PERSONEN:

PERSONEN:HEPHAISTOS,KRATOS,BIA,PROMETHEUS,REI VAN OKEANIEDEN,OKEANOS,IO,HERMES.Het tooneel stelt voor een rotsgebergte in de nabijheid der zee aan de grenzen van het land der Skythen. Een door pieken gekroonde rotswand rijst, in het midden tegenover de toeschouwers, achter een kloof. Rechts is uitzicht op de zee. Links voert het bergland, dat met een enkele stortbeek is gestoffeerd, op naar het hooger gelegen midden. De handeling vangt aan in den morgen.EERSTE TOONEELKRATOS, BIA, HEPHAISTOS, PROMETHEUS.KRATOS:Wij zijn gekomen tot der aarde grensver plein,De baan van Skythia, de onbetreden eenzaamheid.Nu past, Hephaistos, u de zending aan te gaan,Die vader Zeus u opdroeg: dat gij jokken zoudtTer hoogkanteelge rotsen dezen euvelaarIn stalen banden, boeien onverbrekelijk.Uw eigen bloem toch, ’t barnen van ’t alkunstig vuur,Stal hij en schonk het aan de stervers. Dus dient hijBoete af te dragen aan de goôn voor zulk misdrijf,Opdat hij onderwezen worde Zeus’ beheerTe lieven en te laten van ’t menschminnend doen.HEPHAISTOS:Kratos en Bia, voor u beiden heeft de lastVan Zeus hiermede een einde: niets bezwaart u meer.Maar ik, hoe waag ik aan verwanten god ’t geweldVan hem te boeien aan den stormbezochten rots?… Toch dwingt de nood mij dat ik daar den moed toe vat;Want vaders woorden licht te tellen wreekt zich zwaar …O rechtberaden Themis’ listensteile zoon,Weêrzinnig ga ik u, weêrzinngen, naaglen metOnlosbre smeedsels aan dees menschgeschuwden piek.Waar van geen stervling gij de stem of de gedaantSpeurt, maar geblakerd in de helle vlam der zonDen bloei uws lijfs verwisselt. Als een lafenisKomt nacht u ’t daglicht bergen in haar tintelwâ,En zon opnieuw vervluchten morgenlijken rijp.Doch staâg verteert u de erger van ’t aanwezig kwaad;Want nog is niet geboren, die u lossen zal.—Dat zijn de winsten die uw menschenmin behaalt.Zelf god, schonkt gij der goden eerrecht tegen recht,Zonder hun toorn te duchten, aan den stervling weg.Daarvoor nu gaat gij hoeden dees vreugdloozen rotsRechtstandig, zonder knie te knikken, slapeloos.En vele klagen en weeroepen zonder baatSlaakt gij; want zwaar vermurwlijk is de zin van Zeus:Een ieder is hardvochtig, die aanvanklijk heerscht.KRATOS:Welaan, wat draalt gij met uw nutteloos beklag?Hoe kan u deren dees meest godgehate godDie gaf uw eigen eerrecht stervelingen prijs?HEPHAISTOS:’t Verwante bloed en de omgang oefnen hoog gezag.KRATOS:Dat is zoo. Maar staat ongehoorzaamheid u vrijAan Vaders woorden? Wat van twee heeft meer gezag?HEPHAISTOS:Gij kent geen meêlij, zijt altoos van snoodheid vol.KRATOS:Hem te bejammren, immers, brengt geen heul. Ook gijSpaar de vergeefsche moeite van wat toch niet nut.HEPHAISTOS:O menigmaal verfoeide handenvaardigheid!KRATOS:Waarom haar schelden? Immers, aan dit huidig weeHeeft, eerelijk gesproken, uwe kunst geen schuld.HEPHAISTOS:In ieder opzicht wenschte ik haar een aêr als deel!KRATOS:Elk ambt heeft zijn bezwaren buiten de oppermachtOver de goden: geen is vrij dan Zeus alleen.HEPHAISTOS:Dat zie ’k voor oogen, en weêrspreken kan ’k het niet.KRATOS:Kom dus en haast u hem de boeien om te slaan;Want anders mocht uw vader u aan ’t talmen zien.HEPHAISTOS:Ziehier, de armboeien houd ik klaar, als elk kan zien.KRATOS:Sla ze om de polsen henen, en met stoere krachtZwaai uwen hamer, nagel ze in de rotsen vast.HEPHAISTOS:Dit werk wordt al voltrokken, slepen doet het niet.KRATOS:Klop harder, nijp de boeien, laat geen speling toe.Zijn groote list vindt uitweg waar geen uitweg is.HEPHAISTOS:Deze arm zit onbeweeglijk: vaardig die hem lost.KRATOS:Knel nu onwrikbaar de andre vast, opdat hij leer’Dat zijne wijsheid dwaasheid is bij die van Zeus.HEPHAISTOS:Geen kan met recht mij laken, of ’t moest deze zijn.KRATOS:Nu drijf dwars door de borstkas met uw volle krachtDer stalen wigge mededoogenlooze kaak.HEPHAISTOS:… Wee, wee, Prometheus, ’k steen om wat gij lijden moet!KRATOS:Weêr zie ’k uw ijver flauwen, weêr zucht ge over Zeus’Vijanden? Als ge u later zelf maar niet beklaagt!HEPHAISTOS:Gij schouwt een schouwspel zwaar voor oogen aan te zien.KRATOS:Ik zie hoe deze zijn verdiende loon erlangt.Leg nu om zijne lendnen de ijzren gordels aan.HEPHAISTOS:Helaas, ik moet wel—gij, laat uw bevelen na.KRATOS:’k Zal u naar lust bevelen, en nog hitsen ook!Ga nu naar onder: ring zijn enkels met geweld!HEPHAISTOS:Ziedaar: het werk is zonder veel bezwaar volbracht.KRATOS:Drijf nu nog kloek de klinken in de boeien aan;Want die uw werk zal keuren, is een grimmig heer.HEPHAISTOS:Uw tong schalt klanken aan uw uiterlijk gelijk.KRATOS:Wees gij flauwhartig—van mijn onverstoorbaarheidEn onvermurwden ijver maak mij geen verwijt.HEPHAISTOS:Nu, laat ons heengaan: ongekluisterd bleef geen lid.(Hij verwijdert zich metBIA; KRATOSblijft bijPROMETHEUSachter.)TWEEDE TOONEELKRATOS, PROMETHEUS.KRATOS:Vier nu en hier uw moedwil, roof en schenk der goônEerrechten aan de eendagelingen. Wat vermagDe stervling om u te verlichten van dees nood?Prometheus, den Voorziener, noemen u de goôn—Met leugen: een voorziener toch behoeft gij zelf,Hoe ooit te ontglippen aan de grepen dezer kunst.(Hij gaatHEPHAISTOSenBIAachterna.)DERDE TOONEELPROMETHEUS ALLEEN.PROMETHEUS:O goddlijke aither, en snelvleuglige ademen,En bronnen van rivieren, en van ’t zeegestrookHet talloos lachen, en almoeder aard,En ’t alziend rond der zonne roep ik aan:Ziet welke dingen ik, een god, van goden lijd!Ziet, door de krenking van wat kwalenVermaald, ik zwoegen zalDen tienmaalduizendjaargen tijd!Zoo smadelijke bandenHeeft tegen mij bedachtDer zaalgen nieuwe vorst.Wee wee! ik steen om ’t huidig en ’t toekomend wee:Hoe ooit van deze ellendenHet eind mag opgaan!En toch, wat spreek ik?—Zonneklaar weet ik vooruitDe gansche toekomst. Nimmer onvermoed zal mijEen leed genaken …. Zijn beschikte lot moet menNaar ’t kan gelaten dragen door het inzicht datDe macht van ’t noodlot toch niet te bekampen is …Maar zwijgen of niet zwijgen van dit ongeval—Ik heb geen keuze. Stervers schafte ik goderecht,En ben, rampzaalge, nu in dezen dwang gejokt,’k Ving in de holte van het tondelriet van ’t vuurDe steelsche bron die aller kunsten meesteresDen stervelingen en een machtge helpster bleek.Voor zulk een misdaad boet ik de verbeurde straf,Den smaad van deze banden onder de’ open dag …Ah ah!Wat klank vliegt mij toe? Wat onzichtbre geur—Van god? van mensch? van gemengd geslacht?—Reikt tot den aardebegrenzenden rots?Wie komt, mijn leed te aanschouwen? of waar anders toe?Ziet den rampspoedgen, den in boei geslagen god,Mij, vijand van Zeus, en bij alle de goônDie betreden de vloeren van Zeus’ hoog hof,Tot het uiterst gehaat om te machtige minTot het sterflijk geslacht.—Wee wee! wat hoor ik voor keerend geruchtIn der vooglen gebied? Op den aither vergonstHet gezwinde geklep van der vleugelen slag …Vrees brengt al wat mij nabij komt …VIERDE TOONEELPROMETHEUS, REI VAN OKEANIEDEN.(De rei bestaat uit twaalf Okeanieden, dochters van Okeanos en Thetys. Zij verschijnen rechts, van den zeekant, op gevleugelde wagens, en zijn voor den toeschouwer eerder zichtbaar dan voor Prometheus, die niet terzijde zien kan.)REI:Niets te vreezen: deze schareNaakt met vriendelijk bedoelen—Niet dan nauwlijks overreedde ik vaders onwil—Op der vleuglen vluggen wedstrijdTot de hoogten van den rots.’t Lichte geleî van den luchtstroom droeg mij.Want het dreunen van den mokerOp het staal doorklonk de diepteDer spelonken, en de schrik dreef uit mijn hart wegZedigschuchtre schaamte:Ongeschoeid snel ik aan op ’t gevederd voertuig!PROMETHEUS:Aai aai!Dochtren, door vader OkeanosDie in den keerkring van zijn slapeloozen stroomHeel de aarde omvat,Verwekt uit kinderrijke Thetys—Aanziet, aanschouwt in welke bandenIk vastgehecht hoog aan de piekenVan dezen rotswandEen onbenijde wacht ga voeren.REI:’k Zie, Prometheus—voor mijn oogenTrekt de duistre nevel samenZwaar van tranen bij den aanblikVan uw lijf dat gaat verdorrenAan den zongeblaakten rotsWaar deze stalen hoon u ketent.Op de’ Olympos immers heerschenNieuwe stuurders aan de roerpen:Zeus, naar ongekende wetten,Is er meester zonder toezicht.Hij verduistert al vorig geweld.PROMETHEUS:Och had hij mij onder de aarde enBeneden der dooden huisvest HadesGestort in mateloozen Tartaros,Geslagen daar in wreede onlosbre boeien,Dat god noch ander wezenZich over dit mijn leed verblijdde …Nu, wankel tusschen aarde en hemel, lijd ikRampzaalge mijner haatren welbehagen.REI:Wie van de goôn is zoo verhard van hart,Die hierin leedbehagen heeft?Wie deelt niet de’ erger om uw kwalen—Behalve Zeus? Hij, in aanhoudend wrokken,Met onverzettelijk gemoed,Oefent geweld aan ’t hemelsche geslacht:Hij houdt niet op vóor hij zijn hart verzaad heeft,Of éen bij nieuwen staatsgreep rooft de zwaar te rooven almacht.PROMETHEUS:Toch zal nog eens, al hang ik thans te hoonIn boeien zwaar, naar mij in nood gerakenDer zaligen bestuurder,Dat ik hem duid’ den nieuwen aanslagDie staf en waardigheid hem uitschudt.Dan zal hij mij met honingtaligGevlei van overreding niet bekoren,En nooit uit angst voor strafst bedreigenLaat ik het woord los vóor hij slaaktDees wreede boeien en mij boeteVan dezen smaad betalen wil.REI:Gij geeft in uw vermetelheidAan felste smarten niets gewonnen;Uw mond leert nimmer deemoed …Maar mij doorpriemt het hart de stekel van de vrees,Ik ducht om wat u staat te wachten:Hoe ge ooit uit deze zee van noodenMoogt landen en haar eind aanschouwen …Want niet te vinden is ’t gemoed, niet te beroepen ’t hart van Kronos’ zoon.PROMETHEUS:’k Weet dat hij hard is, dat hij ’t rechtStelt naar zijn eigen hand.Toch zal hij, denk ik, straksWanneer die nood hem slaat,Weekmoedig wezen:Dan baant hij starren toorn tot effen pad,Dan treedt om vredebond en vriendschapZijn ongeduld mijn ongeduld tevoren.REI:Ontvouw en openbaar ons heel den samenhang,Op grond van wat betichten Zeus u grijpen lietEn u zoo smaadlijk en zoo bitterwreed kastijdt.Leer ons de waarheid—of ’t uitspreken mocht u schaên …PROMETHEUS:Wel zijn dees dingen te verhalen smartlijk mij,Doch smart ook is ’t verzwijgen—: alzijds ongeval!Vandat partijhaat uitbrak bij de zaligenEn onderlinge tweedracht deelend zich verhief,Daar de éenen Kronos wilden werpen van den troonEn Zeus de heerschap geven, de andren ijverdenDat nooit of nimmer Zeus de goden zoû gebiên,—Heb den Titanen, Oeranos’ en Gaia’s kroost,Ik daadlijk besten raad geschaft, maar niet vermochtHen te overreden. In hun stoeren eigendunkVerachtten ze alle list als middel: met geweldDachten zij te overmogen zonder slag of stoot.Maar mij had mijne moeder Themis meer dan eens,En Gaia, ’t éene wezen onder namen veel,Voorkondigd hoe de toekomst zich vervullen zoû:Dat de overwinning niet aan kracht of aan geweldZoû komen, maar aan wie in list had overmocht.Dat heb ik hun met zooveel woorden uitgelegd,Maar zelfs tot aandacht hebben zij zich niet verwaard.Bij dezen staat van zaken scheen mij veiligst toeOm saam met mijne moeder, reede en welkom, mijTe scharen bij de medestanderen van Zeus.En naar mijn raadslag bergt nu ’t donkerdiepe ruimVan Tartaros oerouden Kronos samen metZijn bondgenooten. Zulke diensten heeft van mijDer goden overweldger ondervonden enOp zijn beurt hen vergolden met dit booze loon.Want dat is wel de krankheid die al tyrannieAankleeft, dat men zijn vrienden geen vertrouwen schenkt.Doch wat aangaat uw vragen, om wat oorzaak hijMij hoont en tuchtigt, geef ik garen u bescheid.Zoodra Zeus was gezeten op zijn vaders troon,Wijst hij onmiddlijk aan een elk der goden toeZijn eigen eerrecht, deelt en regelt het bewind.Maar met de armzaalge stervelingen hield zijn planGeen reekning. Ja, hij wilde hun geheel geslachtVerdelgen tot het scheppen van een ander nieuw.Hiertegen in verzet kwam niemand. Ik alleen,Ik waagde ’t. ’k Heb de stervers van hun doem geredOm reddeloos verdorven Hades in te gaan.Daarom is ’t dat ik onder deze pijnen krimp,Die smartlijk zijn te lijden, deerniswaard te zien.Mijn daad was deernis tot de stervers, doch ik-zelfWerd die niet waard bevonden, maar meêdoogenloosVerwezen tot dit Zeus-onteerend schouwtooneel.REI:Diens hart is ijzer in zijn rotsgehouwen borst,Die niet, Prometheus, de’ erger om uw nooden deelt.Ik toch, hoe garen had ik nooit dit aangeschouwd!En nu ik ’t aanzie, wordt mijn hart door pijn geprangd.PROMETHEUS:Ja, wel ben ik mijn vrienden deerniswaard te zien.REI:Als maar uw stoutheid niet nog verder ging dan dit …PROMETHEUS:De stervers heelde ik van den dood vooruit te zien.REI:Wat middel tegen deze krankheid vondt gij uit?PROMETHEUS:De hoop, die blind is, heb ik in hun borst behuisd.REI:Een groote winst was deze uw gaaf den sterveling.PROMETHEUS:Maar buitendien nog heb ik hun het vuur verstrekt.REI:En nu bezit de eendaagling den vlamglans van ’t vuur?PROMETHEUS:Ja, en in vele kunsten onderwijst het hem.REI:Zeus dan om oorzaak van geen zwaarder schuldverwijt—PROMETHEUS:Straft met zijn hoon mij, laat van geene kwelling af.REI:En is geen einde van uw zwoegen u beschikt?PROMETHEUS:Geen ander dan het tijdstip dat aan hem behaagt.REI:Hoe mag ’t behagen? Is er hoop? Ziet gij niet inDat gij misdaan hebt? Dat gij hebt misdaan, is mijEen grief te zeggen … U is ’t smart … Ook weegt dit nietTer zake … Zoek naar eenige’ uitweg uit uw nood!PROMETHEUS:Voor wie zijn voeten buiten leed heeft, is het lichtTe sporen of te gispen wien het boos vergaat …Doch ik, alle gevolgen wist ik lang vooruit.Bewust, bewust misdeed ik—ik ontken het niet:Den stervling helpen hielp mij-zelven in ellend.Toch kon ’k niet denken dat in zulk een straf als deesIk zoû verschromplen aan de tinnen van den rotsOp dezen alverlaten nabuurloozen piek …Laat me af van jammren om dit oogenblikklijk wee!Doch daalt ter aarde en luistert wat al ongevalNog dreigt, opdat gij alles tot den einde leert.Geeft toe, geeft toe mijn bede: deelt de ellend van eenDie nu in nood is: eender op zijn tijd tot elkKomt lijden in zijn zwerfgang om een onderdak.REI:Reeds willig, Prometheus, vindt ons uw roepOm te doen wat gij vraagt.Nu verlaat ik mijn windsnel-ijlende koetsEn den heiligen aither, der vooglen revier;Nu naak ik op voeten der hinde den grondDezer grimmige rotsen: mijn hart gaat uitOm uw nooden ten einde te hooren.(Zij stijgen van hare wagens af.)VIJFDE TOONEELPROMETHEUS, REI VAN OKEANIEDEN, OKEANOS.OKEANOS (verschijnt op een gevleugelden draak):Ik bereik u, Prometheus, ’t doel van het padMijner durige reize, gestegen op deesSnelvleugligen draak dien ’k enkel bestuurMet de toomen der stille gedachte.—Weet wel dat ik deel in de smart van uw lot;Want daartoe dringt mij verwantschap en bloed;Maar ook buitendien is geen wien ’k gunIn mijn achting een hoogeren zetel dan u.Dat ik waarheid spreek, dat mijn tong niet vleitSchijnwoorden om gunst, ondervindt gij terstond:Openbaar wat hulp ik betoonen u kan:Op een hechteren vriend dan Okeanos is,Zult nimmer ge u kunnen beroemen.PROMETHEUS:Wat is er nu weêr? Komt ook gij om toe te zienBij mijne nooden? Hoe hebt gij gewaagd den stroomDie uwen naam voert, en uw grotten rotsgedaktNatuurgehouwen te verlaten voor dit landDrachtig van ijzer? Of zijt gij gekomen omU met mij te ergren in den aanblik van mijn leed?Aanzie dit schouwspel, dezen bondgenoot van Zeus,Die saam met hem bevest heeft zijne heerschappij,Met welke kwalen ik door hem gefolterd word.OKEANOS:Ik zie, Prometheus,—en al zijt gij listenbont,’k Wil u te sporen trachten met mijn besten raad.Keer tot u-zelven, stem tot nieuwe wijzen omUw inborst: nieuw ook is de heerscher bij de goôn.Als gij blijft slingren zulke fel gewette reên,Allicht mocht Zeus u, staat zijn stoel ook nog zoo hoog,Vernemen, en in ’t einde dunkt zijn huidge toornMet al zijn kwalen u nog kinderspel te zijn.Maar, o rampzaalge, laat van uwen wrevel afEn zoek naar een verlossing uit dees kwellingen.Misschien lijkt u verouderd wat ik zeggen ga:Dit is het eenig handgeld dat men beuren kan,Prometheus, met te pralend pochen van de tong.Gij blijft hoovaardig, onder rampen bukt gij niet,En bij uw rampen zoekt gij nieuwer rampen winst.Als gij dus naar mijn onderwijzing hooren wilt,Sla tegen prikkels niet deverzenen; want gij ziet:Een grimmig heerscher zonder rekenschap regeert.En nu ga ik heen, laat geen poging onbeproefdOf ik uit deze nooden u verlossen kan.Doch gij, blijf rustig, toom uw monds onstuimigheid.Of weet gij, die terecht alwijs genaamd wordt, nietDe tuchtging die der ijdle tong wordt ingeprent?PROMETHEUS:’k Prijs uw geluk al, dat gij straffeloos uitgaat,Die u verstout hebt deel te nemen in mijn lot.Nu laat het wezen, spaar uw zorg. Gij overreedtHem toch niet; want voor overreding is hij doof.Wees zelf omzichtig dat uw gang geen smartgang wordt.OKEANOS:Veel beter maant uw aanleg andren dan u-zelfTot rede: niet maar woorden, feiten zijn bewijs.Doch houd mij hunkrend naar de reize niet terug.Want groot maak ik mij, ’k maak mij groot dat Zeus dees gunstMij toestaat, en uit deze nooden u bevrijdt.PROMETHEUS:Deels prijs ik, houd u nimmermeer te prijzen op;Want in bereidheid schiet gij niets te kort. Toch laatUw moeite: zonder mij te baten zoudt vergeefsGe u moeien, als gij u al moeite geven wilt.Maar houd in rustig toezien zelf u buiten schot.Want ik, al ben ’k rampzalig, zoû daarom niet graagZoovelen mooglijk naast mij zien met leed bedeeld.O neen ik—diep genoeg al schrijnt mij ’t ongelukMijns broeders Atlas die ter avondlandsche steêDe zuil des hemels en der aard te stutten staatMet zijne schoudren, kwadelijk te wiegen last.Met deernis ook zag ’k hoe de reuzge burchtheer vanKilikia’s grotten, het strijdbarnend monster metZijn honderd koppen, door geweld beteugeld werd,Grimmige Typhoon die al goden weêrstand bood,Uit grouwelijke kaken sissespreidend vrees.Hij bliksemde uit zijn oogen schrikstijvenden gloedAls ging zijn oerkracht nederhalen Zeus’ bewind.Maar op hem neder voer diens slapelooze lans,De steilgetrede bliksem blazend vuur en vlam,Die midden in de grootspraak zijner blufferijHem stom smeet. Want vlak in het middenrif geraakt,Werd hij versinteld; donder sloeg zijn krachten murw.En nu, een hulpelooze werktuiglijke romp,Ligt hij ter zijde van de nauwe straat der zeeOnder de wortlen van berg Aitna neêrgedrukt;En boven op de toppen zit en smeedt zijn staalHephaistos. Toch eens zullen breken vandaar uitRivieren vuur, die vreten in haar wilden muilDe vlakke bunders van vruchtbaar SikeliaMet heete beten van onnaakbren vlammevloed.In zulk een toornen ziedt nog eenmaal Typhoon op,Al ligt hij door den bliksem nu van Zeus verkoold.—Gij hebt genoeg ervaring, onderwijs van mijIs u niet noodig: red u-zelf zoo goed gij kunt.Ik stuur alleen wel tegen ’t huidig onheil op,Tot Zeus bezonnen af zal laten van zijn toorn.OKEANOS:Ziet gij, Prometheus, dan niet in dat redenenVoor ziel die ziek van toorn is, als heelmeesters zijn?PROMETHEUS:Ja, als men tijdig ’t hart met zalf te streelen weet,Maar niet als men ruwhandig ’t zeer gemoed nog kneust.OKEANOS:Wat mooglijk nadeel ziet gij—geef mij onderricht—In bereidwillge vriendschap die het uiterst waagt?PROMETHEUS:Moeite overbodig en lichtzinnge onnoozelheid.OKEANOS:Gun dat gebrek mij: die verstandig is, behaaltHet grootste voordeel door den schijn van onverstand.PROMETHEUS:U wordt de dwaasheid aangerekend—mij de schuld.OKEANOS:Uw woord zendt me onverholen weêr naar huis terug.PROMETHEUS:Uit vrees dat mij bejammren u in onmin stort.OKEANOS:Met hem die nieuwlings op den stoel der almacht zit?PROMETHEUS:Wees op uw hoede dat gij nooit zijn hart vergramt.OKEANOS:Dat leert, Prometheus, mij uw eigen ongeluk.PROMETHEUS:Haast u ter reize: red het inzicht dat gij wont!OKEANOS:’k Ben onderweg al, nu uw roep mij manen komt.Zie, de effen baan des aithers veegt met vleugelen’t Viervoetig rijdier. Blijde, denk ik, zal hij zijnZijn knieën weêr te buigen in gewenden stal.ZESDE TOONEELPROMETHEUS, REI VAN OKEANIEDEN.REI:’k Beklaag u om uw heilloos lot, Prometheus!Droppel na droppel pleng ik uit mijn oogenDer tranen milden stroom.Zijn vochte dauw bevloeit mijn wangen.Want dit onbenijdbaar lijdenDat naar willekeurge wettenZeus beschikt,Dreigt al vroegren goden samenOvermoedge dwinglandij.Reeds galmt het gansche wijde land van klachten:Ik hoor den westerling bejammrenVan u en van uw bloedgenootenHoogheerlijke edeloude macht.Al de stervers die bevolkenHeilige Asia’s ruime woonsteê,Deelen met u in het zwoegenVan uw zuchtenluide wee:Die in ’t land van Kolchis huizen,Maagden nimmer strijd ontdeinzend,En de drom van Skythen die derAarde verstgelegen strekenOm ’t Maiotisch meer bezetten,—Aria’s manhafte bloesem,Die de hooggetinde vestingNaast den Kaukasos bewonen,Strijdbre benden die rumoerenMet de scherpgeboegde lansen——Eén enklen andren god zag ik tot nu,Eén Titan, eveneensIn lijden overweldigd:Atlas die onverpoosd’t Ontzaggelijk hooge gevaarte der aardSaam met de hemelsche asBoven zijn zuchten torst—:De roep der zee valt ruischend in; de diepte kreunt;Het donker ruim van Hades rommelt onder de aard;Der heilige rivieren bronnen stenen vloeibre deernis.PROMETHEUS:Wijt niet aan ingebeeldheid of aan ijdlen trotsMijn zwijgen. Diepgevoelde wrok verteert mijn hart,Dat ik met zulke smaadheid mij mishandeld zie …En toch, wie anders in-den-grond wel wees dan ikAan deze nieuwe goden hun eerrechten toe?Doch daarvan zwijg ik. Waartoe zoude ik wat gij weetBespreken? Luistert liever welke ellende ik vondOnder de stervers, hoe zij reêloos waren eerIk hen bedeelde met bewustheid en verstand …Niet daar ’k den menschen iets verwijt, verhaal ik dit—Der gaven goed bedoelen stel ik in het licht …Zij keken eertijds ziender-oogen zonder zien,En hoorden zonder hooren; ’t lieve leven langGelijk droomschimmen warden ze alles hulpeloosDooreen; hout te verwerken noch uit tichelsteenZon-open huizen op te trekken wisten zij;Maar onder de aard vergraven in het zonloos diepVan holen woonden ze als het wriemlend mierendom.En geen beproefd kenteeken duidde hun de komstVan winter of van bloemenvollen voorjaarstijdOf vruchtenrijpen zomer; al hun doen ontbrakBegrip en inzicht, tot ik hun heb wijsgemaaktDer starren zwaar te kennen op- en nedergang.En verder vond ik de getallen voor hen uit,Den sleutel van al weten, en het letterschrift,Al dings gedachtnis, zoogster aller moezenkunst.Het eerst ook temde ik onder ’t jok het wilde vee,Dat, slaven van het trekzeel en het zadelpak,Zij van de stervers overnamen ’t zwaarst gezwoeg.Ook spande ik aan de waagnen ’t leidselvolgzaam rasDer paarden, overrijker weelde schoonen pronk.En niemand anders vóor mij heeft der schipperenZeezwervend zeilbevleugeld voertuig uitgedacht …Ik die den stervers diergelijke middlen vond,Ben, zelf rampzalig, tot geen enkle vondst instaat,Waardoor ik zoude ontkomen aan dit huidig wee.REI:Smaadlijke kwelling! Dolen doet gij, van verstandVerbijsterd, als geneesheer die tot krankheid komtEn in onmachtge wanhoop voor zich-zelven nietHet middel weet te vinden, dat genezing brengt.PROMETHEUS:Nog meer zult gij bewondren, als gij verder hoortWat kunsten en uitwegen ik verzonnen heb.Al daadlijk: als er vroeger een van hen vervielTot krankheid, kenden zij geen leenging, zalf noch drankNoch eetbaar kruidsel; door gebrek aan middelenVerdorden hunne lijven vóórdat ik hun weesHoe te bereiden pijnstillende mengselen,Waarmeê voor elke ziekte zij zich veiligen.De vele wijzen ook der waarzegkunst heb ikBegrond. Ik onderscheidde van de droomen ’t eerst,Welke in vervulling treden; duidde hun de zwaarSchiftbre geruchten, de onderweegsche teekenen.De vlucht der kromgeklauwde vooglen heb ’k gebaaktIn zuivre grenzen: welke gunstig uitteraardZijn, welke ongunstig, en de levenswijs van elk,Wat vijandschappen en bevriendheên onderlingHen deelen of tot samenkomsten gaderen.Der ingewanden gaafheid leerde ik hun: wat kleurDe gal moet hebben, die den goden meest behaagt,De bonte wissling van der leverlobben vorm.Ik hielp op weg hen in de moeizame offerkunst:De zware heupen en de schenklen vet-omwoeldVerbrandde ik, en der vlammen teeknen, die voordienStarduister waren, heb ’k verzichtbaard voor hun oog.Zoo waren dees mijn gaven …. En wat onder de aardDen menschen aan hulpmiddlen weggeborgen ligt,Brons, ijzer, goud en zilver—wie kan zeggen datHij hen heeft uitgevonden eer dan ik het deed?’k Weet zeker, niemand, die niet ijdel bluffen wil.—Verneem dan alles in éen bondig woord vervat:Geen kunst die niet den stervers van Prometheus stamt.REI:Gij die den stervers boven mate hebt gebaat,Besteed aan eigen rampspoed thans uw zorg; want ikBen goeder hope dat, uit deze banden los,Gij eens nog even machtig wezen zult als Zeus.PROMETHEUS:Nog niet gewezen is ’t vervullingdragend lotDat dit zóo zal geschieden. Door oneindge pijnEn smart gekromd eerst, mag ’k ontkomen aan den boei.Want alle kunst blijft machtloos bij noodwendigheid.REI:Wie dan wel stuurt de roerpen dier noodwendigheid?PROMETHEUS:Gedachtge Erinyen, met der Moiren driegedaant.REI:En is Zeus dus de minder machtge dezer zes?PROMETHEUS:Ook hij zoû niet ontkomen aan ’t bestelde lot.REI:Wat aêrs dan eeuwig heerschen is Zeus voorbeschikt?PROMETHEUS:Dat zoudt gij niet vernemen: dring er niet op aan!REI:Een schrikkelijk geheim is ’t, wat gij ons verhult?PROMETHEUS:Gedenkt een andre rede. Thans is ’t niet de tijdDit te verluiden. Dieper moet ik het dan ooitIn stilte domplen. Want door dit bewaard geheimOntkom ik mijnen smarten en der banden smaad.REI:Moge nimmerZeus die alle ding bestiert,Aan mijn wil zijn macht vijandig overstellen!Moge ik nimmer ook vertragenIn het dienen van de godenBij de heiige runderslachtende offermalenAan den oever van Okeanos’, mijn vaders,Niet te dempen stroom!Moge ik nooit met woorden mij bezondgen,Maar laat onvervaagd beklijvenDeze wijsheidIn de taaflen van mijn hart:Zoet is het aaneen te rijenAl de dagen van zijn levenTot een snoer geruste hoop,Wijl het hart aan stralende geneuchtenZich verkwikt en nooit verzaadt—Maar uw aanblik doet mij huivren,Hoe door kwalen gij vermaald wordt,Niet te tellen, zelf-gekozen …Immers zonder Zeus te duchtenViert uw eigendunk te zeer den sterveling, Prometheus!Zie nu hoe zonder dank de weldaad blijft, mijn vriend!Zegt wat verweer en waar?Wat helpt de bijstand der eendagelingen?En ziet gij nietDe krachtelooze droomgelijkeOnmacht waarin belemmerdHet blind geslacht der stervelingen rondtast?Geen kans dat ooit der menschen raadslag gaZeus’ wereld-evenwicht tebuiten!Dit leerde ik uit den aanblik van uw heilloos lot, Prometheus.… Hoezeer verscheiden klinkt het lied dat in mij opwelt,Van vroeger lied dat ’k hief ter viering van uw huwlijkNaast bruîgoms bad en bed,Toen gij door overreding van geschenkenHesiona, mijn vaders dochter,Voerde als uw vrouw tot bijslaaps zoet geweld.

PERSONEN:HEPHAISTOS,KRATOS,BIA,PROMETHEUS,REI VAN OKEANIEDEN,OKEANOS,IO,HERMES.Het tooneel stelt voor een rotsgebergte in de nabijheid der zee aan de grenzen van het land der Skythen. Een door pieken gekroonde rotswand rijst, in het midden tegenover de toeschouwers, achter een kloof. Rechts is uitzicht op de zee. Links voert het bergland, dat met een enkele stortbeek is gestoffeerd, op naar het hooger gelegen midden. De handeling vangt aan in den morgen.

PERSONEN:HEPHAISTOS,KRATOS,BIA,PROMETHEUS,REI VAN OKEANIEDEN,OKEANOS,IO,HERMES.

Het tooneel stelt voor een rotsgebergte in de nabijheid der zee aan de grenzen van het land der Skythen. Een door pieken gekroonde rotswand rijst, in het midden tegenover de toeschouwers, achter een kloof. Rechts is uitzicht op de zee. Links voert het bergland, dat met een enkele stortbeek is gestoffeerd, op naar het hooger gelegen midden. De handeling vangt aan in den morgen.

Het tooneel stelt voor een rotsgebergte in de nabijheid der zee aan de grenzen van het land der Skythen. Een door pieken gekroonde rotswand rijst, in het midden tegenover de toeschouwers, achter een kloof. Rechts is uitzicht op de zee. Links voert het bergland, dat met een enkele stortbeek is gestoffeerd, op naar het hooger gelegen midden. De handeling vangt aan in den morgen.

EERSTE TOONEELKRATOS, BIA, HEPHAISTOS, PROMETHEUS.KRATOS:Wij zijn gekomen tot der aarde grensver plein,De baan van Skythia, de onbetreden eenzaamheid.Nu past, Hephaistos, u de zending aan te gaan,Die vader Zeus u opdroeg: dat gij jokken zoudtTer hoogkanteelge rotsen dezen euvelaarIn stalen banden, boeien onverbrekelijk.Uw eigen bloem toch, ’t barnen van ’t alkunstig vuur,Stal hij en schonk het aan de stervers. Dus dient hijBoete af te dragen aan de goôn voor zulk misdrijf,Opdat hij onderwezen worde Zeus’ beheerTe lieven en te laten van ’t menschminnend doen.HEPHAISTOS:Kratos en Bia, voor u beiden heeft de lastVan Zeus hiermede een einde: niets bezwaart u meer.Maar ik, hoe waag ik aan verwanten god ’t geweldVan hem te boeien aan den stormbezochten rots?… Toch dwingt de nood mij dat ik daar den moed toe vat;Want vaders woorden licht te tellen wreekt zich zwaar …O rechtberaden Themis’ listensteile zoon,Weêrzinnig ga ik u, weêrzinngen, naaglen metOnlosbre smeedsels aan dees menschgeschuwden piek.Waar van geen stervling gij de stem of de gedaantSpeurt, maar geblakerd in de helle vlam der zonDen bloei uws lijfs verwisselt. Als een lafenisKomt nacht u ’t daglicht bergen in haar tintelwâ,En zon opnieuw vervluchten morgenlijken rijp.Doch staâg verteert u de erger van ’t aanwezig kwaad;Want nog is niet geboren, die u lossen zal.—Dat zijn de winsten die uw menschenmin behaalt.Zelf god, schonkt gij der goden eerrecht tegen recht,Zonder hun toorn te duchten, aan den stervling weg.Daarvoor nu gaat gij hoeden dees vreugdloozen rotsRechtstandig, zonder knie te knikken, slapeloos.En vele klagen en weeroepen zonder baatSlaakt gij; want zwaar vermurwlijk is de zin van Zeus:Een ieder is hardvochtig, die aanvanklijk heerscht.KRATOS:Welaan, wat draalt gij met uw nutteloos beklag?Hoe kan u deren dees meest godgehate godDie gaf uw eigen eerrecht stervelingen prijs?HEPHAISTOS:’t Verwante bloed en de omgang oefnen hoog gezag.KRATOS:Dat is zoo. Maar staat ongehoorzaamheid u vrijAan Vaders woorden? Wat van twee heeft meer gezag?HEPHAISTOS:Gij kent geen meêlij, zijt altoos van snoodheid vol.KRATOS:Hem te bejammren, immers, brengt geen heul. Ook gijSpaar de vergeefsche moeite van wat toch niet nut.HEPHAISTOS:O menigmaal verfoeide handenvaardigheid!KRATOS:Waarom haar schelden? Immers, aan dit huidig weeHeeft, eerelijk gesproken, uwe kunst geen schuld.HEPHAISTOS:In ieder opzicht wenschte ik haar een aêr als deel!KRATOS:Elk ambt heeft zijn bezwaren buiten de oppermachtOver de goden: geen is vrij dan Zeus alleen.HEPHAISTOS:Dat zie ’k voor oogen, en weêrspreken kan ’k het niet.KRATOS:Kom dus en haast u hem de boeien om te slaan;Want anders mocht uw vader u aan ’t talmen zien.HEPHAISTOS:Ziehier, de armboeien houd ik klaar, als elk kan zien.KRATOS:Sla ze om de polsen henen, en met stoere krachtZwaai uwen hamer, nagel ze in de rotsen vast.HEPHAISTOS:Dit werk wordt al voltrokken, slepen doet het niet.KRATOS:Klop harder, nijp de boeien, laat geen speling toe.Zijn groote list vindt uitweg waar geen uitweg is.HEPHAISTOS:Deze arm zit onbeweeglijk: vaardig die hem lost.KRATOS:Knel nu onwrikbaar de andre vast, opdat hij leer’Dat zijne wijsheid dwaasheid is bij die van Zeus.HEPHAISTOS:Geen kan met recht mij laken, of ’t moest deze zijn.KRATOS:Nu drijf dwars door de borstkas met uw volle krachtDer stalen wigge mededoogenlooze kaak.HEPHAISTOS:… Wee, wee, Prometheus, ’k steen om wat gij lijden moet!KRATOS:Weêr zie ’k uw ijver flauwen, weêr zucht ge over Zeus’Vijanden? Als ge u later zelf maar niet beklaagt!HEPHAISTOS:Gij schouwt een schouwspel zwaar voor oogen aan te zien.KRATOS:Ik zie hoe deze zijn verdiende loon erlangt.Leg nu om zijne lendnen de ijzren gordels aan.HEPHAISTOS:Helaas, ik moet wel—gij, laat uw bevelen na.KRATOS:’k Zal u naar lust bevelen, en nog hitsen ook!Ga nu naar onder: ring zijn enkels met geweld!HEPHAISTOS:Ziedaar: het werk is zonder veel bezwaar volbracht.KRATOS:Drijf nu nog kloek de klinken in de boeien aan;Want die uw werk zal keuren, is een grimmig heer.HEPHAISTOS:Uw tong schalt klanken aan uw uiterlijk gelijk.KRATOS:Wees gij flauwhartig—van mijn onverstoorbaarheidEn onvermurwden ijver maak mij geen verwijt.HEPHAISTOS:Nu, laat ons heengaan: ongekluisterd bleef geen lid.(Hij verwijdert zich metBIA; KRATOSblijft bijPROMETHEUSachter.)

EERSTE TOONEELKRATOS, BIA, HEPHAISTOS, PROMETHEUS.KRATOS:Wij zijn gekomen tot der aarde grensver plein,De baan van Skythia, de onbetreden eenzaamheid.Nu past, Hephaistos, u de zending aan te gaan,Die vader Zeus u opdroeg: dat gij jokken zoudtTer hoogkanteelge rotsen dezen euvelaarIn stalen banden, boeien onverbrekelijk.Uw eigen bloem toch, ’t barnen van ’t alkunstig vuur,Stal hij en schonk het aan de stervers. Dus dient hijBoete af te dragen aan de goôn voor zulk misdrijf,Opdat hij onderwezen worde Zeus’ beheerTe lieven en te laten van ’t menschminnend doen.HEPHAISTOS:Kratos en Bia, voor u beiden heeft de lastVan Zeus hiermede een einde: niets bezwaart u meer.Maar ik, hoe waag ik aan verwanten god ’t geweldVan hem te boeien aan den stormbezochten rots?… Toch dwingt de nood mij dat ik daar den moed toe vat;Want vaders woorden licht te tellen wreekt zich zwaar …O rechtberaden Themis’ listensteile zoon,Weêrzinnig ga ik u, weêrzinngen, naaglen metOnlosbre smeedsels aan dees menschgeschuwden piek.Waar van geen stervling gij de stem of de gedaantSpeurt, maar geblakerd in de helle vlam der zonDen bloei uws lijfs verwisselt. Als een lafenisKomt nacht u ’t daglicht bergen in haar tintelwâ,En zon opnieuw vervluchten morgenlijken rijp.Doch staâg verteert u de erger van ’t aanwezig kwaad;Want nog is niet geboren, die u lossen zal.—Dat zijn de winsten die uw menschenmin behaalt.Zelf god, schonkt gij der goden eerrecht tegen recht,Zonder hun toorn te duchten, aan den stervling weg.Daarvoor nu gaat gij hoeden dees vreugdloozen rotsRechtstandig, zonder knie te knikken, slapeloos.En vele klagen en weeroepen zonder baatSlaakt gij; want zwaar vermurwlijk is de zin van Zeus:Een ieder is hardvochtig, die aanvanklijk heerscht.KRATOS:Welaan, wat draalt gij met uw nutteloos beklag?Hoe kan u deren dees meest godgehate godDie gaf uw eigen eerrecht stervelingen prijs?HEPHAISTOS:’t Verwante bloed en de omgang oefnen hoog gezag.KRATOS:Dat is zoo. Maar staat ongehoorzaamheid u vrijAan Vaders woorden? Wat van twee heeft meer gezag?HEPHAISTOS:Gij kent geen meêlij, zijt altoos van snoodheid vol.KRATOS:Hem te bejammren, immers, brengt geen heul. Ook gijSpaar de vergeefsche moeite van wat toch niet nut.HEPHAISTOS:O menigmaal verfoeide handenvaardigheid!KRATOS:Waarom haar schelden? Immers, aan dit huidig weeHeeft, eerelijk gesproken, uwe kunst geen schuld.HEPHAISTOS:In ieder opzicht wenschte ik haar een aêr als deel!KRATOS:Elk ambt heeft zijn bezwaren buiten de oppermachtOver de goden: geen is vrij dan Zeus alleen.HEPHAISTOS:Dat zie ’k voor oogen, en weêrspreken kan ’k het niet.KRATOS:Kom dus en haast u hem de boeien om te slaan;Want anders mocht uw vader u aan ’t talmen zien.HEPHAISTOS:Ziehier, de armboeien houd ik klaar, als elk kan zien.KRATOS:Sla ze om de polsen henen, en met stoere krachtZwaai uwen hamer, nagel ze in de rotsen vast.HEPHAISTOS:Dit werk wordt al voltrokken, slepen doet het niet.KRATOS:Klop harder, nijp de boeien, laat geen speling toe.Zijn groote list vindt uitweg waar geen uitweg is.HEPHAISTOS:Deze arm zit onbeweeglijk: vaardig die hem lost.KRATOS:Knel nu onwrikbaar de andre vast, opdat hij leer’Dat zijne wijsheid dwaasheid is bij die van Zeus.HEPHAISTOS:Geen kan met recht mij laken, of ’t moest deze zijn.KRATOS:Nu drijf dwars door de borstkas met uw volle krachtDer stalen wigge mededoogenlooze kaak.HEPHAISTOS:… Wee, wee, Prometheus, ’k steen om wat gij lijden moet!KRATOS:Weêr zie ’k uw ijver flauwen, weêr zucht ge over Zeus’Vijanden? Als ge u later zelf maar niet beklaagt!HEPHAISTOS:Gij schouwt een schouwspel zwaar voor oogen aan te zien.KRATOS:Ik zie hoe deze zijn verdiende loon erlangt.Leg nu om zijne lendnen de ijzren gordels aan.HEPHAISTOS:Helaas, ik moet wel—gij, laat uw bevelen na.KRATOS:’k Zal u naar lust bevelen, en nog hitsen ook!Ga nu naar onder: ring zijn enkels met geweld!HEPHAISTOS:Ziedaar: het werk is zonder veel bezwaar volbracht.KRATOS:Drijf nu nog kloek de klinken in de boeien aan;Want die uw werk zal keuren, is een grimmig heer.HEPHAISTOS:Uw tong schalt klanken aan uw uiterlijk gelijk.KRATOS:Wees gij flauwhartig—van mijn onverstoorbaarheidEn onvermurwden ijver maak mij geen verwijt.HEPHAISTOS:Nu, laat ons heengaan: ongekluisterd bleef geen lid.(Hij verwijdert zich metBIA; KRATOSblijft bijPROMETHEUSachter.)

KRATOS, BIA, HEPHAISTOS, PROMETHEUS.

KRATOS:Wij zijn gekomen tot der aarde grensver plein,De baan van Skythia, de onbetreden eenzaamheid.Nu past, Hephaistos, u de zending aan te gaan,Die vader Zeus u opdroeg: dat gij jokken zoudtTer hoogkanteelge rotsen dezen euvelaarIn stalen banden, boeien onverbrekelijk.Uw eigen bloem toch, ’t barnen van ’t alkunstig vuur,Stal hij en schonk het aan de stervers. Dus dient hijBoete af te dragen aan de goôn voor zulk misdrijf,Opdat hij onderwezen worde Zeus’ beheerTe lieven en te laten van ’t menschminnend doen.

KRATOS:

Wij zijn gekomen tot der aarde grensver plein,

De baan van Skythia, de onbetreden eenzaamheid.

Nu past, Hephaistos, u de zending aan te gaan,

Die vader Zeus u opdroeg: dat gij jokken zoudt

Ter hoogkanteelge rotsen dezen euvelaar

In stalen banden, boeien onverbrekelijk.

Uw eigen bloem toch, ’t barnen van ’t alkunstig vuur,

Stal hij en schonk het aan de stervers. Dus dient hij

Boete af te dragen aan de goôn voor zulk misdrijf,

Opdat hij onderwezen worde Zeus’ beheer

Te lieven en te laten van ’t menschminnend doen.

HEPHAISTOS:Kratos en Bia, voor u beiden heeft de lastVan Zeus hiermede een einde: niets bezwaart u meer.Maar ik, hoe waag ik aan verwanten god ’t geweldVan hem te boeien aan den stormbezochten rots?… Toch dwingt de nood mij dat ik daar den moed toe vat;Want vaders woorden licht te tellen wreekt zich zwaar …O rechtberaden Themis’ listensteile zoon,Weêrzinnig ga ik u, weêrzinngen, naaglen metOnlosbre smeedsels aan dees menschgeschuwden piek.Waar van geen stervling gij de stem of de gedaantSpeurt, maar geblakerd in de helle vlam der zonDen bloei uws lijfs verwisselt. Als een lafenisKomt nacht u ’t daglicht bergen in haar tintelwâ,En zon opnieuw vervluchten morgenlijken rijp.Doch staâg verteert u de erger van ’t aanwezig kwaad;Want nog is niet geboren, die u lossen zal.—Dat zijn de winsten die uw menschenmin behaalt.Zelf god, schonkt gij der goden eerrecht tegen recht,Zonder hun toorn te duchten, aan den stervling weg.Daarvoor nu gaat gij hoeden dees vreugdloozen rotsRechtstandig, zonder knie te knikken, slapeloos.En vele klagen en weeroepen zonder baatSlaakt gij; want zwaar vermurwlijk is de zin van Zeus:Een ieder is hardvochtig, die aanvanklijk heerscht.

HEPHAISTOS:

Kratos en Bia, voor u beiden heeft de last

Van Zeus hiermede een einde: niets bezwaart u meer.

Maar ik, hoe waag ik aan verwanten god ’t geweld

Van hem te boeien aan den stormbezochten rots?

… Toch dwingt de nood mij dat ik daar den moed toe vat;

Want vaders woorden licht te tellen wreekt zich zwaar …

O rechtberaden Themis’ listensteile zoon,

Weêrzinnig ga ik u, weêrzinngen, naaglen met

Onlosbre smeedsels aan dees menschgeschuwden piek.

Waar van geen stervling gij de stem of de gedaant

Speurt, maar geblakerd in de helle vlam der zon

Den bloei uws lijfs verwisselt. Als een lafenis

Komt nacht u ’t daglicht bergen in haar tintelwâ,

En zon opnieuw vervluchten morgenlijken rijp.

Doch staâg verteert u de erger van ’t aanwezig kwaad;

Want nog is niet geboren, die u lossen zal.—

Dat zijn de winsten die uw menschenmin behaalt.

Zelf god, schonkt gij der goden eerrecht tegen recht,

Zonder hun toorn te duchten, aan den stervling weg.

Daarvoor nu gaat gij hoeden dees vreugdloozen rots

Rechtstandig, zonder knie te knikken, slapeloos.

En vele klagen en weeroepen zonder baat

Slaakt gij; want zwaar vermurwlijk is de zin van Zeus:

Een ieder is hardvochtig, die aanvanklijk heerscht.

KRATOS:Welaan, wat draalt gij met uw nutteloos beklag?Hoe kan u deren dees meest godgehate godDie gaf uw eigen eerrecht stervelingen prijs?

KRATOS:

Welaan, wat draalt gij met uw nutteloos beklag?

Hoe kan u deren dees meest godgehate god

Die gaf uw eigen eerrecht stervelingen prijs?

HEPHAISTOS:’t Verwante bloed en de omgang oefnen hoog gezag.

HEPHAISTOS:

’t Verwante bloed en de omgang oefnen hoog gezag.

KRATOS:Dat is zoo. Maar staat ongehoorzaamheid u vrijAan Vaders woorden? Wat van twee heeft meer gezag?

KRATOS:

Dat is zoo. Maar staat ongehoorzaamheid u vrij

Aan Vaders woorden? Wat van twee heeft meer gezag?

HEPHAISTOS:Gij kent geen meêlij, zijt altoos van snoodheid vol.

HEPHAISTOS:

Gij kent geen meêlij, zijt altoos van snoodheid vol.

KRATOS:Hem te bejammren, immers, brengt geen heul. Ook gijSpaar de vergeefsche moeite van wat toch niet nut.

KRATOS:

Hem te bejammren, immers, brengt geen heul. Ook gij

Spaar de vergeefsche moeite van wat toch niet nut.

HEPHAISTOS:O menigmaal verfoeide handenvaardigheid!

HEPHAISTOS:

O menigmaal verfoeide handenvaardigheid!

KRATOS:Waarom haar schelden? Immers, aan dit huidig weeHeeft, eerelijk gesproken, uwe kunst geen schuld.

KRATOS:

Waarom haar schelden? Immers, aan dit huidig wee

Heeft, eerelijk gesproken, uwe kunst geen schuld.

HEPHAISTOS:In ieder opzicht wenschte ik haar een aêr als deel!

HEPHAISTOS:

In ieder opzicht wenschte ik haar een aêr als deel!

KRATOS:Elk ambt heeft zijn bezwaren buiten de oppermachtOver de goden: geen is vrij dan Zeus alleen.

KRATOS:

Elk ambt heeft zijn bezwaren buiten de oppermacht

Over de goden: geen is vrij dan Zeus alleen.

HEPHAISTOS:Dat zie ’k voor oogen, en weêrspreken kan ’k het niet.

HEPHAISTOS:

Dat zie ’k voor oogen, en weêrspreken kan ’k het niet.

KRATOS:Kom dus en haast u hem de boeien om te slaan;Want anders mocht uw vader u aan ’t talmen zien.

KRATOS:

Kom dus en haast u hem de boeien om te slaan;

Want anders mocht uw vader u aan ’t talmen zien.

HEPHAISTOS:Ziehier, de armboeien houd ik klaar, als elk kan zien.

HEPHAISTOS:

Ziehier, de armboeien houd ik klaar, als elk kan zien.

KRATOS:Sla ze om de polsen henen, en met stoere krachtZwaai uwen hamer, nagel ze in de rotsen vast.

KRATOS:

Sla ze om de polsen henen, en met stoere kracht

Zwaai uwen hamer, nagel ze in de rotsen vast.

HEPHAISTOS:Dit werk wordt al voltrokken, slepen doet het niet.

HEPHAISTOS:

Dit werk wordt al voltrokken, slepen doet het niet.

KRATOS:Klop harder, nijp de boeien, laat geen speling toe.Zijn groote list vindt uitweg waar geen uitweg is.

KRATOS:

Klop harder, nijp de boeien, laat geen speling toe.

Zijn groote list vindt uitweg waar geen uitweg is.

HEPHAISTOS:Deze arm zit onbeweeglijk: vaardig die hem lost.

HEPHAISTOS:

Deze arm zit onbeweeglijk: vaardig die hem lost.

KRATOS:Knel nu onwrikbaar de andre vast, opdat hij leer’Dat zijne wijsheid dwaasheid is bij die van Zeus.

KRATOS:

Knel nu onwrikbaar de andre vast, opdat hij leer’

Dat zijne wijsheid dwaasheid is bij die van Zeus.

HEPHAISTOS:Geen kan met recht mij laken, of ’t moest deze zijn.

HEPHAISTOS:

Geen kan met recht mij laken, of ’t moest deze zijn.

KRATOS:Nu drijf dwars door de borstkas met uw volle krachtDer stalen wigge mededoogenlooze kaak.

KRATOS:

Nu drijf dwars door de borstkas met uw volle kracht

Der stalen wigge mededoogenlooze kaak.

HEPHAISTOS:… Wee, wee, Prometheus, ’k steen om wat gij lijden moet!

HEPHAISTOS:

… Wee, wee, Prometheus, ’k steen om wat gij lijden moet!

KRATOS:Weêr zie ’k uw ijver flauwen, weêr zucht ge over Zeus’Vijanden? Als ge u later zelf maar niet beklaagt!

KRATOS:

Weêr zie ’k uw ijver flauwen, weêr zucht ge over Zeus’

Vijanden? Als ge u later zelf maar niet beklaagt!

HEPHAISTOS:Gij schouwt een schouwspel zwaar voor oogen aan te zien.

HEPHAISTOS:

Gij schouwt een schouwspel zwaar voor oogen aan te zien.

KRATOS:Ik zie hoe deze zijn verdiende loon erlangt.Leg nu om zijne lendnen de ijzren gordels aan.

KRATOS:

Ik zie hoe deze zijn verdiende loon erlangt.

Leg nu om zijne lendnen de ijzren gordels aan.

HEPHAISTOS:Helaas, ik moet wel—gij, laat uw bevelen na.

HEPHAISTOS:

Helaas, ik moet wel—gij, laat uw bevelen na.

KRATOS:’k Zal u naar lust bevelen, en nog hitsen ook!Ga nu naar onder: ring zijn enkels met geweld!

KRATOS:

’k Zal u naar lust bevelen, en nog hitsen ook!

Ga nu naar onder: ring zijn enkels met geweld!

HEPHAISTOS:Ziedaar: het werk is zonder veel bezwaar volbracht.

HEPHAISTOS:

Ziedaar: het werk is zonder veel bezwaar volbracht.

KRATOS:Drijf nu nog kloek de klinken in de boeien aan;Want die uw werk zal keuren, is een grimmig heer.

KRATOS:

Drijf nu nog kloek de klinken in de boeien aan;

Want die uw werk zal keuren, is een grimmig heer.

HEPHAISTOS:Uw tong schalt klanken aan uw uiterlijk gelijk.

HEPHAISTOS:

Uw tong schalt klanken aan uw uiterlijk gelijk.

KRATOS:Wees gij flauwhartig—van mijn onverstoorbaarheidEn onvermurwden ijver maak mij geen verwijt.

KRATOS:

Wees gij flauwhartig—van mijn onverstoorbaarheid

En onvermurwden ijver maak mij geen verwijt.

HEPHAISTOS:Nu, laat ons heengaan: ongekluisterd bleef geen lid.

HEPHAISTOS:

Nu, laat ons heengaan: ongekluisterd bleef geen lid.

(Hij verwijdert zich metBIA; KRATOSblijft bijPROMETHEUSachter.)

TWEEDE TOONEELKRATOS, PROMETHEUS.KRATOS:Vier nu en hier uw moedwil, roof en schenk der goônEerrechten aan de eendagelingen. Wat vermagDe stervling om u te verlichten van dees nood?Prometheus, den Voorziener, noemen u de goôn—Met leugen: een voorziener toch behoeft gij zelf,Hoe ooit te ontglippen aan de grepen dezer kunst.(Hij gaatHEPHAISTOSenBIAachterna.)

TWEEDE TOONEELKRATOS, PROMETHEUS.KRATOS:Vier nu en hier uw moedwil, roof en schenk der goônEerrechten aan de eendagelingen. Wat vermagDe stervling om u te verlichten van dees nood?Prometheus, den Voorziener, noemen u de goôn—Met leugen: een voorziener toch behoeft gij zelf,Hoe ooit te ontglippen aan de grepen dezer kunst.(Hij gaatHEPHAISTOSenBIAachterna.)

KRATOS, PROMETHEUS.

KRATOS:Vier nu en hier uw moedwil, roof en schenk der goônEerrechten aan de eendagelingen. Wat vermagDe stervling om u te verlichten van dees nood?Prometheus, den Voorziener, noemen u de goôn—Met leugen: een voorziener toch behoeft gij zelf,Hoe ooit te ontglippen aan de grepen dezer kunst.

KRATOS:

Vier nu en hier uw moedwil, roof en schenk der goôn

Eerrechten aan de eendagelingen. Wat vermag

De stervling om u te verlichten van dees nood?

Prometheus, den Voorziener, noemen u de goôn—

Met leugen: een voorziener toch behoeft gij zelf,

Hoe ooit te ontglippen aan de grepen dezer kunst.

(Hij gaatHEPHAISTOSenBIAachterna.)

DERDE TOONEELPROMETHEUS ALLEEN.PROMETHEUS:O goddlijke aither, en snelvleuglige ademen,En bronnen van rivieren, en van ’t zeegestrookHet talloos lachen, en almoeder aard,En ’t alziend rond der zonne roep ik aan:Ziet welke dingen ik, een god, van goden lijd!Ziet, door de krenking van wat kwalenVermaald, ik zwoegen zalDen tienmaalduizendjaargen tijd!Zoo smadelijke bandenHeeft tegen mij bedachtDer zaalgen nieuwe vorst.Wee wee! ik steen om ’t huidig en ’t toekomend wee:Hoe ooit van deze ellendenHet eind mag opgaan!En toch, wat spreek ik?—Zonneklaar weet ik vooruitDe gansche toekomst. Nimmer onvermoed zal mijEen leed genaken …. Zijn beschikte lot moet menNaar ’t kan gelaten dragen door het inzicht datDe macht van ’t noodlot toch niet te bekampen is …Maar zwijgen of niet zwijgen van dit ongeval—Ik heb geen keuze. Stervers schafte ik goderecht,En ben, rampzaalge, nu in dezen dwang gejokt,’k Ving in de holte van het tondelriet van ’t vuurDe steelsche bron die aller kunsten meesteresDen stervelingen en een machtge helpster bleek.Voor zulk een misdaad boet ik de verbeurde straf,Den smaad van deze banden onder de’ open dag …Ah ah!Wat klank vliegt mij toe? Wat onzichtbre geur—Van god? van mensch? van gemengd geslacht?—Reikt tot den aardebegrenzenden rots?Wie komt, mijn leed te aanschouwen? of waar anders toe?Ziet den rampspoedgen, den in boei geslagen god,Mij, vijand van Zeus, en bij alle de goônDie betreden de vloeren van Zeus’ hoog hof,Tot het uiterst gehaat om te machtige minTot het sterflijk geslacht.—Wee wee! wat hoor ik voor keerend geruchtIn der vooglen gebied? Op den aither vergonstHet gezwinde geklep van der vleugelen slag …Vrees brengt al wat mij nabij komt …

DERDE TOONEELPROMETHEUS ALLEEN.PROMETHEUS:O goddlijke aither, en snelvleuglige ademen,En bronnen van rivieren, en van ’t zeegestrookHet talloos lachen, en almoeder aard,En ’t alziend rond der zonne roep ik aan:Ziet welke dingen ik, een god, van goden lijd!Ziet, door de krenking van wat kwalenVermaald, ik zwoegen zalDen tienmaalduizendjaargen tijd!Zoo smadelijke bandenHeeft tegen mij bedachtDer zaalgen nieuwe vorst.Wee wee! ik steen om ’t huidig en ’t toekomend wee:Hoe ooit van deze ellendenHet eind mag opgaan!En toch, wat spreek ik?—Zonneklaar weet ik vooruitDe gansche toekomst. Nimmer onvermoed zal mijEen leed genaken …. Zijn beschikte lot moet menNaar ’t kan gelaten dragen door het inzicht datDe macht van ’t noodlot toch niet te bekampen is …Maar zwijgen of niet zwijgen van dit ongeval—Ik heb geen keuze. Stervers schafte ik goderecht,En ben, rampzaalge, nu in dezen dwang gejokt,’k Ving in de holte van het tondelriet van ’t vuurDe steelsche bron die aller kunsten meesteresDen stervelingen en een machtge helpster bleek.Voor zulk een misdaad boet ik de verbeurde straf,Den smaad van deze banden onder de’ open dag …Ah ah!Wat klank vliegt mij toe? Wat onzichtbre geur—Van god? van mensch? van gemengd geslacht?—Reikt tot den aardebegrenzenden rots?Wie komt, mijn leed te aanschouwen? of waar anders toe?Ziet den rampspoedgen, den in boei geslagen god,Mij, vijand van Zeus, en bij alle de goônDie betreden de vloeren van Zeus’ hoog hof,Tot het uiterst gehaat om te machtige minTot het sterflijk geslacht.—Wee wee! wat hoor ik voor keerend geruchtIn der vooglen gebied? Op den aither vergonstHet gezwinde geklep van der vleugelen slag …Vrees brengt al wat mij nabij komt …

PROMETHEUS ALLEEN.

PROMETHEUS:O goddlijke aither, en snelvleuglige ademen,En bronnen van rivieren, en van ’t zeegestrookHet talloos lachen, en almoeder aard,En ’t alziend rond der zonne roep ik aan:Ziet welke dingen ik, een god, van goden lijd!Ziet, door de krenking van wat kwalenVermaald, ik zwoegen zalDen tienmaalduizendjaargen tijd!Zoo smadelijke bandenHeeft tegen mij bedachtDer zaalgen nieuwe vorst.Wee wee! ik steen om ’t huidig en ’t toekomend wee:Hoe ooit van deze ellendenHet eind mag opgaan!En toch, wat spreek ik?—Zonneklaar weet ik vooruitDe gansche toekomst. Nimmer onvermoed zal mijEen leed genaken …. Zijn beschikte lot moet menNaar ’t kan gelaten dragen door het inzicht datDe macht van ’t noodlot toch niet te bekampen is …Maar zwijgen of niet zwijgen van dit ongeval—Ik heb geen keuze. Stervers schafte ik goderecht,En ben, rampzaalge, nu in dezen dwang gejokt,’k Ving in de holte van het tondelriet van ’t vuurDe steelsche bron die aller kunsten meesteresDen stervelingen en een machtge helpster bleek.Voor zulk een misdaad boet ik de verbeurde straf,Den smaad van deze banden onder de’ open dag …Ah ah!Wat klank vliegt mij toe? Wat onzichtbre geur—Van god? van mensch? van gemengd geslacht?—Reikt tot den aardebegrenzenden rots?Wie komt, mijn leed te aanschouwen? of waar anders toe?Ziet den rampspoedgen, den in boei geslagen god,Mij, vijand van Zeus, en bij alle de goônDie betreden de vloeren van Zeus’ hoog hof,Tot het uiterst gehaat om te machtige minTot het sterflijk geslacht.—Wee wee! wat hoor ik voor keerend geruchtIn der vooglen gebied? Op den aither vergonstHet gezwinde geklep van der vleugelen slag …Vrees brengt al wat mij nabij komt …

PROMETHEUS:

O goddlijke aither, en snelvleuglige ademen,

En bronnen van rivieren, en van ’t zeegestrook

Het talloos lachen, en almoeder aard,

En ’t alziend rond der zonne roep ik aan:

Ziet welke dingen ik, een god, van goden lijd!

Ziet, door de krenking van wat kwalen

Vermaald, ik zwoegen zal

Den tienmaalduizendjaargen tijd!

Zoo smadelijke banden

Heeft tegen mij bedacht

Der zaalgen nieuwe vorst.

Wee wee! ik steen om ’t huidig en ’t toekomend wee:

Hoe ooit van deze ellenden

Het eind mag opgaan!

En toch, wat spreek ik?—Zonneklaar weet ik vooruit

De gansche toekomst. Nimmer onvermoed zal mij

Een leed genaken …. Zijn beschikte lot moet men

Naar ’t kan gelaten dragen door het inzicht dat

De macht van ’t noodlot toch niet te bekampen is …

Maar zwijgen of niet zwijgen van dit ongeval—

Ik heb geen keuze. Stervers schafte ik goderecht,

En ben, rampzaalge, nu in dezen dwang gejokt,

’k Ving in de holte van het tondelriet van ’t vuur

De steelsche bron die aller kunsten meesteres

Den stervelingen en een machtge helpster bleek.

Voor zulk een misdaad boet ik de verbeurde straf,

Den smaad van deze banden onder de’ open dag …

Ah ah!

Wat klank vliegt mij toe? Wat onzichtbre geur—

Van god? van mensch? van gemengd geslacht?—

Reikt tot den aardebegrenzenden rots?

Wie komt, mijn leed te aanschouwen? of waar anders toe?

Ziet den rampspoedgen, den in boei geslagen god,

Mij, vijand van Zeus, en bij alle de goôn

Die betreden de vloeren van Zeus’ hoog hof,

Tot het uiterst gehaat om te machtige min

Tot het sterflijk geslacht.—

Wee wee! wat hoor ik voor keerend gerucht

In der vooglen gebied? Op den aither vergonst

Het gezwinde geklep van der vleugelen slag …

Vrees brengt al wat mij nabij komt …

VIERDE TOONEELPROMETHEUS, REI VAN OKEANIEDEN.(De rei bestaat uit twaalf Okeanieden, dochters van Okeanos en Thetys. Zij verschijnen rechts, van den zeekant, op gevleugelde wagens, en zijn voor den toeschouwer eerder zichtbaar dan voor Prometheus, die niet terzijde zien kan.)REI:Niets te vreezen: deze schareNaakt met vriendelijk bedoelen—Niet dan nauwlijks overreedde ik vaders onwil—Op der vleuglen vluggen wedstrijdTot de hoogten van den rots.’t Lichte geleî van den luchtstroom droeg mij.Want het dreunen van den mokerOp het staal doorklonk de diepteDer spelonken, en de schrik dreef uit mijn hart wegZedigschuchtre schaamte:Ongeschoeid snel ik aan op ’t gevederd voertuig!PROMETHEUS:Aai aai!Dochtren, door vader OkeanosDie in den keerkring van zijn slapeloozen stroomHeel de aarde omvat,Verwekt uit kinderrijke Thetys—Aanziet, aanschouwt in welke bandenIk vastgehecht hoog aan de piekenVan dezen rotswandEen onbenijde wacht ga voeren.REI:’k Zie, Prometheus—voor mijn oogenTrekt de duistre nevel samenZwaar van tranen bij den aanblikVan uw lijf dat gaat verdorrenAan den zongeblaakten rotsWaar deze stalen hoon u ketent.Op de’ Olympos immers heerschenNieuwe stuurders aan de roerpen:Zeus, naar ongekende wetten,Is er meester zonder toezicht.Hij verduistert al vorig geweld.PROMETHEUS:Och had hij mij onder de aarde enBeneden der dooden huisvest HadesGestort in mateloozen Tartaros,Geslagen daar in wreede onlosbre boeien,Dat god noch ander wezenZich over dit mijn leed verblijdde …Nu, wankel tusschen aarde en hemel, lijd ikRampzaalge mijner haatren welbehagen.REI:Wie van de goôn is zoo verhard van hart,Die hierin leedbehagen heeft?Wie deelt niet de’ erger om uw kwalen—Behalve Zeus? Hij, in aanhoudend wrokken,Met onverzettelijk gemoed,Oefent geweld aan ’t hemelsche geslacht:Hij houdt niet op vóor hij zijn hart verzaad heeft,Of éen bij nieuwen staatsgreep rooft de zwaar te rooven almacht.PROMETHEUS:Toch zal nog eens, al hang ik thans te hoonIn boeien zwaar, naar mij in nood gerakenDer zaligen bestuurder,Dat ik hem duid’ den nieuwen aanslagDie staf en waardigheid hem uitschudt.Dan zal hij mij met honingtaligGevlei van overreding niet bekoren,En nooit uit angst voor strafst bedreigenLaat ik het woord los vóor hij slaaktDees wreede boeien en mij boeteVan dezen smaad betalen wil.REI:Gij geeft in uw vermetelheidAan felste smarten niets gewonnen;Uw mond leert nimmer deemoed …Maar mij doorpriemt het hart de stekel van de vrees,Ik ducht om wat u staat te wachten:Hoe ge ooit uit deze zee van noodenMoogt landen en haar eind aanschouwen …Want niet te vinden is ’t gemoed, niet te beroepen ’t hart van Kronos’ zoon.PROMETHEUS:’k Weet dat hij hard is, dat hij ’t rechtStelt naar zijn eigen hand.Toch zal hij, denk ik, straksWanneer die nood hem slaat,Weekmoedig wezen:Dan baant hij starren toorn tot effen pad,Dan treedt om vredebond en vriendschapZijn ongeduld mijn ongeduld tevoren.REI:Ontvouw en openbaar ons heel den samenhang,Op grond van wat betichten Zeus u grijpen lietEn u zoo smaadlijk en zoo bitterwreed kastijdt.Leer ons de waarheid—of ’t uitspreken mocht u schaên …PROMETHEUS:Wel zijn dees dingen te verhalen smartlijk mij,Doch smart ook is ’t verzwijgen—: alzijds ongeval!Vandat partijhaat uitbrak bij de zaligenEn onderlinge tweedracht deelend zich verhief,Daar de éenen Kronos wilden werpen van den troonEn Zeus de heerschap geven, de andren ijverdenDat nooit of nimmer Zeus de goden zoû gebiên,—Heb den Titanen, Oeranos’ en Gaia’s kroost,Ik daadlijk besten raad geschaft, maar niet vermochtHen te overreden. In hun stoeren eigendunkVerachtten ze alle list als middel: met geweldDachten zij te overmogen zonder slag of stoot.Maar mij had mijne moeder Themis meer dan eens,En Gaia, ’t éene wezen onder namen veel,Voorkondigd hoe de toekomst zich vervullen zoû:Dat de overwinning niet aan kracht of aan geweldZoû komen, maar aan wie in list had overmocht.Dat heb ik hun met zooveel woorden uitgelegd,Maar zelfs tot aandacht hebben zij zich niet verwaard.Bij dezen staat van zaken scheen mij veiligst toeOm saam met mijne moeder, reede en welkom, mijTe scharen bij de medestanderen van Zeus.En naar mijn raadslag bergt nu ’t donkerdiepe ruimVan Tartaros oerouden Kronos samen metZijn bondgenooten. Zulke diensten heeft van mijDer goden overweldger ondervonden enOp zijn beurt hen vergolden met dit booze loon.Want dat is wel de krankheid die al tyrannieAankleeft, dat men zijn vrienden geen vertrouwen schenkt.Doch wat aangaat uw vragen, om wat oorzaak hijMij hoont en tuchtigt, geef ik garen u bescheid.Zoodra Zeus was gezeten op zijn vaders troon,Wijst hij onmiddlijk aan een elk der goden toeZijn eigen eerrecht, deelt en regelt het bewind.Maar met de armzaalge stervelingen hield zijn planGeen reekning. Ja, hij wilde hun geheel geslachtVerdelgen tot het scheppen van een ander nieuw.Hiertegen in verzet kwam niemand. Ik alleen,Ik waagde ’t. ’k Heb de stervers van hun doem geredOm reddeloos verdorven Hades in te gaan.Daarom is ’t dat ik onder deze pijnen krimp,Die smartlijk zijn te lijden, deerniswaard te zien.Mijn daad was deernis tot de stervers, doch ik-zelfWerd die niet waard bevonden, maar meêdoogenloosVerwezen tot dit Zeus-onteerend schouwtooneel.REI:Diens hart is ijzer in zijn rotsgehouwen borst,Die niet, Prometheus, de’ erger om uw nooden deelt.Ik toch, hoe garen had ik nooit dit aangeschouwd!En nu ik ’t aanzie, wordt mijn hart door pijn geprangd.PROMETHEUS:Ja, wel ben ik mijn vrienden deerniswaard te zien.REI:Als maar uw stoutheid niet nog verder ging dan dit …PROMETHEUS:De stervers heelde ik van den dood vooruit te zien.REI:Wat middel tegen deze krankheid vondt gij uit?PROMETHEUS:De hoop, die blind is, heb ik in hun borst behuisd.REI:Een groote winst was deze uw gaaf den sterveling.PROMETHEUS:Maar buitendien nog heb ik hun het vuur verstrekt.REI:En nu bezit de eendaagling den vlamglans van ’t vuur?PROMETHEUS:Ja, en in vele kunsten onderwijst het hem.REI:Zeus dan om oorzaak van geen zwaarder schuldverwijt—PROMETHEUS:Straft met zijn hoon mij, laat van geene kwelling af.REI:En is geen einde van uw zwoegen u beschikt?PROMETHEUS:Geen ander dan het tijdstip dat aan hem behaagt.REI:Hoe mag ’t behagen? Is er hoop? Ziet gij niet inDat gij misdaan hebt? Dat gij hebt misdaan, is mijEen grief te zeggen … U is ’t smart … Ook weegt dit nietTer zake … Zoek naar eenige’ uitweg uit uw nood!PROMETHEUS:Voor wie zijn voeten buiten leed heeft, is het lichtTe sporen of te gispen wien het boos vergaat …Doch ik, alle gevolgen wist ik lang vooruit.Bewust, bewust misdeed ik—ik ontken het niet:Den stervling helpen hielp mij-zelven in ellend.Toch kon ’k niet denken dat in zulk een straf als deesIk zoû verschromplen aan de tinnen van den rotsOp dezen alverlaten nabuurloozen piek …Laat me af van jammren om dit oogenblikklijk wee!Doch daalt ter aarde en luistert wat al ongevalNog dreigt, opdat gij alles tot den einde leert.Geeft toe, geeft toe mijn bede: deelt de ellend van eenDie nu in nood is: eender op zijn tijd tot elkKomt lijden in zijn zwerfgang om een onderdak.REI:Reeds willig, Prometheus, vindt ons uw roepOm te doen wat gij vraagt.Nu verlaat ik mijn windsnel-ijlende koetsEn den heiligen aither, der vooglen revier;Nu naak ik op voeten der hinde den grondDezer grimmige rotsen: mijn hart gaat uitOm uw nooden ten einde te hooren.(Zij stijgen van hare wagens af.)

VIERDE TOONEELPROMETHEUS, REI VAN OKEANIEDEN.(De rei bestaat uit twaalf Okeanieden, dochters van Okeanos en Thetys. Zij verschijnen rechts, van den zeekant, op gevleugelde wagens, en zijn voor den toeschouwer eerder zichtbaar dan voor Prometheus, die niet terzijde zien kan.)REI:Niets te vreezen: deze schareNaakt met vriendelijk bedoelen—Niet dan nauwlijks overreedde ik vaders onwil—Op der vleuglen vluggen wedstrijdTot de hoogten van den rots.’t Lichte geleî van den luchtstroom droeg mij.Want het dreunen van den mokerOp het staal doorklonk de diepteDer spelonken, en de schrik dreef uit mijn hart wegZedigschuchtre schaamte:Ongeschoeid snel ik aan op ’t gevederd voertuig!PROMETHEUS:Aai aai!Dochtren, door vader OkeanosDie in den keerkring van zijn slapeloozen stroomHeel de aarde omvat,Verwekt uit kinderrijke Thetys—Aanziet, aanschouwt in welke bandenIk vastgehecht hoog aan de piekenVan dezen rotswandEen onbenijde wacht ga voeren.REI:’k Zie, Prometheus—voor mijn oogenTrekt de duistre nevel samenZwaar van tranen bij den aanblikVan uw lijf dat gaat verdorrenAan den zongeblaakten rotsWaar deze stalen hoon u ketent.Op de’ Olympos immers heerschenNieuwe stuurders aan de roerpen:Zeus, naar ongekende wetten,Is er meester zonder toezicht.Hij verduistert al vorig geweld.PROMETHEUS:Och had hij mij onder de aarde enBeneden der dooden huisvest HadesGestort in mateloozen Tartaros,Geslagen daar in wreede onlosbre boeien,Dat god noch ander wezenZich over dit mijn leed verblijdde …Nu, wankel tusschen aarde en hemel, lijd ikRampzaalge mijner haatren welbehagen.REI:Wie van de goôn is zoo verhard van hart,Die hierin leedbehagen heeft?Wie deelt niet de’ erger om uw kwalen—Behalve Zeus? Hij, in aanhoudend wrokken,Met onverzettelijk gemoed,Oefent geweld aan ’t hemelsche geslacht:Hij houdt niet op vóor hij zijn hart verzaad heeft,Of éen bij nieuwen staatsgreep rooft de zwaar te rooven almacht.PROMETHEUS:Toch zal nog eens, al hang ik thans te hoonIn boeien zwaar, naar mij in nood gerakenDer zaligen bestuurder,Dat ik hem duid’ den nieuwen aanslagDie staf en waardigheid hem uitschudt.Dan zal hij mij met honingtaligGevlei van overreding niet bekoren,En nooit uit angst voor strafst bedreigenLaat ik het woord los vóor hij slaaktDees wreede boeien en mij boeteVan dezen smaad betalen wil.REI:Gij geeft in uw vermetelheidAan felste smarten niets gewonnen;Uw mond leert nimmer deemoed …Maar mij doorpriemt het hart de stekel van de vrees,Ik ducht om wat u staat te wachten:Hoe ge ooit uit deze zee van noodenMoogt landen en haar eind aanschouwen …Want niet te vinden is ’t gemoed, niet te beroepen ’t hart van Kronos’ zoon.PROMETHEUS:’k Weet dat hij hard is, dat hij ’t rechtStelt naar zijn eigen hand.Toch zal hij, denk ik, straksWanneer die nood hem slaat,Weekmoedig wezen:Dan baant hij starren toorn tot effen pad,Dan treedt om vredebond en vriendschapZijn ongeduld mijn ongeduld tevoren.REI:Ontvouw en openbaar ons heel den samenhang,Op grond van wat betichten Zeus u grijpen lietEn u zoo smaadlijk en zoo bitterwreed kastijdt.Leer ons de waarheid—of ’t uitspreken mocht u schaên …PROMETHEUS:Wel zijn dees dingen te verhalen smartlijk mij,Doch smart ook is ’t verzwijgen—: alzijds ongeval!Vandat partijhaat uitbrak bij de zaligenEn onderlinge tweedracht deelend zich verhief,Daar de éenen Kronos wilden werpen van den troonEn Zeus de heerschap geven, de andren ijverdenDat nooit of nimmer Zeus de goden zoû gebiên,—Heb den Titanen, Oeranos’ en Gaia’s kroost,Ik daadlijk besten raad geschaft, maar niet vermochtHen te overreden. In hun stoeren eigendunkVerachtten ze alle list als middel: met geweldDachten zij te overmogen zonder slag of stoot.Maar mij had mijne moeder Themis meer dan eens,En Gaia, ’t éene wezen onder namen veel,Voorkondigd hoe de toekomst zich vervullen zoû:Dat de overwinning niet aan kracht of aan geweldZoû komen, maar aan wie in list had overmocht.Dat heb ik hun met zooveel woorden uitgelegd,Maar zelfs tot aandacht hebben zij zich niet verwaard.Bij dezen staat van zaken scheen mij veiligst toeOm saam met mijne moeder, reede en welkom, mijTe scharen bij de medestanderen van Zeus.En naar mijn raadslag bergt nu ’t donkerdiepe ruimVan Tartaros oerouden Kronos samen metZijn bondgenooten. Zulke diensten heeft van mijDer goden overweldger ondervonden enOp zijn beurt hen vergolden met dit booze loon.Want dat is wel de krankheid die al tyrannieAankleeft, dat men zijn vrienden geen vertrouwen schenkt.Doch wat aangaat uw vragen, om wat oorzaak hijMij hoont en tuchtigt, geef ik garen u bescheid.Zoodra Zeus was gezeten op zijn vaders troon,Wijst hij onmiddlijk aan een elk der goden toeZijn eigen eerrecht, deelt en regelt het bewind.Maar met de armzaalge stervelingen hield zijn planGeen reekning. Ja, hij wilde hun geheel geslachtVerdelgen tot het scheppen van een ander nieuw.Hiertegen in verzet kwam niemand. Ik alleen,Ik waagde ’t. ’k Heb de stervers van hun doem geredOm reddeloos verdorven Hades in te gaan.Daarom is ’t dat ik onder deze pijnen krimp,Die smartlijk zijn te lijden, deerniswaard te zien.Mijn daad was deernis tot de stervers, doch ik-zelfWerd die niet waard bevonden, maar meêdoogenloosVerwezen tot dit Zeus-onteerend schouwtooneel.REI:Diens hart is ijzer in zijn rotsgehouwen borst,Die niet, Prometheus, de’ erger om uw nooden deelt.Ik toch, hoe garen had ik nooit dit aangeschouwd!En nu ik ’t aanzie, wordt mijn hart door pijn geprangd.PROMETHEUS:Ja, wel ben ik mijn vrienden deerniswaard te zien.REI:Als maar uw stoutheid niet nog verder ging dan dit …PROMETHEUS:De stervers heelde ik van den dood vooruit te zien.REI:Wat middel tegen deze krankheid vondt gij uit?PROMETHEUS:De hoop, die blind is, heb ik in hun borst behuisd.REI:Een groote winst was deze uw gaaf den sterveling.PROMETHEUS:Maar buitendien nog heb ik hun het vuur verstrekt.REI:En nu bezit de eendaagling den vlamglans van ’t vuur?PROMETHEUS:Ja, en in vele kunsten onderwijst het hem.REI:Zeus dan om oorzaak van geen zwaarder schuldverwijt—PROMETHEUS:Straft met zijn hoon mij, laat van geene kwelling af.REI:En is geen einde van uw zwoegen u beschikt?PROMETHEUS:Geen ander dan het tijdstip dat aan hem behaagt.REI:Hoe mag ’t behagen? Is er hoop? Ziet gij niet inDat gij misdaan hebt? Dat gij hebt misdaan, is mijEen grief te zeggen … U is ’t smart … Ook weegt dit nietTer zake … Zoek naar eenige’ uitweg uit uw nood!PROMETHEUS:Voor wie zijn voeten buiten leed heeft, is het lichtTe sporen of te gispen wien het boos vergaat …Doch ik, alle gevolgen wist ik lang vooruit.Bewust, bewust misdeed ik—ik ontken het niet:Den stervling helpen hielp mij-zelven in ellend.Toch kon ’k niet denken dat in zulk een straf als deesIk zoû verschromplen aan de tinnen van den rotsOp dezen alverlaten nabuurloozen piek …Laat me af van jammren om dit oogenblikklijk wee!Doch daalt ter aarde en luistert wat al ongevalNog dreigt, opdat gij alles tot den einde leert.Geeft toe, geeft toe mijn bede: deelt de ellend van eenDie nu in nood is: eender op zijn tijd tot elkKomt lijden in zijn zwerfgang om een onderdak.REI:Reeds willig, Prometheus, vindt ons uw roepOm te doen wat gij vraagt.Nu verlaat ik mijn windsnel-ijlende koetsEn den heiligen aither, der vooglen revier;Nu naak ik op voeten der hinde den grondDezer grimmige rotsen: mijn hart gaat uitOm uw nooden ten einde te hooren.(Zij stijgen van hare wagens af.)

PROMETHEUS, REI VAN OKEANIEDEN.

(De rei bestaat uit twaalf Okeanieden, dochters van Okeanos en Thetys. Zij verschijnen rechts, van den zeekant, op gevleugelde wagens, en zijn voor den toeschouwer eerder zichtbaar dan voor Prometheus, die niet terzijde zien kan.)

REI:Niets te vreezen: deze schareNaakt met vriendelijk bedoelen—Niet dan nauwlijks overreedde ik vaders onwil—Op der vleuglen vluggen wedstrijdTot de hoogten van den rots.’t Lichte geleî van den luchtstroom droeg mij.Want het dreunen van den mokerOp het staal doorklonk de diepteDer spelonken, en de schrik dreef uit mijn hart wegZedigschuchtre schaamte:Ongeschoeid snel ik aan op ’t gevederd voertuig!

REI:

Niets te vreezen: deze schare

Naakt met vriendelijk bedoelen—

Niet dan nauwlijks overreedde ik vaders onwil—

Op der vleuglen vluggen wedstrijd

Tot de hoogten van den rots.

’t Lichte geleî van den luchtstroom droeg mij.

Want het dreunen van den moker

Op het staal doorklonk de diepte

Der spelonken, en de schrik dreef uit mijn hart weg

Zedigschuchtre schaamte:

Ongeschoeid snel ik aan op ’t gevederd voertuig!

PROMETHEUS:Aai aai!Dochtren, door vader OkeanosDie in den keerkring van zijn slapeloozen stroomHeel de aarde omvat,Verwekt uit kinderrijke Thetys—Aanziet, aanschouwt in welke bandenIk vastgehecht hoog aan de piekenVan dezen rotswandEen onbenijde wacht ga voeren.

PROMETHEUS:

Aai aai!

Dochtren, door vader Okeanos

Die in den keerkring van zijn slapeloozen stroom

Heel de aarde omvat,

Verwekt uit kinderrijke Thetys—

Aanziet, aanschouwt in welke banden

Ik vastgehecht hoog aan de pieken

Van dezen rotswand

Een onbenijde wacht ga voeren.

REI:’k Zie, Prometheus—voor mijn oogenTrekt de duistre nevel samenZwaar van tranen bij den aanblikVan uw lijf dat gaat verdorrenAan den zongeblaakten rotsWaar deze stalen hoon u ketent.Op de’ Olympos immers heerschenNieuwe stuurders aan de roerpen:Zeus, naar ongekende wetten,Is er meester zonder toezicht.Hij verduistert al vorig geweld.

REI:

’k Zie, Prometheus—voor mijn oogen

Trekt de duistre nevel samen

Zwaar van tranen bij den aanblik

Van uw lijf dat gaat verdorren

Aan den zongeblaakten rots

Waar deze stalen hoon u ketent.

Op de’ Olympos immers heerschen

Nieuwe stuurders aan de roerpen:

Zeus, naar ongekende wetten,

Is er meester zonder toezicht.

Hij verduistert al vorig geweld.

PROMETHEUS:Och had hij mij onder de aarde enBeneden der dooden huisvest HadesGestort in mateloozen Tartaros,Geslagen daar in wreede onlosbre boeien,Dat god noch ander wezenZich over dit mijn leed verblijdde …Nu, wankel tusschen aarde en hemel, lijd ikRampzaalge mijner haatren welbehagen.

PROMETHEUS:

Och had hij mij onder de aarde en

Beneden der dooden huisvest Hades

Gestort in mateloozen Tartaros,

Geslagen daar in wreede onlosbre boeien,

Dat god noch ander wezen

Zich over dit mijn leed verblijdde …

Nu, wankel tusschen aarde en hemel, lijd ik

Rampzaalge mijner haatren welbehagen.

REI:Wie van de goôn is zoo verhard van hart,Die hierin leedbehagen heeft?Wie deelt niet de’ erger om uw kwalen—Behalve Zeus? Hij, in aanhoudend wrokken,Met onverzettelijk gemoed,Oefent geweld aan ’t hemelsche geslacht:Hij houdt niet op vóor hij zijn hart verzaad heeft,Of éen bij nieuwen staatsgreep rooft de zwaar te rooven almacht.

REI:

Wie van de goôn is zoo verhard van hart,

Die hierin leedbehagen heeft?

Wie deelt niet de’ erger om uw kwalen—

Behalve Zeus? Hij, in aanhoudend wrokken,

Met onverzettelijk gemoed,

Oefent geweld aan ’t hemelsche geslacht:

Hij houdt niet op vóor hij zijn hart verzaad heeft,

Of éen bij nieuwen staatsgreep rooft de zwaar te rooven almacht.

PROMETHEUS:Toch zal nog eens, al hang ik thans te hoonIn boeien zwaar, naar mij in nood gerakenDer zaligen bestuurder,Dat ik hem duid’ den nieuwen aanslagDie staf en waardigheid hem uitschudt.Dan zal hij mij met honingtaligGevlei van overreding niet bekoren,En nooit uit angst voor strafst bedreigenLaat ik het woord los vóor hij slaaktDees wreede boeien en mij boeteVan dezen smaad betalen wil.

PROMETHEUS:

Toch zal nog eens, al hang ik thans te hoon

In boeien zwaar, naar mij in nood geraken

Der zaligen bestuurder,

Dat ik hem duid’ den nieuwen aanslag

Die staf en waardigheid hem uitschudt.

Dan zal hij mij met honingtalig

Gevlei van overreding niet bekoren,

En nooit uit angst voor strafst bedreigen

Laat ik het woord los vóor hij slaakt

Dees wreede boeien en mij boete

Van dezen smaad betalen wil.

REI:Gij geeft in uw vermetelheidAan felste smarten niets gewonnen;Uw mond leert nimmer deemoed …Maar mij doorpriemt het hart de stekel van de vrees,Ik ducht om wat u staat te wachten:Hoe ge ooit uit deze zee van noodenMoogt landen en haar eind aanschouwen …Want niet te vinden is ’t gemoed, niet te beroepen ’t hart van Kronos’ zoon.

REI:

Gij geeft in uw vermetelheid

Aan felste smarten niets gewonnen;

Uw mond leert nimmer deemoed …

Maar mij doorpriemt het hart de stekel van de vrees,

Ik ducht om wat u staat te wachten:

Hoe ge ooit uit deze zee van nooden

Moogt landen en haar eind aanschouwen …

Want niet te vinden is ’t gemoed, niet te beroepen ’t hart van Kronos’ zoon.

PROMETHEUS:’k Weet dat hij hard is, dat hij ’t rechtStelt naar zijn eigen hand.Toch zal hij, denk ik, straksWanneer die nood hem slaat,Weekmoedig wezen:Dan baant hij starren toorn tot effen pad,Dan treedt om vredebond en vriendschapZijn ongeduld mijn ongeduld tevoren.

PROMETHEUS:

’k Weet dat hij hard is, dat hij ’t recht

Stelt naar zijn eigen hand.

Toch zal hij, denk ik, straks

Wanneer die nood hem slaat,

Weekmoedig wezen:

Dan baant hij starren toorn tot effen pad,

Dan treedt om vredebond en vriendschap

Zijn ongeduld mijn ongeduld tevoren.

REI:Ontvouw en openbaar ons heel den samenhang,Op grond van wat betichten Zeus u grijpen lietEn u zoo smaadlijk en zoo bitterwreed kastijdt.Leer ons de waarheid—of ’t uitspreken mocht u schaên …

REI:

Ontvouw en openbaar ons heel den samenhang,

Op grond van wat betichten Zeus u grijpen liet

En u zoo smaadlijk en zoo bitterwreed kastijdt.

Leer ons de waarheid—of ’t uitspreken mocht u schaên …

PROMETHEUS:Wel zijn dees dingen te verhalen smartlijk mij,Doch smart ook is ’t verzwijgen—: alzijds ongeval!Vandat partijhaat uitbrak bij de zaligenEn onderlinge tweedracht deelend zich verhief,Daar de éenen Kronos wilden werpen van den troonEn Zeus de heerschap geven, de andren ijverdenDat nooit of nimmer Zeus de goden zoû gebiên,—Heb den Titanen, Oeranos’ en Gaia’s kroost,Ik daadlijk besten raad geschaft, maar niet vermochtHen te overreden. In hun stoeren eigendunkVerachtten ze alle list als middel: met geweldDachten zij te overmogen zonder slag of stoot.Maar mij had mijne moeder Themis meer dan eens,En Gaia, ’t éene wezen onder namen veel,Voorkondigd hoe de toekomst zich vervullen zoû:Dat de overwinning niet aan kracht of aan geweldZoû komen, maar aan wie in list had overmocht.Dat heb ik hun met zooveel woorden uitgelegd,Maar zelfs tot aandacht hebben zij zich niet verwaard.Bij dezen staat van zaken scheen mij veiligst toeOm saam met mijne moeder, reede en welkom, mijTe scharen bij de medestanderen van Zeus.En naar mijn raadslag bergt nu ’t donkerdiepe ruimVan Tartaros oerouden Kronos samen metZijn bondgenooten. Zulke diensten heeft van mijDer goden overweldger ondervonden enOp zijn beurt hen vergolden met dit booze loon.Want dat is wel de krankheid die al tyrannieAankleeft, dat men zijn vrienden geen vertrouwen schenkt.Doch wat aangaat uw vragen, om wat oorzaak hijMij hoont en tuchtigt, geef ik garen u bescheid.Zoodra Zeus was gezeten op zijn vaders troon,Wijst hij onmiddlijk aan een elk der goden toeZijn eigen eerrecht, deelt en regelt het bewind.Maar met de armzaalge stervelingen hield zijn planGeen reekning. Ja, hij wilde hun geheel geslachtVerdelgen tot het scheppen van een ander nieuw.Hiertegen in verzet kwam niemand. Ik alleen,Ik waagde ’t. ’k Heb de stervers van hun doem geredOm reddeloos verdorven Hades in te gaan.Daarom is ’t dat ik onder deze pijnen krimp,Die smartlijk zijn te lijden, deerniswaard te zien.Mijn daad was deernis tot de stervers, doch ik-zelfWerd die niet waard bevonden, maar meêdoogenloosVerwezen tot dit Zeus-onteerend schouwtooneel.

PROMETHEUS:

Wel zijn dees dingen te verhalen smartlijk mij,

Doch smart ook is ’t verzwijgen—: alzijds ongeval!

Vandat partijhaat uitbrak bij de zaligen

En onderlinge tweedracht deelend zich verhief,

Daar de éenen Kronos wilden werpen van den troon

En Zeus de heerschap geven, de andren ijverden

Dat nooit of nimmer Zeus de goden zoû gebiên,—

Heb den Titanen, Oeranos’ en Gaia’s kroost,

Ik daadlijk besten raad geschaft, maar niet vermocht

Hen te overreden. In hun stoeren eigendunk

Verachtten ze alle list als middel: met geweld

Dachten zij te overmogen zonder slag of stoot.

Maar mij had mijne moeder Themis meer dan eens,

En Gaia, ’t éene wezen onder namen veel,

Voorkondigd hoe de toekomst zich vervullen zoû:

Dat de overwinning niet aan kracht of aan geweld

Zoû komen, maar aan wie in list had overmocht.

Dat heb ik hun met zooveel woorden uitgelegd,

Maar zelfs tot aandacht hebben zij zich niet verwaard.

Bij dezen staat van zaken scheen mij veiligst toe

Om saam met mijne moeder, reede en welkom, mij

Te scharen bij de medestanderen van Zeus.

En naar mijn raadslag bergt nu ’t donkerdiepe ruim

Van Tartaros oerouden Kronos samen met

Zijn bondgenooten. Zulke diensten heeft van mij

Der goden overweldger ondervonden en

Op zijn beurt hen vergolden met dit booze loon.

Want dat is wel de krankheid die al tyrannie

Aankleeft, dat men zijn vrienden geen vertrouwen schenkt.

Doch wat aangaat uw vragen, om wat oorzaak hij

Mij hoont en tuchtigt, geef ik garen u bescheid.

Zoodra Zeus was gezeten op zijn vaders troon,

Wijst hij onmiddlijk aan een elk der goden toe

Zijn eigen eerrecht, deelt en regelt het bewind.

Maar met de armzaalge stervelingen hield zijn plan

Geen reekning. Ja, hij wilde hun geheel geslacht

Verdelgen tot het scheppen van een ander nieuw.

Hiertegen in verzet kwam niemand. Ik alleen,

Ik waagde ’t. ’k Heb de stervers van hun doem gered

Om reddeloos verdorven Hades in te gaan.

Daarom is ’t dat ik onder deze pijnen krimp,

Die smartlijk zijn te lijden, deerniswaard te zien.

Mijn daad was deernis tot de stervers, doch ik-zelf

Werd die niet waard bevonden, maar meêdoogenloos

Verwezen tot dit Zeus-onteerend schouwtooneel.

REI:Diens hart is ijzer in zijn rotsgehouwen borst,Die niet, Prometheus, de’ erger om uw nooden deelt.Ik toch, hoe garen had ik nooit dit aangeschouwd!En nu ik ’t aanzie, wordt mijn hart door pijn geprangd.

REI:

Diens hart is ijzer in zijn rotsgehouwen borst,

Die niet, Prometheus, de’ erger om uw nooden deelt.

Ik toch, hoe garen had ik nooit dit aangeschouwd!

En nu ik ’t aanzie, wordt mijn hart door pijn geprangd.

PROMETHEUS:Ja, wel ben ik mijn vrienden deerniswaard te zien.

PROMETHEUS:

Ja, wel ben ik mijn vrienden deerniswaard te zien.

REI:Als maar uw stoutheid niet nog verder ging dan dit …

REI:

Als maar uw stoutheid niet nog verder ging dan dit …

PROMETHEUS:De stervers heelde ik van den dood vooruit te zien.

PROMETHEUS:

De stervers heelde ik van den dood vooruit te zien.

REI:Wat middel tegen deze krankheid vondt gij uit?

REI:

Wat middel tegen deze krankheid vondt gij uit?

PROMETHEUS:De hoop, die blind is, heb ik in hun borst behuisd.

PROMETHEUS:

De hoop, die blind is, heb ik in hun borst behuisd.

REI:Een groote winst was deze uw gaaf den sterveling.

REI:

Een groote winst was deze uw gaaf den sterveling.

PROMETHEUS:Maar buitendien nog heb ik hun het vuur verstrekt.

PROMETHEUS:

Maar buitendien nog heb ik hun het vuur verstrekt.

REI:En nu bezit de eendaagling den vlamglans van ’t vuur?

REI:

En nu bezit de eendaagling den vlamglans van ’t vuur?

PROMETHEUS:Ja, en in vele kunsten onderwijst het hem.

PROMETHEUS:

Ja, en in vele kunsten onderwijst het hem.

REI:Zeus dan om oorzaak van geen zwaarder schuldverwijt—

REI:

Zeus dan om oorzaak van geen zwaarder schuldverwijt—

PROMETHEUS:Straft met zijn hoon mij, laat van geene kwelling af.

PROMETHEUS:

Straft met zijn hoon mij, laat van geene kwelling af.

REI:En is geen einde van uw zwoegen u beschikt?

REI:

En is geen einde van uw zwoegen u beschikt?

PROMETHEUS:Geen ander dan het tijdstip dat aan hem behaagt.

PROMETHEUS:

Geen ander dan het tijdstip dat aan hem behaagt.

REI:Hoe mag ’t behagen? Is er hoop? Ziet gij niet inDat gij misdaan hebt? Dat gij hebt misdaan, is mijEen grief te zeggen … U is ’t smart … Ook weegt dit nietTer zake … Zoek naar eenige’ uitweg uit uw nood!

REI:

Hoe mag ’t behagen? Is er hoop? Ziet gij niet in

Dat gij misdaan hebt? Dat gij hebt misdaan, is mij

Een grief te zeggen … U is ’t smart … Ook weegt dit niet

Ter zake … Zoek naar eenige’ uitweg uit uw nood!

PROMETHEUS:Voor wie zijn voeten buiten leed heeft, is het lichtTe sporen of te gispen wien het boos vergaat …Doch ik, alle gevolgen wist ik lang vooruit.Bewust, bewust misdeed ik—ik ontken het niet:Den stervling helpen hielp mij-zelven in ellend.Toch kon ’k niet denken dat in zulk een straf als deesIk zoû verschromplen aan de tinnen van den rotsOp dezen alverlaten nabuurloozen piek …Laat me af van jammren om dit oogenblikklijk wee!Doch daalt ter aarde en luistert wat al ongevalNog dreigt, opdat gij alles tot den einde leert.Geeft toe, geeft toe mijn bede: deelt de ellend van eenDie nu in nood is: eender op zijn tijd tot elkKomt lijden in zijn zwerfgang om een onderdak.

PROMETHEUS:

Voor wie zijn voeten buiten leed heeft, is het licht

Te sporen of te gispen wien het boos vergaat …

Doch ik, alle gevolgen wist ik lang vooruit.

Bewust, bewust misdeed ik—ik ontken het niet:

Den stervling helpen hielp mij-zelven in ellend.

Toch kon ’k niet denken dat in zulk een straf als dees

Ik zoû verschromplen aan de tinnen van den rots

Op dezen alverlaten nabuurloozen piek …

Laat me af van jammren om dit oogenblikklijk wee!

Doch daalt ter aarde en luistert wat al ongeval

Nog dreigt, opdat gij alles tot den einde leert.

Geeft toe, geeft toe mijn bede: deelt de ellend van een

Die nu in nood is: eender op zijn tijd tot elk

Komt lijden in zijn zwerfgang om een onderdak.

REI:Reeds willig, Prometheus, vindt ons uw roepOm te doen wat gij vraagt.Nu verlaat ik mijn windsnel-ijlende koetsEn den heiligen aither, der vooglen revier;Nu naak ik op voeten der hinde den grondDezer grimmige rotsen: mijn hart gaat uitOm uw nooden ten einde te hooren.

REI:

Reeds willig, Prometheus, vindt ons uw roep

Om te doen wat gij vraagt.

Nu verlaat ik mijn windsnel-ijlende koets

En den heiligen aither, der vooglen revier;

Nu naak ik op voeten der hinde den grond

Dezer grimmige rotsen: mijn hart gaat uit

Om uw nooden ten einde te hooren.

(Zij stijgen van hare wagens af.)

VIJFDE TOONEELPROMETHEUS, REI VAN OKEANIEDEN, OKEANOS.OKEANOS (verschijnt op een gevleugelden draak):Ik bereik u, Prometheus, ’t doel van het padMijner durige reize, gestegen op deesSnelvleugligen draak dien ’k enkel bestuurMet de toomen der stille gedachte.—Weet wel dat ik deel in de smart van uw lot;Want daartoe dringt mij verwantschap en bloed;Maar ook buitendien is geen wien ’k gunIn mijn achting een hoogeren zetel dan u.Dat ik waarheid spreek, dat mijn tong niet vleitSchijnwoorden om gunst, ondervindt gij terstond:Openbaar wat hulp ik betoonen u kan:Op een hechteren vriend dan Okeanos is,Zult nimmer ge u kunnen beroemen.PROMETHEUS:Wat is er nu weêr? Komt ook gij om toe te zienBij mijne nooden? Hoe hebt gij gewaagd den stroomDie uwen naam voert, en uw grotten rotsgedaktNatuurgehouwen te verlaten voor dit landDrachtig van ijzer? Of zijt gij gekomen omU met mij te ergren in den aanblik van mijn leed?Aanzie dit schouwspel, dezen bondgenoot van Zeus,Die saam met hem bevest heeft zijne heerschappij,Met welke kwalen ik door hem gefolterd word.OKEANOS:Ik zie, Prometheus,—en al zijt gij listenbont,’k Wil u te sporen trachten met mijn besten raad.Keer tot u-zelven, stem tot nieuwe wijzen omUw inborst: nieuw ook is de heerscher bij de goôn.Als gij blijft slingren zulke fel gewette reên,Allicht mocht Zeus u, staat zijn stoel ook nog zoo hoog,Vernemen, en in ’t einde dunkt zijn huidge toornMet al zijn kwalen u nog kinderspel te zijn.Maar, o rampzaalge, laat van uwen wrevel afEn zoek naar een verlossing uit dees kwellingen.Misschien lijkt u verouderd wat ik zeggen ga:Dit is het eenig handgeld dat men beuren kan,Prometheus, met te pralend pochen van de tong.Gij blijft hoovaardig, onder rampen bukt gij niet,En bij uw rampen zoekt gij nieuwer rampen winst.Als gij dus naar mijn onderwijzing hooren wilt,Sla tegen prikkels niet deverzenen; want gij ziet:Een grimmig heerscher zonder rekenschap regeert.En nu ga ik heen, laat geen poging onbeproefdOf ik uit deze nooden u verlossen kan.Doch gij, blijf rustig, toom uw monds onstuimigheid.Of weet gij, die terecht alwijs genaamd wordt, nietDe tuchtging die der ijdle tong wordt ingeprent?PROMETHEUS:’k Prijs uw geluk al, dat gij straffeloos uitgaat,Die u verstout hebt deel te nemen in mijn lot.Nu laat het wezen, spaar uw zorg. Gij overreedtHem toch niet; want voor overreding is hij doof.Wees zelf omzichtig dat uw gang geen smartgang wordt.OKEANOS:Veel beter maant uw aanleg andren dan u-zelfTot rede: niet maar woorden, feiten zijn bewijs.Doch houd mij hunkrend naar de reize niet terug.Want groot maak ik mij, ’k maak mij groot dat Zeus dees gunstMij toestaat, en uit deze nooden u bevrijdt.PROMETHEUS:Deels prijs ik, houd u nimmermeer te prijzen op;Want in bereidheid schiet gij niets te kort. Toch laatUw moeite: zonder mij te baten zoudt vergeefsGe u moeien, als gij u al moeite geven wilt.Maar houd in rustig toezien zelf u buiten schot.Want ik, al ben ’k rampzalig, zoû daarom niet graagZoovelen mooglijk naast mij zien met leed bedeeld.O neen ik—diep genoeg al schrijnt mij ’t ongelukMijns broeders Atlas die ter avondlandsche steêDe zuil des hemels en der aard te stutten staatMet zijne schoudren, kwadelijk te wiegen last.Met deernis ook zag ’k hoe de reuzge burchtheer vanKilikia’s grotten, het strijdbarnend monster metZijn honderd koppen, door geweld beteugeld werd,Grimmige Typhoon die al goden weêrstand bood,Uit grouwelijke kaken sissespreidend vrees.Hij bliksemde uit zijn oogen schrikstijvenden gloedAls ging zijn oerkracht nederhalen Zeus’ bewind.Maar op hem neder voer diens slapelooze lans,De steilgetrede bliksem blazend vuur en vlam,Die midden in de grootspraak zijner blufferijHem stom smeet. Want vlak in het middenrif geraakt,Werd hij versinteld; donder sloeg zijn krachten murw.En nu, een hulpelooze werktuiglijke romp,Ligt hij ter zijde van de nauwe straat der zeeOnder de wortlen van berg Aitna neêrgedrukt;En boven op de toppen zit en smeedt zijn staalHephaistos. Toch eens zullen breken vandaar uitRivieren vuur, die vreten in haar wilden muilDe vlakke bunders van vruchtbaar SikeliaMet heete beten van onnaakbren vlammevloed.In zulk een toornen ziedt nog eenmaal Typhoon op,Al ligt hij door den bliksem nu van Zeus verkoold.—Gij hebt genoeg ervaring, onderwijs van mijIs u niet noodig: red u-zelf zoo goed gij kunt.Ik stuur alleen wel tegen ’t huidig onheil op,Tot Zeus bezonnen af zal laten van zijn toorn.OKEANOS:Ziet gij, Prometheus, dan niet in dat redenenVoor ziel die ziek van toorn is, als heelmeesters zijn?PROMETHEUS:Ja, als men tijdig ’t hart met zalf te streelen weet,Maar niet als men ruwhandig ’t zeer gemoed nog kneust.OKEANOS:Wat mooglijk nadeel ziet gij—geef mij onderricht—In bereidwillge vriendschap die het uiterst waagt?PROMETHEUS:Moeite overbodig en lichtzinnge onnoozelheid.OKEANOS:Gun dat gebrek mij: die verstandig is, behaaltHet grootste voordeel door den schijn van onverstand.PROMETHEUS:U wordt de dwaasheid aangerekend—mij de schuld.OKEANOS:Uw woord zendt me onverholen weêr naar huis terug.PROMETHEUS:Uit vrees dat mij bejammren u in onmin stort.OKEANOS:Met hem die nieuwlings op den stoel der almacht zit?PROMETHEUS:Wees op uw hoede dat gij nooit zijn hart vergramt.OKEANOS:Dat leert, Prometheus, mij uw eigen ongeluk.PROMETHEUS:Haast u ter reize: red het inzicht dat gij wont!OKEANOS:’k Ben onderweg al, nu uw roep mij manen komt.Zie, de effen baan des aithers veegt met vleugelen’t Viervoetig rijdier. Blijde, denk ik, zal hij zijnZijn knieën weêr te buigen in gewenden stal.

VIJFDE TOONEELPROMETHEUS, REI VAN OKEANIEDEN, OKEANOS.OKEANOS (verschijnt op een gevleugelden draak):Ik bereik u, Prometheus, ’t doel van het padMijner durige reize, gestegen op deesSnelvleugligen draak dien ’k enkel bestuurMet de toomen der stille gedachte.—Weet wel dat ik deel in de smart van uw lot;Want daartoe dringt mij verwantschap en bloed;Maar ook buitendien is geen wien ’k gunIn mijn achting een hoogeren zetel dan u.Dat ik waarheid spreek, dat mijn tong niet vleitSchijnwoorden om gunst, ondervindt gij terstond:Openbaar wat hulp ik betoonen u kan:Op een hechteren vriend dan Okeanos is,Zult nimmer ge u kunnen beroemen.PROMETHEUS:Wat is er nu weêr? Komt ook gij om toe te zienBij mijne nooden? Hoe hebt gij gewaagd den stroomDie uwen naam voert, en uw grotten rotsgedaktNatuurgehouwen te verlaten voor dit landDrachtig van ijzer? Of zijt gij gekomen omU met mij te ergren in den aanblik van mijn leed?Aanzie dit schouwspel, dezen bondgenoot van Zeus,Die saam met hem bevest heeft zijne heerschappij,Met welke kwalen ik door hem gefolterd word.OKEANOS:Ik zie, Prometheus,—en al zijt gij listenbont,’k Wil u te sporen trachten met mijn besten raad.Keer tot u-zelven, stem tot nieuwe wijzen omUw inborst: nieuw ook is de heerscher bij de goôn.Als gij blijft slingren zulke fel gewette reên,Allicht mocht Zeus u, staat zijn stoel ook nog zoo hoog,Vernemen, en in ’t einde dunkt zijn huidge toornMet al zijn kwalen u nog kinderspel te zijn.Maar, o rampzaalge, laat van uwen wrevel afEn zoek naar een verlossing uit dees kwellingen.Misschien lijkt u verouderd wat ik zeggen ga:Dit is het eenig handgeld dat men beuren kan,Prometheus, met te pralend pochen van de tong.Gij blijft hoovaardig, onder rampen bukt gij niet,En bij uw rampen zoekt gij nieuwer rampen winst.Als gij dus naar mijn onderwijzing hooren wilt,Sla tegen prikkels niet deverzenen; want gij ziet:Een grimmig heerscher zonder rekenschap regeert.En nu ga ik heen, laat geen poging onbeproefdOf ik uit deze nooden u verlossen kan.Doch gij, blijf rustig, toom uw monds onstuimigheid.Of weet gij, die terecht alwijs genaamd wordt, nietDe tuchtging die der ijdle tong wordt ingeprent?PROMETHEUS:’k Prijs uw geluk al, dat gij straffeloos uitgaat,Die u verstout hebt deel te nemen in mijn lot.Nu laat het wezen, spaar uw zorg. Gij overreedtHem toch niet; want voor overreding is hij doof.Wees zelf omzichtig dat uw gang geen smartgang wordt.OKEANOS:Veel beter maant uw aanleg andren dan u-zelfTot rede: niet maar woorden, feiten zijn bewijs.Doch houd mij hunkrend naar de reize niet terug.Want groot maak ik mij, ’k maak mij groot dat Zeus dees gunstMij toestaat, en uit deze nooden u bevrijdt.PROMETHEUS:Deels prijs ik, houd u nimmermeer te prijzen op;Want in bereidheid schiet gij niets te kort. Toch laatUw moeite: zonder mij te baten zoudt vergeefsGe u moeien, als gij u al moeite geven wilt.Maar houd in rustig toezien zelf u buiten schot.Want ik, al ben ’k rampzalig, zoû daarom niet graagZoovelen mooglijk naast mij zien met leed bedeeld.O neen ik—diep genoeg al schrijnt mij ’t ongelukMijns broeders Atlas die ter avondlandsche steêDe zuil des hemels en der aard te stutten staatMet zijne schoudren, kwadelijk te wiegen last.Met deernis ook zag ’k hoe de reuzge burchtheer vanKilikia’s grotten, het strijdbarnend monster metZijn honderd koppen, door geweld beteugeld werd,Grimmige Typhoon die al goden weêrstand bood,Uit grouwelijke kaken sissespreidend vrees.Hij bliksemde uit zijn oogen schrikstijvenden gloedAls ging zijn oerkracht nederhalen Zeus’ bewind.Maar op hem neder voer diens slapelooze lans,De steilgetrede bliksem blazend vuur en vlam,Die midden in de grootspraak zijner blufferijHem stom smeet. Want vlak in het middenrif geraakt,Werd hij versinteld; donder sloeg zijn krachten murw.En nu, een hulpelooze werktuiglijke romp,Ligt hij ter zijde van de nauwe straat der zeeOnder de wortlen van berg Aitna neêrgedrukt;En boven op de toppen zit en smeedt zijn staalHephaistos. Toch eens zullen breken vandaar uitRivieren vuur, die vreten in haar wilden muilDe vlakke bunders van vruchtbaar SikeliaMet heete beten van onnaakbren vlammevloed.In zulk een toornen ziedt nog eenmaal Typhoon op,Al ligt hij door den bliksem nu van Zeus verkoold.—Gij hebt genoeg ervaring, onderwijs van mijIs u niet noodig: red u-zelf zoo goed gij kunt.Ik stuur alleen wel tegen ’t huidig onheil op,Tot Zeus bezonnen af zal laten van zijn toorn.OKEANOS:Ziet gij, Prometheus, dan niet in dat redenenVoor ziel die ziek van toorn is, als heelmeesters zijn?PROMETHEUS:Ja, als men tijdig ’t hart met zalf te streelen weet,Maar niet als men ruwhandig ’t zeer gemoed nog kneust.OKEANOS:Wat mooglijk nadeel ziet gij—geef mij onderricht—In bereidwillge vriendschap die het uiterst waagt?PROMETHEUS:Moeite overbodig en lichtzinnge onnoozelheid.OKEANOS:Gun dat gebrek mij: die verstandig is, behaaltHet grootste voordeel door den schijn van onverstand.PROMETHEUS:U wordt de dwaasheid aangerekend—mij de schuld.OKEANOS:Uw woord zendt me onverholen weêr naar huis terug.PROMETHEUS:Uit vrees dat mij bejammren u in onmin stort.OKEANOS:Met hem die nieuwlings op den stoel der almacht zit?PROMETHEUS:Wees op uw hoede dat gij nooit zijn hart vergramt.OKEANOS:Dat leert, Prometheus, mij uw eigen ongeluk.PROMETHEUS:Haast u ter reize: red het inzicht dat gij wont!OKEANOS:’k Ben onderweg al, nu uw roep mij manen komt.Zie, de effen baan des aithers veegt met vleugelen’t Viervoetig rijdier. Blijde, denk ik, zal hij zijnZijn knieën weêr te buigen in gewenden stal.

PROMETHEUS, REI VAN OKEANIEDEN, OKEANOS.

OKEANOS (verschijnt op een gevleugelden draak):Ik bereik u, Prometheus, ’t doel van het padMijner durige reize, gestegen op deesSnelvleugligen draak dien ’k enkel bestuurMet de toomen der stille gedachte.—Weet wel dat ik deel in de smart van uw lot;Want daartoe dringt mij verwantschap en bloed;Maar ook buitendien is geen wien ’k gunIn mijn achting een hoogeren zetel dan u.Dat ik waarheid spreek, dat mijn tong niet vleitSchijnwoorden om gunst, ondervindt gij terstond:Openbaar wat hulp ik betoonen u kan:Op een hechteren vriend dan Okeanos is,Zult nimmer ge u kunnen beroemen.

OKEANOS (verschijnt op een gevleugelden draak):

Ik bereik u, Prometheus, ’t doel van het pad

Mijner durige reize, gestegen op dees

Snelvleugligen draak dien ’k enkel bestuur

Met de toomen der stille gedachte.—

Weet wel dat ik deel in de smart van uw lot;

Want daartoe dringt mij verwantschap en bloed;

Maar ook buitendien is geen wien ’k gun

In mijn achting een hoogeren zetel dan u.

Dat ik waarheid spreek, dat mijn tong niet vleit

Schijnwoorden om gunst, ondervindt gij terstond:

Openbaar wat hulp ik betoonen u kan:

Op een hechteren vriend dan Okeanos is,

Zult nimmer ge u kunnen beroemen.

PROMETHEUS:Wat is er nu weêr? Komt ook gij om toe te zienBij mijne nooden? Hoe hebt gij gewaagd den stroomDie uwen naam voert, en uw grotten rotsgedaktNatuurgehouwen te verlaten voor dit landDrachtig van ijzer? Of zijt gij gekomen omU met mij te ergren in den aanblik van mijn leed?Aanzie dit schouwspel, dezen bondgenoot van Zeus,Die saam met hem bevest heeft zijne heerschappij,Met welke kwalen ik door hem gefolterd word.

PROMETHEUS:

Wat is er nu weêr? Komt ook gij om toe te zien

Bij mijne nooden? Hoe hebt gij gewaagd den stroom

Die uwen naam voert, en uw grotten rotsgedakt

Natuurgehouwen te verlaten voor dit land

Drachtig van ijzer? Of zijt gij gekomen om

U met mij te ergren in den aanblik van mijn leed?

Aanzie dit schouwspel, dezen bondgenoot van Zeus,

Die saam met hem bevest heeft zijne heerschappij,

Met welke kwalen ik door hem gefolterd word.

OKEANOS:Ik zie, Prometheus,—en al zijt gij listenbont,’k Wil u te sporen trachten met mijn besten raad.Keer tot u-zelven, stem tot nieuwe wijzen omUw inborst: nieuw ook is de heerscher bij de goôn.Als gij blijft slingren zulke fel gewette reên,Allicht mocht Zeus u, staat zijn stoel ook nog zoo hoog,Vernemen, en in ’t einde dunkt zijn huidge toornMet al zijn kwalen u nog kinderspel te zijn.Maar, o rampzaalge, laat van uwen wrevel afEn zoek naar een verlossing uit dees kwellingen.Misschien lijkt u verouderd wat ik zeggen ga:Dit is het eenig handgeld dat men beuren kan,Prometheus, met te pralend pochen van de tong.Gij blijft hoovaardig, onder rampen bukt gij niet,En bij uw rampen zoekt gij nieuwer rampen winst.Als gij dus naar mijn onderwijzing hooren wilt,Sla tegen prikkels niet deverzenen; want gij ziet:Een grimmig heerscher zonder rekenschap regeert.En nu ga ik heen, laat geen poging onbeproefdOf ik uit deze nooden u verlossen kan.Doch gij, blijf rustig, toom uw monds onstuimigheid.Of weet gij, die terecht alwijs genaamd wordt, nietDe tuchtging die der ijdle tong wordt ingeprent?

OKEANOS:

Ik zie, Prometheus,—en al zijt gij listenbont,

’k Wil u te sporen trachten met mijn besten raad.

Keer tot u-zelven, stem tot nieuwe wijzen om

Uw inborst: nieuw ook is de heerscher bij de goôn.

Als gij blijft slingren zulke fel gewette reên,

Allicht mocht Zeus u, staat zijn stoel ook nog zoo hoog,

Vernemen, en in ’t einde dunkt zijn huidge toorn

Met al zijn kwalen u nog kinderspel te zijn.

Maar, o rampzaalge, laat van uwen wrevel af

En zoek naar een verlossing uit dees kwellingen.

Misschien lijkt u verouderd wat ik zeggen ga:

Dit is het eenig handgeld dat men beuren kan,

Prometheus, met te pralend pochen van de tong.

Gij blijft hoovaardig, onder rampen bukt gij niet,

En bij uw rampen zoekt gij nieuwer rampen winst.

Als gij dus naar mijn onderwijzing hooren wilt,

Sla tegen prikkels niet deverzenen; want gij ziet:

Een grimmig heerscher zonder rekenschap regeert.

En nu ga ik heen, laat geen poging onbeproefd

Of ik uit deze nooden u verlossen kan.

Doch gij, blijf rustig, toom uw monds onstuimigheid.

Of weet gij, die terecht alwijs genaamd wordt, niet

De tuchtging die der ijdle tong wordt ingeprent?

PROMETHEUS:’k Prijs uw geluk al, dat gij straffeloos uitgaat,Die u verstout hebt deel te nemen in mijn lot.Nu laat het wezen, spaar uw zorg. Gij overreedtHem toch niet; want voor overreding is hij doof.Wees zelf omzichtig dat uw gang geen smartgang wordt.

PROMETHEUS:

’k Prijs uw geluk al, dat gij straffeloos uitgaat,

Die u verstout hebt deel te nemen in mijn lot.

Nu laat het wezen, spaar uw zorg. Gij overreedt

Hem toch niet; want voor overreding is hij doof.

Wees zelf omzichtig dat uw gang geen smartgang wordt.

OKEANOS:Veel beter maant uw aanleg andren dan u-zelfTot rede: niet maar woorden, feiten zijn bewijs.Doch houd mij hunkrend naar de reize niet terug.Want groot maak ik mij, ’k maak mij groot dat Zeus dees gunstMij toestaat, en uit deze nooden u bevrijdt.

OKEANOS:

Veel beter maant uw aanleg andren dan u-zelf

Tot rede: niet maar woorden, feiten zijn bewijs.

Doch houd mij hunkrend naar de reize niet terug.

Want groot maak ik mij, ’k maak mij groot dat Zeus dees gunst

Mij toestaat, en uit deze nooden u bevrijdt.

PROMETHEUS:Deels prijs ik, houd u nimmermeer te prijzen op;Want in bereidheid schiet gij niets te kort. Toch laatUw moeite: zonder mij te baten zoudt vergeefsGe u moeien, als gij u al moeite geven wilt.Maar houd in rustig toezien zelf u buiten schot.Want ik, al ben ’k rampzalig, zoû daarom niet graagZoovelen mooglijk naast mij zien met leed bedeeld.O neen ik—diep genoeg al schrijnt mij ’t ongelukMijns broeders Atlas die ter avondlandsche steêDe zuil des hemels en der aard te stutten staatMet zijne schoudren, kwadelijk te wiegen last.Met deernis ook zag ’k hoe de reuzge burchtheer vanKilikia’s grotten, het strijdbarnend monster metZijn honderd koppen, door geweld beteugeld werd,Grimmige Typhoon die al goden weêrstand bood,Uit grouwelijke kaken sissespreidend vrees.Hij bliksemde uit zijn oogen schrikstijvenden gloedAls ging zijn oerkracht nederhalen Zeus’ bewind.Maar op hem neder voer diens slapelooze lans,De steilgetrede bliksem blazend vuur en vlam,Die midden in de grootspraak zijner blufferijHem stom smeet. Want vlak in het middenrif geraakt,Werd hij versinteld; donder sloeg zijn krachten murw.En nu, een hulpelooze werktuiglijke romp,Ligt hij ter zijde van de nauwe straat der zeeOnder de wortlen van berg Aitna neêrgedrukt;En boven op de toppen zit en smeedt zijn staalHephaistos. Toch eens zullen breken vandaar uitRivieren vuur, die vreten in haar wilden muilDe vlakke bunders van vruchtbaar SikeliaMet heete beten van onnaakbren vlammevloed.In zulk een toornen ziedt nog eenmaal Typhoon op,Al ligt hij door den bliksem nu van Zeus verkoold.—Gij hebt genoeg ervaring, onderwijs van mijIs u niet noodig: red u-zelf zoo goed gij kunt.Ik stuur alleen wel tegen ’t huidig onheil op,Tot Zeus bezonnen af zal laten van zijn toorn.

PROMETHEUS:

Deels prijs ik, houd u nimmermeer te prijzen op;

Want in bereidheid schiet gij niets te kort. Toch laat

Uw moeite: zonder mij te baten zoudt vergeefs

Ge u moeien, als gij u al moeite geven wilt.

Maar houd in rustig toezien zelf u buiten schot.

Want ik, al ben ’k rampzalig, zoû daarom niet graag

Zoovelen mooglijk naast mij zien met leed bedeeld.

O neen ik—diep genoeg al schrijnt mij ’t ongeluk

Mijns broeders Atlas die ter avondlandsche steê

De zuil des hemels en der aard te stutten staat

Met zijne schoudren, kwadelijk te wiegen last.

Met deernis ook zag ’k hoe de reuzge burchtheer van

Kilikia’s grotten, het strijdbarnend monster met

Zijn honderd koppen, door geweld beteugeld werd,

Grimmige Typhoon die al goden weêrstand bood,

Uit grouwelijke kaken sissespreidend vrees.

Hij bliksemde uit zijn oogen schrikstijvenden gloed

Als ging zijn oerkracht nederhalen Zeus’ bewind.

Maar op hem neder voer diens slapelooze lans,

De steilgetrede bliksem blazend vuur en vlam,

Die midden in de grootspraak zijner blufferij

Hem stom smeet. Want vlak in het middenrif geraakt,

Werd hij versinteld; donder sloeg zijn krachten murw.

En nu, een hulpelooze werktuiglijke romp,

Ligt hij ter zijde van de nauwe straat der zee

Onder de wortlen van berg Aitna neêrgedrukt;

En boven op de toppen zit en smeedt zijn staal

Hephaistos. Toch eens zullen breken vandaar uit

Rivieren vuur, die vreten in haar wilden muil

De vlakke bunders van vruchtbaar Sikelia

Met heete beten van onnaakbren vlammevloed.

In zulk een toornen ziedt nog eenmaal Typhoon op,

Al ligt hij door den bliksem nu van Zeus verkoold.—

Gij hebt genoeg ervaring, onderwijs van mij

Is u niet noodig: red u-zelf zoo goed gij kunt.

Ik stuur alleen wel tegen ’t huidig onheil op,

Tot Zeus bezonnen af zal laten van zijn toorn.

OKEANOS:Ziet gij, Prometheus, dan niet in dat redenenVoor ziel die ziek van toorn is, als heelmeesters zijn?

OKEANOS:

Ziet gij, Prometheus, dan niet in dat redenen

Voor ziel die ziek van toorn is, als heelmeesters zijn?

PROMETHEUS:Ja, als men tijdig ’t hart met zalf te streelen weet,Maar niet als men ruwhandig ’t zeer gemoed nog kneust.

PROMETHEUS:

Ja, als men tijdig ’t hart met zalf te streelen weet,

Maar niet als men ruwhandig ’t zeer gemoed nog kneust.

OKEANOS:Wat mooglijk nadeel ziet gij—geef mij onderricht—In bereidwillge vriendschap die het uiterst waagt?

OKEANOS:

Wat mooglijk nadeel ziet gij—geef mij onderricht—

In bereidwillge vriendschap die het uiterst waagt?

PROMETHEUS:Moeite overbodig en lichtzinnge onnoozelheid.

PROMETHEUS:

Moeite overbodig en lichtzinnge onnoozelheid.

OKEANOS:Gun dat gebrek mij: die verstandig is, behaaltHet grootste voordeel door den schijn van onverstand.

OKEANOS:

Gun dat gebrek mij: die verstandig is, behaalt

Het grootste voordeel door den schijn van onverstand.

PROMETHEUS:U wordt de dwaasheid aangerekend—mij de schuld.

PROMETHEUS:

U wordt de dwaasheid aangerekend—mij de schuld.

OKEANOS:Uw woord zendt me onverholen weêr naar huis terug.

OKEANOS:

Uw woord zendt me onverholen weêr naar huis terug.

PROMETHEUS:Uit vrees dat mij bejammren u in onmin stort.

PROMETHEUS:

Uit vrees dat mij bejammren u in onmin stort.

OKEANOS:Met hem die nieuwlings op den stoel der almacht zit?

OKEANOS:

Met hem die nieuwlings op den stoel der almacht zit?

PROMETHEUS:Wees op uw hoede dat gij nooit zijn hart vergramt.

PROMETHEUS:

Wees op uw hoede dat gij nooit zijn hart vergramt.

OKEANOS:Dat leert, Prometheus, mij uw eigen ongeluk.

OKEANOS:

Dat leert, Prometheus, mij uw eigen ongeluk.

PROMETHEUS:Haast u ter reize: red het inzicht dat gij wont!

PROMETHEUS:

Haast u ter reize: red het inzicht dat gij wont!

OKEANOS:’k Ben onderweg al, nu uw roep mij manen komt.Zie, de effen baan des aithers veegt met vleugelen’t Viervoetig rijdier. Blijde, denk ik, zal hij zijnZijn knieën weêr te buigen in gewenden stal.

OKEANOS:

’k Ben onderweg al, nu uw roep mij manen komt.

Zie, de effen baan des aithers veegt met vleugelen

’t Viervoetig rijdier. Blijde, denk ik, zal hij zijn

Zijn knieën weêr te buigen in gewenden stal.

ZESDE TOONEELPROMETHEUS, REI VAN OKEANIEDEN.REI:’k Beklaag u om uw heilloos lot, Prometheus!Droppel na droppel pleng ik uit mijn oogenDer tranen milden stroom.Zijn vochte dauw bevloeit mijn wangen.Want dit onbenijdbaar lijdenDat naar willekeurge wettenZeus beschikt,Dreigt al vroegren goden samenOvermoedge dwinglandij.Reeds galmt het gansche wijde land van klachten:Ik hoor den westerling bejammrenVan u en van uw bloedgenootenHoogheerlijke edeloude macht.Al de stervers die bevolkenHeilige Asia’s ruime woonsteê,Deelen met u in het zwoegenVan uw zuchtenluide wee:Die in ’t land van Kolchis huizen,Maagden nimmer strijd ontdeinzend,En de drom van Skythen die derAarde verstgelegen strekenOm ’t Maiotisch meer bezetten,—Aria’s manhafte bloesem,Die de hooggetinde vestingNaast den Kaukasos bewonen,Strijdbre benden die rumoerenMet de scherpgeboegde lansen——Eén enklen andren god zag ik tot nu,Eén Titan, eveneensIn lijden overweldigd:Atlas die onverpoosd’t Ontzaggelijk hooge gevaarte der aardSaam met de hemelsche asBoven zijn zuchten torst—:De roep der zee valt ruischend in; de diepte kreunt;Het donker ruim van Hades rommelt onder de aard;Der heilige rivieren bronnen stenen vloeibre deernis.PROMETHEUS:Wijt niet aan ingebeeldheid of aan ijdlen trotsMijn zwijgen. Diepgevoelde wrok verteert mijn hart,Dat ik met zulke smaadheid mij mishandeld zie …En toch, wie anders in-den-grond wel wees dan ikAan deze nieuwe goden hun eerrechten toe?Doch daarvan zwijg ik. Waartoe zoude ik wat gij weetBespreken? Luistert liever welke ellende ik vondOnder de stervers, hoe zij reêloos waren eerIk hen bedeelde met bewustheid en verstand …Niet daar ’k den menschen iets verwijt, verhaal ik dit—Der gaven goed bedoelen stel ik in het licht …Zij keken eertijds ziender-oogen zonder zien,En hoorden zonder hooren; ’t lieve leven langGelijk droomschimmen warden ze alles hulpeloosDooreen; hout te verwerken noch uit tichelsteenZon-open huizen op te trekken wisten zij;Maar onder de aard vergraven in het zonloos diepVan holen woonden ze als het wriemlend mierendom.En geen beproefd kenteeken duidde hun de komstVan winter of van bloemenvollen voorjaarstijdOf vruchtenrijpen zomer; al hun doen ontbrakBegrip en inzicht, tot ik hun heb wijsgemaaktDer starren zwaar te kennen op- en nedergang.En verder vond ik de getallen voor hen uit,Den sleutel van al weten, en het letterschrift,Al dings gedachtnis, zoogster aller moezenkunst.Het eerst ook temde ik onder ’t jok het wilde vee,Dat, slaven van het trekzeel en het zadelpak,Zij van de stervers overnamen ’t zwaarst gezwoeg.Ook spande ik aan de waagnen ’t leidselvolgzaam rasDer paarden, overrijker weelde schoonen pronk.En niemand anders vóor mij heeft der schipperenZeezwervend zeilbevleugeld voertuig uitgedacht …Ik die den stervers diergelijke middlen vond,Ben, zelf rampzalig, tot geen enkle vondst instaat,Waardoor ik zoude ontkomen aan dit huidig wee.REI:Smaadlijke kwelling! Dolen doet gij, van verstandVerbijsterd, als geneesheer die tot krankheid komtEn in onmachtge wanhoop voor zich-zelven nietHet middel weet te vinden, dat genezing brengt.PROMETHEUS:Nog meer zult gij bewondren, als gij verder hoortWat kunsten en uitwegen ik verzonnen heb.Al daadlijk: als er vroeger een van hen vervielTot krankheid, kenden zij geen leenging, zalf noch drankNoch eetbaar kruidsel; door gebrek aan middelenVerdorden hunne lijven vóórdat ik hun weesHoe te bereiden pijnstillende mengselen,Waarmeê voor elke ziekte zij zich veiligen.De vele wijzen ook der waarzegkunst heb ikBegrond. Ik onderscheidde van de droomen ’t eerst,Welke in vervulling treden; duidde hun de zwaarSchiftbre geruchten, de onderweegsche teekenen.De vlucht der kromgeklauwde vooglen heb ’k gebaaktIn zuivre grenzen: welke gunstig uitteraardZijn, welke ongunstig, en de levenswijs van elk,Wat vijandschappen en bevriendheên onderlingHen deelen of tot samenkomsten gaderen.Der ingewanden gaafheid leerde ik hun: wat kleurDe gal moet hebben, die den goden meest behaagt,De bonte wissling van der leverlobben vorm.Ik hielp op weg hen in de moeizame offerkunst:De zware heupen en de schenklen vet-omwoeldVerbrandde ik, en der vlammen teeknen, die voordienStarduister waren, heb ’k verzichtbaard voor hun oog.Zoo waren dees mijn gaven …. En wat onder de aardDen menschen aan hulpmiddlen weggeborgen ligt,Brons, ijzer, goud en zilver—wie kan zeggen datHij hen heeft uitgevonden eer dan ik het deed?’k Weet zeker, niemand, die niet ijdel bluffen wil.—Verneem dan alles in éen bondig woord vervat:Geen kunst die niet den stervers van Prometheus stamt.REI:Gij die den stervers boven mate hebt gebaat,Besteed aan eigen rampspoed thans uw zorg; want ikBen goeder hope dat, uit deze banden los,Gij eens nog even machtig wezen zult als Zeus.PROMETHEUS:Nog niet gewezen is ’t vervullingdragend lotDat dit zóo zal geschieden. Door oneindge pijnEn smart gekromd eerst, mag ’k ontkomen aan den boei.Want alle kunst blijft machtloos bij noodwendigheid.REI:Wie dan wel stuurt de roerpen dier noodwendigheid?PROMETHEUS:Gedachtge Erinyen, met der Moiren driegedaant.REI:En is Zeus dus de minder machtge dezer zes?PROMETHEUS:Ook hij zoû niet ontkomen aan ’t bestelde lot.REI:Wat aêrs dan eeuwig heerschen is Zeus voorbeschikt?PROMETHEUS:Dat zoudt gij niet vernemen: dring er niet op aan!REI:Een schrikkelijk geheim is ’t, wat gij ons verhult?PROMETHEUS:Gedenkt een andre rede. Thans is ’t niet de tijdDit te verluiden. Dieper moet ik het dan ooitIn stilte domplen. Want door dit bewaard geheimOntkom ik mijnen smarten en der banden smaad.REI:Moge nimmerZeus die alle ding bestiert,Aan mijn wil zijn macht vijandig overstellen!Moge ik nimmer ook vertragenIn het dienen van de godenBij de heiige runderslachtende offermalenAan den oever van Okeanos’, mijn vaders,Niet te dempen stroom!Moge ik nooit met woorden mij bezondgen,Maar laat onvervaagd beklijvenDeze wijsheidIn de taaflen van mijn hart:Zoet is het aaneen te rijenAl de dagen van zijn levenTot een snoer geruste hoop,Wijl het hart aan stralende geneuchtenZich verkwikt en nooit verzaadt—Maar uw aanblik doet mij huivren,Hoe door kwalen gij vermaald wordt,Niet te tellen, zelf-gekozen …Immers zonder Zeus te duchtenViert uw eigendunk te zeer den sterveling, Prometheus!Zie nu hoe zonder dank de weldaad blijft, mijn vriend!Zegt wat verweer en waar?Wat helpt de bijstand der eendagelingen?En ziet gij nietDe krachtelooze droomgelijkeOnmacht waarin belemmerdHet blind geslacht der stervelingen rondtast?Geen kans dat ooit der menschen raadslag gaZeus’ wereld-evenwicht tebuiten!Dit leerde ik uit den aanblik van uw heilloos lot, Prometheus.… Hoezeer verscheiden klinkt het lied dat in mij opwelt,Van vroeger lied dat ’k hief ter viering van uw huwlijkNaast bruîgoms bad en bed,Toen gij door overreding van geschenkenHesiona, mijn vaders dochter,Voerde als uw vrouw tot bijslaaps zoet geweld.

ZESDE TOONEELPROMETHEUS, REI VAN OKEANIEDEN.REI:’k Beklaag u om uw heilloos lot, Prometheus!Droppel na droppel pleng ik uit mijn oogenDer tranen milden stroom.Zijn vochte dauw bevloeit mijn wangen.Want dit onbenijdbaar lijdenDat naar willekeurge wettenZeus beschikt,Dreigt al vroegren goden samenOvermoedge dwinglandij.Reeds galmt het gansche wijde land van klachten:Ik hoor den westerling bejammrenVan u en van uw bloedgenootenHoogheerlijke edeloude macht.Al de stervers die bevolkenHeilige Asia’s ruime woonsteê,Deelen met u in het zwoegenVan uw zuchtenluide wee:Die in ’t land van Kolchis huizen,Maagden nimmer strijd ontdeinzend,En de drom van Skythen die derAarde verstgelegen strekenOm ’t Maiotisch meer bezetten,—Aria’s manhafte bloesem,Die de hooggetinde vestingNaast den Kaukasos bewonen,Strijdbre benden die rumoerenMet de scherpgeboegde lansen——Eén enklen andren god zag ik tot nu,Eén Titan, eveneensIn lijden overweldigd:Atlas die onverpoosd’t Ontzaggelijk hooge gevaarte der aardSaam met de hemelsche asBoven zijn zuchten torst—:De roep der zee valt ruischend in; de diepte kreunt;Het donker ruim van Hades rommelt onder de aard;Der heilige rivieren bronnen stenen vloeibre deernis.PROMETHEUS:Wijt niet aan ingebeeldheid of aan ijdlen trotsMijn zwijgen. Diepgevoelde wrok verteert mijn hart,Dat ik met zulke smaadheid mij mishandeld zie …En toch, wie anders in-den-grond wel wees dan ikAan deze nieuwe goden hun eerrechten toe?Doch daarvan zwijg ik. Waartoe zoude ik wat gij weetBespreken? Luistert liever welke ellende ik vondOnder de stervers, hoe zij reêloos waren eerIk hen bedeelde met bewustheid en verstand …Niet daar ’k den menschen iets verwijt, verhaal ik dit—Der gaven goed bedoelen stel ik in het licht …Zij keken eertijds ziender-oogen zonder zien,En hoorden zonder hooren; ’t lieve leven langGelijk droomschimmen warden ze alles hulpeloosDooreen; hout te verwerken noch uit tichelsteenZon-open huizen op te trekken wisten zij;Maar onder de aard vergraven in het zonloos diepVan holen woonden ze als het wriemlend mierendom.En geen beproefd kenteeken duidde hun de komstVan winter of van bloemenvollen voorjaarstijdOf vruchtenrijpen zomer; al hun doen ontbrakBegrip en inzicht, tot ik hun heb wijsgemaaktDer starren zwaar te kennen op- en nedergang.En verder vond ik de getallen voor hen uit,Den sleutel van al weten, en het letterschrift,Al dings gedachtnis, zoogster aller moezenkunst.Het eerst ook temde ik onder ’t jok het wilde vee,Dat, slaven van het trekzeel en het zadelpak,Zij van de stervers overnamen ’t zwaarst gezwoeg.Ook spande ik aan de waagnen ’t leidselvolgzaam rasDer paarden, overrijker weelde schoonen pronk.En niemand anders vóor mij heeft der schipperenZeezwervend zeilbevleugeld voertuig uitgedacht …Ik die den stervers diergelijke middlen vond,Ben, zelf rampzalig, tot geen enkle vondst instaat,Waardoor ik zoude ontkomen aan dit huidig wee.REI:Smaadlijke kwelling! Dolen doet gij, van verstandVerbijsterd, als geneesheer die tot krankheid komtEn in onmachtge wanhoop voor zich-zelven nietHet middel weet te vinden, dat genezing brengt.PROMETHEUS:Nog meer zult gij bewondren, als gij verder hoortWat kunsten en uitwegen ik verzonnen heb.Al daadlijk: als er vroeger een van hen vervielTot krankheid, kenden zij geen leenging, zalf noch drankNoch eetbaar kruidsel; door gebrek aan middelenVerdorden hunne lijven vóórdat ik hun weesHoe te bereiden pijnstillende mengselen,Waarmeê voor elke ziekte zij zich veiligen.De vele wijzen ook der waarzegkunst heb ikBegrond. Ik onderscheidde van de droomen ’t eerst,Welke in vervulling treden; duidde hun de zwaarSchiftbre geruchten, de onderweegsche teekenen.De vlucht der kromgeklauwde vooglen heb ’k gebaaktIn zuivre grenzen: welke gunstig uitteraardZijn, welke ongunstig, en de levenswijs van elk,Wat vijandschappen en bevriendheên onderlingHen deelen of tot samenkomsten gaderen.Der ingewanden gaafheid leerde ik hun: wat kleurDe gal moet hebben, die den goden meest behaagt,De bonte wissling van der leverlobben vorm.Ik hielp op weg hen in de moeizame offerkunst:De zware heupen en de schenklen vet-omwoeldVerbrandde ik, en der vlammen teeknen, die voordienStarduister waren, heb ’k verzichtbaard voor hun oog.Zoo waren dees mijn gaven …. En wat onder de aardDen menschen aan hulpmiddlen weggeborgen ligt,Brons, ijzer, goud en zilver—wie kan zeggen datHij hen heeft uitgevonden eer dan ik het deed?’k Weet zeker, niemand, die niet ijdel bluffen wil.—Verneem dan alles in éen bondig woord vervat:Geen kunst die niet den stervers van Prometheus stamt.REI:Gij die den stervers boven mate hebt gebaat,Besteed aan eigen rampspoed thans uw zorg; want ikBen goeder hope dat, uit deze banden los,Gij eens nog even machtig wezen zult als Zeus.PROMETHEUS:Nog niet gewezen is ’t vervullingdragend lotDat dit zóo zal geschieden. Door oneindge pijnEn smart gekromd eerst, mag ’k ontkomen aan den boei.Want alle kunst blijft machtloos bij noodwendigheid.REI:Wie dan wel stuurt de roerpen dier noodwendigheid?PROMETHEUS:Gedachtge Erinyen, met der Moiren driegedaant.REI:En is Zeus dus de minder machtge dezer zes?PROMETHEUS:Ook hij zoû niet ontkomen aan ’t bestelde lot.REI:Wat aêrs dan eeuwig heerschen is Zeus voorbeschikt?PROMETHEUS:Dat zoudt gij niet vernemen: dring er niet op aan!REI:Een schrikkelijk geheim is ’t, wat gij ons verhult?PROMETHEUS:Gedenkt een andre rede. Thans is ’t niet de tijdDit te verluiden. Dieper moet ik het dan ooitIn stilte domplen. Want door dit bewaard geheimOntkom ik mijnen smarten en der banden smaad.REI:Moge nimmerZeus die alle ding bestiert,Aan mijn wil zijn macht vijandig overstellen!Moge ik nimmer ook vertragenIn het dienen van de godenBij de heiige runderslachtende offermalenAan den oever van Okeanos’, mijn vaders,Niet te dempen stroom!Moge ik nooit met woorden mij bezondgen,Maar laat onvervaagd beklijvenDeze wijsheidIn de taaflen van mijn hart:Zoet is het aaneen te rijenAl de dagen van zijn levenTot een snoer geruste hoop,Wijl het hart aan stralende geneuchtenZich verkwikt en nooit verzaadt—Maar uw aanblik doet mij huivren,Hoe door kwalen gij vermaald wordt,Niet te tellen, zelf-gekozen …Immers zonder Zeus te duchtenViert uw eigendunk te zeer den sterveling, Prometheus!Zie nu hoe zonder dank de weldaad blijft, mijn vriend!Zegt wat verweer en waar?Wat helpt de bijstand der eendagelingen?En ziet gij nietDe krachtelooze droomgelijkeOnmacht waarin belemmerdHet blind geslacht der stervelingen rondtast?Geen kans dat ooit der menschen raadslag gaZeus’ wereld-evenwicht tebuiten!Dit leerde ik uit den aanblik van uw heilloos lot, Prometheus.… Hoezeer verscheiden klinkt het lied dat in mij opwelt,Van vroeger lied dat ’k hief ter viering van uw huwlijkNaast bruîgoms bad en bed,Toen gij door overreding van geschenkenHesiona, mijn vaders dochter,Voerde als uw vrouw tot bijslaaps zoet geweld.

PROMETHEUS, REI VAN OKEANIEDEN.

REI:’k Beklaag u om uw heilloos lot, Prometheus!Droppel na droppel pleng ik uit mijn oogenDer tranen milden stroom.Zijn vochte dauw bevloeit mijn wangen.Want dit onbenijdbaar lijdenDat naar willekeurge wettenZeus beschikt,Dreigt al vroegren goden samenOvermoedge dwinglandij.Reeds galmt het gansche wijde land van klachten:Ik hoor den westerling bejammrenVan u en van uw bloedgenootenHoogheerlijke edeloude macht.Al de stervers die bevolkenHeilige Asia’s ruime woonsteê,Deelen met u in het zwoegenVan uw zuchtenluide wee:Die in ’t land van Kolchis huizen,Maagden nimmer strijd ontdeinzend,En de drom van Skythen die derAarde verstgelegen strekenOm ’t Maiotisch meer bezetten,—Aria’s manhafte bloesem,Die de hooggetinde vestingNaast den Kaukasos bewonen,Strijdbre benden die rumoerenMet de scherpgeboegde lansen——Eén enklen andren god zag ik tot nu,Eén Titan, eveneensIn lijden overweldigd:Atlas die onverpoosd’t Ontzaggelijk hooge gevaarte der aardSaam met de hemelsche asBoven zijn zuchten torst—:De roep der zee valt ruischend in; de diepte kreunt;Het donker ruim van Hades rommelt onder de aard;Der heilige rivieren bronnen stenen vloeibre deernis.

REI:

’k Beklaag u om uw heilloos lot, Prometheus!

Droppel na droppel pleng ik uit mijn oogen

Der tranen milden stroom.

Zijn vochte dauw bevloeit mijn wangen.

Want dit onbenijdbaar lijden

Dat naar willekeurge wetten

Zeus beschikt,

Dreigt al vroegren goden samen

Overmoedge dwinglandij.

Reeds galmt het gansche wijde land van klachten:

Ik hoor den westerling bejammren

Van u en van uw bloedgenooten

Hoogheerlijke edeloude macht.

Al de stervers die bevolken

Heilige Asia’s ruime woonsteê,

Deelen met u in het zwoegen

Van uw zuchtenluide wee:

Die in ’t land van Kolchis huizen,

Maagden nimmer strijd ontdeinzend,

En de drom van Skythen die der

Aarde verstgelegen streken

Om ’t Maiotisch meer bezetten,—

Aria’s manhafte bloesem,

Die de hooggetinde vesting

Naast den Kaukasos bewonen,

Strijdbre benden die rumoeren

Met de scherpgeboegde lansen——

Eén enklen andren god zag ik tot nu,

Eén Titan, eveneens

In lijden overweldigd:

Atlas die onverpoosd

’t Ontzaggelijk hooge gevaarte der aard

Saam met de hemelsche as

Boven zijn zuchten torst—:

De roep der zee valt ruischend in; de diepte kreunt;

Het donker ruim van Hades rommelt onder de aard;

Der heilige rivieren bronnen stenen vloeibre deernis.

PROMETHEUS:Wijt niet aan ingebeeldheid of aan ijdlen trotsMijn zwijgen. Diepgevoelde wrok verteert mijn hart,Dat ik met zulke smaadheid mij mishandeld zie …En toch, wie anders in-den-grond wel wees dan ikAan deze nieuwe goden hun eerrechten toe?Doch daarvan zwijg ik. Waartoe zoude ik wat gij weetBespreken? Luistert liever welke ellende ik vondOnder de stervers, hoe zij reêloos waren eerIk hen bedeelde met bewustheid en verstand …Niet daar ’k den menschen iets verwijt, verhaal ik dit—Der gaven goed bedoelen stel ik in het licht …Zij keken eertijds ziender-oogen zonder zien,En hoorden zonder hooren; ’t lieve leven langGelijk droomschimmen warden ze alles hulpeloosDooreen; hout te verwerken noch uit tichelsteenZon-open huizen op te trekken wisten zij;Maar onder de aard vergraven in het zonloos diepVan holen woonden ze als het wriemlend mierendom.En geen beproefd kenteeken duidde hun de komstVan winter of van bloemenvollen voorjaarstijdOf vruchtenrijpen zomer; al hun doen ontbrakBegrip en inzicht, tot ik hun heb wijsgemaaktDer starren zwaar te kennen op- en nedergang.En verder vond ik de getallen voor hen uit,Den sleutel van al weten, en het letterschrift,Al dings gedachtnis, zoogster aller moezenkunst.Het eerst ook temde ik onder ’t jok het wilde vee,Dat, slaven van het trekzeel en het zadelpak,Zij van de stervers overnamen ’t zwaarst gezwoeg.Ook spande ik aan de waagnen ’t leidselvolgzaam rasDer paarden, overrijker weelde schoonen pronk.En niemand anders vóor mij heeft der schipperenZeezwervend zeilbevleugeld voertuig uitgedacht …Ik die den stervers diergelijke middlen vond,Ben, zelf rampzalig, tot geen enkle vondst instaat,Waardoor ik zoude ontkomen aan dit huidig wee.

PROMETHEUS:

Wijt niet aan ingebeeldheid of aan ijdlen trots

Mijn zwijgen. Diepgevoelde wrok verteert mijn hart,

Dat ik met zulke smaadheid mij mishandeld zie …

En toch, wie anders in-den-grond wel wees dan ik

Aan deze nieuwe goden hun eerrechten toe?

Doch daarvan zwijg ik. Waartoe zoude ik wat gij weet

Bespreken? Luistert liever welke ellende ik vond

Onder de stervers, hoe zij reêloos waren eer

Ik hen bedeelde met bewustheid en verstand …

Niet daar ’k den menschen iets verwijt, verhaal ik dit—

Der gaven goed bedoelen stel ik in het licht …

Zij keken eertijds ziender-oogen zonder zien,

En hoorden zonder hooren; ’t lieve leven lang

Gelijk droomschimmen warden ze alles hulpeloos

Dooreen; hout te verwerken noch uit tichelsteen

Zon-open huizen op te trekken wisten zij;

Maar onder de aard vergraven in het zonloos diep

Van holen woonden ze als het wriemlend mierendom.

En geen beproefd kenteeken duidde hun de komst

Van winter of van bloemenvollen voorjaarstijd

Of vruchtenrijpen zomer; al hun doen ontbrak

Begrip en inzicht, tot ik hun heb wijsgemaakt

Der starren zwaar te kennen op- en nedergang.

En verder vond ik de getallen voor hen uit,

Den sleutel van al weten, en het letterschrift,

Al dings gedachtnis, zoogster aller moezenkunst.

Het eerst ook temde ik onder ’t jok het wilde vee,

Dat, slaven van het trekzeel en het zadelpak,

Zij van de stervers overnamen ’t zwaarst gezwoeg.

Ook spande ik aan de waagnen ’t leidselvolgzaam ras

Der paarden, overrijker weelde schoonen pronk.

En niemand anders vóor mij heeft der schipperen

Zeezwervend zeilbevleugeld voertuig uitgedacht …

Ik die den stervers diergelijke middlen vond,

Ben, zelf rampzalig, tot geen enkle vondst instaat,

Waardoor ik zoude ontkomen aan dit huidig wee.

REI:Smaadlijke kwelling! Dolen doet gij, van verstandVerbijsterd, als geneesheer die tot krankheid komtEn in onmachtge wanhoop voor zich-zelven nietHet middel weet te vinden, dat genezing brengt.

REI:

Smaadlijke kwelling! Dolen doet gij, van verstand

Verbijsterd, als geneesheer die tot krankheid komt

En in onmachtge wanhoop voor zich-zelven niet

Het middel weet te vinden, dat genezing brengt.

PROMETHEUS:Nog meer zult gij bewondren, als gij verder hoortWat kunsten en uitwegen ik verzonnen heb.Al daadlijk: als er vroeger een van hen vervielTot krankheid, kenden zij geen leenging, zalf noch drankNoch eetbaar kruidsel; door gebrek aan middelenVerdorden hunne lijven vóórdat ik hun weesHoe te bereiden pijnstillende mengselen,Waarmeê voor elke ziekte zij zich veiligen.De vele wijzen ook der waarzegkunst heb ikBegrond. Ik onderscheidde van de droomen ’t eerst,Welke in vervulling treden; duidde hun de zwaarSchiftbre geruchten, de onderweegsche teekenen.De vlucht der kromgeklauwde vooglen heb ’k gebaaktIn zuivre grenzen: welke gunstig uitteraardZijn, welke ongunstig, en de levenswijs van elk,Wat vijandschappen en bevriendheên onderlingHen deelen of tot samenkomsten gaderen.Der ingewanden gaafheid leerde ik hun: wat kleurDe gal moet hebben, die den goden meest behaagt,De bonte wissling van der leverlobben vorm.Ik hielp op weg hen in de moeizame offerkunst:De zware heupen en de schenklen vet-omwoeldVerbrandde ik, en der vlammen teeknen, die voordienStarduister waren, heb ’k verzichtbaard voor hun oog.Zoo waren dees mijn gaven …. En wat onder de aardDen menschen aan hulpmiddlen weggeborgen ligt,Brons, ijzer, goud en zilver—wie kan zeggen datHij hen heeft uitgevonden eer dan ik het deed?’k Weet zeker, niemand, die niet ijdel bluffen wil.—Verneem dan alles in éen bondig woord vervat:Geen kunst die niet den stervers van Prometheus stamt.

PROMETHEUS:

Nog meer zult gij bewondren, als gij verder hoort

Wat kunsten en uitwegen ik verzonnen heb.

Al daadlijk: als er vroeger een van hen verviel

Tot krankheid, kenden zij geen leenging, zalf noch drank

Noch eetbaar kruidsel; door gebrek aan middelen

Verdorden hunne lijven vóórdat ik hun wees

Hoe te bereiden pijnstillende mengselen,

Waarmeê voor elke ziekte zij zich veiligen.

De vele wijzen ook der waarzegkunst heb ik

Begrond. Ik onderscheidde van de droomen ’t eerst,

Welke in vervulling treden; duidde hun de zwaar

Schiftbre geruchten, de onderweegsche teekenen.

De vlucht der kromgeklauwde vooglen heb ’k gebaakt

In zuivre grenzen: welke gunstig uitteraard

Zijn, welke ongunstig, en de levenswijs van elk,

Wat vijandschappen en bevriendheên onderling

Hen deelen of tot samenkomsten gaderen.

Der ingewanden gaafheid leerde ik hun: wat kleur

De gal moet hebben, die den goden meest behaagt,

De bonte wissling van der leverlobben vorm.

Ik hielp op weg hen in de moeizame offerkunst:

De zware heupen en de schenklen vet-omwoeld

Verbrandde ik, en der vlammen teeknen, die voordien

Starduister waren, heb ’k verzichtbaard voor hun oog.

Zoo waren dees mijn gaven …. En wat onder de aard

Den menschen aan hulpmiddlen weggeborgen ligt,

Brons, ijzer, goud en zilver—wie kan zeggen dat

Hij hen heeft uitgevonden eer dan ik het deed?

’k Weet zeker, niemand, die niet ijdel bluffen wil.—

Verneem dan alles in éen bondig woord vervat:

Geen kunst die niet den stervers van Prometheus stamt.

REI:Gij die den stervers boven mate hebt gebaat,Besteed aan eigen rampspoed thans uw zorg; want ikBen goeder hope dat, uit deze banden los,Gij eens nog even machtig wezen zult als Zeus.

REI:

Gij die den stervers boven mate hebt gebaat,

Besteed aan eigen rampspoed thans uw zorg; want ik

Ben goeder hope dat, uit deze banden los,

Gij eens nog even machtig wezen zult als Zeus.

PROMETHEUS:Nog niet gewezen is ’t vervullingdragend lotDat dit zóo zal geschieden. Door oneindge pijnEn smart gekromd eerst, mag ’k ontkomen aan den boei.Want alle kunst blijft machtloos bij noodwendigheid.

PROMETHEUS:

Nog niet gewezen is ’t vervullingdragend lot

Dat dit zóo zal geschieden. Door oneindge pijn

En smart gekromd eerst, mag ’k ontkomen aan den boei.

Want alle kunst blijft machtloos bij noodwendigheid.

REI:Wie dan wel stuurt de roerpen dier noodwendigheid?

REI:

Wie dan wel stuurt de roerpen dier noodwendigheid?

PROMETHEUS:Gedachtge Erinyen, met der Moiren driegedaant.

PROMETHEUS:

Gedachtge Erinyen, met der Moiren driegedaant.

REI:En is Zeus dus de minder machtge dezer zes?

REI:

En is Zeus dus de minder machtge dezer zes?

PROMETHEUS:Ook hij zoû niet ontkomen aan ’t bestelde lot.

PROMETHEUS:

Ook hij zoû niet ontkomen aan ’t bestelde lot.

REI:Wat aêrs dan eeuwig heerschen is Zeus voorbeschikt?

REI:

Wat aêrs dan eeuwig heerschen is Zeus voorbeschikt?

PROMETHEUS:Dat zoudt gij niet vernemen: dring er niet op aan!

PROMETHEUS:

Dat zoudt gij niet vernemen: dring er niet op aan!

REI:Een schrikkelijk geheim is ’t, wat gij ons verhult?

REI:

Een schrikkelijk geheim is ’t, wat gij ons verhult?

PROMETHEUS:Gedenkt een andre rede. Thans is ’t niet de tijdDit te verluiden. Dieper moet ik het dan ooitIn stilte domplen. Want door dit bewaard geheimOntkom ik mijnen smarten en der banden smaad.

PROMETHEUS:

Gedenkt een andre rede. Thans is ’t niet de tijd

Dit te verluiden. Dieper moet ik het dan ooit

In stilte domplen. Want door dit bewaard geheim

Ontkom ik mijnen smarten en der banden smaad.

REI:Moge nimmerZeus die alle ding bestiert,Aan mijn wil zijn macht vijandig overstellen!Moge ik nimmer ook vertragenIn het dienen van de godenBij de heiige runderslachtende offermalenAan den oever van Okeanos’, mijn vaders,Niet te dempen stroom!Moge ik nooit met woorden mij bezondgen,Maar laat onvervaagd beklijvenDeze wijsheidIn de taaflen van mijn hart:Zoet is het aaneen te rijenAl de dagen van zijn levenTot een snoer geruste hoop,Wijl het hart aan stralende geneuchtenZich verkwikt en nooit verzaadt—Maar uw aanblik doet mij huivren,Hoe door kwalen gij vermaald wordt,Niet te tellen, zelf-gekozen …Immers zonder Zeus te duchtenViert uw eigendunk te zeer den sterveling, Prometheus!Zie nu hoe zonder dank de weldaad blijft, mijn vriend!Zegt wat verweer en waar?Wat helpt de bijstand der eendagelingen?En ziet gij nietDe krachtelooze droomgelijkeOnmacht waarin belemmerdHet blind geslacht der stervelingen rondtast?Geen kans dat ooit der menschen raadslag gaZeus’ wereld-evenwicht tebuiten!Dit leerde ik uit den aanblik van uw heilloos lot, Prometheus.… Hoezeer verscheiden klinkt het lied dat in mij opwelt,Van vroeger lied dat ’k hief ter viering van uw huwlijkNaast bruîgoms bad en bed,Toen gij door overreding van geschenkenHesiona, mijn vaders dochter,Voerde als uw vrouw tot bijslaaps zoet geweld.

REI:

Moge nimmer

Zeus die alle ding bestiert,

Aan mijn wil zijn macht vijandig overstellen!

Moge ik nimmer ook vertragen

In het dienen van de goden

Bij de heiige runderslachtende offermalen

Aan den oever van Okeanos’, mijn vaders,

Niet te dempen stroom!

Moge ik nooit met woorden mij bezondgen,

Maar laat onvervaagd beklijven

Deze wijsheid

In de taaflen van mijn hart:

Zoet is het aaneen te rijen

Al de dagen van zijn leven

Tot een snoer geruste hoop,

Wijl het hart aan stralende geneuchten

Zich verkwikt en nooit verzaadt—

Maar uw aanblik doet mij huivren,

Hoe door kwalen gij vermaald wordt,

Niet te tellen, zelf-gekozen …

Immers zonder Zeus te duchten

Viert uw eigendunk te zeer den sterveling, Prometheus!

Zie nu hoe zonder dank de weldaad blijft, mijn vriend!

Zegt wat verweer en waar?

Wat helpt de bijstand der eendagelingen?

En ziet gij niet

De krachtelooze droomgelijke

Onmacht waarin belemmerd

Het blind geslacht der stervelingen rondtast?

Geen kans dat ooit der menschen raadslag ga

Zeus’ wereld-evenwicht tebuiten!

Dit leerde ik uit den aanblik van uw heilloos lot, Prometheus.

… Hoezeer verscheiden klinkt het lied dat in mij opwelt,

Van vroeger lied dat ’k hief ter viering van uw huwlijk

Naast bruîgoms bad en bed,

Toen gij door overreding van geschenken

Hesiona, mijn vaders dochter,

Voerde als uw vrouw tot bijslaaps zoet geweld.


Back to IndexNext