O, Heer! voor welk onbekend verbreken boeten wij dan, dat Uwe hand zoo loodzwaar op ons nederzakt? Eilaas, de tijden zijn verre, dat wij in saamgestemde tonen het heilig loflied ter eere des vaderlands deden schallen,—dat wij, moedig en vroolijk, voor het goede streden en U juichend dankten bij elke zegepraal op verbastering en volksbederf behaald! Nu is alles duister en akelig op onze baan: onze vaderlandsche feesten zijn sombere lijktochten, onze vergaderplaats het veld des doods, onze zangen het eeuwige vaarwel, bij het graf onzer dierbaarste broeders gesnikt....
Nog treurt het hopeloos Vlaanderen over de vroege opvaart zijner edelste zonen, nog zwoegt het weenend om den gedenksteen op het graf van den Gentschen zwaan[3]te rollen, nog bloedt het uit zijne dubbele wonde ... en reeds bonst een nieuwe noodkreet uit zijne scheurende ingewanden over het neerslachtig vaderland!
Bij een ander graf—het laatste, dat wij sidderend zagen sluiten—durfden wij hopen, dat de storm had uitgewoed. Twee eiken kruinen lagen ontworteld en verbrijzeld ten gronde....[4]Het offer was volbracht? Eilaas, neen, neen! Nog ergens, in een welig oord bij de Schelde, bloeide een frissche wilg, in de volle kracht zijner oorspronkelijke milde natuur. Bij den minsten zucht, die zijn loover als de snaren eener harp deed trillen, liep het volk luisterend toe, en het bewonderde met dankbare aandacht de zoete liederen, die als dauwdruppelen glinsterend en zoel in de harten vielen, troost en balsem goten over het wee des vaderlands en de taal onzer moeder deden beminnen om hare harmonische en bekoorlijke zachtheid.
Een voorbode des doods schoot nevens den frisschen boom voorbij en zengde zijn welig gebladerte: de zingende wilg verdorde langzaam—en stierf: kruin en stam vielen ter aarde. Niets meer, niets meer van hem dan de onvergankelijke naklank zijner betooverende liederen....
Niet genoeg dat deVlaamsche Nestorvan tusschen ons werd weggemaaid, niet genoeg dat de wreede dood het lied in de keel desVlaamschen Nachtegaalsverworgen kwam ... ook deVlaamsche Bard, de vroolijke zanger des volks moest ons verlaten—lijden en sterven als een martelaar.
Daar ligt hij.... Van Ryswyck! bevrozen onder den kouden zoen des doods ... en met hem zinkt voor eeuwig in den schoot der aarde zijne wonderlier, die het ingewand des volks trillen deed.
Van Ryswyck! gij waart mijn eerste strijdgenoot. Samen trokken wij te velde tegen de vijanden van ons geslacht; samen verhieven wij het zwaard des woords, om den naam der voorvaderen te wreken en Vlaanderen op te heffen uit de vernedering. Terwijl ik dorst beproeven het vroegere heldendom ten voorbeeld onzer broederen op te roepen, stroomden van uwe lier mannelijke en machtige zangen, die het vaderland doorklonken en mij den boezem van hoop en vertrouwen deden zwellen. Mij suist nog in het oor:
Verheft het hart, verheft de stem;
Het klinke uit ieders mond:
Wat lot ons dreig', wat leed ons naak,
Ten strijde voor de moederspraak,
Op vaderlandschen grond!
Dreunt luid, der vadren taal ter eer;
Klinkt, zangen, klinkt in 't rond!
Van hier met vreemden pronk en praal
Wij zingen in der vadren taal
Op vaderlandschen grond![5]
Van Ryswyck, diep betreurde broeder, het lot heeft ons in een verschillend pad geleid; doch achting, liefde heeft altijd tusschen ons voortbestaan. Onze baan voerde ons toch zoo menigmaal weder te zamen! Hoe dikwijls hebben onze handen in de eenzaamheid in elkander gegloeid;—hoe dikwijls ontstroomden onzen lippen woorden van begeestering, om elkander aan te moedigen tot den nationalen strijd! Hoe dikwijls verspraken wij elkander eene onverbrekelijke broedertrouw!
Ah, die trouw is niet verbroken geworden. Moge eenige schaduw de vriendschap tusschen ons overneveld hebben, het hart toch bleef goed.... Ja, bij uw nog ongesloten graf zeg ik het met de diepste overtuiging: gij hebt uwen strijdmakker blijven achten en beminnen, gelijk hij nooit een onvriendelijk gevoel tegen u in zijnen boezem toeliet. De traan van rouw en verdriet, die uwen ouden wapenbroeder nu bij den rand van uw graf ontrolt, moge uwe ziel in den schoot der Godheid verheugen en u zeggen, dat ik uw hart heb gekend en geschat....
Taalgenooten, vrienden, gij, die met mij de aarde zijner laatste rustplaats bevochtigt en snikkend nederziet in den gapenden kuil, die zijn stoffelijk overblijfsel verslinden gaat, uwe smart is onzeglijk, niet waar? Het vaderland, al wie Vlaming is en Vlaanderens roem bemint, moet weenen! inderdaad! Die zwijgende baar omsluit voor eeuwig den goeden, minnelijken zanger, wiens voetstappen een eeuwig spoor van troost en blijdschap nalieten, uit wiens zachte blikken de opgeruimdheid des harten en de vriendschap straalden, wiens aanzijn vreugde en levenslust verspreidde waar hij kwam ... hij, het ware beeld der voorvaderlijke gulhartigheid!
Kind der natuur, begaafd met eenen milden gloed van betooverende zielsharmonie, worstelde hij moedig tegen smart en verdriet om zijne zending te vervullen; hij verhief zich door eigene krachten, boeide het luisterend volk aan zijne lippen en verwierf, met eenen welverdienden roem, den eernaam van Vlaanderens lieveling.... Misschien ging het lot hem gunstig worden, misschien ging hij eenige rust genieten in zijn hobbelig en pijnlijk levenspad: maar, eilaas, een ijselijk wee verbrak de vaderlandsche harp in zijne handen, de heilige lamp der poëzie doofde langzaam uit,—en, na onbedenkbaar lijden, legde hij, vermoeid en afgemat, het hoofd op zijn eens zoo verleidend en zoo machtig speeltuig neder.
Indien iets bij dit graf zijne bedrukte ouders, broeders en vrienden troosten kunne, dan zij het de overtuiging, dat Van Ryswycks dierbare naam zal leven, zoolang uit eenen Vlaamschen mond de Dietsche tale klinkt. Die naam hoort toe aan de geschiedenis onzer letterkunde, door de onschatbare parelen van ingeboren vernuft en van dichterlijke harmonie, die in zijne werken liggen opgesloten; hij hoort toe aan onze zonen, die de liederen van den minnelijken Vlaamschen zanger niet kunnen vergeten.
En nu, taalgenooten, zal dit graf zelf, zal onze gemeene smart ons niet indachtig maken, dat het nieuw en onherstelbaar verlies, waarmede het lijdend Vlaanderen geslagen wordt, de vereeniging onzer krachten noodig maakt tot het voltrekken van het gebouw, waaraan Van Ryswyck zoo onverpoosd heeft gearbeid? Zullen wij ongevoelig blijven aan den roep, dien hij, als door profetische inspraak gedreven, ons in betere tijden toestuurde:
Broeders, komt, de wraak gebluscht
In het boos gemoed.
Komt, elkaar in vree gekust,
En voor 't kwaad geboet.
't Leven is zoo kort en broos,
Om 't door haat en nijd
Te verbittren voor altoos,
Tot ons eeuwig spijt.
Vrede, trouw en broedermin
Zij ons eenigst doel,
Met een onverzetbren zin
En een rein gevoel.
Wie bestaat, die nooit misdeed,
Vrij van vlek en blaam...?
Dus, vergeven wij het leed,
In des Heeren naam!
Ja, mocht de nagedachtenis van een en dierbaren doode onze harten vermurwen; mocht eindelijk het treurend vaderland in onze verzoening een gedeelte der krachten terugvinden, die het wreedste lot ons door zijne onverbiddelijke slagen ontroofde!...
En gij, Van Ryswyck, arme vriend, betreurde broeder, slaap gerust in den geboortegrond, dien gij hebt bemind en verdedigd; hij zij u licht en zoet, de vaderlandsche bodem! Dat God u daarboven met Willems en met Ledeganck vereenige, opdat gij, roemrijk drietal, bidden moget voor ons en voor Vlaanderen.... Vaarwel, vaarwel.
OVER DE MISKENNING DER MOEDERTAAL, UITGESPROKEN OP EEN LETTERKUNDIG FEEST, TE ANTWERPEN IN 1851.
Mijnheeren en Mevrouwen!
Het is drie jaren geleden dat ik voor de laatste maal de eer genoot tot UEd. het mondelijk woord te sturen.
Gedurende dien tijd zijn er op den grond der Vlaamsche zaak dingen gebeurd, die ik in het voorbijgaan aanraken wil, vooraleer tot het onderwerp mijner rede over te gaan.
Wat ik zeggen ga, weet gij allen.
Eene arglistige vervolging heeft sedert twee jaren op de Vlaamsche zaak gedrukt. Men heeft de verdedigers der moedertaal tegen elkander opgehitst, de tweespalt in onze rangen geworpen en ons door mistrouwen, door aangevuurden haat van elkander afgescheurd: eerst onze eendracht en onze macht gebroken, en dan elken Vlaamschen strijder persoonlijk bevochten en aangevallen, om zoo al de steunpilaren van den vaderlandschen tempel omverre te rukken, met de hoop dat het gebouw, tot gruis instortende, de stem van het verdrukte Vlaanderen voor eeuwig onder zijne puinhoopen zou versmachten.
Twee jaren lang waande de vijand zich der overwinning zeker.
En nochtans, hier staan wij weder vóór u, talrijker, machtiger dan te voren!
Wat beteekent dit? Het beteekent, dat alle grondbeginsels, die op de waarheid berusten, in de vervolging zelve eene bron van macht en leven vinden. Het beteekent, dat de Vlaamsche volkszaak, die wij verdedigen, niet op personen rust, maar eene onverdelgbare waarheid is. Het beteekent, dat zij zal vooruitgaan door de kracht alleen van haar grondbeginsel; dat zij zal zegepralen en eens haar edel doel zal bereiken, al spanden alle onvaderlandsche gevoelens te zamen om haar te verstikken!...
Mijnheeren en mevrouwen, ik stel mij voor, UEd. het ware doel onzer streving nog eens voor oogen te leggen, in uw hart de vlam der vaderlandsliefde aan te vuren en u op te roepen om met ons, volgens de maat uwer vermogens, werkzaam te worden tot het opbouwen onzer verdrukte broeders, tot het verdedigen der moedertaal, door God en onze vaderen ons gegeven.
Leent mij, bid ik u, uwe welwillende aandacht. Er is een volksstam, welks geschiedenis overvloeit van heldendaden en roemvolle feiten; een volksstam, die gedurende eeuwen aan het hoofd der Europeesche beschaving stond en aan de Westerwereld leeren moest, wat de woorden ontslaving, vrijheid, burgerrecht, handel en nijverheid beteekenen; een volksstam, die in kunsten, in wetenschappen en zelfs in oorlogsroem immer uitblonk, en aan den hemel der toekomst schitterende starren heeft gehecht, starren, onder welke er zijn, die men noemt: Van Eyck, Artevelde, Rubens, De Coninck, Van Dyck, Lipsius, Teniers, Van Maerlant, Mercator, Dodoens!
Dit volk zoo moedig, zoo machtig, zoo trotsch, zoo vermaard ... dit volk waren onze vaderen.
Welk schoon erfdeel hebben zij ons nagelaten! Eigen roem, eigen recht, eigen taal! Maar hoe hebben wij het heilig erfdeel des voorgeslachts bewaard? Hebben wij de vaderlijke rechten ons niet laten ontnemen?
De twee derde gedeelten der bevolking van België spreken Vlaamsch; de Vlamingen zijn dus in groote meerderheid. Zonder twijfel is hunne moedertaal de landtaal in België; zonder twijfel overheerscht het Vlaamsch den minderen stam? Of, zoo de Belgische natie haar bestaan op gelijkheid en rechtvaardigheid tusschen de twee broederstammen heeft gebouwd, dan ten minste heeft elk het volle gebruik zijner taal en rechten behouden, en niemand ligt in België voor zijne medelandgenooten in het stof gebukt?
Eilaas, het is eene bittere spotternij, niet waar?—Wilt gij weten, wat er van de afstammelingen van Van Eyck, van Artevelde, van Rubens geworden is? Wilt gij het lot van het Vlaamsche volk kennen? Komt met mij; ik zal ze u toonen, de twee millioen broeders, die door de schuld, door de lichtzinnige modezucht van velen onzer tot onwetendheid gedoemd zijn; die slaaf zijn in geest en in lichaam, op den bodem van het meest vrije land der aarde; die rondsukkelen in den nacht der duisternis en voor eeuwig verwezen zouden blijven, om als onmondige kinderen, als verdrukte Paria's te leven en te sterven, indien het ons aan moed en kracht ontbrak, om tegen de vijanden van het Vlaamsche bloed manhaftig te staan en te kampen gelijk onze vaderen deden.
Ziet gij daar, in die burgerwoning, eene vrouw bij eene wieg zitten droomen? Welke zalige hoop streelt haar moederhart! Zij lacht de toekomst tegen en vraagt met de oogen ten hemel: Welke is de bestemming van mijnen zoon, o God?—Zijne bestemming, vrouw? Hij zal vreemdeling zijn in zijn eigen vaderland; want de taal, die gij hem leert stamelen, is de taal van zijn geboorteland niet. Gij kunt zijne verbastering niet betalen, gij kunt hem geen Fransch doen leeren, arme moeder; daarom zal hij gedoemd blijven tot slafelijke minderheid, deel hebben noch in het openbaar leven, noch in de beschaving, noch in het licht des geestes; hij zal het slachtoffer worden der lafheid zijner broederen, die gedoogen, dat het Vlaamsche bloed, de Vlaamsche taal verstooten worden en verdrukt.
Ha, het kind is een jonge man geworden! Zijn oog schittert toch van moed en levenslust; hij eischt zijne plaats onder de zonen des vaderlands; hij ziet elkeen vooruitstreven in den maatschappelijken stroom; hij wil deel hebben in het openbaar leven: wat zal hij worden? Hij is begaafd en, mocht hij zijne moedertaal bezigen, wie zou zijne bestemming durven bepalen? Nu? nu is hij nog niet bekwaam om korporaal, gendarme of sleuteldrager in eene gevangenis te zijn.—Ondersta uw lot, verstooteling: de weg der beschaving en des voorspoeds is voor iedereen geopend; voor u alleen, Vlaming, voor u alleen gesloten!
Eindelijk, veertig jaar.... De Vlaamsche aanhoudendheid heeft zijnen arbeid vruchtbaar gemaakt; hij is burger, hij drijft handel. De verdrukking heeft hem niet verlaten! Nu is hij omringd van ambtenaren en staatsbedienden, die zijne taal niet verstaan; voor klachten, vertoogen, smeekschriften, voor alles, dat hem in aanraking brengt met de overheden, moet hij als een verstandeloos kind de pen van eenen zaakwaarnemer ontleenen en eene gehuurde hand betalen,—om hem te doen gevoelen, dat hij geen vaderland heeft.
Hij wil naar recht en rede deel nemen in de openbare geestontwikkeling; hij wil in het staatkundig volksleven treden. Die opgedrongene onwetendheid doet hem lijden, omdat zijn hart hem zegt, dat hij ook mensch en Belg is. Maar de openbaarheid, door de grondwet hem gewaarborgd, is hem in eene vreemde taal ontgoocheld. Bij zijne provincie Fransch, op het stadhuis Fransch, in alle bestuurszaken Fransch; altijd de taal der minderheid, die den Vlaming in het stof der vernedering drukt en hem daar, zijn leven lang, gebogen houdt als een lid van een gevloekt geslacht, dat zelfs het recht zou verloren hebben om verbetering naar geest en naar lichaam te wenschen.
Wilt gij den Vlaamschen burger op de bank der schande zien? Volgt mij naar het gerechtshof. Daar zit hij ... hij is verdacht van eene misdaad ... men beschuldigt, men pleit, men getuigt, men twist. Wat hier op het spel staat, is zijne eer, zijne onschuld, zijn leven, de gansche toekomst van zijn huisgezin. Hij beeft en knarsetandt van woede ... hij verstaat niets van de beschuldigingen, tegen hem ingebracht: hij woont den strijd om zijne eer en zijn leven bij als een stomdoove martelaar! Dan eerst gevoelt hij, welke verdrukking zijn geslacht verplet; dan eerst breekt hem het hart van schaamte in den boezem; dan eerst vervloekt hij den naam van Vlaming en stuurt hij door de ruimte eenen blik van wraak tegen de bastaarden van zijnen stam, die door hunne lafheid hem overleverden aan dit schreeuwend onrecht.
Dit is, vrienden, het lot van twee millioen onzer broeders. Hen in name onzer roemrijke vaderen verlossen van dit akelig lot, hen terugroepen tot het leven der ziel en des geestes, den naam en de taal onzes voorgeslachts weder met luister opbeuren uit de schande, dit is de schoone, de heilige taak, waaraan wij ons leven en onze vermogens hebben toegewijd. Is deze taak niet grootsch, niet edel genoeg?
Maar beschouwen wij ons onderwerp nog langs eene andere zijde.
Eenen anderen burger is ook een kind geboren,—zoon van eenen bevoorrechte in de Vlaamsche maatschappij. Deze zal het onderwijs in volle maat genieten; maar wat zal hij worden? Een verdediger van zijn geslacht? Een beschermer zijner broederen? Neen, neen, zonder het te weten, wordt hij de roede, die zijne broeders nog dieper moet helpen ter neder slaan. De taal, welke zijne moeder hem leerde stamelen, die vorm, waarin zijne eerste gewaarwordingen, zijn geest, zijn oordeel, gansch zijn wezen in hunne oorspronkelijk vruchtbare natuur gegoten werden, die taal is ook de ambtelijke taal van zijn vaderland niet. Zes of zeven jaren gaat hij slijten tot het aanleeren en doorgronden eener vreemde taal, al de kostbare overblijfsels van den eigen geest, in de kindsheid en in de jeugd vergaderd, moet hij afleeren, vergeten, verloochenen, om zich geheel in eenen nieuwen vorm te herscheppen. Aan eene uitheemsche beschaving moet hij nieuwe gedachten en een nieuw zedelijk bestaan gaan afbedelen.
Wat kan er dan van de ingeborene gaven, die alleen den eigen mensch uitmaken, overblijven in dit pleisteren afgietsel van een vreemd beeld? Niets! Het is een ontleende man, wiens verstand en wiens gevoel als een mozaïek van vreemdaardige stukgedachten zijn bijeengebracht. Hij zij nu zeer geleerd, hoe hoog zal hij stijgen op de ladder der menschelijke vermogens?
Zoo ontrooft men het Vlaamsche volk al zijne uitgekozene geesten, om er vreemdelingen van te maken. Men neemt uit zijn midden al degenen weg, die door God bestemd waren om hun geslacht tot voortgang op te wekken, te leiden en voor te lichten; men veroordeelt een gansch volk tot duisternis en tot eeuwigen stilstand.... En als Vlaanderen lijdt, als het, door hongersnood verkankerd, om hulp smeekt, dan roept men het wreedelijk toe: "uwe onwetendheid, het gebrek aan vooruitgang zijn de oorzaken uwer ellende!"
Wreede spotternij! men steekt eenen ongelukkige de oogen uit: en men is boos genoeg om hem zijne blindheid als eene misdaad te verwijten!
Gansch Europa heeft met medelijden het lot van het manhaftig Hongarije gezien;—maar hoe zeer ook een machtige keizer na de overwinning op de Hongaren drukken moest, toch heeft hij hun het volle gebruik hunner moedertaal gelaten: dit laatste palladium der volken heeft hij zelfs zijnen vijanden niet ontroofd.
Wij, wij zijn afstammelingen van Van Maerlant, van Artevelde, van Van Eyck; wij hebben eene grondwet, die ons het vrije genot onzer moedertaal waarborgt; wij zijn geen overwonnen volk; wij zijn de groote meerderheid der Belgische natie ... en tot zooverre zijn wij in de kolk der vernedering gezonken, dat wij den ongelukkigen Hongaren het genot van het heiligste recht benijden moeten!
Wie is er dan, wien het Vlaamsche bloed door de aderen vliet, die niet van verontwaardiging beeft bij zulke schande?
Voorwaar, de aanslag des vijands is slim berekend; hij waant ons reeds verre gedwaald op de helling, die ons als volk in den nacht der vergetelheid storten moet; maar zullen wij blijven slapen in de lafheid, terwijl de naam onzer vaderen verloren gaat? Zullen wij den moed opgeven en, met de armen op de borst gekruist, den doodsstrijd van ons geslacht aanschouwen?... Tot wanneer? totdat de bazuin des noodlots in onze ooren dondere: "dit is het vonnis der lafheid en der baatzucht: er is geen Vlaamsch volk op aarde meer!?..."
Ah, ah, neen! Duizendmaal neen! Zoo goedkoop zal het bestaan van het Vlaamsche heldenras niet geleverd worden!
Gij bedriegt u, gij, die Vlaamsch België reeds veroordeeld waant. Heldere starren zijn opgerezen in den nacht onzer vernedering; het Dietsche volk heeft het hoofd verheven; zijn oud bloed is aan het bruisen gegaan; langzaam, maar onweerstaanbaar als zijne vaderen, streeft het vooruit in de baan der wedereisching.... Gij hebt ook gespot, toen wij na 1830 het durfden ondernemen eene Vlaamsche letterkunde te stichten; gij hebt gespot en de jonge dichters uitgemaakt voor zinneloozen, die het waagden, zooals gij zeidet, eene wanluidende brabbeltaal te doen herleven.
Oh, gij kendet noch de macht van het Vlaamsche bloed noch de schoonheid der Vlaamsche moedertaal. Slechts veertien jaar zijn er verloopen ... en de vruchten onzer letterkunde worden vertaald, gelezen en niet zelden bewonderd in Duitschland, in Engeland, in Italië, ja zelfs in Frankrijk!
Gij hebt gespot, en op veertien jaren hebben die arme verstootelingen, die Vlaamsche zinneloozen gedeeltelijk iets tot stand gebracht, waaraan grootere volken niet zelden eeuwen tijds moesten besteden.
Zoo zal het u ook gaan met de wedereisching onzer rechten: gij zult spotten; wij, wij zullen werken, werken zonder omzien, strijden zonder verpoozing, niet met het stoffelijk zwaard des gewelds, maar met het machtig zwaard des woords—en zoo vooruitgaan met de langzame doch onverwinnelijke kracht des gedulds en der overtuiging.
Was wel ooit de tijd ons gunstiger? De laatste orkanen, die over Europa zoo verdelgend, zoo bloedig woelden, hebben den blinddoek van veler oogen weggescheurd; men heeft dan eindelijk begrepen, dat vreemde taal en vreemde zeden de middelen niet zijn om eene natie tot geluk, tot roem, tot voorspoed en tot vrede op te leiden.
Niet waar, moeders, niet waar, vaders, gij weet nu, dat uit het Zuiden de zuivere zeden niet komen? Dat de eerbaarheid uwer dochters in den vloed der uitheemsche dag-litteratuur geene waarborgen vinden kan? Dat uw zoon op die markt van oneer, van lichtzin en van besmettende wuftheid zijnen geest niet veredelen kan?
Ja, gij zult uwe kinderen vreemde talen doen aanleeren, omdat de noodzakelijkheid het eischt; maar gij zult ze toch niet vreemd maken aan hun eigen vaderland, aan hunne moedertaal, dien schat, waarin het tegengif van bederf en zielsverzwakking berust. Gij zult hun herinneren, dat zij tot een deugdenrijk heldengeslacht behooren,—dat zij Vlaming zijn.
En gij, jonge vrouwen, door God begaafd met al de schatten der schoonheid en des gevoels, zult gij niets doen om het lot uwer broederen te helpen verzachten? Zult gij aan den afgod der mode alles blijven slachtofferen, tot zelfs de waardigheid van onzen naam? Gij, engelen der menschlievendheid, zoudt gij weigeren aan een gansch volk, dat lijdt en in de duisternis verkwijnt, lafenis en troost te helpen schenken? Zoudt gij weigeren, uwen liefderijken geest te verheffen tot het begrijpen van ons heilig en menschlievend doel? Neen, neen, gij zult de verbastering uit uw hart keeren, de pogingen uwer Vlaamsche broeders aanmoedigen en ons, in den goedkeurenden bijval onzer zusters, de zoetste belooning van onzen arbeid laten vinden, niet waar?
En gij, letterkundigen, dichters, taalvrienden, gij allen, mijne kunst-en strijdgenooten, o, meet zonder afschrik de zwaarte van onzen nationalen arbeid. Apostels van het vaderlandsch geloof, zendelingen van eene nog onbegrepene leering, moeten wij vervolging doorstaan, laster en verdrukking lijden. Hij, die de waarheid verkondigt, neemt het looden kruis der miskenning op de schouders ... maar is het niet in het vuur dat het edelste metaal wordt gelouterd? Zijn het niet de hinderpalen en de strijd zelf, die de mannelijke ziel verheffen tot het volle gevoel harer macht? Welaan, de haat, de nijd, de tweedracht uit ons midden weggezweept, de handen saamgeslagen, de broederkus gewisseld ... en dan met stalen overtuiging voortgewerkt, getoond wat Vlaamsche krachten en Vlaamsch geduld vermogen. Vooruit! God is rechtvaardig. Hij zal ons de zege schenken....
En kunnen wij het werk niet gansch volvoeren, onzen zonen reeds van in de wiege toegeroepen: "Kind, zoon van Artevelde, o groei haastig op tot eenen Vlaamschen man! Uwe moedertaal wil men vernietigen, uw geslacht wil men verdelgen; gij moet leeraar zijn in den tempel der Vlaamsche wedereisching, leeraar en strijder voor moedertaal en vaderland!"
En zoo, vrienden, broeders, zoo blinke eens weder in de toekomst de star van Vlaamsch België als een licht van roem, van voorspoed en van ware vrijheid!
UITGESPROKEN TER GELEGENHEID DER MEERDERJARIGHEID VAN Z.K.H. DEN HERTOG VAN BRABANT DEN 8stenAPRIL 1853.
Mijnheeren,
Uit den schoot onzer Maatschappij is de eerste oproep uitgegaan, om van den 18den verjaardag des hertogs van Brabant een heuglijk tijdstip, eene grootsche vaderlandsche plechtigheid te maken. Haar valt nu ook de eer te beurt, allereerst den feesttoon aan te heffen en de komst van den blijden dag te verkondigen.
De gezangen, die hier zoo begeesterd uit Vlaamsche borsten stroomen, zijn het voorspel van het ontzettend zegelied, dat morgen over gansch België losbreken zal en het luisterend Europa als een toon van hoop, van betrouwen en van liefde moet doorklinken....
Morgen zullen millioenen menschen, armen en rijken, kinderen en grijsaards, met kloppend hart op den vloer des tempels nederknielen; overal, waar het teeken der verlossing boven 's Heeren woning zich verheft, zullen de zielen in plechtige uitstorting zich vereenigen; de wierook zal branden op de duizenden altaren van België, en met zijne geurige walmen zal de dankbare bede van een geheel volk smeekend opstijgen, tot vóór den troon van God, die onzen geboortegrond zoo mild gegezend heeft.
Maar de menigte zal opstaan en het heiligdom, na volvoering van den plicht, verlaten; zij zal in onbegrensde vreugd uitstroomen over het land, en de lucht vervullen met zegevierende galmen. Uit de zalen der kasteelen, uit het kamerken der werklieden, uit nederige dorpen, uit vergeten gehuchten zullen begeesterde stemmen elkander tegenklinken.... Bazuinen zullen schallen, feestkanonnen zullen het ruim doordonderen, en al die blijde kreten, al die geruchten zullen zich vermengen tot eenen reusachtigen zegenzang ... en voortschallen en, immer opnieuw begeesterd, in de hoogte klimmen, totdat in den schoot des nachts de glans der millioenen feestlichten verdoove.... En dan zal de vermoeide volksschaar zich ter ruste leggen, eene zalige hoop in het hart en eenen zoeten glimlach op de lippen.... En om den mond van allen, die insluimeren, zal een zacht liefdegebed blijven zweven, hunne zielen zullen juichend voortmurmelen:
"O God, zegen, zegen op hen, die wij beminnen! Bescherm de schutsengelen van België, het dankbaar land uwer genade!"
Waarom toch die onbegrijpelijke lofzangen. Waarom dat blij gewemel, dat uitspattend geluk, die zegekreten, zoo ontzaglijk, zoo onmeetbaar grootsch, dat het der wereld toeschijnt alsof de stemme van het Belgisch volk inderdaad de stemme Gods ware?
Ah! Geest des twijfels, die in het Zuiden woont, de vlam der liefde is van u weggegaan: gij kunt het niet begrijpen! Gij, wiens hoogmoed u belet de deugd en de weldaad in eenen mensch te beminnen,—o, neen, gij zult het niet gelooven.... Het is de manwording van een kind!...
Maar op dit edel kind rusten de weldaden, door zijnen vader aan een dankbaar volk bewezen; in de aderen van dit kind stroomt het bloed van Leopold; in de aderen van dit kind vliet het bloed der welbeminde Louisa.... Hij is de eerstgeborene, de geliefde, de dierbare zoon der wijsheid, der vrijheidsmin, der christelijke liefde, der weldadigheid. Op zijn hoofd rust onze hoop; hij is voor ons het blijvend pand van Gods bescherming, het troostend zinnebeeld eener gelukkige, eener roemrijke toekomst!
De geestdrift, het gevoel der nationale fierheid ontstelt mij; de dichter heeft in mijn hart de plaats des redenaars ingenomen. En nochtans ik moet het bedwingen, dat vuur, dat mijnen boezem doorvlamt; want mij is het vervullen van eenen plicht der dankbaarheid opgelegd: ik moet met zooveel koelheid als mij nog overblijft, u de weldaden herinneren van hem, dien wij in zijnen doorluchtigen zoon eeren en zegenen; ik moet insgelijks blijdschap, zelfvoldoening en hoogmoed in uwen boezem gieten en zichtbaar en tastelijk toonen, hoe in het vrije België vorst en volk, door eendracht en liefde, de gunst des Heeren en de bewondering van Europa hebben verdiend.
Welaan, volgt mij in deze beschouwing.
Sedert vele eeuwen had Belgenland onder vreemden dwang gezucht, of zijn lot was vastgehecht geworden aan het lot van andere volkeren. Het recht tot eigen ontwikkeling had het verloren.
1830 sloeg op de klok des tijds. Het Belgisch volk stond op; het streed, het kampte om de vrijheid; het zegepraalde.... Maar nauwelijks is de laatste triomfgalm in het ruim verzwonden, of de twistfakkel stort hare vonken over ons uit: wanorde, mistrouwen, onzekerheid, haat en verdeeldheid richten zich dreigend op tusschen de overwinnaars.
De volken der aarde zien met medelijden op de kleine natie neer; het woordBelgenlanddoet op der vreemden lippen eenen spotlach ontstaan. Elkeen verwacht zich aan den val van het ranke gebouw, reeds zoo druk door de gezindheden ondermijnd, vooraleer het voltrokken zij....
Maar te midden van dien hopeloozen toestand, van dat gevaar, zendt de hemel zijn licht over het Belgisch volk; hij toont ons de star onzer onafhankelijkheid, de star onzer macht, de star onzer toekomst....
Leopold! Leopold! roept de juichende menigte, als herkende zij in dit enkel woord het zinnebeeld der verlossing.
Heeft zij zich bedrogen? is hier alweer de stem der Belgische natie niet de stemme Gods geweest?
Ziet, alle gezindheden omringen den koning; zij zweren rechtzinniglijk trouw aan vorst en vaderland. In de schaduw van den nationalen troon, beschermd door den schepter van den wijzen koning zelven, rusten de vrijheid der gedachten, de vrijheid des woords, de vrijheid van vereeniging, de vrijheid van godsdienst, de vrijheid van onderwijs....
Over het gansche land hoort men de vroolijke geruchten des arbeids: zingend doorploegt de landman den grond, die hem door vertrouwen dierbaar wordt; de steden overdekken zich met wolken rook; de nijverheid vervult de lucht met de zwoegende aseming van het stoomtuig, de schoot des aardrijks wordt doorwoeld: moedige werkers dalen bij duizenden in onafmeetbare diepten; de Belgische bodem spuwt bergen vuurstof en metaal, de ziel des arbeids en der openbare welvaart.
De machtigsten onzer naburen staan verwonderd bij dit onverwachte verschijnsel; zij verengen hunne grenzen, uit schrik voor België's uitspattende nijverheid. De naam onzer vaderen, zoolang vergeten, wordt uit onze haven, dwars door storm en golfgeklots, naar de verste werelddeelen gevoerd; de kunsten ontwaken, zij hervinden haren ouden luister.
Allen doen wonderwerken, om het dierbaar vaderland te verheerlijken; allen: burgers, arbeiders, krijgslieden, kunstenaars, dichters, geleerden, allen juichen dankbaar en roepen tot God:
"Gezegend zijt Gij, o Heer, dat Gij mij op dezen milden grond liet geboren worden. O, neen, zoo is mijn vaderland mij niet te klein!"
Deze spoedige, deze wonderbare ontwikkeling van alle volkskrachten, van vrijheid, van geloof, van landbouw, van nijverheid, van handel, van kunsten, van openbaar leven—doet de vreemde natiën met verbaasdheid vragen:
"Welk is toch het onbegrijpelijk raadselwoord dezer onverwachte uitzetting, dezer samenwerking van een gansch volk, dezer reuzenkracht?"
Het Belgisch volk antwoordt met stillen eerbied: LEOPOLD!...
Maar het tooneel verandert: een bloedig getal verschijnt op de uurplaat des tijds: 1848 is dáár!
Uit het Zuiden, uit het Oosten, uit het Noorden verheffen zich sombere wolkgebergten, de zon der beschaving verduistert, de volkeren, van angst verstomd, aanschouwen met verengden boezem den naderenden orkaan.
Het donkere gevaarte opent eensklaps zijnen zwangeren schoot.... Eén onmeetbare donder rolt zijne vreeselijke galmen heen en weer over het sidderend Europa.
Welke onbegrijpelijke razernij heeft het dwalend menschdom aangegrepen? Het doorborend lood, het vepletterende ijzer vliegen huilend in de onweersduisternis rond en breken duizenden levens; op den heiligen stoel van Petrus zelven wet zich de moordpriem; bloed vliet bij stroomen; vuurkolommen stijgen op; tronen storten om, koningen vluchten.... En uit den akeligen warklomp der losgebrokene driften stijgt een vonnis in de hoogte; ontelbare drommen roepen ten hemel:
"De koningen der aarde zullen verdwijnen in eene zee van bloed!"
Maar te midden van den storm, te midden van het moordgehuil der gansche wereld zie ik België's troon, onwrikbaar als eene rots op de liefde des volks gebouwd.
Een koning, met het kalme licht der wijsheid op het edel voorhoofd; eene koningin, eene heilige, die hare drie vorstelijke kinderen met angst aan haren moederboezem drukt; want zij, de goede, de liefderijke, zij weet dat het bliksemvuur der volkswoede uit de laagte opstijgt en bij voorkeur de hoofden treft, die met eene kroon omgeven zijn....
Het uur is plechtig; de woeste drom uit het Zuiden bedreigt onze grenzen, hij wil hier zijn bloedig vonnis tegen den wijzen vorst uit het Westen volvoeren....
Ontzaglijk schouwspel! De grijze vorst neemt zijne kroon, neemt ook de kroon der goede koningin; deze teekenen der macht en der heerschappij legt hij met stillen glimlach voor zijne voeten neder en spreekt tot het luisterend volk:
"Belgen, mijne liefderijke kinderen, zijt gedankt om uwe verkleefdheid. De tijd kan gekomen zijn, dat mijne tegenwoordigheid u blootstellen zou aan bevechting van buiten, aan bloedige twisten van binnen. Welaan, ik wil u bewijzen, hoezeer ik u bemin. Ik ontneem aan de doorluchtige telg der Orléans de kroon, zoo luisterrijk gedragen; ik onterf mijne teergeliefde kinderen ... om Belgenland, mijn dierbaar Belgenland, voor opschudding en ramp te bewaren: de eenige belooning, die wij voor deze opoffering vragen, is, dat God ons toelate u gelukkig te zien...."
O, vrienden, gij weet het nog, welk antwoord het dankbaar België op 's konings rede gaf.
Het gansche land liep in Brussel voor het paleis des konings te zamen; en toen Leopold, door herhaalde liefdekreten uitgenoodigd, zich te midden des volks en der burgerwachten begaf, steeg een zoo ontzettend gejuich, een zoo donderende zegeschreeuw uit den schoot der ontelbare scharen, dat de reusachtige weergalm er van den grond der hoofdstad daveren deed. Het volk, als van liefde en eerbied zinneloos, drong het vorstelijk geleide uiteen.... Het wilde zijnen koning hebben, alleen, zonder wacht, zonder verdediging.... En geene andere uitdrukking voor zijne geestdrift meer vindende, woelde het de koets van Leopold als in de hoogte, en voerde ze zegepralend tot voor het paleis der hertogen van Brabant....
Daar, op het balkon, staat eene koningin, eene moeder met hare drie edele kinderen.
Zij stort tranen van ontroering: het volk ziet het; eene langere zegekreet, een hevig dankgejubel vliegt uit alle borsten tot haar, de weldadige koninginne!
Over gansch Europa hangt een ratelende donder van haat en wraak, van gekerm en noodgehuil ... over België klinkt een enkele machtige galm ... een galm der liefde.
Het is zoo schoon, zoo grootsch, dat het herdenken er van alleen de zenuwen ontstelt en het harte koortsig beven doet!
Om het tafereel te voltooien, zou ik uw gemoed met weedom moeten vervullen, en tranen van rouw uit uwe oogen moeten rukken.
Ik zou u België moeten toonen, stil, zwijgend in doodschen angst, en biddend met zulk ingehouden gemurmel, alsof de lucht des vaderlands het gewelf van een onmeetbaar graf geworden ware..... En niet verre van het Vlaamsche strand eene vrouw, eene moeder, eene koningin, die sterven gaat.... Bij de noodlottige sponde den meestbeminden koning der aarde en zijne edele kinderen, in tranen smeltend.... En haar, de stervende engel, die bij haren laatsten snak smeekend de hand ten Oosten reikt en uitroept:
"O, Belgen, Belgen, hebt mijne kinderen altijd lief!"
Louisa!... zalige weldoenster des vaderlands, zie neder uit den schoot der Godheid, o, zie! hoe wij uwe kinderen beminnen. De galmen, die gij voor den hoogsten troon hoort ruischen, zijn gebeden, triomfzangen ter eere van uwen eerstgeborene. En niet alleen hem is onze liefde zoo innig toegewijd; de schat onzer harten is groot genoeg, om allen, die u dierbaar zijn, in hetzelfde zielsgevoel te omvatten. Allen zullen wij trouw blijven; allen zullen wij eeren en beminnen.... Koning Leopold, omdat hij door zijne wijsheid ons vaderland roemrijk heeft gemaakt tusschen de volkeren der aarde; omdat zijne vaderlijke hand ons in de baan van macht, van welvaart en van vrede heeft geleid; omdat hij, koning, onzen geboortegrond het land van belofte der vrijheid heeft doen worden.... Den hertog van Brabant, omdat hij ook door God met wijsheid en kalme macht des geestes is begaafd; omdat hij voor onze kinderen zal zijn, wat zijn doorluchtige vader voor ons was; omdat onze gansche toekomst, onze hoop, ons geloof in welvaart en volksgeluk op zijn edel hoofd berusten.... Den graaf van Vlaanderen, omdat uw doorluchtig bloed door zijne aderen stroomt, omdat hij eenen naam voert, die ons, Vlamingen, den roem onzer vaderen herinnert!... De lieve, de beminde prinses Charlotta, omdat zij uw evenbeeld is; omdat in haar rein gelaat uw glimlach leeft en uwe deugden herblinken; omdat zij als gij de Christenkoningin der armen en der lijdenden zal zijn.
O, ja, verhevene beschermster van het land, waar uwe kinderen wonen, onze trouw, onze liefde blijven eeuwig als het aandenken uwer deugden.
Herklinke tot voor Gods troon, schalle tot in uw zalig moederhart de dankbare zegeroep van het Belgisch volk.
Leve Leopold!
Leven zijne doorluchtige telgen!
Leve België's hoop: Leve de hertog van Brabant!
UITGESPROKEN IN DE MAATSCHAPPIJ VOOR TAAL EN KUNST, IN DE TEGENWOORDIGHEID DES KONINGS EN DER KONINKLIJKE FAMILIE, TER GELEGENHEID VAN HET HUWELIJK VAN Z.K.H. DEN HERTOG VAN BRABANT MET H.K. EN K.H. MARIA HENDRIKA VAN OOSTENRIJK.
Deze zaal heeft menigmaal gedreund onder onze vaderlandsche zegekreten: meer dan eens hebben wij, hier vergaderd, den dierbaren naam Zijner Majesteit, onzen goeden koning, en HH. KK. HH. zijne geliefde zonen, in jubelende galmen ten hemel opgezonden als een gebed der vurigste dankbaarheid. Geene enkele van al de oneindige weldaden, door God en den koning aan België bewezen, of zij is hier met godsdienstig gevoel van erkentelijkheid herdacht en gevierd.
Ik hoor nog in mijn ontsteld gemoed de daverende triomfzangen, die onlangs uit deze zaal ter eere van den Kroonprins,—hoop en toekomst des vaderlands,—in de hoogte klommen; ik hoor nog, hoe onze begeesterde stemmen zich paarden aan het reusachtige zegelied, dat uit alle hoeken van België opsteeg en het verbaasd Europa met verwondering sloeg.
Maar de schat van Gods goedheid was voor ons nog niet uitgeput;—en, alsof onze liefde, onze trouw, onze vreugd zelve ons eener hoogere gunst hadden waardig gemaakt, onze dankbare stemmen klonken nog door het ruim, toen reeds daarboven eene nieuwe weldaad voor ons vreedzaam en gelukkig vaderland werd bereid.
De almachtige beschermer van België wierp den oogslag zijner genade op Europa's Oostergrens; dáár, in den keizerlijken gaard, ontlook eene edele bloem, eene zuivere lelie, eene doorluchtige spruit, versierd met al de gaven der jonkheid, der schoonheid en der deugd.... En God sprak aldus zijne beslissing uit:
"Er is op aarde een troon, door Mij gebouwd op onwrikbare zuilen van volksliefde en vorstenwijsheid; een troon, glanzend door de Majesteit van hem, die hem bekleedt; een troon, geheiligd door de deugden eener zalige vorstin; een troon, omringd en versierd met het edelst kroost; een troon, voor welks voet de dankbare gebeden van een geheel volk dagelijks te zamen stroomen en van daar opklimmen tot Mij, den God aller natiën.... Maria Hendrika, keizerlijke leliebloem, zoo zuiver in mijn oog, Ik wil mijn geliefd Belgenland eene weldaad schenken. Die Koning worde u een teedere vader; de eerstgeborene zijner edele telgen worde u een dierbare echtgenoot; dat liefderijk volk worde u een verkleefd en dankbaar huisgezin; die troon, waarop mijne genade rust, worde eens uw vorstelijke zetel!!..."
Luistert, dáár, achter den verren horizont, verheffen reusachtige vreugdegalmen zich in de hoogte! De lucht schijnt er van ontsteld.... Ik zie gansche drommen volks de dorpen verlaten, uit den schoot der aarde opklimmen, uit zwoegende vuurkolken zich vooruitwerpen en met koortsige blijdschap te zamen stroomen. Het zijn onze Waalsche broeders, die hunne bergen en dalen doen daveren onder hunnen machtigen zegekreet: "Daar is zij! Daar is zij, de keizerlijke bruid van onzen geliefden erfprins!..."
Welhaast richt het ijzeren stoomgevaarte, belast met alles, wat wij meest beminnen op aarde, zijnen snellen loop naar het hart van België; en, alhoewel het vooruitschiet als een pijl, uit eenen reuzenboog ontsnapt, toch staan de bevolkingen aller steden en dorpen langs de baan geschaard en doen den hemel hergalmen van hunnen durenden welkomstgroet.
Oh, het is schoon, wonderbaar schoon en troostend, het schouwspel van een geheel volk, dat zijne duizenden stemmen tot eenen enkelen jubelkreet, tot een enkel danklied vereent. Het is schoon en edel te zien, hoe op onzen geboortegrond alle stammen, alle standen, alle gezindheden eenparig juichen en hunne blijde tranen vermengen, wanneer wij God en den koning om eene nieuwe weldaad te danken hebben. Ah, het is wel waar, dat al de Belgen slechts een enkel broederlijk huisgezin vormen—en daarom rust de zegen des hemels zoo zichtbaar op hen, omdat de heilige vlam der liefde toch in hunne harten blijft branden, al mocht ook hunne strekking naar hetgoedeverschillig zijn.
En nochtans, indien het mogelijk ware, dat een gedeelte des algemeenen vaderlands zich bijzonder gelukkig gevoelde over de doorluchtige echtverbintenis, die men in gansch België viert, dan voorzeker zouden wij het zijn, wij Vlamingen, frissche tak van den Germaanschen reuzeneik, wij broederen van het edele Duitsche volk, in de taal en in den bloede.
Ah! wij zullen de uitverkorene dochter des keizers eeren, niet waar? Wij zullen de doorluchtige dochter Maria Theresia's beminnen, niet waar? Beminnen zooals het hart der Belgen beminnen kan? En, mocht het nijdig lot soms eene dreigende wolk doen ontstaan, niet waar, dan zou voor ons het historischMoriamur pro Rege nostroook eene waarheid worden? En wij zouden toonen, dat het heldenbloed onzer vaderen heden nog den eed onzer liefde bevestigen kan!...
Maar neen, hebben wij betrouwen op Gods goedheid. Hij, die ons den wijsten koning der aarde gaf, Hij zal het land zijner genade beschermen; Hij zal onzen geliefden erfprins en zijne keizerlijke bruid bewaren voor de minste smart, en hun levenspad met de bloemen des geluks en des roems bestrooien; Hij zal den graaf van Vlaanderen en de prinses Charlotte, teerbeminden onzer zalige koningin en weldoenster Louisa, opleiden en met zijnen zegen vergezellen; Hij zal de dagen van onzen ouden koning vermenigvuldigen, opdat hij lang, zeer lang nog de beschermengel van België moge zijn; opdat onze kleinzonen ook nog het geluk zouden genieten, den grootmoedigen weldoener huns vaderlands te aanschouwen en te danken.
O, ja, zóó zal het lot zijn van hen, die wij beminnen; want,—antwoordt mij in uw hart,—zoo de liefde eens volks de vorsten gelukkig maken kan, wie op aarde kan gelukkiger zijn dan Zijne Majesteit onze koning Leopold en zijn dierbaar huisgezin?... Welaan, vrienden, geeft getuigenis van dit gevoel! Dat onze stemmen, bezield door liefde en dankbaarheid, ten hemel stijgen; dat onze zegegalm klinke tot voor Gods troon!
Leve de koning! Leve de hertog! Leve de koninklijke familie!
UITGESPROKEN OP HET FEEST VAN HET ST.-LUKASGILDE, DEN 21stenAUGUSTUS 1854.