VIJFDE HOOFDSTUK.Waarin Abé met roovers in aanraking komt en zich fijn in ’t pak steekt.Abé ondervond voor de derde maal dat er nog goede menschen in Huk waren. De boerenmenschen waar hij aanklopte, ontvingen hem met open armen. Hij zat mee aan tafel en at van het eenvoudige voedsel en toen de maaltijd was afgeloopen, wees de vrouw hem ’n slaapplaats in de stal. Ze had niet anders. Maar ook dat slaapplaatsje in ’t hooi was Abé meer dan welkom. Hij was nu tenminste weer onder dak.De volgenden morgen moest ie vroeg opstaan. Hij kon dan ’n heel eind meerijden, want de boer moest met ’n stuk of wat paarden naar de markt in ’n stad in de buurt. Voor dag en dauw ging de boer al met ’n paar knechts op ’t pad. En Abé had er niets op tegen zoo heel in de vroegte weer op reis te gaan. Hoe gauwer in Pomfriet hoe beter.De boerenmenschen had ie maar niet eens verteld, dat ie zelf ’n paard bezeten had. Waarschijnlijk hadden ze ’t toch niet kunnen gelooven, dacht ie, dat zoo’n eenvoudige arme jongen in zoo’n ouderwetsch boerenpakje, te paard met geld in de taschen goed gekleed uit Cobalt was vertrokken. Ze hadden hem misschien dan wel voor ’n bedrieger aangezien. Hij zei dus alleen maar dat ie op weg was om z’n pleegvader op te zoeken en dat ie hoopte hem onderweg tegen te komen. Natuurlijk hadden die menschen de mond vol van de heeren uit Pomfriet en de lijfwacht, die de nieuwe keizer van Huk gingen afhalen. Hij hoorde hier ook weer spreken over die prins Alphabet, waar hij nooit van gehoord had en ’t kwam maar heelemaal niet in hem op dat ie ’t zelf was.De boerin had hem gevraagd waarom hij z’n haar zoo lang droeg, en Abé had snel bedacht haar wijs te maken dat ’t zoo ’t gebruik was in ’t vreemde land waar hij met z’n pleegvader vandaan kwam. Maar de boer maakte dat antwoord onnoodig doorlachend te zeggen, dat ’t waarschijnlijk kwam omdat Abé geen geld had om ’t te laten knippen. Daarom lachten ze allemaal en Abé lachte maar mee. De boer had met ’n grapje er onwetend voor gezorgd, dat Abé geen noodleugentje hoefde te vertellen, en dat vond hij heel prettig, want ook aan leugentjes om bestwil had ie ’t land.De volgenden morgen werd ie nog vóór ’t licht was gewekt. Er werd goed gegeten en toen stegen ze te paard. Abé zat op een van de dieren, die verkocht moesten worden en de knechts hadden nu juist niet de makste voor hem uitgezocht. Ze wilden eer ze heengingen, nog ’n pretje met hem hebben en meenden dat ie wel gauw zandruiter zou zijn. De boer stond er lachend bij. Die hield ook wel van zoo’n aardigheidje. Doch toen Abé op de gladde rug van ’t paard zat, riep de boer al heel gauw: „Zeg eens baasje, jij hebt meer op ’n paard gezeten hoor!” en toen tot z’n knechts: „Dat valt jullie niet mee jongens.”Abé zag bij ’t licht van de lantaarns, dat de boer en z’n twee knechts allemaal gewapend waren en hij vroeg waarom ze dat deden.„Wel,” zei de boer, „zóó veilig is ’t nou tegenwoordig bij de weg niet. D’r zijn lui genoeg, die je wel van je paarden willen afhelpen, zonder er voor te betalen.”Nu speet ’t Abé, dat ie z’n zwaard bij moeder Guldratsj had achter gelaten. Hij bezat niets anders dan ’n kort mes, goed om er boterhammen mee te snijden, maar minder geschikt om er z’n gastheer mee bij te springen, als er eens wat gebeurde.„Wees maar voorzichtig hoor,” riep de vrouw hen nog achterna toen ze wegreden.De knechts hadden de vier paarden, die naar de markt moesten achter elkaar gebonden, kop aan staart, en Abé zat op ’t laatste. De boer reed naast hem. De twee knechts reden vooraan. Een van hen had ’t voorste der vier paarden aan de halster. Zoolang ze op de open weg waren, praatte de boer onbezorgd met Abé, doch toen ze na ’n uurtje ’n bosch bereikten waar ze langs moesten, werd de boer stil en keek voortdurend scherp om zich heen.„Oppassen jongens,” riep hij af en toe, en tot Abé zei hij: „In dat bosch is ’t niet pluis tegenwoordig.”„Roovers?” vroeg Abé.„Gespuis,” zei de boer, „paardendieven van de bovenste plank. Ze stelen als raven.”„Ze zullen je toch niet aanvallen, als ze zien, dat je goed gewapend ben hè?”„Daar geven ze niemendal om, want ze hebben zelf ook wapens en bang zijn ze niet.”„Maar zijn er dan geen veldwachters in Huk, geen gendarmen, geen soldaten? Die moesten toch zorgen, dat die kerels gevangen genomen werden?„Dat moesten ze ook. Doch ’t is tegenwoordig zoo’n rare boel in Huk. De keizer moest zich er mee bemoeien, zooals vroeger keizer Napo deed. In die tijd waren er geen roovers. Maar nu heeft de keizer ’t te druk met z’n eigen … en nou halen ze al weer ’n andere. Dan hebben we d’r twee en dan gaat ’t nog slechter … Ho, daar heb je ’t al.”Vier kerels sprongen uit ’t kreupelhout te voorschijnen een er van greep ’t paard waarop de boer reed bij de teugel. De boer verdedigde zich dapper, maar Abé zag al heel gauw, dat ie niet vechten kon. Hij gebruikte z’n zwaard zoo onhandig als ’t maar kon. En dan helpt ’t beste wapen en de stevigste vuist nog maar weinig als je tegenpartij de wapens wèl hanteeren kan. En dat konden die gauwdieven maar al te goed. Abé zag dat de boer ’t verliezen moest. Als nu z’n twee knechts maar dappere kerels geweest waren, zouden ’t misschien met hun drieën nog wel klaar gespeeld hebben, doch die lafaards gingen al heel gauw op de vlucht. ’t Leek Abé eigenlijk of die knechts maar zoo wat voor de aardigheid ’n poosje met de twee overige roovers hadden geschermutseld eer ze er van door gingen en ’t kwam in hem op dat die knechts ’t misschien wel eens waren met de roovers. Toen de knechts op hun paarden wegholden, riep de boer hen nog wel toe hem te helpen, maar ze deden of ze hem niet hoorden. En nu moest ie ’t zelf ook gauw opgeven. Hij werd van z’n paard gesleurd en Abé moest ’t aanzien, dat ze den man aan ’n boom bonden en hem al z’n geld en z’n meeste kleeren ontnamen. Abé kon zelf niets doen. Had ie maar niet op ’t laatste paard gezeten doch op ’t eerste, dan zou hij misschien met alle vier paarden hebben kunnen ontsnappen. Dan had hij hulp kunnen halen. Maar nu ging dat niet. Zijn paard was met de halster aan de staart van nummer drie vastgebonden en hij kon er dus niemendal mee uitvoeren. ’t Eenige wat ie doen kon, was zich van ’t paard laten glijden en er alleen van door gaan. Dan kon hij zich ergensverbergen en was dan later misschien in staat de boer hulp te verleenen als de roovers met de paarden weg waren. Doch nauwelijks was hij begonnen dat plan uit te voeren of de roovers hadden hem ook te pakken.„Hé, wat wou jij beginnen mannetje,” zei er een. „Hier blijven hoor.”„Bind ’m maar zoolang aan de staart van ’n paard vast,” zei ’n ander.Die leek wel de bevelvoerder, want hij werd gehoorzaamd en Abé moest nu wel blijven. Hij dacht, dat de roovers als ze klaar waren, hem wel weer los zouden maken. Dan kon hij de boer tòch nog helpen. De roovers spraken zacht wat met elkaar toen ze de boer heelemaal uitgeschud hadden en keken daarbij lachend naar Abé. Daarna kwam er een op hem af, maakte ’t touw waarmee hij aan de staart van ’t paard gebonden was los en zei kortaf, terwijl hij Abé van de grond tilde en weer op ’t paard zette: „Jij mag met ons mee.”Daarop had Abé heelemaal niet gerekend. Hij begreep, dat er van ’n tocht naar Pomfriet al heel weinig terecht zou komen, als die kerels hem meenamen ’t bosch in. Hij was van plan zoo gauw mogelijk op de vlucht te gaan, dat stond vast, maar hoe zou hij dan de weg moeten vinden? Hij schikte zich zwijgend in z’n lot. Verzet zou de zaak voor hem nog erger gemaakt hebben.En zoo reed Abé ’n oogenblik later in gezelschap van vier roovers ’t bosch in, die de boer aan de boom gebonden achter lieten.Dat ritje door ’t bosch duurde erg lang. ’t Wasal middag toen ze in ’n woeste streek halt maakten. Onder hooge zware boomen, die wel ’n eeuw oud moesten zijn, stond ’n houten huis. ’t Zag er bouwvallig uit. Misschien was ’t wel net zoo oud als de boomen rondom. Hier schenen de roovers te wonen. Ze sprongen van de paarden en Abé moest die in een soort stal brengen.„Je zorgt er goed voor jongen,” zei er een tegen hem, „en probeer maar niet weg te loopen, dat helpt je toch niet. Eer je ’n half uur ver ben hebben de wolven je te pakken. Als je klaar ben met de beesten mag je binnen komen. Dan kan je mee eten.”Abé deed maar wat van hem verlangd werd. Hij verzorgde de paarden, zoo goed ’t ging. Hij gaf hen haver. Er was genoeg en hij haalde in ’n houten emmer water aan de bron. Hij deed er nog al lang over. ’t Werk was hem vreemd. Zoo nu en dan kwam er ’n roover kijken wat ie uitvoerde. Doch ze zeiden niemendal. Hij deed ’t werk zeker nogal naar hun zin.Abé was eindelijk klaar en nu moest hij naar binnen. Daar had ie niet heel veel zin in. Met roovers aan tafel zitten leek hem niet erg aangenaam. Maar hij had honger en dus was hij toch ook wel ’n beetje nieuwsgierig. Hij ging dus maar.Toen hij de deur opende keken de roovers alle vier tegelijk naar hem.„Kom hier zitten,” zei er een„en eet maar zooveel als je lust. Je zal wel honger hebben.”Zwijgend ging Abé zitten en begon te eten.„Was dat je vader?” vroeg dezelfde roover weer.„Neen,” zei Abé.„Je baas dan?”„Ook niet.”„Ook niet? Wat was ie dan van je?”„Niemendal.”„Hoe heet je?”„Abé.”„Wat dee je bij die boer?”„’n Eindje meerijden.”„Waar moet je dan heen?”„Naar Pomfriet.”„Om wat te doen?”„M’n pleegvader opzoeken.”„Hoe heet die?”„Karibo.”„Wat doet ie voor de kost?”„Niemendal.”„Hè? … Da’s ’n klein beetje … Je ziet er niet naar uit om ’n rijke pleegvader te hebben, jongen … en dus geloof ik er geen steek van. Maar ’t komt er ook niet op aan. Ik ben van plan je bij me te houden. We hebben iemand noodig om op de paarden te passen. En probeer maar niet te ontvluchten, want zooals ik je reeds gezegd heb, dan ben je voor de wolven … of als wij je een van allen snappen, voor ons … wat misschien nog erger voor je zou zijn. Voor de rest kan je ’t goed bij ons hebben, want we houden zelf ook van ’n goed leven. Als je je best maar doet.”Abé vond ’t jammer dat die roover hem niet gelooven wou. Die roovers wilden misschien Karibo wel voor hem opzoeken, als er wat aan te verdienen was. Ze konden losgeld voor hem vragen en Karibozou dat zeker wel betaald hebben. Doch wat hielp ’t als ze hem toch niet geloofden?Hij zweeg dus maar en wilde z’n tijd afwachten. Vluchten deed ie toch. En al zou ’t tien jaar duren, Karibo moest ie terug vinden, al zou ie ’t heele land door naar hem moeten zoeken. Geduld dus.De roovers gingen nu iederen dag te paard uit, maar één bleef er steeds thuis. Die paste op ’t paard dat rustdag had en op Abé. Zelf nam hij ook rust en Abé mocht ’t werk doen. Zoo had de jongen iedere dag ’n andere roover en ’n ander paard bij zich en van ontvluchten was geen sprake. Dat duurde zoo ’n week en Abé werd er hoe langer hoe verdrietiger onder. Hij wist wel dat ’t met iedere dag moeielijker zou worden om Karibo terug te vinden. Die zou nu al wel weer in Cobalt aangekomen zijn en waarschijnlijk wel gaan denken, dat Abé bij de brand was omgekomen. Waar Karibo dan misschien heen ging kon niemand weten en dan werd ’t bijna onmogelijk hem nog ooit terug te vinden … Als hij weg kon komen met ’n paard … dan had ie misschien nog ’n kans als hij zoo snel mogelijk naar Cobalt terug reed. Wellicht vond hij er Karibo nog. Hij moest ’t toch maar eens wagen. ’t Ergste dat hem overkomen kon, was, door de roovers gesnapt te worden tijdens z’n vlucht, want dan zouden ze wel korte metten met hem maken. Doch wat hinderde dat? ’t Was nog beter dan voor rooversknechtje te spelen.Op ’n avond kwamen de roovers thuis met belangrijk nieuws. Ze vertelden ’t dadelijk aan hun thuisgebleven kameraad. Er was ’n prijs van duizend goudstukken uitgeloofd voor degene die prinsAlphabet terug vond! De roovers hadden wel zin ook ’n poging te doen, die duizend goudstukken machtig te worden en na veel heen en weer gepraat besloten ze er alle vijf op uit te trekken.„Maar hoe vinden we hem?” vroeg de thuisgebleven roover. „Weten jullie hoe ie er uitziet?”„Nee,” zei er een, „dat konden ze ons niet vertellen. Maar daar kunnen we wel achter komen.” „Overal gaan er troepen menschen op uit om hem te vinden.” „Geen wonder,” zei de eerste weer. „Duizend goudstukken hè?”„’t Is geen kleinigheid”zei ’n tweede.„Als we deelen hebben we er tweehonderd de man.”„Jij praat er over of we ’m al hebben.”En toen lachten ze allemaal.„’t Is te probeeren,” zei de hoofdman. „We kunnen toch onderweg nog wel wat anders er bij doen hè?”Dat vonden de overigen ook. Je kon wel tegelijkertijd op ’n eerlijke manier duizend goudstukken zien te verdienen door naar ’n vermiste prins te zoeken en tevens je roovershandwerk uitoefenen. Dat was geen bezwaar. Ze zouden er dan de volgende morgen vroeg maar op uittrekken alle vijf en de boel maar zoo lang sluiten.„Mag ik ook mee?” vroeg Abé.„Jij?” zei de hoofdman, „’k Had heelemaal niet aan jou gedacht … Nee … we kunnen jou er niet bij gebruiken. Je moet maar heengaan. Ik laat je vrij. We hebben je nou niet meer noodig.”„Heel best,” zei Abé, „maar ’k weet de weg in ’t bosch niet.”„Die moet je maar zoeken. Welke kant je ook uitgaat, je komt er altijd eenmaal uit … als de wolven je tenminste niet opeten … En ’t zal jou wel ’t zelfde zijn aan welke kant je er uitkomt denk ik.”„Dat is me niet hetzelfde. Ik wou graag op de weg naar Pomfriet uitkomen. En dan had ik graag een of ander wapen om me te verdedigen als ’t noodig is.”„Met die gekheid kunnen we ons niet ophouen hoor. Je rukt zoo maar uit. Allo … naar de stal … en verzorg de paarden. Maar doe ’t goed. ’t Is de laatste maal dat je ’t doen mag.”Abé ging. Doch onder z’n werk stond ie menigmaal in gedachten. Wat was dat vreemd, dat die prins Alphabet nou zoek was. Moeder Guldratsj en de boerenfamilie hadden het immers ook over die prins Alphabet gehad, doch die hadden ’t enkel maar over ’t afhalen ergens uit een of andere stad van ’n prins die zat te wachten tot ie gehaald werd en niet over ’t opzoeken van een die zoek was. Dus nu zwierven er twee keizerlijke prinsen in Huk rond? Of maar een? Was hijzelf misschien prins Alphabet? Abecé dat was ’t alphabet—maar waarom zochten ze niet naar prins Abecé—als hij ’t dan wèl was—en waarom noemden ze hem dan zoo en waarom wist hij niet dat ze hem zoo noemden? Dàt had Karibo hem dan toch wel eens mogen vertellen. Doch niemand had er ooit over gesproken, z’n vader niet, z’n moeder niet en Karibo evenmin. Dat was dus niet zoo. Er moest wel degelijk nog ’n andere prins zijn, naar wie ze zochten.En toen ging Abé maar weer aan z’n werk en eindelijk kroop hij in ’t hooi om te slapen. Doch de slaap kwam die avond niet gauw. Hij dacht aanhoudend aan die onbekende prins Alphabet en óók over de wijze waarop hij ’t bosch uit moest komen.De volgende morgen moest ie weer voor de paarden zorgen. Deze keer voor alle vijf, en toen ie daarmee klaar was stopte een van de roovers hem ’n stuk brood in de hand met de boodschaper bij, dat ie kon inrukken. Als ie maar al rechtuit liep, was ie binnen twee uur ’t bosch uit en op de weg naar Pomfriet.Abé ging zwijgend heen. Hij groette geen mensch en de roovers keken niet eens meer naar hem om. Hij had evengoed ’n bruine kikker kunnen zijn, zooals er wel in ’t bosch leefden. Daar letten de roovers ook niet op.Ze reden weg om de duizend goudstukken te gaan verdienen, die ze wel nooit zouden te pakken krijgen, want ze reden net de verkeerde kant uit.Abé luisterde naar ’t geluid van de wegdravende paarden. Hij stond stil en wachtte. ’t Klonk al zachter en zachter … en eindelijk hoorde hij niets meer. Toen keerde Abé weer terug naar ’t roovershuis.Hij ging nu zelf ook eens roovertje spelen, want hij was van plan in te breken in ’t roovershuis om zich van wapens te voorzien en van andere kleeren en van geld als hij ’t vinden kon. Dat reizen als ’n boerenjongen beviel hem heelemaal niet en zonder wapens ’t bosch door trekken leek hem ook niet plezierig. Maar bovendien had hij ondervonden, dat gewapend zijn hoog noodig was in Huk. Als hij ’n zwaard gehad had, zou die vriendelijke boer niet zoo ongelukkig te pas zijn gekomen, meende hij. Wellicht was de strijd dan anders uitgevallen.De roovers hadden hun huis sekuur genoeg gesloten. Daar was geen inbreken aan. Maar Abé had ’t heele gebouw goed bestudeerd en hij wist dat er aan de stal ’n plank los zat, die hij zelf nog ’n beetje losser gemaakt had. Daar hadden de roovers geen erg in gehad. En nu was ’t een klein kunstjevoor hem om door de stal naar binnen te komen en op z’n gemak de heele boel te doorsnuffelen.Hij vond al heel gauw iets waar ie zich mee verdedigen kon. ’n Mooi kort zwaard en ’n prachtige dolk. Gestolen goedje natuurlijk, maar dat kon Abé nu niet schelen. Hij nam ’t maar omdat ie niet anders kon. Met de kleeren had ie meer moeite en hij moest zelfs met ’n hamer en ’n breekijzer aan de gang om op de zolder kisten open te breken, waarvan hij dacht, dat ze misschien iets konden bevatten, dat voor hem bruikbaar was. Hij vond genoeg, maar er was weinig bij dat hem paste. En prachtige kleeren waren er, juist geschikt voor’n prins. Hij zocht maar weer verder, er zou onder die hoop goed toch wel iets zijn dat hij gebruiken kon. Na lang zoeken en passen, had hij toch iets gevonden. ’t Zat hem wat ruim, maar ’t ging toch. Of de stukken bij elkaar hoorden kon hem minder schelen. Hij leek toen hij ze aanhad niets meer op ’n boer of ’n landlooper. Dat was ’t voornaamste.Nu nog wat geld! Dat moesten die roovers toch óók genoeg hebben, dacht ie. Maar dat viel tegen. Ze hadden ’t zeker ergens verstopt. Hij doorzocht alles, doch de buit was erg matig. ’n Paar zilverstukken vond ie in ’n tasch die aan de muur hing. Dat was niet genoeg om er ’n paard voor te koopen en dàt was ie van plan. Nog maar eens van voor af aan zoeken. Hij had de tijd.’t Gaf niemendal. Er was geen geld in ’t roovershuis.„Waar niets is verliest de keizer z’n recht,” dacht Abé. „Dan ga ik maar weer zonder geld op reis. Ik zie er tenminste weer knap uit en ik kan van me afslaan. Had ik nu maar ’n paard. En dan zou ’t ’n knappe kerel zijn die ’t weer onder me vandaan kreeg, zooals ’t met m’n goeie schimmel gebeurd is.”„Weet je wat ik doen kon?” dacht Abé. „Ik neem zoo’n paar van die schaaltjes mee, die in die kist zijn. Misschien is ’t goud en dan kan ik er me toch ’n paard voor koopen. Ik heb nu ’n overkleed met wijde zakken. Daar kunnen ze gemakkelijk in.”Zoo toegerust verliet hij ’t roovershuis en stapte met ’n blij hart ’t bosch in. Hij nam niet de richting die een der roovers hem ’s morgens gewezen had. Dat vertrouwde hij niet. Maar hij ging de kant op waarheen de roovers gereden waren. Dat was, herinnerdehij zich, ook de weg waarlangs zij hem naar ’t roovershuis gevoerd hadden.’t Was ’n heerlijke wandeling en hij merkte al gauw dat ie zich voor wolven niet bevreesd behoefde te maken. Ze waren er niet. En hij kwam al heel spoedig op ’n tamelijk breede boschweg. Doch nu wist ie niet meer of hij links of rechts moest. Dat was lastig. Maar Karibo had hem geleerd, dat ie in zoo’n geval altijd maar z’n eerste inval moest volgen en z’n eerste gedachte was geweest: rechts! Dus rechts. ’t Was ’n heele goede inval geweest: na ’n goed uur was ie ’t bosch uit en op ’n landweg. Maar de groote weg naar Pomfriet was ’t niet. Die was breeder dacht ie. Dan maar weer de inval volgen, die hij kreeg toen ie ’t bosch uitkwam! Ja kon ie dat maar. Doch hij had geweifeld. Links of rechts? En nu moest ie dus zelf kiezen. Hij koos maar weer rechts en dat was glad verkeerd, want nog geen kwartier verder aan z’n linker kant liep de groote weg naar Pomfriet. Hij liep wel ’n uur langs deze eenzame weg voort zonder iemand te ontmoeten. Dat viel hem tegen, want hij zou graag geweten hebben waar hij was en waarheen deze weg hem bracht. Er schenen daar in de buurt ook niet veel menschen te wonen, want nergens zag hij ’n huis. ’t Land was heuvelachtig en dus stonden er misschien toch wel huizen achter zoo’n heuvelrug, maar dan kon je ze niet zien van de weg af. Als ’t tegen de avond geweest was, had hij misschien wel eens zoo’n heuvel beklommen om te zien of er geen woning achter stond, doch nu had hij er niet veel zin in. Hij ging maarliever ’n beetje uitrusten in ’t gras, dan kon hij er tegelijk eens over nadenken, wat ie nu eigenlijk verder beginnen zou. Hij had daar net ’n mooi plekje voor en veilig was ’t daar ook. Vlak bij waren struiken. Daar kon hij zich in verstoppen, als per ongeluk de roovers er eens mochten aankomen. Hij dacht wel van niet want die zouden toch niet op zoo’n eenzame landweg naar die prins aan ’t zoeken zijn. Doch je kon ’t nooit weten. En als ze hem vonden, zou er wat voor hem opzitten, want al plunder je andere menschen, dan vindt je ’t toch nog niet goed als je zelf ook eens geplunderd wordt. En Abé had de roovers leelijk geplunderd. Nu hij z’n kleeren eens goed bekeek leken ze hem nog al kostbaar toe, vol gouden versierselen. Misschien was z’n overkleed alleen wel genoeg waard om er ’n paard voor in te ruilen. Dat hoopte hij maar, want ’n paard had ie vooral noodig.De vijf roovers waren op het oogenblik toen Abé aan hen dacht juist aan de andere kant van het bosch. Daar stond ’n herberg, waar ze heen gereden waren om iets naders omtrent de verloren prins te vernemen. Ze moesten toch weten hoe hij er zoowat uitzag. De herbergier en de roovers waren altijd goede maatjes. Ze kenden elkaar allang. Ook nu ontving hij z’n gasten heel vriendelijk en toen ze al heel gauw over prins Alphabet begonnen kon de herbergier hen genoeg vertellen. Hij wist er precies alles van. Doch toen de herbergier meegedeeld had, wat ie wist, keken de vijf roovers elkaar aan of ze van lotje getikt waren. Dit hadden ze vierentwintig uur vroeger moeten weten! Want’t werd hen opeens duidelijk, dat die prins … ’n jongen met lang zwart haar, als ’n boer gekleed … en die ze prins Alphabet noemden, maar die eigenlijk prins Abecé heette, wel eens dezelfde jongen kon zijn, die bij hen de paarden had moeten verzorgen en die ze die morgen alleen ’t bosch ingezonden hadden.„Hij heette Abé,” zei er een, „dat kan best ’n afkorting van Abecé geweest zijn.”„Daar heb je gelijk aan,” zei de hoofdman, „en die jongen leek me ook geen boertje … Maar als ie die prins Alphabet was … dan zou ie ’t wel gezegd hebben dunkt me. Ja … ’n prins zal zich maar zoo door roovers als wij in de stal laten gebruiken! En dan, die jongen had geen cent op zak. Hij had als ’n landlooper bij die boer overnacht … Ik geloof er geen steek van!”„Maar ik geloof ’t zeker” … kwam ’n tweede. „En ik geloof dat we verstandig deden als we hem weer gingen opzoeken. Ik heb hem vanmorgen de weg gewezen … Als ie die gevolgd heeft en dat zal ie dunkt me wel, dan weet ik precies waar hij op ’t oogenblik is. Laten we er gauw heenrijden … Is ie ’t niet, dan is er nog niets verloren.”„Je hebt gelijk,” zei de hoofdman. „Vooruit dan maar.”
VIJFDE HOOFDSTUK.Waarin Abé met roovers in aanraking komt en zich fijn in ’t pak steekt.Abé ondervond voor de derde maal dat er nog goede menschen in Huk waren. De boerenmenschen waar hij aanklopte, ontvingen hem met open armen. Hij zat mee aan tafel en at van het eenvoudige voedsel en toen de maaltijd was afgeloopen, wees de vrouw hem ’n slaapplaats in de stal. Ze had niet anders. Maar ook dat slaapplaatsje in ’t hooi was Abé meer dan welkom. Hij was nu tenminste weer onder dak.De volgenden morgen moest ie vroeg opstaan. Hij kon dan ’n heel eind meerijden, want de boer moest met ’n stuk of wat paarden naar de markt in ’n stad in de buurt. Voor dag en dauw ging de boer al met ’n paar knechts op ’t pad. En Abé had er niets op tegen zoo heel in de vroegte weer op reis te gaan. Hoe gauwer in Pomfriet hoe beter.De boerenmenschen had ie maar niet eens verteld, dat ie zelf ’n paard bezeten had. Waarschijnlijk hadden ze ’t toch niet kunnen gelooven, dacht ie, dat zoo’n eenvoudige arme jongen in zoo’n ouderwetsch boerenpakje, te paard met geld in de taschen goed gekleed uit Cobalt was vertrokken. Ze hadden hem misschien dan wel voor ’n bedrieger aangezien. Hij zei dus alleen maar dat ie op weg was om z’n pleegvader op te zoeken en dat ie hoopte hem onderweg tegen te komen. Natuurlijk hadden die menschen de mond vol van de heeren uit Pomfriet en de lijfwacht, die de nieuwe keizer van Huk gingen afhalen. Hij hoorde hier ook weer spreken over die prins Alphabet, waar hij nooit van gehoord had en ’t kwam maar heelemaal niet in hem op dat ie ’t zelf was.De boerin had hem gevraagd waarom hij z’n haar zoo lang droeg, en Abé had snel bedacht haar wijs te maken dat ’t zoo ’t gebruik was in ’t vreemde land waar hij met z’n pleegvader vandaan kwam. Maar de boer maakte dat antwoord onnoodig doorlachend te zeggen, dat ’t waarschijnlijk kwam omdat Abé geen geld had om ’t te laten knippen. Daarom lachten ze allemaal en Abé lachte maar mee. De boer had met ’n grapje er onwetend voor gezorgd, dat Abé geen noodleugentje hoefde te vertellen, en dat vond hij heel prettig, want ook aan leugentjes om bestwil had ie ’t land.De volgenden morgen werd ie nog vóór ’t licht was gewekt. Er werd goed gegeten en toen stegen ze te paard. Abé zat op een van de dieren, die verkocht moesten worden en de knechts hadden nu juist niet de makste voor hem uitgezocht. Ze wilden eer ze heengingen, nog ’n pretje met hem hebben en meenden dat ie wel gauw zandruiter zou zijn. De boer stond er lachend bij. Die hield ook wel van zoo’n aardigheidje. Doch toen Abé op de gladde rug van ’t paard zat, riep de boer al heel gauw: „Zeg eens baasje, jij hebt meer op ’n paard gezeten hoor!” en toen tot z’n knechts: „Dat valt jullie niet mee jongens.”Abé zag bij ’t licht van de lantaarns, dat de boer en z’n twee knechts allemaal gewapend waren en hij vroeg waarom ze dat deden.„Wel,” zei de boer, „zóó veilig is ’t nou tegenwoordig bij de weg niet. D’r zijn lui genoeg, die je wel van je paarden willen afhelpen, zonder er voor te betalen.”Nu speet ’t Abé, dat ie z’n zwaard bij moeder Guldratsj had achter gelaten. Hij bezat niets anders dan ’n kort mes, goed om er boterhammen mee te snijden, maar minder geschikt om er z’n gastheer mee bij te springen, als er eens wat gebeurde.„Wees maar voorzichtig hoor,” riep de vrouw hen nog achterna toen ze wegreden.De knechts hadden de vier paarden, die naar de markt moesten achter elkaar gebonden, kop aan staart, en Abé zat op ’t laatste. De boer reed naast hem. De twee knechts reden vooraan. Een van hen had ’t voorste der vier paarden aan de halster. Zoolang ze op de open weg waren, praatte de boer onbezorgd met Abé, doch toen ze na ’n uurtje ’n bosch bereikten waar ze langs moesten, werd de boer stil en keek voortdurend scherp om zich heen.„Oppassen jongens,” riep hij af en toe, en tot Abé zei hij: „In dat bosch is ’t niet pluis tegenwoordig.”„Roovers?” vroeg Abé.„Gespuis,” zei de boer, „paardendieven van de bovenste plank. Ze stelen als raven.”„Ze zullen je toch niet aanvallen, als ze zien, dat je goed gewapend ben hè?”„Daar geven ze niemendal om, want ze hebben zelf ook wapens en bang zijn ze niet.”„Maar zijn er dan geen veldwachters in Huk, geen gendarmen, geen soldaten? Die moesten toch zorgen, dat die kerels gevangen genomen werden?„Dat moesten ze ook. Doch ’t is tegenwoordig zoo’n rare boel in Huk. De keizer moest zich er mee bemoeien, zooals vroeger keizer Napo deed. In die tijd waren er geen roovers. Maar nu heeft de keizer ’t te druk met z’n eigen … en nou halen ze al weer ’n andere. Dan hebben we d’r twee en dan gaat ’t nog slechter … Ho, daar heb je ’t al.”Vier kerels sprongen uit ’t kreupelhout te voorschijnen een er van greep ’t paard waarop de boer reed bij de teugel. De boer verdedigde zich dapper, maar Abé zag al heel gauw, dat ie niet vechten kon. Hij gebruikte z’n zwaard zoo onhandig als ’t maar kon. En dan helpt ’t beste wapen en de stevigste vuist nog maar weinig als je tegenpartij de wapens wèl hanteeren kan. En dat konden die gauwdieven maar al te goed. Abé zag dat de boer ’t verliezen moest. Als nu z’n twee knechts maar dappere kerels geweest waren, zouden ’t misschien met hun drieën nog wel klaar gespeeld hebben, doch die lafaards gingen al heel gauw op de vlucht. ’t Leek Abé eigenlijk of die knechts maar zoo wat voor de aardigheid ’n poosje met de twee overige roovers hadden geschermutseld eer ze er van door gingen en ’t kwam in hem op dat die knechts ’t misschien wel eens waren met de roovers. Toen de knechts op hun paarden wegholden, riep de boer hen nog wel toe hem te helpen, maar ze deden of ze hem niet hoorden. En nu moest ie ’t zelf ook gauw opgeven. Hij werd van z’n paard gesleurd en Abé moest ’t aanzien, dat ze den man aan ’n boom bonden en hem al z’n geld en z’n meeste kleeren ontnamen. Abé kon zelf niets doen. Had ie maar niet op ’t laatste paard gezeten doch op ’t eerste, dan zou hij misschien met alle vier paarden hebben kunnen ontsnappen. Dan had hij hulp kunnen halen. Maar nu ging dat niet. Zijn paard was met de halster aan de staart van nummer drie vastgebonden en hij kon er dus niemendal mee uitvoeren. ’t Eenige wat ie doen kon, was zich van ’t paard laten glijden en er alleen van door gaan. Dan kon hij zich ergensverbergen en was dan later misschien in staat de boer hulp te verleenen als de roovers met de paarden weg waren. Doch nauwelijks was hij begonnen dat plan uit te voeren of de roovers hadden hem ook te pakken.„Hé, wat wou jij beginnen mannetje,” zei er een. „Hier blijven hoor.”„Bind ’m maar zoolang aan de staart van ’n paard vast,” zei ’n ander.Die leek wel de bevelvoerder, want hij werd gehoorzaamd en Abé moest nu wel blijven. Hij dacht, dat de roovers als ze klaar waren, hem wel weer los zouden maken. Dan kon hij de boer tòch nog helpen. De roovers spraken zacht wat met elkaar toen ze de boer heelemaal uitgeschud hadden en keken daarbij lachend naar Abé. Daarna kwam er een op hem af, maakte ’t touw waarmee hij aan de staart van ’t paard gebonden was los en zei kortaf, terwijl hij Abé van de grond tilde en weer op ’t paard zette: „Jij mag met ons mee.”Daarop had Abé heelemaal niet gerekend. Hij begreep, dat er van ’n tocht naar Pomfriet al heel weinig terecht zou komen, als die kerels hem meenamen ’t bosch in. Hij was van plan zoo gauw mogelijk op de vlucht te gaan, dat stond vast, maar hoe zou hij dan de weg moeten vinden? Hij schikte zich zwijgend in z’n lot. Verzet zou de zaak voor hem nog erger gemaakt hebben.En zoo reed Abé ’n oogenblik later in gezelschap van vier roovers ’t bosch in, die de boer aan de boom gebonden achter lieten.Dat ritje door ’t bosch duurde erg lang. ’t Wasal middag toen ze in ’n woeste streek halt maakten. Onder hooge zware boomen, die wel ’n eeuw oud moesten zijn, stond ’n houten huis. ’t Zag er bouwvallig uit. Misschien was ’t wel net zoo oud als de boomen rondom. Hier schenen de roovers te wonen. Ze sprongen van de paarden en Abé moest die in een soort stal brengen.„Je zorgt er goed voor jongen,” zei er een tegen hem, „en probeer maar niet weg te loopen, dat helpt je toch niet. Eer je ’n half uur ver ben hebben de wolven je te pakken. Als je klaar ben met de beesten mag je binnen komen. Dan kan je mee eten.”Abé deed maar wat van hem verlangd werd. Hij verzorgde de paarden, zoo goed ’t ging. Hij gaf hen haver. Er was genoeg en hij haalde in ’n houten emmer water aan de bron. Hij deed er nog al lang over. ’t Werk was hem vreemd. Zoo nu en dan kwam er ’n roover kijken wat ie uitvoerde. Doch ze zeiden niemendal. Hij deed ’t werk zeker nogal naar hun zin.Abé was eindelijk klaar en nu moest hij naar binnen. Daar had ie niet heel veel zin in. Met roovers aan tafel zitten leek hem niet erg aangenaam. Maar hij had honger en dus was hij toch ook wel ’n beetje nieuwsgierig. Hij ging dus maar.Toen hij de deur opende keken de roovers alle vier tegelijk naar hem.„Kom hier zitten,” zei er een„en eet maar zooveel als je lust. Je zal wel honger hebben.”Zwijgend ging Abé zitten en begon te eten.„Was dat je vader?” vroeg dezelfde roover weer.„Neen,” zei Abé.„Je baas dan?”„Ook niet.”„Ook niet? Wat was ie dan van je?”„Niemendal.”„Hoe heet je?”„Abé.”„Wat dee je bij die boer?”„’n Eindje meerijden.”„Waar moet je dan heen?”„Naar Pomfriet.”„Om wat te doen?”„M’n pleegvader opzoeken.”„Hoe heet die?”„Karibo.”„Wat doet ie voor de kost?”„Niemendal.”„Hè? … Da’s ’n klein beetje … Je ziet er niet naar uit om ’n rijke pleegvader te hebben, jongen … en dus geloof ik er geen steek van. Maar ’t komt er ook niet op aan. Ik ben van plan je bij me te houden. We hebben iemand noodig om op de paarden te passen. En probeer maar niet te ontvluchten, want zooals ik je reeds gezegd heb, dan ben je voor de wolven … of als wij je een van allen snappen, voor ons … wat misschien nog erger voor je zou zijn. Voor de rest kan je ’t goed bij ons hebben, want we houden zelf ook van ’n goed leven. Als je je best maar doet.”Abé vond ’t jammer dat die roover hem niet gelooven wou. Die roovers wilden misschien Karibo wel voor hem opzoeken, als er wat aan te verdienen was. Ze konden losgeld voor hem vragen en Karibozou dat zeker wel betaald hebben. Doch wat hielp ’t als ze hem toch niet geloofden?Hij zweeg dus maar en wilde z’n tijd afwachten. Vluchten deed ie toch. En al zou ’t tien jaar duren, Karibo moest ie terug vinden, al zou ie ’t heele land door naar hem moeten zoeken. Geduld dus.De roovers gingen nu iederen dag te paard uit, maar één bleef er steeds thuis. Die paste op ’t paard dat rustdag had en op Abé. Zelf nam hij ook rust en Abé mocht ’t werk doen. Zoo had de jongen iedere dag ’n andere roover en ’n ander paard bij zich en van ontvluchten was geen sprake. Dat duurde zoo ’n week en Abé werd er hoe langer hoe verdrietiger onder. Hij wist wel dat ’t met iedere dag moeielijker zou worden om Karibo terug te vinden. Die zou nu al wel weer in Cobalt aangekomen zijn en waarschijnlijk wel gaan denken, dat Abé bij de brand was omgekomen. Waar Karibo dan misschien heen ging kon niemand weten en dan werd ’t bijna onmogelijk hem nog ooit terug te vinden … Als hij weg kon komen met ’n paard … dan had ie misschien nog ’n kans als hij zoo snel mogelijk naar Cobalt terug reed. Wellicht vond hij er Karibo nog. Hij moest ’t toch maar eens wagen. ’t Ergste dat hem overkomen kon, was, door de roovers gesnapt te worden tijdens z’n vlucht, want dan zouden ze wel korte metten met hem maken. Doch wat hinderde dat? ’t Was nog beter dan voor rooversknechtje te spelen.Op ’n avond kwamen de roovers thuis met belangrijk nieuws. Ze vertelden ’t dadelijk aan hun thuisgebleven kameraad. Er was ’n prijs van duizend goudstukken uitgeloofd voor degene die prinsAlphabet terug vond! De roovers hadden wel zin ook ’n poging te doen, die duizend goudstukken machtig te worden en na veel heen en weer gepraat besloten ze er alle vijf op uit te trekken.„Maar hoe vinden we hem?” vroeg de thuisgebleven roover. „Weten jullie hoe ie er uitziet?”„Nee,” zei er een, „dat konden ze ons niet vertellen. Maar daar kunnen we wel achter komen.” „Overal gaan er troepen menschen op uit om hem te vinden.” „Geen wonder,” zei de eerste weer. „Duizend goudstukken hè?”„’t Is geen kleinigheid”zei ’n tweede.„Als we deelen hebben we er tweehonderd de man.”„Jij praat er over of we ’m al hebben.”En toen lachten ze allemaal.„’t Is te probeeren,” zei de hoofdman. „We kunnen toch onderweg nog wel wat anders er bij doen hè?”Dat vonden de overigen ook. Je kon wel tegelijkertijd op ’n eerlijke manier duizend goudstukken zien te verdienen door naar ’n vermiste prins te zoeken en tevens je roovershandwerk uitoefenen. Dat was geen bezwaar. Ze zouden er dan de volgende morgen vroeg maar op uittrekken alle vijf en de boel maar zoo lang sluiten.„Mag ik ook mee?” vroeg Abé.„Jij?” zei de hoofdman, „’k Had heelemaal niet aan jou gedacht … Nee … we kunnen jou er niet bij gebruiken. Je moet maar heengaan. Ik laat je vrij. We hebben je nou niet meer noodig.”„Heel best,” zei Abé, „maar ’k weet de weg in ’t bosch niet.”„Die moet je maar zoeken. Welke kant je ook uitgaat, je komt er altijd eenmaal uit … als de wolven je tenminste niet opeten … En ’t zal jou wel ’t zelfde zijn aan welke kant je er uitkomt denk ik.”„Dat is me niet hetzelfde. Ik wou graag op de weg naar Pomfriet uitkomen. En dan had ik graag een of ander wapen om me te verdedigen als ’t noodig is.”„Met die gekheid kunnen we ons niet ophouen hoor. Je rukt zoo maar uit. Allo … naar de stal … en verzorg de paarden. Maar doe ’t goed. ’t Is de laatste maal dat je ’t doen mag.”Abé ging. Doch onder z’n werk stond ie menigmaal in gedachten. Wat was dat vreemd, dat die prins Alphabet nou zoek was. Moeder Guldratsj en de boerenfamilie hadden het immers ook over die prins Alphabet gehad, doch die hadden ’t enkel maar over ’t afhalen ergens uit een of andere stad van ’n prins die zat te wachten tot ie gehaald werd en niet over ’t opzoeken van een die zoek was. Dus nu zwierven er twee keizerlijke prinsen in Huk rond? Of maar een? Was hijzelf misschien prins Alphabet? Abecé dat was ’t alphabet—maar waarom zochten ze niet naar prins Abecé—als hij ’t dan wèl was—en waarom noemden ze hem dan zoo en waarom wist hij niet dat ze hem zoo noemden? Dàt had Karibo hem dan toch wel eens mogen vertellen. Doch niemand had er ooit over gesproken, z’n vader niet, z’n moeder niet en Karibo evenmin. Dat was dus niet zoo. Er moest wel degelijk nog ’n andere prins zijn, naar wie ze zochten.En toen ging Abé maar weer aan z’n werk en eindelijk kroop hij in ’t hooi om te slapen. Doch de slaap kwam die avond niet gauw. Hij dacht aanhoudend aan die onbekende prins Alphabet en óók over de wijze waarop hij ’t bosch uit moest komen.De volgende morgen moest ie weer voor de paarden zorgen. Deze keer voor alle vijf, en toen ie daarmee klaar was stopte een van de roovers hem ’n stuk brood in de hand met de boodschaper bij, dat ie kon inrukken. Als ie maar al rechtuit liep, was ie binnen twee uur ’t bosch uit en op de weg naar Pomfriet.Abé ging zwijgend heen. Hij groette geen mensch en de roovers keken niet eens meer naar hem om. Hij had evengoed ’n bruine kikker kunnen zijn, zooals er wel in ’t bosch leefden. Daar letten de roovers ook niet op.Ze reden weg om de duizend goudstukken te gaan verdienen, die ze wel nooit zouden te pakken krijgen, want ze reden net de verkeerde kant uit.Abé luisterde naar ’t geluid van de wegdravende paarden. Hij stond stil en wachtte. ’t Klonk al zachter en zachter … en eindelijk hoorde hij niets meer. Toen keerde Abé weer terug naar ’t roovershuis.Hij ging nu zelf ook eens roovertje spelen, want hij was van plan in te breken in ’t roovershuis om zich van wapens te voorzien en van andere kleeren en van geld als hij ’t vinden kon. Dat reizen als ’n boerenjongen beviel hem heelemaal niet en zonder wapens ’t bosch door trekken leek hem ook niet plezierig. Maar bovendien had hij ondervonden, dat gewapend zijn hoog noodig was in Huk. Als hij ’n zwaard gehad had, zou die vriendelijke boer niet zoo ongelukkig te pas zijn gekomen, meende hij. Wellicht was de strijd dan anders uitgevallen.De roovers hadden hun huis sekuur genoeg gesloten. Daar was geen inbreken aan. Maar Abé had ’t heele gebouw goed bestudeerd en hij wist dat er aan de stal ’n plank los zat, die hij zelf nog ’n beetje losser gemaakt had. Daar hadden de roovers geen erg in gehad. En nu was ’t een klein kunstjevoor hem om door de stal naar binnen te komen en op z’n gemak de heele boel te doorsnuffelen.Hij vond al heel gauw iets waar ie zich mee verdedigen kon. ’n Mooi kort zwaard en ’n prachtige dolk. Gestolen goedje natuurlijk, maar dat kon Abé nu niet schelen. Hij nam ’t maar omdat ie niet anders kon. Met de kleeren had ie meer moeite en hij moest zelfs met ’n hamer en ’n breekijzer aan de gang om op de zolder kisten open te breken, waarvan hij dacht, dat ze misschien iets konden bevatten, dat voor hem bruikbaar was. Hij vond genoeg, maar er was weinig bij dat hem paste. En prachtige kleeren waren er, juist geschikt voor’n prins. Hij zocht maar weer verder, er zou onder die hoop goed toch wel iets zijn dat hij gebruiken kon. Na lang zoeken en passen, had hij toch iets gevonden. ’t Zat hem wat ruim, maar ’t ging toch. Of de stukken bij elkaar hoorden kon hem minder schelen. Hij leek toen hij ze aanhad niets meer op ’n boer of ’n landlooper. Dat was ’t voornaamste.Nu nog wat geld! Dat moesten die roovers toch óók genoeg hebben, dacht ie. Maar dat viel tegen. Ze hadden ’t zeker ergens verstopt. Hij doorzocht alles, doch de buit was erg matig. ’n Paar zilverstukken vond ie in ’n tasch die aan de muur hing. Dat was niet genoeg om er ’n paard voor te koopen en dàt was ie van plan. Nog maar eens van voor af aan zoeken. Hij had de tijd.’t Gaf niemendal. Er was geen geld in ’t roovershuis.„Waar niets is verliest de keizer z’n recht,” dacht Abé. „Dan ga ik maar weer zonder geld op reis. Ik zie er tenminste weer knap uit en ik kan van me afslaan. Had ik nu maar ’n paard. En dan zou ’t ’n knappe kerel zijn die ’t weer onder me vandaan kreeg, zooals ’t met m’n goeie schimmel gebeurd is.”„Weet je wat ik doen kon?” dacht Abé. „Ik neem zoo’n paar van die schaaltjes mee, die in die kist zijn. Misschien is ’t goud en dan kan ik er me toch ’n paard voor koopen. Ik heb nu ’n overkleed met wijde zakken. Daar kunnen ze gemakkelijk in.”Zoo toegerust verliet hij ’t roovershuis en stapte met ’n blij hart ’t bosch in. Hij nam niet de richting die een der roovers hem ’s morgens gewezen had. Dat vertrouwde hij niet. Maar hij ging de kant op waarheen de roovers gereden waren. Dat was, herinnerdehij zich, ook de weg waarlangs zij hem naar ’t roovershuis gevoerd hadden.’t Was ’n heerlijke wandeling en hij merkte al gauw dat ie zich voor wolven niet bevreesd behoefde te maken. Ze waren er niet. En hij kwam al heel spoedig op ’n tamelijk breede boschweg. Doch nu wist ie niet meer of hij links of rechts moest. Dat was lastig. Maar Karibo had hem geleerd, dat ie in zoo’n geval altijd maar z’n eerste inval moest volgen en z’n eerste gedachte was geweest: rechts! Dus rechts. ’t Was ’n heele goede inval geweest: na ’n goed uur was ie ’t bosch uit en op ’n landweg. Maar de groote weg naar Pomfriet was ’t niet. Die was breeder dacht ie. Dan maar weer de inval volgen, die hij kreeg toen ie ’t bosch uitkwam! Ja kon ie dat maar. Doch hij had geweifeld. Links of rechts? En nu moest ie dus zelf kiezen. Hij koos maar weer rechts en dat was glad verkeerd, want nog geen kwartier verder aan z’n linker kant liep de groote weg naar Pomfriet. Hij liep wel ’n uur langs deze eenzame weg voort zonder iemand te ontmoeten. Dat viel hem tegen, want hij zou graag geweten hebben waar hij was en waarheen deze weg hem bracht. Er schenen daar in de buurt ook niet veel menschen te wonen, want nergens zag hij ’n huis. ’t Land was heuvelachtig en dus stonden er misschien toch wel huizen achter zoo’n heuvelrug, maar dan kon je ze niet zien van de weg af. Als ’t tegen de avond geweest was, had hij misschien wel eens zoo’n heuvel beklommen om te zien of er geen woning achter stond, doch nu had hij er niet veel zin in. Hij ging maarliever ’n beetje uitrusten in ’t gras, dan kon hij er tegelijk eens over nadenken, wat ie nu eigenlijk verder beginnen zou. Hij had daar net ’n mooi plekje voor en veilig was ’t daar ook. Vlak bij waren struiken. Daar kon hij zich in verstoppen, als per ongeluk de roovers er eens mochten aankomen. Hij dacht wel van niet want die zouden toch niet op zoo’n eenzame landweg naar die prins aan ’t zoeken zijn. Doch je kon ’t nooit weten. En als ze hem vonden, zou er wat voor hem opzitten, want al plunder je andere menschen, dan vindt je ’t toch nog niet goed als je zelf ook eens geplunderd wordt. En Abé had de roovers leelijk geplunderd. Nu hij z’n kleeren eens goed bekeek leken ze hem nog al kostbaar toe, vol gouden versierselen. Misschien was z’n overkleed alleen wel genoeg waard om er ’n paard voor in te ruilen. Dat hoopte hij maar, want ’n paard had ie vooral noodig.De vijf roovers waren op het oogenblik toen Abé aan hen dacht juist aan de andere kant van het bosch. Daar stond ’n herberg, waar ze heen gereden waren om iets naders omtrent de verloren prins te vernemen. Ze moesten toch weten hoe hij er zoowat uitzag. De herbergier en de roovers waren altijd goede maatjes. Ze kenden elkaar allang. Ook nu ontving hij z’n gasten heel vriendelijk en toen ze al heel gauw over prins Alphabet begonnen kon de herbergier hen genoeg vertellen. Hij wist er precies alles van. Doch toen de herbergier meegedeeld had, wat ie wist, keken de vijf roovers elkaar aan of ze van lotje getikt waren. Dit hadden ze vierentwintig uur vroeger moeten weten! Want’t werd hen opeens duidelijk, dat die prins … ’n jongen met lang zwart haar, als ’n boer gekleed … en die ze prins Alphabet noemden, maar die eigenlijk prins Abecé heette, wel eens dezelfde jongen kon zijn, die bij hen de paarden had moeten verzorgen en die ze die morgen alleen ’t bosch ingezonden hadden.„Hij heette Abé,” zei er een, „dat kan best ’n afkorting van Abecé geweest zijn.”„Daar heb je gelijk aan,” zei de hoofdman, „en die jongen leek me ook geen boertje … Maar als ie die prins Alphabet was … dan zou ie ’t wel gezegd hebben dunkt me. Ja … ’n prins zal zich maar zoo door roovers als wij in de stal laten gebruiken! En dan, die jongen had geen cent op zak. Hij had als ’n landlooper bij die boer overnacht … Ik geloof er geen steek van!”„Maar ik geloof ’t zeker” … kwam ’n tweede. „En ik geloof dat we verstandig deden als we hem weer gingen opzoeken. Ik heb hem vanmorgen de weg gewezen … Als ie die gevolgd heeft en dat zal ie dunkt me wel, dan weet ik precies waar hij op ’t oogenblik is. Laten we er gauw heenrijden … Is ie ’t niet, dan is er nog niets verloren.”„Je hebt gelijk,” zei de hoofdman. „Vooruit dan maar.”
VIJFDE HOOFDSTUK.Waarin Abé met roovers in aanraking komt en zich fijn in ’t pak steekt.
Waarin Abé met roovers in aanraking komt en zich fijn in ’t pak steekt.
Waarin Abé met roovers in aanraking komt en zich fijn in ’t pak steekt.
Abé ondervond voor de derde maal dat er nog goede menschen in Huk waren. De boerenmenschen waar hij aanklopte, ontvingen hem met open armen. Hij zat mee aan tafel en at van het eenvoudige voedsel en toen de maaltijd was afgeloopen, wees de vrouw hem ’n slaapplaats in de stal. Ze had niet anders. Maar ook dat slaapplaatsje in ’t hooi was Abé meer dan welkom. Hij was nu tenminste weer onder dak.De volgenden morgen moest ie vroeg opstaan. Hij kon dan ’n heel eind meerijden, want de boer moest met ’n stuk of wat paarden naar de markt in ’n stad in de buurt. Voor dag en dauw ging de boer al met ’n paar knechts op ’t pad. En Abé had er niets op tegen zoo heel in de vroegte weer op reis te gaan. Hoe gauwer in Pomfriet hoe beter.De boerenmenschen had ie maar niet eens verteld, dat ie zelf ’n paard bezeten had. Waarschijnlijk hadden ze ’t toch niet kunnen gelooven, dacht ie, dat zoo’n eenvoudige arme jongen in zoo’n ouderwetsch boerenpakje, te paard met geld in de taschen goed gekleed uit Cobalt was vertrokken. Ze hadden hem misschien dan wel voor ’n bedrieger aangezien. Hij zei dus alleen maar dat ie op weg was om z’n pleegvader op te zoeken en dat ie hoopte hem onderweg tegen te komen. Natuurlijk hadden die menschen de mond vol van de heeren uit Pomfriet en de lijfwacht, die de nieuwe keizer van Huk gingen afhalen. Hij hoorde hier ook weer spreken over die prins Alphabet, waar hij nooit van gehoord had en ’t kwam maar heelemaal niet in hem op dat ie ’t zelf was.De boerin had hem gevraagd waarom hij z’n haar zoo lang droeg, en Abé had snel bedacht haar wijs te maken dat ’t zoo ’t gebruik was in ’t vreemde land waar hij met z’n pleegvader vandaan kwam. Maar de boer maakte dat antwoord onnoodig doorlachend te zeggen, dat ’t waarschijnlijk kwam omdat Abé geen geld had om ’t te laten knippen. Daarom lachten ze allemaal en Abé lachte maar mee. De boer had met ’n grapje er onwetend voor gezorgd, dat Abé geen noodleugentje hoefde te vertellen, en dat vond hij heel prettig, want ook aan leugentjes om bestwil had ie ’t land.De volgenden morgen werd ie nog vóór ’t licht was gewekt. Er werd goed gegeten en toen stegen ze te paard. Abé zat op een van de dieren, die verkocht moesten worden en de knechts hadden nu juist niet de makste voor hem uitgezocht. Ze wilden eer ze heengingen, nog ’n pretje met hem hebben en meenden dat ie wel gauw zandruiter zou zijn. De boer stond er lachend bij. Die hield ook wel van zoo’n aardigheidje. Doch toen Abé op de gladde rug van ’t paard zat, riep de boer al heel gauw: „Zeg eens baasje, jij hebt meer op ’n paard gezeten hoor!” en toen tot z’n knechts: „Dat valt jullie niet mee jongens.”Abé zag bij ’t licht van de lantaarns, dat de boer en z’n twee knechts allemaal gewapend waren en hij vroeg waarom ze dat deden.„Wel,” zei de boer, „zóó veilig is ’t nou tegenwoordig bij de weg niet. D’r zijn lui genoeg, die je wel van je paarden willen afhelpen, zonder er voor te betalen.”Nu speet ’t Abé, dat ie z’n zwaard bij moeder Guldratsj had achter gelaten. Hij bezat niets anders dan ’n kort mes, goed om er boterhammen mee te snijden, maar minder geschikt om er z’n gastheer mee bij te springen, als er eens wat gebeurde.„Wees maar voorzichtig hoor,” riep de vrouw hen nog achterna toen ze wegreden.De knechts hadden de vier paarden, die naar de markt moesten achter elkaar gebonden, kop aan staart, en Abé zat op ’t laatste. De boer reed naast hem. De twee knechts reden vooraan. Een van hen had ’t voorste der vier paarden aan de halster. Zoolang ze op de open weg waren, praatte de boer onbezorgd met Abé, doch toen ze na ’n uurtje ’n bosch bereikten waar ze langs moesten, werd de boer stil en keek voortdurend scherp om zich heen.„Oppassen jongens,” riep hij af en toe, en tot Abé zei hij: „In dat bosch is ’t niet pluis tegenwoordig.”„Roovers?” vroeg Abé.„Gespuis,” zei de boer, „paardendieven van de bovenste plank. Ze stelen als raven.”„Ze zullen je toch niet aanvallen, als ze zien, dat je goed gewapend ben hè?”„Daar geven ze niemendal om, want ze hebben zelf ook wapens en bang zijn ze niet.”„Maar zijn er dan geen veldwachters in Huk, geen gendarmen, geen soldaten? Die moesten toch zorgen, dat die kerels gevangen genomen werden?„Dat moesten ze ook. Doch ’t is tegenwoordig zoo’n rare boel in Huk. De keizer moest zich er mee bemoeien, zooals vroeger keizer Napo deed. In die tijd waren er geen roovers. Maar nu heeft de keizer ’t te druk met z’n eigen … en nou halen ze al weer ’n andere. Dan hebben we d’r twee en dan gaat ’t nog slechter … Ho, daar heb je ’t al.”Vier kerels sprongen uit ’t kreupelhout te voorschijnen een er van greep ’t paard waarop de boer reed bij de teugel. De boer verdedigde zich dapper, maar Abé zag al heel gauw, dat ie niet vechten kon. Hij gebruikte z’n zwaard zoo onhandig als ’t maar kon. En dan helpt ’t beste wapen en de stevigste vuist nog maar weinig als je tegenpartij de wapens wèl hanteeren kan. En dat konden die gauwdieven maar al te goed. Abé zag dat de boer ’t verliezen moest. Als nu z’n twee knechts maar dappere kerels geweest waren, zouden ’t misschien met hun drieën nog wel klaar gespeeld hebben, doch die lafaards gingen al heel gauw op de vlucht. ’t Leek Abé eigenlijk of die knechts maar zoo wat voor de aardigheid ’n poosje met de twee overige roovers hadden geschermutseld eer ze er van door gingen en ’t kwam in hem op dat die knechts ’t misschien wel eens waren met de roovers. Toen de knechts op hun paarden wegholden, riep de boer hen nog wel toe hem te helpen, maar ze deden of ze hem niet hoorden. En nu moest ie ’t zelf ook gauw opgeven. Hij werd van z’n paard gesleurd en Abé moest ’t aanzien, dat ze den man aan ’n boom bonden en hem al z’n geld en z’n meeste kleeren ontnamen. Abé kon zelf niets doen. Had ie maar niet op ’t laatste paard gezeten doch op ’t eerste, dan zou hij misschien met alle vier paarden hebben kunnen ontsnappen. Dan had hij hulp kunnen halen. Maar nu ging dat niet. Zijn paard was met de halster aan de staart van nummer drie vastgebonden en hij kon er dus niemendal mee uitvoeren. ’t Eenige wat ie doen kon, was zich van ’t paard laten glijden en er alleen van door gaan. Dan kon hij zich ergensverbergen en was dan later misschien in staat de boer hulp te verleenen als de roovers met de paarden weg waren. Doch nauwelijks was hij begonnen dat plan uit te voeren of de roovers hadden hem ook te pakken.„Hé, wat wou jij beginnen mannetje,” zei er een. „Hier blijven hoor.”„Bind ’m maar zoolang aan de staart van ’n paard vast,” zei ’n ander.Die leek wel de bevelvoerder, want hij werd gehoorzaamd en Abé moest nu wel blijven. Hij dacht, dat de roovers als ze klaar waren, hem wel weer los zouden maken. Dan kon hij de boer tòch nog helpen. De roovers spraken zacht wat met elkaar toen ze de boer heelemaal uitgeschud hadden en keken daarbij lachend naar Abé. Daarna kwam er een op hem af, maakte ’t touw waarmee hij aan de staart van ’t paard gebonden was los en zei kortaf, terwijl hij Abé van de grond tilde en weer op ’t paard zette: „Jij mag met ons mee.”Daarop had Abé heelemaal niet gerekend. Hij begreep, dat er van ’n tocht naar Pomfriet al heel weinig terecht zou komen, als die kerels hem meenamen ’t bosch in. Hij was van plan zoo gauw mogelijk op de vlucht te gaan, dat stond vast, maar hoe zou hij dan de weg moeten vinden? Hij schikte zich zwijgend in z’n lot. Verzet zou de zaak voor hem nog erger gemaakt hebben.En zoo reed Abé ’n oogenblik later in gezelschap van vier roovers ’t bosch in, die de boer aan de boom gebonden achter lieten.Dat ritje door ’t bosch duurde erg lang. ’t Wasal middag toen ze in ’n woeste streek halt maakten. Onder hooge zware boomen, die wel ’n eeuw oud moesten zijn, stond ’n houten huis. ’t Zag er bouwvallig uit. Misschien was ’t wel net zoo oud als de boomen rondom. Hier schenen de roovers te wonen. Ze sprongen van de paarden en Abé moest die in een soort stal brengen.„Je zorgt er goed voor jongen,” zei er een tegen hem, „en probeer maar niet weg te loopen, dat helpt je toch niet. Eer je ’n half uur ver ben hebben de wolven je te pakken. Als je klaar ben met de beesten mag je binnen komen. Dan kan je mee eten.”Abé deed maar wat van hem verlangd werd. Hij verzorgde de paarden, zoo goed ’t ging. Hij gaf hen haver. Er was genoeg en hij haalde in ’n houten emmer water aan de bron. Hij deed er nog al lang over. ’t Werk was hem vreemd. Zoo nu en dan kwam er ’n roover kijken wat ie uitvoerde. Doch ze zeiden niemendal. Hij deed ’t werk zeker nogal naar hun zin.Abé was eindelijk klaar en nu moest hij naar binnen. Daar had ie niet heel veel zin in. Met roovers aan tafel zitten leek hem niet erg aangenaam. Maar hij had honger en dus was hij toch ook wel ’n beetje nieuwsgierig. Hij ging dus maar.Toen hij de deur opende keken de roovers alle vier tegelijk naar hem.„Kom hier zitten,” zei er een„en eet maar zooveel als je lust. Je zal wel honger hebben.”Zwijgend ging Abé zitten en begon te eten.„Was dat je vader?” vroeg dezelfde roover weer.„Neen,” zei Abé.„Je baas dan?”„Ook niet.”„Ook niet? Wat was ie dan van je?”„Niemendal.”„Hoe heet je?”„Abé.”„Wat dee je bij die boer?”„’n Eindje meerijden.”„Waar moet je dan heen?”„Naar Pomfriet.”„Om wat te doen?”„M’n pleegvader opzoeken.”„Hoe heet die?”„Karibo.”„Wat doet ie voor de kost?”„Niemendal.”„Hè? … Da’s ’n klein beetje … Je ziet er niet naar uit om ’n rijke pleegvader te hebben, jongen … en dus geloof ik er geen steek van. Maar ’t komt er ook niet op aan. Ik ben van plan je bij me te houden. We hebben iemand noodig om op de paarden te passen. En probeer maar niet te ontvluchten, want zooals ik je reeds gezegd heb, dan ben je voor de wolven … of als wij je een van allen snappen, voor ons … wat misschien nog erger voor je zou zijn. Voor de rest kan je ’t goed bij ons hebben, want we houden zelf ook van ’n goed leven. Als je je best maar doet.”Abé vond ’t jammer dat die roover hem niet gelooven wou. Die roovers wilden misschien Karibo wel voor hem opzoeken, als er wat aan te verdienen was. Ze konden losgeld voor hem vragen en Karibozou dat zeker wel betaald hebben. Doch wat hielp ’t als ze hem toch niet geloofden?Hij zweeg dus maar en wilde z’n tijd afwachten. Vluchten deed ie toch. En al zou ’t tien jaar duren, Karibo moest ie terug vinden, al zou ie ’t heele land door naar hem moeten zoeken. Geduld dus.De roovers gingen nu iederen dag te paard uit, maar één bleef er steeds thuis. Die paste op ’t paard dat rustdag had en op Abé. Zelf nam hij ook rust en Abé mocht ’t werk doen. Zoo had de jongen iedere dag ’n andere roover en ’n ander paard bij zich en van ontvluchten was geen sprake. Dat duurde zoo ’n week en Abé werd er hoe langer hoe verdrietiger onder. Hij wist wel dat ’t met iedere dag moeielijker zou worden om Karibo terug te vinden. Die zou nu al wel weer in Cobalt aangekomen zijn en waarschijnlijk wel gaan denken, dat Abé bij de brand was omgekomen. Waar Karibo dan misschien heen ging kon niemand weten en dan werd ’t bijna onmogelijk hem nog ooit terug te vinden … Als hij weg kon komen met ’n paard … dan had ie misschien nog ’n kans als hij zoo snel mogelijk naar Cobalt terug reed. Wellicht vond hij er Karibo nog. Hij moest ’t toch maar eens wagen. ’t Ergste dat hem overkomen kon, was, door de roovers gesnapt te worden tijdens z’n vlucht, want dan zouden ze wel korte metten met hem maken. Doch wat hinderde dat? ’t Was nog beter dan voor rooversknechtje te spelen.Op ’n avond kwamen de roovers thuis met belangrijk nieuws. Ze vertelden ’t dadelijk aan hun thuisgebleven kameraad. Er was ’n prijs van duizend goudstukken uitgeloofd voor degene die prinsAlphabet terug vond! De roovers hadden wel zin ook ’n poging te doen, die duizend goudstukken machtig te worden en na veel heen en weer gepraat besloten ze er alle vijf op uit te trekken.„Maar hoe vinden we hem?” vroeg de thuisgebleven roover. „Weten jullie hoe ie er uitziet?”„Nee,” zei er een, „dat konden ze ons niet vertellen. Maar daar kunnen we wel achter komen.” „Overal gaan er troepen menschen op uit om hem te vinden.” „Geen wonder,” zei de eerste weer. „Duizend goudstukken hè?”„’t Is geen kleinigheid”zei ’n tweede.„Als we deelen hebben we er tweehonderd de man.”„Jij praat er over of we ’m al hebben.”En toen lachten ze allemaal.„’t Is te probeeren,” zei de hoofdman. „We kunnen toch onderweg nog wel wat anders er bij doen hè?”Dat vonden de overigen ook. Je kon wel tegelijkertijd op ’n eerlijke manier duizend goudstukken zien te verdienen door naar ’n vermiste prins te zoeken en tevens je roovershandwerk uitoefenen. Dat was geen bezwaar. Ze zouden er dan de volgende morgen vroeg maar op uittrekken alle vijf en de boel maar zoo lang sluiten.„Mag ik ook mee?” vroeg Abé.„Jij?” zei de hoofdman, „’k Had heelemaal niet aan jou gedacht … Nee … we kunnen jou er niet bij gebruiken. Je moet maar heengaan. Ik laat je vrij. We hebben je nou niet meer noodig.”„Heel best,” zei Abé, „maar ’k weet de weg in ’t bosch niet.”„Die moet je maar zoeken. Welke kant je ook uitgaat, je komt er altijd eenmaal uit … als de wolven je tenminste niet opeten … En ’t zal jou wel ’t zelfde zijn aan welke kant je er uitkomt denk ik.”„Dat is me niet hetzelfde. Ik wou graag op de weg naar Pomfriet uitkomen. En dan had ik graag een of ander wapen om me te verdedigen als ’t noodig is.”„Met die gekheid kunnen we ons niet ophouen hoor. Je rukt zoo maar uit. Allo … naar de stal … en verzorg de paarden. Maar doe ’t goed. ’t Is de laatste maal dat je ’t doen mag.”Abé ging. Doch onder z’n werk stond ie menigmaal in gedachten. Wat was dat vreemd, dat die prins Alphabet nou zoek was. Moeder Guldratsj en de boerenfamilie hadden het immers ook over die prins Alphabet gehad, doch die hadden ’t enkel maar over ’t afhalen ergens uit een of andere stad van ’n prins die zat te wachten tot ie gehaald werd en niet over ’t opzoeken van een die zoek was. Dus nu zwierven er twee keizerlijke prinsen in Huk rond? Of maar een? Was hijzelf misschien prins Alphabet? Abecé dat was ’t alphabet—maar waarom zochten ze niet naar prins Abecé—als hij ’t dan wèl was—en waarom noemden ze hem dan zoo en waarom wist hij niet dat ze hem zoo noemden? Dàt had Karibo hem dan toch wel eens mogen vertellen. Doch niemand had er ooit over gesproken, z’n vader niet, z’n moeder niet en Karibo evenmin. Dat was dus niet zoo. Er moest wel degelijk nog ’n andere prins zijn, naar wie ze zochten.En toen ging Abé maar weer aan z’n werk en eindelijk kroop hij in ’t hooi om te slapen. Doch de slaap kwam die avond niet gauw. Hij dacht aanhoudend aan die onbekende prins Alphabet en óók over de wijze waarop hij ’t bosch uit moest komen.De volgende morgen moest ie weer voor de paarden zorgen. Deze keer voor alle vijf, en toen ie daarmee klaar was stopte een van de roovers hem ’n stuk brood in de hand met de boodschaper bij, dat ie kon inrukken. Als ie maar al rechtuit liep, was ie binnen twee uur ’t bosch uit en op de weg naar Pomfriet.Abé ging zwijgend heen. Hij groette geen mensch en de roovers keken niet eens meer naar hem om. Hij had evengoed ’n bruine kikker kunnen zijn, zooals er wel in ’t bosch leefden. Daar letten de roovers ook niet op.Ze reden weg om de duizend goudstukken te gaan verdienen, die ze wel nooit zouden te pakken krijgen, want ze reden net de verkeerde kant uit.Abé luisterde naar ’t geluid van de wegdravende paarden. Hij stond stil en wachtte. ’t Klonk al zachter en zachter … en eindelijk hoorde hij niets meer. Toen keerde Abé weer terug naar ’t roovershuis.Hij ging nu zelf ook eens roovertje spelen, want hij was van plan in te breken in ’t roovershuis om zich van wapens te voorzien en van andere kleeren en van geld als hij ’t vinden kon. Dat reizen als ’n boerenjongen beviel hem heelemaal niet en zonder wapens ’t bosch door trekken leek hem ook niet plezierig. Maar bovendien had hij ondervonden, dat gewapend zijn hoog noodig was in Huk. Als hij ’n zwaard gehad had, zou die vriendelijke boer niet zoo ongelukkig te pas zijn gekomen, meende hij. Wellicht was de strijd dan anders uitgevallen.De roovers hadden hun huis sekuur genoeg gesloten. Daar was geen inbreken aan. Maar Abé had ’t heele gebouw goed bestudeerd en hij wist dat er aan de stal ’n plank los zat, die hij zelf nog ’n beetje losser gemaakt had. Daar hadden de roovers geen erg in gehad. En nu was ’t een klein kunstjevoor hem om door de stal naar binnen te komen en op z’n gemak de heele boel te doorsnuffelen.Hij vond al heel gauw iets waar ie zich mee verdedigen kon. ’n Mooi kort zwaard en ’n prachtige dolk. Gestolen goedje natuurlijk, maar dat kon Abé nu niet schelen. Hij nam ’t maar omdat ie niet anders kon. Met de kleeren had ie meer moeite en hij moest zelfs met ’n hamer en ’n breekijzer aan de gang om op de zolder kisten open te breken, waarvan hij dacht, dat ze misschien iets konden bevatten, dat voor hem bruikbaar was. Hij vond genoeg, maar er was weinig bij dat hem paste. En prachtige kleeren waren er, juist geschikt voor’n prins. Hij zocht maar weer verder, er zou onder die hoop goed toch wel iets zijn dat hij gebruiken kon. Na lang zoeken en passen, had hij toch iets gevonden. ’t Zat hem wat ruim, maar ’t ging toch. Of de stukken bij elkaar hoorden kon hem minder schelen. Hij leek toen hij ze aanhad niets meer op ’n boer of ’n landlooper. Dat was ’t voornaamste.Nu nog wat geld! Dat moesten die roovers toch óók genoeg hebben, dacht ie. Maar dat viel tegen. Ze hadden ’t zeker ergens verstopt. Hij doorzocht alles, doch de buit was erg matig. ’n Paar zilverstukken vond ie in ’n tasch die aan de muur hing. Dat was niet genoeg om er ’n paard voor te koopen en dàt was ie van plan. Nog maar eens van voor af aan zoeken. Hij had de tijd.’t Gaf niemendal. Er was geen geld in ’t roovershuis.„Waar niets is verliest de keizer z’n recht,” dacht Abé. „Dan ga ik maar weer zonder geld op reis. Ik zie er tenminste weer knap uit en ik kan van me afslaan. Had ik nu maar ’n paard. En dan zou ’t ’n knappe kerel zijn die ’t weer onder me vandaan kreeg, zooals ’t met m’n goeie schimmel gebeurd is.”„Weet je wat ik doen kon?” dacht Abé. „Ik neem zoo’n paar van die schaaltjes mee, die in die kist zijn. Misschien is ’t goud en dan kan ik er me toch ’n paard voor koopen. Ik heb nu ’n overkleed met wijde zakken. Daar kunnen ze gemakkelijk in.”Zoo toegerust verliet hij ’t roovershuis en stapte met ’n blij hart ’t bosch in. Hij nam niet de richting die een der roovers hem ’s morgens gewezen had. Dat vertrouwde hij niet. Maar hij ging de kant op waarheen de roovers gereden waren. Dat was, herinnerdehij zich, ook de weg waarlangs zij hem naar ’t roovershuis gevoerd hadden.’t Was ’n heerlijke wandeling en hij merkte al gauw dat ie zich voor wolven niet bevreesd behoefde te maken. Ze waren er niet. En hij kwam al heel spoedig op ’n tamelijk breede boschweg. Doch nu wist ie niet meer of hij links of rechts moest. Dat was lastig. Maar Karibo had hem geleerd, dat ie in zoo’n geval altijd maar z’n eerste inval moest volgen en z’n eerste gedachte was geweest: rechts! Dus rechts. ’t Was ’n heele goede inval geweest: na ’n goed uur was ie ’t bosch uit en op ’n landweg. Maar de groote weg naar Pomfriet was ’t niet. Die was breeder dacht ie. Dan maar weer de inval volgen, die hij kreeg toen ie ’t bosch uitkwam! Ja kon ie dat maar. Doch hij had geweifeld. Links of rechts? En nu moest ie dus zelf kiezen. Hij koos maar weer rechts en dat was glad verkeerd, want nog geen kwartier verder aan z’n linker kant liep de groote weg naar Pomfriet. Hij liep wel ’n uur langs deze eenzame weg voort zonder iemand te ontmoeten. Dat viel hem tegen, want hij zou graag geweten hebben waar hij was en waarheen deze weg hem bracht. Er schenen daar in de buurt ook niet veel menschen te wonen, want nergens zag hij ’n huis. ’t Land was heuvelachtig en dus stonden er misschien toch wel huizen achter zoo’n heuvelrug, maar dan kon je ze niet zien van de weg af. Als ’t tegen de avond geweest was, had hij misschien wel eens zoo’n heuvel beklommen om te zien of er geen woning achter stond, doch nu had hij er niet veel zin in. Hij ging maarliever ’n beetje uitrusten in ’t gras, dan kon hij er tegelijk eens over nadenken, wat ie nu eigenlijk verder beginnen zou. Hij had daar net ’n mooi plekje voor en veilig was ’t daar ook. Vlak bij waren struiken. Daar kon hij zich in verstoppen, als per ongeluk de roovers er eens mochten aankomen. Hij dacht wel van niet want die zouden toch niet op zoo’n eenzame landweg naar die prins aan ’t zoeken zijn. Doch je kon ’t nooit weten. En als ze hem vonden, zou er wat voor hem opzitten, want al plunder je andere menschen, dan vindt je ’t toch nog niet goed als je zelf ook eens geplunderd wordt. En Abé had de roovers leelijk geplunderd. Nu hij z’n kleeren eens goed bekeek leken ze hem nog al kostbaar toe, vol gouden versierselen. Misschien was z’n overkleed alleen wel genoeg waard om er ’n paard voor in te ruilen. Dat hoopte hij maar, want ’n paard had ie vooral noodig.De vijf roovers waren op het oogenblik toen Abé aan hen dacht juist aan de andere kant van het bosch. Daar stond ’n herberg, waar ze heen gereden waren om iets naders omtrent de verloren prins te vernemen. Ze moesten toch weten hoe hij er zoowat uitzag. De herbergier en de roovers waren altijd goede maatjes. Ze kenden elkaar allang. Ook nu ontving hij z’n gasten heel vriendelijk en toen ze al heel gauw over prins Alphabet begonnen kon de herbergier hen genoeg vertellen. Hij wist er precies alles van. Doch toen de herbergier meegedeeld had, wat ie wist, keken de vijf roovers elkaar aan of ze van lotje getikt waren. Dit hadden ze vierentwintig uur vroeger moeten weten! Want’t werd hen opeens duidelijk, dat die prins … ’n jongen met lang zwart haar, als ’n boer gekleed … en die ze prins Alphabet noemden, maar die eigenlijk prins Abecé heette, wel eens dezelfde jongen kon zijn, die bij hen de paarden had moeten verzorgen en die ze die morgen alleen ’t bosch ingezonden hadden.„Hij heette Abé,” zei er een, „dat kan best ’n afkorting van Abecé geweest zijn.”„Daar heb je gelijk aan,” zei de hoofdman, „en die jongen leek me ook geen boertje … Maar als ie die prins Alphabet was … dan zou ie ’t wel gezegd hebben dunkt me. Ja … ’n prins zal zich maar zoo door roovers als wij in de stal laten gebruiken! En dan, die jongen had geen cent op zak. Hij had als ’n landlooper bij die boer overnacht … Ik geloof er geen steek van!”„Maar ik geloof ’t zeker” … kwam ’n tweede. „En ik geloof dat we verstandig deden als we hem weer gingen opzoeken. Ik heb hem vanmorgen de weg gewezen … Als ie die gevolgd heeft en dat zal ie dunkt me wel, dan weet ik precies waar hij op ’t oogenblik is. Laten we er gauw heenrijden … Is ie ’t niet, dan is er nog niets verloren.”„Je hebt gelijk,” zei de hoofdman. „Vooruit dan maar.”
Abé ondervond voor de derde maal dat er nog goede menschen in Huk waren. De boerenmenschen waar hij aanklopte, ontvingen hem met open armen. Hij zat mee aan tafel en at van het eenvoudige voedsel en toen de maaltijd was afgeloopen, wees de vrouw hem ’n slaapplaats in de stal. Ze had niet anders. Maar ook dat slaapplaatsje in ’t hooi was Abé meer dan welkom. Hij was nu tenminste weer onder dak.
De volgenden morgen moest ie vroeg opstaan. Hij kon dan ’n heel eind meerijden, want de boer moest met ’n stuk of wat paarden naar de markt in ’n stad in de buurt. Voor dag en dauw ging de boer al met ’n paar knechts op ’t pad. En Abé had er niets op tegen zoo heel in de vroegte weer op reis te gaan. Hoe gauwer in Pomfriet hoe beter.
De boerenmenschen had ie maar niet eens verteld, dat ie zelf ’n paard bezeten had. Waarschijnlijk hadden ze ’t toch niet kunnen gelooven, dacht ie, dat zoo’n eenvoudige arme jongen in zoo’n ouderwetsch boerenpakje, te paard met geld in de taschen goed gekleed uit Cobalt was vertrokken. Ze hadden hem misschien dan wel voor ’n bedrieger aangezien. Hij zei dus alleen maar dat ie op weg was om z’n pleegvader op te zoeken en dat ie hoopte hem onderweg tegen te komen. Natuurlijk hadden die menschen de mond vol van de heeren uit Pomfriet en de lijfwacht, die de nieuwe keizer van Huk gingen afhalen. Hij hoorde hier ook weer spreken over die prins Alphabet, waar hij nooit van gehoord had en ’t kwam maar heelemaal niet in hem op dat ie ’t zelf was.
De boerin had hem gevraagd waarom hij z’n haar zoo lang droeg, en Abé had snel bedacht haar wijs te maken dat ’t zoo ’t gebruik was in ’t vreemde land waar hij met z’n pleegvader vandaan kwam. Maar de boer maakte dat antwoord onnoodig doorlachend te zeggen, dat ’t waarschijnlijk kwam omdat Abé geen geld had om ’t te laten knippen. Daarom lachten ze allemaal en Abé lachte maar mee. De boer had met ’n grapje er onwetend voor gezorgd, dat Abé geen noodleugentje hoefde te vertellen, en dat vond hij heel prettig, want ook aan leugentjes om bestwil had ie ’t land.
De volgenden morgen werd ie nog vóór ’t licht was gewekt. Er werd goed gegeten en toen stegen ze te paard. Abé zat op een van de dieren, die verkocht moesten worden en de knechts hadden nu juist niet de makste voor hem uitgezocht. Ze wilden eer ze heengingen, nog ’n pretje met hem hebben en meenden dat ie wel gauw zandruiter zou zijn. De boer stond er lachend bij. Die hield ook wel van zoo’n aardigheidje. Doch toen Abé op de gladde rug van ’t paard zat, riep de boer al heel gauw: „Zeg eens baasje, jij hebt meer op ’n paard gezeten hoor!” en toen tot z’n knechts: „Dat valt jullie niet mee jongens.”
Abé zag bij ’t licht van de lantaarns, dat de boer en z’n twee knechts allemaal gewapend waren en hij vroeg waarom ze dat deden.
„Wel,” zei de boer, „zóó veilig is ’t nou tegenwoordig bij de weg niet. D’r zijn lui genoeg, die je wel van je paarden willen afhelpen, zonder er voor te betalen.”
Nu speet ’t Abé, dat ie z’n zwaard bij moeder Guldratsj had achter gelaten. Hij bezat niets anders dan ’n kort mes, goed om er boterhammen mee te snijden, maar minder geschikt om er z’n gastheer mee bij te springen, als er eens wat gebeurde.
„Wees maar voorzichtig hoor,” riep de vrouw hen nog achterna toen ze wegreden.
De knechts hadden de vier paarden, die naar de markt moesten achter elkaar gebonden, kop aan staart, en Abé zat op ’t laatste. De boer reed naast hem. De twee knechts reden vooraan. Een van hen had ’t voorste der vier paarden aan de halster. Zoolang ze op de open weg waren, praatte de boer onbezorgd met Abé, doch toen ze na ’n uurtje ’n bosch bereikten waar ze langs moesten, werd de boer stil en keek voortdurend scherp om zich heen.
„Oppassen jongens,” riep hij af en toe, en tot Abé zei hij: „In dat bosch is ’t niet pluis tegenwoordig.”
„Roovers?” vroeg Abé.
„Gespuis,” zei de boer, „paardendieven van de bovenste plank. Ze stelen als raven.”
„Ze zullen je toch niet aanvallen, als ze zien, dat je goed gewapend ben hè?”
„Daar geven ze niemendal om, want ze hebben zelf ook wapens en bang zijn ze niet.”
„Maar zijn er dan geen veldwachters in Huk, geen gendarmen, geen soldaten? Die moesten toch zorgen, dat die kerels gevangen genomen werden?
„Dat moesten ze ook. Doch ’t is tegenwoordig zoo’n rare boel in Huk. De keizer moest zich er mee bemoeien, zooals vroeger keizer Napo deed. In die tijd waren er geen roovers. Maar nu heeft de keizer ’t te druk met z’n eigen … en nou halen ze al weer ’n andere. Dan hebben we d’r twee en dan gaat ’t nog slechter … Ho, daar heb je ’t al.”
Vier kerels sprongen uit ’t kreupelhout te voorschijnen een er van greep ’t paard waarop de boer reed bij de teugel. De boer verdedigde zich dapper, maar Abé zag al heel gauw, dat ie niet vechten kon. Hij gebruikte z’n zwaard zoo onhandig als ’t maar kon. En dan helpt ’t beste wapen en de stevigste vuist nog maar weinig als je tegenpartij de wapens wèl hanteeren kan. En dat konden die gauwdieven maar al te goed. Abé zag dat de boer ’t verliezen moest. Als nu z’n twee knechts maar dappere kerels geweest waren, zouden ’t misschien met hun drieën nog wel klaar gespeeld hebben, doch die lafaards gingen al heel gauw op de vlucht. ’t Leek Abé eigenlijk of die knechts maar zoo wat voor de aardigheid ’n poosje met de twee overige roovers hadden geschermutseld eer ze er van door gingen en ’t kwam in hem op dat die knechts ’t misschien wel eens waren met de roovers. Toen de knechts op hun paarden wegholden, riep de boer hen nog wel toe hem te helpen, maar ze deden of ze hem niet hoorden. En nu moest ie ’t zelf ook gauw opgeven. Hij werd van z’n paard gesleurd en Abé moest ’t aanzien, dat ze den man aan ’n boom bonden en hem al z’n geld en z’n meeste kleeren ontnamen. Abé kon zelf niets doen. Had ie maar niet op ’t laatste paard gezeten doch op ’t eerste, dan zou hij misschien met alle vier paarden hebben kunnen ontsnappen. Dan had hij hulp kunnen halen. Maar nu ging dat niet. Zijn paard was met de halster aan de staart van nummer drie vastgebonden en hij kon er dus niemendal mee uitvoeren. ’t Eenige wat ie doen kon, was zich van ’t paard laten glijden en er alleen van door gaan. Dan kon hij zich ergensverbergen en was dan later misschien in staat de boer hulp te verleenen als de roovers met de paarden weg waren. Doch nauwelijks was hij begonnen dat plan uit te voeren of de roovers hadden hem ook te pakken.
„Hé, wat wou jij beginnen mannetje,” zei er een. „Hier blijven hoor.”
„Bind ’m maar zoolang aan de staart van ’n paard vast,” zei ’n ander.
Die leek wel de bevelvoerder, want hij werd gehoorzaamd en Abé moest nu wel blijven. Hij dacht, dat de roovers als ze klaar waren, hem wel weer los zouden maken. Dan kon hij de boer tòch nog helpen. De roovers spraken zacht wat met elkaar toen ze de boer heelemaal uitgeschud hadden en keken daarbij lachend naar Abé. Daarna kwam er een op hem af, maakte ’t touw waarmee hij aan de staart van ’t paard gebonden was los en zei kortaf, terwijl hij Abé van de grond tilde en weer op ’t paard zette: „Jij mag met ons mee.”
Daarop had Abé heelemaal niet gerekend. Hij begreep, dat er van ’n tocht naar Pomfriet al heel weinig terecht zou komen, als die kerels hem meenamen ’t bosch in. Hij was van plan zoo gauw mogelijk op de vlucht te gaan, dat stond vast, maar hoe zou hij dan de weg moeten vinden? Hij schikte zich zwijgend in z’n lot. Verzet zou de zaak voor hem nog erger gemaakt hebben.
En zoo reed Abé ’n oogenblik later in gezelschap van vier roovers ’t bosch in, die de boer aan de boom gebonden achter lieten.
Dat ritje door ’t bosch duurde erg lang. ’t Wasal middag toen ze in ’n woeste streek halt maakten. Onder hooge zware boomen, die wel ’n eeuw oud moesten zijn, stond ’n houten huis. ’t Zag er bouwvallig uit. Misschien was ’t wel net zoo oud als de boomen rondom. Hier schenen de roovers te wonen. Ze sprongen van de paarden en Abé moest die in een soort stal brengen.
„Je zorgt er goed voor jongen,” zei er een tegen hem, „en probeer maar niet weg te loopen, dat helpt je toch niet. Eer je ’n half uur ver ben hebben de wolven je te pakken. Als je klaar ben met de beesten mag je binnen komen. Dan kan je mee eten.”
Abé deed maar wat van hem verlangd werd. Hij verzorgde de paarden, zoo goed ’t ging. Hij gaf hen haver. Er was genoeg en hij haalde in ’n houten emmer water aan de bron. Hij deed er nog al lang over. ’t Werk was hem vreemd. Zoo nu en dan kwam er ’n roover kijken wat ie uitvoerde. Doch ze zeiden niemendal. Hij deed ’t werk zeker nogal naar hun zin.
Abé was eindelijk klaar en nu moest hij naar binnen. Daar had ie niet heel veel zin in. Met roovers aan tafel zitten leek hem niet erg aangenaam. Maar hij had honger en dus was hij toch ook wel ’n beetje nieuwsgierig. Hij ging dus maar.
Toen hij de deur opende keken de roovers alle vier tegelijk naar hem.
„Kom hier zitten,” zei er een„en eet maar zooveel als je lust. Je zal wel honger hebben.”
Zwijgend ging Abé zitten en begon te eten.
„Was dat je vader?” vroeg dezelfde roover weer.
„Neen,” zei Abé.
„Je baas dan?”
„Ook niet.”
„Ook niet? Wat was ie dan van je?”
„Niemendal.”
„Hoe heet je?”
„Abé.”
„Wat dee je bij die boer?”
„’n Eindje meerijden.”
„Waar moet je dan heen?”
„Naar Pomfriet.”
„Om wat te doen?”
„M’n pleegvader opzoeken.”
„Hoe heet die?”
„Karibo.”
„Wat doet ie voor de kost?”
„Niemendal.”
„Hè? … Da’s ’n klein beetje … Je ziet er niet naar uit om ’n rijke pleegvader te hebben, jongen … en dus geloof ik er geen steek van. Maar ’t komt er ook niet op aan. Ik ben van plan je bij me te houden. We hebben iemand noodig om op de paarden te passen. En probeer maar niet te ontvluchten, want zooals ik je reeds gezegd heb, dan ben je voor de wolven … of als wij je een van allen snappen, voor ons … wat misschien nog erger voor je zou zijn. Voor de rest kan je ’t goed bij ons hebben, want we houden zelf ook van ’n goed leven. Als je je best maar doet.”
Abé vond ’t jammer dat die roover hem niet gelooven wou. Die roovers wilden misschien Karibo wel voor hem opzoeken, als er wat aan te verdienen was. Ze konden losgeld voor hem vragen en Karibozou dat zeker wel betaald hebben. Doch wat hielp ’t als ze hem toch niet geloofden?
Hij zweeg dus maar en wilde z’n tijd afwachten. Vluchten deed ie toch. En al zou ’t tien jaar duren, Karibo moest ie terug vinden, al zou ie ’t heele land door naar hem moeten zoeken. Geduld dus.
De roovers gingen nu iederen dag te paard uit, maar één bleef er steeds thuis. Die paste op ’t paard dat rustdag had en op Abé. Zelf nam hij ook rust en Abé mocht ’t werk doen. Zoo had de jongen iedere dag ’n andere roover en ’n ander paard bij zich en van ontvluchten was geen sprake. Dat duurde zoo ’n week en Abé werd er hoe langer hoe verdrietiger onder. Hij wist wel dat ’t met iedere dag moeielijker zou worden om Karibo terug te vinden. Die zou nu al wel weer in Cobalt aangekomen zijn en waarschijnlijk wel gaan denken, dat Abé bij de brand was omgekomen. Waar Karibo dan misschien heen ging kon niemand weten en dan werd ’t bijna onmogelijk hem nog ooit terug te vinden … Als hij weg kon komen met ’n paard … dan had ie misschien nog ’n kans als hij zoo snel mogelijk naar Cobalt terug reed. Wellicht vond hij er Karibo nog. Hij moest ’t toch maar eens wagen. ’t Ergste dat hem overkomen kon, was, door de roovers gesnapt te worden tijdens z’n vlucht, want dan zouden ze wel korte metten met hem maken. Doch wat hinderde dat? ’t Was nog beter dan voor rooversknechtje te spelen.
Op ’n avond kwamen de roovers thuis met belangrijk nieuws. Ze vertelden ’t dadelijk aan hun thuisgebleven kameraad. Er was ’n prijs van duizend goudstukken uitgeloofd voor degene die prinsAlphabet terug vond! De roovers hadden wel zin ook ’n poging te doen, die duizend goudstukken machtig te worden en na veel heen en weer gepraat besloten ze er alle vijf op uit te trekken.
„Maar hoe vinden we hem?” vroeg de thuisgebleven roover. „Weten jullie hoe ie er uitziet?”
„Nee,” zei er een, „dat konden ze ons niet vertellen. Maar daar kunnen we wel achter komen.” „Overal gaan er troepen menschen op uit om hem te vinden.” „Geen wonder,” zei de eerste weer. „Duizend goudstukken hè?”
„’t Is geen kleinigheid”zei ’n tweede.„Als we deelen hebben we er tweehonderd de man.”
„Jij praat er over of we ’m al hebben.”
En toen lachten ze allemaal.
„’t Is te probeeren,” zei de hoofdman. „We kunnen toch onderweg nog wel wat anders er bij doen hè?”
Dat vonden de overigen ook. Je kon wel tegelijkertijd op ’n eerlijke manier duizend goudstukken zien te verdienen door naar ’n vermiste prins te zoeken en tevens je roovershandwerk uitoefenen. Dat was geen bezwaar. Ze zouden er dan de volgende morgen vroeg maar op uittrekken alle vijf en de boel maar zoo lang sluiten.
„Mag ik ook mee?” vroeg Abé.
„Jij?” zei de hoofdman, „’k Had heelemaal niet aan jou gedacht … Nee … we kunnen jou er niet bij gebruiken. Je moet maar heengaan. Ik laat je vrij. We hebben je nou niet meer noodig.”
„Heel best,” zei Abé, „maar ’k weet de weg in ’t bosch niet.”
„Die moet je maar zoeken. Welke kant je ook uitgaat, je komt er altijd eenmaal uit … als de wolven je tenminste niet opeten … En ’t zal jou wel ’t zelfde zijn aan welke kant je er uitkomt denk ik.”
„Dat is me niet hetzelfde. Ik wou graag op de weg naar Pomfriet uitkomen. En dan had ik graag een of ander wapen om me te verdedigen als ’t noodig is.”
„Met die gekheid kunnen we ons niet ophouen hoor. Je rukt zoo maar uit. Allo … naar de stal … en verzorg de paarden. Maar doe ’t goed. ’t Is de laatste maal dat je ’t doen mag.”
Abé ging. Doch onder z’n werk stond ie menigmaal in gedachten. Wat was dat vreemd, dat die prins Alphabet nou zoek was. Moeder Guldratsj en de boerenfamilie hadden het immers ook over die prins Alphabet gehad, doch die hadden ’t enkel maar over ’t afhalen ergens uit een of andere stad van ’n prins die zat te wachten tot ie gehaald werd en niet over ’t opzoeken van een die zoek was. Dus nu zwierven er twee keizerlijke prinsen in Huk rond? Of maar een? Was hijzelf misschien prins Alphabet? Abecé dat was ’t alphabet—maar waarom zochten ze niet naar prins Abecé—als hij ’t dan wèl was—en waarom noemden ze hem dan zoo en waarom wist hij niet dat ze hem zoo noemden? Dàt had Karibo hem dan toch wel eens mogen vertellen. Doch niemand had er ooit over gesproken, z’n vader niet, z’n moeder niet en Karibo evenmin. Dat was dus niet zoo. Er moest wel degelijk nog ’n andere prins zijn, naar wie ze zochten.
En toen ging Abé maar weer aan z’n werk en eindelijk kroop hij in ’t hooi om te slapen. Doch de slaap kwam die avond niet gauw. Hij dacht aanhoudend aan die onbekende prins Alphabet en óók over de wijze waarop hij ’t bosch uit moest komen.
De volgende morgen moest ie weer voor de paarden zorgen. Deze keer voor alle vijf, en toen ie daarmee klaar was stopte een van de roovers hem ’n stuk brood in de hand met de boodschaper bij, dat ie kon inrukken. Als ie maar al rechtuit liep, was ie binnen twee uur ’t bosch uit en op de weg naar Pomfriet.
Abé ging zwijgend heen. Hij groette geen mensch en de roovers keken niet eens meer naar hem om. Hij had evengoed ’n bruine kikker kunnen zijn, zooals er wel in ’t bosch leefden. Daar letten de roovers ook niet op.
Ze reden weg om de duizend goudstukken te gaan verdienen, die ze wel nooit zouden te pakken krijgen, want ze reden net de verkeerde kant uit.
Abé luisterde naar ’t geluid van de wegdravende paarden. Hij stond stil en wachtte. ’t Klonk al zachter en zachter … en eindelijk hoorde hij niets meer. Toen keerde Abé weer terug naar ’t roovershuis.
Hij ging nu zelf ook eens roovertje spelen, want hij was van plan in te breken in ’t roovershuis om zich van wapens te voorzien en van andere kleeren en van geld als hij ’t vinden kon. Dat reizen als ’n boerenjongen beviel hem heelemaal niet en zonder wapens ’t bosch door trekken leek hem ook niet plezierig. Maar bovendien had hij ondervonden, dat gewapend zijn hoog noodig was in Huk. Als hij ’n zwaard gehad had, zou die vriendelijke boer niet zoo ongelukkig te pas zijn gekomen, meende hij. Wellicht was de strijd dan anders uitgevallen.
De roovers hadden hun huis sekuur genoeg gesloten. Daar was geen inbreken aan. Maar Abé had ’t heele gebouw goed bestudeerd en hij wist dat er aan de stal ’n plank los zat, die hij zelf nog ’n beetje losser gemaakt had. Daar hadden de roovers geen erg in gehad. En nu was ’t een klein kunstjevoor hem om door de stal naar binnen te komen en op z’n gemak de heele boel te doorsnuffelen.
Hij vond al heel gauw iets waar ie zich mee verdedigen kon. ’n Mooi kort zwaard en ’n prachtige dolk. Gestolen goedje natuurlijk, maar dat kon Abé nu niet schelen. Hij nam ’t maar omdat ie niet anders kon. Met de kleeren had ie meer moeite en hij moest zelfs met ’n hamer en ’n breekijzer aan de gang om op de zolder kisten open te breken, waarvan hij dacht, dat ze misschien iets konden bevatten, dat voor hem bruikbaar was. Hij vond genoeg, maar er was weinig bij dat hem paste. En prachtige kleeren waren er, juist geschikt voor’n prins. Hij zocht maar weer verder, er zou onder die hoop goed toch wel iets zijn dat hij gebruiken kon. Na lang zoeken en passen, had hij toch iets gevonden. ’t Zat hem wat ruim, maar ’t ging toch. Of de stukken bij elkaar hoorden kon hem minder schelen. Hij leek toen hij ze aanhad niets meer op ’n boer of ’n landlooper. Dat was ’t voornaamste.
Nu nog wat geld! Dat moesten die roovers toch óók genoeg hebben, dacht ie. Maar dat viel tegen. Ze hadden ’t zeker ergens verstopt. Hij doorzocht alles, doch de buit was erg matig. ’n Paar zilverstukken vond ie in ’n tasch die aan de muur hing. Dat was niet genoeg om er ’n paard voor te koopen en dàt was ie van plan. Nog maar eens van voor af aan zoeken. Hij had de tijd.
’t Gaf niemendal. Er was geen geld in ’t roovershuis.
„Waar niets is verliest de keizer z’n recht,” dacht Abé. „Dan ga ik maar weer zonder geld op reis. Ik zie er tenminste weer knap uit en ik kan van me afslaan. Had ik nu maar ’n paard. En dan zou ’t ’n knappe kerel zijn die ’t weer onder me vandaan kreeg, zooals ’t met m’n goeie schimmel gebeurd is.”
„Weet je wat ik doen kon?” dacht Abé. „Ik neem zoo’n paar van die schaaltjes mee, die in die kist zijn. Misschien is ’t goud en dan kan ik er me toch ’n paard voor koopen. Ik heb nu ’n overkleed met wijde zakken. Daar kunnen ze gemakkelijk in.”
Zoo toegerust verliet hij ’t roovershuis en stapte met ’n blij hart ’t bosch in. Hij nam niet de richting die een der roovers hem ’s morgens gewezen had. Dat vertrouwde hij niet. Maar hij ging de kant op waarheen de roovers gereden waren. Dat was, herinnerdehij zich, ook de weg waarlangs zij hem naar ’t roovershuis gevoerd hadden.
’t Was ’n heerlijke wandeling en hij merkte al gauw dat ie zich voor wolven niet bevreesd behoefde te maken. Ze waren er niet. En hij kwam al heel spoedig op ’n tamelijk breede boschweg. Doch nu wist ie niet meer of hij links of rechts moest. Dat was lastig. Maar Karibo had hem geleerd, dat ie in zoo’n geval altijd maar z’n eerste inval moest volgen en z’n eerste gedachte was geweest: rechts! Dus rechts. ’t Was ’n heele goede inval geweest: na ’n goed uur was ie ’t bosch uit en op ’n landweg. Maar de groote weg naar Pomfriet was ’t niet. Die was breeder dacht ie. Dan maar weer de inval volgen, die hij kreeg toen ie ’t bosch uitkwam! Ja kon ie dat maar. Doch hij had geweifeld. Links of rechts? En nu moest ie dus zelf kiezen. Hij koos maar weer rechts en dat was glad verkeerd, want nog geen kwartier verder aan z’n linker kant liep de groote weg naar Pomfriet. Hij liep wel ’n uur langs deze eenzame weg voort zonder iemand te ontmoeten. Dat viel hem tegen, want hij zou graag geweten hebben waar hij was en waarheen deze weg hem bracht. Er schenen daar in de buurt ook niet veel menschen te wonen, want nergens zag hij ’n huis. ’t Land was heuvelachtig en dus stonden er misschien toch wel huizen achter zoo’n heuvelrug, maar dan kon je ze niet zien van de weg af. Als ’t tegen de avond geweest was, had hij misschien wel eens zoo’n heuvel beklommen om te zien of er geen woning achter stond, doch nu had hij er niet veel zin in. Hij ging maarliever ’n beetje uitrusten in ’t gras, dan kon hij er tegelijk eens over nadenken, wat ie nu eigenlijk verder beginnen zou. Hij had daar net ’n mooi plekje voor en veilig was ’t daar ook. Vlak bij waren struiken. Daar kon hij zich in verstoppen, als per ongeluk de roovers er eens mochten aankomen. Hij dacht wel van niet want die zouden toch niet op zoo’n eenzame landweg naar die prins aan ’t zoeken zijn. Doch je kon ’t nooit weten. En als ze hem vonden, zou er wat voor hem opzitten, want al plunder je andere menschen, dan vindt je ’t toch nog niet goed als je zelf ook eens geplunderd wordt. En Abé had de roovers leelijk geplunderd. Nu hij z’n kleeren eens goed bekeek leken ze hem nog al kostbaar toe, vol gouden versierselen. Misschien was z’n overkleed alleen wel genoeg waard om er ’n paard voor in te ruilen. Dat hoopte hij maar, want ’n paard had ie vooral noodig.
De vijf roovers waren op het oogenblik toen Abé aan hen dacht juist aan de andere kant van het bosch. Daar stond ’n herberg, waar ze heen gereden waren om iets naders omtrent de verloren prins te vernemen. Ze moesten toch weten hoe hij er zoowat uitzag. De herbergier en de roovers waren altijd goede maatjes. Ze kenden elkaar allang. Ook nu ontving hij z’n gasten heel vriendelijk en toen ze al heel gauw over prins Alphabet begonnen kon de herbergier hen genoeg vertellen. Hij wist er precies alles van. Doch toen de herbergier meegedeeld had, wat ie wist, keken de vijf roovers elkaar aan of ze van lotje getikt waren. Dit hadden ze vierentwintig uur vroeger moeten weten! Want’t werd hen opeens duidelijk, dat die prins … ’n jongen met lang zwart haar, als ’n boer gekleed … en die ze prins Alphabet noemden, maar die eigenlijk prins Abecé heette, wel eens dezelfde jongen kon zijn, die bij hen de paarden had moeten verzorgen en die ze die morgen alleen ’t bosch ingezonden hadden.
„Hij heette Abé,” zei er een, „dat kan best ’n afkorting van Abecé geweest zijn.”
„Daar heb je gelijk aan,” zei de hoofdman, „en die jongen leek me ook geen boertje … Maar als ie die prins Alphabet was … dan zou ie ’t wel gezegd hebben dunkt me. Ja … ’n prins zal zich maar zoo door roovers als wij in de stal laten gebruiken! En dan, die jongen had geen cent op zak. Hij had als ’n landlooper bij die boer overnacht … Ik geloof er geen steek van!”
„Maar ik geloof ’t zeker” … kwam ’n tweede. „En ik geloof dat we verstandig deden als we hem weer gingen opzoeken. Ik heb hem vanmorgen de weg gewezen … Als ie die gevolgd heeft en dat zal ie dunkt me wel, dan weet ik precies waar hij op ’t oogenblik is. Laten we er gauw heenrijden … Is ie ’t niet, dan is er nog niets verloren.”
„Je hebt gelijk,” zei de hoofdman. „Vooruit dan maar.”