VII

VII16 November.—Bij het ontwaken lossen wij een schot, om den eigenaar van de prauw te waarschuwen. Wij wachten een geruimen tijd; maar aangezien niemand komt opdagen, vervolgen wij onzen tocht. Juist toen wij ons hadden losgemaakt uit de saamgestrengelde takken en planten, die den bodem der rivier nabij den oever bedekken en in de ruimte kwamen, zagen wij twee Indianen in de prauw plaats nemen en naar ons toekomen. In voorkomen en kleeding gelijken zij op al hunne landgenooten, die wij reeds ontmoet hebben; zij verstaan een weinig spaansch, waaruit blijkt dat zij somwijlen met blanken in aanraking komen. Zij beweren noch San-Martino, noch San-Fernando te kennen, hetgeen mij ongeloofelijk voorkomt; ik houd het er eer voor, dat zij ons geene inlichtingen willen geven. Vermoedelijk zullen zij van hunne ontmoetingen met de blanken minder aangename herinneringen hebben overgehouden, en herhaaldelijk bedrogen en mishandeld zijn geworden. Immers, bij de aanrakingen van den wilde met de zoogenoemd beschaafden, is de eerste steeds de lijdende partij. De blanken treden op als heeren en meesters en maken van de onwetendheid van den wilde gebruik, om hem zooveel mogelijk te bedriegen en te berooven. Een koopman beroemde er zich tegen ons op, dat hij voor de stop van een karaf, waaraan hij groote tooverkracht toeschreef, tien manden met couac (gebrand maniokmeel), ter waarde van honderd francs, had gekregen. Het gezin van den inboorling wordt al even weinig geëerbiedigd als zijn eigendom. Het is dus inderdaad niet te verwonderen dat de Indiaan weinig sympathie voor de blanken gevoelt. Zoodra hij een bijl, een hakmes, een handvol kralen voor halssnoeren, en eenige stukken katoen bezit, houdt hij zich buiten bereik van de gewetenlooze handelaars, die hij veracht en verfoeit. En in de oogen der Indianen, met wie wij in aanraking komen, zijn wij niet anders dan handelaars.Onze twee roodhuiden zullen, tegen belooning van een mes, met ons gaan tot het naaste dorp, dat niet ver verwijderd is. Sedert een half uur varen wij naast elkander voort, toen wij nog eene andere prauw zagen aankomen, waarin een Indiaan met zijn gezin is gezeten. Wij roepen hem aan, en hij komt tot ons; zijn dorp ligt in de nabijheid, hij zal er ons heen geleiden. Ons gesprek wordt in het spaansch gevoerd. Terwijl wij met hem spreken, hebben de andere Indianen zich verwijderd, onzen vischhengel medenemende.Onze nieuwe vriend neemt ons op sleeptouw; zijne vrouw en hij pagaaien met alle kracht. Het verwondert mij, dat hunne zeer smalle en zeer onvaste prauw niet omkantelt. Eindelijk bereiken wij zonder ongeval eene kreek aan den rechter oever der rivier. Aan den ingang liggen twee reusachtige kaimans op de wacht, die in dit vischrijke water overvloedig voedsel kunnen vinden; met hunne ziellooze onbewegelijke oogen staren zij ons spookachtig aan. Bij de nadering van het vlot zijn zij even onder gedoken, om langzamerhand op dezelfdeplaatsweer te voorschijn te komen.Aankomst bij de Mitoea-Indianen.Aankomst bij de Mitoea-Indianen.Wij maken ons vlot vast aan den rechter oever van de kreek, en bekijken onze nieuwe makkers wat nauwkeuriger. De Indiaan is een jonkmanvan omstreeks vijf-en-twintig jaren, met een innemend voorkomen en welgemaakt van gestalte. Hij is daarbij zeer zindelijk. Zijne huid is bruinachtig geel van kleur, niet donker. Hij draagt den gewonen hoofdband en de kniebanden van palmbladeren; in zijne ooren heeft hij stukjes riet gestoken, waarvan het eene einde met roode vederen is versierd.Zijne vrouw heeft regelmatige trekken, en moet indertijd schoon zijn geweest, maar zij is reeds verwelkt, hoewel zij niet veel ouder kan zijn dan haar man. Zij draagt het hemd of liever den zak, waarvan ik reeds vroeger gesproken heb, en dat hier en daar rood is geworden. Ik koop dat hemd van haar voor een lap katoen. Zij toont besef van kieschheid: niet dan met moeite kan haar man haar bewegen, zich in onze tegenwoordigheid te ontkleeden.De vrouw zal met de prauw de kreek opvaren, terwijl haar man Lejanne en mij zal geleiden naar de plek, waar wij de kreek moeten oversteken, om zijne woning te bereiken, welke niet ver verwijderd is en in eene savane gelegen, waar een aantal Indianen zijn gevestigd. In blijde stemming en hoog gespannen verwachting, gaan wij op weg naar het dorp, waar zeker veel te zien en te leeren zal vallen. Geruimen tijd volgen wij den oever van de kreek; onze weg voert ons onder prachtige boomen, van wier stammen en takken weer krachtige wortels uitschieten, die in den grond doordringen. De lianen vormen als het ware een reusachtig netwerk, waardoor vooral Lejanne, uit hoofde van zijn geweer, zich niet dan met moeite een weg kan banen. De grond, die bij hoog water wordt overstroomd, is bedekt met eene laag vochtige klei en draagt geen gras. Wij zien talrijke sporen van tapirs.—Nadat wij ruim een kwartier geloopen hebben, staat de Indiaan eensklaps stil: “el tigre!” roept hij. Hij heeft het dier zien wegvluchten en wijst ons zijn spoor. Lejanne vuurt in die richting zijn geweer af, en wij vervolgen onzen marsch.Na verloop van drie kwartier komen wij aan het punt, waar wij de kreek moeten oversteken. De Indiaan roept zijne vrouw, die geen antwoord geeft. Wij wachten een kwartier: niemand verschijnt.Wij beginnen ons zelven af te vragen, of men ons ook bij den neus heeft gehad en of ons vlot in veiligheid is. Het schijnt ons vreemd, dat wij zoo ver moeten loopen om eene hut te bereiken, die, naar men zeide, vlak in de nabijheid lag. Ik besluit, naar onze makkers terug te keeren, maar de Indiaan zal ons daarbij weer tot gids moeten zijn: want tenzij wij de oevers van de kreek volgen, zullen wij onvermijdelijk verdwalen, maar de tallooze kronkelingen der kreek zullen den weg veel langer maken. Mitsdien geef ik hem last, ons naar het punt van uitgang terug te brengen: hij schijnt mij niet te begrijpen. Lejanne pakt hem bij de schouders en laat hem zoo onzacht rechts-om-keert maken, dat hij aanstonds onze bedoeling vat. Eindelijk komen wij bij onze kameraden, die in onze afwezigheid een heerlijk ragout van visch en bananen hebben gereed gemaakt. Zij hebben die visschen gekocht van een Indiaan, die in eene prauw voorbij voer. Onze gids is inmiddels verdwenen zonder afscheid te nemen.De Indianen van deze streek schijnen niet te vertrouwen; op hun gunstig uiterlijk valt blijkbaar niet te rekenen. Als zij in grooter getale bijeen waren, zouden wij het misschien hard te verantwoorden hebben. Trouwens wij zijn tegenover hen steeds op onze hoede en hebben onze wapenen altijd bij de hand.Na ontbeten te hebben verlaten wij de kreek en hervatten onze langzame vaart op de Guaviare.Omstreeks half vijf bespeuren wij op den rechteroever eene groote savane, die tot aan de rivier reikt; eene soortgelijke als die, waar wij de eerste Indianen hebben ontmoet. In de verte zien wij twee hutten; maar de dag is te ver gevorderd, om er nog heen te gaan. Wij slaan ons kamp op aan den hoek van het bosch, en verbergen ons vuur en onze hangmatten tusschen het hoog geboomte, want wij zijn in het minst niet gesteld op nachtelijke bezoeken. Wij hebben onzen laatsten voorraad vleesch verbruikt. Moge Diana ons gunstig zijn!17 November.—Om zes uur vuurt François een geweer af. Lejanne en ik komen uit het bosch te voorschijn en betreden de savane. Er hangt een dichte nevel, die ons verhindert tien pas voor ons uit te zien. Wij bepalen zoo goed mogelijk de richting der hutten en midden door het hooge gras voortstappende, vinden wij weldra een pad, dat er ons heenbrengen zal. Maar naar het schijnt, buigt ons pad naar de rivier af; wij verlaten het dus en betreden nu een terrein, waar men het gras eerst onlangs heeft verbrand. De zon is inmiddels opgegaan en kleurt den nevel met prachtige roode tinten. Half onzichtbaar, spookachtig, vertoonen zich de schemerende gestalten van enkele boomen, in de savane verspreid. Eindelijk, naarmate de zon hooger rijst, trekt de nevel weg. Wij bespeuren nu aan onze linkerhand een Indiaan, die met de pijlen over den schouder, langs de rivier gaat, in de richting van ons kamp, op eenigen afstand gevolgd door zijne vrouw en twee kleine kinderen. Wij roepen hem aan en zijn weldra aan zijne zijde. Het is een stevige kerel, de grootste van alle Indianen, die wij tot dusver ontmoet hebben; een krachtig gebouwd man, met breede schouders en gespierde armen en beenen. Hij is aanstonds bereid om ons naar de hutten te geleiden; maar toch is er iets, wat mij niet bevalt en weinig goeds schijnt te voorspellen. Onze vriend brengt ons naar de verst afgelegen hut, terwijl zijne vrouw zich zoo snel mogelijk naar de naast bij gelegene begeeft. Blijkbaar wil zij het een of ander verbergen voor dat de blanken komen, misschien wel den aanwezigen mondvoorraad. Wij loopen haar na, maar zij is te ver vooruit. Op onze beurt komen wij ook aan deze hut, die, even als in de dorpen van de Andes, leemen wanden en een vooruitstekend dak heeft, dat oppalen rust. Deze zeer deftige hut wordt bewoond door een Indiaan met een vrij goedig voorkomen, die een kleinen ronden hoed met smallen rand bezit, waarmede hij zich bij onze verschijning aanstonds het hoofd dekt. De man, die zich zulk een weelde kan veroorloven, heeft ongetwijfeld onder de blanken verkeerd; hij zal in staat zijn ons inlichtingen te geven, welke ons van groote dienst zullen zijn. Op al onze vragen antwoordt hij: “Dat is er niet. Ik weet het niet.” Wij staan op het punt, ons boos te maken en gaan heen.Wij begeven ons nu naar de andere hut, die zeer ruim is en geheel van takken en bladeren vervaardigd. Zij wordt bewoond door drie Indianen met hunne gezinnen, die ons met de uiterste koelheid ontvangen. Zij hebben, volgens hun zeggen, noch vleesch, noch visch, noch bananen, noch cassave. Daarentegen zijn zij in het bezit van een groot aantal bogen, pijlen en lansen, die zij in de hand houden.Wij keeren naar ons vlot terug, gansch niet gesticht over den uitslag van onze lange en vermoeiende wandeling. Wij volgen een pad dat langs de rivier loopt, en aan den oever op een aantal plaatsen is afgebrokkeld; maar op onzen tocht door de prairie worden wij geen enkel stuk wild gewaar. Wij hebben niets voor ons ontbijt: wij moeten ons althans eenige visschen verschaffen voor ons diner, en daartoe in de eerste plaats een vogel machtig worden om tot aas te dienen. Bevallige zwaluwen vliegen om ons heen, over het hooge gras heenstrijkende, onvermoeid op de insektenjacht. Wij hooren de scherpe kreten van eenige jonge arenden, die geheel buiten ons bereik zijn. Andere vogels zijn er niet, en reeds naderen wij ons kamp. Lejanne schiet en treft een zwaluw, wier staart met twee lange vederen is versierd. Toen onze makkers het schot hoorden, hebben zij zich zeker met de hoop gevleid, dat wij een pecari, een patrijs of eenig ander flink stuk wild zouden medebrengen: blijkbaar zijn zij dan ook teleurgesteld, als zij onze povere vangst aanschouwen. Onze kok stond al gereed, het wild te braden; nu kan hij niet anders doen dan rijst koken en bananen klaar maken, die wij onderweg zullen oppeuzelen en besproeien met water uit de Guaviare.Dit is zeker een weinig voedzaam menu, maar het heeft althans een voordeel: het jaagt u het bloed niet naar het hoofd, en is dus zeer gepast voor menschen, die uren lang aan de brandende zon zijn blootgesteld.Intusschen drijft ons vlot langs de savane, waarvan de loodrechte oever aan onze rechter hand een eindeloozen roodachtigen muur vormt van omstreeks zes ellen hoog. Op de hoogte der hutten gekomen, zien wij al de Indianen aan den rand der helling verzameld. Wij wenden zelfs het hoofd niet naar hen om, maar houden hen toch in het oog, vast besloten vuur te geven op het eerste blijk van vijandelijkheden, want zij zijn allen gewapend en hebben twee prauwen tot hunne beschikking.Het landschap is wanhopend eentonig langs deze rivier, die eene geheele reeks regelmatige krommingen maakt. Aan den eenen kant is de loodrechte holle oever bedekt met groote boomen en tallooze palmen, die zich boven een roodachtigen muur schijnen te verheffen; aan de andere zijde is de holle oever begroeid met laag hout en omzoomd door eene zandbank, waarop een menigte kaimans zich in de zon liggen te bakeren. De stroom loopt altijd langs den hollen oever, omgord met aangespoelde boomstammen en takken, waartusschen vreesachtige schildpadden huizen. Het water heeft eene vuile zwartachtig grauwe kleur. Op zeer stille plekken is het bedekt met eene dunne vetlaag, die metaalachtige tinten toont en waarboven vieze vlokken schuim drijven. Over dit alles giet de zon een geelachtig licht uit; vooral tegen den avond is de weerspiegeling van het zonlicht in het water bij uitstek hinderlijk. Gedurende tien uren per dag zijn wij aan de brandende stralen blootgesteld, zonder andere bescherming dan onze panamahoeden, waarom wij een doek gewonden hebben. Die verraderlijke stralen maken gebruik van het minste scheurtje in onze kleederen, om onze huid te verbranden. Van tijd tot tijd maken wij ons haar nat, om ons althans even te verfrisschen.Tegen den avond van dezen dag vangt Lejanne een mooien mapourito, die ons uitnemend te pas zal komen voor ons diner. Dan verbreedt zich de rivier en splitst zich in twee armen, waartusschen zich eene zandplaat verheft. De stroom voert ons naar den linkeroever, die met laag hout is begroeid. Een soort reiger heeft de onvoorzichtigheid, zijn langen hals uit te rekken en zijn kop uit de bladeren te steken. Apatoe schiet hem neder, en gaat met de prauw den vogel halen, die wel een zeer sterken onaangenamen stank verspreidt, maar waarmede wij toch, bij gebrek van beter, ons ontbijt zullen doen.20 November.—Sedert drie dagen komen wij bijna niet vooruit. Wij ontmoeten een aantal eenden, maar zij zijn uiterst moeilijk te naderen, en het gelukt ons niet dan na veel inspanning er vier te dooden. Met versche bananen gekookt, moeten zij ons gedurende twee dagen voeden.In den namiddag van den twintigsten barstte eensklaps een vrij hevig onweer, met storm en regen los, maar nog eer wij stilhielden om ons kamp voor den nacht op te slaan, was het op nieuw goed weer geworden. Wij sturen ons vlot naar den oever, maken het stevig vast, en beginnen de noodige toebereidselen te maken voor ons middagmaal en voor ons nachtverblijf. Terwijl ik het vuur aanmaak, brengt François het noodige gereedschap aan wal. Lejanne en Apatoe, die nu reeds eenige werkzaamheden verrichten kan, ruimen met hunne hakmessen de struiken en heesters op, zoodat wij de noodige ruimte krijgen voor ons kamp. Weldra staat de ketel te vuur, met een prachtigen eendvogel en eenige stukken van bananen. Het eenvoudig maal wordt gekruid door onzen honger.Een smalle strook van violetkleurige wolken, de laatste overblijfsels van de onweersbui in dennamiddag, omzoomde den westelijken horizon. Daarboven heeft de hemel een groene tint, waardoor eenige rooskleurige strepen loopen. Niets evenaart de zuiverheid en fijnheid dezer kleuren, die ook door het meest geoefende penseel niet zijn weer te geven. Weldra valt de duisternis in; zooals men weet, duurt in de tropische landen de duisternis maar kort. Wij gebruiken haastig ons maal, want met den nacht komen de muskieten, die ons beletten na den maaltijd nog lang te blijven praten. Ieder zoekt zijne hangmat op en zoekt een veilig plaatsje achter zijn muskietenscherm.Hut der Mitoea-Indianen.Hut der Mitoea-Indianen.Wij vallen spoedig in slaap, maar worden gewekt door een hevigen donderslag. Welhaast valt de regen in stroomen neder. Lejanne en François verlaten hunne hangmatten, aan hooge boomen opgehangen, die den bliksem zouden kunnen aantrekken. Geen enkele stof, hoe waterdicht ook, is tegen zulke regens bestand. Wij zijn in een oogenblik doornat en rillen van de koude. Niemand spreekt een woord: in stompzinnige onverschilligheid laten wij ons door deze waterplassen overstelpen. Deze regen duurt, met geringe afwisseling in hevigheid, tot aan den morgen.21 November.—Wij ontmoeten langs de oevers zoogenoemde morichépalmen, waarvan Apatoe verzekert, dat zij alleen aan de mondingen der groote rivieren groeien. Is dat zoo, dan zouden wij niet verre van San-Fernando zijn. Maar de Angostura dan? De twee engten, die wij zijn doorgeworsteld, zouden dan toch de Raudal en de Angostura zijn geweest. Ik begin het inderdaad te gelooven, vooral toen, in den namiddag, Apatoe mij een groot aantal vogels wijst, sasa genaamd, die in een boschje aan den linkeroever een luid geschreeuw doen hooren. Men is zoo licht geneigd, te gelooven wat men hoopt.Lejanne is echter van eene andere meening. Wij hebben het groote eiland Amanaveni, dat op de kaart van Codazzi voorkomt, nog niet bereikt, en volgens hem staat de Angostura ons nog te wachten. Het gelukt mij niet, hem van meening te doen veranderen, ofschoon ik hem onder het oog breng, dat de italiaansche geograaf zijne kaart van de Goyabero niet naar eigen waarneming, maar naar inlichtingen van derden heeft vervaardigd.In den morgen van den twee-en-twintigsten bemerken wij een prachtigen jaguar, die rustig onder het kreupelhout langs den oever ligt. Ieder weet, dat op het water de voorwerpen veel dichter bij schijnen dan zij inderdaad zijn. Lejanne zendt op den jaguar een kogel af, die hem niet treft. Hoogstens heeft het schot hem eenigszins verschrikt; onbewegelijk blijft hij ons aanstaren. François schiet op zijn beurt, eveneens zondervrucht. Het dier staat nu langzaam op en trekt zich in het hooge gras terug.Aankomst bij de Piapocos.Aankomst bij de Piapocos.In ons kamp hooren wij tot tweemaal toe het gebrul van een jaguar. François houdt niet van die muziek. Apatoe heeft er schik in hem nog banger te maken door allerlei verhalen van hetgeen de tijgers in zijn land al durven doen; hij vertelt van kinderen, die uit het dorp werden weggesleept, van honden, die in het kamp onder de hangmat van hun meester werden overvallen. Lejanne tracht hem gerust te stellen door de verzekering, dat de zoogenaamde amerikaansche tijger een volkomen onschadelijk dier is, vergeleken met zijn geduchten naamgenoot uit Achter-Indië. Gelukkig stelt François een onbegrensd vertrouwen in de koelbloedigheid en behendigheid van Lejanne; iederen avond hangt hij zijne mat in de nabijheid van die van dezen geoefenden schutter. Als voorzorgsmaatregel maken wij twee groote vuren aan, die wij beurtelings gedurende den nacht zullen onderhouden.23 November.—Bij het ontwaken worden wij gewaar, dat ons vuur sints lang is uitgedoofd; wij hebben geslapen als volmaakt rechtvaardigen. In den loop van den dag ontmoeten wij een onnoemelijk aantal schildpadden; in rijen van tien of twintig te gelijk liggen zij op de lage zandige oevers of op gestrande boomstammen. Deze schildpadden, bij de Venezuelanen onder den naam van térékaï bekend, zijn zeer schuw; bij onze nadering gaan zij in geregelde orde te water, en leggen daarbij eene vlugheid aan den dag, die men niet van haar verwachten zou.Die schildpadden smaken uitmuntend, maar om ze meester te worden, zouden wij pijlen moeten hebben, die gemakkelijk haar schild kunnen doorboren en waarvan de lange, boven het water uitstekende schacht tegelijk het spoor van het getroffen dier aanwijst. Met onze vuurwapenen kunnen wij ze zonder moeite dooden, maar als zij in het water vallen zijn zij voor ons verloren. Onze patronen zijn te kostbaar om ze te gebruiken voor eene jacht van zoo onzekeren uitslag.27 November.—Wij hebben sedert verscheidene dagen geen Indianen ontmoet. De vaart is wanhopend vervelend en eentonig; eerst heden komt daarin eenige afwisseling door den aanblik van eenige heuvelen, die zich in blauwe omtrekken tegen den hemel afteekenen. In den namiddag varen wij tusschen die heuvelen door. De rivier versmalt zich op dat punt en vormt meer benedenwaarts eenige draaikolken, waarvan de passage bij hoog water zeer bezwaarlijk moet zijn. Wij zien voor ons een heuvel van tweehonderd el hoog en vijf à zeshonderd el lang; na dien heuvel omgevaren te zijn, komen wij aan eene tweede versmalling der rivier, gevolgd door een sterkerdraaikolk dan de eerste was. Wij meenen ditmaal inderdaad, de Angostura van Codazzi te zijn gepasseerd. Dit was echter niet het geval.Omstreeks half zes bereiken wij haar werkelijk; wij weten nu ook voor goed waar wij ons bevinden. Wij varen wederom een nauw kanaal binnen, geheel overeenkomende met de twee andere, die wij reeds achter den rug hebben. Dit kanaal is even lang, maar breeder dan de vorigen. Aan iedere zijde is de rivier omzoomd door een bank van zandsteen, twee à drie ellen hoog en vijf à zes ellen breed, waarachter zich een zeer steile heuvel verheft, die op sommige plaatsen letterlijk een loodrechten wand vormt. Talrijke watervalletjes dalen van den heuvel naar beneden en hebben zich in den zandsteen een bedding uitgegraven. De plantengroei draagt het karakter van den rotsigen, steenachtigen bodem: de boomen zijn knoestig, gekromd en niet uitgegroeid. Vele dezer boomen staan in bloei en vormen met hunne paarse, rooskleurige, witte en gele bloesems als het ware een reusachtig bouquet ter wederzijde van de rivier.Het was donker, toen wij den uitgang van de Angostura bereikten. Wij bivakeeren op een groot rotsplateau, waarop geen enkele boom staat om onze hangmatten aan te bevestigen. Wij slapen dan ook op den harden grond. Het ontschepen van onze bagage vordert veel tijd en moet bij kaarslicht geschieden. Gelukkig vinden wij nog eenig brandhout, zoodat wij vuur kunnen aanleggen, waarop wij een eendvogel braden, dien wij zonder eenige toespijs gebruiken, want onze voorraad mais is opgeteerd. Na dien roofdierenmaaltijd wikkelen wij ons in onze dekens, en strekken ons op de rots uit, met de voeten naar het vuur gekeerd.28 November.—Ten zes ure gaan wij weder op weg. Het is ter nauwernood dag, want de hemel is bewolkt. De tusschen hooge boorden ingesloten rivier schijnt bijna zwart; groote vlokken geelachtig schuim drijven op het water. Wij ontdekken langs den oever prachtige maripapalmen: het komt mij voor, dat de kool van dien palm, gekookt, eene zeer geschikte spijs zal zijn. Apatoe en François wapenen zich met een bijl, gaan in de prauw en varen naar den oever om een dezer boomen van zijne kool te berooven. Middelerwijl zetten Lejanne en ik den tocht met het vlot voort: onze makkers zullen ons gemakkelijk kunnen inhalen. Na verloop van een half uur, zien wij op korten afstand voor ons groote ronde rotsen, die een dam in de rivier vormen, welke bijna de geheele breedte beslaat. Schuimend en kokend stroomt het geperste water langs beide zijden weg. Wij zijn ons onzer onbekwaamheid te goed bewust, om zonder onze makkers den doortocht te beproeven, en sturen het vlot naar den rechteroever, waar wij hunne komst afwachten.Met hunne hulp komen wij ook dien hinderpaal te boven. Dan worden wij door den stroom aangegrepen, en medegesleurd naar eene tweede Angostura, nog gevaarlijker dan de eerste. Zij is smaller; de oevers zijn hooger, en de snelheid van den stroom is grooter. Omstreeks halverwege bevindt zich een zeer gevaarlijke draaikolk, dien wij slechts met inspanning van alle krachten kunnen vermijden. Kwamen wij met ons vlot binnen zijn bereik, dan zie ik niet hoe wij zouden kunnen ontsnappen.Wij vorderen niet dan zeer langzaam en bereiken niet dan met moeite het uiteinde van het kanaal. Daar verbreedt de rivier zich weer. De wind is ons tegen en er gaat eene sterke branding; wij komen bijna niet vooruit. Om zes uren maken wij ons kampvuur aan onder den lommer van een reusachtigen boom, waarvan de zware wortels hoog boven den grond uitsteken en voor een deel tegen den stam zijn aangedrukt. Uit het dichte gebladerte daalt een regen van kleine vijgen op ons neer, losgewoeld door de rustelooze bewegingen van drommen van apen, aras en parkieten. De eersten springen van tak tot tak en nemen de wijk in het bosch, onder het uitstooten van snijdende, gillende kreten en het ruischen der bladeren. Lejanne doodt een couicoui en een parkiet. Wij doen ons maal met een gedroogden eendvogel en gekookte palmkool.29 November.—De rivier heeft, ter plaatse van ons bivak, eene breedte van zeshonderd-zeventig el, waarvan niet minder dan vijfhonderd el wordt ingenomen door eene zandbank, die bij hoog water onderduikt. Bij ons vertrek regent het een weinig. Omstreeks acht uur maakt Apatoe ons opmerkzaam op een plaats, waar boomen geveld zijn. Inderdaad strekt zich een open plek tot aan de rivier uit; naar het schijnt, wordt die plek ingenomen door bananen. Met kloppend hart zetten wij koers naar deze plek. Als wij eens teleurgesteld werden in onze verwachting, menschen te zullen ontmoeten? Ons vlot gaat veel te langzaam naar onzen zin: wij zouden het vleugelen willen aanbinden, en het beweegt zich ter nauwernood. Ik neem mijn kijker en bemerk een half verkoolden boomstronk, die deels over den oever hangt, en vervolgens een tros bananen. Hoezee! Daar is het beloofde land! Maar hoe zullen de bewoners des lands ons ontvangen? De ontberingen van de laatste dagen hebben ons zoozeer opgewonden, dat wij niet zouden aarzelen, ons met geweld het noodige te verschaffen, ingeval men mocht weigeren ons levensmiddelen te verkoopen. Gebrek is een slechte raadgever. Eendvogels walgen ons: de bedorven mais, die wij gedurende de laatste dagen gegeten hebben, heeft ons ziek gemaakt. Daar vóór ons is een bananenplantage.... Wij zullen betalen wat men ons wil vragen: maar tot iederen prijs moeten wij van die vruchten hebben.Wij varen langs eene zandbank, die aan de landzijde door kreupelhout is begrensd. Wij bespeuren op den grond eene mat van palmbladen, die over hoepels is gespannen en waarschijnlijk als bedekking moet dienen voor eene groote prauw; vervolgens eene hut, waarvan het overhangende dak te midden van het groen ons aan een chalet denken doet.Lejanne vuurt tweemaal zijn geweer af, terwijl Apatoe met mij in de prauw stapt en mijhaastig naar de hut roeit. Wij volgen gedurende eenigen tijd eene kreek, die zich hier in de rivier uitstort. De Indianen zijn in het eerst verschrikt weggevlucht, maar zij keeren toch weldra terug; ik zend twee hunner met eene prauw, om ons vlot op sleeptouw te nemen, dat anders de kreek niet zou kunnen opvaren, hoe zwak de stroom ook moge zijn. Ik wacht mijne reisgenooten aan de aanlegplaats af.Weldra bereiken wij het dorp, dat Mapiripan heet, even als de kreek waaraan het gelegen is. Het bestaat uit drie hutten, waarvan slechts eene van de rivier zichtbaar is, en die door vier Indianen met hunne gezinnen worden bewoond. De oudste is een forsch gebouwd man met eene breede borst en een goedig voorkomen; zijne huid ziet geheel blauwachtig ten gevolge van eene in deze streken inheemsche huidziekte, carathes genoemd. Een ander, omstreeks vijf-en-twintig jaar oud, lijdt aan anderendaagsche koorts: ik win zijn vertrouwen, door hem wat kinine te geven. Een derde, klein van gestalte en met gekromden rug, schijnt mij toe zeer beperkt van geestvermogens te zijn. Hij draagt den zeer onpassenden naam van Narcissus. Met uitzondering van dezen laatste, dragen de mannen pantalons en hemden. De ongelukkige Narcissus heeft niets anders dan een ellendigen poncho van het bekende inlandsche fabrikaat.De handelaars van San-Fernando verschijnen hier telken jare eens of tweemaal. Zij worden nu elken dag verwacht, en onze Indianen hebben den noodigen voorraad van cassave en couac (gebrand maniokmeel) gereed gemaakt, dien zij aan hunne bezoekers moeten verkoopen.Zij staan ons eene mand met cassave en eene mand met couac af, benevens bananen, pompoenen, twee schildpadden en tabak: een en ander in ruil voor eenige hakmessen, scharen, messen, naalden en vischhaken. Wij koopen bovendien nogschildpadveten suikerstroop: deze laatste zal ons uitstekend te pas komen, want wij hebben eene zekere hoeveelheid ongemalen koffie, die wij nu zullen kunnen gebruiken.Weldra smullen wij aan eene schildpad met in de asch gestoofde bananen. Onze Indianen geven ons cachiri van bananen te drinken. En wij kunnen ons de weelde veroorloven, gedroogde tabaksbladeren te rooken!30 November.—Met het aanbreken van den morgen zijn wij allen weder bijeen. Ik koop eene prauw, die groot genoeg is om ons op te nemen, zoodat wij ons vlot kunnen verlaten. Bovendien koopen wij nog eene hangmat, een boog, pijlen en vaatwerk, dat de Indianen van klei vervaardigen, die zij met de asch van zekere boomschors vermengen.Allen zijn op eene of andere wijze bezig. De eigenaar van de hut, waarin wij vertoeven, houdt zich onledig met het maken van een steel voor een bijl, die wij hem in ruil gegeven hebben. Hij werkt daaraan op zijn uiterste gemak, en wrijft en polijst het hout met al de behagelijke kalmte van iemand, voor wien de tijd hoegenaamd geene waarde heeft.De vrouwen zijn met huishoudelijken arbeid bezig. De eene, met een hakmes gewapend, maakt maniokwortels schoon, en weet daarbij het gevaarlijke instrument zeer behendig te hanteeren. Eene andere vrouw maakt de ontbolsterde bananen fijn. Op den grond zittende, neemt zij een banaan in elke hand en wrijft ze met groote snelheid over eene soort van rasp, die zij tusschen hare knieën houdt. Deze rasp bestaat uit een eenigszins hol plankje, waarop met een soort van lijm, scherpe stukjes kwartz zijn bevestigd, die als tanden dienst doen. Is deze arbeid afgeloopen, dan doet men de brei in eene lange buis of darm van fijn gevlochten riempjes, die in het spaansch den naam vanCouleuvradraagt. Het bovenste gedeelte van deze couleuvra wordt met een houten stop gesloten, en vervolgens wordt de worst—om ze zoo eens te noemen—aan een balk opgehangen. Aan het benedeneinde van de couleuvra is een ring bevestigd, waarin een hefboom gestoken wordt, die met het andere einde aan een naburigen pijler is vastgemaakt. Door den hefboom te bezwaren, wordt de couleuvra saamgeperst en daardoor het vergiftige sap uit de brei verwijderd. Vervolgens laat men de gelei gedurende vier-en-twintig uren gisten.Om cassave te maken, spreidt men de brei in lagen in eene schaal, die op een soort van oven wordt geplaatst, waarin een goed vuur wordt onderhouden, dat echter niet te heet mag zijn. Op deze wijze verkrijgt men koeken, die, om goed te blijven, in de zon moeten worden gedroogd en vervolgens op eene droge plaats bewaard.Onze Indianen geven ons een drank, gemaakt van zoete pataten en maniok, welke met water vermengd en tot gisting gebracht worden. Deze drank, couria genoemd, wordt niet gefiltreerd, is geelachtig, klonterig en zeer dik; hij ziet er zeer onsmakelijk uit, maar smaakt inderdaad zeer goed.Wij kunnen hier gelukkig inlichtingen bekomen, die ons ten zeerste van dienst zijn: San-Fernando ligt op veertien dagreizen afstands van Mapiripan. De Indianen, waarmede wij vroeger in aanraking zijn geweest, de Mitouas, staan hier niet hoog aangeschreven en worden als wilden (bravos) beschouwd. Onze vrienden deelen ons zonder aarzeling mede, dat zij zelven den naam dragen van Piapocos, hetgeen toucan beteekent. Het is eene zeldzaamheid, dat een Indiaan een vreemdeling den naam van zijn stam bekend maakt; doorgaans verneemt men dien naam eerst van de buren.In den namiddag brengt François onze bagage in de prauw over. Ons nieuw gekocht vaartuig heeft eene lengte van tien el zes palm, eene breedte van een el tien duim, en is van een enkelen boomstam gemaakt. De voor- en achtersteven, die een weinig oploopen, zijn met plankjes afgesloten. In het midden zijn, even boven den bodem, dwarsbalkjes aangebracht, waarop een bamboezen vloer of dek rust: onze bagage zal daar geen hinder hebben van het water, dat altijd in zulk eene prauw doordringt. Een gedeelte van dit dek blijft vrij: Lejanne en ik zullen daar, onderhet dak van palmbladen, dat ongeveer een derde van ons vaartuig overdekt, eene schuilplaats kunnen vinden tegen de brandende zonnestralen. Deze prauw is wel wat zwaar voor twee roeiers; gaarne zouden wij een onzer kloeke Piapocos overhalen om met ons te gaan, maar zij zijn daartoe niet te bewegen.Even als den vorigen dag, begeven zich de Indianen des avonds naar het strand en laten de hutten tot onze beschikking.1 December.—Het regent den ganschen nacht; tegen het aanbreken van den dag houdt de regen wat op, en tot onze verbazing keeren onze Indianen terug met geheel droge kleederen.Juan de la Cruz.Juan de la Cruz.De ongelukkige Narcissus doet wat hij kan om zich aangenaam te maken; hij brengt ons zoete pataten en vervolgens zoete maniok. Wij beloonen zijn ijver en goeden wil door hem een hemd ten geschenke te geven, dat hij aanstonds aantrekt. Blijkbaar hebben wij hem gelukkig gemaakt: zijn onnoozel gelaat straalt van eene blijdschap, die ons zelven goed doet.Omstreeks tien uren nemen wij afscheid van onze vrienden, en werpen een laatsten blik op ons vlot, dat nu, ledig en onttakeld, een vrij treurige figuur maakt. Wij zullen het niet gauw vergeten, want het heeft ons onschatbare diensten bewezen en meer dan eens ons leven gered.Wij zijn nu op weg naar San-Fernando; wij vorderen goed en hebben levensmiddelen voor vele dagen.Tegen den avond komen wij aan de monding eener rivier, die zich aan den linkeroever in de Guaviare uitstort. Op den hoek tusschen de beide rivieren verrijst een heuvel, op welks top eene hut is gebouwd. Wij varen een eind weegs de rivier op, om ons van hare beteekenis rekenschap te kunnen geven. Hare breedte bedraagt honderd-vijftig el; de strooming is zeer sterk, en naar het schijnt, is de rivier buiten hare bedding getreden, want de struiken en heesters langs de oevers staan halverwege in het water. De aanlegplaats schijnt verlaten, want de grond is met hoog gras en struiken begroeid.Ongetwijfeld is de hut onbewoond, want ons roepen en onze geweerschoten blijven onbeantwoord. Zij is te ver van den oever verwijderd, om haar als nachtverblijf te kunnen gebruiken. Daar de diefachtige neiging der Indianen ons bij ondervinding bekend is, zou het zeer onvoorzichtig zijn, ons te ver van de prauw te verwijderen. Wij zakken de rivier weer af, en slaan ons kamp een weinig lager op, aan den linkeroever van de Guaviare. Ik heb de koorts; Lejanne is geheel uitgeput; François lijdt aan hevige buikpijnen; Apatoe alleen is in goeden welstand: zijne wond geneest.2 December.—Wij drinken koffie met suikerstroop, en vinden dat heerlijk: alles is betrekkelijk in deze wereld.Tegen half twee bespeuren wij op den zandigen oever een van takken gemaakt afdak. Wij gaan aan land, vermoedende dat de eigenaars van deze soort van hut niet verre zullen zijn; in dat vermoeden worden wij nog meer bevestigd bij het zien van eene kip en twee aarden kruiken. De Indianen nemen hunne hoenders op reis mede: zij eten die vogels niet, maar houden ze enkel voor hun vermaak, zooals men elders papegaaien en kanarievogels houdt. In de groote aarden kruiken bewaren zij het vet der schildpadden of de gom, die uit verschillende boomen in hunne bosschen vloeit. Ons roepen en schreeuwen blijft evenwel onbeantwoord; wij begeven ons weder op weg, na den kip eenig voedsel te hebben toegeworpenKort daarop ruiken wij een sterke muskuslucht: Apatoe luistert: op den linkeroever bevindt zich eene kudde pecaris. Wij gaan aan land; Lejanne en Apatoe nemen hun geweer. Nauwelijks zijn zij een twintig pas in het woud doorgedrongen, of zij zien een dertigtal dezer dieren voor zich, die met groot gerucht hunne tanden op elkander slaan. Lejanne gaat voorop. De pecaris hebben hem in het oog gekregen, en scharen zich op eene rij tegenover hem. Apatoe, die met de gewoonten dezer dieren bekend is, weet dat zij somwijlen den jager aanvallen, wien in dat geval geene andere toevlucht overblijft, dan op een boom te klimmen, waar hij dan letterlijk belegerd wordt. “Geef acht!” roept hij eensklaps met luider stem; de verschrikte pecaris nemen de vlucht.Ten vijf uren kiezen wij eene plaats voor ons bivak. Het heeft hier geregend; de grond is doorweekt,en wij waden door de modder. Ik heb nog altijd koorts.De oevers van de Guaviare.De oevers van de Guaviare.3 December.—Er hangt een dichte nevel, die alle waarnemingen onmogelijk maakt. Wij vervolgen onze vaart op de eentonigste en vervelendste rivier der wereld. Het zijn altijd dezelfde regelmatige krommingen; dezelfde reigers en ooievaars; dezelfde zwarte ibissen, met deftige afgemeten stappen langs den zandigen oevers op en neer wandelende. Vlak langs den waterkant zitten zwermen van groote meeuwen op eene rij naast elkander, in de nabijheid van krokodillen, die in de zon liggen te slapen. Nu en dan vliegen zij eensklaps op en beschrijven in de lucht sierlijke kringen, het scherpziend oog en den puntigen snavel steeds naar het water gekeerd. Hun scherp onaangenaam geschreeuw is vaak het eenige geluid, dat de stilte breekt.4 December.—Bij het aanbreken van den dag maakt onze kok zich gereed om een eierstruif voor ons te bakken. Wij hebben een kleinen voorraad schildpadvet, dat voor deze gelegenheid als boter dienst moet doen. Helaas! deze eierstruif, die een monumentale, reusachtige eierstruif zou moeten zijn, slinkt haast tot niets weg: al onze meeuweneieren, met uitzondering van een half dozijn, blijken bedorven te zijn.Omstreeks acht uren houden wij stil aan de punt van een eiland, waar een breede vlakke oever is. Lejanne en Apatoe zenden een paar kogels af op eenige krokodillen, die op enkele meters afstands van ons eiland hunne koppen uit het water steken. Een hunner laat een luid geknor hooren, eenige overeenkomst hebbende met het brullen van een tijger. Dit is voor de eerste maal, dat wij deze dieren geluid hooren geven.Tegen den middag bespeuren wij eene prauw, die tegen den zandigen oever ligt. Eene indiaansche familie, bestaande uit vader, moeder en een zeven- of achtjarig kind, zit rustig onder de schaduw van het lage hout, dat verder landwaarts den oever bedekt. Wij gaan dicht bij hunneprauwaan land en zijn weldra bij hen. Zij hebben vuur aangelegd. Om dit te doen, beginnen zij met drie steenen, in den vorm van een driehoek, op den grond te leggen, waartusschen zij dan het brandhout schikken. Deze steenen dienen tevens om er hunne potten op te zetten. Wij koopen van hen eene met meeuweneieren gevulde kalebas.Toen wij in den namiddag ter plaatse waren aangekomen, waar wij zouden kampeeren, maakte Apatoe den eigenaardigen vischtoestel gereed, waarvan de Roucouyenne-Indianen zich bedienen. Deze toestel bestaat uit een stevigen zeer buigzamen rietstok, die in den grond gestoken wordt en waaraan eene korte lijn met eene vischhaak is bevestigd. Even voor dit riet slaat men een paal in den grond, aan welks boveneinde met een touw eene soort van losse kruk is vastgemaakt. Men buigt nu den rietstok en houdt dien met de kruk naar beneden, zoodat de haak met het aas in het water hangt. Bijt nu een visch aan dat aas, dan trekt hij het riet een weinig meer naar onder; de kruk valt en de rietstok springt omhoog, den onvoorzichtige, die zich aldus heeft laten verlokken, in de lucht slingerende. Nauwelijks is de toestel in orde, of een piraï of piranha komt in het aas bijten en wordt gevangen gemaakt.7 December.—Gisteren niets bijzonders. Wij ontmoeten nog geen Indianen, hoewel wij overal de sporen hunner aanwezigheid vinden. Doorgaans overnachten zij op den oever, en steken dan een palmblad of een boomtak in den grond, om zich tegen den dauw te beveiligen.Omstreeks vier uren in den namiddag van heden bespeuren wij mannen aan den oever. Wij gaan aan land en bevinden ons in tegenwoordigheid van bewoners van de lagune van Sapoara, die zich naar den oever begeven hebben om daar, beveiligd voor muskieten, den nacht door te brengen.De Indianen zijn gekleed met helder witte hemden en broeken. De vrouwen dragen japonnen, die den hals en een gedeelte van de schouders bloot laten; haar haar is verdeeld in twee zware, zorgvuldig gevlochten tressen. Met ons vuil linnengoed, onze gescheurde en gehavende kleederen, onze ongeschoren baarden en verwarde hairen, zou men ons veeleer voor wilden aanzien.Eenige andere inboorlingen zijn nog in het dorp. Wij laten ons daarheen brengen; het dorp ligt op ongeveer twee mijlen afstands, aan den linkeroever van de lagune van Sapoara. Wij ontmoeten daar twee grijsaards, waarvan de een, Juan de la Cruz genaamd, ons bovenal verbaast door zijne zwaarlijvigheid; hij lijkt sprekend op een Chinees en staat bij zijne stamgenooten als een piay of toovenaar bekend. Zijne oogen staan schuin; zijne wangbeenderen steken vooruit; zijn neus is plat; zijn dunne stijve knevel doet zijne gelijkenis met den chineeschen type nog sterker uitkomen. Wij vinden hier ook twee jonge mannen van omstreeks vijf-en-twintig jaren, door wier aderen blijkbaar gemengd indiaansch en europeaansch bloed stroomt. Hunne vrouwen zijn ouder dan hare echtgenooten; eene van haar heeft vroeger bij de blanken gediend. Hunne kinderen zijn zeer aardig en bevallig; hunne hutten zijn zindelijk en bevatten de meest heterogene voorwerpen. Nevens het gewone huisraad van de wilden, zoo als de lage holle bankjes, de uitgeholde boomstam, waarin de cachiri of couria bewaard wordt, de bogen, pijlen en andere dingen, zien wij porseleinen borden en kommen, en zelfs zakspiegeltjes.Wij vernemen van deze lieden, dat wij nog zeven dagreizen van San-Fernando verwijderd zijn.Wij hebben dringend behoefte aan twee roeiers, maar vergeefs bieden wij aan elk der beide jonge mannen tien piasters, indien zij met ons willen gaan. Zij staan te San-Fernando in schuld, en willen daar niet verschijnen, zoo lang zij de noodige koopwaren niet hebben bijeengebracht, die zij op zich hebben genomen te leveren. Uit hetgeen wij van hen vernemen, komen wij tot het besluit, dat deze arme lieden hunne schuld nooit zullen kunnen afbetalen. De gewetenlooze kooplieden leveren hun kleederen, werktuigen, gereedschappen, die zij bij hun arbeid noodig hebben,in ruil voor maniokmeel, schildpaddenvet en andere produkten, welke zij binnen een bepaalden tijd moeten leveren; maar de berekening wordt steeds zoo gemaakt, dat de inboorlingen altijd in schuld zijn en hun leven lang ten behoeve van hunne oneerlijke, woekerende schuldeischers moeten werken.8 December.—Des morgens komen de twee oudere mannen tot het besluit om met ons mede te gaan tot aan de lagune van Recifal, die wij binnen een dag kunnen bereiken.De avond brengt ons een weinig koelte. De hemel is onbewolkt; het is een prachtige maneschijn. Op den zandigen grond uitgestrekt, praten wij met onze Indianen, onder het rooken van tabaksbladeren, die wij als sigaretten oprollen. Wij verhalen hun wat ons al op reis gebeurd is, sedert wij op de Goyabero scheep zijn gegaan. Zij toonen niet de minste verwondering als wij uitweiden over den last, dien de kaimans ons hebben veroorzaakt. Zij deelen ons mede, dat nu vier jaar geleden, bij den mond van de rio Oua, een hunner makkers, die eene prauw bestuurde, door een krokodil werd aangegrepen en uit zijn vaartuig gesleept. Zijne metgezellen hoorden niets dan het geklapper der geduchte kaken van het monster, gevolgd door eene heftige beweging in het water. Kort daarop werd de oppervlakte der rivier hier en daar rood gekleurd—en alles was voorbij. Zij verhalen ons ook, dat de Mitoua-Indianen onlangs blanken hebben aangevallen, waarvan een met een pijl in het been werd verwond. Voor den verwonde was het een geluk, dat de Mitouas niet de gewoonte hebben hunne pijlen te vergiftigen.9 December.—Wij gaan reeds vroegtijdig aan boord. Even na ons vertrek hooren wij, op den linkeroever, het geluid van een hocco. Apatoe stapt in de kleine prauw, die wij op sleeptouw hebben, en vaart naar de plaats, waar wij het geluid hooren. Hij maakt zijn schuitje aan den kant vast en klimt tegen den steilen oever naar boven. Weldra hooren wij een schot, en zien Apatoe terugkeeren met een prachtigen hocco, die er eenigszins anders uitziet dan zijn naamgenoot van de Andes. De hocco van de Guaviare heeft bruinachtig roode vederen, waar de hocco der Andes witte vederen heeft; ook is zijn geschreeuw of geluid eenigszins anders. Het doet eenigermate denken aan het brullen van een jaguar.Omstreeks elf uur ontmoeten wij inboorlingen van de lagune van Recifal, die goede bekenden en vrienden zijn van onze Indianen en ons zeer hartelijk ontvangen. Wij praten eenige oogenblikken met hen, want zij zijn het spaansch volkomen meester, en begeven ons met de prauw naar de monding van de lagune, welke niet ver verwijderd is. Wij varen een smal kanaal binnen en komen weldra in het meer.Het opperhoofd van het dorp ontvangt ons voor zijne woning. Het is een nog jong man, die in den beginne vrij onvriendelijk is. Hij heeft grove, ruwe gelaatstrekken en schijnt vrij dom. Als teeken zijner waardigheid heeft hij een staf in de hand. Wij moeten trachten, door een geschenk zijne gunst te winnen, want hij zou mij de roeiers kunnen weigeren, die wij dringend noodig hebben. Ik bied hem een veelkleurigen gordel aan; een glans van genoegen straalt van zijn gelaat, en onverwijld tooit hij zich met het prachtstuk. Deze personage houdt er drie vrouwen op na. Hij laat de mooiste van de drie komen, om haar aan ons voor te stellen. Zij is nog zeer jong, heeft regelmatige gelaatstrekken, prachtig haar en zeer mooie zwarte oogen; zij draagt een japon van rood katoen. Blijkbaar is zij eenigszins verlegen en houdt zich dicht bij haar gemaal. Ik bied haar een halssnoer van roode koralen aan, dat haar echtgenoot haar aanstonds om den hals hangt.Na deze ceremonie begin ik hem het doel van onze komst mede te deelen. Wij zouden gaarne tot morgen in het dorp blijven om wat te rusten, en dan twee roeiers mede nemen, die tot San-Fernando bij ons zouden blijven. De kapitein geleidt ons naar de hut, waar de mannen bijeen zijn om couria te drinken. Wij vinden daar vijf flinke kerels, stomdronken, in hunne hangmatten uitgestrekt en ons met wezenlooze oogen aanstarende. Sedert den vroegen morgen drinken zij couria. De oudste, een zwaarlijvig man van gevorderden leeftijd, maar met een nog zeer krachtig voorkomen, waggelt van tijd tot tijd naar een uitgeholden boomstronk en schept daaruit met een kalebas den bedwelmenden drank, dien hij vervolgens een voor een zijn makkers aanbiedt. Dezen drinken, al hikkende, en spuwen de laatste droppels uit van het vocht, dat zij hebben ingezwolgen. Ook ons biedt men de kalebas aan. Willen wij niet onbeleefd zijn en deze mannen, wier hulp wij noodig hebben, niet ontstemmen, dan moeten wij onzen afkeer overwinnen en althans iets nemen van dezen drank, die met mate gebruikt, volstrekt niet schadelijk voor de gezondheid is.Wij begeven ons met den hoofdman of kapitein naar de aanlegplaats, om hem onze prauw te laten zien. Gaarne zouden wij haar ruilen voor eene andere, lichtere, die wij bij onze aankomst hebben ontdekt. Hij verlangt nog iets daarbij; wij laten hem sabels, bijlen, messen zien, maar niets van dat alles is van zijne gading. Geld wil hij niet aannemen. Ik begin de hoop op te geven, met hem den koop te sluiten, toen ik bij toeval uit een kist een lap rood katoen te voorschijn haal. Nu is de zaak in orde. De hoofdman is zoo belust op dat stuk katoen, dat hij, naar ik geloof, zijne hut met al wat daarin is, zou afstaan om in het bezit van dien lap te komen.De indiaansche vrouwen zijn natuurlijk nieuwsgierig: trouwens, anders zouden zij geene vrouwen zijn. Al de dames uit het dorp, de echtgenooten van den hoofdman uitgezonderd, zijn spoedig bijeen vergaderd in de hut waar wij onzen intrek hebben genomen. Het trekt onze aandacht, dat de vruchtbaarheid in dit dorp niets te wenschen schijnt over te laten. Twee vrouwenhouden haar zuigelingen aan de borst; men roept ons om een der jonggeborenen van nabij te zien, een zwak, ziekelijk schepseltje. Daar ik verneem, dat er in het dorp wat rhum te krijgen is, geef ik den raad, het kind daarmede in te wrijven. Men verzoekt ons daarop, aan het andere jonggeboren kind een naam te willen geven. Apatoe heeft gedurende zijn verblijf te Parijs een van die onzinnige liedjes geleerd, die hij nu en dan zingt, als hij goed gehumeurd is, en waarin telkens den naam van Nicolas voorkomt. Die naam wordt nu aan den jeugdigen Indiaan gegeven, waarmede de ouders zeer in hun schik zijn. Uit vrees van het te vergeten, herhalen zij onophoudelijk dat woord, hetwelk zij zeer goed kunnen uitspreken.Morichepalmen.Morichepalmen.Lejanne gaat in den omtrek uit jagen. Hij ontmoet een inboorling, die met eene lange sabarcane (blaaspijp) gewapend is, waarmede hij een kleine pijl wegblaast, waarvan de punt vergiftigd is. Het vergif, waarvan hij zich bedient, is in een soort van matten flesch geborgen, en wordt door de Piaroa-Indianen geleverd: de Piapocas zijn met de bereiding daarvan onbekend.10 December.—Wij brengen den morgen door met het maken van schetsen en teekeningen, met photografeeren en andere bezigheden van verschillenden aard.Wij slagen er in, twee mannen over te halen om met ons naar San-Fernando te gaan. Zij zijn nog niet bekomen van hunne slemppartij van gisteren, en hoewel jonger, zijn zij minder vlug en spoediger vermoeid dan onze veel oudere roeiers van Sapoara. Maar onze prauw is niet zoo zwaar, en hoewel wij tweemaal ophouden om een hocco en een eend te schieten, leggen wij van elf uur tot half zes niet minder dan zes-en-veertig mijlen af.Monding van de Atabapo.Monding van de Atabapo.

VII16 November.—Bij het ontwaken lossen wij een schot, om den eigenaar van de prauw te waarschuwen. Wij wachten een geruimen tijd; maar aangezien niemand komt opdagen, vervolgen wij onzen tocht. Juist toen wij ons hadden losgemaakt uit de saamgestrengelde takken en planten, die den bodem der rivier nabij den oever bedekken en in de ruimte kwamen, zagen wij twee Indianen in de prauw plaats nemen en naar ons toekomen. In voorkomen en kleeding gelijken zij op al hunne landgenooten, die wij reeds ontmoet hebben; zij verstaan een weinig spaansch, waaruit blijkt dat zij somwijlen met blanken in aanraking komen. Zij beweren noch San-Martino, noch San-Fernando te kennen, hetgeen mij ongeloofelijk voorkomt; ik houd het er eer voor, dat zij ons geene inlichtingen willen geven. Vermoedelijk zullen zij van hunne ontmoetingen met de blanken minder aangename herinneringen hebben overgehouden, en herhaaldelijk bedrogen en mishandeld zijn geworden. Immers, bij de aanrakingen van den wilde met de zoogenoemd beschaafden, is de eerste steeds de lijdende partij. De blanken treden op als heeren en meesters en maken van de onwetendheid van den wilde gebruik, om hem zooveel mogelijk te bedriegen en te berooven. Een koopman beroemde er zich tegen ons op, dat hij voor de stop van een karaf, waaraan hij groote tooverkracht toeschreef, tien manden met couac (gebrand maniokmeel), ter waarde van honderd francs, had gekregen. Het gezin van den inboorling wordt al even weinig geëerbiedigd als zijn eigendom. Het is dus inderdaad niet te verwonderen dat de Indiaan weinig sympathie voor de blanken gevoelt. Zoodra hij een bijl, een hakmes, een handvol kralen voor halssnoeren, en eenige stukken katoen bezit, houdt hij zich buiten bereik van de gewetenlooze handelaars, die hij veracht en verfoeit. En in de oogen der Indianen, met wie wij in aanraking komen, zijn wij niet anders dan handelaars.Onze twee roodhuiden zullen, tegen belooning van een mes, met ons gaan tot het naaste dorp, dat niet ver verwijderd is. Sedert een half uur varen wij naast elkander voort, toen wij nog eene andere prauw zagen aankomen, waarin een Indiaan met zijn gezin is gezeten. Wij roepen hem aan, en hij komt tot ons; zijn dorp ligt in de nabijheid, hij zal er ons heen geleiden. Ons gesprek wordt in het spaansch gevoerd. Terwijl wij met hem spreken, hebben de andere Indianen zich verwijderd, onzen vischhengel medenemende.Onze nieuwe vriend neemt ons op sleeptouw; zijne vrouw en hij pagaaien met alle kracht. Het verwondert mij, dat hunne zeer smalle en zeer onvaste prauw niet omkantelt. Eindelijk bereiken wij zonder ongeval eene kreek aan den rechter oever der rivier. Aan den ingang liggen twee reusachtige kaimans op de wacht, die in dit vischrijke water overvloedig voedsel kunnen vinden; met hunne ziellooze onbewegelijke oogen staren zij ons spookachtig aan. Bij de nadering van het vlot zijn zij even onder gedoken, om langzamerhand op dezelfdeplaatsweer te voorschijn te komen.Aankomst bij de Mitoea-Indianen.Aankomst bij de Mitoea-Indianen.Wij maken ons vlot vast aan den rechter oever van de kreek, en bekijken onze nieuwe makkers wat nauwkeuriger. De Indiaan is een jonkmanvan omstreeks vijf-en-twintig jaren, met een innemend voorkomen en welgemaakt van gestalte. Hij is daarbij zeer zindelijk. Zijne huid is bruinachtig geel van kleur, niet donker. Hij draagt den gewonen hoofdband en de kniebanden van palmbladeren; in zijne ooren heeft hij stukjes riet gestoken, waarvan het eene einde met roode vederen is versierd.Zijne vrouw heeft regelmatige trekken, en moet indertijd schoon zijn geweest, maar zij is reeds verwelkt, hoewel zij niet veel ouder kan zijn dan haar man. Zij draagt het hemd of liever den zak, waarvan ik reeds vroeger gesproken heb, en dat hier en daar rood is geworden. Ik koop dat hemd van haar voor een lap katoen. Zij toont besef van kieschheid: niet dan met moeite kan haar man haar bewegen, zich in onze tegenwoordigheid te ontkleeden.De vrouw zal met de prauw de kreek opvaren, terwijl haar man Lejanne en mij zal geleiden naar de plek, waar wij de kreek moeten oversteken, om zijne woning te bereiken, welke niet ver verwijderd is en in eene savane gelegen, waar een aantal Indianen zijn gevestigd. In blijde stemming en hoog gespannen verwachting, gaan wij op weg naar het dorp, waar zeker veel te zien en te leeren zal vallen. Geruimen tijd volgen wij den oever van de kreek; onze weg voert ons onder prachtige boomen, van wier stammen en takken weer krachtige wortels uitschieten, die in den grond doordringen. De lianen vormen als het ware een reusachtig netwerk, waardoor vooral Lejanne, uit hoofde van zijn geweer, zich niet dan met moeite een weg kan banen. De grond, die bij hoog water wordt overstroomd, is bedekt met eene laag vochtige klei en draagt geen gras. Wij zien talrijke sporen van tapirs.—Nadat wij ruim een kwartier geloopen hebben, staat de Indiaan eensklaps stil: “el tigre!” roept hij. Hij heeft het dier zien wegvluchten en wijst ons zijn spoor. Lejanne vuurt in die richting zijn geweer af, en wij vervolgen onzen marsch.Na verloop van drie kwartier komen wij aan het punt, waar wij de kreek moeten oversteken. De Indiaan roept zijne vrouw, die geen antwoord geeft. Wij wachten een kwartier: niemand verschijnt.Wij beginnen ons zelven af te vragen, of men ons ook bij den neus heeft gehad en of ons vlot in veiligheid is. Het schijnt ons vreemd, dat wij zoo ver moeten loopen om eene hut te bereiken, die, naar men zeide, vlak in de nabijheid lag. Ik besluit, naar onze makkers terug te keeren, maar de Indiaan zal ons daarbij weer tot gids moeten zijn: want tenzij wij de oevers van de kreek volgen, zullen wij onvermijdelijk verdwalen, maar de tallooze kronkelingen der kreek zullen den weg veel langer maken. Mitsdien geef ik hem last, ons naar het punt van uitgang terug te brengen: hij schijnt mij niet te begrijpen. Lejanne pakt hem bij de schouders en laat hem zoo onzacht rechts-om-keert maken, dat hij aanstonds onze bedoeling vat. Eindelijk komen wij bij onze kameraden, die in onze afwezigheid een heerlijk ragout van visch en bananen hebben gereed gemaakt. Zij hebben die visschen gekocht van een Indiaan, die in eene prauw voorbij voer. Onze gids is inmiddels verdwenen zonder afscheid te nemen.De Indianen van deze streek schijnen niet te vertrouwen; op hun gunstig uiterlijk valt blijkbaar niet te rekenen. Als zij in grooter getale bijeen waren, zouden wij het misschien hard te verantwoorden hebben. Trouwens wij zijn tegenover hen steeds op onze hoede en hebben onze wapenen altijd bij de hand.Na ontbeten te hebben verlaten wij de kreek en hervatten onze langzame vaart op de Guaviare.Omstreeks half vijf bespeuren wij op den rechteroever eene groote savane, die tot aan de rivier reikt; eene soortgelijke als die, waar wij de eerste Indianen hebben ontmoet. In de verte zien wij twee hutten; maar de dag is te ver gevorderd, om er nog heen te gaan. Wij slaan ons kamp op aan den hoek van het bosch, en verbergen ons vuur en onze hangmatten tusschen het hoog geboomte, want wij zijn in het minst niet gesteld op nachtelijke bezoeken. Wij hebben onzen laatsten voorraad vleesch verbruikt. Moge Diana ons gunstig zijn!17 November.—Om zes uur vuurt François een geweer af. Lejanne en ik komen uit het bosch te voorschijn en betreden de savane. Er hangt een dichte nevel, die ons verhindert tien pas voor ons uit te zien. Wij bepalen zoo goed mogelijk de richting der hutten en midden door het hooge gras voortstappende, vinden wij weldra een pad, dat er ons heenbrengen zal. Maar naar het schijnt, buigt ons pad naar de rivier af; wij verlaten het dus en betreden nu een terrein, waar men het gras eerst onlangs heeft verbrand. De zon is inmiddels opgegaan en kleurt den nevel met prachtige roode tinten. Half onzichtbaar, spookachtig, vertoonen zich de schemerende gestalten van enkele boomen, in de savane verspreid. Eindelijk, naarmate de zon hooger rijst, trekt de nevel weg. Wij bespeuren nu aan onze linkerhand een Indiaan, die met de pijlen over den schouder, langs de rivier gaat, in de richting van ons kamp, op eenigen afstand gevolgd door zijne vrouw en twee kleine kinderen. Wij roepen hem aan en zijn weldra aan zijne zijde. Het is een stevige kerel, de grootste van alle Indianen, die wij tot dusver ontmoet hebben; een krachtig gebouwd man, met breede schouders en gespierde armen en beenen. Hij is aanstonds bereid om ons naar de hutten te geleiden; maar toch is er iets, wat mij niet bevalt en weinig goeds schijnt te voorspellen. Onze vriend brengt ons naar de verst afgelegen hut, terwijl zijne vrouw zich zoo snel mogelijk naar de naast bij gelegene begeeft. Blijkbaar wil zij het een of ander verbergen voor dat de blanken komen, misschien wel den aanwezigen mondvoorraad. Wij loopen haar na, maar zij is te ver vooruit. Op onze beurt komen wij ook aan deze hut, die, even als in de dorpen van de Andes, leemen wanden en een vooruitstekend dak heeft, dat oppalen rust. Deze zeer deftige hut wordt bewoond door een Indiaan met een vrij goedig voorkomen, die een kleinen ronden hoed met smallen rand bezit, waarmede hij zich bij onze verschijning aanstonds het hoofd dekt. De man, die zich zulk een weelde kan veroorloven, heeft ongetwijfeld onder de blanken verkeerd; hij zal in staat zijn ons inlichtingen te geven, welke ons van groote dienst zullen zijn. Op al onze vragen antwoordt hij: “Dat is er niet. Ik weet het niet.” Wij staan op het punt, ons boos te maken en gaan heen.Wij begeven ons nu naar de andere hut, die zeer ruim is en geheel van takken en bladeren vervaardigd. Zij wordt bewoond door drie Indianen met hunne gezinnen, die ons met de uiterste koelheid ontvangen. Zij hebben, volgens hun zeggen, noch vleesch, noch visch, noch bananen, noch cassave. Daarentegen zijn zij in het bezit van een groot aantal bogen, pijlen en lansen, die zij in de hand houden.Wij keeren naar ons vlot terug, gansch niet gesticht over den uitslag van onze lange en vermoeiende wandeling. Wij volgen een pad dat langs de rivier loopt, en aan den oever op een aantal plaatsen is afgebrokkeld; maar op onzen tocht door de prairie worden wij geen enkel stuk wild gewaar. Wij hebben niets voor ons ontbijt: wij moeten ons althans eenige visschen verschaffen voor ons diner, en daartoe in de eerste plaats een vogel machtig worden om tot aas te dienen. Bevallige zwaluwen vliegen om ons heen, over het hooge gras heenstrijkende, onvermoeid op de insektenjacht. Wij hooren de scherpe kreten van eenige jonge arenden, die geheel buiten ons bereik zijn. Andere vogels zijn er niet, en reeds naderen wij ons kamp. Lejanne schiet en treft een zwaluw, wier staart met twee lange vederen is versierd. Toen onze makkers het schot hoorden, hebben zij zich zeker met de hoop gevleid, dat wij een pecari, een patrijs of eenig ander flink stuk wild zouden medebrengen: blijkbaar zijn zij dan ook teleurgesteld, als zij onze povere vangst aanschouwen. Onze kok stond al gereed, het wild te braden; nu kan hij niet anders doen dan rijst koken en bananen klaar maken, die wij onderweg zullen oppeuzelen en besproeien met water uit de Guaviare.Dit is zeker een weinig voedzaam menu, maar het heeft althans een voordeel: het jaagt u het bloed niet naar het hoofd, en is dus zeer gepast voor menschen, die uren lang aan de brandende zon zijn blootgesteld.Intusschen drijft ons vlot langs de savane, waarvan de loodrechte oever aan onze rechter hand een eindeloozen roodachtigen muur vormt van omstreeks zes ellen hoog. Op de hoogte der hutten gekomen, zien wij al de Indianen aan den rand der helling verzameld. Wij wenden zelfs het hoofd niet naar hen om, maar houden hen toch in het oog, vast besloten vuur te geven op het eerste blijk van vijandelijkheden, want zij zijn allen gewapend en hebben twee prauwen tot hunne beschikking.Het landschap is wanhopend eentonig langs deze rivier, die eene geheele reeks regelmatige krommingen maakt. Aan den eenen kant is de loodrechte holle oever bedekt met groote boomen en tallooze palmen, die zich boven een roodachtigen muur schijnen te verheffen; aan de andere zijde is de holle oever begroeid met laag hout en omzoomd door eene zandbank, waarop een menigte kaimans zich in de zon liggen te bakeren. De stroom loopt altijd langs den hollen oever, omgord met aangespoelde boomstammen en takken, waartusschen vreesachtige schildpadden huizen. Het water heeft eene vuile zwartachtig grauwe kleur. Op zeer stille plekken is het bedekt met eene dunne vetlaag, die metaalachtige tinten toont en waarboven vieze vlokken schuim drijven. Over dit alles giet de zon een geelachtig licht uit; vooral tegen den avond is de weerspiegeling van het zonlicht in het water bij uitstek hinderlijk. Gedurende tien uren per dag zijn wij aan de brandende stralen blootgesteld, zonder andere bescherming dan onze panamahoeden, waarom wij een doek gewonden hebben. Die verraderlijke stralen maken gebruik van het minste scheurtje in onze kleederen, om onze huid te verbranden. Van tijd tot tijd maken wij ons haar nat, om ons althans even te verfrisschen.Tegen den avond van dezen dag vangt Lejanne een mooien mapourito, die ons uitnemend te pas zal komen voor ons diner. Dan verbreedt zich de rivier en splitst zich in twee armen, waartusschen zich eene zandplaat verheft. De stroom voert ons naar den linkeroever, die met laag hout is begroeid. Een soort reiger heeft de onvoorzichtigheid, zijn langen hals uit te rekken en zijn kop uit de bladeren te steken. Apatoe schiet hem neder, en gaat met de prauw den vogel halen, die wel een zeer sterken onaangenamen stank verspreidt, maar waarmede wij toch, bij gebrek van beter, ons ontbijt zullen doen.20 November.—Sedert drie dagen komen wij bijna niet vooruit. Wij ontmoeten een aantal eenden, maar zij zijn uiterst moeilijk te naderen, en het gelukt ons niet dan na veel inspanning er vier te dooden. Met versche bananen gekookt, moeten zij ons gedurende twee dagen voeden.In den namiddag van den twintigsten barstte eensklaps een vrij hevig onweer, met storm en regen los, maar nog eer wij stilhielden om ons kamp voor den nacht op te slaan, was het op nieuw goed weer geworden. Wij sturen ons vlot naar den oever, maken het stevig vast, en beginnen de noodige toebereidselen te maken voor ons middagmaal en voor ons nachtverblijf. Terwijl ik het vuur aanmaak, brengt François het noodige gereedschap aan wal. Lejanne en Apatoe, die nu reeds eenige werkzaamheden verrichten kan, ruimen met hunne hakmessen de struiken en heesters op, zoodat wij de noodige ruimte krijgen voor ons kamp. Weldra staat de ketel te vuur, met een prachtigen eendvogel en eenige stukken van bananen. Het eenvoudig maal wordt gekruid door onzen honger.Een smalle strook van violetkleurige wolken, de laatste overblijfsels van de onweersbui in dennamiddag, omzoomde den westelijken horizon. Daarboven heeft de hemel een groene tint, waardoor eenige rooskleurige strepen loopen. Niets evenaart de zuiverheid en fijnheid dezer kleuren, die ook door het meest geoefende penseel niet zijn weer te geven. Weldra valt de duisternis in; zooals men weet, duurt in de tropische landen de duisternis maar kort. Wij gebruiken haastig ons maal, want met den nacht komen de muskieten, die ons beletten na den maaltijd nog lang te blijven praten. Ieder zoekt zijne hangmat op en zoekt een veilig plaatsje achter zijn muskietenscherm.Hut der Mitoea-Indianen.Hut der Mitoea-Indianen.Wij vallen spoedig in slaap, maar worden gewekt door een hevigen donderslag. Welhaast valt de regen in stroomen neder. Lejanne en François verlaten hunne hangmatten, aan hooge boomen opgehangen, die den bliksem zouden kunnen aantrekken. Geen enkele stof, hoe waterdicht ook, is tegen zulke regens bestand. Wij zijn in een oogenblik doornat en rillen van de koude. Niemand spreekt een woord: in stompzinnige onverschilligheid laten wij ons door deze waterplassen overstelpen. Deze regen duurt, met geringe afwisseling in hevigheid, tot aan den morgen.21 November.—Wij ontmoeten langs de oevers zoogenoemde morichépalmen, waarvan Apatoe verzekert, dat zij alleen aan de mondingen der groote rivieren groeien. Is dat zoo, dan zouden wij niet verre van San-Fernando zijn. Maar de Angostura dan? De twee engten, die wij zijn doorgeworsteld, zouden dan toch de Raudal en de Angostura zijn geweest. Ik begin het inderdaad te gelooven, vooral toen, in den namiddag, Apatoe mij een groot aantal vogels wijst, sasa genaamd, die in een boschje aan den linkeroever een luid geschreeuw doen hooren. Men is zoo licht geneigd, te gelooven wat men hoopt.Lejanne is echter van eene andere meening. Wij hebben het groote eiland Amanaveni, dat op de kaart van Codazzi voorkomt, nog niet bereikt, en volgens hem staat de Angostura ons nog te wachten. Het gelukt mij niet, hem van meening te doen veranderen, ofschoon ik hem onder het oog breng, dat de italiaansche geograaf zijne kaart van de Goyabero niet naar eigen waarneming, maar naar inlichtingen van derden heeft vervaardigd.In den morgen van den twee-en-twintigsten bemerken wij een prachtigen jaguar, die rustig onder het kreupelhout langs den oever ligt. Ieder weet, dat op het water de voorwerpen veel dichter bij schijnen dan zij inderdaad zijn. Lejanne zendt op den jaguar een kogel af, die hem niet treft. Hoogstens heeft het schot hem eenigszins verschrikt; onbewegelijk blijft hij ons aanstaren. François schiet op zijn beurt, eveneens zondervrucht. Het dier staat nu langzaam op en trekt zich in het hooge gras terug.Aankomst bij de Piapocos.Aankomst bij de Piapocos.In ons kamp hooren wij tot tweemaal toe het gebrul van een jaguar. François houdt niet van die muziek. Apatoe heeft er schik in hem nog banger te maken door allerlei verhalen van hetgeen de tijgers in zijn land al durven doen; hij vertelt van kinderen, die uit het dorp werden weggesleept, van honden, die in het kamp onder de hangmat van hun meester werden overvallen. Lejanne tracht hem gerust te stellen door de verzekering, dat de zoogenaamde amerikaansche tijger een volkomen onschadelijk dier is, vergeleken met zijn geduchten naamgenoot uit Achter-Indië. Gelukkig stelt François een onbegrensd vertrouwen in de koelbloedigheid en behendigheid van Lejanne; iederen avond hangt hij zijne mat in de nabijheid van die van dezen geoefenden schutter. Als voorzorgsmaatregel maken wij twee groote vuren aan, die wij beurtelings gedurende den nacht zullen onderhouden.23 November.—Bij het ontwaken worden wij gewaar, dat ons vuur sints lang is uitgedoofd; wij hebben geslapen als volmaakt rechtvaardigen. In den loop van den dag ontmoeten wij een onnoemelijk aantal schildpadden; in rijen van tien of twintig te gelijk liggen zij op de lage zandige oevers of op gestrande boomstammen. Deze schildpadden, bij de Venezuelanen onder den naam van térékaï bekend, zijn zeer schuw; bij onze nadering gaan zij in geregelde orde te water, en leggen daarbij eene vlugheid aan den dag, die men niet van haar verwachten zou.Die schildpadden smaken uitmuntend, maar om ze meester te worden, zouden wij pijlen moeten hebben, die gemakkelijk haar schild kunnen doorboren en waarvan de lange, boven het water uitstekende schacht tegelijk het spoor van het getroffen dier aanwijst. Met onze vuurwapenen kunnen wij ze zonder moeite dooden, maar als zij in het water vallen zijn zij voor ons verloren. Onze patronen zijn te kostbaar om ze te gebruiken voor eene jacht van zoo onzekeren uitslag.27 November.—Wij hebben sedert verscheidene dagen geen Indianen ontmoet. De vaart is wanhopend vervelend en eentonig; eerst heden komt daarin eenige afwisseling door den aanblik van eenige heuvelen, die zich in blauwe omtrekken tegen den hemel afteekenen. In den namiddag varen wij tusschen die heuvelen door. De rivier versmalt zich op dat punt en vormt meer benedenwaarts eenige draaikolken, waarvan de passage bij hoog water zeer bezwaarlijk moet zijn. Wij zien voor ons een heuvel van tweehonderd el hoog en vijf à zeshonderd el lang; na dien heuvel omgevaren te zijn, komen wij aan eene tweede versmalling der rivier, gevolgd door een sterkerdraaikolk dan de eerste was. Wij meenen ditmaal inderdaad, de Angostura van Codazzi te zijn gepasseerd. Dit was echter niet het geval.Omstreeks half zes bereiken wij haar werkelijk; wij weten nu ook voor goed waar wij ons bevinden. Wij varen wederom een nauw kanaal binnen, geheel overeenkomende met de twee andere, die wij reeds achter den rug hebben. Dit kanaal is even lang, maar breeder dan de vorigen. Aan iedere zijde is de rivier omzoomd door een bank van zandsteen, twee à drie ellen hoog en vijf à zes ellen breed, waarachter zich een zeer steile heuvel verheft, die op sommige plaatsen letterlijk een loodrechten wand vormt. Talrijke watervalletjes dalen van den heuvel naar beneden en hebben zich in den zandsteen een bedding uitgegraven. De plantengroei draagt het karakter van den rotsigen, steenachtigen bodem: de boomen zijn knoestig, gekromd en niet uitgegroeid. Vele dezer boomen staan in bloei en vormen met hunne paarse, rooskleurige, witte en gele bloesems als het ware een reusachtig bouquet ter wederzijde van de rivier.Het was donker, toen wij den uitgang van de Angostura bereikten. Wij bivakeeren op een groot rotsplateau, waarop geen enkele boom staat om onze hangmatten aan te bevestigen. Wij slapen dan ook op den harden grond. Het ontschepen van onze bagage vordert veel tijd en moet bij kaarslicht geschieden. Gelukkig vinden wij nog eenig brandhout, zoodat wij vuur kunnen aanleggen, waarop wij een eendvogel braden, dien wij zonder eenige toespijs gebruiken, want onze voorraad mais is opgeteerd. Na dien roofdierenmaaltijd wikkelen wij ons in onze dekens, en strekken ons op de rots uit, met de voeten naar het vuur gekeerd.28 November.—Ten zes ure gaan wij weder op weg. Het is ter nauwernood dag, want de hemel is bewolkt. De tusschen hooge boorden ingesloten rivier schijnt bijna zwart; groote vlokken geelachtig schuim drijven op het water. Wij ontdekken langs den oever prachtige maripapalmen: het komt mij voor, dat de kool van dien palm, gekookt, eene zeer geschikte spijs zal zijn. Apatoe en François wapenen zich met een bijl, gaan in de prauw en varen naar den oever om een dezer boomen van zijne kool te berooven. Middelerwijl zetten Lejanne en ik den tocht met het vlot voort: onze makkers zullen ons gemakkelijk kunnen inhalen. Na verloop van een half uur, zien wij op korten afstand voor ons groote ronde rotsen, die een dam in de rivier vormen, welke bijna de geheele breedte beslaat. Schuimend en kokend stroomt het geperste water langs beide zijden weg. Wij zijn ons onzer onbekwaamheid te goed bewust, om zonder onze makkers den doortocht te beproeven, en sturen het vlot naar den rechteroever, waar wij hunne komst afwachten.Met hunne hulp komen wij ook dien hinderpaal te boven. Dan worden wij door den stroom aangegrepen, en medegesleurd naar eene tweede Angostura, nog gevaarlijker dan de eerste. Zij is smaller; de oevers zijn hooger, en de snelheid van den stroom is grooter. Omstreeks halverwege bevindt zich een zeer gevaarlijke draaikolk, dien wij slechts met inspanning van alle krachten kunnen vermijden. Kwamen wij met ons vlot binnen zijn bereik, dan zie ik niet hoe wij zouden kunnen ontsnappen.Wij vorderen niet dan zeer langzaam en bereiken niet dan met moeite het uiteinde van het kanaal. Daar verbreedt de rivier zich weer. De wind is ons tegen en er gaat eene sterke branding; wij komen bijna niet vooruit. Om zes uren maken wij ons kampvuur aan onder den lommer van een reusachtigen boom, waarvan de zware wortels hoog boven den grond uitsteken en voor een deel tegen den stam zijn aangedrukt. Uit het dichte gebladerte daalt een regen van kleine vijgen op ons neer, losgewoeld door de rustelooze bewegingen van drommen van apen, aras en parkieten. De eersten springen van tak tot tak en nemen de wijk in het bosch, onder het uitstooten van snijdende, gillende kreten en het ruischen der bladeren. Lejanne doodt een couicoui en een parkiet. Wij doen ons maal met een gedroogden eendvogel en gekookte palmkool.29 November.—De rivier heeft, ter plaatse van ons bivak, eene breedte van zeshonderd-zeventig el, waarvan niet minder dan vijfhonderd el wordt ingenomen door eene zandbank, die bij hoog water onderduikt. Bij ons vertrek regent het een weinig. Omstreeks acht uur maakt Apatoe ons opmerkzaam op een plaats, waar boomen geveld zijn. Inderdaad strekt zich een open plek tot aan de rivier uit; naar het schijnt, wordt die plek ingenomen door bananen. Met kloppend hart zetten wij koers naar deze plek. Als wij eens teleurgesteld werden in onze verwachting, menschen te zullen ontmoeten? Ons vlot gaat veel te langzaam naar onzen zin: wij zouden het vleugelen willen aanbinden, en het beweegt zich ter nauwernood. Ik neem mijn kijker en bemerk een half verkoolden boomstronk, die deels over den oever hangt, en vervolgens een tros bananen. Hoezee! Daar is het beloofde land! Maar hoe zullen de bewoners des lands ons ontvangen? De ontberingen van de laatste dagen hebben ons zoozeer opgewonden, dat wij niet zouden aarzelen, ons met geweld het noodige te verschaffen, ingeval men mocht weigeren ons levensmiddelen te verkoopen. Gebrek is een slechte raadgever. Eendvogels walgen ons: de bedorven mais, die wij gedurende de laatste dagen gegeten hebben, heeft ons ziek gemaakt. Daar vóór ons is een bananenplantage.... Wij zullen betalen wat men ons wil vragen: maar tot iederen prijs moeten wij van die vruchten hebben.Wij varen langs eene zandbank, die aan de landzijde door kreupelhout is begrensd. Wij bespeuren op den grond eene mat van palmbladen, die over hoepels is gespannen en waarschijnlijk als bedekking moet dienen voor eene groote prauw; vervolgens eene hut, waarvan het overhangende dak te midden van het groen ons aan een chalet denken doet.Lejanne vuurt tweemaal zijn geweer af, terwijl Apatoe met mij in de prauw stapt en mijhaastig naar de hut roeit. Wij volgen gedurende eenigen tijd eene kreek, die zich hier in de rivier uitstort. De Indianen zijn in het eerst verschrikt weggevlucht, maar zij keeren toch weldra terug; ik zend twee hunner met eene prauw, om ons vlot op sleeptouw te nemen, dat anders de kreek niet zou kunnen opvaren, hoe zwak de stroom ook moge zijn. Ik wacht mijne reisgenooten aan de aanlegplaats af.Weldra bereiken wij het dorp, dat Mapiripan heet, even als de kreek waaraan het gelegen is. Het bestaat uit drie hutten, waarvan slechts eene van de rivier zichtbaar is, en die door vier Indianen met hunne gezinnen worden bewoond. De oudste is een forsch gebouwd man met eene breede borst en een goedig voorkomen; zijne huid ziet geheel blauwachtig ten gevolge van eene in deze streken inheemsche huidziekte, carathes genoemd. Een ander, omstreeks vijf-en-twintig jaar oud, lijdt aan anderendaagsche koorts: ik win zijn vertrouwen, door hem wat kinine te geven. Een derde, klein van gestalte en met gekromden rug, schijnt mij toe zeer beperkt van geestvermogens te zijn. Hij draagt den zeer onpassenden naam van Narcissus. Met uitzondering van dezen laatste, dragen de mannen pantalons en hemden. De ongelukkige Narcissus heeft niets anders dan een ellendigen poncho van het bekende inlandsche fabrikaat.De handelaars van San-Fernando verschijnen hier telken jare eens of tweemaal. Zij worden nu elken dag verwacht, en onze Indianen hebben den noodigen voorraad van cassave en couac (gebrand maniokmeel) gereed gemaakt, dien zij aan hunne bezoekers moeten verkoopen.Zij staan ons eene mand met cassave en eene mand met couac af, benevens bananen, pompoenen, twee schildpadden en tabak: een en ander in ruil voor eenige hakmessen, scharen, messen, naalden en vischhaken. Wij koopen bovendien nogschildpadveten suikerstroop: deze laatste zal ons uitstekend te pas komen, want wij hebben eene zekere hoeveelheid ongemalen koffie, die wij nu zullen kunnen gebruiken.Weldra smullen wij aan eene schildpad met in de asch gestoofde bananen. Onze Indianen geven ons cachiri van bananen te drinken. En wij kunnen ons de weelde veroorloven, gedroogde tabaksbladeren te rooken!30 November.—Met het aanbreken van den morgen zijn wij allen weder bijeen. Ik koop eene prauw, die groot genoeg is om ons op te nemen, zoodat wij ons vlot kunnen verlaten. Bovendien koopen wij nog eene hangmat, een boog, pijlen en vaatwerk, dat de Indianen van klei vervaardigen, die zij met de asch van zekere boomschors vermengen.Allen zijn op eene of andere wijze bezig. De eigenaar van de hut, waarin wij vertoeven, houdt zich onledig met het maken van een steel voor een bijl, die wij hem in ruil gegeven hebben. Hij werkt daaraan op zijn uiterste gemak, en wrijft en polijst het hout met al de behagelijke kalmte van iemand, voor wien de tijd hoegenaamd geene waarde heeft.De vrouwen zijn met huishoudelijken arbeid bezig. De eene, met een hakmes gewapend, maakt maniokwortels schoon, en weet daarbij het gevaarlijke instrument zeer behendig te hanteeren. Eene andere vrouw maakt de ontbolsterde bananen fijn. Op den grond zittende, neemt zij een banaan in elke hand en wrijft ze met groote snelheid over eene soort van rasp, die zij tusschen hare knieën houdt. Deze rasp bestaat uit een eenigszins hol plankje, waarop met een soort van lijm, scherpe stukjes kwartz zijn bevestigd, die als tanden dienst doen. Is deze arbeid afgeloopen, dan doet men de brei in eene lange buis of darm van fijn gevlochten riempjes, die in het spaansch den naam vanCouleuvradraagt. Het bovenste gedeelte van deze couleuvra wordt met een houten stop gesloten, en vervolgens wordt de worst—om ze zoo eens te noemen—aan een balk opgehangen. Aan het benedeneinde van de couleuvra is een ring bevestigd, waarin een hefboom gestoken wordt, die met het andere einde aan een naburigen pijler is vastgemaakt. Door den hefboom te bezwaren, wordt de couleuvra saamgeperst en daardoor het vergiftige sap uit de brei verwijderd. Vervolgens laat men de gelei gedurende vier-en-twintig uren gisten.Om cassave te maken, spreidt men de brei in lagen in eene schaal, die op een soort van oven wordt geplaatst, waarin een goed vuur wordt onderhouden, dat echter niet te heet mag zijn. Op deze wijze verkrijgt men koeken, die, om goed te blijven, in de zon moeten worden gedroogd en vervolgens op eene droge plaats bewaard.Onze Indianen geven ons een drank, gemaakt van zoete pataten en maniok, welke met water vermengd en tot gisting gebracht worden. Deze drank, couria genoemd, wordt niet gefiltreerd, is geelachtig, klonterig en zeer dik; hij ziet er zeer onsmakelijk uit, maar smaakt inderdaad zeer goed.Wij kunnen hier gelukkig inlichtingen bekomen, die ons ten zeerste van dienst zijn: San-Fernando ligt op veertien dagreizen afstands van Mapiripan. De Indianen, waarmede wij vroeger in aanraking zijn geweest, de Mitouas, staan hier niet hoog aangeschreven en worden als wilden (bravos) beschouwd. Onze vrienden deelen ons zonder aarzeling mede, dat zij zelven den naam dragen van Piapocos, hetgeen toucan beteekent. Het is eene zeldzaamheid, dat een Indiaan een vreemdeling den naam van zijn stam bekend maakt; doorgaans verneemt men dien naam eerst van de buren.In den namiddag brengt François onze bagage in de prauw over. Ons nieuw gekocht vaartuig heeft eene lengte van tien el zes palm, eene breedte van een el tien duim, en is van een enkelen boomstam gemaakt. De voor- en achtersteven, die een weinig oploopen, zijn met plankjes afgesloten. In het midden zijn, even boven den bodem, dwarsbalkjes aangebracht, waarop een bamboezen vloer of dek rust: onze bagage zal daar geen hinder hebben van het water, dat altijd in zulk eene prauw doordringt. Een gedeelte van dit dek blijft vrij: Lejanne en ik zullen daar, onderhet dak van palmbladen, dat ongeveer een derde van ons vaartuig overdekt, eene schuilplaats kunnen vinden tegen de brandende zonnestralen. Deze prauw is wel wat zwaar voor twee roeiers; gaarne zouden wij een onzer kloeke Piapocos overhalen om met ons te gaan, maar zij zijn daartoe niet te bewegen.Even als den vorigen dag, begeven zich de Indianen des avonds naar het strand en laten de hutten tot onze beschikking.1 December.—Het regent den ganschen nacht; tegen het aanbreken van den dag houdt de regen wat op, en tot onze verbazing keeren onze Indianen terug met geheel droge kleederen.Juan de la Cruz.Juan de la Cruz.De ongelukkige Narcissus doet wat hij kan om zich aangenaam te maken; hij brengt ons zoete pataten en vervolgens zoete maniok. Wij beloonen zijn ijver en goeden wil door hem een hemd ten geschenke te geven, dat hij aanstonds aantrekt. Blijkbaar hebben wij hem gelukkig gemaakt: zijn onnoozel gelaat straalt van eene blijdschap, die ons zelven goed doet.Omstreeks tien uren nemen wij afscheid van onze vrienden, en werpen een laatsten blik op ons vlot, dat nu, ledig en onttakeld, een vrij treurige figuur maakt. Wij zullen het niet gauw vergeten, want het heeft ons onschatbare diensten bewezen en meer dan eens ons leven gered.Wij zijn nu op weg naar San-Fernando; wij vorderen goed en hebben levensmiddelen voor vele dagen.Tegen den avond komen wij aan de monding eener rivier, die zich aan den linkeroever in de Guaviare uitstort. Op den hoek tusschen de beide rivieren verrijst een heuvel, op welks top eene hut is gebouwd. Wij varen een eind weegs de rivier op, om ons van hare beteekenis rekenschap te kunnen geven. Hare breedte bedraagt honderd-vijftig el; de strooming is zeer sterk, en naar het schijnt, is de rivier buiten hare bedding getreden, want de struiken en heesters langs de oevers staan halverwege in het water. De aanlegplaats schijnt verlaten, want de grond is met hoog gras en struiken begroeid.Ongetwijfeld is de hut onbewoond, want ons roepen en onze geweerschoten blijven onbeantwoord. Zij is te ver van den oever verwijderd, om haar als nachtverblijf te kunnen gebruiken. Daar de diefachtige neiging der Indianen ons bij ondervinding bekend is, zou het zeer onvoorzichtig zijn, ons te ver van de prauw te verwijderen. Wij zakken de rivier weer af, en slaan ons kamp een weinig lager op, aan den linkeroever van de Guaviare. Ik heb de koorts; Lejanne is geheel uitgeput; François lijdt aan hevige buikpijnen; Apatoe alleen is in goeden welstand: zijne wond geneest.2 December.—Wij drinken koffie met suikerstroop, en vinden dat heerlijk: alles is betrekkelijk in deze wereld.Tegen half twee bespeuren wij op den zandigen oever een van takken gemaakt afdak. Wij gaan aan land, vermoedende dat de eigenaars van deze soort van hut niet verre zullen zijn; in dat vermoeden worden wij nog meer bevestigd bij het zien van eene kip en twee aarden kruiken. De Indianen nemen hunne hoenders op reis mede: zij eten die vogels niet, maar houden ze enkel voor hun vermaak, zooals men elders papegaaien en kanarievogels houdt. In de groote aarden kruiken bewaren zij het vet der schildpadden of de gom, die uit verschillende boomen in hunne bosschen vloeit. Ons roepen en schreeuwen blijft evenwel onbeantwoord; wij begeven ons weder op weg, na den kip eenig voedsel te hebben toegeworpenKort daarop ruiken wij een sterke muskuslucht: Apatoe luistert: op den linkeroever bevindt zich eene kudde pecaris. Wij gaan aan land; Lejanne en Apatoe nemen hun geweer. Nauwelijks zijn zij een twintig pas in het woud doorgedrongen, of zij zien een dertigtal dezer dieren voor zich, die met groot gerucht hunne tanden op elkander slaan. Lejanne gaat voorop. De pecaris hebben hem in het oog gekregen, en scharen zich op eene rij tegenover hem. Apatoe, die met de gewoonten dezer dieren bekend is, weet dat zij somwijlen den jager aanvallen, wien in dat geval geene andere toevlucht overblijft, dan op een boom te klimmen, waar hij dan letterlijk belegerd wordt. “Geef acht!” roept hij eensklaps met luider stem; de verschrikte pecaris nemen de vlucht.Ten vijf uren kiezen wij eene plaats voor ons bivak. Het heeft hier geregend; de grond is doorweekt,en wij waden door de modder. Ik heb nog altijd koorts.De oevers van de Guaviare.De oevers van de Guaviare.3 December.—Er hangt een dichte nevel, die alle waarnemingen onmogelijk maakt. Wij vervolgen onze vaart op de eentonigste en vervelendste rivier der wereld. Het zijn altijd dezelfde regelmatige krommingen; dezelfde reigers en ooievaars; dezelfde zwarte ibissen, met deftige afgemeten stappen langs den zandigen oevers op en neer wandelende. Vlak langs den waterkant zitten zwermen van groote meeuwen op eene rij naast elkander, in de nabijheid van krokodillen, die in de zon liggen te slapen. Nu en dan vliegen zij eensklaps op en beschrijven in de lucht sierlijke kringen, het scherpziend oog en den puntigen snavel steeds naar het water gekeerd. Hun scherp onaangenaam geschreeuw is vaak het eenige geluid, dat de stilte breekt.4 December.—Bij het aanbreken van den dag maakt onze kok zich gereed om een eierstruif voor ons te bakken. Wij hebben een kleinen voorraad schildpadvet, dat voor deze gelegenheid als boter dienst moet doen. Helaas! deze eierstruif, die een monumentale, reusachtige eierstruif zou moeten zijn, slinkt haast tot niets weg: al onze meeuweneieren, met uitzondering van een half dozijn, blijken bedorven te zijn.Omstreeks acht uren houden wij stil aan de punt van een eiland, waar een breede vlakke oever is. Lejanne en Apatoe zenden een paar kogels af op eenige krokodillen, die op enkele meters afstands van ons eiland hunne koppen uit het water steken. Een hunner laat een luid geknor hooren, eenige overeenkomst hebbende met het brullen van een tijger. Dit is voor de eerste maal, dat wij deze dieren geluid hooren geven.Tegen den middag bespeuren wij eene prauw, die tegen den zandigen oever ligt. Eene indiaansche familie, bestaande uit vader, moeder en een zeven- of achtjarig kind, zit rustig onder de schaduw van het lage hout, dat verder landwaarts den oever bedekt. Wij gaan dicht bij hunneprauwaan land en zijn weldra bij hen. Zij hebben vuur aangelegd. Om dit te doen, beginnen zij met drie steenen, in den vorm van een driehoek, op den grond te leggen, waartusschen zij dan het brandhout schikken. Deze steenen dienen tevens om er hunne potten op te zetten. Wij koopen van hen eene met meeuweneieren gevulde kalebas.Toen wij in den namiddag ter plaatse waren aangekomen, waar wij zouden kampeeren, maakte Apatoe den eigenaardigen vischtoestel gereed, waarvan de Roucouyenne-Indianen zich bedienen. Deze toestel bestaat uit een stevigen zeer buigzamen rietstok, die in den grond gestoken wordt en waaraan eene korte lijn met eene vischhaak is bevestigd. Even voor dit riet slaat men een paal in den grond, aan welks boveneinde met een touw eene soort van losse kruk is vastgemaakt. Men buigt nu den rietstok en houdt dien met de kruk naar beneden, zoodat de haak met het aas in het water hangt. Bijt nu een visch aan dat aas, dan trekt hij het riet een weinig meer naar onder; de kruk valt en de rietstok springt omhoog, den onvoorzichtige, die zich aldus heeft laten verlokken, in de lucht slingerende. Nauwelijks is de toestel in orde, of een piraï of piranha komt in het aas bijten en wordt gevangen gemaakt.7 December.—Gisteren niets bijzonders. Wij ontmoeten nog geen Indianen, hoewel wij overal de sporen hunner aanwezigheid vinden. Doorgaans overnachten zij op den oever, en steken dan een palmblad of een boomtak in den grond, om zich tegen den dauw te beveiligen.Omstreeks vier uren in den namiddag van heden bespeuren wij mannen aan den oever. Wij gaan aan land en bevinden ons in tegenwoordigheid van bewoners van de lagune van Sapoara, die zich naar den oever begeven hebben om daar, beveiligd voor muskieten, den nacht door te brengen.De Indianen zijn gekleed met helder witte hemden en broeken. De vrouwen dragen japonnen, die den hals en een gedeelte van de schouders bloot laten; haar haar is verdeeld in twee zware, zorgvuldig gevlochten tressen. Met ons vuil linnengoed, onze gescheurde en gehavende kleederen, onze ongeschoren baarden en verwarde hairen, zou men ons veeleer voor wilden aanzien.Eenige andere inboorlingen zijn nog in het dorp. Wij laten ons daarheen brengen; het dorp ligt op ongeveer twee mijlen afstands, aan den linkeroever van de lagune van Sapoara. Wij ontmoeten daar twee grijsaards, waarvan de een, Juan de la Cruz genaamd, ons bovenal verbaast door zijne zwaarlijvigheid; hij lijkt sprekend op een Chinees en staat bij zijne stamgenooten als een piay of toovenaar bekend. Zijne oogen staan schuin; zijne wangbeenderen steken vooruit; zijn neus is plat; zijn dunne stijve knevel doet zijne gelijkenis met den chineeschen type nog sterker uitkomen. Wij vinden hier ook twee jonge mannen van omstreeks vijf-en-twintig jaren, door wier aderen blijkbaar gemengd indiaansch en europeaansch bloed stroomt. Hunne vrouwen zijn ouder dan hare echtgenooten; eene van haar heeft vroeger bij de blanken gediend. Hunne kinderen zijn zeer aardig en bevallig; hunne hutten zijn zindelijk en bevatten de meest heterogene voorwerpen. Nevens het gewone huisraad van de wilden, zoo als de lage holle bankjes, de uitgeholde boomstam, waarin de cachiri of couria bewaard wordt, de bogen, pijlen en andere dingen, zien wij porseleinen borden en kommen, en zelfs zakspiegeltjes.Wij vernemen van deze lieden, dat wij nog zeven dagreizen van San-Fernando verwijderd zijn.Wij hebben dringend behoefte aan twee roeiers, maar vergeefs bieden wij aan elk der beide jonge mannen tien piasters, indien zij met ons willen gaan. Zij staan te San-Fernando in schuld, en willen daar niet verschijnen, zoo lang zij de noodige koopwaren niet hebben bijeengebracht, die zij op zich hebben genomen te leveren. Uit hetgeen wij van hen vernemen, komen wij tot het besluit, dat deze arme lieden hunne schuld nooit zullen kunnen afbetalen. De gewetenlooze kooplieden leveren hun kleederen, werktuigen, gereedschappen, die zij bij hun arbeid noodig hebben,in ruil voor maniokmeel, schildpaddenvet en andere produkten, welke zij binnen een bepaalden tijd moeten leveren; maar de berekening wordt steeds zoo gemaakt, dat de inboorlingen altijd in schuld zijn en hun leven lang ten behoeve van hunne oneerlijke, woekerende schuldeischers moeten werken.8 December.—Des morgens komen de twee oudere mannen tot het besluit om met ons mede te gaan tot aan de lagune van Recifal, die wij binnen een dag kunnen bereiken.De avond brengt ons een weinig koelte. De hemel is onbewolkt; het is een prachtige maneschijn. Op den zandigen grond uitgestrekt, praten wij met onze Indianen, onder het rooken van tabaksbladeren, die wij als sigaretten oprollen. Wij verhalen hun wat ons al op reis gebeurd is, sedert wij op de Goyabero scheep zijn gegaan. Zij toonen niet de minste verwondering als wij uitweiden over den last, dien de kaimans ons hebben veroorzaakt. Zij deelen ons mede, dat nu vier jaar geleden, bij den mond van de rio Oua, een hunner makkers, die eene prauw bestuurde, door een krokodil werd aangegrepen en uit zijn vaartuig gesleept. Zijne metgezellen hoorden niets dan het geklapper der geduchte kaken van het monster, gevolgd door eene heftige beweging in het water. Kort daarop werd de oppervlakte der rivier hier en daar rood gekleurd—en alles was voorbij. Zij verhalen ons ook, dat de Mitoua-Indianen onlangs blanken hebben aangevallen, waarvan een met een pijl in het been werd verwond. Voor den verwonde was het een geluk, dat de Mitouas niet de gewoonte hebben hunne pijlen te vergiftigen.9 December.—Wij gaan reeds vroegtijdig aan boord. Even na ons vertrek hooren wij, op den linkeroever, het geluid van een hocco. Apatoe stapt in de kleine prauw, die wij op sleeptouw hebben, en vaart naar de plaats, waar wij het geluid hooren. Hij maakt zijn schuitje aan den kant vast en klimt tegen den steilen oever naar boven. Weldra hooren wij een schot, en zien Apatoe terugkeeren met een prachtigen hocco, die er eenigszins anders uitziet dan zijn naamgenoot van de Andes. De hocco van de Guaviare heeft bruinachtig roode vederen, waar de hocco der Andes witte vederen heeft; ook is zijn geschreeuw of geluid eenigszins anders. Het doet eenigermate denken aan het brullen van een jaguar.Omstreeks elf uur ontmoeten wij inboorlingen van de lagune van Recifal, die goede bekenden en vrienden zijn van onze Indianen en ons zeer hartelijk ontvangen. Wij praten eenige oogenblikken met hen, want zij zijn het spaansch volkomen meester, en begeven ons met de prauw naar de monding van de lagune, welke niet ver verwijderd is. Wij varen een smal kanaal binnen en komen weldra in het meer.Het opperhoofd van het dorp ontvangt ons voor zijne woning. Het is een nog jong man, die in den beginne vrij onvriendelijk is. Hij heeft grove, ruwe gelaatstrekken en schijnt vrij dom. Als teeken zijner waardigheid heeft hij een staf in de hand. Wij moeten trachten, door een geschenk zijne gunst te winnen, want hij zou mij de roeiers kunnen weigeren, die wij dringend noodig hebben. Ik bied hem een veelkleurigen gordel aan; een glans van genoegen straalt van zijn gelaat, en onverwijld tooit hij zich met het prachtstuk. Deze personage houdt er drie vrouwen op na. Hij laat de mooiste van de drie komen, om haar aan ons voor te stellen. Zij is nog zeer jong, heeft regelmatige gelaatstrekken, prachtig haar en zeer mooie zwarte oogen; zij draagt een japon van rood katoen. Blijkbaar is zij eenigszins verlegen en houdt zich dicht bij haar gemaal. Ik bied haar een halssnoer van roode koralen aan, dat haar echtgenoot haar aanstonds om den hals hangt.Na deze ceremonie begin ik hem het doel van onze komst mede te deelen. Wij zouden gaarne tot morgen in het dorp blijven om wat te rusten, en dan twee roeiers mede nemen, die tot San-Fernando bij ons zouden blijven. De kapitein geleidt ons naar de hut, waar de mannen bijeen zijn om couria te drinken. Wij vinden daar vijf flinke kerels, stomdronken, in hunne hangmatten uitgestrekt en ons met wezenlooze oogen aanstarende. Sedert den vroegen morgen drinken zij couria. De oudste, een zwaarlijvig man van gevorderden leeftijd, maar met een nog zeer krachtig voorkomen, waggelt van tijd tot tijd naar een uitgeholden boomstronk en schept daaruit met een kalebas den bedwelmenden drank, dien hij vervolgens een voor een zijn makkers aanbiedt. Dezen drinken, al hikkende, en spuwen de laatste droppels uit van het vocht, dat zij hebben ingezwolgen. Ook ons biedt men de kalebas aan. Willen wij niet onbeleefd zijn en deze mannen, wier hulp wij noodig hebben, niet ontstemmen, dan moeten wij onzen afkeer overwinnen en althans iets nemen van dezen drank, die met mate gebruikt, volstrekt niet schadelijk voor de gezondheid is.Wij begeven ons met den hoofdman of kapitein naar de aanlegplaats, om hem onze prauw te laten zien. Gaarne zouden wij haar ruilen voor eene andere, lichtere, die wij bij onze aankomst hebben ontdekt. Hij verlangt nog iets daarbij; wij laten hem sabels, bijlen, messen zien, maar niets van dat alles is van zijne gading. Geld wil hij niet aannemen. Ik begin de hoop op te geven, met hem den koop te sluiten, toen ik bij toeval uit een kist een lap rood katoen te voorschijn haal. Nu is de zaak in orde. De hoofdman is zoo belust op dat stuk katoen, dat hij, naar ik geloof, zijne hut met al wat daarin is, zou afstaan om in het bezit van dien lap te komen.De indiaansche vrouwen zijn natuurlijk nieuwsgierig: trouwens, anders zouden zij geene vrouwen zijn. Al de dames uit het dorp, de echtgenooten van den hoofdman uitgezonderd, zijn spoedig bijeen vergaderd in de hut waar wij onzen intrek hebben genomen. Het trekt onze aandacht, dat de vruchtbaarheid in dit dorp niets te wenschen schijnt over te laten. Twee vrouwenhouden haar zuigelingen aan de borst; men roept ons om een der jonggeborenen van nabij te zien, een zwak, ziekelijk schepseltje. Daar ik verneem, dat er in het dorp wat rhum te krijgen is, geef ik den raad, het kind daarmede in te wrijven. Men verzoekt ons daarop, aan het andere jonggeboren kind een naam te willen geven. Apatoe heeft gedurende zijn verblijf te Parijs een van die onzinnige liedjes geleerd, die hij nu en dan zingt, als hij goed gehumeurd is, en waarin telkens den naam van Nicolas voorkomt. Die naam wordt nu aan den jeugdigen Indiaan gegeven, waarmede de ouders zeer in hun schik zijn. Uit vrees van het te vergeten, herhalen zij onophoudelijk dat woord, hetwelk zij zeer goed kunnen uitspreken.Morichepalmen.Morichepalmen.Lejanne gaat in den omtrek uit jagen. Hij ontmoet een inboorling, die met eene lange sabarcane (blaaspijp) gewapend is, waarmede hij een kleine pijl wegblaast, waarvan de punt vergiftigd is. Het vergif, waarvan hij zich bedient, is in een soort van matten flesch geborgen, en wordt door de Piaroa-Indianen geleverd: de Piapocas zijn met de bereiding daarvan onbekend.10 December.—Wij brengen den morgen door met het maken van schetsen en teekeningen, met photografeeren en andere bezigheden van verschillenden aard.Wij slagen er in, twee mannen over te halen om met ons naar San-Fernando te gaan. Zij zijn nog niet bekomen van hunne slemppartij van gisteren, en hoewel jonger, zijn zij minder vlug en spoediger vermoeid dan onze veel oudere roeiers van Sapoara. Maar onze prauw is niet zoo zwaar, en hoewel wij tweemaal ophouden om een hocco en een eend te schieten, leggen wij van elf uur tot half zes niet minder dan zes-en-veertig mijlen af.Monding van de Atabapo.Monding van de Atabapo.

VII16 November.—Bij het ontwaken lossen wij een schot, om den eigenaar van de prauw te waarschuwen. Wij wachten een geruimen tijd; maar aangezien niemand komt opdagen, vervolgen wij onzen tocht. Juist toen wij ons hadden losgemaakt uit de saamgestrengelde takken en planten, die den bodem der rivier nabij den oever bedekken en in de ruimte kwamen, zagen wij twee Indianen in de prauw plaats nemen en naar ons toekomen. In voorkomen en kleeding gelijken zij op al hunne landgenooten, die wij reeds ontmoet hebben; zij verstaan een weinig spaansch, waaruit blijkt dat zij somwijlen met blanken in aanraking komen. Zij beweren noch San-Martino, noch San-Fernando te kennen, hetgeen mij ongeloofelijk voorkomt; ik houd het er eer voor, dat zij ons geene inlichtingen willen geven. Vermoedelijk zullen zij van hunne ontmoetingen met de blanken minder aangename herinneringen hebben overgehouden, en herhaaldelijk bedrogen en mishandeld zijn geworden. Immers, bij de aanrakingen van den wilde met de zoogenoemd beschaafden, is de eerste steeds de lijdende partij. De blanken treden op als heeren en meesters en maken van de onwetendheid van den wilde gebruik, om hem zooveel mogelijk te bedriegen en te berooven. Een koopman beroemde er zich tegen ons op, dat hij voor de stop van een karaf, waaraan hij groote tooverkracht toeschreef, tien manden met couac (gebrand maniokmeel), ter waarde van honderd francs, had gekregen. Het gezin van den inboorling wordt al even weinig geëerbiedigd als zijn eigendom. Het is dus inderdaad niet te verwonderen dat de Indiaan weinig sympathie voor de blanken gevoelt. Zoodra hij een bijl, een hakmes, een handvol kralen voor halssnoeren, en eenige stukken katoen bezit, houdt hij zich buiten bereik van de gewetenlooze handelaars, die hij veracht en verfoeit. En in de oogen der Indianen, met wie wij in aanraking komen, zijn wij niet anders dan handelaars.Onze twee roodhuiden zullen, tegen belooning van een mes, met ons gaan tot het naaste dorp, dat niet ver verwijderd is. Sedert een half uur varen wij naast elkander voort, toen wij nog eene andere prauw zagen aankomen, waarin een Indiaan met zijn gezin is gezeten. Wij roepen hem aan, en hij komt tot ons; zijn dorp ligt in de nabijheid, hij zal er ons heen geleiden. Ons gesprek wordt in het spaansch gevoerd. Terwijl wij met hem spreken, hebben de andere Indianen zich verwijderd, onzen vischhengel medenemende.Onze nieuwe vriend neemt ons op sleeptouw; zijne vrouw en hij pagaaien met alle kracht. Het verwondert mij, dat hunne zeer smalle en zeer onvaste prauw niet omkantelt. Eindelijk bereiken wij zonder ongeval eene kreek aan den rechter oever der rivier. Aan den ingang liggen twee reusachtige kaimans op de wacht, die in dit vischrijke water overvloedig voedsel kunnen vinden; met hunne ziellooze onbewegelijke oogen staren zij ons spookachtig aan. Bij de nadering van het vlot zijn zij even onder gedoken, om langzamerhand op dezelfdeplaatsweer te voorschijn te komen.Aankomst bij de Mitoea-Indianen.Aankomst bij de Mitoea-Indianen.Wij maken ons vlot vast aan den rechter oever van de kreek, en bekijken onze nieuwe makkers wat nauwkeuriger. De Indiaan is een jonkmanvan omstreeks vijf-en-twintig jaren, met een innemend voorkomen en welgemaakt van gestalte. Hij is daarbij zeer zindelijk. Zijne huid is bruinachtig geel van kleur, niet donker. Hij draagt den gewonen hoofdband en de kniebanden van palmbladeren; in zijne ooren heeft hij stukjes riet gestoken, waarvan het eene einde met roode vederen is versierd.Zijne vrouw heeft regelmatige trekken, en moet indertijd schoon zijn geweest, maar zij is reeds verwelkt, hoewel zij niet veel ouder kan zijn dan haar man. Zij draagt het hemd of liever den zak, waarvan ik reeds vroeger gesproken heb, en dat hier en daar rood is geworden. Ik koop dat hemd van haar voor een lap katoen. Zij toont besef van kieschheid: niet dan met moeite kan haar man haar bewegen, zich in onze tegenwoordigheid te ontkleeden.De vrouw zal met de prauw de kreek opvaren, terwijl haar man Lejanne en mij zal geleiden naar de plek, waar wij de kreek moeten oversteken, om zijne woning te bereiken, welke niet ver verwijderd is en in eene savane gelegen, waar een aantal Indianen zijn gevestigd. In blijde stemming en hoog gespannen verwachting, gaan wij op weg naar het dorp, waar zeker veel te zien en te leeren zal vallen. Geruimen tijd volgen wij den oever van de kreek; onze weg voert ons onder prachtige boomen, van wier stammen en takken weer krachtige wortels uitschieten, die in den grond doordringen. De lianen vormen als het ware een reusachtig netwerk, waardoor vooral Lejanne, uit hoofde van zijn geweer, zich niet dan met moeite een weg kan banen. De grond, die bij hoog water wordt overstroomd, is bedekt met eene laag vochtige klei en draagt geen gras. Wij zien talrijke sporen van tapirs.—Nadat wij ruim een kwartier geloopen hebben, staat de Indiaan eensklaps stil: “el tigre!” roept hij. Hij heeft het dier zien wegvluchten en wijst ons zijn spoor. Lejanne vuurt in die richting zijn geweer af, en wij vervolgen onzen marsch.Na verloop van drie kwartier komen wij aan het punt, waar wij de kreek moeten oversteken. De Indiaan roept zijne vrouw, die geen antwoord geeft. Wij wachten een kwartier: niemand verschijnt.Wij beginnen ons zelven af te vragen, of men ons ook bij den neus heeft gehad en of ons vlot in veiligheid is. Het schijnt ons vreemd, dat wij zoo ver moeten loopen om eene hut te bereiken, die, naar men zeide, vlak in de nabijheid lag. Ik besluit, naar onze makkers terug te keeren, maar de Indiaan zal ons daarbij weer tot gids moeten zijn: want tenzij wij de oevers van de kreek volgen, zullen wij onvermijdelijk verdwalen, maar de tallooze kronkelingen der kreek zullen den weg veel langer maken. Mitsdien geef ik hem last, ons naar het punt van uitgang terug te brengen: hij schijnt mij niet te begrijpen. Lejanne pakt hem bij de schouders en laat hem zoo onzacht rechts-om-keert maken, dat hij aanstonds onze bedoeling vat. Eindelijk komen wij bij onze kameraden, die in onze afwezigheid een heerlijk ragout van visch en bananen hebben gereed gemaakt. Zij hebben die visschen gekocht van een Indiaan, die in eene prauw voorbij voer. Onze gids is inmiddels verdwenen zonder afscheid te nemen.De Indianen van deze streek schijnen niet te vertrouwen; op hun gunstig uiterlijk valt blijkbaar niet te rekenen. Als zij in grooter getale bijeen waren, zouden wij het misschien hard te verantwoorden hebben. Trouwens wij zijn tegenover hen steeds op onze hoede en hebben onze wapenen altijd bij de hand.Na ontbeten te hebben verlaten wij de kreek en hervatten onze langzame vaart op de Guaviare.Omstreeks half vijf bespeuren wij op den rechteroever eene groote savane, die tot aan de rivier reikt; eene soortgelijke als die, waar wij de eerste Indianen hebben ontmoet. In de verte zien wij twee hutten; maar de dag is te ver gevorderd, om er nog heen te gaan. Wij slaan ons kamp op aan den hoek van het bosch, en verbergen ons vuur en onze hangmatten tusschen het hoog geboomte, want wij zijn in het minst niet gesteld op nachtelijke bezoeken. Wij hebben onzen laatsten voorraad vleesch verbruikt. Moge Diana ons gunstig zijn!17 November.—Om zes uur vuurt François een geweer af. Lejanne en ik komen uit het bosch te voorschijn en betreden de savane. Er hangt een dichte nevel, die ons verhindert tien pas voor ons uit te zien. Wij bepalen zoo goed mogelijk de richting der hutten en midden door het hooge gras voortstappende, vinden wij weldra een pad, dat er ons heenbrengen zal. Maar naar het schijnt, buigt ons pad naar de rivier af; wij verlaten het dus en betreden nu een terrein, waar men het gras eerst onlangs heeft verbrand. De zon is inmiddels opgegaan en kleurt den nevel met prachtige roode tinten. Half onzichtbaar, spookachtig, vertoonen zich de schemerende gestalten van enkele boomen, in de savane verspreid. Eindelijk, naarmate de zon hooger rijst, trekt de nevel weg. Wij bespeuren nu aan onze linkerhand een Indiaan, die met de pijlen over den schouder, langs de rivier gaat, in de richting van ons kamp, op eenigen afstand gevolgd door zijne vrouw en twee kleine kinderen. Wij roepen hem aan en zijn weldra aan zijne zijde. Het is een stevige kerel, de grootste van alle Indianen, die wij tot dusver ontmoet hebben; een krachtig gebouwd man, met breede schouders en gespierde armen en beenen. Hij is aanstonds bereid om ons naar de hutten te geleiden; maar toch is er iets, wat mij niet bevalt en weinig goeds schijnt te voorspellen. Onze vriend brengt ons naar de verst afgelegen hut, terwijl zijne vrouw zich zoo snel mogelijk naar de naast bij gelegene begeeft. Blijkbaar wil zij het een of ander verbergen voor dat de blanken komen, misschien wel den aanwezigen mondvoorraad. Wij loopen haar na, maar zij is te ver vooruit. Op onze beurt komen wij ook aan deze hut, die, even als in de dorpen van de Andes, leemen wanden en een vooruitstekend dak heeft, dat oppalen rust. Deze zeer deftige hut wordt bewoond door een Indiaan met een vrij goedig voorkomen, die een kleinen ronden hoed met smallen rand bezit, waarmede hij zich bij onze verschijning aanstonds het hoofd dekt. De man, die zich zulk een weelde kan veroorloven, heeft ongetwijfeld onder de blanken verkeerd; hij zal in staat zijn ons inlichtingen te geven, welke ons van groote dienst zullen zijn. Op al onze vragen antwoordt hij: “Dat is er niet. Ik weet het niet.” Wij staan op het punt, ons boos te maken en gaan heen.Wij begeven ons nu naar de andere hut, die zeer ruim is en geheel van takken en bladeren vervaardigd. Zij wordt bewoond door drie Indianen met hunne gezinnen, die ons met de uiterste koelheid ontvangen. Zij hebben, volgens hun zeggen, noch vleesch, noch visch, noch bananen, noch cassave. Daarentegen zijn zij in het bezit van een groot aantal bogen, pijlen en lansen, die zij in de hand houden.Wij keeren naar ons vlot terug, gansch niet gesticht over den uitslag van onze lange en vermoeiende wandeling. Wij volgen een pad dat langs de rivier loopt, en aan den oever op een aantal plaatsen is afgebrokkeld; maar op onzen tocht door de prairie worden wij geen enkel stuk wild gewaar. Wij hebben niets voor ons ontbijt: wij moeten ons althans eenige visschen verschaffen voor ons diner, en daartoe in de eerste plaats een vogel machtig worden om tot aas te dienen. Bevallige zwaluwen vliegen om ons heen, over het hooge gras heenstrijkende, onvermoeid op de insektenjacht. Wij hooren de scherpe kreten van eenige jonge arenden, die geheel buiten ons bereik zijn. Andere vogels zijn er niet, en reeds naderen wij ons kamp. Lejanne schiet en treft een zwaluw, wier staart met twee lange vederen is versierd. Toen onze makkers het schot hoorden, hebben zij zich zeker met de hoop gevleid, dat wij een pecari, een patrijs of eenig ander flink stuk wild zouden medebrengen: blijkbaar zijn zij dan ook teleurgesteld, als zij onze povere vangst aanschouwen. Onze kok stond al gereed, het wild te braden; nu kan hij niet anders doen dan rijst koken en bananen klaar maken, die wij onderweg zullen oppeuzelen en besproeien met water uit de Guaviare.Dit is zeker een weinig voedzaam menu, maar het heeft althans een voordeel: het jaagt u het bloed niet naar het hoofd, en is dus zeer gepast voor menschen, die uren lang aan de brandende zon zijn blootgesteld.Intusschen drijft ons vlot langs de savane, waarvan de loodrechte oever aan onze rechter hand een eindeloozen roodachtigen muur vormt van omstreeks zes ellen hoog. Op de hoogte der hutten gekomen, zien wij al de Indianen aan den rand der helling verzameld. Wij wenden zelfs het hoofd niet naar hen om, maar houden hen toch in het oog, vast besloten vuur te geven op het eerste blijk van vijandelijkheden, want zij zijn allen gewapend en hebben twee prauwen tot hunne beschikking.Het landschap is wanhopend eentonig langs deze rivier, die eene geheele reeks regelmatige krommingen maakt. Aan den eenen kant is de loodrechte holle oever bedekt met groote boomen en tallooze palmen, die zich boven een roodachtigen muur schijnen te verheffen; aan de andere zijde is de holle oever begroeid met laag hout en omzoomd door eene zandbank, waarop een menigte kaimans zich in de zon liggen te bakeren. De stroom loopt altijd langs den hollen oever, omgord met aangespoelde boomstammen en takken, waartusschen vreesachtige schildpadden huizen. Het water heeft eene vuile zwartachtig grauwe kleur. Op zeer stille plekken is het bedekt met eene dunne vetlaag, die metaalachtige tinten toont en waarboven vieze vlokken schuim drijven. Over dit alles giet de zon een geelachtig licht uit; vooral tegen den avond is de weerspiegeling van het zonlicht in het water bij uitstek hinderlijk. Gedurende tien uren per dag zijn wij aan de brandende stralen blootgesteld, zonder andere bescherming dan onze panamahoeden, waarom wij een doek gewonden hebben. Die verraderlijke stralen maken gebruik van het minste scheurtje in onze kleederen, om onze huid te verbranden. Van tijd tot tijd maken wij ons haar nat, om ons althans even te verfrisschen.Tegen den avond van dezen dag vangt Lejanne een mooien mapourito, die ons uitnemend te pas zal komen voor ons diner. Dan verbreedt zich de rivier en splitst zich in twee armen, waartusschen zich eene zandplaat verheft. De stroom voert ons naar den linkeroever, die met laag hout is begroeid. Een soort reiger heeft de onvoorzichtigheid, zijn langen hals uit te rekken en zijn kop uit de bladeren te steken. Apatoe schiet hem neder, en gaat met de prauw den vogel halen, die wel een zeer sterken onaangenamen stank verspreidt, maar waarmede wij toch, bij gebrek van beter, ons ontbijt zullen doen.20 November.—Sedert drie dagen komen wij bijna niet vooruit. Wij ontmoeten een aantal eenden, maar zij zijn uiterst moeilijk te naderen, en het gelukt ons niet dan na veel inspanning er vier te dooden. Met versche bananen gekookt, moeten zij ons gedurende twee dagen voeden.In den namiddag van den twintigsten barstte eensklaps een vrij hevig onweer, met storm en regen los, maar nog eer wij stilhielden om ons kamp voor den nacht op te slaan, was het op nieuw goed weer geworden. Wij sturen ons vlot naar den oever, maken het stevig vast, en beginnen de noodige toebereidselen te maken voor ons middagmaal en voor ons nachtverblijf. Terwijl ik het vuur aanmaak, brengt François het noodige gereedschap aan wal. Lejanne en Apatoe, die nu reeds eenige werkzaamheden verrichten kan, ruimen met hunne hakmessen de struiken en heesters op, zoodat wij de noodige ruimte krijgen voor ons kamp. Weldra staat de ketel te vuur, met een prachtigen eendvogel en eenige stukken van bananen. Het eenvoudig maal wordt gekruid door onzen honger.Een smalle strook van violetkleurige wolken, de laatste overblijfsels van de onweersbui in dennamiddag, omzoomde den westelijken horizon. Daarboven heeft de hemel een groene tint, waardoor eenige rooskleurige strepen loopen. Niets evenaart de zuiverheid en fijnheid dezer kleuren, die ook door het meest geoefende penseel niet zijn weer te geven. Weldra valt de duisternis in; zooals men weet, duurt in de tropische landen de duisternis maar kort. Wij gebruiken haastig ons maal, want met den nacht komen de muskieten, die ons beletten na den maaltijd nog lang te blijven praten. Ieder zoekt zijne hangmat op en zoekt een veilig plaatsje achter zijn muskietenscherm.Hut der Mitoea-Indianen.Hut der Mitoea-Indianen.Wij vallen spoedig in slaap, maar worden gewekt door een hevigen donderslag. Welhaast valt de regen in stroomen neder. Lejanne en François verlaten hunne hangmatten, aan hooge boomen opgehangen, die den bliksem zouden kunnen aantrekken. Geen enkele stof, hoe waterdicht ook, is tegen zulke regens bestand. Wij zijn in een oogenblik doornat en rillen van de koude. Niemand spreekt een woord: in stompzinnige onverschilligheid laten wij ons door deze waterplassen overstelpen. Deze regen duurt, met geringe afwisseling in hevigheid, tot aan den morgen.21 November.—Wij ontmoeten langs de oevers zoogenoemde morichépalmen, waarvan Apatoe verzekert, dat zij alleen aan de mondingen der groote rivieren groeien. Is dat zoo, dan zouden wij niet verre van San-Fernando zijn. Maar de Angostura dan? De twee engten, die wij zijn doorgeworsteld, zouden dan toch de Raudal en de Angostura zijn geweest. Ik begin het inderdaad te gelooven, vooral toen, in den namiddag, Apatoe mij een groot aantal vogels wijst, sasa genaamd, die in een boschje aan den linkeroever een luid geschreeuw doen hooren. Men is zoo licht geneigd, te gelooven wat men hoopt.Lejanne is echter van eene andere meening. Wij hebben het groote eiland Amanaveni, dat op de kaart van Codazzi voorkomt, nog niet bereikt, en volgens hem staat de Angostura ons nog te wachten. Het gelukt mij niet, hem van meening te doen veranderen, ofschoon ik hem onder het oog breng, dat de italiaansche geograaf zijne kaart van de Goyabero niet naar eigen waarneming, maar naar inlichtingen van derden heeft vervaardigd.In den morgen van den twee-en-twintigsten bemerken wij een prachtigen jaguar, die rustig onder het kreupelhout langs den oever ligt. Ieder weet, dat op het water de voorwerpen veel dichter bij schijnen dan zij inderdaad zijn. Lejanne zendt op den jaguar een kogel af, die hem niet treft. Hoogstens heeft het schot hem eenigszins verschrikt; onbewegelijk blijft hij ons aanstaren. François schiet op zijn beurt, eveneens zondervrucht. Het dier staat nu langzaam op en trekt zich in het hooge gras terug.Aankomst bij de Piapocos.Aankomst bij de Piapocos.In ons kamp hooren wij tot tweemaal toe het gebrul van een jaguar. François houdt niet van die muziek. Apatoe heeft er schik in hem nog banger te maken door allerlei verhalen van hetgeen de tijgers in zijn land al durven doen; hij vertelt van kinderen, die uit het dorp werden weggesleept, van honden, die in het kamp onder de hangmat van hun meester werden overvallen. Lejanne tracht hem gerust te stellen door de verzekering, dat de zoogenaamde amerikaansche tijger een volkomen onschadelijk dier is, vergeleken met zijn geduchten naamgenoot uit Achter-Indië. Gelukkig stelt François een onbegrensd vertrouwen in de koelbloedigheid en behendigheid van Lejanne; iederen avond hangt hij zijne mat in de nabijheid van die van dezen geoefenden schutter. Als voorzorgsmaatregel maken wij twee groote vuren aan, die wij beurtelings gedurende den nacht zullen onderhouden.23 November.—Bij het ontwaken worden wij gewaar, dat ons vuur sints lang is uitgedoofd; wij hebben geslapen als volmaakt rechtvaardigen. In den loop van den dag ontmoeten wij een onnoemelijk aantal schildpadden; in rijen van tien of twintig te gelijk liggen zij op de lage zandige oevers of op gestrande boomstammen. Deze schildpadden, bij de Venezuelanen onder den naam van térékaï bekend, zijn zeer schuw; bij onze nadering gaan zij in geregelde orde te water, en leggen daarbij eene vlugheid aan den dag, die men niet van haar verwachten zou.Die schildpadden smaken uitmuntend, maar om ze meester te worden, zouden wij pijlen moeten hebben, die gemakkelijk haar schild kunnen doorboren en waarvan de lange, boven het water uitstekende schacht tegelijk het spoor van het getroffen dier aanwijst. Met onze vuurwapenen kunnen wij ze zonder moeite dooden, maar als zij in het water vallen zijn zij voor ons verloren. Onze patronen zijn te kostbaar om ze te gebruiken voor eene jacht van zoo onzekeren uitslag.27 November.—Wij hebben sedert verscheidene dagen geen Indianen ontmoet. De vaart is wanhopend vervelend en eentonig; eerst heden komt daarin eenige afwisseling door den aanblik van eenige heuvelen, die zich in blauwe omtrekken tegen den hemel afteekenen. In den namiddag varen wij tusschen die heuvelen door. De rivier versmalt zich op dat punt en vormt meer benedenwaarts eenige draaikolken, waarvan de passage bij hoog water zeer bezwaarlijk moet zijn. Wij zien voor ons een heuvel van tweehonderd el hoog en vijf à zeshonderd el lang; na dien heuvel omgevaren te zijn, komen wij aan eene tweede versmalling der rivier, gevolgd door een sterkerdraaikolk dan de eerste was. Wij meenen ditmaal inderdaad, de Angostura van Codazzi te zijn gepasseerd. Dit was echter niet het geval.Omstreeks half zes bereiken wij haar werkelijk; wij weten nu ook voor goed waar wij ons bevinden. Wij varen wederom een nauw kanaal binnen, geheel overeenkomende met de twee andere, die wij reeds achter den rug hebben. Dit kanaal is even lang, maar breeder dan de vorigen. Aan iedere zijde is de rivier omzoomd door een bank van zandsteen, twee à drie ellen hoog en vijf à zes ellen breed, waarachter zich een zeer steile heuvel verheft, die op sommige plaatsen letterlijk een loodrechten wand vormt. Talrijke watervalletjes dalen van den heuvel naar beneden en hebben zich in den zandsteen een bedding uitgegraven. De plantengroei draagt het karakter van den rotsigen, steenachtigen bodem: de boomen zijn knoestig, gekromd en niet uitgegroeid. Vele dezer boomen staan in bloei en vormen met hunne paarse, rooskleurige, witte en gele bloesems als het ware een reusachtig bouquet ter wederzijde van de rivier.Het was donker, toen wij den uitgang van de Angostura bereikten. Wij bivakeeren op een groot rotsplateau, waarop geen enkele boom staat om onze hangmatten aan te bevestigen. Wij slapen dan ook op den harden grond. Het ontschepen van onze bagage vordert veel tijd en moet bij kaarslicht geschieden. Gelukkig vinden wij nog eenig brandhout, zoodat wij vuur kunnen aanleggen, waarop wij een eendvogel braden, dien wij zonder eenige toespijs gebruiken, want onze voorraad mais is opgeteerd. Na dien roofdierenmaaltijd wikkelen wij ons in onze dekens, en strekken ons op de rots uit, met de voeten naar het vuur gekeerd.28 November.—Ten zes ure gaan wij weder op weg. Het is ter nauwernood dag, want de hemel is bewolkt. De tusschen hooge boorden ingesloten rivier schijnt bijna zwart; groote vlokken geelachtig schuim drijven op het water. Wij ontdekken langs den oever prachtige maripapalmen: het komt mij voor, dat de kool van dien palm, gekookt, eene zeer geschikte spijs zal zijn. Apatoe en François wapenen zich met een bijl, gaan in de prauw en varen naar den oever om een dezer boomen van zijne kool te berooven. Middelerwijl zetten Lejanne en ik den tocht met het vlot voort: onze makkers zullen ons gemakkelijk kunnen inhalen. Na verloop van een half uur, zien wij op korten afstand voor ons groote ronde rotsen, die een dam in de rivier vormen, welke bijna de geheele breedte beslaat. Schuimend en kokend stroomt het geperste water langs beide zijden weg. Wij zijn ons onzer onbekwaamheid te goed bewust, om zonder onze makkers den doortocht te beproeven, en sturen het vlot naar den rechteroever, waar wij hunne komst afwachten.Met hunne hulp komen wij ook dien hinderpaal te boven. Dan worden wij door den stroom aangegrepen, en medegesleurd naar eene tweede Angostura, nog gevaarlijker dan de eerste. Zij is smaller; de oevers zijn hooger, en de snelheid van den stroom is grooter. Omstreeks halverwege bevindt zich een zeer gevaarlijke draaikolk, dien wij slechts met inspanning van alle krachten kunnen vermijden. Kwamen wij met ons vlot binnen zijn bereik, dan zie ik niet hoe wij zouden kunnen ontsnappen.Wij vorderen niet dan zeer langzaam en bereiken niet dan met moeite het uiteinde van het kanaal. Daar verbreedt de rivier zich weer. De wind is ons tegen en er gaat eene sterke branding; wij komen bijna niet vooruit. Om zes uren maken wij ons kampvuur aan onder den lommer van een reusachtigen boom, waarvan de zware wortels hoog boven den grond uitsteken en voor een deel tegen den stam zijn aangedrukt. Uit het dichte gebladerte daalt een regen van kleine vijgen op ons neer, losgewoeld door de rustelooze bewegingen van drommen van apen, aras en parkieten. De eersten springen van tak tot tak en nemen de wijk in het bosch, onder het uitstooten van snijdende, gillende kreten en het ruischen der bladeren. Lejanne doodt een couicoui en een parkiet. Wij doen ons maal met een gedroogden eendvogel en gekookte palmkool.29 November.—De rivier heeft, ter plaatse van ons bivak, eene breedte van zeshonderd-zeventig el, waarvan niet minder dan vijfhonderd el wordt ingenomen door eene zandbank, die bij hoog water onderduikt. Bij ons vertrek regent het een weinig. Omstreeks acht uur maakt Apatoe ons opmerkzaam op een plaats, waar boomen geveld zijn. Inderdaad strekt zich een open plek tot aan de rivier uit; naar het schijnt, wordt die plek ingenomen door bananen. Met kloppend hart zetten wij koers naar deze plek. Als wij eens teleurgesteld werden in onze verwachting, menschen te zullen ontmoeten? Ons vlot gaat veel te langzaam naar onzen zin: wij zouden het vleugelen willen aanbinden, en het beweegt zich ter nauwernood. Ik neem mijn kijker en bemerk een half verkoolden boomstronk, die deels over den oever hangt, en vervolgens een tros bananen. Hoezee! Daar is het beloofde land! Maar hoe zullen de bewoners des lands ons ontvangen? De ontberingen van de laatste dagen hebben ons zoozeer opgewonden, dat wij niet zouden aarzelen, ons met geweld het noodige te verschaffen, ingeval men mocht weigeren ons levensmiddelen te verkoopen. Gebrek is een slechte raadgever. Eendvogels walgen ons: de bedorven mais, die wij gedurende de laatste dagen gegeten hebben, heeft ons ziek gemaakt. Daar vóór ons is een bananenplantage.... Wij zullen betalen wat men ons wil vragen: maar tot iederen prijs moeten wij van die vruchten hebben.Wij varen langs eene zandbank, die aan de landzijde door kreupelhout is begrensd. Wij bespeuren op den grond eene mat van palmbladen, die over hoepels is gespannen en waarschijnlijk als bedekking moet dienen voor eene groote prauw; vervolgens eene hut, waarvan het overhangende dak te midden van het groen ons aan een chalet denken doet.Lejanne vuurt tweemaal zijn geweer af, terwijl Apatoe met mij in de prauw stapt en mijhaastig naar de hut roeit. Wij volgen gedurende eenigen tijd eene kreek, die zich hier in de rivier uitstort. De Indianen zijn in het eerst verschrikt weggevlucht, maar zij keeren toch weldra terug; ik zend twee hunner met eene prauw, om ons vlot op sleeptouw te nemen, dat anders de kreek niet zou kunnen opvaren, hoe zwak de stroom ook moge zijn. Ik wacht mijne reisgenooten aan de aanlegplaats af.Weldra bereiken wij het dorp, dat Mapiripan heet, even als de kreek waaraan het gelegen is. Het bestaat uit drie hutten, waarvan slechts eene van de rivier zichtbaar is, en die door vier Indianen met hunne gezinnen worden bewoond. De oudste is een forsch gebouwd man met eene breede borst en een goedig voorkomen; zijne huid ziet geheel blauwachtig ten gevolge van eene in deze streken inheemsche huidziekte, carathes genoemd. Een ander, omstreeks vijf-en-twintig jaar oud, lijdt aan anderendaagsche koorts: ik win zijn vertrouwen, door hem wat kinine te geven. Een derde, klein van gestalte en met gekromden rug, schijnt mij toe zeer beperkt van geestvermogens te zijn. Hij draagt den zeer onpassenden naam van Narcissus. Met uitzondering van dezen laatste, dragen de mannen pantalons en hemden. De ongelukkige Narcissus heeft niets anders dan een ellendigen poncho van het bekende inlandsche fabrikaat.De handelaars van San-Fernando verschijnen hier telken jare eens of tweemaal. Zij worden nu elken dag verwacht, en onze Indianen hebben den noodigen voorraad van cassave en couac (gebrand maniokmeel) gereed gemaakt, dien zij aan hunne bezoekers moeten verkoopen.Zij staan ons eene mand met cassave en eene mand met couac af, benevens bananen, pompoenen, twee schildpadden en tabak: een en ander in ruil voor eenige hakmessen, scharen, messen, naalden en vischhaken. Wij koopen bovendien nogschildpadveten suikerstroop: deze laatste zal ons uitstekend te pas komen, want wij hebben eene zekere hoeveelheid ongemalen koffie, die wij nu zullen kunnen gebruiken.Weldra smullen wij aan eene schildpad met in de asch gestoofde bananen. Onze Indianen geven ons cachiri van bananen te drinken. En wij kunnen ons de weelde veroorloven, gedroogde tabaksbladeren te rooken!30 November.—Met het aanbreken van den morgen zijn wij allen weder bijeen. Ik koop eene prauw, die groot genoeg is om ons op te nemen, zoodat wij ons vlot kunnen verlaten. Bovendien koopen wij nog eene hangmat, een boog, pijlen en vaatwerk, dat de Indianen van klei vervaardigen, die zij met de asch van zekere boomschors vermengen.Allen zijn op eene of andere wijze bezig. De eigenaar van de hut, waarin wij vertoeven, houdt zich onledig met het maken van een steel voor een bijl, die wij hem in ruil gegeven hebben. Hij werkt daaraan op zijn uiterste gemak, en wrijft en polijst het hout met al de behagelijke kalmte van iemand, voor wien de tijd hoegenaamd geene waarde heeft.De vrouwen zijn met huishoudelijken arbeid bezig. De eene, met een hakmes gewapend, maakt maniokwortels schoon, en weet daarbij het gevaarlijke instrument zeer behendig te hanteeren. Eene andere vrouw maakt de ontbolsterde bananen fijn. Op den grond zittende, neemt zij een banaan in elke hand en wrijft ze met groote snelheid over eene soort van rasp, die zij tusschen hare knieën houdt. Deze rasp bestaat uit een eenigszins hol plankje, waarop met een soort van lijm, scherpe stukjes kwartz zijn bevestigd, die als tanden dienst doen. Is deze arbeid afgeloopen, dan doet men de brei in eene lange buis of darm van fijn gevlochten riempjes, die in het spaansch den naam vanCouleuvradraagt. Het bovenste gedeelte van deze couleuvra wordt met een houten stop gesloten, en vervolgens wordt de worst—om ze zoo eens te noemen—aan een balk opgehangen. Aan het benedeneinde van de couleuvra is een ring bevestigd, waarin een hefboom gestoken wordt, die met het andere einde aan een naburigen pijler is vastgemaakt. Door den hefboom te bezwaren, wordt de couleuvra saamgeperst en daardoor het vergiftige sap uit de brei verwijderd. Vervolgens laat men de gelei gedurende vier-en-twintig uren gisten.Om cassave te maken, spreidt men de brei in lagen in eene schaal, die op een soort van oven wordt geplaatst, waarin een goed vuur wordt onderhouden, dat echter niet te heet mag zijn. Op deze wijze verkrijgt men koeken, die, om goed te blijven, in de zon moeten worden gedroogd en vervolgens op eene droge plaats bewaard.Onze Indianen geven ons een drank, gemaakt van zoete pataten en maniok, welke met water vermengd en tot gisting gebracht worden. Deze drank, couria genoemd, wordt niet gefiltreerd, is geelachtig, klonterig en zeer dik; hij ziet er zeer onsmakelijk uit, maar smaakt inderdaad zeer goed.Wij kunnen hier gelukkig inlichtingen bekomen, die ons ten zeerste van dienst zijn: San-Fernando ligt op veertien dagreizen afstands van Mapiripan. De Indianen, waarmede wij vroeger in aanraking zijn geweest, de Mitouas, staan hier niet hoog aangeschreven en worden als wilden (bravos) beschouwd. Onze vrienden deelen ons zonder aarzeling mede, dat zij zelven den naam dragen van Piapocos, hetgeen toucan beteekent. Het is eene zeldzaamheid, dat een Indiaan een vreemdeling den naam van zijn stam bekend maakt; doorgaans verneemt men dien naam eerst van de buren.In den namiddag brengt François onze bagage in de prauw over. Ons nieuw gekocht vaartuig heeft eene lengte van tien el zes palm, eene breedte van een el tien duim, en is van een enkelen boomstam gemaakt. De voor- en achtersteven, die een weinig oploopen, zijn met plankjes afgesloten. In het midden zijn, even boven den bodem, dwarsbalkjes aangebracht, waarop een bamboezen vloer of dek rust: onze bagage zal daar geen hinder hebben van het water, dat altijd in zulk eene prauw doordringt. Een gedeelte van dit dek blijft vrij: Lejanne en ik zullen daar, onderhet dak van palmbladen, dat ongeveer een derde van ons vaartuig overdekt, eene schuilplaats kunnen vinden tegen de brandende zonnestralen. Deze prauw is wel wat zwaar voor twee roeiers; gaarne zouden wij een onzer kloeke Piapocos overhalen om met ons te gaan, maar zij zijn daartoe niet te bewegen.Even als den vorigen dag, begeven zich de Indianen des avonds naar het strand en laten de hutten tot onze beschikking.1 December.—Het regent den ganschen nacht; tegen het aanbreken van den dag houdt de regen wat op, en tot onze verbazing keeren onze Indianen terug met geheel droge kleederen.Juan de la Cruz.Juan de la Cruz.De ongelukkige Narcissus doet wat hij kan om zich aangenaam te maken; hij brengt ons zoete pataten en vervolgens zoete maniok. Wij beloonen zijn ijver en goeden wil door hem een hemd ten geschenke te geven, dat hij aanstonds aantrekt. Blijkbaar hebben wij hem gelukkig gemaakt: zijn onnoozel gelaat straalt van eene blijdschap, die ons zelven goed doet.Omstreeks tien uren nemen wij afscheid van onze vrienden, en werpen een laatsten blik op ons vlot, dat nu, ledig en onttakeld, een vrij treurige figuur maakt. Wij zullen het niet gauw vergeten, want het heeft ons onschatbare diensten bewezen en meer dan eens ons leven gered.Wij zijn nu op weg naar San-Fernando; wij vorderen goed en hebben levensmiddelen voor vele dagen.Tegen den avond komen wij aan de monding eener rivier, die zich aan den linkeroever in de Guaviare uitstort. Op den hoek tusschen de beide rivieren verrijst een heuvel, op welks top eene hut is gebouwd. Wij varen een eind weegs de rivier op, om ons van hare beteekenis rekenschap te kunnen geven. Hare breedte bedraagt honderd-vijftig el; de strooming is zeer sterk, en naar het schijnt, is de rivier buiten hare bedding getreden, want de struiken en heesters langs de oevers staan halverwege in het water. De aanlegplaats schijnt verlaten, want de grond is met hoog gras en struiken begroeid.Ongetwijfeld is de hut onbewoond, want ons roepen en onze geweerschoten blijven onbeantwoord. Zij is te ver van den oever verwijderd, om haar als nachtverblijf te kunnen gebruiken. Daar de diefachtige neiging der Indianen ons bij ondervinding bekend is, zou het zeer onvoorzichtig zijn, ons te ver van de prauw te verwijderen. Wij zakken de rivier weer af, en slaan ons kamp een weinig lager op, aan den linkeroever van de Guaviare. Ik heb de koorts; Lejanne is geheel uitgeput; François lijdt aan hevige buikpijnen; Apatoe alleen is in goeden welstand: zijne wond geneest.2 December.—Wij drinken koffie met suikerstroop, en vinden dat heerlijk: alles is betrekkelijk in deze wereld.Tegen half twee bespeuren wij op den zandigen oever een van takken gemaakt afdak. Wij gaan aan land, vermoedende dat de eigenaars van deze soort van hut niet verre zullen zijn; in dat vermoeden worden wij nog meer bevestigd bij het zien van eene kip en twee aarden kruiken. De Indianen nemen hunne hoenders op reis mede: zij eten die vogels niet, maar houden ze enkel voor hun vermaak, zooals men elders papegaaien en kanarievogels houdt. In de groote aarden kruiken bewaren zij het vet der schildpadden of de gom, die uit verschillende boomen in hunne bosschen vloeit. Ons roepen en schreeuwen blijft evenwel onbeantwoord; wij begeven ons weder op weg, na den kip eenig voedsel te hebben toegeworpenKort daarop ruiken wij een sterke muskuslucht: Apatoe luistert: op den linkeroever bevindt zich eene kudde pecaris. Wij gaan aan land; Lejanne en Apatoe nemen hun geweer. Nauwelijks zijn zij een twintig pas in het woud doorgedrongen, of zij zien een dertigtal dezer dieren voor zich, die met groot gerucht hunne tanden op elkander slaan. Lejanne gaat voorop. De pecaris hebben hem in het oog gekregen, en scharen zich op eene rij tegenover hem. Apatoe, die met de gewoonten dezer dieren bekend is, weet dat zij somwijlen den jager aanvallen, wien in dat geval geene andere toevlucht overblijft, dan op een boom te klimmen, waar hij dan letterlijk belegerd wordt. “Geef acht!” roept hij eensklaps met luider stem; de verschrikte pecaris nemen de vlucht.Ten vijf uren kiezen wij eene plaats voor ons bivak. Het heeft hier geregend; de grond is doorweekt,en wij waden door de modder. Ik heb nog altijd koorts.De oevers van de Guaviare.De oevers van de Guaviare.3 December.—Er hangt een dichte nevel, die alle waarnemingen onmogelijk maakt. Wij vervolgen onze vaart op de eentonigste en vervelendste rivier der wereld. Het zijn altijd dezelfde regelmatige krommingen; dezelfde reigers en ooievaars; dezelfde zwarte ibissen, met deftige afgemeten stappen langs den zandigen oevers op en neer wandelende. Vlak langs den waterkant zitten zwermen van groote meeuwen op eene rij naast elkander, in de nabijheid van krokodillen, die in de zon liggen te slapen. Nu en dan vliegen zij eensklaps op en beschrijven in de lucht sierlijke kringen, het scherpziend oog en den puntigen snavel steeds naar het water gekeerd. Hun scherp onaangenaam geschreeuw is vaak het eenige geluid, dat de stilte breekt.4 December.—Bij het aanbreken van den dag maakt onze kok zich gereed om een eierstruif voor ons te bakken. Wij hebben een kleinen voorraad schildpadvet, dat voor deze gelegenheid als boter dienst moet doen. Helaas! deze eierstruif, die een monumentale, reusachtige eierstruif zou moeten zijn, slinkt haast tot niets weg: al onze meeuweneieren, met uitzondering van een half dozijn, blijken bedorven te zijn.Omstreeks acht uren houden wij stil aan de punt van een eiland, waar een breede vlakke oever is. Lejanne en Apatoe zenden een paar kogels af op eenige krokodillen, die op enkele meters afstands van ons eiland hunne koppen uit het water steken. Een hunner laat een luid geknor hooren, eenige overeenkomst hebbende met het brullen van een tijger. Dit is voor de eerste maal, dat wij deze dieren geluid hooren geven.Tegen den middag bespeuren wij eene prauw, die tegen den zandigen oever ligt. Eene indiaansche familie, bestaande uit vader, moeder en een zeven- of achtjarig kind, zit rustig onder de schaduw van het lage hout, dat verder landwaarts den oever bedekt. Wij gaan dicht bij hunneprauwaan land en zijn weldra bij hen. Zij hebben vuur aangelegd. Om dit te doen, beginnen zij met drie steenen, in den vorm van een driehoek, op den grond te leggen, waartusschen zij dan het brandhout schikken. Deze steenen dienen tevens om er hunne potten op te zetten. Wij koopen van hen eene met meeuweneieren gevulde kalebas.Toen wij in den namiddag ter plaatse waren aangekomen, waar wij zouden kampeeren, maakte Apatoe den eigenaardigen vischtoestel gereed, waarvan de Roucouyenne-Indianen zich bedienen. Deze toestel bestaat uit een stevigen zeer buigzamen rietstok, die in den grond gestoken wordt en waaraan eene korte lijn met eene vischhaak is bevestigd. Even voor dit riet slaat men een paal in den grond, aan welks boveneinde met een touw eene soort van losse kruk is vastgemaakt. Men buigt nu den rietstok en houdt dien met de kruk naar beneden, zoodat de haak met het aas in het water hangt. Bijt nu een visch aan dat aas, dan trekt hij het riet een weinig meer naar onder; de kruk valt en de rietstok springt omhoog, den onvoorzichtige, die zich aldus heeft laten verlokken, in de lucht slingerende. Nauwelijks is de toestel in orde, of een piraï of piranha komt in het aas bijten en wordt gevangen gemaakt.7 December.—Gisteren niets bijzonders. Wij ontmoeten nog geen Indianen, hoewel wij overal de sporen hunner aanwezigheid vinden. Doorgaans overnachten zij op den oever, en steken dan een palmblad of een boomtak in den grond, om zich tegen den dauw te beveiligen.Omstreeks vier uren in den namiddag van heden bespeuren wij mannen aan den oever. Wij gaan aan land en bevinden ons in tegenwoordigheid van bewoners van de lagune van Sapoara, die zich naar den oever begeven hebben om daar, beveiligd voor muskieten, den nacht door te brengen.De Indianen zijn gekleed met helder witte hemden en broeken. De vrouwen dragen japonnen, die den hals en een gedeelte van de schouders bloot laten; haar haar is verdeeld in twee zware, zorgvuldig gevlochten tressen. Met ons vuil linnengoed, onze gescheurde en gehavende kleederen, onze ongeschoren baarden en verwarde hairen, zou men ons veeleer voor wilden aanzien.Eenige andere inboorlingen zijn nog in het dorp. Wij laten ons daarheen brengen; het dorp ligt op ongeveer twee mijlen afstands, aan den linkeroever van de lagune van Sapoara. Wij ontmoeten daar twee grijsaards, waarvan de een, Juan de la Cruz genaamd, ons bovenal verbaast door zijne zwaarlijvigheid; hij lijkt sprekend op een Chinees en staat bij zijne stamgenooten als een piay of toovenaar bekend. Zijne oogen staan schuin; zijne wangbeenderen steken vooruit; zijn neus is plat; zijn dunne stijve knevel doet zijne gelijkenis met den chineeschen type nog sterker uitkomen. Wij vinden hier ook twee jonge mannen van omstreeks vijf-en-twintig jaren, door wier aderen blijkbaar gemengd indiaansch en europeaansch bloed stroomt. Hunne vrouwen zijn ouder dan hare echtgenooten; eene van haar heeft vroeger bij de blanken gediend. Hunne kinderen zijn zeer aardig en bevallig; hunne hutten zijn zindelijk en bevatten de meest heterogene voorwerpen. Nevens het gewone huisraad van de wilden, zoo als de lage holle bankjes, de uitgeholde boomstam, waarin de cachiri of couria bewaard wordt, de bogen, pijlen en andere dingen, zien wij porseleinen borden en kommen, en zelfs zakspiegeltjes.Wij vernemen van deze lieden, dat wij nog zeven dagreizen van San-Fernando verwijderd zijn.Wij hebben dringend behoefte aan twee roeiers, maar vergeefs bieden wij aan elk der beide jonge mannen tien piasters, indien zij met ons willen gaan. Zij staan te San-Fernando in schuld, en willen daar niet verschijnen, zoo lang zij de noodige koopwaren niet hebben bijeengebracht, die zij op zich hebben genomen te leveren. Uit hetgeen wij van hen vernemen, komen wij tot het besluit, dat deze arme lieden hunne schuld nooit zullen kunnen afbetalen. De gewetenlooze kooplieden leveren hun kleederen, werktuigen, gereedschappen, die zij bij hun arbeid noodig hebben,in ruil voor maniokmeel, schildpaddenvet en andere produkten, welke zij binnen een bepaalden tijd moeten leveren; maar de berekening wordt steeds zoo gemaakt, dat de inboorlingen altijd in schuld zijn en hun leven lang ten behoeve van hunne oneerlijke, woekerende schuldeischers moeten werken.8 December.—Des morgens komen de twee oudere mannen tot het besluit om met ons mede te gaan tot aan de lagune van Recifal, die wij binnen een dag kunnen bereiken.De avond brengt ons een weinig koelte. De hemel is onbewolkt; het is een prachtige maneschijn. Op den zandigen grond uitgestrekt, praten wij met onze Indianen, onder het rooken van tabaksbladeren, die wij als sigaretten oprollen. Wij verhalen hun wat ons al op reis gebeurd is, sedert wij op de Goyabero scheep zijn gegaan. Zij toonen niet de minste verwondering als wij uitweiden over den last, dien de kaimans ons hebben veroorzaakt. Zij deelen ons mede, dat nu vier jaar geleden, bij den mond van de rio Oua, een hunner makkers, die eene prauw bestuurde, door een krokodil werd aangegrepen en uit zijn vaartuig gesleept. Zijne metgezellen hoorden niets dan het geklapper der geduchte kaken van het monster, gevolgd door eene heftige beweging in het water. Kort daarop werd de oppervlakte der rivier hier en daar rood gekleurd—en alles was voorbij. Zij verhalen ons ook, dat de Mitoua-Indianen onlangs blanken hebben aangevallen, waarvan een met een pijl in het been werd verwond. Voor den verwonde was het een geluk, dat de Mitouas niet de gewoonte hebben hunne pijlen te vergiftigen.9 December.—Wij gaan reeds vroegtijdig aan boord. Even na ons vertrek hooren wij, op den linkeroever, het geluid van een hocco. Apatoe stapt in de kleine prauw, die wij op sleeptouw hebben, en vaart naar de plaats, waar wij het geluid hooren. Hij maakt zijn schuitje aan den kant vast en klimt tegen den steilen oever naar boven. Weldra hooren wij een schot, en zien Apatoe terugkeeren met een prachtigen hocco, die er eenigszins anders uitziet dan zijn naamgenoot van de Andes. De hocco van de Guaviare heeft bruinachtig roode vederen, waar de hocco der Andes witte vederen heeft; ook is zijn geschreeuw of geluid eenigszins anders. Het doet eenigermate denken aan het brullen van een jaguar.Omstreeks elf uur ontmoeten wij inboorlingen van de lagune van Recifal, die goede bekenden en vrienden zijn van onze Indianen en ons zeer hartelijk ontvangen. Wij praten eenige oogenblikken met hen, want zij zijn het spaansch volkomen meester, en begeven ons met de prauw naar de monding van de lagune, welke niet ver verwijderd is. Wij varen een smal kanaal binnen en komen weldra in het meer.Het opperhoofd van het dorp ontvangt ons voor zijne woning. Het is een nog jong man, die in den beginne vrij onvriendelijk is. Hij heeft grove, ruwe gelaatstrekken en schijnt vrij dom. Als teeken zijner waardigheid heeft hij een staf in de hand. Wij moeten trachten, door een geschenk zijne gunst te winnen, want hij zou mij de roeiers kunnen weigeren, die wij dringend noodig hebben. Ik bied hem een veelkleurigen gordel aan; een glans van genoegen straalt van zijn gelaat, en onverwijld tooit hij zich met het prachtstuk. Deze personage houdt er drie vrouwen op na. Hij laat de mooiste van de drie komen, om haar aan ons voor te stellen. Zij is nog zeer jong, heeft regelmatige gelaatstrekken, prachtig haar en zeer mooie zwarte oogen; zij draagt een japon van rood katoen. Blijkbaar is zij eenigszins verlegen en houdt zich dicht bij haar gemaal. Ik bied haar een halssnoer van roode koralen aan, dat haar echtgenoot haar aanstonds om den hals hangt.Na deze ceremonie begin ik hem het doel van onze komst mede te deelen. Wij zouden gaarne tot morgen in het dorp blijven om wat te rusten, en dan twee roeiers mede nemen, die tot San-Fernando bij ons zouden blijven. De kapitein geleidt ons naar de hut, waar de mannen bijeen zijn om couria te drinken. Wij vinden daar vijf flinke kerels, stomdronken, in hunne hangmatten uitgestrekt en ons met wezenlooze oogen aanstarende. Sedert den vroegen morgen drinken zij couria. De oudste, een zwaarlijvig man van gevorderden leeftijd, maar met een nog zeer krachtig voorkomen, waggelt van tijd tot tijd naar een uitgeholden boomstronk en schept daaruit met een kalebas den bedwelmenden drank, dien hij vervolgens een voor een zijn makkers aanbiedt. Dezen drinken, al hikkende, en spuwen de laatste droppels uit van het vocht, dat zij hebben ingezwolgen. Ook ons biedt men de kalebas aan. Willen wij niet onbeleefd zijn en deze mannen, wier hulp wij noodig hebben, niet ontstemmen, dan moeten wij onzen afkeer overwinnen en althans iets nemen van dezen drank, die met mate gebruikt, volstrekt niet schadelijk voor de gezondheid is.Wij begeven ons met den hoofdman of kapitein naar de aanlegplaats, om hem onze prauw te laten zien. Gaarne zouden wij haar ruilen voor eene andere, lichtere, die wij bij onze aankomst hebben ontdekt. Hij verlangt nog iets daarbij; wij laten hem sabels, bijlen, messen zien, maar niets van dat alles is van zijne gading. Geld wil hij niet aannemen. Ik begin de hoop op te geven, met hem den koop te sluiten, toen ik bij toeval uit een kist een lap rood katoen te voorschijn haal. Nu is de zaak in orde. De hoofdman is zoo belust op dat stuk katoen, dat hij, naar ik geloof, zijne hut met al wat daarin is, zou afstaan om in het bezit van dien lap te komen.De indiaansche vrouwen zijn natuurlijk nieuwsgierig: trouwens, anders zouden zij geene vrouwen zijn. Al de dames uit het dorp, de echtgenooten van den hoofdman uitgezonderd, zijn spoedig bijeen vergaderd in de hut waar wij onzen intrek hebben genomen. Het trekt onze aandacht, dat de vruchtbaarheid in dit dorp niets te wenschen schijnt over te laten. Twee vrouwenhouden haar zuigelingen aan de borst; men roept ons om een der jonggeborenen van nabij te zien, een zwak, ziekelijk schepseltje. Daar ik verneem, dat er in het dorp wat rhum te krijgen is, geef ik den raad, het kind daarmede in te wrijven. Men verzoekt ons daarop, aan het andere jonggeboren kind een naam te willen geven. Apatoe heeft gedurende zijn verblijf te Parijs een van die onzinnige liedjes geleerd, die hij nu en dan zingt, als hij goed gehumeurd is, en waarin telkens den naam van Nicolas voorkomt. Die naam wordt nu aan den jeugdigen Indiaan gegeven, waarmede de ouders zeer in hun schik zijn. Uit vrees van het te vergeten, herhalen zij onophoudelijk dat woord, hetwelk zij zeer goed kunnen uitspreken.Morichepalmen.Morichepalmen.Lejanne gaat in den omtrek uit jagen. Hij ontmoet een inboorling, die met eene lange sabarcane (blaaspijp) gewapend is, waarmede hij een kleine pijl wegblaast, waarvan de punt vergiftigd is. Het vergif, waarvan hij zich bedient, is in een soort van matten flesch geborgen, en wordt door de Piaroa-Indianen geleverd: de Piapocas zijn met de bereiding daarvan onbekend.10 December.—Wij brengen den morgen door met het maken van schetsen en teekeningen, met photografeeren en andere bezigheden van verschillenden aard.Wij slagen er in, twee mannen over te halen om met ons naar San-Fernando te gaan. Zij zijn nog niet bekomen van hunne slemppartij van gisteren, en hoewel jonger, zijn zij minder vlug en spoediger vermoeid dan onze veel oudere roeiers van Sapoara. Maar onze prauw is niet zoo zwaar, en hoewel wij tweemaal ophouden om een hocco en een eend te schieten, leggen wij van elf uur tot half zes niet minder dan zes-en-veertig mijlen af.Monding van de Atabapo.Monding van de Atabapo.

16 November.—Bij het ontwaken lossen wij een schot, om den eigenaar van de prauw te waarschuwen. Wij wachten een geruimen tijd; maar aangezien niemand komt opdagen, vervolgen wij onzen tocht. Juist toen wij ons hadden losgemaakt uit de saamgestrengelde takken en planten, die den bodem der rivier nabij den oever bedekken en in de ruimte kwamen, zagen wij twee Indianen in de prauw plaats nemen en naar ons toekomen. In voorkomen en kleeding gelijken zij op al hunne landgenooten, die wij reeds ontmoet hebben; zij verstaan een weinig spaansch, waaruit blijkt dat zij somwijlen met blanken in aanraking komen. Zij beweren noch San-Martino, noch San-Fernando te kennen, hetgeen mij ongeloofelijk voorkomt; ik houd het er eer voor, dat zij ons geene inlichtingen willen geven. Vermoedelijk zullen zij van hunne ontmoetingen met de blanken minder aangename herinneringen hebben overgehouden, en herhaaldelijk bedrogen en mishandeld zijn geworden. Immers, bij de aanrakingen van den wilde met de zoogenoemd beschaafden, is de eerste steeds de lijdende partij. De blanken treden op als heeren en meesters en maken van de onwetendheid van den wilde gebruik, om hem zooveel mogelijk te bedriegen en te berooven. Een koopman beroemde er zich tegen ons op, dat hij voor de stop van een karaf, waaraan hij groote tooverkracht toeschreef, tien manden met couac (gebrand maniokmeel), ter waarde van honderd francs, had gekregen. Het gezin van den inboorling wordt al even weinig geëerbiedigd als zijn eigendom. Het is dus inderdaad niet te verwonderen dat de Indiaan weinig sympathie voor de blanken gevoelt. Zoodra hij een bijl, een hakmes, een handvol kralen voor halssnoeren, en eenige stukken katoen bezit, houdt hij zich buiten bereik van de gewetenlooze handelaars, die hij veracht en verfoeit. En in de oogen der Indianen, met wie wij in aanraking komen, zijn wij niet anders dan handelaars.

Onze twee roodhuiden zullen, tegen belooning van een mes, met ons gaan tot het naaste dorp, dat niet ver verwijderd is. Sedert een half uur varen wij naast elkander voort, toen wij nog eene andere prauw zagen aankomen, waarin een Indiaan met zijn gezin is gezeten. Wij roepen hem aan, en hij komt tot ons; zijn dorp ligt in de nabijheid, hij zal er ons heen geleiden. Ons gesprek wordt in het spaansch gevoerd. Terwijl wij met hem spreken, hebben de andere Indianen zich verwijderd, onzen vischhengel medenemende.

Onze nieuwe vriend neemt ons op sleeptouw; zijne vrouw en hij pagaaien met alle kracht. Het verwondert mij, dat hunne zeer smalle en zeer onvaste prauw niet omkantelt. Eindelijk bereiken wij zonder ongeval eene kreek aan den rechter oever der rivier. Aan den ingang liggen twee reusachtige kaimans op de wacht, die in dit vischrijke water overvloedig voedsel kunnen vinden; met hunne ziellooze onbewegelijke oogen staren zij ons spookachtig aan. Bij de nadering van het vlot zijn zij even onder gedoken, om langzamerhand op dezelfdeplaatsweer te voorschijn te komen.

Aankomst bij de Mitoea-Indianen.Aankomst bij de Mitoea-Indianen.

Aankomst bij de Mitoea-Indianen.

Wij maken ons vlot vast aan den rechter oever van de kreek, en bekijken onze nieuwe makkers wat nauwkeuriger. De Indiaan is een jonkmanvan omstreeks vijf-en-twintig jaren, met een innemend voorkomen en welgemaakt van gestalte. Hij is daarbij zeer zindelijk. Zijne huid is bruinachtig geel van kleur, niet donker. Hij draagt den gewonen hoofdband en de kniebanden van palmbladeren; in zijne ooren heeft hij stukjes riet gestoken, waarvan het eene einde met roode vederen is versierd.

Zijne vrouw heeft regelmatige trekken, en moet indertijd schoon zijn geweest, maar zij is reeds verwelkt, hoewel zij niet veel ouder kan zijn dan haar man. Zij draagt het hemd of liever den zak, waarvan ik reeds vroeger gesproken heb, en dat hier en daar rood is geworden. Ik koop dat hemd van haar voor een lap katoen. Zij toont besef van kieschheid: niet dan met moeite kan haar man haar bewegen, zich in onze tegenwoordigheid te ontkleeden.

De vrouw zal met de prauw de kreek opvaren, terwijl haar man Lejanne en mij zal geleiden naar de plek, waar wij de kreek moeten oversteken, om zijne woning te bereiken, welke niet ver verwijderd is en in eene savane gelegen, waar een aantal Indianen zijn gevestigd. In blijde stemming en hoog gespannen verwachting, gaan wij op weg naar het dorp, waar zeker veel te zien en te leeren zal vallen. Geruimen tijd volgen wij den oever van de kreek; onze weg voert ons onder prachtige boomen, van wier stammen en takken weer krachtige wortels uitschieten, die in den grond doordringen. De lianen vormen als het ware een reusachtig netwerk, waardoor vooral Lejanne, uit hoofde van zijn geweer, zich niet dan met moeite een weg kan banen. De grond, die bij hoog water wordt overstroomd, is bedekt met eene laag vochtige klei en draagt geen gras. Wij zien talrijke sporen van tapirs.—Nadat wij ruim een kwartier geloopen hebben, staat de Indiaan eensklaps stil: “el tigre!” roept hij. Hij heeft het dier zien wegvluchten en wijst ons zijn spoor. Lejanne vuurt in die richting zijn geweer af, en wij vervolgen onzen marsch.

Na verloop van drie kwartier komen wij aan het punt, waar wij de kreek moeten oversteken. De Indiaan roept zijne vrouw, die geen antwoord geeft. Wij wachten een kwartier: niemand verschijnt.

Wij beginnen ons zelven af te vragen, of men ons ook bij den neus heeft gehad en of ons vlot in veiligheid is. Het schijnt ons vreemd, dat wij zoo ver moeten loopen om eene hut te bereiken, die, naar men zeide, vlak in de nabijheid lag. Ik besluit, naar onze makkers terug te keeren, maar de Indiaan zal ons daarbij weer tot gids moeten zijn: want tenzij wij de oevers van de kreek volgen, zullen wij onvermijdelijk verdwalen, maar de tallooze kronkelingen der kreek zullen den weg veel langer maken. Mitsdien geef ik hem last, ons naar het punt van uitgang terug te brengen: hij schijnt mij niet te begrijpen. Lejanne pakt hem bij de schouders en laat hem zoo onzacht rechts-om-keert maken, dat hij aanstonds onze bedoeling vat. Eindelijk komen wij bij onze kameraden, die in onze afwezigheid een heerlijk ragout van visch en bananen hebben gereed gemaakt. Zij hebben die visschen gekocht van een Indiaan, die in eene prauw voorbij voer. Onze gids is inmiddels verdwenen zonder afscheid te nemen.

De Indianen van deze streek schijnen niet te vertrouwen; op hun gunstig uiterlijk valt blijkbaar niet te rekenen. Als zij in grooter getale bijeen waren, zouden wij het misschien hard te verantwoorden hebben. Trouwens wij zijn tegenover hen steeds op onze hoede en hebben onze wapenen altijd bij de hand.

Na ontbeten te hebben verlaten wij de kreek en hervatten onze langzame vaart op de Guaviare.

Omstreeks half vijf bespeuren wij op den rechteroever eene groote savane, die tot aan de rivier reikt; eene soortgelijke als die, waar wij de eerste Indianen hebben ontmoet. In de verte zien wij twee hutten; maar de dag is te ver gevorderd, om er nog heen te gaan. Wij slaan ons kamp op aan den hoek van het bosch, en verbergen ons vuur en onze hangmatten tusschen het hoog geboomte, want wij zijn in het minst niet gesteld op nachtelijke bezoeken. Wij hebben onzen laatsten voorraad vleesch verbruikt. Moge Diana ons gunstig zijn!

17 November.—Om zes uur vuurt François een geweer af. Lejanne en ik komen uit het bosch te voorschijn en betreden de savane. Er hangt een dichte nevel, die ons verhindert tien pas voor ons uit te zien. Wij bepalen zoo goed mogelijk de richting der hutten en midden door het hooge gras voortstappende, vinden wij weldra een pad, dat er ons heenbrengen zal. Maar naar het schijnt, buigt ons pad naar de rivier af; wij verlaten het dus en betreden nu een terrein, waar men het gras eerst onlangs heeft verbrand. De zon is inmiddels opgegaan en kleurt den nevel met prachtige roode tinten. Half onzichtbaar, spookachtig, vertoonen zich de schemerende gestalten van enkele boomen, in de savane verspreid. Eindelijk, naarmate de zon hooger rijst, trekt de nevel weg. Wij bespeuren nu aan onze linkerhand een Indiaan, die met de pijlen over den schouder, langs de rivier gaat, in de richting van ons kamp, op eenigen afstand gevolgd door zijne vrouw en twee kleine kinderen. Wij roepen hem aan en zijn weldra aan zijne zijde. Het is een stevige kerel, de grootste van alle Indianen, die wij tot dusver ontmoet hebben; een krachtig gebouwd man, met breede schouders en gespierde armen en beenen. Hij is aanstonds bereid om ons naar de hutten te geleiden; maar toch is er iets, wat mij niet bevalt en weinig goeds schijnt te voorspellen. Onze vriend brengt ons naar de verst afgelegen hut, terwijl zijne vrouw zich zoo snel mogelijk naar de naast bij gelegene begeeft. Blijkbaar wil zij het een of ander verbergen voor dat de blanken komen, misschien wel den aanwezigen mondvoorraad. Wij loopen haar na, maar zij is te ver vooruit. Op onze beurt komen wij ook aan deze hut, die, even als in de dorpen van de Andes, leemen wanden en een vooruitstekend dak heeft, dat oppalen rust. Deze zeer deftige hut wordt bewoond door een Indiaan met een vrij goedig voorkomen, die een kleinen ronden hoed met smallen rand bezit, waarmede hij zich bij onze verschijning aanstonds het hoofd dekt. De man, die zich zulk een weelde kan veroorloven, heeft ongetwijfeld onder de blanken verkeerd; hij zal in staat zijn ons inlichtingen te geven, welke ons van groote dienst zullen zijn. Op al onze vragen antwoordt hij: “Dat is er niet. Ik weet het niet.” Wij staan op het punt, ons boos te maken en gaan heen.

Wij begeven ons nu naar de andere hut, die zeer ruim is en geheel van takken en bladeren vervaardigd. Zij wordt bewoond door drie Indianen met hunne gezinnen, die ons met de uiterste koelheid ontvangen. Zij hebben, volgens hun zeggen, noch vleesch, noch visch, noch bananen, noch cassave. Daarentegen zijn zij in het bezit van een groot aantal bogen, pijlen en lansen, die zij in de hand houden.

Wij keeren naar ons vlot terug, gansch niet gesticht over den uitslag van onze lange en vermoeiende wandeling. Wij volgen een pad dat langs de rivier loopt, en aan den oever op een aantal plaatsen is afgebrokkeld; maar op onzen tocht door de prairie worden wij geen enkel stuk wild gewaar. Wij hebben niets voor ons ontbijt: wij moeten ons althans eenige visschen verschaffen voor ons diner, en daartoe in de eerste plaats een vogel machtig worden om tot aas te dienen. Bevallige zwaluwen vliegen om ons heen, over het hooge gras heenstrijkende, onvermoeid op de insektenjacht. Wij hooren de scherpe kreten van eenige jonge arenden, die geheel buiten ons bereik zijn. Andere vogels zijn er niet, en reeds naderen wij ons kamp. Lejanne schiet en treft een zwaluw, wier staart met twee lange vederen is versierd. Toen onze makkers het schot hoorden, hebben zij zich zeker met de hoop gevleid, dat wij een pecari, een patrijs of eenig ander flink stuk wild zouden medebrengen: blijkbaar zijn zij dan ook teleurgesteld, als zij onze povere vangst aanschouwen. Onze kok stond al gereed, het wild te braden; nu kan hij niet anders doen dan rijst koken en bananen klaar maken, die wij onderweg zullen oppeuzelen en besproeien met water uit de Guaviare.

Dit is zeker een weinig voedzaam menu, maar het heeft althans een voordeel: het jaagt u het bloed niet naar het hoofd, en is dus zeer gepast voor menschen, die uren lang aan de brandende zon zijn blootgesteld.

Intusschen drijft ons vlot langs de savane, waarvan de loodrechte oever aan onze rechter hand een eindeloozen roodachtigen muur vormt van omstreeks zes ellen hoog. Op de hoogte der hutten gekomen, zien wij al de Indianen aan den rand der helling verzameld. Wij wenden zelfs het hoofd niet naar hen om, maar houden hen toch in het oog, vast besloten vuur te geven op het eerste blijk van vijandelijkheden, want zij zijn allen gewapend en hebben twee prauwen tot hunne beschikking.

Het landschap is wanhopend eentonig langs deze rivier, die eene geheele reeks regelmatige krommingen maakt. Aan den eenen kant is de loodrechte holle oever bedekt met groote boomen en tallooze palmen, die zich boven een roodachtigen muur schijnen te verheffen; aan de andere zijde is de holle oever begroeid met laag hout en omzoomd door eene zandbank, waarop een menigte kaimans zich in de zon liggen te bakeren. De stroom loopt altijd langs den hollen oever, omgord met aangespoelde boomstammen en takken, waartusschen vreesachtige schildpadden huizen. Het water heeft eene vuile zwartachtig grauwe kleur. Op zeer stille plekken is het bedekt met eene dunne vetlaag, die metaalachtige tinten toont en waarboven vieze vlokken schuim drijven. Over dit alles giet de zon een geelachtig licht uit; vooral tegen den avond is de weerspiegeling van het zonlicht in het water bij uitstek hinderlijk. Gedurende tien uren per dag zijn wij aan de brandende stralen blootgesteld, zonder andere bescherming dan onze panamahoeden, waarom wij een doek gewonden hebben. Die verraderlijke stralen maken gebruik van het minste scheurtje in onze kleederen, om onze huid te verbranden. Van tijd tot tijd maken wij ons haar nat, om ons althans even te verfrisschen.

Tegen den avond van dezen dag vangt Lejanne een mooien mapourito, die ons uitnemend te pas zal komen voor ons diner. Dan verbreedt zich de rivier en splitst zich in twee armen, waartusschen zich eene zandplaat verheft. De stroom voert ons naar den linkeroever, die met laag hout is begroeid. Een soort reiger heeft de onvoorzichtigheid, zijn langen hals uit te rekken en zijn kop uit de bladeren te steken. Apatoe schiet hem neder, en gaat met de prauw den vogel halen, die wel een zeer sterken onaangenamen stank verspreidt, maar waarmede wij toch, bij gebrek van beter, ons ontbijt zullen doen.

20 November.—Sedert drie dagen komen wij bijna niet vooruit. Wij ontmoeten een aantal eenden, maar zij zijn uiterst moeilijk te naderen, en het gelukt ons niet dan na veel inspanning er vier te dooden. Met versche bananen gekookt, moeten zij ons gedurende twee dagen voeden.

In den namiddag van den twintigsten barstte eensklaps een vrij hevig onweer, met storm en regen los, maar nog eer wij stilhielden om ons kamp voor den nacht op te slaan, was het op nieuw goed weer geworden. Wij sturen ons vlot naar den oever, maken het stevig vast, en beginnen de noodige toebereidselen te maken voor ons middagmaal en voor ons nachtverblijf. Terwijl ik het vuur aanmaak, brengt François het noodige gereedschap aan wal. Lejanne en Apatoe, die nu reeds eenige werkzaamheden verrichten kan, ruimen met hunne hakmessen de struiken en heesters op, zoodat wij de noodige ruimte krijgen voor ons kamp. Weldra staat de ketel te vuur, met een prachtigen eendvogel en eenige stukken van bananen. Het eenvoudig maal wordt gekruid door onzen honger.

Een smalle strook van violetkleurige wolken, de laatste overblijfsels van de onweersbui in dennamiddag, omzoomde den westelijken horizon. Daarboven heeft de hemel een groene tint, waardoor eenige rooskleurige strepen loopen. Niets evenaart de zuiverheid en fijnheid dezer kleuren, die ook door het meest geoefende penseel niet zijn weer te geven. Weldra valt de duisternis in; zooals men weet, duurt in de tropische landen de duisternis maar kort. Wij gebruiken haastig ons maal, want met den nacht komen de muskieten, die ons beletten na den maaltijd nog lang te blijven praten. Ieder zoekt zijne hangmat op en zoekt een veilig plaatsje achter zijn muskietenscherm.

Hut der Mitoea-Indianen.Hut der Mitoea-Indianen.

Hut der Mitoea-Indianen.

Wij vallen spoedig in slaap, maar worden gewekt door een hevigen donderslag. Welhaast valt de regen in stroomen neder. Lejanne en François verlaten hunne hangmatten, aan hooge boomen opgehangen, die den bliksem zouden kunnen aantrekken. Geen enkele stof, hoe waterdicht ook, is tegen zulke regens bestand. Wij zijn in een oogenblik doornat en rillen van de koude. Niemand spreekt een woord: in stompzinnige onverschilligheid laten wij ons door deze waterplassen overstelpen. Deze regen duurt, met geringe afwisseling in hevigheid, tot aan den morgen.

21 November.—Wij ontmoeten langs de oevers zoogenoemde morichépalmen, waarvan Apatoe verzekert, dat zij alleen aan de mondingen der groote rivieren groeien. Is dat zoo, dan zouden wij niet verre van San-Fernando zijn. Maar de Angostura dan? De twee engten, die wij zijn doorgeworsteld, zouden dan toch de Raudal en de Angostura zijn geweest. Ik begin het inderdaad te gelooven, vooral toen, in den namiddag, Apatoe mij een groot aantal vogels wijst, sasa genaamd, die in een boschje aan den linkeroever een luid geschreeuw doen hooren. Men is zoo licht geneigd, te gelooven wat men hoopt.

Lejanne is echter van eene andere meening. Wij hebben het groote eiland Amanaveni, dat op de kaart van Codazzi voorkomt, nog niet bereikt, en volgens hem staat de Angostura ons nog te wachten. Het gelukt mij niet, hem van meening te doen veranderen, ofschoon ik hem onder het oog breng, dat de italiaansche geograaf zijne kaart van de Goyabero niet naar eigen waarneming, maar naar inlichtingen van derden heeft vervaardigd.

In den morgen van den twee-en-twintigsten bemerken wij een prachtigen jaguar, die rustig onder het kreupelhout langs den oever ligt. Ieder weet, dat op het water de voorwerpen veel dichter bij schijnen dan zij inderdaad zijn. Lejanne zendt op den jaguar een kogel af, die hem niet treft. Hoogstens heeft het schot hem eenigszins verschrikt; onbewegelijk blijft hij ons aanstaren. François schiet op zijn beurt, eveneens zondervrucht. Het dier staat nu langzaam op en trekt zich in het hooge gras terug.

Aankomst bij de Piapocos.Aankomst bij de Piapocos.

Aankomst bij de Piapocos.

In ons kamp hooren wij tot tweemaal toe het gebrul van een jaguar. François houdt niet van die muziek. Apatoe heeft er schik in hem nog banger te maken door allerlei verhalen van hetgeen de tijgers in zijn land al durven doen; hij vertelt van kinderen, die uit het dorp werden weggesleept, van honden, die in het kamp onder de hangmat van hun meester werden overvallen. Lejanne tracht hem gerust te stellen door de verzekering, dat de zoogenaamde amerikaansche tijger een volkomen onschadelijk dier is, vergeleken met zijn geduchten naamgenoot uit Achter-Indië. Gelukkig stelt François een onbegrensd vertrouwen in de koelbloedigheid en behendigheid van Lejanne; iederen avond hangt hij zijne mat in de nabijheid van die van dezen geoefenden schutter. Als voorzorgsmaatregel maken wij twee groote vuren aan, die wij beurtelings gedurende den nacht zullen onderhouden.

23 November.—Bij het ontwaken worden wij gewaar, dat ons vuur sints lang is uitgedoofd; wij hebben geslapen als volmaakt rechtvaardigen. In den loop van den dag ontmoeten wij een onnoemelijk aantal schildpadden; in rijen van tien of twintig te gelijk liggen zij op de lage zandige oevers of op gestrande boomstammen. Deze schildpadden, bij de Venezuelanen onder den naam van térékaï bekend, zijn zeer schuw; bij onze nadering gaan zij in geregelde orde te water, en leggen daarbij eene vlugheid aan den dag, die men niet van haar verwachten zou.

Die schildpadden smaken uitmuntend, maar om ze meester te worden, zouden wij pijlen moeten hebben, die gemakkelijk haar schild kunnen doorboren en waarvan de lange, boven het water uitstekende schacht tegelijk het spoor van het getroffen dier aanwijst. Met onze vuurwapenen kunnen wij ze zonder moeite dooden, maar als zij in het water vallen zijn zij voor ons verloren. Onze patronen zijn te kostbaar om ze te gebruiken voor eene jacht van zoo onzekeren uitslag.

27 November.—Wij hebben sedert verscheidene dagen geen Indianen ontmoet. De vaart is wanhopend vervelend en eentonig; eerst heden komt daarin eenige afwisseling door den aanblik van eenige heuvelen, die zich in blauwe omtrekken tegen den hemel afteekenen. In den namiddag varen wij tusschen die heuvelen door. De rivier versmalt zich op dat punt en vormt meer benedenwaarts eenige draaikolken, waarvan de passage bij hoog water zeer bezwaarlijk moet zijn. Wij zien voor ons een heuvel van tweehonderd el hoog en vijf à zeshonderd el lang; na dien heuvel omgevaren te zijn, komen wij aan eene tweede versmalling der rivier, gevolgd door een sterkerdraaikolk dan de eerste was. Wij meenen ditmaal inderdaad, de Angostura van Codazzi te zijn gepasseerd. Dit was echter niet het geval.

Omstreeks half zes bereiken wij haar werkelijk; wij weten nu ook voor goed waar wij ons bevinden. Wij varen wederom een nauw kanaal binnen, geheel overeenkomende met de twee andere, die wij reeds achter den rug hebben. Dit kanaal is even lang, maar breeder dan de vorigen. Aan iedere zijde is de rivier omzoomd door een bank van zandsteen, twee à drie ellen hoog en vijf à zes ellen breed, waarachter zich een zeer steile heuvel verheft, die op sommige plaatsen letterlijk een loodrechten wand vormt. Talrijke watervalletjes dalen van den heuvel naar beneden en hebben zich in den zandsteen een bedding uitgegraven. De plantengroei draagt het karakter van den rotsigen, steenachtigen bodem: de boomen zijn knoestig, gekromd en niet uitgegroeid. Vele dezer boomen staan in bloei en vormen met hunne paarse, rooskleurige, witte en gele bloesems als het ware een reusachtig bouquet ter wederzijde van de rivier.

Het was donker, toen wij den uitgang van de Angostura bereikten. Wij bivakeeren op een groot rotsplateau, waarop geen enkele boom staat om onze hangmatten aan te bevestigen. Wij slapen dan ook op den harden grond. Het ontschepen van onze bagage vordert veel tijd en moet bij kaarslicht geschieden. Gelukkig vinden wij nog eenig brandhout, zoodat wij vuur kunnen aanleggen, waarop wij een eendvogel braden, dien wij zonder eenige toespijs gebruiken, want onze voorraad mais is opgeteerd. Na dien roofdierenmaaltijd wikkelen wij ons in onze dekens, en strekken ons op de rots uit, met de voeten naar het vuur gekeerd.

28 November.—Ten zes ure gaan wij weder op weg. Het is ter nauwernood dag, want de hemel is bewolkt. De tusschen hooge boorden ingesloten rivier schijnt bijna zwart; groote vlokken geelachtig schuim drijven op het water. Wij ontdekken langs den oever prachtige maripapalmen: het komt mij voor, dat de kool van dien palm, gekookt, eene zeer geschikte spijs zal zijn. Apatoe en François wapenen zich met een bijl, gaan in de prauw en varen naar den oever om een dezer boomen van zijne kool te berooven. Middelerwijl zetten Lejanne en ik den tocht met het vlot voort: onze makkers zullen ons gemakkelijk kunnen inhalen. Na verloop van een half uur, zien wij op korten afstand voor ons groote ronde rotsen, die een dam in de rivier vormen, welke bijna de geheele breedte beslaat. Schuimend en kokend stroomt het geperste water langs beide zijden weg. Wij zijn ons onzer onbekwaamheid te goed bewust, om zonder onze makkers den doortocht te beproeven, en sturen het vlot naar den rechteroever, waar wij hunne komst afwachten.

Met hunne hulp komen wij ook dien hinderpaal te boven. Dan worden wij door den stroom aangegrepen, en medegesleurd naar eene tweede Angostura, nog gevaarlijker dan de eerste. Zij is smaller; de oevers zijn hooger, en de snelheid van den stroom is grooter. Omstreeks halverwege bevindt zich een zeer gevaarlijke draaikolk, dien wij slechts met inspanning van alle krachten kunnen vermijden. Kwamen wij met ons vlot binnen zijn bereik, dan zie ik niet hoe wij zouden kunnen ontsnappen.

Wij vorderen niet dan zeer langzaam en bereiken niet dan met moeite het uiteinde van het kanaal. Daar verbreedt de rivier zich weer. De wind is ons tegen en er gaat eene sterke branding; wij komen bijna niet vooruit. Om zes uren maken wij ons kampvuur aan onder den lommer van een reusachtigen boom, waarvan de zware wortels hoog boven den grond uitsteken en voor een deel tegen den stam zijn aangedrukt. Uit het dichte gebladerte daalt een regen van kleine vijgen op ons neer, losgewoeld door de rustelooze bewegingen van drommen van apen, aras en parkieten. De eersten springen van tak tot tak en nemen de wijk in het bosch, onder het uitstooten van snijdende, gillende kreten en het ruischen der bladeren. Lejanne doodt een couicoui en een parkiet. Wij doen ons maal met een gedroogden eendvogel en gekookte palmkool.

29 November.—De rivier heeft, ter plaatse van ons bivak, eene breedte van zeshonderd-zeventig el, waarvan niet minder dan vijfhonderd el wordt ingenomen door eene zandbank, die bij hoog water onderduikt. Bij ons vertrek regent het een weinig. Omstreeks acht uur maakt Apatoe ons opmerkzaam op een plaats, waar boomen geveld zijn. Inderdaad strekt zich een open plek tot aan de rivier uit; naar het schijnt, wordt die plek ingenomen door bananen. Met kloppend hart zetten wij koers naar deze plek. Als wij eens teleurgesteld werden in onze verwachting, menschen te zullen ontmoeten? Ons vlot gaat veel te langzaam naar onzen zin: wij zouden het vleugelen willen aanbinden, en het beweegt zich ter nauwernood. Ik neem mijn kijker en bemerk een half verkoolden boomstronk, die deels over den oever hangt, en vervolgens een tros bananen. Hoezee! Daar is het beloofde land! Maar hoe zullen de bewoners des lands ons ontvangen? De ontberingen van de laatste dagen hebben ons zoozeer opgewonden, dat wij niet zouden aarzelen, ons met geweld het noodige te verschaffen, ingeval men mocht weigeren ons levensmiddelen te verkoopen. Gebrek is een slechte raadgever. Eendvogels walgen ons: de bedorven mais, die wij gedurende de laatste dagen gegeten hebben, heeft ons ziek gemaakt. Daar vóór ons is een bananenplantage.... Wij zullen betalen wat men ons wil vragen: maar tot iederen prijs moeten wij van die vruchten hebben.

Wij varen langs eene zandbank, die aan de landzijde door kreupelhout is begrensd. Wij bespeuren op den grond eene mat van palmbladen, die over hoepels is gespannen en waarschijnlijk als bedekking moet dienen voor eene groote prauw; vervolgens eene hut, waarvan het overhangende dak te midden van het groen ons aan een chalet denken doet.

Lejanne vuurt tweemaal zijn geweer af, terwijl Apatoe met mij in de prauw stapt en mijhaastig naar de hut roeit. Wij volgen gedurende eenigen tijd eene kreek, die zich hier in de rivier uitstort. De Indianen zijn in het eerst verschrikt weggevlucht, maar zij keeren toch weldra terug; ik zend twee hunner met eene prauw, om ons vlot op sleeptouw te nemen, dat anders de kreek niet zou kunnen opvaren, hoe zwak de stroom ook moge zijn. Ik wacht mijne reisgenooten aan de aanlegplaats af.

Weldra bereiken wij het dorp, dat Mapiripan heet, even als de kreek waaraan het gelegen is. Het bestaat uit drie hutten, waarvan slechts eene van de rivier zichtbaar is, en die door vier Indianen met hunne gezinnen worden bewoond. De oudste is een forsch gebouwd man met eene breede borst en een goedig voorkomen; zijne huid ziet geheel blauwachtig ten gevolge van eene in deze streken inheemsche huidziekte, carathes genoemd. Een ander, omstreeks vijf-en-twintig jaar oud, lijdt aan anderendaagsche koorts: ik win zijn vertrouwen, door hem wat kinine te geven. Een derde, klein van gestalte en met gekromden rug, schijnt mij toe zeer beperkt van geestvermogens te zijn. Hij draagt den zeer onpassenden naam van Narcissus. Met uitzondering van dezen laatste, dragen de mannen pantalons en hemden. De ongelukkige Narcissus heeft niets anders dan een ellendigen poncho van het bekende inlandsche fabrikaat.

De handelaars van San-Fernando verschijnen hier telken jare eens of tweemaal. Zij worden nu elken dag verwacht, en onze Indianen hebben den noodigen voorraad van cassave en couac (gebrand maniokmeel) gereed gemaakt, dien zij aan hunne bezoekers moeten verkoopen.

Zij staan ons eene mand met cassave en eene mand met couac af, benevens bananen, pompoenen, twee schildpadden en tabak: een en ander in ruil voor eenige hakmessen, scharen, messen, naalden en vischhaken. Wij koopen bovendien nogschildpadveten suikerstroop: deze laatste zal ons uitstekend te pas komen, want wij hebben eene zekere hoeveelheid ongemalen koffie, die wij nu zullen kunnen gebruiken.

Weldra smullen wij aan eene schildpad met in de asch gestoofde bananen. Onze Indianen geven ons cachiri van bananen te drinken. En wij kunnen ons de weelde veroorloven, gedroogde tabaksbladeren te rooken!

30 November.—Met het aanbreken van den morgen zijn wij allen weder bijeen. Ik koop eene prauw, die groot genoeg is om ons op te nemen, zoodat wij ons vlot kunnen verlaten. Bovendien koopen wij nog eene hangmat, een boog, pijlen en vaatwerk, dat de Indianen van klei vervaardigen, die zij met de asch van zekere boomschors vermengen.

Allen zijn op eene of andere wijze bezig. De eigenaar van de hut, waarin wij vertoeven, houdt zich onledig met het maken van een steel voor een bijl, die wij hem in ruil gegeven hebben. Hij werkt daaraan op zijn uiterste gemak, en wrijft en polijst het hout met al de behagelijke kalmte van iemand, voor wien de tijd hoegenaamd geene waarde heeft.

De vrouwen zijn met huishoudelijken arbeid bezig. De eene, met een hakmes gewapend, maakt maniokwortels schoon, en weet daarbij het gevaarlijke instrument zeer behendig te hanteeren. Eene andere vrouw maakt de ontbolsterde bananen fijn. Op den grond zittende, neemt zij een banaan in elke hand en wrijft ze met groote snelheid over eene soort van rasp, die zij tusschen hare knieën houdt. Deze rasp bestaat uit een eenigszins hol plankje, waarop met een soort van lijm, scherpe stukjes kwartz zijn bevestigd, die als tanden dienst doen. Is deze arbeid afgeloopen, dan doet men de brei in eene lange buis of darm van fijn gevlochten riempjes, die in het spaansch den naam vanCouleuvradraagt. Het bovenste gedeelte van deze couleuvra wordt met een houten stop gesloten, en vervolgens wordt de worst—om ze zoo eens te noemen—aan een balk opgehangen. Aan het benedeneinde van de couleuvra is een ring bevestigd, waarin een hefboom gestoken wordt, die met het andere einde aan een naburigen pijler is vastgemaakt. Door den hefboom te bezwaren, wordt de couleuvra saamgeperst en daardoor het vergiftige sap uit de brei verwijderd. Vervolgens laat men de gelei gedurende vier-en-twintig uren gisten.

Om cassave te maken, spreidt men de brei in lagen in eene schaal, die op een soort van oven wordt geplaatst, waarin een goed vuur wordt onderhouden, dat echter niet te heet mag zijn. Op deze wijze verkrijgt men koeken, die, om goed te blijven, in de zon moeten worden gedroogd en vervolgens op eene droge plaats bewaard.

Onze Indianen geven ons een drank, gemaakt van zoete pataten en maniok, welke met water vermengd en tot gisting gebracht worden. Deze drank, couria genoemd, wordt niet gefiltreerd, is geelachtig, klonterig en zeer dik; hij ziet er zeer onsmakelijk uit, maar smaakt inderdaad zeer goed.

Wij kunnen hier gelukkig inlichtingen bekomen, die ons ten zeerste van dienst zijn: San-Fernando ligt op veertien dagreizen afstands van Mapiripan. De Indianen, waarmede wij vroeger in aanraking zijn geweest, de Mitouas, staan hier niet hoog aangeschreven en worden als wilden (bravos) beschouwd. Onze vrienden deelen ons zonder aarzeling mede, dat zij zelven den naam dragen van Piapocos, hetgeen toucan beteekent. Het is eene zeldzaamheid, dat een Indiaan een vreemdeling den naam van zijn stam bekend maakt; doorgaans verneemt men dien naam eerst van de buren.

In den namiddag brengt François onze bagage in de prauw over. Ons nieuw gekocht vaartuig heeft eene lengte van tien el zes palm, eene breedte van een el tien duim, en is van een enkelen boomstam gemaakt. De voor- en achtersteven, die een weinig oploopen, zijn met plankjes afgesloten. In het midden zijn, even boven den bodem, dwarsbalkjes aangebracht, waarop een bamboezen vloer of dek rust: onze bagage zal daar geen hinder hebben van het water, dat altijd in zulk eene prauw doordringt. Een gedeelte van dit dek blijft vrij: Lejanne en ik zullen daar, onderhet dak van palmbladen, dat ongeveer een derde van ons vaartuig overdekt, eene schuilplaats kunnen vinden tegen de brandende zonnestralen. Deze prauw is wel wat zwaar voor twee roeiers; gaarne zouden wij een onzer kloeke Piapocos overhalen om met ons te gaan, maar zij zijn daartoe niet te bewegen.

Even als den vorigen dag, begeven zich de Indianen des avonds naar het strand en laten de hutten tot onze beschikking.

1 December.—Het regent den ganschen nacht; tegen het aanbreken van den dag houdt de regen wat op, en tot onze verbazing keeren onze Indianen terug met geheel droge kleederen.

Juan de la Cruz.Juan de la Cruz.

Juan de la Cruz.

De ongelukkige Narcissus doet wat hij kan om zich aangenaam te maken; hij brengt ons zoete pataten en vervolgens zoete maniok. Wij beloonen zijn ijver en goeden wil door hem een hemd ten geschenke te geven, dat hij aanstonds aantrekt. Blijkbaar hebben wij hem gelukkig gemaakt: zijn onnoozel gelaat straalt van eene blijdschap, die ons zelven goed doet.

Omstreeks tien uren nemen wij afscheid van onze vrienden, en werpen een laatsten blik op ons vlot, dat nu, ledig en onttakeld, een vrij treurige figuur maakt. Wij zullen het niet gauw vergeten, want het heeft ons onschatbare diensten bewezen en meer dan eens ons leven gered.

Wij zijn nu op weg naar San-Fernando; wij vorderen goed en hebben levensmiddelen voor vele dagen.

Tegen den avond komen wij aan de monding eener rivier, die zich aan den linkeroever in de Guaviare uitstort. Op den hoek tusschen de beide rivieren verrijst een heuvel, op welks top eene hut is gebouwd. Wij varen een eind weegs de rivier op, om ons van hare beteekenis rekenschap te kunnen geven. Hare breedte bedraagt honderd-vijftig el; de strooming is zeer sterk, en naar het schijnt, is de rivier buiten hare bedding getreden, want de struiken en heesters langs de oevers staan halverwege in het water. De aanlegplaats schijnt verlaten, want de grond is met hoog gras en struiken begroeid.

Ongetwijfeld is de hut onbewoond, want ons roepen en onze geweerschoten blijven onbeantwoord. Zij is te ver van den oever verwijderd, om haar als nachtverblijf te kunnen gebruiken. Daar de diefachtige neiging der Indianen ons bij ondervinding bekend is, zou het zeer onvoorzichtig zijn, ons te ver van de prauw te verwijderen. Wij zakken de rivier weer af, en slaan ons kamp een weinig lager op, aan den linkeroever van de Guaviare. Ik heb de koorts; Lejanne is geheel uitgeput; François lijdt aan hevige buikpijnen; Apatoe alleen is in goeden welstand: zijne wond geneest.

2 December.—Wij drinken koffie met suikerstroop, en vinden dat heerlijk: alles is betrekkelijk in deze wereld.

Tegen half twee bespeuren wij op den zandigen oever een van takken gemaakt afdak. Wij gaan aan land, vermoedende dat de eigenaars van deze soort van hut niet verre zullen zijn; in dat vermoeden worden wij nog meer bevestigd bij het zien van eene kip en twee aarden kruiken. De Indianen nemen hunne hoenders op reis mede: zij eten die vogels niet, maar houden ze enkel voor hun vermaak, zooals men elders papegaaien en kanarievogels houdt. In de groote aarden kruiken bewaren zij het vet der schildpadden of de gom, die uit verschillende boomen in hunne bosschen vloeit. Ons roepen en schreeuwen blijft evenwel onbeantwoord; wij begeven ons weder op weg, na den kip eenig voedsel te hebben toegeworpen

Kort daarop ruiken wij een sterke muskuslucht: Apatoe luistert: op den linkeroever bevindt zich eene kudde pecaris. Wij gaan aan land; Lejanne en Apatoe nemen hun geweer. Nauwelijks zijn zij een twintig pas in het woud doorgedrongen, of zij zien een dertigtal dezer dieren voor zich, die met groot gerucht hunne tanden op elkander slaan. Lejanne gaat voorop. De pecaris hebben hem in het oog gekregen, en scharen zich op eene rij tegenover hem. Apatoe, die met de gewoonten dezer dieren bekend is, weet dat zij somwijlen den jager aanvallen, wien in dat geval geene andere toevlucht overblijft, dan op een boom te klimmen, waar hij dan letterlijk belegerd wordt. “Geef acht!” roept hij eensklaps met luider stem; de verschrikte pecaris nemen de vlucht.

Ten vijf uren kiezen wij eene plaats voor ons bivak. Het heeft hier geregend; de grond is doorweekt,en wij waden door de modder. Ik heb nog altijd koorts.

De oevers van de Guaviare.De oevers van de Guaviare.

De oevers van de Guaviare.

3 December.—Er hangt een dichte nevel, die alle waarnemingen onmogelijk maakt. Wij vervolgen onze vaart op de eentonigste en vervelendste rivier der wereld. Het zijn altijd dezelfde regelmatige krommingen; dezelfde reigers en ooievaars; dezelfde zwarte ibissen, met deftige afgemeten stappen langs den zandigen oevers op en neer wandelende. Vlak langs den waterkant zitten zwermen van groote meeuwen op eene rij naast elkander, in de nabijheid van krokodillen, die in de zon liggen te slapen. Nu en dan vliegen zij eensklaps op en beschrijven in de lucht sierlijke kringen, het scherpziend oog en den puntigen snavel steeds naar het water gekeerd. Hun scherp onaangenaam geschreeuw is vaak het eenige geluid, dat de stilte breekt.

4 December.—Bij het aanbreken van den dag maakt onze kok zich gereed om een eierstruif voor ons te bakken. Wij hebben een kleinen voorraad schildpadvet, dat voor deze gelegenheid als boter dienst moet doen. Helaas! deze eierstruif, die een monumentale, reusachtige eierstruif zou moeten zijn, slinkt haast tot niets weg: al onze meeuweneieren, met uitzondering van een half dozijn, blijken bedorven te zijn.

Omstreeks acht uren houden wij stil aan de punt van een eiland, waar een breede vlakke oever is. Lejanne en Apatoe zenden een paar kogels af op eenige krokodillen, die op enkele meters afstands van ons eiland hunne koppen uit het water steken. Een hunner laat een luid geknor hooren, eenige overeenkomst hebbende met het brullen van een tijger. Dit is voor de eerste maal, dat wij deze dieren geluid hooren geven.

Tegen den middag bespeuren wij eene prauw, die tegen den zandigen oever ligt. Eene indiaansche familie, bestaande uit vader, moeder en een zeven- of achtjarig kind, zit rustig onder de schaduw van het lage hout, dat verder landwaarts den oever bedekt. Wij gaan dicht bij hunneprauwaan land en zijn weldra bij hen. Zij hebben vuur aangelegd. Om dit te doen, beginnen zij met drie steenen, in den vorm van een driehoek, op den grond te leggen, waartusschen zij dan het brandhout schikken. Deze steenen dienen tevens om er hunne potten op te zetten. Wij koopen van hen eene met meeuweneieren gevulde kalebas.

Toen wij in den namiddag ter plaatse waren aangekomen, waar wij zouden kampeeren, maakte Apatoe den eigenaardigen vischtoestel gereed, waarvan de Roucouyenne-Indianen zich bedienen. Deze toestel bestaat uit een stevigen zeer buigzamen rietstok, die in den grond gestoken wordt en waaraan eene korte lijn met eene vischhaak is bevestigd. Even voor dit riet slaat men een paal in den grond, aan welks boveneinde met een touw eene soort van losse kruk is vastgemaakt. Men buigt nu den rietstok en houdt dien met de kruk naar beneden, zoodat de haak met het aas in het water hangt. Bijt nu een visch aan dat aas, dan trekt hij het riet een weinig meer naar onder; de kruk valt en de rietstok springt omhoog, den onvoorzichtige, die zich aldus heeft laten verlokken, in de lucht slingerende. Nauwelijks is de toestel in orde, of een piraï of piranha komt in het aas bijten en wordt gevangen gemaakt.

7 December.—Gisteren niets bijzonders. Wij ontmoeten nog geen Indianen, hoewel wij overal de sporen hunner aanwezigheid vinden. Doorgaans overnachten zij op den oever, en steken dan een palmblad of een boomtak in den grond, om zich tegen den dauw te beveiligen.

Omstreeks vier uren in den namiddag van heden bespeuren wij mannen aan den oever. Wij gaan aan land en bevinden ons in tegenwoordigheid van bewoners van de lagune van Sapoara, die zich naar den oever begeven hebben om daar, beveiligd voor muskieten, den nacht door te brengen.

De Indianen zijn gekleed met helder witte hemden en broeken. De vrouwen dragen japonnen, die den hals en een gedeelte van de schouders bloot laten; haar haar is verdeeld in twee zware, zorgvuldig gevlochten tressen. Met ons vuil linnengoed, onze gescheurde en gehavende kleederen, onze ongeschoren baarden en verwarde hairen, zou men ons veeleer voor wilden aanzien.

Eenige andere inboorlingen zijn nog in het dorp. Wij laten ons daarheen brengen; het dorp ligt op ongeveer twee mijlen afstands, aan den linkeroever van de lagune van Sapoara. Wij ontmoeten daar twee grijsaards, waarvan de een, Juan de la Cruz genaamd, ons bovenal verbaast door zijne zwaarlijvigheid; hij lijkt sprekend op een Chinees en staat bij zijne stamgenooten als een piay of toovenaar bekend. Zijne oogen staan schuin; zijne wangbeenderen steken vooruit; zijn neus is plat; zijn dunne stijve knevel doet zijne gelijkenis met den chineeschen type nog sterker uitkomen. Wij vinden hier ook twee jonge mannen van omstreeks vijf-en-twintig jaren, door wier aderen blijkbaar gemengd indiaansch en europeaansch bloed stroomt. Hunne vrouwen zijn ouder dan hare echtgenooten; eene van haar heeft vroeger bij de blanken gediend. Hunne kinderen zijn zeer aardig en bevallig; hunne hutten zijn zindelijk en bevatten de meest heterogene voorwerpen. Nevens het gewone huisraad van de wilden, zoo als de lage holle bankjes, de uitgeholde boomstam, waarin de cachiri of couria bewaard wordt, de bogen, pijlen en andere dingen, zien wij porseleinen borden en kommen, en zelfs zakspiegeltjes.

Wij vernemen van deze lieden, dat wij nog zeven dagreizen van San-Fernando verwijderd zijn.

Wij hebben dringend behoefte aan twee roeiers, maar vergeefs bieden wij aan elk der beide jonge mannen tien piasters, indien zij met ons willen gaan. Zij staan te San-Fernando in schuld, en willen daar niet verschijnen, zoo lang zij de noodige koopwaren niet hebben bijeengebracht, die zij op zich hebben genomen te leveren. Uit hetgeen wij van hen vernemen, komen wij tot het besluit, dat deze arme lieden hunne schuld nooit zullen kunnen afbetalen. De gewetenlooze kooplieden leveren hun kleederen, werktuigen, gereedschappen, die zij bij hun arbeid noodig hebben,in ruil voor maniokmeel, schildpaddenvet en andere produkten, welke zij binnen een bepaalden tijd moeten leveren; maar de berekening wordt steeds zoo gemaakt, dat de inboorlingen altijd in schuld zijn en hun leven lang ten behoeve van hunne oneerlijke, woekerende schuldeischers moeten werken.

8 December.—Des morgens komen de twee oudere mannen tot het besluit om met ons mede te gaan tot aan de lagune van Recifal, die wij binnen een dag kunnen bereiken.

De avond brengt ons een weinig koelte. De hemel is onbewolkt; het is een prachtige maneschijn. Op den zandigen grond uitgestrekt, praten wij met onze Indianen, onder het rooken van tabaksbladeren, die wij als sigaretten oprollen. Wij verhalen hun wat ons al op reis gebeurd is, sedert wij op de Goyabero scheep zijn gegaan. Zij toonen niet de minste verwondering als wij uitweiden over den last, dien de kaimans ons hebben veroorzaakt. Zij deelen ons mede, dat nu vier jaar geleden, bij den mond van de rio Oua, een hunner makkers, die eene prauw bestuurde, door een krokodil werd aangegrepen en uit zijn vaartuig gesleept. Zijne metgezellen hoorden niets dan het geklapper der geduchte kaken van het monster, gevolgd door eene heftige beweging in het water. Kort daarop werd de oppervlakte der rivier hier en daar rood gekleurd—en alles was voorbij. Zij verhalen ons ook, dat de Mitoua-Indianen onlangs blanken hebben aangevallen, waarvan een met een pijl in het been werd verwond. Voor den verwonde was het een geluk, dat de Mitouas niet de gewoonte hebben hunne pijlen te vergiftigen.

9 December.—Wij gaan reeds vroegtijdig aan boord. Even na ons vertrek hooren wij, op den linkeroever, het geluid van een hocco. Apatoe stapt in de kleine prauw, die wij op sleeptouw hebben, en vaart naar de plaats, waar wij het geluid hooren. Hij maakt zijn schuitje aan den kant vast en klimt tegen den steilen oever naar boven. Weldra hooren wij een schot, en zien Apatoe terugkeeren met een prachtigen hocco, die er eenigszins anders uitziet dan zijn naamgenoot van de Andes. De hocco van de Guaviare heeft bruinachtig roode vederen, waar de hocco der Andes witte vederen heeft; ook is zijn geschreeuw of geluid eenigszins anders. Het doet eenigermate denken aan het brullen van een jaguar.

Omstreeks elf uur ontmoeten wij inboorlingen van de lagune van Recifal, die goede bekenden en vrienden zijn van onze Indianen en ons zeer hartelijk ontvangen. Wij praten eenige oogenblikken met hen, want zij zijn het spaansch volkomen meester, en begeven ons met de prauw naar de monding van de lagune, welke niet ver verwijderd is. Wij varen een smal kanaal binnen en komen weldra in het meer.

Het opperhoofd van het dorp ontvangt ons voor zijne woning. Het is een nog jong man, die in den beginne vrij onvriendelijk is. Hij heeft grove, ruwe gelaatstrekken en schijnt vrij dom. Als teeken zijner waardigheid heeft hij een staf in de hand. Wij moeten trachten, door een geschenk zijne gunst te winnen, want hij zou mij de roeiers kunnen weigeren, die wij dringend noodig hebben. Ik bied hem een veelkleurigen gordel aan; een glans van genoegen straalt van zijn gelaat, en onverwijld tooit hij zich met het prachtstuk. Deze personage houdt er drie vrouwen op na. Hij laat de mooiste van de drie komen, om haar aan ons voor te stellen. Zij is nog zeer jong, heeft regelmatige gelaatstrekken, prachtig haar en zeer mooie zwarte oogen; zij draagt een japon van rood katoen. Blijkbaar is zij eenigszins verlegen en houdt zich dicht bij haar gemaal. Ik bied haar een halssnoer van roode koralen aan, dat haar echtgenoot haar aanstonds om den hals hangt.

Na deze ceremonie begin ik hem het doel van onze komst mede te deelen. Wij zouden gaarne tot morgen in het dorp blijven om wat te rusten, en dan twee roeiers mede nemen, die tot San-Fernando bij ons zouden blijven. De kapitein geleidt ons naar de hut, waar de mannen bijeen zijn om couria te drinken. Wij vinden daar vijf flinke kerels, stomdronken, in hunne hangmatten uitgestrekt en ons met wezenlooze oogen aanstarende. Sedert den vroegen morgen drinken zij couria. De oudste, een zwaarlijvig man van gevorderden leeftijd, maar met een nog zeer krachtig voorkomen, waggelt van tijd tot tijd naar een uitgeholden boomstronk en schept daaruit met een kalebas den bedwelmenden drank, dien hij vervolgens een voor een zijn makkers aanbiedt. Dezen drinken, al hikkende, en spuwen de laatste droppels uit van het vocht, dat zij hebben ingezwolgen. Ook ons biedt men de kalebas aan. Willen wij niet onbeleefd zijn en deze mannen, wier hulp wij noodig hebben, niet ontstemmen, dan moeten wij onzen afkeer overwinnen en althans iets nemen van dezen drank, die met mate gebruikt, volstrekt niet schadelijk voor de gezondheid is.

Wij begeven ons met den hoofdman of kapitein naar de aanlegplaats, om hem onze prauw te laten zien. Gaarne zouden wij haar ruilen voor eene andere, lichtere, die wij bij onze aankomst hebben ontdekt. Hij verlangt nog iets daarbij; wij laten hem sabels, bijlen, messen zien, maar niets van dat alles is van zijne gading. Geld wil hij niet aannemen. Ik begin de hoop op te geven, met hem den koop te sluiten, toen ik bij toeval uit een kist een lap rood katoen te voorschijn haal. Nu is de zaak in orde. De hoofdman is zoo belust op dat stuk katoen, dat hij, naar ik geloof, zijne hut met al wat daarin is, zou afstaan om in het bezit van dien lap te komen.

De indiaansche vrouwen zijn natuurlijk nieuwsgierig: trouwens, anders zouden zij geene vrouwen zijn. Al de dames uit het dorp, de echtgenooten van den hoofdman uitgezonderd, zijn spoedig bijeen vergaderd in de hut waar wij onzen intrek hebben genomen. Het trekt onze aandacht, dat de vruchtbaarheid in dit dorp niets te wenschen schijnt over te laten. Twee vrouwenhouden haar zuigelingen aan de borst; men roept ons om een der jonggeborenen van nabij te zien, een zwak, ziekelijk schepseltje. Daar ik verneem, dat er in het dorp wat rhum te krijgen is, geef ik den raad, het kind daarmede in te wrijven. Men verzoekt ons daarop, aan het andere jonggeboren kind een naam te willen geven. Apatoe heeft gedurende zijn verblijf te Parijs een van die onzinnige liedjes geleerd, die hij nu en dan zingt, als hij goed gehumeurd is, en waarin telkens den naam van Nicolas voorkomt. Die naam wordt nu aan den jeugdigen Indiaan gegeven, waarmede de ouders zeer in hun schik zijn. Uit vrees van het te vergeten, herhalen zij onophoudelijk dat woord, hetwelk zij zeer goed kunnen uitspreken.

Morichepalmen.Morichepalmen.

Morichepalmen.

Lejanne gaat in den omtrek uit jagen. Hij ontmoet een inboorling, die met eene lange sabarcane (blaaspijp) gewapend is, waarmede hij een kleine pijl wegblaast, waarvan de punt vergiftigd is. Het vergif, waarvan hij zich bedient, is in een soort van matten flesch geborgen, en wordt door de Piaroa-Indianen geleverd: de Piapocas zijn met de bereiding daarvan onbekend.

10 December.—Wij brengen den morgen door met het maken van schetsen en teekeningen, met photografeeren en andere bezigheden van verschillenden aard.

Wij slagen er in, twee mannen over te halen om met ons naar San-Fernando te gaan. Zij zijn nog niet bekomen van hunne slemppartij van gisteren, en hoewel jonger, zijn zij minder vlug en spoediger vermoeid dan onze veel oudere roeiers van Sapoara. Maar onze prauw is niet zoo zwaar, en hoewel wij tweemaal ophouden om een hocco en een eend te schieten, leggen wij van elf uur tot half zes niet minder dan zes-en-veertig mijlen af.

Monding van de Atabapo.Monding van de Atabapo.

Monding van de Atabapo.


Back to IndexNext