—Ter wille van deze dingen dan, o Kebes, zijn de eerlijk leergierigen bezadigd en manmoedig, niet om de redenen die de groote menigte daarvoor opgeeft. Of denkt gij van-wel?—Neen, zeker niet.—Het is ook zoo niet; doch84de ziel van een wijsgeerig man zal redeneeren als ik boven deed, en meenen dat het niet behoorlijk is, dat de wijsbegeerte haar verlossen wil, maar dat zij zelve ondanks die verlossing zich weêr opnieuw aan de lusten en smarten ter binding overgeeft en zoo maakt, dat het werk nooit afkomt, waardoor zij een weefsel als van Penelope, maar in omgekeerden zin, ter hand zoû nemen. Doch zoolang zij leeft, meent zij zóo te moeten leven dat zij windstilte schaft van die hartstochten, de zuivere redeneering volgt en altijd daarin is, het waarachtige en het goddelijke enBhet van meeningen onafhankelijke aanschouwt en daardoor gevoed wordt. En wanneer zij gestorven zal zijn, meent zij te zullen komen tot het zoodanige en het haar verwante, en zoo van de menschelijke kwaden verlost te zullen zijn. Bij zulk eene voeding bestaat er geen gevaar voor vrees, o Simmias en Kebes, dat de ziel in de afscheiding van het lichaam verspreid zal worden, en door de winden uitéen-geblazen en alzijds verwaaid verdwijnen zal, en nergens en niets meer zal zijn.
Stilte nu ontstond na deze woorden van Sokrates overClangen tijd, en zooals duidelijk te zien was, verdiepte zoowel Sokrates zelf als de meesten van ons zich in het gesprokene. Maar Kebes en Simmias praatten zachtjes onder elkander. En Sokrates zag dit van hen en vraagde: Wat is er? Komt u bij-geval het gesprokene gebrekkig voor? Immers, er zijn nog vele tegenwerpingen mogelijk, als men deze dingen toereikend wil doorvorschen. Als gij derhalve iets anders bespreekt, heb ik niets gezegd. Maar als gij omtrent het gesprokene met eenig ding verlegen zijt, laat dan niet uit schroom na om zoowel zelf het te besprekenDen uiteen te zetten, als het u voorkomt dat het op eenige wijze beter zoû kunnen besproken worden, als ook om mijne hulp in te roepen, als gij denkt samen met mij meer te zullen opschieten.—En Simmias sprak: Welnu, o Sokrates, ik zal u de waarheid zeggen. Elk van ons, moet gij weten, heeft een bezwaar, en dringt al-lang den ander naar voren en spoort hem aan u te vragen; wantwij verlangen uw antwoord te hooren, maar schromen tevens lastig te zijn uit vrees dat het u onaangenaam moge wezen om het ongeluk waarin gij zijt.—Toen Sokrates dit gehoord had, lachte hij kalm en zeide: Gij verbaastEmij, o Simmias. Voorwaar, ik zal wel moeilijk de overige menschen kunnen overtuigen, dat ik het geval waarin ik ben, niet voor een ongeluk houd, daar ik immers zelfs ulieden daarvan niet overtuigen kan, doch gij vreest, dat ik nu eenigszins gemelijker zoû zijn dan in mijn vroeger leven. En, naar het lijkt, kom ik u voor een slechter profeet te zijn dan de zwanen, die wanneer zij voelen, dat zij moeten sterven, al zingen zij ook in den tijd voordien,85dàn het langst en bij-voorkeur zingen, verheugd dat zij op het punt staan heen te gaan naar den god wiens dienaren zij zijn. Maar omdat zij zelven voor den dood zich bang maken, vertellen de menschen leugens ook van de zwanen en zeggen dat zij weeklagen over hun sterven en dus uit smart zich dood zingen, en zij bedenken niet dat geen enkele vogel zingt wanneer hij honger heeft of koude of eenige andere smart, ook zelfs de nachtegaal niet en de zwaluw en de hop van welke men beweert dat zij uit smart klaagliederen zingen. Doch evenmin als deze uit smart zingen, komt het mij voor dat de zwanen dit zouden doen,Bmaar als de vogelen van Apolloon zijn zij waarzeggend, en daar zij dus de goede dingen in Hades vooruit weten, zingen zij en verheugen zij zich dien dag bizonderlijk, meer dan in den vroegeren tijd. En ik ook zelf meen een mede-slaaf te zijn der zwanen en gewijd aan denzelfden god, en denk dat ik geen mindere zienersgave dan zij gekregen heb van mijn heer, en niet mismoediger dan zij uit het leven wegga. Doch daarom behoort gij te zeggen en te vragen wat gij gaarne wilt, zoolang de elfmannen der Atheners het toelaten.—Schoon spreekt gij, zeî Simmias. En zoowel ik zal u zeggen, waartegen ik bezwaar heb, alsCook Kebes hier op zijn beurt, in welk punt hij met het gesprokene niet kan instemmen. Ik namelijk, o Sokrates, heb over dergelijke dingen een meening, misschien dezelfdeals gij, dat al is zeker-weten in ons tegenwoordig leven òf onmogelijk òf iets zeer moeilijks, toch aan-den-anderen-kant alleen een zeer flauwmoedig man het laten kan de dingen die erover gezegd worden, op alle manieren op de proef te stellen en niet daarvan af te laten vóor hij moede geworden is ze van alle kanten te beschouwen. Want men moet, meen ik, daaromtrent éen van deze dingen bereiken, òf leeren of zelf vinden hoe het ermeê staat, òfDanders, als dit niet mogelijk is, de uitnemendste en moeilijkst-weêrlegbare der menschelijke redeneeringen nemen en daarop varende als op een vlot de vaart door het leven wagen, als men niet in-staat is veiliger en met minder gevaar die reis op een hechter vaartuig, eenige goddelijke openbaring, te doen. En ook nu zal ik mij niet schamen mijn vraag te stellen, daar ook gij daartoe aanmoedigt, en ik zal mij-zelf in lateren tijd niet te beschuldigen hebben, dat ik nu niet gezegd heb wat ik denk. Mij namelijk, o Sokrates, nu ik zoowel bij mij-zelf als met Kebes hier hetEgesprokene naga, komt het niet erg toereikend voor.—En Sokrates zeide: Ja, misschien schijnt het u terecht zoo. Doch zeg mij in welk opzicht gij het ontoereikend vindt.—In-zoo-verre, zeî de ander, als men ook omtrent een harmonie en omtrent lier en snaren diezelfde redeneering zoû kunnen houden, dat de harmonie iets onzichtbaars en onlichamelijks en iets alschoons en goddelijks is in de gestemde86lier, maar de lier zelf en de snaren lichamen zijn en lichaam-gelijk en samengesteld en aard-gelijk en met het sterfelijke verwant. Wanneer men nu de lier stuk slaat of de snaren doorsnijdt of verbreekt, zoû men volgens dezelfde redeneering als gij kunnen volhouden, dat noodzakelijk die harmonie, nog bestaat en niet vergaan is. Want er bestaat geen kans, zoû men kunnen redeneeren, dat, terwijl de lier na het verbreken der snaren nog bestaat en de snaren zelf die van sterfelijken aard zijn, de harmonie vergaan is, die van dezelfde natuur is als het goddelijkeBen het onsterfelijke en daarmeê verwant, en die dan eerder dan het sterfelijke zoû vergaan zijn. Maar noodzakelijk,kon men zeggen, bestaat nog ergens de harmonie zelf voort, en eerder zal het hout van de lier en de snaren verrotten vóorzijeenig letsel ondervindt... Immers, ik meen dat ook gij zelf, o Sokrates, wel eens de gedachte moet gehad hebben, dat wij menschen ons het liefst zulk een onderstelling van de ziel vormen, als was ons lichaam gestemd en werd het samengehouden door warm en koud, droog en vochtig, en dergelijke, zoodat dus de ziel uit deCmenging en de harmonie van die dingen zelve bestaat, wanneer zij op schoone wijze en in juiste verhouding tot elkander gemengd zijn. Als dus de ziel een-of-andere harmonie is, dan is het duidelijk dat, wanneer ons lichaam boven-mate verslapt of gespannen wordt door ziekten en andere kwaden, de ziel noodzakelijk dadelijk vergaan is, al is zij nog zoo goddelijk, evenals ook de overige harmonieën in de muziekinstrumenten en in al de werken der kunstenaars, terwijl de overblijfselen van ieder lichaam nog langen tijd hier bij ons blijven, totdat zij verbrandDzijn of verrot. Zie derhalve wat wij tegen die redeneering zullen zeggen, wanneer iemand beweert, dat de ziel de menging is van de elementen des lichaams en dus in den zoogenaamden dood het eerst omkomt.
Sokrates nu sloeg, zooals hij meest placht te doen, zijn oogen wijd op en glimlachte en sprak: Inderdaad, Simmias maakt een gegronde opmerking. Als derhalve iemand van ulieden gerechtvaardiger is dan ik, waarom heeft hij hem niet reeds geantwoord? Want hij lijkt een die onze redeneering duchtig aanpakt. Toch, dunkt mij, dat wij vóorEons antwoord eerst nog van Kebes behooren te vernemen, wat hij-van-zijn-kant op de redeneering heeft aan te merken, opdat wij tijd winnen om te overwegen wat wij zullen zeggen. Later, na ook hem gehoord te hebben, zullen wij, wanneer zij ons voorkomen eenigszins wijsvast te zingen, dat toegeven, doch zoo niet, dan eens-voor-goed onze rede verdedigen. Welaan dan, zeide hij, o Kebes, wat was het, dat u verontrust?—Ik ga het dan zeggen, zeî Kebes. Mij namelijk lijkt het, dat de redeneering nog in dezelfde stellingis, en, wat wij vroeger beweerden, hetzelfde zwakke87punt heeft. Want dat onze ziel bestond ook vóordat zij in deze gestalte gekomen was, daartegen verzet ik mij niet, dat dit niet op zeer behoorlijke en, als het niet onbescheiden is dat zoo te zeggen, op zeer voldoende wijze aangetoond is; doch dat zij ook ná onzen dood nog ergens zijn zal, lijkt mij zóo niet bewezen. Dat de ziel niet sterker en duurzamer is dan het lichaam, geef ik aan Simmias’ tegenwerping niet toe; want zij lijkt mij in al deze punten het lichaam zeer ver te overtreffen. Waarom dan, zoû de redeneering kunnen zeggen, zijt gij nog ongeloovig, daar gij ziet dat na den dood van den mensch het zwakkere deelBnog bestaat? Vindt gij niet dat het duurzamere noodzakelijk nog behouden moet blijven in dien tijd? Beschouw met het oog daarop het volgende, of ik daarmeê iets beweer. Ook ik natuurlijk, naar ’t schijnt, evenals Simmias, heb eene vergelijking noodig. Deze redeneering komt mij dan voor van dezelfde kracht te zijn als wanneer men van een in hoogen ouderdom gestorven wever deze bewering zoû doen, dat de mensch niet omgekomen is, maar ergens behouden voortbestaat, en als bewijs zoû aannemen dat het kleed, dat de man zelf geweven had en placht aan te hebben, behouden is en niet teloor-gegaan; en wanneer iemandCongeloovig was, vragen zou wat duurzamer is van-aard, een mensch of een kleed dat in gebruik is en gedragen wordt, en op het antwoord dat de mensch veel duurzamer is van-aard, het bewezen zoû meenen dat dus de mensch boven allen twijfel behouden is, aangezien toch het minder duurzame niet omgekomen is. Dit, meen ik, o Simmias, is niet zoo. (Want ook gij ga na wat ik zeg.) Ieder toch zoû denken, dat de man die dit beweerde, een dwaasheid zeide. Want die wever die vele dergelijke kleederen geweven en versleten had, is wel na al die vele gestorven,Dmaar eerder, meen ik, dan zijn laatste kleed, en toch is daarom de mensch niets minderwaardiger en zwakker dan een kleed. Diezelfde vergelijking, denk ik, zoû der verhouding van ziel tot lichaam passen, en iemand die dezelfdedingen omtrent hen zeide, zoû den schijn hebben verstandige dingen te spreken, dat de ziel wel duurzamer is en het lichaam zwakker en korter van duur, ja zelfs dat elke der zielen vele lichamen verslijt vooral wanneer zij vele jaren leeft (want dat, wanneer nog bij het leven van den mensch het lichaam verzwakt en vergaat, de ziel voortdurendEhet verslijtende bijweeft); maar dat toch noodzakelijk wanneer de ziel vergaat, zij haar laatste weefsel omheeft en eerder vergaat dan dit éene, en dat pas na het vergaan van de ziel het lichaam zijn natuurlijke zwakheid toont en snel door verrotting uitéen-valt. Zoodat het nog niet aan te raden is op die vroegere redeneering te vertrouwen en te gelooven dat, wanneer wij gestorven zijn,88onze ziel nog ergens bestaat. Want als eens iemand aan den verkondiger uwer stellingen zelfs nog meer gewonnen gaf en toestemde, dat niet alleen in den tijd vóordat wij geboren waren, onze zielen bestaan, maar dat niets verhindert dat ook nadat wij gestorven zijn, de zielen van sommigen nog bestaan en zullen bestaan en vele malen zuilen geboren worden en weder sterven (want dat het begrip ziel van-nature zoo sterk is, dat de ziel het uithoudt vele malen geboren te worden), doch dat hij daarnaast nog niet toegaf, dat zij niet in haar vele geboorten verzwakt en ten-slotte bij een harer sterfgevallen geheel-en-al te-gronde-gaat,Ben dat dat sterfgeval en die ontbinding van het lichaam, welke der ziel den ondergang brengt, niemand van te voren weet; want dat het onmogelijk is voor wien-dan-ook van ons dat voor te gevoelen? Doch als dat zoo is, past, zonder verwijt van dwaasheid, gerust te zijn omtrent den dood aan niemand, die niet kan bewijzen, dat de ziel geheel-en-al onsterfelijk en onvergankelijk is. En als hij dat niet kan, moet noodzakelijk de mensch die gaat sterven, voor zijn eigen ziel vreezen, dat zij bij de ophanden ontbinding van het lichaam geheel-en-al zal te-gronde gaan.
Door aan te hooren wat beiden spraken, werden wijCallen onaangenaam aangedaan, zooals wij later elkander vertelden, omdat zij ons die door de vroegere redeneeringten sterkste overtuigd waren geworden, weder leken te ontrusten en in twijfel neêr te storten niet alleen tegenover het vroeger behandelde, maar ook met betrekking tot wat nog zoû gezegd worden, uit vrees dat wij nietswaardige beoordeelaars zijn zouden, of ook dat de zaak zelf onbewijsbaar was.
Echekrates: Voorwaar bij de goden, o Phaidoon, ik kan mij in uw gevoel verplaatsen. Want ook bij mij zelven, nu ik u zoo iets heb hooren zeggen, komt de gedachte op: op welke redeneering moeten wij dus nogDvertrouwen? Want de rede die Sokrates hield en die zeer overtuigend was, is nu tot ongeloofwaardigheid gevallen. Want wonderlijk grijpt mij die redeneering aan nu als altijd, dat onze ziel een soort harmonie is, en nu ze weêr uitgesproken werd, maakte zij mij als gedachtig, dat ik ook zelf vroeger al die opvatting had. En ik gevoel weder groote behoefte als van-meet-af-aan naar eenig ander bewijs, dat mij overtuigen zal, dat de ziel van den gestorvene niet mede afsterft. Verhaal derhalve, bij Zeus, hoe achterhaaldeESokrates de rede? En was het ook van hem, zooals gij zegt van ulieden, eenigszins blijkbaar dat hij ontstemd was? Of niet, maar kwam hij kalmgemoed zijn betoog te hulp? En deed hij dat voldoende of gebrekkig? Verhaal ons alles zoo nauwkeurig als ge kunt.
Phaidoon: Wel dan, o Echekrates, hoewel ik vele malen Sokrates bewonderd heb, heb ik mij nooit meer over hem verbaasd dan toen bij hem. Dat hij nu wist wat te zeggen,89is misschien niets vreemds; maar ik bewonderde meest van hem in de eerste plaats dit, hoe vriendelijk en welwillend en waardeerend hij de redeneering der jonge mannen opnam, verder hoe scherpzinnig hij van ons waarnam, wat wij onder die redeneeringen geleden hadden, dan hoe goed hij ons genas en ons als van de vlucht en de nederlaag weêromriep en aanspoorde hem te volgen en met hem de redeneering te beschouwen.
Echekrates: Hoe dan?
Phaidoon: Ik zal het u zeggen. Ik zat namelijk vlakBaan zijn rechterhand naast het bed op een soort schabel, en hij zat veel hooger dan ik. Hij streelde nu over mijn hoofd en vatte de haren in mijn nek samen—want hij had, als het er zoo toe leî, de gewoonte met mijn haren te spelen—en zeide: Morgen dan, o Phaidoon, zult gij misschien uw schoone haren afscheren.—Waarschijnlijk, zeide ik, o Sokrates.—Niet, als gij naar mij luistert.—Wat dan? zeî ik.—Vandaag, zeî hij, zal ik de mijne en gij de uwe afscheren, als ons betoog gestorven is en wij het niet kunnen doen herleven. En ik, als ik u was en dat betoog mijContsnapte, zoû een eed zweren evenals de Argeiers, dat ik niet eerder lang haar zoû dragen vóor ik in nieuwen strijd de rede van Simmias en Kebes zoû overwonnen hebben.—Maar, zeide ik, tegen twee, zegt men, kan zelfs Herakles niet op.—Doch roep ook mij, zeide hij, als uwen Iolaos te hulp, zoolang het daglicht is.—Ik roep u dan te hulp, niet als een Herakles zijn Iolaos, maar als een Iolaos zijn Herakles.—Dat zal geen verschil maken, zeide hij. Doch laten wij in de eerste plaats ons hoeden, dat éen ding ons niet overkomt.—Wat dan? vroeg ik.—DatDwij niet, zeide hij, redenenhaters worden, zooals men menschenhater wordt. Want daar is geen grooter ramp die iemand zoû kunnen overkomen dan dat hij redeneering leert haten. Redenenhaat ontstaat op dezelfde wijze als menschenhaat. Want menschenhaat neemt ons in doordat wij zonder kennis heftig op iemand vertrouwen en meenen dat die man volkomen waarachtig is en gezond en betrouwbaar, en hem kort daarna slecht en trouweloos bevinden, en dan-weêr een tweeden; en wanneer iemand dat vele keeren ondervindt en vooral van hen die hij wel voor meestEeigen en meest bevriend moet houden, haat hij in het eind door veelvuldigen aanstoot allen en meent dat in niemand éen enkel gezond ding is. Of hebt gij niet waargenomen dat dit voorkomt?—Maar al te zeer, zeide ik.—Komt dat nu niet, zeide hij, omdat zoo-iemand op een leelijke manier en zonder kennis van het menschelijk karakter onderneemt met menschen om te gaan? Immers, als hijmèt kennis met hen omging, zoû hij zijn meening gevormd hebben zooals het werkelijk is, dat de goeden en slechten90beiden zeer weinige zijn, maar die daartusschen de meeste.—Hoe bedoelt gij?—Het gaat hiermeê als met het zeer kleine en het zeer groote. Meent gij dat iets zeldzamer is dan een zeer groot of een zeer klein mensch uit te vinden, of hond, of wat-dan-ook? Of ook zeer snel of langzaam, of zeer leelijk of schoon, of volkomen blank of zwart? Of hebt gij niet waargenomen dat van al dergelijke de uiterste uiteinden schaarsch en weinig zijn, maar de middelsoort overvloedig en talrijk?—Zeker, zeî ik.—Meent gij nuBniet dat, indien er een wedstrijd in slechtheid uitgeschreven werd, de eersten ook op dat gebied zeer weinige zouden blijken?—Waarschijnlijk.—Juist. Doch dit is niet het punt waarin redeneeringen gelijk zijn aan menschen (door u liet ik mij verleiden met u af te dwalen), maar in dat andere: wanneer iemand zonder kennis van redeneeringen op eenige redeneering vertrouwt dat die waar is, en kort daarna haar leugenachtig bevindt, somtijds terwijl zij dat is, somtijds ook terwijl zij dat niet is, en zoo verder met een tweede en een derde. En vooral zij die hunCtijd doorbrengen met redeneering-afbrekende redeneeringen, weet-ge, meenen ten-slotte zeer wijs geworden te zijn en alléen te hebben ingezien dat noch in eenige zaak, noch in eenige redeneering iets gegronds of standvastigs is, maar dat al het bestaande volmaakt als in een Euripos heen-en-weêr wentelt en geen oogenblik op éen plaats blijft.—Gij spreekt de volle waarheid, zeide ik.—Zoû het nu niet, o Phaidoon, een jammerlijke ervaring zijn, indien iemand, ondanks het bestaan van een waarachtige en standvastige levensverklaring en die het mogelijk is inDte zien, door het luisteren naar zoodanige redeneeringen die hem tegelijk nu-eens waar en dan-weêr niet waar voorkomen, niet aan zich-zelf en zijn eigen gebrek aan kennis de schuld zoû geven, maar ten-slotte uit verdrietigheid de schuld verlicht van zich-zelf op de redeneeringen zoû afkaatsen en dan zijn verder leven zoû doorbrengen metdeze te haten en te beschimpen, terwijl hij zóo van de waarheid en de kennis van het bestaande verstoken werd?—Voorwaar bij Zeus, zeide ik, wel jammerlijk.—Laten wij ons derhalve, zeide hij, in de eerste plaats hier-voorEhoeden, en de gedachte niet tot onze ziel doorlaten, dat in de redeneeringen mogelijk niets gezonds is, maar veel-eer datwijnog niet gezond zijn, maar met mannen-moed ernaar streven moeten zoo te worden, gij en de anderen ook ter wille van uw geheele volgende leven, en ik om mijn dood zelf. Want ik-voor-mij loop gevaar op het91oogenblik juist omtrent den dood mij niet wijsgeerig te gedragen, maar twistgierig als de erg onbeschaafden. Dezen toch, wanneer zij over eenig ding redetwisten, bekommeren zich niet hoe het werkelijk staat met de dingen waarover de redeneering gaat, maar dat hunne eigen stellingen door de aanwezigen zullen worden aangenomen, daarvoor doen zij hun best. En ik, lijkt me, zal bij deze gelegenheid van hen slechts in deze kleinigheid verschillen, dat ik niet mijn best zal doen, dat mijne beweringen waar lijken aan de aanwezigen, of het moest zijn als bijzaak, maar dat zij mij-zelven zooveel mogelijk zullen toeschijnen zoo te zijn.BWant ik redeneer, mijn geliefde vriend, let eens op hoe baatzuchtig: indien mijn beweringen waar zijn, dan is het schoon daarin te gelooven; en indien er na den dood niets is, zal ik tenminste gedurende den tijd zelven vóor den dood minder kans loopen den aanwezigen door jammerklachten onaangenaam te zijn. Deze onwetendheid nu zal niet met mij voortduren—want dat zoû een ramp zijn—, maar binnen korten tijd vergaan. Zóo dan, zeide hij, o Simmias en Kebes, toegerust, ga ik ter rede. Gij echter, wanneer gij mij genoegen wilt doen, bekommertCu weinig om Sokrates, maar veel meer om de waarheid, en stemt wanneer ik u voorkom iets waars te zeggen, daarin toe, maar zoo niet, verzet u met alle rede, opdat ik niet uit voortvarendheid mij-zelf tegelijk en ulieden bedriege en wegga als een bij, mijn angel achterlatende.
Doch op weg! zeide hij. Vooreerst, brengt mij in gedachtewat gij zeidet, wanneer ik blijk geef het mij niet juist te herinneren. Simmias namelijk, naar ik meen, is ongeloovig en vreest dat de ziel, al is zij ook goddelijkerDen schooner dan het lichaam, eerder omkomt, daar zij een soort harmonie is. Doch Kebes kwam mij voor, hierin met mij overeen te stemmen, dat de ziel tenminste duurzamer is dan het lichaam, doch dat dít voor elk onzeker is: of niet misschien de ziel na dan ook vele lichamen vele malen versleten te hebben, nu ten-slotte haar laatste lichaam verlaat en zelf omkomt, en dat de dood juist dit is: de ondergang der ziel, daar het lichaam niet ophoudt voortdurend te vergaan. Zijn dit niet, o Simmias en Kebes, de dingenEdie wij moeten nabeschouwen?—Zij stemden beiden toe, dat dit het was.—Neemt gij nu de vorige redeneeringen gezamenlijk niet aan, of sommige wel, andere niet?—Sommige niet, andere wel, zeiden zij.—Wat meent gij dan van die redeneering waarin wij bespraken dat leeren herinnering is, en dat, wanneer dit zoo is, onze ziel noodzakelijk vroeger ergens anders moet bestaan, vóor zij in ons lichaam92werd ingekluisterd?—Ik, zeide Kebes, werd zoo-straks wonder-zeer overtuigd en houd mij ook nu aan deze redeneering als aan geene.—Voorwaar, zeide Simmias, ook met mij zelf staat het zoo, en ik zoû mij zeer verwonderen, als ik hierover tenminste ooit een andere meening kreeg.
Maar noodzakelijk moet gij, zeide Sokrates, mijn Thebaansche vriend, tot een andere opvatting komen, als deze meening stand-houdt, dat de ziel een soort harmonie is en samengesteld uit datgene wat in het lichaam alsBsnaren gespannen is. Want gij zult toch niet, al zegt gij het zelf, aannemen, dat een harmonie, die samengesteld is, eerder bestaat dan die dingen waaruit zij moest worden samengesteld? Of wel?—Geenerwijs, o Sokrates.—Voelt gij nu wel, dat gij dit tòch beweert, wanneer ge zegt dat de ziel bestaat, vóor zij nog gekomen is in de gestalte en het lichaam eens menschen, en zij dus samengesteld is uit het nog niet bestaande? Want harmonie is niet zoodanig als waarmede gij haar vergelijkt, maar éerst ontstaan delier en de snaren en de nog ongestemde tonen, en het laatstCvan alles komt de harmonie tot-stand en vergaat het eerst. Hoe zal nu deze redeneering ooit met die andere overeenstemmen?—Op geene wijs, zeide Simmias.—En toch past het aan een redeneering over harmonie, indien aan eenige andere, met zich-zelf in overeenstemming te zijn.—Ja, zeg dat wel.—Deze uwe redeneering stemt dus niet overeen. Doch zie toe: welke der beide redeneeringen kiest gij, die dat leeren herinneren is, of die dat de ziel een harmonie is?—Veel liever, zeî hij, de eerste, o Sokrates. Want deze laatste kwam tot-stand zonder bewijs, met eenDzekeren schijn van waarheid en welgepastheid voor zich; waarvandaan zij dan ook door de meerderheid der menschen aanvaard wordt. Doch ik weet, dat de redeneeringen die door middel van vergelijkingen willen bewijs leveren, overbluffend zijn, en wanneer men niet voor haar oppast, zeer licht misleiden zoowel in geometrie als in al de overige wetenschappen. Maar de redeneering van herinnering en leeren is op aannemenswaardigen grond uitgesproken. Want er werd gezegd, geloof ik, dat onze ziel evenzeer bestaat ook vóor zij binnen ons lichaam gekomen is, als de wezenheidEzelf bestaat die den naam draagt van dat wat is. Ik heb deze laatste, naar mijn duurzame overtuiging, op voldoende en juiste gronden aangenomen. Het is daarom dus, naar het schijnt, noodzakelijk voor mij, noch van mij-zelf, noch op andermans beweren aan te nemen, dat de ziel een harmonie is.—Maar hoe denkt gij, zeî de ander, o Simmias, over het volgende? Dunkt u, dat een harmonie of eenige andere samenstelling eenigszins anders vermag te zijn dan die93dingen waaruit zij is samengesteld?—Geenszins.—En ook vermag zij, naar ik meen, niets anders te doen en niets te ondergaan in strijd met wat die dingen doen of ondergaan.—Dat gaf hij toe.—Dus kan een harmonie die dingen waaruit zij is samengesteld, niet leiden, maar moet hen volgen.—Dat vond hij ook.—Verre dus is het ervandaan, dat een harmonie een beweging maakt of een klank geeft strijdig met hare eigen deelen of in eenigander ding daartegen in verzet komt.—Ja, verre.—Verder. Is niet elke harmonie van zulk een natuur als zij gestemd is?—Dat begrijp ik niet, zeide hij.—Zal niet, wanneer een harmonie meer gestemd is en over meerBtonen, indien daartoe mogelijkheid bestaat, die harmonie meer harmonie zijn en een breedere, en indien zij minder en over weiniger tonen gestemd is, minder harmonie en een meer beperkte?—Zeker.—Gaat dat nu door voor de ziel, zoodat ook-maar-in-’t-minst de éene ziel meer dan de andere in breedere maat en meer, of in beperktere maat en minder juist dit, ziel, is?—Volstrekt niet, zeî hij.—Welaan dan, bij Zeus! Men zegt, dat de éene ziel verstand heeft en deugd en dat zij goed is, maar dat de andere onverstand heeft en slechtheid en dat zij boos is.CWordt ook dit naar-waarheid beweerd?—Ja, naar-waarheid.—Wat zal nu iemand van hen die stellen dat de ziel een harmonie is, zeggen dat deze dingen in de ziel aanwezig, deugd en boosheid, zijn? Soms dat dit weêr een andere harmonie is en disharmonie? En dat de éene, de goede, gestemd is, en, zelf een harmonie, in zich weêr een andere harmonie heeft, maar de slechte zelf ongestemd is en ook geen andere harmonie in zich heeft?—Ik kan dat niet uitmaken, zeide Simmias, maar het is duidelijk, dat iemand die die onderstelling maakt, ongeveer zóo zou moetenDspreken.—Maar vroeger is overeengekomen, dat niets meer of minder de éene ziel dan de andere ziel, ziel is. Dat toe te geven beteekent dan dat de éene harmonie niets meer en niet in breedere maat, en niets minder en niet in beperktere maat dan de andere harmonie, harmonie zoû zijn, niet-waar?—Zeker.—En dat de harmonie die niets meer of minder harmonie is dan een andere, niet meer of minder gestemd is dan de andere? Is dat zoo?—Zoo is het.—En heeft de harmonie die noch meer noch minder gestemd is dan een andere, mogelijk meer of minder deel aan harmonie dan een andere, of evenveel?—Evenveel.—Derhalve is de ziel, aangezien de éene ziel nietsEmeer of minder dan de andere juist dit, ziel, is, ook nietmeer en niet minder gestemd dan een andere?—Zoo is het.—Maar als dat waar is, zal zij niet meer dan een andere deel kunnen hebben aan disharmonie of harmonie.—Neen immers.—En als dat weêr waar is, zal dan de éene ziel iets meer dan de andere deel kunnen hebben aan boosheid of deugd, indien tenminste boosheid disharmonie en deugd harmonie is?—Neen, niets.—Of liever misschien,94o Simmias, zal, juist geredeneerd, geen enkele ziel deel-hebben aan boosheid, indien zij tenminste een harmonie is. Want natuurlijk zal een harmonie die in allen deele juist dit, harmonie, is, nooit deel kunnen hebben aan disharmonie.—Neen voorwaar.—En zoo ook natuurlijk een ziel die in allen deele ziel is, niet aan boosheid.—Hoe zoû dat kunnen na het besprokene?—Als gevolg dus van deze redeneering vinden wij, dat alle zielen van alle wezens gelijkelijk goed zijn, als tenminste de zielen van-nature gelijkelijk juist dit, zielen, zijn.—Mij komt het zoo voor, o Sokrates.—En komt het u ook voor, dat dit terecht zoo beweerd wordt, zeide hij, en dat onze redeneering daaropBuitgeloopen zoû zijn, indien de veronderstelling juist was, dat de ziel een harmonie is?—Neen, volstrekt niet.—En verder. Beweert gij dat van alle dingen die in een mensch zijn, wel iets anders heerschappij voert dan de ziel, vooral als zij verstandig is?—Neen.—Door toe te geven aan de lichamelijk begeerten, of ook door zich daartegen te verzetten? Ik bedoel, bij-voorbeeld, dat zij wanneer hitte in het lichaam is en dorst, het lichaam naar het tegenovergestelde doet, niet te drinken, trekt, en wanneerCer honger in is, naar het niet-eten, en in ontelbare andere zaken wel zien wij, dat de ziel zich verzet tegen de lichamelijke begeerten. Of niet?—Voorzeker.—Zijn wij daarentegen niet in onze vroegere redeneeringen overeengekomen dat zij, wanneer zij tenminste een harmonie is, nooit een toon zoû kunnen geven in strijd met datgene waardoor gespannen en ontspannen en getokkeld worden en wat-dan-ook ondergaan die dingen waaruit zij tot-stand-komt, maar dat zij die volgt en ze nooit zoû kunnen leiden?—Datzijn wij overeengekomen, zeker.—Hoe nu? Blijkt ons nu niet, dat zij al het tegenovergestelde werkt, door al die dingen waaruit men beweert dat zij tot-stand-komt, teDleiden, en bijna in alles zich het geheele leven door daartegen te verzetten en erover te heerschen op alle wijzen, deels door strenger en pijnlijk, inzake lichaamsoefening en geneeskunst, deels door zachter te straffen, en dat zij deels dreigend, deels waarschuwend, met de begeerten en driften en vreezen als een vreemd wezen met een vreemd ding gesprek-voert? Zooals ook wel Homeros in de Odysseia bedoeld heeft te dichten, waar hij van Odysseus zegt:
Sloeg op zijn borst zich de held en beknorde zijn hart met de woorden:EHart, houd uit; al andere hondschere dingen verdroegt gij.
Sloeg op zijn borst zich de held en beknorde zijn hart met de woorden:EHart, houd uit; al andere hondschere dingen verdroegt gij.
Sloeg op zijn borst zich de held en beknorde zijn hart met de woorden:EHart, houd uit; al andere hondschere dingen verdroegt gij.
Sloeg op zijn borst zich de held en beknorde zijn hart met de woorden:
EHart, houd uit; al andere hondschere dingen verdroegt gij.
Meent gij, dat Homerus dit gedicht heeft, als ware de ziel een harmonie en geaard zich door de indrukken van het lichaam te laten leiden, en niet in de vaste gedachte dat zij geaard is deze te leiden en erover te heerschen, en dat zij een veel goddelijker iets is dan een harmonie of zoo?—Bij Zeus, o Sokrates, ik denk van-wel.—Derhalve, o mijn beste, is het in geen enkel opzicht schoon voor ons, van de ziel te zeggen dat zij een soort harmonie is. Want zóo zouden wij, naar ’t schijnt, noch met Homeros95den goddelijken dichter overeenstemmen, noch met onszelven.—Zoo is het, zeide hij.
—Goed dan, zeî Sokrates. Harmonia de Thebaansche is ons, naar ’t schijnt, vrij-wel genadig geworden; maar hoe staat het met Kadmos, o Kebes? Hoe en met welke redeneering zullen wij hem verzoenen?—Gij, denk ik, zult dat wel uitvinden, zeide Kebes. Dat betoog tenminste van zoo-even tegen Harmonia hebt gij wonderlijk boven verwachting gesproken. Want toen Simmias zeide wat zijn bezwaar was, waren wij zeer benieuwd of iemand zijn redeBzoû kunnen te lijf komen. Dus kwam het mij zeer vreemd voor, dat zij al dadelijk den eersten aanval van uwe rede niet afwachtte. Het zoû mij dan ook niet verwonderen als Kadmos’ betoog hetzelfde ondervond.—Mijn goede vriend, zeide Sokrates, spreek niet groot, opdat geen booze invloed onze komende redeneering overhoop werpe. Maar dit zal der godheid zorg zijn, doch laten wij, als Homerische helden nadertredende, de proef nemen of gij iets standhoudends beweert. De hoofdzaak dan van uw onderzoek bestaat hierin: gij verlangt dat van onze ziel bewezen wordeCdat zij onvergankelijk en onsterfelijk is, indien een wijsgeer die op het punt van te sterven goedsmoeds is en meent dat hij na zijn dood daarginds onderscheidenlijk beter zal varen dan wanneer hij na een leven in een andere richting eindigde, niet met een onverstandige en dwaze gerustheid gerust zal zijn. Maar het bewijs, dat de ziel sterk is en godgelijkend en dat zij reeds vroeger bestond vóor wij mensch geworden zijn,—niets verhindert, zegt gij, dat dit alles niet aanduidt: onsterfelijkheid, doch alleen dat de ziel langdurig is en vroeger licht een onmetelijkDlangen tijd bestond en vele dingen wist en deed. Toch was zij daarom niets meer onsterfelijk, maar juist haar komst in een menschelijk lichaam was voor haar het begin van den ondergang als eene ziekte. En lijdende zoû zij dan dit leven doormaken en ten-laatste in den zoogenaamden dood te-gronde-gaan. Het maakt dan, zegt gij, geen verschil of zij éenmaal of meermalen in een lichaam komt, voor de vraag of een ieder van ons zich bevreesd behoeft te maken. Want zich bevreesd maken behoort, indien hij niet onverstandig is, ieder die niet weet en niet verantwoordenEkan, dat de ziel onsterfelijk is. Dat vrij-wel is, meen ik, o Kebes, wat gij beweert. En met opzet haal ik het vele malen op, opdat geen enkel ding ons ontsnappe, en opdat gij, indien gij wilt, er nog iets aan toe kunt voegen of ervan afnemen.—Kebes zeide: Voorshands behoef ìk er niets van af te nemen of eraan toe te voegen. Doch dit is werkelijk wat ik beweer.
Sokrates nu wachtte een geruimen tijd en overwoog iets bij zich-zelven. Toen sprak hij: Geen geringe zaak, o Kebes, verlangt gij; want door-en-door moeten wij omtrent wording en verderf de oorzaak doorzoeken. Ik nu96zal, als gij dat goed-vindt, mijne eigene levenservaringen daaromtrent voor u doorloopen, dan kunt gij als iets van wat ik zeg, u bruikbaar voorkomt, dat aanwenden tot een grootere zekerheid betreffende de dingen waarvan gij spreekt.—Voorwaar, zeide Kebes, dat wil ik graag.—Hoor dan toe; want ik begin. Ik namelijk, o Kebes, verlangde, toen ik jong was, wonderlijk-hoe-zeer naar die wijsheid die men natuurkunde noemt. Want zij kwam mij voor overheerlijk te zijn, te weten de oorzaken van elk ding, waarom elk ding ontstaat en waarom te-niet-gaat en waarom bestaat. En vele malen tobde ik mij af met zoodanigeBbeschouwingen: of, wanneer het warme en het koude een zekere gisting aanneemt, dan, zooals sommigen beweren, de levende wezens zich voeden, en of het het bloed is waarmeê wij denken, of de lucht of het vuur of wel geen van deze, maar dat het de hersenen zijn die de zinlijke waarnemingen verschaffen van hooren en zien en ruiken, en dat uit deze ontstaat herinnering en meening, en uit herinnering en meening, wanneer die tot rust gekomen zijn, op dezelfde wijze weêr wetenschap. En een anderen keer onderzocht ik de oorzaken van vernietiging vanCdeze dingen, en de verschijnselen in den hemel en op de aarde, en ik kwam mij ten-laatste voor tot dat onderzoek zoo van-nature ongeschikt te zijn als geen ander ding ter wereld. Een toereikend bewijs zal ik u zeggen. Immers, zelfs wat ik vroeger zeker wist, zooals het tenminste mij-zelf en den anderen voorkwam, daarin werd ik door dat onderzoek zoo zeer verblind, dat ik verleerde óok wat ik voordien meende te weten, zoowel omtrent vele andere dingen als ook bij-voorbeeld waardoor een mensch groeit. Want hiervan meende ik voordien dat het een ieder duidelijk was, dat dat komt door eten en drinken; want datDwanneer uit de spijzen aan het vleesch, vleesch is toegevoegd,en aan het been, been, en zoo op dezelfde wijze ook aan elk der overige dingen wat daarbij behoort, dan daarna de omvang van klein groot geworden is, en dat zoo een mensch van klein groot wordt. Zoo meende ik toen. Vindt gij niet, vrij-wel terecht?—Ik wel, zeide Kebes.—Ga dan ook nog eens het volgende na. Ik meende namelijk tevreden te kunnen zijn met mijn inzicht, wanneer een groote mensch naast een kleinen kwam te staan en hij mij door zijn hoofd grooter leek te zijn danEde andere, en een paard dan een ander paard. En wat nog duidelijker is, tien kwam mij voor, meer te zijn dan acht, doordat men er twee aan heeft toegevoegd, en wat twee el lang is leek mij grooter te zijn dan iets van éen el, doordat het er half boven uitstak.—Wat denkt gij daar nu van? vraagde Kebes.—Dat ik heel ver, bij Zeus, van de meening ben omtrent éen van deze dingen de oorzaak te weten, ik die bij mij-zelf niet uitmaken kan, dat, wanneer men een ding bij een ander ding voegt, òf dat waarbij gevoegd is, òf dat wat toegevoegd is, twee geworden97is, òf dat zij beide tezamen door de samenvoeging bij elkander twee geworden zijn. Want ik vind het onbegrijpelijk, dat, toen elk van beide van elkander afgezonderd was, elk van beide éen enkel ding was en zij toen niet twee waren, maar dat, nadat zij tot elkander genaderd zijn, dit, de vereeniging door het bij elkander gevoegd worden, oorzaak voor hen wordt om twee te worden. En ook wanneer men een enkel ding splitst, kan ik niet gelooven dat dit, de splitsing, oorzaak is geweest van het twee-geworden-zijn. Want nu is de oorzaak van het twee-worden de tegengesteldeBvan daar-straks. Want daar-straks bestond die daarin dat zij bij elkander werden samengebracht en aan elkander toegevoegd, maar nu dat zij van elkander worden verwijderd en gescheiden. En ook kan ik mezelf niet meer overtuigen dat ik weet waarom eenig ding éen wordt, of in-éen-woord van iets anders waarom iets ontstaat of vergaat of bestaat, als ik deze richting van methode volg, maar in een andere richting broddel ik zelf op eigen gelegenheid,en die eerste methode laat ik volstrekt niet tot mij toe.
Maar toen ik eens iemand uit een boek, zooals hij zeideCvan Anaxagoras, hoorde voorlezen en zeggen, dat het de geest is die alles regelt en van alles oorzaak is, was ik blijde met die verklaring, en het leek mij in zekere richting volkomen helder, dat de geest van alle dingen oorzaak is, en ik meende dat als dit zoo is, de geest die alles regelt, ook alles ordenen moet als bést is; en dat derhalve wanneer iemand de oorzaak wil uitvinden omtrent ieder ding, hoe het ontstaat of vergaat of bestaat, hij daaromtrent dìt moet uitvinden: hoe het voor dat ding bést is òf te zijn òf wat-anders-ook te ondergaan of te doen; enDdat op grond van deze verklaring, een mensch niets anders behoort na te gaan zoowel betreffende dat bizondere ding als betreffende andere dan het beste en uitnemendste; en dat noodzakelijk diezelfde mensch ook het slechtere weet; want dat de kennis omtrent beide éen-en-dezelfde is. Deze dingen dan bedacht ik met vreugde, en meende van de oorzaak betreffende het bestaande een onderwijzer gevonden te hebben niet alleen naar den geest, maar naar mijn eigen hart: Anaxagoras—en ik meende, dat hij mij eerst wijzen zoû of de aarde vlak is of bol, en nadat hij dit aangetoondEhad, achterna de oorzaak en de noodwendigheid uiteenzetten, besprekend wat best voor haar is en dat het best voor haar is zóo te zijn; en wanneer hij zoû zeggen, dat zij in het midden is, dan dacht ik dat hij daarna zoû uiteenzetten dat het beste was, dat zij in het midden is; en als hij mij deze dingen zoû verklaren, was ik gereed geen andere soort van oorzaak meer te begeeren. En ook98omtrent zon en maan en de overige hemellichamen was ik zoo bereid, om mij op dezelfde wijze te laten onderrichten, omtrent hun onderlinge snelheid en hunne wendingen en hun overige verschijnsel-gevallen, hoe beschouwd het wel het beste is, dat zij een elk dat doen en ondergaan wat zij ondergaan. Want ik meende dat hij, daar hij immers beweerde dat zij door de géest geordend waren, hun nooiteen andere oorzaak zoû kunnen toedragen, dan dat hetBbeste is, dat zij zóo zijn als zij zijn. Door nu aan elk ding afzonderlijk en daarna aan alle dingen gezamenlijk hun oorzaak toe te kennen, zoû hij, meende ik, wat voor elk ding het beste was, uiteenzetten, en daarna het voor alle dingen gemeene goede. En voor geen geld zoû ik mijne verwachtingen verkocht hebben, maar met grooten ijver nam ik zijn boeken ter hand en las die zoo snel ik kon om zoo snel mogelijk het beste en het slechtere te weten.
Van wonderlijk hooge verwachting dan, o mijn vriend, stortte ik neêr, toen ik al voortlezende een man gewaar werd, die den geest volstrekt niet in toepassing bracht totChet regelen der dingen, maar licht en aither en water en vele andere wonderlijke zaken als oorzaken opgaf. En het leek mij dat hij even mal deed, als wanneer iemand beweren zoû dat Sokrates alles wat hij doet, door den geest doet, en dan zoû trachten de oorzaken aan te geven van al de dingen die hij doet, en al dadelijk zeggen zoû dat ik nu hier zit, dáarom omdat mijn lichaam is samengesteld uit beenderen en pezen, en dat de beenderen vast zijn en door gewrichten van elkaêr zijn gescheiden, maar de pezen ingerichtDom zich te kunnen spannen en ontspannen, terwijl zij samen met het vleesch en het vel dat hen samenhoudt, de beenderen omgeven; en dat dus daar mijne beenderen bewegelijk zijn in hunne gewrichten, mijn pezen door zich te ontspannen en samen te trekken mij in-staat-stellen op het oogenblik mijne leden te buigen, en dat ik om die oorzaak samengebogen hier nederzit. Of ook wanneer iemand andere dergelijke oorzaken zoû opgeven omtrent ons samenspreken, stem en lucht en gehoor en andere ontelbare dergelijke als oorzaken noemende, zonder zich de moeite teEgeven de waarachtige oorzaken te zeggen, dat, nu de Atheners beter hebben gevonden mij te veroordeelen, daarom ook ik op mijn beurt het beter vond hier neder te zitten, en rechtvaardiger te blijven en de straf te ondergaan, die zij bevolen hebben. Want, bij den hond, al-lang, naar ik meen, zouden deze pezen en beenderen in de buurt van Megara99of Boiotia zijn, door een andere opvatting van het beste daarheen gedragen, indien ik het niet voor rechtvaardiger en schooner hield, in plaats van te vluchten en op den loop te gaan, aan den staat de boete te betalen, die hij oplegt. Maar dergelijke dingen oorzaken te noemen is al te dwaas; doch als iemand zeide, dat buiten het bezit van dergelijke, beenderen en pezen en al het andere wat ik heb, ik niet in-staat zoû zijn te doen wat ik goed-vind, zoû hij de waarheid zeggen; dat ik echter (en dat wel vooropgezet, dat ik handel door den geest) wat ik doe, doe op grond van dezeBdingen, en niet door de keuze van het beste, zoû groote en ver-reikende lichtzinnigheid van redeneeren zijn. Want dat men niet onderscheiden kan dat de wezenlijke oorzaak iets anders is dan dat zonder wat de oorzaak nooit de oorzaak zoû kunnen zijn! Dáarom lijkt het mij dat de meesten, tastende als in duisternis, met een verkeerden naam dit als oorzaak benoemen. Om die reden dan ook omgeeft de éen de aarde met een maalstroom en stelt dat zij zoo onder den hemel blijft, en de ander onderstut haar evenals eenCvlakke baktrog met de lucht als basis. Maar naar de macht waardoor de dingen nu zoo geplaatst zijn als het voor hen het best mogelijk was gesteld te worden, daarnaar doen zij noch onderzoek, noch gelooven, dat die goddelijke kracht bezit, maar zij meenen eenmaal nog een Atlas uit te zullen vinden krachtiger dan dit en onsterfelijker en die meer alles samenhoudt, en zij meenen dat in-waarheid het goede en noodwendige niets samenbindt en samenhoudt. Ik nu had in een dergelijke oorzaaksleer, hoe die dan zij, zeer gaarne leerling van-wien-dan-ook willen worden. Doch toen ik van deze verstoken was en niet in-staat geweest was òf haar zelf te vinden òf van een ander te leeren,—hoe ikDtoen mijn tweede vaart naar de ontdekking der oorzaak ondernomen heb, wilt gij dat ik u daarvan het relaas zal doen, o Kebes?—Bovenmate, zeide hij, wil ik dat.
—Ik meende dan daarna, zeide hij, toen ik moede geworden was van naar de wezenlijke dingen te schouwen, op mijn hoede te moeten zijn, dat ik niet hetzelfde ondervondals menschen die een zonsverduistering bijwonen en met het oog volgen. Want het komt wel voor, dat enkelen hun oogen bederven, als zij niet in het water of iets dergelijksEhaar spiegelbeeld beschouwen. Voor iets van dien aard maakte ook ik mij bezorgd en ik vreesde, dat ik geheel-en-al verblind zoû worden van ziel door naar de dingen met mijn oogen te staren en te beproeven hen met elk mijner zintuigen te beroeren. Ik meende dan tot de verstandelijke redeneeringen toevlucht te moeten nemen en daarin de waarheid der dingen te moeten beschouwen. Misschien nu is het geval eenigerwijze niet gelijk aan het beeld100waarmeê ik het vergelijk. Want ik geef volstrekt niet toe dat hij die in de redeneering de dingen beschouwt, hen meer in beelden ziet dan die hen in de zichtbare dingen beschouwt. Maar dien weg dan ben ik opgegaan en telkens als grondslag nemende de redeneering die ik de krachtigste oordeel, stel ik als waar wat mij hiermeê voorkomt overeen te stemmen, zoowel omtrent oorzaak als omtrent andere dingen, en wat niet, als niet-waar. Ik wil u nog duidelijker zeggen wat ik bedoel. Want ik denk, dat gij het niet verstaat.—Neen, bij Zeus, zeide Kebes, niet erg.—Wel, zeideBhij, ik bedoel het zóo,—niets nieuws, maar wat ik telkens ook bij andere gelegenheden en ook in het voorbije deel mijner rede niet opgehouden heb te zeggen. Ik ga dan namelijk beproeven u het soort van oorzaaksverklaring te beduiden waar ik mij meê bezig heb gehouden, en zal teruggaan tot die bekende veelbeprate zaken en van haar uitgaan door te onderstellen dat er een begrip schoon op-zich-zelf bestaat en een begrip goed en groot en al de andere. Als gij mij deze gewonnen geeft en toestemt dat deze bestaan, hoop ik u den grond der dingen te verklaren en daaruit uit te vinden dat de ziel onsterfelijk is.—Voorwaar,Czeide Kebes, ge kunt zeker zijn, dat ik u dit gewonnen geef, en niet vlug genoeg erop doorgaan.—Beschouw dan, zeî hij, wat daarop volgt, of gij het juist zoo vindt als ik. Mij namelijk komt het voor, dat wanneer eenig ander ding schoon is, het om geen enkele andere oorzaak schoonis dan doordat het deel-heeft aan dat begrip schoon. Ook op alle andere dingen pas ik die redeneering toe. Kunt gij u met zulk een oorzaaksverklaring vereenigen?—Ja zeker, zeî hij.—Dan, zeî hij, versta ik andere geleerde gronden niet meer en kan ze niet begrijpen. Maar wanneer iemand tegen mij beweren wil wáarom eenig ding schoon is, òfDomdat het een bloeiende kleur heeft òf gestalte òf iets anders van dien aard, laat ik het overige varen—want in al het overige verwar ik mij—, maar eenvoudig en botweg en misschien een beetje dom houd ik bij mij zelf dit éene vast, dat niets anders dat ding schoon maakt, dan hetzij de aanwezigheid van, hetzij de gemeenschap aan dat andere schoon, hetzij door welk ander middel of op welke andere wijze het erbij komt. Want verder verzeker ik daaromtrent niets, behalve dat door het schoone de schoone dingen schoon worden. Want dat lijkt mij het veiligste antwoord om zoowel mij-zelf als een ander te geven, en als ik mijEdaaraan vast-houd, meen ik nooit te zullen vallen, maar ik denk dat dit een veilig antwoord is, zoowel aan mij als aan wien-anders-ook, dat door het schoone de schoone dingen schoon zijn. Of vindt ook gij dit niet?—Ja.—En dus zijn door grootheid de groote dingen groot en de grootere, grooter, en door kleinheid de kleinere dingen kleiner?—Zeker.—Ook gij zoudt dus niet goedkeuren als men zeide, dat iemand grooter is dan een ander door zijn hoofd, en de101kleine door datzelfde kleiner, maar betuigen dat gij geen andere redeneering aanneemt dan dat alle grootere ding grooter is dan een ander door niets anders dan door grootheid, en dat dit, de grootheid, de oorzaak is van zijn grooter-zijn, en dat het kleinere kleiner is door niets anders dan door kleinheid, en dat dit, de kleinheid, de oorzaak is van zijn kleiner-zijn, uit vrees, denk ik, dat u, wanneer gij beweert dat iemand grooter is en ook weêr kleiner door zijn hoofd, de redeneering zal worden tegengevoerd, in de eerste plaats dat dan het grootere grooter is door hetzelfde waardoor het kleinere kleiner is, en verder, dat dan deBgrootere grooter is door het hoofd, dat klein is, en dat diteen wonder is, dat iemand groot is door iets kleins. Of zoudt gij u daar niet bang voor maken?—Zeker zoû ik dat, zeide Kebes lachend.—Zoudt gij derhalve, zeî hij, niet schromen te beweren, dat tien meer is dan acht door twee en om die oorzaak acht overtreft, en niet door veelheid en om oorzaak dáarvan? En dat een ding, dat twee el groot is, grooter is dan wat éen el groot is, door zijn helft, en niet door grootheid? Want hier bestaat licht dezelfde vrees.—Voorzeker, zeide hij.
—En verder. Zoudt gij u niet wachten, wanneer éen aan éen wordt toegevoegd, de toevoeging, en als éen gesplitstCwordt, de splitsing te noemen als oorzaak van het twee-worden?... Zelfs luide roepen zoudt gij, dat gij geen enkele andere wijze weet waarop elk ding iets wordt dan doordat het deel-krijgt aan de bizondere wezenheid van elk ding waar het deel aan krijgt, en dat gij in deze gevallen geene andere oorzaak kunt opgeven voor het twee-worden dan het deel-krijgen aan de tweeheid, en dat daar deel aan krijgen moet wat twee zal zijn, en aan de eenheid al wat éen zal zijn; maar die splitsingen en toevoegingen en die overige spitsvondigheden zoudt gij prijsgeven en omDte antwoorden overlaten aan geleerderen dan gij zelf zijt. Doch gij, uit vrees, als het spreekwoord zegt, voor uw eigen schaduw, of wel voor uw onervarenheid, zoudt u vast-houden aan dat veilige in uwe bepaling en zoudt zoo antwoorden. En als gij vervolgens van die bepaling zelve rekenschap zoudt moeten geven, zoudt gij die geven op dezelfde wijze, door aan die bepaling weêr een andere hoogere bepaling te geven, welke u zoû schijnen de beste te zijn, totdat gij iets afdoends bereikt zoudt hebben. En gij zoudt niet, evenalsEde redetwisters, de zaken dooréen-haspelen door over het grondbeginsel en de dingen die daaruit zijn voortgevloeid, tegelijk te redeneeren, indien gij tenminste iets van de waarheid wildet vinden. Want die anderen hebben daaromtrent misschien geen overleg of zorg; want door hunne geleerdheid zijn zij bekwaam om alles dooréen te mengen102en toch met zich-zelf ingenomen te kunnen zijn. Doch gij,indien gij tot de wijsgeerigen behoort, zult, meen ik, doen zooals ik zeg.—Allerwaarst zijn uwe woorden, zeiden Simmias en Kebes tegelijk.
Echekrates: Bij Zeus, o Phaidoon, dat zeiden zij terecht. Want het komt mij voor dat hij die zaken, ook voor wie maar weinig verstand heeft, verwonderlijk duidelijk besprak.
Phaidoon: Voorzeker, o Echekrates; en zoo oordeelden alle aanwezigen.
Echekrates: Ja, want zelfs ons die er niet bij waren, maar het nu hooren, dunkt het zoo. Doch wat werd daarna wel gesproken?
Phaidoon: Nadat hem dit was toegegeven, en men overeenkwam,Bdat elk derideeënafzonderlijk bestaat, en de overige dingen door daaraan deel te krijgen aan deze zelve hun benoeming ontleenen, daarna, als ik mij wel herinner, vroeg hij: Als gij dan toegeeft dat dit zoo is, en wanneer gij zegt dat Simmias grooter is dan Sokrates, maar kleiner dan Phaidoon, beweert gij dan niet dat in Simmias beide zijn, zoowel grootheid als kleinheid?—Ja.—Doch, niet-waar, gij geeft toe, dat bij de bewering: ‚Simmias is grooter dan Sokrates’, de waarheid niet zoo is als door de woorden wordt uitgedrukt? Immers, Simmias is wel niet grooter doorChet feit dat hij Simmias is, maar door de grootheid die hij in dat geval heeft? En grooter dan Sokrates weêr is hij ook niet, omdat Sokrates, Sokrates is, maar omdat Sokrates kleinheid heeft in vergelijking van zíjne grootheid?—Dat is de waarheid.—En aan-den-anderen-kant is ook Phaidoon niet grooter dan hij door het feit dat Phaidoon, Phaidoon is, maar omdat Phaidoon grootheid heeft in vergelijking van Simmias’ kleinheid?—Zoo is het.—Als dus Simmias den naam heeft van groot en klein tegelijk te zijn, bedoelt dit, dat hij zich tusschen beiden in het middenDbevindt en naast de grootheid van den éenen de vereischte kleinheid stelt ter overtreffing, en naast den ander de vereischte grootheid die diens kleinheid te-boven-gaat.—En al glimlachend zeide hij: Het lijkt of ik een contract ga opstellen, maar toch is het wel zooals ik zeg.—Deander stemde toe.—Ik spreek zoo daarom omdat ik de bedoeling heb, dat gij het werkelijk met mij eens zult zijn. Want mij schijnt het, dat niet alleen het begrip grootheid nooit groot en klein tegelijk wil zijn, maar dat ook de grootheid die in ons is, nooit de kleinheid wil aannemen noch zich wil laten te-boven-gaan, maar éen vanEtwee: òf vlucht en plaats-ruimt wanneer zijn tegendeel, het kleine, ertoe naderen wil, òf wanneer het er toch toe genaderd is, te-niet-gaat. Maar de kleinheid afwachten en aannemen en zoo-doende iets anders zijn dan het was, dat wil het niet. Ik persoonlijk, bij-voorbeeld, neem wel de kleinheid aan en wacht haar af, en terwijl ik dezelfde blijf, ben ik tevens daarnaast klein. Maar dat andere, dat groot was, heeft niet van zich kunnen verkrijgen klein te zijn. En zoo ook wil het kleine dat in ons is, nimmer groot worden of zijn; en ook geen ander der tegengestelde dingen wil zoolang als het is wat het was, zijn tegengestelde worden103of zijn, maar òf het wijkt weg òf het vergaat in dit proces.—Volkomen, zeide Kebes, schijnt het mij zoo.
En op het hooren hiervan sprak een der aanwezigen (doch wie het was, herinner ik mij niet juist): Bij de goden, werd in onze vroegere redeneeringen niet juist het tegendeel overeengekomen van wat nu beweerd wordt, dat namelijk het grootere uit het kleinere ontstond en het kleinere uit het grootere, en dat dit uitsluitend de wording was voor de tegendeelen: uit hunne tegendeelen? Maar nu, komt mij voor, wordt gezegd, dat dit nimmer zoû kunnen gebeuren.—En Sokrates die met vooruitgestoken hoofd geluisterdBhad, zeide: Flink van u, dat gij ons daaraan herinnerd hebt! Gij vat evenwel niet het verschil tusschen wat nu en wat daar-straks gezegd werd. Want tóen werd gezegd, dat uit een tegenovergesteld ding het tegenovergestelde ding wordt, maar nú dat een tegengesteld begrip nooit aan zich-zelf tegengesteld zoû kunnen worden, noch in ons, noch in de natuur. Want toen, mijn vriend, spraken wij over de dingen die de tegengestelde begrippen bevatten, hen benoemend met den naam dier begrippen, maar nuover die begrippen zelve die daarin zijn, en met wier naam de dingen genoemd worden. En van die begrippen zeggen wij dat zij nooit wording tot elkander willen aannemen.—EnCterwijl hij naar Kebes keek, zeide hij: Heeft misschien ook u, o Kebes, een der bedenkingen die deze uitgesproken heeft, verontrust?—Dezen keer niet, zeî Kebes; toch zeg ik volstrekt niet, dat er niet vele dingen zijn die mij verontrusten.—Wij zijn derhalve, zeide hij, kort-en-goed dit overeengekomen, dat een tegengesteld begrip nooit zijn eigen tegengestelde kan zijn.—Volkomen, zeide de ander.
—Ga dan ook nog eens het volgende na, of gij het daarin met mij eens zult zijn. Is er iets dat ge koud en iets dat gij warm noemt?—Ja.—Is dat hetzelfde alsDsneeuw en vuur?—Neen, bij Zeus!—Maar het warme iets anders dan vuur en het koude iets anders dan sneeuw?—Ja.—Doch dit tenminste, denk ik, zult gij meenen, dat sneeuw, zoolang zij sneeuw is, nimmer warmte zal aannemen en, evenals wij reeds in onze vroegere redeneeringen zeiden, nog zijn zal wat zij was, dus sneeuw en warm tegelijk, maar dat zij, wanneer de warmte tot haar nadert òf daarvoor plaats-ruimen zal, òf zal vergaan.—Voorzeker.—En dat het vuur van-zijn-kant, wanneer koude ertoe nadert, òf daarvoor wijken zal, òf vergaan, nimmer evenwel gedoogen zal de koude aan te nemen en nog teEzijn wat het was, dus vuur en koud tegelijk.—Gij zegt de waarheid.—Zoo staat het dus met sommige van diergelijke dingen, dat niet alleen het begrip zelf in der eeuwigheid de waarde behoudt van zijn eigen naam, maar ook een ander ding, dat niet dat begrip is, maar dat altijd wanneer het bestaat, den vorm van dat begrip heeft. En nog duidelijker misschien zal in de volgende gevallen zijn wat ik bedoel. Het begrip oneven toch moet wel altijd dien naam krijgen dien wij er nu aan geven. Of niet?—Zeker.—Is het hierin eenig, of (want dit is juist de vraag die ik104stel) bestaat er nog een ander ding, dat niet hetzelfde is als het begrip oneven, maar waaraan men toch naast zijn eigen naam altijd ook den naam oneven moet geven omhet feit dat het van-nature zóo is, dat het zich nooit van het begrip oneven verwijdert? Ik bedoel bij-voorbeeld het drietal, en ook met vele andere gaat het zoo. Doch sta een oogenblik stil bij het drietal. Dunkt u niet, dat dit behalve met zijn eigen naam, ook altijd met dien van het begrip oneven behoort benoemd te worden, hoewel dit begrip niet hetzelfde is als het drietal? Maar toch zijn van-nature zoowel het drietal als het vijftal en geheel de halve reeks der getallen zóo, dat zij niet hetzelfde zijn als het begripBoneven, maar toch elk van hen steeds oneven is. En aan-den-anderen-kant zijn twee en vier en de geheele andere reeks der getallen, hoewel zij niet hetzelfde zijn als het begrip even, toch elk afzonderlijk steeds even. Geeft gij dit toe of niet?—Hoe zoû ik niet?—Let nu op, wat ik wil duidelijk maken. Het is dit, dat blijkbaar niet alleen die tegengestelde begrippen elkander niet aannemen, maar dat ook alle dingen die wel niet aan elkander tegenovergesteld zijn, maar steeds de tegengestelde begrippen bevatten, evenmin lijken aan te nemen het begrip dat tegenovergesteld is aan het begrip dat in hen is, maar wanneer dat totChen nadert, òf te-gronde-gaan òf daarvoor plaats-ruimen. Of zullen wij niet toegeven dat drie eerder zal te-niet-gaan en wat-anders-ook ondergaan, eer het dulden kan om, zoolang het drie is, even te worden?—Voorzeker, zeî Kebes.—Maar toch is het tweetal niet het tegengestelde van het drietal.—Neen, zeker niet.—Derhalve zijn het niet alleen de tegenovergestelde begrippen, die elkanders nadering niet dulden, maar die begrippen hebben ook verscheidene andere dingen naast zich, die de nadering der tegengestelde begrippen evenmin dulden.—Zeer waar wat gij zegt.—Wilt gij dus dat wij, als dit mogelijk is, bepalen wat-voorDdingen dat zijn?—Zeer gaarne.—Zouden dat dan misschien, o Kebes, die dingen zijn, die al wat zij in-beslag-nemen, dwingen niet alleen hun eigen begrip te bevatten, maar ook steeds daarnaast een begrip dat een tegengestelde heeft?—Hoe bedoelt gij?—Zooals daareven. Natuurlijk weet gij toch, dat voor al wat het begrip drie in-beslag-neemt,het noodzakelijk is niet alleen drie te zijn, maar ook oneven.—Zeer zeker.—Tot zoodanig iets dan, zal het begrip dat tegenovergesteld is aan het begrip dat dit uitwerkt, nooit kunnen komen.—Neen, dat kan niet.—Werkte hier niet het begrip oneven?—Ja.—En daarEstaat het begrip even tegenover?—Ja.—Tot drie derhalve zal het begrip even nooit komen?—Bepaald niet.—Dus heeft drie geen deel aan het begrip even?—Neen.—Dus is het drietal onevenbaar?—Ja.—Wat ik dan zeide te willen bepalen: wat-voor dingen een begrip, dat een tegengestelde heeft, niet willen aannemen, hoewel zij daar zelf niet het tegenovergestelde van zijn, zooals nu het drietal, dat niet het tegenovergestelde is van het begrip even, dat begrip desniettemin niet aanvaardt; want altijd brengt het drietal het begrip aan, dat tegenover het begrip even staat, en het tweetal het begrip dat tegenover het begrip oneven staat, en het vuur het begrip dat tegenover het begrip koud105staat, en zoo zijn er zeer vele andere,... doch zie dan toe, of dit een afdoende bepaling is, dat niet alleen een tegengesteld begrip door zijn tegengestelde niet wordt aangenomen, maar dat ook door datgene dat een daaraantegen-gesteld begrip aanbrengt overal waarheen het komt, dat door dat aanbrengende, zeg ik, ook nimmer het tegengestelde begrip van het aangebrachte aangenomen wordt. En laat ik u nog eens herinneren; want het kan geen kwaad het vele malen te hooren. Vijf zal het begrip even niet aannemen, en tien, zijn dubbel, het begrip oneven niet. Hoewel tien nu zelf niet het tegengestelde van een ander ding is, zal het toch het begrip oneven niet aannemen. En anderhalf en de overige getallen die op een half eindigen,Bzullen het begrip geheel niet aannemen, en ook een derde niet en vele dergelijke... als gij mij tenminste volgt en het met mij eens zijt.—Ik volg u zeer wel en ben het volkomen met u eens.
—Zeg mij dan weêr van-voor-af-aan... en antwoord mij niet met de woorden van mijn vraag, maar zooals ik u vóor zal doen. Ik waag mij dan naast dat antwoord dat ik eerstgaf, dat veilige antwoord van straks, daar ik op grond van het nu beweerde een andere veiligheid zie. Als gij mijCnamelijk vragen zoudt, wat er in een lichaam moet komen, dat het warm zal zijn, dan zal ik u niet dat veilige ongeleerde antwoord geven: warmte, maar op grond van het nu besprokene een ingewikkelder antwoord: vuur. En als gij mij vraagt, wat er in een lichaam moet komen, dat het ziek zal zijn, zal ik niet zeggen: ziekte, maar: koorts; en wat er bij een getal moet komen, dat het oneven zal zijn, niet het begrip oneven, maar een eenheid, en zoo voort. Doch zie of gij reeds voldoende weet wat ik wil.—Zeer voldoende.—Antwoord dan, wat er in een lichaam moet komen,Ddat het levend zal zijn.—Ziel.—Geldt dat voor alle gevallen?—Hoe zoû het niet?—Aan alles derhalve wat de ziel in-beslag-neemt, brengt zij steeds leven aan?—Ja, dat doet zij.—Staat er iets aan leven tegenover of niets?—Ja wel.—Wat?—Dood.—Er is dus geen kans, dat de ziel ooit het begrip dat tegenover het begrip staat, dat zij zelf aanbrengt, zal aannemen, zooals op grond van het vorige is overeengekomen?—Neen volstrekt niet, zeide Kebes.—Wat is dus ook datgene dat het begrip even niet aanneemt? Hoe noemen wij dit nu?—Oneven, zeî hij.—En wat het begrip rechtvaardig niet aanneemt, enEwat het begrip muzikaal niet aanneemt?—Onmuzikaal, en het eerste onrechtvaardig.—Goed zoo. En wat den dood niet aanneemt, hoe noemen wij dat?—Onsterfelijk.—Neemt niet de ziel den dood niet aan?—Neen.—Dus is de ziel onsterfelijk.—Ja, onsterfelijk.—Goed. Moeten wij zeggen, dat dit dan bewezen is, of hoe meent gij?—Volkomen voldoende bewezen, o Sokrates.—Hoe dan106verder, Kebes? Indien het onevene noodzakelijk onvergankelijk was, zoû dan niet drie onvergankelijk zijn?—Hoe zoû het niet?—En als het on-warme noodzakelijk onvergankelijk was, zoû dan niet, wanneer iemand warmte bij sneeuw bracht, de sneeuw behouden en ongesmolten moeten wijken? Want dan zoû zij niet kunnen vergaan, en aan-den-anderen-kant zoû zij ook de warmte niet duldenen aannemen.—Gij spreekt de waarheid.—Juist zoo, meen ik, zoû, wanneer het on-koude onvergankelijk was, het vuur, wanneer daar iets kouds bij kwam, nooit uitgebluscht worden of vergaan, maar behouden wegwijken.—Noodzakelijk, zeî hij.—Moeten wij nu niet noodzakelijkBook van het onsterfelijke zoo zeggen? Als het onsterfelijke ook onvergankelijk is, dan is het onmogelijk voor de ziel, wanneer de dood tot haar komt, te vergaan. Immers op grond van het vroeger besprokene zal zij den dood niet aannemen en niet dood kunnen zijn, evenals drie, zeiden wij, niet even zal zijn, evenmin als het begrip oneven, en evenals vuur niet koud zal zijn, evenmin als de warmte die er in is. Maar wat verhindert, zal men zeggen, dat het onevene wel niet even wordt wanneer het begrip even er toe nadert, zooals overeengekomen is, maar dat het tochCzelf te-niet-gaat en inplaats daarvan het evene komt? Tegen die bewering zouden wij niet kunnen volhouden, dat het onevene niet vergaat; want het onevene is niet onvergankelijk. Want als dit door ons overeengekomen was, dan zouden wij gemakkelijk kunnen volhouden dat bij de nadering van het evene het onevene en het drietal wegwijken. Ook van vuur en warmte en van de overige dingen zouden wij dat dan kunnen volhouden. Of niet?—Zeer zeker.—Ook nu derhalve, als wij omtrent onsterfelijk overeenkwamen dat het ook onvergankelijk is, dan zal de ziel behalve onsterfelijk, ook onvergankelijk zijn. Maar zoo niet, danDzal er een nieuwe bewijsvoering noodig zijn.—Maar dat is volstrekt niet noodig, zeî Kebes, als het daarvan afhangt. Want daar zal niet-licht iets anders kunnen zijn, dat het verderf niet aanneemt, als het onsterfelijke, dat dus eeuwig is, wel verderf zal aannemen.—Van de godheid tenminste, denk ik, zeide Sokrates, en van het begrip zelf des levens en indien eenig ander ding onsterfelijk is, zal wel door allen worden toegestemd, dat zij nimmer vergaan.—Door alle menschen zeker, voorwaar bij Zeus, zeide hij, en nog eer, naar ik meen, door de goden.—WanneerEdan het onsterfelijke ook onverderfelijk is, zaldan niet de ziel indien zij onsterfelijk is, tevens onvergankelijk zijn?—Hoogst noodzakelijk.—Wanneer dus de dood op den mensch afkomt, sterft, naar het schijnt, zijn sterfelijk deel, maar het onsterfelijke wijkt voor den dood en gaat behouden en onverdorven van hem heen.—Dat blijkt.—Meer dan alle ding derhalve, zeide hij, o Kebes,107is de ziel onsterfelijk en onvergankelijk, en inderdaad zullen onze zielen in den Hades bestaan.—Ik-voor-mij, o Sokrates, zeide hij, kan daar niets tegen inbrengen en in geen opzicht aan uw redeneering geloof weigeren. Doch indien Simmias of iemand anders er iets tegen aan kan voeren, is het wèl dat niet te verzwijgen. Want ik weet niet tot welke andere gelegenheid dan die van nu iemand die omtrent de dingen van dezen aard iets wil zeggen of hooren, het zoude kunnen uitstellen.—Voorwaar, zeide Simmias, ook ik zelf kan in geen opzicht twijfelen aan het gesprokene. Toch, door het groote gewicht der zakenBwaarover onze gesprekken gaan, en uit geringschatting der menschelijke zwakheid, word ik gedwongen nog twijfel te hebben bij mij-zelven omtrent het besprokene.—Dat niet alleen, o Simmias, zeide Sokrates, maar behalve deze uwe juiste opmerking moeten ook de eerste veronderstellingen, ook al zijn zij ons geloofwaardig, toch nog nauwkeuriger onderzocht worden. En wanneer gijlieden deze voldoende zult hebben doorzocht, dan zult gij, naar ik meen, mijn betoog kunnen volgen voor-zoo-ver dat een mensch mogelijk is te doen. En wanneer het betoogde zelf zekerheid zal geworden zijn, zult gij niets verder zoeken.—Waarheid, zeî hij, spreekt gij.
—Doch dit tenminste, zeide hij, o mannen, is recht teCbedenken, dat, indien de ziel onsterfelijk is, zij verzorging behoeft niet voor dezen tijd alleen, waarin duurt wat wij leven noemen, maar voor den ganschen tijd, en het gevaar zoû nu dan ook geducht schijnen als iemand haar in ’t vervolg verwaarloost. Want indien de dood losgemaakt-worden-van-alles was, zoû het voor de boozen een vondst zijn om na hun dood van hun lichaam en tegelijk, met hun ziel,van hun eigen boosheid verlost te worden; maar nu, daar de ziel onsterfelijk blijkt te zijn, is er voor haar geen andereDontkomst mogelijk aan het kwade en geene redding dan om zoo goed en verstandig mogelijk te worden. Want in ’t bezit van niets anders gaat de ziel naar Hades’ huis dan haar ontwikkeling en opvoeding; welke dan ook, zegt men, den gestorvene grootelijkst helpen of schaden dadelijk bij den aanvang van zijn afreis daarheen. En de overlevering is zóo: dat eenen teder na zijn dood een ieders daimoon die hem bij zijn leven onder zijn toezicht gekregen had, halen komt naar een zeker oord waarheen zij zich moeten verzamelen om door rechtspraak geschift te worden en naar Hades af te reizen onder geleide van dienEgids aan wien het opgedragen is de menschen vanhier daarheen te voeren. Wanneer zij daarginds verkregen hebben wat zij verdienen te krijgen en daar getoefd hebben zoo langen tijd als dat past, brengt een andere gids hen hierheen terug na vele lange tijdronden. Dus is de reis niet zooals de Telephos van Aischylos vertelt. Deze toch zegt,108dat een enkelvoudige gang voert naar de woning van Hades, maar zij schijnt mij noch enkelvoudig, noch éene enkele te zijn. Want anders zouden er ook geen gidsen noodig zijn; want niemand kan ergensheen den weg missen, als er maar éen weg is. Maar nu schijnt het, dat de weg vele sprongen en omwegen heeft. (Uit de hier heerschende gewijde gebruiken tegenover de schimmen maak ik op wat ik verhaal.) De matige en verstandige ziel dan gaat willig mede en vindt zich als voorbereid terecht in haar toestand, maar de ziel wier begeerte aan het lichaam hangt, waart,Bwat ik al in het voorgaande zeide, langen tijd daarom en om haar zichtbare woonplaats heen, en wordt na veel tegen-streven en veel vernederingen met geweld en moeite door den daarmeê belasten daimoon weggevoerd. Wanneer nu op dezelfde plaats als de overige aangekomen is de ziel die niet gereinigd is en iets dergelijks bedreven heeft, hetzij dat zij zich bevlekt heeft met onrechtvaardig vergoten bloed of eenige andere dergelijke daden gedaan heeft,welke daarmeê verwant zijn of de werken zijn van verwante zielen, dan ontvlucht elk die ziel en gaat haar uit den weg, en niemand wil haar tochtgenoot of gids zijn,Cmaar zij doolt op-zich-zelf in volslagen hulpeloosheid totdat bepaalde tijden verstreken zijn, waarna zij door de noodzakelijkheid gevoerd wordt naar de haar passende woonplaats. Maar de ziel die rein en gematigd haar leven heeft doorgemaakt, treft als tochtgenooten en gidsen goden, en gaat wonen elk in de haar passende plaats. En er zijn vele wonderlijk schoone verblijven op aarde, en de aarde zelf is noch van dien aard, noch van die grootte als verondersteld wordt door hen die gewoon zijn over haar vertoogen te houden, gelijk ik door zeker iemand ben overtuigd geworden.
DEn Simmias zeide: Hoe bedoelt gij dat, o Sokrates? Want omtrent de aarde heb ik ook zelf vele dingen gehoord, niet evenwel wat uwe overtuiging is. Gaarne zoû ik die dus hooren.—Wel, Simmias, het lijkt mij waarlijk niet een kunst als die van Glaukos, te verhalen welke die is; te bewijzen evenwel dat zij de ware is, komt mij moeilijk voor, boven de kunst van Glaukos. En zoude ik misschien daartoe niet eens in-staat zijn, zeker is tevens, al verstond ik het, mijn leven, o Simmias, dunkt mij, voor de lengte van het betoog niet toereikend. De gedaanteEechter der aarde, hoedanig die naar mijn overtuiging is, en hare streken, verhindert niets mij te beschrijven.—Maar ook dat, zeî Simmias, is voldoende.—Mijn overtuiging dan is het, dat in de eerste plaats, wanneer de aarde rond is en zich in het midden van den hemel bevindt, zij109noch de lucht noodig heeft om niet te vallen, noch eenigen anderen noodzakelijken steun, maar dat toereikend is om haar op te houden de alzijdsche zelf-evenredigheid van den hemel en de evenwicht-stand der aarde zelve. Want een zaak in evenwicht geplaatst in het midden van iets evenredigs zal noch meer, noch minder zich ergensheen kunnen bewegen, maar in gelijkmatigen stand zijn en onbewogen blijven. In de eerste plaats dan, zeî hij, is dit mijn overtuiging.—Enterecht, sprak Simmias.—Verder dan, zeî hij, is zij algroot, en wij, van de Phasis tot aan de zuilen vanBHerakles, wonen in een zeer klein gedeelte rondom onze zee als mieren of kikkers om een moeras, en vele anderen wonen elders in vele dergelijke plaatsen. Want aan alle zijden om de aarde heen zijn er vele holen en allerhande, zoowel in gedaante als in grootte, naar welke water en lucht samenvloeien. Maar de aarde zelf ligt rein in een reinen hemel, waarin de sterren zijn en welken aither noemen de meesten van hen die gewoon zijn overCzoodanige dingen te verhandelen. Van dezen aither vormen die lucht en dat water de onderlaag, en zij vloeien voortdurend samen naar de holen der aarde. Wij nu bemerken niet, dat wij in haar holen wonen, maar meenen boven op de aarde te wonen, evenals iemand midden op den bodem der zee wonende zoû meenen aan haar oppervlakte te wonen, en door het water heen de zon en de overige sterren ziende,Dzoû meenen, dat de zee de hemel was, terwijl hij uit traagheid en krachteloosheid nooit de oppervlakte der zee zoû bereikt hebben en nooit opgedoken en met zijn hoofd boven de zee hier rond-gekeken zoû hebben in dit verblijf hier, hoeveel reiner en schooner het is dan bij hem, en het ook niet van een ander zoû hebben gehoord. Dat-zelfde dan is ook met ons het geval; want wij wonen in een soort holte der aarde en meenen, dat wij bovenop haar wonen, en wij noemen de lucht hemel, omdat wij door haar heen de sterrenEzien wandelen. Verder zijn wij uit krachteloosheid en traagheid niet in-staat ons op te werken naar de oppervlakte der lucht. Want indien iemand den spiegel daarvan bereiken kon of vleugels kreeg en daarheen opvloog, dan zoû hij, bovengekomen, evenals hier de visschen die opduiken boven de zee, de dingen hier zien, zoo ook de dingen daar gewaar-worden, en indien zijn natuur dien aanblik kon110verdragen, inzien dat dat de ware hemel en het ware licht en de ware aarde is. Want deze aarde en hare steenen en de geheele streek hier zijn, evenals de dingen in de zee door het zeewater, verdorven en ingevreten, en evenals erin de zee niets noemenwaards groeit en daar om-zoo-te-zeggen niets volkomen is, maar enkel kuilen en zand en onoverkomelijk veel modder en slijk, overal waar grond is, en niets wat maar eenigszins vergelijking verdient met de schoone dingen bij ons, zoo zouden de dingen daarginds nog veel meer de dingen hier bij ons schijnen te overtreffen.BWant als ik u ook een sproke mag vertellen, is het der moeite waard te hooren, o Simmias, hoe de dingen op de aarde onder den hemel er uitzien.—Voorwaar, sprak Simmias, o Sokrates, wij zullen met vreugde naar die sproke hooren.