doorspreken, maar dan ieder in zijn eigen taal, zonder schade voor het resultaat.
En dit bleef een weigering van denSingkehom iets voor zijn landgenoot en daardoor indirect voor Wije’s firma te doen. Des ondanks was Wije hem dankbaar, bespeurende dat Piong Pan Ho van zijn standpunt uit, met dit bezoek blijken gaf hem boven allen, ja boven zijn eigen handelsbelangen te stellen.
„Mag ik mijn chef van avond nog waarschuwen?” vroeg hij.
„Als u niet zegt dat ik hier geweest ben, ja.”
Met een hartelijken handdruk verliet Piong Pan Ho de voorgalerij, en Wije oogde hem na, tot hij verdwenen was in het duister van[262]den weg. Toen riep hij om spoedig het eten te laten opdragen, berekenende dat zijn chef nog aan tafel moest zitten, waarbij hij hem niet wilde overvallen.
„Houd je van avond zelf maar wat bezig,” zeide hij tot Anneke. „Ik moet hiernaast zijn en weet niet hoe lang het duren zal.”
[263]
1Hurken.↑
1Hurken.↑
1Hurken.↑
1Hurken.↑