SLOT.Waarin de keizer van Huk merkt dat moeder Guldratsj geen draagstoel noodig heeft.Langzamerhand werd alles geregeld. Sutrebor was verbannen. Pirlapan was nog in Pomfriet. Hij leerde de jonge keizer hoe ’t land bestuurd moest worden. Plachki was ook in Pomfriet. Dat had Abé zoo gewild. De overige Pirlapans waren door hun vader uitgezonden om door heel Huk bekend te maken dat prins Alphabet de troon van keizer Napo beklommen had en tevens om er voor te zorgen, dat ’t in Huk weer veilig langs de wegen werd. De straatroovers, die onder keizer Sutrebor ’n goed leventje gehad hadden, kregen ’n slechte tijd. De overige Huksche baronnen waren op ’n paar na, die ’n hooge betrekking aan ’t hof bekleedden, allen weer naar hun kasteelen vertrokken. En Karibo was ’n flinke burgemeester, geen enkele van de voorname heeren had nog iets in te brengen.Doch nu begon keizerAbecéer over te denken om moeder Guldratsj te gaan halen. Dat had hij haar beloofd. Pirlapan en Karibo waren er tegen. Ze zeiden dat moeder Guldratsj waarschijnlijk veel liever in d’r hutje bleef, maar Abé wou er niet vanhooren. Hij wilde moeder Guldratsj die zoo goed voor hem geweest was bij zich hebben.Zoo vertrok dan op ’n morgen ’n paar maanden na Abé’s intocht in Pomfriet, ’n prachtige stoet ruiters met ’n mooie draagkoets, fraai genoeg voor ’n koningin. De keizer en z’n vriend Plachki reden zelf aan ’t hoofd van de stoet. Ze reden vlug, maar ’t duurde toch ’n week eer ze in de buurt van moeder Guldratsj’ hutje aankwamen. Abé was ongeduldig en hij en Plachki reden in galop vooruit. Wat zou moeder Guldratsj wel zeggen?„Nou,” meende Plachki, „ik denk dat ze blij genoeg zal zijn jou weer te zien en nog wel als keizer van Huk, maar of ze graag mee zal willen, dat weet ik nog niet. Ik geloof dat vader en Karibo gelijk hebben.”„Ze zal best mee willen als ik ’t haar vraag. Daar is d’r hutje.”Ze renden nog harder voort. ’t Ging als de wind. Juist toen ze voor de deur van moeder Guldratsj’hutje van hun paarden wilden springen werd de deur geopend en ’n man trad naar buiten. Hij had ’n zwarte mantel om en achter hem aan kwamen langzaam uit de deur vier mannen die ’n baar droegen waarover ’n zwart kleed lag.Abé schrok er van, doch Plachki vroeg aan de man terwijl hij op de baar wees: „Moeder Guldratsj?”De man knikte en zei: „Ja heer, we gaan haar begraven. Ze is van ouderdom gestorven.”De man stapte vooruit en de vier mannen volgden met de baar. De keizer sprong van ’t paard en Plachki eveneens en met hun paarden aan de teugelgingen ze stil mee achter ’t zwarte kleed waaronder moeder Guldratsj lag. De weg was ver naar ’t kerkhof en onderweg kwamen ze de heele keizerlijke stoet tegen. Op ’n wenk van Plachki stegen alle ruiters af en gingen mee. Zoo werd moeder Guldratsj plechtig begraven en ’t was de eerste maal, dat ’n keizer van Huk achter de lijkbaar van ’n oud moedertje liep.De menschen in ’t dorp waar ’t kerkhof was, wisten niet wie er achter de baar gingen. Ze vonden ’t ’n mooie stoet en praatten er nog lang over. Doch op ’n dag kwamen er werklieden op ’t kerkhof en die bouwden op ’t graf van moeder Guldratsj ’n prachtig marmeren gedenkteeken en daar stond met gouden letters in gebeiteld:HIER LIGT MOEDER GULDRATSJ, DIE GOED WAS VOOR DE KEIZER VAN HUK.
SLOT.Waarin de keizer van Huk merkt dat moeder Guldratsj geen draagstoel noodig heeft.Langzamerhand werd alles geregeld. Sutrebor was verbannen. Pirlapan was nog in Pomfriet. Hij leerde de jonge keizer hoe ’t land bestuurd moest worden. Plachki was ook in Pomfriet. Dat had Abé zoo gewild. De overige Pirlapans waren door hun vader uitgezonden om door heel Huk bekend te maken dat prins Alphabet de troon van keizer Napo beklommen had en tevens om er voor te zorgen, dat ’t in Huk weer veilig langs de wegen werd. De straatroovers, die onder keizer Sutrebor ’n goed leventje gehad hadden, kregen ’n slechte tijd. De overige Huksche baronnen waren op ’n paar na, die ’n hooge betrekking aan ’t hof bekleedden, allen weer naar hun kasteelen vertrokken. En Karibo was ’n flinke burgemeester, geen enkele van de voorname heeren had nog iets in te brengen.Doch nu begon keizerAbecéer over te denken om moeder Guldratsj te gaan halen. Dat had hij haar beloofd. Pirlapan en Karibo waren er tegen. Ze zeiden dat moeder Guldratsj waarschijnlijk veel liever in d’r hutje bleef, maar Abé wou er niet vanhooren. Hij wilde moeder Guldratsj die zoo goed voor hem geweest was bij zich hebben.Zoo vertrok dan op ’n morgen ’n paar maanden na Abé’s intocht in Pomfriet, ’n prachtige stoet ruiters met ’n mooie draagkoets, fraai genoeg voor ’n koningin. De keizer en z’n vriend Plachki reden zelf aan ’t hoofd van de stoet. Ze reden vlug, maar ’t duurde toch ’n week eer ze in de buurt van moeder Guldratsj’ hutje aankwamen. Abé was ongeduldig en hij en Plachki reden in galop vooruit. Wat zou moeder Guldratsj wel zeggen?„Nou,” meende Plachki, „ik denk dat ze blij genoeg zal zijn jou weer te zien en nog wel als keizer van Huk, maar of ze graag mee zal willen, dat weet ik nog niet. Ik geloof dat vader en Karibo gelijk hebben.”„Ze zal best mee willen als ik ’t haar vraag. Daar is d’r hutje.”Ze renden nog harder voort. ’t Ging als de wind. Juist toen ze voor de deur van moeder Guldratsj’hutje van hun paarden wilden springen werd de deur geopend en ’n man trad naar buiten. Hij had ’n zwarte mantel om en achter hem aan kwamen langzaam uit de deur vier mannen die ’n baar droegen waarover ’n zwart kleed lag.Abé schrok er van, doch Plachki vroeg aan de man terwijl hij op de baar wees: „Moeder Guldratsj?”De man knikte en zei: „Ja heer, we gaan haar begraven. Ze is van ouderdom gestorven.”De man stapte vooruit en de vier mannen volgden met de baar. De keizer sprong van ’t paard en Plachki eveneens en met hun paarden aan de teugelgingen ze stil mee achter ’t zwarte kleed waaronder moeder Guldratsj lag. De weg was ver naar ’t kerkhof en onderweg kwamen ze de heele keizerlijke stoet tegen. Op ’n wenk van Plachki stegen alle ruiters af en gingen mee. Zoo werd moeder Guldratsj plechtig begraven en ’t was de eerste maal, dat ’n keizer van Huk achter de lijkbaar van ’n oud moedertje liep.De menschen in ’t dorp waar ’t kerkhof was, wisten niet wie er achter de baar gingen. Ze vonden ’t ’n mooie stoet en praatten er nog lang over. Doch op ’n dag kwamen er werklieden op ’t kerkhof en die bouwden op ’t graf van moeder Guldratsj ’n prachtig marmeren gedenkteeken en daar stond met gouden letters in gebeiteld:HIER LIGT MOEDER GULDRATSJ, DIE GOED WAS VOOR DE KEIZER VAN HUK.
SLOT.Waarin de keizer van Huk merkt dat moeder Guldratsj geen draagstoel noodig heeft.
Waarin de keizer van Huk merkt dat moeder Guldratsj geen draagstoel noodig heeft.
Waarin de keizer van Huk merkt dat moeder Guldratsj geen draagstoel noodig heeft.
Langzamerhand werd alles geregeld. Sutrebor was verbannen. Pirlapan was nog in Pomfriet. Hij leerde de jonge keizer hoe ’t land bestuurd moest worden. Plachki was ook in Pomfriet. Dat had Abé zoo gewild. De overige Pirlapans waren door hun vader uitgezonden om door heel Huk bekend te maken dat prins Alphabet de troon van keizer Napo beklommen had en tevens om er voor te zorgen, dat ’t in Huk weer veilig langs de wegen werd. De straatroovers, die onder keizer Sutrebor ’n goed leventje gehad hadden, kregen ’n slechte tijd. De overige Huksche baronnen waren op ’n paar na, die ’n hooge betrekking aan ’t hof bekleedden, allen weer naar hun kasteelen vertrokken. En Karibo was ’n flinke burgemeester, geen enkele van de voorname heeren had nog iets in te brengen.Doch nu begon keizerAbecéer over te denken om moeder Guldratsj te gaan halen. Dat had hij haar beloofd. Pirlapan en Karibo waren er tegen. Ze zeiden dat moeder Guldratsj waarschijnlijk veel liever in d’r hutje bleef, maar Abé wou er niet vanhooren. Hij wilde moeder Guldratsj die zoo goed voor hem geweest was bij zich hebben.Zoo vertrok dan op ’n morgen ’n paar maanden na Abé’s intocht in Pomfriet, ’n prachtige stoet ruiters met ’n mooie draagkoets, fraai genoeg voor ’n koningin. De keizer en z’n vriend Plachki reden zelf aan ’t hoofd van de stoet. Ze reden vlug, maar ’t duurde toch ’n week eer ze in de buurt van moeder Guldratsj’ hutje aankwamen. Abé was ongeduldig en hij en Plachki reden in galop vooruit. Wat zou moeder Guldratsj wel zeggen?„Nou,” meende Plachki, „ik denk dat ze blij genoeg zal zijn jou weer te zien en nog wel als keizer van Huk, maar of ze graag mee zal willen, dat weet ik nog niet. Ik geloof dat vader en Karibo gelijk hebben.”„Ze zal best mee willen als ik ’t haar vraag. Daar is d’r hutje.”Ze renden nog harder voort. ’t Ging als de wind. Juist toen ze voor de deur van moeder Guldratsj’hutje van hun paarden wilden springen werd de deur geopend en ’n man trad naar buiten. Hij had ’n zwarte mantel om en achter hem aan kwamen langzaam uit de deur vier mannen die ’n baar droegen waarover ’n zwart kleed lag.Abé schrok er van, doch Plachki vroeg aan de man terwijl hij op de baar wees: „Moeder Guldratsj?”De man knikte en zei: „Ja heer, we gaan haar begraven. Ze is van ouderdom gestorven.”De man stapte vooruit en de vier mannen volgden met de baar. De keizer sprong van ’t paard en Plachki eveneens en met hun paarden aan de teugelgingen ze stil mee achter ’t zwarte kleed waaronder moeder Guldratsj lag. De weg was ver naar ’t kerkhof en onderweg kwamen ze de heele keizerlijke stoet tegen. Op ’n wenk van Plachki stegen alle ruiters af en gingen mee. Zoo werd moeder Guldratsj plechtig begraven en ’t was de eerste maal, dat ’n keizer van Huk achter de lijkbaar van ’n oud moedertje liep.De menschen in ’t dorp waar ’t kerkhof was, wisten niet wie er achter de baar gingen. Ze vonden ’t ’n mooie stoet en praatten er nog lang over. Doch op ’n dag kwamen er werklieden op ’t kerkhof en die bouwden op ’t graf van moeder Guldratsj ’n prachtig marmeren gedenkteeken en daar stond met gouden letters in gebeiteld:HIER LIGT MOEDER GULDRATSJ, DIE GOED WAS VOOR DE KEIZER VAN HUK.
Langzamerhand werd alles geregeld. Sutrebor was verbannen. Pirlapan was nog in Pomfriet. Hij leerde de jonge keizer hoe ’t land bestuurd moest worden. Plachki was ook in Pomfriet. Dat had Abé zoo gewild. De overige Pirlapans waren door hun vader uitgezonden om door heel Huk bekend te maken dat prins Alphabet de troon van keizer Napo beklommen had en tevens om er voor te zorgen, dat ’t in Huk weer veilig langs de wegen werd. De straatroovers, die onder keizer Sutrebor ’n goed leventje gehad hadden, kregen ’n slechte tijd. De overige Huksche baronnen waren op ’n paar na, die ’n hooge betrekking aan ’t hof bekleedden, allen weer naar hun kasteelen vertrokken. En Karibo was ’n flinke burgemeester, geen enkele van de voorname heeren had nog iets in te brengen.
Doch nu begon keizerAbecéer over te denken om moeder Guldratsj te gaan halen. Dat had hij haar beloofd. Pirlapan en Karibo waren er tegen. Ze zeiden dat moeder Guldratsj waarschijnlijk veel liever in d’r hutje bleef, maar Abé wou er niet vanhooren. Hij wilde moeder Guldratsj die zoo goed voor hem geweest was bij zich hebben.
Zoo vertrok dan op ’n morgen ’n paar maanden na Abé’s intocht in Pomfriet, ’n prachtige stoet ruiters met ’n mooie draagkoets, fraai genoeg voor ’n koningin. De keizer en z’n vriend Plachki reden zelf aan ’t hoofd van de stoet. Ze reden vlug, maar ’t duurde toch ’n week eer ze in de buurt van moeder Guldratsj’ hutje aankwamen. Abé was ongeduldig en hij en Plachki reden in galop vooruit. Wat zou moeder Guldratsj wel zeggen?
„Nou,” meende Plachki, „ik denk dat ze blij genoeg zal zijn jou weer te zien en nog wel als keizer van Huk, maar of ze graag mee zal willen, dat weet ik nog niet. Ik geloof dat vader en Karibo gelijk hebben.”
„Ze zal best mee willen als ik ’t haar vraag. Daar is d’r hutje.”
Ze renden nog harder voort. ’t Ging als de wind. Juist toen ze voor de deur van moeder Guldratsj’hutje van hun paarden wilden springen werd de deur geopend en ’n man trad naar buiten. Hij had ’n zwarte mantel om en achter hem aan kwamen langzaam uit de deur vier mannen die ’n baar droegen waarover ’n zwart kleed lag.
Abé schrok er van, doch Plachki vroeg aan de man terwijl hij op de baar wees: „Moeder Guldratsj?”
De man knikte en zei: „Ja heer, we gaan haar begraven. Ze is van ouderdom gestorven.”
De man stapte vooruit en de vier mannen volgden met de baar. De keizer sprong van ’t paard en Plachki eveneens en met hun paarden aan de teugelgingen ze stil mee achter ’t zwarte kleed waaronder moeder Guldratsj lag. De weg was ver naar ’t kerkhof en onderweg kwamen ze de heele keizerlijke stoet tegen. Op ’n wenk van Plachki stegen alle ruiters af en gingen mee. Zoo werd moeder Guldratsj plechtig begraven en ’t was de eerste maal, dat ’n keizer van Huk achter de lijkbaar van ’n oud moedertje liep.
De menschen in ’t dorp waar ’t kerkhof was, wisten niet wie er achter de baar gingen. Ze vonden ’t ’n mooie stoet en praatten er nog lang over. Doch op ’n dag kwamen er werklieden op ’t kerkhof en die bouwden op ’t graf van moeder Guldratsj ’n prachtig marmeren gedenkteeken en daar stond met gouden letters in gebeiteld:
HIER LIGT MOEDER GULDRATSJ, DIE GOED WAS VOOR DE KEIZER VAN HUK.