ZEVENDE HOOFDSTUK.

ZEVENDE HOOFDSTUK.Waarin prins Alphabet prachtig gekleed in Lumkiping aankomt doch al spoedig in z’n hemd zit, en Karibo en Pirlapan door de rooverhoofdman er achter komen waar hij is, maar hem toch niet vinden.Als de oude Pirlapan er werkelijk op gerekend had dat die wonderlijke ontmoeting spoedig zou plaats hebben, dan had ie ’t leelijk mis, want op dat oogenblik zat Abé heel veilig in de gevangenis te Lumkiping. Wat de roovers gevreesd hadden was gebeurd.Abé had de heele middag geloopen en was tegen de avond doodmoe bij ’n boerewoning aangekomen. Aankloppen hoefde hij niet, want toen hij voor de deur stond kwamen de boer en z’n vrouw en al de kinderen te voorschijn en terwijl de kinderen met open monden stonden te kijken bogen de man en de vrouw als korenhalmen in de wind.„Edele heer,” zei de boer, wees welkom in mijn nederige woning, en de vrouw greep opeens al de kinderen met d’r groote handen als of ze ’n bos hout te pakken had en duwde ze in de stal waar ze alle vier afgrijselijk begonnen te schreeuwen. Abé ging binnen en terwijl hij op ’n bank bij de haard ging zitten zei hij tegen de boer:„Goeie vrind, ik zou graag vannacht gebruik maken van je gastvrijheid, ’n plaatsje in je stal is me voldoende.”De vrouw nam dadelijk ’t woord:„Edele heer, in de stal zullen wij slapen vannacht en ons bed is voor u.”„Nee, nee …,” zei Abé lachend, want hij vond ’t hooi frisscher,„dat wil ik niet.Maar ga toch zitten.”Doch dat deden ze geen van beiden. De boer bleef staan en de vrouw begon de tafel op te ruimen, die er nog al slordig uitzag.Waarvoor zien die menschen me toch aan? dacht Abé. Ik zou wel eens willen weten wie z’n kleeren ik aan heb.Want ’t was duidelijk dat de boeremenschen hem beoordeelden naar z’n kleeren met al dat goud er op en die glinsterende steenen. Abé had niet veel verstand van kostbaarheden en hij wist dus niet of z’n kleeding veel of weinig waard was. Dat de roovers ’t gestolen hadden was misschien wel ’n bewijs voor de kostbaarheid. Als die boer nu maar niet zoo’n armoedige vent geweest was, had Abé wellicht voor zoo’n kleedingstuk een paard kunnen inruilen, maar die boer had waarschijnlijk niet eens ’n paard. Hij kon ’t echter eens vragen.„Is er hier in de buurt misschien ’n paard te koop?”„’n Paard edele heer?…. Nee …. ik heb er geen …. Maar ’n uur verderop naar Lumkiping woont ’n boer die er wel een te koop zal hebben. ’k Wil er morgen vroeg wel even heen loopen. Is de edele heer z’n paard wat overkomen.”Nu moest Abé weer wat verzinnen. Hij kon toch aan die boer niet van voren af aan gaan vertellen wat hem wedervaren was en daarom zei hij maar:„’n Ongeluk … ’t Was niet meer te gebruiken. Hoe ver ben ik hier nog van Lumkiping?”„Nou te voet is ’t nog wel ’n halve dag, edele heer.”„Dat valt nog al mee … Dan ga ik morgen vroeg er maar te voet heen.”De vrouw had nu eten klaar gezet, brood en geitemelk, en Abé at er van als ’n wolf. Toen hij verzadigd was, vroeg hij den boer hem ’n plaatsje te wijzen waar hij slapen kon. Omdat hij toch niet in de boer z’n bed wou, spreidde de man versch stroo in de stal waar de geiten stonden, en Abé lag vijf minuten later heerlijk in ’t stroo met aaniederen kant twee geiten, die hun halzen uitrekten om te knabbelen aan z’n bed. Telkens kreeg er een ’n stroospriet te pakken en trok die met ’n ruk van z’n kop naar zich toe. Maar Abé merkte er niemendal van. De geiten hadden z’n heele leger onder hem uit kunnen plukken, zonder dat ie er wakker van geworden was.Toch was hij de volgenden morgen vroeg bij de hand. Hij waschte zich aan de bron achter ’t huis en moest z’n gezicht in de zon laten drogen. Z’n handen schudde hij maar zoo’n beetje droog. Want die boerenmenschen hielden er geen handdoeken op na en Abé had niet eens ’n zakdoek al had ie dan ook ’t beste pak van de burgemeester van Lumkiping aan. Was ’t ’n gewoon linnen kiel geweest, dan had hij daaraan z’n gezicht wel ’n beetje kunnen afwrijven, maar aan ’n zijden tabberd vol goud borduursel gaat ’t al heel moeielijk. Abé begon te ondervinden dat je erg veel last kan hebben van ’n kostbaar gewaad waar ’t goud dik op zit. Later op de dag werd ’t nog veel erger. Hij had de boerenmenschen bedankt en omdat hij wel zag dat ze ’t noodig hadden bood hij hen de weinige zilverstukken aan, die hij gevonden had in de tasch van de roover, doch de man weigerde. Dat was geen gebruik in Huk, zei hij, tenminste niet op ’t land. In de stad was ’t misschien anders. Hij was al genoeg beloond, doordat zoo’n deftig heerschap onder zijn dak had willen verblijven.’t Deftige heerschap was er in z’n hart toch maar blij om, want hij bezat verder geen cent en hij moest toch eten. In Lumkiping zou hij trachten z’nmooie pakje te verkoopen. En dan was hij er boven op. Dan ging het in galop, al wat ’t beest loopen kon, naar Pomfriet.Toen hij de stad Lumkiping naderde werd de weg voller. Er gingen menschen naar de stad en er kwamen er vandaan. Maar allen keken hem met verbazing aan. Sommigengroettenheel beleefd. Anderen zetten alleen maar groote oogen op en weer anderen gingen achter hem aanloopen. Dat was lastig. Abé keek nu en dan eens om. Jawel ze liepen met hem mee, dat was duidelijk genoeg.Abé dacht dat ’t in de stad wel beter zou worden. Daar waren zooveel menschen en die zouden wel geen tijd hebben om op hem te letten al zag hij er ’n beetje al te mooi uit. Hij vond ’t nu jammer dat ie altijd in ’n vreemd land gewoond had en niet eens wist welke kleederdrachten er in zijn eigen land gedragen werden. Dat z’n pakje lang niet alledaagsch was, dat wist ie wel. Als ie ’t nog niet geweten had, dan was ie er nu zeker wel achter gekomen. Want niet één Lumkipinger zag er uit zooals hij.In de stad werd ’t hoe langer hoe erger, en nu begon Abé te denken dat ’t kwam omdat ’t pak hem wat ruim en lang was. De schoenen waren ook al ’n beetje te groot en de muts zakte hem telkens wat over z’n ooren. Of was ’t misschien ’t zwaard met de prachtige schede vol glinsterend goud en allerlei mooie figuren en ornamenten bewerkt en bezet met steenen in rood en blauw en geel en groen? Hij werd er verlegen mee. En nu begonnen de menschen nog op te dringen ook. Zoo nu en danzat hij al aardig in de knel. Hij zou maar gauw naar binnen stappen zoodra hij ’n winkel zag, waar zoo iets verkocht werd als hij droeg. Daar zou hij ’t dan wel kwijt kunnen.… Doch ’t kwam zoover niet. Plotseling stond er ’n reusachtige politieman voor hem. In Lumkiping hadden ze alleen maar heel groote en sterke dienders. En die lei z’n groote hand op Abé’s rechter schouder en zei: „Ga jij maar eens gauw met me mee.”„Nee”… zei Abé …„dat doe ik liever niet. Jaag jij die menschen alleen maar ’n beetje weg en wijs me dan ’n winkel waar ik andere kleeren kan koopen.”„Dat zou je wel willen …” zei de agent.„Vooruit, geen praatjes …”„Maar waarom moet ik met je mee?”„Wat is er hier aan de hand?” vroeg ’n tweede politiereus. Doch toen hij Abé zag, gingen zijn oogen heel wijd open en hij zei: „Hé … Da’s ’n bof.”„Hou jij de menschen wat op ’n afstand,” zei nummer een. „Ik zal met hem wel klaar komen …”„Op zij menschen …” riep de tweede … „Doorloopen.”Nu werd ’t een heele optocht en Abé hoorde de menschen achter zich tegen elkaar roepen, dat er ’n dief gepakt was en hij zag voor de vensters van de huizen nieuwsgierige gezichten …De twee politiemannen brachten hem naar ’n groot gebouw … en daar werd hij in ’n hok gestopt met ’n klein tralieraampje hoog in de muur.Abé ging op ’n bank zitten … Hij hoorde de sleutel in ’t slot omdraaien en toen rook hij ook dat ’t erg benauwd was in z’n gevangenis. Hij huilde niet gauw, maar nu had hij ’t toch wel kunnen doen, dat ze hem voor ’n dief van die mooie kleeren hielden, dat was zeker. En nu werd ’t hem op eens duidelijk, dat ie ze toch ook eigenlijk gestolen had. Hij schrok er van. Als ze hem nu vroegen hoe hij er aan kwam, dan kon hij enkel maar zeggen dat ie ze weggenomen had. Doch toen werd ie weer ’n beetje vroolijker want hij zou er maar verder alles bij vertellen, waar hij ze genomen had en waarom … Alleen kon hij alweer niet vertellen wie hij eigenlijk was … want dat had Karibo hem verboden …Hij had tijd genoeg om na te denken. ’t Werd vervelend in dat kleine hok. Wanneer zouden ze hem nu eindelijk er eens uitlaten. Hij meende dat ie er al uren in gezeten had. Ze zouden hem toch niet zonder eten of drinken laten? En ze zouden toch wel wat van hem willen vernemen. Dat hoorde toch zoo. Als ze je maar zoo van de straat oppakten en achter de tralies stopten, dan dienden ze je toch wel te zeggen waarom dat was. Wat zouden ze rare gezichten trekken, als hij eens ging vertellen, dat ie de zoon was van keizer Napo … Dan zouden ze misschien allemaal op hun knieën vallen en hem om vergiffenis smeeken. Die twee groote dienders voorop. Waarom zou hij ’t ook eigenlijk niet vertellen? Maar zouden ze hem gelooven? Hij kon ’t heelemaal niet bewijzen. Dat kon alleen Karibo en die was ergens anders … Maar waar? Hè, kwam er nu maar eens iemand.Sleutels rammelden … ’t slot knarste … de deur ging open.„Trek uit dat goed,” klonk het barsch.„Mijn kleeren uittrekken?”„Jouw kleeren? Wat ’n brutale aap … Trek uit … gauw …”„Maar dan heb ik niets anders aan dan m’n hemd.”„Kan me niet schelen … Trek uit.”Abé deed ’t. En toen zat de keizer van Huk, prins Alphabet, naar wie iedereen zocht, in z’n hemd achter de tralies.Want de barsche kerel was met de heele glinsterende rommel weggegaan en had de deur dicht getrokken, en natuurlijk weer stevig op slot gedraaid.Abé hoorde ook nog dat er grendels voor geschoven werden.Hij kreeg ’t koud. ’t Was kil in ’t hok hoor. Abé zat te bibberen op z’n bank.’n Heele tijd later kwam de vriendelijke man weer terug.„Kom mee!”„’k Heb geen kleeren.”„Doet er niet toe. Kom mee.”Abé vond, dat ze in Lumkiping raar met de menschen omsprongen. Hij had er nog nooit van gehoord, dat je in je hemd ergens anders naar toe moest dan naar je bed. Maar hier scheen ’t toch zoo te zijn. En daar tegenstribbelen wel niet helpen zou, want die bullebak van ’n vent stak al z’n eene hand uit om de gevangene dan maar met geweld mee te nemen, stond de keizerlijke prins van Huk van z’n bank op. Nu moest hij ’n gang door en nog een en nog een … totdat de man met de sleutelbos commandeerde: „Halt!” Hij stond weer juist voor ’n deur. Deze deed de sleutelman open en hij duwde Abé voor zich uit de kamer in.Daar lagen op ’n tafel de kleeren die Abé van de roovers geleend had en ’n paar heeren bekeken aandachtig het mooie zwaard. ’n Derde zat deftig in ’n ruime zetel die wel wat op ’n troon leek. Dat was de burgemeester van Lumkiping. ’n Vierde zat aan de tafel te schrijven. Dat was zeker de secretaris.Voor de tafel moest Abé blijven staan en de man met de sleutelbos legde z’n zware breede, dikke, harige hand op Abé’s schouder en zei: „Burgemeester, hier was-t-ie.”De secretaris keek op sprak zacht en vinnig:„Wàs-t-ie? Je bedoelt: hier ìs-t-ie, hè?”De sleutelman keek norsch naar de nijdige secretaris maar zei niemendal terug.Toen begon de burgemeester—de twee heeren waren net gaan zitten—opeens te vragen:„Wie ben jij jongen? Hoe heet je? Waar kom je vandaan? Bij welke dievenbende hoor je? Waarom …”„Burgemeester,” zei de secretaris zacht, „dat kan ik niet allemaal tegelijk opschrijven en de aangeklaagde kan ’t ook niet allemaal tegelijk beantwoorden.”„O, doe ik ’t weer niet goed?” bromde de burgemeester. „Vraag jij ’t ’m dan!”„Hoe heet je?” vroeg nu de secretaris bijna fluisterend.„Ik heet Abé.”„Hoe nog meer?”„Niets meer.”„Weet je ’t zeker?”Dat was me ook ’n vraag! Wat moest ie daar nou op antwoorden. Hij heette eigenlijk Abecé, maar iedereen noemde hem Abé. Hij hield z’n mond dus maar.„Hoe kwam je aan die kleeren?”„Van de roovers!”„Net zooals ik dacht”riep de burgemeester.Doch de secretaris lette daar heelemaal niet op. Hij vroeg kalm verder:„Welke roovers?”„Uit ’t bosch.”„Hoe heeten ze?”„Weet ik niet.”„Dat zal je wel liegen,” riep de burgemeester, doch toen de secretaris hem even aankeek liet hij er gauw op volgen: „Ga verder secretaris.”„Is dat de waarheid?”„Ja.”„Hoe lang ben je al roover?”„Ik ben heelemaal geen roover.”En zoo vroeg de secretaris maar voort. Abé vertelde hoe hij bij de roovers gekomen was, wat hij er doen moest, waarom hij die kleeren meegenomen had, wat ie er mee dacht te doen. De secretaris vroeg ten slotte hoe de kleeren er uitzagen die hij aan had toen hij bij de roovers kwam. De burgemeester en de twee andere heeren luisterden al lang niet meer. Alles wat die secretaris vroeg en wat Abé antwoordde werd tegelijk opgeschreven en dat zou later wel door de rechter worden uitgezocht. De burgemeester was alleen maar blij dat ie z’n mooie pak terug had, de rest kon hem eigenlijk niemendal schelen.—Doch de secretaris was ’n slimmerd. Die begon te vermoeden dat die jongen Abé wel eens de gezochte prins kon zijn … maar hij vroeg er Abé niet naar. Dat wou hij maar liever eens doen onder vier oogen. Die duizend goudstukken verdiende hij liever alleen. Hij gaf de half slapende cipier last de gevangene weer naar ’t hok te brengen. Maar hij besloot die jongen diezelfde avond ’n goed pak kleeren te bezorgen en te maken dat ie goed te eten kreeg. Als ’t die verloren prins eens was, zou hem dat zeker geen windeieren leggen. Duizend goudstukken om te beginnen en dannog de dankbaarheid van de keizer van Huk. Dat was ook wat waard! Als die burgemeester maar weg was zou hij die jongen wel eens nauwkeurig gaan uitvragen.Abé liet ’t hoofd hangen. Weer naar dat kille hok. Maar de man met de sleutels gaf hem ’n duwtje en vijf minuten later zat ie alweer achter slot en grendel.’t Zag er niet mooi uit voor Abé en ’t zou voor hem heel wat prettiger geweest zijn als de roovers hem die morgen op de weg naar Lumkiping hadden kunnen inhalen. Nu waren ze net te laat gekomen en ze hadden juist nog kunnen zien hoe de twee politiereuzen Abé wegbrachten. Dit was ’n leelijke tegenvaller voor hen. Natuurlijk zou die jongen alles vertellen wat ie wist en dan waren er binnen ’n paar dagen ’n heele vracht politiemannen op weg naar het roovershuis. Ze moesten dus gauw terug om hun gestolen goed in veiligheid te gaan brengen. Dat wilden ze niet missen en dan wilden ze toch nog probeeren om de duizend goudstukken machtig te worden. De hoofdman was ’n sluwe baas. Die had gauw ’n plannetje verzonnen, dat veel kans van slagen had, zooals hij meende. Hij ging met z’n mannen naar huis en hij zelf reed zoo snel hij kon met de kleeren die Abé in ’t rooverhuis had achtergelaten, in ’n doek geknoopt naar ’t dorp waar Karibo en de oude Pirlapan zich ophielden. Daar kwam hij midden in de nacht aan. Hijvond’t nu beter maar te wachten tot de morgen met de uitvoering van z’n plan. De prins zat goed opgeborgen. Die liep niet weg. Maar ’t was nog heel vroeg toen hij alaanklopte aan de woning waar Karibo en Pirlapan verblijf hielden.Die twee waren ook al op en reeds weer bezig nieuwe plannen te bespreken. Hoeveel ze er al verzonnen hadden wisten ze zelf niet meer. Doch telkens begonnen ze weer op nieuw. En nu kwam me daar opeens iemand, die hen stond te vertellen, als of ’t ’n heel gewone zaak was, dat ie misschien wel wist waar de prins te vinden was … en als bewijs bracht hij de kleeren mee, die Abé gedragen had. Ze bekeken de kleedingstukken. Die kwamen wel overeen met wat moeder Guldratsj en de boerenvrouw, bij wie hij die nacht voor de overval der roovers in huis geweest waren, er van verteld hadden. Maar zelf hadden ze die dingen nooit gezien. Toen vroeg Karibo opeens:„Maar wat heeft de prins dan nu aan?”Dat wist de roover niet … „vermoedelijk de kleeren van de burgemeester van Lumkiping.”„Begrijp jij er wat van Pirlapan?” vroeg Karibo.„Geen steek,” antwoordde deze. Laat die vent naar de maan loopen met z’n smoesjes. „Die duizend goudstukken zijn hem in z’n hoofd geslagen.”De roover liet zich echter niet maar zoo wegsturen. Hij had veel te graag die hoop goud. Daaromzeihij, dat als de heeren hem de duizend goudstukken wilden beloven, maar zwart op wit, hij moest er ’n bewijs van hebben, onderteekend door Karibo en Pirlapan.., en als ze daar dan ook tevens in wilden zetten, dat noch hem noch z’n kameraden later iets kwaads zou geschieden, dan wilde hij wel alles vertellen wat hij wist. Ze zouden er geen spijt van hebben.„Dat kunnen we licht probeeren,” zei Karibo tegen Pirlapan, en toen tegen de roover:„Het zal gebeuren zooals je verlangt, doch onder één voorwaarde. De duizend goudstukken krijg je, als ’t werkelijk blijkt, dat je ons ’t verblijf van de prins wijst. Vertel nu maar op.”„Eerst ’t papier,” zei de roover.Pirlapan werd al weer woedend. Karibo suste hem en begon vlug de verklaring te schrijven, zooals de roover verlangde. Karibo moest ’t hem nog eens voorlezen toen ’t klaar was, want de roover kon zelf niet lezen, en daarna stak deze ’t kostbare papiertje in z’n gordel.„Kerel begin nou …” bulderde Pirlapan ongeduldig.„Je doet alsof we heel geen haast hebben …”De roover lachte eens. Die was nu heel op z’n gemak. Maar toen vertelde hij van a tot z hoe ze de boer overvallen en de paarden meegenomen hadden tegelijk met Abé, dat die acht dagen bij hen stalknecht geweest was, en hoe ze hem hadden weggestuurd ’t bosch in, toen ze met hun allen op zoek gingen naar prins Alphabet. Dat ze later begrepen hadden wie hij was en ontdekt hadden dat hij de kleeren van de burgemeester van Lumkiping had aangetrokken, die zij gestolen hadden.Pirlapan lachte luidkeels toen de roover dat vertelde, maar bij ’t vernemen, dat Abé door de dienders in Lumkiping was opgepakt en nu in de gevangenis zat, keek hij opeens weer ernstig.„We moeten geen tijd verliezen,” zei hij.„We rijden er dadelijk heen.Jij gaat mee brave ziel, (dit was aan ’t adres van de rooverhoofdman) en als’t blijkt dat je ons wat hebt wijs gemaakt, dan kan je dadelijk je testament maken.”De roover had er niets op tegen. Met dat briefje bij zich voelde hij zich zoo veilig alsof hij al z’n leven de braafste man uit heel Huk geweest was.’n Kwartier later galoppeerden de drie mannen het dorp uit. Ze spaarden hun dieren niet en ze hielden alleen maar op om zelf wat te eten en de paarden te voeren, te drenken en wat te laten uitblazen. Doch dan ging ’t weer zoo snel mogelijk voorwaarts. Gelukkig waren ze alle drie taaie kerels en de paarden sterk en vlug. Maar toch waren ze alle zes doodop toen ze Lumkiping tegen de avond bereikten. De wandelaars in de straten sprongen verschrikt op zij voor de woeste ruiters en de reuzen van politieagenten staken vergeefs hun groote handen op om de ruiters tot wat minder gevaarlijke spoed aan te manen. Doch ze keken geen van drieën naar die waarschuwende handen, maar holden met luid hoefgeklepper over de keien regelrecht naar ’t raadhuis, waar volgens de rooverhoofdman prins Alphabet gevangen zat.De roover moest bij de hijgende paarden blijven maar Karibo en Pirlapan waren zoo van hun paarden de trappen op gesprongen en liepen de schildwacht onderste boven, die op die trap voor de open deur op post stond. Die man was meteen de portier.„Hé, stommeling,” bulderde Pirlapan, „sta de menschen niet in de weg. Waar is de burgemeester?”De portier was heelemaal van z’n stukken. Hij werd nooit onderste boven geloopen, zelfs nog niet door de deftigste Lumkipinger en daar kwamenme zoo’n paar halve wilden aanhollen en ’t eerste wat ze deden was hem van de beenen te loopen. Hij zou die twee eens even leeren wat ze aan de portier van ’t raadhuis van Lumkiping verschuldigd waren.Hij stond op, begon zich af te slaan, want er zat stof op z’n mouw en nam daarna Pirlapan van ’t hoofd tot de voeten op, alsof hij met z’n oogen wou zeggen: „Lap me dat nou nog eris.”Dat was net iets voor de oude baron van Pirlapan die thuis heerschte als ’n koning, om zich door zoo’n stedelijk schildwachtje op die manier te laten aankijken, vooral nu hij haast had om prins Alphabet, de rechtmatige keizer van Huk uit z’n gevangenis te gaan bevrijden!„Zeg eris!” riepPirlapanen had de schildwacht-portier al bij z’n kraag. Hij schudde hem heen en weer tot groot vermaak der Lumkipingers die beneden aan de trap nieuwsgierig om de vermoeide paarden heenstonden. „Wil jij me bij de burgemeester brengen of niet? O zoo, gauw dan hoor! Ik heb haast.”De portier liep als ’n haas ’t raadhuis binnen, natuurlijk met Pirlapan en Karibo op z’n hielen. Tijd om eerst bij de burgemeester te gaan vragen of ie wel thuis was, had ie niet. Want Pirlapan stoof te gelijk met de portier de kamer in waar de burgemeester juist met de secretaris en nog ’n paar andere voorname Lumkipingers aan ’t vergaderen was.„Wat moet dat beteekenen?” zei de burgemeester opstaand met ’n strenge blik de binnenkomenden aankijkend.„Deze … indrin … gers …” stotterde de portier.„Ruk uit, akelige vent,” bulderde Pirlapan … „Ik heb je nou niet meer noodig. Marsch … of ik …”Hij hoefde zijn hand niet eens uit te steken. De schildwacht-portier was al verdwenen. Hij trok met ’n slag de deur achter zich dicht. Met die dolleman moest de burgemeester ’t maar klaar zien te spelen. Doch hij ging vast ’n stuk of wat politiereuzen halen. Hij had er zoo’n idee van dat die wel noodig zouden zijn binnen ’n paar minuten. Want natuurlijk liet de burgemeester die twee kerels ’t raadhuis uitgooien.De burgemeester staarde ’n oogenblik beteuterd naar Pirlapan, doch toen wilde hij hen dan ook maar dadelijk de deur wijzen. Zoo’n optreden was niet geoorloofd in Lumkiping. Hij kwam er evenwel niet toe, want Pirlapan trad op de tafel toe met ’n paar dreunende stappen en zei:„Burgemeester, je houdt hier ’n jongen gevangen en die moet je oogenblikkelijk in vrijheid stellen. We komen hem halen.”Da’s zeker de rooverhoofdman, dacht de burgemeester en hij werd al ’n beetje benauwd. Had hij nu maar ’n stuk of wat dienders bij de hand, dan had hij hen meteen ook in de boeien kunnen laten slaan.„Burgemeester,” zei nu Karibo, „die jongen is waarschijnlijk, neen we weten ’t zeker, prins Alphabet, de nieuwe keizer van Huk.”De burgemeester viel met ’n plof in z’n zetel terug en de secretaris prevelde: „Net zoo als ik vermoedde.”„Vooruit wat burgemeester …” zei Pirlapan met’n luide stem. „’n Keizer van Huk hoort niet in ’t raadhuis van Lumkiping gevangen te zitten en ’n Pirlapan laat je ook niet wachten als ie wat vraagt.”„Pirlapan … bedaar wat … De burgemeester kon dit toch ook niet helpen,”suste Karibo.„Maar nou kon ie ’t toch wel helpen? Hij hoeft daar nu niet in z’n stoel te blijven zitten terwijl ie op ’n drafje de prins moest gaan halen.”„Heeren,” kwam nu de zachte stem van de secretaris … „deze gevangene is vannacht ontsnapt …”„Hè … wat …?” riep Pirlapan … „Is prins Alphabet ontsnapt …? Waar naar toe?”„Weet ik niet …” zei de secretaris. „Van morgen was de cel leeg.”„Maar lieve hemel,” zei Karibo … „hoe kon dat nou …?”„Weet ik niet …” herhaalde de secretaris weer … „Hij is ontvlucht … in z’n hemd.”„In z’n hemd??”„Ja …,hij had geen kleeren. Hij is gevangen genomen met de staatsiekleeding van de burgemeester aan, die had hij van roovers beweerde hij. De burgemeester heeft die mooie kleeren mee naar huis genomen …”„En nou loopt de keizer van Huk ergens rond in z’n hemd?” riep Pirlapan … „Man, hoe kon jij ’t over je verkrijgen om zoo’n jongen ’n heele dag in z’n hemd in de gevangenis te laten zitten!!”Hij stak z’n vuist op tegen de burgemeester. „Je moest er zelf in!!”„Kom,” zei Karibo, terneer geslagen. „We moeten weer gaan zoeken. Hij kan nu toch niet ver wegzijn … ’n Jongen in z’n hemd moet toch ook iedereen gezien hebben …”„Geen mensch heeft hem gezien,” zei de secretaris zacht. „Ik heb vanmorgen dadelijk overal nasporingen laten doen. Door de heele stad heb ik laten navragen. Niemand wist er iets van. ’t Geval is onbegrijpelijk.”„’t Geval is onbegrijpelijk heeren,” zei de burgemeester die wat begon bij te komen. „En als er een is die er niemendal van begrijpt dan ben ik ’t.”

ZEVENDE HOOFDSTUK.Waarin prins Alphabet prachtig gekleed in Lumkiping aankomt doch al spoedig in z’n hemd zit, en Karibo en Pirlapan door de rooverhoofdman er achter komen waar hij is, maar hem toch niet vinden.Als de oude Pirlapan er werkelijk op gerekend had dat die wonderlijke ontmoeting spoedig zou plaats hebben, dan had ie ’t leelijk mis, want op dat oogenblik zat Abé heel veilig in de gevangenis te Lumkiping. Wat de roovers gevreesd hadden was gebeurd.Abé had de heele middag geloopen en was tegen de avond doodmoe bij ’n boerewoning aangekomen. Aankloppen hoefde hij niet, want toen hij voor de deur stond kwamen de boer en z’n vrouw en al de kinderen te voorschijn en terwijl de kinderen met open monden stonden te kijken bogen de man en de vrouw als korenhalmen in de wind.„Edele heer,” zei de boer, wees welkom in mijn nederige woning, en de vrouw greep opeens al de kinderen met d’r groote handen als of ze ’n bos hout te pakken had en duwde ze in de stal waar ze alle vier afgrijselijk begonnen te schreeuwen. Abé ging binnen en terwijl hij op ’n bank bij de haard ging zitten zei hij tegen de boer:„Goeie vrind, ik zou graag vannacht gebruik maken van je gastvrijheid, ’n plaatsje in je stal is me voldoende.”De vrouw nam dadelijk ’t woord:„Edele heer, in de stal zullen wij slapen vannacht en ons bed is voor u.”„Nee, nee …,” zei Abé lachend, want hij vond ’t hooi frisscher,„dat wil ik niet.Maar ga toch zitten.”Doch dat deden ze geen van beiden. De boer bleef staan en de vrouw begon de tafel op te ruimen, die er nog al slordig uitzag.Waarvoor zien die menschen me toch aan? dacht Abé. Ik zou wel eens willen weten wie z’n kleeren ik aan heb.Want ’t was duidelijk dat de boeremenschen hem beoordeelden naar z’n kleeren met al dat goud er op en die glinsterende steenen. Abé had niet veel verstand van kostbaarheden en hij wist dus niet of z’n kleeding veel of weinig waard was. Dat de roovers ’t gestolen hadden was misschien wel ’n bewijs voor de kostbaarheid. Als die boer nu maar niet zoo’n armoedige vent geweest was, had Abé wellicht voor zoo’n kleedingstuk een paard kunnen inruilen, maar die boer had waarschijnlijk niet eens ’n paard. Hij kon ’t echter eens vragen.„Is er hier in de buurt misschien ’n paard te koop?”„’n Paard edele heer?…. Nee …. ik heb er geen …. Maar ’n uur verderop naar Lumkiping woont ’n boer die er wel een te koop zal hebben. ’k Wil er morgen vroeg wel even heen loopen. Is de edele heer z’n paard wat overkomen.”Nu moest Abé weer wat verzinnen. Hij kon toch aan die boer niet van voren af aan gaan vertellen wat hem wedervaren was en daarom zei hij maar:„’n Ongeluk … ’t Was niet meer te gebruiken. Hoe ver ben ik hier nog van Lumkiping?”„Nou te voet is ’t nog wel ’n halve dag, edele heer.”„Dat valt nog al mee … Dan ga ik morgen vroeg er maar te voet heen.”De vrouw had nu eten klaar gezet, brood en geitemelk, en Abé at er van als ’n wolf. Toen hij verzadigd was, vroeg hij den boer hem ’n plaatsje te wijzen waar hij slapen kon. Omdat hij toch niet in de boer z’n bed wou, spreidde de man versch stroo in de stal waar de geiten stonden, en Abé lag vijf minuten later heerlijk in ’t stroo met aaniederen kant twee geiten, die hun halzen uitrekten om te knabbelen aan z’n bed. Telkens kreeg er een ’n stroospriet te pakken en trok die met ’n ruk van z’n kop naar zich toe. Maar Abé merkte er niemendal van. De geiten hadden z’n heele leger onder hem uit kunnen plukken, zonder dat ie er wakker van geworden was.Toch was hij de volgenden morgen vroeg bij de hand. Hij waschte zich aan de bron achter ’t huis en moest z’n gezicht in de zon laten drogen. Z’n handen schudde hij maar zoo’n beetje droog. Want die boerenmenschen hielden er geen handdoeken op na en Abé had niet eens ’n zakdoek al had ie dan ook ’t beste pak van de burgemeester van Lumkiping aan. Was ’t ’n gewoon linnen kiel geweest, dan had hij daaraan z’n gezicht wel ’n beetje kunnen afwrijven, maar aan ’n zijden tabberd vol goud borduursel gaat ’t al heel moeielijk. Abé begon te ondervinden dat je erg veel last kan hebben van ’n kostbaar gewaad waar ’t goud dik op zit. Later op de dag werd ’t nog veel erger. Hij had de boerenmenschen bedankt en omdat hij wel zag dat ze ’t noodig hadden bood hij hen de weinige zilverstukken aan, die hij gevonden had in de tasch van de roover, doch de man weigerde. Dat was geen gebruik in Huk, zei hij, tenminste niet op ’t land. In de stad was ’t misschien anders. Hij was al genoeg beloond, doordat zoo’n deftig heerschap onder zijn dak had willen verblijven.’t Deftige heerschap was er in z’n hart toch maar blij om, want hij bezat verder geen cent en hij moest toch eten. In Lumkiping zou hij trachten z’nmooie pakje te verkoopen. En dan was hij er boven op. Dan ging het in galop, al wat ’t beest loopen kon, naar Pomfriet.Toen hij de stad Lumkiping naderde werd de weg voller. Er gingen menschen naar de stad en er kwamen er vandaan. Maar allen keken hem met verbazing aan. Sommigengroettenheel beleefd. Anderen zetten alleen maar groote oogen op en weer anderen gingen achter hem aanloopen. Dat was lastig. Abé keek nu en dan eens om. Jawel ze liepen met hem mee, dat was duidelijk genoeg.Abé dacht dat ’t in de stad wel beter zou worden. Daar waren zooveel menschen en die zouden wel geen tijd hebben om op hem te letten al zag hij er ’n beetje al te mooi uit. Hij vond ’t nu jammer dat ie altijd in ’n vreemd land gewoond had en niet eens wist welke kleederdrachten er in zijn eigen land gedragen werden. Dat z’n pakje lang niet alledaagsch was, dat wist ie wel. Als ie ’t nog niet geweten had, dan was ie er nu zeker wel achter gekomen. Want niet één Lumkipinger zag er uit zooals hij.In de stad werd ’t hoe langer hoe erger, en nu begon Abé te denken dat ’t kwam omdat ’t pak hem wat ruim en lang was. De schoenen waren ook al ’n beetje te groot en de muts zakte hem telkens wat over z’n ooren. Of was ’t misschien ’t zwaard met de prachtige schede vol glinsterend goud en allerlei mooie figuren en ornamenten bewerkt en bezet met steenen in rood en blauw en geel en groen? Hij werd er verlegen mee. En nu begonnen de menschen nog op te dringen ook. Zoo nu en danzat hij al aardig in de knel. Hij zou maar gauw naar binnen stappen zoodra hij ’n winkel zag, waar zoo iets verkocht werd als hij droeg. Daar zou hij ’t dan wel kwijt kunnen.… Doch ’t kwam zoover niet. Plotseling stond er ’n reusachtige politieman voor hem. In Lumkiping hadden ze alleen maar heel groote en sterke dienders. En die lei z’n groote hand op Abé’s rechter schouder en zei: „Ga jij maar eens gauw met me mee.”„Nee”… zei Abé …„dat doe ik liever niet. Jaag jij die menschen alleen maar ’n beetje weg en wijs me dan ’n winkel waar ik andere kleeren kan koopen.”„Dat zou je wel willen …” zei de agent.„Vooruit, geen praatjes …”„Maar waarom moet ik met je mee?”„Wat is er hier aan de hand?” vroeg ’n tweede politiereus. Doch toen hij Abé zag, gingen zijn oogen heel wijd open en hij zei: „Hé … Da’s ’n bof.”„Hou jij de menschen wat op ’n afstand,” zei nummer een. „Ik zal met hem wel klaar komen …”„Op zij menschen …” riep de tweede … „Doorloopen.”Nu werd ’t een heele optocht en Abé hoorde de menschen achter zich tegen elkaar roepen, dat er ’n dief gepakt was en hij zag voor de vensters van de huizen nieuwsgierige gezichten …De twee politiemannen brachten hem naar ’n groot gebouw … en daar werd hij in ’n hok gestopt met ’n klein tralieraampje hoog in de muur.Abé ging op ’n bank zitten … Hij hoorde de sleutel in ’t slot omdraaien en toen rook hij ook dat ’t erg benauwd was in z’n gevangenis. Hij huilde niet gauw, maar nu had hij ’t toch wel kunnen doen, dat ze hem voor ’n dief van die mooie kleeren hielden, dat was zeker. En nu werd ’t hem op eens duidelijk, dat ie ze toch ook eigenlijk gestolen had. Hij schrok er van. Als ze hem nu vroegen hoe hij er aan kwam, dan kon hij enkel maar zeggen dat ie ze weggenomen had. Doch toen werd ie weer ’n beetje vroolijker want hij zou er maar verder alles bij vertellen, waar hij ze genomen had en waarom … Alleen kon hij alweer niet vertellen wie hij eigenlijk was … want dat had Karibo hem verboden …Hij had tijd genoeg om na te denken. ’t Werd vervelend in dat kleine hok. Wanneer zouden ze hem nu eindelijk er eens uitlaten. Hij meende dat ie er al uren in gezeten had. Ze zouden hem toch niet zonder eten of drinken laten? En ze zouden toch wel wat van hem willen vernemen. Dat hoorde toch zoo. Als ze je maar zoo van de straat oppakten en achter de tralies stopten, dan dienden ze je toch wel te zeggen waarom dat was. Wat zouden ze rare gezichten trekken, als hij eens ging vertellen, dat ie de zoon was van keizer Napo … Dan zouden ze misschien allemaal op hun knieën vallen en hem om vergiffenis smeeken. Die twee groote dienders voorop. Waarom zou hij ’t ook eigenlijk niet vertellen? Maar zouden ze hem gelooven? Hij kon ’t heelemaal niet bewijzen. Dat kon alleen Karibo en die was ergens anders … Maar waar? Hè, kwam er nu maar eens iemand.Sleutels rammelden … ’t slot knarste … de deur ging open.„Trek uit dat goed,” klonk het barsch.„Mijn kleeren uittrekken?”„Jouw kleeren? Wat ’n brutale aap … Trek uit … gauw …”„Maar dan heb ik niets anders aan dan m’n hemd.”„Kan me niet schelen … Trek uit.”Abé deed ’t. En toen zat de keizer van Huk, prins Alphabet, naar wie iedereen zocht, in z’n hemd achter de tralies.Want de barsche kerel was met de heele glinsterende rommel weggegaan en had de deur dicht getrokken, en natuurlijk weer stevig op slot gedraaid.Abé hoorde ook nog dat er grendels voor geschoven werden.Hij kreeg ’t koud. ’t Was kil in ’t hok hoor. Abé zat te bibberen op z’n bank.’n Heele tijd later kwam de vriendelijke man weer terug.„Kom mee!”„’k Heb geen kleeren.”„Doet er niet toe. Kom mee.”Abé vond, dat ze in Lumkiping raar met de menschen omsprongen. Hij had er nog nooit van gehoord, dat je in je hemd ergens anders naar toe moest dan naar je bed. Maar hier scheen ’t toch zoo te zijn. En daar tegenstribbelen wel niet helpen zou, want die bullebak van ’n vent stak al z’n eene hand uit om de gevangene dan maar met geweld mee te nemen, stond de keizerlijke prins van Huk van z’n bank op. Nu moest hij ’n gang door en nog een en nog een … totdat de man met de sleutelbos commandeerde: „Halt!” Hij stond weer juist voor ’n deur. Deze deed de sleutelman open en hij duwde Abé voor zich uit de kamer in.Daar lagen op ’n tafel de kleeren die Abé van de roovers geleend had en ’n paar heeren bekeken aandachtig het mooie zwaard. ’n Derde zat deftig in ’n ruime zetel die wel wat op ’n troon leek. Dat was de burgemeester van Lumkiping. ’n Vierde zat aan de tafel te schrijven. Dat was zeker de secretaris.Voor de tafel moest Abé blijven staan en de man met de sleutelbos legde z’n zware breede, dikke, harige hand op Abé’s schouder en zei: „Burgemeester, hier was-t-ie.”De secretaris keek op sprak zacht en vinnig:„Wàs-t-ie? Je bedoelt: hier ìs-t-ie, hè?”De sleutelman keek norsch naar de nijdige secretaris maar zei niemendal terug.Toen begon de burgemeester—de twee heeren waren net gaan zitten—opeens te vragen:„Wie ben jij jongen? Hoe heet je? Waar kom je vandaan? Bij welke dievenbende hoor je? Waarom …”„Burgemeester,” zei de secretaris zacht, „dat kan ik niet allemaal tegelijk opschrijven en de aangeklaagde kan ’t ook niet allemaal tegelijk beantwoorden.”„O, doe ik ’t weer niet goed?” bromde de burgemeester. „Vraag jij ’t ’m dan!”„Hoe heet je?” vroeg nu de secretaris bijna fluisterend.„Ik heet Abé.”„Hoe nog meer?”„Niets meer.”„Weet je ’t zeker?”Dat was me ook ’n vraag! Wat moest ie daar nou op antwoorden. Hij heette eigenlijk Abecé, maar iedereen noemde hem Abé. Hij hield z’n mond dus maar.„Hoe kwam je aan die kleeren?”„Van de roovers!”„Net zooals ik dacht”riep de burgemeester.Doch de secretaris lette daar heelemaal niet op. Hij vroeg kalm verder:„Welke roovers?”„Uit ’t bosch.”„Hoe heeten ze?”„Weet ik niet.”„Dat zal je wel liegen,” riep de burgemeester, doch toen de secretaris hem even aankeek liet hij er gauw op volgen: „Ga verder secretaris.”„Is dat de waarheid?”„Ja.”„Hoe lang ben je al roover?”„Ik ben heelemaal geen roover.”En zoo vroeg de secretaris maar voort. Abé vertelde hoe hij bij de roovers gekomen was, wat hij er doen moest, waarom hij die kleeren meegenomen had, wat ie er mee dacht te doen. De secretaris vroeg ten slotte hoe de kleeren er uitzagen die hij aan had toen hij bij de roovers kwam. De burgemeester en de twee andere heeren luisterden al lang niet meer. Alles wat die secretaris vroeg en wat Abé antwoordde werd tegelijk opgeschreven en dat zou later wel door de rechter worden uitgezocht. De burgemeester was alleen maar blij dat ie z’n mooie pak terug had, de rest kon hem eigenlijk niemendal schelen.—Doch de secretaris was ’n slimmerd. Die begon te vermoeden dat die jongen Abé wel eens de gezochte prins kon zijn … maar hij vroeg er Abé niet naar. Dat wou hij maar liever eens doen onder vier oogen. Die duizend goudstukken verdiende hij liever alleen. Hij gaf de half slapende cipier last de gevangene weer naar ’t hok te brengen. Maar hij besloot die jongen diezelfde avond ’n goed pak kleeren te bezorgen en te maken dat ie goed te eten kreeg. Als ’t die verloren prins eens was, zou hem dat zeker geen windeieren leggen. Duizend goudstukken om te beginnen en dannog de dankbaarheid van de keizer van Huk. Dat was ook wat waard! Als die burgemeester maar weg was zou hij die jongen wel eens nauwkeurig gaan uitvragen.Abé liet ’t hoofd hangen. Weer naar dat kille hok. Maar de man met de sleutels gaf hem ’n duwtje en vijf minuten later zat ie alweer achter slot en grendel.’t Zag er niet mooi uit voor Abé en ’t zou voor hem heel wat prettiger geweest zijn als de roovers hem die morgen op de weg naar Lumkiping hadden kunnen inhalen. Nu waren ze net te laat gekomen en ze hadden juist nog kunnen zien hoe de twee politiereuzen Abé wegbrachten. Dit was ’n leelijke tegenvaller voor hen. Natuurlijk zou die jongen alles vertellen wat ie wist en dan waren er binnen ’n paar dagen ’n heele vracht politiemannen op weg naar het roovershuis. Ze moesten dus gauw terug om hun gestolen goed in veiligheid te gaan brengen. Dat wilden ze niet missen en dan wilden ze toch nog probeeren om de duizend goudstukken machtig te worden. De hoofdman was ’n sluwe baas. Die had gauw ’n plannetje verzonnen, dat veel kans van slagen had, zooals hij meende. Hij ging met z’n mannen naar huis en hij zelf reed zoo snel hij kon met de kleeren die Abé in ’t rooverhuis had achtergelaten, in ’n doek geknoopt naar ’t dorp waar Karibo en de oude Pirlapan zich ophielden. Daar kwam hij midden in de nacht aan. Hijvond’t nu beter maar te wachten tot de morgen met de uitvoering van z’n plan. De prins zat goed opgeborgen. Die liep niet weg. Maar ’t was nog heel vroeg toen hij alaanklopte aan de woning waar Karibo en Pirlapan verblijf hielden.Die twee waren ook al op en reeds weer bezig nieuwe plannen te bespreken. Hoeveel ze er al verzonnen hadden wisten ze zelf niet meer. Doch telkens begonnen ze weer op nieuw. En nu kwam me daar opeens iemand, die hen stond te vertellen, als of ’t ’n heel gewone zaak was, dat ie misschien wel wist waar de prins te vinden was … en als bewijs bracht hij de kleeren mee, die Abé gedragen had. Ze bekeken de kleedingstukken. Die kwamen wel overeen met wat moeder Guldratsj en de boerenvrouw, bij wie hij die nacht voor de overval der roovers in huis geweest waren, er van verteld hadden. Maar zelf hadden ze die dingen nooit gezien. Toen vroeg Karibo opeens:„Maar wat heeft de prins dan nu aan?”Dat wist de roover niet … „vermoedelijk de kleeren van de burgemeester van Lumkiping.”„Begrijp jij er wat van Pirlapan?” vroeg Karibo.„Geen steek,” antwoordde deze. Laat die vent naar de maan loopen met z’n smoesjes. „Die duizend goudstukken zijn hem in z’n hoofd geslagen.”De roover liet zich echter niet maar zoo wegsturen. Hij had veel te graag die hoop goud. Daaromzeihij, dat als de heeren hem de duizend goudstukken wilden beloven, maar zwart op wit, hij moest er ’n bewijs van hebben, onderteekend door Karibo en Pirlapan.., en als ze daar dan ook tevens in wilden zetten, dat noch hem noch z’n kameraden later iets kwaads zou geschieden, dan wilde hij wel alles vertellen wat hij wist. Ze zouden er geen spijt van hebben.„Dat kunnen we licht probeeren,” zei Karibo tegen Pirlapan, en toen tegen de roover:„Het zal gebeuren zooals je verlangt, doch onder één voorwaarde. De duizend goudstukken krijg je, als ’t werkelijk blijkt, dat je ons ’t verblijf van de prins wijst. Vertel nu maar op.”„Eerst ’t papier,” zei de roover.Pirlapan werd al weer woedend. Karibo suste hem en begon vlug de verklaring te schrijven, zooals de roover verlangde. Karibo moest ’t hem nog eens voorlezen toen ’t klaar was, want de roover kon zelf niet lezen, en daarna stak deze ’t kostbare papiertje in z’n gordel.„Kerel begin nou …” bulderde Pirlapan ongeduldig.„Je doet alsof we heel geen haast hebben …”De roover lachte eens. Die was nu heel op z’n gemak. Maar toen vertelde hij van a tot z hoe ze de boer overvallen en de paarden meegenomen hadden tegelijk met Abé, dat die acht dagen bij hen stalknecht geweest was, en hoe ze hem hadden weggestuurd ’t bosch in, toen ze met hun allen op zoek gingen naar prins Alphabet. Dat ze later begrepen hadden wie hij was en ontdekt hadden dat hij de kleeren van de burgemeester van Lumkiping had aangetrokken, die zij gestolen hadden.Pirlapan lachte luidkeels toen de roover dat vertelde, maar bij ’t vernemen, dat Abé door de dienders in Lumkiping was opgepakt en nu in de gevangenis zat, keek hij opeens weer ernstig.„We moeten geen tijd verliezen,” zei hij.„We rijden er dadelijk heen.Jij gaat mee brave ziel, (dit was aan ’t adres van de rooverhoofdman) en als’t blijkt dat je ons wat hebt wijs gemaakt, dan kan je dadelijk je testament maken.”De roover had er niets op tegen. Met dat briefje bij zich voelde hij zich zoo veilig alsof hij al z’n leven de braafste man uit heel Huk geweest was.’n Kwartier later galoppeerden de drie mannen het dorp uit. Ze spaarden hun dieren niet en ze hielden alleen maar op om zelf wat te eten en de paarden te voeren, te drenken en wat te laten uitblazen. Doch dan ging ’t weer zoo snel mogelijk voorwaarts. Gelukkig waren ze alle drie taaie kerels en de paarden sterk en vlug. Maar toch waren ze alle zes doodop toen ze Lumkiping tegen de avond bereikten. De wandelaars in de straten sprongen verschrikt op zij voor de woeste ruiters en de reuzen van politieagenten staken vergeefs hun groote handen op om de ruiters tot wat minder gevaarlijke spoed aan te manen. Doch ze keken geen van drieën naar die waarschuwende handen, maar holden met luid hoefgeklepper over de keien regelrecht naar ’t raadhuis, waar volgens de rooverhoofdman prins Alphabet gevangen zat.De roover moest bij de hijgende paarden blijven maar Karibo en Pirlapan waren zoo van hun paarden de trappen op gesprongen en liepen de schildwacht onderste boven, die op die trap voor de open deur op post stond. Die man was meteen de portier.„Hé, stommeling,” bulderde Pirlapan, „sta de menschen niet in de weg. Waar is de burgemeester?”De portier was heelemaal van z’n stukken. Hij werd nooit onderste boven geloopen, zelfs nog niet door de deftigste Lumkipinger en daar kwamenme zoo’n paar halve wilden aanhollen en ’t eerste wat ze deden was hem van de beenen te loopen. Hij zou die twee eens even leeren wat ze aan de portier van ’t raadhuis van Lumkiping verschuldigd waren.Hij stond op, begon zich af te slaan, want er zat stof op z’n mouw en nam daarna Pirlapan van ’t hoofd tot de voeten op, alsof hij met z’n oogen wou zeggen: „Lap me dat nou nog eris.”Dat was net iets voor de oude baron van Pirlapan die thuis heerschte als ’n koning, om zich door zoo’n stedelijk schildwachtje op die manier te laten aankijken, vooral nu hij haast had om prins Alphabet, de rechtmatige keizer van Huk uit z’n gevangenis te gaan bevrijden!„Zeg eris!” riepPirlapanen had de schildwacht-portier al bij z’n kraag. Hij schudde hem heen en weer tot groot vermaak der Lumkipingers die beneden aan de trap nieuwsgierig om de vermoeide paarden heenstonden. „Wil jij me bij de burgemeester brengen of niet? O zoo, gauw dan hoor! Ik heb haast.”De portier liep als ’n haas ’t raadhuis binnen, natuurlijk met Pirlapan en Karibo op z’n hielen. Tijd om eerst bij de burgemeester te gaan vragen of ie wel thuis was, had ie niet. Want Pirlapan stoof te gelijk met de portier de kamer in waar de burgemeester juist met de secretaris en nog ’n paar andere voorname Lumkipingers aan ’t vergaderen was.„Wat moet dat beteekenen?” zei de burgemeester opstaand met ’n strenge blik de binnenkomenden aankijkend.„Deze … indrin … gers …” stotterde de portier.„Ruk uit, akelige vent,” bulderde Pirlapan … „Ik heb je nou niet meer noodig. Marsch … of ik …”Hij hoefde zijn hand niet eens uit te steken. De schildwacht-portier was al verdwenen. Hij trok met ’n slag de deur achter zich dicht. Met die dolleman moest de burgemeester ’t maar klaar zien te spelen. Doch hij ging vast ’n stuk of wat politiereuzen halen. Hij had er zoo’n idee van dat die wel noodig zouden zijn binnen ’n paar minuten. Want natuurlijk liet de burgemeester die twee kerels ’t raadhuis uitgooien.De burgemeester staarde ’n oogenblik beteuterd naar Pirlapan, doch toen wilde hij hen dan ook maar dadelijk de deur wijzen. Zoo’n optreden was niet geoorloofd in Lumkiping. Hij kwam er evenwel niet toe, want Pirlapan trad op de tafel toe met ’n paar dreunende stappen en zei:„Burgemeester, je houdt hier ’n jongen gevangen en die moet je oogenblikkelijk in vrijheid stellen. We komen hem halen.”Da’s zeker de rooverhoofdman, dacht de burgemeester en hij werd al ’n beetje benauwd. Had hij nu maar ’n stuk of wat dienders bij de hand, dan had hij hen meteen ook in de boeien kunnen laten slaan.„Burgemeester,” zei nu Karibo, „die jongen is waarschijnlijk, neen we weten ’t zeker, prins Alphabet, de nieuwe keizer van Huk.”De burgemeester viel met ’n plof in z’n zetel terug en de secretaris prevelde: „Net zoo als ik vermoedde.”„Vooruit wat burgemeester …” zei Pirlapan met’n luide stem. „’n Keizer van Huk hoort niet in ’t raadhuis van Lumkiping gevangen te zitten en ’n Pirlapan laat je ook niet wachten als ie wat vraagt.”„Pirlapan … bedaar wat … De burgemeester kon dit toch ook niet helpen,”suste Karibo.„Maar nou kon ie ’t toch wel helpen? Hij hoeft daar nu niet in z’n stoel te blijven zitten terwijl ie op ’n drafje de prins moest gaan halen.”„Heeren,” kwam nu de zachte stem van de secretaris … „deze gevangene is vannacht ontsnapt …”„Hè … wat …?” riep Pirlapan … „Is prins Alphabet ontsnapt …? Waar naar toe?”„Weet ik niet …” zei de secretaris. „Van morgen was de cel leeg.”„Maar lieve hemel,” zei Karibo … „hoe kon dat nou …?”„Weet ik niet …” herhaalde de secretaris weer … „Hij is ontvlucht … in z’n hemd.”„In z’n hemd??”„Ja …,hij had geen kleeren. Hij is gevangen genomen met de staatsiekleeding van de burgemeester aan, die had hij van roovers beweerde hij. De burgemeester heeft die mooie kleeren mee naar huis genomen …”„En nou loopt de keizer van Huk ergens rond in z’n hemd?” riep Pirlapan … „Man, hoe kon jij ’t over je verkrijgen om zoo’n jongen ’n heele dag in z’n hemd in de gevangenis te laten zitten!!”Hij stak z’n vuist op tegen de burgemeester. „Je moest er zelf in!!”„Kom,” zei Karibo, terneer geslagen. „We moeten weer gaan zoeken. Hij kan nu toch niet ver wegzijn … ’n Jongen in z’n hemd moet toch ook iedereen gezien hebben …”„Geen mensch heeft hem gezien,” zei de secretaris zacht. „Ik heb vanmorgen dadelijk overal nasporingen laten doen. Door de heele stad heb ik laten navragen. Niemand wist er iets van. ’t Geval is onbegrijpelijk.”„’t Geval is onbegrijpelijk heeren,” zei de burgemeester die wat begon bij te komen. „En als er een is die er niemendal van begrijpt dan ben ik ’t.”

ZEVENDE HOOFDSTUK.Waarin prins Alphabet prachtig gekleed in Lumkiping aankomt doch al spoedig in z’n hemd zit, en Karibo en Pirlapan door de rooverhoofdman er achter komen waar hij is, maar hem toch niet vinden.

Waarin prins Alphabet prachtig gekleed in Lumkiping aankomt doch al spoedig in z’n hemd zit, en Karibo en Pirlapan door de rooverhoofdman er achter komen waar hij is, maar hem toch niet vinden.

Waarin prins Alphabet prachtig gekleed in Lumkiping aankomt doch al spoedig in z’n hemd zit, en Karibo en Pirlapan door de rooverhoofdman er achter komen waar hij is, maar hem toch niet vinden.

Als de oude Pirlapan er werkelijk op gerekend had dat die wonderlijke ontmoeting spoedig zou plaats hebben, dan had ie ’t leelijk mis, want op dat oogenblik zat Abé heel veilig in de gevangenis te Lumkiping. Wat de roovers gevreesd hadden was gebeurd.Abé had de heele middag geloopen en was tegen de avond doodmoe bij ’n boerewoning aangekomen. Aankloppen hoefde hij niet, want toen hij voor de deur stond kwamen de boer en z’n vrouw en al de kinderen te voorschijn en terwijl de kinderen met open monden stonden te kijken bogen de man en de vrouw als korenhalmen in de wind.„Edele heer,” zei de boer, wees welkom in mijn nederige woning, en de vrouw greep opeens al de kinderen met d’r groote handen als of ze ’n bos hout te pakken had en duwde ze in de stal waar ze alle vier afgrijselijk begonnen te schreeuwen. Abé ging binnen en terwijl hij op ’n bank bij de haard ging zitten zei hij tegen de boer:„Goeie vrind, ik zou graag vannacht gebruik maken van je gastvrijheid, ’n plaatsje in je stal is me voldoende.”De vrouw nam dadelijk ’t woord:„Edele heer, in de stal zullen wij slapen vannacht en ons bed is voor u.”„Nee, nee …,” zei Abé lachend, want hij vond ’t hooi frisscher,„dat wil ik niet.Maar ga toch zitten.”Doch dat deden ze geen van beiden. De boer bleef staan en de vrouw begon de tafel op te ruimen, die er nog al slordig uitzag.Waarvoor zien die menschen me toch aan? dacht Abé. Ik zou wel eens willen weten wie z’n kleeren ik aan heb.Want ’t was duidelijk dat de boeremenschen hem beoordeelden naar z’n kleeren met al dat goud er op en die glinsterende steenen. Abé had niet veel verstand van kostbaarheden en hij wist dus niet of z’n kleeding veel of weinig waard was. Dat de roovers ’t gestolen hadden was misschien wel ’n bewijs voor de kostbaarheid. Als die boer nu maar niet zoo’n armoedige vent geweest was, had Abé wellicht voor zoo’n kleedingstuk een paard kunnen inruilen, maar die boer had waarschijnlijk niet eens ’n paard. Hij kon ’t echter eens vragen.„Is er hier in de buurt misschien ’n paard te koop?”„’n Paard edele heer?…. Nee …. ik heb er geen …. Maar ’n uur verderop naar Lumkiping woont ’n boer die er wel een te koop zal hebben. ’k Wil er morgen vroeg wel even heen loopen. Is de edele heer z’n paard wat overkomen.”Nu moest Abé weer wat verzinnen. Hij kon toch aan die boer niet van voren af aan gaan vertellen wat hem wedervaren was en daarom zei hij maar:„’n Ongeluk … ’t Was niet meer te gebruiken. Hoe ver ben ik hier nog van Lumkiping?”„Nou te voet is ’t nog wel ’n halve dag, edele heer.”„Dat valt nog al mee … Dan ga ik morgen vroeg er maar te voet heen.”De vrouw had nu eten klaar gezet, brood en geitemelk, en Abé at er van als ’n wolf. Toen hij verzadigd was, vroeg hij den boer hem ’n plaatsje te wijzen waar hij slapen kon. Omdat hij toch niet in de boer z’n bed wou, spreidde de man versch stroo in de stal waar de geiten stonden, en Abé lag vijf minuten later heerlijk in ’t stroo met aaniederen kant twee geiten, die hun halzen uitrekten om te knabbelen aan z’n bed. Telkens kreeg er een ’n stroospriet te pakken en trok die met ’n ruk van z’n kop naar zich toe. Maar Abé merkte er niemendal van. De geiten hadden z’n heele leger onder hem uit kunnen plukken, zonder dat ie er wakker van geworden was.Toch was hij de volgenden morgen vroeg bij de hand. Hij waschte zich aan de bron achter ’t huis en moest z’n gezicht in de zon laten drogen. Z’n handen schudde hij maar zoo’n beetje droog. Want die boerenmenschen hielden er geen handdoeken op na en Abé had niet eens ’n zakdoek al had ie dan ook ’t beste pak van de burgemeester van Lumkiping aan. Was ’t ’n gewoon linnen kiel geweest, dan had hij daaraan z’n gezicht wel ’n beetje kunnen afwrijven, maar aan ’n zijden tabberd vol goud borduursel gaat ’t al heel moeielijk. Abé begon te ondervinden dat je erg veel last kan hebben van ’n kostbaar gewaad waar ’t goud dik op zit. Later op de dag werd ’t nog veel erger. Hij had de boerenmenschen bedankt en omdat hij wel zag dat ze ’t noodig hadden bood hij hen de weinige zilverstukken aan, die hij gevonden had in de tasch van de roover, doch de man weigerde. Dat was geen gebruik in Huk, zei hij, tenminste niet op ’t land. In de stad was ’t misschien anders. Hij was al genoeg beloond, doordat zoo’n deftig heerschap onder zijn dak had willen verblijven.’t Deftige heerschap was er in z’n hart toch maar blij om, want hij bezat verder geen cent en hij moest toch eten. In Lumkiping zou hij trachten z’nmooie pakje te verkoopen. En dan was hij er boven op. Dan ging het in galop, al wat ’t beest loopen kon, naar Pomfriet.Toen hij de stad Lumkiping naderde werd de weg voller. Er gingen menschen naar de stad en er kwamen er vandaan. Maar allen keken hem met verbazing aan. Sommigengroettenheel beleefd. Anderen zetten alleen maar groote oogen op en weer anderen gingen achter hem aanloopen. Dat was lastig. Abé keek nu en dan eens om. Jawel ze liepen met hem mee, dat was duidelijk genoeg.Abé dacht dat ’t in de stad wel beter zou worden. Daar waren zooveel menschen en die zouden wel geen tijd hebben om op hem te letten al zag hij er ’n beetje al te mooi uit. Hij vond ’t nu jammer dat ie altijd in ’n vreemd land gewoond had en niet eens wist welke kleederdrachten er in zijn eigen land gedragen werden. Dat z’n pakje lang niet alledaagsch was, dat wist ie wel. Als ie ’t nog niet geweten had, dan was ie er nu zeker wel achter gekomen. Want niet één Lumkipinger zag er uit zooals hij.In de stad werd ’t hoe langer hoe erger, en nu begon Abé te denken dat ’t kwam omdat ’t pak hem wat ruim en lang was. De schoenen waren ook al ’n beetje te groot en de muts zakte hem telkens wat over z’n ooren. Of was ’t misschien ’t zwaard met de prachtige schede vol glinsterend goud en allerlei mooie figuren en ornamenten bewerkt en bezet met steenen in rood en blauw en geel en groen? Hij werd er verlegen mee. En nu begonnen de menschen nog op te dringen ook. Zoo nu en danzat hij al aardig in de knel. Hij zou maar gauw naar binnen stappen zoodra hij ’n winkel zag, waar zoo iets verkocht werd als hij droeg. Daar zou hij ’t dan wel kwijt kunnen.… Doch ’t kwam zoover niet. Plotseling stond er ’n reusachtige politieman voor hem. In Lumkiping hadden ze alleen maar heel groote en sterke dienders. En die lei z’n groote hand op Abé’s rechter schouder en zei: „Ga jij maar eens gauw met me mee.”„Nee”… zei Abé …„dat doe ik liever niet. Jaag jij die menschen alleen maar ’n beetje weg en wijs me dan ’n winkel waar ik andere kleeren kan koopen.”„Dat zou je wel willen …” zei de agent.„Vooruit, geen praatjes …”„Maar waarom moet ik met je mee?”„Wat is er hier aan de hand?” vroeg ’n tweede politiereus. Doch toen hij Abé zag, gingen zijn oogen heel wijd open en hij zei: „Hé … Da’s ’n bof.”„Hou jij de menschen wat op ’n afstand,” zei nummer een. „Ik zal met hem wel klaar komen …”„Op zij menschen …” riep de tweede … „Doorloopen.”Nu werd ’t een heele optocht en Abé hoorde de menschen achter zich tegen elkaar roepen, dat er ’n dief gepakt was en hij zag voor de vensters van de huizen nieuwsgierige gezichten …De twee politiemannen brachten hem naar ’n groot gebouw … en daar werd hij in ’n hok gestopt met ’n klein tralieraampje hoog in de muur.Abé ging op ’n bank zitten … Hij hoorde de sleutel in ’t slot omdraaien en toen rook hij ook dat ’t erg benauwd was in z’n gevangenis. Hij huilde niet gauw, maar nu had hij ’t toch wel kunnen doen, dat ze hem voor ’n dief van die mooie kleeren hielden, dat was zeker. En nu werd ’t hem op eens duidelijk, dat ie ze toch ook eigenlijk gestolen had. Hij schrok er van. Als ze hem nu vroegen hoe hij er aan kwam, dan kon hij enkel maar zeggen dat ie ze weggenomen had. Doch toen werd ie weer ’n beetje vroolijker want hij zou er maar verder alles bij vertellen, waar hij ze genomen had en waarom … Alleen kon hij alweer niet vertellen wie hij eigenlijk was … want dat had Karibo hem verboden …Hij had tijd genoeg om na te denken. ’t Werd vervelend in dat kleine hok. Wanneer zouden ze hem nu eindelijk er eens uitlaten. Hij meende dat ie er al uren in gezeten had. Ze zouden hem toch niet zonder eten of drinken laten? En ze zouden toch wel wat van hem willen vernemen. Dat hoorde toch zoo. Als ze je maar zoo van de straat oppakten en achter de tralies stopten, dan dienden ze je toch wel te zeggen waarom dat was. Wat zouden ze rare gezichten trekken, als hij eens ging vertellen, dat ie de zoon was van keizer Napo … Dan zouden ze misschien allemaal op hun knieën vallen en hem om vergiffenis smeeken. Die twee groote dienders voorop. Waarom zou hij ’t ook eigenlijk niet vertellen? Maar zouden ze hem gelooven? Hij kon ’t heelemaal niet bewijzen. Dat kon alleen Karibo en die was ergens anders … Maar waar? Hè, kwam er nu maar eens iemand.Sleutels rammelden … ’t slot knarste … de deur ging open.„Trek uit dat goed,” klonk het barsch.„Mijn kleeren uittrekken?”„Jouw kleeren? Wat ’n brutale aap … Trek uit … gauw …”„Maar dan heb ik niets anders aan dan m’n hemd.”„Kan me niet schelen … Trek uit.”Abé deed ’t. En toen zat de keizer van Huk, prins Alphabet, naar wie iedereen zocht, in z’n hemd achter de tralies.Want de barsche kerel was met de heele glinsterende rommel weggegaan en had de deur dicht getrokken, en natuurlijk weer stevig op slot gedraaid.Abé hoorde ook nog dat er grendels voor geschoven werden.Hij kreeg ’t koud. ’t Was kil in ’t hok hoor. Abé zat te bibberen op z’n bank.’n Heele tijd later kwam de vriendelijke man weer terug.„Kom mee!”„’k Heb geen kleeren.”„Doet er niet toe. Kom mee.”Abé vond, dat ze in Lumkiping raar met de menschen omsprongen. Hij had er nog nooit van gehoord, dat je in je hemd ergens anders naar toe moest dan naar je bed. Maar hier scheen ’t toch zoo te zijn. En daar tegenstribbelen wel niet helpen zou, want die bullebak van ’n vent stak al z’n eene hand uit om de gevangene dan maar met geweld mee te nemen, stond de keizerlijke prins van Huk van z’n bank op. Nu moest hij ’n gang door en nog een en nog een … totdat de man met de sleutelbos commandeerde: „Halt!” Hij stond weer juist voor ’n deur. Deze deed de sleutelman open en hij duwde Abé voor zich uit de kamer in.Daar lagen op ’n tafel de kleeren die Abé van de roovers geleend had en ’n paar heeren bekeken aandachtig het mooie zwaard. ’n Derde zat deftig in ’n ruime zetel die wel wat op ’n troon leek. Dat was de burgemeester van Lumkiping. ’n Vierde zat aan de tafel te schrijven. Dat was zeker de secretaris.Voor de tafel moest Abé blijven staan en de man met de sleutelbos legde z’n zware breede, dikke, harige hand op Abé’s schouder en zei: „Burgemeester, hier was-t-ie.”De secretaris keek op sprak zacht en vinnig:„Wàs-t-ie? Je bedoelt: hier ìs-t-ie, hè?”De sleutelman keek norsch naar de nijdige secretaris maar zei niemendal terug.Toen begon de burgemeester—de twee heeren waren net gaan zitten—opeens te vragen:„Wie ben jij jongen? Hoe heet je? Waar kom je vandaan? Bij welke dievenbende hoor je? Waarom …”„Burgemeester,” zei de secretaris zacht, „dat kan ik niet allemaal tegelijk opschrijven en de aangeklaagde kan ’t ook niet allemaal tegelijk beantwoorden.”„O, doe ik ’t weer niet goed?” bromde de burgemeester. „Vraag jij ’t ’m dan!”„Hoe heet je?” vroeg nu de secretaris bijna fluisterend.„Ik heet Abé.”„Hoe nog meer?”„Niets meer.”„Weet je ’t zeker?”Dat was me ook ’n vraag! Wat moest ie daar nou op antwoorden. Hij heette eigenlijk Abecé, maar iedereen noemde hem Abé. Hij hield z’n mond dus maar.„Hoe kwam je aan die kleeren?”„Van de roovers!”„Net zooals ik dacht”riep de burgemeester.Doch de secretaris lette daar heelemaal niet op. Hij vroeg kalm verder:„Welke roovers?”„Uit ’t bosch.”„Hoe heeten ze?”„Weet ik niet.”„Dat zal je wel liegen,” riep de burgemeester, doch toen de secretaris hem even aankeek liet hij er gauw op volgen: „Ga verder secretaris.”„Is dat de waarheid?”„Ja.”„Hoe lang ben je al roover?”„Ik ben heelemaal geen roover.”En zoo vroeg de secretaris maar voort. Abé vertelde hoe hij bij de roovers gekomen was, wat hij er doen moest, waarom hij die kleeren meegenomen had, wat ie er mee dacht te doen. De secretaris vroeg ten slotte hoe de kleeren er uitzagen die hij aan had toen hij bij de roovers kwam. De burgemeester en de twee andere heeren luisterden al lang niet meer. Alles wat die secretaris vroeg en wat Abé antwoordde werd tegelijk opgeschreven en dat zou later wel door de rechter worden uitgezocht. De burgemeester was alleen maar blij dat ie z’n mooie pak terug had, de rest kon hem eigenlijk niemendal schelen.—Doch de secretaris was ’n slimmerd. Die begon te vermoeden dat die jongen Abé wel eens de gezochte prins kon zijn … maar hij vroeg er Abé niet naar. Dat wou hij maar liever eens doen onder vier oogen. Die duizend goudstukken verdiende hij liever alleen. Hij gaf de half slapende cipier last de gevangene weer naar ’t hok te brengen. Maar hij besloot die jongen diezelfde avond ’n goed pak kleeren te bezorgen en te maken dat ie goed te eten kreeg. Als ’t die verloren prins eens was, zou hem dat zeker geen windeieren leggen. Duizend goudstukken om te beginnen en dannog de dankbaarheid van de keizer van Huk. Dat was ook wat waard! Als die burgemeester maar weg was zou hij die jongen wel eens nauwkeurig gaan uitvragen.Abé liet ’t hoofd hangen. Weer naar dat kille hok. Maar de man met de sleutels gaf hem ’n duwtje en vijf minuten later zat ie alweer achter slot en grendel.’t Zag er niet mooi uit voor Abé en ’t zou voor hem heel wat prettiger geweest zijn als de roovers hem die morgen op de weg naar Lumkiping hadden kunnen inhalen. Nu waren ze net te laat gekomen en ze hadden juist nog kunnen zien hoe de twee politiereuzen Abé wegbrachten. Dit was ’n leelijke tegenvaller voor hen. Natuurlijk zou die jongen alles vertellen wat ie wist en dan waren er binnen ’n paar dagen ’n heele vracht politiemannen op weg naar het roovershuis. Ze moesten dus gauw terug om hun gestolen goed in veiligheid te gaan brengen. Dat wilden ze niet missen en dan wilden ze toch nog probeeren om de duizend goudstukken machtig te worden. De hoofdman was ’n sluwe baas. Die had gauw ’n plannetje verzonnen, dat veel kans van slagen had, zooals hij meende. Hij ging met z’n mannen naar huis en hij zelf reed zoo snel hij kon met de kleeren die Abé in ’t rooverhuis had achtergelaten, in ’n doek geknoopt naar ’t dorp waar Karibo en de oude Pirlapan zich ophielden. Daar kwam hij midden in de nacht aan. Hijvond’t nu beter maar te wachten tot de morgen met de uitvoering van z’n plan. De prins zat goed opgeborgen. Die liep niet weg. Maar ’t was nog heel vroeg toen hij alaanklopte aan de woning waar Karibo en Pirlapan verblijf hielden.Die twee waren ook al op en reeds weer bezig nieuwe plannen te bespreken. Hoeveel ze er al verzonnen hadden wisten ze zelf niet meer. Doch telkens begonnen ze weer op nieuw. En nu kwam me daar opeens iemand, die hen stond te vertellen, als of ’t ’n heel gewone zaak was, dat ie misschien wel wist waar de prins te vinden was … en als bewijs bracht hij de kleeren mee, die Abé gedragen had. Ze bekeken de kleedingstukken. Die kwamen wel overeen met wat moeder Guldratsj en de boerenvrouw, bij wie hij die nacht voor de overval der roovers in huis geweest waren, er van verteld hadden. Maar zelf hadden ze die dingen nooit gezien. Toen vroeg Karibo opeens:„Maar wat heeft de prins dan nu aan?”Dat wist de roover niet … „vermoedelijk de kleeren van de burgemeester van Lumkiping.”„Begrijp jij er wat van Pirlapan?” vroeg Karibo.„Geen steek,” antwoordde deze. Laat die vent naar de maan loopen met z’n smoesjes. „Die duizend goudstukken zijn hem in z’n hoofd geslagen.”De roover liet zich echter niet maar zoo wegsturen. Hij had veel te graag die hoop goud. Daaromzeihij, dat als de heeren hem de duizend goudstukken wilden beloven, maar zwart op wit, hij moest er ’n bewijs van hebben, onderteekend door Karibo en Pirlapan.., en als ze daar dan ook tevens in wilden zetten, dat noch hem noch z’n kameraden later iets kwaads zou geschieden, dan wilde hij wel alles vertellen wat hij wist. Ze zouden er geen spijt van hebben.„Dat kunnen we licht probeeren,” zei Karibo tegen Pirlapan, en toen tegen de roover:„Het zal gebeuren zooals je verlangt, doch onder één voorwaarde. De duizend goudstukken krijg je, als ’t werkelijk blijkt, dat je ons ’t verblijf van de prins wijst. Vertel nu maar op.”„Eerst ’t papier,” zei de roover.Pirlapan werd al weer woedend. Karibo suste hem en begon vlug de verklaring te schrijven, zooals de roover verlangde. Karibo moest ’t hem nog eens voorlezen toen ’t klaar was, want de roover kon zelf niet lezen, en daarna stak deze ’t kostbare papiertje in z’n gordel.„Kerel begin nou …” bulderde Pirlapan ongeduldig.„Je doet alsof we heel geen haast hebben …”De roover lachte eens. Die was nu heel op z’n gemak. Maar toen vertelde hij van a tot z hoe ze de boer overvallen en de paarden meegenomen hadden tegelijk met Abé, dat die acht dagen bij hen stalknecht geweest was, en hoe ze hem hadden weggestuurd ’t bosch in, toen ze met hun allen op zoek gingen naar prins Alphabet. Dat ze later begrepen hadden wie hij was en ontdekt hadden dat hij de kleeren van de burgemeester van Lumkiping had aangetrokken, die zij gestolen hadden.Pirlapan lachte luidkeels toen de roover dat vertelde, maar bij ’t vernemen, dat Abé door de dienders in Lumkiping was opgepakt en nu in de gevangenis zat, keek hij opeens weer ernstig.„We moeten geen tijd verliezen,” zei hij.„We rijden er dadelijk heen.Jij gaat mee brave ziel, (dit was aan ’t adres van de rooverhoofdman) en als’t blijkt dat je ons wat hebt wijs gemaakt, dan kan je dadelijk je testament maken.”De roover had er niets op tegen. Met dat briefje bij zich voelde hij zich zoo veilig alsof hij al z’n leven de braafste man uit heel Huk geweest was.’n Kwartier later galoppeerden de drie mannen het dorp uit. Ze spaarden hun dieren niet en ze hielden alleen maar op om zelf wat te eten en de paarden te voeren, te drenken en wat te laten uitblazen. Doch dan ging ’t weer zoo snel mogelijk voorwaarts. Gelukkig waren ze alle drie taaie kerels en de paarden sterk en vlug. Maar toch waren ze alle zes doodop toen ze Lumkiping tegen de avond bereikten. De wandelaars in de straten sprongen verschrikt op zij voor de woeste ruiters en de reuzen van politieagenten staken vergeefs hun groote handen op om de ruiters tot wat minder gevaarlijke spoed aan te manen. Doch ze keken geen van drieën naar die waarschuwende handen, maar holden met luid hoefgeklepper over de keien regelrecht naar ’t raadhuis, waar volgens de rooverhoofdman prins Alphabet gevangen zat.De roover moest bij de hijgende paarden blijven maar Karibo en Pirlapan waren zoo van hun paarden de trappen op gesprongen en liepen de schildwacht onderste boven, die op die trap voor de open deur op post stond. Die man was meteen de portier.„Hé, stommeling,” bulderde Pirlapan, „sta de menschen niet in de weg. Waar is de burgemeester?”De portier was heelemaal van z’n stukken. Hij werd nooit onderste boven geloopen, zelfs nog niet door de deftigste Lumkipinger en daar kwamenme zoo’n paar halve wilden aanhollen en ’t eerste wat ze deden was hem van de beenen te loopen. Hij zou die twee eens even leeren wat ze aan de portier van ’t raadhuis van Lumkiping verschuldigd waren.Hij stond op, begon zich af te slaan, want er zat stof op z’n mouw en nam daarna Pirlapan van ’t hoofd tot de voeten op, alsof hij met z’n oogen wou zeggen: „Lap me dat nou nog eris.”Dat was net iets voor de oude baron van Pirlapan die thuis heerschte als ’n koning, om zich door zoo’n stedelijk schildwachtje op die manier te laten aankijken, vooral nu hij haast had om prins Alphabet, de rechtmatige keizer van Huk uit z’n gevangenis te gaan bevrijden!„Zeg eris!” riepPirlapanen had de schildwacht-portier al bij z’n kraag. Hij schudde hem heen en weer tot groot vermaak der Lumkipingers die beneden aan de trap nieuwsgierig om de vermoeide paarden heenstonden. „Wil jij me bij de burgemeester brengen of niet? O zoo, gauw dan hoor! Ik heb haast.”De portier liep als ’n haas ’t raadhuis binnen, natuurlijk met Pirlapan en Karibo op z’n hielen. Tijd om eerst bij de burgemeester te gaan vragen of ie wel thuis was, had ie niet. Want Pirlapan stoof te gelijk met de portier de kamer in waar de burgemeester juist met de secretaris en nog ’n paar andere voorname Lumkipingers aan ’t vergaderen was.„Wat moet dat beteekenen?” zei de burgemeester opstaand met ’n strenge blik de binnenkomenden aankijkend.„Deze … indrin … gers …” stotterde de portier.„Ruk uit, akelige vent,” bulderde Pirlapan … „Ik heb je nou niet meer noodig. Marsch … of ik …”Hij hoefde zijn hand niet eens uit te steken. De schildwacht-portier was al verdwenen. Hij trok met ’n slag de deur achter zich dicht. Met die dolleman moest de burgemeester ’t maar klaar zien te spelen. Doch hij ging vast ’n stuk of wat politiereuzen halen. Hij had er zoo’n idee van dat die wel noodig zouden zijn binnen ’n paar minuten. Want natuurlijk liet de burgemeester die twee kerels ’t raadhuis uitgooien.De burgemeester staarde ’n oogenblik beteuterd naar Pirlapan, doch toen wilde hij hen dan ook maar dadelijk de deur wijzen. Zoo’n optreden was niet geoorloofd in Lumkiping. Hij kwam er evenwel niet toe, want Pirlapan trad op de tafel toe met ’n paar dreunende stappen en zei:„Burgemeester, je houdt hier ’n jongen gevangen en die moet je oogenblikkelijk in vrijheid stellen. We komen hem halen.”Da’s zeker de rooverhoofdman, dacht de burgemeester en hij werd al ’n beetje benauwd. Had hij nu maar ’n stuk of wat dienders bij de hand, dan had hij hen meteen ook in de boeien kunnen laten slaan.„Burgemeester,” zei nu Karibo, „die jongen is waarschijnlijk, neen we weten ’t zeker, prins Alphabet, de nieuwe keizer van Huk.”De burgemeester viel met ’n plof in z’n zetel terug en de secretaris prevelde: „Net zoo als ik vermoedde.”„Vooruit wat burgemeester …” zei Pirlapan met’n luide stem. „’n Keizer van Huk hoort niet in ’t raadhuis van Lumkiping gevangen te zitten en ’n Pirlapan laat je ook niet wachten als ie wat vraagt.”„Pirlapan … bedaar wat … De burgemeester kon dit toch ook niet helpen,”suste Karibo.„Maar nou kon ie ’t toch wel helpen? Hij hoeft daar nu niet in z’n stoel te blijven zitten terwijl ie op ’n drafje de prins moest gaan halen.”„Heeren,” kwam nu de zachte stem van de secretaris … „deze gevangene is vannacht ontsnapt …”„Hè … wat …?” riep Pirlapan … „Is prins Alphabet ontsnapt …? Waar naar toe?”„Weet ik niet …” zei de secretaris. „Van morgen was de cel leeg.”„Maar lieve hemel,” zei Karibo … „hoe kon dat nou …?”„Weet ik niet …” herhaalde de secretaris weer … „Hij is ontvlucht … in z’n hemd.”„In z’n hemd??”„Ja …,hij had geen kleeren. Hij is gevangen genomen met de staatsiekleeding van de burgemeester aan, die had hij van roovers beweerde hij. De burgemeester heeft die mooie kleeren mee naar huis genomen …”„En nou loopt de keizer van Huk ergens rond in z’n hemd?” riep Pirlapan … „Man, hoe kon jij ’t over je verkrijgen om zoo’n jongen ’n heele dag in z’n hemd in de gevangenis te laten zitten!!”Hij stak z’n vuist op tegen de burgemeester. „Je moest er zelf in!!”„Kom,” zei Karibo, terneer geslagen. „We moeten weer gaan zoeken. Hij kan nu toch niet ver wegzijn … ’n Jongen in z’n hemd moet toch ook iedereen gezien hebben …”„Geen mensch heeft hem gezien,” zei de secretaris zacht. „Ik heb vanmorgen dadelijk overal nasporingen laten doen. Door de heele stad heb ik laten navragen. Niemand wist er iets van. ’t Geval is onbegrijpelijk.”„’t Geval is onbegrijpelijk heeren,” zei de burgemeester die wat begon bij te komen. „En als er een is die er niemendal van begrijpt dan ben ik ’t.”

Als de oude Pirlapan er werkelijk op gerekend had dat die wonderlijke ontmoeting spoedig zou plaats hebben, dan had ie ’t leelijk mis, want op dat oogenblik zat Abé heel veilig in de gevangenis te Lumkiping. Wat de roovers gevreesd hadden was gebeurd.

Abé had de heele middag geloopen en was tegen de avond doodmoe bij ’n boerewoning aangekomen. Aankloppen hoefde hij niet, want toen hij voor de deur stond kwamen de boer en z’n vrouw en al de kinderen te voorschijn en terwijl de kinderen met open monden stonden te kijken bogen de man en de vrouw als korenhalmen in de wind.

„Edele heer,” zei de boer, wees welkom in mijn nederige woning, en de vrouw greep opeens al de kinderen met d’r groote handen als of ze ’n bos hout te pakken had en duwde ze in de stal waar ze alle vier afgrijselijk begonnen te schreeuwen. Abé ging binnen en terwijl hij op ’n bank bij de haard ging zitten zei hij tegen de boer:

„Goeie vrind, ik zou graag vannacht gebruik maken van je gastvrijheid, ’n plaatsje in je stal is me voldoende.”

De vrouw nam dadelijk ’t woord:

„Edele heer, in de stal zullen wij slapen vannacht en ons bed is voor u.”

„Nee, nee …,” zei Abé lachend, want hij vond ’t hooi frisscher,„dat wil ik niet.Maar ga toch zitten.”

Doch dat deden ze geen van beiden. De boer bleef staan en de vrouw begon de tafel op te ruimen, die er nog al slordig uitzag.

Waarvoor zien die menschen me toch aan? dacht Abé. Ik zou wel eens willen weten wie z’n kleeren ik aan heb.

Want ’t was duidelijk dat de boeremenschen hem beoordeelden naar z’n kleeren met al dat goud er op en die glinsterende steenen. Abé had niet veel verstand van kostbaarheden en hij wist dus niet of z’n kleeding veel of weinig waard was. Dat de roovers ’t gestolen hadden was misschien wel ’n bewijs voor de kostbaarheid. Als die boer nu maar niet zoo’n armoedige vent geweest was, had Abé wellicht voor zoo’n kleedingstuk een paard kunnen inruilen, maar die boer had waarschijnlijk niet eens ’n paard. Hij kon ’t echter eens vragen.

„Is er hier in de buurt misschien ’n paard te koop?”

„’n Paard edele heer?…. Nee …. ik heb er geen …. Maar ’n uur verderop naar Lumkiping woont ’n boer die er wel een te koop zal hebben. ’k Wil er morgen vroeg wel even heen loopen. Is de edele heer z’n paard wat overkomen.”

Nu moest Abé weer wat verzinnen. Hij kon toch aan die boer niet van voren af aan gaan vertellen wat hem wedervaren was en daarom zei hij maar:

„’n Ongeluk … ’t Was niet meer te gebruiken. Hoe ver ben ik hier nog van Lumkiping?”

„Nou te voet is ’t nog wel ’n halve dag, edele heer.”

„Dat valt nog al mee … Dan ga ik morgen vroeg er maar te voet heen.”

De vrouw had nu eten klaar gezet, brood en geitemelk, en Abé at er van als ’n wolf. Toen hij verzadigd was, vroeg hij den boer hem ’n plaatsje te wijzen waar hij slapen kon. Omdat hij toch niet in de boer z’n bed wou, spreidde de man versch stroo in de stal waar de geiten stonden, en Abé lag vijf minuten later heerlijk in ’t stroo met aaniederen kant twee geiten, die hun halzen uitrekten om te knabbelen aan z’n bed. Telkens kreeg er een ’n stroospriet te pakken en trok die met ’n ruk van z’n kop naar zich toe. Maar Abé merkte er niemendal van. De geiten hadden z’n heele leger onder hem uit kunnen plukken, zonder dat ie er wakker van geworden was.

Toch was hij de volgenden morgen vroeg bij de hand. Hij waschte zich aan de bron achter ’t huis en moest z’n gezicht in de zon laten drogen. Z’n handen schudde hij maar zoo’n beetje droog. Want die boerenmenschen hielden er geen handdoeken op na en Abé had niet eens ’n zakdoek al had ie dan ook ’t beste pak van de burgemeester van Lumkiping aan. Was ’t ’n gewoon linnen kiel geweest, dan had hij daaraan z’n gezicht wel ’n beetje kunnen afwrijven, maar aan ’n zijden tabberd vol goud borduursel gaat ’t al heel moeielijk. Abé begon te ondervinden dat je erg veel last kan hebben van ’n kostbaar gewaad waar ’t goud dik op zit. Later op de dag werd ’t nog veel erger. Hij had de boerenmenschen bedankt en omdat hij wel zag dat ze ’t noodig hadden bood hij hen de weinige zilverstukken aan, die hij gevonden had in de tasch van de roover, doch de man weigerde. Dat was geen gebruik in Huk, zei hij, tenminste niet op ’t land. In de stad was ’t misschien anders. Hij was al genoeg beloond, doordat zoo’n deftig heerschap onder zijn dak had willen verblijven.

’t Deftige heerschap was er in z’n hart toch maar blij om, want hij bezat verder geen cent en hij moest toch eten. In Lumkiping zou hij trachten z’nmooie pakje te verkoopen. En dan was hij er boven op. Dan ging het in galop, al wat ’t beest loopen kon, naar Pomfriet.

Toen hij de stad Lumkiping naderde werd de weg voller. Er gingen menschen naar de stad en er kwamen er vandaan. Maar allen keken hem met verbazing aan. Sommigengroettenheel beleefd. Anderen zetten alleen maar groote oogen op en weer anderen gingen achter hem aanloopen. Dat was lastig. Abé keek nu en dan eens om. Jawel ze liepen met hem mee, dat was duidelijk genoeg.

Abé dacht dat ’t in de stad wel beter zou worden. Daar waren zooveel menschen en die zouden wel geen tijd hebben om op hem te letten al zag hij er ’n beetje al te mooi uit. Hij vond ’t nu jammer dat ie altijd in ’n vreemd land gewoond had en niet eens wist welke kleederdrachten er in zijn eigen land gedragen werden. Dat z’n pakje lang niet alledaagsch was, dat wist ie wel. Als ie ’t nog niet geweten had, dan was ie er nu zeker wel achter gekomen. Want niet één Lumkipinger zag er uit zooals hij.

In de stad werd ’t hoe langer hoe erger, en nu begon Abé te denken dat ’t kwam omdat ’t pak hem wat ruim en lang was. De schoenen waren ook al ’n beetje te groot en de muts zakte hem telkens wat over z’n ooren. Of was ’t misschien ’t zwaard met de prachtige schede vol glinsterend goud en allerlei mooie figuren en ornamenten bewerkt en bezet met steenen in rood en blauw en geel en groen? Hij werd er verlegen mee. En nu begonnen de menschen nog op te dringen ook. Zoo nu en danzat hij al aardig in de knel. Hij zou maar gauw naar binnen stappen zoodra hij ’n winkel zag, waar zoo iets verkocht werd als hij droeg. Daar zou hij ’t dan wel kwijt kunnen.

… Doch ’t kwam zoover niet. Plotseling stond er ’n reusachtige politieman voor hem. In Lumkiping hadden ze alleen maar heel groote en sterke dienders. En die lei z’n groote hand op Abé’s rechter schouder en zei: „Ga jij maar eens gauw met me mee.”

„Nee”… zei Abé …„dat doe ik liever niet. Jaag jij die menschen alleen maar ’n beetje weg en wijs me dan ’n winkel waar ik andere kleeren kan koopen.”

„Dat zou je wel willen …” zei de agent.„Vooruit, geen praatjes …”

„Maar waarom moet ik met je mee?”

„Wat is er hier aan de hand?” vroeg ’n tweede politiereus. Doch toen hij Abé zag, gingen zijn oogen heel wijd open en hij zei: „Hé … Da’s ’n bof.”

„Hou jij de menschen wat op ’n afstand,” zei nummer een. „Ik zal met hem wel klaar komen …”

„Op zij menschen …” riep de tweede … „Doorloopen.”

Nu werd ’t een heele optocht en Abé hoorde de menschen achter zich tegen elkaar roepen, dat er ’n dief gepakt was en hij zag voor de vensters van de huizen nieuwsgierige gezichten …

De twee politiemannen brachten hem naar ’n groot gebouw … en daar werd hij in ’n hok gestopt met ’n klein tralieraampje hoog in de muur.

Abé ging op ’n bank zitten … Hij hoorde de sleutel in ’t slot omdraaien en toen rook hij ook dat ’t erg benauwd was in z’n gevangenis. Hij huilde niet gauw, maar nu had hij ’t toch wel kunnen doen, dat ze hem voor ’n dief van die mooie kleeren hielden, dat was zeker. En nu werd ’t hem op eens duidelijk, dat ie ze toch ook eigenlijk gestolen had. Hij schrok er van. Als ze hem nu vroegen hoe hij er aan kwam, dan kon hij enkel maar zeggen dat ie ze weggenomen had. Doch toen werd ie weer ’n beetje vroolijker want hij zou er maar verder alles bij vertellen, waar hij ze genomen had en waarom … Alleen kon hij alweer niet vertellen wie hij eigenlijk was … want dat had Karibo hem verboden …

Hij had tijd genoeg om na te denken. ’t Werd vervelend in dat kleine hok. Wanneer zouden ze hem nu eindelijk er eens uitlaten. Hij meende dat ie er al uren in gezeten had. Ze zouden hem toch niet zonder eten of drinken laten? En ze zouden toch wel wat van hem willen vernemen. Dat hoorde toch zoo. Als ze je maar zoo van de straat oppakten en achter de tralies stopten, dan dienden ze je toch wel te zeggen waarom dat was. Wat zouden ze rare gezichten trekken, als hij eens ging vertellen, dat ie de zoon was van keizer Napo … Dan zouden ze misschien allemaal op hun knieën vallen en hem om vergiffenis smeeken. Die twee groote dienders voorop. Waarom zou hij ’t ook eigenlijk niet vertellen? Maar zouden ze hem gelooven? Hij kon ’t heelemaal niet bewijzen. Dat kon alleen Karibo en die was ergens anders … Maar waar? Hè, kwam er nu maar eens iemand.

Sleutels rammelden … ’t slot knarste … de deur ging open.

„Trek uit dat goed,” klonk het barsch.

„Mijn kleeren uittrekken?”

„Jouw kleeren? Wat ’n brutale aap … Trek uit … gauw …”

„Maar dan heb ik niets anders aan dan m’n hemd.”

„Kan me niet schelen … Trek uit.”

Abé deed ’t. En toen zat de keizer van Huk, prins Alphabet, naar wie iedereen zocht, in z’n hemd achter de tralies.

Want de barsche kerel was met de heele glinsterende rommel weggegaan en had de deur dicht getrokken, en natuurlijk weer stevig op slot gedraaid.Abé hoorde ook nog dat er grendels voor geschoven werden.

Hij kreeg ’t koud. ’t Was kil in ’t hok hoor. Abé zat te bibberen op z’n bank.

’n Heele tijd later kwam de vriendelijke man weer terug.

„Kom mee!”

„’k Heb geen kleeren.”

„Doet er niet toe. Kom mee.”

Abé vond, dat ze in Lumkiping raar met de menschen omsprongen. Hij had er nog nooit van gehoord, dat je in je hemd ergens anders naar toe moest dan naar je bed. Maar hier scheen ’t toch zoo te zijn. En daar tegenstribbelen wel niet helpen zou, want die bullebak van ’n vent stak al z’n eene hand uit om de gevangene dan maar met geweld mee te nemen, stond de keizerlijke prins van Huk van z’n bank op. Nu moest hij ’n gang door en nog een en nog een … totdat de man met de sleutelbos commandeerde: „Halt!” Hij stond weer juist voor ’n deur. Deze deed de sleutelman open en hij duwde Abé voor zich uit de kamer in.

Daar lagen op ’n tafel de kleeren die Abé van de roovers geleend had en ’n paar heeren bekeken aandachtig het mooie zwaard. ’n Derde zat deftig in ’n ruime zetel die wel wat op ’n troon leek. Dat was de burgemeester van Lumkiping. ’n Vierde zat aan de tafel te schrijven. Dat was zeker de secretaris.

Voor de tafel moest Abé blijven staan en de man met de sleutelbos legde z’n zware breede, dikke, harige hand op Abé’s schouder en zei: „Burgemeester, hier was-t-ie.”

De secretaris keek op sprak zacht en vinnig:

„Wàs-t-ie? Je bedoelt: hier ìs-t-ie, hè?”

De sleutelman keek norsch naar de nijdige secretaris maar zei niemendal terug.

Toen begon de burgemeester—de twee heeren waren net gaan zitten—opeens te vragen:

„Wie ben jij jongen? Hoe heet je? Waar kom je vandaan? Bij welke dievenbende hoor je? Waarom …”

„Burgemeester,” zei de secretaris zacht, „dat kan ik niet allemaal tegelijk opschrijven en de aangeklaagde kan ’t ook niet allemaal tegelijk beantwoorden.”

„O, doe ik ’t weer niet goed?” bromde de burgemeester. „Vraag jij ’t ’m dan!”

„Hoe heet je?” vroeg nu de secretaris bijna fluisterend.

„Ik heet Abé.”

„Hoe nog meer?”

„Niets meer.”

„Weet je ’t zeker?”

Dat was me ook ’n vraag! Wat moest ie daar nou op antwoorden. Hij heette eigenlijk Abecé, maar iedereen noemde hem Abé. Hij hield z’n mond dus maar.

„Hoe kwam je aan die kleeren?”

„Van de roovers!”

„Net zooals ik dacht”riep de burgemeester.

Doch de secretaris lette daar heelemaal niet op. Hij vroeg kalm verder:

„Welke roovers?”

„Uit ’t bosch.”

„Hoe heeten ze?”

„Weet ik niet.”

„Dat zal je wel liegen,” riep de burgemeester, doch toen de secretaris hem even aankeek liet hij er gauw op volgen: „Ga verder secretaris.”

„Is dat de waarheid?”

„Ja.”

„Hoe lang ben je al roover?”

„Ik ben heelemaal geen roover.”

En zoo vroeg de secretaris maar voort. Abé vertelde hoe hij bij de roovers gekomen was, wat hij er doen moest, waarom hij die kleeren meegenomen had, wat ie er mee dacht te doen. De secretaris vroeg ten slotte hoe de kleeren er uitzagen die hij aan had toen hij bij de roovers kwam. De burgemeester en de twee andere heeren luisterden al lang niet meer. Alles wat die secretaris vroeg en wat Abé antwoordde werd tegelijk opgeschreven en dat zou later wel door de rechter worden uitgezocht. De burgemeester was alleen maar blij dat ie z’n mooie pak terug had, de rest kon hem eigenlijk niemendal schelen.—Doch de secretaris was ’n slimmerd. Die begon te vermoeden dat die jongen Abé wel eens de gezochte prins kon zijn … maar hij vroeg er Abé niet naar. Dat wou hij maar liever eens doen onder vier oogen. Die duizend goudstukken verdiende hij liever alleen. Hij gaf de half slapende cipier last de gevangene weer naar ’t hok te brengen. Maar hij besloot die jongen diezelfde avond ’n goed pak kleeren te bezorgen en te maken dat ie goed te eten kreeg. Als ’t die verloren prins eens was, zou hem dat zeker geen windeieren leggen. Duizend goudstukken om te beginnen en dannog de dankbaarheid van de keizer van Huk. Dat was ook wat waard! Als die burgemeester maar weg was zou hij die jongen wel eens nauwkeurig gaan uitvragen.

Abé liet ’t hoofd hangen. Weer naar dat kille hok. Maar de man met de sleutels gaf hem ’n duwtje en vijf minuten later zat ie alweer achter slot en grendel.

’t Zag er niet mooi uit voor Abé en ’t zou voor hem heel wat prettiger geweest zijn als de roovers hem die morgen op de weg naar Lumkiping hadden kunnen inhalen. Nu waren ze net te laat gekomen en ze hadden juist nog kunnen zien hoe de twee politiereuzen Abé wegbrachten. Dit was ’n leelijke tegenvaller voor hen. Natuurlijk zou die jongen alles vertellen wat ie wist en dan waren er binnen ’n paar dagen ’n heele vracht politiemannen op weg naar het roovershuis. Ze moesten dus gauw terug om hun gestolen goed in veiligheid te gaan brengen. Dat wilden ze niet missen en dan wilden ze toch nog probeeren om de duizend goudstukken machtig te worden. De hoofdman was ’n sluwe baas. Die had gauw ’n plannetje verzonnen, dat veel kans van slagen had, zooals hij meende. Hij ging met z’n mannen naar huis en hij zelf reed zoo snel hij kon met de kleeren die Abé in ’t rooverhuis had achtergelaten, in ’n doek geknoopt naar ’t dorp waar Karibo en de oude Pirlapan zich ophielden. Daar kwam hij midden in de nacht aan. Hijvond’t nu beter maar te wachten tot de morgen met de uitvoering van z’n plan. De prins zat goed opgeborgen. Die liep niet weg. Maar ’t was nog heel vroeg toen hij alaanklopte aan de woning waar Karibo en Pirlapan verblijf hielden.

Die twee waren ook al op en reeds weer bezig nieuwe plannen te bespreken. Hoeveel ze er al verzonnen hadden wisten ze zelf niet meer. Doch telkens begonnen ze weer op nieuw. En nu kwam me daar opeens iemand, die hen stond te vertellen, als of ’t ’n heel gewone zaak was, dat ie misschien wel wist waar de prins te vinden was … en als bewijs bracht hij de kleeren mee, die Abé gedragen had. Ze bekeken de kleedingstukken. Die kwamen wel overeen met wat moeder Guldratsj en de boerenvrouw, bij wie hij die nacht voor de overval der roovers in huis geweest waren, er van verteld hadden. Maar zelf hadden ze die dingen nooit gezien. Toen vroeg Karibo opeens:

„Maar wat heeft de prins dan nu aan?”

Dat wist de roover niet … „vermoedelijk de kleeren van de burgemeester van Lumkiping.”

„Begrijp jij er wat van Pirlapan?” vroeg Karibo.

„Geen steek,” antwoordde deze. Laat die vent naar de maan loopen met z’n smoesjes. „Die duizend goudstukken zijn hem in z’n hoofd geslagen.”

De roover liet zich echter niet maar zoo wegsturen. Hij had veel te graag die hoop goud. Daaromzeihij, dat als de heeren hem de duizend goudstukken wilden beloven, maar zwart op wit, hij moest er ’n bewijs van hebben, onderteekend door Karibo en Pirlapan.., en als ze daar dan ook tevens in wilden zetten, dat noch hem noch z’n kameraden later iets kwaads zou geschieden, dan wilde hij wel alles vertellen wat hij wist. Ze zouden er geen spijt van hebben.

„Dat kunnen we licht probeeren,” zei Karibo tegen Pirlapan, en toen tegen de roover:„Het zal gebeuren zooals je verlangt, doch onder één voorwaarde. De duizend goudstukken krijg je, als ’t werkelijk blijkt, dat je ons ’t verblijf van de prins wijst. Vertel nu maar op.”

„Eerst ’t papier,” zei de roover.

Pirlapan werd al weer woedend. Karibo suste hem en begon vlug de verklaring te schrijven, zooals de roover verlangde. Karibo moest ’t hem nog eens voorlezen toen ’t klaar was, want de roover kon zelf niet lezen, en daarna stak deze ’t kostbare papiertje in z’n gordel.

„Kerel begin nou …” bulderde Pirlapan ongeduldig.„Je doet alsof we heel geen haast hebben …”

De roover lachte eens. Die was nu heel op z’n gemak. Maar toen vertelde hij van a tot z hoe ze de boer overvallen en de paarden meegenomen hadden tegelijk met Abé, dat die acht dagen bij hen stalknecht geweest was, en hoe ze hem hadden weggestuurd ’t bosch in, toen ze met hun allen op zoek gingen naar prins Alphabet. Dat ze later begrepen hadden wie hij was en ontdekt hadden dat hij de kleeren van de burgemeester van Lumkiping had aangetrokken, die zij gestolen hadden.

Pirlapan lachte luidkeels toen de roover dat vertelde, maar bij ’t vernemen, dat Abé door de dienders in Lumkiping was opgepakt en nu in de gevangenis zat, keek hij opeens weer ernstig.

„We moeten geen tijd verliezen,” zei hij.„We rijden er dadelijk heen.Jij gaat mee brave ziel, (dit was aan ’t adres van de rooverhoofdman) en als’t blijkt dat je ons wat hebt wijs gemaakt, dan kan je dadelijk je testament maken.”

De roover had er niets op tegen. Met dat briefje bij zich voelde hij zich zoo veilig alsof hij al z’n leven de braafste man uit heel Huk geweest was.

’n Kwartier later galoppeerden de drie mannen het dorp uit. Ze spaarden hun dieren niet en ze hielden alleen maar op om zelf wat te eten en de paarden te voeren, te drenken en wat te laten uitblazen. Doch dan ging ’t weer zoo snel mogelijk voorwaarts. Gelukkig waren ze alle drie taaie kerels en de paarden sterk en vlug. Maar toch waren ze alle zes doodop toen ze Lumkiping tegen de avond bereikten. De wandelaars in de straten sprongen verschrikt op zij voor de woeste ruiters en de reuzen van politieagenten staken vergeefs hun groote handen op om de ruiters tot wat minder gevaarlijke spoed aan te manen. Doch ze keken geen van drieën naar die waarschuwende handen, maar holden met luid hoefgeklepper over de keien regelrecht naar ’t raadhuis, waar volgens de rooverhoofdman prins Alphabet gevangen zat.

De roover moest bij de hijgende paarden blijven maar Karibo en Pirlapan waren zoo van hun paarden de trappen op gesprongen en liepen de schildwacht onderste boven, die op die trap voor de open deur op post stond. Die man was meteen de portier.

„Hé, stommeling,” bulderde Pirlapan, „sta de menschen niet in de weg. Waar is de burgemeester?”

De portier was heelemaal van z’n stukken. Hij werd nooit onderste boven geloopen, zelfs nog niet door de deftigste Lumkipinger en daar kwamenme zoo’n paar halve wilden aanhollen en ’t eerste wat ze deden was hem van de beenen te loopen. Hij zou die twee eens even leeren wat ze aan de portier van ’t raadhuis van Lumkiping verschuldigd waren.

Hij stond op, begon zich af te slaan, want er zat stof op z’n mouw en nam daarna Pirlapan van ’t hoofd tot de voeten op, alsof hij met z’n oogen wou zeggen: „Lap me dat nou nog eris.”

Dat was net iets voor de oude baron van Pirlapan die thuis heerschte als ’n koning, om zich door zoo’n stedelijk schildwachtje op die manier te laten aankijken, vooral nu hij haast had om prins Alphabet, de rechtmatige keizer van Huk uit z’n gevangenis te gaan bevrijden!

„Zeg eris!” riepPirlapanen had de schildwacht-portier al bij z’n kraag. Hij schudde hem heen en weer tot groot vermaak der Lumkipingers die beneden aan de trap nieuwsgierig om de vermoeide paarden heenstonden. „Wil jij me bij de burgemeester brengen of niet? O zoo, gauw dan hoor! Ik heb haast.”

De portier liep als ’n haas ’t raadhuis binnen, natuurlijk met Pirlapan en Karibo op z’n hielen. Tijd om eerst bij de burgemeester te gaan vragen of ie wel thuis was, had ie niet. Want Pirlapan stoof te gelijk met de portier de kamer in waar de burgemeester juist met de secretaris en nog ’n paar andere voorname Lumkipingers aan ’t vergaderen was.

„Wat moet dat beteekenen?” zei de burgemeester opstaand met ’n strenge blik de binnenkomenden aankijkend.

„Deze … indrin … gers …” stotterde de portier.

„Ruk uit, akelige vent,” bulderde Pirlapan … „Ik heb je nou niet meer noodig. Marsch … of ik …”

Hij hoefde zijn hand niet eens uit te steken. De schildwacht-portier was al verdwenen. Hij trok met ’n slag de deur achter zich dicht. Met die dolleman moest de burgemeester ’t maar klaar zien te spelen. Doch hij ging vast ’n stuk of wat politiereuzen halen. Hij had er zoo’n idee van dat die wel noodig zouden zijn binnen ’n paar minuten. Want natuurlijk liet de burgemeester die twee kerels ’t raadhuis uitgooien.

De burgemeester staarde ’n oogenblik beteuterd naar Pirlapan, doch toen wilde hij hen dan ook maar dadelijk de deur wijzen. Zoo’n optreden was niet geoorloofd in Lumkiping. Hij kwam er evenwel niet toe, want Pirlapan trad op de tafel toe met ’n paar dreunende stappen en zei:

„Burgemeester, je houdt hier ’n jongen gevangen en die moet je oogenblikkelijk in vrijheid stellen. We komen hem halen.”

Da’s zeker de rooverhoofdman, dacht de burgemeester en hij werd al ’n beetje benauwd. Had hij nu maar ’n stuk of wat dienders bij de hand, dan had hij hen meteen ook in de boeien kunnen laten slaan.

„Burgemeester,” zei nu Karibo, „die jongen is waarschijnlijk, neen we weten ’t zeker, prins Alphabet, de nieuwe keizer van Huk.”

De burgemeester viel met ’n plof in z’n zetel terug en de secretaris prevelde: „Net zoo als ik vermoedde.”

„Vooruit wat burgemeester …” zei Pirlapan met’n luide stem. „’n Keizer van Huk hoort niet in ’t raadhuis van Lumkiping gevangen te zitten en ’n Pirlapan laat je ook niet wachten als ie wat vraagt.”

„Pirlapan … bedaar wat … De burgemeester kon dit toch ook niet helpen,”suste Karibo.

„Maar nou kon ie ’t toch wel helpen? Hij hoeft daar nu niet in z’n stoel te blijven zitten terwijl ie op ’n drafje de prins moest gaan halen.”

„Heeren,” kwam nu de zachte stem van de secretaris … „deze gevangene is vannacht ontsnapt …”

„Hè … wat …?” riep Pirlapan … „Is prins Alphabet ontsnapt …? Waar naar toe?”

„Weet ik niet …” zei de secretaris. „Van morgen was de cel leeg.”

„Maar lieve hemel,” zei Karibo … „hoe kon dat nou …?”

„Weet ik niet …” herhaalde de secretaris weer … „Hij is ontvlucht … in z’n hemd.”

„In z’n hemd??”

„Ja …,hij had geen kleeren. Hij is gevangen genomen met de staatsiekleeding van de burgemeester aan, die had hij van roovers beweerde hij. De burgemeester heeft die mooie kleeren mee naar huis genomen …”

„En nou loopt de keizer van Huk ergens rond in z’n hemd?” riep Pirlapan … „Man, hoe kon jij ’t over je verkrijgen om zoo’n jongen ’n heele dag in z’n hemd in de gevangenis te laten zitten!!”

Hij stak z’n vuist op tegen de burgemeester. „Je moest er zelf in!!”

„Kom,” zei Karibo, terneer geslagen. „We moeten weer gaan zoeken. Hij kan nu toch niet ver wegzijn … ’n Jongen in z’n hemd moet toch ook iedereen gezien hebben …”

„Geen mensch heeft hem gezien,” zei de secretaris zacht. „Ik heb vanmorgen dadelijk overal nasporingen laten doen. Door de heele stad heb ik laten navragen. Niemand wist er iets van. ’t Geval is onbegrijpelijk.”

„’t Geval is onbegrijpelijk heeren,” zei de burgemeester die wat begon bij te komen. „En als er een is die er niemendal van begrijpt dan ben ik ’t.”


Back to IndexNext