ZESDE HOOFDSTUK.

ZESDE HOOFDSTUK.Waarin hevig naar prins Alphabet gezocht wordt en alvast z’n witte paard teruggevonden wordt.Karibo, de Pirlapans en de heele lijfwacht doorzochten alle huizen langs de weg naar Pomfriet en vonden niets. Niemand wist iets van ’n jongen in ’n boerenkleeding en met lang haar. Totdat ze in ’t dorp kwamen waar Abé overnacht had. Daar vonden ze ’n huilende boerenvrouw en ’t heele dorp in rep en roer. Karibo vernam, dat de boer wiens vrouw zoo bedroefd was, de vorige dag met z’n twee knechts naar de paardemarkt gereden was, ’s morgens voor dag en dauw en dat ze geen van drieën terug gekeerd waren. Nu was er ’n heele troep dorpelingen op uit om die drie weer op te sporen. Er was ook ’n jongen bij geweest, ’n landlooper, maar daar maalden ze geen van allen om.„Hoe zag die jongen er uit?” vroeg Karibo aan de vrouw. „Had ie lang zwart haar?„Ja, lang zwart haar had ie en hij was verder gekleed als ’n boerenjongen.”„Duizend goudstukken voor degeen die die jongen terugbrengt,” riep Karibo en de oude Pirlapan brulde ’t nog eens heel hard, zoodat al die menschenopeens niet meer aan de boer en z’n knechts dachten maar alleen aan den jongen met lang zwart haar.Dat was me nog eens de moeite waard hoor! Duizend goudstukken!! Daar kon je gerust je werk voor in de steek laten, want ’t moest toch niet zoo moeielijk zijn die jongen terug te vinden. En er waren er ’n heeleboel die maar dadelijk er op uit trokken, zelfs zonder eerst na te vragen waar ze die jongen brengen moesten, als ze hem gevonden hadden.Karibo en de Pirlapans begonnen nu ook weer hoop te krijgen dat ze prins Alphabet wel gauw zouden terugvinden. Hij was zes en dertig uren geleden in dat dorp geweest en kon dus nog niet zoo heel ver weg zijn. Ze zouden er maar gauw weer op uit gaan, dan haalden ze hem zeker in. Bovendien hadden de dorpelingen, die de wegen in den omtrek goed kenden ook nog veel kans om hem te vinden en als die hem zagen zouden ze hem wel goed stevig vasthouden, want je hield meteen duizend goudstukken vast. Om die boer en z’n twee knechts gaven Karibo en Pirlapan geen lor. Die waren zeker na de markt in de stad gebleven. Die zouden wel weer boven water komen.Doch toen de stoet van Karibo en Pirlapan juist vertrekken zou kwamen de dorpelingen terug die de boer waren gaan zoeken en ze brachten de boer mee, maar de man was zoo dood als ’n pier. Van de knechts hadden ze geen spoor ontdekt en van de jongen ook niet.De dorpelingen waren zeer ontsteld en de armevrouw jammerde verschrikkelijk. Iedereen hield de twee knechts natuurlijk voor de daders. Karibo en Pirlapan ook. Doch nu begrepen ze heelemaal niet waar Abé kon gebleven zijn. ’t Waarschijnlijkste was, dat ie toen de knechts hun baas aanvielen, maar zoo gauw mogelijk ’n goed heenkomen gezocht had. En dan zou hij wel z’n weg naar Pomfriet hebben voortgezet. Die kant moesten ze dus op.Ze reden weg en kwamen voorbij de plek waar de roovers de boer en z’n knechts hadden overvallen. Ze hadden niemand uit het dorp bij zich die ’t hen wijzen kon en ze reden er voorbij zonder er op te letten. Anders zouden ze misschien wel gemerkt hebben, dat er aan de rand van dat boschwat gebeurd was en dat er paarden ’t bosch in gegaan waren. Dat kon iedereen duidelijk zien die er op lette. En dan hadden ze Abé gauw genoeg kunnen vinden. Nu klopten ze maar weer aan alle huizen langs de weg aan en zoo kwam ’t ook dat de roovers van die duizend goudstukken gehoord hadden die als belooning waren uitgeloofd voor hen die den prins terugbracht.Toen Karibo na twee dagen nog niets ontdekt had, verdeelde Pirlapan z’n troep weer in afdeelingen, want als Abé op de groote weg gebleven was hadden ze hem al lang ingehaald. Ze zouden dus maar weer overal in de omtrek gaan naspeuren. Overal reden nu kleine troepen heen onder aanvoering van ’n Pirlapan en die kwamen telkens menschen tegen die ook op zoek waren naar de prins en de duizend goudstukken.Eén troep en daarbij was de jongste Pirlapan, die zoo op z’n kop gehad had van Abé, was ’t bosch in gereden waar de roovers huisden. Ze wisten geen weg en daarom waagden ze zich maar niet in ’t kreupelhout. Ze bleven op de paden. Dat vonden ze voldoende, want prins Alphabet zou wel niet voor z’n plezier in ’t kreupelhout gaan wandelen. Daardoor kwam het dat ze op ’n goede dag op vijf minuten afstand ’t roovershuis voorbij reden, zonder er erg in te krijgen, dat er ’n woning zoo dichtbij was, waar degeen die ze zochten ’t stalwerk voor roovers moest verrichten. Zoo reden ze dagen lang door ’t bosch en naar ze meenden hadden ze geen hoekje onbezocht gelaten. En ze kwamen terug bij Karibo en de oude Pirlapan met’t bericht dat prins Alphabet in ’t bosch niet was. Telkens kwam er ’n andere troep terug met dezelfde boodschap: geen prins Alphabet. Als die jongen in de grond verzonken was had hij niet onvindbarer kunnen zijn. Karibo werd er hoe langer hoe wanhopiger onder. Er waren zelfs oogenblikken dat hij de moed heelemaal opgaf. Doch dan kwam de oude Pirlapan hem moed inspreken. Die zei: „Wat! We vinden de prins hoor. Dat is geen jongen, die zoo maar wat overkomt. Daarvoor is hij te flink.”Maar Karibo geloofde ’t niet wat Pirlapan zei. Hij was bang dat Abé verongelukt was.Op ’n morgen ontmoetten ze de Pomfrietsche heeren, die op hun gemak weer naar Pomfriet reden, iedere dag ’n klein stukje. Die lachten Karibo en Pirlapan in hun gezicht uit. Ze hielden Karibo nu heelemaal voor ’n bedrieger en Pirlapan voor ’n ouwe gek, die zich door zoo’n slimme gelukzoeker wat liet wijs maken. Ze wilden er haast niet eens naar luisteren toen Karibo hen vertelde, waar de keizerlijke prins ’t laatst was geweest. Ze geloofden er toch niemendal van.Pirlapan was woedend op die stadsche heeren, die niet mee wilden zoeken naar hun prins. „Als ie later keizer is kruipen ze allemaal om hem heen,” bromde hij. „Maar wat voor hem opofferen, ho maar.”„Och,” zei Karibo, „je moet ’t hen maar niet kwalijk nemen. Ze gelooven ’t immers niet?”„Had hen dan die kleeren laten zien,” mopperde Pirlapan.„Dan hadden ze ’t nòg niet geloofd,” antwoorddeKaribo.„Bovendien aan zulke lui heb je toch niemendal. Die loopen je overal maar in de weg.”„Daar heb je gelijk aan Karibo. Maar wat zullen we nu doen? Waar zullen we zoeken?”„Ik weet ’t niet Pirlapan …,” zei Karibo moedeloos. „Ik weet niets meer. Als er geen wonder gebeurt krijgen we onze prins nooit terug.”Pirlapan gaf de moed niet op. Al moet ik tien jaar zoeken door heel het land Huk dan doe ik ’t, maar terugvinden zal ik de prins, zei hij. Er zal weer ’n keizer over Huk regeeren, die er recht op heeft of ik heet geen Pirlapan.Dat was heel pleizierig te hooren voor Karibo, maar ’t hielp zoo weinig. ’t Is lastig om ’n speld in ’n hooiberg op te zoeken, maar ’n prins terugvinden die geen mensch kende, scheen nog moeilijker.Er werd zoo langzamerhand door iedereen naar Abé gezocht, want de menschen vertelden ’t aan elkaar, dat er duizend goudstukken als belooning waren uitgeloofd voor ’t terugbrengen van den verloren prins en daarom gingen er steeds meer op uit. Sommigen gingen op hun eentje. Die wilden de duizend goudstukken alleen verdienen. Maar anderen meenden dat ze gemakkelijker hun doel konden bereiken als ze met elkaar gingen. Dan moesten ze wel deelen, doch de winst zou nog groot genoeg zijn. En door deze prinsenzoekers werden allerlei jongens opgepakt. Telkens kwamen ze met zoo’n jongen, die naar zij meenden, beantwoordde aan de beschrijving, die ze er van gehoord hadden, bij Karibo en Pirlapan aan. Iedere jongen die donker haar had en in de laatste tijd niet geknipt was stonder aan bloot opgepakt te worden en al schreeuwde hij nog zoo hard dat ie geen prins was, ’t hielp gewoonlijk geen steek. Mee moest ie.Alleen de roovers pakten geen jongens op. Die wisten wel wie ze hebben moesten. En ze zochten ijverig de heele omtrek af, ’t bosch hadden ze al doorsnuffeld van noord naar zuid en van oost naar west. Daar was ie niet. Maar de roovers wisten nog meer, wat ze ook zorgvuldig voor zich hielden. Ze waren thuis geweest en toen hadden ze al gauw gemerkt, wat Abé uitgevoerd had. Op zolder vonden ze z’n armelijke plunje en toen ze in hun kisten keken, want ze begrepen wel wat die jongen gedaan had, misten ze kostbare kleedingstukken, die ze eenige tijd geleden gestolen hadden bij de burgemeester van Lumkiping, ’n provinciestad aan de andere kant van ’t bosch gelegen, aan de Lum, degrootste rivier van Huk, waaraan ook Pomfriet lag. Langs deze rivier, liep ook ’n breede weg naar Pomfriet, maar die was zeer lang door de groote bochten die de rivier maakte. De menschen die te paard naar Pomfriet reisden, maakten liever gebruik van de weg, die Karibo ook genomen had, en waar langs ze nu aan ’t zoeken waren. De landweg waarop Abé terecht gekomen was, toen hij uit ’t bosch kwam was de verbinding tusschen die twee groote wegen.De roovers hadden dus maar te zoeken naar iemand die de beste kleeren van de burgemeester van Lumkiping droeg, en daar zouden de overige prinsenzoekers nu wel juist niet naar kijken. Die zochten ’n boerenjongen. Zelfs de soldaten van de lijfwacht, zouden nu weinig kans hebben meenden de roovers, en de duizend goudstukken zouden dus waarschijnlijk wel in hun zakken terecht komen. En ’t leek wel, dat ze ’t bij ’t rechte eind hadden, want toen ze ’t heele bosch hadden doorzocht, iedere roover was ’n andere richting uitgegaan, kwamen ze weer in ’t roovershuis bij elkaar en daarna gingen ze gezamenlijk dezelfde weg op die Abé genomen had. Dat was per geluk en zoo kwamen ze op de weg naar Lumkiping waar Abé de vorige dag was geweest. En nu ondervroegen ze iedereen die aan die weg woonde of ze niet iemand gezien hadden die gekleed was in ’n deftig donkerrood gewaad met goud geborduurd, en die ’n roode muts droeg, van fluweel met twee opstaande veeren … ’t Duurde niet heel lang of ze wisten genoeg. Maar dat was toch niet erg naar hun zin.Die jongen was regelrecht op weg naar Lumkiping en als ie die stad bereikte, was ’t wel vast, dat ie opgepakt werd, want iedereen wist daar van de diefstal bij de burgemeester en iedereen kende ook dat mooie kleed, dat de burgemeester enkel maar droeg bij heel plechtige gelegenheden. Nu was ’t gelukkig dat die jongen te voet ging. Hij kon dus nog onmogelijk Lumkiping bereikt hebben. Als zij hun paarden lieten rennen zoo hard ze maar konden, hadden ze nog ’n kansje de prins en de duizend goudstukken te vangen. En dat deden ze dus ook.Terwijl de roovers zoo snel ze maar konden achter Abé aanrenden stapten de paarden van Karibo en de oude Pirlapan op de weg naar Pomfriet langzaam naast elkander voort. De jonge Pirlapans en de soldaten waren er weer op uit naar alle kanten, en de twee aanvoerders hadden afgesproken dat ze hen in ’t volgende dorp wel zouden wachten. Ze moesten nu hun tochten maar eens wat verder uitstrekken. Ze moesten maar acht dagen lang zoeken wat ze konden … als ze de prins dan nog niet gevonden hadden konden ze terugkeeren. Dan zouden er weer andere maatregelen genomen worden, want dan stond ’t wel vast dat Abé niet meer daar in de buurt was … „als ie nog leefde”… voegde Karibo er zuchtend bij.Zwijgend reden ze naast elkander voort. Ook de oude Pirlapan was die morgen minder hoopvol gestemd dan anders. Hij vond ’t ook ’n beetje vreemd, dat je met ’n paar honderd man, zoo heelemaal niets te weten kon komen. Hij rekende al die Hukkersdie ’t om de goudstukken te doen was maar niet eens mee. Menschen waar je heelemaal niet naar zocht kwam je iedere keer tegen en van zoo’n jongen zag je letterlijk niets … behalve dan z’n kleeren die ze bij de oude heks in beslag genomen hadden. Met gebogen hoofd zaten ze op hun paarden en merkten niet eens op, dat er iemand aan kwam draven op ’n groot paard. Eerst toen de man vlak bij was en hen voorbij reed keken ze op. Maar dat was dan ook ’n verrassing voor Karibo en voor Pirlapan. Die man die hen voorbij draafde bereed het witte paard van Abé! Karibo zou het uit duizenden herkend hebben en Pirlapan zag ’t onmiddellijk aan ’t tuig. ’t Zelfde zadel had ’t nog … en de roode toom … ’t zag er alleen maar ’n beetje verslonsd uit … en ’t paard was er ook niet beter op geworden. Zelfs Karibo’s paard had z’n oude kameraad herkend, waar ie zoo lang naast geloopen had … en die z’n slaapkameraad geweest was in de stal vele jaren lang. ’t Had blij gehinnikt. Maar de witte had geen antwoord gegeven.„Zijn paard!” riepen ze bijna tegelijk en zonder er verder over te praten dwongen ze met ’n ruk aan de toom hun paarden om te keeren en ze sprongen de ruiter achterna. Die keek even om en merkte al dadelijk dat die twee wat in de zin hadden en hij vond ’t maar beter te maken dat ie weg kwam. Hij voelde z’n geweten niet erg zuiver, want ’t was dezelfde kerel, die Abé ’t paard ontstolen had. Eerst was ie maar landlooper geweest, doch nu hij ’n paard had, was hij ’t vak van struikroover gaan uitoefenen, die eenzame reizigers op de weg aanhield om hente berooven. Het witte paard had zeker in de laatste tijd bij z’n nieuwe eigenaar niet veel rust gehad en zeker geen beste verzorging, zooals ’t gewend was en daarom kon ’t niet meer zoo snel voortkomen als vroeger. Pirlapan en Karibo bereden paarden, die goed op kracht waren en ofschoon de arme witte ongenadig slaag kreeg, wonnen de vervolgers met iedere minuut. Pirlapan had z’n speer reeds opgeheven om de struikroover even van z’n paard af te helpen. Dat was voor hem ’n klein kunstje, hij wierp sekuur, en de bandiet zou wel niet lang meer geleefd hebben, als Karibo hem niet toegeroepen had niet te werpen. Ze kregen de vent toch wel. Pirlapan was ’t eerst naast hem en ofschoon de roover poogde Pirlapan met ’n scherpe lange dolk te raken, hielp hem dat niemendal, want Pirlapan die vechten kon als de beste, gaf de kerel ’n tik met ’t hout van z’n speer, die hem hals over kop uit het zadel wierp. Ondertusschen had Karibo de witte bij de teugel gegrepen.Destruikroovermeende nog ’n kansje te hebben om weg te komen. Hij trachtte tusschen de beenen der paarden door te sluipen om in de struiken langs de weg te vluchten, maar Pirlapan moest daar niets van hebben. Vlug sprong hij van z’n paard en had in ’n wip de kerel bij z’n kraag. Uit Pirlapan z’n knuisten te komen was ’n kunstje, dat de bandiet niet geleerd had. Dat merkte hij al heel gauw en toen gaf hij ’t maar op. Karibo was nu ook van ’t paard gekomen en begon de man te ondervragen.„Hoe kom je aan dat paard?”Geen antwoord.„Wacht even,” zei Pirlapan, „ik zal hem ’n beetje op dreef helpen. Hij is zeker stom van de schrik.”Hij nam z’n speer en nu kreeg de roover met ’t dikke hout zoo’n ellendig pak ransel, dat de vent begon te schreeuwen als ’n jong varken.„Zie zoo,” zei Pirlapan, „vertel nou maar op. Nou weet je ’t wel.”„Ik heb ’t gekocht …”„Daar zie je wel naar uit,” zei Pirlapan en weer hief hij de speer op … „Zeg op … of ik sla je in gruzelementen … heb je dat paard van ’n kleine jongen gestolen, die je er ’n eindje op wou laten rijden? Geef antwoord, gauw …” En weer kreeg hij zoo’n tik.„Au!” schreeuwde de bandiet …„Heb je ’t gestolen?…”„Ja …”„Heb je die jongen ’n klap met ’n knuppel gegeven?”„Ja …”„Jij gemeene schooier …” zei Pirlapan, „dat kost je je leven. Want je heb de keizer van Huk z’n paard gestolen …”De man keek benauwd naar Pirlapan. Hij was bang voor nog meer klappen … Maar wat ie hem daar vertelde van de keizer van Huk, dat begreep hij niet. Hij had er ook wel van gehoord, dat er naar prins Alphabet gezocht werd … Hij was er zelf ook mee bezig, toen die twee hem te pakken kregen … maar dat ie ’n paard gestolen had van de keizer van Huk, daar wist ie niemendal van.„Ik heb de keizer z’n paard niet gestolen,” zei hij.„Dat heb je wel …” bulderde Pirlapan … „Dàt is de keizer z’n paard!” en hij wees op de hijgende witte.Nu was de roover de kluts heelemaal kwijt.„We zullen hem maar meenemen,” zei Karibo.„Laat ’m maar weer opstijgen.”„Hij?… Opstijgen?… Niet zoolang ik Pirlapan heet. Zoo’n gemeene lafaard komt niet op ’t paard van prins Alphabet. Aan de staart van ’t beest zal ik hem binden. Dan mag ie meedraven.”Karibo zag wel dat er niets aan te doen was en hij liet dus Pirlapan z’n gang maar gaan. Die haalde ’n riem uit z’n zadeltasch en daarmee bond ie de roover stevig aan de staart van Abé’s paard.Karibo nam het bij de teugel en nu ging ’t op ’n drafje vooruit. De kerel moest mee draven, zooals Pirlapan gezegd had. Hijzelf reed naast hem. Toen de schurk niet meer kon, hij viel om van moeheid, reed Karibo stapvoets, doch Pirlapan riep al heel gauw: „We schieten niet op. Vooruit, hij kan nou wel weer ’n eindje draven.”De roover had ’t nog nooit van z’n leven zoo slecht gehad. Dat was heel wat anders dan duizend goudstukken verdienen, door ’n prins op te zoeken. Boontje kwam om z’n loontje.Toen ze in ’t dorp aankwamen, waar ze op de andere Pirlapans en de soldaten wachten zouden, brachten ze de roover eerst bij de veldwachter en Pirlapan gaf deze de raad heel goed op de gevangene te passen, want als ie hem liet ontsnappen zou ’t er slecht voor de veldwachter uitzien. Die bekeek z’n gevangene eens en zei: „Nou heel hard zal ie wel niet weg loopen, want de kerel is meer dood dan levend.” Maar Pirlapan antwoordde: „Je bindt hem stevig ergens aan vast hoor. Hij leeft gauw genoeg weer op, en hij màg niet ontsnappen. Wat ie gedaan heeft is zóó gemeen, dat ie er de zwaarste straf voor verdient.”„Dan ben ik liever niet in zijn plaats,” zei de veldwachter. „We zijn hier in Huk niet erg zachtzinnig met booswichten.”„Maar goed ook,” bromde Pirlapan. „Sluit ’m nou maar op.” En toen ze samen wegreden zei hij tegen Karibo: „’t Lijkt er veel op dat we Abé bij stukjes en beetjes terug krijgen.”„Hoe zoo Pirlapan?”„Wel, eerst kregen we z’n kleeren en nou hebben we z’n paard.”„Ja, ja,” zuchtte Karibo …„als we de rest ook maar niet bij stukjes en beetjes in handen krijgen.”„Kom, kom,” antwoordde Pirlapan. „’t Zal nog wel terecht komen. Ik wed dat we hem vandaag of morgen op de een of andere wonderlijke manier onverwacht ontmoeten, zooals we vandaag z’n paard zijn tegen gekomen.”

ZESDE HOOFDSTUK.Waarin hevig naar prins Alphabet gezocht wordt en alvast z’n witte paard teruggevonden wordt.Karibo, de Pirlapans en de heele lijfwacht doorzochten alle huizen langs de weg naar Pomfriet en vonden niets. Niemand wist iets van ’n jongen in ’n boerenkleeding en met lang haar. Totdat ze in ’t dorp kwamen waar Abé overnacht had. Daar vonden ze ’n huilende boerenvrouw en ’t heele dorp in rep en roer. Karibo vernam, dat de boer wiens vrouw zoo bedroefd was, de vorige dag met z’n twee knechts naar de paardemarkt gereden was, ’s morgens voor dag en dauw en dat ze geen van drieën terug gekeerd waren. Nu was er ’n heele troep dorpelingen op uit om die drie weer op te sporen. Er was ook ’n jongen bij geweest, ’n landlooper, maar daar maalden ze geen van allen om.„Hoe zag die jongen er uit?” vroeg Karibo aan de vrouw. „Had ie lang zwart haar?„Ja, lang zwart haar had ie en hij was verder gekleed als ’n boerenjongen.”„Duizend goudstukken voor degeen die die jongen terugbrengt,” riep Karibo en de oude Pirlapan brulde ’t nog eens heel hard, zoodat al die menschenopeens niet meer aan de boer en z’n knechts dachten maar alleen aan den jongen met lang zwart haar.Dat was me nog eens de moeite waard hoor! Duizend goudstukken!! Daar kon je gerust je werk voor in de steek laten, want ’t moest toch niet zoo moeielijk zijn die jongen terug te vinden. En er waren er ’n heeleboel die maar dadelijk er op uit trokken, zelfs zonder eerst na te vragen waar ze die jongen brengen moesten, als ze hem gevonden hadden.Karibo en de Pirlapans begonnen nu ook weer hoop te krijgen dat ze prins Alphabet wel gauw zouden terugvinden. Hij was zes en dertig uren geleden in dat dorp geweest en kon dus nog niet zoo heel ver weg zijn. Ze zouden er maar gauw weer op uit gaan, dan haalden ze hem zeker in. Bovendien hadden de dorpelingen, die de wegen in den omtrek goed kenden ook nog veel kans om hem te vinden en als die hem zagen zouden ze hem wel goed stevig vasthouden, want je hield meteen duizend goudstukken vast. Om die boer en z’n twee knechts gaven Karibo en Pirlapan geen lor. Die waren zeker na de markt in de stad gebleven. Die zouden wel weer boven water komen.Doch toen de stoet van Karibo en Pirlapan juist vertrekken zou kwamen de dorpelingen terug die de boer waren gaan zoeken en ze brachten de boer mee, maar de man was zoo dood als ’n pier. Van de knechts hadden ze geen spoor ontdekt en van de jongen ook niet.De dorpelingen waren zeer ontsteld en de armevrouw jammerde verschrikkelijk. Iedereen hield de twee knechts natuurlijk voor de daders. Karibo en Pirlapan ook. Doch nu begrepen ze heelemaal niet waar Abé kon gebleven zijn. ’t Waarschijnlijkste was, dat ie toen de knechts hun baas aanvielen, maar zoo gauw mogelijk ’n goed heenkomen gezocht had. En dan zou hij wel z’n weg naar Pomfriet hebben voortgezet. Die kant moesten ze dus op.Ze reden weg en kwamen voorbij de plek waar de roovers de boer en z’n knechts hadden overvallen. Ze hadden niemand uit het dorp bij zich die ’t hen wijzen kon en ze reden er voorbij zonder er op te letten. Anders zouden ze misschien wel gemerkt hebben, dat er aan de rand van dat boschwat gebeurd was en dat er paarden ’t bosch in gegaan waren. Dat kon iedereen duidelijk zien die er op lette. En dan hadden ze Abé gauw genoeg kunnen vinden. Nu klopten ze maar weer aan alle huizen langs de weg aan en zoo kwam ’t ook dat de roovers van die duizend goudstukken gehoord hadden die als belooning waren uitgeloofd voor hen die den prins terugbracht.Toen Karibo na twee dagen nog niets ontdekt had, verdeelde Pirlapan z’n troep weer in afdeelingen, want als Abé op de groote weg gebleven was hadden ze hem al lang ingehaald. Ze zouden dus maar weer overal in de omtrek gaan naspeuren. Overal reden nu kleine troepen heen onder aanvoering van ’n Pirlapan en die kwamen telkens menschen tegen die ook op zoek waren naar de prins en de duizend goudstukken.Eén troep en daarbij was de jongste Pirlapan, die zoo op z’n kop gehad had van Abé, was ’t bosch in gereden waar de roovers huisden. Ze wisten geen weg en daarom waagden ze zich maar niet in ’t kreupelhout. Ze bleven op de paden. Dat vonden ze voldoende, want prins Alphabet zou wel niet voor z’n plezier in ’t kreupelhout gaan wandelen. Daardoor kwam het dat ze op ’n goede dag op vijf minuten afstand ’t roovershuis voorbij reden, zonder er erg in te krijgen, dat er ’n woning zoo dichtbij was, waar degeen die ze zochten ’t stalwerk voor roovers moest verrichten. Zoo reden ze dagen lang door ’t bosch en naar ze meenden hadden ze geen hoekje onbezocht gelaten. En ze kwamen terug bij Karibo en de oude Pirlapan met’t bericht dat prins Alphabet in ’t bosch niet was. Telkens kwam er ’n andere troep terug met dezelfde boodschap: geen prins Alphabet. Als die jongen in de grond verzonken was had hij niet onvindbarer kunnen zijn. Karibo werd er hoe langer hoe wanhopiger onder. Er waren zelfs oogenblikken dat hij de moed heelemaal opgaf. Doch dan kwam de oude Pirlapan hem moed inspreken. Die zei: „Wat! We vinden de prins hoor. Dat is geen jongen, die zoo maar wat overkomt. Daarvoor is hij te flink.”Maar Karibo geloofde ’t niet wat Pirlapan zei. Hij was bang dat Abé verongelukt was.Op ’n morgen ontmoetten ze de Pomfrietsche heeren, die op hun gemak weer naar Pomfriet reden, iedere dag ’n klein stukje. Die lachten Karibo en Pirlapan in hun gezicht uit. Ze hielden Karibo nu heelemaal voor ’n bedrieger en Pirlapan voor ’n ouwe gek, die zich door zoo’n slimme gelukzoeker wat liet wijs maken. Ze wilden er haast niet eens naar luisteren toen Karibo hen vertelde, waar de keizerlijke prins ’t laatst was geweest. Ze geloofden er toch niemendal van.Pirlapan was woedend op die stadsche heeren, die niet mee wilden zoeken naar hun prins. „Als ie later keizer is kruipen ze allemaal om hem heen,” bromde hij. „Maar wat voor hem opofferen, ho maar.”„Och,” zei Karibo, „je moet ’t hen maar niet kwalijk nemen. Ze gelooven ’t immers niet?”„Had hen dan die kleeren laten zien,” mopperde Pirlapan.„Dan hadden ze ’t nòg niet geloofd,” antwoorddeKaribo.„Bovendien aan zulke lui heb je toch niemendal. Die loopen je overal maar in de weg.”„Daar heb je gelijk aan Karibo. Maar wat zullen we nu doen? Waar zullen we zoeken?”„Ik weet ’t niet Pirlapan …,” zei Karibo moedeloos. „Ik weet niets meer. Als er geen wonder gebeurt krijgen we onze prins nooit terug.”Pirlapan gaf de moed niet op. Al moet ik tien jaar zoeken door heel het land Huk dan doe ik ’t, maar terugvinden zal ik de prins, zei hij. Er zal weer ’n keizer over Huk regeeren, die er recht op heeft of ik heet geen Pirlapan.Dat was heel pleizierig te hooren voor Karibo, maar ’t hielp zoo weinig. ’t Is lastig om ’n speld in ’n hooiberg op te zoeken, maar ’n prins terugvinden die geen mensch kende, scheen nog moeilijker.Er werd zoo langzamerhand door iedereen naar Abé gezocht, want de menschen vertelden ’t aan elkaar, dat er duizend goudstukken als belooning waren uitgeloofd voor ’t terugbrengen van den verloren prins en daarom gingen er steeds meer op uit. Sommigen gingen op hun eentje. Die wilden de duizend goudstukken alleen verdienen. Maar anderen meenden dat ze gemakkelijker hun doel konden bereiken als ze met elkaar gingen. Dan moesten ze wel deelen, doch de winst zou nog groot genoeg zijn. En door deze prinsenzoekers werden allerlei jongens opgepakt. Telkens kwamen ze met zoo’n jongen, die naar zij meenden, beantwoordde aan de beschrijving, die ze er van gehoord hadden, bij Karibo en Pirlapan aan. Iedere jongen die donker haar had en in de laatste tijd niet geknipt was stonder aan bloot opgepakt te worden en al schreeuwde hij nog zoo hard dat ie geen prins was, ’t hielp gewoonlijk geen steek. Mee moest ie.Alleen de roovers pakten geen jongens op. Die wisten wel wie ze hebben moesten. En ze zochten ijverig de heele omtrek af, ’t bosch hadden ze al doorsnuffeld van noord naar zuid en van oost naar west. Daar was ie niet. Maar de roovers wisten nog meer, wat ze ook zorgvuldig voor zich hielden. Ze waren thuis geweest en toen hadden ze al gauw gemerkt, wat Abé uitgevoerd had. Op zolder vonden ze z’n armelijke plunje en toen ze in hun kisten keken, want ze begrepen wel wat die jongen gedaan had, misten ze kostbare kleedingstukken, die ze eenige tijd geleden gestolen hadden bij de burgemeester van Lumkiping, ’n provinciestad aan de andere kant van ’t bosch gelegen, aan de Lum, degrootste rivier van Huk, waaraan ook Pomfriet lag. Langs deze rivier, liep ook ’n breede weg naar Pomfriet, maar die was zeer lang door de groote bochten die de rivier maakte. De menschen die te paard naar Pomfriet reisden, maakten liever gebruik van de weg, die Karibo ook genomen had, en waar langs ze nu aan ’t zoeken waren. De landweg waarop Abé terecht gekomen was, toen hij uit ’t bosch kwam was de verbinding tusschen die twee groote wegen.De roovers hadden dus maar te zoeken naar iemand die de beste kleeren van de burgemeester van Lumkiping droeg, en daar zouden de overige prinsenzoekers nu wel juist niet naar kijken. Die zochten ’n boerenjongen. Zelfs de soldaten van de lijfwacht, zouden nu weinig kans hebben meenden de roovers, en de duizend goudstukken zouden dus waarschijnlijk wel in hun zakken terecht komen. En ’t leek wel, dat ze ’t bij ’t rechte eind hadden, want toen ze ’t heele bosch hadden doorzocht, iedere roover was ’n andere richting uitgegaan, kwamen ze weer in ’t roovershuis bij elkaar en daarna gingen ze gezamenlijk dezelfde weg op die Abé genomen had. Dat was per geluk en zoo kwamen ze op de weg naar Lumkiping waar Abé de vorige dag was geweest. En nu ondervroegen ze iedereen die aan die weg woonde of ze niet iemand gezien hadden die gekleed was in ’n deftig donkerrood gewaad met goud geborduurd, en die ’n roode muts droeg, van fluweel met twee opstaande veeren … ’t Duurde niet heel lang of ze wisten genoeg. Maar dat was toch niet erg naar hun zin.Die jongen was regelrecht op weg naar Lumkiping en als ie die stad bereikte, was ’t wel vast, dat ie opgepakt werd, want iedereen wist daar van de diefstal bij de burgemeester en iedereen kende ook dat mooie kleed, dat de burgemeester enkel maar droeg bij heel plechtige gelegenheden. Nu was ’t gelukkig dat die jongen te voet ging. Hij kon dus nog onmogelijk Lumkiping bereikt hebben. Als zij hun paarden lieten rennen zoo hard ze maar konden, hadden ze nog ’n kansje de prins en de duizend goudstukken te vangen. En dat deden ze dus ook.Terwijl de roovers zoo snel ze maar konden achter Abé aanrenden stapten de paarden van Karibo en de oude Pirlapan op de weg naar Pomfriet langzaam naast elkander voort. De jonge Pirlapans en de soldaten waren er weer op uit naar alle kanten, en de twee aanvoerders hadden afgesproken dat ze hen in ’t volgende dorp wel zouden wachten. Ze moesten nu hun tochten maar eens wat verder uitstrekken. Ze moesten maar acht dagen lang zoeken wat ze konden … als ze de prins dan nog niet gevonden hadden konden ze terugkeeren. Dan zouden er weer andere maatregelen genomen worden, want dan stond ’t wel vast dat Abé niet meer daar in de buurt was … „als ie nog leefde”… voegde Karibo er zuchtend bij.Zwijgend reden ze naast elkander voort. Ook de oude Pirlapan was die morgen minder hoopvol gestemd dan anders. Hij vond ’t ook ’n beetje vreemd, dat je met ’n paar honderd man, zoo heelemaal niets te weten kon komen. Hij rekende al die Hukkersdie ’t om de goudstukken te doen was maar niet eens mee. Menschen waar je heelemaal niet naar zocht kwam je iedere keer tegen en van zoo’n jongen zag je letterlijk niets … behalve dan z’n kleeren die ze bij de oude heks in beslag genomen hadden. Met gebogen hoofd zaten ze op hun paarden en merkten niet eens op, dat er iemand aan kwam draven op ’n groot paard. Eerst toen de man vlak bij was en hen voorbij reed keken ze op. Maar dat was dan ook ’n verrassing voor Karibo en voor Pirlapan. Die man die hen voorbij draafde bereed het witte paard van Abé! Karibo zou het uit duizenden herkend hebben en Pirlapan zag ’t onmiddellijk aan ’t tuig. ’t Zelfde zadel had ’t nog … en de roode toom … ’t zag er alleen maar ’n beetje verslonsd uit … en ’t paard was er ook niet beter op geworden. Zelfs Karibo’s paard had z’n oude kameraad herkend, waar ie zoo lang naast geloopen had … en die z’n slaapkameraad geweest was in de stal vele jaren lang. ’t Had blij gehinnikt. Maar de witte had geen antwoord gegeven.„Zijn paard!” riepen ze bijna tegelijk en zonder er verder over te praten dwongen ze met ’n ruk aan de toom hun paarden om te keeren en ze sprongen de ruiter achterna. Die keek even om en merkte al dadelijk dat die twee wat in de zin hadden en hij vond ’t maar beter te maken dat ie weg kwam. Hij voelde z’n geweten niet erg zuiver, want ’t was dezelfde kerel, die Abé ’t paard ontstolen had. Eerst was ie maar landlooper geweest, doch nu hij ’n paard had, was hij ’t vak van struikroover gaan uitoefenen, die eenzame reizigers op de weg aanhield om hente berooven. Het witte paard had zeker in de laatste tijd bij z’n nieuwe eigenaar niet veel rust gehad en zeker geen beste verzorging, zooals ’t gewend was en daarom kon ’t niet meer zoo snel voortkomen als vroeger. Pirlapan en Karibo bereden paarden, die goed op kracht waren en ofschoon de arme witte ongenadig slaag kreeg, wonnen de vervolgers met iedere minuut. Pirlapan had z’n speer reeds opgeheven om de struikroover even van z’n paard af te helpen. Dat was voor hem ’n klein kunstje, hij wierp sekuur, en de bandiet zou wel niet lang meer geleefd hebben, als Karibo hem niet toegeroepen had niet te werpen. Ze kregen de vent toch wel. Pirlapan was ’t eerst naast hem en ofschoon de roover poogde Pirlapan met ’n scherpe lange dolk te raken, hielp hem dat niemendal, want Pirlapan die vechten kon als de beste, gaf de kerel ’n tik met ’t hout van z’n speer, die hem hals over kop uit het zadel wierp. Ondertusschen had Karibo de witte bij de teugel gegrepen.Destruikroovermeende nog ’n kansje te hebben om weg te komen. Hij trachtte tusschen de beenen der paarden door te sluipen om in de struiken langs de weg te vluchten, maar Pirlapan moest daar niets van hebben. Vlug sprong hij van z’n paard en had in ’n wip de kerel bij z’n kraag. Uit Pirlapan z’n knuisten te komen was ’n kunstje, dat de bandiet niet geleerd had. Dat merkte hij al heel gauw en toen gaf hij ’t maar op. Karibo was nu ook van ’t paard gekomen en begon de man te ondervragen.„Hoe kom je aan dat paard?”Geen antwoord.„Wacht even,” zei Pirlapan, „ik zal hem ’n beetje op dreef helpen. Hij is zeker stom van de schrik.”Hij nam z’n speer en nu kreeg de roover met ’t dikke hout zoo’n ellendig pak ransel, dat de vent begon te schreeuwen als ’n jong varken.„Zie zoo,” zei Pirlapan, „vertel nou maar op. Nou weet je ’t wel.”„Ik heb ’t gekocht …”„Daar zie je wel naar uit,” zei Pirlapan en weer hief hij de speer op … „Zeg op … of ik sla je in gruzelementen … heb je dat paard van ’n kleine jongen gestolen, die je er ’n eindje op wou laten rijden? Geef antwoord, gauw …” En weer kreeg hij zoo’n tik.„Au!” schreeuwde de bandiet …„Heb je ’t gestolen?…”„Ja …”„Heb je die jongen ’n klap met ’n knuppel gegeven?”„Ja …”„Jij gemeene schooier …” zei Pirlapan, „dat kost je je leven. Want je heb de keizer van Huk z’n paard gestolen …”De man keek benauwd naar Pirlapan. Hij was bang voor nog meer klappen … Maar wat ie hem daar vertelde van de keizer van Huk, dat begreep hij niet. Hij had er ook wel van gehoord, dat er naar prins Alphabet gezocht werd … Hij was er zelf ook mee bezig, toen die twee hem te pakken kregen … maar dat ie ’n paard gestolen had van de keizer van Huk, daar wist ie niemendal van.„Ik heb de keizer z’n paard niet gestolen,” zei hij.„Dat heb je wel …” bulderde Pirlapan … „Dàt is de keizer z’n paard!” en hij wees op de hijgende witte.Nu was de roover de kluts heelemaal kwijt.„We zullen hem maar meenemen,” zei Karibo.„Laat ’m maar weer opstijgen.”„Hij?… Opstijgen?… Niet zoolang ik Pirlapan heet. Zoo’n gemeene lafaard komt niet op ’t paard van prins Alphabet. Aan de staart van ’t beest zal ik hem binden. Dan mag ie meedraven.”Karibo zag wel dat er niets aan te doen was en hij liet dus Pirlapan z’n gang maar gaan. Die haalde ’n riem uit z’n zadeltasch en daarmee bond ie de roover stevig aan de staart van Abé’s paard.Karibo nam het bij de teugel en nu ging ’t op ’n drafje vooruit. De kerel moest mee draven, zooals Pirlapan gezegd had. Hijzelf reed naast hem. Toen de schurk niet meer kon, hij viel om van moeheid, reed Karibo stapvoets, doch Pirlapan riep al heel gauw: „We schieten niet op. Vooruit, hij kan nou wel weer ’n eindje draven.”De roover had ’t nog nooit van z’n leven zoo slecht gehad. Dat was heel wat anders dan duizend goudstukken verdienen, door ’n prins op te zoeken. Boontje kwam om z’n loontje.Toen ze in ’t dorp aankwamen, waar ze op de andere Pirlapans en de soldaten wachten zouden, brachten ze de roover eerst bij de veldwachter en Pirlapan gaf deze de raad heel goed op de gevangene te passen, want als ie hem liet ontsnappen zou ’t er slecht voor de veldwachter uitzien. Die bekeek z’n gevangene eens en zei: „Nou heel hard zal ie wel niet weg loopen, want de kerel is meer dood dan levend.” Maar Pirlapan antwoordde: „Je bindt hem stevig ergens aan vast hoor. Hij leeft gauw genoeg weer op, en hij màg niet ontsnappen. Wat ie gedaan heeft is zóó gemeen, dat ie er de zwaarste straf voor verdient.”„Dan ben ik liever niet in zijn plaats,” zei de veldwachter. „We zijn hier in Huk niet erg zachtzinnig met booswichten.”„Maar goed ook,” bromde Pirlapan. „Sluit ’m nou maar op.” En toen ze samen wegreden zei hij tegen Karibo: „’t Lijkt er veel op dat we Abé bij stukjes en beetjes terug krijgen.”„Hoe zoo Pirlapan?”„Wel, eerst kregen we z’n kleeren en nou hebben we z’n paard.”„Ja, ja,” zuchtte Karibo …„als we de rest ook maar niet bij stukjes en beetjes in handen krijgen.”„Kom, kom,” antwoordde Pirlapan. „’t Zal nog wel terecht komen. Ik wed dat we hem vandaag of morgen op de een of andere wonderlijke manier onverwacht ontmoeten, zooals we vandaag z’n paard zijn tegen gekomen.”

ZESDE HOOFDSTUK.Waarin hevig naar prins Alphabet gezocht wordt en alvast z’n witte paard teruggevonden wordt.

Waarin hevig naar prins Alphabet gezocht wordt en alvast z’n witte paard teruggevonden wordt.

Waarin hevig naar prins Alphabet gezocht wordt en alvast z’n witte paard teruggevonden wordt.

Karibo, de Pirlapans en de heele lijfwacht doorzochten alle huizen langs de weg naar Pomfriet en vonden niets. Niemand wist iets van ’n jongen in ’n boerenkleeding en met lang haar. Totdat ze in ’t dorp kwamen waar Abé overnacht had. Daar vonden ze ’n huilende boerenvrouw en ’t heele dorp in rep en roer. Karibo vernam, dat de boer wiens vrouw zoo bedroefd was, de vorige dag met z’n twee knechts naar de paardemarkt gereden was, ’s morgens voor dag en dauw en dat ze geen van drieën terug gekeerd waren. Nu was er ’n heele troep dorpelingen op uit om die drie weer op te sporen. Er was ook ’n jongen bij geweest, ’n landlooper, maar daar maalden ze geen van allen om.„Hoe zag die jongen er uit?” vroeg Karibo aan de vrouw. „Had ie lang zwart haar?„Ja, lang zwart haar had ie en hij was verder gekleed als ’n boerenjongen.”„Duizend goudstukken voor degeen die die jongen terugbrengt,” riep Karibo en de oude Pirlapan brulde ’t nog eens heel hard, zoodat al die menschenopeens niet meer aan de boer en z’n knechts dachten maar alleen aan den jongen met lang zwart haar.Dat was me nog eens de moeite waard hoor! Duizend goudstukken!! Daar kon je gerust je werk voor in de steek laten, want ’t moest toch niet zoo moeielijk zijn die jongen terug te vinden. En er waren er ’n heeleboel die maar dadelijk er op uit trokken, zelfs zonder eerst na te vragen waar ze die jongen brengen moesten, als ze hem gevonden hadden.Karibo en de Pirlapans begonnen nu ook weer hoop te krijgen dat ze prins Alphabet wel gauw zouden terugvinden. Hij was zes en dertig uren geleden in dat dorp geweest en kon dus nog niet zoo heel ver weg zijn. Ze zouden er maar gauw weer op uit gaan, dan haalden ze hem zeker in. Bovendien hadden de dorpelingen, die de wegen in den omtrek goed kenden ook nog veel kans om hem te vinden en als die hem zagen zouden ze hem wel goed stevig vasthouden, want je hield meteen duizend goudstukken vast. Om die boer en z’n twee knechts gaven Karibo en Pirlapan geen lor. Die waren zeker na de markt in de stad gebleven. Die zouden wel weer boven water komen.Doch toen de stoet van Karibo en Pirlapan juist vertrekken zou kwamen de dorpelingen terug die de boer waren gaan zoeken en ze brachten de boer mee, maar de man was zoo dood als ’n pier. Van de knechts hadden ze geen spoor ontdekt en van de jongen ook niet.De dorpelingen waren zeer ontsteld en de armevrouw jammerde verschrikkelijk. Iedereen hield de twee knechts natuurlijk voor de daders. Karibo en Pirlapan ook. Doch nu begrepen ze heelemaal niet waar Abé kon gebleven zijn. ’t Waarschijnlijkste was, dat ie toen de knechts hun baas aanvielen, maar zoo gauw mogelijk ’n goed heenkomen gezocht had. En dan zou hij wel z’n weg naar Pomfriet hebben voortgezet. Die kant moesten ze dus op.Ze reden weg en kwamen voorbij de plek waar de roovers de boer en z’n knechts hadden overvallen. Ze hadden niemand uit het dorp bij zich die ’t hen wijzen kon en ze reden er voorbij zonder er op te letten. Anders zouden ze misschien wel gemerkt hebben, dat er aan de rand van dat boschwat gebeurd was en dat er paarden ’t bosch in gegaan waren. Dat kon iedereen duidelijk zien die er op lette. En dan hadden ze Abé gauw genoeg kunnen vinden. Nu klopten ze maar weer aan alle huizen langs de weg aan en zoo kwam ’t ook dat de roovers van die duizend goudstukken gehoord hadden die als belooning waren uitgeloofd voor hen die den prins terugbracht.Toen Karibo na twee dagen nog niets ontdekt had, verdeelde Pirlapan z’n troep weer in afdeelingen, want als Abé op de groote weg gebleven was hadden ze hem al lang ingehaald. Ze zouden dus maar weer overal in de omtrek gaan naspeuren. Overal reden nu kleine troepen heen onder aanvoering van ’n Pirlapan en die kwamen telkens menschen tegen die ook op zoek waren naar de prins en de duizend goudstukken.Eén troep en daarbij was de jongste Pirlapan, die zoo op z’n kop gehad had van Abé, was ’t bosch in gereden waar de roovers huisden. Ze wisten geen weg en daarom waagden ze zich maar niet in ’t kreupelhout. Ze bleven op de paden. Dat vonden ze voldoende, want prins Alphabet zou wel niet voor z’n plezier in ’t kreupelhout gaan wandelen. Daardoor kwam het dat ze op ’n goede dag op vijf minuten afstand ’t roovershuis voorbij reden, zonder er erg in te krijgen, dat er ’n woning zoo dichtbij was, waar degeen die ze zochten ’t stalwerk voor roovers moest verrichten. Zoo reden ze dagen lang door ’t bosch en naar ze meenden hadden ze geen hoekje onbezocht gelaten. En ze kwamen terug bij Karibo en de oude Pirlapan met’t bericht dat prins Alphabet in ’t bosch niet was. Telkens kwam er ’n andere troep terug met dezelfde boodschap: geen prins Alphabet. Als die jongen in de grond verzonken was had hij niet onvindbarer kunnen zijn. Karibo werd er hoe langer hoe wanhopiger onder. Er waren zelfs oogenblikken dat hij de moed heelemaal opgaf. Doch dan kwam de oude Pirlapan hem moed inspreken. Die zei: „Wat! We vinden de prins hoor. Dat is geen jongen, die zoo maar wat overkomt. Daarvoor is hij te flink.”Maar Karibo geloofde ’t niet wat Pirlapan zei. Hij was bang dat Abé verongelukt was.Op ’n morgen ontmoetten ze de Pomfrietsche heeren, die op hun gemak weer naar Pomfriet reden, iedere dag ’n klein stukje. Die lachten Karibo en Pirlapan in hun gezicht uit. Ze hielden Karibo nu heelemaal voor ’n bedrieger en Pirlapan voor ’n ouwe gek, die zich door zoo’n slimme gelukzoeker wat liet wijs maken. Ze wilden er haast niet eens naar luisteren toen Karibo hen vertelde, waar de keizerlijke prins ’t laatst was geweest. Ze geloofden er toch niemendal van.Pirlapan was woedend op die stadsche heeren, die niet mee wilden zoeken naar hun prins. „Als ie later keizer is kruipen ze allemaal om hem heen,” bromde hij. „Maar wat voor hem opofferen, ho maar.”„Och,” zei Karibo, „je moet ’t hen maar niet kwalijk nemen. Ze gelooven ’t immers niet?”„Had hen dan die kleeren laten zien,” mopperde Pirlapan.„Dan hadden ze ’t nòg niet geloofd,” antwoorddeKaribo.„Bovendien aan zulke lui heb je toch niemendal. Die loopen je overal maar in de weg.”„Daar heb je gelijk aan Karibo. Maar wat zullen we nu doen? Waar zullen we zoeken?”„Ik weet ’t niet Pirlapan …,” zei Karibo moedeloos. „Ik weet niets meer. Als er geen wonder gebeurt krijgen we onze prins nooit terug.”Pirlapan gaf de moed niet op. Al moet ik tien jaar zoeken door heel het land Huk dan doe ik ’t, maar terugvinden zal ik de prins, zei hij. Er zal weer ’n keizer over Huk regeeren, die er recht op heeft of ik heet geen Pirlapan.Dat was heel pleizierig te hooren voor Karibo, maar ’t hielp zoo weinig. ’t Is lastig om ’n speld in ’n hooiberg op te zoeken, maar ’n prins terugvinden die geen mensch kende, scheen nog moeilijker.Er werd zoo langzamerhand door iedereen naar Abé gezocht, want de menschen vertelden ’t aan elkaar, dat er duizend goudstukken als belooning waren uitgeloofd voor ’t terugbrengen van den verloren prins en daarom gingen er steeds meer op uit. Sommigen gingen op hun eentje. Die wilden de duizend goudstukken alleen verdienen. Maar anderen meenden dat ze gemakkelijker hun doel konden bereiken als ze met elkaar gingen. Dan moesten ze wel deelen, doch de winst zou nog groot genoeg zijn. En door deze prinsenzoekers werden allerlei jongens opgepakt. Telkens kwamen ze met zoo’n jongen, die naar zij meenden, beantwoordde aan de beschrijving, die ze er van gehoord hadden, bij Karibo en Pirlapan aan. Iedere jongen die donker haar had en in de laatste tijd niet geknipt was stonder aan bloot opgepakt te worden en al schreeuwde hij nog zoo hard dat ie geen prins was, ’t hielp gewoonlijk geen steek. Mee moest ie.Alleen de roovers pakten geen jongens op. Die wisten wel wie ze hebben moesten. En ze zochten ijverig de heele omtrek af, ’t bosch hadden ze al doorsnuffeld van noord naar zuid en van oost naar west. Daar was ie niet. Maar de roovers wisten nog meer, wat ze ook zorgvuldig voor zich hielden. Ze waren thuis geweest en toen hadden ze al gauw gemerkt, wat Abé uitgevoerd had. Op zolder vonden ze z’n armelijke plunje en toen ze in hun kisten keken, want ze begrepen wel wat die jongen gedaan had, misten ze kostbare kleedingstukken, die ze eenige tijd geleden gestolen hadden bij de burgemeester van Lumkiping, ’n provinciestad aan de andere kant van ’t bosch gelegen, aan de Lum, degrootste rivier van Huk, waaraan ook Pomfriet lag. Langs deze rivier, liep ook ’n breede weg naar Pomfriet, maar die was zeer lang door de groote bochten die de rivier maakte. De menschen die te paard naar Pomfriet reisden, maakten liever gebruik van de weg, die Karibo ook genomen had, en waar langs ze nu aan ’t zoeken waren. De landweg waarop Abé terecht gekomen was, toen hij uit ’t bosch kwam was de verbinding tusschen die twee groote wegen.De roovers hadden dus maar te zoeken naar iemand die de beste kleeren van de burgemeester van Lumkiping droeg, en daar zouden de overige prinsenzoekers nu wel juist niet naar kijken. Die zochten ’n boerenjongen. Zelfs de soldaten van de lijfwacht, zouden nu weinig kans hebben meenden de roovers, en de duizend goudstukken zouden dus waarschijnlijk wel in hun zakken terecht komen. En ’t leek wel, dat ze ’t bij ’t rechte eind hadden, want toen ze ’t heele bosch hadden doorzocht, iedere roover was ’n andere richting uitgegaan, kwamen ze weer in ’t roovershuis bij elkaar en daarna gingen ze gezamenlijk dezelfde weg op die Abé genomen had. Dat was per geluk en zoo kwamen ze op de weg naar Lumkiping waar Abé de vorige dag was geweest. En nu ondervroegen ze iedereen die aan die weg woonde of ze niet iemand gezien hadden die gekleed was in ’n deftig donkerrood gewaad met goud geborduurd, en die ’n roode muts droeg, van fluweel met twee opstaande veeren … ’t Duurde niet heel lang of ze wisten genoeg. Maar dat was toch niet erg naar hun zin.Die jongen was regelrecht op weg naar Lumkiping en als ie die stad bereikte, was ’t wel vast, dat ie opgepakt werd, want iedereen wist daar van de diefstal bij de burgemeester en iedereen kende ook dat mooie kleed, dat de burgemeester enkel maar droeg bij heel plechtige gelegenheden. Nu was ’t gelukkig dat die jongen te voet ging. Hij kon dus nog onmogelijk Lumkiping bereikt hebben. Als zij hun paarden lieten rennen zoo hard ze maar konden, hadden ze nog ’n kansje de prins en de duizend goudstukken te vangen. En dat deden ze dus ook.Terwijl de roovers zoo snel ze maar konden achter Abé aanrenden stapten de paarden van Karibo en de oude Pirlapan op de weg naar Pomfriet langzaam naast elkander voort. De jonge Pirlapans en de soldaten waren er weer op uit naar alle kanten, en de twee aanvoerders hadden afgesproken dat ze hen in ’t volgende dorp wel zouden wachten. Ze moesten nu hun tochten maar eens wat verder uitstrekken. Ze moesten maar acht dagen lang zoeken wat ze konden … als ze de prins dan nog niet gevonden hadden konden ze terugkeeren. Dan zouden er weer andere maatregelen genomen worden, want dan stond ’t wel vast dat Abé niet meer daar in de buurt was … „als ie nog leefde”… voegde Karibo er zuchtend bij.Zwijgend reden ze naast elkander voort. Ook de oude Pirlapan was die morgen minder hoopvol gestemd dan anders. Hij vond ’t ook ’n beetje vreemd, dat je met ’n paar honderd man, zoo heelemaal niets te weten kon komen. Hij rekende al die Hukkersdie ’t om de goudstukken te doen was maar niet eens mee. Menschen waar je heelemaal niet naar zocht kwam je iedere keer tegen en van zoo’n jongen zag je letterlijk niets … behalve dan z’n kleeren die ze bij de oude heks in beslag genomen hadden. Met gebogen hoofd zaten ze op hun paarden en merkten niet eens op, dat er iemand aan kwam draven op ’n groot paard. Eerst toen de man vlak bij was en hen voorbij reed keken ze op. Maar dat was dan ook ’n verrassing voor Karibo en voor Pirlapan. Die man die hen voorbij draafde bereed het witte paard van Abé! Karibo zou het uit duizenden herkend hebben en Pirlapan zag ’t onmiddellijk aan ’t tuig. ’t Zelfde zadel had ’t nog … en de roode toom … ’t zag er alleen maar ’n beetje verslonsd uit … en ’t paard was er ook niet beter op geworden. Zelfs Karibo’s paard had z’n oude kameraad herkend, waar ie zoo lang naast geloopen had … en die z’n slaapkameraad geweest was in de stal vele jaren lang. ’t Had blij gehinnikt. Maar de witte had geen antwoord gegeven.„Zijn paard!” riepen ze bijna tegelijk en zonder er verder over te praten dwongen ze met ’n ruk aan de toom hun paarden om te keeren en ze sprongen de ruiter achterna. Die keek even om en merkte al dadelijk dat die twee wat in de zin hadden en hij vond ’t maar beter te maken dat ie weg kwam. Hij voelde z’n geweten niet erg zuiver, want ’t was dezelfde kerel, die Abé ’t paard ontstolen had. Eerst was ie maar landlooper geweest, doch nu hij ’n paard had, was hij ’t vak van struikroover gaan uitoefenen, die eenzame reizigers op de weg aanhield om hente berooven. Het witte paard had zeker in de laatste tijd bij z’n nieuwe eigenaar niet veel rust gehad en zeker geen beste verzorging, zooals ’t gewend was en daarom kon ’t niet meer zoo snel voortkomen als vroeger. Pirlapan en Karibo bereden paarden, die goed op kracht waren en ofschoon de arme witte ongenadig slaag kreeg, wonnen de vervolgers met iedere minuut. Pirlapan had z’n speer reeds opgeheven om de struikroover even van z’n paard af te helpen. Dat was voor hem ’n klein kunstje, hij wierp sekuur, en de bandiet zou wel niet lang meer geleefd hebben, als Karibo hem niet toegeroepen had niet te werpen. Ze kregen de vent toch wel. Pirlapan was ’t eerst naast hem en ofschoon de roover poogde Pirlapan met ’n scherpe lange dolk te raken, hielp hem dat niemendal, want Pirlapan die vechten kon als de beste, gaf de kerel ’n tik met ’t hout van z’n speer, die hem hals over kop uit het zadel wierp. Ondertusschen had Karibo de witte bij de teugel gegrepen.Destruikroovermeende nog ’n kansje te hebben om weg te komen. Hij trachtte tusschen de beenen der paarden door te sluipen om in de struiken langs de weg te vluchten, maar Pirlapan moest daar niets van hebben. Vlug sprong hij van z’n paard en had in ’n wip de kerel bij z’n kraag. Uit Pirlapan z’n knuisten te komen was ’n kunstje, dat de bandiet niet geleerd had. Dat merkte hij al heel gauw en toen gaf hij ’t maar op. Karibo was nu ook van ’t paard gekomen en begon de man te ondervragen.„Hoe kom je aan dat paard?”Geen antwoord.„Wacht even,” zei Pirlapan, „ik zal hem ’n beetje op dreef helpen. Hij is zeker stom van de schrik.”Hij nam z’n speer en nu kreeg de roover met ’t dikke hout zoo’n ellendig pak ransel, dat de vent begon te schreeuwen als ’n jong varken.„Zie zoo,” zei Pirlapan, „vertel nou maar op. Nou weet je ’t wel.”„Ik heb ’t gekocht …”„Daar zie je wel naar uit,” zei Pirlapan en weer hief hij de speer op … „Zeg op … of ik sla je in gruzelementen … heb je dat paard van ’n kleine jongen gestolen, die je er ’n eindje op wou laten rijden? Geef antwoord, gauw …” En weer kreeg hij zoo’n tik.„Au!” schreeuwde de bandiet …„Heb je ’t gestolen?…”„Ja …”„Heb je die jongen ’n klap met ’n knuppel gegeven?”„Ja …”„Jij gemeene schooier …” zei Pirlapan, „dat kost je je leven. Want je heb de keizer van Huk z’n paard gestolen …”De man keek benauwd naar Pirlapan. Hij was bang voor nog meer klappen … Maar wat ie hem daar vertelde van de keizer van Huk, dat begreep hij niet. Hij had er ook wel van gehoord, dat er naar prins Alphabet gezocht werd … Hij was er zelf ook mee bezig, toen die twee hem te pakken kregen … maar dat ie ’n paard gestolen had van de keizer van Huk, daar wist ie niemendal van.„Ik heb de keizer z’n paard niet gestolen,” zei hij.„Dat heb je wel …” bulderde Pirlapan … „Dàt is de keizer z’n paard!” en hij wees op de hijgende witte.Nu was de roover de kluts heelemaal kwijt.„We zullen hem maar meenemen,” zei Karibo.„Laat ’m maar weer opstijgen.”„Hij?… Opstijgen?… Niet zoolang ik Pirlapan heet. Zoo’n gemeene lafaard komt niet op ’t paard van prins Alphabet. Aan de staart van ’t beest zal ik hem binden. Dan mag ie meedraven.”Karibo zag wel dat er niets aan te doen was en hij liet dus Pirlapan z’n gang maar gaan. Die haalde ’n riem uit z’n zadeltasch en daarmee bond ie de roover stevig aan de staart van Abé’s paard.Karibo nam het bij de teugel en nu ging ’t op ’n drafje vooruit. De kerel moest mee draven, zooals Pirlapan gezegd had. Hijzelf reed naast hem. Toen de schurk niet meer kon, hij viel om van moeheid, reed Karibo stapvoets, doch Pirlapan riep al heel gauw: „We schieten niet op. Vooruit, hij kan nou wel weer ’n eindje draven.”De roover had ’t nog nooit van z’n leven zoo slecht gehad. Dat was heel wat anders dan duizend goudstukken verdienen, door ’n prins op te zoeken. Boontje kwam om z’n loontje.Toen ze in ’t dorp aankwamen, waar ze op de andere Pirlapans en de soldaten wachten zouden, brachten ze de roover eerst bij de veldwachter en Pirlapan gaf deze de raad heel goed op de gevangene te passen, want als ie hem liet ontsnappen zou ’t er slecht voor de veldwachter uitzien. Die bekeek z’n gevangene eens en zei: „Nou heel hard zal ie wel niet weg loopen, want de kerel is meer dood dan levend.” Maar Pirlapan antwoordde: „Je bindt hem stevig ergens aan vast hoor. Hij leeft gauw genoeg weer op, en hij màg niet ontsnappen. Wat ie gedaan heeft is zóó gemeen, dat ie er de zwaarste straf voor verdient.”„Dan ben ik liever niet in zijn plaats,” zei de veldwachter. „We zijn hier in Huk niet erg zachtzinnig met booswichten.”„Maar goed ook,” bromde Pirlapan. „Sluit ’m nou maar op.” En toen ze samen wegreden zei hij tegen Karibo: „’t Lijkt er veel op dat we Abé bij stukjes en beetjes terug krijgen.”„Hoe zoo Pirlapan?”„Wel, eerst kregen we z’n kleeren en nou hebben we z’n paard.”„Ja, ja,” zuchtte Karibo …„als we de rest ook maar niet bij stukjes en beetjes in handen krijgen.”„Kom, kom,” antwoordde Pirlapan. „’t Zal nog wel terecht komen. Ik wed dat we hem vandaag of morgen op de een of andere wonderlijke manier onverwacht ontmoeten, zooals we vandaag z’n paard zijn tegen gekomen.”

Karibo, de Pirlapans en de heele lijfwacht doorzochten alle huizen langs de weg naar Pomfriet en vonden niets. Niemand wist iets van ’n jongen in ’n boerenkleeding en met lang haar. Totdat ze in ’t dorp kwamen waar Abé overnacht had. Daar vonden ze ’n huilende boerenvrouw en ’t heele dorp in rep en roer. Karibo vernam, dat de boer wiens vrouw zoo bedroefd was, de vorige dag met z’n twee knechts naar de paardemarkt gereden was, ’s morgens voor dag en dauw en dat ze geen van drieën terug gekeerd waren. Nu was er ’n heele troep dorpelingen op uit om die drie weer op te sporen. Er was ook ’n jongen bij geweest, ’n landlooper, maar daar maalden ze geen van allen om.

„Hoe zag die jongen er uit?” vroeg Karibo aan de vrouw. „Had ie lang zwart haar?

„Ja, lang zwart haar had ie en hij was verder gekleed als ’n boerenjongen.”

„Duizend goudstukken voor degeen die die jongen terugbrengt,” riep Karibo en de oude Pirlapan brulde ’t nog eens heel hard, zoodat al die menschenopeens niet meer aan de boer en z’n knechts dachten maar alleen aan den jongen met lang zwart haar.

Dat was me nog eens de moeite waard hoor! Duizend goudstukken!! Daar kon je gerust je werk voor in de steek laten, want ’t moest toch niet zoo moeielijk zijn die jongen terug te vinden. En er waren er ’n heeleboel die maar dadelijk er op uit trokken, zelfs zonder eerst na te vragen waar ze die jongen brengen moesten, als ze hem gevonden hadden.

Karibo en de Pirlapans begonnen nu ook weer hoop te krijgen dat ze prins Alphabet wel gauw zouden terugvinden. Hij was zes en dertig uren geleden in dat dorp geweest en kon dus nog niet zoo heel ver weg zijn. Ze zouden er maar gauw weer op uit gaan, dan haalden ze hem zeker in. Bovendien hadden de dorpelingen, die de wegen in den omtrek goed kenden ook nog veel kans om hem te vinden en als die hem zagen zouden ze hem wel goed stevig vasthouden, want je hield meteen duizend goudstukken vast. Om die boer en z’n twee knechts gaven Karibo en Pirlapan geen lor. Die waren zeker na de markt in de stad gebleven. Die zouden wel weer boven water komen.

Doch toen de stoet van Karibo en Pirlapan juist vertrekken zou kwamen de dorpelingen terug die de boer waren gaan zoeken en ze brachten de boer mee, maar de man was zoo dood als ’n pier. Van de knechts hadden ze geen spoor ontdekt en van de jongen ook niet.

De dorpelingen waren zeer ontsteld en de armevrouw jammerde verschrikkelijk. Iedereen hield de twee knechts natuurlijk voor de daders. Karibo en Pirlapan ook. Doch nu begrepen ze heelemaal niet waar Abé kon gebleven zijn. ’t Waarschijnlijkste was, dat ie toen de knechts hun baas aanvielen, maar zoo gauw mogelijk ’n goed heenkomen gezocht had. En dan zou hij wel z’n weg naar Pomfriet hebben voortgezet. Die kant moesten ze dus op.

Ze reden weg en kwamen voorbij de plek waar de roovers de boer en z’n knechts hadden overvallen. Ze hadden niemand uit het dorp bij zich die ’t hen wijzen kon en ze reden er voorbij zonder er op te letten. Anders zouden ze misschien wel gemerkt hebben, dat er aan de rand van dat boschwat gebeurd was en dat er paarden ’t bosch in gegaan waren. Dat kon iedereen duidelijk zien die er op lette. En dan hadden ze Abé gauw genoeg kunnen vinden. Nu klopten ze maar weer aan alle huizen langs de weg aan en zoo kwam ’t ook dat de roovers van die duizend goudstukken gehoord hadden die als belooning waren uitgeloofd voor hen die den prins terugbracht.

Toen Karibo na twee dagen nog niets ontdekt had, verdeelde Pirlapan z’n troep weer in afdeelingen, want als Abé op de groote weg gebleven was hadden ze hem al lang ingehaald. Ze zouden dus maar weer overal in de omtrek gaan naspeuren. Overal reden nu kleine troepen heen onder aanvoering van ’n Pirlapan en die kwamen telkens menschen tegen die ook op zoek waren naar de prins en de duizend goudstukken.

Eén troep en daarbij was de jongste Pirlapan, die zoo op z’n kop gehad had van Abé, was ’t bosch in gereden waar de roovers huisden. Ze wisten geen weg en daarom waagden ze zich maar niet in ’t kreupelhout. Ze bleven op de paden. Dat vonden ze voldoende, want prins Alphabet zou wel niet voor z’n plezier in ’t kreupelhout gaan wandelen. Daardoor kwam het dat ze op ’n goede dag op vijf minuten afstand ’t roovershuis voorbij reden, zonder er erg in te krijgen, dat er ’n woning zoo dichtbij was, waar degeen die ze zochten ’t stalwerk voor roovers moest verrichten. Zoo reden ze dagen lang door ’t bosch en naar ze meenden hadden ze geen hoekje onbezocht gelaten. En ze kwamen terug bij Karibo en de oude Pirlapan met’t bericht dat prins Alphabet in ’t bosch niet was. Telkens kwam er ’n andere troep terug met dezelfde boodschap: geen prins Alphabet. Als die jongen in de grond verzonken was had hij niet onvindbarer kunnen zijn. Karibo werd er hoe langer hoe wanhopiger onder. Er waren zelfs oogenblikken dat hij de moed heelemaal opgaf. Doch dan kwam de oude Pirlapan hem moed inspreken. Die zei: „Wat! We vinden de prins hoor. Dat is geen jongen, die zoo maar wat overkomt. Daarvoor is hij te flink.”

Maar Karibo geloofde ’t niet wat Pirlapan zei. Hij was bang dat Abé verongelukt was.

Op ’n morgen ontmoetten ze de Pomfrietsche heeren, die op hun gemak weer naar Pomfriet reden, iedere dag ’n klein stukje. Die lachten Karibo en Pirlapan in hun gezicht uit. Ze hielden Karibo nu heelemaal voor ’n bedrieger en Pirlapan voor ’n ouwe gek, die zich door zoo’n slimme gelukzoeker wat liet wijs maken. Ze wilden er haast niet eens naar luisteren toen Karibo hen vertelde, waar de keizerlijke prins ’t laatst was geweest. Ze geloofden er toch niemendal van.

Pirlapan was woedend op die stadsche heeren, die niet mee wilden zoeken naar hun prins. „Als ie later keizer is kruipen ze allemaal om hem heen,” bromde hij. „Maar wat voor hem opofferen, ho maar.”

„Och,” zei Karibo, „je moet ’t hen maar niet kwalijk nemen. Ze gelooven ’t immers niet?”

„Had hen dan die kleeren laten zien,” mopperde Pirlapan.

„Dan hadden ze ’t nòg niet geloofd,” antwoorddeKaribo.„Bovendien aan zulke lui heb je toch niemendal. Die loopen je overal maar in de weg.”

„Daar heb je gelijk aan Karibo. Maar wat zullen we nu doen? Waar zullen we zoeken?”

„Ik weet ’t niet Pirlapan …,” zei Karibo moedeloos. „Ik weet niets meer. Als er geen wonder gebeurt krijgen we onze prins nooit terug.”

Pirlapan gaf de moed niet op. Al moet ik tien jaar zoeken door heel het land Huk dan doe ik ’t, maar terugvinden zal ik de prins, zei hij. Er zal weer ’n keizer over Huk regeeren, die er recht op heeft of ik heet geen Pirlapan.

Dat was heel pleizierig te hooren voor Karibo, maar ’t hielp zoo weinig. ’t Is lastig om ’n speld in ’n hooiberg op te zoeken, maar ’n prins terugvinden die geen mensch kende, scheen nog moeilijker.

Er werd zoo langzamerhand door iedereen naar Abé gezocht, want de menschen vertelden ’t aan elkaar, dat er duizend goudstukken als belooning waren uitgeloofd voor ’t terugbrengen van den verloren prins en daarom gingen er steeds meer op uit. Sommigen gingen op hun eentje. Die wilden de duizend goudstukken alleen verdienen. Maar anderen meenden dat ze gemakkelijker hun doel konden bereiken als ze met elkaar gingen. Dan moesten ze wel deelen, doch de winst zou nog groot genoeg zijn. En door deze prinsenzoekers werden allerlei jongens opgepakt. Telkens kwamen ze met zoo’n jongen, die naar zij meenden, beantwoordde aan de beschrijving, die ze er van gehoord hadden, bij Karibo en Pirlapan aan. Iedere jongen die donker haar had en in de laatste tijd niet geknipt was stonder aan bloot opgepakt te worden en al schreeuwde hij nog zoo hard dat ie geen prins was, ’t hielp gewoonlijk geen steek. Mee moest ie.

Alleen de roovers pakten geen jongens op. Die wisten wel wie ze hebben moesten. En ze zochten ijverig de heele omtrek af, ’t bosch hadden ze al doorsnuffeld van noord naar zuid en van oost naar west. Daar was ie niet. Maar de roovers wisten nog meer, wat ze ook zorgvuldig voor zich hielden. Ze waren thuis geweest en toen hadden ze al gauw gemerkt, wat Abé uitgevoerd had. Op zolder vonden ze z’n armelijke plunje en toen ze in hun kisten keken, want ze begrepen wel wat die jongen gedaan had, misten ze kostbare kleedingstukken, die ze eenige tijd geleden gestolen hadden bij de burgemeester van Lumkiping, ’n provinciestad aan de andere kant van ’t bosch gelegen, aan de Lum, degrootste rivier van Huk, waaraan ook Pomfriet lag. Langs deze rivier, liep ook ’n breede weg naar Pomfriet, maar die was zeer lang door de groote bochten die de rivier maakte. De menschen die te paard naar Pomfriet reisden, maakten liever gebruik van de weg, die Karibo ook genomen had, en waar langs ze nu aan ’t zoeken waren. De landweg waarop Abé terecht gekomen was, toen hij uit ’t bosch kwam was de verbinding tusschen die twee groote wegen.

De roovers hadden dus maar te zoeken naar iemand die de beste kleeren van de burgemeester van Lumkiping droeg, en daar zouden de overige prinsenzoekers nu wel juist niet naar kijken. Die zochten ’n boerenjongen. Zelfs de soldaten van de lijfwacht, zouden nu weinig kans hebben meenden de roovers, en de duizend goudstukken zouden dus waarschijnlijk wel in hun zakken terecht komen. En ’t leek wel, dat ze ’t bij ’t rechte eind hadden, want toen ze ’t heele bosch hadden doorzocht, iedere roover was ’n andere richting uitgegaan, kwamen ze weer in ’t roovershuis bij elkaar en daarna gingen ze gezamenlijk dezelfde weg op die Abé genomen had. Dat was per geluk en zoo kwamen ze op de weg naar Lumkiping waar Abé de vorige dag was geweest. En nu ondervroegen ze iedereen die aan die weg woonde of ze niet iemand gezien hadden die gekleed was in ’n deftig donkerrood gewaad met goud geborduurd, en die ’n roode muts droeg, van fluweel met twee opstaande veeren … ’t Duurde niet heel lang of ze wisten genoeg. Maar dat was toch niet erg naar hun zin.Die jongen was regelrecht op weg naar Lumkiping en als ie die stad bereikte, was ’t wel vast, dat ie opgepakt werd, want iedereen wist daar van de diefstal bij de burgemeester en iedereen kende ook dat mooie kleed, dat de burgemeester enkel maar droeg bij heel plechtige gelegenheden. Nu was ’t gelukkig dat die jongen te voet ging. Hij kon dus nog onmogelijk Lumkiping bereikt hebben. Als zij hun paarden lieten rennen zoo hard ze maar konden, hadden ze nog ’n kansje de prins en de duizend goudstukken te vangen. En dat deden ze dus ook.

Terwijl de roovers zoo snel ze maar konden achter Abé aanrenden stapten de paarden van Karibo en de oude Pirlapan op de weg naar Pomfriet langzaam naast elkander voort. De jonge Pirlapans en de soldaten waren er weer op uit naar alle kanten, en de twee aanvoerders hadden afgesproken dat ze hen in ’t volgende dorp wel zouden wachten. Ze moesten nu hun tochten maar eens wat verder uitstrekken. Ze moesten maar acht dagen lang zoeken wat ze konden … als ze de prins dan nog niet gevonden hadden konden ze terugkeeren. Dan zouden er weer andere maatregelen genomen worden, want dan stond ’t wel vast dat Abé niet meer daar in de buurt was … „als ie nog leefde”… voegde Karibo er zuchtend bij.

Zwijgend reden ze naast elkander voort. Ook de oude Pirlapan was die morgen minder hoopvol gestemd dan anders. Hij vond ’t ook ’n beetje vreemd, dat je met ’n paar honderd man, zoo heelemaal niets te weten kon komen. Hij rekende al die Hukkersdie ’t om de goudstukken te doen was maar niet eens mee. Menschen waar je heelemaal niet naar zocht kwam je iedere keer tegen en van zoo’n jongen zag je letterlijk niets … behalve dan z’n kleeren die ze bij de oude heks in beslag genomen hadden. Met gebogen hoofd zaten ze op hun paarden en merkten niet eens op, dat er iemand aan kwam draven op ’n groot paard. Eerst toen de man vlak bij was en hen voorbij reed keken ze op. Maar dat was dan ook ’n verrassing voor Karibo en voor Pirlapan. Die man die hen voorbij draafde bereed het witte paard van Abé! Karibo zou het uit duizenden herkend hebben en Pirlapan zag ’t onmiddellijk aan ’t tuig. ’t Zelfde zadel had ’t nog … en de roode toom … ’t zag er alleen maar ’n beetje verslonsd uit … en ’t paard was er ook niet beter op geworden. Zelfs Karibo’s paard had z’n oude kameraad herkend, waar ie zoo lang naast geloopen had … en die z’n slaapkameraad geweest was in de stal vele jaren lang. ’t Had blij gehinnikt. Maar de witte had geen antwoord gegeven.

„Zijn paard!” riepen ze bijna tegelijk en zonder er verder over te praten dwongen ze met ’n ruk aan de toom hun paarden om te keeren en ze sprongen de ruiter achterna. Die keek even om en merkte al dadelijk dat die twee wat in de zin hadden en hij vond ’t maar beter te maken dat ie weg kwam. Hij voelde z’n geweten niet erg zuiver, want ’t was dezelfde kerel, die Abé ’t paard ontstolen had. Eerst was ie maar landlooper geweest, doch nu hij ’n paard had, was hij ’t vak van struikroover gaan uitoefenen, die eenzame reizigers op de weg aanhield om hente berooven. Het witte paard had zeker in de laatste tijd bij z’n nieuwe eigenaar niet veel rust gehad en zeker geen beste verzorging, zooals ’t gewend was en daarom kon ’t niet meer zoo snel voortkomen als vroeger. Pirlapan en Karibo bereden paarden, die goed op kracht waren en ofschoon de arme witte ongenadig slaag kreeg, wonnen de vervolgers met iedere minuut. Pirlapan had z’n speer reeds opgeheven om de struikroover even van z’n paard af te helpen. Dat was voor hem ’n klein kunstje, hij wierp sekuur, en de bandiet zou wel niet lang meer geleefd hebben, als Karibo hem niet toegeroepen had niet te werpen. Ze kregen de vent toch wel. Pirlapan was ’t eerst naast hem en ofschoon de roover poogde Pirlapan met ’n scherpe lange dolk te raken, hielp hem dat niemendal, want Pirlapan die vechten kon als de beste, gaf de kerel ’n tik met ’t hout van z’n speer, die hem hals over kop uit het zadel wierp. Ondertusschen had Karibo de witte bij de teugel gegrepen.

Destruikroovermeende nog ’n kansje te hebben om weg te komen. Hij trachtte tusschen de beenen der paarden door te sluipen om in de struiken langs de weg te vluchten, maar Pirlapan moest daar niets van hebben. Vlug sprong hij van z’n paard en had in ’n wip de kerel bij z’n kraag. Uit Pirlapan z’n knuisten te komen was ’n kunstje, dat de bandiet niet geleerd had. Dat merkte hij al heel gauw en toen gaf hij ’t maar op. Karibo was nu ook van ’t paard gekomen en begon de man te ondervragen.

„Hoe kom je aan dat paard?”

Geen antwoord.

„Wacht even,” zei Pirlapan, „ik zal hem ’n beetje op dreef helpen. Hij is zeker stom van de schrik.”

Hij nam z’n speer en nu kreeg de roover met ’t dikke hout zoo’n ellendig pak ransel, dat de vent begon te schreeuwen als ’n jong varken.

„Zie zoo,” zei Pirlapan, „vertel nou maar op. Nou weet je ’t wel.”

„Ik heb ’t gekocht …”

„Daar zie je wel naar uit,” zei Pirlapan en weer hief hij de speer op … „Zeg op … of ik sla je in gruzelementen … heb je dat paard van ’n kleine jongen gestolen, die je er ’n eindje op wou laten rijden? Geef antwoord, gauw …” En weer kreeg hij zoo’n tik.

„Au!” schreeuwde de bandiet …

„Heb je ’t gestolen?…”

„Ja …”

„Heb je die jongen ’n klap met ’n knuppel gegeven?”

„Ja …”

„Jij gemeene schooier …” zei Pirlapan, „dat kost je je leven. Want je heb de keizer van Huk z’n paard gestolen …”

De man keek benauwd naar Pirlapan. Hij was bang voor nog meer klappen … Maar wat ie hem daar vertelde van de keizer van Huk, dat begreep hij niet. Hij had er ook wel van gehoord, dat er naar prins Alphabet gezocht werd … Hij was er zelf ook mee bezig, toen die twee hem te pakken kregen … maar dat ie ’n paard gestolen had van de keizer van Huk, daar wist ie niemendal van.

„Ik heb de keizer z’n paard niet gestolen,” zei hij.

„Dat heb je wel …” bulderde Pirlapan … „Dàt is de keizer z’n paard!” en hij wees op de hijgende witte.

Nu was de roover de kluts heelemaal kwijt.

„We zullen hem maar meenemen,” zei Karibo.„Laat ’m maar weer opstijgen.”

„Hij?… Opstijgen?… Niet zoolang ik Pirlapan heet. Zoo’n gemeene lafaard komt niet op ’t paard van prins Alphabet. Aan de staart van ’t beest zal ik hem binden. Dan mag ie meedraven.”

Karibo zag wel dat er niets aan te doen was en hij liet dus Pirlapan z’n gang maar gaan. Die haalde ’n riem uit z’n zadeltasch en daarmee bond ie de roover stevig aan de staart van Abé’s paard.Karibo nam het bij de teugel en nu ging ’t op ’n drafje vooruit. De kerel moest mee draven, zooals Pirlapan gezegd had. Hijzelf reed naast hem. Toen de schurk niet meer kon, hij viel om van moeheid, reed Karibo stapvoets, doch Pirlapan riep al heel gauw: „We schieten niet op. Vooruit, hij kan nou wel weer ’n eindje draven.”

De roover had ’t nog nooit van z’n leven zoo slecht gehad. Dat was heel wat anders dan duizend goudstukken verdienen, door ’n prins op te zoeken. Boontje kwam om z’n loontje.

Toen ze in ’t dorp aankwamen, waar ze op de andere Pirlapans en de soldaten wachten zouden, brachten ze de roover eerst bij de veldwachter en Pirlapan gaf deze de raad heel goed op de gevangene te passen, want als ie hem liet ontsnappen zou ’t er slecht voor de veldwachter uitzien. Die bekeek z’n gevangene eens en zei: „Nou heel hard zal ie wel niet weg loopen, want de kerel is meer dood dan levend.” Maar Pirlapan antwoordde: „Je bindt hem stevig ergens aan vast hoor. Hij leeft gauw genoeg weer op, en hij màg niet ontsnappen. Wat ie gedaan heeft is zóó gemeen, dat ie er de zwaarste straf voor verdient.”

„Dan ben ik liever niet in zijn plaats,” zei de veldwachter. „We zijn hier in Huk niet erg zachtzinnig met booswichten.”

„Maar goed ook,” bromde Pirlapan. „Sluit ’m nou maar op.” En toen ze samen wegreden zei hij tegen Karibo: „’t Lijkt er veel op dat we Abé bij stukjes en beetjes terug krijgen.”

„Hoe zoo Pirlapan?”

„Wel, eerst kregen we z’n kleeren en nou hebben we z’n paard.”

„Ja, ja,” zuchtte Karibo …„als we de rest ook maar niet bij stukjes en beetjes in handen krijgen.”

„Kom, kom,” antwoordde Pirlapan. „’t Zal nog wel terecht komen. Ik wed dat we hem vandaag of morgen op de een of andere wonderlijke manier onverwacht ontmoeten, zooals we vandaag z’n paard zijn tegen gekomen.”


Back to IndexNext