Chapter 7

A una piedra de la calleMis penas lo conto yo...

A una piedra de la calleMis penas lo conto yo...

Zoo zong hij, keurig, met een vrij zuivere tenorstem; maar voor het donkere geklank derguitarraverwaterde zijn aanstellerig gevibreer, zwak en toonloos werd het als een slappe kleur op een grond van goudgloed.

Como serian las penas...

Como serian las penas...

Onder het zingen van zijn liedje, schudde hij aldoor het hoofd in kleine korte rukjes, zooals de flamengo-zangers van beroep dat doen, wanneer ze al zingend, met een gebaar van vrijheid en onafhankelijkheid het hoofd achterover gooien in den nek;

Nina de mi corazon,

Nina de mi corazon,

viel hij wat hooger uit.

Como serian las penas,Que la piedra se partio.100)

Como serian las penas,Que la piedra se partio.100)

Hij keek sentimenteel-smachtend even naar deAndaluzeom; toen gonsde deguitarraalleen.

Allen vonden het liedje prachtig.Juanging desenorazeggen dat 't haar beurt nu was.

Ze liet zich niet bidden. Zonder voorover te komen, lui blijvend in haar donkeren hoek, begon ze. Dommelig kwam haar stem de schaduw uit, evenals 't gekoer van een doffer rolde het zangetje uit haar overvloedig vleesch...

Madre de mi corazon...101)

Madre de mi corazon...101)

Haar mond ging bijna niet open. Ze zong haar zuchtend liedje met een stemmetje dat ze teeder en zacht wist te maken voor de gelegenheid.

En een luid bravo bekroonde haar, van alle stoelen stegen de bijvalskreten.

Ieder moest zingen, daar hielp niets aan.

De dentiste, altijd vol grappen, schaterzong met veel gebibber van zijn snor en midden in de zaal druk gesticuleerend, „over de tanden van zijn hart;” zoodat de menschen dol aan 't lachen sloegen.

Maar de oude wijnkooper verontschuldigde zich, stribbelde tegen: „No, no, dispénseme Usted, no sé cantar yo,”102)maar 't hielp niets. „Canta, no importa—fa nada, canta... Usted como nosotros.”103)Hij kuchte, bedacht zich. 't Scheen dat hij niet te improviseeren wist; hij waagde dus maar een liedje dat hij onthouden had van een café flamengo, een verdacht mopje, een beetje dubbelzinnig.Arturostootte zijn buurman even aan, „comprenez-vous,” terwijl de mijnheer zong met zijn versleten, als verroeste stem.

't Werd nog al goed opgenomen. De pret maakte vergevensgezind; de mannen hadden er plezier van,Consueladurfde er hardop om lachen. Desenoraschudde: „o este perfido hombre.”

Daarna zongConsuela, met haar hoog meisjesorgaan blérrend zoo hard ze maar kon, verrukt zich zelve zoo te hooren, te kunnen gillen zoo hard 't haar lustte. Ze klapte met haar handen, tripte de maat met klakkenden voet, terwijl haar mond in 't zingen opgespalkt, donker gaapte.

EnFrasquetitosloeg en tokkelde, onverschillig naar het scheen voor wat de menschen zongen, geleund tegen den wand in het schemerlicht, koppig, met dichte oogen begeleidde hij den een na den ander.

Demadrilenavolgde, ze zong een onverstaanbaar liedje, onhoorbaar bijna, schuw, vreesachtig als een zucht die den mond niet uitdurft.

Deguitarraklankte toen alleen. Het klagen der maten kwam vol, in stroomende modulaties, van de snaren af; onder de grijpende hand van den jongen vandaan, huiverde en weende weêr de oude melodie, met zijn echten toon als van oud goud. 't Was als een doodgaan van vreugde, een uitruisching in smart, gemijmer van gelatenheid die uitbreekt weêr in smart, terugkeerende opborrelingen van leed, leed keerende tot leed, dat zoeken gaat in oude smarten, wetend dat er vreugde te puren valt uit pijn.

En in de ooren van denextrangerokwam dat intense rhythmen-geween zonder het leêge spel der woorden; herhaaldelijk was het komen vallen tot in zijn ziel als een regen van neêrdruppelend verdriet. En het gezegde vanArturo: „Ça nous est venu des Maures,” was in hem teruggekomen en soezend was de herinnering verschenen aan een schilderij, ergens gezien, bruine mannen leunend bij een duinrand; ze keken melancholisch over zee, over blauw water heen, uitziende naar een verre, verloren kust. De melodie klaagde: een gedachte vlotte er meê zijn denken binnen, een ergens gelezen frase over de grootheid der kunst, troosteresse en wreekster van een volk, dat om zijn verloren erfgrond treurt.

De zware maten weenden.Frasquetito, geen stem hoorend, sloeg zijn snaren forsch, en in de verbeelding van den schilder kwam toen binnenrijden een wit-gemantelde moor, 't hoofd hoog op den ranken hals. Recht stond hij in de stijgbeugels boven zijn witten hengst. In den donkeren kop waren de oogen zwart, schroeiend van haat, en zijn smalle lippen waren wrokkend dicht, strak van 't geweld om het niet uit te kreunen. Hij had zijn handen op zijn borst berustend in gebed gekruist, maar de vingers krompen en woelden in den witten burnoes. De maten vergingen; in de fantasie van den schilder ontstrakte het gelaat van den moor; hij boog het hoofd, zijn mond ging open als een granaat die rijp splijt, terwijl hij prevelde het begin en het besluit van zijn fanatisme: „God is groot.”

Een gezang stemde weêr samen met het gebruis derguitarra, en de vreemdeling peinsde er over, hoe mooi het was dat dit mooiste leven van een doodgegaan volk, van een uiteengejaagde populatie, van een samenleving tot nomaden verbrokkeld en toen gestorven, als een camée gesneden, in harden steen bewaard, gegrift bleef in de logge stof, in de trage bevatting van een vijandig volk. Ja, machtiger dan macht, dat mooiste leven van een volk, zijn kern, zijn ziel. Hoor, hoe de adem nog leeft waar de borst lang reeds stierf, levender dan het leven, een niet te smoren stem, een niet te dooden natuurgroei, dat groeit, dat groeit, dat laat zich niet delgen. 't Zaad is er, de grond wordt er van bevrucht en men weet niet hoe. Vliegt het op den slag van den geweldigen wind, wordt het aangedragen in de bekken van zwervende vogels? 't Doet niets. 't Zaad is er, en 't valt en kiemt en 't schiet wortel. Roeit het uit hier, 't baat niet, want 't komt elders op, dat groeit, dat groeit, voortvegeteerend, almaar, almaar, in den mest van rotte en halfvergane aardstof.

Luisterend zat de vreemde man, spinnend zijn gedachten in het geroes der snaren; maar in den roodenden schemervan dencomedorviel weêr een gongslag en naast hem steeg de aanroep; als een cikadenzwerm gonsde het snarenleven, de lange maten zoemden met hun donker geluid als van een violoncel;Arturozong en improviseerde:

Hyo de mi corazon,104)

Hyo de mi corazon,104)

Hij had een goede stem, wel wat zacht, maar hij wist dat hij graag gehoord werd.

Voor het gat der deur schemerde de luisterende meid, de handen onder de schort. Ze ging op zij, plaats makend voor een jonge vrouw, die in het lamplicht naar binnen kwam.

—„Olé,” blérdeConsuela, die om den hoek der deur zat.

—„Buenas noches,” zeiCarmela, zacht groetend om niet te storen.

—„Buenas noches, senorita,” riep depadronahard door de muziek heen, „cómo esta?”105)

—„Gracias, que Dios conserve la salud à Usted.”106)

.... De muziek brak.Frasquetitoopende zijn oogen, zijn hand bleef op de snaren stil.Arturo, gestoord, zat boos met een gekweld gezicht.

Carmelaging recht door naar desenora. Slank, hoog op de beenen, schreed ze in een leuk, onverschillig, op de heupen schommelend voortbewegen. Ze liep met het hoofd in den nek als was het zwaar van het haar, dat gelijkend aan een Japansch kapsel, hoog was opgemaakt en met naalden doorstoken, goedkoope spelden met knoppen van zwart glinsterend glas. En haar slankheid rekte zich nog door het sluike van haar kleedij, een rood tricot was gespannen om haar dunne meisjesachtige armen en om den vaasvorm van haar buste die bijna borstloos scheen.Onder het smalle middel hing de tricot met kleinen val over de hooge heup, over een zwart satijnachtigen rok, die glad en strak voor den schoot, naar lager met dwarse strijkplooien de knieën drapeerde. Telkens bij het gaan drukte daar zich het volle been in af: onder de knieën strekten zich de plooien dan, die naar achteren verliepen, opgenomen werden in een hooge poef, een groote „queue de Paris”, statig als een wippende hanestaart. Lange banen zakten uit de poef neêr, guirlandeerend achter tegen de dijen. Angstvallig paste het kostuum om haar vormen, haar hals schoof uit een wit plooiseltje dat tot dicht onder de kin, als geregen, haar lichaam wegsloot. Maar overal, en door het strakke tricot en door het plooienstel van haar rok, liet zich het zuivere lichaam volgen, men kon haar naakt zien gaan in het omhulsel der stof. Om den pols van haar linkerhand hing wijd een breede vergulde bracelet met een rinkelend kettinkje er aan en een straal zwart glazen knoopjes streepte vóor over haar buste, als een regenstraal van drupjes.

Zij ging bij depadronazitten, die haar een stoel toeschoof.

Na den zang waren de gasten luidruchtiger geworden en in groepjes tot elkaâr gegaan; bij het buffet onder het licht stondArturo, deguitarrain den arm; hij kibbelde metFrasquetitoover moeilijke grepen. Vol belangstelling stond de dentiste er bij, zijn haren stekelachtig overeind, omdat hij er altijd met zijn vingers doorheen streek en zijn snorren bibberden, bekantlicht door de lamp, in het getril van zijn praatgragen mond. Af en toe gonsde uit hun midden, als een vierde prater, het gezoem derguitarra. Bij het deurgat, nog in den lichtcirkel, keuveldenDon JuanenConsuela; zij snoepte almaar door gebrande boontjes uit haar zak en knabbelde die op tusschen het praten door.

Maar, van het licht af, in den donkeren hoek, zaten de drie vrouwen; de roode tricot vanCarmelawas er stil kleurend midden in het zij-zwart der japonnen. Zijsprak weinig, nu en dan een woordje met deAndaluze. Rechts van haar leunde depadronaweêr lui achterover, maar haar gezicht stond strak, alle plezier was er in eens als op bevroren geraakt.

Den korten wand langs dan, volgden de twee oude heeren; ze hadden het blijkbaar over politiek, want telkens kwamen de woorden „gobierno” en „republica”107)boven hun twistgepraat uitspringen; de oude mijnheer, wiens kaal hoofd een groote vage lichtplek in den schemer was, schermde met zijn armen, gedroeg zich druk en ondeftig in zijn opwinding. De madrilena verveelde zich opvallend, deextrangerozat alleen.

Maar de dentiste, wien alles te lang scheen te duren, ging desenoravragen of het gepermitteerd was te rooken. „Si, si, fiumad, caballeros,”108)riep ze dencomedorin, naar al de gasten te gelijk.

Dat was een uitkomst. Uit een breede van havanastroo gevlochten koker presenteerde de dentiste sigaretten.Arturostak het witte rolletje dadelijk tusschen zijn lippen.Frasquitogedachteloos door de muziek, lei het op de bewaarplaats achter zijn oor. Goedgeefsch liep de dentiste vervolgens naar den vreemdeling, terwijl het overal rondom begon stil te worden en de gesprekken stremden.

—„Quiere Usted?”109)In een stijve verlegen buiging stond hij voor den schilder met den strooien koker in de hand vooruit; maar goedig keken zijn oogen neêr als van een trouwigen hond, er was een warm lachje welwillend onder zijn vooruitstekende snor, toen hij nogmaals vroeg: „Quiere Usted?”

De andere nam het dingetje en bekeek toen, toegevend aan de behoefte hem plezier te doen, zijn mooien koker:hij zag dat er een hart op geborduurd was van roode zij met een witten pijl doorstoken.

—„Lo gusta?”110)vroeg de dentiste dadelijk.

—„Si, si, mucho!”111)

—„Esta a la disposicion de Usted.”112)

Maar de vreemdeling wist wel beter. Gisteren haddon Rafaëlhem zijn meerschuimen pijp die hij toevallig bewonderd had, tot gebruik aangeboden, een glimmende doorgerookte tabakspijp, zwart van tabaksvuil. Dat was maar een gewoonte en niet zoo bedoeld, eene nationale hoffelijkheid was het, anders niet. Hij bedankte dus beleefd.

De drukke man drenteldeweêrnaar 't buffet. Daar stondFrasquetito, den kop schuin, te kijken naar het handige gedoe van zijn eigen vingers. Hij rolde de korte blaadjes der tabak over in een nieuw papiertje; dat papier van denEstanco113)stonk, meende hij,seguro, het stonk. Daarna gaf hij bedaard kneepjes in de uiteinden van het rolletje, boog het papier om zooals dat behoorde, want anders valt de tabak er uit. Vervolgens stofte hij zijn handen tegenelkaâraf, en vroeg vuur; de twee anderen vonden dat hij gelijk had, dat monopolie op de tabak was eenbarbaridad.114)

—„Caballero,” riepCarmeneensklaps,„un cigarillo?”115)

De dentiste draafde al, trok met tienmaal meer haast dan noodig was den koker weêr uit den achterzak van zijn jas en presenteerde.

—„La senorita tambien?”116)vroeg hij.

DeAndaluzereikte uit haar achteroverliggen, en rolde toen de sigaret vochtig tusschen haar volle lippen.

—„Fuego!”117)commandeerdeCarmenleuk.

Ze zoog den brand over van de sigaret die de dentiste haar voorhield, bedankte met een hoofdknikje en blies als een jongen of als iemand wiens gedachten dwalen, gulpjes rook tegen het vuureinde aan; daarna gaf ze vuur aan haar buurvrouw; de twee vrouwen verschemerden langzaam achter lange sluierdraden van rook, waardoor de brandende kooltjes van huncigarillostelkens boorden, vurig, met kleine kransjes van licht er om heen.

Al de mannen smookten behalveDon Juan. Deextrangerodie een hartstochtelijk rooker was en wien een sigaret niet voldeed, haalde toen hij zag dat de twee oude heeren ieder een grootepuro118)zaten te rooken, al gauw een sigaar uit zijn zak, gelukkig, na de vrij lange ontbering weêr volop te kunnen genieten van zijn geliefd kruid. Hij zat den rook in te drinken met volle teugen en blies ze door zijn neusgaten uit, dampend als een hijgend paard in den winter. En de lampschemer in dencomedorverviolette zich soms in het blauwen van den rook, een wolkachtige laag bleef er van drijven, loom boven de hoofden der sprakelooze menschen, om weêr weg te trekken door de open deur. De wierook der tabak dreef breed, doorkrinkeld soms met het kwade reukje van het papier der sigaretten, bijtend aan den neus, als de walm van een even aangestoken fidibus.

Ratelend joeg de klok zijn hijgenden tikketak de stilte door. 't Was of er iets broeide.Consuelalachte, een harde lach, koud klinkend en alleen.Frasquetitoslungelde weêr naar zijn stoel, deguitarranam hij op zijn knieën, wel bewoog zijn hand, maar geen geluid zoemde.

De stilte werd bepaald storend. ToenArturo'ssigaret op was, kwam hij weêr naast den extrangero zitten. Deze voelde wel dat er iets niet in den haak was; want schuinover zich zag hij desenora, dik en tronend, maar knorrig en mokkend als een vet slachtoffer. De dentiste ging voorbij, mistroostig met een ongelukkig gebaar haalde hij de schouders op.

—„Que es?” vroeg de schilder aan zijn buurman.

—„Ma femme s'est fâchée parce que Carmen ne veut danser.”

—„Elle aime à se faire prier?”

—„O, non, monsieur, elle est fatiguée, tout simplement.”

—...... „Mais allez le demander vous même,” vervolgde hij, „vous êtes artiste, vous aussi, possiblement elle le fera pour vous.”

—„O, non, monsieur, je ne sais m'exprimer.”

—„Ça ne fait rien, elle comprendra, elle est très intelligente.”

Doch de ander bleef zitten, aangepakt door de domme vrees, een mal figuur te zullen maken voor het heele gezelschap.

Al zachter fluisterend begonArturotoenCarmelaridderlijk te verdedigen tegen de heerschzucht zijner vrouw. Was 't dan zoo onredelijk moe te zijn. Hij wilde zijn vrouw wel eens zien dansen als ze moe was, zoo'n vette koe, dat zou er mooi uitzien,„mio Dios!quel spectacle.”En een groote artiste was het, die maar naar Parijs behoefde te gaan om schatrijk te worden. Ze was arm, maar fier als een koningin,„une vraie Espagnole”. Ze leefde alleen van haar werk, niemand kon zich beroemen in haar gunst te hebben gestaan. En dat was den geheelen avond in 't theater, zwaar werk doende voor een onverzadelijk publiek....„vous le verrez, nous irons ensemble”.... dat is een geschreeuw daar, van:„Carmela un' pettenera.... Carmen, toujours, toujours;....y que palmas;”.... de zaal davert er van.... en wat een regen van hoeden, ze trekken zelfs hun jassen uit en gooien die voor haar voeten; driemaal, viermaal moet ze dansen, telkens teruggeroepen.... men zou haar laten doodvallenals men haar maar lang kon zien dansen. Was het dan zoo vreemd, dat ze thuis geen lust had tot dansen....„Ça coûte des forces, oui, monsieur, du sang et des nerfs....”En ze kende alle dansen, er was geen karakter dat ze niet danste, maar vooral haarpettenera,„o, monsieur, sa pettenera!.... je voudrais voir encore sa pettenera!”

Hij sprak vlug uit, de kleurige gezegden van zijn eigen taal mengende in het Fransche gebabbel.

Rondom zijn gefluister bleef 't ongezellig en 't werd al stiller, de gasten ondergingen de kwade luim dersenora. Maarcaramba, ze had dan ook aan iedereen verteld, datCarmenzou dansen, en die had het beloofd ook.... waarom was ze dan gekomen als 't niet was om te dansen?.... En zoo zat zij, depadrona, nu in haar hoek met een onverzettelijk wrokkend gezicht, donker kijkend en het voorhoofd gefronst.

OokCarmen, nu haar sigaret verrookt was, scheen blijkbaar niet op haar gemak; ze kroop weg, mager tusschen de twee welgedane vrouwen, met haar spits gezicht waaruit de lange, amandelvormige oogen stil blikten, weifelend van licht. 't Was een zenuwachtig, stijfhoofdig kopje, waarin de lippen geknepen waren tot een tartend lachje. DeMadrilenaverveelde zich, de beide heeren rookten hunpuros.

Maar de dentiste, die overal zijn geluk met praten had beproefd, troonde eindelijkFrasquetitomeê naar het buffet, waar hij hem dadelijk een nieuwe sigaret presenteerde.

.... „Mais elle ne résistera pas longtemps à ma femme,” vervolgdeArturofluisterend, „et savez-vous pourquoi?... Non?” Hij boog zich naar zijn buurmans oor om nog stiller te fluisteren.... „parce qu'elle a des dettes, comprenez-vous, elle doit à ma femme trois mois de loyer.”

Hij had nog niet uitgezegd, of de stem der actrice ging door dencomedor:

—„Musica, musica a bailar, toca, caballero.”119)

De jongen liet den dentiste in den steek, sprong naar zijn stoel, boog met de sigaret bibberend tusschen het vel van zijn lippen, naast zich naar zijnguitarra, en zei leuk en in zijn schik:

—„Pronto.”

Carmenwas opgestaan, zonder verder iets te zeggen.

—„Su sombrero, caballero,”120)schreeuwdeConsuelanaar den dentiste, van wien ze wist, dat hij eenflambarddroeg.

MaarCarmenweigerde met een driftigen knik van het hoofd; neen, dat kon wel zonder.121)Ze liep naar het midden der zaal, terwijl ze haar keurslijf glad trok en duwtjes gaf in de plooien van haar japon. Depadronakeek triomfantelijk van uit haar hoek, de handen gevouwen op den buik, 't gezicht toeschietelijk, lacherig met een schapemondje.

—„Olé, olé,” blerdeConsuela.

Maar in het midden van den vloer wasCarmenin eens neêrgedoken, saâmgekrompen tot duister, de roode tricot laag bij den donkeren grond; als een gitana neêrgehurkt bij een openluchtsvuur of voor de deur van haar grothuis van rots, op de hakken steunend zat ze, de handen op de knieën vlak, te wachten op den uitval derguitarra.

En de muziek barstte in eens uit, in volle en stoute akkoorden nu onder de hand vanFrasquetitouithortend, als een bui, gelijk een hoos van passieklanken, in korte en gedrongen maten sloeg de speler nu den wilden slag des dans, en het trippen en het klappen van de voeten.

Een rilling schokschouderdeCarmela, tartend keek ze nog om, maar toen schudde ze het hoofd met het hooge haar, als wilde ze het vrij hebben van de hechtsels der spelden. Vervolgens kwam zij.

Ze rees uit de kniebuiging op, breed opschommelend op den breeden golfslag der muziek, waardoor het rauwe olé, olé, krijschte vanConsuelaalmaar, en de houtachtige slag joeg van haar kleppende handen.

Carmenrees recht, langzaam in een loom gewring, de lenden hol, de borstpunten vooruit, terwijl haar armen dartel langs haar gingen, zich oproeiend van den grond; toen steeg ze snel gelijk een boot tegen een golftop op.

En onverwacht stond ze, de roode buste recht op het piedestal der zwart omrokte voeten, het hoofd kantelde tusschen de schouders, onderzoekend, aandachtig keken haar oogen de lange gestalte langs; ernst was om de lippen.

Maar als wilde ze zich hooger hebben nog en almaar grooter, zoo kronkelden terwijl de serpentlijnen van haar armen op naar hun hoogste rekking met wringende en keerende polsen, met krullende en opzwiepende vingers.

—„Leche, que buen cuerpo!”122)

De lippen der danseres krulden bij den uitroep van den drukken dentiste in zijn leverkleurig pak. Toen terwijl haar wuivende armen nog opriepen de beweging, gaf ze in eens een geweldigen knip met de vingers in de lucht, als 't kleppen van kastagnetten sloeg het boven haar hoofd, en met een„anda”.... „anda”begroette zij den komenden rhythmus in haar bezielde voeten.Frasquetitobeukte de snaren, de Tango-melodie begon heftig, korte en woeste tonen hamerden ziedend onder 't wilde gesla van den jongen vandaan.

—„Venga, venga mujer!”123)klaterde weêr de vervaarlijke keelstem van den dentiste die zich stond op te winden met klakkenden handenslag, zelven hij overstort door het licht der lamp.

Carmendanste; donker en groot bewoog ze zich voor den schemerenden wand, vooruit en dan terugspringendals op den afdruk van haar voeten, die uitwipten en het duister weêr inschoten van haar fladderkrinkelende rokken; of in een wippenden hooggang, wiegelende als een kat die mooi spinnend bij beurten zijn klauwtjes in en uit haalt, stond ze voor het kijken van denextrangero, die verloren in dat feest voor zijn oogen, ternauwernood hoorde hoeArturozei, dat het eigenlijk een dans was „à deux,” voor een man en een vrouw.

Want toenCarmenwas komen opvaren van den grond, was plots met een schok een huivering in hem gevallen, hij had de beroering der emotie koud voelen rillen langs zijn rug. Vast met oog en ziel aan die dansende vrouw, genoot hij het wenden van haar rood lijf en het wieken en strengelen van haar armen waaraan de handen in de polsen wrongen.

Gekluisterd, loerend vooruit op zijn stoel, volgde hij de artiste, die in hare beweging, en in het vertoonen van haar puur lichaam, de passie voor hem vertolkte, de begeerte van mensch tot mensch.

Hij zag haar armen loom streelend, slangig elastisch langs haar heupen dalen, haar eigen schoon aanduidend, liefkoozende haar eigen mooi, en dan weêr klimmen, slangig sluipend, en omtoeren gaan het hoofd waarop de spelden pronkten, en heen klimmen boven den haartooi, en het wufte gespeel der vingers, hun noodigend uitknippen in de lucht. En wanneer zij waren dan weêr in hun laagsten val, zag hij haar handen grijpen in de voorbanen van den japonrok; als waren het de einden van een gazen sluier, zoo vatte zij schalks, luchtig met fijne vingertoppen de plooien voor de punten der voeten weg, speelsch doende als een meisje zoo dat zich kijken laat, zich mooi maakt voor haar liefste, voor hem haar schoon vermenigvuldigt.

—„Hya del sol! que bailas bien,”124)kreet in eens van uit zijn zwijgen de mijnheer van beneden.

Doch toen de snaren aanvingen het „Nina de mi corazon”, stoof de danseres met een vaart een paar springstappen vooruit; als in toorn stampte haar voet daar den grond en met doorgezakte knieën ging ze, terwijl haar armen afwerend wuifden en kruisten; doch als verlangend keek het neerschuddende hoofd nog telkens naar achteren om, totdat het neêrzeeg op haar borst.

—„Venga, tesoro de mi alma,”125)juichteJuan, opschreeuwend tegenConsuela, die almaar „olé, olé” gilde, boven het barbaarsche kleppen van haar handen.

In een grooten kring, wiegelend op den rhythmus, wegvluchtend, ontwijkend de plaats waar ze liefkoozend had gestaan, schoofCarmelavoorbij denextrangeroin een desolaat algewring van haar leden, die sidderend zich stelden tegen elkaâr: de romp wringend boven het bekken, de armen in de schouders rollend, vertrokken, als in wanhoop slaande de lucht; de handen in de polsen knikkend, en aan de polsen de krimpende vingers. Het roode lijf laveerde hem voorbij, hij zag de dijen krampend strekken in de strakke stof van den rok. Toen stond ze weêr te trippen op de plaats vanwaar ze was uitgegaan.

—„Anda, luz de mis ojos,”126)had de opgetogen stem vanArturohaar achterna gejubeld.

Met een ongeduldigen slag van den voet zweepte de danseres de muziek op, terwijl haar oogen nog altijd nagingen het bewegen van haar tijgerranke leden. Ze naderde tot voor deAndaluze.

Daar begon de romp als machteloos zich over te geven naar achteren, te zwijmen op de heup. 't Bewegen der armen werd stil, maar uitdagend klepte nog almaar de voet, uitschietend telkens naar voren uit het geritsel van haar omkrinkelende japonzoomen.

De heftigeguitarra-maten waren gebroken in klein geklaag,en toen laag zijgend in de gebogen knieën, zoodat de lange banen kreukend op haar hakken vielen, in een vallende helling staande, greep de danseres de poef achter aan haar japon met beide handen vast, met een snel willend gestrek van haar armen. En terwijl deguitarrazieltoogde en de muziek verruischte, begon ze snel het centrum van haar lichaam te bewegen in een algeheel stil zijn van haar overige leden. De oogen loom naar omlaag, bespiedde ze den dans van den buik. Het gejaag der muziek was uit, maar nog rolde haar schoot en kromp en wrong onder het delireeren van de roepende kreten en het wilde gesla der handen.

—„Venga, venga el escandalo,”127)tierde met zijn schorre kraakstem de oude wijnkooper; hij zat op zijn ratelenden stoel te springen. En decomedorraasde.

Maar frisch op begonFrasquitoeen nieuwen Tango.Carmen, meêgesleept door haar kunst, danste voor zich zelve.

En in den rooden schemer van dencomedorging nog eenmaal dat wringende vrouwenlichaam, hooggaandeBayadèremet hooggaande armen, donker voorbij den schemerenden wand bezet met de donkere gastenrij. De schilder zag het lijf met zijn kleur van donker bloed in naakte lijnen zwenken, boven het zwart-omhulde voetengestamp en het speldengetinkel in haar kapsel en de rij der knoopjes doorglinstrend tusschen de borsten bij het wenden, als even zoovele sieradiën. Als zij voorbijging hoorde hij het gerinkel van de braceletketting aan haar slingerenden arm en het geritsel van haar rokken en hun geschuifel langs den grond, als opstuivende bloembladerengeluiden in den dans gestrooid. Maar ook het fluiten van haar adem hoorde hij, ontsnappend uit een gaatje dat zij openhield voor het gehijg der vermoeide longen midden in 't klein stroef lippengeplooi. Oogenblikken kwamen erdat zijn zinnen verdwaalden, dat alles in dencomedorvoor hem meêbewoog in de schemerende beweging; dan ontdekte hij overal tegelijk beweging, moest hij op alles letten. Heftig als een woedende harteslag reed de slinger der klok boven 't geraas van muziek en menschen; meer oogen blonken voor het deurgat, de dokter, en tusschen uit de verontruste voeten derpadrona, sloeg de kat, klein, met een fluweelen poot naar den voorbij dansenden rok.

En de gasten ijlden losgelaten woorden in de overspanning van hun bewondering; met gebaren van slaapwandelende menschen deden ze; als in een droom zittend sloegen ze den cadans in hun handen, volgend als hun rijvoersterConsuela, uit wier zwart-opengeschreeuwden mond het „olé, olé” durend gillen bleef, hooguit, als 't janken van een hond.

En in dat groeiende kabaal van menschenstemmen en in dat gehakkebord van het handengeklap, in heel dat duistere, onbewuste leven, zag deextrangerohet artistenlichaam vanCarmengaan in den gouden lampschemer, symboliseerend voor hem in groote lijflijnen, het begeeren en het lijden der liefde, en het besluit der opperste levensdaad, den triomf der paring.

.... Een uur later danste al wat dansen kon in de ruimte van dencomedor.Carmenalleen had verlof gevraagd zich te verwijderen. Ze was doodmoe en verlangde te slapen.Frasquetito, op zijn plaats, speelde wat men hem vroeg: een polka, een mazurka of een wiegelende wals.

En tot vèr in den nacht was daar in het geschemer van dencomedoreen gedraai van zwartschimmige dansende paren.ConsuelametJuan, Juanmet deAndaluze, Arturomet demadrilena; ook depadronahad een dansje gewaagd, eerst met den galantendon Juanen toen ook voor het fatsoen metArturo. Zelfs de meid werd door den dentiste door het gat van de deur naar binnen gehaalden was, schaterlachend en niet in staat tot dansen, door hem rondgesleurd.

En toen wat later weêr, de nu volmaakt in haar humeur zijndepadronaeen glas gelenJerezhad laten rondgaan en de gasten taartjes snoepten onder het uitblazen door, danste nog voor zijn eigen pleizier en onder veel toejuichingen, „o este perfido hombre” de oude wijnkooper, met zijn kaal hoofd 't lichtst in den schemer. Hij sprong met zijn slappe knieën rond en schermde met zijn armen in den elleboog gebogen, omdat hij een taartje almaar in zijn hand had en daar van eten bleef; ze voor zich uit bewegend zoo als een eend die met afgeknotte vleugels klept. En zijn gouden ketting bengelde op zijn lakensch vest, terwijl hij rondsprong en schreeuwde met zijn versleten oude mannenstem:—„Venga, venga el escandalo.”—

53)Spaansch kosthuis.

54)Patroon van Madrid.

55)Eetzaal.

56)Beest.

57)Tafel.

58)Verwarmingstoestel.

59)Binnenplaats.

60)Prettige wandeling, goeden avond.

61)Komt van avond niet zoo laat thuis, heeren, er komen veel luidjes.

62)O, wat een slechte jongens!

63)„Ja, ja, vrouwen ook... ik kan het u verzekeren.”

64)Kom gauw terug.

65)„Pak aan.”

66)„Carmengaat dansen.”

67)Mijnheer van beneden.

68)„O, een heele boel nog.”

69)Kijk.


Back to IndexNext