Een Reisindruk.

5)Perritoenperro chicois hetzelfde: een brons geldstukje van vijf centimos.

6)Sacromonteis een der heuvels die het voorgebergte uitmaken derSierra Nevada; boven op den top staat een Seminarie tot opleiding van geestelijken en tegen de hellingen ligt hetAlbaycin, de wijk derGitanosinGranada.

7)God zal het u vergelden.

8)Meisje.

9)Vrouw.

10)U Spanjaard?

11)U schilder?

12)Kijkt u, zoo.

13)Tonto= gek, idioot, ook gebruikt in den zin van domkop.

14)Oléis een schreeuw van goedkeuring bij de Spaansche dansen en zangen in gebruik.

15)Kijk, moeder, kijk.

16)Mooi.

17)Het lijkt, wat een leelijkert.

18)Is weinig.

19)Dat uwe Edelheid met God ga.

OpdePlaza Santa Maria20), over den besneeuwden grond, kwam langzaam een donkere stoet opzetten, van beneden uit een lager gedeelte der stad. Voorop liepen zes jongens gestoken in kerkgewaad; een rood kleed van een goor rood, bezaaid met kaarsvetvlekken, meêgebracht uit vroegere processies, viel hun tot op de knieën en liet de oude broek met afgetrapte randen slordig flodderen boven grove, stevig gevormde rijgschoenen of laag schoeisel met blauw omboordsel der afgezakte kousen. Over het roode pak droegen ze een wit met veel blauwsel gewasschen koorhemd, dat bijna zonder mouwen, met kneukelige plooien neêrhing. Dan volgden vier andere kleine jongens in hun gewone kleeding, die een lijkkistje droegen klein als een poppendoos, wit geverfd, met roode en groene bloempjes geschilderd op het deksel; aan weêrszijden der dragers liepen andere jongens eveneens in hun dagelijksche kleêren, die een waskaars in de verkleumde hand hielden, dikke, gele stukken waskaars met zwarte, uitgebluschte pitten. En enkele kaarsen waren in het midden gebroken. Allen waren blootshoofds, hadden koude, paarse gezichten met natte, druipende neuzen en roode vlekken op de dikke wangbeenderen. De voorste der zes kerkknapen hield met de beide handen den stok van een kruis tegen den buik geklemd, waaraan van boven eenkleine zwarte banier bengelde aan een dwarsstok. En van tijd tot tijd schreeuwden ze alle zes een paar woorden latijn, met groote wijdopgesperde monden, waaruit hun adem opsteeg als een kringelend wit wolkje van rook; achter hen volgde een groep mannen, twee aan twee voortgaand achter het lijkje, gebogen, met de petten in de oogen gedrukt; kin en mond waren weggestopt in donkere mantels, die met een diepe, donkere plooi onder het ovaal van den kop over den schouder was omgeslagen, hun vervolgens laag langs de beenen neêrhing met overdwarse plooien, hun het voorkomen gevend van roovers uit een operette.

Tegenover de kathedraal schoof de stoet tusschen twee donkere huizen een weg in, die met een breede trap opging verder naar boven. Van beneden de plaats kon men den stoet zien klimmen, zich donker afteekenend tegen de sneeuw, met de roode jongens voorop en de zwarte banier schommelend boven de hoofden der mannen, die bedaard opklommen, telkens een trede der trap meer achter zich latend, als een donkere lijn getrokken in de sneeuw. Om hen zag men brokken der stad, zware, donkere huizen met breede witte vlakken beplekt of gesneden door schuine lijnen sneeuw op de voor elkaâr schuivende daken.

Boven gekomen sloeg de stoet een hoek om, gaande naar het einde der stad; hij schoof verder langs een eenzame huizenrij, grauwe donkere huizen, dicht aaneengesloten, met verweerde, groene of roodgekleurde deuren. Op het midden der rij, aan een der ingangen zag men twee doodkistjes, die tegenover elkander aan de deurposten waren gespijkerd, kistjes voor kinderen, geverfd met een grof blauw; en dwars boven de deur liep een lang bord waarop eveneens een lijkkist was afgebeeld, daarop geschilderd door een benauwde hand, als een vlek dood zwart gedrongen in een onbeholpen, kinderlijken omtrek; en de met geel aangeduide schroeven en handvatsels verriedende inspanning des zorgvuldigen werkmans, terwijl aan de vier punten van het bord overhoeks zwarte woorden geschreven waren, die het bedrijf en den naam des bewoners lezen lieten. Met een lichte kromming liep de weg vervolgens langs de huizen over in een laan, die aan weêrszijden beplant was met jonge boomen.

Toen was de begrafenis buiten, geheel in de sneeuw.

De lucht was fijn en grijs. Over den witten weg, langs een zwaar wagenspoor met harde bevroren kanten, ging de trein voort, aaneengesloten, stil en eenvoudig; van tijd tot tijd kwam het schreeuwen der roode jongens, dan was alles weêr stil en hoorde men alleen het geluid der stappen, zacht kloppend op de sneeuw.

Om hen lag de ruimte in een blanke rust. De boomen langs hen kwamen spichtig uit den witten grond; hun dunne stammen waren in de lengte bestreept met een laag sneeuw, die zich met dikke ringen heenboog om de ronding der schors, daartegen aangezweept door den wind, aanwijzend de richting der sneeuwvlaag. En de sneeuw had elk takje gemerkt met een laagje witte vlokken, en de vorst had die daar vastgehouden, aan de boomen het aanzien gevend van fijne witte fossielen, die in de koude versteening hun spartelende vormen hadden bewaard. Aan de eene zijde verlengde zich de weg onder de sneeuwdekken welvend naar omhoog, in breede, blonde golvingen, waardoor hier en daar in de hoogte, rosachtige muurtjes donkere zigzaglijnen trokken, die de richting aanwezen van wegjes verloren geraakt onder de sneeuw. En in dat groote bleeke veld dwaalden hèr en dèr voetstappen van menschen, die omhoog waren gegaan dwars door het veld, de witheid borend en storend met een gat donker; of er kwamen soms doode, dorre grassprieten naar boven als borstels, als dikke haren rijzend uit de donzige, blanke vlakte.

Aan de andere zijde daalde het veld omlaag, langzaam in breede statige helling, om uitzicht te geven in eenwitte oneindigheid. Boven den zoom der glooiing kwamen de toppen van fijne boompjes, staande langs een laan welke men nauw zag, die met het ijle gewriemel van hun geraamten het kleurlooze veld omboorden als met een rag, zooals een fijne witte kant dat doet aan het witte doodskleed van een rijk overledene. In een teêr lila maakten zij zich los uit de sneeuw, blank en blond en bleek, rustig en zacht, als kalme, pijnloos gestorven kinderen. Terwijl daarachter in de wijde ruimte, verstrooid hier en daar, dichtbij of vèr, enkele zomerwoningen uitstaken met besneeuwde daken, als verafschuwde lijkenloodsen verlaten staande, die hun hardkleurige stijve murenmassa's schril en rauw werpen kwamen tusschen de smettelooze tonen van den winter.

Naar voren, in de richting van den steeds voorttrekkenden stoet, boven de grens der wijdweg blauwende vlakte, glimmerde van onder de effen grijze lucht een dofgele, waterige streep licht, die tusschen de boomen doorspartelen kwam, de takken naar het einde saâm- en ineenloopen deed in een krachtig gamma van grijs en blauw tot purper.

Maar toen de begrafenis gekomen was aan een groote met muren omheinde ruimte, even bezijden den weg, verbrokkelde de orde. Een trap kwam in het midden van den geel gepleisterden muur, leidend naar een kolonnade. En de stoet klom op als een bende die haast heeft. Boven de hoofden der dooreendringende mannen en jongens zag men door de zuilen heen een andere trap, hooger dan de eerste, die op haar beurt leidde naar een plat waar een kapel rees, een hard geel gebouw met namaak van romaansche bogen onder een groot rond stralenraam en met versierselen van dezelfde soort. Onder de bogen wandelde een in 't zwart gekleede priester, die zonder opzien las in een gebedenboek, het boek voor zich uit, de armen scherp in 't gewricht gebogen tegen het lichaam aangedrukt. Hij kwam en ging, herhaaldelijk en herhaaldelijk.

Het zwarte vaandel was tegen den wand gezet. Vier der roode jongens hadden het kistje tusschen zich genomen en een der mannen een krans van gemaakte bloemen van een tafeltje bij den ingang, en dien betaald, het geld uit zijn vestjeszak nemend. Toen waren allen een hoek omgedraaid, langs een muur geschoven, gaande langs ondergesneeuwde perken die in hun midden kruizen geprikt hielden, zwarte, van ijzer geslagen kruizen met vergulde punten en stralen.

En eer men recht zag hoe, lag het kleine witte kistje in een even kleine, donkere groeve, en een man met een houweel in de hand was heengestapt over de holte, het overspannend met de beide beenen. Hij gaf een hak in den grond, vervolgens den steel van het werktuig aan den man die den krans betaald had. Het stuk aarde viel op het kistje met een zacht week geluid, onder het geruisch dat de in hun mantels gehulde mannen maakten, die al op en neêr drentelend, op den grond stampten met hun schoenen. Toen zeiden velen van hen tegelijk: „Vaya, vaya!”21)De koorzangers waren al weggegaan, den krans medenemend; en in een oogwenk was het kerkhof ledig, eenzaam in den pronk van zijn vele sierlijke monumentjes met latijnsche opschriften, prijkend tusschen denneboompjes, belast en bevlekt met dikke brokken sneeuw. Maar de graver hakte voort, stukken molmige aarde, sneeuw en wortels werpend in het kuiltje. En onder zijn hakken werd de grond zwart rondom hem, zwart als het kleed van den in de hoogte prevelenden priester, en het grafje vol, donker gemerkt in de sneeuw die overal lag, bleek hard, koud en dood.

20)InBurgos.

21)Ga meê, ga meê.

'tWasop een Zondag in Juni. DePlaza de los Toros22)had de geheele week staan blakeren in de zon, ledig, met gesloten poorten, op een afstand de begoocheling gevend van een reusachtigen oven, met het onheilspellende voorkomen van een gerechtsplaats. En dichterbij, met haar recht rijzenden ringmuur van rooden steen, met haar nagemaakte Moorsche raam- en poortomlijstingen, deed zij denken aan een dakloos bouwwerk, dat onvoltooid was gelaten te midden van een braakliggend veld. Nieuwe aanplakbiljetten blonken eraan boven het uitgebleekte overschot van vroegere, en om de terreinen heerschte de drukte van een beginnend feest.

Wasop een Zondag in Juni. DePlaza de los Toros22)had de geheele week staan blakeren in de zon, ledig, met gesloten poorten, op een afstand de begoocheling gevend van een reusachtigen oven, met het onheilspellende voorkomen van een gerechtsplaats. En dichterbij, met haar recht rijzenden ringmuur van rooden steen, met haar nagemaakte Moorsche raam- en poortomlijstingen, deed zij denken aan een dakloos bouwwerk, dat onvoltooid was gelaten te midden van een braakliggend veld. Nieuwe aanplakbiljetten blonken eraan boven het uitgebleekte overschot van vroegere, en om de terreinen heerschte de drukte van een beginnend feest.

Langs den weg, die met een half uur gaans terug voert naar Madrid, was alles in feesttooi. Voor de withouten, hier en daar met sparregroen versierde barakken van water- en brandewijn-verkoopers, boven de deuren van voorstadachtige kroegjes, hingen de kleurige vlaggen en wimpels, loom en onbewogen in de heete lucht. Tegenover de ingangen derPlaza, aan weêrszijden van den straatweg in het midden doorploegd met een ijzeren spoor, hadden wijven en kerels zich klaar gezet bij manden en handkarren belast met stapels oranje-appelen; en jongens drentelden rond met bundels programma's over den arm, dwars over den weg, dwalend door het zand, wachtend, in de nabijheidblijvend derPlaza, met opkoopers van plaatskaartjes, en leêgloopers uit de buurt. Aan de tafeltjes voor de kroegjes, onder de schaduw van dunne boompjes die stonden te sterven in het mulle zand, zat soms een enkele boer in zijn deftig zwart zondagspak, die zijn gesuikerdagua con aguardiente23)bedaard slurpte met spaarzame teugjes, of zich het gezicht afwischte en bewaaide met een grooten zakdoek.

Tot ongeveer drie uur bleef de vlakte zoo alleen, blank in het heete licht, beheerscht door het bleekroode zonnige silhouet der nieuwgebouwdePlaza de los Toros. Tot dien tijd was er het rauwe van een stuk grond dat ontgonnen wordt, het onhuiselijke van een wijk in aanbouw, het afmattende van een heete zandvlakte zonder water; terwijl daarentegen de schelle kleurstippen, het klinkende oranje der vruchten in de laagte, het vroolijke vlaggenrood in de hoogte, de popeling voortduren deed, het verlangen naar een op handen zijnd feest.

Maar daarna, als op een gegeven sein, zag men groepen van volk aankomen; mannen en vrouwen en kinderen, allen in Zondagsdos, met warme en glimmende gezichten. Vele der mannen droegen breede hoeden en hadden kleine lederen dikbuikige wijnzakken medegebracht, en onder de vrouwen, die zich onafgebroken bewuifden met hun rooden waaier, waren er velen met mandjes of dichtgeknoopte zakdoeken vol uitpuilenden mondkost; en immer kwamen er meer mannen en meer vrouwen, wier bont opgepronkte kinderen huilden van hitte en vermoeidheid; maar ook ruiters kwamen, soldaten der burgerwacht, met deftige zwarte steken en hoogroode borsten aan hun uniformen, en rijtuigen zag men aanrollen, voertuigen van allerlei soort, groote, lomp-hotsende tentwagens versierd met vlaggetjes, bespannen met zes muildieren in een druk-bont tuig, tusschen karren en gele omnibussen ingericht voor degelegenheid, opgepropt met pleziermakend volk; en het was een jagen en rossen om het hardst, een kleurig gewriemel boven bonte, vluchtige doorkijkjes tusschen wolken van blinkend stof, een voor elkaâr schuiven met grillig geharrewar van kleuren in de zon. En uit den stofdamp dien men proefde op de tong, kwam een heir van rauwe geluiden aanjagen, korte, plotselinge zweepslagen van links naar rechts, schorre heete schreeuwen van voerlieden, die met voorovergebogen lichaam hun beesten voortranselden, onder vlagen van gejuich en gejool uit de overvolle wagens. En boven alles uit kwam dan het oorverdoovende fluiten der nieuwe drommen aanbrengende tram, met een snel naderend en aanzwellend geluid, dat de van warmte blazende voetgangers joeg op de voetpaden, achter de bestoven boompjes.

En wat later weêr kwamen de nuffige fijne uitrustingen der edelen en rijke burgers, met kroontjes en wapens op de portieren, met den pronkerigen koetsier op den bok van zijn glimmend voertuig, den kop rechtop in zijn stijven halsboord, de voeten geklemd tegen de voorplank. Maar toen reeds waren de deuren derPlazaopengezet en duwde de massa zich zelve naar binnen, om uit elkander te gaan in de koelte der gangen met het losgelaten „oef” van een verhitten en bezweeten hoop menschen, die elkaâr verdrongen hebben om wat frischheid.

Buiten dreunde nog lang het machinegeruisch der aanrollende rijtuigen, en in de hooge gangen derPlazaklonk het en kwam het indringen met een dreigend ondergrondsch gerommel, als het geluid van een verren donder, dat sidderingen en echo's opriep langs bogen en gewelven.

—„Sombra Tendido24)20 No.....” riep een stevige boer tot een der knechten die binnen de ingangen tothet binnenste derPlazabewaakten.—„Tendido20 No.....” klonk het onmiddellijk achter hem. De boer keek even om zag een zwierig gekleed jongmensch achter zich aankomen en zei toen onder het opklimmen:—„dan zijn we buren,Caballero.”

Boven gekomen, uit het helle halfdonker der trap die als een groot keldergat achter hen terug daalde naar de gang, bleven beiden een oogenblik staan, versuft, met een onwillekeurig dichtknijpen der oogen, verblind, overrompeld weêr door het licht, dat met de gloeiing van een heet vuur hing boven dePlaza.

Voor hen uit kromde zich om de schijf van het bleekgele zandperk de zonzijde der arena. En het was of zij op hen aandringen kwam in de schaduw, met de opeenstapeling van haar naar achteren uitwijkende rijen van zitbanken. Als ringen getrokken op het ronde vlak van een omgekeerden afgeknotten kegel, ontwikkelden zij zich naar boven, met lange steeds wijder wordende ringen. Boven den uitersten ring, het gezicht beperkend, zagen zij den buitenmuur opschieten overhuifd met een door zuiltjes gedragen dak, die een galerij vormde met nieuwe rijen van zitplaatsen; en de onderste rij, binnengehouden door gespannen touwen, kwam meer dan een manshoogte te voorschijn, van achter een opstaand uit den grond rijzend cilindervlak, een met rauwe kleuren geverfde omheining die als een stevige dijk het strijdperk afsloot, een helgele schutting, bestreept met breede roode lijnen, lintvormige vierkanten van gemeen rood, die in hun midden nummers hadden en het strijdperk verdeelden in een gelijk aantal vakken; terwijl iets meer naar binnen een andere schutting was met kleiner cirkel getrokken, een smalle gang achter zich latend, een van schoren en drempels voorziene planken heining die alleen in 't zand stond met een kleur van vale bloedvlekken.

Zóó lag als het bekken van een grooten krater met het vlak van den verren blauwen hemel boven zich, de bijnanog ledigePlazate schroeien in de zon; en een groote schaduw vulde voor een vierde de ruimte, een zware, architectonische schaduw, diep blauw, die neêrdalen kwam over de steenen ringen van zitplaatsen, een halve maan trok over het lichte zand, en weêr naar boven versprong over banken en galerijen.

—„Dat is deToril25),caballero,” zei de jonge man en hij wees op een groote, gesloten poort die diep tegenover hen kwam uit de achterste rijen in de zonzijde, „en uit die komt decuadrilla,” vertelde hij verder, op een andere wijzend die links stond.

De boer bleef voor zich uitkijken, breed op zijn plaats gezeten, met ontbloot hoofd, de handen op de knieën met buitenwaarts gekeerde ellebogen. Hij haalde bedaard rookwolken uit zijn sigaret en keek naar beneden, naar eenige mannen die bezig waren het zandperk nat te spuiten.

In de schaduw waar ze zaten begon de circus druk te worden. Uit de keldergaten kwamen ze op, de vroolijke luidruchtige menschen, die hersteld en opgefrischt in de gang, hun feestvierende gezichten hadden teruggekregen. Bij tweeën en drieën kwamen zij, klauterend over de banken, druk zoekend naar de hun aangewezen plaats, en langzaam verdwenen de steenen ringen onder de drommen menschen, immer kwamen er meer, en dikker stapelden zij zich op tot rijen van hoofden en bovenlijven, op elkaâr gepakt tot één groote rumoerige massa die met het heerschende zwart der kleêren blauw werd in de schaduw en als bezaaid lag met de gedempte kleuren van waaiers, doeken en buikbanden. En in de overdekte balkons met de gesloten koningsloge in het midden begon het te wemelen van een deftig publiek, onberispelijk gehandschoende heeren en dames prijkend in de nieuwste mode.

Alleen de zonzijde bleef nog altijd leêg liggen, blank gestoofd in de zon, hier en daar gevlekt door een alleenzittendevrouw die zich het gelaat beschutte met haar zacht wiegenden waaier, of een klein groepje van mannen en vrouwen die bevreesd voor het verliezen van een goede plaats, de hitte trotseerden. Pittig kwamen zij voor den hellen achtergrond en daar klom er een figuurtje naar boven, de banken ombeenend en ginder ging er éen lui zitten, en wat verder weêr een, wiens roode gordel een vurige klak kleur werpen kwam van uit de verte. En van onder de overdekte balkons begonnen zonneschermen te glanzen en te schitteren, en weêr hooger uit de schaduw der galerijen staken de roode beenen van soldaten, donker in de zon.

Maar in de halvemaanvormige schaduw, in het natgespoten strijdperk, krielde het van mannenvolk, een groote, bewogen menigte met blondblauwe plekken weêrschijn op bollen van hoeden en op bovenvlakken van schouders; golvingen van gedempt licht en bleeke glimglansen gleden er heen en weêr, om saâm te loopen met de vleeschtonen der koppen; en dan trad er een van uit het donker in het licht, met een plotseling opvlammen van zijn kleuren en een ander volgde of deinsde weêr weg in de schaduw, tien, twintig tegelijk, zich ontwarrend en weêr terugwarrend in den hoop, gaande en komende van dezelfde richting, van de poort die links stond.

—„Wat gaan er deze maal veel menschen de stieren kijken,caballero!” zei de jonge man tot zijn onbewegelijk rookenden buurman.

Deze knikte leuk met het hoofd. Hij begon het warm te krijgen in de oppakking van menschen, in de benauwde hitte die opsteeg uit de van zon volgezogen banken. Zijn dik bloedrijk hoofd glom met witte waterige lichten en van tijd tot tijd bewoog hij het forsche lijf, als wilde hij zich vrij maken van den druk der knieën in zijn rug, of keek even op zijn horloge.

—„Me dunkt,caballero,” zei hij in eens, „het zal wel gauw beginnen.”

—„Si Senor, dat dunkt mij ook,” zei de andere, „maar de president is er nog niet.”

De boer zonk weêr in zijn gesoes, ging opnieuw zitten staren naar het gewoel beneden. In het perk zag hij nu de speellui tusschen de menschen komen, infanteriemuzikanten met roode broeken aan, de koperen instrumenten onder den arm. In de gang tusschen de schuttingen lette hij de mannen op, die daar rondliepen met manden vol gele vruchten, luidkeels schreeuwend, „naranjas, naranjas,” met naar boven gekeerde gezichten en rondloerende oogen; en dan zag hij er een de bestelling naar boven smijten, behendig mikkend, en hij volgde instinktmatig den roodgelen bal die heenzeilde over de hoofden door de lucht, keek dan weêr naar beneden, den man in 't gezicht die stond te schacheren met zijn luidschreeuwenden besteller, en zag hem vervolgens het geld in een papiertje gewikkeld opvangen. En achter en voor hem klonk het eentonig roepen der waterverkoopers: „agua fresca què quiere agua para bebere”26); hij zag ze naar zich toekomen, heenschuivend tusschen het gedrang met hun glimmend watertoestel aan den arm, en hij dronk een glas water, keek nogweêreven op zijn horloge, ongedurig op zijn zitplaats. En overal om hem begonnen ongeduldige geluiden op te stijgen uit de lange rijen van menschen, met duizend monden riep men, schreeuwde men. Enkelen hadden hondenfluitjes medegebracht en bliezen daarop met bolle wangen, terwijl anderen ratelden met houten ratels of den grond sloegen met hun stokken; en vlak voor den boer zat een groote, lange man met een kleinen jongen naast zich, die uit een trompetje twee tonen joeg, een lange en een korte, en dan juichten de lieden als dollen en de man deed het opnieuw om de menschen te bevallen, zoodat men opnieuw begon te schreeuwen, opstaandevan de zitplaatsen, onder herhaald opzien naar de loge waar de president komen moest.

Dan eensklaps klonk van uit de arena het vroolijke geschetter van een marschmelodie, en toen steeg er een ontzettend geroep op dat de muziek overstemde en in zich opnam; men was opgestaan en wuifde met doeken naar de presidentsloge waar een gladgeschoren gezicht telkens overheen kwam, een bleek gelaat met een gelegenheidslachje om de lippen, buigend en lachend met een schitterend vertoon der witte tanden.

—„Daar is de President, God zal hem zegenen,” riep de boer.

—„'t Is vier uur precies,” antwoordde zijn buurman.

Hij had nog niet uitgezegd of van den overkant uit de zonzijde kwam een signaal aan, een korte en een lange trompettoon, zooals de lange man ze uit zijn speelgoed gehaald had. En als met één ruggestoot had de menschenhoop in de schaduw zich toen in beweging gezet, zich uitwaaierend, snipperig geworden in de zon, dravend door het perk met uitschoppende beenen. Door de opening in de heining of daarover wippend, begonnen zij de banken te bestormen met wilde haast en in een ommezien gingen de strakke lijnen weg, werden vernietigd onder het gewoel van hun lichamen. En toen ze eindelijk gezeten waren, geleek de zonzijde met de hoofdenreeksen boven elkaâr, met de bonte wisseling en warreling in het licht, op een woest weefsel van kleuren, vaag, door den afstand als versleten in het licht. Doch van het plat boven deTorilkwam nu en dan een vonk bliksemend schieten van uit de verte, wanneer een koper blaasinstrument zich spiegelend bewoog in de zon.

—„Daar komen dealguacils”, zei de jonge man.

Uit de stal-deuren kwamen twee ruiters, in een rechte lijn gaande naar de loge van den president. Ze droegen een kort schoudermanteltje over een middeleeuwsche dracht van donker fluweel en een hoed met veêren op het hoofd.Ernstig, gewichtig, reden zij voort, als belast met een hooge zending, hun vurige glanzende paardjes dwingend in den stap, andalusische raspaarden die de pooten krachtig knikkend voor zich uitwierpen. Onder de loge gekomen ontblootten ze het hoofd, bleven een oogenblik als smeekelingen stilstaan en toen zag men den president even overbuigen uit zijn loge, een der twee de hand uitsteken met den hoed naar voren, en weg draafden zij onder een galm van goedkeuringen.

—„Ze hebben den sleutel, ze hebben den sleutel van de hokken,” zei de boer.

—„En knap gevangen ook,” zeide zijn buurman.

Een stilte was plotseling komen heerschen in alle rangen, een angstige spanning van menschen die wachten op opwinding en beroering. Het groote strijdperk lag nu glazig en leêg onder de oogen der duizenden die allen tuurden naar dezelfde richting. Soms stond er een òp van zijne plaats en dan klonken er onmiddellijk achter hem eenige schreeuwen: „Asientarse, asientarse”27)en weêr een oogenblik zag men een man dwars oversteken door het perk in een klein drafje, en toen begonnen eenige jongelieden „bravo” te roepen en de man keek in den loop lachend naar boven, wenkte spotziek dankend met de hand, om vervolgens te verdwijnen achter de schutting met een vluggen sprong. Maar even daarna schetterde opnieuw de muziek, de deuren in de schutting links werden wijd geopend, en een glinsterende stoet mooi aangekleede mannen kwam binnen met gelijkmatigen militairen pas, als automaten schommelend op de maat der marschmelodie.

—„Olé Mazzantini! olé Frascuelo! Cara Ancha!”28)jubelde de jonge man met zijn zakdoek wuivend. „Bravo,” daverde het overal òm hem uit een woest koor van kelen, onder het stampend geluid van stokken en klappen in dehanden. Met de golvingen van een echo steeg het en liep het van hen weg naar de zonzijde, waar het druischend overging in een gewriemel van schermende armen en wuivende doeken.

—„Asientarse, asientarse,” galmde men overal.

Beneden stapten detorerosrechtdoor naar de presidentsloge, wiegelend op een theaterachtigen pas, glimmend van gouden borduursels, klein geworden als mooi opgepronkte poppen tusschen de muren en ringen derPlaza. En in een oogenblik had de jonge man den stoet met kennersoogen geschat, de kostumen ontleed en hij deed uitroepen van herkenning en bewondering.

—„Es bonita, muy bonita,”29)herhaalde hij telkens.

Aan het hoofd van den troep, wijd uit elkaâr, stapten de drieespadas. Zij waren in groene, blauwe en paarse zijden mantels gewikkeld, die om de lenden en over den rechterschouder heêngeslagen, in de linkerzijde werden vastgehouden door de daar rustende hand. Een laag uitgesneden vest kwam nog te zien van onder het van glinsterende tressen en schouderbedekkingen rinkelend wambuisje, wijnrood bijFrascuelo, groen bijMazzantini, lila bijCara Ancha. En de korte, strak gespannen broek van dezelfde kleur als buis en vest, verdween bijna geheel onder het breede galon, was vastgemaakt beneden de knie en liet de kuiten vrij puilen uit fijne witte kousen, met lage als voor dansen gevormde schoentjes aan de voeten. In het midden der uitsnede van het vest, over het heldere witte hemd daalde uit den boord een lang rood dasje, smal als een veterband en op het hoofd droegen ze een afgeplatten hoed van zwart fluweel, met dotvormige ballen belegd op de zijstukken; terwijl eindelijk achter uit de kruin van het hoofd het torerostaartje hun hing te bungelen in den nek, met een dikke, zwarte knoedel boven aan de inplanting.

Achter deespadasvolgde meer aaneengesloten de bij elk hunner behoorende cuadrilla van vierbanderilleros, wier uitmonstering geleek aan die der eersten met een herhaalde wisseling van kleuren. Bij een enkelen waren de metaalachtige oplegsels vervangen door borduursels van dof zwart, die zich verdrongen op den roodbruinen ondergrond der kleêren, terwijl bij een ander weêr de kleur der zijde was als blank parelmoer of van een bleek rose, waarop de zilverdraden der belegsels zich verloren in de verte, of licht pakten met de ijlheid van trillend spinrag. Dan volgden depicadoresop witte paarden, straf in den hoogleunigen zadel gezeten, mannen met ruwe, grofroode gezichten, een breeden vilten hoed met pluimen op het gestaarde hoofd, den stormband tegen de kin, den voet vast geplaatst in den houten bakvormigen stijgbeugel. En hun stevige romp scheen het eng te hebben in het nauwe torerobuis, terwijl de beenen van onder in ijzeren scheenbekleedingen gestoken, er vormeloos uitzagen in de gele rijbroek, als opgestopte pijpen. Daarachter kwamen dechulos, helpers derpicadoresin een vuurrood baadje met blauwe broek, dan de knechten derPlaza, harkers en spuiters in hard blauw met geel gestreept, eindelijk twee driespannen van muilezels, kwistig met roodbepluimd tuig overladen, met wapperende vlaggetjes, half geel, half rood, die uitwaaiden boven hun ruggen. En aan de zijden reden de tweealguacils.

—„Magnifico, divinamente bonito”30), zei nu ook de boer, wien het genot in de oogen lag.

Decuadrillawas nu in het midden van het perk genaderd, zijn kleuren en volheid van goud uitstallend voor het staroogend publiek. Scherp en kantig in de zon schreden ze voort, ordelijk, met deftigen ernst, met pralende gezochtheid, met een rammelend vertoon van flonkernieuwe theaterkostumen.De links wandelende der driematadors31)wasFrascuelo, een stevige gestalte waar men de krachtige spiervorming van zag in de kuiten, met een norschen als in hout gehakten kop, wreed van trekken, met iets lomps in zijne bewegingen. Nijdig plantte hij de hielen telkens in het zand, onverschillig als een boer die het niet prettig vindt te worden aangegaapt in een mooi pak en verlangt naar zijn werk.

De middelste wasMazzantini, een slanke jonge man met een glad rond gezicht; zwierig droeg hij zijn mantel als iemand die zich graag goed voordoet en er op rekent door vrouwen te worden bewonderd om zijn mooi lichaam. Luchtig hield hij den pas, den lossen arm schommelend langs het lijf en met een behaagziek, ijdel lachje om de lippen. De derde,Cara Ancha, was een pafferige man met bol, breed gelaat, bleek, iemand die aanleg heeft dik te worden van ledigzijn, een zinnelijke verschijning, slim, onbeduidend en brutaal.

Toen de stoet gekomen was onder de presidentsloge in de langzaam opkruipende schaduw, ontblootten allen het hoofd en verspreidden zich haastig. De muildieren enalguacilsholden weg,picadoreszag men draven langs de schutting, de lans in de lucht, gelijkend op groteske soldaatjes, hun oude, voor den vilder bestemde paarden voortporrend met de groote sporen; achter hen aan draafde de roodechulo, die zijn loop vergezeld deed gaan van stokslagen op het achterdeel van het oude ros. Deespadaswierpen hun mantels voor zich uit tusschen het volk, wapenden zich met oudecapas, paarse en gele lappen, eenigebanderillerosdeden eveneens, terwijl andere over de schutting wipten in de gang, met de knechten derPlaza, bij agenten van politie en oudetoreros, die met de armen stonden te hangen over de schutting.

En opnieuw was er een stilte komen vallen boven dePlaza, een warme stilte vol klemming en benauwdheid. Men zag de waaiers bloedrood, angstig wiegelen in de zon, en programma's beven en blinken in de ongeduldige, zenuwachtige handen. De venters van oranjes en water hadden het roepen gestaakt, alles wachtte en staarde naar de deuren derToril.

Plots, de lucht scheurend, schetterde het sein, de lange en de korte toon die uitgalmden als een moordkreet. De deur derTorilsloeg open, men zag een man zich verschansen achter de deur, hem die snel weêr sluiten en een roodbruin beest, een harig gehoornd monster kwam binnendonderen door de schutting, een machtige, hooggeschofte stier, die al aanstormend den kop heen en weêr sloeg, met een links en rechts bliksemen van het wit der oogen.

Onder de wilde vlagen van bravokreten, als versuft door het gloeiende licht derPlaza, was het beest in het midden blijven staan, rillend in al zijn spieren, met toornig stampen en schoppen der achterpooten, stukken nat zand smijtend langs zijn flanken. Toen rekte hij den rimpeligen nek, en zijn neusgaten zwollen onder den uitstroomenden adem, en men zag den bek opengaan met een krachtig vooruitstooten van den platten, vierkanten snoet.

—„Hoor, hij loeit! Wat een beestje, wat een mooi beestje!” riep de boer, verrukt luisterend naar het gesmoorde bulken dat, als van heel ver, zwak werd in de ruimte en verloren ging tusschen het uitstervend geloei der bravo's.

Den nek gekromd, met de voorpooten koppig woelend in de vochtige zandlaag, stond de stier nog altijd stil in de zon, in het brandige goud van zijn roode harige huid. Tusschen het span uitvleugelende hoornen, spitse, kromme dolken gelijk, kroesde wild een ruig haar, tot over het als een moker vaste voorhoofd. Boven het linker schouderblad waren twee kleurige linten in de huid geprikt, diebij elke beweging even opwuifden boven den langen zwaai van den rug uit, één lange getrokken ruglijn, zwellend over de schoft, dan weêr dalend, om te verloopen over het bijna tengere achterlijf in den rondgeeselenden staart.

Maar het publiek begon ongeduldig te worden en te schreeuwen.

—„Al caballo! toro, al caballo!”32).

Een parelgrijzebanderilleroholde met de saâmgenomencapain de hand voorbij den stier, uit wiens mondhoeken een vlok wit schuim dringen kwam. De doek sloeg het beest in de oogen, de man holde voort met de wapperendecapaachter zich aan, langs het witte paard van een met gevelden lans wachtendenpicador. Het paard, aan het linkeroog rood geblinddoekt, wierp den kop angstig om en trappelde onrustig onder de dwingende hand van zijn berijder, onder de stokslagen der knechten. Maar de stier schoof voorbij, achter den bonten lap aan, en plofte toen in een loggen sprong met den kop tegen de schutting, waar het blinkende mannetje snel was overgewipt. Toen viel hij terug, zwaar door zijn gewicht, en bleef bot staan kijken naar de slip dercapadie over de schutting hing, met de lachende tronie van denbanderilleroer boven.

—„Naar het paard toe, stier, naar het paard toe!” brulde het opnieuw uit de menschenringen.

Met een gewapper van voorzichtig op een afstandtoegeworpencapas, met angstige bewegingen hun vrees verradend voor het nog frissche dier, begonnen detorero's nu den stier te kwellen aan alle zijden; en het beest smeet naar het geflipflap der kleuren in het wilde zijn machtige hoornstooten, links en rechts, schutterig aangetrokken van den een naar den ander, met de hoornen hakend in de waaiende doeken. En in eens stormde hij dan los op een van zijn plagers, en deze daar niet op bedacht, liep zoo hard hij loopen kon weg, met achterlatingvan zijncapa, en buitelde over de schutting met het hoofd omlaag en de beenen in de lucht, onder neêrvallende buien van boven, van jouwend fluiten en spottend gelach.

—„Ezel, wat heb je een goeie beenen,” had de jonge man geschreeuwd.

De stier rende dwars door het perk. Men zag depicadoresdraven langs de schutting, hen telkens post vatten, den stier achteraan en weêr voorbij, om opnieuw hun paarden met toegekeerde borst bloot te stellen aan de hoornen.

En het volk huilde en gilde als bezetenen, met opgewonden gebaren.

—„Es un toro malo,33)caballero,” zei de jonge man, maar nauw had hij dit gezegd of hij stond op en begon te schreeuwen uit volle longen: „Bravo, toro, bravo!”

Het roode beest stond, in de zon, met den kop te beuken naar de witte borst van een mager picadorenpaard, onder den forschen weêrstand van eenpicador, die hem de lans in de nek had geplant; met al de kracht van zijn stevig gebogen arm, met het volle gewicht van zijn lichaam duwde hij den stier af, uit de zijde van zijn angstig bewegende merrie; maar trappelende wendde het paard zich om onder den dwang van zijn ruiter, en de eene hoorn gleed als een naald in zijn witte borst, en men zag het den kop met den rooden blinddoek erbarmelijk opsteken in de lucht.

—„Bravo, bravo, toro!” galmde het rondom, waar men den stier prees en zijn bevechter, hem noemend bij zijn naam.

De stier had zijn hoorn teruggetrokken met een woesten ruk, weêr naar een zwaaiendecapagestooten, en voort stormde hij door het perk met de kleurige mannetjes achter zich aan, met een glanzende, donkerroode bloedvlekop de schoft. En in de schaduw langs de schutting joeg hij detorerosachter de verschansing, al doorrennend met wilde wendingen van den kop van links naar rechts, onder de opruiende kreten der toeschouwers, die waren opgestaan van hun zitplaatsen.

—„Al caballo, toro! al otro caballo!”34)schreeuwde men als hij voorbijging, „asientarse, zitten gaan,” wanneer hij voorbij was.

Schuins beneden, bijna onder de oogen van den boer, dwong een anderepicadorzijn paard naar den aanstormenden stier. Met een plof kwamen zij tegen elkaâr aan, en uit de hoogte klonk onwillekeurig en wreed, het „hè” uit de borst der ademlooze menschen. Maar de stier was opgesprongen naar den ruiter, schampend waren de hoornen gegaan langs het ijzeren beenstuk, en de lans, afgegleden, vloog dwarrelend uit zijn handen in het zand. Het paard steigerde, draaide onwillig zich af, en met een dwarse beweging van den kop sneed de stier het toen den buik open, snel als met de snede van een operatie. Een kronkelende stroom van bleekroode ingewanden viel in eens onder uit het dier; een levende, vochtig lauwe zak, vol teêre, geheimzinnige, voor het donker bestemde kleuren, schommelde rond tusschen zijn pooten; de stier stampte door, priemstootend in het achterdeel van het witte ros, het schokkend zoo op zijn hoornen, dat depicador, met afgekeerd gelaat, zat op te springen in den zadel. Maar het paard begon te wankelen onder de opheffingen van achteren, zocht den grond met zijn pooten, trapte, warde in zijn eigen ingewanden, en smakte eindelijk tegen het zand, in den zwaren val zijn ruiter medesleurend.

Al detoreroswaren toegesneld met hun zwaaiende lappen, vermetel zwenkteFrascuelovoorbij de hoornen, en de dol geworden stier gleed onder den wuivenden laplangs dentoreroheen, hem bijna rakend aan de ingetrokken lende.

—„Dat was mooi,bravo, Frascuelo!” schreeuwde de jonge man; hij maakte een aanteekening op een stuk papier.

—„Es un maestro, es un gran maestro,”35)antwoordde de boer, opgetogen.

Het paard lag te trappen in het zand; men zag denpicadorophelpen door zijn knecht, onder den arm genomen, hem met gestrekte beenen overeind zetten als een ledepop. Stijf, zonder gewrichtsbuigingen in de knieën, scharrelde hij naar zijn paard dat overeind was geranseld door een anderen rooden helper; en even daarna kwam het weêr draven langs de schutting, beschimmeld door bloedvlekken, de darmenzak klotsend tusschen zijn pooten, met een jammerlijk vertoon van afgeleefdheid en stomheid; en zijn ruiter zag op naar boven met een dommen, brutalen lach, onder een vurigen storm van uitjouwingen en oorverdoovend fluiten, dat hem in de ooren dringen kwam uit de rijen waar hij langs reed.

—„Moordenaar, dronkaard van brandewijn, slachter!” schreeuwde de jonge man.

—„Weg met dat paard, 't beest is op, er meê naar buiten, 't is schande!” riep de boer, purper van kwaadaardigheid, toen het paard onder voorbij ging, voortgeslagen door dechulos.

Vèr buiten de schaduw speelden nu detorerosmet den stier, en de zonzijde der arena bewoog en woelde als een kleurenzee vol onnaspeurlijke bewegingen. Rechts op de eigen plaats, lag het eerste paard te zieltogen, met stuiptrekkende en rillende pooten, terwijl uit de wonde in de magere borst een straal donkerrood bloed gulpte en spoot, dat snel wegzoog in het opdrogende zand. Eenige knechten morrelden om hem heen, ontdeden het van den zadel, maar de stier stormde aan, de mannen wipten overde schutting of bleven staan, gereed tot springen, kijkend naar het woedende beest dat het paard stompte en verminkte, het omkantelde als een stuk speelgoed, en toen weêr voortrende naar een anderen, versch aangekomen ruiter. Toen kwam een der mannen terug, hij boog zich over het stervend ros, drukte het een priem in de hersens en met een paar hikjes en schokjes strekte de blanke merrie zich dood, dadelijk geworden tot een blinkend vormloos hoopje vuil in de groote zonnige arena.

En eer men het zag, lag links weêr een andere ruiter neêrgeslagen in het zand achter zijn vermoord en opengereten ros, en onder den drang der opwinding, hakend naar lof, kwam dan uit de poort weêr een andere aanzetten, en nog weêr een, die zich waagde met gevelde lans tot in het midden van het strijdperk. En de stier kwam en hakte de zijde open bij het eene paard, en boorde in de borst van het andere, maar week voor den druk der lans in zijn nek, onder een stijgenden vloed van bravo's.

Voort holde het weêr met het schuim langs den bek, en waar hij weggegaan was, zag men de roode knechten het lillende ingewand terugduwen in den buik van het paard, en bij het andere een kurk in de gapende borstwonde steken; herhaalde malen, omdat de stop met een flap telkens terug sprong onder den krachtigen drang van den bloedstraal.

En toen de gele ruiters weêr stegen op hun bemorste paarden, was het als rilde er een huivering rond voor bloed en zonnekleuren door de dammen van menschen, waar de kreten saâmgepakt uit opstegen als één groote schreeuw uit eene groote borst. En verpletterend als zware stemmen van reuzenbazuinen, heerschte het rondom, boven het kleurige en geluidlooze gewriemel beneden in het perk; maar de stier waarde rond als een brandende vlam die wordt uitgebluscht, tredend van het licht in de schaduw met de glanzende, klaterende mannetjes en lappen omzich heen, beukend naar alles, er hier een jagend over de schutting waar deze nauw zich redden kon, met gillen van angst in de drommen van geluiden overal boven en rond hem.

—„Wat een beestje, wat een heerlijk beestje,” herhaalde de boer, in delirium.

—„Vooruit, roodneus, wees maar niet bang!” jouwde de jonge man naar een lansdragenden ruiter die onder voorbij reed.

Deze lachte met een groven lach, smeet zijn hoed in het zand, wees met een theatraal gebaar naar den stier, en weg draafde hij, met het bungelende staartje in den hals.

En de stier viel opnieuw aan met gekromden nek, met roodsmerige hoornen, met zwellende flanken die glommen van een nat zweet. Diep donker glansde het boven op de schoft, waar het bloed vloeide en kleefde uit de wonden der lansprikken. En de ruiter leunde met alle kracht op zijn speer, perste het beest af met geklemde tanden, en men zag zijn muskels zwellen, dik worden onder zijn gebogen arm. Maar het beest woedde en bonkte met den harigen kop, en de weêrstand van den arm viel voor den moker van zijn voorhoofd.

Toen sprong het paard op, sloeg met de achterpooten in de lucht, rekte met den langen schraal gespierden hals, geschud door het monster dat rondwoelde en werkte in zijn weeken buik. In een oogenblik tilde het ros en ruiter van den grond, op de draagkracht van zijn hoornen, en met een voorwaartschen zwaai van den kop, met een dronken blikkeren van zijn oogen, bliksemde hij ze neêr, vóór zich, in het zand.

Bewegingloos, met de armen voor zich uit, bleef de man liggen achter zijn paard, dat scharrelend zich overeind trachtte te zetten op de voorpooten, doch weêr omkeilde door een fellen stoot in de borst; maar opnieuw beproefde het ros zich te heffen, bekneld door den zadelschermend met den hals en de pooten in de lucht, gelijk een paard dat ligt te rollen in de weide; doch in eens was het dan op, en rende blind weg, met één natten rooden voorpoot, in de radelooze kracht van zijn stommen doodsangst wild galoppeerend, om weêr te rijzen en weêr te warren, telkens en telkens gestruikeld in den sleep van zijn eigen darmen, totdat het eindelijk bleef liggen in het zand, met lange streken der pooten klappend in de lucht. Stil werden toen zijn bewegingen, al langzamer en langzamer, overgegaan in een reeks kleine, sidderende schokjes; al zachter en zachter trokken de pooten, als de slinger van een klok die gaat stil staan.

—„'Sta muerte36)dat is de vijfde!” zei de boer, „wat een beestje, wat een wonder beestje!” herhaalde hij voor zich.

—„'t Zijn er zes,Caballero!” riep zijn buurman die weder een aanteekening maakte.

Te... tè schetterde het signaal; men zag twee paarden bebloed en ontredderd voortslaan door de schutting en den bezwijmdenpicadorwegdragen, hangend tusschen de armen van twee mannen.

—„Die gaat naar de infirmerie,non es verdad, padre?”37)vroeg de kleine jongen naast den langen man met het trompetje.

Met zwoegende flanken stond de stier nu stil in het midden van het perk, zwaar en naar adem hijgend tusschen de lijken der doode witte paarden. Vormloos lagen zij gestrooid over den grond, klein en nietig in den dood, met ingevallen buikwanden en slappe, lamme spieren. En waar zij lagen in de zon, gaf de roode blinddoek een vurigen tik tegen den blanken vloer en tusschen hun pooten grommelde de vage rommel der ingewanden, vochtig in het zand dat er droog begon uit te zien onder de heetestralen der zon.Torerosstonden achteloos te praten met anderen in de gang, den voet op den springdrempel, schuins blikkend naar het stilstaande beest, en harkers liepen langs den kant, de bloedplassen en losgescheurde darmen dekkend met een laagje zand. Terwijl, naar boven en rondom een gegons gromde, een opgewonden zwerm van geluidjes, zacht komend in de ooren na wilde stormen van klanken, een dof herkauwend gemompel van een uitblazende massa; en de venters schreeuwden opnieuw, water vergietend voor de dorstigen, en oranjeappelen klommen in de lucht, met parabolen rijzend en dalend.

—„Twaalf minuten over vieren,” zei de boer die op zijn horloge gekeken had.

Beneden was het spelen weêr hervat met al het kleine vertoon van theaterspel. De stier rende opnieuw rond met het wuivende lint op zijn van bloed druipende bast. In het midden van het perk stond een zilver mannetje te springen; in elke hand had hij een met weêrhaken gepunten stok die versierd was met gekleurde knipsels van papier, en de man hief de armen omhoog, met strakke aaneengesloten beenen opspringend van den grond, in de verte gelijkend aan een marionet die met een touwtje aan den kop naar boven wordt getrokken. Eindelijk sloeg de stier het glanzen in de oogen, hij liep aan, debanderillerotripte achteruit, bevallig wijkend, beschreef, luchtig en snel, een halven cirkel voor den kop van het beest, dat log wendde in den omdraai; op de teenen hief debanderillerozich toen op, tikte even met de stokjes op elkaâr en met gestrekte armen reikende over de gebukte hoornen van den kwaden bul, drukte hij het de stokken gekruist in den nek, één aan elken kant van de streng der rug, en sprong ter zijde met een vlugge, gracelijke beweging.

Ten andermaal kwamen de bravo's stormend loeien uit den trechter van menschen, boven den stier en de spelers. Doldriftig sprong het beest rond, in de buitensporige sprongen zijn jeugd verradende, die denken deden aande koddige, onnoozele buitelingen van een kalf. Telkens stootte hij met de hoornen naar de bonte stokken in zijn nek, en weêr hoorde men het toornig gesmoorde loeien. Eindelijk rende hij voort als dol van pijn, met de zeilende stokken potsierlijk bengelend langs zijn schoft, en in een dood paard begroef hij den rooden kop, geweldig stootend in den ontzielden hoop en in het zand, dat als een lichte nevel steeg om zijn hoornen en om het doode ros.

—„Muy bien, muy bien, Guerrita,”38)schreeuwde de jonge man.

—„Bravo, mijn jongen,” jubelde de boer, „over twee jaren zult ge staan tegenover een anderen stier, en gij zult hem dooden.”

Beneden zijn oogen ging debanderillerovoorbij op een sukkeldrafje, met wuivend handgebaar dankend voor de toejuichingen. Nu en dan bukte hij naar den grond, wanneer een sigaar van boven gesmeten, voor zijn voeten viel in den loop.

En als hij dan opzag, zag hij weêr een anderenbanderillerostaan springen in het perk, vervolgens snel wegloopen onder het neêrhagelende jouwen en fluiten. Maar de stier had de vervolging in het midden gestaakt, aangetrokken door decapavanFrascuelo.

Stevig op de voeten, met de oogen in de oogen van het oranjeharige monster, stond de wijnroodetoreroachter den gelen lap, dien hij met gestrekte armen hield voor de hoornen. En de stier bukte, viel aan, detorerozwenkte half om op den hiel, klapte met den mantel, en het monster stoof voorbij langs hem henen, voortgestuwd door zijn eigen vaart; toen zwaaide het vervolgens weêr om, met een snelle, dribbelende verplaatsing van het lenige achterlijf, en stond een andermaal gebukt voor de hem voorgehoudencapa.

In een bloeddorstige stilte, met ingehouden adem, volgdemen boven het vermetele spel van dentorero, die zeker en snel werkte met iets of wat van de plompe driestheid van een boer in al zijne bewegingen; maar weêr schoot de stier onder het klappende doek door, het rakend met de hoornen, en woest gloeide zijn geelroode huid, wanneer hij gleed langs de sombere bloedkleur van zijn terger.

Uit de zonzijde kwam een handgeklap, toen nog een, toen meer, een hakkelende galop van slaande geluiden kwam aandringen naar de schaduw; en als bezield speelde de kleurige man met den stier op den rand van de groote, donkere halve maan in het perk, vuurvlammende als ze traden in het licht. Met de hand in de zijde zagen de anderetorerostoe naar hun makker, die zijn laatste kunststukken vertoonde, wendde en sprong voorbij de hoornen, terwijl de stier rakelings stormde langs zijn ingetrokken lichaam, stooten gaf in het in de lucht waaiende doek. Eindelijk stapte detorerobedaard weg van den stier, hem over den schouder aanziend met een breeden hoogmoedigen lach, met kleine pasjes, de punt van den mantel die lang achter hem aansleepte in het zand, over den schouder getrokken. En als gebiologeerd bleef het beest staan kijken naar zijn roodglinsterenden plager, die nu met de hand wuivend, aftrok langs de schutting.

De tweedebanderillerowas teruggekomen, nogmaals gevlucht, was den stier nageloopen, om opnieuw te vlieden over de heining met den hoed in den nek. Maar teruggesprongen in het perk, een eindje verder, had hij zijn stokken eindelijk geprikt in de schouders van het beest, die er dadelijkweêruitvlogen onder diens plompe, schuddende bewegingen. En rood in het gezicht, maar lachend, was de nog zeer jongebanderilleronogmaals gekomen met een paar nieuwebanderillas, zenuwachtig geworden onder het brutale jouwen, fluiten en schelden der menigte. Toen was hij vervolgens aangeloopen op het beest, en had hem de stokken in den nek gestoken, allebeî aan éene zijde, onachtzaam de klassieke regels verwaarloozendof vergetend in de opwinding der vrees; toen oogenblikkelijk zijn onverschilligheid hernemend, had hij zich aangesloten bij een troepje, onder het verontwaardigd gebrul der toeschouwers.

En weêr een anderebanderillerodraafde aan, en na hem nog een andere; tien minuten nog ging het spel zoo zijn gang, in de zon of in de schaduw die langzaam voortkroop over de rijen van hoofden en over het gele zand.

Toen schetterde ten derde male het sein. Men zagFrascuelostaan onder de presidentsloge, den hoed in de hand, met naar boven gekeerd gelaat, woorden werpend naar de hoogte, die hij vergezeld deed gaan door kleine duwtjes met den hoed.

En rondom de loge waar men hooren kon wat hij zeide, klonk het handengeklap, terwijl detorerozich omdraaide op de hakken, met een van buiten geleerde beweging den hoed achter zijn rug om, tuimelen deed tusschen de menschen, en met een vuurrooden lap en degen met gevest van dezelfde kleur, stapte hij naar het midden, waar de stier loom stond te kijken.

—„Heeft uwe edelheid gehoord wat hij zeide?” vroeg de jonge man aan zijn buurman.

—„Neen,Caballero.”

—„'t Zal er wel naar geweest zijn,” hernam de andere, „Frascuelo es un torero muy bruto39), hij maakt niet veel werk van zijn frases. Daarvoor isMazzantinibeter, dat is een zeer fijn man.”

—„Zoo,” zei de boer, die naar beneden keek hoe de mannen met decapasden stier uit de zon trachtten te lokken.

—„Dat was mooi, goed gedaan,Cara-Ancha!en waarom laat jij nog altijd jecapaliggen, lomperd?” schreeuwde hij vervolgens tot een ander, die zijn lijf geborgen had voor den aanstormenden stier.

—„Si, Caballero, Mazzantini es un torero muy decente, muy decente,” herhaalde hij, zich opwindend tegen zichzelven, „es un hombre muy fino, civilizado, es revolucianario in el arte de Toros, es poeta y sabe tocar la guitarra.Waarom lacht u?” vervolgde hij. „Yo digo ustéd, es un gran artista”.40)

—„Maar,Frascuelois dapper,” viel de andere in, „hij heeft het meeste hart van allen, meer dan alle stierenvechters van Spanje,” draafde hij op zijn beurt door.

—„No, Senor,” riep de man weêr, „niet meer danLagartijo, en die kent zijn stieren beter, ziet ze beter aan, is veel intelligenter.”

—„Meer danFrascuelo?” riep de boer weêr kwaad en rood wordend.

—„Si Senor.”

—„No Senor, non es verdad.”41)

—„Si Senor,” herhaalde de andere nijdig.

De omstanders begonnen zich in den twist te mengen, maar plotseling riep men;„Mire, mire!”42)En het kibbelend paar zat weêr te kijken met lange halzen naar wat onder hen gebeurde.

Links stond de stier met het blanke cadaver der merrie op zijn hoog geheven kop. Dik zwol zijn hals onder de inspanning, onder den last die met dichtgevouwen pooten doorgebogen neêrhing over zijn bezweete, hijgende schoft; en daar waar rug op rug lag, zijpelden en glansden de bloedvlekken en hingen de kleurigebanderillasneêr, popperig en klein als de stelen van versierde bruigomspijpen; achter den kop van het paard staken zij uit, meêbungelendebij elke beweging, gelijk met de slingeringen van den kop, waarin groote opgesperde oogen dof blonken boven den open bek, waar de rijen der lange maaltanden grijnsden en de tong krullend uit neêrhing. Toen stapte de stier vooruit en plofte neêr als een leêge zak de blanke merrie; plat viel zij neêr en langzaam zag men de pooten zich weêr voegen naar den zandigen grond.

—„Mio Dios!wat een beestje!” mompelde de boer, teruggevallen in zijn bewondering.

—„Kom,Frascuelo, anda a El,”43)blèrde de jonge man.

Maar alsof de stier zijn kracht verspild had, zoo werden zijn hoornstooten zwaar en loom naar decapas. Onwillig draafde hij van hen weg, nu en dan even stootend naar de stokken in zijn nek, en uit den gerekten snoet klonk weêr het doffe bulken.

Bedaard zag menFrascuelohem tegemoet stappen met de roodemuletaen degen in de hand, en dadelijk woedend, stormde het beest weêr op den vurigen lap af, die heenscheerde over zijn hoornen. En hetzelfde spel begon opnieuw als toen hij werkte met decapa; als vastgehouden, volgde en stootte het beest naar de roode vaan, glijdend langs den man die met koele bedaardheid staan bleef op zijn plaats, de lende inkromp als de stier aandonderde, of even omsprong, wanneer het beest keerde in zijn woedende vaart. Soms bleef de bul staan, loerend naar den vooruit gestoken lap dien detorerohem voorhield op het plat van zijn degen, en als hij weêr aanviel, klapte detoreroden lap om met den degen over den stierkop, zooals men het blad van een boek omslaat.

Gierende vlagen van bewondering hadden toen gejoeld door de lucht, gevolgd door een lange bange stilte. In de schaduw was ieder opgestaan van zijn plaats, vastgeklonken met zenuwen en blikken aan het gevaarlijke, huiveringgevende spel van dentorero; op de eerste rij bogen detouwen door onder het gewicht der voorovergeleunde toeschouwers en de zonzijde lag stil en stralend onder de onbewegelijk turende menschenringen.

Met de oogen op de oogen van zijn offer, stond deespadastil voor den stilstaanden stier. Langzaam liet hij demuletazakken langs zijn aaneengesloten beenen en daarmee daalde de kop van het beest, langzaam met den zakkenden lap. En deespadahief den degen omhoog, zijlings, kaarsrecht staande voor de gebukte hoornen, die zacht rezen en even daalden met de roode vaan, zich richtend naar den wil van dentorero.

—„Ahora, ahora,”44)galmde het boven om den boer heen.

Maar toen deespadaden degen ophief langs zijn oogen, horizontaal vooruit naar de schoft, schoot de stier toe op den lap, stormde langs den ter zijde gesprongentoreroen voort holde hij weêr naar den kant der zon.

Teleurgesteld gemompel trok rond en een wrevelige trek kwam even op het ruwe gezicht van denmatador; toen streekhijmet de hand langs zijn haar tot aan het staartje, schudde lachend met het hoofd naar de menschen in de schaduw, en met wijde stappen ging hij achter den stier aan naar de zon, waar debanderillerosweêr speelden met decapasof wipten over de schutting. En in de verte begon het spel opnieuw met demuleta, die als een bloedroode flap telkens heensloeg boven den roodgelen stier, en men zag denespadaopnieuw een stelling aannemen, het eene been nu licht doorgebogen geplaatst voor het andere, den degen met bijna gestrekten arm voor zich uit gericht op den nek.

—„Va matar El en su suerte favorita”45), jubelde de boer.

Maar het wilde beest stormde onder den lap door, gevolgddoor den wijdstappendenespadaen de bende glinsterendetorerosnaar den kant der schaduw.

Weêr draaide en wendde de stier om en langs dentoreroonder de oogen van den boer. Onstuimig drongen de kreten naar den speler beneden, die kwaad werd, blikken wierp naar boven.

—„Anda a El,” riep de jonge man, „hij zal je niet opeten,Frascuelo.”

Detoreroschreeuwde iets terug, terwijl hij oplettend voortging den stier met zijnmuletate vermoeien, telkens zich plaatsend in de stelling, telkens gedwongen uit te wijken voor het aanvallende beest.

Maar op één oogenblik stond het stil, met snuivende neusgaten, de oogen starend naar de roode vaan die langzaam daalde en rees.

—„Ahora, ahora,” gilde het nogmaals.

—„Zit stil,Muchacho!”46), zei de lange man tot den kleinen jongen.

—„Zou het nu gaan, vader?”

—„Kijk, kijk, jongen.”

De degen rees, de stier stootte vooruit, men zag dentorerovoorovervallen naar de hoornen, toen plotseling ter zijde springen met ledige hand, en het beest stokstijf staan met het roode gevest tusschen de schouders.

De kleine jongen had, toegevend aan een onwillekeurigen drang, even de oogen gesloten, en 't was hem alsof er boven en rondom hem muren oprezen van geluid, die ineen kwamen storten boven zijn hoofd. Naast hem gilde zijn vader als een dronken man, terwijl achter hem de boer stond te schreeuwen met de uitingen van een krankzinnige, ijlende woorden loslatend als een zieke in koortshitte; hij had zijn hoed neêrgekeild voor de voeten van denespadaen noemde hem bij zijn naam met een liefkoozende stem. En rondom en boven de arena rendende drommen van bezeten geluiden, aaneengesloten, in dichte gelederen. Ze kwamen aanstormen uit de zijde der zon, die woelde als beroerd, als geschud door een windvlaag en botsten te zamen met de aanrukkende scharen uit de ringen der schaduw, waar de menschen opgerezen waren in een zelfden drang, met een zelfde beweging de ruimte streepten met hun armen die in extase grepen en sloegen in de lucht. Hier en daar alleen trilde met een hooge noot een snerpende fluittoon, een rauwe gil gelijk, die doodgesmoord werd in den woedenden chaos.


Back to IndexNext