Chapter 5

—Er wordt dan verhaald, zeide hij, o mijn vriend, in de eerste plaats dat de aarde zelf, wanneer men haar van-boven-af beschouwt, zoodanig is om aan te zien, als de uit twaalf huidrepen vervaardigde ballen, bont en met kleuren onderscheiden, van welke de kleuren hier, die onzeCschilders gebruiken, als stalen zijn. Doch daarginds is de geheele aarde uit zoodanige samengesteld, en uit kleuren nog veel schitterender en zuiverder dan deze. Want éen deel is purperrood en wonderlijk schoon, een tweede goud-vervig, het derde wit, maar witter dan gips of sneeuw, en zoo is zij éenerwijs samengesteld uit de overige kleuren en uit nog meerdere en schoonere dan wij gezien hebben. Want juist die holten der aarde vol water en lucht geven,Dstralende in de bontheid der overige kleuren, een weêr-schijn van kleur, zóo, dat zij over haar éen aanéen-gesloten bonten schijn spiegelen. Op die zoodanige aarde groeien de kruiden overeenkomstig, boomen en bloemen en vruchten. En ook de bergen éenerwijs, en de steenen hebben naar dezelfde overeenkomst gladheid en doorschijnendheid en kleuren schooner. Daarvan zijn ook die zoo geschatte steenen hier brokjes, sardion en iaspis en smaragd en dergelijke. Doch dáar is niets dat niet zoodanig is of nogEschooner dan deze. De reden daarvan is, dat die steenen daar zuiver zijn en niet ingevreten en verdorven als de steenen hier zijn door rotting en vuil, door het bezinksel dat hier samenstroomt, en dat steenen zoowel als aardeen den levenden wezens en planten mismaaktheid en ziekte toebrengt. De aarde zelf nu is behalve met al deze dingen, verder nog gesierd met goud en zilver en de overige dergelijke.111Want die zijn daar open en bloot, veel in menigte en groot en op vele plaatsen op de aarde, zoodat haar te zien een schouwspel is voor gelukzalige toeschouwers. En zoowel vele andere levende wezen zijn op haar als ook menschen, sommigen in het binnenland wonend, anderen om de lucht heen, zooals wij om de zee, anderen weêr op eilanden, welke de lucht omvloeit, vlak bij het vasteland, en in-éen-woord, wat bij ons het water en de zee is voor onze behoeften, dat is daar de lucht, en wat voor ons deBlucht is, is voor hen de aither. En hare getijden zijn zoo getemperd, dat die-daar zonder ziekten zijn en veel langeren tijd leven dan de menschen hier, en in gezicht en gehoor en reuk en alle dergelijke zijn zij van ons verscheiden in dezelfde mate als lucht van water en aither van lucht in reinheid verschilt. Ook hebben zij tempelhoven en heiligdommen der goden, in welke in werkelijkheid de goden inwoners zijn, en stemmen en waarzeggingen enCverschijningen der goden en zoodanigen omgang met hen, van aangezicht tot aangezicht. En de zon en de maan en de sterren worden door hen gezien zooals zij werkelijk zijn, en hun verdere gelukzaligheid is daarbij aansluitend. Met de aarde als geheel dan nu en de dingen die om haar zijn, staat het zoo geschapen. Doch de streken in haar naar hare uithollingen zijn vele in een kring om haar heen, sommige dieper en uitgestrekter dan die waarin wij wonen, andere zijn dieper, maar hebben smallere gaping,Dandere ook zijn korter van diepte dan deze hier en vlakker. Deze alle zijn in vele richtingen onder de aarde met elkander verbonden langs engere en wijdere kanalen, en hebben verlaten waardoor veel water stroomt van de éene in de andere als in mengvaten, en onmetelijk groote eeuwigstroomende rivieren onder de aarde van warm en van koud water, en veel vuur en groote vuurrivieren, en vele stroomen van vloeibaar slijk met kleiner en grooterEmoddergehalte, evenals in Sikelia de modderrivieren vóor de uitbarsting en de uitbarsting zelf. Dat alles wordt op-en-neêr bewogen door een soort schommelwerking die zich in de aarde bevindt, en deze schommelbeweging heeft plaats door de volgende natuurlijke oorzaak. Eén der holen in de aarde is zoowel overigens het grootste als ook door de geheele aarde heen geboord, dat waarvan Homeros spreekt,112als hij zegt:

Zeer ver weg waar diep onder de aard de geweldigste kloof is;

Zeer ver weg waar diep onder de aard de geweldigste kloof is;

Zeer ver weg waar diep onder de aard de geweldigste kloof is;

Zeer ver weg waar diep onder de aard de geweldigste kloof is;

dat ook elders zoowel hij als vele andere der dichters den Tartaros noemen. Naar deze holte namelijk stroomen al de rivieren samen en weêr daaruit weg. En alle nemen de geaardheid aan van de grondlaag waardoor zij stroomen. De reden nu, dat daar uit- en invloeien al de stroomen, isBdat dat vochtige geen bodem of grondslag heeft. Het zweeft dan en golft op-en-neêr, en de lucht en de adem die er omheen is, doet hetzelfde. Want die gaat mede, zoowel wanneer het naar gene als naar deze zijde van de aarde zich beweegt, en evenals bij ademhalenden voortdurend de adem blazend uit- en opgesnoven wordt, zoo veroorzaakt ook daar de adem die met het vochtige medevaart, verschrikkelijke en geweldige stormen bij zijn in- en uitgaan. Wanneer nu het water naar de zoogenaamde beneden-gelegen plaats terugwijkt, vloeit het door de aarde binnen langs de genoemde beddingen en vult die als met pompen. En wanneer het weêr vandaar wegloopt en hierheen trekt, vult het weêr het stroomgebied hier, en alsCdat vol is, stroomt het uit door de kanalen en door de aarde en wanneer elk der stroomen bereikt de bepaalde plaats waarheen zij reizen, vormen zij zeeën en meren en rivieren en bronnen. En vanhier duiken zij weêr onder de aarde,Ddeels langs langere en meerdere omwegen, deels langs weinigere en kortere, en storten zich weêr in den Tartaros, deels veel lager dan zij zijn uitgepompt, deels weinig lager.Maar alle stroomen lager in dan de plaats van uitvloeiing. En sommige stroomen vlak tegenover de plaats waar zij binnen uitgestroomd waren, en andere omtrent hetzelfde gedeelte. Enkele ook gaan geheel rond in een kring, hetzij éens, hetzij meermalen zich kronkelend om de aarde als de slangen en vallen zooveel mogelijk naar onder afgedaaldEbinnen. En mogelijk is het van weêrskanten te dalen tot het middelpunt, maar verder niet. Want verder wordt voor beiderlei stroomen het aan weêrskanten gelegen deel weder opgaand.

Terwijl nu de overige stroomen vele en groote en allerhande zijn, bevinden zich onder die vele voornamelijk vier, van welke de grootste en die ’t meest aan den buitenkant in een kring rond-stroomt, de zoogenaamde Okeanos is; en daar vlak tegenover is in tegengestelde richting stroomende113de Acheroon, welke zoowel door andere woeste streken stroomt als ook onder de aarde vloeiende uitloopt in het Acheroesische meer, waarheen de zielen der meeste afgestorvenen komen en daar zekere gezette tijden, de éene langer, de andere korter, verblijven, en dan weder uitgezonden worden tot de geboorten der levende wezens. Tusschen deze twee in ontspringt de derde en stort zich dicht bij zijn oorsprong in een uitgestrekt gebied, dat van veel vuur brandt, en vormt daar een meer grooter dan bij ons de zee, ziedend van water en slijk; vandaar looptBhij rond in een kring, troebel en modderig, en zich kronkelend om de aarde, komt hij onder meer ook langs de zoomen van het Acheroesische meer, doch zonder zich met het water daarvan te vermengen; en na zich vele malen onder de aarde te hebben rondgewenteld, ontlast hij zich in de diepere deelen van den Tartaros. Deze is het, dien zij den Pyriflegethoon noemen, uit welken ook de lava-uitbarstingen overal waar zij op aarde voorkomen, fragmenten omhoog spuwen. Aan dezen tegenover ontspringt de vierde, eerst in een verschrikkelijke en woeste streek, zooals verhaald wordt, en die geheel de kleur heeft vanCkyaansteen, welke men de Stygische heet, en het meer,dat de rivier vormt door er zich in uit te storten, de Styx. Na zich hierin gestort te hebben en geweldige kracht in het water verkregen te hebben, duikt de rivier onder de aarde en loopt kronkelend tegenovergesteld aan den Pyriflegethoon en ontmoet dien van tegenover bij het Acheroesische meer; doch ook haar water vermengt zich niet met eenig ander, maar ook zij gaat in een kring om en loopt uit in den Tartaros tegenover den Pyriflegethoon. En haar naam is, zooals de dichters zeggen, Kokytos.

DMet deze dan staat het zoo geschapen; en wanneer nu de afgestorvenen de plaats bereikt hebben waarheen elk zijn daimoon brengt, worden eerst bij rechtspraak geschift zij die op schoone en heilige wijze geleefd, en zij die dat niet hebben. En die bevonden worden middelsoortig geleefd te hebben, trekken naar den Acheroon en bestijgen daar de vaartuigen die voor hen bestemd zijn, en bereiken daarop het meer, en daar wonen zij en door zich te heiligen en voor hun misslagen straffen te ondergaan, reinigen zij zich van wat een ieder heeft misdreven, en voor hun goede daden behalen zij loon, elk naar zijn verdiensten.EMaar die geoordeeld worden ongeneeslijk te zijn door de grootte hunner misdrijven, hetzij zij vele groote tempel-rooven of vele ongerechtigde wettenschennende moorden hebben gepleegd of zooveel andere dergelijke misdaden er zijn, dezen werpt het hun toekomend lot in den Tartaros, waar zij nooit meer uitkomen. Doch die geoordeeld worden wel geneeselijke, maar toch groote misdaden begaan te hebben, doordat zij bij-voorbeeld geweld gepleegd hebben in drift tegen vader of moeder, en daar in hun verder114leven berouw over hebben gehad, of die op eenige andere zoodanige wijze doodslagers zijn geworden, die moeten wel noodzakelijk in den Tartaros geworpen worden, doch wanneer zij daar eenmaal ingeworpen zijn en daar een jaar geweest zijn, werpt de stroom hen weêr uit, de doodslagers langs den Kokytos, en die zich aan vader of moeder vergrepen hebben, langs den Pyriflegethoon. Wanneer zij nu drijvende gekomen zijn op de hoogte van het Acheroesischemeer, roepen zij daar luide, de éenen hen die zij gedood, en de anderen hen aan wie zij geweld gepleegd hebben; en als zij hen tot zich hebben geroepen, bidden enBsmeeken zij hun, dat zij hun toelaten uit te stijgen in het meer en hen opnemen. En wanneer zij hen overreden, stijgen zij uit en komen van hun ellende af. Doch zooniet, dan worden zij weêr teruggevoerd naar den Tartaros en vandaar weêr in de rivieren en zij houden niet eerder op dit te ondergaan, vóor zij overreed hebben hen die zij hebben verongelijkt. Want deze straf is hun door de rechters opgelegd. Doch die geoordeeld worden bizonder heilig te hebben geleefd, dat zijn degenen, die uit deze plaatsen in de aarde bevrijd en verlost worden als uit gevangenissen,Cen die boven hunne reine woning bereiken en zich boven op de aarde vestigen. En onder dezen-zelven leven zij die zich door wijsbegeerte genoegzaam gereinigd hebben, voor heel den toekomenden tijd zonder lichamen, en zij komen in nog schoonere woningen dan die der anderen, welke het noch gemakkelijk is te beschrijven, noch is de tijd voor ’t oogenblik toereikend. Doch op grond van de zaken die wij samen besproken hebben, o Simmias, behooren wij alles in te spannen om aan deugd en verstandelijk inzicht in ons leven deel te krijgen. Want schoon is de prijs en de verwachting groot.

DOm nu van deze dingen te willen volhouden, dat zij juist zoo zijn, als ik heb uiteengezet, past een verstandig man niet; dat evenwel òf deze dingen de waarheid zijn òf iets dergelijks met betrekking tot onze zielen en hare woonplaatsen, aangezien de ziel onsterfelijk blijkt te zijn, dàt te verzekeren lijkt mij wel passend en de moeite waard voor iemand die meent dat het zoo is, het erop te wagen; want schoon is de kans. En men behoort zich-zelf deze dingen als een bezwering toe te zingen; waarom ik dan ook al-lang de sproke rek. Maar op deze gronden behoort goedsmoeds te zijn betreffende zijn eigen ziel een man die in zijn levenEde overige lusten die met het lichaam te maken hebben, en den tooi van dat lichaam heeft laten varen als hemvreemd, en in de meening dat die meer kwaad dan goed doen, maar met de lusten die uitgaan naar kennis, ernst heeft gemaakt en zijn ziel heeft getooid niet met vreemden, maar met den haar eigen tooi, bezadigdheid en rechtvaardigheid en manmoedigheid en vrijheid en waarheid, en die115zoo de reis naar Hades afwacht, gereed die te aanvaarden wanneer het noodlot roept. Gijlieden nu, zeide hij, o Simmias en Kebes en gij overigen, zult een ander keer elk op den bepaalden tijd die reis ondernemen; doch mij roept nu reeds, zoû een tragedie-dichter zeggen, het noodlot, en het is vrij-wel tijd voor mij om tot het bad over te gaan; want het dunkt mij beter een bad te nemen vóor ik het gif drink, en den vrouwen niet den last te bezorgen een lijk te wasschen.

BNadat hij dit gesproken had, zeide Kritoon: Goed, o Sokrates. Maar wat draagt gij aan dezen of aan mij op, hetzij betreffende uwe kinderen, hetzij betreffende eenig ander ding, met de uitvoering waarvan wij u meest genoegen zouden kunnen doen?—Hetzelfde wat ik altijd zeg, zeide hij, o Kritoon, en niets nieuws: dat gijlieden door voor u-zelven zorg te dragen zoowel aan mij en de mijnen als aan u-zelven den grootsten dienst zult doen, wàt gij ook moogt doen, ook al belooft gij dit nu niet; doch als gij u-zelven verwaarloost en niet, als langs voetsporen, wilt leven volgens het nu en het in vroeger tijdCbesprokene, zult gij, ook al belooft gij op het oogenblik veel en met klem, niets kunnen uitrichten.—Dat zullen wij ons dan beijveren, zeide hij, zoo te doen. Doch op welke wijze zullen wij u begraven?—Zooals gij wilt, zeide hij, indien gij mij tenminste vat en ik u niet ontga.—En kalm lachend keek hij terzijde naar ons en sprak: Ik kan Kritoon, o mannen, niet overtuigen dat mijn werkelijk ik die Sokrates is, die nu met u spreekt en elk deel zijner redeneering op zijn plaats schikt, maar hij meent, dat ik dieDandere Sokrates ben, dien hij straks als lijk zal zien, en hij vraagt daarom hoe hij mij begraven moet. Maar dat ik een heelen tijd een lang betoog gehouden heb, dat ik,wanneer ik het vergif gedronken zal hebben, niet meer bij ulieden blijven zal, maar weg zal gaan naar eenig gelukkig verblijf der zaligen, dàt meent hij dat ik maar voor de leus beweer, om u en mij tegelijk te paaien. Weest dus borg voor mij bij Kritoon, zeide hij, met de tegenovergestelde borgstelling als welke hij bij mijne rechters stelde. Hij toch was borg dat ik blijven zoude, maar weest gij borgen, datEik, wanneer ik gestorven zal zijn, niet blijven zal, maar heen zal gaan, opdat Kritoon het getrooster drage, en niet, wanneer hij mijn lijk ziet verbranden of begraven, bedroefd zij om mij alsof ik iets vreeselijks onderging, en niet zegge bij mijne begrafenis dat hij Sokrates ten-toon-stelt of uitdraagt of in de aarde delft. Want weet wel, zeî hij, o beste Kritoon, dat zich verkeerd uitdrukken niet alleen op-zich-zelf een wanklank is, maar ook schade uitwerkt in de ziel. Doch gij behoort èn te vertrouwen èn te zeggen,116dat gij mijn lijk begraaft, en begraaf het zooals het u lief moge zijn en zooals gij meenen moogt dat tevens meest naar gebruik is.

Na zoo gesproken te hebben, stond hij op en ging een kamer binnen om te baden, en Kritoon ging met hem mede, doch ons verzocht hij te wachten. Wij wachtten dus terwijl wij met elkander praatten over het gesprokene en dat nog eens beschouwden, en dan-weêr gingen wij na hoe groote ramp ons overkomen was, daar wij geheel-en-al het gevoel hadden, dat wij van een vader stonden beroofd te worden en ons verdere leven als weezen zouden doorbrengen. Nadat hij zich nu gebaad had en zijne kinderen bijBhem gebracht waren—hij had namelijk twee kleine zoons en éen volwassenen—, en de vrouwen van zijn familie gekomen waren, sprak hij met dezen in tegenwoordigheid van Kritoon en droeg hun sommige dingen op, die hij wenschte, en beval toen den vrouwen en kinderen heen te gaan en kwam tot ons. En het was reeds dicht bij zonsondergang. Want langen tijd had hij binnen doorgebracht. Hij kwam dan en zette zich frischgebaad neder, en hij had daarna nog niet veel gesproken, toen de dienaar der elfmannenCkwam en op hem toetrad en zeide: o Sokrates, van u zal ik niet de gedachte hebben als van de anderen, dat zij vertoornd op mij zijn en mij vloeken, wanneer ik hun aankondig het vergif te drinken bij dwang der overheden. Want u heb ik ook overigens in dezen tijd leeren kennen als den edelsten en zachtmoedigsten en besten man van die hier ooit gekomen zijn, en ook nu weet ik, dat gij niet vertoornd op mij zijt (want gij weet wie oorzaak zijn), maar op hen. Nu, gij weet immers met welke boodschap ik kom,—vaarwelDen tracht het noodzakelijke zoo gelaten mogelijk te dragen.—En al weenende wendde hij zich af en ging weg. En Sokrates keek op naar hem en zeide: Vaar ook gij wel, en wij zullen dat doen.—En tegelijk zeide hij tot ons: Hoe welgemanierd is die man. Ook al den tijd dat ik hier was, bezocht hij mij en praatte nu-en-dan met mij en was allervriendelijkst, en nu, hoe edel van hem om mij te beweenen. Maar welaan, o Kritoon, laten wij zijn verlangen doen, en laat iemand het gif halen, als het bereid is; en indien niet, laat dan de man het bereiden.—EnEKritoon zeide: Doch ik meen, o Sokrates, dat de zon nog op de bergen is en nog niet onder. Bovendien weet ik, dat ook anderen zeer laat nadat het hun bevolen is, het gif nemen, na eerst rijkelijk gegeten en gedronken te hebben en enkelen zelfs na liefdegemeenschap met wie zij op dat oogenblik begeeren. Doch maak volstrekt geen haast; want het is nog tijd.—En Sokrates sprak: Natuurlijk is het, o Kritoon, dat die anderen, welke gij noemt, dat doen; want zij denken daarmeê winst te behalen; en ook natuurlijk is117het dat ik dat niet zal doen; want ik denk door een weinig later te drinken niets anders te winnen, dan dat ik mij-zelf belachelijk maak door gierig te hangen aan het leven en te willen sparen waar niets meer is. Doch welaan, zeide hij, doe mijn zin en niet anders.

En Kritoon, na dit gehoord te hebben, wenkte den naast-bij staanden slaaf, en de slaaf ging naar buiten en bleef geruimen tijd weg en kwam terug met den man die het gif zoû toedienen, en die dat in een beker gekruid meê-bracht.Toen Sokrates den mensch zag, zeide hij: Wel, mijn beste (gij immers hebt van deze dingen verstand), wat moet ik doen?—Niets anders, zeide hij, dan na het drinkenBrondwandelen, totdat gij een gevoel van zwaarte in uw beenen krijgt, en dan u nederleggen. En zoo zal het gif zelf de rest doen.—Tegelijk reikte hij Sokrates den beker. En deze nam hem aan en zeer blijmoedig, o Echekrates, zonder eenigszins te beven of van kleur of gelaatsuitdrukking te veranderen, maar den mensch met strak-open oogen aanziende, zooals hij dat gewoon was, vroeg hij: Wat denkt gij van dezen drank, is het geoorloofd daarvan aan iemand te plengen of niet?—Zooveel, zeî hij, o Sokrates, mengen wij als wij meenen dat voldoende is tot drinken.—Juist,Czeide hij. Maar allicht is het geoorloofd, en ook passend, tot de goden te bidden, dat de verhuizing van hier eene gelukkige moge zijn. Dit doe ik dan ook, en moge het zoo geschieden. Dadelijk na deze woorden bracht hij den beker aan zijn mond en dronk hem vlug en rustig leêg. En de meesten van ons waren zoolang vrij-wel in-staat onze tranen in te houden, maar toen wij zagen dat hij dronk en gedronken had, niet meer, maar bij mij vloeiden de tranen met geweld in stroomen, zoodat ik mij omhulde en mij-zelven beweende; want over hem weende ik niet,Dmaar om mijn eigen lot, van welk een vriend ik beroofd was. Kritoon was nog eer dan ik uit den kring opgestaan, omdat hij niet in-staat was zijn tranen te bedwingen. En Apollodoros, die ook al vroeger niet ophield te weenen, brak toen in luide jammerklachten los en ontstelde elk der aanwezigen, behalve Sokrates zelven. Doch deze zeide: Wat-voor dingen doet gij nu, mijn bewonderenswaardigen! Ik echter heb boven-al om die reden de vrouwen weggezonden, opdat zij met zulke dingen niet storen zouden. Want ik hebEgehoord, dat men in heilige stilte behoort te sterven. Doch houdt u rustig en kloek!—En wij op het hooren hiervan, schaamden ons en lieten af van weenen. Hij wandelde eerst rond, en nadat, zooals hij zeide, zijn beenen zwaar werden, legde hij zich achterover neder. Want zoo verzocht hem deslaaf. En deze, dezelfde die hem het gif had toegediend, onderzocht tegelijk van-tijd-tot-tijd zijn voeten en beenen, door die te betasten, en daarop kneep hij hem sterk in den éenen voet en vraagde of hij het voelde. Sokrates zeide van-niet. En daarna kneep hij in de scheenbeenen, en zoo118omhooggaande, liet hij ons zien, dat hij langzamerhand koud en stijf werd. Ook Sokrates zelf betastte zich en zeide, dat, wanneer het zijn hart zoû bereiken, hij dan zoû heengaan. Reeds begonnen ongeveer de deelen van ’t onderlijf koud te worden, toen hij zijn gelaat onthulde—want hij had zich omhuld—, en het laatste woord zeide, dat hij gesproken heeft: o Kritoon, wij zijn Asklepios een haan schuldig. Geef hem dien en vergeet het niet.—Dat zal geschieden, zeide Kritoon. Maar bedenk of gij nog iets anders te zeggen hebt.—Op deze vraag van Kritoon antwoordde hij niet meer, maar kort daarop kreeg hij een lichten schok, en de mensch onthulde hem, en zijn oogen stonden star. Toen Kritoon dat zag, drukte hij hem mond en oogen toe.

Dit was het einde voor ons, o Echekrates, van onzen vriend, een man, zooals wij zouden zeggen, van zijn tijdgenooten die wij leerden kennen, den besten, en ook overigens den wijsten en rechtvaardigsten.


Back to IndexNext