IV2 November.—Op den oever grazen een menigte cabiais, die hier en daar zelfs de rivier overzwemmen, zonder bij onze nadering eenige vrees te laten blijken. De kalme gerustheid van bijna alle dieren, welke wij ontmoeten, bewijst dat de mensch in deze streken nog eene onbekende verschijning is.Omstreeks elf uur komen wij aan eene stroomversnelling. De rivier is hier vierhonderd ellen breed; midden in den stroom ligt een zandbank, waarvan de hooge steile oever, dien wij dicht naderen, voortdurend afbrokkelt. Het verval is vrij sterk. Apatoe, die voor op het vlot staat, roept eensklaps François toe: “Geef acht! Pagaai uit al uw macht!”. Wij komen aan de zandbank en gaan aan land. Het gelukt ons, niet zonder inspanning, het vlot aan de benedenpunt van de bank vast te meeren; daar kunnen wij zien, wat er eigenlijk gaande is. Voor ons, een weinig ter rechterhand, zien wij eene opeenstapeling van rotsen, een geweldigen rotsmuur, waarin slechts eene smalle bres of opening is gelaten, door welke de rivier zich schuimend en kokend een weg baant. De toestand is inderdaad ernstig genoeg. Het is niet mogelijk, met het vlot een der beide oevers te bereiken; lang voor wij zoo ver waren, zou de hevige stroom ons naar de bres hebben medegevoerd. Zullen wij onze bagage achterlaten? Er valt niet aan te denken: het doel van de reis zou zijn gemist, en wij zouden ellendig omkomen.Het is volstrekt noodig, de gesteldheid nauwkeuriger op te nemen. Misschien is de pas minder gevaarlijk dan zij ons toeschijnt. Apatoe neemt zijne pagaai, die hem tevens tot steun dient en om de diepte te peilen; dan begeeft hij zich te water om den linkeroever te bereiken. Niet zonder angst volgen wij met onze blikken onzen braven kameraad op den gevaarlijken tocht.Somwijlen reikt het water hem tot de schouders, en bekruipt ons de vrees dat hij zal worden medegesleept. Als hij van de been raakt, zal het hem vermoedelijk niet mogelijk zijn, aan den stroom weerstand te bieden. Ook denken wij onwillekeurig, en niet zonder huivering, aan de kaimans die zich in de rivier ophouden. Eindelijk heeft hij gelukkig den linkeroever bereikt, dien hij volgt tot aan de bres in den rotswand. Weldra keert hij langs denzelfden weg tot ons terug. Wat heeft hij gezien? Wij allen verkeeren in groote spanning.Het is eene lange, smalle opening dwars doorden rotsigen heuvel; naar het betrekkelijk weinige, dat Apatoe er van heeft kunnen zien, vat hij zijn indruk in een paar, niet zeer geruststellende woorden samen: “Dat zeer slecht; kan misschien door komen.”Wij zien elkander een oogenblik zwijgend aan. Ons besluit is genomen. In Gods naam, voorwaarts!Binnen vijf minuten zijn wij aan den ingang van de bres. Het vlot schiet door de smalle opening. Over eene lengte van twee kilometers wisselt de breedte van twaalf tot omstreeks vijf-en-twintig ellen. Wij hebben aan weerszijde een veertig el hoogen rotswand, bestaande uit reusachtige lagen zandsteen, waarvan sommigen vooruitsteken. Uit de spleten tusschen de rotsen schieten overal heesters en struiken omhoog. Hier en daar sijpelt langs de steile wanden een dunne waterstraal naar beneden. Nu en dan steken half overdolven rotsen langs de oevers omhoog en drijven het schuimende en wielende water terug. Het is of de rivier toornt over deze belemmering van haar vrijheid: brullend, kokend, wervelend, in ijlende vaart stormt zij voort. Nu eens glijden wij over den top der verdronken rotsen, om dan plotseling een meter te dalen. Op zeker oogenblik worden wij met onweerstaanbaar geweld heengevoerd naar eene vooruitstekende rots, die zich nauwelijks vijftig duim boven het water verheft. Het is gedaan: al wat zich op het vlot bevindt, zal zoo straks verpletterd of weggevaagd worden; de wervelende draaikolk zal ons allen in een oogwenk verslinden. Maar Apatoe, die nooit zijne koelbloedigheid verliest, heeft het gevaar reeds overzien. Met bovenmenschelijke inspanning duwt hij, met behulp van een ijzeren stang het vlot in den stroom terug. Wij zijn gered.Nu gaat verder alles goed. Bij den uitgang der bres verbreedt de rivier zich weer en wordt de stroom weer kalmer. Weldra bespeuren wij aan den rechteroever een frisschen waterval en een breede bank van zandsteen. Wij haasten ons, aan land te gaan; wij hebben er behoefte aan, eens even uit te rusten, en ons te verkwikken aan den aanblik der schoone weelderige natuur rondom ons. Wij verheugen ons van heeler harte, dat wij zoo gelukkig aan het dreigende gevaar ontsnapt zijn; en wenschen ons zelven geluk met het kloeke besluit om den doortocht te wagen, en niet, met achterlating van het vlot en beladen met onze bagage, te beproeven om over de rotsen te klimmen. En wie weet, misschien is dit wel de Raudal, waarvan men ons gesproken heeft; zoo ja, dan zullen wij weldra de Areare bereiken en Indianen ontmoeten, naar wier kennismaking Lejanne, die ze nog nooit gezien heeft, zeer verlangt.Na ontbeten te hebben, gaan wij weder scheep. Getrouw aan zijne ongelukkige gewoonte, heeft Toutou zich weer in het kreupelhout verscholen. Wij jagen hem langen tijd na zonder hem te kunnen inhalen. Hij zal de prooi worden van een jaguar of van honger sterven. Nauwelijks zijn wij honderd el van den oever verwijderd, of Toutou verschijnt en staat aan den waterkant te huilen. Het is te laat. Een goede hond zou ons nazwemmen: Toutou gaat niet te water en blijft achter.Wij komen zonder hinder over een tweeden val, die wel veel beweging maakt, maar niet gevaarlijk is. Even daarna nadert een reusachtige kaiman zoo dicht tot het vlot, dat Apatoe hem met de pagaai een geweldigen slag op den kop toebrengt, die hem doet afdeinzen. Weldra bespeuren wij nog andere kaimans; hun aantal neemt steeds toe. Wij varen dicht langs eene zandbank, waar drie of vier dezer monsters zich in de zon liggen te koesteren. Zij gaan te water en een van hen zwemt naar het vlot. Apatoe wil hem een poets spelen. Zijne bedoeling is, den kaiman zoo dicht mogelijk in de nabijheid te lokken, en hem dan met een ijzeren staaf de hersenen in te slaan: te dien einde laat hij zeker eigenaardig geluid hooren, waarmede de Roecoeyenne-Indianen gewoon zijn, de krokodillen te lokken.De kaiman zwemt uitmuntend; zijn kop alleen, met wezenloos starende oogen, steekt half boven het water uit. Op vijftien pas afstands duikt hij.“Let op!” roept Apatoe ons toe.Ieder verwacht het monster aan zijn kant. Eensklaps vertoont zich zijn snuit vlak bij Lejanne, die haastig terug wijkt en aldus aan een vreeselijk gevaar ontsnapt; want op het eigen oogenblik beurt de kaiman zijn geweldigen kop en een deel van zijn lichaam uit het water: vlak voor het gelaat van onzen vriend, slaat hij met een luiden slag zijn geduchte kaken op elkaar. Ik geef Apatoe den raad, zich voortaan liever van dergelijke grappen te onthouden.Inmiddels is de lucht betrokken. Welhaast klieven eenige bliksemstralen de zwarte wolken; de donder ratelt, en de regen valt bij stroomen neder. Wij verdragen deze beproeving met wijsgeerige kalmte en laten het vlot zijn weg volgen. Eindelijk vinden wij eene geschikte plaats, waar wij vuur kunnen maken en onze hangmatten ophangen, ter halver hoogte van een steilen oever.De vermoeienissen en emoties van dien dag hebben ons uitgeput. Wij vallen weldra in een zwaren, diepen slaap. Den volgenden morgen bemerken wij dat wij ons bivak hebben opgeslagen op den weg van een zwerm maniokmieren. Dit zijn vrij groote roode mieren, welke steeds vergezeld zijn van andere zwarte mieren, die nog veel grooter en met zeer scherpe en sterke kaken gewapend zijn. Deze vriendelijke diertjes hebben in onze bagage eene aardige verwoesting aangericht. Zij hebben de klep van mijn pet, mijn tabakszak en het garnituur van mijn hoed weggevreten, en bovendien de helft van het muskietenscherm van Lejanne.3 November.—Den geheelen dag zien wij caoutchoucboomen in groote menigte, en niet minder guarumos, wier blanke, licht paars getinte stammen overal den oever omzoomen. De breede, van onderen zilverachtig gekleurde bladeren dwarrelen naar beneden in de rivier en veroorzaken kleine knalletjes, die de indrukwekkende stilte van het middaguur breken. Deze stilte is inderdaad aangrijpend. Alles schijnt in diepen slaap gedompeld; men hoort geen enkel geluid: de vogels zwijgen; de wind is gaan liggen; de rivier is glad en effenals een spiegel. De weinige woorden, die wij met elkander wisselen, de zachte riemslagen met de pagaai, worden door de echoos van het woud met zeldzame kracht weerkaatst en herhaald.Slechts des morgens en des avonds ontwaken de dieren uit hunne verdooving en komen in beweging: de papegaaien, de toucans en aras maken dan spektakel genoeg. Enkele cabiais laten een vreemdsoortig geluid hooren, dat eenigszins overeenkomt met zeer luid niezen en dat ons in den beginne steeds in lachen deed uitbarsten.Aan den linkeroever zien wij den mond eener rivier. Zou dat de Areare zijn? Later bleek mij, dat het de Duda was, wier vermogen door het opnemen van verschillende stroompjes en beken belangrijk was versterkt.Gedurende dezen dag werden wij tot drie malen toe door kaimans verontrust, die naar ons vlot zwommen. Hunne oogen en hun snuit teekenden zich helder af op het door het lommer der boomen donker gekleurde water, zoodat wij zeer gemakkelijk hun spoor konden volgen. De eerste naderde tot op vijftien pas afstands en keerde toen terug. Een tweede, even dicht genaderd, dook onder en verscheen een oogenblik daarna, vlak naast het vlot, boven water. Lejanne en Apatoe zonden ieder een kogel op hem af. Hij duikt onder en verschijnt weer op vijftig pas afstands. Waarschijnlijk hebben onze makkers wat overhaast geschoten. In ieder geval is de kaiman bang geworden, want hij laat ons verder met vrede.De laatste eindelijk zwemt zonder aarzeling naar ons toe, tot Lejanne hem, op twintig pas afstands, met een kogel tegenhoudt. Het schot was raak, want wij zien hem niet weder.Tegen den avond barst een onweer los. Het regent nog hard, als wij ophouden om ons kamp voor den nacht in gereedheid te brengen. De plaats voor ons bivak is uitmuntend. De oever is steil, maar dikke lianen zenden haar sterke stengels tot aan den rand van het water uit, en verschaffen ons zoo de gelegenheid, naar boven te klimmen. Hooge, eeuwenoude boomen spreiden hun dicht gebladerte over ons uit als een beschermend gewelf, waaronder wij ons ter ruste vlijen.V4 November.—De caoutchoucboomen zijn eensklaps verdwenen: nadat wij ze gisteren in zoo grooten getale hadden ontmoet, zien wij er nu—vreemd genoeg—geen enkelen meer.Den geheelen dag moeten wij oorlog voeren tegen de kaimans. Wij schieten op hen op dertig pas: geen wonder dat zij eerbied krijgen voor onze kogels. Nu en dan zien wij reusachtige monsters zich op de zandbanken welbehagelijk koesterende in de brandende zon. Wanneer de stroom ons naar diezandbankenvoert, dan gaan de geduchte gasten te water en zwemmen naar ons vlot, soms allen te gelijk, soms ook slechts een of twee.Een dezer dieren bezorgt ons eenige angstige oogenblikken. Voor ons ligt een niet hooge, maar steile zandplaat, die wij bijna rakelings zullen voorbijvaren. Een buitengewoon groote kaiman ligt roerloos op den oever uitgestrekt. Wat zal hij doen, als wij in zijne onmiddellijke nabijheid zullen zijn? Lejanne acht het raadzaam hem weg te jagen, en zendt een kogel op hem af. Bij het eerste schot spert het monster den muil open, en buigt zich een weinig ter zijde, terwijl zijn staart heftig in beweging is. Is hij dood of maakt hij zich tot tegenweer gereed? Op tien meters schiet Lejanne nogmaals: de kogel treft den kaiman in den buik. Hij stort zich in het water, dat hij in felle beroering brengt. Hij schijnt op ons af te komen, maar verdwijnt, slechts een weinig bloed achter latende.6 November.—Gister viel niets voor, der vermelding waardig, uitgezonderd de verschijning van dolfijnen, die ik hier, bijna aan den voet van de Andes, niet had gedacht te zullen ontmoeten.Heden morgen, bij het vertrek, viel een fijne regen, die overigens niet hinderlijk was. Ieder hield zich met het een of ander onledig: Lejanne maakte aanteekeningen; ik werkte aan mijne kaart. Het vlot drijft regelmatig met den niet te sterken stroom af; de rivier levert geen moeilijkheden op; wij kunnen ons gerust laten gaan. Onze bootslieden zijn bezig met het herstellen van de muskietenschermen, die natuurlijk op den tocht door de bosschen eenige schade hebben bekomen.Omstreeks tien uur verstrooien zich de wolken, slechts aan de toppen der hooge boomen eenige nevelvlokken achterlatende, die weldra onder den invloed der zonnestralen verdampen.Tegen twaalf uur laat Apatoe eensklaps een kreet hooren, die ons door merg en been dringt. Hij is verdwenen. Er is geen twijfel meer mogelijk: een kaiman heeft hem aangegrepen. Het rampzaligste is, dat wij buiten staat zijn, hem te hulp te komen. Huiverend, sprakeloos van ontzetting, staren wij elkander aan.Eensklaps bespeur ik een hand, krampachtig vastgeklemd om eene liane, welke achter aan het vlot hangt. Ik grijp die hand en trek haar met alle kracht naar mij toe. Het hoofd van Apatoe verschijnt boven water. Zijne oogen zijn rood, en op zijn gelaat ligt de uitdrukking van onuitsprekelijken doodsangst. Met zwakke stem herhaalt hij het woord: Kaiman! Kaiman!—Geholpen door François, trek ik hem bij de schouders omhoog, terwijl hij zich met alle kracht vastklemt aan de balken van het vlot. De kaiman laat hem nog niet los. Hoe zal de ongelukkige er uitzien?Lejanne, met zijn geweer in de hand, wacht het oogenblik af, dat ook het monster zelf verschijnt, om het dan een kogel toe te zenden en te noodzaken zijne prooi los te laten. Apatoe raakt eindelijk vrij, en het gulzige dier krijgt een schot juist toen het mijne pet, die in het water gevallen was, inslokte.Wij kunnen nu onderzoeken, wat er met onzen makker is geschied. Hij heeft eene niet gevaarlijke wonde ontvangen aan de buitenzijde van het rechter been, even beneden de knie. Hij is aan een afschuwelijken dood ontsnapt, en heeft zijne reddingslechts aan schijnbaar onbeteekenende omstandigheden te danken. Juist toen hij in het water viel, ontmoette zijne hand eene gebroken liane, die achter aan het vlot hing: instinktmatig, door de zucht naar zelfbehoud gedreven, vatte hij die aan en omklemde haar met alle kracht. Gelukkig had het monster hem slechts met de voortanden gegrepen en wel aan het minst vleezige gedeelte van het been. Had de kaiman wat verder doorgebeten, zoodat hij ook het scheenbeen met zijn kaken had gevat, dan ware geene menschelijke macht in staat geweest, onzen vriend te redden. Nu is de zaak niet zoo erg; onverwijld leg ik het eerste verband aan.Wij zetten koers naar den rechteroever, waar wij bamboes zien; wij gaan aan land, en weldra heeft François met de lange stengels eene soort van leuning of borstwering rondom het vlot gemaakt, die ons tegen dergelijke verrassingen zal beveiligen en den tijd zal geven om ons tegen het gevaar te wapenen, wanneer de krokodillen de gewoonte mochten aannemen, ons aan te vallen.Jacht op een kaiman.Jacht op een kaiman.Wij hervatten onzen tocht. De gewonde is niet in staat om te pagaaien. Lejanne en ik, wij komen overeen, beurtelings te roeien, als François onze hulp mocht behoeven.Het verwondert ons zeer, nog geen Indianen te ontdekken. Indien zij zich hier in den omtrek ophielden, moest ons onophoudelijk schieten er toch eenigen naar den oever lokken. Wij leiden daaruit af, dat wij den mond van de Areare nog niet voorbij zijn, en dat wij dus ook den Raudal nog in het verschiet hebben. Dit laatste vooruitzicht is des te minder geruststellend, omdat onze schipper, tengevolge van zijne verwonding, half buiten gevecht is gesteld.Des avonds vonden wij eene zeer geschikte plaats voor ons bivak. Het kost ons eenige moeite, onzen gewonde tegen den steilen oever naar boven te dragen; hij verzekert ons echter dat hij niet veel pijn heeft.—Het muskietenscherm van Lejanne is voor verreweg het grootste gedeelte vernield. Tegen twee uur in den morgen heeft hij nog geen oog geloken, evenmin als in de beide vorige nachten. Ik bied hem mijn hangmat aan, opdat hij een weinig zou kunnen rusten. Hij is lijdende en vermagerd.9 November.—De kaimans laten ons sedert een paar dagen met rust. Zou dat de uitwerking zijn van onze broze borstwering? Sedert gisteren hebben wij een heuvelketen in het gezicht, volkomen gelijkende op die, door welke wij den tweeden November gevaren zijn. Voor mij is nu elke onzekerheid opgeheven: daar is de Raudal, en achter die heuvelen zullen wij den mond van de Areare vinden.Heden middag, ten twee uren, bevinden wij ons voor den ingang van eene tweede engte, geheel gelijk aan de eerste, Ditmaal voorzichtiger, door de ervaring geleerd, hebben wij den linkeroever gehouden, zoodat wij aan wal kunnen gaan om den toestand te overzien. De ingang is smal en vormt eene scherpe bocht, die eenige moeilijkheid zal opleveren. Verder op, is de vaart breeder; er zijn verschillende kolken en wielingen, maar wij kunnen geen eigenlijken val ontdekken. Intusschen overzien wij slechts een klein gedeelte van dit lange kanaal, doch dat gedeelte levert geene bijzondere bezwaren op.Op ons gelukkig gesternte vertrouwende, gaan wij vol moed het onbekende tegen. Bij den ingang der bocht worden wij door eene draaikolk aangegrepen. Het vlot schiet pijlsnel vooruit, naar den oever toe, en keert dan even snel terug: deze beweging herhaalt zich tot driemaal. Bij den derden draai zijn wij buiten de wieling; wij varen door de bocht en bevinden ons nu midden in den feilen stroom. De gemiddelde breedte van hetkanaal is tusschen de veertig en vijftig meters. De rotswanden ter wederzijde bestaan ook hier uit lagen zandsteen, waarvan de onderste glimmend zwart zijn. Het water heeft allengs die zwarte steenblokken afgeschaafd, uitgehold, laat ik mogen zeggen gebeeldhouwd. Wij zien, tot onze uiterste verbazing, gansche rijen van wonderlijke figuren boven elkander, die aan chineesche of indische afgodsbeelden doen denken, en zoo als zij daar staan, een allerzonderlijksten indruk maken. Wij zijn een en al bewondering en vergeten voor eenoogenblikons vlot, dat weer door een draaikolk aangegrepen, naar eene overhangende rots wordt gevoerd, toen Apatoe, die, ondanks de pijn van zijne wonde, in deze omstandigheden de leiding van ons vaartuig heeft op zichgenomen, ons nogmaals redde, door de roeispaan zoo krachtig tegen de rots te duwen, dat het hout in zijne hand brak. Zonder hem zouden wij verpletterd of verdronken zijn.Dwars door de bamboes.Dwars door de bamboes.Na den Raudal zonder verderen hinder te zijn doorgekomen, gaan wij aan den rechteroever aan land, waar wij eene uitstekende plaats vinden voor ons kamp. Hoewel het nog klaar dag is, besluiten wij hier te blijven om te overnachten.—Goddank! wij zullen weldra menschen ontmoeten. Wij zien de overblijfselen van een vuur, met drie regelmatige steenen, waartusschen verkoolde stukken hout. Sommige boomen vertoonen de versche sporen van bijlslagen. De Indianen zijn niet verre.Lejanne vuurt tot tweemaal toe zijn geweer af, om hen van onze nabijheid te verwittigen; daarop volgt hij de half uitgedroogde bedding eener beek, hopende eenig wild te zullen vinden. Deze beek vloeit over eene bedding van kalen zandsteen, waar hier en daar kommen of plassen zijn overgebleven, wemelende van kleine vischjes; zoo hij een mand of korf bij zich had, zou hij ze bij menigte hebben kunnen vangen. Nu keert hij zonder wild en zonder visch terug. Het is toch eigenlijk al te dwaas, dat men in eene zoo wildrijke streek evenwel gebrek aan versch vleesch kan hebben. Alle jagers hebben echter hun ongeluksdagen, waarop zij platzak huiswaarts komen. Misschien hebben onze schoten de dieren op de vlucht gejaagd.De avond is gedaald. Wij hebben nog geen bezoek van Indianen ontvangen, maar wij brengen een heerlijken nacht door, zonder door muskieten gekweld te worden.10 November.—Nadat wij in den morgen eenige waarnemingen gedaan en andere werkzaamheden verricht hadden, gingen wij weder op weg. Omstreeks vijf uur in den namiddag bespeurden wij een aantalcouicouisop een boom langs den oever. Lejanne wil ons een dezer vogels bezorgen. Wij gaan dus aan land: het wordt ook tijd om ons kamp op te slaan. Ik ga vuur aanmaken; François is een zeer middelmatig schutter; Apatoe kan niet loopen; Lejanne moet dus voor ons diner zorgen. Hij gaat naar den boom, waarop wij ons wildbraad hebben zien zitten. Een oogenblik daarna hoor ik een schot en tevens het geroep: François! François! Het verwondert mij, dat Lejanne hulp noodig heeft om een couicoui te dragen. Maar hoe groot is mijne verbazing, toen zij beiden met een pecari komen aanslepen. De pecaris leven doorgaans in meer of minder groote troepen of kudden; zij verraden hunne tegenwoorheid door hun geknor en het geknars met hunne slagtanden; ook verspreiden zij eene sterke muskuslucht: Niets van dat alles heeft ons hier getroffen. Het dier, dat Lejanne geschoten heeft, was vermoedelijk van de kudde afgedwaald en liep nu zijne makkers te zoeken; zijn dood redde het leven van een couicoui. Deze wijziging in het menu is mij in het minst niet onaangenaam.—Wij maakten ons gereed, het varken te ontleden, toen Lejanne, wien het koude zweet uitbrak, in zwijm viel. Ik begin mij ongerust over hem te maken. Het is hoog tijd, dat wij de Indianen aantreffen en wat rust nemen.VI11 November.—Omstreeks elf uren varen wij langs de monding van eene vrij aanzienlijke rivier, die zich aan den linkeroever in de Goyabero uitstort. Ditmaal is het inderdaad de Areare, die van San-Juan de los Llaños afdaalt en door het dorp San-Martino vloeit. Eenige kooplieden van dit dorp zijn handel komen drijven met de Mitoeas-Indianen, die aan de uitmonding van de Areare wonen. Andere kooplieden uit San-Fernando de Atabapo hebben eens of tweemaal de Guaviare en de Areare opgevaren tot aan San-Martino.In zestien dagen hebben wij nu een afstand afgelegd van honderd-vijf-en-twintig mijlen door een geheel onbewoond land, waar nog nimmer, voor zoover bekend, een menschelijk wezen den voet had gezet, en waar zeer waarschijnlijk ook niet spoedig iemand ons spoor zal volgen.Weldra bespeuren wij achter ons, naar den kant van de Areare, een zwaren rook, die in koperkleurige wolken omhoog stijgt. Daar bevinden zich Indianen, die het hooge gras eener savane of een gedeelte van het woud in brand hebben gestoken, om ruimte te krijgen voor een dorp.Omstreeks een uur zien wij acht palen, in twee rijen in den grond gestoken, en die blijkbaar hebben gediend om hangmatten aan te bevestigen. Dicht in de nabijheid staan nog andere palen. Even daarna maakt de rivier eene kromming.“Eene hut!” roept François.Het is inderdaad zoo; wij naderen eene groote savane, waar de rivier midden door loopt. Een weinig achterwaarts van den hoogen steilen oever staat eene hut, die veel overeenkomst heeft met een breeden lagen hooiberg. Eer wij aan dit hooge weiland komen, moeten wij nog een kilometer ver langs het bosch varen.“Roode kinderen!” roept François voor de tweede maal.En ook nu is het waar. Op omgevallen of gestrande boomstammen zitten eenige kinderen, in verschillende houdingen neergehurkt, het hoofd een weinig voorover gebogen, en ons met vreesachtigeen wantrouwende blikken gadeslaande. Vlak daarbij zien wij twee Indianen, staande in hunne prauw, met hun boog en pijlen in de hand. Wij binden een hemd aan een stok en wuiven met die geïmproviseerde parlementaire vlag. Tevens laat ik Apatoe, bij wijze van begroeting, eenige schoten met los kruit doen. Dit schieten moest den Indianen aan het verstand brengen, dat wij als vrienden in hun midden verschijnen: vijanden zouden immers niet op deze wijze kennis geven van hunne komst. Tevens kunnen zij bemerken dat wij goed gewapend zijn en dat het dus een roekeloos ondernemen zou wezen, ons kwalijk te bejegenen. Ook deze wetenschap kan geen kwaad.Dit gedaan zijnde, sturen wij naar hen toe. Naarmate wij dichter bij komen, verlaten zij hunne stelling en klauteren tegen den vrij steilen oever omhoog. Ik steek mijn revolver in mijn gordel en trek een vest aan om het wapen te verbergen. Lejanne neemt zijn patroontasch en doet twee patronen op zijn geweer. Eindelijk komen wij aan den oever. Ik gelast François en Apatoe goed op het vlot te passen, terwijl wij beiden, Lejanne en ik, op verkenning zullen uitgaan naar het dorp.Wij weten nog niet hoe wij ontvangen zullen worden, maar toch zijn wij zeer gelukkig eindelijk weer eens menschen te ontmoeten. Onze Indianen staan op den oever, dien wij vlug beklimmen. Zij gelijken op alle Indianen, die ik tot dusver gezien heb. Wij zien voor ons drie mannen van vijf-en-twintig à dertig jaar, een jongeling van zeventien of achttien jaar, en een meer bejaard man, die de vijftig achter den rug schijnt te hebben. Er is hier een kleine open plek in het woud; ter linkerhand staat een soort van afdak of hut van palmbladen; voor ons begint het pad, dat naar de savane voert. Wij onderscheiden daar eenige vrouwen, die manden vol visch dragen en zich haastig verwijderen. Midden op de open ruimte staan eenige kinderen, die, gedreven door nieuwsgierigheid en weerhouden door vrees, eerst zich achter hun vaders schijnen te willen verschuilen, maar die eindelijk, schuwe blikken achterwaarts werpende, zoo hard zij kunnen hunne moeders naloopen.Met uitgestoken hand treed ik op den oudsten der Indianen toe. Hij draagt een koord om den hals, waaraan vier hoektanden van een jaguar zijn bevestigd. Daar alleen de aanzienlijken—althans bij de mannen—de gewoonte hebben, halssnoeren te dragen, maak ik daaruit op, dat ik een dorpshoofd voor mij heb. Hij is iemand van ter nauwernood middelbare gestalte, met een zeer breede borst, een vooruitstekenden buik en magere beenen. Zijn aangezicht is rond en met rocou besmeerd; zijne ietwat rossige, zeer levendige oogen staan een weinig schuin; de wangbeenderen steken vooruit.Onderstellende dat deze Mitoeas-Indianen misschien de Areare zijn opgevaren tot San-Martino, en dat zij wellicht eenige woorden spaansch verstaan, spreek ik den hoofdman toe met een “Buenas dies, señor capitan”; daarbij, volgens gebruik, luidkeels lachende. Hij drukt mij de hand en lacht op zijne beurt. Lejanne geeft hem ook de hand, terwijl ik met de andere mannen, onder luid geschater, handdrukken wissel. Een hunner verstaat enkele woorden spaansch en zal ons bij zijne makkers tot tolk dienen. Wij geven hem te kennen, dat wij hunne hutten wenschen te bezoeken en bij hen een poosje willen uitrusten. Wij begeven ons op weg en slaan, voorafgegaan door onze Indianen, het pad in, dat dwars door een stuk bosch, naar de savane voert. Het pad is vrij breed, effen en ter wederzijde door laag hout en heesters omzoomd, waarachter zich het hoog geboomte verheft. Op de vlakte gekomen, zien wij drie hutten op onderlingen afstand van vijf- tot omstreeks achthonderd el geplaatst.Wij richten onze schreden naar de naaste hut. In het gras langs het pad liggen een aantal verkalkte schilden van schildpadden. Groote honden, gestreept als tijgers, met rechtopstaande ooren en lange snuit, beginnen bij onze nadering uit alle macht te blaffen. Zij schijnen stellig van plan, een aanval op onze beenen te doen; maar zij ontvangen van hunne meesters eene kastijding, die hen doet besluiten—zij het ook onwillig—eene meer vreedzame houding aan te nemen. Een haan en een paar kippen loopen te pikken in de nabijheid der hut, die, uit de verte gezien, heel veel weg heeft van een groote bijenkorf. Naderbij gekomen, zie ik dat zij bestaat uit latwerk, met palmbladen gedekt. Twee rijen houten palen, in de hut geplaatst, zijn onderling met lianen verbonden. Aan elke zijde is in den wand eene opening, die met een deur van palmbladen kan worden gesloten. Ook in het dak is eene opening gelaten, waardoor het licht binnendringt en de rook een uitweg vindt.Bij het binnentreden der hut kunnen wij, door de heerschende duisternis, eerst niets onderscheiden. Als wij eenigszins aan de schemering gewend zijn, bespeuren wij vier vrouwen, die op den grond zijn neergehurkt. Op nieuw worden, onder luid gelach, handdrukken gewisseld. De kinderen huilen van schrik; wij tikken hun vriendelijk op den wang, hetgeen ze een weinig tot bedaren brengt.Met behulp van onzen tolk geef ik aan de Indianen te kennen, dat ik gaarne mondbehoeften van hen koopen wil: bananen, cassave, visch, alles, in een woord, wat zij ons leveren kunnen. Bovendien zou ik gaarne eene prauw koopen en twee mannen huren om met ons te gaan tot het naaste dorp, nadat wij eerst een weinig bij hen gerust hebben.Ik deel hun tevens mede, dat Apatoe door een kaiman gewond is, en dat het wenschelijk ware, indien een hunner hem helpen wilde om naar het dorp te komen. Een ander kan François behulpzaam zijn, om onze bagage, die van het water te lijden heeft gehad, op den oever te brengen, ten einde ze te laten drogen. Inmiddels deel ik eenige kleine geschenken onder hen uit: vischhaken, scharen, messen, naalden, als belooning voor dezekleine diensten. Zij schijnen zeer in hun schik en behandelen ons vriendelijk.Lejanne merkt op, dat hij eene vrij sterke gelijkenis vindt tusschen deze Indianen en de inwoners van Indo-China; hunne oogen staan minder schuin en hun neus steekt meer vooruit. Maar overigens, hebben zij dezelfde gestalte, dezelfde bruingele kleur als de Annamiet, die met ontbloot bovenlijf op de rijstvelden arbeidt. Beiden hebben zwaar, zacht, zwart hair met een rosachtigen weerschijn; uitstekende wangbeenderen, eene breede borst, magere en ietwat gekromde beenen; de groote teen staat geheel afgezonderd van de andere, die kort en rond zijn. Doorgaans hebben deze Indianen donker rosachtige oogen. De mannen knippen hun hair op het voorhoofd af, tot omstreeks een vinger boven de wenkbrauwen; ter zijde en van achteren laten zij het langer groeien. Hunne kleeding bestaat uit decalimbé, een lap katoen, eertijds wit van kleur, die aan een om de heupen geknoopt koord is vastgemaakt en tusschen de beenen doorgaat, om vervolgens, van voren en van achteren, tot even over de knieën af te hangen. Verder dragen zij boven de kuiten en aan de enkels een soort van banden of ringen van palmbladen. Een dergelijk blad wordt ook als krans om het hoofd gewonden. Om den hals dragen zij snoeren van zwarte zaadkorrels, afgewisseld door blauwe en roode glaskoralen.Eerste ontmoeting met een kaiman.Eerste ontmoeting met een kaiman.De mannen hebben iets fiers en statigs in houding en gang; maar de vrouwen hebben zulk een voorkomen van bestialiteit en een zoo onbevalligen, waggelenden, slependen gang, dat zij inderdaad afschuwelijk mogen genoemd worden. Misschien is dit een gevolg van den zwaren arbeid, waartoe zij sinds hare jeugd veroordeeld zijn. Drie der hier aanwezige vrouwen, hoewel nog jong, zijn geheel verwelkt en afgeleefd. Haar hair is langer dan dat der mannen; zij maken eene soort van scheiding, maar gebruiken nimmer een kam. Hare kleeding bestaat uit een hemd, of liever een soort van zak, waarin gaten zijn gelaten om het hoofd en de armen door te steken. Dit kleedingstuk wordt door haar zelven gemaakt; het is vervaardigd van plantenvezels, die fijn gestampt en tot een soort van stijve watten gemaakt worden. Het spreekt van zelf, dat deze stof al zeer weinig plooibaar is en zich niet voegt naar de vormen van het lichaam. Zij dragen halssnoeren van glaskoralen.Al de bewoners van het dorp vereenigen zich in onze hut: wij hebben dus al spoedig met iedereen kennis gemaakt. Bij ons binnentreden was de bodem der hut bezaaid met allerlei soorten van visch, waarvan enkelen een meter lang waren. Ik koop er eenigen, die Lejanne uitteekent, eer zij gekookt worden. Onze makkers zijn inmiddelsook aangekomen, en weldra smullen wij aan gekookte en gebakken visschen, welke de vrouwen voor ons hebben klaargemaakt. De Indianen, op den grond neergehurkt of op kleine, uitgeholde, zeer lage bankjes gezeten, vormen een kring rondom groote aarden potten, waaruit zij met de rechterhand stukken visch halen, die zij vervolgens met de linker naar den mond brengen.Bivak in het woud.Bivak in het woud.Dan komt de beurt aan den gebakken visch. Van tijd tot tijd vullen zij een kalebas met water uit een aarden pot met een lange rechte tuit, niet onbevallig van vorm. Daar komt geen einde aan het maal. Hoopen visch verdwijnen in de magen der gasten en men gaat nog maar altijd met bakken voort.Ik tracht van de aanwezige mannen eenige inlichtingen te bekomen. Voor zoo ver ik uit hunne verklaringen wijs kan worden, kennen zij San-Martino, maar niet San-Fernando. Benedenwaarts langs de rivier zullen wij eenige indiaansche pueblos vinden; om het naaste dorp te bereiken, hebben wij een dag varens noodig. Twee mannen zijn bereid ons tot daar te vergezellen, en zullen daarvoor ieder als belooning een hakmes ontvangen. De hoofdman zal ons eene prauw afstaan, in ruil voor een bijl en een lap katoen.Geld is hier niet in zwang en wordt niet aangenomen; toch is het niet geheel onbekend, want om den hals van een jong meisje zie ik twee stukjes van vijftig centimes, een met het portret van Louis-Philippe en een met dat van Napoleon III. Hoe mogen die fransche geldstukjes hier verzeild zijn geraakt? Op die vraag is het niet mogelijk een antwoord te geven; maar zeker had ikniet verwacht, de beeltenissen van deze twee vorsten naast elkander te zien prijken op de borst van een indiaansch meisje in het hart der wouden van Zuid-Amerika.Het meubilair van onze Indianen bestaat uit hangmatten, eenig aardewerk, eenige kleine, lage, holle bankjes, schilden van schildpadden, die als zetels dienen, drie bijlen en een hakmes; als wapenen hebben zij pijl en boog; zij gebruiken geen sarbacanen (blaaspijp) en bedienen zich ook niet van gif.De avond is gedaald. De maan schijnt met volle pracht en helderen glans aan den wolkeloozen hemel. Er waait een zacht koeltje; de lucht is frisch en verkwikkend.Het dorpshoofd en zijn zoon zijn naar hunne woning teruggekeerd. Wij verzoeken den drie mannen, die achtergebleven zijn, ons een proefje te willen geven van hun nationale zangen en dansen. Aanvankelijk maken zij daartegen eenige bedenkingen, maar ik had opgemerkt dat zij geen tabak hadden en gretig onze weggeworpen eindjes sigaar oprookten. Ik haal drie sigaren uit mijn zak en bied hun die aan: nu veranderen zij van toon en verklaren zich bereid, aan ons verlangen te voldoen. Hun gezang is, hoewel zeer weemoedig, toch vrij welluidend, maar bij uitstek eentonig, want het bestaat slechts uit eene enkele frase, die eindeloos wordt herhaald. Een hunner geeft de maat aan, met behulp van een kalebas, waarin zaadkorrels verborgen zijn en die hij heen en weer beweegt; die kalebas is met figuren versierd even als het vaatwerk. De vrouwen hebben het te druk om aan den dans deel te nemen. De kinderen scharen zich, twee aan twee, op eene rij achter de mannen en bewegen zich, als zij, langzaam, met afgemeten schreden voort, daarbij met hun rechter voet de maat slaande. Iedereen schijnt zeer tevreden en gelukkig: trouwens, de behoeften dezer arme lieden zijn al zeer weinige en dus spoedig voldaan.—Omstreeks tien uren strekken wij ons uit in onze hangmatten; voor het eerst sedert zeventien dagen slapen wij rustig, met een dak boven ons hoofd.12 November.—Wij brengen den dag door met teekenen en photografeeren, met het doen van sterrekundige en meteorologische waarnemingen. Morgen zal onze bagage droog zijn; in den morgen van den veertienden zullen wij vertrekken.Na het middagmaal zijn alle bewoners van het dorp, mannen en vrouwen, grooten en kleinen, bij onze hut vereenigd. De mannen hervatten hun eentonig gezang en hun niet minder eentonigen dans, die ons niet kunnen boeien. De muskieten zijn zeer talrijk en hinderlijk; wij begeven ons dus spoedig ter ruste, na onze geweren onder onze hangmatten op den grond te hebben gelegd. Het duurt niet lang, of Apatoe bemerkt zekere beweging die hem verdacht voorkomt. Terwijl het gezang buiten wordt voortgezet, ruimen de vrouwen al het huisraad en de wapenen in de hut op. Hij maakt mij wakker en deelt mij zijne waarneming mede; ik denk dat de Indianen zich naar de andere hutten zullen begeven om deze geheel tot onze beschikking te laten. Zonder mij in het minst ongerust te maken, slaap ik weer in; maar even daarna wekt Apatoe mij op nieuw: hij vertrouwt de zaak niet. Het zingen heeft opgehouden. Wij springen uit onze hangmatten en treden naar buiten, met onze geweren in de hand.Er is niemand te zien. Ik zal met Lejanne mij gaan overtuigen, of de andere hutten ook verlaten zijn; François en Apatoe zullen inmiddels hier de wacht houden. Niet zonder een zeer onaangename gewaarwording, bemerken wij dat inderdaad de inwoners zijn verdwenen. Waarom hebben de Indianen zich verwijderd? Willen zij onze bagage stelen? Er valt geen oogenblik meer te verliezen: wij moeten trachten hen zoo spoedig mogelijk in te halen. Lejanne vuurt tweemaal zijn geweer af, ten teeken dat wij hunne vlucht bemerkt hebben; in de hoop dat zij zich dan zoo spoedig mogelijk uit de voeten zullen maken, zonder zich den tijd te gunnen onze bagage mede te nemen, die onder het afdak nabij den oever geborgen is. Wij gaan het bosch in en loopen zoo snel als de donkerheid toelaat; tevens zooveel mogelijk links en rechts uitkijkende, want niets zou gemakkelijker zijn, danà bout portanteenige pijlen op ons af te zenden, en hebben de Indianen inderdaad het voornemen om ons te bestelen, dan zullen zij er ook wel geen been in vinden ons dood te schieten. Eindelijk komen wij aan den oever. De maan werpt haar helder licht op de open plek in het woud en op den kant der rivier. Daar staat onze bagage ongeschonden; daar ligt ons vlot rustig aan den oever. Daarentegen zijn alle prauwen verdwenen, ook die welke wij gekocht hebben. Wij halen ruimer adem, en Lejanne laat nogmaals twee schoten weerknallen, die de vluchtelingen in den waan zullen brengen, dat wij bij de bagage zijn en hen verhinderen, terug te komen.Weldra zijn wij weder bij onze makkers terug, wien wij de goede tijding mededeelen. Wij houden niettemin onze geweren gereed, ten einde op alles voorbereid te zijn, en blijven onder het rooken van eenige sigaren met elkander praten. Daarop begeven wij ons weer ter ruste en ontwaken eerst vrij laat in den morgen.13 November.—Wij vinden in een hoek de hakmessen, welke wij ten geschenke hadden gegeven aan de mannen die met ons mede zouden gaan, en ons linnengoed, dat wij aan de vrouwen gegeven hadden om te wasschen. Deze nauwgezette eerlijkheid verwondert ons. De hoofdman alleen is minder kiesch geweest: hij heeft de bijl en de lap katoen medegenomen, waarmede wij de prauw betaald hebben, die nu ook verdwenen is.Onze Indianen hebben hun haan en hunne kip vergeten: met hunne honden, vormden deze twee vogels hun geheelen rijkdom aan huisdieren. Wij vinden er hoegenaamd geen bezwaar in, de beide vogels mede te nemen, als vergoeding voor onze prauw.Ons vlot is een weinig gedroogd; het zinktminder diep in het water en wij zullen ons nogmaals aan dat broze vaartuig toevertrouwen, dat ons toch reeds meer dan eens het leven heeft gered. Inderdaad, als ik denk aan de nog veel brozer prauwen van uitgeholde boomstammen, aan de gevaren, waarmede de vaart op de rivier gepaard gaat, aan de vermetele stoutmoedigheid der kaimans, dan zou ik mij bijna kunnen verheugen over de vlucht onzer Indianen. Alles wat ons tot dusverre aanvankelijk een ramp scheen, is naderhand gebleken een geluk te zijn.Tegen den middag wordt onze bagage, die nu weer geheel droog is, op het vlot geschikt, en wij hervatten onzen tocht. Aanvankelijk varen wij langs de savane, dan komen wij weder in de bosschen. Hier en daar wijst een verbrande boom de plaats aan van een verlaten kamp der Indianen.Groote zeemeeuwen vliegen schreeuwend boven onze hoofden heen en weer, zoodra wij eene zandbank naderen, waarop zij haar eieren hebben gelegd. Talrijke bruinvisschen duiken, snuivend en blazend, uit het water op en springen en dartelen overal rondom het vlot. Wij overnachten in het woud.14 November.—Lejanne en ik zijn telkens verplicht de plaats in te nemen van Apatoe, die nog altijd zijne rust moet houden, en ter vermijding van ongevallen, de pagaaien ter hand te nemen. Daar wij dit werk niet gewoon zijn, wordt de vaart voor ons vrij vermoeiend.In den namiddag zien wij een pas gevormd eilandje voor ons, waarvan het teedere frissche groen helder uitkomt tegen de donkere tinten der bosschen. Eene prauw steekt van den oever af. Met behulp van onzen kijker, onderscheiden wij een gezin van Indianen. Wij roepen hen uit de verte aan, maar zij spoeden zich naar den linker oever en verdwijnen in het woud, hunne prauw aan den oever achter latende. Weldra zijn wij in de nabijheid van dat vaartuig, hetwelk ons uitstekend te stade zou komen. Ik gevoel grooten lust, mij van de prauw meester te maken, en als betaling, op den oever een onzer fraaie amerikaansche bijlen achter te laten. Door de prauw, met behulp van vuur, wijder te maken en van eene verschansing te voorzien, zouden wij met onze bagage daarin plaats kunnen vinden, en zouden wij veel spoediger te San-Fernando kunnen zijn. En ook zoo als zij nu is, zou de prauw ons de grootste diensten kunnen bewijzen voor de jacht: op het stuk van vleeschspijzen, hebben wij niets meer dan een buscorned beefen een doosje sardines.Maar Lejanne blijft bedenkingen opperen tegen dien gedwongen verkoop, die mij zoo sterk aantrok. Hij is van oordeel, dat wij ons verdiend loon zouden krijgen, indien de vertoornde eigenaar ons een of andere poets zou spelen, en, bij voorbeeld, ’s nachts ons vlot wegnemen of vernielen. De prauw blijft alzoo waar zij is.15 November.—Met het krieken van den dag zijn wij weer op weg. Elken morgen, omstreeks vijf uren, wek ik François, die koffie voor ons zet en de rijst kookt, waaruit ons ontbijt bestaat en waarop wij tot den avond moeten teren. Omstreeks acht uur krijgen wij een Indiaan in het oog, die in zijne prauw zit te visschen, aan de uitmonding eener kreek, aan den linkeroever. Hij is de eerste om ons aan te roepen. Wij zetten koers naar den oever, en het gelukt ons te landen. De man heeft een knaap bij zich van omstreeks dertien jaren en een kind van zeven of acht jaar. Hij is van het hoofd tot de voeten met rocou besmeerd, maar spreekt vlot spaansch. Blijkbaar heeft hij eenigen tijd in de beschaafde wereld verkeerd. Hij heeft bereids eenige visschen gevangen; zijn dorp is niet verre en hij is bereid ons levensmiddelen te verkoopen. Wij komen bijna in verzoeking, den man te omhelzen, hoewel die rood geverfde Indiaan, die zoo zuiver spaansch spreekt, ons eigenlijk eenige achterdocht inboezemt. Lejanne neemt zijn geweer; ik steek mijn revolver in mijn gordel, en na onzen makkers te hebben aanbevolen, in onze afwezigheid goed de wacht te houden, vertrekken wij in gezelschap van onzen roodhuid. Zijne prauw is zeer lang, zeer smal en bij uitnemendheid onzeewaardig. Wij zitten op den bodem, met opgetrokken beenen, in eene zeer vermoeiende houding. Wij varen de kreek in; wij gaan snel voort, maar wij stooten elk oogenblik tegen verdronken stammen en overhangende takken; en het is inderdaad een wonder, dat wij op deze vaart van een kwartier niet zijn omgeslagen.Bij de aanlegplaats gekomen, ontmoeten wij een anderen Indiaan, die van het dorp komt, zijn boog en pijlen over den schouder; hij keert op zijn schreden terug om ons te vergezellen. Wij volgen midden door het woud een ter nauwernood gebaand pad, gaan over eene zeer primitieve brug, uit twee dunne stammen van palmboomen bestaande, met een dunne liane bij wijze van leuning; en komen eindelijk aan eene savane. Wij vinden daar slechts eene enkele hut, bestaande uit een op palen rustend dak, zonder muren. Wij gaan daarheen en ontmoeten er een derden Indiaan met twee vrouwen en eenige kinderen.De mannen zijn krachtig gebouwd, klein, maar welgevormd. De vrouwen zijn afschuwelijk leelijk. Eenige hangmatten, wat aardewerk, pijlen en bogen vormen het geheele ameublement van de hut. De vrouwen hebben zoo juist cassave klaar gemaakt: zij is nog een weinig week en moet, om goed te blijven, in de zon worden gedroogd. Wij koopen eenige cassavekoeken, alsmede een tros bananen, welke de mannen voor ons gaan plukken. Wij gebruiken wat gekookte visch met piment en bananen: deze schotel is voor ons bijna eene lekkernij. Maar het is tijd, naar onze makkers terug te keeren, die ons wachten met het ontbijt.Sedert eenige oogenblikken spreken de Indianen zeer luid onder elkander. Als wij gereed staan om te vertrekken, weigeren zij eenvoudig de gekochte levensmiddelen naar het vlot te brengen, en lachen ons in het gezicht uit. Zouden wij met schurken te doen hebben? Wij beginnen nuop onze beurt een ernstig woordje te spreken. Lejanne maakt zijn geweer gereed en ik haal mijn revolver voor den dag: wij bevelen hun aanstonds te doen wat wij verlangen. Dit helpt; zij nemen de manden met vruchten en koeken op en gaan op weg naar de aanlegplaats. Lejanne vestigt er mijne aandacht op, dat zij ons op de vaart naar het vlot zouden kunnen doen omkantelen. De opmerking is juist: wij zullen dus te voet naar den oever gaan, waar het vlot ligt.Wij noodzaken de Indianen voor ons uit te gaan, hetgeen blijkbaar niet naar hun zin is, want elk oogenblik staat een hunner onder een of ander voorwendsel stil; maar wij houden hem in het oog, en wachten tot hij weer voortgaat. Wij keeren naar de savane terug, gaan een eind ver langs het bosch, en treden het eindelijk binnen. Een pad is er niet; wij dwingen dus onze Indianen langzamer te loopen en volgen hen op de hielen. Eindelijk, na een zeer vermoeienden marsch, waarbij wij de kreek—ditmaal zonder brug—hebben moeten doorwaden, bereiken wij het vlot.De vrouwen en kinderen van het dorp hebben zich reeds aan den oever verzameld. In de nabijheid liggen drie prauwen, onder de overhangende takken verborgen; ik koop eene daarvan, in ruil voor een bijl. Wij maken de prauw aan het vlot vast en varen af, niet zonder zekere genoegdoening den spijt en de teleurstelling gadeslaande van de Indianen, die eerst een zoo hoogen toon hadden aangenomen.In den namiddag ontmoeten wij achtervolgens drie prauwen. De eerste maakt zich zoo spoedig mogelijk uit de voeten. In de tweede bevinden zich een man, een vrouw en een kind; ondanks onze verzekeringen van vriendschappelijke gezindheid, houden deze lieden zich op een afstand, en deelen ons alleen mede dat zij naar San-Martino gaan. In de laatste prauw bevindt zich mede een gezin; de man en de vrouw maken een gunstigen indruk. Zij komen vol vertrouwen tot ons, maar verstaan geen spaansch, zoodat wij niets van hen vernemen kunnen. Wij koopen eenige vruchten van hen, en drukken elkander de hand ten afscheid.Tegen den avond bespeuren wij eene ledige prauw, die aan den oever vastgebonden ligt. Zou er hier in de nabijheid eene hut staan? Morgen ochtend zullen wij onze geweren afschieten om de inlanders te waarschuwen en tot ons te roepen, want wij wenschen met zooveel Indianen als mogelijk is kennis te maken.Wij beginnen aan onze laatste bus metcorned beef. Hoe heerlijk smaakt ons de versche cassave na onze eeuwige rijst. Wij brengen hier een uitmuntenden nacht door, bijna zonder muskieten.
IV2 November.—Op den oever grazen een menigte cabiais, die hier en daar zelfs de rivier overzwemmen, zonder bij onze nadering eenige vrees te laten blijken. De kalme gerustheid van bijna alle dieren, welke wij ontmoeten, bewijst dat de mensch in deze streken nog eene onbekende verschijning is.Omstreeks elf uur komen wij aan eene stroomversnelling. De rivier is hier vierhonderd ellen breed; midden in den stroom ligt een zandbank, waarvan de hooge steile oever, dien wij dicht naderen, voortdurend afbrokkelt. Het verval is vrij sterk. Apatoe, die voor op het vlot staat, roept eensklaps François toe: “Geef acht! Pagaai uit al uw macht!”. Wij komen aan de zandbank en gaan aan land. Het gelukt ons, niet zonder inspanning, het vlot aan de benedenpunt van de bank vast te meeren; daar kunnen wij zien, wat er eigenlijk gaande is. Voor ons, een weinig ter rechterhand, zien wij eene opeenstapeling van rotsen, een geweldigen rotsmuur, waarin slechts eene smalle bres of opening is gelaten, door welke de rivier zich schuimend en kokend een weg baant. De toestand is inderdaad ernstig genoeg. Het is niet mogelijk, met het vlot een der beide oevers te bereiken; lang voor wij zoo ver waren, zou de hevige stroom ons naar de bres hebben medegevoerd. Zullen wij onze bagage achterlaten? Er valt niet aan te denken: het doel van de reis zou zijn gemist, en wij zouden ellendig omkomen.Het is volstrekt noodig, de gesteldheid nauwkeuriger op te nemen. Misschien is de pas minder gevaarlijk dan zij ons toeschijnt. Apatoe neemt zijne pagaai, die hem tevens tot steun dient en om de diepte te peilen; dan begeeft hij zich te water om den linkeroever te bereiken. Niet zonder angst volgen wij met onze blikken onzen braven kameraad op den gevaarlijken tocht.Somwijlen reikt het water hem tot de schouders, en bekruipt ons de vrees dat hij zal worden medegesleept. Als hij van de been raakt, zal het hem vermoedelijk niet mogelijk zijn, aan den stroom weerstand te bieden. Ook denken wij onwillekeurig, en niet zonder huivering, aan de kaimans die zich in de rivier ophouden. Eindelijk heeft hij gelukkig den linkeroever bereikt, dien hij volgt tot aan de bres in den rotswand. Weldra keert hij langs denzelfden weg tot ons terug. Wat heeft hij gezien? Wij allen verkeeren in groote spanning.Het is eene lange, smalle opening dwars doorden rotsigen heuvel; naar het betrekkelijk weinige, dat Apatoe er van heeft kunnen zien, vat hij zijn indruk in een paar, niet zeer geruststellende woorden samen: “Dat zeer slecht; kan misschien door komen.”Wij zien elkander een oogenblik zwijgend aan. Ons besluit is genomen. In Gods naam, voorwaarts!Binnen vijf minuten zijn wij aan den ingang van de bres. Het vlot schiet door de smalle opening. Over eene lengte van twee kilometers wisselt de breedte van twaalf tot omstreeks vijf-en-twintig ellen. Wij hebben aan weerszijde een veertig el hoogen rotswand, bestaande uit reusachtige lagen zandsteen, waarvan sommigen vooruitsteken. Uit de spleten tusschen de rotsen schieten overal heesters en struiken omhoog. Hier en daar sijpelt langs de steile wanden een dunne waterstraal naar beneden. Nu en dan steken half overdolven rotsen langs de oevers omhoog en drijven het schuimende en wielende water terug. Het is of de rivier toornt over deze belemmering van haar vrijheid: brullend, kokend, wervelend, in ijlende vaart stormt zij voort. Nu eens glijden wij over den top der verdronken rotsen, om dan plotseling een meter te dalen. Op zeker oogenblik worden wij met onweerstaanbaar geweld heengevoerd naar eene vooruitstekende rots, die zich nauwelijks vijftig duim boven het water verheft. Het is gedaan: al wat zich op het vlot bevindt, zal zoo straks verpletterd of weggevaagd worden; de wervelende draaikolk zal ons allen in een oogwenk verslinden. Maar Apatoe, die nooit zijne koelbloedigheid verliest, heeft het gevaar reeds overzien. Met bovenmenschelijke inspanning duwt hij, met behulp van een ijzeren stang het vlot in den stroom terug. Wij zijn gered.Nu gaat verder alles goed. Bij den uitgang der bres verbreedt de rivier zich weer en wordt de stroom weer kalmer. Weldra bespeuren wij aan den rechteroever een frisschen waterval en een breede bank van zandsteen. Wij haasten ons, aan land te gaan; wij hebben er behoefte aan, eens even uit te rusten, en ons te verkwikken aan den aanblik der schoone weelderige natuur rondom ons. Wij verheugen ons van heeler harte, dat wij zoo gelukkig aan het dreigende gevaar ontsnapt zijn; en wenschen ons zelven geluk met het kloeke besluit om den doortocht te wagen, en niet, met achterlating van het vlot en beladen met onze bagage, te beproeven om over de rotsen te klimmen. En wie weet, misschien is dit wel de Raudal, waarvan men ons gesproken heeft; zoo ja, dan zullen wij weldra de Areare bereiken en Indianen ontmoeten, naar wier kennismaking Lejanne, die ze nog nooit gezien heeft, zeer verlangt.Na ontbeten te hebben, gaan wij weder scheep. Getrouw aan zijne ongelukkige gewoonte, heeft Toutou zich weer in het kreupelhout verscholen. Wij jagen hem langen tijd na zonder hem te kunnen inhalen. Hij zal de prooi worden van een jaguar of van honger sterven. Nauwelijks zijn wij honderd el van den oever verwijderd, of Toutou verschijnt en staat aan den waterkant te huilen. Het is te laat. Een goede hond zou ons nazwemmen: Toutou gaat niet te water en blijft achter.Wij komen zonder hinder over een tweeden val, die wel veel beweging maakt, maar niet gevaarlijk is. Even daarna nadert een reusachtige kaiman zoo dicht tot het vlot, dat Apatoe hem met de pagaai een geweldigen slag op den kop toebrengt, die hem doet afdeinzen. Weldra bespeuren wij nog andere kaimans; hun aantal neemt steeds toe. Wij varen dicht langs eene zandbank, waar drie of vier dezer monsters zich in de zon liggen te koesteren. Zij gaan te water en een van hen zwemt naar het vlot. Apatoe wil hem een poets spelen. Zijne bedoeling is, den kaiman zoo dicht mogelijk in de nabijheid te lokken, en hem dan met een ijzeren staaf de hersenen in te slaan: te dien einde laat hij zeker eigenaardig geluid hooren, waarmede de Roecoeyenne-Indianen gewoon zijn, de krokodillen te lokken.De kaiman zwemt uitmuntend; zijn kop alleen, met wezenloos starende oogen, steekt half boven het water uit. Op vijftien pas afstands duikt hij.“Let op!” roept Apatoe ons toe.Ieder verwacht het monster aan zijn kant. Eensklaps vertoont zich zijn snuit vlak bij Lejanne, die haastig terug wijkt en aldus aan een vreeselijk gevaar ontsnapt; want op het eigen oogenblik beurt de kaiman zijn geweldigen kop en een deel van zijn lichaam uit het water: vlak voor het gelaat van onzen vriend, slaat hij met een luiden slag zijn geduchte kaken op elkaar. Ik geef Apatoe den raad, zich voortaan liever van dergelijke grappen te onthouden.Inmiddels is de lucht betrokken. Welhaast klieven eenige bliksemstralen de zwarte wolken; de donder ratelt, en de regen valt bij stroomen neder. Wij verdragen deze beproeving met wijsgeerige kalmte en laten het vlot zijn weg volgen. Eindelijk vinden wij eene geschikte plaats, waar wij vuur kunnen maken en onze hangmatten ophangen, ter halver hoogte van een steilen oever.De vermoeienissen en emoties van dien dag hebben ons uitgeput. Wij vallen weldra in een zwaren, diepen slaap. Den volgenden morgen bemerken wij dat wij ons bivak hebben opgeslagen op den weg van een zwerm maniokmieren. Dit zijn vrij groote roode mieren, welke steeds vergezeld zijn van andere zwarte mieren, die nog veel grooter en met zeer scherpe en sterke kaken gewapend zijn. Deze vriendelijke diertjes hebben in onze bagage eene aardige verwoesting aangericht. Zij hebben de klep van mijn pet, mijn tabakszak en het garnituur van mijn hoed weggevreten, en bovendien de helft van het muskietenscherm van Lejanne.3 November.—Den geheelen dag zien wij caoutchoucboomen in groote menigte, en niet minder guarumos, wier blanke, licht paars getinte stammen overal den oever omzoomen. De breede, van onderen zilverachtig gekleurde bladeren dwarrelen naar beneden in de rivier en veroorzaken kleine knalletjes, die de indrukwekkende stilte van het middaguur breken. Deze stilte is inderdaad aangrijpend. Alles schijnt in diepen slaap gedompeld; men hoort geen enkel geluid: de vogels zwijgen; de wind is gaan liggen; de rivier is glad en effenals een spiegel. De weinige woorden, die wij met elkander wisselen, de zachte riemslagen met de pagaai, worden door de echoos van het woud met zeldzame kracht weerkaatst en herhaald.Slechts des morgens en des avonds ontwaken de dieren uit hunne verdooving en komen in beweging: de papegaaien, de toucans en aras maken dan spektakel genoeg. Enkele cabiais laten een vreemdsoortig geluid hooren, dat eenigszins overeenkomt met zeer luid niezen en dat ons in den beginne steeds in lachen deed uitbarsten.Aan den linkeroever zien wij den mond eener rivier. Zou dat de Areare zijn? Later bleek mij, dat het de Duda was, wier vermogen door het opnemen van verschillende stroompjes en beken belangrijk was versterkt.Gedurende dezen dag werden wij tot drie malen toe door kaimans verontrust, die naar ons vlot zwommen. Hunne oogen en hun snuit teekenden zich helder af op het door het lommer der boomen donker gekleurde water, zoodat wij zeer gemakkelijk hun spoor konden volgen. De eerste naderde tot op vijftien pas afstands en keerde toen terug. Een tweede, even dicht genaderd, dook onder en verscheen een oogenblik daarna, vlak naast het vlot, boven water. Lejanne en Apatoe zonden ieder een kogel op hem af. Hij duikt onder en verschijnt weer op vijftig pas afstands. Waarschijnlijk hebben onze makkers wat overhaast geschoten. In ieder geval is de kaiman bang geworden, want hij laat ons verder met vrede.De laatste eindelijk zwemt zonder aarzeling naar ons toe, tot Lejanne hem, op twintig pas afstands, met een kogel tegenhoudt. Het schot was raak, want wij zien hem niet weder.Tegen den avond barst een onweer los. Het regent nog hard, als wij ophouden om ons kamp voor den nacht in gereedheid te brengen. De plaats voor ons bivak is uitmuntend. De oever is steil, maar dikke lianen zenden haar sterke stengels tot aan den rand van het water uit, en verschaffen ons zoo de gelegenheid, naar boven te klimmen. Hooge, eeuwenoude boomen spreiden hun dicht gebladerte over ons uit als een beschermend gewelf, waaronder wij ons ter ruste vlijen.V4 November.—De caoutchoucboomen zijn eensklaps verdwenen: nadat wij ze gisteren in zoo grooten getale hadden ontmoet, zien wij er nu—vreemd genoeg—geen enkelen meer.Den geheelen dag moeten wij oorlog voeren tegen de kaimans. Wij schieten op hen op dertig pas: geen wonder dat zij eerbied krijgen voor onze kogels. Nu en dan zien wij reusachtige monsters zich op de zandbanken welbehagelijk koesterende in de brandende zon. Wanneer de stroom ons naar diezandbankenvoert, dan gaan de geduchte gasten te water en zwemmen naar ons vlot, soms allen te gelijk, soms ook slechts een of twee.Een dezer dieren bezorgt ons eenige angstige oogenblikken. Voor ons ligt een niet hooge, maar steile zandplaat, die wij bijna rakelings zullen voorbijvaren. Een buitengewoon groote kaiman ligt roerloos op den oever uitgestrekt. Wat zal hij doen, als wij in zijne onmiddellijke nabijheid zullen zijn? Lejanne acht het raadzaam hem weg te jagen, en zendt een kogel op hem af. Bij het eerste schot spert het monster den muil open, en buigt zich een weinig ter zijde, terwijl zijn staart heftig in beweging is. Is hij dood of maakt hij zich tot tegenweer gereed? Op tien meters schiet Lejanne nogmaals: de kogel treft den kaiman in den buik. Hij stort zich in het water, dat hij in felle beroering brengt. Hij schijnt op ons af te komen, maar verdwijnt, slechts een weinig bloed achter latende.6 November.—Gister viel niets voor, der vermelding waardig, uitgezonderd de verschijning van dolfijnen, die ik hier, bijna aan den voet van de Andes, niet had gedacht te zullen ontmoeten.Heden morgen, bij het vertrek, viel een fijne regen, die overigens niet hinderlijk was. Ieder hield zich met het een of ander onledig: Lejanne maakte aanteekeningen; ik werkte aan mijne kaart. Het vlot drijft regelmatig met den niet te sterken stroom af; de rivier levert geen moeilijkheden op; wij kunnen ons gerust laten gaan. Onze bootslieden zijn bezig met het herstellen van de muskietenschermen, die natuurlijk op den tocht door de bosschen eenige schade hebben bekomen.Omstreeks tien uur verstrooien zich de wolken, slechts aan de toppen der hooge boomen eenige nevelvlokken achterlatende, die weldra onder den invloed der zonnestralen verdampen.Tegen twaalf uur laat Apatoe eensklaps een kreet hooren, die ons door merg en been dringt. Hij is verdwenen. Er is geen twijfel meer mogelijk: een kaiman heeft hem aangegrepen. Het rampzaligste is, dat wij buiten staat zijn, hem te hulp te komen. Huiverend, sprakeloos van ontzetting, staren wij elkander aan.Eensklaps bespeur ik een hand, krampachtig vastgeklemd om eene liane, welke achter aan het vlot hangt. Ik grijp die hand en trek haar met alle kracht naar mij toe. Het hoofd van Apatoe verschijnt boven water. Zijne oogen zijn rood, en op zijn gelaat ligt de uitdrukking van onuitsprekelijken doodsangst. Met zwakke stem herhaalt hij het woord: Kaiman! Kaiman!—Geholpen door François, trek ik hem bij de schouders omhoog, terwijl hij zich met alle kracht vastklemt aan de balken van het vlot. De kaiman laat hem nog niet los. Hoe zal de ongelukkige er uitzien?Lejanne, met zijn geweer in de hand, wacht het oogenblik af, dat ook het monster zelf verschijnt, om het dan een kogel toe te zenden en te noodzaken zijne prooi los te laten. Apatoe raakt eindelijk vrij, en het gulzige dier krijgt een schot juist toen het mijne pet, die in het water gevallen was, inslokte.Wij kunnen nu onderzoeken, wat er met onzen makker is geschied. Hij heeft eene niet gevaarlijke wonde ontvangen aan de buitenzijde van het rechter been, even beneden de knie. Hij is aan een afschuwelijken dood ontsnapt, en heeft zijne reddingslechts aan schijnbaar onbeteekenende omstandigheden te danken. Juist toen hij in het water viel, ontmoette zijne hand eene gebroken liane, die achter aan het vlot hing: instinktmatig, door de zucht naar zelfbehoud gedreven, vatte hij die aan en omklemde haar met alle kracht. Gelukkig had het monster hem slechts met de voortanden gegrepen en wel aan het minst vleezige gedeelte van het been. Had de kaiman wat verder doorgebeten, zoodat hij ook het scheenbeen met zijn kaken had gevat, dan ware geene menschelijke macht in staat geweest, onzen vriend te redden. Nu is de zaak niet zoo erg; onverwijld leg ik het eerste verband aan.Wij zetten koers naar den rechteroever, waar wij bamboes zien; wij gaan aan land, en weldra heeft François met de lange stengels eene soort van leuning of borstwering rondom het vlot gemaakt, die ons tegen dergelijke verrassingen zal beveiligen en den tijd zal geven om ons tegen het gevaar te wapenen, wanneer de krokodillen de gewoonte mochten aannemen, ons aan te vallen.Jacht op een kaiman.Jacht op een kaiman.Wij hervatten onzen tocht. De gewonde is niet in staat om te pagaaien. Lejanne en ik, wij komen overeen, beurtelings te roeien, als François onze hulp mocht behoeven.Het verwondert ons zeer, nog geen Indianen te ontdekken. Indien zij zich hier in den omtrek ophielden, moest ons onophoudelijk schieten er toch eenigen naar den oever lokken. Wij leiden daaruit af, dat wij den mond van de Areare nog niet voorbij zijn, en dat wij dus ook den Raudal nog in het verschiet hebben. Dit laatste vooruitzicht is des te minder geruststellend, omdat onze schipper, tengevolge van zijne verwonding, half buiten gevecht is gesteld.Des avonds vonden wij eene zeer geschikte plaats voor ons bivak. Het kost ons eenige moeite, onzen gewonde tegen den steilen oever naar boven te dragen; hij verzekert ons echter dat hij niet veel pijn heeft.—Het muskietenscherm van Lejanne is voor verreweg het grootste gedeelte vernield. Tegen twee uur in den morgen heeft hij nog geen oog geloken, evenmin als in de beide vorige nachten. Ik bied hem mijn hangmat aan, opdat hij een weinig zou kunnen rusten. Hij is lijdende en vermagerd.9 November.—De kaimans laten ons sedert een paar dagen met rust. Zou dat de uitwerking zijn van onze broze borstwering? Sedert gisteren hebben wij een heuvelketen in het gezicht, volkomen gelijkende op die, door welke wij den tweeden November gevaren zijn. Voor mij is nu elke onzekerheid opgeheven: daar is de Raudal, en achter die heuvelen zullen wij den mond van de Areare vinden.Heden middag, ten twee uren, bevinden wij ons voor den ingang van eene tweede engte, geheel gelijk aan de eerste, Ditmaal voorzichtiger, door de ervaring geleerd, hebben wij den linkeroever gehouden, zoodat wij aan wal kunnen gaan om den toestand te overzien. De ingang is smal en vormt eene scherpe bocht, die eenige moeilijkheid zal opleveren. Verder op, is de vaart breeder; er zijn verschillende kolken en wielingen, maar wij kunnen geen eigenlijken val ontdekken. Intusschen overzien wij slechts een klein gedeelte van dit lange kanaal, doch dat gedeelte levert geene bijzondere bezwaren op.Op ons gelukkig gesternte vertrouwende, gaan wij vol moed het onbekende tegen. Bij den ingang der bocht worden wij door eene draaikolk aangegrepen. Het vlot schiet pijlsnel vooruit, naar den oever toe, en keert dan even snel terug: deze beweging herhaalt zich tot driemaal. Bij den derden draai zijn wij buiten de wieling; wij varen door de bocht en bevinden ons nu midden in den feilen stroom. De gemiddelde breedte van hetkanaal is tusschen de veertig en vijftig meters. De rotswanden ter wederzijde bestaan ook hier uit lagen zandsteen, waarvan de onderste glimmend zwart zijn. Het water heeft allengs die zwarte steenblokken afgeschaafd, uitgehold, laat ik mogen zeggen gebeeldhouwd. Wij zien, tot onze uiterste verbazing, gansche rijen van wonderlijke figuren boven elkander, die aan chineesche of indische afgodsbeelden doen denken, en zoo als zij daar staan, een allerzonderlijksten indruk maken. Wij zijn een en al bewondering en vergeten voor eenoogenblikons vlot, dat weer door een draaikolk aangegrepen, naar eene overhangende rots wordt gevoerd, toen Apatoe, die, ondanks de pijn van zijne wonde, in deze omstandigheden de leiding van ons vaartuig heeft op zichgenomen, ons nogmaals redde, door de roeispaan zoo krachtig tegen de rots te duwen, dat het hout in zijne hand brak. Zonder hem zouden wij verpletterd of verdronken zijn.Dwars door de bamboes.Dwars door de bamboes.Na den Raudal zonder verderen hinder te zijn doorgekomen, gaan wij aan den rechteroever aan land, waar wij eene uitstekende plaats vinden voor ons kamp. Hoewel het nog klaar dag is, besluiten wij hier te blijven om te overnachten.—Goddank! wij zullen weldra menschen ontmoeten. Wij zien de overblijfselen van een vuur, met drie regelmatige steenen, waartusschen verkoolde stukken hout. Sommige boomen vertoonen de versche sporen van bijlslagen. De Indianen zijn niet verre.Lejanne vuurt tot tweemaal toe zijn geweer af, om hen van onze nabijheid te verwittigen; daarop volgt hij de half uitgedroogde bedding eener beek, hopende eenig wild te zullen vinden. Deze beek vloeit over eene bedding van kalen zandsteen, waar hier en daar kommen of plassen zijn overgebleven, wemelende van kleine vischjes; zoo hij een mand of korf bij zich had, zou hij ze bij menigte hebben kunnen vangen. Nu keert hij zonder wild en zonder visch terug. Het is toch eigenlijk al te dwaas, dat men in eene zoo wildrijke streek evenwel gebrek aan versch vleesch kan hebben. Alle jagers hebben echter hun ongeluksdagen, waarop zij platzak huiswaarts komen. Misschien hebben onze schoten de dieren op de vlucht gejaagd.De avond is gedaald. Wij hebben nog geen bezoek van Indianen ontvangen, maar wij brengen een heerlijken nacht door, zonder door muskieten gekweld te worden.10 November.—Nadat wij in den morgen eenige waarnemingen gedaan en andere werkzaamheden verricht hadden, gingen wij weder op weg. Omstreeks vijf uur in den namiddag bespeurden wij een aantalcouicouisop een boom langs den oever. Lejanne wil ons een dezer vogels bezorgen. Wij gaan dus aan land: het wordt ook tijd om ons kamp op te slaan. Ik ga vuur aanmaken; François is een zeer middelmatig schutter; Apatoe kan niet loopen; Lejanne moet dus voor ons diner zorgen. Hij gaat naar den boom, waarop wij ons wildbraad hebben zien zitten. Een oogenblik daarna hoor ik een schot en tevens het geroep: François! François! Het verwondert mij, dat Lejanne hulp noodig heeft om een couicoui te dragen. Maar hoe groot is mijne verbazing, toen zij beiden met een pecari komen aanslepen. De pecaris leven doorgaans in meer of minder groote troepen of kudden; zij verraden hunne tegenwoorheid door hun geknor en het geknars met hunne slagtanden; ook verspreiden zij eene sterke muskuslucht: Niets van dat alles heeft ons hier getroffen. Het dier, dat Lejanne geschoten heeft, was vermoedelijk van de kudde afgedwaald en liep nu zijne makkers te zoeken; zijn dood redde het leven van een couicoui. Deze wijziging in het menu is mij in het minst niet onaangenaam.—Wij maakten ons gereed, het varken te ontleden, toen Lejanne, wien het koude zweet uitbrak, in zwijm viel. Ik begin mij ongerust over hem te maken. Het is hoog tijd, dat wij de Indianen aantreffen en wat rust nemen.VI11 November.—Omstreeks elf uren varen wij langs de monding van eene vrij aanzienlijke rivier, die zich aan den linkeroever in de Goyabero uitstort. Ditmaal is het inderdaad de Areare, die van San-Juan de los Llaños afdaalt en door het dorp San-Martino vloeit. Eenige kooplieden van dit dorp zijn handel komen drijven met de Mitoeas-Indianen, die aan de uitmonding van de Areare wonen. Andere kooplieden uit San-Fernando de Atabapo hebben eens of tweemaal de Guaviare en de Areare opgevaren tot aan San-Martino.In zestien dagen hebben wij nu een afstand afgelegd van honderd-vijf-en-twintig mijlen door een geheel onbewoond land, waar nog nimmer, voor zoover bekend, een menschelijk wezen den voet had gezet, en waar zeer waarschijnlijk ook niet spoedig iemand ons spoor zal volgen.Weldra bespeuren wij achter ons, naar den kant van de Areare, een zwaren rook, die in koperkleurige wolken omhoog stijgt. Daar bevinden zich Indianen, die het hooge gras eener savane of een gedeelte van het woud in brand hebben gestoken, om ruimte te krijgen voor een dorp.Omstreeks een uur zien wij acht palen, in twee rijen in den grond gestoken, en die blijkbaar hebben gediend om hangmatten aan te bevestigen. Dicht in de nabijheid staan nog andere palen. Even daarna maakt de rivier eene kromming.“Eene hut!” roept François.Het is inderdaad zoo; wij naderen eene groote savane, waar de rivier midden door loopt. Een weinig achterwaarts van den hoogen steilen oever staat eene hut, die veel overeenkomst heeft met een breeden lagen hooiberg. Eer wij aan dit hooge weiland komen, moeten wij nog een kilometer ver langs het bosch varen.“Roode kinderen!” roept François voor de tweede maal.En ook nu is het waar. Op omgevallen of gestrande boomstammen zitten eenige kinderen, in verschillende houdingen neergehurkt, het hoofd een weinig voorover gebogen, en ons met vreesachtigeen wantrouwende blikken gadeslaande. Vlak daarbij zien wij twee Indianen, staande in hunne prauw, met hun boog en pijlen in de hand. Wij binden een hemd aan een stok en wuiven met die geïmproviseerde parlementaire vlag. Tevens laat ik Apatoe, bij wijze van begroeting, eenige schoten met los kruit doen. Dit schieten moest den Indianen aan het verstand brengen, dat wij als vrienden in hun midden verschijnen: vijanden zouden immers niet op deze wijze kennis geven van hunne komst. Tevens kunnen zij bemerken dat wij goed gewapend zijn en dat het dus een roekeloos ondernemen zou wezen, ons kwalijk te bejegenen. Ook deze wetenschap kan geen kwaad.Dit gedaan zijnde, sturen wij naar hen toe. Naarmate wij dichter bij komen, verlaten zij hunne stelling en klauteren tegen den vrij steilen oever omhoog. Ik steek mijn revolver in mijn gordel en trek een vest aan om het wapen te verbergen. Lejanne neemt zijn patroontasch en doet twee patronen op zijn geweer. Eindelijk komen wij aan den oever. Ik gelast François en Apatoe goed op het vlot te passen, terwijl wij beiden, Lejanne en ik, op verkenning zullen uitgaan naar het dorp.Wij weten nog niet hoe wij ontvangen zullen worden, maar toch zijn wij zeer gelukkig eindelijk weer eens menschen te ontmoeten. Onze Indianen staan op den oever, dien wij vlug beklimmen. Zij gelijken op alle Indianen, die ik tot dusver gezien heb. Wij zien voor ons drie mannen van vijf-en-twintig à dertig jaar, een jongeling van zeventien of achttien jaar, en een meer bejaard man, die de vijftig achter den rug schijnt te hebben. Er is hier een kleine open plek in het woud; ter linkerhand staat een soort van afdak of hut van palmbladen; voor ons begint het pad, dat naar de savane voert. Wij onderscheiden daar eenige vrouwen, die manden vol visch dragen en zich haastig verwijderen. Midden op de open ruimte staan eenige kinderen, die, gedreven door nieuwsgierigheid en weerhouden door vrees, eerst zich achter hun vaders schijnen te willen verschuilen, maar die eindelijk, schuwe blikken achterwaarts werpende, zoo hard zij kunnen hunne moeders naloopen.Met uitgestoken hand treed ik op den oudsten der Indianen toe. Hij draagt een koord om den hals, waaraan vier hoektanden van een jaguar zijn bevestigd. Daar alleen de aanzienlijken—althans bij de mannen—de gewoonte hebben, halssnoeren te dragen, maak ik daaruit op, dat ik een dorpshoofd voor mij heb. Hij is iemand van ter nauwernood middelbare gestalte, met een zeer breede borst, een vooruitstekenden buik en magere beenen. Zijn aangezicht is rond en met rocou besmeerd; zijne ietwat rossige, zeer levendige oogen staan een weinig schuin; de wangbeenderen steken vooruit.Onderstellende dat deze Mitoeas-Indianen misschien de Areare zijn opgevaren tot San-Martino, en dat zij wellicht eenige woorden spaansch verstaan, spreek ik den hoofdman toe met een “Buenas dies, señor capitan”; daarbij, volgens gebruik, luidkeels lachende. Hij drukt mij de hand en lacht op zijne beurt. Lejanne geeft hem ook de hand, terwijl ik met de andere mannen, onder luid geschater, handdrukken wissel. Een hunner verstaat enkele woorden spaansch en zal ons bij zijne makkers tot tolk dienen. Wij geven hem te kennen, dat wij hunne hutten wenschen te bezoeken en bij hen een poosje willen uitrusten. Wij begeven ons op weg en slaan, voorafgegaan door onze Indianen, het pad in, dat dwars door een stuk bosch, naar de savane voert. Het pad is vrij breed, effen en ter wederzijde door laag hout en heesters omzoomd, waarachter zich het hoog geboomte verheft. Op de vlakte gekomen, zien wij drie hutten op onderlingen afstand van vijf- tot omstreeks achthonderd el geplaatst.Wij richten onze schreden naar de naaste hut. In het gras langs het pad liggen een aantal verkalkte schilden van schildpadden. Groote honden, gestreept als tijgers, met rechtopstaande ooren en lange snuit, beginnen bij onze nadering uit alle macht te blaffen. Zij schijnen stellig van plan, een aanval op onze beenen te doen; maar zij ontvangen van hunne meesters eene kastijding, die hen doet besluiten—zij het ook onwillig—eene meer vreedzame houding aan te nemen. Een haan en een paar kippen loopen te pikken in de nabijheid der hut, die, uit de verte gezien, heel veel weg heeft van een groote bijenkorf. Naderbij gekomen, zie ik dat zij bestaat uit latwerk, met palmbladen gedekt. Twee rijen houten palen, in de hut geplaatst, zijn onderling met lianen verbonden. Aan elke zijde is in den wand eene opening, die met een deur van palmbladen kan worden gesloten. Ook in het dak is eene opening gelaten, waardoor het licht binnendringt en de rook een uitweg vindt.Bij het binnentreden der hut kunnen wij, door de heerschende duisternis, eerst niets onderscheiden. Als wij eenigszins aan de schemering gewend zijn, bespeuren wij vier vrouwen, die op den grond zijn neergehurkt. Op nieuw worden, onder luid gelach, handdrukken gewisseld. De kinderen huilen van schrik; wij tikken hun vriendelijk op den wang, hetgeen ze een weinig tot bedaren brengt.Met behulp van onzen tolk geef ik aan de Indianen te kennen, dat ik gaarne mondbehoeften van hen koopen wil: bananen, cassave, visch, alles, in een woord, wat zij ons leveren kunnen. Bovendien zou ik gaarne eene prauw koopen en twee mannen huren om met ons te gaan tot het naaste dorp, nadat wij eerst een weinig bij hen gerust hebben.Ik deel hun tevens mede, dat Apatoe door een kaiman gewond is, en dat het wenschelijk ware, indien een hunner hem helpen wilde om naar het dorp te komen. Een ander kan François behulpzaam zijn, om onze bagage, die van het water te lijden heeft gehad, op den oever te brengen, ten einde ze te laten drogen. Inmiddels deel ik eenige kleine geschenken onder hen uit: vischhaken, scharen, messen, naalden, als belooning voor dezekleine diensten. Zij schijnen zeer in hun schik en behandelen ons vriendelijk.Lejanne merkt op, dat hij eene vrij sterke gelijkenis vindt tusschen deze Indianen en de inwoners van Indo-China; hunne oogen staan minder schuin en hun neus steekt meer vooruit. Maar overigens, hebben zij dezelfde gestalte, dezelfde bruingele kleur als de Annamiet, die met ontbloot bovenlijf op de rijstvelden arbeidt. Beiden hebben zwaar, zacht, zwart hair met een rosachtigen weerschijn; uitstekende wangbeenderen, eene breede borst, magere en ietwat gekromde beenen; de groote teen staat geheel afgezonderd van de andere, die kort en rond zijn. Doorgaans hebben deze Indianen donker rosachtige oogen. De mannen knippen hun hair op het voorhoofd af, tot omstreeks een vinger boven de wenkbrauwen; ter zijde en van achteren laten zij het langer groeien. Hunne kleeding bestaat uit decalimbé, een lap katoen, eertijds wit van kleur, die aan een om de heupen geknoopt koord is vastgemaakt en tusschen de beenen doorgaat, om vervolgens, van voren en van achteren, tot even over de knieën af te hangen. Verder dragen zij boven de kuiten en aan de enkels een soort van banden of ringen van palmbladen. Een dergelijk blad wordt ook als krans om het hoofd gewonden. Om den hals dragen zij snoeren van zwarte zaadkorrels, afgewisseld door blauwe en roode glaskoralen.Eerste ontmoeting met een kaiman.Eerste ontmoeting met een kaiman.De mannen hebben iets fiers en statigs in houding en gang; maar de vrouwen hebben zulk een voorkomen van bestialiteit en een zoo onbevalligen, waggelenden, slependen gang, dat zij inderdaad afschuwelijk mogen genoemd worden. Misschien is dit een gevolg van den zwaren arbeid, waartoe zij sinds hare jeugd veroordeeld zijn. Drie der hier aanwezige vrouwen, hoewel nog jong, zijn geheel verwelkt en afgeleefd. Haar hair is langer dan dat der mannen; zij maken eene soort van scheiding, maar gebruiken nimmer een kam. Hare kleeding bestaat uit een hemd, of liever een soort van zak, waarin gaten zijn gelaten om het hoofd en de armen door te steken. Dit kleedingstuk wordt door haar zelven gemaakt; het is vervaardigd van plantenvezels, die fijn gestampt en tot een soort van stijve watten gemaakt worden. Het spreekt van zelf, dat deze stof al zeer weinig plooibaar is en zich niet voegt naar de vormen van het lichaam. Zij dragen halssnoeren van glaskoralen.Al de bewoners van het dorp vereenigen zich in onze hut: wij hebben dus al spoedig met iedereen kennis gemaakt. Bij ons binnentreden was de bodem der hut bezaaid met allerlei soorten van visch, waarvan enkelen een meter lang waren. Ik koop er eenigen, die Lejanne uitteekent, eer zij gekookt worden. Onze makkers zijn inmiddelsook aangekomen, en weldra smullen wij aan gekookte en gebakken visschen, welke de vrouwen voor ons hebben klaargemaakt. De Indianen, op den grond neergehurkt of op kleine, uitgeholde, zeer lage bankjes gezeten, vormen een kring rondom groote aarden potten, waaruit zij met de rechterhand stukken visch halen, die zij vervolgens met de linker naar den mond brengen.Bivak in het woud.Bivak in het woud.Dan komt de beurt aan den gebakken visch. Van tijd tot tijd vullen zij een kalebas met water uit een aarden pot met een lange rechte tuit, niet onbevallig van vorm. Daar komt geen einde aan het maal. Hoopen visch verdwijnen in de magen der gasten en men gaat nog maar altijd met bakken voort.Ik tracht van de aanwezige mannen eenige inlichtingen te bekomen. Voor zoo ver ik uit hunne verklaringen wijs kan worden, kennen zij San-Martino, maar niet San-Fernando. Benedenwaarts langs de rivier zullen wij eenige indiaansche pueblos vinden; om het naaste dorp te bereiken, hebben wij een dag varens noodig. Twee mannen zijn bereid ons tot daar te vergezellen, en zullen daarvoor ieder als belooning een hakmes ontvangen. De hoofdman zal ons eene prauw afstaan, in ruil voor een bijl en een lap katoen.Geld is hier niet in zwang en wordt niet aangenomen; toch is het niet geheel onbekend, want om den hals van een jong meisje zie ik twee stukjes van vijftig centimes, een met het portret van Louis-Philippe en een met dat van Napoleon III. Hoe mogen die fransche geldstukjes hier verzeild zijn geraakt? Op die vraag is het niet mogelijk een antwoord te geven; maar zeker had ikniet verwacht, de beeltenissen van deze twee vorsten naast elkander te zien prijken op de borst van een indiaansch meisje in het hart der wouden van Zuid-Amerika.Het meubilair van onze Indianen bestaat uit hangmatten, eenig aardewerk, eenige kleine, lage, holle bankjes, schilden van schildpadden, die als zetels dienen, drie bijlen en een hakmes; als wapenen hebben zij pijl en boog; zij gebruiken geen sarbacanen (blaaspijp) en bedienen zich ook niet van gif.De avond is gedaald. De maan schijnt met volle pracht en helderen glans aan den wolkeloozen hemel. Er waait een zacht koeltje; de lucht is frisch en verkwikkend.Het dorpshoofd en zijn zoon zijn naar hunne woning teruggekeerd. Wij verzoeken den drie mannen, die achtergebleven zijn, ons een proefje te willen geven van hun nationale zangen en dansen. Aanvankelijk maken zij daartegen eenige bedenkingen, maar ik had opgemerkt dat zij geen tabak hadden en gretig onze weggeworpen eindjes sigaar oprookten. Ik haal drie sigaren uit mijn zak en bied hun die aan: nu veranderen zij van toon en verklaren zich bereid, aan ons verlangen te voldoen. Hun gezang is, hoewel zeer weemoedig, toch vrij welluidend, maar bij uitstek eentonig, want het bestaat slechts uit eene enkele frase, die eindeloos wordt herhaald. Een hunner geeft de maat aan, met behulp van een kalebas, waarin zaadkorrels verborgen zijn en die hij heen en weer beweegt; die kalebas is met figuren versierd even als het vaatwerk. De vrouwen hebben het te druk om aan den dans deel te nemen. De kinderen scharen zich, twee aan twee, op eene rij achter de mannen en bewegen zich, als zij, langzaam, met afgemeten schreden voort, daarbij met hun rechter voet de maat slaande. Iedereen schijnt zeer tevreden en gelukkig: trouwens, de behoeften dezer arme lieden zijn al zeer weinige en dus spoedig voldaan.—Omstreeks tien uren strekken wij ons uit in onze hangmatten; voor het eerst sedert zeventien dagen slapen wij rustig, met een dak boven ons hoofd.12 November.—Wij brengen den dag door met teekenen en photografeeren, met het doen van sterrekundige en meteorologische waarnemingen. Morgen zal onze bagage droog zijn; in den morgen van den veertienden zullen wij vertrekken.Na het middagmaal zijn alle bewoners van het dorp, mannen en vrouwen, grooten en kleinen, bij onze hut vereenigd. De mannen hervatten hun eentonig gezang en hun niet minder eentonigen dans, die ons niet kunnen boeien. De muskieten zijn zeer talrijk en hinderlijk; wij begeven ons dus spoedig ter ruste, na onze geweren onder onze hangmatten op den grond te hebben gelegd. Het duurt niet lang, of Apatoe bemerkt zekere beweging die hem verdacht voorkomt. Terwijl het gezang buiten wordt voortgezet, ruimen de vrouwen al het huisraad en de wapenen in de hut op. Hij maakt mij wakker en deelt mij zijne waarneming mede; ik denk dat de Indianen zich naar de andere hutten zullen begeven om deze geheel tot onze beschikking te laten. Zonder mij in het minst ongerust te maken, slaap ik weer in; maar even daarna wekt Apatoe mij op nieuw: hij vertrouwt de zaak niet. Het zingen heeft opgehouden. Wij springen uit onze hangmatten en treden naar buiten, met onze geweren in de hand.Er is niemand te zien. Ik zal met Lejanne mij gaan overtuigen, of de andere hutten ook verlaten zijn; François en Apatoe zullen inmiddels hier de wacht houden. Niet zonder een zeer onaangename gewaarwording, bemerken wij dat inderdaad de inwoners zijn verdwenen. Waarom hebben de Indianen zich verwijderd? Willen zij onze bagage stelen? Er valt geen oogenblik meer te verliezen: wij moeten trachten hen zoo spoedig mogelijk in te halen. Lejanne vuurt tweemaal zijn geweer af, ten teeken dat wij hunne vlucht bemerkt hebben; in de hoop dat zij zich dan zoo spoedig mogelijk uit de voeten zullen maken, zonder zich den tijd te gunnen onze bagage mede te nemen, die onder het afdak nabij den oever geborgen is. Wij gaan het bosch in en loopen zoo snel als de donkerheid toelaat; tevens zooveel mogelijk links en rechts uitkijkende, want niets zou gemakkelijker zijn, danà bout portanteenige pijlen op ons af te zenden, en hebben de Indianen inderdaad het voornemen om ons te bestelen, dan zullen zij er ook wel geen been in vinden ons dood te schieten. Eindelijk komen wij aan den oever. De maan werpt haar helder licht op de open plek in het woud en op den kant der rivier. Daar staat onze bagage ongeschonden; daar ligt ons vlot rustig aan den oever. Daarentegen zijn alle prauwen verdwenen, ook die welke wij gekocht hebben. Wij halen ruimer adem, en Lejanne laat nogmaals twee schoten weerknallen, die de vluchtelingen in den waan zullen brengen, dat wij bij de bagage zijn en hen verhinderen, terug te komen.Weldra zijn wij weder bij onze makkers terug, wien wij de goede tijding mededeelen. Wij houden niettemin onze geweren gereed, ten einde op alles voorbereid te zijn, en blijven onder het rooken van eenige sigaren met elkander praten. Daarop begeven wij ons weer ter ruste en ontwaken eerst vrij laat in den morgen.13 November.—Wij vinden in een hoek de hakmessen, welke wij ten geschenke hadden gegeven aan de mannen die met ons mede zouden gaan, en ons linnengoed, dat wij aan de vrouwen gegeven hadden om te wasschen. Deze nauwgezette eerlijkheid verwondert ons. De hoofdman alleen is minder kiesch geweest: hij heeft de bijl en de lap katoen medegenomen, waarmede wij de prauw betaald hebben, die nu ook verdwenen is.Onze Indianen hebben hun haan en hunne kip vergeten: met hunne honden, vormden deze twee vogels hun geheelen rijkdom aan huisdieren. Wij vinden er hoegenaamd geen bezwaar in, de beide vogels mede te nemen, als vergoeding voor onze prauw.Ons vlot is een weinig gedroogd; het zinktminder diep in het water en wij zullen ons nogmaals aan dat broze vaartuig toevertrouwen, dat ons toch reeds meer dan eens het leven heeft gered. Inderdaad, als ik denk aan de nog veel brozer prauwen van uitgeholde boomstammen, aan de gevaren, waarmede de vaart op de rivier gepaard gaat, aan de vermetele stoutmoedigheid der kaimans, dan zou ik mij bijna kunnen verheugen over de vlucht onzer Indianen. Alles wat ons tot dusverre aanvankelijk een ramp scheen, is naderhand gebleken een geluk te zijn.Tegen den middag wordt onze bagage, die nu weer geheel droog is, op het vlot geschikt, en wij hervatten onzen tocht. Aanvankelijk varen wij langs de savane, dan komen wij weder in de bosschen. Hier en daar wijst een verbrande boom de plaats aan van een verlaten kamp der Indianen.Groote zeemeeuwen vliegen schreeuwend boven onze hoofden heen en weer, zoodra wij eene zandbank naderen, waarop zij haar eieren hebben gelegd. Talrijke bruinvisschen duiken, snuivend en blazend, uit het water op en springen en dartelen overal rondom het vlot. Wij overnachten in het woud.14 November.—Lejanne en ik zijn telkens verplicht de plaats in te nemen van Apatoe, die nog altijd zijne rust moet houden, en ter vermijding van ongevallen, de pagaaien ter hand te nemen. Daar wij dit werk niet gewoon zijn, wordt de vaart voor ons vrij vermoeiend.In den namiddag zien wij een pas gevormd eilandje voor ons, waarvan het teedere frissche groen helder uitkomt tegen de donkere tinten der bosschen. Eene prauw steekt van den oever af. Met behulp van onzen kijker, onderscheiden wij een gezin van Indianen. Wij roepen hen uit de verte aan, maar zij spoeden zich naar den linker oever en verdwijnen in het woud, hunne prauw aan den oever achter latende. Weldra zijn wij in de nabijheid van dat vaartuig, hetwelk ons uitstekend te stade zou komen. Ik gevoel grooten lust, mij van de prauw meester te maken, en als betaling, op den oever een onzer fraaie amerikaansche bijlen achter te laten. Door de prauw, met behulp van vuur, wijder te maken en van eene verschansing te voorzien, zouden wij met onze bagage daarin plaats kunnen vinden, en zouden wij veel spoediger te San-Fernando kunnen zijn. En ook zoo als zij nu is, zou de prauw ons de grootste diensten kunnen bewijzen voor de jacht: op het stuk van vleeschspijzen, hebben wij niets meer dan een buscorned beefen een doosje sardines.Maar Lejanne blijft bedenkingen opperen tegen dien gedwongen verkoop, die mij zoo sterk aantrok. Hij is van oordeel, dat wij ons verdiend loon zouden krijgen, indien de vertoornde eigenaar ons een of andere poets zou spelen, en, bij voorbeeld, ’s nachts ons vlot wegnemen of vernielen. De prauw blijft alzoo waar zij is.15 November.—Met het krieken van den dag zijn wij weer op weg. Elken morgen, omstreeks vijf uren, wek ik François, die koffie voor ons zet en de rijst kookt, waaruit ons ontbijt bestaat en waarop wij tot den avond moeten teren. Omstreeks acht uur krijgen wij een Indiaan in het oog, die in zijne prauw zit te visschen, aan de uitmonding eener kreek, aan den linkeroever. Hij is de eerste om ons aan te roepen. Wij zetten koers naar den oever, en het gelukt ons te landen. De man heeft een knaap bij zich van omstreeks dertien jaren en een kind van zeven of acht jaar. Hij is van het hoofd tot de voeten met rocou besmeerd, maar spreekt vlot spaansch. Blijkbaar heeft hij eenigen tijd in de beschaafde wereld verkeerd. Hij heeft bereids eenige visschen gevangen; zijn dorp is niet verre en hij is bereid ons levensmiddelen te verkoopen. Wij komen bijna in verzoeking, den man te omhelzen, hoewel die rood geverfde Indiaan, die zoo zuiver spaansch spreekt, ons eigenlijk eenige achterdocht inboezemt. Lejanne neemt zijn geweer; ik steek mijn revolver in mijn gordel, en na onzen makkers te hebben aanbevolen, in onze afwezigheid goed de wacht te houden, vertrekken wij in gezelschap van onzen roodhuid. Zijne prauw is zeer lang, zeer smal en bij uitnemendheid onzeewaardig. Wij zitten op den bodem, met opgetrokken beenen, in eene zeer vermoeiende houding. Wij varen de kreek in; wij gaan snel voort, maar wij stooten elk oogenblik tegen verdronken stammen en overhangende takken; en het is inderdaad een wonder, dat wij op deze vaart van een kwartier niet zijn omgeslagen.Bij de aanlegplaats gekomen, ontmoeten wij een anderen Indiaan, die van het dorp komt, zijn boog en pijlen over den schouder; hij keert op zijn schreden terug om ons te vergezellen. Wij volgen midden door het woud een ter nauwernood gebaand pad, gaan over eene zeer primitieve brug, uit twee dunne stammen van palmboomen bestaande, met een dunne liane bij wijze van leuning; en komen eindelijk aan eene savane. Wij vinden daar slechts eene enkele hut, bestaande uit een op palen rustend dak, zonder muren. Wij gaan daarheen en ontmoeten er een derden Indiaan met twee vrouwen en eenige kinderen.De mannen zijn krachtig gebouwd, klein, maar welgevormd. De vrouwen zijn afschuwelijk leelijk. Eenige hangmatten, wat aardewerk, pijlen en bogen vormen het geheele ameublement van de hut. De vrouwen hebben zoo juist cassave klaar gemaakt: zij is nog een weinig week en moet, om goed te blijven, in de zon worden gedroogd. Wij koopen eenige cassavekoeken, alsmede een tros bananen, welke de mannen voor ons gaan plukken. Wij gebruiken wat gekookte visch met piment en bananen: deze schotel is voor ons bijna eene lekkernij. Maar het is tijd, naar onze makkers terug te keeren, die ons wachten met het ontbijt.Sedert eenige oogenblikken spreken de Indianen zeer luid onder elkander. Als wij gereed staan om te vertrekken, weigeren zij eenvoudig de gekochte levensmiddelen naar het vlot te brengen, en lachen ons in het gezicht uit. Zouden wij met schurken te doen hebben? Wij beginnen nuop onze beurt een ernstig woordje te spreken. Lejanne maakt zijn geweer gereed en ik haal mijn revolver voor den dag: wij bevelen hun aanstonds te doen wat wij verlangen. Dit helpt; zij nemen de manden met vruchten en koeken op en gaan op weg naar de aanlegplaats. Lejanne vestigt er mijne aandacht op, dat zij ons op de vaart naar het vlot zouden kunnen doen omkantelen. De opmerking is juist: wij zullen dus te voet naar den oever gaan, waar het vlot ligt.Wij noodzaken de Indianen voor ons uit te gaan, hetgeen blijkbaar niet naar hun zin is, want elk oogenblik staat een hunner onder een of ander voorwendsel stil; maar wij houden hem in het oog, en wachten tot hij weer voortgaat. Wij keeren naar de savane terug, gaan een eind ver langs het bosch, en treden het eindelijk binnen. Een pad is er niet; wij dwingen dus onze Indianen langzamer te loopen en volgen hen op de hielen. Eindelijk, na een zeer vermoeienden marsch, waarbij wij de kreek—ditmaal zonder brug—hebben moeten doorwaden, bereiken wij het vlot.De vrouwen en kinderen van het dorp hebben zich reeds aan den oever verzameld. In de nabijheid liggen drie prauwen, onder de overhangende takken verborgen; ik koop eene daarvan, in ruil voor een bijl. Wij maken de prauw aan het vlot vast en varen af, niet zonder zekere genoegdoening den spijt en de teleurstelling gadeslaande van de Indianen, die eerst een zoo hoogen toon hadden aangenomen.In den namiddag ontmoeten wij achtervolgens drie prauwen. De eerste maakt zich zoo spoedig mogelijk uit de voeten. In de tweede bevinden zich een man, een vrouw en een kind; ondanks onze verzekeringen van vriendschappelijke gezindheid, houden deze lieden zich op een afstand, en deelen ons alleen mede dat zij naar San-Martino gaan. In de laatste prauw bevindt zich mede een gezin; de man en de vrouw maken een gunstigen indruk. Zij komen vol vertrouwen tot ons, maar verstaan geen spaansch, zoodat wij niets van hen vernemen kunnen. Wij koopen eenige vruchten van hen, en drukken elkander de hand ten afscheid.Tegen den avond bespeuren wij eene ledige prauw, die aan den oever vastgebonden ligt. Zou er hier in de nabijheid eene hut staan? Morgen ochtend zullen wij onze geweren afschieten om de inlanders te waarschuwen en tot ons te roepen, want wij wenschen met zooveel Indianen als mogelijk is kennis te maken.Wij beginnen aan onze laatste bus metcorned beef. Hoe heerlijk smaakt ons de versche cassave na onze eeuwige rijst. Wij brengen hier een uitmuntenden nacht door, bijna zonder muskieten.
IV2 November.—Op den oever grazen een menigte cabiais, die hier en daar zelfs de rivier overzwemmen, zonder bij onze nadering eenige vrees te laten blijken. De kalme gerustheid van bijna alle dieren, welke wij ontmoeten, bewijst dat de mensch in deze streken nog eene onbekende verschijning is.Omstreeks elf uur komen wij aan eene stroomversnelling. De rivier is hier vierhonderd ellen breed; midden in den stroom ligt een zandbank, waarvan de hooge steile oever, dien wij dicht naderen, voortdurend afbrokkelt. Het verval is vrij sterk. Apatoe, die voor op het vlot staat, roept eensklaps François toe: “Geef acht! Pagaai uit al uw macht!”. Wij komen aan de zandbank en gaan aan land. Het gelukt ons, niet zonder inspanning, het vlot aan de benedenpunt van de bank vast te meeren; daar kunnen wij zien, wat er eigenlijk gaande is. Voor ons, een weinig ter rechterhand, zien wij eene opeenstapeling van rotsen, een geweldigen rotsmuur, waarin slechts eene smalle bres of opening is gelaten, door welke de rivier zich schuimend en kokend een weg baant. De toestand is inderdaad ernstig genoeg. Het is niet mogelijk, met het vlot een der beide oevers te bereiken; lang voor wij zoo ver waren, zou de hevige stroom ons naar de bres hebben medegevoerd. Zullen wij onze bagage achterlaten? Er valt niet aan te denken: het doel van de reis zou zijn gemist, en wij zouden ellendig omkomen.Het is volstrekt noodig, de gesteldheid nauwkeuriger op te nemen. Misschien is de pas minder gevaarlijk dan zij ons toeschijnt. Apatoe neemt zijne pagaai, die hem tevens tot steun dient en om de diepte te peilen; dan begeeft hij zich te water om den linkeroever te bereiken. Niet zonder angst volgen wij met onze blikken onzen braven kameraad op den gevaarlijken tocht.Somwijlen reikt het water hem tot de schouders, en bekruipt ons de vrees dat hij zal worden medegesleept. Als hij van de been raakt, zal het hem vermoedelijk niet mogelijk zijn, aan den stroom weerstand te bieden. Ook denken wij onwillekeurig, en niet zonder huivering, aan de kaimans die zich in de rivier ophouden. Eindelijk heeft hij gelukkig den linkeroever bereikt, dien hij volgt tot aan de bres in den rotswand. Weldra keert hij langs denzelfden weg tot ons terug. Wat heeft hij gezien? Wij allen verkeeren in groote spanning.Het is eene lange, smalle opening dwars doorden rotsigen heuvel; naar het betrekkelijk weinige, dat Apatoe er van heeft kunnen zien, vat hij zijn indruk in een paar, niet zeer geruststellende woorden samen: “Dat zeer slecht; kan misschien door komen.”Wij zien elkander een oogenblik zwijgend aan. Ons besluit is genomen. In Gods naam, voorwaarts!Binnen vijf minuten zijn wij aan den ingang van de bres. Het vlot schiet door de smalle opening. Over eene lengte van twee kilometers wisselt de breedte van twaalf tot omstreeks vijf-en-twintig ellen. Wij hebben aan weerszijde een veertig el hoogen rotswand, bestaande uit reusachtige lagen zandsteen, waarvan sommigen vooruitsteken. Uit de spleten tusschen de rotsen schieten overal heesters en struiken omhoog. Hier en daar sijpelt langs de steile wanden een dunne waterstraal naar beneden. Nu en dan steken half overdolven rotsen langs de oevers omhoog en drijven het schuimende en wielende water terug. Het is of de rivier toornt over deze belemmering van haar vrijheid: brullend, kokend, wervelend, in ijlende vaart stormt zij voort. Nu eens glijden wij over den top der verdronken rotsen, om dan plotseling een meter te dalen. Op zeker oogenblik worden wij met onweerstaanbaar geweld heengevoerd naar eene vooruitstekende rots, die zich nauwelijks vijftig duim boven het water verheft. Het is gedaan: al wat zich op het vlot bevindt, zal zoo straks verpletterd of weggevaagd worden; de wervelende draaikolk zal ons allen in een oogwenk verslinden. Maar Apatoe, die nooit zijne koelbloedigheid verliest, heeft het gevaar reeds overzien. Met bovenmenschelijke inspanning duwt hij, met behulp van een ijzeren stang het vlot in den stroom terug. Wij zijn gered.Nu gaat verder alles goed. Bij den uitgang der bres verbreedt de rivier zich weer en wordt de stroom weer kalmer. Weldra bespeuren wij aan den rechteroever een frisschen waterval en een breede bank van zandsteen. Wij haasten ons, aan land te gaan; wij hebben er behoefte aan, eens even uit te rusten, en ons te verkwikken aan den aanblik der schoone weelderige natuur rondom ons. Wij verheugen ons van heeler harte, dat wij zoo gelukkig aan het dreigende gevaar ontsnapt zijn; en wenschen ons zelven geluk met het kloeke besluit om den doortocht te wagen, en niet, met achterlating van het vlot en beladen met onze bagage, te beproeven om over de rotsen te klimmen. En wie weet, misschien is dit wel de Raudal, waarvan men ons gesproken heeft; zoo ja, dan zullen wij weldra de Areare bereiken en Indianen ontmoeten, naar wier kennismaking Lejanne, die ze nog nooit gezien heeft, zeer verlangt.Na ontbeten te hebben, gaan wij weder scheep. Getrouw aan zijne ongelukkige gewoonte, heeft Toutou zich weer in het kreupelhout verscholen. Wij jagen hem langen tijd na zonder hem te kunnen inhalen. Hij zal de prooi worden van een jaguar of van honger sterven. Nauwelijks zijn wij honderd el van den oever verwijderd, of Toutou verschijnt en staat aan den waterkant te huilen. Het is te laat. Een goede hond zou ons nazwemmen: Toutou gaat niet te water en blijft achter.Wij komen zonder hinder over een tweeden val, die wel veel beweging maakt, maar niet gevaarlijk is. Even daarna nadert een reusachtige kaiman zoo dicht tot het vlot, dat Apatoe hem met de pagaai een geweldigen slag op den kop toebrengt, die hem doet afdeinzen. Weldra bespeuren wij nog andere kaimans; hun aantal neemt steeds toe. Wij varen dicht langs eene zandbank, waar drie of vier dezer monsters zich in de zon liggen te koesteren. Zij gaan te water en een van hen zwemt naar het vlot. Apatoe wil hem een poets spelen. Zijne bedoeling is, den kaiman zoo dicht mogelijk in de nabijheid te lokken, en hem dan met een ijzeren staaf de hersenen in te slaan: te dien einde laat hij zeker eigenaardig geluid hooren, waarmede de Roecoeyenne-Indianen gewoon zijn, de krokodillen te lokken.De kaiman zwemt uitmuntend; zijn kop alleen, met wezenloos starende oogen, steekt half boven het water uit. Op vijftien pas afstands duikt hij.“Let op!” roept Apatoe ons toe.Ieder verwacht het monster aan zijn kant. Eensklaps vertoont zich zijn snuit vlak bij Lejanne, die haastig terug wijkt en aldus aan een vreeselijk gevaar ontsnapt; want op het eigen oogenblik beurt de kaiman zijn geweldigen kop en een deel van zijn lichaam uit het water: vlak voor het gelaat van onzen vriend, slaat hij met een luiden slag zijn geduchte kaken op elkaar. Ik geef Apatoe den raad, zich voortaan liever van dergelijke grappen te onthouden.Inmiddels is de lucht betrokken. Welhaast klieven eenige bliksemstralen de zwarte wolken; de donder ratelt, en de regen valt bij stroomen neder. Wij verdragen deze beproeving met wijsgeerige kalmte en laten het vlot zijn weg volgen. Eindelijk vinden wij eene geschikte plaats, waar wij vuur kunnen maken en onze hangmatten ophangen, ter halver hoogte van een steilen oever.De vermoeienissen en emoties van dien dag hebben ons uitgeput. Wij vallen weldra in een zwaren, diepen slaap. Den volgenden morgen bemerken wij dat wij ons bivak hebben opgeslagen op den weg van een zwerm maniokmieren. Dit zijn vrij groote roode mieren, welke steeds vergezeld zijn van andere zwarte mieren, die nog veel grooter en met zeer scherpe en sterke kaken gewapend zijn. Deze vriendelijke diertjes hebben in onze bagage eene aardige verwoesting aangericht. Zij hebben de klep van mijn pet, mijn tabakszak en het garnituur van mijn hoed weggevreten, en bovendien de helft van het muskietenscherm van Lejanne.3 November.—Den geheelen dag zien wij caoutchoucboomen in groote menigte, en niet minder guarumos, wier blanke, licht paars getinte stammen overal den oever omzoomen. De breede, van onderen zilverachtig gekleurde bladeren dwarrelen naar beneden in de rivier en veroorzaken kleine knalletjes, die de indrukwekkende stilte van het middaguur breken. Deze stilte is inderdaad aangrijpend. Alles schijnt in diepen slaap gedompeld; men hoort geen enkel geluid: de vogels zwijgen; de wind is gaan liggen; de rivier is glad en effenals een spiegel. De weinige woorden, die wij met elkander wisselen, de zachte riemslagen met de pagaai, worden door de echoos van het woud met zeldzame kracht weerkaatst en herhaald.Slechts des morgens en des avonds ontwaken de dieren uit hunne verdooving en komen in beweging: de papegaaien, de toucans en aras maken dan spektakel genoeg. Enkele cabiais laten een vreemdsoortig geluid hooren, dat eenigszins overeenkomt met zeer luid niezen en dat ons in den beginne steeds in lachen deed uitbarsten.Aan den linkeroever zien wij den mond eener rivier. Zou dat de Areare zijn? Later bleek mij, dat het de Duda was, wier vermogen door het opnemen van verschillende stroompjes en beken belangrijk was versterkt.Gedurende dezen dag werden wij tot drie malen toe door kaimans verontrust, die naar ons vlot zwommen. Hunne oogen en hun snuit teekenden zich helder af op het door het lommer der boomen donker gekleurde water, zoodat wij zeer gemakkelijk hun spoor konden volgen. De eerste naderde tot op vijftien pas afstands en keerde toen terug. Een tweede, even dicht genaderd, dook onder en verscheen een oogenblik daarna, vlak naast het vlot, boven water. Lejanne en Apatoe zonden ieder een kogel op hem af. Hij duikt onder en verschijnt weer op vijftig pas afstands. Waarschijnlijk hebben onze makkers wat overhaast geschoten. In ieder geval is de kaiman bang geworden, want hij laat ons verder met vrede.De laatste eindelijk zwemt zonder aarzeling naar ons toe, tot Lejanne hem, op twintig pas afstands, met een kogel tegenhoudt. Het schot was raak, want wij zien hem niet weder.Tegen den avond barst een onweer los. Het regent nog hard, als wij ophouden om ons kamp voor den nacht in gereedheid te brengen. De plaats voor ons bivak is uitmuntend. De oever is steil, maar dikke lianen zenden haar sterke stengels tot aan den rand van het water uit, en verschaffen ons zoo de gelegenheid, naar boven te klimmen. Hooge, eeuwenoude boomen spreiden hun dicht gebladerte over ons uit als een beschermend gewelf, waaronder wij ons ter ruste vlijen.
2 November.—Op den oever grazen een menigte cabiais, die hier en daar zelfs de rivier overzwemmen, zonder bij onze nadering eenige vrees te laten blijken. De kalme gerustheid van bijna alle dieren, welke wij ontmoeten, bewijst dat de mensch in deze streken nog eene onbekende verschijning is.
Omstreeks elf uur komen wij aan eene stroomversnelling. De rivier is hier vierhonderd ellen breed; midden in den stroom ligt een zandbank, waarvan de hooge steile oever, dien wij dicht naderen, voortdurend afbrokkelt. Het verval is vrij sterk. Apatoe, die voor op het vlot staat, roept eensklaps François toe: “Geef acht! Pagaai uit al uw macht!”. Wij komen aan de zandbank en gaan aan land. Het gelukt ons, niet zonder inspanning, het vlot aan de benedenpunt van de bank vast te meeren; daar kunnen wij zien, wat er eigenlijk gaande is. Voor ons, een weinig ter rechterhand, zien wij eene opeenstapeling van rotsen, een geweldigen rotsmuur, waarin slechts eene smalle bres of opening is gelaten, door welke de rivier zich schuimend en kokend een weg baant. De toestand is inderdaad ernstig genoeg. Het is niet mogelijk, met het vlot een der beide oevers te bereiken; lang voor wij zoo ver waren, zou de hevige stroom ons naar de bres hebben medegevoerd. Zullen wij onze bagage achterlaten? Er valt niet aan te denken: het doel van de reis zou zijn gemist, en wij zouden ellendig omkomen.
Het is volstrekt noodig, de gesteldheid nauwkeuriger op te nemen. Misschien is de pas minder gevaarlijk dan zij ons toeschijnt. Apatoe neemt zijne pagaai, die hem tevens tot steun dient en om de diepte te peilen; dan begeeft hij zich te water om den linkeroever te bereiken. Niet zonder angst volgen wij met onze blikken onzen braven kameraad op den gevaarlijken tocht.
Somwijlen reikt het water hem tot de schouders, en bekruipt ons de vrees dat hij zal worden medegesleept. Als hij van de been raakt, zal het hem vermoedelijk niet mogelijk zijn, aan den stroom weerstand te bieden. Ook denken wij onwillekeurig, en niet zonder huivering, aan de kaimans die zich in de rivier ophouden. Eindelijk heeft hij gelukkig den linkeroever bereikt, dien hij volgt tot aan de bres in den rotswand. Weldra keert hij langs denzelfden weg tot ons terug. Wat heeft hij gezien? Wij allen verkeeren in groote spanning.
Het is eene lange, smalle opening dwars doorden rotsigen heuvel; naar het betrekkelijk weinige, dat Apatoe er van heeft kunnen zien, vat hij zijn indruk in een paar, niet zeer geruststellende woorden samen: “Dat zeer slecht; kan misschien door komen.”
Wij zien elkander een oogenblik zwijgend aan. Ons besluit is genomen. In Gods naam, voorwaarts!
Binnen vijf minuten zijn wij aan den ingang van de bres. Het vlot schiet door de smalle opening. Over eene lengte van twee kilometers wisselt de breedte van twaalf tot omstreeks vijf-en-twintig ellen. Wij hebben aan weerszijde een veertig el hoogen rotswand, bestaande uit reusachtige lagen zandsteen, waarvan sommigen vooruitsteken. Uit de spleten tusschen de rotsen schieten overal heesters en struiken omhoog. Hier en daar sijpelt langs de steile wanden een dunne waterstraal naar beneden. Nu en dan steken half overdolven rotsen langs de oevers omhoog en drijven het schuimende en wielende water terug. Het is of de rivier toornt over deze belemmering van haar vrijheid: brullend, kokend, wervelend, in ijlende vaart stormt zij voort. Nu eens glijden wij over den top der verdronken rotsen, om dan plotseling een meter te dalen. Op zeker oogenblik worden wij met onweerstaanbaar geweld heengevoerd naar eene vooruitstekende rots, die zich nauwelijks vijftig duim boven het water verheft. Het is gedaan: al wat zich op het vlot bevindt, zal zoo straks verpletterd of weggevaagd worden; de wervelende draaikolk zal ons allen in een oogwenk verslinden. Maar Apatoe, die nooit zijne koelbloedigheid verliest, heeft het gevaar reeds overzien. Met bovenmenschelijke inspanning duwt hij, met behulp van een ijzeren stang het vlot in den stroom terug. Wij zijn gered.
Nu gaat verder alles goed. Bij den uitgang der bres verbreedt de rivier zich weer en wordt de stroom weer kalmer. Weldra bespeuren wij aan den rechteroever een frisschen waterval en een breede bank van zandsteen. Wij haasten ons, aan land te gaan; wij hebben er behoefte aan, eens even uit te rusten, en ons te verkwikken aan den aanblik der schoone weelderige natuur rondom ons. Wij verheugen ons van heeler harte, dat wij zoo gelukkig aan het dreigende gevaar ontsnapt zijn; en wenschen ons zelven geluk met het kloeke besluit om den doortocht te wagen, en niet, met achterlating van het vlot en beladen met onze bagage, te beproeven om over de rotsen te klimmen. En wie weet, misschien is dit wel de Raudal, waarvan men ons gesproken heeft; zoo ja, dan zullen wij weldra de Areare bereiken en Indianen ontmoeten, naar wier kennismaking Lejanne, die ze nog nooit gezien heeft, zeer verlangt.
Na ontbeten te hebben, gaan wij weder scheep. Getrouw aan zijne ongelukkige gewoonte, heeft Toutou zich weer in het kreupelhout verscholen. Wij jagen hem langen tijd na zonder hem te kunnen inhalen. Hij zal de prooi worden van een jaguar of van honger sterven. Nauwelijks zijn wij honderd el van den oever verwijderd, of Toutou verschijnt en staat aan den waterkant te huilen. Het is te laat. Een goede hond zou ons nazwemmen: Toutou gaat niet te water en blijft achter.
Wij komen zonder hinder over een tweeden val, die wel veel beweging maakt, maar niet gevaarlijk is. Even daarna nadert een reusachtige kaiman zoo dicht tot het vlot, dat Apatoe hem met de pagaai een geweldigen slag op den kop toebrengt, die hem doet afdeinzen. Weldra bespeuren wij nog andere kaimans; hun aantal neemt steeds toe. Wij varen dicht langs eene zandbank, waar drie of vier dezer monsters zich in de zon liggen te koesteren. Zij gaan te water en een van hen zwemt naar het vlot. Apatoe wil hem een poets spelen. Zijne bedoeling is, den kaiman zoo dicht mogelijk in de nabijheid te lokken, en hem dan met een ijzeren staaf de hersenen in te slaan: te dien einde laat hij zeker eigenaardig geluid hooren, waarmede de Roecoeyenne-Indianen gewoon zijn, de krokodillen te lokken.
De kaiman zwemt uitmuntend; zijn kop alleen, met wezenloos starende oogen, steekt half boven het water uit. Op vijftien pas afstands duikt hij.
“Let op!” roept Apatoe ons toe.
Ieder verwacht het monster aan zijn kant. Eensklaps vertoont zich zijn snuit vlak bij Lejanne, die haastig terug wijkt en aldus aan een vreeselijk gevaar ontsnapt; want op het eigen oogenblik beurt de kaiman zijn geweldigen kop en een deel van zijn lichaam uit het water: vlak voor het gelaat van onzen vriend, slaat hij met een luiden slag zijn geduchte kaken op elkaar. Ik geef Apatoe den raad, zich voortaan liever van dergelijke grappen te onthouden.
Inmiddels is de lucht betrokken. Welhaast klieven eenige bliksemstralen de zwarte wolken; de donder ratelt, en de regen valt bij stroomen neder. Wij verdragen deze beproeving met wijsgeerige kalmte en laten het vlot zijn weg volgen. Eindelijk vinden wij eene geschikte plaats, waar wij vuur kunnen maken en onze hangmatten ophangen, ter halver hoogte van een steilen oever.
De vermoeienissen en emoties van dien dag hebben ons uitgeput. Wij vallen weldra in een zwaren, diepen slaap. Den volgenden morgen bemerken wij dat wij ons bivak hebben opgeslagen op den weg van een zwerm maniokmieren. Dit zijn vrij groote roode mieren, welke steeds vergezeld zijn van andere zwarte mieren, die nog veel grooter en met zeer scherpe en sterke kaken gewapend zijn. Deze vriendelijke diertjes hebben in onze bagage eene aardige verwoesting aangericht. Zij hebben de klep van mijn pet, mijn tabakszak en het garnituur van mijn hoed weggevreten, en bovendien de helft van het muskietenscherm van Lejanne.
3 November.—Den geheelen dag zien wij caoutchoucboomen in groote menigte, en niet minder guarumos, wier blanke, licht paars getinte stammen overal den oever omzoomen. De breede, van onderen zilverachtig gekleurde bladeren dwarrelen naar beneden in de rivier en veroorzaken kleine knalletjes, die de indrukwekkende stilte van het middaguur breken. Deze stilte is inderdaad aangrijpend. Alles schijnt in diepen slaap gedompeld; men hoort geen enkel geluid: de vogels zwijgen; de wind is gaan liggen; de rivier is glad en effenals een spiegel. De weinige woorden, die wij met elkander wisselen, de zachte riemslagen met de pagaai, worden door de echoos van het woud met zeldzame kracht weerkaatst en herhaald.
Slechts des morgens en des avonds ontwaken de dieren uit hunne verdooving en komen in beweging: de papegaaien, de toucans en aras maken dan spektakel genoeg. Enkele cabiais laten een vreemdsoortig geluid hooren, dat eenigszins overeenkomt met zeer luid niezen en dat ons in den beginne steeds in lachen deed uitbarsten.
Aan den linkeroever zien wij den mond eener rivier. Zou dat de Areare zijn? Later bleek mij, dat het de Duda was, wier vermogen door het opnemen van verschillende stroompjes en beken belangrijk was versterkt.
Gedurende dezen dag werden wij tot drie malen toe door kaimans verontrust, die naar ons vlot zwommen. Hunne oogen en hun snuit teekenden zich helder af op het door het lommer der boomen donker gekleurde water, zoodat wij zeer gemakkelijk hun spoor konden volgen. De eerste naderde tot op vijftien pas afstands en keerde toen terug. Een tweede, even dicht genaderd, dook onder en verscheen een oogenblik daarna, vlak naast het vlot, boven water. Lejanne en Apatoe zonden ieder een kogel op hem af. Hij duikt onder en verschijnt weer op vijftig pas afstands. Waarschijnlijk hebben onze makkers wat overhaast geschoten. In ieder geval is de kaiman bang geworden, want hij laat ons verder met vrede.
De laatste eindelijk zwemt zonder aarzeling naar ons toe, tot Lejanne hem, op twintig pas afstands, met een kogel tegenhoudt. Het schot was raak, want wij zien hem niet weder.
Tegen den avond barst een onweer los. Het regent nog hard, als wij ophouden om ons kamp voor den nacht in gereedheid te brengen. De plaats voor ons bivak is uitmuntend. De oever is steil, maar dikke lianen zenden haar sterke stengels tot aan den rand van het water uit, en verschaffen ons zoo de gelegenheid, naar boven te klimmen. Hooge, eeuwenoude boomen spreiden hun dicht gebladerte over ons uit als een beschermend gewelf, waaronder wij ons ter ruste vlijen.
V4 November.—De caoutchoucboomen zijn eensklaps verdwenen: nadat wij ze gisteren in zoo grooten getale hadden ontmoet, zien wij er nu—vreemd genoeg—geen enkelen meer.Den geheelen dag moeten wij oorlog voeren tegen de kaimans. Wij schieten op hen op dertig pas: geen wonder dat zij eerbied krijgen voor onze kogels. Nu en dan zien wij reusachtige monsters zich op de zandbanken welbehagelijk koesterende in de brandende zon. Wanneer de stroom ons naar diezandbankenvoert, dan gaan de geduchte gasten te water en zwemmen naar ons vlot, soms allen te gelijk, soms ook slechts een of twee.Een dezer dieren bezorgt ons eenige angstige oogenblikken. Voor ons ligt een niet hooge, maar steile zandplaat, die wij bijna rakelings zullen voorbijvaren. Een buitengewoon groote kaiman ligt roerloos op den oever uitgestrekt. Wat zal hij doen, als wij in zijne onmiddellijke nabijheid zullen zijn? Lejanne acht het raadzaam hem weg te jagen, en zendt een kogel op hem af. Bij het eerste schot spert het monster den muil open, en buigt zich een weinig ter zijde, terwijl zijn staart heftig in beweging is. Is hij dood of maakt hij zich tot tegenweer gereed? Op tien meters schiet Lejanne nogmaals: de kogel treft den kaiman in den buik. Hij stort zich in het water, dat hij in felle beroering brengt. Hij schijnt op ons af te komen, maar verdwijnt, slechts een weinig bloed achter latende.6 November.—Gister viel niets voor, der vermelding waardig, uitgezonderd de verschijning van dolfijnen, die ik hier, bijna aan den voet van de Andes, niet had gedacht te zullen ontmoeten.Heden morgen, bij het vertrek, viel een fijne regen, die overigens niet hinderlijk was. Ieder hield zich met het een of ander onledig: Lejanne maakte aanteekeningen; ik werkte aan mijne kaart. Het vlot drijft regelmatig met den niet te sterken stroom af; de rivier levert geen moeilijkheden op; wij kunnen ons gerust laten gaan. Onze bootslieden zijn bezig met het herstellen van de muskietenschermen, die natuurlijk op den tocht door de bosschen eenige schade hebben bekomen.Omstreeks tien uur verstrooien zich de wolken, slechts aan de toppen der hooge boomen eenige nevelvlokken achterlatende, die weldra onder den invloed der zonnestralen verdampen.Tegen twaalf uur laat Apatoe eensklaps een kreet hooren, die ons door merg en been dringt. Hij is verdwenen. Er is geen twijfel meer mogelijk: een kaiman heeft hem aangegrepen. Het rampzaligste is, dat wij buiten staat zijn, hem te hulp te komen. Huiverend, sprakeloos van ontzetting, staren wij elkander aan.Eensklaps bespeur ik een hand, krampachtig vastgeklemd om eene liane, welke achter aan het vlot hangt. Ik grijp die hand en trek haar met alle kracht naar mij toe. Het hoofd van Apatoe verschijnt boven water. Zijne oogen zijn rood, en op zijn gelaat ligt de uitdrukking van onuitsprekelijken doodsangst. Met zwakke stem herhaalt hij het woord: Kaiman! Kaiman!—Geholpen door François, trek ik hem bij de schouders omhoog, terwijl hij zich met alle kracht vastklemt aan de balken van het vlot. De kaiman laat hem nog niet los. Hoe zal de ongelukkige er uitzien?Lejanne, met zijn geweer in de hand, wacht het oogenblik af, dat ook het monster zelf verschijnt, om het dan een kogel toe te zenden en te noodzaken zijne prooi los te laten. Apatoe raakt eindelijk vrij, en het gulzige dier krijgt een schot juist toen het mijne pet, die in het water gevallen was, inslokte.Wij kunnen nu onderzoeken, wat er met onzen makker is geschied. Hij heeft eene niet gevaarlijke wonde ontvangen aan de buitenzijde van het rechter been, even beneden de knie. Hij is aan een afschuwelijken dood ontsnapt, en heeft zijne reddingslechts aan schijnbaar onbeteekenende omstandigheden te danken. Juist toen hij in het water viel, ontmoette zijne hand eene gebroken liane, die achter aan het vlot hing: instinktmatig, door de zucht naar zelfbehoud gedreven, vatte hij die aan en omklemde haar met alle kracht. Gelukkig had het monster hem slechts met de voortanden gegrepen en wel aan het minst vleezige gedeelte van het been. Had de kaiman wat verder doorgebeten, zoodat hij ook het scheenbeen met zijn kaken had gevat, dan ware geene menschelijke macht in staat geweest, onzen vriend te redden. Nu is de zaak niet zoo erg; onverwijld leg ik het eerste verband aan.Wij zetten koers naar den rechteroever, waar wij bamboes zien; wij gaan aan land, en weldra heeft François met de lange stengels eene soort van leuning of borstwering rondom het vlot gemaakt, die ons tegen dergelijke verrassingen zal beveiligen en den tijd zal geven om ons tegen het gevaar te wapenen, wanneer de krokodillen de gewoonte mochten aannemen, ons aan te vallen.Jacht op een kaiman.Jacht op een kaiman.Wij hervatten onzen tocht. De gewonde is niet in staat om te pagaaien. Lejanne en ik, wij komen overeen, beurtelings te roeien, als François onze hulp mocht behoeven.Het verwondert ons zeer, nog geen Indianen te ontdekken. Indien zij zich hier in den omtrek ophielden, moest ons onophoudelijk schieten er toch eenigen naar den oever lokken. Wij leiden daaruit af, dat wij den mond van de Areare nog niet voorbij zijn, en dat wij dus ook den Raudal nog in het verschiet hebben. Dit laatste vooruitzicht is des te minder geruststellend, omdat onze schipper, tengevolge van zijne verwonding, half buiten gevecht is gesteld.Des avonds vonden wij eene zeer geschikte plaats voor ons bivak. Het kost ons eenige moeite, onzen gewonde tegen den steilen oever naar boven te dragen; hij verzekert ons echter dat hij niet veel pijn heeft.—Het muskietenscherm van Lejanne is voor verreweg het grootste gedeelte vernield. Tegen twee uur in den morgen heeft hij nog geen oog geloken, evenmin als in de beide vorige nachten. Ik bied hem mijn hangmat aan, opdat hij een weinig zou kunnen rusten. Hij is lijdende en vermagerd.9 November.—De kaimans laten ons sedert een paar dagen met rust. Zou dat de uitwerking zijn van onze broze borstwering? Sedert gisteren hebben wij een heuvelketen in het gezicht, volkomen gelijkende op die, door welke wij den tweeden November gevaren zijn. Voor mij is nu elke onzekerheid opgeheven: daar is de Raudal, en achter die heuvelen zullen wij den mond van de Areare vinden.Heden middag, ten twee uren, bevinden wij ons voor den ingang van eene tweede engte, geheel gelijk aan de eerste, Ditmaal voorzichtiger, door de ervaring geleerd, hebben wij den linkeroever gehouden, zoodat wij aan wal kunnen gaan om den toestand te overzien. De ingang is smal en vormt eene scherpe bocht, die eenige moeilijkheid zal opleveren. Verder op, is de vaart breeder; er zijn verschillende kolken en wielingen, maar wij kunnen geen eigenlijken val ontdekken. Intusschen overzien wij slechts een klein gedeelte van dit lange kanaal, doch dat gedeelte levert geene bijzondere bezwaren op.Op ons gelukkig gesternte vertrouwende, gaan wij vol moed het onbekende tegen. Bij den ingang der bocht worden wij door eene draaikolk aangegrepen. Het vlot schiet pijlsnel vooruit, naar den oever toe, en keert dan even snel terug: deze beweging herhaalt zich tot driemaal. Bij den derden draai zijn wij buiten de wieling; wij varen door de bocht en bevinden ons nu midden in den feilen stroom. De gemiddelde breedte van hetkanaal is tusschen de veertig en vijftig meters. De rotswanden ter wederzijde bestaan ook hier uit lagen zandsteen, waarvan de onderste glimmend zwart zijn. Het water heeft allengs die zwarte steenblokken afgeschaafd, uitgehold, laat ik mogen zeggen gebeeldhouwd. Wij zien, tot onze uiterste verbazing, gansche rijen van wonderlijke figuren boven elkander, die aan chineesche of indische afgodsbeelden doen denken, en zoo als zij daar staan, een allerzonderlijksten indruk maken. Wij zijn een en al bewondering en vergeten voor eenoogenblikons vlot, dat weer door een draaikolk aangegrepen, naar eene overhangende rots wordt gevoerd, toen Apatoe, die, ondanks de pijn van zijne wonde, in deze omstandigheden de leiding van ons vaartuig heeft op zichgenomen, ons nogmaals redde, door de roeispaan zoo krachtig tegen de rots te duwen, dat het hout in zijne hand brak. Zonder hem zouden wij verpletterd of verdronken zijn.Dwars door de bamboes.Dwars door de bamboes.Na den Raudal zonder verderen hinder te zijn doorgekomen, gaan wij aan den rechteroever aan land, waar wij eene uitstekende plaats vinden voor ons kamp. Hoewel het nog klaar dag is, besluiten wij hier te blijven om te overnachten.—Goddank! wij zullen weldra menschen ontmoeten. Wij zien de overblijfselen van een vuur, met drie regelmatige steenen, waartusschen verkoolde stukken hout. Sommige boomen vertoonen de versche sporen van bijlslagen. De Indianen zijn niet verre.Lejanne vuurt tot tweemaal toe zijn geweer af, om hen van onze nabijheid te verwittigen; daarop volgt hij de half uitgedroogde bedding eener beek, hopende eenig wild te zullen vinden. Deze beek vloeit over eene bedding van kalen zandsteen, waar hier en daar kommen of plassen zijn overgebleven, wemelende van kleine vischjes; zoo hij een mand of korf bij zich had, zou hij ze bij menigte hebben kunnen vangen. Nu keert hij zonder wild en zonder visch terug. Het is toch eigenlijk al te dwaas, dat men in eene zoo wildrijke streek evenwel gebrek aan versch vleesch kan hebben. Alle jagers hebben echter hun ongeluksdagen, waarop zij platzak huiswaarts komen. Misschien hebben onze schoten de dieren op de vlucht gejaagd.De avond is gedaald. Wij hebben nog geen bezoek van Indianen ontvangen, maar wij brengen een heerlijken nacht door, zonder door muskieten gekweld te worden.10 November.—Nadat wij in den morgen eenige waarnemingen gedaan en andere werkzaamheden verricht hadden, gingen wij weder op weg. Omstreeks vijf uur in den namiddag bespeurden wij een aantalcouicouisop een boom langs den oever. Lejanne wil ons een dezer vogels bezorgen. Wij gaan dus aan land: het wordt ook tijd om ons kamp op te slaan. Ik ga vuur aanmaken; François is een zeer middelmatig schutter; Apatoe kan niet loopen; Lejanne moet dus voor ons diner zorgen. Hij gaat naar den boom, waarop wij ons wildbraad hebben zien zitten. Een oogenblik daarna hoor ik een schot en tevens het geroep: François! François! Het verwondert mij, dat Lejanne hulp noodig heeft om een couicoui te dragen. Maar hoe groot is mijne verbazing, toen zij beiden met een pecari komen aanslepen. De pecaris leven doorgaans in meer of minder groote troepen of kudden; zij verraden hunne tegenwoorheid door hun geknor en het geknars met hunne slagtanden; ook verspreiden zij eene sterke muskuslucht: Niets van dat alles heeft ons hier getroffen. Het dier, dat Lejanne geschoten heeft, was vermoedelijk van de kudde afgedwaald en liep nu zijne makkers te zoeken; zijn dood redde het leven van een couicoui. Deze wijziging in het menu is mij in het minst niet onaangenaam.—Wij maakten ons gereed, het varken te ontleden, toen Lejanne, wien het koude zweet uitbrak, in zwijm viel. Ik begin mij ongerust over hem te maken. Het is hoog tijd, dat wij de Indianen aantreffen en wat rust nemen.
4 November.—De caoutchoucboomen zijn eensklaps verdwenen: nadat wij ze gisteren in zoo grooten getale hadden ontmoet, zien wij er nu—vreemd genoeg—geen enkelen meer.
Den geheelen dag moeten wij oorlog voeren tegen de kaimans. Wij schieten op hen op dertig pas: geen wonder dat zij eerbied krijgen voor onze kogels. Nu en dan zien wij reusachtige monsters zich op de zandbanken welbehagelijk koesterende in de brandende zon. Wanneer de stroom ons naar diezandbankenvoert, dan gaan de geduchte gasten te water en zwemmen naar ons vlot, soms allen te gelijk, soms ook slechts een of twee.
Een dezer dieren bezorgt ons eenige angstige oogenblikken. Voor ons ligt een niet hooge, maar steile zandplaat, die wij bijna rakelings zullen voorbijvaren. Een buitengewoon groote kaiman ligt roerloos op den oever uitgestrekt. Wat zal hij doen, als wij in zijne onmiddellijke nabijheid zullen zijn? Lejanne acht het raadzaam hem weg te jagen, en zendt een kogel op hem af. Bij het eerste schot spert het monster den muil open, en buigt zich een weinig ter zijde, terwijl zijn staart heftig in beweging is. Is hij dood of maakt hij zich tot tegenweer gereed? Op tien meters schiet Lejanne nogmaals: de kogel treft den kaiman in den buik. Hij stort zich in het water, dat hij in felle beroering brengt. Hij schijnt op ons af te komen, maar verdwijnt, slechts een weinig bloed achter latende.
6 November.—Gister viel niets voor, der vermelding waardig, uitgezonderd de verschijning van dolfijnen, die ik hier, bijna aan den voet van de Andes, niet had gedacht te zullen ontmoeten.
Heden morgen, bij het vertrek, viel een fijne regen, die overigens niet hinderlijk was. Ieder hield zich met het een of ander onledig: Lejanne maakte aanteekeningen; ik werkte aan mijne kaart. Het vlot drijft regelmatig met den niet te sterken stroom af; de rivier levert geen moeilijkheden op; wij kunnen ons gerust laten gaan. Onze bootslieden zijn bezig met het herstellen van de muskietenschermen, die natuurlijk op den tocht door de bosschen eenige schade hebben bekomen.
Omstreeks tien uur verstrooien zich de wolken, slechts aan de toppen der hooge boomen eenige nevelvlokken achterlatende, die weldra onder den invloed der zonnestralen verdampen.
Tegen twaalf uur laat Apatoe eensklaps een kreet hooren, die ons door merg en been dringt. Hij is verdwenen. Er is geen twijfel meer mogelijk: een kaiman heeft hem aangegrepen. Het rampzaligste is, dat wij buiten staat zijn, hem te hulp te komen. Huiverend, sprakeloos van ontzetting, staren wij elkander aan.
Eensklaps bespeur ik een hand, krampachtig vastgeklemd om eene liane, welke achter aan het vlot hangt. Ik grijp die hand en trek haar met alle kracht naar mij toe. Het hoofd van Apatoe verschijnt boven water. Zijne oogen zijn rood, en op zijn gelaat ligt de uitdrukking van onuitsprekelijken doodsangst. Met zwakke stem herhaalt hij het woord: Kaiman! Kaiman!—Geholpen door François, trek ik hem bij de schouders omhoog, terwijl hij zich met alle kracht vastklemt aan de balken van het vlot. De kaiman laat hem nog niet los. Hoe zal de ongelukkige er uitzien?
Lejanne, met zijn geweer in de hand, wacht het oogenblik af, dat ook het monster zelf verschijnt, om het dan een kogel toe te zenden en te noodzaken zijne prooi los te laten. Apatoe raakt eindelijk vrij, en het gulzige dier krijgt een schot juist toen het mijne pet, die in het water gevallen was, inslokte.
Wij kunnen nu onderzoeken, wat er met onzen makker is geschied. Hij heeft eene niet gevaarlijke wonde ontvangen aan de buitenzijde van het rechter been, even beneden de knie. Hij is aan een afschuwelijken dood ontsnapt, en heeft zijne reddingslechts aan schijnbaar onbeteekenende omstandigheden te danken. Juist toen hij in het water viel, ontmoette zijne hand eene gebroken liane, die achter aan het vlot hing: instinktmatig, door de zucht naar zelfbehoud gedreven, vatte hij die aan en omklemde haar met alle kracht. Gelukkig had het monster hem slechts met de voortanden gegrepen en wel aan het minst vleezige gedeelte van het been. Had de kaiman wat verder doorgebeten, zoodat hij ook het scheenbeen met zijn kaken had gevat, dan ware geene menschelijke macht in staat geweest, onzen vriend te redden. Nu is de zaak niet zoo erg; onverwijld leg ik het eerste verband aan.
Wij zetten koers naar den rechteroever, waar wij bamboes zien; wij gaan aan land, en weldra heeft François met de lange stengels eene soort van leuning of borstwering rondom het vlot gemaakt, die ons tegen dergelijke verrassingen zal beveiligen en den tijd zal geven om ons tegen het gevaar te wapenen, wanneer de krokodillen de gewoonte mochten aannemen, ons aan te vallen.
Jacht op een kaiman.Jacht op een kaiman.
Jacht op een kaiman.
Wij hervatten onzen tocht. De gewonde is niet in staat om te pagaaien. Lejanne en ik, wij komen overeen, beurtelings te roeien, als François onze hulp mocht behoeven.
Het verwondert ons zeer, nog geen Indianen te ontdekken. Indien zij zich hier in den omtrek ophielden, moest ons onophoudelijk schieten er toch eenigen naar den oever lokken. Wij leiden daaruit af, dat wij den mond van de Areare nog niet voorbij zijn, en dat wij dus ook den Raudal nog in het verschiet hebben. Dit laatste vooruitzicht is des te minder geruststellend, omdat onze schipper, tengevolge van zijne verwonding, half buiten gevecht is gesteld.
Des avonds vonden wij eene zeer geschikte plaats voor ons bivak. Het kost ons eenige moeite, onzen gewonde tegen den steilen oever naar boven te dragen; hij verzekert ons echter dat hij niet veel pijn heeft.—Het muskietenscherm van Lejanne is voor verreweg het grootste gedeelte vernield. Tegen twee uur in den morgen heeft hij nog geen oog geloken, evenmin als in de beide vorige nachten. Ik bied hem mijn hangmat aan, opdat hij een weinig zou kunnen rusten. Hij is lijdende en vermagerd.
9 November.—De kaimans laten ons sedert een paar dagen met rust. Zou dat de uitwerking zijn van onze broze borstwering? Sedert gisteren hebben wij een heuvelketen in het gezicht, volkomen gelijkende op die, door welke wij den tweeden November gevaren zijn. Voor mij is nu elke onzekerheid opgeheven: daar is de Raudal, en achter die heuvelen zullen wij den mond van de Areare vinden.
Heden middag, ten twee uren, bevinden wij ons voor den ingang van eene tweede engte, geheel gelijk aan de eerste, Ditmaal voorzichtiger, door de ervaring geleerd, hebben wij den linkeroever gehouden, zoodat wij aan wal kunnen gaan om den toestand te overzien. De ingang is smal en vormt eene scherpe bocht, die eenige moeilijkheid zal opleveren. Verder op, is de vaart breeder; er zijn verschillende kolken en wielingen, maar wij kunnen geen eigenlijken val ontdekken. Intusschen overzien wij slechts een klein gedeelte van dit lange kanaal, doch dat gedeelte levert geene bijzondere bezwaren op.
Op ons gelukkig gesternte vertrouwende, gaan wij vol moed het onbekende tegen. Bij den ingang der bocht worden wij door eene draaikolk aangegrepen. Het vlot schiet pijlsnel vooruit, naar den oever toe, en keert dan even snel terug: deze beweging herhaalt zich tot driemaal. Bij den derden draai zijn wij buiten de wieling; wij varen door de bocht en bevinden ons nu midden in den feilen stroom. De gemiddelde breedte van hetkanaal is tusschen de veertig en vijftig meters. De rotswanden ter wederzijde bestaan ook hier uit lagen zandsteen, waarvan de onderste glimmend zwart zijn. Het water heeft allengs die zwarte steenblokken afgeschaafd, uitgehold, laat ik mogen zeggen gebeeldhouwd. Wij zien, tot onze uiterste verbazing, gansche rijen van wonderlijke figuren boven elkander, die aan chineesche of indische afgodsbeelden doen denken, en zoo als zij daar staan, een allerzonderlijksten indruk maken. Wij zijn een en al bewondering en vergeten voor eenoogenblikons vlot, dat weer door een draaikolk aangegrepen, naar eene overhangende rots wordt gevoerd, toen Apatoe, die, ondanks de pijn van zijne wonde, in deze omstandigheden de leiding van ons vaartuig heeft op zichgenomen, ons nogmaals redde, door de roeispaan zoo krachtig tegen de rots te duwen, dat het hout in zijne hand brak. Zonder hem zouden wij verpletterd of verdronken zijn.
Dwars door de bamboes.Dwars door de bamboes.
Dwars door de bamboes.
Na den Raudal zonder verderen hinder te zijn doorgekomen, gaan wij aan den rechteroever aan land, waar wij eene uitstekende plaats vinden voor ons kamp. Hoewel het nog klaar dag is, besluiten wij hier te blijven om te overnachten.—Goddank! wij zullen weldra menschen ontmoeten. Wij zien de overblijfselen van een vuur, met drie regelmatige steenen, waartusschen verkoolde stukken hout. Sommige boomen vertoonen de versche sporen van bijlslagen. De Indianen zijn niet verre.
Lejanne vuurt tot tweemaal toe zijn geweer af, om hen van onze nabijheid te verwittigen; daarop volgt hij de half uitgedroogde bedding eener beek, hopende eenig wild te zullen vinden. Deze beek vloeit over eene bedding van kalen zandsteen, waar hier en daar kommen of plassen zijn overgebleven, wemelende van kleine vischjes; zoo hij een mand of korf bij zich had, zou hij ze bij menigte hebben kunnen vangen. Nu keert hij zonder wild en zonder visch terug. Het is toch eigenlijk al te dwaas, dat men in eene zoo wildrijke streek evenwel gebrek aan versch vleesch kan hebben. Alle jagers hebben echter hun ongeluksdagen, waarop zij platzak huiswaarts komen. Misschien hebben onze schoten de dieren op de vlucht gejaagd.
De avond is gedaald. Wij hebben nog geen bezoek van Indianen ontvangen, maar wij brengen een heerlijken nacht door, zonder door muskieten gekweld te worden.
10 November.—Nadat wij in den morgen eenige waarnemingen gedaan en andere werkzaamheden verricht hadden, gingen wij weder op weg. Omstreeks vijf uur in den namiddag bespeurden wij een aantalcouicouisop een boom langs den oever. Lejanne wil ons een dezer vogels bezorgen. Wij gaan dus aan land: het wordt ook tijd om ons kamp op te slaan. Ik ga vuur aanmaken; François is een zeer middelmatig schutter; Apatoe kan niet loopen; Lejanne moet dus voor ons diner zorgen. Hij gaat naar den boom, waarop wij ons wildbraad hebben zien zitten. Een oogenblik daarna hoor ik een schot en tevens het geroep: François! François! Het verwondert mij, dat Lejanne hulp noodig heeft om een couicoui te dragen. Maar hoe groot is mijne verbazing, toen zij beiden met een pecari komen aanslepen. De pecaris leven doorgaans in meer of minder groote troepen of kudden; zij verraden hunne tegenwoorheid door hun geknor en het geknars met hunne slagtanden; ook verspreiden zij eene sterke muskuslucht: Niets van dat alles heeft ons hier getroffen. Het dier, dat Lejanne geschoten heeft, was vermoedelijk van de kudde afgedwaald en liep nu zijne makkers te zoeken; zijn dood redde het leven van een couicoui. Deze wijziging in het menu is mij in het minst niet onaangenaam.—Wij maakten ons gereed, het varken te ontleden, toen Lejanne, wien het koude zweet uitbrak, in zwijm viel. Ik begin mij ongerust over hem te maken. Het is hoog tijd, dat wij de Indianen aantreffen en wat rust nemen.
VI11 November.—Omstreeks elf uren varen wij langs de monding van eene vrij aanzienlijke rivier, die zich aan den linkeroever in de Goyabero uitstort. Ditmaal is het inderdaad de Areare, die van San-Juan de los Llaños afdaalt en door het dorp San-Martino vloeit. Eenige kooplieden van dit dorp zijn handel komen drijven met de Mitoeas-Indianen, die aan de uitmonding van de Areare wonen. Andere kooplieden uit San-Fernando de Atabapo hebben eens of tweemaal de Guaviare en de Areare opgevaren tot aan San-Martino.In zestien dagen hebben wij nu een afstand afgelegd van honderd-vijf-en-twintig mijlen door een geheel onbewoond land, waar nog nimmer, voor zoover bekend, een menschelijk wezen den voet had gezet, en waar zeer waarschijnlijk ook niet spoedig iemand ons spoor zal volgen.Weldra bespeuren wij achter ons, naar den kant van de Areare, een zwaren rook, die in koperkleurige wolken omhoog stijgt. Daar bevinden zich Indianen, die het hooge gras eener savane of een gedeelte van het woud in brand hebben gestoken, om ruimte te krijgen voor een dorp.Omstreeks een uur zien wij acht palen, in twee rijen in den grond gestoken, en die blijkbaar hebben gediend om hangmatten aan te bevestigen. Dicht in de nabijheid staan nog andere palen. Even daarna maakt de rivier eene kromming.“Eene hut!” roept François.Het is inderdaad zoo; wij naderen eene groote savane, waar de rivier midden door loopt. Een weinig achterwaarts van den hoogen steilen oever staat eene hut, die veel overeenkomst heeft met een breeden lagen hooiberg. Eer wij aan dit hooge weiland komen, moeten wij nog een kilometer ver langs het bosch varen.“Roode kinderen!” roept François voor de tweede maal.En ook nu is het waar. Op omgevallen of gestrande boomstammen zitten eenige kinderen, in verschillende houdingen neergehurkt, het hoofd een weinig voorover gebogen, en ons met vreesachtigeen wantrouwende blikken gadeslaande. Vlak daarbij zien wij twee Indianen, staande in hunne prauw, met hun boog en pijlen in de hand. Wij binden een hemd aan een stok en wuiven met die geïmproviseerde parlementaire vlag. Tevens laat ik Apatoe, bij wijze van begroeting, eenige schoten met los kruit doen. Dit schieten moest den Indianen aan het verstand brengen, dat wij als vrienden in hun midden verschijnen: vijanden zouden immers niet op deze wijze kennis geven van hunne komst. Tevens kunnen zij bemerken dat wij goed gewapend zijn en dat het dus een roekeloos ondernemen zou wezen, ons kwalijk te bejegenen. Ook deze wetenschap kan geen kwaad.Dit gedaan zijnde, sturen wij naar hen toe. Naarmate wij dichter bij komen, verlaten zij hunne stelling en klauteren tegen den vrij steilen oever omhoog. Ik steek mijn revolver in mijn gordel en trek een vest aan om het wapen te verbergen. Lejanne neemt zijn patroontasch en doet twee patronen op zijn geweer. Eindelijk komen wij aan den oever. Ik gelast François en Apatoe goed op het vlot te passen, terwijl wij beiden, Lejanne en ik, op verkenning zullen uitgaan naar het dorp.Wij weten nog niet hoe wij ontvangen zullen worden, maar toch zijn wij zeer gelukkig eindelijk weer eens menschen te ontmoeten. Onze Indianen staan op den oever, dien wij vlug beklimmen. Zij gelijken op alle Indianen, die ik tot dusver gezien heb. Wij zien voor ons drie mannen van vijf-en-twintig à dertig jaar, een jongeling van zeventien of achttien jaar, en een meer bejaard man, die de vijftig achter den rug schijnt te hebben. Er is hier een kleine open plek in het woud; ter linkerhand staat een soort van afdak of hut van palmbladen; voor ons begint het pad, dat naar de savane voert. Wij onderscheiden daar eenige vrouwen, die manden vol visch dragen en zich haastig verwijderen. Midden op de open ruimte staan eenige kinderen, die, gedreven door nieuwsgierigheid en weerhouden door vrees, eerst zich achter hun vaders schijnen te willen verschuilen, maar die eindelijk, schuwe blikken achterwaarts werpende, zoo hard zij kunnen hunne moeders naloopen.Met uitgestoken hand treed ik op den oudsten der Indianen toe. Hij draagt een koord om den hals, waaraan vier hoektanden van een jaguar zijn bevestigd. Daar alleen de aanzienlijken—althans bij de mannen—de gewoonte hebben, halssnoeren te dragen, maak ik daaruit op, dat ik een dorpshoofd voor mij heb. Hij is iemand van ter nauwernood middelbare gestalte, met een zeer breede borst, een vooruitstekenden buik en magere beenen. Zijn aangezicht is rond en met rocou besmeerd; zijne ietwat rossige, zeer levendige oogen staan een weinig schuin; de wangbeenderen steken vooruit.Onderstellende dat deze Mitoeas-Indianen misschien de Areare zijn opgevaren tot San-Martino, en dat zij wellicht eenige woorden spaansch verstaan, spreek ik den hoofdman toe met een “Buenas dies, señor capitan”; daarbij, volgens gebruik, luidkeels lachende. Hij drukt mij de hand en lacht op zijne beurt. Lejanne geeft hem ook de hand, terwijl ik met de andere mannen, onder luid geschater, handdrukken wissel. Een hunner verstaat enkele woorden spaansch en zal ons bij zijne makkers tot tolk dienen. Wij geven hem te kennen, dat wij hunne hutten wenschen te bezoeken en bij hen een poosje willen uitrusten. Wij begeven ons op weg en slaan, voorafgegaan door onze Indianen, het pad in, dat dwars door een stuk bosch, naar de savane voert. Het pad is vrij breed, effen en ter wederzijde door laag hout en heesters omzoomd, waarachter zich het hoog geboomte verheft. Op de vlakte gekomen, zien wij drie hutten op onderlingen afstand van vijf- tot omstreeks achthonderd el geplaatst.Wij richten onze schreden naar de naaste hut. In het gras langs het pad liggen een aantal verkalkte schilden van schildpadden. Groote honden, gestreept als tijgers, met rechtopstaande ooren en lange snuit, beginnen bij onze nadering uit alle macht te blaffen. Zij schijnen stellig van plan, een aanval op onze beenen te doen; maar zij ontvangen van hunne meesters eene kastijding, die hen doet besluiten—zij het ook onwillig—eene meer vreedzame houding aan te nemen. Een haan en een paar kippen loopen te pikken in de nabijheid der hut, die, uit de verte gezien, heel veel weg heeft van een groote bijenkorf. Naderbij gekomen, zie ik dat zij bestaat uit latwerk, met palmbladen gedekt. Twee rijen houten palen, in de hut geplaatst, zijn onderling met lianen verbonden. Aan elke zijde is in den wand eene opening, die met een deur van palmbladen kan worden gesloten. Ook in het dak is eene opening gelaten, waardoor het licht binnendringt en de rook een uitweg vindt.Bij het binnentreden der hut kunnen wij, door de heerschende duisternis, eerst niets onderscheiden. Als wij eenigszins aan de schemering gewend zijn, bespeuren wij vier vrouwen, die op den grond zijn neergehurkt. Op nieuw worden, onder luid gelach, handdrukken gewisseld. De kinderen huilen van schrik; wij tikken hun vriendelijk op den wang, hetgeen ze een weinig tot bedaren brengt.Met behulp van onzen tolk geef ik aan de Indianen te kennen, dat ik gaarne mondbehoeften van hen koopen wil: bananen, cassave, visch, alles, in een woord, wat zij ons leveren kunnen. Bovendien zou ik gaarne eene prauw koopen en twee mannen huren om met ons te gaan tot het naaste dorp, nadat wij eerst een weinig bij hen gerust hebben.Ik deel hun tevens mede, dat Apatoe door een kaiman gewond is, en dat het wenschelijk ware, indien een hunner hem helpen wilde om naar het dorp te komen. Een ander kan François behulpzaam zijn, om onze bagage, die van het water te lijden heeft gehad, op den oever te brengen, ten einde ze te laten drogen. Inmiddels deel ik eenige kleine geschenken onder hen uit: vischhaken, scharen, messen, naalden, als belooning voor dezekleine diensten. Zij schijnen zeer in hun schik en behandelen ons vriendelijk.Lejanne merkt op, dat hij eene vrij sterke gelijkenis vindt tusschen deze Indianen en de inwoners van Indo-China; hunne oogen staan minder schuin en hun neus steekt meer vooruit. Maar overigens, hebben zij dezelfde gestalte, dezelfde bruingele kleur als de Annamiet, die met ontbloot bovenlijf op de rijstvelden arbeidt. Beiden hebben zwaar, zacht, zwart hair met een rosachtigen weerschijn; uitstekende wangbeenderen, eene breede borst, magere en ietwat gekromde beenen; de groote teen staat geheel afgezonderd van de andere, die kort en rond zijn. Doorgaans hebben deze Indianen donker rosachtige oogen. De mannen knippen hun hair op het voorhoofd af, tot omstreeks een vinger boven de wenkbrauwen; ter zijde en van achteren laten zij het langer groeien. Hunne kleeding bestaat uit decalimbé, een lap katoen, eertijds wit van kleur, die aan een om de heupen geknoopt koord is vastgemaakt en tusschen de beenen doorgaat, om vervolgens, van voren en van achteren, tot even over de knieën af te hangen. Verder dragen zij boven de kuiten en aan de enkels een soort van banden of ringen van palmbladen. Een dergelijk blad wordt ook als krans om het hoofd gewonden. Om den hals dragen zij snoeren van zwarte zaadkorrels, afgewisseld door blauwe en roode glaskoralen.Eerste ontmoeting met een kaiman.Eerste ontmoeting met een kaiman.De mannen hebben iets fiers en statigs in houding en gang; maar de vrouwen hebben zulk een voorkomen van bestialiteit en een zoo onbevalligen, waggelenden, slependen gang, dat zij inderdaad afschuwelijk mogen genoemd worden. Misschien is dit een gevolg van den zwaren arbeid, waartoe zij sinds hare jeugd veroordeeld zijn. Drie der hier aanwezige vrouwen, hoewel nog jong, zijn geheel verwelkt en afgeleefd. Haar hair is langer dan dat der mannen; zij maken eene soort van scheiding, maar gebruiken nimmer een kam. Hare kleeding bestaat uit een hemd, of liever een soort van zak, waarin gaten zijn gelaten om het hoofd en de armen door te steken. Dit kleedingstuk wordt door haar zelven gemaakt; het is vervaardigd van plantenvezels, die fijn gestampt en tot een soort van stijve watten gemaakt worden. Het spreekt van zelf, dat deze stof al zeer weinig plooibaar is en zich niet voegt naar de vormen van het lichaam. Zij dragen halssnoeren van glaskoralen.Al de bewoners van het dorp vereenigen zich in onze hut: wij hebben dus al spoedig met iedereen kennis gemaakt. Bij ons binnentreden was de bodem der hut bezaaid met allerlei soorten van visch, waarvan enkelen een meter lang waren. Ik koop er eenigen, die Lejanne uitteekent, eer zij gekookt worden. Onze makkers zijn inmiddelsook aangekomen, en weldra smullen wij aan gekookte en gebakken visschen, welke de vrouwen voor ons hebben klaargemaakt. De Indianen, op den grond neergehurkt of op kleine, uitgeholde, zeer lage bankjes gezeten, vormen een kring rondom groote aarden potten, waaruit zij met de rechterhand stukken visch halen, die zij vervolgens met de linker naar den mond brengen.Bivak in het woud.Bivak in het woud.Dan komt de beurt aan den gebakken visch. Van tijd tot tijd vullen zij een kalebas met water uit een aarden pot met een lange rechte tuit, niet onbevallig van vorm. Daar komt geen einde aan het maal. Hoopen visch verdwijnen in de magen der gasten en men gaat nog maar altijd met bakken voort.Ik tracht van de aanwezige mannen eenige inlichtingen te bekomen. Voor zoo ver ik uit hunne verklaringen wijs kan worden, kennen zij San-Martino, maar niet San-Fernando. Benedenwaarts langs de rivier zullen wij eenige indiaansche pueblos vinden; om het naaste dorp te bereiken, hebben wij een dag varens noodig. Twee mannen zijn bereid ons tot daar te vergezellen, en zullen daarvoor ieder als belooning een hakmes ontvangen. De hoofdman zal ons eene prauw afstaan, in ruil voor een bijl en een lap katoen.Geld is hier niet in zwang en wordt niet aangenomen; toch is het niet geheel onbekend, want om den hals van een jong meisje zie ik twee stukjes van vijftig centimes, een met het portret van Louis-Philippe en een met dat van Napoleon III. Hoe mogen die fransche geldstukjes hier verzeild zijn geraakt? Op die vraag is het niet mogelijk een antwoord te geven; maar zeker had ikniet verwacht, de beeltenissen van deze twee vorsten naast elkander te zien prijken op de borst van een indiaansch meisje in het hart der wouden van Zuid-Amerika.Het meubilair van onze Indianen bestaat uit hangmatten, eenig aardewerk, eenige kleine, lage, holle bankjes, schilden van schildpadden, die als zetels dienen, drie bijlen en een hakmes; als wapenen hebben zij pijl en boog; zij gebruiken geen sarbacanen (blaaspijp) en bedienen zich ook niet van gif.De avond is gedaald. De maan schijnt met volle pracht en helderen glans aan den wolkeloozen hemel. Er waait een zacht koeltje; de lucht is frisch en verkwikkend.Het dorpshoofd en zijn zoon zijn naar hunne woning teruggekeerd. Wij verzoeken den drie mannen, die achtergebleven zijn, ons een proefje te willen geven van hun nationale zangen en dansen. Aanvankelijk maken zij daartegen eenige bedenkingen, maar ik had opgemerkt dat zij geen tabak hadden en gretig onze weggeworpen eindjes sigaar oprookten. Ik haal drie sigaren uit mijn zak en bied hun die aan: nu veranderen zij van toon en verklaren zich bereid, aan ons verlangen te voldoen. Hun gezang is, hoewel zeer weemoedig, toch vrij welluidend, maar bij uitstek eentonig, want het bestaat slechts uit eene enkele frase, die eindeloos wordt herhaald. Een hunner geeft de maat aan, met behulp van een kalebas, waarin zaadkorrels verborgen zijn en die hij heen en weer beweegt; die kalebas is met figuren versierd even als het vaatwerk. De vrouwen hebben het te druk om aan den dans deel te nemen. De kinderen scharen zich, twee aan twee, op eene rij achter de mannen en bewegen zich, als zij, langzaam, met afgemeten schreden voort, daarbij met hun rechter voet de maat slaande. Iedereen schijnt zeer tevreden en gelukkig: trouwens, de behoeften dezer arme lieden zijn al zeer weinige en dus spoedig voldaan.—Omstreeks tien uren strekken wij ons uit in onze hangmatten; voor het eerst sedert zeventien dagen slapen wij rustig, met een dak boven ons hoofd.12 November.—Wij brengen den dag door met teekenen en photografeeren, met het doen van sterrekundige en meteorologische waarnemingen. Morgen zal onze bagage droog zijn; in den morgen van den veertienden zullen wij vertrekken.Na het middagmaal zijn alle bewoners van het dorp, mannen en vrouwen, grooten en kleinen, bij onze hut vereenigd. De mannen hervatten hun eentonig gezang en hun niet minder eentonigen dans, die ons niet kunnen boeien. De muskieten zijn zeer talrijk en hinderlijk; wij begeven ons dus spoedig ter ruste, na onze geweren onder onze hangmatten op den grond te hebben gelegd. Het duurt niet lang, of Apatoe bemerkt zekere beweging die hem verdacht voorkomt. Terwijl het gezang buiten wordt voortgezet, ruimen de vrouwen al het huisraad en de wapenen in de hut op. Hij maakt mij wakker en deelt mij zijne waarneming mede; ik denk dat de Indianen zich naar de andere hutten zullen begeven om deze geheel tot onze beschikking te laten. Zonder mij in het minst ongerust te maken, slaap ik weer in; maar even daarna wekt Apatoe mij op nieuw: hij vertrouwt de zaak niet. Het zingen heeft opgehouden. Wij springen uit onze hangmatten en treden naar buiten, met onze geweren in de hand.Er is niemand te zien. Ik zal met Lejanne mij gaan overtuigen, of de andere hutten ook verlaten zijn; François en Apatoe zullen inmiddels hier de wacht houden. Niet zonder een zeer onaangename gewaarwording, bemerken wij dat inderdaad de inwoners zijn verdwenen. Waarom hebben de Indianen zich verwijderd? Willen zij onze bagage stelen? Er valt geen oogenblik meer te verliezen: wij moeten trachten hen zoo spoedig mogelijk in te halen. Lejanne vuurt tweemaal zijn geweer af, ten teeken dat wij hunne vlucht bemerkt hebben; in de hoop dat zij zich dan zoo spoedig mogelijk uit de voeten zullen maken, zonder zich den tijd te gunnen onze bagage mede te nemen, die onder het afdak nabij den oever geborgen is. Wij gaan het bosch in en loopen zoo snel als de donkerheid toelaat; tevens zooveel mogelijk links en rechts uitkijkende, want niets zou gemakkelijker zijn, danà bout portanteenige pijlen op ons af te zenden, en hebben de Indianen inderdaad het voornemen om ons te bestelen, dan zullen zij er ook wel geen been in vinden ons dood te schieten. Eindelijk komen wij aan den oever. De maan werpt haar helder licht op de open plek in het woud en op den kant der rivier. Daar staat onze bagage ongeschonden; daar ligt ons vlot rustig aan den oever. Daarentegen zijn alle prauwen verdwenen, ook die welke wij gekocht hebben. Wij halen ruimer adem, en Lejanne laat nogmaals twee schoten weerknallen, die de vluchtelingen in den waan zullen brengen, dat wij bij de bagage zijn en hen verhinderen, terug te komen.Weldra zijn wij weder bij onze makkers terug, wien wij de goede tijding mededeelen. Wij houden niettemin onze geweren gereed, ten einde op alles voorbereid te zijn, en blijven onder het rooken van eenige sigaren met elkander praten. Daarop begeven wij ons weer ter ruste en ontwaken eerst vrij laat in den morgen.13 November.—Wij vinden in een hoek de hakmessen, welke wij ten geschenke hadden gegeven aan de mannen die met ons mede zouden gaan, en ons linnengoed, dat wij aan de vrouwen gegeven hadden om te wasschen. Deze nauwgezette eerlijkheid verwondert ons. De hoofdman alleen is minder kiesch geweest: hij heeft de bijl en de lap katoen medegenomen, waarmede wij de prauw betaald hebben, die nu ook verdwenen is.Onze Indianen hebben hun haan en hunne kip vergeten: met hunne honden, vormden deze twee vogels hun geheelen rijkdom aan huisdieren. Wij vinden er hoegenaamd geen bezwaar in, de beide vogels mede te nemen, als vergoeding voor onze prauw.Ons vlot is een weinig gedroogd; het zinktminder diep in het water en wij zullen ons nogmaals aan dat broze vaartuig toevertrouwen, dat ons toch reeds meer dan eens het leven heeft gered. Inderdaad, als ik denk aan de nog veel brozer prauwen van uitgeholde boomstammen, aan de gevaren, waarmede de vaart op de rivier gepaard gaat, aan de vermetele stoutmoedigheid der kaimans, dan zou ik mij bijna kunnen verheugen over de vlucht onzer Indianen. Alles wat ons tot dusverre aanvankelijk een ramp scheen, is naderhand gebleken een geluk te zijn.Tegen den middag wordt onze bagage, die nu weer geheel droog is, op het vlot geschikt, en wij hervatten onzen tocht. Aanvankelijk varen wij langs de savane, dan komen wij weder in de bosschen. Hier en daar wijst een verbrande boom de plaats aan van een verlaten kamp der Indianen.Groote zeemeeuwen vliegen schreeuwend boven onze hoofden heen en weer, zoodra wij eene zandbank naderen, waarop zij haar eieren hebben gelegd. Talrijke bruinvisschen duiken, snuivend en blazend, uit het water op en springen en dartelen overal rondom het vlot. Wij overnachten in het woud.14 November.—Lejanne en ik zijn telkens verplicht de plaats in te nemen van Apatoe, die nog altijd zijne rust moet houden, en ter vermijding van ongevallen, de pagaaien ter hand te nemen. Daar wij dit werk niet gewoon zijn, wordt de vaart voor ons vrij vermoeiend.In den namiddag zien wij een pas gevormd eilandje voor ons, waarvan het teedere frissche groen helder uitkomt tegen de donkere tinten der bosschen. Eene prauw steekt van den oever af. Met behulp van onzen kijker, onderscheiden wij een gezin van Indianen. Wij roepen hen uit de verte aan, maar zij spoeden zich naar den linker oever en verdwijnen in het woud, hunne prauw aan den oever achter latende. Weldra zijn wij in de nabijheid van dat vaartuig, hetwelk ons uitstekend te stade zou komen. Ik gevoel grooten lust, mij van de prauw meester te maken, en als betaling, op den oever een onzer fraaie amerikaansche bijlen achter te laten. Door de prauw, met behulp van vuur, wijder te maken en van eene verschansing te voorzien, zouden wij met onze bagage daarin plaats kunnen vinden, en zouden wij veel spoediger te San-Fernando kunnen zijn. En ook zoo als zij nu is, zou de prauw ons de grootste diensten kunnen bewijzen voor de jacht: op het stuk van vleeschspijzen, hebben wij niets meer dan een buscorned beefen een doosje sardines.Maar Lejanne blijft bedenkingen opperen tegen dien gedwongen verkoop, die mij zoo sterk aantrok. Hij is van oordeel, dat wij ons verdiend loon zouden krijgen, indien de vertoornde eigenaar ons een of andere poets zou spelen, en, bij voorbeeld, ’s nachts ons vlot wegnemen of vernielen. De prauw blijft alzoo waar zij is.15 November.—Met het krieken van den dag zijn wij weer op weg. Elken morgen, omstreeks vijf uren, wek ik François, die koffie voor ons zet en de rijst kookt, waaruit ons ontbijt bestaat en waarop wij tot den avond moeten teren. Omstreeks acht uur krijgen wij een Indiaan in het oog, die in zijne prauw zit te visschen, aan de uitmonding eener kreek, aan den linkeroever. Hij is de eerste om ons aan te roepen. Wij zetten koers naar den oever, en het gelukt ons te landen. De man heeft een knaap bij zich van omstreeks dertien jaren en een kind van zeven of acht jaar. Hij is van het hoofd tot de voeten met rocou besmeerd, maar spreekt vlot spaansch. Blijkbaar heeft hij eenigen tijd in de beschaafde wereld verkeerd. Hij heeft bereids eenige visschen gevangen; zijn dorp is niet verre en hij is bereid ons levensmiddelen te verkoopen. Wij komen bijna in verzoeking, den man te omhelzen, hoewel die rood geverfde Indiaan, die zoo zuiver spaansch spreekt, ons eigenlijk eenige achterdocht inboezemt. Lejanne neemt zijn geweer; ik steek mijn revolver in mijn gordel, en na onzen makkers te hebben aanbevolen, in onze afwezigheid goed de wacht te houden, vertrekken wij in gezelschap van onzen roodhuid. Zijne prauw is zeer lang, zeer smal en bij uitnemendheid onzeewaardig. Wij zitten op den bodem, met opgetrokken beenen, in eene zeer vermoeiende houding. Wij varen de kreek in; wij gaan snel voort, maar wij stooten elk oogenblik tegen verdronken stammen en overhangende takken; en het is inderdaad een wonder, dat wij op deze vaart van een kwartier niet zijn omgeslagen.Bij de aanlegplaats gekomen, ontmoeten wij een anderen Indiaan, die van het dorp komt, zijn boog en pijlen over den schouder; hij keert op zijn schreden terug om ons te vergezellen. Wij volgen midden door het woud een ter nauwernood gebaand pad, gaan over eene zeer primitieve brug, uit twee dunne stammen van palmboomen bestaande, met een dunne liane bij wijze van leuning; en komen eindelijk aan eene savane. Wij vinden daar slechts eene enkele hut, bestaande uit een op palen rustend dak, zonder muren. Wij gaan daarheen en ontmoeten er een derden Indiaan met twee vrouwen en eenige kinderen.De mannen zijn krachtig gebouwd, klein, maar welgevormd. De vrouwen zijn afschuwelijk leelijk. Eenige hangmatten, wat aardewerk, pijlen en bogen vormen het geheele ameublement van de hut. De vrouwen hebben zoo juist cassave klaar gemaakt: zij is nog een weinig week en moet, om goed te blijven, in de zon worden gedroogd. Wij koopen eenige cassavekoeken, alsmede een tros bananen, welke de mannen voor ons gaan plukken. Wij gebruiken wat gekookte visch met piment en bananen: deze schotel is voor ons bijna eene lekkernij. Maar het is tijd, naar onze makkers terug te keeren, die ons wachten met het ontbijt.Sedert eenige oogenblikken spreken de Indianen zeer luid onder elkander. Als wij gereed staan om te vertrekken, weigeren zij eenvoudig de gekochte levensmiddelen naar het vlot te brengen, en lachen ons in het gezicht uit. Zouden wij met schurken te doen hebben? Wij beginnen nuop onze beurt een ernstig woordje te spreken. Lejanne maakt zijn geweer gereed en ik haal mijn revolver voor den dag: wij bevelen hun aanstonds te doen wat wij verlangen. Dit helpt; zij nemen de manden met vruchten en koeken op en gaan op weg naar de aanlegplaats. Lejanne vestigt er mijne aandacht op, dat zij ons op de vaart naar het vlot zouden kunnen doen omkantelen. De opmerking is juist: wij zullen dus te voet naar den oever gaan, waar het vlot ligt.Wij noodzaken de Indianen voor ons uit te gaan, hetgeen blijkbaar niet naar hun zin is, want elk oogenblik staat een hunner onder een of ander voorwendsel stil; maar wij houden hem in het oog, en wachten tot hij weer voortgaat. Wij keeren naar de savane terug, gaan een eind ver langs het bosch, en treden het eindelijk binnen. Een pad is er niet; wij dwingen dus onze Indianen langzamer te loopen en volgen hen op de hielen. Eindelijk, na een zeer vermoeienden marsch, waarbij wij de kreek—ditmaal zonder brug—hebben moeten doorwaden, bereiken wij het vlot.De vrouwen en kinderen van het dorp hebben zich reeds aan den oever verzameld. In de nabijheid liggen drie prauwen, onder de overhangende takken verborgen; ik koop eene daarvan, in ruil voor een bijl. Wij maken de prauw aan het vlot vast en varen af, niet zonder zekere genoegdoening den spijt en de teleurstelling gadeslaande van de Indianen, die eerst een zoo hoogen toon hadden aangenomen.In den namiddag ontmoeten wij achtervolgens drie prauwen. De eerste maakt zich zoo spoedig mogelijk uit de voeten. In de tweede bevinden zich een man, een vrouw en een kind; ondanks onze verzekeringen van vriendschappelijke gezindheid, houden deze lieden zich op een afstand, en deelen ons alleen mede dat zij naar San-Martino gaan. In de laatste prauw bevindt zich mede een gezin; de man en de vrouw maken een gunstigen indruk. Zij komen vol vertrouwen tot ons, maar verstaan geen spaansch, zoodat wij niets van hen vernemen kunnen. Wij koopen eenige vruchten van hen, en drukken elkander de hand ten afscheid.Tegen den avond bespeuren wij eene ledige prauw, die aan den oever vastgebonden ligt. Zou er hier in de nabijheid eene hut staan? Morgen ochtend zullen wij onze geweren afschieten om de inlanders te waarschuwen en tot ons te roepen, want wij wenschen met zooveel Indianen als mogelijk is kennis te maken.Wij beginnen aan onze laatste bus metcorned beef. Hoe heerlijk smaakt ons de versche cassave na onze eeuwige rijst. Wij brengen hier een uitmuntenden nacht door, bijna zonder muskieten.
11 November.—Omstreeks elf uren varen wij langs de monding van eene vrij aanzienlijke rivier, die zich aan den linkeroever in de Goyabero uitstort. Ditmaal is het inderdaad de Areare, die van San-Juan de los Llaños afdaalt en door het dorp San-Martino vloeit. Eenige kooplieden van dit dorp zijn handel komen drijven met de Mitoeas-Indianen, die aan de uitmonding van de Areare wonen. Andere kooplieden uit San-Fernando de Atabapo hebben eens of tweemaal de Guaviare en de Areare opgevaren tot aan San-Martino.
In zestien dagen hebben wij nu een afstand afgelegd van honderd-vijf-en-twintig mijlen door een geheel onbewoond land, waar nog nimmer, voor zoover bekend, een menschelijk wezen den voet had gezet, en waar zeer waarschijnlijk ook niet spoedig iemand ons spoor zal volgen.
Weldra bespeuren wij achter ons, naar den kant van de Areare, een zwaren rook, die in koperkleurige wolken omhoog stijgt. Daar bevinden zich Indianen, die het hooge gras eener savane of een gedeelte van het woud in brand hebben gestoken, om ruimte te krijgen voor een dorp.
Omstreeks een uur zien wij acht palen, in twee rijen in den grond gestoken, en die blijkbaar hebben gediend om hangmatten aan te bevestigen. Dicht in de nabijheid staan nog andere palen. Even daarna maakt de rivier eene kromming.
“Eene hut!” roept François.
Het is inderdaad zoo; wij naderen eene groote savane, waar de rivier midden door loopt. Een weinig achterwaarts van den hoogen steilen oever staat eene hut, die veel overeenkomst heeft met een breeden lagen hooiberg. Eer wij aan dit hooge weiland komen, moeten wij nog een kilometer ver langs het bosch varen.
“Roode kinderen!” roept François voor de tweede maal.
En ook nu is het waar. Op omgevallen of gestrande boomstammen zitten eenige kinderen, in verschillende houdingen neergehurkt, het hoofd een weinig voorover gebogen, en ons met vreesachtigeen wantrouwende blikken gadeslaande. Vlak daarbij zien wij twee Indianen, staande in hunne prauw, met hun boog en pijlen in de hand. Wij binden een hemd aan een stok en wuiven met die geïmproviseerde parlementaire vlag. Tevens laat ik Apatoe, bij wijze van begroeting, eenige schoten met los kruit doen. Dit schieten moest den Indianen aan het verstand brengen, dat wij als vrienden in hun midden verschijnen: vijanden zouden immers niet op deze wijze kennis geven van hunne komst. Tevens kunnen zij bemerken dat wij goed gewapend zijn en dat het dus een roekeloos ondernemen zou wezen, ons kwalijk te bejegenen. Ook deze wetenschap kan geen kwaad.
Dit gedaan zijnde, sturen wij naar hen toe. Naarmate wij dichter bij komen, verlaten zij hunne stelling en klauteren tegen den vrij steilen oever omhoog. Ik steek mijn revolver in mijn gordel en trek een vest aan om het wapen te verbergen. Lejanne neemt zijn patroontasch en doet twee patronen op zijn geweer. Eindelijk komen wij aan den oever. Ik gelast François en Apatoe goed op het vlot te passen, terwijl wij beiden, Lejanne en ik, op verkenning zullen uitgaan naar het dorp.
Wij weten nog niet hoe wij ontvangen zullen worden, maar toch zijn wij zeer gelukkig eindelijk weer eens menschen te ontmoeten. Onze Indianen staan op den oever, dien wij vlug beklimmen. Zij gelijken op alle Indianen, die ik tot dusver gezien heb. Wij zien voor ons drie mannen van vijf-en-twintig à dertig jaar, een jongeling van zeventien of achttien jaar, en een meer bejaard man, die de vijftig achter den rug schijnt te hebben. Er is hier een kleine open plek in het woud; ter linkerhand staat een soort van afdak of hut van palmbladen; voor ons begint het pad, dat naar de savane voert. Wij onderscheiden daar eenige vrouwen, die manden vol visch dragen en zich haastig verwijderen. Midden op de open ruimte staan eenige kinderen, die, gedreven door nieuwsgierigheid en weerhouden door vrees, eerst zich achter hun vaders schijnen te willen verschuilen, maar die eindelijk, schuwe blikken achterwaarts werpende, zoo hard zij kunnen hunne moeders naloopen.
Met uitgestoken hand treed ik op den oudsten der Indianen toe. Hij draagt een koord om den hals, waaraan vier hoektanden van een jaguar zijn bevestigd. Daar alleen de aanzienlijken—althans bij de mannen—de gewoonte hebben, halssnoeren te dragen, maak ik daaruit op, dat ik een dorpshoofd voor mij heb. Hij is iemand van ter nauwernood middelbare gestalte, met een zeer breede borst, een vooruitstekenden buik en magere beenen. Zijn aangezicht is rond en met rocou besmeerd; zijne ietwat rossige, zeer levendige oogen staan een weinig schuin; de wangbeenderen steken vooruit.
Onderstellende dat deze Mitoeas-Indianen misschien de Areare zijn opgevaren tot San-Martino, en dat zij wellicht eenige woorden spaansch verstaan, spreek ik den hoofdman toe met een “Buenas dies, señor capitan”; daarbij, volgens gebruik, luidkeels lachende. Hij drukt mij de hand en lacht op zijne beurt. Lejanne geeft hem ook de hand, terwijl ik met de andere mannen, onder luid geschater, handdrukken wissel. Een hunner verstaat enkele woorden spaansch en zal ons bij zijne makkers tot tolk dienen. Wij geven hem te kennen, dat wij hunne hutten wenschen te bezoeken en bij hen een poosje willen uitrusten. Wij begeven ons op weg en slaan, voorafgegaan door onze Indianen, het pad in, dat dwars door een stuk bosch, naar de savane voert. Het pad is vrij breed, effen en ter wederzijde door laag hout en heesters omzoomd, waarachter zich het hoog geboomte verheft. Op de vlakte gekomen, zien wij drie hutten op onderlingen afstand van vijf- tot omstreeks achthonderd el geplaatst.
Wij richten onze schreden naar de naaste hut. In het gras langs het pad liggen een aantal verkalkte schilden van schildpadden. Groote honden, gestreept als tijgers, met rechtopstaande ooren en lange snuit, beginnen bij onze nadering uit alle macht te blaffen. Zij schijnen stellig van plan, een aanval op onze beenen te doen; maar zij ontvangen van hunne meesters eene kastijding, die hen doet besluiten—zij het ook onwillig—eene meer vreedzame houding aan te nemen. Een haan en een paar kippen loopen te pikken in de nabijheid der hut, die, uit de verte gezien, heel veel weg heeft van een groote bijenkorf. Naderbij gekomen, zie ik dat zij bestaat uit latwerk, met palmbladen gedekt. Twee rijen houten palen, in de hut geplaatst, zijn onderling met lianen verbonden. Aan elke zijde is in den wand eene opening, die met een deur van palmbladen kan worden gesloten. Ook in het dak is eene opening gelaten, waardoor het licht binnendringt en de rook een uitweg vindt.
Bij het binnentreden der hut kunnen wij, door de heerschende duisternis, eerst niets onderscheiden. Als wij eenigszins aan de schemering gewend zijn, bespeuren wij vier vrouwen, die op den grond zijn neergehurkt. Op nieuw worden, onder luid gelach, handdrukken gewisseld. De kinderen huilen van schrik; wij tikken hun vriendelijk op den wang, hetgeen ze een weinig tot bedaren brengt.
Met behulp van onzen tolk geef ik aan de Indianen te kennen, dat ik gaarne mondbehoeften van hen koopen wil: bananen, cassave, visch, alles, in een woord, wat zij ons leveren kunnen. Bovendien zou ik gaarne eene prauw koopen en twee mannen huren om met ons te gaan tot het naaste dorp, nadat wij eerst een weinig bij hen gerust hebben.
Ik deel hun tevens mede, dat Apatoe door een kaiman gewond is, en dat het wenschelijk ware, indien een hunner hem helpen wilde om naar het dorp te komen. Een ander kan François behulpzaam zijn, om onze bagage, die van het water te lijden heeft gehad, op den oever te brengen, ten einde ze te laten drogen. Inmiddels deel ik eenige kleine geschenken onder hen uit: vischhaken, scharen, messen, naalden, als belooning voor dezekleine diensten. Zij schijnen zeer in hun schik en behandelen ons vriendelijk.
Lejanne merkt op, dat hij eene vrij sterke gelijkenis vindt tusschen deze Indianen en de inwoners van Indo-China; hunne oogen staan minder schuin en hun neus steekt meer vooruit. Maar overigens, hebben zij dezelfde gestalte, dezelfde bruingele kleur als de Annamiet, die met ontbloot bovenlijf op de rijstvelden arbeidt. Beiden hebben zwaar, zacht, zwart hair met een rosachtigen weerschijn; uitstekende wangbeenderen, eene breede borst, magere en ietwat gekromde beenen; de groote teen staat geheel afgezonderd van de andere, die kort en rond zijn. Doorgaans hebben deze Indianen donker rosachtige oogen. De mannen knippen hun hair op het voorhoofd af, tot omstreeks een vinger boven de wenkbrauwen; ter zijde en van achteren laten zij het langer groeien. Hunne kleeding bestaat uit decalimbé, een lap katoen, eertijds wit van kleur, die aan een om de heupen geknoopt koord is vastgemaakt en tusschen de beenen doorgaat, om vervolgens, van voren en van achteren, tot even over de knieën af te hangen. Verder dragen zij boven de kuiten en aan de enkels een soort van banden of ringen van palmbladen. Een dergelijk blad wordt ook als krans om het hoofd gewonden. Om den hals dragen zij snoeren van zwarte zaadkorrels, afgewisseld door blauwe en roode glaskoralen.
Eerste ontmoeting met een kaiman.Eerste ontmoeting met een kaiman.
Eerste ontmoeting met een kaiman.
De mannen hebben iets fiers en statigs in houding en gang; maar de vrouwen hebben zulk een voorkomen van bestialiteit en een zoo onbevalligen, waggelenden, slependen gang, dat zij inderdaad afschuwelijk mogen genoemd worden. Misschien is dit een gevolg van den zwaren arbeid, waartoe zij sinds hare jeugd veroordeeld zijn. Drie der hier aanwezige vrouwen, hoewel nog jong, zijn geheel verwelkt en afgeleefd. Haar hair is langer dan dat der mannen; zij maken eene soort van scheiding, maar gebruiken nimmer een kam. Hare kleeding bestaat uit een hemd, of liever een soort van zak, waarin gaten zijn gelaten om het hoofd en de armen door te steken. Dit kleedingstuk wordt door haar zelven gemaakt; het is vervaardigd van plantenvezels, die fijn gestampt en tot een soort van stijve watten gemaakt worden. Het spreekt van zelf, dat deze stof al zeer weinig plooibaar is en zich niet voegt naar de vormen van het lichaam. Zij dragen halssnoeren van glaskoralen.
Al de bewoners van het dorp vereenigen zich in onze hut: wij hebben dus al spoedig met iedereen kennis gemaakt. Bij ons binnentreden was de bodem der hut bezaaid met allerlei soorten van visch, waarvan enkelen een meter lang waren. Ik koop er eenigen, die Lejanne uitteekent, eer zij gekookt worden. Onze makkers zijn inmiddelsook aangekomen, en weldra smullen wij aan gekookte en gebakken visschen, welke de vrouwen voor ons hebben klaargemaakt. De Indianen, op den grond neergehurkt of op kleine, uitgeholde, zeer lage bankjes gezeten, vormen een kring rondom groote aarden potten, waaruit zij met de rechterhand stukken visch halen, die zij vervolgens met de linker naar den mond brengen.
Bivak in het woud.Bivak in het woud.
Bivak in het woud.
Dan komt de beurt aan den gebakken visch. Van tijd tot tijd vullen zij een kalebas met water uit een aarden pot met een lange rechte tuit, niet onbevallig van vorm. Daar komt geen einde aan het maal. Hoopen visch verdwijnen in de magen der gasten en men gaat nog maar altijd met bakken voort.
Ik tracht van de aanwezige mannen eenige inlichtingen te bekomen. Voor zoo ver ik uit hunne verklaringen wijs kan worden, kennen zij San-Martino, maar niet San-Fernando. Benedenwaarts langs de rivier zullen wij eenige indiaansche pueblos vinden; om het naaste dorp te bereiken, hebben wij een dag varens noodig. Twee mannen zijn bereid ons tot daar te vergezellen, en zullen daarvoor ieder als belooning een hakmes ontvangen. De hoofdman zal ons eene prauw afstaan, in ruil voor een bijl en een lap katoen.
Geld is hier niet in zwang en wordt niet aangenomen; toch is het niet geheel onbekend, want om den hals van een jong meisje zie ik twee stukjes van vijftig centimes, een met het portret van Louis-Philippe en een met dat van Napoleon III. Hoe mogen die fransche geldstukjes hier verzeild zijn geraakt? Op die vraag is het niet mogelijk een antwoord te geven; maar zeker had ikniet verwacht, de beeltenissen van deze twee vorsten naast elkander te zien prijken op de borst van een indiaansch meisje in het hart der wouden van Zuid-Amerika.
Het meubilair van onze Indianen bestaat uit hangmatten, eenig aardewerk, eenige kleine, lage, holle bankjes, schilden van schildpadden, die als zetels dienen, drie bijlen en een hakmes; als wapenen hebben zij pijl en boog; zij gebruiken geen sarbacanen (blaaspijp) en bedienen zich ook niet van gif.
De avond is gedaald. De maan schijnt met volle pracht en helderen glans aan den wolkeloozen hemel. Er waait een zacht koeltje; de lucht is frisch en verkwikkend.
Het dorpshoofd en zijn zoon zijn naar hunne woning teruggekeerd. Wij verzoeken den drie mannen, die achtergebleven zijn, ons een proefje te willen geven van hun nationale zangen en dansen. Aanvankelijk maken zij daartegen eenige bedenkingen, maar ik had opgemerkt dat zij geen tabak hadden en gretig onze weggeworpen eindjes sigaar oprookten. Ik haal drie sigaren uit mijn zak en bied hun die aan: nu veranderen zij van toon en verklaren zich bereid, aan ons verlangen te voldoen. Hun gezang is, hoewel zeer weemoedig, toch vrij welluidend, maar bij uitstek eentonig, want het bestaat slechts uit eene enkele frase, die eindeloos wordt herhaald. Een hunner geeft de maat aan, met behulp van een kalebas, waarin zaadkorrels verborgen zijn en die hij heen en weer beweegt; die kalebas is met figuren versierd even als het vaatwerk. De vrouwen hebben het te druk om aan den dans deel te nemen. De kinderen scharen zich, twee aan twee, op eene rij achter de mannen en bewegen zich, als zij, langzaam, met afgemeten schreden voort, daarbij met hun rechter voet de maat slaande. Iedereen schijnt zeer tevreden en gelukkig: trouwens, de behoeften dezer arme lieden zijn al zeer weinige en dus spoedig voldaan.—Omstreeks tien uren strekken wij ons uit in onze hangmatten; voor het eerst sedert zeventien dagen slapen wij rustig, met een dak boven ons hoofd.
12 November.—Wij brengen den dag door met teekenen en photografeeren, met het doen van sterrekundige en meteorologische waarnemingen. Morgen zal onze bagage droog zijn; in den morgen van den veertienden zullen wij vertrekken.
Na het middagmaal zijn alle bewoners van het dorp, mannen en vrouwen, grooten en kleinen, bij onze hut vereenigd. De mannen hervatten hun eentonig gezang en hun niet minder eentonigen dans, die ons niet kunnen boeien. De muskieten zijn zeer talrijk en hinderlijk; wij begeven ons dus spoedig ter ruste, na onze geweren onder onze hangmatten op den grond te hebben gelegd. Het duurt niet lang, of Apatoe bemerkt zekere beweging die hem verdacht voorkomt. Terwijl het gezang buiten wordt voortgezet, ruimen de vrouwen al het huisraad en de wapenen in de hut op. Hij maakt mij wakker en deelt mij zijne waarneming mede; ik denk dat de Indianen zich naar de andere hutten zullen begeven om deze geheel tot onze beschikking te laten. Zonder mij in het minst ongerust te maken, slaap ik weer in; maar even daarna wekt Apatoe mij op nieuw: hij vertrouwt de zaak niet. Het zingen heeft opgehouden. Wij springen uit onze hangmatten en treden naar buiten, met onze geweren in de hand.
Er is niemand te zien. Ik zal met Lejanne mij gaan overtuigen, of de andere hutten ook verlaten zijn; François en Apatoe zullen inmiddels hier de wacht houden. Niet zonder een zeer onaangename gewaarwording, bemerken wij dat inderdaad de inwoners zijn verdwenen. Waarom hebben de Indianen zich verwijderd? Willen zij onze bagage stelen? Er valt geen oogenblik meer te verliezen: wij moeten trachten hen zoo spoedig mogelijk in te halen. Lejanne vuurt tweemaal zijn geweer af, ten teeken dat wij hunne vlucht bemerkt hebben; in de hoop dat zij zich dan zoo spoedig mogelijk uit de voeten zullen maken, zonder zich den tijd te gunnen onze bagage mede te nemen, die onder het afdak nabij den oever geborgen is. Wij gaan het bosch in en loopen zoo snel als de donkerheid toelaat; tevens zooveel mogelijk links en rechts uitkijkende, want niets zou gemakkelijker zijn, danà bout portanteenige pijlen op ons af te zenden, en hebben de Indianen inderdaad het voornemen om ons te bestelen, dan zullen zij er ook wel geen been in vinden ons dood te schieten. Eindelijk komen wij aan den oever. De maan werpt haar helder licht op de open plek in het woud en op den kant der rivier. Daar staat onze bagage ongeschonden; daar ligt ons vlot rustig aan den oever. Daarentegen zijn alle prauwen verdwenen, ook die welke wij gekocht hebben. Wij halen ruimer adem, en Lejanne laat nogmaals twee schoten weerknallen, die de vluchtelingen in den waan zullen brengen, dat wij bij de bagage zijn en hen verhinderen, terug te komen.
Weldra zijn wij weder bij onze makkers terug, wien wij de goede tijding mededeelen. Wij houden niettemin onze geweren gereed, ten einde op alles voorbereid te zijn, en blijven onder het rooken van eenige sigaren met elkander praten. Daarop begeven wij ons weer ter ruste en ontwaken eerst vrij laat in den morgen.
13 November.—Wij vinden in een hoek de hakmessen, welke wij ten geschenke hadden gegeven aan de mannen die met ons mede zouden gaan, en ons linnengoed, dat wij aan de vrouwen gegeven hadden om te wasschen. Deze nauwgezette eerlijkheid verwondert ons. De hoofdman alleen is minder kiesch geweest: hij heeft de bijl en de lap katoen medegenomen, waarmede wij de prauw betaald hebben, die nu ook verdwenen is.
Onze Indianen hebben hun haan en hunne kip vergeten: met hunne honden, vormden deze twee vogels hun geheelen rijkdom aan huisdieren. Wij vinden er hoegenaamd geen bezwaar in, de beide vogels mede te nemen, als vergoeding voor onze prauw.
Ons vlot is een weinig gedroogd; het zinktminder diep in het water en wij zullen ons nogmaals aan dat broze vaartuig toevertrouwen, dat ons toch reeds meer dan eens het leven heeft gered. Inderdaad, als ik denk aan de nog veel brozer prauwen van uitgeholde boomstammen, aan de gevaren, waarmede de vaart op de rivier gepaard gaat, aan de vermetele stoutmoedigheid der kaimans, dan zou ik mij bijna kunnen verheugen over de vlucht onzer Indianen. Alles wat ons tot dusverre aanvankelijk een ramp scheen, is naderhand gebleken een geluk te zijn.
Tegen den middag wordt onze bagage, die nu weer geheel droog is, op het vlot geschikt, en wij hervatten onzen tocht. Aanvankelijk varen wij langs de savane, dan komen wij weder in de bosschen. Hier en daar wijst een verbrande boom de plaats aan van een verlaten kamp der Indianen.
Groote zeemeeuwen vliegen schreeuwend boven onze hoofden heen en weer, zoodra wij eene zandbank naderen, waarop zij haar eieren hebben gelegd. Talrijke bruinvisschen duiken, snuivend en blazend, uit het water op en springen en dartelen overal rondom het vlot. Wij overnachten in het woud.
14 November.—Lejanne en ik zijn telkens verplicht de plaats in te nemen van Apatoe, die nog altijd zijne rust moet houden, en ter vermijding van ongevallen, de pagaaien ter hand te nemen. Daar wij dit werk niet gewoon zijn, wordt de vaart voor ons vrij vermoeiend.
In den namiddag zien wij een pas gevormd eilandje voor ons, waarvan het teedere frissche groen helder uitkomt tegen de donkere tinten der bosschen. Eene prauw steekt van den oever af. Met behulp van onzen kijker, onderscheiden wij een gezin van Indianen. Wij roepen hen uit de verte aan, maar zij spoeden zich naar den linker oever en verdwijnen in het woud, hunne prauw aan den oever achter latende. Weldra zijn wij in de nabijheid van dat vaartuig, hetwelk ons uitstekend te stade zou komen. Ik gevoel grooten lust, mij van de prauw meester te maken, en als betaling, op den oever een onzer fraaie amerikaansche bijlen achter te laten. Door de prauw, met behulp van vuur, wijder te maken en van eene verschansing te voorzien, zouden wij met onze bagage daarin plaats kunnen vinden, en zouden wij veel spoediger te San-Fernando kunnen zijn. En ook zoo als zij nu is, zou de prauw ons de grootste diensten kunnen bewijzen voor de jacht: op het stuk van vleeschspijzen, hebben wij niets meer dan een buscorned beefen een doosje sardines.
Maar Lejanne blijft bedenkingen opperen tegen dien gedwongen verkoop, die mij zoo sterk aantrok. Hij is van oordeel, dat wij ons verdiend loon zouden krijgen, indien de vertoornde eigenaar ons een of andere poets zou spelen, en, bij voorbeeld, ’s nachts ons vlot wegnemen of vernielen. De prauw blijft alzoo waar zij is.
15 November.—Met het krieken van den dag zijn wij weer op weg. Elken morgen, omstreeks vijf uren, wek ik François, die koffie voor ons zet en de rijst kookt, waaruit ons ontbijt bestaat en waarop wij tot den avond moeten teren. Omstreeks acht uur krijgen wij een Indiaan in het oog, die in zijne prauw zit te visschen, aan de uitmonding eener kreek, aan den linkeroever. Hij is de eerste om ons aan te roepen. Wij zetten koers naar den oever, en het gelukt ons te landen. De man heeft een knaap bij zich van omstreeks dertien jaren en een kind van zeven of acht jaar. Hij is van het hoofd tot de voeten met rocou besmeerd, maar spreekt vlot spaansch. Blijkbaar heeft hij eenigen tijd in de beschaafde wereld verkeerd. Hij heeft bereids eenige visschen gevangen; zijn dorp is niet verre en hij is bereid ons levensmiddelen te verkoopen. Wij komen bijna in verzoeking, den man te omhelzen, hoewel die rood geverfde Indiaan, die zoo zuiver spaansch spreekt, ons eigenlijk eenige achterdocht inboezemt. Lejanne neemt zijn geweer; ik steek mijn revolver in mijn gordel, en na onzen makkers te hebben aanbevolen, in onze afwezigheid goed de wacht te houden, vertrekken wij in gezelschap van onzen roodhuid. Zijne prauw is zeer lang, zeer smal en bij uitnemendheid onzeewaardig. Wij zitten op den bodem, met opgetrokken beenen, in eene zeer vermoeiende houding. Wij varen de kreek in; wij gaan snel voort, maar wij stooten elk oogenblik tegen verdronken stammen en overhangende takken; en het is inderdaad een wonder, dat wij op deze vaart van een kwartier niet zijn omgeslagen.
Bij de aanlegplaats gekomen, ontmoeten wij een anderen Indiaan, die van het dorp komt, zijn boog en pijlen over den schouder; hij keert op zijn schreden terug om ons te vergezellen. Wij volgen midden door het woud een ter nauwernood gebaand pad, gaan over eene zeer primitieve brug, uit twee dunne stammen van palmboomen bestaande, met een dunne liane bij wijze van leuning; en komen eindelijk aan eene savane. Wij vinden daar slechts eene enkele hut, bestaande uit een op palen rustend dak, zonder muren. Wij gaan daarheen en ontmoeten er een derden Indiaan met twee vrouwen en eenige kinderen.
De mannen zijn krachtig gebouwd, klein, maar welgevormd. De vrouwen zijn afschuwelijk leelijk. Eenige hangmatten, wat aardewerk, pijlen en bogen vormen het geheele ameublement van de hut. De vrouwen hebben zoo juist cassave klaar gemaakt: zij is nog een weinig week en moet, om goed te blijven, in de zon worden gedroogd. Wij koopen eenige cassavekoeken, alsmede een tros bananen, welke de mannen voor ons gaan plukken. Wij gebruiken wat gekookte visch met piment en bananen: deze schotel is voor ons bijna eene lekkernij. Maar het is tijd, naar onze makkers terug te keeren, die ons wachten met het ontbijt.
Sedert eenige oogenblikken spreken de Indianen zeer luid onder elkander. Als wij gereed staan om te vertrekken, weigeren zij eenvoudig de gekochte levensmiddelen naar het vlot te brengen, en lachen ons in het gezicht uit. Zouden wij met schurken te doen hebben? Wij beginnen nuop onze beurt een ernstig woordje te spreken. Lejanne maakt zijn geweer gereed en ik haal mijn revolver voor den dag: wij bevelen hun aanstonds te doen wat wij verlangen. Dit helpt; zij nemen de manden met vruchten en koeken op en gaan op weg naar de aanlegplaats. Lejanne vestigt er mijne aandacht op, dat zij ons op de vaart naar het vlot zouden kunnen doen omkantelen. De opmerking is juist: wij zullen dus te voet naar den oever gaan, waar het vlot ligt.
Wij noodzaken de Indianen voor ons uit te gaan, hetgeen blijkbaar niet naar hun zin is, want elk oogenblik staat een hunner onder een of ander voorwendsel stil; maar wij houden hem in het oog, en wachten tot hij weer voortgaat. Wij keeren naar de savane terug, gaan een eind ver langs het bosch, en treden het eindelijk binnen. Een pad is er niet; wij dwingen dus onze Indianen langzamer te loopen en volgen hen op de hielen. Eindelijk, na een zeer vermoeienden marsch, waarbij wij de kreek—ditmaal zonder brug—hebben moeten doorwaden, bereiken wij het vlot.
De vrouwen en kinderen van het dorp hebben zich reeds aan den oever verzameld. In de nabijheid liggen drie prauwen, onder de overhangende takken verborgen; ik koop eene daarvan, in ruil voor een bijl. Wij maken de prauw aan het vlot vast en varen af, niet zonder zekere genoegdoening den spijt en de teleurstelling gadeslaande van de Indianen, die eerst een zoo hoogen toon hadden aangenomen.
In den namiddag ontmoeten wij achtervolgens drie prauwen. De eerste maakt zich zoo spoedig mogelijk uit de voeten. In de tweede bevinden zich een man, een vrouw en een kind; ondanks onze verzekeringen van vriendschappelijke gezindheid, houden deze lieden zich op een afstand, en deelen ons alleen mede dat zij naar San-Martino gaan. In de laatste prauw bevindt zich mede een gezin; de man en de vrouw maken een gunstigen indruk. Zij komen vol vertrouwen tot ons, maar verstaan geen spaansch, zoodat wij niets van hen vernemen kunnen. Wij koopen eenige vruchten van hen, en drukken elkander de hand ten afscheid.
Tegen den avond bespeuren wij eene ledige prauw, die aan den oever vastgebonden ligt. Zou er hier in de nabijheid eene hut staan? Morgen ochtend zullen wij onze geweren afschieten om de inlanders te waarschuwen en tot ons te roepen, want wij wenschen met zooveel Indianen als mogelijk is kennis te maken.
Wij beginnen aan onze laatste bus metcorned beef. Hoe heerlijk smaakt ons de versche cassave na onze eeuwige rijst. Wij brengen hier een uitmuntenden nacht door, bijna zonder muskieten.