VIERDE HOOFDSTUK.Waarin Karibo kennis maakt met de Pirlapans, de kleeren van Abé teruggevonden worden en moeder Guldratsj iets vreemds overkomt.Karibo reisde met z’n prachtige stoet zoo snel mogelijk, tot groot ongenoegen van de deftige Pomfrieters, die hem vergezelden. Dat was geen manier van reizen, meenden ze. Je raakte doodop en wat kwam ’t er nu eigenlijk op aan of je ’n dag eerder of later in dat akelige nest aan de grens aankwam om prins Alphabet te vertellen, dat ie keizer van Huk geworden was? Zoo’n haast was daar nu toch warempel niet bij. Die prins Alphabet was toch nog maar ’n jongen, die kon nog lang genoeg keizer zijn en bovendien waren zij toch voorname Pomfrieters, de deftigste lui uit ’t heele land Huk. Daar mocht die Karibo óók wel eens aan denken. Wat verbeeldde zich die Karibo wel! Wat was die man eigenlijk? ’n Knecht, ’n bediende, niets meer. Nu ja, hij was een van de twee Hukkers, die de keizer in ballingschap gevolgd waren. Dat was óók zoo’n kunst niet.Dat alles bepraatten ze onder elkaar, maar ze waren toch wel zoo verstandig ’t niet hardop te zeggen als Karibo er bij was.De Pomfrietsche heeren waren dan ook wàt blij toen ze op ’n avond voor ’t kasteel Pirlapan aankwamen. Ze hadden al zooveel nachten in allerlei dorpjes moeten overnachten, soms ingekwartierd bij ’n boer, die nog niet eens ’n fatsoenlijk bed er op nahield. Nu zouden ze ’t dan eindelijk eens wat beter hebben. De lijfwacht kon wel buiten blijven onder de blauwe hemel met Karibo er bij als zij maar bij de heer van Pirlapan onder dak kwamen. Die heer zou hen wel lekker onthalen ook.Toen Karibo omringd door de Pomfrietsche heeren voor de valbrug verscheen, kwam de oude Pirlapan met z’n vier jongens, z’n strijdmakkers en al z’n knechts naar buiten, en Pirlapan trad ’t eerst overde brug op Karibo toe om te vragen, wat hij verlangde.„Wij komen uw gastvrijheid inroepen,” antwoordde Karibo, „voor deze heeren en voor de lijfwacht des keizers. We zijn op weg om zijn majesteit de keizer van Huk af te halen.”„’t Spijt me erg,” zei Pirlapan, „maar de volgelingen van keizer Sutrebor komen mijn brug niet over. Ik ken maar één echte keizer van Huk en die ben ik steeds trouw gebleven.”„Wel man,” riep Karibo, „dan konden wij ’t niet beter treffen. Sutrebor is geen keizer van Huk meer, maar wel de zoon van keizer Napo, prins Alphabet. Die gaan we halen!”„Wat zeg je?” zei Pirlapan ongeloovig … „Prins Alphabet, is die keizer van Huk?”„Ik zal ’t je wel eens vertellen,” zei Karibo van z’n paard springend. „Maar laten we eerst naar binnen gaan, als je ’t goed vindt. We hebben de heele dag te paard gezeten om door dat bosch heen te komen.”Pirlapan had er nu niets meer op tegen. Karibo en de Pomfrietsche heeren gingen naar binnen en de soldaten bleven op ’t binnenplein of kropen vermoeid in ’t hooi bij hun paarden in de stal. ’t Was ’n gewoel en ’n herrie in en om Pirlapan zooals ze daar in jaren niet beleefd hadden.Pirlapan was ’n gul gastheer nu ’t maar niet voor keizer Sutrebor was. Eten en drinken kregen al die mannen volop en de paarden even goed. Voor hun wettige keizer zouden de Pirlapans alles gegeven hebben wat ze bezaten.Karibo ging aan ’t vertellen en Pirlapan luisterde met vreugde naar de goede tijding. Maar toen Karibo zei, dat prins Alphabet alleen was achter gebleven in Cobalt, zette die oude ijzervreter plotseling ’n paar groote oogen op alsof hij schrok.„Heb je in de laatste week nog tijding gekregen van de keizerlijke prins?” vroeg hij.„Welneen,” zei Karibo, „hoe zou ik. Maar je vraagt dat met zoo’n benauwd gezicht.”„Cobalt is tot de grond toe afgebrand. Er is geen huis meer blijven staan …”„Hè?”„Er zijn honderden menschen verbrand.”„Goeie hemel …”En nu was ’t plotseling doodstil in de zaal. Geen mensch gaf ’n kik. Tot eindelijk Karibo langzaam opstond en zei:„Heer van Pirlapan, ik moet direct ’n sterk paard van je hebben. Ik ga oogenblikkelijk naar Cobalt. Deze heeren en de lijfwacht kunnen wel hier blijven. Ik moet weten wat er van onze prins geworden is. Maar vertel me nog één ding: Wanneer is die stad verbrand?”„Dat is precies anderhalve week geleden. De eerste tijding vernam ik van ’n vluchteling, die hier ’n nacht verbleef. ’t Was ’n jongen, wiens pleegvader naar Pomfriet was en die hem nu …”„Bereed ie ’n wit paard?” vroeg Karibo haastig.Pirlapan knikte. „… ’n Groot wit paard … Hij was in ’n blauw kleed, roode schoenen, en op z’n vierpuntige muts had ie veeren als voelsprieten.”„Dat was prins Alphabet!”Weer was ’t doodstil … Karibo ging zitten en iedereen keek vol verwachting naar hem. Karibo zat ’n heele poos met de hand onder z’n hoofd. Diepe rimpels had ie in z’n voorhoofd. Hij was blij dat Abé gered was, maar hoe kwam ’t, dat ze hem niet waren tegen gekomen op z’n witte paard, wanneer hij reeds den volgenden morgen weer op weg gegaan was naar Pomfriet? Verdwaald kon hij niet zijn, want er was maar één groote weg naar de hoofdstad. Waar zat die jongen dan? Was hem ’n ongeluk overkomen? Karibo kon er geen oplossing voor vinden en eindelijk zei hij:„Als hij op weg was naar Pomfriet, hadden we hem tegen moeten komen … we zijn hem niet tegen gekomen … wat moeten we nu beginnen?… Als hem maar geen ongeluk overkomen is.”„Dat zou ik niet denken,” zei Pirlapan. „Die jongen is niet voor de poes. Hij kan zich best verdedigen. Vraag dat maar eens aan m’n jongste zoon, die daar zit. Die heeft ondervonden dat de nieuwe keizer van Huk—ofschoon we toen niet vermoeden konden dat we zoo’n hooge gast onder ons dak hadden—stevige armen heeft en klappen weet uit te deelen. Neen, aan ’n ongeluk hoef je zoo gauw niet te denken.”„Maar wat kan er dan met hem gebeurd zijn?”„Ik denk,” zei ’n oude Pomfrietsche raadsheer, „dat ie nog sliep toen we hem ergens voorbij reden. We waren iedere morgen al voor dag en dauw onder weg.”De oude raadsheer was blij, dat ie eindelijk gelegenheid had Karibo eens ’n steek onder water tekunnen geven. Hij had genoeg gemopperd over dat vroege opstaan. Maar Karibo keek de Pomfrieter ’n beetje nijdig aan toen hij antwoordde.„Prins Alphabet is geen luiaard. Hij is gewoon aan vroeg opstaan. Neen, dàt kan niet.”„Misschien zat ie wel net aan tafel …” zei ’n vette Pomfrieter …„Dat kan ook niet,” riep Pirlapan op zijn beurt kwaad, „Prins Alphabet had geen geld genoeg om hier of daar lekker te gaan smullen. Pirlapansch zwart brood had ie bij zich. Brood uit mijn oven.”De dikke Pomfrieter zei niets meer. Die oude Pirlapan vond ie ’n vervelende eigenwijze boer met z’n zwarte brood. Als hij hem dat voorzette, zou ie er wel lekker voor bedanken.„We hebben geen tijd te verliezen, heeren,” zei Pirlapan weer na ’n poosje. „Ik heb er eens over gedacht. We moeten zoo gauw mogelijk onze prins zien te vinden. Hij kan nu al een heel eind op weg zijn naar Pomfriet … Maar hij kan ook wel hier of daar onder weg zitten. Je weet nooit wat je overkomen kan onder weg. Je paard kan ’n ongeluk krijgen … je kan zelf ziek worden … Je kan door slecht volk overvallen worden … Prins Alphabet is wel ’n stevige knaap en hij vecht uitstekend—maar … ’t is toch mogelijk dat ie …”Karibo stond haastig op.„Je hebt gelijk, heer van Pirlapan. We moeten onmiddellijk terug …”„Nu dadelijk?” vroegen ’n paar Pomfrieters benauwd.„Och heeren, blijven jullie gerust hier zoo langals je wilt,” zei Pirlapan. „We kunnen jullie best missen, bij wat we nu doen moeten. Kom,” ging hij voort tot Karibo, „we zullen ’r geen gras over laten groeien.”Karibo en al de Pirlapans gingen de zaal uit met ’n paar Pomfrieters. De overigen bleven achter. Die hadden geen trek om midden in de nacht weer uit te trekken, wie weet waar naar toe.Pirlapan had snel ’n plan gemaakt, dat hij nu onder ’t loopen aan Karibo uitlegde. Onder aanvoering van de Pirlapans zou de heele troep soldaten van de lijfwacht er op uit gaan om te zoeken naar de prins. Eerst door ’t bosch terug allen bij elkaar en dan vervolgens zou er bij iedere landweg ’n kleine afdeeling worden uitgezonden om te informeeren aan alle huizen of daar de jongen op ’t witte paard ook voorbij gekomen was.Karibo keurde dat plan dadelijk goed. Dat moest zeker slagen en ’t kon niet anders of ze zouden op die manier al heel gauw wat van de prins vernemen.De Pomfrietsche heeren keurden ’t plan ook goed, mits zij maar niet meehoefden, want ze waren die avontuurlijke en lastige tocht al lang zat. Doch de meesten van hen lachten tevens ’n beetje spottend en sommigen keken zelfs uit de hoogte op Karibo neer, voor wie ze tot nog toe zeer veel onderdanigheid getoond hadden en eerbied, omdat ie de pleegvader van hun nieuwe keizer was. Dat kwam wijl ze Karibo voor ’n bedrieger begonnen te houden, die ’t heele verhaal over de aanwezigheid van Prins Alphabet in ’t grensstadje verzonnenhad. Toen ’n paar er op wezen, dat ’t dan toch wel heel toevallig zou zijn geweest, dat die jongen die bij Pirlapan ’n nacht geslapen had, juist ook ’n wit paard bereed, zeiden de overigen dat ’t best kon zijn dat de Pirlapans en die Karibo onder één deken lagen en dat ’t heele plannetje door hen samen was opgemaakt.Toen zwegen de anderen, want ’t kon best waar zijn. Iedereen in Huk wist dat de Pirlapans ’n hekel hadden aan keizer Sutrebor en nu wilde die ouwe vechtbaron Pirlapan zich misschien zelf van de regeering meester maken.Ze lieten dus Karibo, de Pirlapans en de heele lijfwacht vertrekken en ze besloten op hun eigen houtje maar weer stilletjes naar Pomfriet terug te reizen op hun dooie gemak.De oude Pirlapan wachtte niet tot de volgende morgen en Karibo gaf hem groot gelijk. De soldaten van de lijfwacht hadden er evenwel weinig zin in; ze wilden niet uit ’t hooi komen, want ze hadden te veel slaap. Maar Pirlapan zette zoo’n vreeselijke bulderstem op, dat de een na de ander voor de dag kwam, soms wel vijf of zes te gelijk, en na ’n uur waren ze allemaal tot vertrekken gereed.En nu ging het in draf weer ’t bosch door, de heele nacht. De wolven liepen van angst naar alle kanten weg, ofschoon de reuk van al die paarden hen verlokkend in hun wolvenneuzen kittelde. Bij ’t aanbreken van de dag stond de heele troep aan de ingang van ’t woud, waar Abé eenigen tijd geleden ook gestaan had. De soldaten mochten ’n poosje in ’t gras gaan liggen, als ze hun paarden verzorgdhadden. Dieren en menschen hadden allemaal rust en voedsel noodig. Pirlapan en Karibo hielden samen onderhand krijgsraad. Pirlapan stelde voor de heele troep te verdeelen in kleine patrouilles, ieder met ’n Pirlapan of een van Pirlapans vertrouwde strijdmakkers aan ’t hoofd. Die zouden door alle zijwegen kunnen naspeuren en aan alle woningen vragen of men daar ook iets gehoord of gezien had van de jongen met de voelsprieten en ’t witte paard.Karibo keurde dat plan goed en Pirlapan begon maar dadelijk de mannetjes in te deelen. Zoo kreeg hij twintig patrouilles van vijf man onder aanvoering van hemzelf, z’n zoons en z’n eigen mannen. Karibo zou bij de oude Pirlapan blijven.Na ’n uur gingen de troepen op weg. Eerst bleven ze bij elkaar, maar bij de eerste zijweg scheidde zich een patrouille af. Ze zouden ’n uur ver de weg volgen, overal navragen en dan terugkeeren—behalve natuurlijk als ’t bleek dat de prins die weg genomen had. In dat geval zou de patrouille nog verder gaan, maar één man terug zenden om bericht te geven aan Karibo of Pirlapan.Deze eerste troep bereikte na ’n kwartier reeds het huisje van moeder Guldratsj, maar ’t oude vrouwtje was niet thuis. De mannen loerden naar binnen toen ze op hun herhaald kloppen geen gehoor kregen en toen zag een van de Pirlapans de muts met de voelsprieten op ’n bank liggen.„Hoera!!” schreeuwde hij. „We hebben hem al. Z’n muts ligt daar op de bank.” De heele patrouille verdrong zich voor ’t kleine venstertje om ook iets van de muts met de voelsprieten te zien. En nuwees de jonge Pirlapan een van de mannen aan om zoo hard als ’n paard rennen kon de blijde tijding aan Karibo en z’n vader te gaan brengen. Misschien was de heele troep nog bij elkaar. Ze konden dan met z’n allen terugkeeren. De ruiter sprong in de zadel en reed snel weg. Z’n paard liep zóó hard, dat binnen ’t half uur de hoofdtroep reeds ingehaald was. Paard en man waren buiten adem. De man kon echter nog heel goed z’n boodschap—’n blijde boodschap meende Karibo—overbrengen en onmiddellijk gaf de oude Pirlapan bevel terug te keeren. De boodschapper mocht achterblijven om uit te rusten met z’n paard, maar ook om de tweede patrouille, die ’n andere zijweg was ingeslagen bij haar terugkeer te kunnen meedeelen dat ze terug konden gaan naar de hoofdtroep. Snel reden de mannen want Karibo was verbazend ongeduldig. Hij dacht z’n jonge meester te zullen aantreffen. Toen ze evenwel ’t huisje bereikten zagen ze de achtergebleven mannen van de patrouille in ’t gras liggen. Ze bewaakten ’t huisje. Er kon geen muis in of uit.„Wel,” vroeg Karibo, die ook door ’t venstertje geloerd had en de muts dadelijk had herkend. „Heb jullie nog geen mensch gezien?”„Niemand,” antwoordde de jonge Pirlapan.„Dan moeten we de deur maar eens open zien te krijgen,” meende z’n vader. „Dat zal wel niet moeielijk zijn. ’t Mag eigenlijk wel niet maar daar moeten we ons nu maar eens niet aan storen. Wat denk jij er van Karibo.„Wel ja,” zei deze. „Ik zal ’t zelf wel eens probeeren.”Hij duwde tegen de deur eerst zachtjes en toen wat harder, maar ’t ging niet.„Dat kan ik veel beter,” zei toen de oude Pirlapan. „Ga eens op zij. Je doet net of die deur schreeuwen zal. Op zij.”De deur vloog open. Pirlapan had er ’n trap tegen gegeven.Karibo en hij gingen ’t huisje binnen. De overigen verdrongen zich voor de deur en voor ’t venster. Pirlapan joeg hen gauw weg. Ze maakten ’t in ’t huisje pikkedonker. Nu zagen ze de muts, maar tot Karibo’s groote ontsteltenis ook de overige kleeren van Abé. Z’n roode schoenen stonden onder de bank. En binnen in de muts zag Karibo ’n bloedvlek.De oude man werd doodsbleek. En Pirlapan die de muts nu ook nauwkeuriger bekeek zei wat benauwd:„Ik ben bang dat er iets met de prins gebeurd is Karibo … En ik vrees niet veel goeds.”„O … o …” zuchtte Karibo, „had ik hem toch maar niet alleen achtergelaten. Arme jongen.”En Pirlapan zei:„Ik heb net zooveel schuld als jij man. Ik had hem niet alleen moeten laten vertrekken.”„Da’s niet waar Pirlapan. Jij hoefde niet op hem te passen en je wist ook niet dat ’t prins Alphabet was.”„Prins of niet,” bromde Pirlapan, „ik had die aardige ferme jongen moeten beletten alleen verder te reizen.” „’t Is mijn schuld nog meer dan de jouwe. Maar ik dacht … och wat komt ’t er ook op aan wat ik dacht. Ik vergeef ’t mezelf nooit … en als ie dood is, heb ik ’t op m’n geweten.”Karibo schudde ’t hoofd.„Mijn schuld is het …”Ze zwegen allebei en de mannen buiten, die weer door ’t venstertje loerden fluisterden met elkaar, want ze zagen wel aan Pirlapan en Karibo dat de zaak niet in orde was. En ze letten er geen van allen op dat ’n oud vrouwtje op d’r stok geleund langs de weg kwam aanloopen zoo snel ze kon. ’t Was moeder Guldratsj, die al de mannen en paarden bij haar huisje ziende, zoo gauw mogelijk voortmaakte om te weten wat er aan de hand was.„Wel, wel,” riep ze met d’r oude stemmetje, „wat ’n menschen voor moeder Guldratsj hutje … Heere … me deur open. Op zij … op zij … wat hebben jullie in mijn huisje noodig?”De soldaten keken verwonderd op, ze hadden haar niet gehoord vóór ze vlak bij was. Maar ze lieten haar gewillig door.Moeder Guldratsj ging gauw naar binnen, maar bleef in de deur staan toen ze die twee mannen zag, die Abé’s kleeren stonden te bekijken. Karibo had zich net gebukt om de roode schoenen op te nemen. Die hield ie nu in de hand. Moeder Guldratsj stond met de mond open van verwondering en ’n beetje van schrik.De oude Pirlapan merkte haar ’t eerst op.„Ha,” riep hij, „daar is iemand.”Nu keek Karibo ook op en zag ’t oude vrouwtje scherp aan en dadelijk vroeg hij:„Hoe komen die kleeren hier?”„Och, och …” zei ’t vrouwtje alleen maar. Ze begreep dat daar misschien Abé’s pleegvader stond,waarvan hij verteld had … maar ze had ook de soldaten daar buiten herkend als diegenen die ze ’n paar dagen vroeger voorbij had zien gaan over de groote weg, die ’n prins gingen afhalen en dat alles bij elkaar maakte haar verward. Ze kon er geen touw aan vastknoopen.„Spreek, ouwe heks!” brulde Pirlapan, die gauw woedend was, en daar schrok ’t oude menschje zoo hevig van, dat ze zich aan de deurpost moest vasthouden. Was me dat ook ’n stem en zoo heel onverwacht!„Kom moedertje,” zei Karibo veel zachter, want hij kreeg plotseling, hij wist zelf niet waarom, meelijden met ’t verschrikte vrouwtje, „zeg nu maar gauw hoe jij aan die kleeren komt.”„Och heer …” antwoordde moeder Guldratsj … „die zijn van ’n jongetje, dat ik verpleegd heb … Hij is nou weg om z’n pleegvader op te zoeken … heelemaal naar Pomfriet.”„Praatjes,” bulderde Pirlapan opnieuw. „Hoe kan hij nou zonder kleeren naar Pomfriet op weg zijn. Je liegt, wijf.”Moeder Guldratsj was wel oud, maar bij de pinken. Ze had nu ze ’n beetje over de eerste schrik heen was niet zoo’n groote vrees meer voor de bromstem van Pirlapan en ze zei kalm hoewel nog een beetje beverig:„Ik spreek de waarheid heer. Abé vond ik op de weg met ’n wond in z’n hoofd. ’n Gauwdief had hem met ’n stok geslagen en z’n paard geroofd. Toen heb ik de arme jongen mee genomen naar mijn huisje en daar is hij gebleven tot hij beter was. Toen kon ik hem niet meer houden. Hij wilde met alle geweld naar z’n pleegvader toe.”„Die pleegvader ben ik,” zei Karibo.„Ik begrijp het al,”ging hij voort tot Pirlapan. „Toen ik met die Pomfrieters hier in de buurt voorbij reed, was hij hier. Maar vertel me eens vrouwtje, hoe komt ’t dat ie z’n eigen kleeren niet aangehouden heeft?”„Och heer,de arme jongen had geen cent … en nu dacht ik dat ie in minder voorname kleeren misschien makkelijker Pomfriet zou kunnen bereiken … Hij heeft kleeren aan van mijn kleinzoon.”„’t Is wat moois,”bromde Pirlapan,„de keizer van Huk in ’n boerenpakje als ’n bedelaar op weg naar zijn eigen hoofdstad zonder ’n cent …”Moeder Guldratsj zette groote oogen op, toenze dat hoorde. Abé keizer van Huk! Hoe kon dat nou …„Keizer van Huk!” prevelde ze. „En wist ie dat dan zelf niet?”„Nee … ja …”zei Karibo …„Hoe bedoel je dat eigenlijk?”„Wel,” zei moeder Guldratsj, „toen ik hem vertelde, dat er ’n groote stoet onderweg was om de nieuwe keizer van Huk te gaan halen, … prins Alpa … Alpi … ik kan die naam maar niet onthouden.”„Prins Alphabet, moeder,” zei Karibo.„Precies … nou toen zei de jongen heelemaal niet, dat hij dat was.”„Dat kon ie ook niet, want hij weet niet, dat ze hem hier prins Alphabet noemen.”Moeder Guldratsj begreep er niet veel van—en Pirlapan zei alleen maar:„Zoo, weet ie dat niet! Hoe lang is de prins al hier van daan?”„Twee dagen geleden heer …”„Wat denk je Pirlapan,” zei Karibo, „zouden we maar niet dadelijk opbreken? We hoeven nu maar langs de groote weg naar Pomfriet te zoeken. En wijmoetenhem inhalen … Wij zijn te paard en hij te voet … Moedertje hoe zien die kleeren er uit die hij aanheeft?”„Bruin, heer. Zooals de boeren hier veel dragen.”„Laten dan je mannen maar opstijgen Pirlapan,” zei Karibo. „Ik hoop dat we hem vandaag nog vinden.”„Ik ook,” zei Pirlapan.Hij gaf bevel te paard te stijgen aan de soldaten, maar voor ze weg reden, sprak hij zacht ’n paarwoorden met ’n paar van z’n eigen mannen. Die twee reden niet mee.„Wat doe je Pirlapan?” vroeg Karibo, toen hij dat zag.„Och,” antwoordde die. „’t Is mogelijk dat die oude heks alles gelogen heeft. Ze kon best diefjesmaat zijn met die kerel die hem z’n paard ontstal … Nou laat ik haar maar zoolang opbergen in mijn kasteel. Vinden we prins Alphabet niet … dan heb ik tenminste háár in m’n vingers en dan zal ze ’n beetje beter de waarheid moeten zeggen of ik heet niet Pirlapan.”Hij zei dat allemaal grimmig en Karibo begreep, dat tegenspreken niet veel zou helpen. Hij geloofde ’t verhaal van ’t oude vrouwtje wel, maar … ’t zou toch kunnen zijn dat Pirlapan gelijk had.Snel reden ze. En iedereen, die ze tegen kwamen werd scherp ondervraagd. Maar zonder resultaat. De een had niets gezien en ’n ander twee boerenjongens tegelijk, ’nderdehad er een op ’t land zien werken en ’n vierde was er een op ’n paard tegengekomen. Maar als Karibo dan vroeg of degene die ze gezien hadden lang zwart haar had, schudden ze ’t hoofd. ’n Jongen met lang zwart haar waren ze geen van allen tegen gekomen.En dan zei Pirlapan nijdig: „Dat dacht ik wel.”Moeder Guldratsj had d’r huisje gesloten. Karibo had de kleeren van Abé meegenomen en nu had moeder Guldratsj niets meer van hem. Dat speet haar erg, want ze was heel veel van Abé gaan houden. Dat die jongen ’n prins was en keizer van Huk deed daar niets aan af. Ze hoopte nu maar,dat z’n pleegvader hem spoedig mocht aantreffen en óók hoopte ze er op, dat Abé als hij dan toch keizer van Huk moest zijn, haar niet heelemaal zou vergeten. Hij had haar beloofd terug te zullen komen. Zou hij dat wel kunnen als hij keizer was? Natuurlijk wel, dacht moeder Guldratsj, ’n keizer kan alles. Maar hij zou er misschien geen tijd voor hebben. Wat zou me dat ’n eer zijn als er eens ’n keizer in haar huisje kwam … en dan nog wel een, die zij van de weg had opgeraapt, die zij verbonden had, die in haar bed had geslapen en die ’n groot brood, ’n groot zwaar zwart brood van haar had meegenomen in ’n blauwe katoenen zak … en die, dat was ’t aardigste van alles, de kleeren van haar kleinzoon droeg, net of zijzelf z’n grootmoeder was!Dit alles ging haar door ’t hoofd … maar ze werd gestoord in die vreemdsoortige gedachten, doordat er weer op haar deur geklopt werd. Toen ze opendeed, zag ze weer twee van die snorrebaarden te paard. Wat zouden die nu weer moeten. Zeker nog wat vergeten. Ze keek gauw rond of er ook wat van prins Alpa … hoe heette die nou toch ook weer?—was blijven liggen. Maar ze hoefde niet lang te kijken.„Moedertje,” zei de ruiter niet onvriendelijk, „je moet ’n eindje met me meerijden. M’n kameraad zal je wel eventjes optillen. Je weegt toch haast niks. Je mag voor me op ’t zadel zitten. Dan kan ik je goed vasthouden!”„Wat??” riep moeder Guldratsj en toen bleef de bijna tandelooze mond wijd open staan.„Sluit maar gauw je deur,” zei de ander, die alvan z’n paard af was. „Je mag ’n poosje op Pirlapan logeeren. Deftig hè?”„Op Pirlapan!! Nee hoor … ik ga niet mee … voor geen goud.”„Tja—je zal ’t voor niks moeten doen,” lachte de man. „Baron van Pirlapan heeft het bevolen … en dan hebben jij en ik niks in te brengen hè? Wat de heeren wijzen, moeten wij prijzen.”„Maar waarom …”„Dat weet ik ook niet. Kom oudje … maak nou wat voort. ’t Moet toch gebeuren.”Bevend haalde moeder Guldratsj de sleutel voor de dag en de soldaat hielp haar goedhartig de deur sluiten. Ze kon ’t zelf niet. Dikke tranen liepen over d’r gerimpelde wangen. Ze kon ’t sleutelgat niet eensmeer zien door al die waterlanders. Had ze dat nou aan die goeie jongen verdiend?De soldaat tilde ’t huilende vrouwtje gewoon op, net of ’t een klein kind was. „Hup,” zei hij, en z’n kameraad had haar al in z’n armen.„Zie zoo,” zei die, „nou zit je net zoo veilig als op je stoel, moedertje. Als ik van m’n paard val, val jij ook. Maar dat zou de eerste keer van m’n leven zijn.”En weg reden ze naar Pirlapan.
VIERDE HOOFDSTUK.Waarin Karibo kennis maakt met de Pirlapans, de kleeren van Abé teruggevonden worden en moeder Guldratsj iets vreemds overkomt.Karibo reisde met z’n prachtige stoet zoo snel mogelijk, tot groot ongenoegen van de deftige Pomfrieters, die hem vergezelden. Dat was geen manier van reizen, meenden ze. Je raakte doodop en wat kwam ’t er nu eigenlijk op aan of je ’n dag eerder of later in dat akelige nest aan de grens aankwam om prins Alphabet te vertellen, dat ie keizer van Huk geworden was? Zoo’n haast was daar nu toch warempel niet bij. Die prins Alphabet was toch nog maar ’n jongen, die kon nog lang genoeg keizer zijn en bovendien waren zij toch voorname Pomfrieters, de deftigste lui uit ’t heele land Huk. Daar mocht die Karibo óók wel eens aan denken. Wat verbeeldde zich die Karibo wel! Wat was die man eigenlijk? ’n Knecht, ’n bediende, niets meer. Nu ja, hij was een van de twee Hukkers, die de keizer in ballingschap gevolgd waren. Dat was óók zoo’n kunst niet.Dat alles bepraatten ze onder elkaar, maar ze waren toch wel zoo verstandig ’t niet hardop te zeggen als Karibo er bij was.De Pomfrietsche heeren waren dan ook wàt blij toen ze op ’n avond voor ’t kasteel Pirlapan aankwamen. Ze hadden al zooveel nachten in allerlei dorpjes moeten overnachten, soms ingekwartierd bij ’n boer, die nog niet eens ’n fatsoenlijk bed er op nahield. Nu zouden ze ’t dan eindelijk eens wat beter hebben. De lijfwacht kon wel buiten blijven onder de blauwe hemel met Karibo er bij als zij maar bij de heer van Pirlapan onder dak kwamen. Die heer zou hen wel lekker onthalen ook.Toen Karibo omringd door de Pomfrietsche heeren voor de valbrug verscheen, kwam de oude Pirlapan met z’n vier jongens, z’n strijdmakkers en al z’n knechts naar buiten, en Pirlapan trad ’t eerst overde brug op Karibo toe om te vragen, wat hij verlangde.„Wij komen uw gastvrijheid inroepen,” antwoordde Karibo, „voor deze heeren en voor de lijfwacht des keizers. We zijn op weg om zijn majesteit de keizer van Huk af te halen.”„’t Spijt me erg,” zei Pirlapan, „maar de volgelingen van keizer Sutrebor komen mijn brug niet over. Ik ken maar één echte keizer van Huk en die ben ik steeds trouw gebleven.”„Wel man,” riep Karibo, „dan konden wij ’t niet beter treffen. Sutrebor is geen keizer van Huk meer, maar wel de zoon van keizer Napo, prins Alphabet. Die gaan we halen!”„Wat zeg je?” zei Pirlapan ongeloovig … „Prins Alphabet, is die keizer van Huk?”„Ik zal ’t je wel eens vertellen,” zei Karibo van z’n paard springend. „Maar laten we eerst naar binnen gaan, als je ’t goed vindt. We hebben de heele dag te paard gezeten om door dat bosch heen te komen.”Pirlapan had er nu niets meer op tegen. Karibo en de Pomfrietsche heeren gingen naar binnen en de soldaten bleven op ’t binnenplein of kropen vermoeid in ’t hooi bij hun paarden in de stal. ’t Was ’n gewoel en ’n herrie in en om Pirlapan zooals ze daar in jaren niet beleefd hadden.Pirlapan was ’n gul gastheer nu ’t maar niet voor keizer Sutrebor was. Eten en drinken kregen al die mannen volop en de paarden even goed. Voor hun wettige keizer zouden de Pirlapans alles gegeven hebben wat ze bezaten.Karibo ging aan ’t vertellen en Pirlapan luisterde met vreugde naar de goede tijding. Maar toen Karibo zei, dat prins Alphabet alleen was achter gebleven in Cobalt, zette die oude ijzervreter plotseling ’n paar groote oogen op alsof hij schrok.„Heb je in de laatste week nog tijding gekregen van de keizerlijke prins?” vroeg hij.„Welneen,” zei Karibo, „hoe zou ik. Maar je vraagt dat met zoo’n benauwd gezicht.”„Cobalt is tot de grond toe afgebrand. Er is geen huis meer blijven staan …”„Hè?”„Er zijn honderden menschen verbrand.”„Goeie hemel …”En nu was ’t plotseling doodstil in de zaal. Geen mensch gaf ’n kik. Tot eindelijk Karibo langzaam opstond en zei:„Heer van Pirlapan, ik moet direct ’n sterk paard van je hebben. Ik ga oogenblikkelijk naar Cobalt. Deze heeren en de lijfwacht kunnen wel hier blijven. Ik moet weten wat er van onze prins geworden is. Maar vertel me nog één ding: Wanneer is die stad verbrand?”„Dat is precies anderhalve week geleden. De eerste tijding vernam ik van ’n vluchteling, die hier ’n nacht verbleef. ’t Was ’n jongen, wiens pleegvader naar Pomfriet was en die hem nu …”„Bereed ie ’n wit paard?” vroeg Karibo haastig.Pirlapan knikte. „… ’n Groot wit paard … Hij was in ’n blauw kleed, roode schoenen, en op z’n vierpuntige muts had ie veeren als voelsprieten.”„Dat was prins Alphabet!”Weer was ’t doodstil … Karibo ging zitten en iedereen keek vol verwachting naar hem. Karibo zat ’n heele poos met de hand onder z’n hoofd. Diepe rimpels had ie in z’n voorhoofd. Hij was blij dat Abé gered was, maar hoe kwam ’t, dat ze hem niet waren tegen gekomen op z’n witte paard, wanneer hij reeds den volgenden morgen weer op weg gegaan was naar Pomfriet? Verdwaald kon hij niet zijn, want er was maar één groote weg naar de hoofdstad. Waar zat die jongen dan? Was hem ’n ongeluk overkomen? Karibo kon er geen oplossing voor vinden en eindelijk zei hij:„Als hij op weg was naar Pomfriet, hadden we hem tegen moeten komen … we zijn hem niet tegen gekomen … wat moeten we nu beginnen?… Als hem maar geen ongeluk overkomen is.”„Dat zou ik niet denken,” zei Pirlapan. „Die jongen is niet voor de poes. Hij kan zich best verdedigen. Vraag dat maar eens aan m’n jongste zoon, die daar zit. Die heeft ondervonden dat de nieuwe keizer van Huk—ofschoon we toen niet vermoeden konden dat we zoo’n hooge gast onder ons dak hadden—stevige armen heeft en klappen weet uit te deelen. Neen, aan ’n ongeluk hoef je zoo gauw niet te denken.”„Maar wat kan er dan met hem gebeurd zijn?”„Ik denk,” zei ’n oude Pomfrietsche raadsheer, „dat ie nog sliep toen we hem ergens voorbij reden. We waren iedere morgen al voor dag en dauw onder weg.”De oude raadsheer was blij, dat ie eindelijk gelegenheid had Karibo eens ’n steek onder water tekunnen geven. Hij had genoeg gemopperd over dat vroege opstaan. Maar Karibo keek de Pomfrieter ’n beetje nijdig aan toen hij antwoordde.„Prins Alphabet is geen luiaard. Hij is gewoon aan vroeg opstaan. Neen, dàt kan niet.”„Misschien zat ie wel net aan tafel …” zei ’n vette Pomfrieter …„Dat kan ook niet,” riep Pirlapan op zijn beurt kwaad, „Prins Alphabet had geen geld genoeg om hier of daar lekker te gaan smullen. Pirlapansch zwart brood had ie bij zich. Brood uit mijn oven.”De dikke Pomfrieter zei niets meer. Die oude Pirlapan vond ie ’n vervelende eigenwijze boer met z’n zwarte brood. Als hij hem dat voorzette, zou ie er wel lekker voor bedanken.„We hebben geen tijd te verliezen, heeren,” zei Pirlapan weer na ’n poosje. „Ik heb er eens over gedacht. We moeten zoo gauw mogelijk onze prins zien te vinden. Hij kan nu al een heel eind op weg zijn naar Pomfriet … Maar hij kan ook wel hier of daar onder weg zitten. Je weet nooit wat je overkomen kan onder weg. Je paard kan ’n ongeluk krijgen … je kan zelf ziek worden … Je kan door slecht volk overvallen worden … Prins Alphabet is wel ’n stevige knaap en hij vecht uitstekend—maar … ’t is toch mogelijk dat ie …”Karibo stond haastig op.„Je hebt gelijk, heer van Pirlapan. We moeten onmiddellijk terug …”„Nu dadelijk?” vroegen ’n paar Pomfrieters benauwd.„Och heeren, blijven jullie gerust hier zoo langals je wilt,” zei Pirlapan. „We kunnen jullie best missen, bij wat we nu doen moeten. Kom,” ging hij voort tot Karibo, „we zullen ’r geen gras over laten groeien.”Karibo en al de Pirlapans gingen de zaal uit met ’n paar Pomfrieters. De overigen bleven achter. Die hadden geen trek om midden in de nacht weer uit te trekken, wie weet waar naar toe.Pirlapan had snel ’n plan gemaakt, dat hij nu onder ’t loopen aan Karibo uitlegde. Onder aanvoering van de Pirlapans zou de heele troep soldaten van de lijfwacht er op uit gaan om te zoeken naar de prins. Eerst door ’t bosch terug allen bij elkaar en dan vervolgens zou er bij iedere landweg ’n kleine afdeeling worden uitgezonden om te informeeren aan alle huizen of daar de jongen op ’t witte paard ook voorbij gekomen was.Karibo keurde dat plan dadelijk goed. Dat moest zeker slagen en ’t kon niet anders of ze zouden op die manier al heel gauw wat van de prins vernemen.De Pomfrietsche heeren keurden ’t plan ook goed, mits zij maar niet meehoefden, want ze waren die avontuurlijke en lastige tocht al lang zat. Doch de meesten van hen lachten tevens ’n beetje spottend en sommigen keken zelfs uit de hoogte op Karibo neer, voor wie ze tot nog toe zeer veel onderdanigheid getoond hadden en eerbied, omdat ie de pleegvader van hun nieuwe keizer was. Dat kwam wijl ze Karibo voor ’n bedrieger begonnen te houden, die ’t heele verhaal over de aanwezigheid van Prins Alphabet in ’t grensstadje verzonnenhad. Toen ’n paar er op wezen, dat ’t dan toch wel heel toevallig zou zijn geweest, dat die jongen die bij Pirlapan ’n nacht geslapen had, juist ook ’n wit paard bereed, zeiden de overigen dat ’t best kon zijn dat de Pirlapans en die Karibo onder één deken lagen en dat ’t heele plannetje door hen samen was opgemaakt.Toen zwegen de anderen, want ’t kon best waar zijn. Iedereen in Huk wist dat de Pirlapans ’n hekel hadden aan keizer Sutrebor en nu wilde die ouwe vechtbaron Pirlapan zich misschien zelf van de regeering meester maken.Ze lieten dus Karibo, de Pirlapans en de heele lijfwacht vertrekken en ze besloten op hun eigen houtje maar weer stilletjes naar Pomfriet terug te reizen op hun dooie gemak.De oude Pirlapan wachtte niet tot de volgende morgen en Karibo gaf hem groot gelijk. De soldaten van de lijfwacht hadden er evenwel weinig zin in; ze wilden niet uit ’t hooi komen, want ze hadden te veel slaap. Maar Pirlapan zette zoo’n vreeselijke bulderstem op, dat de een na de ander voor de dag kwam, soms wel vijf of zes te gelijk, en na ’n uur waren ze allemaal tot vertrekken gereed.En nu ging het in draf weer ’t bosch door, de heele nacht. De wolven liepen van angst naar alle kanten weg, ofschoon de reuk van al die paarden hen verlokkend in hun wolvenneuzen kittelde. Bij ’t aanbreken van de dag stond de heele troep aan de ingang van ’t woud, waar Abé eenigen tijd geleden ook gestaan had. De soldaten mochten ’n poosje in ’t gras gaan liggen, als ze hun paarden verzorgdhadden. Dieren en menschen hadden allemaal rust en voedsel noodig. Pirlapan en Karibo hielden samen onderhand krijgsraad. Pirlapan stelde voor de heele troep te verdeelen in kleine patrouilles, ieder met ’n Pirlapan of een van Pirlapans vertrouwde strijdmakkers aan ’t hoofd. Die zouden door alle zijwegen kunnen naspeuren en aan alle woningen vragen of men daar ook iets gehoord of gezien had van de jongen met de voelsprieten en ’t witte paard.Karibo keurde dat plan goed en Pirlapan begon maar dadelijk de mannetjes in te deelen. Zoo kreeg hij twintig patrouilles van vijf man onder aanvoering van hemzelf, z’n zoons en z’n eigen mannen. Karibo zou bij de oude Pirlapan blijven.Na ’n uur gingen de troepen op weg. Eerst bleven ze bij elkaar, maar bij de eerste zijweg scheidde zich een patrouille af. Ze zouden ’n uur ver de weg volgen, overal navragen en dan terugkeeren—behalve natuurlijk als ’t bleek dat de prins die weg genomen had. In dat geval zou de patrouille nog verder gaan, maar één man terug zenden om bericht te geven aan Karibo of Pirlapan.Deze eerste troep bereikte na ’n kwartier reeds het huisje van moeder Guldratsj, maar ’t oude vrouwtje was niet thuis. De mannen loerden naar binnen toen ze op hun herhaald kloppen geen gehoor kregen en toen zag een van de Pirlapans de muts met de voelsprieten op ’n bank liggen.„Hoera!!” schreeuwde hij. „We hebben hem al. Z’n muts ligt daar op de bank.” De heele patrouille verdrong zich voor ’t kleine venstertje om ook iets van de muts met de voelsprieten te zien. En nuwees de jonge Pirlapan een van de mannen aan om zoo hard als ’n paard rennen kon de blijde tijding aan Karibo en z’n vader te gaan brengen. Misschien was de heele troep nog bij elkaar. Ze konden dan met z’n allen terugkeeren. De ruiter sprong in de zadel en reed snel weg. Z’n paard liep zóó hard, dat binnen ’t half uur de hoofdtroep reeds ingehaald was. Paard en man waren buiten adem. De man kon echter nog heel goed z’n boodschap—’n blijde boodschap meende Karibo—overbrengen en onmiddellijk gaf de oude Pirlapan bevel terug te keeren. De boodschapper mocht achterblijven om uit te rusten met z’n paard, maar ook om de tweede patrouille, die ’n andere zijweg was ingeslagen bij haar terugkeer te kunnen meedeelen dat ze terug konden gaan naar de hoofdtroep. Snel reden de mannen want Karibo was verbazend ongeduldig. Hij dacht z’n jonge meester te zullen aantreffen. Toen ze evenwel ’t huisje bereikten zagen ze de achtergebleven mannen van de patrouille in ’t gras liggen. Ze bewaakten ’t huisje. Er kon geen muis in of uit.„Wel,” vroeg Karibo, die ook door ’t venstertje geloerd had en de muts dadelijk had herkend. „Heb jullie nog geen mensch gezien?”„Niemand,” antwoordde de jonge Pirlapan.„Dan moeten we de deur maar eens open zien te krijgen,” meende z’n vader. „Dat zal wel niet moeielijk zijn. ’t Mag eigenlijk wel niet maar daar moeten we ons nu maar eens niet aan storen. Wat denk jij er van Karibo.„Wel ja,” zei deze. „Ik zal ’t zelf wel eens probeeren.”Hij duwde tegen de deur eerst zachtjes en toen wat harder, maar ’t ging niet.„Dat kan ik veel beter,” zei toen de oude Pirlapan. „Ga eens op zij. Je doet net of die deur schreeuwen zal. Op zij.”De deur vloog open. Pirlapan had er ’n trap tegen gegeven.Karibo en hij gingen ’t huisje binnen. De overigen verdrongen zich voor de deur en voor ’t venster. Pirlapan joeg hen gauw weg. Ze maakten ’t in ’t huisje pikkedonker. Nu zagen ze de muts, maar tot Karibo’s groote ontsteltenis ook de overige kleeren van Abé. Z’n roode schoenen stonden onder de bank. En binnen in de muts zag Karibo ’n bloedvlek.De oude man werd doodsbleek. En Pirlapan die de muts nu ook nauwkeuriger bekeek zei wat benauwd:„Ik ben bang dat er iets met de prins gebeurd is Karibo … En ik vrees niet veel goeds.”„O … o …” zuchtte Karibo, „had ik hem toch maar niet alleen achtergelaten. Arme jongen.”En Pirlapan zei:„Ik heb net zooveel schuld als jij man. Ik had hem niet alleen moeten laten vertrekken.”„Da’s niet waar Pirlapan. Jij hoefde niet op hem te passen en je wist ook niet dat ’t prins Alphabet was.”„Prins of niet,” bromde Pirlapan, „ik had die aardige ferme jongen moeten beletten alleen verder te reizen.” „’t Is mijn schuld nog meer dan de jouwe. Maar ik dacht … och wat komt ’t er ook op aan wat ik dacht. Ik vergeef ’t mezelf nooit … en als ie dood is, heb ik ’t op m’n geweten.”Karibo schudde ’t hoofd.„Mijn schuld is het …”Ze zwegen allebei en de mannen buiten, die weer door ’t venstertje loerden fluisterden met elkaar, want ze zagen wel aan Pirlapan en Karibo dat de zaak niet in orde was. En ze letten er geen van allen op dat ’n oud vrouwtje op d’r stok geleund langs de weg kwam aanloopen zoo snel ze kon. ’t Was moeder Guldratsj, die al de mannen en paarden bij haar huisje ziende, zoo gauw mogelijk voortmaakte om te weten wat er aan de hand was.„Wel, wel,” riep ze met d’r oude stemmetje, „wat ’n menschen voor moeder Guldratsj hutje … Heere … me deur open. Op zij … op zij … wat hebben jullie in mijn huisje noodig?”De soldaten keken verwonderd op, ze hadden haar niet gehoord vóór ze vlak bij was. Maar ze lieten haar gewillig door.Moeder Guldratsj ging gauw naar binnen, maar bleef in de deur staan toen ze die twee mannen zag, die Abé’s kleeren stonden te bekijken. Karibo had zich net gebukt om de roode schoenen op te nemen. Die hield ie nu in de hand. Moeder Guldratsj stond met de mond open van verwondering en ’n beetje van schrik.De oude Pirlapan merkte haar ’t eerst op.„Ha,” riep hij, „daar is iemand.”Nu keek Karibo ook op en zag ’t oude vrouwtje scherp aan en dadelijk vroeg hij:„Hoe komen die kleeren hier?”„Och, och …” zei ’t vrouwtje alleen maar. Ze begreep dat daar misschien Abé’s pleegvader stond,waarvan hij verteld had … maar ze had ook de soldaten daar buiten herkend als diegenen die ze ’n paar dagen vroeger voorbij had zien gaan over de groote weg, die ’n prins gingen afhalen en dat alles bij elkaar maakte haar verward. Ze kon er geen touw aan vastknoopen.„Spreek, ouwe heks!” brulde Pirlapan, die gauw woedend was, en daar schrok ’t oude menschje zoo hevig van, dat ze zich aan de deurpost moest vasthouden. Was me dat ook ’n stem en zoo heel onverwacht!„Kom moedertje,” zei Karibo veel zachter, want hij kreeg plotseling, hij wist zelf niet waarom, meelijden met ’t verschrikte vrouwtje, „zeg nu maar gauw hoe jij aan die kleeren komt.”„Och heer …” antwoordde moeder Guldratsj … „die zijn van ’n jongetje, dat ik verpleegd heb … Hij is nou weg om z’n pleegvader op te zoeken … heelemaal naar Pomfriet.”„Praatjes,” bulderde Pirlapan opnieuw. „Hoe kan hij nou zonder kleeren naar Pomfriet op weg zijn. Je liegt, wijf.”Moeder Guldratsj was wel oud, maar bij de pinken. Ze had nu ze ’n beetje over de eerste schrik heen was niet zoo’n groote vrees meer voor de bromstem van Pirlapan en ze zei kalm hoewel nog een beetje beverig:„Ik spreek de waarheid heer. Abé vond ik op de weg met ’n wond in z’n hoofd. ’n Gauwdief had hem met ’n stok geslagen en z’n paard geroofd. Toen heb ik de arme jongen mee genomen naar mijn huisje en daar is hij gebleven tot hij beter was. Toen kon ik hem niet meer houden. Hij wilde met alle geweld naar z’n pleegvader toe.”„Die pleegvader ben ik,” zei Karibo.„Ik begrijp het al,”ging hij voort tot Pirlapan. „Toen ik met die Pomfrieters hier in de buurt voorbij reed, was hij hier. Maar vertel me eens vrouwtje, hoe komt ’t dat ie z’n eigen kleeren niet aangehouden heeft?”„Och heer,de arme jongen had geen cent … en nu dacht ik dat ie in minder voorname kleeren misschien makkelijker Pomfriet zou kunnen bereiken … Hij heeft kleeren aan van mijn kleinzoon.”„’t Is wat moois,”bromde Pirlapan,„de keizer van Huk in ’n boerenpakje als ’n bedelaar op weg naar zijn eigen hoofdstad zonder ’n cent …”Moeder Guldratsj zette groote oogen op, toenze dat hoorde. Abé keizer van Huk! Hoe kon dat nou …„Keizer van Huk!” prevelde ze. „En wist ie dat dan zelf niet?”„Nee … ja …”zei Karibo …„Hoe bedoel je dat eigenlijk?”„Wel,” zei moeder Guldratsj, „toen ik hem vertelde, dat er ’n groote stoet onderweg was om de nieuwe keizer van Huk te gaan halen, … prins Alpa … Alpi … ik kan die naam maar niet onthouden.”„Prins Alphabet, moeder,” zei Karibo.„Precies … nou toen zei de jongen heelemaal niet, dat hij dat was.”„Dat kon ie ook niet, want hij weet niet, dat ze hem hier prins Alphabet noemen.”Moeder Guldratsj begreep er niet veel van—en Pirlapan zei alleen maar:„Zoo, weet ie dat niet! Hoe lang is de prins al hier van daan?”„Twee dagen geleden heer …”„Wat denk je Pirlapan,” zei Karibo, „zouden we maar niet dadelijk opbreken? We hoeven nu maar langs de groote weg naar Pomfriet te zoeken. En wijmoetenhem inhalen … Wij zijn te paard en hij te voet … Moedertje hoe zien die kleeren er uit die hij aanheeft?”„Bruin, heer. Zooals de boeren hier veel dragen.”„Laten dan je mannen maar opstijgen Pirlapan,” zei Karibo. „Ik hoop dat we hem vandaag nog vinden.”„Ik ook,” zei Pirlapan.Hij gaf bevel te paard te stijgen aan de soldaten, maar voor ze weg reden, sprak hij zacht ’n paarwoorden met ’n paar van z’n eigen mannen. Die twee reden niet mee.„Wat doe je Pirlapan?” vroeg Karibo, toen hij dat zag.„Och,” antwoordde die. „’t Is mogelijk dat die oude heks alles gelogen heeft. Ze kon best diefjesmaat zijn met die kerel die hem z’n paard ontstal … Nou laat ik haar maar zoolang opbergen in mijn kasteel. Vinden we prins Alphabet niet … dan heb ik tenminste háár in m’n vingers en dan zal ze ’n beetje beter de waarheid moeten zeggen of ik heet niet Pirlapan.”Hij zei dat allemaal grimmig en Karibo begreep, dat tegenspreken niet veel zou helpen. Hij geloofde ’t verhaal van ’t oude vrouwtje wel, maar … ’t zou toch kunnen zijn dat Pirlapan gelijk had.Snel reden ze. En iedereen, die ze tegen kwamen werd scherp ondervraagd. Maar zonder resultaat. De een had niets gezien en ’n ander twee boerenjongens tegelijk, ’nderdehad er een op ’t land zien werken en ’n vierde was er een op ’n paard tegengekomen. Maar als Karibo dan vroeg of degene die ze gezien hadden lang zwart haar had, schudden ze ’t hoofd. ’n Jongen met lang zwart haar waren ze geen van allen tegen gekomen.En dan zei Pirlapan nijdig: „Dat dacht ik wel.”Moeder Guldratsj had d’r huisje gesloten. Karibo had de kleeren van Abé meegenomen en nu had moeder Guldratsj niets meer van hem. Dat speet haar erg, want ze was heel veel van Abé gaan houden. Dat die jongen ’n prins was en keizer van Huk deed daar niets aan af. Ze hoopte nu maar,dat z’n pleegvader hem spoedig mocht aantreffen en óók hoopte ze er op, dat Abé als hij dan toch keizer van Huk moest zijn, haar niet heelemaal zou vergeten. Hij had haar beloofd terug te zullen komen. Zou hij dat wel kunnen als hij keizer was? Natuurlijk wel, dacht moeder Guldratsj, ’n keizer kan alles. Maar hij zou er misschien geen tijd voor hebben. Wat zou me dat ’n eer zijn als er eens ’n keizer in haar huisje kwam … en dan nog wel een, die zij van de weg had opgeraapt, die zij verbonden had, die in haar bed had geslapen en die ’n groot brood, ’n groot zwaar zwart brood van haar had meegenomen in ’n blauwe katoenen zak … en die, dat was ’t aardigste van alles, de kleeren van haar kleinzoon droeg, net of zijzelf z’n grootmoeder was!Dit alles ging haar door ’t hoofd … maar ze werd gestoord in die vreemdsoortige gedachten, doordat er weer op haar deur geklopt werd. Toen ze opendeed, zag ze weer twee van die snorrebaarden te paard. Wat zouden die nu weer moeten. Zeker nog wat vergeten. Ze keek gauw rond of er ook wat van prins Alpa … hoe heette die nou toch ook weer?—was blijven liggen. Maar ze hoefde niet lang te kijken.„Moedertje,” zei de ruiter niet onvriendelijk, „je moet ’n eindje met me meerijden. M’n kameraad zal je wel eventjes optillen. Je weegt toch haast niks. Je mag voor me op ’t zadel zitten. Dan kan ik je goed vasthouden!”„Wat??” riep moeder Guldratsj en toen bleef de bijna tandelooze mond wijd open staan.„Sluit maar gauw je deur,” zei de ander, die alvan z’n paard af was. „Je mag ’n poosje op Pirlapan logeeren. Deftig hè?”„Op Pirlapan!! Nee hoor … ik ga niet mee … voor geen goud.”„Tja—je zal ’t voor niks moeten doen,” lachte de man. „Baron van Pirlapan heeft het bevolen … en dan hebben jij en ik niks in te brengen hè? Wat de heeren wijzen, moeten wij prijzen.”„Maar waarom …”„Dat weet ik ook niet. Kom oudje … maak nou wat voort. ’t Moet toch gebeuren.”Bevend haalde moeder Guldratsj de sleutel voor de dag en de soldaat hielp haar goedhartig de deur sluiten. Ze kon ’t zelf niet. Dikke tranen liepen over d’r gerimpelde wangen. Ze kon ’t sleutelgat niet eensmeer zien door al die waterlanders. Had ze dat nou aan die goeie jongen verdiend?De soldaat tilde ’t huilende vrouwtje gewoon op, net of ’t een klein kind was. „Hup,” zei hij, en z’n kameraad had haar al in z’n armen.„Zie zoo,” zei die, „nou zit je net zoo veilig als op je stoel, moedertje. Als ik van m’n paard val, val jij ook. Maar dat zou de eerste keer van m’n leven zijn.”En weg reden ze naar Pirlapan.
VIERDE HOOFDSTUK.Waarin Karibo kennis maakt met de Pirlapans, de kleeren van Abé teruggevonden worden en moeder Guldratsj iets vreemds overkomt.
Waarin Karibo kennis maakt met de Pirlapans, de kleeren van Abé teruggevonden worden en moeder Guldratsj iets vreemds overkomt.
Waarin Karibo kennis maakt met de Pirlapans, de kleeren van Abé teruggevonden worden en moeder Guldratsj iets vreemds overkomt.
Karibo reisde met z’n prachtige stoet zoo snel mogelijk, tot groot ongenoegen van de deftige Pomfrieters, die hem vergezelden. Dat was geen manier van reizen, meenden ze. Je raakte doodop en wat kwam ’t er nu eigenlijk op aan of je ’n dag eerder of later in dat akelige nest aan de grens aankwam om prins Alphabet te vertellen, dat ie keizer van Huk geworden was? Zoo’n haast was daar nu toch warempel niet bij. Die prins Alphabet was toch nog maar ’n jongen, die kon nog lang genoeg keizer zijn en bovendien waren zij toch voorname Pomfrieters, de deftigste lui uit ’t heele land Huk. Daar mocht die Karibo óók wel eens aan denken. Wat verbeeldde zich die Karibo wel! Wat was die man eigenlijk? ’n Knecht, ’n bediende, niets meer. Nu ja, hij was een van de twee Hukkers, die de keizer in ballingschap gevolgd waren. Dat was óók zoo’n kunst niet.Dat alles bepraatten ze onder elkaar, maar ze waren toch wel zoo verstandig ’t niet hardop te zeggen als Karibo er bij was.De Pomfrietsche heeren waren dan ook wàt blij toen ze op ’n avond voor ’t kasteel Pirlapan aankwamen. Ze hadden al zooveel nachten in allerlei dorpjes moeten overnachten, soms ingekwartierd bij ’n boer, die nog niet eens ’n fatsoenlijk bed er op nahield. Nu zouden ze ’t dan eindelijk eens wat beter hebben. De lijfwacht kon wel buiten blijven onder de blauwe hemel met Karibo er bij als zij maar bij de heer van Pirlapan onder dak kwamen. Die heer zou hen wel lekker onthalen ook.Toen Karibo omringd door de Pomfrietsche heeren voor de valbrug verscheen, kwam de oude Pirlapan met z’n vier jongens, z’n strijdmakkers en al z’n knechts naar buiten, en Pirlapan trad ’t eerst overde brug op Karibo toe om te vragen, wat hij verlangde.„Wij komen uw gastvrijheid inroepen,” antwoordde Karibo, „voor deze heeren en voor de lijfwacht des keizers. We zijn op weg om zijn majesteit de keizer van Huk af te halen.”„’t Spijt me erg,” zei Pirlapan, „maar de volgelingen van keizer Sutrebor komen mijn brug niet over. Ik ken maar één echte keizer van Huk en die ben ik steeds trouw gebleven.”„Wel man,” riep Karibo, „dan konden wij ’t niet beter treffen. Sutrebor is geen keizer van Huk meer, maar wel de zoon van keizer Napo, prins Alphabet. Die gaan we halen!”„Wat zeg je?” zei Pirlapan ongeloovig … „Prins Alphabet, is die keizer van Huk?”„Ik zal ’t je wel eens vertellen,” zei Karibo van z’n paard springend. „Maar laten we eerst naar binnen gaan, als je ’t goed vindt. We hebben de heele dag te paard gezeten om door dat bosch heen te komen.”Pirlapan had er nu niets meer op tegen. Karibo en de Pomfrietsche heeren gingen naar binnen en de soldaten bleven op ’t binnenplein of kropen vermoeid in ’t hooi bij hun paarden in de stal. ’t Was ’n gewoel en ’n herrie in en om Pirlapan zooals ze daar in jaren niet beleefd hadden.Pirlapan was ’n gul gastheer nu ’t maar niet voor keizer Sutrebor was. Eten en drinken kregen al die mannen volop en de paarden even goed. Voor hun wettige keizer zouden de Pirlapans alles gegeven hebben wat ze bezaten.Karibo ging aan ’t vertellen en Pirlapan luisterde met vreugde naar de goede tijding. Maar toen Karibo zei, dat prins Alphabet alleen was achter gebleven in Cobalt, zette die oude ijzervreter plotseling ’n paar groote oogen op alsof hij schrok.„Heb je in de laatste week nog tijding gekregen van de keizerlijke prins?” vroeg hij.„Welneen,” zei Karibo, „hoe zou ik. Maar je vraagt dat met zoo’n benauwd gezicht.”„Cobalt is tot de grond toe afgebrand. Er is geen huis meer blijven staan …”„Hè?”„Er zijn honderden menschen verbrand.”„Goeie hemel …”En nu was ’t plotseling doodstil in de zaal. Geen mensch gaf ’n kik. Tot eindelijk Karibo langzaam opstond en zei:„Heer van Pirlapan, ik moet direct ’n sterk paard van je hebben. Ik ga oogenblikkelijk naar Cobalt. Deze heeren en de lijfwacht kunnen wel hier blijven. Ik moet weten wat er van onze prins geworden is. Maar vertel me nog één ding: Wanneer is die stad verbrand?”„Dat is precies anderhalve week geleden. De eerste tijding vernam ik van ’n vluchteling, die hier ’n nacht verbleef. ’t Was ’n jongen, wiens pleegvader naar Pomfriet was en die hem nu …”„Bereed ie ’n wit paard?” vroeg Karibo haastig.Pirlapan knikte. „… ’n Groot wit paard … Hij was in ’n blauw kleed, roode schoenen, en op z’n vierpuntige muts had ie veeren als voelsprieten.”„Dat was prins Alphabet!”Weer was ’t doodstil … Karibo ging zitten en iedereen keek vol verwachting naar hem. Karibo zat ’n heele poos met de hand onder z’n hoofd. Diepe rimpels had ie in z’n voorhoofd. Hij was blij dat Abé gered was, maar hoe kwam ’t, dat ze hem niet waren tegen gekomen op z’n witte paard, wanneer hij reeds den volgenden morgen weer op weg gegaan was naar Pomfriet? Verdwaald kon hij niet zijn, want er was maar één groote weg naar de hoofdstad. Waar zat die jongen dan? Was hem ’n ongeluk overkomen? Karibo kon er geen oplossing voor vinden en eindelijk zei hij:„Als hij op weg was naar Pomfriet, hadden we hem tegen moeten komen … we zijn hem niet tegen gekomen … wat moeten we nu beginnen?… Als hem maar geen ongeluk overkomen is.”„Dat zou ik niet denken,” zei Pirlapan. „Die jongen is niet voor de poes. Hij kan zich best verdedigen. Vraag dat maar eens aan m’n jongste zoon, die daar zit. Die heeft ondervonden dat de nieuwe keizer van Huk—ofschoon we toen niet vermoeden konden dat we zoo’n hooge gast onder ons dak hadden—stevige armen heeft en klappen weet uit te deelen. Neen, aan ’n ongeluk hoef je zoo gauw niet te denken.”„Maar wat kan er dan met hem gebeurd zijn?”„Ik denk,” zei ’n oude Pomfrietsche raadsheer, „dat ie nog sliep toen we hem ergens voorbij reden. We waren iedere morgen al voor dag en dauw onder weg.”De oude raadsheer was blij, dat ie eindelijk gelegenheid had Karibo eens ’n steek onder water tekunnen geven. Hij had genoeg gemopperd over dat vroege opstaan. Maar Karibo keek de Pomfrieter ’n beetje nijdig aan toen hij antwoordde.„Prins Alphabet is geen luiaard. Hij is gewoon aan vroeg opstaan. Neen, dàt kan niet.”„Misschien zat ie wel net aan tafel …” zei ’n vette Pomfrieter …„Dat kan ook niet,” riep Pirlapan op zijn beurt kwaad, „Prins Alphabet had geen geld genoeg om hier of daar lekker te gaan smullen. Pirlapansch zwart brood had ie bij zich. Brood uit mijn oven.”De dikke Pomfrieter zei niets meer. Die oude Pirlapan vond ie ’n vervelende eigenwijze boer met z’n zwarte brood. Als hij hem dat voorzette, zou ie er wel lekker voor bedanken.„We hebben geen tijd te verliezen, heeren,” zei Pirlapan weer na ’n poosje. „Ik heb er eens over gedacht. We moeten zoo gauw mogelijk onze prins zien te vinden. Hij kan nu al een heel eind op weg zijn naar Pomfriet … Maar hij kan ook wel hier of daar onder weg zitten. Je weet nooit wat je overkomen kan onder weg. Je paard kan ’n ongeluk krijgen … je kan zelf ziek worden … Je kan door slecht volk overvallen worden … Prins Alphabet is wel ’n stevige knaap en hij vecht uitstekend—maar … ’t is toch mogelijk dat ie …”Karibo stond haastig op.„Je hebt gelijk, heer van Pirlapan. We moeten onmiddellijk terug …”„Nu dadelijk?” vroegen ’n paar Pomfrieters benauwd.„Och heeren, blijven jullie gerust hier zoo langals je wilt,” zei Pirlapan. „We kunnen jullie best missen, bij wat we nu doen moeten. Kom,” ging hij voort tot Karibo, „we zullen ’r geen gras over laten groeien.”Karibo en al de Pirlapans gingen de zaal uit met ’n paar Pomfrieters. De overigen bleven achter. Die hadden geen trek om midden in de nacht weer uit te trekken, wie weet waar naar toe.Pirlapan had snel ’n plan gemaakt, dat hij nu onder ’t loopen aan Karibo uitlegde. Onder aanvoering van de Pirlapans zou de heele troep soldaten van de lijfwacht er op uit gaan om te zoeken naar de prins. Eerst door ’t bosch terug allen bij elkaar en dan vervolgens zou er bij iedere landweg ’n kleine afdeeling worden uitgezonden om te informeeren aan alle huizen of daar de jongen op ’t witte paard ook voorbij gekomen was.Karibo keurde dat plan dadelijk goed. Dat moest zeker slagen en ’t kon niet anders of ze zouden op die manier al heel gauw wat van de prins vernemen.De Pomfrietsche heeren keurden ’t plan ook goed, mits zij maar niet meehoefden, want ze waren die avontuurlijke en lastige tocht al lang zat. Doch de meesten van hen lachten tevens ’n beetje spottend en sommigen keken zelfs uit de hoogte op Karibo neer, voor wie ze tot nog toe zeer veel onderdanigheid getoond hadden en eerbied, omdat ie de pleegvader van hun nieuwe keizer was. Dat kwam wijl ze Karibo voor ’n bedrieger begonnen te houden, die ’t heele verhaal over de aanwezigheid van Prins Alphabet in ’t grensstadje verzonnenhad. Toen ’n paar er op wezen, dat ’t dan toch wel heel toevallig zou zijn geweest, dat die jongen die bij Pirlapan ’n nacht geslapen had, juist ook ’n wit paard bereed, zeiden de overigen dat ’t best kon zijn dat de Pirlapans en die Karibo onder één deken lagen en dat ’t heele plannetje door hen samen was opgemaakt.Toen zwegen de anderen, want ’t kon best waar zijn. Iedereen in Huk wist dat de Pirlapans ’n hekel hadden aan keizer Sutrebor en nu wilde die ouwe vechtbaron Pirlapan zich misschien zelf van de regeering meester maken.Ze lieten dus Karibo, de Pirlapans en de heele lijfwacht vertrekken en ze besloten op hun eigen houtje maar weer stilletjes naar Pomfriet terug te reizen op hun dooie gemak.De oude Pirlapan wachtte niet tot de volgende morgen en Karibo gaf hem groot gelijk. De soldaten van de lijfwacht hadden er evenwel weinig zin in; ze wilden niet uit ’t hooi komen, want ze hadden te veel slaap. Maar Pirlapan zette zoo’n vreeselijke bulderstem op, dat de een na de ander voor de dag kwam, soms wel vijf of zes te gelijk, en na ’n uur waren ze allemaal tot vertrekken gereed.En nu ging het in draf weer ’t bosch door, de heele nacht. De wolven liepen van angst naar alle kanten weg, ofschoon de reuk van al die paarden hen verlokkend in hun wolvenneuzen kittelde. Bij ’t aanbreken van de dag stond de heele troep aan de ingang van ’t woud, waar Abé eenigen tijd geleden ook gestaan had. De soldaten mochten ’n poosje in ’t gras gaan liggen, als ze hun paarden verzorgdhadden. Dieren en menschen hadden allemaal rust en voedsel noodig. Pirlapan en Karibo hielden samen onderhand krijgsraad. Pirlapan stelde voor de heele troep te verdeelen in kleine patrouilles, ieder met ’n Pirlapan of een van Pirlapans vertrouwde strijdmakkers aan ’t hoofd. Die zouden door alle zijwegen kunnen naspeuren en aan alle woningen vragen of men daar ook iets gehoord of gezien had van de jongen met de voelsprieten en ’t witte paard.Karibo keurde dat plan goed en Pirlapan begon maar dadelijk de mannetjes in te deelen. Zoo kreeg hij twintig patrouilles van vijf man onder aanvoering van hemzelf, z’n zoons en z’n eigen mannen. Karibo zou bij de oude Pirlapan blijven.Na ’n uur gingen de troepen op weg. Eerst bleven ze bij elkaar, maar bij de eerste zijweg scheidde zich een patrouille af. Ze zouden ’n uur ver de weg volgen, overal navragen en dan terugkeeren—behalve natuurlijk als ’t bleek dat de prins die weg genomen had. In dat geval zou de patrouille nog verder gaan, maar één man terug zenden om bericht te geven aan Karibo of Pirlapan.Deze eerste troep bereikte na ’n kwartier reeds het huisje van moeder Guldratsj, maar ’t oude vrouwtje was niet thuis. De mannen loerden naar binnen toen ze op hun herhaald kloppen geen gehoor kregen en toen zag een van de Pirlapans de muts met de voelsprieten op ’n bank liggen.„Hoera!!” schreeuwde hij. „We hebben hem al. Z’n muts ligt daar op de bank.” De heele patrouille verdrong zich voor ’t kleine venstertje om ook iets van de muts met de voelsprieten te zien. En nuwees de jonge Pirlapan een van de mannen aan om zoo hard als ’n paard rennen kon de blijde tijding aan Karibo en z’n vader te gaan brengen. Misschien was de heele troep nog bij elkaar. Ze konden dan met z’n allen terugkeeren. De ruiter sprong in de zadel en reed snel weg. Z’n paard liep zóó hard, dat binnen ’t half uur de hoofdtroep reeds ingehaald was. Paard en man waren buiten adem. De man kon echter nog heel goed z’n boodschap—’n blijde boodschap meende Karibo—overbrengen en onmiddellijk gaf de oude Pirlapan bevel terug te keeren. De boodschapper mocht achterblijven om uit te rusten met z’n paard, maar ook om de tweede patrouille, die ’n andere zijweg was ingeslagen bij haar terugkeer te kunnen meedeelen dat ze terug konden gaan naar de hoofdtroep. Snel reden de mannen want Karibo was verbazend ongeduldig. Hij dacht z’n jonge meester te zullen aantreffen. Toen ze evenwel ’t huisje bereikten zagen ze de achtergebleven mannen van de patrouille in ’t gras liggen. Ze bewaakten ’t huisje. Er kon geen muis in of uit.„Wel,” vroeg Karibo, die ook door ’t venstertje geloerd had en de muts dadelijk had herkend. „Heb jullie nog geen mensch gezien?”„Niemand,” antwoordde de jonge Pirlapan.„Dan moeten we de deur maar eens open zien te krijgen,” meende z’n vader. „Dat zal wel niet moeielijk zijn. ’t Mag eigenlijk wel niet maar daar moeten we ons nu maar eens niet aan storen. Wat denk jij er van Karibo.„Wel ja,” zei deze. „Ik zal ’t zelf wel eens probeeren.”Hij duwde tegen de deur eerst zachtjes en toen wat harder, maar ’t ging niet.„Dat kan ik veel beter,” zei toen de oude Pirlapan. „Ga eens op zij. Je doet net of die deur schreeuwen zal. Op zij.”De deur vloog open. Pirlapan had er ’n trap tegen gegeven.Karibo en hij gingen ’t huisje binnen. De overigen verdrongen zich voor de deur en voor ’t venster. Pirlapan joeg hen gauw weg. Ze maakten ’t in ’t huisje pikkedonker. Nu zagen ze de muts, maar tot Karibo’s groote ontsteltenis ook de overige kleeren van Abé. Z’n roode schoenen stonden onder de bank. En binnen in de muts zag Karibo ’n bloedvlek.De oude man werd doodsbleek. En Pirlapan die de muts nu ook nauwkeuriger bekeek zei wat benauwd:„Ik ben bang dat er iets met de prins gebeurd is Karibo … En ik vrees niet veel goeds.”„O … o …” zuchtte Karibo, „had ik hem toch maar niet alleen achtergelaten. Arme jongen.”En Pirlapan zei:„Ik heb net zooveel schuld als jij man. Ik had hem niet alleen moeten laten vertrekken.”„Da’s niet waar Pirlapan. Jij hoefde niet op hem te passen en je wist ook niet dat ’t prins Alphabet was.”„Prins of niet,” bromde Pirlapan, „ik had die aardige ferme jongen moeten beletten alleen verder te reizen.” „’t Is mijn schuld nog meer dan de jouwe. Maar ik dacht … och wat komt ’t er ook op aan wat ik dacht. Ik vergeef ’t mezelf nooit … en als ie dood is, heb ik ’t op m’n geweten.”Karibo schudde ’t hoofd.„Mijn schuld is het …”Ze zwegen allebei en de mannen buiten, die weer door ’t venstertje loerden fluisterden met elkaar, want ze zagen wel aan Pirlapan en Karibo dat de zaak niet in orde was. En ze letten er geen van allen op dat ’n oud vrouwtje op d’r stok geleund langs de weg kwam aanloopen zoo snel ze kon. ’t Was moeder Guldratsj, die al de mannen en paarden bij haar huisje ziende, zoo gauw mogelijk voortmaakte om te weten wat er aan de hand was.„Wel, wel,” riep ze met d’r oude stemmetje, „wat ’n menschen voor moeder Guldratsj hutje … Heere … me deur open. Op zij … op zij … wat hebben jullie in mijn huisje noodig?”De soldaten keken verwonderd op, ze hadden haar niet gehoord vóór ze vlak bij was. Maar ze lieten haar gewillig door.Moeder Guldratsj ging gauw naar binnen, maar bleef in de deur staan toen ze die twee mannen zag, die Abé’s kleeren stonden te bekijken. Karibo had zich net gebukt om de roode schoenen op te nemen. Die hield ie nu in de hand. Moeder Guldratsj stond met de mond open van verwondering en ’n beetje van schrik.De oude Pirlapan merkte haar ’t eerst op.„Ha,” riep hij, „daar is iemand.”Nu keek Karibo ook op en zag ’t oude vrouwtje scherp aan en dadelijk vroeg hij:„Hoe komen die kleeren hier?”„Och, och …” zei ’t vrouwtje alleen maar. Ze begreep dat daar misschien Abé’s pleegvader stond,waarvan hij verteld had … maar ze had ook de soldaten daar buiten herkend als diegenen die ze ’n paar dagen vroeger voorbij had zien gaan over de groote weg, die ’n prins gingen afhalen en dat alles bij elkaar maakte haar verward. Ze kon er geen touw aan vastknoopen.„Spreek, ouwe heks!” brulde Pirlapan, die gauw woedend was, en daar schrok ’t oude menschje zoo hevig van, dat ze zich aan de deurpost moest vasthouden. Was me dat ook ’n stem en zoo heel onverwacht!„Kom moedertje,” zei Karibo veel zachter, want hij kreeg plotseling, hij wist zelf niet waarom, meelijden met ’t verschrikte vrouwtje, „zeg nu maar gauw hoe jij aan die kleeren komt.”„Och heer …” antwoordde moeder Guldratsj … „die zijn van ’n jongetje, dat ik verpleegd heb … Hij is nou weg om z’n pleegvader op te zoeken … heelemaal naar Pomfriet.”„Praatjes,” bulderde Pirlapan opnieuw. „Hoe kan hij nou zonder kleeren naar Pomfriet op weg zijn. Je liegt, wijf.”Moeder Guldratsj was wel oud, maar bij de pinken. Ze had nu ze ’n beetje over de eerste schrik heen was niet zoo’n groote vrees meer voor de bromstem van Pirlapan en ze zei kalm hoewel nog een beetje beverig:„Ik spreek de waarheid heer. Abé vond ik op de weg met ’n wond in z’n hoofd. ’n Gauwdief had hem met ’n stok geslagen en z’n paard geroofd. Toen heb ik de arme jongen mee genomen naar mijn huisje en daar is hij gebleven tot hij beter was. Toen kon ik hem niet meer houden. Hij wilde met alle geweld naar z’n pleegvader toe.”„Die pleegvader ben ik,” zei Karibo.„Ik begrijp het al,”ging hij voort tot Pirlapan. „Toen ik met die Pomfrieters hier in de buurt voorbij reed, was hij hier. Maar vertel me eens vrouwtje, hoe komt ’t dat ie z’n eigen kleeren niet aangehouden heeft?”„Och heer,de arme jongen had geen cent … en nu dacht ik dat ie in minder voorname kleeren misschien makkelijker Pomfriet zou kunnen bereiken … Hij heeft kleeren aan van mijn kleinzoon.”„’t Is wat moois,”bromde Pirlapan,„de keizer van Huk in ’n boerenpakje als ’n bedelaar op weg naar zijn eigen hoofdstad zonder ’n cent …”Moeder Guldratsj zette groote oogen op, toenze dat hoorde. Abé keizer van Huk! Hoe kon dat nou …„Keizer van Huk!” prevelde ze. „En wist ie dat dan zelf niet?”„Nee … ja …”zei Karibo …„Hoe bedoel je dat eigenlijk?”„Wel,” zei moeder Guldratsj, „toen ik hem vertelde, dat er ’n groote stoet onderweg was om de nieuwe keizer van Huk te gaan halen, … prins Alpa … Alpi … ik kan die naam maar niet onthouden.”„Prins Alphabet, moeder,” zei Karibo.„Precies … nou toen zei de jongen heelemaal niet, dat hij dat was.”„Dat kon ie ook niet, want hij weet niet, dat ze hem hier prins Alphabet noemen.”Moeder Guldratsj begreep er niet veel van—en Pirlapan zei alleen maar:„Zoo, weet ie dat niet! Hoe lang is de prins al hier van daan?”„Twee dagen geleden heer …”„Wat denk je Pirlapan,” zei Karibo, „zouden we maar niet dadelijk opbreken? We hoeven nu maar langs de groote weg naar Pomfriet te zoeken. En wijmoetenhem inhalen … Wij zijn te paard en hij te voet … Moedertje hoe zien die kleeren er uit die hij aanheeft?”„Bruin, heer. Zooals de boeren hier veel dragen.”„Laten dan je mannen maar opstijgen Pirlapan,” zei Karibo. „Ik hoop dat we hem vandaag nog vinden.”„Ik ook,” zei Pirlapan.Hij gaf bevel te paard te stijgen aan de soldaten, maar voor ze weg reden, sprak hij zacht ’n paarwoorden met ’n paar van z’n eigen mannen. Die twee reden niet mee.„Wat doe je Pirlapan?” vroeg Karibo, toen hij dat zag.„Och,” antwoordde die. „’t Is mogelijk dat die oude heks alles gelogen heeft. Ze kon best diefjesmaat zijn met die kerel die hem z’n paard ontstal … Nou laat ik haar maar zoolang opbergen in mijn kasteel. Vinden we prins Alphabet niet … dan heb ik tenminste háár in m’n vingers en dan zal ze ’n beetje beter de waarheid moeten zeggen of ik heet niet Pirlapan.”Hij zei dat allemaal grimmig en Karibo begreep, dat tegenspreken niet veel zou helpen. Hij geloofde ’t verhaal van ’t oude vrouwtje wel, maar … ’t zou toch kunnen zijn dat Pirlapan gelijk had.Snel reden ze. En iedereen, die ze tegen kwamen werd scherp ondervraagd. Maar zonder resultaat. De een had niets gezien en ’n ander twee boerenjongens tegelijk, ’nderdehad er een op ’t land zien werken en ’n vierde was er een op ’n paard tegengekomen. Maar als Karibo dan vroeg of degene die ze gezien hadden lang zwart haar had, schudden ze ’t hoofd. ’n Jongen met lang zwart haar waren ze geen van allen tegen gekomen.En dan zei Pirlapan nijdig: „Dat dacht ik wel.”Moeder Guldratsj had d’r huisje gesloten. Karibo had de kleeren van Abé meegenomen en nu had moeder Guldratsj niets meer van hem. Dat speet haar erg, want ze was heel veel van Abé gaan houden. Dat die jongen ’n prins was en keizer van Huk deed daar niets aan af. Ze hoopte nu maar,dat z’n pleegvader hem spoedig mocht aantreffen en óók hoopte ze er op, dat Abé als hij dan toch keizer van Huk moest zijn, haar niet heelemaal zou vergeten. Hij had haar beloofd terug te zullen komen. Zou hij dat wel kunnen als hij keizer was? Natuurlijk wel, dacht moeder Guldratsj, ’n keizer kan alles. Maar hij zou er misschien geen tijd voor hebben. Wat zou me dat ’n eer zijn als er eens ’n keizer in haar huisje kwam … en dan nog wel een, die zij van de weg had opgeraapt, die zij verbonden had, die in haar bed had geslapen en die ’n groot brood, ’n groot zwaar zwart brood van haar had meegenomen in ’n blauwe katoenen zak … en die, dat was ’t aardigste van alles, de kleeren van haar kleinzoon droeg, net of zijzelf z’n grootmoeder was!Dit alles ging haar door ’t hoofd … maar ze werd gestoord in die vreemdsoortige gedachten, doordat er weer op haar deur geklopt werd. Toen ze opendeed, zag ze weer twee van die snorrebaarden te paard. Wat zouden die nu weer moeten. Zeker nog wat vergeten. Ze keek gauw rond of er ook wat van prins Alpa … hoe heette die nou toch ook weer?—was blijven liggen. Maar ze hoefde niet lang te kijken.„Moedertje,” zei de ruiter niet onvriendelijk, „je moet ’n eindje met me meerijden. M’n kameraad zal je wel eventjes optillen. Je weegt toch haast niks. Je mag voor me op ’t zadel zitten. Dan kan ik je goed vasthouden!”„Wat??” riep moeder Guldratsj en toen bleef de bijna tandelooze mond wijd open staan.„Sluit maar gauw je deur,” zei de ander, die alvan z’n paard af was. „Je mag ’n poosje op Pirlapan logeeren. Deftig hè?”„Op Pirlapan!! Nee hoor … ik ga niet mee … voor geen goud.”„Tja—je zal ’t voor niks moeten doen,” lachte de man. „Baron van Pirlapan heeft het bevolen … en dan hebben jij en ik niks in te brengen hè? Wat de heeren wijzen, moeten wij prijzen.”„Maar waarom …”„Dat weet ik ook niet. Kom oudje … maak nou wat voort. ’t Moet toch gebeuren.”Bevend haalde moeder Guldratsj de sleutel voor de dag en de soldaat hielp haar goedhartig de deur sluiten. Ze kon ’t zelf niet. Dikke tranen liepen over d’r gerimpelde wangen. Ze kon ’t sleutelgat niet eensmeer zien door al die waterlanders. Had ze dat nou aan die goeie jongen verdiend?De soldaat tilde ’t huilende vrouwtje gewoon op, net of ’t een klein kind was. „Hup,” zei hij, en z’n kameraad had haar al in z’n armen.„Zie zoo,” zei die, „nou zit je net zoo veilig als op je stoel, moedertje. Als ik van m’n paard val, val jij ook. Maar dat zou de eerste keer van m’n leven zijn.”En weg reden ze naar Pirlapan.
Karibo reisde met z’n prachtige stoet zoo snel mogelijk, tot groot ongenoegen van de deftige Pomfrieters, die hem vergezelden. Dat was geen manier van reizen, meenden ze. Je raakte doodop en wat kwam ’t er nu eigenlijk op aan of je ’n dag eerder of later in dat akelige nest aan de grens aankwam om prins Alphabet te vertellen, dat ie keizer van Huk geworden was? Zoo’n haast was daar nu toch warempel niet bij. Die prins Alphabet was toch nog maar ’n jongen, die kon nog lang genoeg keizer zijn en bovendien waren zij toch voorname Pomfrieters, de deftigste lui uit ’t heele land Huk. Daar mocht die Karibo óók wel eens aan denken. Wat verbeeldde zich die Karibo wel! Wat was die man eigenlijk? ’n Knecht, ’n bediende, niets meer. Nu ja, hij was een van de twee Hukkers, die de keizer in ballingschap gevolgd waren. Dat was óók zoo’n kunst niet.
Dat alles bepraatten ze onder elkaar, maar ze waren toch wel zoo verstandig ’t niet hardop te zeggen als Karibo er bij was.
De Pomfrietsche heeren waren dan ook wàt blij toen ze op ’n avond voor ’t kasteel Pirlapan aankwamen. Ze hadden al zooveel nachten in allerlei dorpjes moeten overnachten, soms ingekwartierd bij ’n boer, die nog niet eens ’n fatsoenlijk bed er op nahield. Nu zouden ze ’t dan eindelijk eens wat beter hebben. De lijfwacht kon wel buiten blijven onder de blauwe hemel met Karibo er bij als zij maar bij de heer van Pirlapan onder dak kwamen. Die heer zou hen wel lekker onthalen ook.
Toen Karibo omringd door de Pomfrietsche heeren voor de valbrug verscheen, kwam de oude Pirlapan met z’n vier jongens, z’n strijdmakkers en al z’n knechts naar buiten, en Pirlapan trad ’t eerst overde brug op Karibo toe om te vragen, wat hij verlangde.
„Wij komen uw gastvrijheid inroepen,” antwoordde Karibo, „voor deze heeren en voor de lijfwacht des keizers. We zijn op weg om zijn majesteit de keizer van Huk af te halen.”
„’t Spijt me erg,” zei Pirlapan, „maar de volgelingen van keizer Sutrebor komen mijn brug niet over. Ik ken maar één echte keizer van Huk en die ben ik steeds trouw gebleven.”
„Wel man,” riep Karibo, „dan konden wij ’t niet beter treffen. Sutrebor is geen keizer van Huk meer, maar wel de zoon van keizer Napo, prins Alphabet. Die gaan we halen!”
„Wat zeg je?” zei Pirlapan ongeloovig … „Prins Alphabet, is die keizer van Huk?”
„Ik zal ’t je wel eens vertellen,” zei Karibo van z’n paard springend. „Maar laten we eerst naar binnen gaan, als je ’t goed vindt. We hebben de heele dag te paard gezeten om door dat bosch heen te komen.”
Pirlapan had er nu niets meer op tegen. Karibo en de Pomfrietsche heeren gingen naar binnen en de soldaten bleven op ’t binnenplein of kropen vermoeid in ’t hooi bij hun paarden in de stal. ’t Was ’n gewoel en ’n herrie in en om Pirlapan zooals ze daar in jaren niet beleefd hadden.
Pirlapan was ’n gul gastheer nu ’t maar niet voor keizer Sutrebor was. Eten en drinken kregen al die mannen volop en de paarden even goed. Voor hun wettige keizer zouden de Pirlapans alles gegeven hebben wat ze bezaten.
Karibo ging aan ’t vertellen en Pirlapan luisterde met vreugde naar de goede tijding. Maar toen Karibo zei, dat prins Alphabet alleen was achter gebleven in Cobalt, zette die oude ijzervreter plotseling ’n paar groote oogen op alsof hij schrok.
„Heb je in de laatste week nog tijding gekregen van de keizerlijke prins?” vroeg hij.
„Welneen,” zei Karibo, „hoe zou ik. Maar je vraagt dat met zoo’n benauwd gezicht.”
„Cobalt is tot de grond toe afgebrand. Er is geen huis meer blijven staan …”
„Hè?”
„Er zijn honderden menschen verbrand.”
„Goeie hemel …”
En nu was ’t plotseling doodstil in de zaal. Geen mensch gaf ’n kik. Tot eindelijk Karibo langzaam opstond en zei:
„Heer van Pirlapan, ik moet direct ’n sterk paard van je hebben. Ik ga oogenblikkelijk naar Cobalt. Deze heeren en de lijfwacht kunnen wel hier blijven. Ik moet weten wat er van onze prins geworden is. Maar vertel me nog één ding: Wanneer is die stad verbrand?”
„Dat is precies anderhalve week geleden. De eerste tijding vernam ik van ’n vluchteling, die hier ’n nacht verbleef. ’t Was ’n jongen, wiens pleegvader naar Pomfriet was en die hem nu …”
„Bereed ie ’n wit paard?” vroeg Karibo haastig.
Pirlapan knikte. „… ’n Groot wit paard … Hij was in ’n blauw kleed, roode schoenen, en op z’n vierpuntige muts had ie veeren als voelsprieten.”
„Dat was prins Alphabet!”
Weer was ’t doodstil … Karibo ging zitten en iedereen keek vol verwachting naar hem. Karibo zat ’n heele poos met de hand onder z’n hoofd. Diepe rimpels had ie in z’n voorhoofd. Hij was blij dat Abé gered was, maar hoe kwam ’t, dat ze hem niet waren tegen gekomen op z’n witte paard, wanneer hij reeds den volgenden morgen weer op weg gegaan was naar Pomfriet? Verdwaald kon hij niet zijn, want er was maar één groote weg naar de hoofdstad. Waar zat die jongen dan? Was hem ’n ongeluk overkomen? Karibo kon er geen oplossing voor vinden en eindelijk zei hij:
„Als hij op weg was naar Pomfriet, hadden we hem tegen moeten komen … we zijn hem niet tegen gekomen … wat moeten we nu beginnen?… Als hem maar geen ongeluk overkomen is.”
„Dat zou ik niet denken,” zei Pirlapan. „Die jongen is niet voor de poes. Hij kan zich best verdedigen. Vraag dat maar eens aan m’n jongste zoon, die daar zit. Die heeft ondervonden dat de nieuwe keizer van Huk—ofschoon we toen niet vermoeden konden dat we zoo’n hooge gast onder ons dak hadden—stevige armen heeft en klappen weet uit te deelen. Neen, aan ’n ongeluk hoef je zoo gauw niet te denken.”
„Maar wat kan er dan met hem gebeurd zijn?”
„Ik denk,” zei ’n oude Pomfrietsche raadsheer, „dat ie nog sliep toen we hem ergens voorbij reden. We waren iedere morgen al voor dag en dauw onder weg.”
De oude raadsheer was blij, dat ie eindelijk gelegenheid had Karibo eens ’n steek onder water tekunnen geven. Hij had genoeg gemopperd over dat vroege opstaan. Maar Karibo keek de Pomfrieter ’n beetje nijdig aan toen hij antwoordde.
„Prins Alphabet is geen luiaard. Hij is gewoon aan vroeg opstaan. Neen, dàt kan niet.”
„Misschien zat ie wel net aan tafel …” zei ’n vette Pomfrieter …
„Dat kan ook niet,” riep Pirlapan op zijn beurt kwaad, „Prins Alphabet had geen geld genoeg om hier of daar lekker te gaan smullen. Pirlapansch zwart brood had ie bij zich. Brood uit mijn oven.”
De dikke Pomfrieter zei niets meer. Die oude Pirlapan vond ie ’n vervelende eigenwijze boer met z’n zwarte brood. Als hij hem dat voorzette, zou ie er wel lekker voor bedanken.
„We hebben geen tijd te verliezen, heeren,” zei Pirlapan weer na ’n poosje. „Ik heb er eens over gedacht. We moeten zoo gauw mogelijk onze prins zien te vinden. Hij kan nu al een heel eind op weg zijn naar Pomfriet … Maar hij kan ook wel hier of daar onder weg zitten. Je weet nooit wat je overkomen kan onder weg. Je paard kan ’n ongeluk krijgen … je kan zelf ziek worden … Je kan door slecht volk overvallen worden … Prins Alphabet is wel ’n stevige knaap en hij vecht uitstekend—maar … ’t is toch mogelijk dat ie …”
Karibo stond haastig op.
„Je hebt gelijk, heer van Pirlapan. We moeten onmiddellijk terug …”
„Nu dadelijk?” vroegen ’n paar Pomfrieters benauwd.
„Och heeren, blijven jullie gerust hier zoo langals je wilt,” zei Pirlapan. „We kunnen jullie best missen, bij wat we nu doen moeten. Kom,” ging hij voort tot Karibo, „we zullen ’r geen gras over laten groeien.”
Karibo en al de Pirlapans gingen de zaal uit met ’n paar Pomfrieters. De overigen bleven achter. Die hadden geen trek om midden in de nacht weer uit te trekken, wie weet waar naar toe.
Pirlapan had snel ’n plan gemaakt, dat hij nu onder ’t loopen aan Karibo uitlegde. Onder aanvoering van de Pirlapans zou de heele troep soldaten van de lijfwacht er op uit gaan om te zoeken naar de prins. Eerst door ’t bosch terug allen bij elkaar en dan vervolgens zou er bij iedere landweg ’n kleine afdeeling worden uitgezonden om te informeeren aan alle huizen of daar de jongen op ’t witte paard ook voorbij gekomen was.
Karibo keurde dat plan dadelijk goed. Dat moest zeker slagen en ’t kon niet anders of ze zouden op die manier al heel gauw wat van de prins vernemen.
De Pomfrietsche heeren keurden ’t plan ook goed, mits zij maar niet meehoefden, want ze waren die avontuurlijke en lastige tocht al lang zat. Doch de meesten van hen lachten tevens ’n beetje spottend en sommigen keken zelfs uit de hoogte op Karibo neer, voor wie ze tot nog toe zeer veel onderdanigheid getoond hadden en eerbied, omdat ie de pleegvader van hun nieuwe keizer was. Dat kwam wijl ze Karibo voor ’n bedrieger begonnen te houden, die ’t heele verhaal over de aanwezigheid van Prins Alphabet in ’t grensstadje verzonnenhad. Toen ’n paar er op wezen, dat ’t dan toch wel heel toevallig zou zijn geweest, dat die jongen die bij Pirlapan ’n nacht geslapen had, juist ook ’n wit paard bereed, zeiden de overigen dat ’t best kon zijn dat de Pirlapans en die Karibo onder één deken lagen en dat ’t heele plannetje door hen samen was opgemaakt.
Toen zwegen de anderen, want ’t kon best waar zijn. Iedereen in Huk wist dat de Pirlapans ’n hekel hadden aan keizer Sutrebor en nu wilde die ouwe vechtbaron Pirlapan zich misschien zelf van de regeering meester maken.
Ze lieten dus Karibo, de Pirlapans en de heele lijfwacht vertrekken en ze besloten op hun eigen houtje maar weer stilletjes naar Pomfriet terug te reizen op hun dooie gemak.
De oude Pirlapan wachtte niet tot de volgende morgen en Karibo gaf hem groot gelijk. De soldaten van de lijfwacht hadden er evenwel weinig zin in; ze wilden niet uit ’t hooi komen, want ze hadden te veel slaap. Maar Pirlapan zette zoo’n vreeselijke bulderstem op, dat de een na de ander voor de dag kwam, soms wel vijf of zes te gelijk, en na ’n uur waren ze allemaal tot vertrekken gereed.
En nu ging het in draf weer ’t bosch door, de heele nacht. De wolven liepen van angst naar alle kanten weg, ofschoon de reuk van al die paarden hen verlokkend in hun wolvenneuzen kittelde. Bij ’t aanbreken van de dag stond de heele troep aan de ingang van ’t woud, waar Abé eenigen tijd geleden ook gestaan had. De soldaten mochten ’n poosje in ’t gras gaan liggen, als ze hun paarden verzorgdhadden. Dieren en menschen hadden allemaal rust en voedsel noodig. Pirlapan en Karibo hielden samen onderhand krijgsraad. Pirlapan stelde voor de heele troep te verdeelen in kleine patrouilles, ieder met ’n Pirlapan of een van Pirlapans vertrouwde strijdmakkers aan ’t hoofd. Die zouden door alle zijwegen kunnen naspeuren en aan alle woningen vragen of men daar ook iets gehoord of gezien had van de jongen met de voelsprieten en ’t witte paard.
Karibo keurde dat plan goed en Pirlapan begon maar dadelijk de mannetjes in te deelen. Zoo kreeg hij twintig patrouilles van vijf man onder aanvoering van hemzelf, z’n zoons en z’n eigen mannen. Karibo zou bij de oude Pirlapan blijven.
Na ’n uur gingen de troepen op weg. Eerst bleven ze bij elkaar, maar bij de eerste zijweg scheidde zich een patrouille af. Ze zouden ’n uur ver de weg volgen, overal navragen en dan terugkeeren—behalve natuurlijk als ’t bleek dat de prins die weg genomen had. In dat geval zou de patrouille nog verder gaan, maar één man terug zenden om bericht te geven aan Karibo of Pirlapan.
Deze eerste troep bereikte na ’n kwartier reeds het huisje van moeder Guldratsj, maar ’t oude vrouwtje was niet thuis. De mannen loerden naar binnen toen ze op hun herhaald kloppen geen gehoor kregen en toen zag een van de Pirlapans de muts met de voelsprieten op ’n bank liggen.
„Hoera!!” schreeuwde hij. „We hebben hem al. Z’n muts ligt daar op de bank.” De heele patrouille verdrong zich voor ’t kleine venstertje om ook iets van de muts met de voelsprieten te zien. En nuwees de jonge Pirlapan een van de mannen aan om zoo hard als ’n paard rennen kon de blijde tijding aan Karibo en z’n vader te gaan brengen. Misschien was de heele troep nog bij elkaar. Ze konden dan met z’n allen terugkeeren. De ruiter sprong in de zadel en reed snel weg. Z’n paard liep zóó hard, dat binnen ’t half uur de hoofdtroep reeds ingehaald was. Paard en man waren buiten adem. De man kon echter nog heel goed z’n boodschap—’n blijde boodschap meende Karibo—overbrengen en onmiddellijk gaf de oude Pirlapan bevel terug te keeren. De boodschapper mocht achterblijven om uit te rusten met z’n paard, maar ook om de tweede patrouille, die ’n andere zijweg was ingeslagen bij haar terugkeer te kunnen meedeelen dat ze terug konden gaan naar de hoofdtroep. Snel reden de mannen want Karibo was verbazend ongeduldig. Hij dacht z’n jonge meester te zullen aantreffen. Toen ze evenwel ’t huisje bereikten zagen ze de achtergebleven mannen van de patrouille in ’t gras liggen. Ze bewaakten ’t huisje. Er kon geen muis in of uit.
„Wel,” vroeg Karibo, die ook door ’t venstertje geloerd had en de muts dadelijk had herkend. „Heb jullie nog geen mensch gezien?”
„Niemand,” antwoordde de jonge Pirlapan.
„Dan moeten we de deur maar eens open zien te krijgen,” meende z’n vader. „Dat zal wel niet moeielijk zijn. ’t Mag eigenlijk wel niet maar daar moeten we ons nu maar eens niet aan storen. Wat denk jij er van Karibo.
„Wel ja,” zei deze. „Ik zal ’t zelf wel eens probeeren.”
Hij duwde tegen de deur eerst zachtjes en toen wat harder, maar ’t ging niet.
„Dat kan ik veel beter,” zei toen de oude Pirlapan. „Ga eens op zij. Je doet net of die deur schreeuwen zal. Op zij.”
De deur vloog open. Pirlapan had er ’n trap tegen gegeven.
Karibo en hij gingen ’t huisje binnen. De overigen verdrongen zich voor de deur en voor ’t venster. Pirlapan joeg hen gauw weg. Ze maakten ’t in ’t huisje pikkedonker. Nu zagen ze de muts, maar tot Karibo’s groote ontsteltenis ook de overige kleeren van Abé. Z’n roode schoenen stonden onder de bank. En binnen in de muts zag Karibo ’n bloedvlek.
De oude man werd doodsbleek. En Pirlapan die de muts nu ook nauwkeuriger bekeek zei wat benauwd:
„Ik ben bang dat er iets met de prins gebeurd is Karibo … En ik vrees niet veel goeds.”
„O … o …” zuchtte Karibo, „had ik hem toch maar niet alleen achtergelaten. Arme jongen.”
En Pirlapan zei:
„Ik heb net zooveel schuld als jij man. Ik had hem niet alleen moeten laten vertrekken.”
„Da’s niet waar Pirlapan. Jij hoefde niet op hem te passen en je wist ook niet dat ’t prins Alphabet was.”
„Prins of niet,” bromde Pirlapan, „ik had die aardige ferme jongen moeten beletten alleen verder te reizen.” „’t Is mijn schuld nog meer dan de jouwe. Maar ik dacht … och wat komt ’t er ook op aan wat ik dacht. Ik vergeef ’t mezelf nooit … en als ie dood is, heb ik ’t op m’n geweten.”
Karibo schudde ’t hoofd.
„Mijn schuld is het …”
Ze zwegen allebei en de mannen buiten, die weer door ’t venstertje loerden fluisterden met elkaar, want ze zagen wel aan Pirlapan en Karibo dat de zaak niet in orde was. En ze letten er geen van allen op dat ’n oud vrouwtje op d’r stok geleund langs de weg kwam aanloopen zoo snel ze kon. ’t Was moeder Guldratsj, die al de mannen en paarden bij haar huisje ziende, zoo gauw mogelijk voortmaakte om te weten wat er aan de hand was.
„Wel, wel,” riep ze met d’r oude stemmetje, „wat ’n menschen voor moeder Guldratsj hutje … Heere … me deur open. Op zij … op zij … wat hebben jullie in mijn huisje noodig?”
De soldaten keken verwonderd op, ze hadden haar niet gehoord vóór ze vlak bij was. Maar ze lieten haar gewillig door.
Moeder Guldratsj ging gauw naar binnen, maar bleef in de deur staan toen ze die twee mannen zag, die Abé’s kleeren stonden te bekijken. Karibo had zich net gebukt om de roode schoenen op te nemen. Die hield ie nu in de hand. Moeder Guldratsj stond met de mond open van verwondering en ’n beetje van schrik.
De oude Pirlapan merkte haar ’t eerst op.
„Ha,” riep hij, „daar is iemand.”
Nu keek Karibo ook op en zag ’t oude vrouwtje scherp aan en dadelijk vroeg hij:
„Hoe komen die kleeren hier?”
„Och, och …” zei ’t vrouwtje alleen maar. Ze begreep dat daar misschien Abé’s pleegvader stond,waarvan hij verteld had … maar ze had ook de soldaten daar buiten herkend als diegenen die ze ’n paar dagen vroeger voorbij had zien gaan over de groote weg, die ’n prins gingen afhalen en dat alles bij elkaar maakte haar verward. Ze kon er geen touw aan vastknoopen.
„Spreek, ouwe heks!” brulde Pirlapan, die gauw woedend was, en daar schrok ’t oude menschje zoo hevig van, dat ze zich aan de deurpost moest vasthouden. Was me dat ook ’n stem en zoo heel onverwacht!
„Kom moedertje,” zei Karibo veel zachter, want hij kreeg plotseling, hij wist zelf niet waarom, meelijden met ’t verschrikte vrouwtje, „zeg nu maar gauw hoe jij aan die kleeren komt.”
„Och heer …” antwoordde moeder Guldratsj … „die zijn van ’n jongetje, dat ik verpleegd heb … Hij is nou weg om z’n pleegvader op te zoeken … heelemaal naar Pomfriet.”
„Praatjes,” bulderde Pirlapan opnieuw. „Hoe kan hij nou zonder kleeren naar Pomfriet op weg zijn. Je liegt, wijf.”
Moeder Guldratsj was wel oud, maar bij de pinken. Ze had nu ze ’n beetje over de eerste schrik heen was niet zoo’n groote vrees meer voor de bromstem van Pirlapan en ze zei kalm hoewel nog een beetje beverig:
„Ik spreek de waarheid heer. Abé vond ik op de weg met ’n wond in z’n hoofd. ’n Gauwdief had hem met ’n stok geslagen en z’n paard geroofd. Toen heb ik de arme jongen mee genomen naar mijn huisje en daar is hij gebleven tot hij beter was. Toen kon ik hem niet meer houden. Hij wilde met alle geweld naar z’n pleegvader toe.”
„Die pleegvader ben ik,” zei Karibo.„Ik begrijp het al,”ging hij voort tot Pirlapan. „Toen ik met die Pomfrieters hier in de buurt voorbij reed, was hij hier. Maar vertel me eens vrouwtje, hoe komt ’t dat ie z’n eigen kleeren niet aangehouden heeft?”
„Och heer,de arme jongen had geen cent … en nu dacht ik dat ie in minder voorname kleeren misschien makkelijker Pomfriet zou kunnen bereiken … Hij heeft kleeren aan van mijn kleinzoon.”
„’t Is wat moois,”bromde Pirlapan,„de keizer van Huk in ’n boerenpakje als ’n bedelaar op weg naar zijn eigen hoofdstad zonder ’n cent …”
Moeder Guldratsj zette groote oogen op, toenze dat hoorde. Abé keizer van Huk! Hoe kon dat nou …
„Keizer van Huk!” prevelde ze. „En wist ie dat dan zelf niet?”
„Nee … ja …”zei Karibo …„Hoe bedoel je dat eigenlijk?”
„Wel,” zei moeder Guldratsj, „toen ik hem vertelde, dat er ’n groote stoet onderweg was om de nieuwe keizer van Huk te gaan halen, … prins Alpa … Alpi … ik kan die naam maar niet onthouden.”
„Prins Alphabet, moeder,” zei Karibo.
„Precies … nou toen zei de jongen heelemaal niet, dat hij dat was.”
„Dat kon ie ook niet, want hij weet niet, dat ze hem hier prins Alphabet noemen.”
Moeder Guldratsj begreep er niet veel van—en Pirlapan zei alleen maar:
„Zoo, weet ie dat niet! Hoe lang is de prins al hier van daan?”
„Twee dagen geleden heer …”
„Wat denk je Pirlapan,” zei Karibo, „zouden we maar niet dadelijk opbreken? We hoeven nu maar langs de groote weg naar Pomfriet te zoeken. En wijmoetenhem inhalen … Wij zijn te paard en hij te voet … Moedertje hoe zien die kleeren er uit die hij aanheeft?”
„Bruin, heer. Zooals de boeren hier veel dragen.”
„Laten dan je mannen maar opstijgen Pirlapan,” zei Karibo. „Ik hoop dat we hem vandaag nog vinden.”
„Ik ook,” zei Pirlapan.
Hij gaf bevel te paard te stijgen aan de soldaten, maar voor ze weg reden, sprak hij zacht ’n paarwoorden met ’n paar van z’n eigen mannen. Die twee reden niet mee.
„Wat doe je Pirlapan?” vroeg Karibo, toen hij dat zag.
„Och,” antwoordde die. „’t Is mogelijk dat die oude heks alles gelogen heeft. Ze kon best diefjesmaat zijn met die kerel die hem z’n paard ontstal … Nou laat ik haar maar zoolang opbergen in mijn kasteel. Vinden we prins Alphabet niet … dan heb ik tenminste háár in m’n vingers en dan zal ze ’n beetje beter de waarheid moeten zeggen of ik heet niet Pirlapan.”
Hij zei dat allemaal grimmig en Karibo begreep, dat tegenspreken niet veel zou helpen. Hij geloofde ’t verhaal van ’t oude vrouwtje wel, maar … ’t zou toch kunnen zijn dat Pirlapan gelijk had.
Snel reden ze. En iedereen, die ze tegen kwamen werd scherp ondervraagd. Maar zonder resultaat. De een had niets gezien en ’n ander twee boerenjongens tegelijk, ’nderdehad er een op ’t land zien werken en ’n vierde was er een op ’n paard tegengekomen. Maar als Karibo dan vroeg of degene die ze gezien hadden lang zwart haar had, schudden ze ’t hoofd. ’n Jongen met lang zwart haar waren ze geen van allen tegen gekomen.
En dan zei Pirlapan nijdig: „Dat dacht ik wel.”
Moeder Guldratsj had d’r huisje gesloten. Karibo had de kleeren van Abé meegenomen en nu had moeder Guldratsj niets meer van hem. Dat speet haar erg, want ze was heel veel van Abé gaan houden. Dat die jongen ’n prins was en keizer van Huk deed daar niets aan af. Ze hoopte nu maar,dat z’n pleegvader hem spoedig mocht aantreffen en óók hoopte ze er op, dat Abé als hij dan toch keizer van Huk moest zijn, haar niet heelemaal zou vergeten. Hij had haar beloofd terug te zullen komen. Zou hij dat wel kunnen als hij keizer was? Natuurlijk wel, dacht moeder Guldratsj, ’n keizer kan alles. Maar hij zou er misschien geen tijd voor hebben. Wat zou me dat ’n eer zijn als er eens ’n keizer in haar huisje kwam … en dan nog wel een, die zij van de weg had opgeraapt, die zij verbonden had, die in haar bed had geslapen en die ’n groot brood, ’n groot zwaar zwart brood van haar had meegenomen in ’n blauwe katoenen zak … en die, dat was ’t aardigste van alles, de kleeren van haar kleinzoon droeg, net of zijzelf z’n grootmoeder was!
Dit alles ging haar door ’t hoofd … maar ze werd gestoord in die vreemdsoortige gedachten, doordat er weer op haar deur geklopt werd. Toen ze opendeed, zag ze weer twee van die snorrebaarden te paard. Wat zouden die nu weer moeten. Zeker nog wat vergeten. Ze keek gauw rond of er ook wat van prins Alpa … hoe heette die nou toch ook weer?—was blijven liggen. Maar ze hoefde niet lang te kijken.
„Moedertje,” zei de ruiter niet onvriendelijk, „je moet ’n eindje met me meerijden. M’n kameraad zal je wel eventjes optillen. Je weegt toch haast niks. Je mag voor me op ’t zadel zitten. Dan kan ik je goed vasthouden!”
„Wat??” riep moeder Guldratsj en toen bleef de bijna tandelooze mond wijd open staan.
„Sluit maar gauw je deur,” zei de ander, die alvan z’n paard af was. „Je mag ’n poosje op Pirlapan logeeren. Deftig hè?”
„Op Pirlapan!! Nee hoor … ik ga niet mee … voor geen goud.”
„Tja—je zal ’t voor niks moeten doen,” lachte de man. „Baron van Pirlapan heeft het bevolen … en dan hebben jij en ik niks in te brengen hè? Wat de heeren wijzen, moeten wij prijzen.”
„Maar waarom …”
„Dat weet ik ook niet. Kom oudje … maak nou wat voort. ’t Moet toch gebeuren.”
Bevend haalde moeder Guldratsj de sleutel voor de dag en de soldaat hielp haar goedhartig de deur sluiten. Ze kon ’t zelf niet. Dikke tranen liepen over d’r gerimpelde wangen. Ze kon ’t sleutelgat niet eensmeer zien door al die waterlanders. Had ze dat nou aan die goeie jongen verdiend?
De soldaat tilde ’t huilende vrouwtje gewoon op, net of ’t een klein kind was. „Hup,” zei hij, en z’n kameraad had haar al in z’n armen.
„Zie zoo,” zei die, „nou zit je net zoo veilig als op je stoel, moedertje. Als ik van m’n paard val, val jij ook. Maar dat zou de eerste keer van m’n leven zijn.”
En weg reden ze naar Pirlapan.