VIII11 December.—Onze Indianen, die nu geheel van hun roes bekomen zijn, roeien flinker dan gisteren. Ieder hunner heeft een kleinen lederen zak, waarin hij zijn tabak en andere kleinigheden bewaart. Toen ik een dezer zakjes nakeek, vond ik daarin een wonderlijk beeldje van klei, eene niet geheel onkenbare afbeelding van den kop van een aap met een stuk van den romp.“Maminaïmi!” zeide de Indiaan tot mij. Hij had dit beeldje gevonden aan den oever ergens in de buurt, op een plek, die door de maminaïmis bezocht wordt.Volgens hen, zijn deze maminaïmis een soort van watergeesten of duivels. Zij hebben de gestalte van een klein kind en het gelaat van een neger. Overdag houden zij zich onder water op; maar des nachts zwerven zij langs den oever en door de bosschen, daarbij een geluid makende dat volkomen op het schreeuwen van een kind gelijkt. Onze Indianen verzekeren ons, meermalen dat geluid gehoord te hebben, waarop zij alles behalve gesteld zijn. Al de Piapoco-Indianen gelooven vastelijk aan het bestaan van de maminaïmis.Omstreeks half twaalf houden wij stil aan den oever, om den stand der zon waar te nemen. Volgens mijne waarneming berekent Lejanne, dat wij ons op 3° 40’ 93° noorderbreedte bevinden.Wij bespeuren even boven water de rugvin van een visch, die, naar het ons voorkomt, vrij groot moet zijn; wij naderen hem met onze boot, zonder dat hij eenige beweging maakt. Een der Indianen werpt zijn harpoen uit, en haalt een wentelaar op, grooter dan ik er nog ooit een gezien had. Hij is ongeveer zes palmen lang, waarvan ruim een derde door den kop wordt ingenomen, die zeer breed is en waarin de hersenen bijzonder sterk ontwikkeld zijn. Toen wij den visch gekookt hadden, was het weinige vleesch bijna geheel weggesmolten.Omstreeks vijf uren houden wij stil bij eene zandbank, waar wij ons bivak zullen opslaan. Voor ons middagmaal hebben wij apenvleesch, een eendebout en visch. Wij drinken een weinig koffie, hetgeen wij anders gewoonlijk alleen des morgens, voor ons vertrek doen. Na dat weelderige maal rollen wij eenige tabaksbladeren tot sigaren en keuvelen met elkander, al rookende, rondom het vuur op het zand uitgestrekt. Wij vernemen van de Indianen eenige bijzonderheden omtrent hunne zeden en gebruiken. Zoo vertellen zij ons dat eene vrouw, die hare bevalling wachtende is, zich naar eene daarvoor aangewezen hut begeeft, waar zij gedurende zeven dagen na hare verlossing blijft. Gedurende dien tijd blijft ook de man in zijne hangmat liggen; de beide echtgenooten gebruiken geen ander voedsel dan cassave en water. Men heeft hieruit ten onrechte opgemaakt, dat de man zich moet aanstellen als warehij in de kraam gekomen. Bij de Piapoco-Indianen is dit althans niet het geval, en ik betwijfel zeer of zulk eene onzinnige vertooning ergens plaats vindt. Zoo de man in zijn hangmat gaat liggen en zich aan hetzelfde dieet als zijne vrouw onderwerpt, dan geschiedt dit om daardoor zekere ziekten van zijn kind af te wenden, door zich zelven, in zijne plaats, boete en onthouding op te leggen. Ik vermoed dat wij hier te doen hebben met een overblijfsel uit overoude tijden, eene flauwe herinnering aan de wet, die de jonggeboren kinderen aan de godheid wijdde. Om zijn kind los te koopen, legde dan de vader zich zelven zekere boete op.14 December.—Ten zes uren zijn wij reeds op de been: wij zijn niet ver meer van San-Fernando. Wij maken een weinig toilet, voor zoo ver ons dat mogelijk is: maar ondanks onze inspanning, blijven wij er als havelooze landloopers uitzien. Ik ben verzekerd, dat, althans in Frankrijk, niemand ons gaarne op eene eenzame plek in het bosch zou willen ontmoeten: men zou ons ongetwijfeld voor vagebonden houden; die aan de zorg der policie moesten worden toevertrouwd.Omstreeks tien uren komen wij aan de monding van de Ynirida, eene vrij belangrijke rivier, die zich aan den rechter oever in de Guaviare uitstort. Bij haar samenvloeiing met laatstgenoemde rivier heeft de Ynirida eene breedte van omstreeks zeshonderd meters; de kleur van het water is donkerbruin, het meest overeenkomende met die van koffiedik; het water van de Ynirida onderscheidt zich dan ook zeer duidelijk van het troebele geelachtig witte water van de Guaviare. Op de landpunt tusschen de beide rivieren vertoonen zich groote granietrotsen. Wij ontdekken twee hutten, eene op den linker en eene op den rechter oever, beiden door blanken bewoond. De laatste hut ligt op onzen weg. Wij bestijgen een soort van steile trap, in den weeken kleigrond van den zeven tot acht el hoogen oever uitgehouwen.Wij zijn bij Gregorio Garcia. Zijne vrouw, eene Indiaansche van den stam der Pouinavés, ontvangt ons. Volgens het gebruik des lands begroet ik haar met eenAve Maria, waarop zijgratia plenaantwoordt; vervolgens noodigt zij ons uit, hare woning binnen te treden. Haar echtgenoot is afwezig, maar zal zoo aanstonds terug keeren. Inmiddels koop ik verschillende voorwerpen: aardewerk, zeven en andere dingen, die zij zelve gemaakt heeft. Daarop vraag ik haar vergunning, om ons middagmaal in hare hut gereed te mogen maken; zij bewilligt daarin niet alleen, maar wil zich zelve met de zorg daarvoor belasten. Bij ons gerookt vleesch voegt zij nog eene jonge kip, gebakken bananen, pasteken en nog andere lekkernijen. Toen wij aan tafel zaten trad Gregorio binnen.Hij is een eenvoudig man, volstrekt ongeletterd, maar, zoo als wij later te San-Fernando vernamen, een goed en ijverig werkman, hetgeen trouwens ook bleek uit de groote hoeveelheid van allerlei produkten, in en nabij de hut opgestapeld. Niet dan met groote moeite kunnen wij hem bewegen, om in dank voor zijn vriendelijk en gastvrij onthaal, een sabel en een bijl aan te nemen. Zijne vrouw daarentegen is zeer in haar schik met eene halsketting van roode koralen, die wij haar aanbieden.Tegen een uur in den namiddag gaan wij weer op weg naar San-Fernando. Gregorio verzekert ons dat het eene “pueblo grande” is. Maar hij heeft niet veel gezien, en het waarschijnlijkste is dat wij een klein dorp zullen vinden.Om vier uur krijgen wij eindelijk San-Fernando in het gezicht: van verre gezien, herinnert het mij aan de dorpen langs de Amazone. Hutten met palmbladen bedekt, met leemen wit gepleisterde wanden, staan langs de helling van een lagen heuvel verspreid, en schijnen vrij talrijk, juist omdat zij zoo door en boven elkander zijn geplaatst. Weldra bereiken wij lage eilanden, door granietrotsen omzoomd, dan varen wij de donkere wateren van de Atabapo op. De oever, waarop het dorp ligt, is omzoomd door eene bank van graniet, die met zachte glooiing in de rivier afdaalt. Deze rivier heeft bij hare samenvloeiing met de Guaviare eene breedte van zes- tot achthonderd meters.In een glas ziet haar water grauw, rookkleurig: maar in de rivier zelve is het water, door de massa, volkomen zwart. Een wit voorwerp, in de rivier gedompeld, neemt op eene diepte van dertig duim eene goudgele tint aan; op negentig duim diepte is het oranjerood. Dit water is echter drinkbaar; te San-Fernando gebruikt men geen ander. Het vermengt zich zeer goed met zeep, en bezit twee voortreffelijke hoedanigheden: het houdt de muskieten en de kaimans op een afstand. Het verdient wel vermelding, dat men nooit een dezer laatste dieren in den omtrek van San-Fernando heeft aangetroffen, terwijl toch de Guaviare, die niet meer dan achthonderd meters van de plaats verwijderd is, van kaimans wemelt. Ik houd het voor zeker, dat de zwarte kleur van het water van de Atabapo door organische stoffen veroorzaakt wordt, waarvan de ware aard nog niet bekend is; al de visschen van deze rivier zijn eveneens zwart van kleur. In haar leeft eene bijzondere soort van schildpad, veel kleiner dan die van de Guaviare. De rio Atabapo komt van het zuiden; zij opent een veel korter weg dan de Cassiquiare om de rio Negro te bereiken. Na acht dagen varens en een marsch van nog twee dagen komt men aan de rio Guaïnia, die meer benedenwaarts den naam aanneemt van rio Negro.De vaart over de rivier valt ons lang. De zwarte kleur van het water geeft aan het landschap een eigenaardig vreemd karakter: de kleuren en tinten der naburige voorwerpen schijnen veel helderder en levendiger. Op den oever tegenover ons bevinden zich enkele vrouwen, wier gele of blauwe japonnen ons letterlijk in het oog steken.—Eindelijk bereiken wij den oever. Het gerucht onzer komst is spoedig verspreid, want de aankomst van eene prauw is voor dit dorp eene gebeurtenis van zeker gewicht. Is de prauwmet Indianen bemand, dan komen de kooplieden zich spoedig vergewissen, welke koopwaren zij medebrengen. Maar wie kunnen deze blanken zijn, die van de Guaviare komen? Geen enkel van de inwoners van het dorp is dien kant uitgegaan om handel te drijven.Vier of vijf personen spreken ons zeer beleefd aan, blijkbaar brandende van begeerte om hunne nieuwsgierigheid bevredigd te zien. Hun kostuum perst François een glimlach af: zij dragen een pantalon en daarover heen een wijd loshangend hemd. Deze mannen zijn bleek, vermagerd, zwak, de koorts ziet hun de oogen uit. Een enkele, een mulat wiens haar reeds grijs begint te worden, ziet er gezond en welvarend uit. Zoo als ons later bleek, is hij iemand van een zeer vroolijk humeur, een pretmaker, die zeer tevreden is met zijn lot.De waarnemende gouverneur, don Manuel Fuentes, is een man van omstreeks vijftig jaar, bleek, uitgeteerd, met reeds grijzenden baard en haar, en groote zwarte schitterende oogen, door zware grijze wenkbrauwen overschaduwd. Hij spreekt goed en vlug, is zeer vriendelijk en voorkomend, maar gevoelt toch blijkbaar al het gewicht van zijne betrekking. Hij ziet onze papieren in, en wij deelen hem het een an ander nopens onze reis mede, waarnaar hij met groote belangstelling luistert. Hij spreekt ons breedvoerig over Michelena, een venezuelaansch reiziger, die een boek heeft uitgegeven over de reis van Humboldt, waarin hij, met zeer veel warmte, tracht te betoogen, dat deze beroemde reiziger niet tot de bronnen van den Orinoco is doorgedrongen. Mag men den hartstochtelijken kritikus gelooven, dan zou Humboldt niet verder zijn gegaan dan tot de Guapo, op een of twee mijlen afstands van Esmeralda en driehonderd mijlen boven den waterval van de Guaharibos. De Guaharibo-Indianen zijn, volgens de bewoners van San-Fernando, zeer vreemde wezens met een blanke huid en rood haar: zij schilderen hen af als zeer wild en bloeddorstig en beweren dat zij steeds ieder belet hebben, tot de bronnen van den Orinoco door te dringen. Eenige jaren geleden liet Michelena zich tot gouverneur van San-Fernando benoemen, uitsluitend met het doel om het onderzoek van die rivier ten einde te brengen. In een zijner tochten op de Atabapo werd hij door den val van een boom gedood. Hij was tachtig jaren oud, en men kan hem althans geen gebrek aan ijver en energie verwijten: in dat opzicht maakte hij vele jongeren beschaamd.Het dorp San-Fernando heeft geene herberg: gelukkig kunnen wij onzen intrek nemen in eene bouwvallige hut, die aan de voorzijde gestut wordt en waarvan wij hopen mogen dat zij, zonder onvoorziene toevallen, gedurende den tijd van ons verblijf overeind zal blijven staan. Onze naaste buurman is de heer Mirabal, koopman, die bijna alle Indianen uit de omstreken kent en die ons met hen in aanraking zal brengen, als zij voor ons vertrek te San-Fernando komen. Hij neemt op zich, het noodige voor onze tafel te leveren.Voor onze hut staan twee breedgetakte ceibos, waaronder banken zijn geplaatst: hier komen de aanzienlijken van het dorp des avond bijeen om te praten. Van daar overziet men de Atabapo en de Guaviare; zelfs kan men het punt onderscheiden waar de Guaviare zich met den Orinoco vereenigt. Van welken kant ook prauwen of vaartuigen mogen komen, steeds vallen ze hier aanstonds in het oog. Men praat en keuvelt hier over alles, zelfs, o goden, over politiek! en dat bij helderen maneschijn, en terwijl in den stillen plechtigen nacht, daar beneden langs de oevers, de fakkels flikkeren der visschers die op buit uitgaan.Het dorp San-Fernando was vroeger van meer beteekenis dan tegenwoordig. De ligging van het vlek is uitmuntend: juist op een punt waar de Orinoco, de Guaviare, de Atabapo en de Ynirada om zoo te zeggen elkander ontmoeten, en aan de twee wegen die naar de Amazone voeren, hetzij langs de Cassiquiare, hetzij langs de Atabapo.De bewoners vinden hun hoofdmiddel van bestaan in de exploitatie van caoutchouc, gutta-pertja, en copahu. Het was een Franschman, de heer Truchon, die eenige jaren geleden, den inboorlingen de exploitatie van de caoutchouc leerde. In December gaan de Baniva-Indianen van de Atabapo en de bewoners van San-Fernando naar de bosschen van den Orinoco, boven de Vichada, om de “gomma” in te zamelen, die zij vervolgens aan de voornaamste handelaren van het dorp verkoopen. Dezen verkoopen op hunne beurt de caoutchouc te Bolivar. De vrachtprijs naar deze stad is zeer hoog en bedraagt vijf-en-twintig percent van de waarde der koopwaren bij vaartuigen met een inhoud van driehonderd aroben, en vijftig percent bij kleinere vaartuigen.—Een arobe staat gelijk met vijf-en-twintig pond.—Van de Cassiquiare zou men gemakkelijker Manaos dan Bolivarkunnenbereiken; de vaart op den Orinoco gaat met meer gevaren gepaard dan die op de rio Negro; maar men zou dan met braziliaansch papier worden betaald en de handelaars zouden bij de inwisseling belangrijk daarop verliezen. De hooge vrachtprijs is niet alleen een gevolg van het lange traject, maar ook van de gevaren der reis van wege de watervallen van Maypoures en Atoure, die tusschen San-Fernando en de uitmonding van de Meta liggen.Volgens de waarnemingen van Lejanne ligt San-Fernando honderd-een-en-vijftig meter boven de zee. De wind waait uit alle hoeken van den horizon en gaat dikwijls tot storm over. Eigenlijk gezegde saizoenen heeft men hier niet. Het dorp is ongezond; bijna voortdurend heerschen er koortsen. Muskieten vindt men er weinig, maar des te meer vampyrs. De landbouw is hoogst gebrekkig en onvolkomen. Sommige bijzonder bevoorrechten bezitten in den omtrek plantages, die hun bananen opleveren; men rekent op de Indianen, om zich van cassave en maniokmeel te voorzien. Het dorp bezit niet meer dan vijf of zes koeien, die vrij in den omtrek loopen te grazen, voor zoo ver er gras te vinden is. Aan alle zijden wordt San-Fernando door het woud omgeven, dat zichvan de Atabapo tot den Orinoco uitstrekt, en slechts hier en daar enkele, open plekken heeft, die met hoog gras en struiken zijn begroeid.De bewoners die thans in het dorp achtergebleven zijn brengen, naar het schijnt, hun tijd in volstrekte ledigheid door: hunne siësta duurt den ganschen namiddag. Veel tijd wordt aan het bad besteed. Uit onze hut kannen wij de baders gadeslaan, die hun hart ophalen in de zwarte wateren van de Atabapo. Op den tweeden dag na onze aankomst maakten wij eene interessante wandeling in den omtrek van het dorp, waarbij onze aandacht vooral getrokken werd door beeldwerk op granietrotsen tusschen San-Fernando en de Guaviare, blijkbaar het werk van Indianen.In den namiddag komen drie prauwen, door Baniva-Indianen bemand, te San-Fernando; zij komen van het dorp Samutsida aan de Atabapo en gaan den Orinoco opvaren om caoutchouc in te zamelen. Deze Indianen hebben hunne gezinnen medegebracht. Waarschijnlijk brengt de caoutchouc hun eene aardige winst op: althans zij dragen zeer nette en bijna nieuwe kleederen. De mannen dragen hun hemd los boven hun broek. De vrouwen zijn gedost in japonnen met schreeuwende kleuren; zij dragen gekleurde kousen en stoffen laarsjes met verlakte punten, waarop zij zeer trotsch zijn. In haar ooren prijken ringen van bijzonder groote afmeting. Weldra worden de nieuw aangekomenen door de kooplui in beslag genomen en rijkelijk op rhum onthaald: twee uren na hunne komst zijn de mannen stomdronken.Den trek der mannen naar alkohol en dien der vrouwen naar sieraden kennende, kostte het ons hoegenaamd geene moeite de Indianen tot ons te lokken. Lejanne maakte bijna aller portret. Wij onthalen de mannen op een weinig rhum en verblijden de vrouwen met roodkoralen halskettingen. Allen waren nu even begeerig om hun portret te laten maken; men zag ons algemeen voor groote heeren aan, die over schatten hadden te beschikken. Na de Baniva-Indianen kwam de beurt aan de inwoners van San-Fernando, die zich mede wilden laten conterfeiten. Wij kunnen onze verzameling nog vermeerderen met afbeeldingen van Pouynavé-Indianen, zoowel mannen als vrouwen, die langs de oevers van de rio Uaupés gevestigd zijn.Den 23stenDecember hebben wij eindelijk eene equipage gevonden, bestaande uit een schipper en twee roeiers, die, geholpen door Apatoe en François Burban, in staat zullen zijn om de overdekte prauw te besturen en te roeien, welke de heer Mirabal tot onze beschikking heeft gesteld. Deze prauw heeft geene kiel; zij is gemaakt van een hollen boomstam, dien men van een boord of borstwering en van een dak van palmbladen heeft voorzien. De prauw, waarmede wij van Recifal naar San-Fernando gekomen zijn, is niet geschikt voor de vaart op den Orinoco in dit jaargetijde, want voorbij Santa-Barbara zullen wij voortdurend met den wind en eene sterke strooming te worstelen hebben.De heer Mirabal kan eerst den 27stenvertrekken: wij brengen dus de Kerstdagen te San-Fernando door. De Kerstnacht wordt door een eigenaardig voorval gekenmerkt. De te San-Fernando vertoevende Indianen komen voor onze hut zingen en dansen, onder de telkens herhaalde kreten van:“Vivan los retratistos!” Leven de portretschilders!—Wij geven hun een flesch rhum.Onder meer dan een opzicht biedt San-Fernando de Atabapo de gelegenheid tot belangrijke waarnemingen en studiën, vooral ook op anthropologisch gebied. Bovendien zou men hier eene rijke verzameling kunnen bijeen brengen van visschen uit de Guaviare, den Orinoco, en de zwarte wateren van de Ynirida en de Atabapo. Voor den botanicus zou de oogst hier niet minder overvloedig zijn.Den 27stenDecember, des avonds tegen half zes, verscheen Lejanne, vergezeld van den heer Mirabal en van onze geheele equipage. Wij zijn nu ruim voorzien van cassave, suiker, koffie en ook van rhum.28 December.—Om zeven uur hebben wij onze koffie gebruikt, en zijn wij op weg gegaan. De morgen is donker en mistig. Het bed der rivier is bezaaid met groote rotsblokken in den vorm van bijenkorven, waarop de hooge waterstanden een spoor van slib hebben achtergelaten, die sedert verdroogd en verhard is. Een dier rotsen draagt den naam van Castillo, uit hoofde van hare gelijkenis met een fort; wij gaan op een naburig rotsblok aan wal, ten einde Lejanne gelegenheid te geven, van dit Castillo eene schets te maken. Omstreeks vijf uren bereiken wij den mond van de Mataveni, welke rivier wij opvaren. Wij zullen langs hare oevers de Piaroa-Indianen ontmoeten, die nog geheel in wilden toestand leven, en die ons zeer vermoedelijk beter zullen bevallen dan de half beschaafde en netjes gekleede Indianen, die wij te San-Fernando hebben leeren kennen.De Mataveni maakt op tweehonderd meters van hare uitmonding plotseling een scherpe bocht, veroorzaakt door groote vooruitspringende rotsen, waarop wij den nacht willen doorbrengen. Juist toen wij bij de rotsen kwamen, zagen wij twee prauwen naderen, met rotting geladen. Deze prauwen worden bestuurd door Indianen, die in het dorp eenige inkoopen hebben gedaan; wij roepen hen toe en noodigen hen uit, bij ons op de rotsen te komen, maar zij houden zich als hoorden zij ons niet. Te San-Fernando heeft men ons reeds gezegd, dat deze Piaroa-Indianen alle aanraking met blanken vermijden.Onze schipper zegt hun dat de heer Mirabal in eene tweede prauw achter ons volgt. Deze naam werkt als een tooverspreuk, en de beide vaartuituigen zetten onmiddellijk koers naar de rotsen. De twee Piaroas, die zich in de eerste prauw bevinden, komen naar ons toe, drukken ons de hand en vragen zelfs naar den staat onzer gezondheid. Beide mannen zijn slank en rijzig van gestalte en dragen niet zonder zekeren zwier hun hoogst eenvoudig kostuum, bestaande uit eene menigte zwarte koordjes, van haar gevlochten, twaalf tot vijftien duim breed en bij wijze vangordel om de lendenen geknoopt. Een schort van wit katoen, door dien gordel omvat, hangt van voren tot op de knieën, van achteren tot de kuiten. Zoowel van voren als van achteren is dit schort met drie kwasten versierd. Om hunne polsen en beneden hunne knieën dragen zij een koordje; in hunne ooren prijkt een schijfje hout, ongeveer vijftien duim lang en zoo dik als een ganzeveder; aan de achterste punt van dit schijfje of stokje hangt een kwastje van wit katoen, waaraan drie lange tressen van blauw katoen zijn bevestigd, die ieder weder met een wit kwastje versierd zijn. De haren zijn op het voorhoofd kort afgeknipt, maar hangen van achteren langer. Zij zijn behoorlijk gekamd. Een dezer Piaroas heeft op het voorhoofd en op de wangen een streep van zigzaglijnen, gevat tusschen twee rechte strepen, metchicageschilderd. Deze barbaarsche versiering doet echter geen afbreuk aan de zachte uitdrukking zijner groote zwarte oogen; zijn geheele voorkomen teekent veeleer bescheidenheid en schroom dan boosaardigheid.Ontmoeting met picaris.Ontmoeting met picaris.Wij zijn niet enkel hier gekomen om Indianen te zien. Wij hebben te San-Fernando vernomen, dat vlak bij den mond van de rio Mataveni een aantal Indianen begraven liggen, en zeer gaarne zouden wij hunne schedels en beenderen bezitten. Maar waar zijn ze te vinden? Een toeval brengt ons op het rechte spoor. Een der Piaroas geleidt ons, Mirabal en mij, naar het naburige dorp, terwijl Lejanne den anderen beschilderden Indiaan uitteekent. De Piaroas zijn bezig met het braden van eene boa, waarmede zij hun maal zullen doen. Men ontvangt mij aanvankelijk met groote vriendelijkheid; maar het toeval wilde dat ik moest niezen, en eensklaps weken allen die mij omringden terug. De vreesachtigsten trokken zich tot een grooten afstand terug; de moedigsten houden zich den neus dicht. Ik weet dat deze Indianen, die aan tering en borstziekten onderhevig zijn, de blanken beschuldigen—en zeker niet zonder grond—dat zij hun deze ziekten op den hals halen. Men verhaalt mij van kooplieden, die eensklaps door hunne equipage verlaten werden, omdat zij het ongeluk hadden te niezen en te hoesten. Ik vertrouw deze Indianen maar half.—Wij keeren met onzen gids naar ons kamp terug. Onderweg maakt onze Indiaan, die geen woord spaansch verstaat, een gebaar, dat wij zeker allen meermalen door doofstommen hebben zien maken, als zij den dood of den slaap willen aanduiden: hij buigt het hoofd naar rechts, legt het op de vlakke rechterhand, en wijst met de andere naar eene rotsgroep op den berg. Ik begrijp aanstonds dat deze heuvel eene begraafplaats is. Ik spreek met Lejanne af, dat ik morgen, vergezeld van Apatoe, voorgevende op de tapirjacht te gaan, de graven zal gaan opsporen, terwijl hij de dorpsbewoners zal ontvangen, die ons een bezoek zullen komen brengen.Wij doen ons maal met gekookte en gebakken visch en met bananen in schildpad vet gebakken: het een en ander besproeid met water uit de Mataveni; vervolgens verkwikken wij ons met een kop koffie en een glaasje rhum. Na den maaltijd legeren wij ons rondom het vuur en rooken sigaren, waarvan wij de gaten met onze vingers moeten dichtstoppen. De drie Indianen hebben zich bij ons gevoegd en deelen ons het een en ander omtrent hun stam en hunne taal mede.Den volgenden morgen, met het opgaan der zon, begeef ik mij op weg, vergezeld van Apatoe; wij marcheeren uren achtereen zonder iets te vinden; wij verwonden onze bloote voeten bij het beklimmen van den rotsigen heuvel, dien wij op het nauwkeurigst onderzoeken. Op den top zien wij eindelijk een soort van hangenden steen, die ons op het hoofd dreigt te vallen: Apatoe zegt tot mij: “Daar moeten wij de lijken vinden.” Eenige minuten later ontdekken wij onder de overhangende rots drie in boomschors gewikkelde voorwerpen: wij snijden de koorden door en zien nu drie fraaie mummies met halskettingen, sieraden en een hangmat. Naast elke mummie staat een aarden pot of kruik, die, zoo als ik later vernam, couria bevatte, opdat de doode zijn dorst zou kunnen lesschen. Apatoe wikkelt onzen schat in een korf of mand, die hij van palmbladeren vervaardigt, en wij keeren naar boord terug.Meer dan twintig Indianen hebben zich gedurende onze afwezigheid op den oever verzameld en koopen van den heer Mirabal verschillende dingen; bijna al die Indianen lijden aan huidziekten. Lejanne heeft er twee uitgeteekend. Maar eensklaps wordt hunne aandacht getrokken door de zonderlinge lading, die wij aan boord hebben, en die zij met achterdochtige blikken beschouwen. Het wordt hoog tijd om te vertrekken, hetgeen wij dan ook aanstonds doen.Omstreeks vijf uur bereiken wij eene granietrots aan den linker oever, waarop wij den nacht doorbrengen.30 December.—Mieren hebben het garneersel van mijn hoed weggevreten, en ook den hoed zelven niet ongeschonden gelaten. Zal hij het tot Bolivar uithouden? Ik hoop het: hij is een oude kameraad, op wien ik gesteld ben. Hij is de Andes overgetrokken, heeft de raudals van de Goyabero getrotseerd, en altijd trouw zijn plicht gedaan door mij voor zonnesteken te behoeden. Hij is niet mooi meer: maar een goed hart is meer waard dan een mooi gezicht.Tegen twee uren in den namiddag ontmoetten wij, dicht bij den mond van de rio Sipapo, eene prauw met Piaroa-Indianen, van wie wij eene levende iguane-hagedis koopen en een flesch met curare—het vergif waarmede zij hunne pijlen vergiftigen—die Apatoe te midden van hunne bagage ontdekt. Wij beginnen de heuvelreeks te onderscheiden, die den waterval of de stroomversnelling van Maypoures veroorzaakt, en waar wij omstreeks vijf uren aankomen. Wij bevinden ons in een doolhof van rotsige eilandjes; een daarvan is geheel uit zand gevormd, dat door verspreide granietblokken wordt opgehouden. Daar woont een onzer Indianen; zijne hut bestaat uit eenige palmbladen op stokken rustende. Wij laten een eend braden; Lejanne en Apatoe geven devoorkeur aan de iguane, die zij met zout en spaansche peper toebereiden. In het lichaam van de hagedis vinden zij, tot hunne groote blijdschap, niet minder dan drie-en-veertig eieren. Deze eieren zijn langwerpig en zoo groot als duiveneieren; de schaal is minder hard dan die van kippen- of schildpadeieren en laat zich met de hand eenigszins kneden. Gekookt, smaken deze eieren zeer lekker.31 December.—In den morgen laat ik mij met eene prauw naar eene naburige rots roeien, die omstreeks honderd el boven het water uitsteekt. Niet zonder moeite bereik ik den top, van waar ik de geheele stroomversnelling van Maypoures kan overzien. De rivier, door eene granietbank tegengehouden, heeft zich verschillende doorgangen geopend. Schuimend en kokend stroomt zij, in onstuimige vaart, over reusachtige trappen van graniet, waartusschen geweldige steenblokken oprijzen. Ik sta hier op een uitmuntenden observatiepost: geene enkele bijzonderheid ontgaat mijn blik. Na de plek goed bestudeerd en mijne waarnemingen gedaan te hebben, keer ik naar Lejanne terug, die inmiddels eene schets gemaakt heeft van de rivier boven den val. Wij spreken af dat wij in den namiddag een bezoek zullen gaan afleggen bij de Guahibo-Indianen aan den linker oever.De Guahibo-Indianen zijn zeer talrijk en worden daarom door hunne naburen ontzien en gevreesd. Hunne huid is donkerder van kleur dan bij de andere indiaansche stammen in het gebied van den Orinoco. Zij wonen langs de oevers van de Vichada en de Meta. Vooral de Guahibos langs de Meta zijn zeer woest en roofzuchtig; in 1878 hebben zij een blanke, die bij de monding van de Meta kampeerde, met zijn geheele gezin vermoord, en dat uitsluitend met het doel om hem te bestelen. Zij maakten zich meester van zijn geweer, dat hij in zijne prauw had achtergelaten, en sloegen hem met de kolf dood. De kooplieden vereenigen zich dan ook altijd tot eene kleine karavaan, wanneer zij bij hen handel komen drijven.Wij weten dat wij op den linker oever, omstreeks tien kilometers van de rivier verwijderd, een dorp van Guahibo-Indianen zullen aantreffen. In de nabijheid van dit dorp bevinden zich granietachtige heuvelen, samenhangende met de keten welke den waterval van Maypoures vormt, wier kale hellingen versierd zijn met beeldwerk, door de oude Indianen daarin gegriffeld en de maan voorstellende; van daar de naam van Cerro de la Luna, dien men aan deze heuvelen gegeven heeft.Tegen een uur in den namiddag ga ik met Lejanne op weg. Een onzer Indianen van gisteren zal ons tot gids dienen; nog een tweede gaat met ons mede om onze hangmatten te dragen.Na een zeer vermoeienden en bezwarenden tocht naderen wij het dorp. Even voor wij het bereiken, zien wij eensklaps twee Indianen, in hunne hangmatten gezeten, welke aan de boomen langs het pad zijn opgehangen. Uit hunne wijde neusgaten vloeien onophoudelijk twee zwarte walgelijk vieze beekjes. Zij komen naar ons toe en spreken tot ons, maar dit spreken gaat zoo ongeloofelijk snel, dat wij in de meening verkeeren dat zij slechts onzamenhangende woorden uitstooten, zonder eigenlijk iets te zeggen. Een kind dat van het dorp komt keert op zijne schreden terug, ongetwijfeld om kennis te geven van onze nadering. Wij laten ons naar de hut van den hoofdman of kapitein brengen. Deze kapitein, een mager man ondanks zijn vooruitstekenden buik, lijdt aan huidziekte; hij ziet er overigens vrij zachtzinnig uit. Hij ontvangt ons zeer vriendelijk, en biedt ons, bij gebrek van cachiri of couria, met water vermengde cassave aan.De bevolking van dit dorp, waarmede wij spoedig kennis maken, bestaat uitruimeen half dozijn mannen, evenveel vrouwen, en zeven of acht kinderen beneden de zestien jaren. De kleeding der mannen is dezelfde als die der Piaroas. De vrouwen dragen eene soort van hemd zonder mouwen; drie meisjes van veertien tot vijftien jaar hebben niets anders aan dan een lapje katoen, zoo groot als een hand.Naar het schijnt zijn deze lieden pas versch beschilderd. De mannen zijn over het geheele lichaam met allerlei figuren in roode kleur beschilderd; bij de vrouwen is alleen het gelaat op die wijze uitgemonsterd. Ik zie dat bij alle mannen datzelfde vuile zwarte vocht uit den neus vloeit. Elk oogenblik stoppen zij hunne neusgaten vol met een zeker donkerbruin poeder, in kleur en reuk zeer veel overeenkomende met zeer fijne snuif, en dat zij yopo noemen. Om dit poeder te verkrijgen roosteren zij de groene bladeren van eene zekere plant en maken die vervolgens met behulp van harde schelpen fijn.—De avond valt; de Indianen zijn in het bezit van versche cassave en van gedroogd vleesch: zij staan ons daarvan, in ruil tegen eenige snuisterijen, zooveel af als wij voor ons maal noodig hebben. Na gegeten te hebben, laten wij onze hangmatten aan de boomen ophangen in de nabijheid van de hut van den kapitein.IX1881.—Het is heden de eerste Januari. Wij wenschen elkander een gelukkig nieuwjaar, maar wij zijn niet feestelijk gestemd, want onwillekeurig denken wij aan onze betrekkingen en vrienden daar ginds, verre, verre weg, die sedert vele maanden niets van ons vernomen hebben, evenmin als wij iets van hen.Lejanne begint zijn dag met het portret te maken van een jong meisje. De vader, wiens toestemming met een stuk van vierrealesis gekocht, slaat met geopenden mond aandachtig den arbeid gade. Hij staat verstomd over de gelijkenis, die dan ook inderdaad treffend is.Bij deze Indianen staan de oogen dikwijls min of meer schuin. Hun romp is forsch en breed gebouwd; hunne beenen zijn mager en staan krom; de wangbeenderen steken vooruit. Maar wanneer zij, naar europeesche wijze gekleed, door onze straten wandelden, zou ieder hen waarschijnlijkvoor bewoners van oostelijk Azië aanzien. Zij gelijken in niets op die fantastische Indianen, wier afbeeldingen ik zoo vaak in geïllustreerde werken heb aangetroffen en die dan ook nergens bestaan dan in de verbeelding van den teekenaar.Bij de Guahibos bestaat de gewoonte, om bij zonsopgang uit hunne hutten te voorschijn te treden, voorzien met eene soort van pansfluit, en dan, op dat instrument blazende, een ommegang om het dorp te houden. Is dit eene hulde aan de zon, en vereeren zij die als hunne godheid?De kapitein brengt mij bij de gebeeldhouwde rotsen. Onder weg bemerk ik dat hij om den hals een stuk rotskristal draagt, dat in de holle tand van een kaaiman is geweest; zulk een halssieraad draagt den naam van guanare. Met behulp van deze guanares trachten de Guahibos hunne gehate naburen, de Piaroas, te betooveren en hun allerlei kwalen en rampen op den hals te halen. Hoe vele geslachten hebben niet aan dit stuk kristal gearbeid, om het aldus als een brillant te bewerken en te slijpen! Welke is wel de waarde van dit voorwerp, dat alleen door de wetenschap en de bekwaamheid van machtige toovenaars tot zoodanigen staat van volkomenheid kan zijn gebracht?Op weg naar het dorp.Op weg naar het dorp.De arme onwetende Indianen vermoeden zelfs niet, dat er voor onze glaswerkers maar een arbeid van weinige uren noodig is om de schoonste scheppingen der natuur op verwonderlijk getrouwe wijze na te bootsen; en evenmin dat deze kristallen, welke in zoo hooge mate hunne verbazing opwekken, op meer dan één punt in de ingewanden der aarde worden aangetroffen. Elk stuk mineraal, dat in zijne gedaante en zijne omtrekken zekere regelmatigheid vertoont, is in hunne schatting het werk van geesten of van toovenaars.Een uur na Lejanne kwam ik te Maypoures. Wij gebruiken het ontbijt en gaan daarop aan boord van onze prauw om de watervallen te passeeren. Bij twee van deze vallen of stroomversnellingen gaat dit zonder bezwaar; bij den derden, den val van Sardinel, moet de bagage worden ontscheept en over land vervoerd. Een uit Brazilië gevluchte neger, Sylvester genaamd, heeft zich hier als veerman neergezet. Hij voert de vaartuigen, die van boven of van beneden komen over den val, en belast zich ook met het vervoer der bagage over land. Wij gaan naar zijne hut om eene overeenkomst met hem te sluiten. Nadat wij het over de voorwaarden eens waren geworden spreken wij hem bij toeval over het curare.—“Mijne vrouw weet daar alles van”, zegt hij. “Zij is de dochter van een toovenaar uit den stam der Piaroas en heeft dikwerf haar vader geholpen om dit vergif te bereiden.”Juist terwijl hij dit zeide trad de vrouw de hut binnen. Wij halen uit onze prauw de kalebas met curare, die wij in den omtrek van San-Fernando gekocht hebben. Volgens haar, is dit niet het “curare fuerte” van de Piaroas. Zij kan daarvan het bewijs leveren, want op den boschrijken heuvel in de nabijheid der hut is de echte curare te vinden.“Volg mij,” zegt zij tot mij.Weldra komen wij bij een braaknotenboom, waarvan de bladeren en de jonge twijgen met roodachtige haren zijn bezet.—Dit is de “curare fuerte”. Professor Planchon, die de door ons medegebrachte exemplaren heeft onderzocht, houdt de bladeren en twijgen voor die van destrygnos toxifera.—Men raspt de schors van deze liano en laat die gedurende eenige uren in het water koken en vervolgens het vocht door eene zeer fijne zeef loopen; het aldus gefiltreerde vocht verdikt zich en wordt daarna uitgeperst. Het aldus verkregen vocht wordt in kalebassen van tien duim in doorsnede bewaard. Men doopt de punten der pijlen eens of meermalen in dit vocht,dat in de kalebassen spoedig opdroogt en dan het voorkomen van drop aanneemt. Dit curare is een zeer sterk vergift. Al de Piaroa-Indianen, wien wij later onze twijgen lieten zien, erkenden daarin aanstonds het echte curare.Sylvester weet ook dat in den omtrek Piaroa-Indianen begraven liggen. Hij wil, natuurlijk tegen betaling, mij behulpzaam zijn om mij hunne geraamten te bezorgen. Morgen, bij het aanbreken van den dag, zullen wij op die expeditie uitgaan. Lejanne zal eene schets maken van den waterval van Sardinel; Mirabal, meer gewoon met Indianen om te gaan, zal voor het vervoer der bagage zorgen.Indiaansche hut.Indiaansche hut.Dit eenmaal afgesproken zijnde, keeren wij naar den anderen oever terug. Onderweg hebben wij met geweldige draaikolken en stroomingen te worstelen. Somwijlen wordt onze kano, als die onweerstaanbare stroomingen haar van ter zijde aanvallen, als eene veer op de golven medegevoerd. De schipper heeft al zijne bekwaamheid en al zijne tegenwoordigheid van geest noodig om te beletten dat het broze vaartuig omkantelt of medegesleept wordt naar den bruisenden waterval van Sardinel. Ter wederzijde liggen groote kaimans op de loer, uitziende naar de visschen en andere dieren, die met den snel voortschietenden stroom worden medegevoerd. Wij brengen onze bagage aan den anderen oever aan land, en vinden daar een Spanjaard, don Pedro genaamd, die na eerst in La Plata, vervolgens in Brazilië te hebben gewoond, zich eindelijk te Atures heeft nedergezet. Hij is op weg naar la Urbana, met een lading maniokmeel, dat hij van de Indianen van de Vichada gekocht heeft. Het was deze don Pedro, die bij de Guahibo-Indianen tien manden maniokmeel betaalde met de stop van een karaf. Maar in onze positie kunnen wij niet kieskeurig zijn: van iedereen kunnen wij nuttige inlichtingen inwinnen.Wij deelen ons maal met dit heerschap, voor wien wij zeer weinig sympathie gevoelen, en bieden hem koffie en sigaren aan. Dan leggen wij ons rustig in onze hangmatten, die heen en weer worden geslingerd door den sterken wind, wiens koude adem ons reeds voor den morgenstond doet ontwaken.2 Januari.—Terwijl de heer Mirabal onze bagage door Indianen laat vervoeren, Lejanne den waterval van Sardinel uitteekent en eenden schiet voor ons middagmaal, ga ik, met Sylvester als gids, eene lange wandeling ondernemen. Eerst tegen vier uren kom ik terug, vermoeid van onzen tocht over naakte rotsen, in de brandende zon. Maar ik acht mijne moeite rijkelijk beloond, want wij brengen een ongeschonden geraamte mede. Ik vond mijne makkers aan den oever beneden denval, bij eene soort van natuurlijke grot, die eene veilige schuilplaats aanbiedt. In de onmiddellijke nabijheid bevindt zich eene kleine inham, waar de prauwen kunnen aanleggen. De kaimans zijn hier nog zeer talrijk. Wee den reiziger, wiens prauw hier omkantelde: hij zou onfeilbaar den dood in de golven vinden.Wij strekken ons op den oever uit, want buiten het water hebben wij van de kaimans niets te duchten. Maar de wind steekt op en waait ons het zand in het gelaat; wij zijn nu wel gedwongen op de rotsen te gaan slapen.3 Januari.—Don Pedro vaart met zijne prauw voor ons uit. Deze zeer lange en zeer smalle prauw komt ons tamelijk gevaarlijk voor: daar de bagage slecht is verdeeld en slordig vastgemaakt, is er groote kans dat het vaartuig kantelt. Don Pedro, zijn stuurman Agapito en de twee Indianen in de prauw deelen onze beduchtheid volstrekt niet. Zij moeten nog een kleinen val passeeren. Daar halen wij hen in. Zij hebben hunne bagage ontladen om de prauw over den val heen te krijgen. Apatoe is van meening dat dit voor ons niet noodig is, en in twee minuten heeft onze geladen prauw den waterval doorsneden. Wij waren zelven aan wal gegaan en konden nu weer in ons vaartuig stappen; maar wij wachten tot ook don Pedro de reis kon hervatten—en dat was zijn geluk.Wij vertrekken te zamen. Het water is zeer woelig: de rivier, bij den waterval tusschen de rotsen saamgeperst, is nog niet tot hare gewone kalmte teruggekeerd, maar klotst en golft en maakt allerlei bewegingen. Onze prauw houdt het midden van den stroom en wordt door de golven gedragen. De Spanjaard is niet geheel zeker van zijn zaak en poogt den rechter oever te bereiken: zijn vaartuig wordt door de branding in de flank gegrepen en slaat op tweehonderd meter van den oever om. Wij hooren om hulp roepen, en zien de schipbreukelingen, die zich aan de omgekeerde prauw vastklemmen en door het woelige water op en neer worden geslingerd. Wij zetten aanstonds koers naar de plek des ongeluks; onze Indianen roeien uit alle macht. Deze vaart tegen stroom is gansch niet zonder gevaar: onze prauw wordt duchtig heen en weer geschud en schept telkens water. Eindelijk komen wij bij de schipbreukelingen. De manden met maniokmeel dansen om ons heen op de golven. Wij nemen don Pedro bij ons aan boord. Apatoe grijpt de omgekantelde kano, keert haar weer om, en laat, door ze heen en weer te wiegelen, het achtergebleven water wegvloeien. Een der Indianen klautert nu in de boot en ledigt haar verder met eene groote kalebas; inmiddels visschen de andere Indianen de manden met meel op, die wij aan land brengen. Kort daarop bereiken de schipbreukelingen behouden den oever. De schipper Agapito is er het ergste aan toe: hij had een kist met messen, bijlen, hakmessen enz. aan boord, die natuurlijk als een steen gezonken is. Het maniokmeel, zorgvuldig in palmbladen gewikkeld, heeft niet geleden.De oever, waar wij aan land zijn gegaan, is zeer steil; het zand is op verschillende plaatsen omgewoeld. De kaimans hebben er diepe in kuilen gegraven; in een daarvan vinden wij vijf-en-veertig eieren. Deze eieren zijn zeer langwerpig van gedaante en grooter dan eendeneieren. Lejanne, met een roeispaan gewapend, slaat al die eieren, waaruit vijf-en-veertig krokodillen te voorschijn moeten komen, stuk; terwijl hij daarmede bezig is, bespeuren wij nabij den oever de wijfjes-krokodil, die onbewegelijk deze slachting van haar aanstaand kroost aanschouwt. Haar onbewegelijk starende oogen hebben eene onbeschrijfelijke uitdrukking van woede en jagen mij eene huivering door de leden. Gelukkig zijn de schipbreukelingen in veiligheid!We slaan tegen den avond ons kamp op op eene groote rots, die met zachte glooiing in de rivier afdaalt. Langs de beide oevers van den Orinoco vindt men van afstand tot afstand dergelijke reusachtige rotsen,lajasgenoemd, waar de reizigers in den regel hun bivak opslaan, bij gebrek aan zandbanken, die, zoo zij minder hard zijn, in dezen tijd des jaars althans weer onder andere opzichten minder geriefelijk zijn. Immers, ge hebt dan voortdurend last van het zand, dat de vrij sterke nachtwind u onophoudelijk in het gezicht waait en waaronder ge bijna bedolven wordt.In den namiddag heeft Lejanne een zwarten ibis geschoten. Dat is een schraal hapje, want als die vogel geplukt is, is hij niet veel grooter dan een fiksche manshand. Daarom gaat Lejanne nu nog eens met Apatoe op de jacht, om te trachten iets voor ons diner te vinden. Zij keeren terug met eene eend en twee agoutis. Terwijl ons diner wordt gereed gemaakt, wordt onze aandacht getrokken door een dof geluid, dat zich met zeer korte tusschenpoozen herhaald, en dat nu eens van de rivier, dan weer van onder de rots schijnt te komen. Onze Indianen meenen dat dit geluid door een visch wordt veroorzaakt; ik zou het er eer voor houden, dat het veroorzaakt wordt door het water, dat in eene onzichtbare spleet van de rots doordringt.4 Januari.—Wij gaan reeds vroegtijdig op weg: omstreeks elf uur zijn we in de onmiddellijke nabijheid van Atures. De loodrechte en zeer hooge linker oever vormt een lange geelachtige, bank, met donkere strepen getijgerd. Midden in de rivier verheft zich een rond eiland, dat aan een versterkt kasteel doet denken, en waarop weleer het klooster der Jezuïeten van Atures stond. Om half twaalf loopen we de dusgenoemde haven binnen, op korten afstand van den eersten val.Terwijl ik eene meteorologische waarneming doe, bespeuren mijne reisgezellen, die onder den lommer der naburige boomen op mij wachten, eene prauw, waarin drie vrouwen gezeten zijn, wier jurken—wel louter toevallig—de drie kleuren vertoonen van de nationale vlag van Venezuela: geel, rood en blauw. Zij stappen in onze nabijheid aan land. Wij reiken haar de hand en groeten haar naar indiaansche wijze. Zij zijn nog jong en zien er niet onaardig uit; het prachtige zwarte hair golft vrij langs nek en schouders. Zij slaan onmiddellijk den weg naar het dorp in;eenige oogenblikken daarna begeven wij ons ook derwaarts. Het pad loopt door eene savane, met granietblokken bezaaid.Geen enkele boom beschermt ons met zijn schaduw tegen de felle zonnestralen op den twee kilometers langen weg, die ons van het dorp scheidt. Dit dorp bestaat uit acht hutten, met inbegrip van de kerk en van de dusgenoemdecasa real. Het eenige wat de kerk van de andere hutten onderscheidt, is de klok die aan een balk voor de deur hangt. De casa real is ter beschikking van de reizigers en gelijkt op alle andere hutten: wanden of muren van pisé en een dak van palmbladeren. Het geheele ameublement bestaat uit krammen, die in den muur geslagen zijn om de hangmatten daaraan vast te maken.Even na onze aankomst krijgt François opnieuw een hevigen aanval van koorts, waaraan hij in den laatsten tijd telkens lijdende is. Wij maken het hem zoo gemakkelijk mogelijk, en begeven ons vervolgens naar den kapitein of hoofdman van het dorp. Deze kapitein is een vrij bejaard man van den stam der Atchagua-Indianen, terwijl de mannen, waaruit zijn pueblo bestaat, Guahibos zijn. Ik weet niet, door welk een samenloop van omstandigheden de Atchagua Agostino hun hoofdman geworden is; zijne moeder behoorde tot den stam der Atchaguas en zijn vader tot dien der Guahibos, maar het kind behoort altijd tot den stam zijner moeder.—De bewoners van Atures zijn katholiek en zoogenaamd beschaafd. Ongelukkig sterven zij langzamerhand uit, en zullen weldra geen voldoend aantal manschappen meer kunnen leveren voor het vervoer der bagage. “Al mijne mannen sterven”, zegt de kapitein op weemoedigen toon. Zijne vrouw is ziek: sedert drie dagen heeft zij decalentura. Ik onderzoek haar en bevind dat zij aan longaandoening lijdt; ik deel den kapitein mede dat ik geneesheer ben en dat ik zijne vrouw zal behandelen. Hij antwoordt, dat hij mij daarvoor zeer dankbaar zal zijn. Toch geloof ik, dat hij liever de hulp zou inroepen van een of anderen indiaanschen toovenaar, want deze arme lieden zijn wel in naam katholiek, maar hebben metterdaad nog een goed deel van hunne vroegere bijgeloovigheid behouden.Men had mij te San-Fernando verteld, dat zich te Atures eenigecuevasof indiaansche knekelhuizen bevinden en dat de kapitein daarvan weet. Ik vraag hem dus, of hij mij zou willen behulpzaam zijn om die cuevas te zien: het is hem bekend, dat er zich op twee verschillende plaatsen bevinden. Wij zouden nog heden de naast bijgelegenen kunnen bezoeken. Vol vreugde neem ik dit voorstel aan, en beloof hem eene goede belooning, als hij mij wil helpen om eenige schedels machtig te worden; ik deel hem tevens mede met welke bedoeling ik dat verzoek doe, waardoor zijne aanvankelijke bezwaren uit den weg worden geruimd.Wij begeven ons aanstonds op weg, vergezeld door den zoon van den kapitein en door Apatoe. Wij gaan door eene savane, steken dan een arm van de rivier over en gaan aan land op een eilandje, dat den naam draagt van Cucurital. Achter eene rij boomen en hoog struikgewas verborgen, ligt een soort van natuurlijke grot, door eene opeenstapeling van geweldige rotsblokken gevormd. Wij klauteren naar den lagen ingang der grot en vinden daar een menigte potten van verschillende vormen, die elk een schedel van een Indiaan bevatten. Andere schedels en beenderen zijn eenvoudig in palmbladeren gewikkeld: zij zijn van de Guahibos afkomstig. Ik leg een vijftiental van de mooiste schedels ter zijde, en neem mij voor met Lejanne terug te keeren om een nieuwen voorraad op te doen.Wij keeren naar het dorp terug en nemen afscheid van elkander, na vooraf de afspraak gemaakt te hebben, dat wij morgen de andere cuevas zullen gaan zien.5 Januari.—Ten zeven uren ’s morgens gaan wij op weg. Wij hebben eene zeer lange en zeer vermoeiende wandeling te doen, eer wij den granietberg bereiken, waarin de cuevas zich bevinden. Daar gekomen, stuiten wij op een schier onoverkomelijk bezwaar. Een zeer steil pad, nauwelijks een el breed en zeer glibberig, voert naar de grotten. Dit pad loopt op eene aanzienlijke hoogte langs den loodrechten bergwand. De minste misstap zou ons in den afgrond doen nederstorten. Met snellen stap loop ik zonder ongeval het pad af en kom aan de eerste grot, waar ik dezelfde voorwerpen vind als op het eiland Cucurital. Van een bezoek aan de tweede grot moet ik afzien. Toen ik mij gereed maakte om terug te keeren, werd ik door eene duizeling overvallen: ik moest gedurende eenige oogenblikken mijne oogen sluiten, en kon eerst toen naar beneden dalen. De kapitein had slechts eens in zijn leven, toen hij nog een kind was, deze grotten bezocht. Den indruk, dien dit tweede bezoek op hem maakte, vatte hij saam in de woorden: “Afschuwelijk! Ik kom hier nooit weer dan dood!”In het dorp teruggekeerd, verneem ik dat de Indianen heden avond zullen dansen. Natuurlijk zullen wij bij dat feest tegenwoordig zijn. Na afloop van het middagmaal begeven wij ons met den heer Mirabal naar de hut, waar het bal gegeven wordt. Het orkest bestaat uit eene mandoline, een halter met holle ballen waarin harde zaadkorrels zijn en dien men op de maat heen en weer beweegt, en eindelijk uit een jongen die beurtelings zingt en fluit. De dames hebben haar mooiste en kleurigste japonnen aangetrokken: maar deze sterk sprekende kleuren hinderen niet bij de kaneelkleurige huid dezer dames, Zij dragen bottines en versieren zich met reusachtige juweelen. De mannen zijn gekleed met een strooien hoed, een linnen broek en een loshangend hemd; zij zijn barrevoets. Daar de heeren in de minderheid zijn, dansen de dames met elkander. Blijkbaar hebben allen buitengewoon veel schik.De kapitein neemt geen deel aan deze wereldsche vermaken, die niet meer aan zijn leeftijd passen. Als een echte patriarch overweegt hij, terwijl zijne onderdanen zich vermaken, de belangen van den kleinen staat, waarvoor hij te zorgenheeft. Het dorpje vormt een vierkant, dat aan de eene zijde open ligt. Langs de hutten loopt eene breede straat, maar het midden van het vierkant is met hoog gras begroeid; welk gras nu is verdord. Het oogenblik is gekomen om het te verbranden. De wind blaast juist naar de open zijde van het vierkant. De daken zijn afgekoeld en door den dauw min of meer bevochtigd: de omstandigheden zijn dus zoo gunstig mogelijk. Met een harsachtigen fakkel gewapend, steekt de kapitein aan de windzijde het gras in brand. De vlammen verspreiden zich met groote snelheid: het is eene prachtige illuminatie, die ons het bal doet vergeten.
VIII11 December.—Onze Indianen, die nu geheel van hun roes bekomen zijn, roeien flinker dan gisteren. Ieder hunner heeft een kleinen lederen zak, waarin hij zijn tabak en andere kleinigheden bewaart. Toen ik een dezer zakjes nakeek, vond ik daarin een wonderlijk beeldje van klei, eene niet geheel onkenbare afbeelding van den kop van een aap met een stuk van den romp.“Maminaïmi!” zeide de Indiaan tot mij. Hij had dit beeldje gevonden aan den oever ergens in de buurt, op een plek, die door de maminaïmis bezocht wordt.Volgens hen, zijn deze maminaïmis een soort van watergeesten of duivels. Zij hebben de gestalte van een klein kind en het gelaat van een neger. Overdag houden zij zich onder water op; maar des nachts zwerven zij langs den oever en door de bosschen, daarbij een geluid makende dat volkomen op het schreeuwen van een kind gelijkt. Onze Indianen verzekeren ons, meermalen dat geluid gehoord te hebben, waarop zij alles behalve gesteld zijn. Al de Piapoco-Indianen gelooven vastelijk aan het bestaan van de maminaïmis.Omstreeks half twaalf houden wij stil aan den oever, om den stand der zon waar te nemen. Volgens mijne waarneming berekent Lejanne, dat wij ons op 3° 40’ 93° noorderbreedte bevinden.Wij bespeuren even boven water de rugvin van een visch, die, naar het ons voorkomt, vrij groot moet zijn; wij naderen hem met onze boot, zonder dat hij eenige beweging maakt. Een der Indianen werpt zijn harpoen uit, en haalt een wentelaar op, grooter dan ik er nog ooit een gezien had. Hij is ongeveer zes palmen lang, waarvan ruim een derde door den kop wordt ingenomen, die zeer breed is en waarin de hersenen bijzonder sterk ontwikkeld zijn. Toen wij den visch gekookt hadden, was het weinige vleesch bijna geheel weggesmolten.Omstreeks vijf uren houden wij stil bij eene zandbank, waar wij ons bivak zullen opslaan. Voor ons middagmaal hebben wij apenvleesch, een eendebout en visch. Wij drinken een weinig koffie, hetgeen wij anders gewoonlijk alleen des morgens, voor ons vertrek doen. Na dat weelderige maal rollen wij eenige tabaksbladeren tot sigaren en keuvelen met elkander, al rookende, rondom het vuur op het zand uitgestrekt. Wij vernemen van de Indianen eenige bijzonderheden omtrent hunne zeden en gebruiken. Zoo vertellen zij ons dat eene vrouw, die hare bevalling wachtende is, zich naar eene daarvoor aangewezen hut begeeft, waar zij gedurende zeven dagen na hare verlossing blijft. Gedurende dien tijd blijft ook de man in zijne hangmat liggen; de beide echtgenooten gebruiken geen ander voedsel dan cassave en water. Men heeft hieruit ten onrechte opgemaakt, dat de man zich moet aanstellen als warehij in de kraam gekomen. Bij de Piapoco-Indianen is dit althans niet het geval, en ik betwijfel zeer of zulk eene onzinnige vertooning ergens plaats vindt. Zoo de man in zijn hangmat gaat liggen en zich aan hetzelfde dieet als zijne vrouw onderwerpt, dan geschiedt dit om daardoor zekere ziekten van zijn kind af te wenden, door zich zelven, in zijne plaats, boete en onthouding op te leggen. Ik vermoed dat wij hier te doen hebben met een overblijfsel uit overoude tijden, eene flauwe herinnering aan de wet, die de jonggeboren kinderen aan de godheid wijdde. Om zijn kind los te koopen, legde dan de vader zich zelven zekere boete op.14 December.—Ten zes uren zijn wij reeds op de been: wij zijn niet ver meer van San-Fernando. Wij maken een weinig toilet, voor zoo ver ons dat mogelijk is: maar ondanks onze inspanning, blijven wij er als havelooze landloopers uitzien. Ik ben verzekerd, dat, althans in Frankrijk, niemand ons gaarne op eene eenzame plek in het bosch zou willen ontmoeten: men zou ons ongetwijfeld voor vagebonden houden; die aan de zorg der policie moesten worden toevertrouwd.Omstreeks tien uren komen wij aan de monding van de Ynirida, eene vrij belangrijke rivier, die zich aan den rechter oever in de Guaviare uitstort. Bij haar samenvloeiing met laatstgenoemde rivier heeft de Ynirida eene breedte van omstreeks zeshonderd meters; de kleur van het water is donkerbruin, het meest overeenkomende met die van koffiedik; het water van de Ynirida onderscheidt zich dan ook zeer duidelijk van het troebele geelachtig witte water van de Guaviare. Op de landpunt tusschen de beide rivieren vertoonen zich groote granietrotsen. Wij ontdekken twee hutten, eene op den linker en eene op den rechter oever, beiden door blanken bewoond. De laatste hut ligt op onzen weg. Wij bestijgen een soort van steile trap, in den weeken kleigrond van den zeven tot acht el hoogen oever uitgehouwen.Wij zijn bij Gregorio Garcia. Zijne vrouw, eene Indiaansche van den stam der Pouinavés, ontvangt ons. Volgens het gebruik des lands begroet ik haar met eenAve Maria, waarop zijgratia plenaantwoordt; vervolgens noodigt zij ons uit, hare woning binnen te treden. Haar echtgenoot is afwezig, maar zal zoo aanstonds terug keeren. Inmiddels koop ik verschillende voorwerpen: aardewerk, zeven en andere dingen, die zij zelve gemaakt heeft. Daarop vraag ik haar vergunning, om ons middagmaal in hare hut gereed te mogen maken; zij bewilligt daarin niet alleen, maar wil zich zelve met de zorg daarvoor belasten. Bij ons gerookt vleesch voegt zij nog eene jonge kip, gebakken bananen, pasteken en nog andere lekkernijen. Toen wij aan tafel zaten trad Gregorio binnen.Hij is een eenvoudig man, volstrekt ongeletterd, maar, zoo als wij later te San-Fernando vernamen, een goed en ijverig werkman, hetgeen trouwens ook bleek uit de groote hoeveelheid van allerlei produkten, in en nabij de hut opgestapeld. Niet dan met groote moeite kunnen wij hem bewegen, om in dank voor zijn vriendelijk en gastvrij onthaal, een sabel en een bijl aan te nemen. Zijne vrouw daarentegen is zeer in haar schik met eene halsketting van roode koralen, die wij haar aanbieden.Tegen een uur in den namiddag gaan wij weer op weg naar San-Fernando. Gregorio verzekert ons dat het eene “pueblo grande” is. Maar hij heeft niet veel gezien, en het waarschijnlijkste is dat wij een klein dorp zullen vinden.Om vier uur krijgen wij eindelijk San-Fernando in het gezicht: van verre gezien, herinnert het mij aan de dorpen langs de Amazone. Hutten met palmbladen bedekt, met leemen wit gepleisterde wanden, staan langs de helling van een lagen heuvel verspreid, en schijnen vrij talrijk, juist omdat zij zoo door en boven elkander zijn geplaatst. Weldra bereiken wij lage eilanden, door granietrotsen omzoomd, dan varen wij de donkere wateren van de Atabapo op. De oever, waarop het dorp ligt, is omzoomd door eene bank van graniet, die met zachte glooiing in de rivier afdaalt. Deze rivier heeft bij hare samenvloeiing met de Guaviare eene breedte van zes- tot achthonderd meters.In een glas ziet haar water grauw, rookkleurig: maar in de rivier zelve is het water, door de massa, volkomen zwart. Een wit voorwerp, in de rivier gedompeld, neemt op eene diepte van dertig duim eene goudgele tint aan; op negentig duim diepte is het oranjerood. Dit water is echter drinkbaar; te San-Fernando gebruikt men geen ander. Het vermengt zich zeer goed met zeep, en bezit twee voortreffelijke hoedanigheden: het houdt de muskieten en de kaimans op een afstand. Het verdient wel vermelding, dat men nooit een dezer laatste dieren in den omtrek van San-Fernando heeft aangetroffen, terwijl toch de Guaviare, die niet meer dan achthonderd meters van de plaats verwijderd is, van kaimans wemelt. Ik houd het voor zeker, dat de zwarte kleur van het water van de Atabapo door organische stoffen veroorzaakt wordt, waarvan de ware aard nog niet bekend is; al de visschen van deze rivier zijn eveneens zwart van kleur. In haar leeft eene bijzondere soort van schildpad, veel kleiner dan die van de Guaviare. De rio Atabapo komt van het zuiden; zij opent een veel korter weg dan de Cassiquiare om de rio Negro te bereiken. Na acht dagen varens en een marsch van nog twee dagen komt men aan de rio Guaïnia, die meer benedenwaarts den naam aanneemt van rio Negro.De vaart over de rivier valt ons lang. De zwarte kleur van het water geeft aan het landschap een eigenaardig vreemd karakter: de kleuren en tinten der naburige voorwerpen schijnen veel helderder en levendiger. Op den oever tegenover ons bevinden zich enkele vrouwen, wier gele of blauwe japonnen ons letterlijk in het oog steken.—Eindelijk bereiken wij den oever. Het gerucht onzer komst is spoedig verspreid, want de aankomst van eene prauw is voor dit dorp eene gebeurtenis van zeker gewicht. Is de prauwmet Indianen bemand, dan komen de kooplieden zich spoedig vergewissen, welke koopwaren zij medebrengen. Maar wie kunnen deze blanken zijn, die van de Guaviare komen? Geen enkel van de inwoners van het dorp is dien kant uitgegaan om handel te drijven.Vier of vijf personen spreken ons zeer beleefd aan, blijkbaar brandende van begeerte om hunne nieuwsgierigheid bevredigd te zien. Hun kostuum perst François een glimlach af: zij dragen een pantalon en daarover heen een wijd loshangend hemd. Deze mannen zijn bleek, vermagerd, zwak, de koorts ziet hun de oogen uit. Een enkele, een mulat wiens haar reeds grijs begint te worden, ziet er gezond en welvarend uit. Zoo als ons later bleek, is hij iemand van een zeer vroolijk humeur, een pretmaker, die zeer tevreden is met zijn lot.De waarnemende gouverneur, don Manuel Fuentes, is een man van omstreeks vijftig jaar, bleek, uitgeteerd, met reeds grijzenden baard en haar, en groote zwarte schitterende oogen, door zware grijze wenkbrauwen overschaduwd. Hij spreekt goed en vlug, is zeer vriendelijk en voorkomend, maar gevoelt toch blijkbaar al het gewicht van zijne betrekking. Hij ziet onze papieren in, en wij deelen hem het een an ander nopens onze reis mede, waarnaar hij met groote belangstelling luistert. Hij spreekt ons breedvoerig over Michelena, een venezuelaansch reiziger, die een boek heeft uitgegeven over de reis van Humboldt, waarin hij, met zeer veel warmte, tracht te betoogen, dat deze beroemde reiziger niet tot de bronnen van den Orinoco is doorgedrongen. Mag men den hartstochtelijken kritikus gelooven, dan zou Humboldt niet verder zijn gegaan dan tot de Guapo, op een of twee mijlen afstands van Esmeralda en driehonderd mijlen boven den waterval van de Guaharibos. De Guaharibo-Indianen zijn, volgens de bewoners van San-Fernando, zeer vreemde wezens met een blanke huid en rood haar: zij schilderen hen af als zeer wild en bloeddorstig en beweren dat zij steeds ieder belet hebben, tot de bronnen van den Orinoco door te dringen. Eenige jaren geleden liet Michelena zich tot gouverneur van San-Fernando benoemen, uitsluitend met het doel om het onderzoek van die rivier ten einde te brengen. In een zijner tochten op de Atabapo werd hij door den val van een boom gedood. Hij was tachtig jaren oud, en men kan hem althans geen gebrek aan ijver en energie verwijten: in dat opzicht maakte hij vele jongeren beschaamd.Het dorp San-Fernando heeft geene herberg: gelukkig kunnen wij onzen intrek nemen in eene bouwvallige hut, die aan de voorzijde gestut wordt en waarvan wij hopen mogen dat zij, zonder onvoorziene toevallen, gedurende den tijd van ons verblijf overeind zal blijven staan. Onze naaste buurman is de heer Mirabal, koopman, die bijna alle Indianen uit de omstreken kent en die ons met hen in aanraking zal brengen, als zij voor ons vertrek te San-Fernando komen. Hij neemt op zich, het noodige voor onze tafel te leveren.Voor onze hut staan twee breedgetakte ceibos, waaronder banken zijn geplaatst: hier komen de aanzienlijken van het dorp des avond bijeen om te praten. Van daar overziet men de Atabapo en de Guaviare; zelfs kan men het punt onderscheiden waar de Guaviare zich met den Orinoco vereenigt. Van welken kant ook prauwen of vaartuigen mogen komen, steeds vallen ze hier aanstonds in het oog. Men praat en keuvelt hier over alles, zelfs, o goden, over politiek! en dat bij helderen maneschijn, en terwijl in den stillen plechtigen nacht, daar beneden langs de oevers, de fakkels flikkeren der visschers die op buit uitgaan.Het dorp San-Fernando was vroeger van meer beteekenis dan tegenwoordig. De ligging van het vlek is uitmuntend: juist op een punt waar de Orinoco, de Guaviare, de Atabapo en de Ynirada om zoo te zeggen elkander ontmoeten, en aan de twee wegen die naar de Amazone voeren, hetzij langs de Cassiquiare, hetzij langs de Atabapo.De bewoners vinden hun hoofdmiddel van bestaan in de exploitatie van caoutchouc, gutta-pertja, en copahu. Het was een Franschman, de heer Truchon, die eenige jaren geleden, den inboorlingen de exploitatie van de caoutchouc leerde. In December gaan de Baniva-Indianen van de Atabapo en de bewoners van San-Fernando naar de bosschen van den Orinoco, boven de Vichada, om de “gomma” in te zamelen, die zij vervolgens aan de voornaamste handelaren van het dorp verkoopen. Dezen verkoopen op hunne beurt de caoutchouc te Bolivar. De vrachtprijs naar deze stad is zeer hoog en bedraagt vijf-en-twintig percent van de waarde der koopwaren bij vaartuigen met een inhoud van driehonderd aroben, en vijftig percent bij kleinere vaartuigen.—Een arobe staat gelijk met vijf-en-twintig pond.—Van de Cassiquiare zou men gemakkelijker Manaos dan Bolivarkunnenbereiken; de vaart op den Orinoco gaat met meer gevaren gepaard dan die op de rio Negro; maar men zou dan met braziliaansch papier worden betaald en de handelaars zouden bij de inwisseling belangrijk daarop verliezen. De hooge vrachtprijs is niet alleen een gevolg van het lange traject, maar ook van de gevaren der reis van wege de watervallen van Maypoures en Atoure, die tusschen San-Fernando en de uitmonding van de Meta liggen.Volgens de waarnemingen van Lejanne ligt San-Fernando honderd-een-en-vijftig meter boven de zee. De wind waait uit alle hoeken van den horizon en gaat dikwijls tot storm over. Eigenlijk gezegde saizoenen heeft men hier niet. Het dorp is ongezond; bijna voortdurend heerschen er koortsen. Muskieten vindt men er weinig, maar des te meer vampyrs. De landbouw is hoogst gebrekkig en onvolkomen. Sommige bijzonder bevoorrechten bezitten in den omtrek plantages, die hun bananen opleveren; men rekent op de Indianen, om zich van cassave en maniokmeel te voorzien. Het dorp bezit niet meer dan vijf of zes koeien, die vrij in den omtrek loopen te grazen, voor zoo ver er gras te vinden is. Aan alle zijden wordt San-Fernando door het woud omgeven, dat zichvan de Atabapo tot den Orinoco uitstrekt, en slechts hier en daar enkele, open plekken heeft, die met hoog gras en struiken zijn begroeid.De bewoners die thans in het dorp achtergebleven zijn brengen, naar het schijnt, hun tijd in volstrekte ledigheid door: hunne siësta duurt den ganschen namiddag. Veel tijd wordt aan het bad besteed. Uit onze hut kannen wij de baders gadeslaan, die hun hart ophalen in de zwarte wateren van de Atabapo. Op den tweeden dag na onze aankomst maakten wij eene interessante wandeling in den omtrek van het dorp, waarbij onze aandacht vooral getrokken werd door beeldwerk op granietrotsen tusschen San-Fernando en de Guaviare, blijkbaar het werk van Indianen.In den namiddag komen drie prauwen, door Baniva-Indianen bemand, te San-Fernando; zij komen van het dorp Samutsida aan de Atabapo en gaan den Orinoco opvaren om caoutchouc in te zamelen. Deze Indianen hebben hunne gezinnen medegebracht. Waarschijnlijk brengt de caoutchouc hun eene aardige winst op: althans zij dragen zeer nette en bijna nieuwe kleederen. De mannen dragen hun hemd los boven hun broek. De vrouwen zijn gedost in japonnen met schreeuwende kleuren; zij dragen gekleurde kousen en stoffen laarsjes met verlakte punten, waarop zij zeer trotsch zijn. In haar ooren prijken ringen van bijzonder groote afmeting. Weldra worden de nieuw aangekomenen door de kooplui in beslag genomen en rijkelijk op rhum onthaald: twee uren na hunne komst zijn de mannen stomdronken.Den trek der mannen naar alkohol en dien der vrouwen naar sieraden kennende, kostte het ons hoegenaamd geene moeite de Indianen tot ons te lokken. Lejanne maakte bijna aller portret. Wij onthalen de mannen op een weinig rhum en verblijden de vrouwen met roodkoralen halskettingen. Allen waren nu even begeerig om hun portret te laten maken; men zag ons algemeen voor groote heeren aan, die over schatten hadden te beschikken. Na de Baniva-Indianen kwam de beurt aan de inwoners van San-Fernando, die zich mede wilden laten conterfeiten. Wij kunnen onze verzameling nog vermeerderen met afbeeldingen van Pouynavé-Indianen, zoowel mannen als vrouwen, die langs de oevers van de rio Uaupés gevestigd zijn.Den 23stenDecember hebben wij eindelijk eene equipage gevonden, bestaande uit een schipper en twee roeiers, die, geholpen door Apatoe en François Burban, in staat zullen zijn om de overdekte prauw te besturen en te roeien, welke de heer Mirabal tot onze beschikking heeft gesteld. Deze prauw heeft geene kiel; zij is gemaakt van een hollen boomstam, dien men van een boord of borstwering en van een dak van palmbladen heeft voorzien. De prauw, waarmede wij van Recifal naar San-Fernando gekomen zijn, is niet geschikt voor de vaart op den Orinoco in dit jaargetijde, want voorbij Santa-Barbara zullen wij voortdurend met den wind en eene sterke strooming te worstelen hebben.De heer Mirabal kan eerst den 27stenvertrekken: wij brengen dus de Kerstdagen te San-Fernando door. De Kerstnacht wordt door een eigenaardig voorval gekenmerkt. De te San-Fernando vertoevende Indianen komen voor onze hut zingen en dansen, onder de telkens herhaalde kreten van:“Vivan los retratistos!” Leven de portretschilders!—Wij geven hun een flesch rhum.Onder meer dan een opzicht biedt San-Fernando de Atabapo de gelegenheid tot belangrijke waarnemingen en studiën, vooral ook op anthropologisch gebied. Bovendien zou men hier eene rijke verzameling kunnen bijeen brengen van visschen uit de Guaviare, den Orinoco, en de zwarte wateren van de Ynirida en de Atabapo. Voor den botanicus zou de oogst hier niet minder overvloedig zijn.Den 27stenDecember, des avonds tegen half zes, verscheen Lejanne, vergezeld van den heer Mirabal en van onze geheele equipage. Wij zijn nu ruim voorzien van cassave, suiker, koffie en ook van rhum.28 December.—Om zeven uur hebben wij onze koffie gebruikt, en zijn wij op weg gegaan. De morgen is donker en mistig. Het bed der rivier is bezaaid met groote rotsblokken in den vorm van bijenkorven, waarop de hooge waterstanden een spoor van slib hebben achtergelaten, die sedert verdroogd en verhard is. Een dier rotsen draagt den naam van Castillo, uit hoofde van hare gelijkenis met een fort; wij gaan op een naburig rotsblok aan wal, ten einde Lejanne gelegenheid te geven, van dit Castillo eene schets te maken. Omstreeks vijf uren bereiken wij den mond van de Mataveni, welke rivier wij opvaren. Wij zullen langs hare oevers de Piaroa-Indianen ontmoeten, die nog geheel in wilden toestand leven, en die ons zeer vermoedelijk beter zullen bevallen dan de half beschaafde en netjes gekleede Indianen, die wij te San-Fernando hebben leeren kennen.De Mataveni maakt op tweehonderd meters van hare uitmonding plotseling een scherpe bocht, veroorzaakt door groote vooruitspringende rotsen, waarop wij den nacht willen doorbrengen. Juist toen wij bij de rotsen kwamen, zagen wij twee prauwen naderen, met rotting geladen. Deze prauwen worden bestuurd door Indianen, die in het dorp eenige inkoopen hebben gedaan; wij roepen hen toe en noodigen hen uit, bij ons op de rotsen te komen, maar zij houden zich als hoorden zij ons niet. Te San-Fernando heeft men ons reeds gezegd, dat deze Piaroa-Indianen alle aanraking met blanken vermijden.Onze schipper zegt hun dat de heer Mirabal in eene tweede prauw achter ons volgt. Deze naam werkt als een tooverspreuk, en de beide vaartuituigen zetten onmiddellijk koers naar de rotsen. De twee Piaroas, die zich in de eerste prauw bevinden, komen naar ons toe, drukken ons de hand en vragen zelfs naar den staat onzer gezondheid. Beide mannen zijn slank en rijzig van gestalte en dragen niet zonder zekeren zwier hun hoogst eenvoudig kostuum, bestaande uit eene menigte zwarte koordjes, van haar gevlochten, twaalf tot vijftien duim breed en bij wijze vangordel om de lendenen geknoopt. Een schort van wit katoen, door dien gordel omvat, hangt van voren tot op de knieën, van achteren tot de kuiten. Zoowel van voren als van achteren is dit schort met drie kwasten versierd. Om hunne polsen en beneden hunne knieën dragen zij een koordje; in hunne ooren prijkt een schijfje hout, ongeveer vijftien duim lang en zoo dik als een ganzeveder; aan de achterste punt van dit schijfje of stokje hangt een kwastje van wit katoen, waaraan drie lange tressen van blauw katoen zijn bevestigd, die ieder weder met een wit kwastje versierd zijn. De haren zijn op het voorhoofd kort afgeknipt, maar hangen van achteren langer. Zij zijn behoorlijk gekamd. Een dezer Piaroas heeft op het voorhoofd en op de wangen een streep van zigzaglijnen, gevat tusschen twee rechte strepen, metchicageschilderd. Deze barbaarsche versiering doet echter geen afbreuk aan de zachte uitdrukking zijner groote zwarte oogen; zijn geheele voorkomen teekent veeleer bescheidenheid en schroom dan boosaardigheid.Ontmoeting met picaris.Ontmoeting met picaris.Wij zijn niet enkel hier gekomen om Indianen te zien. Wij hebben te San-Fernando vernomen, dat vlak bij den mond van de rio Mataveni een aantal Indianen begraven liggen, en zeer gaarne zouden wij hunne schedels en beenderen bezitten. Maar waar zijn ze te vinden? Een toeval brengt ons op het rechte spoor. Een der Piaroas geleidt ons, Mirabal en mij, naar het naburige dorp, terwijl Lejanne den anderen beschilderden Indiaan uitteekent. De Piaroas zijn bezig met het braden van eene boa, waarmede zij hun maal zullen doen. Men ontvangt mij aanvankelijk met groote vriendelijkheid; maar het toeval wilde dat ik moest niezen, en eensklaps weken allen die mij omringden terug. De vreesachtigsten trokken zich tot een grooten afstand terug; de moedigsten houden zich den neus dicht. Ik weet dat deze Indianen, die aan tering en borstziekten onderhevig zijn, de blanken beschuldigen—en zeker niet zonder grond—dat zij hun deze ziekten op den hals halen. Men verhaalt mij van kooplieden, die eensklaps door hunne equipage verlaten werden, omdat zij het ongeluk hadden te niezen en te hoesten. Ik vertrouw deze Indianen maar half.—Wij keeren met onzen gids naar ons kamp terug. Onderweg maakt onze Indiaan, die geen woord spaansch verstaat, een gebaar, dat wij zeker allen meermalen door doofstommen hebben zien maken, als zij den dood of den slaap willen aanduiden: hij buigt het hoofd naar rechts, legt het op de vlakke rechterhand, en wijst met de andere naar eene rotsgroep op den berg. Ik begrijp aanstonds dat deze heuvel eene begraafplaats is. Ik spreek met Lejanne af, dat ik morgen, vergezeld van Apatoe, voorgevende op de tapirjacht te gaan, de graven zal gaan opsporen, terwijl hij de dorpsbewoners zal ontvangen, die ons een bezoek zullen komen brengen.Wij doen ons maal met gekookte en gebakken visch en met bananen in schildpad vet gebakken: het een en ander besproeid met water uit de Mataveni; vervolgens verkwikken wij ons met een kop koffie en een glaasje rhum. Na den maaltijd legeren wij ons rondom het vuur en rooken sigaren, waarvan wij de gaten met onze vingers moeten dichtstoppen. De drie Indianen hebben zich bij ons gevoegd en deelen ons het een en ander omtrent hun stam en hunne taal mede.Den volgenden morgen, met het opgaan der zon, begeef ik mij op weg, vergezeld van Apatoe; wij marcheeren uren achtereen zonder iets te vinden; wij verwonden onze bloote voeten bij het beklimmen van den rotsigen heuvel, dien wij op het nauwkeurigst onderzoeken. Op den top zien wij eindelijk een soort van hangenden steen, die ons op het hoofd dreigt te vallen: Apatoe zegt tot mij: “Daar moeten wij de lijken vinden.” Eenige minuten later ontdekken wij onder de overhangende rots drie in boomschors gewikkelde voorwerpen: wij snijden de koorden door en zien nu drie fraaie mummies met halskettingen, sieraden en een hangmat. Naast elke mummie staat een aarden pot of kruik, die, zoo als ik later vernam, couria bevatte, opdat de doode zijn dorst zou kunnen lesschen. Apatoe wikkelt onzen schat in een korf of mand, die hij van palmbladeren vervaardigt, en wij keeren naar boord terug.Meer dan twintig Indianen hebben zich gedurende onze afwezigheid op den oever verzameld en koopen van den heer Mirabal verschillende dingen; bijna al die Indianen lijden aan huidziekten. Lejanne heeft er twee uitgeteekend. Maar eensklaps wordt hunne aandacht getrokken door de zonderlinge lading, die wij aan boord hebben, en die zij met achterdochtige blikken beschouwen. Het wordt hoog tijd om te vertrekken, hetgeen wij dan ook aanstonds doen.Omstreeks vijf uur bereiken wij eene granietrots aan den linker oever, waarop wij den nacht doorbrengen.30 December.—Mieren hebben het garneersel van mijn hoed weggevreten, en ook den hoed zelven niet ongeschonden gelaten. Zal hij het tot Bolivar uithouden? Ik hoop het: hij is een oude kameraad, op wien ik gesteld ben. Hij is de Andes overgetrokken, heeft de raudals van de Goyabero getrotseerd, en altijd trouw zijn plicht gedaan door mij voor zonnesteken te behoeden. Hij is niet mooi meer: maar een goed hart is meer waard dan een mooi gezicht.Tegen twee uren in den namiddag ontmoetten wij, dicht bij den mond van de rio Sipapo, eene prauw met Piaroa-Indianen, van wie wij eene levende iguane-hagedis koopen en een flesch met curare—het vergif waarmede zij hunne pijlen vergiftigen—die Apatoe te midden van hunne bagage ontdekt. Wij beginnen de heuvelreeks te onderscheiden, die den waterval of de stroomversnelling van Maypoures veroorzaakt, en waar wij omstreeks vijf uren aankomen. Wij bevinden ons in een doolhof van rotsige eilandjes; een daarvan is geheel uit zand gevormd, dat door verspreide granietblokken wordt opgehouden. Daar woont een onzer Indianen; zijne hut bestaat uit eenige palmbladen op stokken rustende. Wij laten een eend braden; Lejanne en Apatoe geven devoorkeur aan de iguane, die zij met zout en spaansche peper toebereiden. In het lichaam van de hagedis vinden zij, tot hunne groote blijdschap, niet minder dan drie-en-veertig eieren. Deze eieren zijn langwerpig en zoo groot als duiveneieren; de schaal is minder hard dan die van kippen- of schildpadeieren en laat zich met de hand eenigszins kneden. Gekookt, smaken deze eieren zeer lekker.31 December.—In den morgen laat ik mij met eene prauw naar eene naburige rots roeien, die omstreeks honderd el boven het water uitsteekt. Niet zonder moeite bereik ik den top, van waar ik de geheele stroomversnelling van Maypoures kan overzien. De rivier, door eene granietbank tegengehouden, heeft zich verschillende doorgangen geopend. Schuimend en kokend stroomt zij, in onstuimige vaart, over reusachtige trappen van graniet, waartusschen geweldige steenblokken oprijzen. Ik sta hier op een uitmuntenden observatiepost: geene enkele bijzonderheid ontgaat mijn blik. Na de plek goed bestudeerd en mijne waarnemingen gedaan te hebben, keer ik naar Lejanne terug, die inmiddels eene schets gemaakt heeft van de rivier boven den val. Wij spreken af dat wij in den namiddag een bezoek zullen gaan afleggen bij de Guahibo-Indianen aan den linker oever.De Guahibo-Indianen zijn zeer talrijk en worden daarom door hunne naburen ontzien en gevreesd. Hunne huid is donkerder van kleur dan bij de andere indiaansche stammen in het gebied van den Orinoco. Zij wonen langs de oevers van de Vichada en de Meta. Vooral de Guahibos langs de Meta zijn zeer woest en roofzuchtig; in 1878 hebben zij een blanke, die bij de monding van de Meta kampeerde, met zijn geheele gezin vermoord, en dat uitsluitend met het doel om hem te bestelen. Zij maakten zich meester van zijn geweer, dat hij in zijne prauw had achtergelaten, en sloegen hem met de kolf dood. De kooplieden vereenigen zich dan ook altijd tot eene kleine karavaan, wanneer zij bij hen handel komen drijven.Wij weten dat wij op den linker oever, omstreeks tien kilometers van de rivier verwijderd, een dorp van Guahibo-Indianen zullen aantreffen. In de nabijheid van dit dorp bevinden zich granietachtige heuvelen, samenhangende met de keten welke den waterval van Maypoures vormt, wier kale hellingen versierd zijn met beeldwerk, door de oude Indianen daarin gegriffeld en de maan voorstellende; van daar de naam van Cerro de la Luna, dien men aan deze heuvelen gegeven heeft.Tegen een uur in den namiddag ga ik met Lejanne op weg. Een onzer Indianen van gisteren zal ons tot gids dienen; nog een tweede gaat met ons mede om onze hangmatten te dragen.Na een zeer vermoeienden en bezwarenden tocht naderen wij het dorp. Even voor wij het bereiken, zien wij eensklaps twee Indianen, in hunne hangmatten gezeten, welke aan de boomen langs het pad zijn opgehangen. Uit hunne wijde neusgaten vloeien onophoudelijk twee zwarte walgelijk vieze beekjes. Zij komen naar ons toe en spreken tot ons, maar dit spreken gaat zoo ongeloofelijk snel, dat wij in de meening verkeeren dat zij slechts onzamenhangende woorden uitstooten, zonder eigenlijk iets te zeggen. Een kind dat van het dorp komt keert op zijne schreden terug, ongetwijfeld om kennis te geven van onze nadering. Wij laten ons naar de hut van den hoofdman of kapitein brengen. Deze kapitein, een mager man ondanks zijn vooruitstekenden buik, lijdt aan huidziekte; hij ziet er overigens vrij zachtzinnig uit. Hij ontvangt ons zeer vriendelijk, en biedt ons, bij gebrek van cachiri of couria, met water vermengde cassave aan.De bevolking van dit dorp, waarmede wij spoedig kennis maken, bestaat uitruimeen half dozijn mannen, evenveel vrouwen, en zeven of acht kinderen beneden de zestien jaren. De kleeding der mannen is dezelfde als die der Piaroas. De vrouwen dragen eene soort van hemd zonder mouwen; drie meisjes van veertien tot vijftien jaar hebben niets anders aan dan een lapje katoen, zoo groot als een hand.Naar het schijnt zijn deze lieden pas versch beschilderd. De mannen zijn over het geheele lichaam met allerlei figuren in roode kleur beschilderd; bij de vrouwen is alleen het gelaat op die wijze uitgemonsterd. Ik zie dat bij alle mannen datzelfde vuile zwarte vocht uit den neus vloeit. Elk oogenblik stoppen zij hunne neusgaten vol met een zeker donkerbruin poeder, in kleur en reuk zeer veel overeenkomende met zeer fijne snuif, en dat zij yopo noemen. Om dit poeder te verkrijgen roosteren zij de groene bladeren van eene zekere plant en maken die vervolgens met behulp van harde schelpen fijn.—De avond valt; de Indianen zijn in het bezit van versche cassave en van gedroogd vleesch: zij staan ons daarvan, in ruil tegen eenige snuisterijen, zooveel af als wij voor ons maal noodig hebben. Na gegeten te hebben, laten wij onze hangmatten aan de boomen ophangen in de nabijheid van de hut van den kapitein.IX1881.—Het is heden de eerste Januari. Wij wenschen elkander een gelukkig nieuwjaar, maar wij zijn niet feestelijk gestemd, want onwillekeurig denken wij aan onze betrekkingen en vrienden daar ginds, verre, verre weg, die sedert vele maanden niets van ons vernomen hebben, evenmin als wij iets van hen.Lejanne begint zijn dag met het portret te maken van een jong meisje. De vader, wiens toestemming met een stuk van vierrealesis gekocht, slaat met geopenden mond aandachtig den arbeid gade. Hij staat verstomd over de gelijkenis, die dan ook inderdaad treffend is.Bij deze Indianen staan de oogen dikwijls min of meer schuin. Hun romp is forsch en breed gebouwd; hunne beenen zijn mager en staan krom; de wangbeenderen steken vooruit. Maar wanneer zij, naar europeesche wijze gekleed, door onze straten wandelden, zou ieder hen waarschijnlijkvoor bewoners van oostelijk Azië aanzien. Zij gelijken in niets op die fantastische Indianen, wier afbeeldingen ik zoo vaak in geïllustreerde werken heb aangetroffen en die dan ook nergens bestaan dan in de verbeelding van den teekenaar.Bij de Guahibos bestaat de gewoonte, om bij zonsopgang uit hunne hutten te voorschijn te treden, voorzien met eene soort van pansfluit, en dan, op dat instrument blazende, een ommegang om het dorp te houden. Is dit eene hulde aan de zon, en vereeren zij die als hunne godheid?De kapitein brengt mij bij de gebeeldhouwde rotsen. Onder weg bemerk ik dat hij om den hals een stuk rotskristal draagt, dat in de holle tand van een kaaiman is geweest; zulk een halssieraad draagt den naam van guanare. Met behulp van deze guanares trachten de Guahibos hunne gehate naburen, de Piaroas, te betooveren en hun allerlei kwalen en rampen op den hals te halen. Hoe vele geslachten hebben niet aan dit stuk kristal gearbeid, om het aldus als een brillant te bewerken en te slijpen! Welke is wel de waarde van dit voorwerp, dat alleen door de wetenschap en de bekwaamheid van machtige toovenaars tot zoodanigen staat van volkomenheid kan zijn gebracht?Op weg naar het dorp.Op weg naar het dorp.De arme onwetende Indianen vermoeden zelfs niet, dat er voor onze glaswerkers maar een arbeid van weinige uren noodig is om de schoonste scheppingen der natuur op verwonderlijk getrouwe wijze na te bootsen; en evenmin dat deze kristallen, welke in zoo hooge mate hunne verbazing opwekken, op meer dan één punt in de ingewanden der aarde worden aangetroffen. Elk stuk mineraal, dat in zijne gedaante en zijne omtrekken zekere regelmatigheid vertoont, is in hunne schatting het werk van geesten of van toovenaars.Een uur na Lejanne kwam ik te Maypoures. Wij gebruiken het ontbijt en gaan daarop aan boord van onze prauw om de watervallen te passeeren. Bij twee van deze vallen of stroomversnellingen gaat dit zonder bezwaar; bij den derden, den val van Sardinel, moet de bagage worden ontscheept en over land vervoerd. Een uit Brazilië gevluchte neger, Sylvester genaamd, heeft zich hier als veerman neergezet. Hij voert de vaartuigen, die van boven of van beneden komen over den val, en belast zich ook met het vervoer der bagage over land. Wij gaan naar zijne hut om eene overeenkomst met hem te sluiten. Nadat wij het over de voorwaarden eens waren geworden spreken wij hem bij toeval over het curare.—“Mijne vrouw weet daar alles van”, zegt hij. “Zij is de dochter van een toovenaar uit den stam der Piaroas en heeft dikwerf haar vader geholpen om dit vergif te bereiden.”Juist terwijl hij dit zeide trad de vrouw de hut binnen. Wij halen uit onze prauw de kalebas met curare, die wij in den omtrek van San-Fernando gekocht hebben. Volgens haar, is dit niet het “curare fuerte” van de Piaroas. Zij kan daarvan het bewijs leveren, want op den boschrijken heuvel in de nabijheid der hut is de echte curare te vinden.“Volg mij,” zegt zij tot mij.Weldra komen wij bij een braaknotenboom, waarvan de bladeren en de jonge twijgen met roodachtige haren zijn bezet.—Dit is de “curare fuerte”. Professor Planchon, die de door ons medegebrachte exemplaren heeft onderzocht, houdt de bladeren en twijgen voor die van destrygnos toxifera.—Men raspt de schors van deze liano en laat die gedurende eenige uren in het water koken en vervolgens het vocht door eene zeer fijne zeef loopen; het aldus gefiltreerde vocht verdikt zich en wordt daarna uitgeperst. Het aldus verkregen vocht wordt in kalebassen van tien duim in doorsnede bewaard. Men doopt de punten der pijlen eens of meermalen in dit vocht,dat in de kalebassen spoedig opdroogt en dan het voorkomen van drop aanneemt. Dit curare is een zeer sterk vergift. Al de Piaroa-Indianen, wien wij later onze twijgen lieten zien, erkenden daarin aanstonds het echte curare.Sylvester weet ook dat in den omtrek Piaroa-Indianen begraven liggen. Hij wil, natuurlijk tegen betaling, mij behulpzaam zijn om mij hunne geraamten te bezorgen. Morgen, bij het aanbreken van den dag, zullen wij op die expeditie uitgaan. Lejanne zal eene schets maken van den waterval van Sardinel; Mirabal, meer gewoon met Indianen om te gaan, zal voor het vervoer der bagage zorgen.Indiaansche hut.Indiaansche hut.Dit eenmaal afgesproken zijnde, keeren wij naar den anderen oever terug. Onderweg hebben wij met geweldige draaikolken en stroomingen te worstelen. Somwijlen wordt onze kano, als die onweerstaanbare stroomingen haar van ter zijde aanvallen, als eene veer op de golven medegevoerd. De schipper heeft al zijne bekwaamheid en al zijne tegenwoordigheid van geest noodig om te beletten dat het broze vaartuig omkantelt of medegesleept wordt naar den bruisenden waterval van Sardinel. Ter wederzijde liggen groote kaimans op de loer, uitziende naar de visschen en andere dieren, die met den snel voortschietenden stroom worden medegevoerd. Wij brengen onze bagage aan den anderen oever aan land, en vinden daar een Spanjaard, don Pedro genaamd, die na eerst in La Plata, vervolgens in Brazilië te hebben gewoond, zich eindelijk te Atures heeft nedergezet. Hij is op weg naar la Urbana, met een lading maniokmeel, dat hij van de Indianen van de Vichada gekocht heeft. Het was deze don Pedro, die bij de Guahibo-Indianen tien manden maniokmeel betaalde met de stop van een karaf. Maar in onze positie kunnen wij niet kieskeurig zijn: van iedereen kunnen wij nuttige inlichtingen inwinnen.Wij deelen ons maal met dit heerschap, voor wien wij zeer weinig sympathie gevoelen, en bieden hem koffie en sigaren aan. Dan leggen wij ons rustig in onze hangmatten, die heen en weer worden geslingerd door den sterken wind, wiens koude adem ons reeds voor den morgenstond doet ontwaken.2 Januari.—Terwijl de heer Mirabal onze bagage door Indianen laat vervoeren, Lejanne den waterval van Sardinel uitteekent en eenden schiet voor ons middagmaal, ga ik, met Sylvester als gids, eene lange wandeling ondernemen. Eerst tegen vier uren kom ik terug, vermoeid van onzen tocht over naakte rotsen, in de brandende zon. Maar ik acht mijne moeite rijkelijk beloond, want wij brengen een ongeschonden geraamte mede. Ik vond mijne makkers aan den oever beneden denval, bij eene soort van natuurlijke grot, die eene veilige schuilplaats aanbiedt. In de onmiddellijke nabijheid bevindt zich eene kleine inham, waar de prauwen kunnen aanleggen. De kaimans zijn hier nog zeer talrijk. Wee den reiziger, wiens prauw hier omkantelde: hij zou onfeilbaar den dood in de golven vinden.Wij strekken ons op den oever uit, want buiten het water hebben wij van de kaimans niets te duchten. Maar de wind steekt op en waait ons het zand in het gelaat; wij zijn nu wel gedwongen op de rotsen te gaan slapen.3 Januari.—Don Pedro vaart met zijne prauw voor ons uit. Deze zeer lange en zeer smalle prauw komt ons tamelijk gevaarlijk voor: daar de bagage slecht is verdeeld en slordig vastgemaakt, is er groote kans dat het vaartuig kantelt. Don Pedro, zijn stuurman Agapito en de twee Indianen in de prauw deelen onze beduchtheid volstrekt niet. Zij moeten nog een kleinen val passeeren. Daar halen wij hen in. Zij hebben hunne bagage ontladen om de prauw over den val heen te krijgen. Apatoe is van meening dat dit voor ons niet noodig is, en in twee minuten heeft onze geladen prauw den waterval doorsneden. Wij waren zelven aan wal gegaan en konden nu weer in ons vaartuig stappen; maar wij wachten tot ook don Pedro de reis kon hervatten—en dat was zijn geluk.Wij vertrekken te zamen. Het water is zeer woelig: de rivier, bij den waterval tusschen de rotsen saamgeperst, is nog niet tot hare gewone kalmte teruggekeerd, maar klotst en golft en maakt allerlei bewegingen. Onze prauw houdt het midden van den stroom en wordt door de golven gedragen. De Spanjaard is niet geheel zeker van zijn zaak en poogt den rechter oever te bereiken: zijn vaartuig wordt door de branding in de flank gegrepen en slaat op tweehonderd meter van den oever om. Wij hooren om hulp roepen, en zien de schipbreukelingen, die zich aan de omgekeerde prauw vastklemmen en door het woelige water op en neer worden geslingerd. Wij zetten aanstonds koers naar de plek des ongeluks; onze Indianen roeien uit alle macht. Deze vaart tegen stroom is gansch niet zonder gevaar: onze prauw wordt duchtig heen en weer geschud en schept telkens water. Eindelijk komen wij bij de schipbreukelingen. De manden met maniokmeel dansen om ons heen op de golven. Wij nemen don Pedro bij ons aan boord. Apatoe grijpt de omgekantelde kano, keert haar weer om, en laat, door ze heen en weer te wiegelen, het achtergebleven water wegvloeien. Een der Indianen klautert nu in de boot en ledigt haar verder met eene groote kalebas; inmiddels visschen de andere Indianen de manden met meel op, die wij aan land brengen. Kort daarop bereiken de schipbreukelingen behouden den oever. De schipper Agapito is er het ergste aan toe: hij had een kist met messen, bijlen, hakmessen enz. aan boord, die natuurlijk als een steen gezonken is. Het maniokmeel, zorgvuldig in palmbladen gewikkeld, heeft niet geleden.De oever, waar wij aan land zijn gegaan, is zeer steil; het zand is op verschillende plaatsen omgewoeld. De kaimans hebben er diepe in kuilen gegraven; in een daarvan vinden wij vijf-en-veertig eieren. Deze eieren zijn zeer langwerpig van gedaante en grooter dan eendeneieren. Lejanne, met een roeispaan gewapend, slaat al die eieren, waaruit vijf-en-veertig krokodillen te voorschijn moeten komen, stuk; terwijl hij daarmede bezig is, bespeuren wij nabij den oever de wijfjes-krokodil, die onbewegelijk deze slachting van haar aanstaand kroost aanschouwt. Haar onbewegelijk starende oogen hebben eene onbeschrijfelijke uitdrukking van woede en jagen mij eene huivering door de leden. Gelukkig zijn de schipbreukelingen in veiligheid!We slaan tegen den avond ons kamp op op eene groote rots, die met zachte glooiing in de rivier afdaalt. Langs de beide oevers van den Orinoco vindt men van afstand tot afstand dergelijke reusachtige rotsen,lajasgenoemd, waar de reizigers in den regel hun bivak opslaan, bij gebrek aan zandbanken, die, zoo zij minder hard zijn, in dezen tijd des jaars althans weer onder andere opzichten minder geriefelijk zijn. Immers, ge hebt dan voortdurend last van het zand, dat de vrij sterke nachtwind u onophoudelijk in het gezicht waait en waaronder ge bijna bedolven wordt.In den namiddag heeft Lejanne een zwarten ibis geschoten. Dat is een schraal hapje, want als die vogel geplukt is, is hij niet veel grooter dan een fiksche manshand. Daarom gaat Lejanne nu nog eens met Apatoe op de jacht, om te trachten iets voor ons diner te vinden. Zij keeren terug met eene eend en twee agoutis. Terwijl ons diner wordt gereed gemaakt, wordt onze aandacht getrokken door een dof geluid, dat zich met zeer korte tusschenpoozen herhaald, en dat nu eens van de rivier, dan weer van onder de rots schijnt te komen. Onze Indianen meenen dat dit geluid door een visch wordt veroorzaakt; ik zou het er eer voor houden, dat het veroorzaakt wordt door het water, dat in eene onzichtbare spleet van de rots doordringt.4 Januari.—Wij gaan reeds vroegtijdig op weg: omstreeks elf uur zijn we in de onmiddellijke nabijheid van Atures. De loodrechte en zeer hooge linker oever vormt een lange geelachtige, bank, met donkere strepen getijgerd. Midden in de rivier verheft zich een rond eiland, dat aan een versterkt kasteel doet denken, en waarop weleer het klooster der Jezuïeten van Atures stond. Om half twaalf loopen we de dusgenoemde haven binnen, op korten afstand van den eersten val.Terwijl ik eene meteorologische waarneming doe, bespeuren mijne reisgezellen, die onder den lommer der naburige boomen op mij wachten, eene prauw, waarin drie vrouwen gezeten zijn, wier jurken—wel louter toevallig—de drie kleuren vertoonen van de nationale vlag van Venezuela: geel, rood en blauw. Zij stappen in onze nabijheid aan land. Wij reiken haar de hand en groeten haar naar indiaansche wijze. Zij zijn nog jong en zien er niet onaardig uit; het prachtige zwarte hair golft vrij langs nek en schouders. Zij slaan onmiddellijk den weg naar het dorp in;eenige oogenblikken daarna begeven wij ons ook derwaarts. Het pad loopt door eene savane, met granietblokken bezaaid.Geen enkele boom beschermt ons met zijn schaduw tegen de felle zonnestralen op den twee kilometers langen weg, die ons van het dorp scheidt. Dit dorp bestaat uit acht hutten, met inbegrip van de kerk en van de dusgenoemdecasa real. Het eenige wat de kerk van de andere hutten onderscheidt, is de klok die aan een balk voor de deur hangt. De casa real is ter beschikking van de reizigers en gelijkt op alle andere hutten: wanden of muren van pisé en een dak van palmbladeren. Het geheele ameublement bestaat uit krammen, die in den muur geslagen zijn om de hangmatten daaraan vast te maken.Even na onze aankomst krijgt François opnieuw een hevigen aanval van koorts, waaraan hij in den laatsten tijd telkens lijdende is. Wij maken het hem zoo gemakkelijk mogelijk, en begeven ons vervolgens naar den kapitein of hoofdman van het dorp. Deze kapitein is een vrij bejaard man van den stam der Atchagua-Indianen, terwijl de mannen, waaruit zijn pueblo bestaat, Guahibos zijn. Ik weet niet, door welk een samenloop van omstandigheden de Atchagua Agostino hun hoofdman geworden is; zijne moeder behoorde tot den stam der Atchaguas en zijn vader tot dien der Guahibos, maar het kind behoort altijd tot den stam zijner moeder.—De bewoners van Atures zijn katholiek en zoogenaamd beschaafd. Ongelukkig sterven zij langzamerhand uit, en zullen weldra geen voldoend aantal manschappen meer kunnen leveren voor het vervoer der bagage. “Al mijne mannen sterven”, zegt de kapitein op weemoedigen toon. Zijne vrouw is ziek: sedert drie dagen heeft zij decalentura. Ik onderzoek haar en bevind dat zij aan longaandoening lijdt; ik deel den kapitein mede dat ik geneesheer ben en dat ik zijne vrouw zal behandelen. Hij antwoordt, dat hij mij daarvoor zeer dankbaar zal zijn. Toch geloof ik, dat hij liever de hulp zou inroepen van een of anderen indiaanschen toovenaar, want deze arme lieden zijn wel in naam katholiek, maar hebben metterdaad nog een goed deel van hunne vroegere bijgeloovigheid behouden.Men had mij te San-Fernando verteld, dat zich te Atures eenigecuevasof indiaansche knekelhuizen bevinden en dat de kapitein daarvan weet. Ik vraag hem dus, of hij mij zou willen behulpzaam zijn om die cuevas te zien: het is hem bekend, dat er zich op twee verschillende plaatsen bevinden. Wij zouden nog heden de naast bijgelegenen kunnen bezoeken. Vol vreugde neem ik dit voorstel aan, en beloof hem eene goede belooning, als hij mij wil helpen om eenige schedels machtig te worden; ik deel hem tevens mede met welke bedoeling ik dat verzoek doe, waardoor zijne aanvankelijke bezwaren uit den weg worden geruimd.Wij begeven ons aanstonds op weg, vergezeld door den zoon van den kapitein en door Apatoe. Wij gaan door eene savane, steken dan een arm van de rivier over en gaan aan land op een eilandje, dat den naam draagt van Cucurital. Achter eene rij boomen en hoog struikgewas verborgen, ligt een soort van natuurlijke grot, door eene opeenstapeling van geweldige rotsblokken gevormd. Wij klauteren naar den lagen ingang der grot en vinden daar een menigte potten van verschillende vormen, die elk een schedel van een Indiaan bevatten. Andere schedels en beenderen zijn eenvoudig in palmbladeren gewikkeld: zij zijn van de Guahibos afkomstig. Ik leg een vijftiental van de mooiste schedels ter zijde, en neem mij voor met Lejanne terug te keeren om een nieuwen voorraad op te doen.Wij keeren naar het dorp terug en nemen afscheid van elkander, na vooraf de afspraak gemaakt te hebben, dat wij morgen de andere cuevas zullen gaan zien.5 Januari.—Ten zeven uren ’s morgens gaan wij op weg. Wij hebben eene zeer lange en zeer vermoeiende wandeling te doen, eer wij den granietberg bereiken, waarin de cuevas zich bevinden. Daar gekomen, stuiten wij op een schier onoverkomelijk bezwaar. Een zeer steil pad, nauwelijks een el breed en zeer glibberig, voert naar de grotten. Dit pad loopt op eene aanzienlijke hoogte langs den loodrechten bergwand. De minste misstap zou ons in den afgrond doen nederstorten. Met snellen stap loop ik zonder ongeval het pad af en kom aan de eerste grot, waar ik dezelfde voorwerpen vind als op het eiland Cucurital. Van een bezoek aan de tweede grot moet ik afzien. Toen ik mij gereed maakte om terug te keeren, werd ik door eene duizeling overvallen: ik moest gedurende eenige oogenblikken mijne oogen sluiten, en kon eerst toen naar beneden dalen. De kapitein had slechts eens in zijn leven, toen hij nog een kind was, deze grotten bezocht. Den indruk, dien dit tweede bezoek op hem maakte, vatte hij saam in de woorden: “Afschuwelijk! Ik kom hier nooit weer dan dood!”In het dorp teruggekeerd, verneem ik dat de Indianen heden avond zullen dansen. Natuurlijk zullen wij bij dat feest tegenwoordig zijn. Na afloop van het middagmaal begeven wij ons met den heer Mirabal naar de hut, waar het bal gegeven wordt. Het orkest bestaat uit eene mandoline, een halter met holle ballen waarin harde zaadkorrels zijn en dien men op de maat heen en weer beweegt, en eindelijk uit een jongen die beurtelings zingt en fluit. De dames hebben haar mooiste en kleurigste japonnen aangetrokken: maar deze sterk sprekende kleuren hinderen niet bij de kaneelkleurige huid dezer dames, Zij dragen bottines en versieren zich met reusachtige juweelen. De mannen zijn gekleed met een strooien hoed, een linnen broek en een loshangend hemd; zij zijn barrevoets. Daar de heeren in de minderheid zijn, dansen de dames met elkander. Blijkbaar hebben allen buitengewoon veel schik.De kapitein neemt geen deel aan deze wereldsche vermaken, die niet meer aan zijn leeftijd passen. Als een echte patriarch overweegt hij, terwijl zijne onderdanen zich vermaken, de belangen van den kleinen staat, waarvoor hij te zorgenheeft. Het dorpje vormt een vierkant, dat aan de eene zijde open ligt. Langs de hutten loopt eene breede straat, maar het midden van het vierkant is met hoog gras begroeid; welk gras nu is verdord. Het oogenblik is gekomen om het te verbranden. De wind blaast juist naar de open zijde van het vierkant. De daken zijn afgekoeld en door den dauw min of meer bevochtigd: de omstandigheden zijn dus zoo gunstig mogelijk. Met een harsachtigen fakkel gewapend, steekt de kapitein aan de windzijde het gras in brand. De vlammen verspreiden zich met groote snelheid: het is eene prachtige illuminatie, die ons het bal doet vergeten.
VIII11 December.—Onze Indianen, die nu geheel van hun roes bekomen zijn, roeien flinker dan gisteren. Ieder hunner heeft een kleinen lederen zak, waarin hij zijn tabak en andere kleinigheden bewaart. Toen ik een dezer zakjes nakeek, vond ik daarin een wonderlijk beeldje van klei, eene niet geheel onkenbare afbeelding van den kop van een aap met een stuk van den romp.“Maminaïmi!” zeide de Indiaan tot mij. Hij had dit beeldje gevonden aan den oever ergens in de buurt, op een plek, die door de maminaïmis bezocht wordt.Volgens hen, zijn deze maminaïmis een soort van watergeesten of duivels. Zij hebben de gestalte van een klein kind en het gelaat van een neger. Overdag houden zij zich onder water op; maar des nachts zwerven zij langs den oever en door de bosschen, daarbij een geluid makende dat volkomen op het schreeuwen van een kind gelijkt. Onze Indianen verzekeren ons, meermalen dat geluid gehoord te hebben, waarop zij alles behalve gesteld zijn. Al de Piapoco-Indianen gelooven vastelijk aan het bestaan van de maminaïmis.Omstreeks half twaalf houden wij stil aan den oever, om den stand der zon waar te nemen. Volgens mijne waarneming berekent Lejanne, dat wij ons op 3° 40’ 93° noorderbreedte bevinden.Wij bespeuren even boven water de rugvin van een visch, die, naar het ons voorkomt, vrij groot moet zijn; wij naderen hem met onze boot, zonder dat hij eenige beweging maakt. Een der Indianen werpt zijn harpoen uit, en haalt een wentelaar op, grooter dan ik er nog ooit een gezien had. Hij is ongeveer zes palmen lang, waarvan ruim een derde door den kop wordt ingenomen, die zeer breed is en waarin de hersenen bijzonder sterk ontwikkeld zijn. Toen wij den visch gekookt hadden, was het weinige vleesch bijna geheel weggesmolten.Omstreeks vijf uren houden wij stil bij eene zandbank, waar wij ons bivak zullen opslaan. Voor ons middagmaal hebben wij apenvleesch, een eendebout en visch. Wij drinken een weinig koffie, hetgeen wij anders gewoonlijk alleen des morgens, voor ons vertrek doen. Na dat weelderige maal rollen wij eenige tabaksbladeren tot sigaren en keuvelen met elkander, al rookende, rondom het vuur op het zand uitgestrekt. Wij vernemen van de Indianen eenige bijzonderheden omtrent hunne zeden en gebruiken. Zoo vertellen zij ons dat eene vrouw, die hare bevalling wachtende is, zich naar eene daarvoor aangewezen hut begeeft, waar zij gedurende zeven dagen na hare verlossing blijft. Gedurende dien tijd blijft ook de man in zijne hangmat liggen; de beide echtgenooten gebruiken geen ander voedsel dan cassave en water. Men heeft hieruit ten onrechte opgemaakt, dat de man zich moet aanstellen als warehij in de kraam gekomen. Bij de Piapoco-Indianen is dit althans niet het geval, en ik betwijfel zeer of zulk eene onzinnige vertooning ergens plaats vindt. Zoo de man in zijn hangmat gaat liggen en zich aan hetzelfde dieet als zijne vrouw onderwerpt, dan geschiedt dit om daardoor zekere ziekten van zijn kind af te wenden, door zich zelven, in zijne plaats, boete en onthouding op te leggen. Ik vermoed dat wij hier te doen hebben met een overblijfsel uit overoude tijden, eene flauwe herinnering aan de wet, die de jonggeboren kinderen aan de godheid wijdde. Om zijn kind los te koopen, legde dan de vader zich zelven zekere boete op.14 December.—Ten zes uren zijn wij reeds op de been: wij zijn niet ver meer van San-Fernando. Wij maken een weinig toilet, voor zoo ver ons dat mogelijk is: maar ondanks onze inspanning, blijven wij er als havelooze landloopers uitzien. Ik ben verzekerd, dat, althans in Frankrijk, niemand ons gaarne op eene eenzame plek in het bosch zou willen ontmoeten: men zou ons ongetwijfeld voor vagebonden houden; die aan de zorg der policie moesten worden toevertrouwd.Omstreeks tien uren komen wij aan de monding van de Ynirida, eene vrij belangrijke rivier, die zich aan den rechter oever in de Guaviare uitstort. Bij haar samenvloeiing met laatstgenoemde rivier heeft de Ynirida eene breedte van omstreeks zeshonderd meters; de kleur van het water is donkerbruin, het meest overeenkomende met die van koffiedik; het water van de Ynirida onderscheidt zich dan ook zeer duidelijk van het troebele geelachtig witte water van de Guaviare. Op de landpunt tusschen de beide rivieren vertoonen zich groote granietrotsen. Wij ontdekken twee hutten, eene op den linker en eene op den rechter oever, beiden door blanken bewoond. De laatste hut ligt op onzen weg. Wij bestijgen een soort van steile trap, in den weeken kleigrond van den zeven tot acht el hoogen oever uitgehouwen.Wij zijn bij Gregorio Garcia. Zijne vrouw, eene Indiaansche van den stam der Pouinavés, ontvangt ons. Volgens het gebruik des lands begroet ik haar met eenAve Maria, waarop zijgratia plenaantwoordt; vervolgens noodigt zij ons uit, hare woning binnen te treden. Haar echtgenoot is afwezig, maar zal zoo aanstonds terug keeren. Inmiddels koop ik verschillende voorwerpen: aardewerk, zeven en andere dingen, die zij zelve gemaakt heeft. Daarop vraag ik haar vergunning, om ons middagmaal in hare hut gereed te mogen maken; zij bewilligt daarin niet alleen, maar wil zich zelve met de zorg daarvoor belasten. Bij ons gerookt vleesch voegt zij nog eene jonge kip, gebakken bananen, pasteken en nog andere lekkernijen. Toen wij aan tafel zaten trad Gregorio binnen.Hij is een eenvoudig man, volstrekt ongeletterd, maar, zoo als wij later te San-Fernando vernamen, een goed en ijverig werkman, hetgeen trouwens ook bleek uit de groote hoeveelheid van allerlei produkten, in en nabij de hut opgestapeld. Niet dan met groote moeite kunnen wij hem bewegen, om in dank voor zijn vriendelijk en gastvrij onthaal, een sabel en een bijl aan te nemen. Zijne vrouw daarentegen is zeer in haar schik met eene halsketting van roode koralen, die wij haar aanbieden.Tegen een uur in den namiddag gaan wij weer op weg naar San-Fernando. Gregorio verzekert ons dat het eene “pueblo grande” is. Maar hij heeft niet veel gezien, en het waarschijnlijkste is dat wij een klein dorp zullen vinden.Om vier uur krijgen wij eindelijk San-Fernando in het gezicht: van verre gezien, herinnert het mij aan de dorpen langs de Amazone. Hutten met palmbladen bedekt, met leemen wit gepleisterde wanden, staan langs de helling van een lagen heuvel verspreid, en schijnen vrij talrijk, juist omdat zij zoo door en boven elkander zijn geplaatst. Weldra bereiken wij lage eilanden, door granietrotsen omzoomd, dan varen wij de donkere wateren van de Atabapo op. De oever, waarop het dorp ligt, is omzoomd door eene bank van graniet, die met zachte glooiing in de rivier afdaalt. Deze rivier heeft bij hare samenvloeiing met de Guaviare eene breedte van zes- tot achthonderd meters.In een glas ziet haar water grauw, rookkleurig: maar in de rivier zelve is het water, door de massa, volkomen zwart. Een wit voorwerp, in de rivier gedompeld, neemt op eene diepte van dertig duim eene goudgele tint aan; op negentig duim diepte is het oranjerood. Dit water is echter drinkbaar; te San-Fernando gebruikt men geen ander. Het vermengt zich zeer goed met zeep, en bezit twee voortreffelijke hoedanigheden: het houdt de muskieten en de kaimans op een afstand. Het verdient wel vermelding, dat men nooit een dezer laatste dieren in den omtrek van San-Fernando heeft aangetroffen, terwijl toch de Guaviare, die niet meer dan achthonderd meters van de plaats verwijderd is, van kaimans wemelt. Ik houd het voor zeker, dat de zwarte kleur van het water van de Atabapo door organische stoffen veroorzaakt wordt, waarvan de ware aard nog niet bekend is; al de visschen van deze rivier zijn eveneens zwart van kleur. In haar leeft eene bijzondere soort van schildpad, veel kleiner dan die van de Guaviare. De rio Atabapo komt van het zuiden; zij opent een veel korter weg dan de Cassiquiare om de rio Negro te bereiken. Na acht dagen varens en een marsch van nog twee dagen komt men aan de rio Guaïnia, die meer benedenwaarts den naam aanneemt van rio Negro.De vaart over de rivier valt ons lang. De zwarte kleur van het water geeft aan het landschap een eigenaardig vreemd karakter: de kleuren en tinten der naburige voorwerpen schijnen veel helderder en levendiger. Op den oever tegenover ons bevinden zich enkele vrouwen, wier gele of blauwe japonnen ons letterlijk in het oog steken.—Eindelijk bereiken wij den oever. Het gerucht onzer komst is spoedig verspreid, want de aankomst van eene prauw is voor dit dorp eene gebeurtenis van zeker gewicht. Is de prauwmet Indianen bemand, dan komen de kooplieden zich spoedig vergewissen, welke koopwaren zij medebrengen. Maar wie kunnen deze blanken zijn, die van de Guaviare komen? Geen enkel van de inwoners van het dorp is dien kant uitgegaan om handel te drijven.Vier of vijf personen spreken ons zeer beleefd aan, blijkbaar brandende van begeerte om hunne nieuwsgierigheid bevredigd te zien. Hun kostuum perst François een glimlach af: zij dragen een pantalon en daarover heen een wijd loshangend hemd. Deze mannen zijn bleek, vermagerd, zwak, de koorts ziet hun de oogen uit. Een enkele, een mulat wiens haar reeds grijs begint te worden, ziet er gezond en welvarend uit. Zoo als ons later bleek, is hij iemand van een zeer vroolijk humeur, een pretmaker, die zeer tevreden is met zijn lot.De waarnemende gouverneur, don Manuel Fuentes, is een man van omstreeks vijftig jaar, bleek, uitgeteerd, met reeds grijzenden baard en haar, en groote zwarte schitterende oogen, door zware grijze wenkbrauwen overschaduwd. Hij spreekt goed en vlug, is zeer vriendelijk en voorkomend, maar gevoelt toch blijkbaar al het gewicht van zijne betrekking. Hij ziet onze papieren in, en wij deelen hem het een an ander nopens onze reis mede, waarnaar hij met groote belangstelling luistert. Hij spreekt ons breedvoerig over Michelena, een venezuelaansch reiziger, die een boek heeft uitgegeven over de reis van Humboldt, waarin hij, met zeer veel warmte, tracht te betoogen, dat deze beroemde reiziger niet tot de bronnen van den Orinoco is doorgedrongen. Mag men den hartstochtelijken kritikus gelooven, dan zou Humboldt niet verder zijn gegaan dan tot de Guapo, op een of twee mijlen afstands van Esmeralda en driehonderd mijlen boven den waterval van de Guaharibos. De Guaharibo-Indianen zijn, volgens de bewoners van San-Fernando, zeer vreemde wezens met een blanke huid en rood haar: zij schilderen hen af als zeer wild en bloeddorstig en beweren dat zij steeds ieder belet hebben, tot de bronnen van den Orinoco door te dringen. Eenige jaren geleden liet Michelena zich tot gouverneur van San-Fernando benoemen, uitsluitend met het doel om het onderzoek van die rivier ten einde te brengen. In een zijner tochten op de Atabapo werd hij door den val van een boom gedood. Hij was tachtig jaren oud, en men kan hem althans geen gebrek aan ijver en energie verwijten: in dat opzicht maakte hij vele jongeren beschaamd.Het dorp San-Fernando heeft geene herberg: gelukkig kunnen wij onzen intrek nemen in eene bouwvallige hut, die aan de voorzijde gestut wordt en waarvan wij hopen mogen dat zij, zonder onvoorziene toevallen, gedurende den tijd van ons verblijf overeind zal blijven staan. Onze naaste buurman is de heer Mirabal, koopman, die bijna alle Indianen uit de omstreken kent en die ons met hen in aanraking zal brengen, als zij voor ons vertrek te San-Fernando komen. Hij neemt op zich, het noodige voor onze tafel te leveren.Voor onze hut staan twee breedgetakte ceibos, waaronder banken zijn geplaatst: hier komen de aanzienlijken van het dorp des avond bijeen om te praten. Van daar overziet men de Atabapo en de Guaviare; zelfs kan men het punt onderscheiden waar de Guaviare zich met den Orinoco vereenigt. Van welken kant ook prauwen of vaartuigen mogen komen, steeds vallen ze hier aanstonds in het oog. Men praat en keuvelt hier over alles, zelfs, o goden, over politiek! en dat bij helderen maneschijn, en terwijl in den stillen plechtigen nacht, daar beneden langs de oevers, de fakkels flikkeren der visschers die op buit uitgaan.Het dorp San-Fernando was vroeger van meer beteekenis dan tegenwoordig. De ligging van het vlek is uitmuntend: juist op een punt waar de Orinoco, de Guaviare, de Atabapo en de Ynirada om zoo te zeggen elkander ontmoeten, en aan de twee wegen die naar de Amazone voeren, hetzij langs de Cassiquiare, hetzij langs de Atabapo.De bewoners vinden hun hoofdmiddel van bestaan in de exploitatie van caoutchouc, gutta-pertja, en copahu. Het was een Franschman, de heer Truchon, die eenige jaren geleden, den inboorlingen de exploitatie van de caoutchouc leerde. In December gaan de Baniva-Indianen van de Atabapo en de bewoners van San-Fernando naar de bosschen van den Orinoco, boven de Vichada, om de “gomma” in te zamelen, die zij vervolgens aan de voornaamste handelaren van het dorp verkoopen. Dezen verkoopen op hunne beurt de caoutchouc te Bolivar. De vrachtprijs naar deze stad is zeer hoog en bedraagt vijf-en-twintig percent van de waarde der koopwaren bij vaartuigen met een inhoud van driehonderd aroben, en vijftig percent bij kleinere vaartuigen.—Een arobe staat gelijk met vijf-en-twintig pond.—Van de Cassiquiare zou men gemakkelijker Manaos dan Bolivarkunnenbereiken; de vaart op den Orinoco gaat met meer gevaren gepaard dan die op de rio Negro; maar men zou dan met braziliaansch papier worden betaald en de handelaars zouden bij de inwisseling belangrijk daarop verliezen. De hooge vrachtprijs is niet alleen een gevolg van het lange traject, maar ook van de gevaren der reis van wege de watervallen van Maypoures en Atoure, die tusschen San-Fernando en de uitmonding van de Meta liggen.Volgens de waarnemingen van Lejanne ligt San-Fernando honderd-een-en-vijftig meter boven de zee. De wind waait uit alle hoeken van den horizon en gaat dikwijls tot storm over. Eigenlijk gezegde saizoenen heeft men hier niet. Het dorp is ongezond; bijna voortdurend heerschen er koortsen. Muskieten vindt men er weinig, maar des te meer vampyrs. De landbouw is hoogst gebrekkig en onvolkomen. Sommige bijzonder bevoorrechten bezitten in den omtrek plantages, die hun bananen opleveren; men rekent op de Indianen, om zich van cassave en maniokmeel te voorzien. Het dorp bezit niet meer dan vijf of zes koeien, die vrij in den omtrek loopen te grazen, voor zoo ver er gras te vinden is. Aan alle zijden wordt San-Fernando door het woud omgeven, dat zichvan de Atabapo tot den Orinoco uitstrekt, en slechts hier en daar enkele, open plekken heeft, die met hoog gras en struiken zijn begroeid.De bewoners die thans in het dorp achtergebleven zijn brengen, naar het schijnt, hun tijd in volstrekte ledigheid door: hunne siësta duurt den ganschen namiddag. Veel tijd wordt aan het bad besteed. Uit onze hut kannen wij de baders gadeslaan, die hun hart ophalen in de zwarte wateren van de Atabapo. Op den tweeden dag na onze aankomst maakten wij eene interessante wandeling in den omtrek van het dorp, waarbij onze aandacht vooral getrokken werd door beeldwerk op granietrotsen tusschen San-Fernando en de Guaviare, blijkbaar het werk van Indianen.In den namiddag komen drie prauwen, door Baniva-Indianen bemand, te San-Fernando; zij komen van het dorp Samutsida aan de Atabapo en gaan den Orinoco opvaren om caoutchouc in te zamelen. Deze Indianen hebben hunne gezinnen medegebracht. Waarschijnlijk brengt de caoutchouc hun eene aardige winst op: althans zij dragen zeer nette en bijna nieuwe kleederen. De mannen dragen hun hemd los boven hun broek. De vrouwen zijn gedost in japonnen met schreeuwende kleuren; zij dragen gekleurde kousen en stoffen laarsjes met verlakte punten, waarop zij zeer trotsch zijn. In haar ooren prijken ringen van bijzonder groote afmeting. Weldra worden de nieuw aangekomenen door de kooplui in beslag genomen en rijkelijk op rhum onthaald: twee uren na hunne komst zijn de mannen stomdronken.Den trek der mannen naar alkohol en dien der vrouwen naar sieraden kennende, kostte het ons hoegenaamd geene moeite de Indianen tot ons te lokken. Lejanne maakte bijna aller portret. Wij onthalen de mannen op een weinig rhum en verblijden de vrouwen met roodkoralen halskettingen. Allen waren nu even begeerig om hun portret te laten maken; men zag ons algemeen voor groote heeren aan, die over schatten hadden te beschikken. Na de Baniva-Indianen kwam de beurt aan de inwoners van San-Fernando, die zich mede wilden laten conterfeiten. Wij kunnen onze verzameling nog vermeerderen met afbeeldingen van Pouynavé-Indianen, zoowel mannen als vrouwen, die langs de oevers van de rio Uaupés gevestigd zijn.Den 23stenDecember hebben wij eindelijk eene equipage gevonden, bestaande uit een schipper en twee roeiers, die, geholpen door Apatoe en François Burban, in staat zullen zijn om de overdekte prauw te besturen en te roeien, welke de heer Mirabal tot onze beschikking heeft gesteld. Deze prauw heeft geene kiel; zij is gemaakt van een hollen boomstam, dien men van een boord of borstwering en van een dak van palmbladen heeft voorzien. De prauw, waarmede wij van Recifal naar San-Fernando gekomen zijn, is niet geschikt voor de vaart op den Orinoco in dit jaargetijde, want voorbij Santa-Barbara zullen wij voortdurend met den wind en eene sterke strooming te worstelen hebben.De heer Mirabal kan eerst den 27stenvertrekken: wij brengen dus de Kerstdagen te San-Fernando door. De Kerstnacht wordt door een eigenaardig voorval gekenmerkt. De te San-Fernando vertoevende Indianen komen voor onze hut zingen en dansen, onder de telkens herhaalde kreten van:“Vivan los retratistos!” Leven de portretschilders!—Wij geven hun een flesch rhum.Onder meer dan een opzicht biedt San-Fernando de Atabapo de gelegenheid tot belangrijke waarnemingen en studiën, vooral ook op anthropologisch gebied. Bovendien zou men hier eene rijke verzameling kunnen bijeen brengen van visschen uit de Guaviare, den Orinoco, en de zwarte wateren van de Ynirida en de Atabapo. Voor den botanicus zou de oogst hier niet minder overvloedig zijn.Den 27stenDecember, des avonds tegen half zes, verscheen Lejanne, vergezeld van den heer Mirabal en van onze geheele equipage. Wij zijn nu ruim voorzien van cassave, suiker, koffie en ook van rhum.28 December.—Om zeven uur hebben wij onze koffie gebruikt, en zijn wij op weg gegaan. De morgen is donker en mistig. Het bed der rivier is bezaaid met groote rotsblokken in den vorm van bijenkorven, waarop de hooge waterstanden een spoor van slib hebben achtergelaten, die sedert verdroogd en verhard is. Een dier rotsen draagt den naam van Castillo, uit hoofde van hare gelijkenis met een fort; wij gaan op een naburig rotsblok aan wal, ten einde Lejanne gelegenheid te geven, van dit Castillo eene schets te maken. Omstreeks vijf uren bereiken wij den mond van de Mataveni, welke rivier wij opvaren. Wij zullen langs hare oevers de Piaroa-Indianen ontmoeten, die nog geheel in wilden toestand leven, en die ons zeer vermoedelijk beter zullen bevallen dan de half beschaafde en netjes gekleede Indianen, die wij te San-Fernando hebben leeren kennen.De Mataveni maakt op tweehonderd meters van hare uitmonding plotseling een scherpe bocht, veroorzaakt door groote vooruitspringende rotsen, waarop wij den nacht willen doorbrengen. Juist toen wij bij de rotsen kwamen, zagen wij twee prauwen naderen, met rotting geladen. Deze prauwen worden bestuurd door Indianen, die in het dorp eenige inkoopen hebben gedaan; wij roepen hen toe en noodigen hen uit, bij ons op de rotsen te komen, maar zij houden zich als hoorden zij ons niet. Te San-Fernando heeft men ons reeds gezegd, dat deze Piaroa-Indianen alle aanraking met blanken vermijden.Onze schipper zegt hun dat de heer Mirabal in eene tweede prauw achter ons volgt. Deze naam werkt als een tooverspreuk, en de beide vaartuituigen zetten onmiddellijk koers naar de rotsen. De twee Piaroas, die zich in de eerste prauw bevinden, komen naar ons toe, drukken ons de hand en vragen zelfs naar den staat onzer gezondheid. Beide mannen zijn slank en rijzig van gestalte en dragen niet zonder zekeren zwier hun hoogst eenvoudig kostuum, bestaande uit eene menigte zwarte koordjes, van haar gevlochten, twaalf tot vijftien duim breed en bij wijze vangordel om de lendenen geknoopt. Een schort van wit katoen, door dien gordel omvat, hangt van voren tot op de knieën, van achteren tot de kuiten. Zoowel van voren als van achteren is dit schort met drie kwasten versierd. Om hunne polsen en beneden hunne knieën dragen zij een koordje; in hunne ooren prijkt een schijfje hout, ongeveer vijftien duim lang en zoo dik als een ganzeveder; aan de achterste punt van dit schijfje of stokje hangt een kwastje van wit katoen, waaraan drie lange tressen van blauw katoen zijn bevestigd, die ieder weder met een wit kwastje versierd zijn. De haren zijn op het voorhoofd kort afgeknipt, maar hangen van achteren langer. Zij zijn behoorlijk gekamd. Een dezer Piaroas heeft op het voorhoofd en op de wangen een streep van zigzaglijnen, gevat tusschen twee rechte strepen, metchicageschilderd. Deze barbaarsche versiering doet echter geen afbreuk aan de zachte uitdrukking zijner groote zwarte oogen; zijn geheele voorkomen teekent veeleer bescheidenheid en schroom dan boosaardigheid.Ontmoeting met picaris.Ontmoeting met picaris.Wij zijn niet enkel hier gekomen om Indianen te zien. Wij hebben te San-Fernando vernomen, dat vlak bij den mond van de rio Mataveni een aantal Indianen begraven liggen, en zeer gaarne zouden wij hunne schedels en beenderen bezitten. Maar waar zijn ze te vinden? Een toeval brengt ons op het rechte spoor. Een der Piaroas geleidt ons, Mirabal en mij, naar het naburige dorp, terwijl Lejanne den anderen beschilderden Indiaan uitteekent. De Piaroas zijn bezig met het braden van eene boa, waarmede zij hun maal zullen doen. Men ontvangt mij aanvankelijk met groote vriendelijkheid; maar het toeval wilde dat ik moest niezen, en eensklaps weken allen die mij omringden terug. De vreesachtigsten trokken zich tot een grooten afstand terug; de moedigsten houden zich den neus dicht. Ik weet dat deze Indianen, die aan tering en borstziekten onderhevig zijn, de blanken beschuldigen—en zeker niet zonder grond—dat zij hun deze ziekten op den hals halen. Men verhaalt mij van kooplieden, die eensklaps door hunne equipage verlaten werden, omdat zij het ongeluk hadden te niezen en te hoesten. Ik vertrouw deze Indianen maar half.—Wij keeren met onzen gids naar ons kamp terug. Onderweg maakt onze Indiaan, die geen woord spaansch verstaat, een gebaar, dat wij zeker allen meermalen door doofstommen hebben zien maken, als zij den dood of den slaap willen aanduiden: hij buigt het hoofd naar rechts, legt het op de vlakke rechterhand, en wijst met de andere naar eene rotsgroep op den berg. Ik begrijp aanstonds dat deze heuvel eene begraafplaats is. Ik spreek met Lejanne af, dat ik morgen, vergezeld van Apatoe, voorgevende op de tapirjacht te gaan, de graven zal gaan opsporen, terwijl hij de dorpsbewoners zal ontvangen, die ons een bezoek zullen komen brengen.Wij doen ons maal met gekookte en gebakken visch en met bananen in schildpad vet gebakken: het een en ander besproeid met water uit de Mataveni; vervolgens verkwikken wij ons met een kop koffie en een glaasje rhum. Na den maaltijd legeren wij ons rondom het vuur en rooken sigaren, waarvan wij de gaten met onze vingers moeten dichtstoppen. De drie Indianen hebben zich bij ons gevoegd en deelen ons het een en ander omtrent hun stam en hunne taal mede.Den volgenden morgen, met het opgaan der zon, begeef ik mij op weg, vergezeld van Apatoe; wij marcheeren uren achtereen zonder iets te vinden; wij verwonden onze bloote voeten bij het beklimmen van den rotsigen heuvel, dien wij op het nauwkeurigst onderzoeken. Op den top zien wij eindelijk een soort van hangenden steen, die ons op het hoofd dreigt te vallen: Apatoe zegt tot mij: “Daar moeten wij de lijken vinden.” Eenige minuten later ontdekken wij onder de overhangende rots drie in boomschors gewikkelde voorwerpen: wij snijden de koorden door en zien nu drie fraaie mummies met halskettingen, sieraden en een hangmat. Naast elke mummie staat een aarden pot of kruik, die, zoo als ik later vernam, couria bevatte, opdat de doode zijn dorst zou kunnen lesschen. Apatoe wikkelt onzen schat in een korf of mand, die hij van palmbladeren vervaardigt, en wij keeren naar boord terug.Meer dan twintig Indianen hebben zich gedurende onze afwezigheid op den oever verzameld en koopen van den heer Mirabal verschillende dingen; bijna al die Indianen lijden aan huidziekten. Lejanne heeft er twee uitgeteekend. Maar eensklaps wordt hunne aandacht getrokken door de zonderlinge lading, die wij aan boord hebben, en die zij met achterdochtige blikken beschouwen. Het wordt hoog tijd om te vertrekken, hetgeen wij dan ook aanstonds doen.Omstreeks vijf uur bereiken wij eene granietrots aan den linker oever, waarop wij den nacht doorbrengen.30 December.—Mieren hebben het garneersel van mijn hoed weggevreten, en ook den hoed zelven niet ongeschonden gelaten. Zal hij het tot Bolivar uithouden? Ik hoop het: hij is een oude kameraad, op wien ik gesteld ben. Hij is de Andes overgetrokken, heeft de raudals van de Goyabero getrotseerd, en altijd trouw zijn plicht gedaan door mij voor zonnesteken te behoeden. Hij is niet mooi meer: maar een goed hart is meer waard dan een mooi gezicht.Tegen twee uren in den namiddag ontmoetten wij, dicht bij den mond van de rio Sipapo, eene prauw met Piaroa-Indianen, van wie wij eene levende iguane-hagedis koopen en een flesch met curare—het vergif waarmede zij hunne pijlen vergiftigen—die Apatoe te midden van hunne bagage ontdekt. Wij beginnen de heuvelreeks te onderscheiden, die den waterval of de stroomversnelling van Maypoures veroorzaakt, en waar wij omstreeks vijf uren aankomen. Wij bevinden ons in een doolhof van rotsige eilandjes; een daarvan is geheel uit zand gevormd, dat door verspreide granietblokken wordt opgehouden. Daar woont een onzer Indianen; zijne hut bestaat uit eenige palmbladen op stokken rustende. Wij laten een eend braden; Lejanne en Apatoe geven devoorkeur aan de iguane, die zij met zout en spaansche peper toebereiden. In het lichaam van de hagedis vinden zij, tot hunne groote blijdschap, niet minder dan drie-en-veertig eieren. Deze eieren zijn langwerpig en zoo groot als duiveneieren; de schaal is minder hard dan die van kippen- of schildpadeieren en laat zich met de hand eenigszins kneden. Gekookt, smaken deze eieren zeer lekker.31 December.—In den morgen laat ik mij met eene prauw naar eene naburige rots roeien, die omstreeks honderd el boven het water uitsteekt. Niet zonder moeite bereik ik den top, van waar ik de geheele stroomversnelling van Maypoures kan overzien. De rivier, door eene granietbank tegengehouden, heeft zich verschillende doorgangen geopend. Schuimend en kokend stroomt zij, in onstuimige vaart, over reusachtige trappen van graniet, waartusschen geweldige steenblokken oprijzen. Ik sta hier op een uitmuntenden observatiepost: geene enkele bijzonderheid ontgaat mijn blik. Na de plek goed bestudeerd en mijne waarnemingen gedaan te hebben, keer ik naar Lejanne terug, die inmiddels eene schets gemaakt heeft van de rivier boven den val. Wij spreken af dat wij in den namiddag een bezoek zullen gaan afleggen bij de Guahibo-Indianen aan den linker oever.De Guahibo-Indianen zijn zeer talrijk en worden daarom door hunne naburen ontzien en gevreesd. Hunne huid is donkerder van kleur dan bij de andere indiaansche stammen in het gebied van den Orinoco. Zij wonen langs de oevers van de Vichada en de Meta. Vooral de Guahibos langs de Meta zijn zeer woest en roofzuchtig; in 1878 hebben zij een blanke, die bij de monding van de Meta kampeerde, met zijn geheele gezin vermoord, en dat uitsluitend met het doel om hem te bestelen. Zij maakten zich meester van zijn geweer, dat hij in zijne prauw had achtergelaten, en sloegen hem met de kolf dood. De kooplieden vereenigen zich dan ook altijd tot eene kleine karavaan, wanneer zij bij hen handel komen drijven.Wij weten dat wij op den linker oever, omstreeks tien kilometers van de rivier verwijderd, een dorp van Guahibo-Indianen zullen aantreffen. In de nabijheid van dit dorp bevinden zich granietachtige heuvelen, samenhangende met de keten welke den waterval van Maypoures vormt, wier kale hellingen versierd zijn met beeldwerk, door de oude Indianen daarin gegriffeld en de maan voorstellende; van daar de naam van Cerro de la Luna, dien men aan deze heuvelen gegeven heeft.Tegen een uur in den namiddag ga ik met Lejanne op weg. Een onzer Indianen van gisteren zal ons tot gids dienen; nog een tweede gaat met ons mede om onze hangmatten te dragen.Na een zeer vermoeienden en bezwarenden tocht naderen wij het dorp. Even voor wij het bereiken, zien wij eensklaps twee Indianen, in hunne hangmatten gezeten, welke aan de boomen langs het pad zijn opgehangen. Uit hunne wijde neusgaten vloeien onophoudelijk twee zwarte walgelijk vieze beekjes. Zij komen naar ons toe en spreken tot ons, maar dit spreken gaat zoo ongeloofelijk snel, dat wij in de meening verkeeren dat zij slechts onzamenhangende woorden uitstooten, zonder eigenlijk iets te zeggen. Een kind dat van het dorp komt keert op zijne schreden terug, ongetwijfeld om kennis te geven van onze nadering. Wij laten ons naar de hut van den hoofdman of kapitein brengen. Deze kapitein, een mager man ondanks zijn vooruitstekenden buik, lijdt aan huidziekte; hij ziet er overigens vrij zachtzinnig uit. Hij ontvangt ons zeer vriendelijk, en biedt ons, bij gebrek van cachiri of couria, met water vermengde cassave aan.De bevolking van dit dorp, waarmede wij spoedig kennis maken, bestaat uitruimeen half dozijn mannen, evenveel vrouwen, en zeven of acht kinderen beneden de zestien jaren. De kleeding der mannen is dezelfde als die der Piaroas. De vrouwen dragen eene soort van hemd zonder mouwen; drie meisjes van veertien tot vijftien jaar hebben niets anders aan dan een lapje katoen, zoo groot als een hand.Naar het schijnt zijn deze lieden pas versch beschilderd. De mannen zijn over het geheele lichaam met allerlei figuren in roode kleur beschilderd; bij de vrouwen is alleen het gelaat op die wijze uitgemonsterd. Ik zie dat bij alle mannen datzelfde vuile zwarte vocht uit den neus vloeit. Elk oogenblik stoppen zij hunne neusgaten vol met een zeker donkerbruin poeder, in kleur en reuk zeer veel overeenkomende met zeer fijne snuif, en dat zij yopo noemen. Om dit poeder te verkrijgen roosteren zij de groene bladeren van eene zekere plant en maken die vervolgens met behulp van harde schelpen fijn.—De avond valt; de Indianen zijn in het bezit van versche cassave en van gedroogd vleesch: zij staan ons daarvan, in ruil tegen eenige snuisterijen, zooveel af als wij voor ons maal noodig hebben. Na gegeten te hebben, laten wij onze hangmatten aan de boomen ophangen in de nabijheid van de hut van den kapitein.
11 December.—Onze Indianen, die nu geheel van hun roes bekomen zijn, roeien flinker dan gisteren. Ieder hunner heeft een kleinen lederen zak, waarin hij zijn tabak en andere kleinigheden bewaart. Toen ik een dezer zakjes nakeek, vond ik daarin een wonderlijk beeldje van klei, eene niet geheel onkenbare afbeelding van den kop van een aap met een stuk van den romp.
“Maminaïmi!” zeide de Indiaan tot mij. Hij had dit beeldje gevonden aan den oever ergens in de buurt, op een plek, die door de maminaïmis bezocht wordt.
Volgens hen, zijn deze maminaïmis een soort van watergeesten of duivels. Zij hebben de gestalte van een klein kind en het gelaat van een neger. Overdag houden zij zich onder water op; maar des nachts zwerven zij langs den oever en door de bosschen, daarbij een geluid makende dat volkomen op het schreeuwen van een kind gelijkt. Onze Indianen verzekeren ons, meermalen dat geluid gehoord te hebben, waarop zij alles behalve gesteld zijn. Al de Piapoco-Indianen gelooven vastelijk aan het bestaan van de maminaïmis.
Omstreeks half twaalf houden wij stil aan den oever, om den stand der zon waar te nemen. Volgens mijne waarneming berekent Lejanne, dat wij ons op 3° 40’ 93° noorderbreedte bevinden.
Wij bespeuren even boven water de rugvin van een visch, die, naar het ons voorkomt, vrij groot moet zijn; wij naderen hem met onze boot, zonder dat hij eenige beweging maakt. Een der Indianen werpt zijn harpoen uit, en haalt een wentelaar op, grooter dan ik er nog ooit een gezien had. Hij is ongeveer zes palmen lang, waarvan ruim een derde door den kop wordt ingenomen, die zeer breed is en waarin de hersenen bijzonder sterk ontwikkeld zijn. Toen wij den visch gekookt hadden, was het weinige vleesch bijna geheel weggesmolten.
Omstreeks vijf uren houden wij stil bij eene zandbank, waar wij ons bivak zullen opslaan. Voor ons middagmaal hebben wij apenvleesch, een eendebout en visch. Wij drinken een weinig koffie, hetgeen wij anders gewoonlijk alleen des morgens, voor ons vertrek doen. Na dat weelderige maal rollen wij eenige tabaksbladeren tot sigaren en keuvelen met elkander, al rookende, rondom het vuur op het zand uitgestrekt. Wij vernemen van de Indianen eenige bijzonderheden omtrent hunne zeden en gebruiken. Zoo vertellen zij ons dat eene vrouw, die hare bevalling wachtende is, zich naar eene daarvoor aangewezen hut begeeft, waar zij gedurende zeven dagen na hare verlossing blijft. Gedurende dien tijd blijft ook de man in zijne hangmat liggen; de beide echtgenooten gebruiken geen ander voedsel dan cassave en water. Men heeft hieruit ten onrechte opgemaakt, dat de man zich moet aanstellen als warehij in de kraam gekomen. Bij de Piapoco-Indianen is dit althans niet het geval, en ik betwijfel zeer of zulk eene onzinnige vertooning ergens plaats vindt. Zoo de man in zijn hangmat gaat liggen en zich aan hetzelfde dieet als zijne vrouw onderwerpt, dan geschiedt dit om daardoor zekere ziekten van zijn kind af te wenden, door zich zelven, in zijne plaats, boete en onthouding op te leggen. Ik vermoed dat wij hier te doen hebben met een overblijfsel uit overoude tijden, eene flauwe herinnering aan de wet, die de jonggeboren kinderen aan de godheid wijdde. Om zijn kind los te koopen, legde dan de vader zich zelven zekere boete op.
14 December.—Ten zes uren zijn wij reeds op de been: wij zijn niet ver meer van San-Fernando. Wij maken een weinig toilet, voor zoo ver ons dat mogelijk is: maar ondanks onze inspanning, blijven wij er als havelooze landloopers uitzien. Ik ben verzekerd, dat, althans in Frankrijk, niemand ons gaarne op eene eenzame plek in het bosch zou willen ontmoeten: men zou ons ongetwijfeld voor vagebonden houden; die aan de zorg der policie moesten worden toevertrouwd.
Omstreeks tien uren komen wij aan de monding van de Ynirida, eene vrij belangrijke rivier, die zich aan den rechter oever in de Guaviare uitstort. Bij haar samenvloeiing met laatstgenoemde rivier heeft de Ynirida eene breedte van omstreeks zeshonderd meters; de kleur van het water is donkerbruin, het meest overeenkomende met die van koffiedik; het water van de Ynirida onderscheidt zich dan ook zeer duidelijk van het troebele geelachtig witte water van de Guaviare. Op de landpunt tusschen de beide rivieren vertoonen zich groote granietrotsen. Wij ontdekken twee hutten, eene op den linker en eene op den rechter oever, beiden door blanken bewoond. De laatste hut ligt op onzen weg. Wij bestijgen een soort van steile trap, in den weeken kleigrond van den zeven tot acht el hoogen oever uitgehouwen.
Wij zijn bij Gregorio Garcia. Zijne vrouw, eene Indiaansche van den stam der Pouinavés, ontvangt ons. Volgens het gebruik des lands begroet ik haar met eenAve Maria, waarop zijgratia plenaantwoordt; vervolgens noodigt zij ons uit, hare woning binnen te treden. Haar echtgenoot is afwezig, maar zal zoo aanstonds terug keeren. Inmiddels koop ik verschillende voorwerpen: aardewerk, zeven en andere dingen, die zij zelve gemaakt heeft. Daarop vraag ik haar vergunning, om ons middagmaal in hare hut gereed te mogen maken; zij bewilligt daarin niet alleen, maar wil zich zelve met de zorg daarvoor belasten. Bij ons gerookt vleesch voegt zij nog eene jonge kip, gebakken bananen, pasteken en nog andere lekkernijen. Toen wij aan tafel zaten trad Gregorio binnen.
Hij is een eenvoudig man, volstrekt ongeletterd, maar, zoo als wij later te San-Fernando vernamen, een goed en ijverig werkman, hetgeen trouwens ook bleek uit de groote hoeveelheid van allerlei produkten, in en nabij de hut opgestapeld. Niet dan met groote moeite kunnen wij hem bewegen, om in dank voor zijn vriendelijk en gastvrij onthaal, een sabel en een bijl aan te nemen. Zijne vrouw daarentegen is zeer in haar schik met eene halsketting van roode koralen, die wij haar aanbieden.
Tegen een uur in den namiddag gaan wij weer op weg naar San-Fernando. Gregorio verzekert ons dat het eene “pueblo grande” is. Maar hij heeft niet veel gezien, en het waarschijnlijkste is dat wij een klein dorp zullen vinden.
Om vier uur krijgen wij eindelijk San-Fernando in het gezicht: van verre gezien, herinnert het mij aan de dorpen langs de Amazone. Hutten met palmbladen bedekt, met leemen wit gepleisterde wanden, staan langs de helling van een lagen heuvel verspreid, en schijnen vrij talrijk, juist omdat zij zoo door en boven elkander zijn geplaatst. Weldra bereiken wij lage eilanden, door granietrotsen omzoomd, dan varen wij de donkere wateren van de Atabapo op. De oever, waarop het dorp ligt, is omzoomd door eene bank van graniet, die met zachte glooiing in de rivier afdaalt. Deze rivier heeft bij hare samenvloeiing met de Guaviare eene breedte van zes- tot achthonderd meters.
In een glas ziet haar water grauw, rookkleurig: maar in de rivier zelve is het water, door de massa, volkomen zwart. Een wit voorwerp, in de rivier gedompeld, neemt op eene diepte van dertig duim eene goudgele tint aan; op negentig duim diepte is het oranjerood. Dit water is echter drinkbaar; te San-Fernando gebruikt men geen ander. Het vermengt zich zeer goed met zeep, en bezit twee voortreffelijke hoedanigheden: het houdt de muskieten en de kaimans op een afstand. Het verdient wel vermelding, dat men nooit een dezer laatste dieren in den omtrek van San-Fernando heeft aangetroffen, terwijl toch de Guaviare, die niet meer dan achthonderd meters van de plaats verwijderd is, van kaimans wemelt. Ik houd het voor zeker, dat de zwarte kleur van het water van de Atabapo door organische stoffen veroorzaakt wordt, waarvan de ware aard nog niet bekend is; al de visschen van deze rivier zijn eveneens zwart van kleur. In haar leeft eene bijzondere soort van schildpad, veel kleiner dan die van de Guaviare. De rio Atabapo komt van het zuiden; zij opent een veel korter weg dan de Cassiquiare om de rio Negro te bereiken. Na acht dagen varens en een marsch van nog twee dagen komt men aan de rio Guaïnia, die meer benedenwaarts den naam aanneemt van rio Negro.
De vaart over de rivier valt ons lang. De zwarte kleur van het water geeft aan het landschap een eigenaardig vreemd karakter: de kleuren en tinten der naburige voorwerpen schijnen veel helderder en levendiger. Op den oever tegenover ons bevinden zich enkele vrouwen, wier gele of blauwe japonnen ons letterlijk in het oog steken.—Eindelijk bereiken wij den oever. Het gerucht onzer komst is spoedig verspreid, want de aankomst van eene prauw is voor dit dorp eene gebeurtenis van zeker gewicht. Is de prauwmet Indianen bemand, dan komen de kooplieden zich spoedig vergewissen, welke koopwaren zij medebrengen. Maar wie kunnen deze blanken zijn, die van de Guaviare komen? Geen enkel van de inwoners van het dorp is dien kant uitgegaan om handel te drijven.
Vier of vijf personen spreken ons zeer beleefd aan, blijkbaar brandende van begeerte om hunne nieuwsgierigheid bevredigd te zien. Hun kostuum perst François een glimlach af: zij dragen een pantalon en daarover heen een wijd loshangend hemd. Deze mannen zijn bleek, vermagerd, zwak, de koorts ziet hun de oogen uit. Een enkele, een mulat wiens haar reeds grijs begint te worden, ziet er gezond en welvarend uit. Zoo als ons later bleek, is hij iemand van een zeer vroolijk humeur, een pretmaker, die zeer tevreden is met zijn lot.
De waarnemende gouverneur, don Manuel Fuentes, is een man van omstreeks vijftig jaar, bleek, uitgeteerd, met reeds grijzenden baard en haar, en groote zwarte schitterende oogen, door zware grijze wenkbrauwen overschaduwd. Hij spreekt goed en vlug, is zeer vriendelijk en voorkomend, maar gevoelt toch blijkbaar al het gewicht van zijne betrekking. Hij ziet onze papieren in, en wij deelen hem het een an ander nopens onze reis mede, waarnaar hij met groote belangstelling luistert. Hij spreekt ons breedvoerig over Michelena, een venezuelaansch reiziger, die een boek heeft uitgegeven over de reis van Humboldt, waarin hij, met zeer veel warmte, tracht te betoogen, dat deze beroemde reiziger niet tot de bronnen van den Orinoco is doorgedrongen. Mag men den hartstochtelijken kritikus gelooven, dan zou Humboldt niet verder zijn gegaan dan tot de Guapo, op een of twee mijlen afstands van Esmeralda en driehonderd mijlen boven den waterval van de Guaharibos. De Guaharibo-Indianen zijn, volgens de bewoners van San-Fernando, zeer vreemde wezens met een blanke huid en rood haar: zij schilderen hen af als zeer wild en bloeddorstig en beweren dat zij steeds ieder belet hebben, tot de bronnen van den Orinoco door te dringen. Eenige jaren geleden liet Michelena zich tot gouverneur van San-Fernando benoemen, uitsluitend met het doel om het onderzoek van die rivier ten einde te brengen. In een zijner tochten op de Atabapo werd hij door den val van een boom gedood. Hij was tachtig jaren oud, en men kan hem althans geen gebrek aan ijver en energie verwijten: in dat opzicht maakte hij vele jongeren beschaamd.
Het dorp San-Fernando heeft geene herberg: gelukkig kunnen wij onzen intrek nemen in eene bouwvallige hut, die aan de voorzijde gestut wordt en waarvan wij hopen mogen dat zij, zonder onvoorziene toevallen, gedurende den tijd van ons verblijf overeind zal blijven staan. Onze naaste buurman is de heer Mirabal, koopman, die bijna alle Indianen uit de omstreken kent en die ons met hen in aanraking zal brengen, als zij voor ons vertrek te San-Fernando komen. Hij neemt op zich, het noodige voor onze tafel te leveren.
Voor onze hut staan twee breedgetakte ceibos, waaronder banken zijn geplaatst: hier komen de aanzienlijken van het dorp des avond bijeen om te praten. Van daar overziet men de Atabapo en de Guaviare; zelfs kan men het punt onderscheiden waar de Guaviare zich met den Orinoco vereenigt. Van welken kant ook prauwen of vaartuigen mogen komen, steeds vallen ze hier aanstonds in het oog. Men praat en keuvelt hier over alles, zelfs, o goden, over politiek! en dat bij helderen maneschijn, en terwijl in den stillen plechtigen nacht, daar beneden langs de oevers, de fakkels flikkeren der visschers die op buit uitgaan.
Het dorp San-Fernando was vroeger van meer beteekenis dan tegenwoordig. De ligging van het vlek is uitmuntend: juist op een punt waar de Orinoco, de Guaviare, de Atabapo en de Ynirada om zoo te zeggen elkander ontmoeten, en aan de twee wegen die naar de Amazone voeren, hetzij langs de Cassiquiare, hetzij langs de Atabapo.
De bewoners vinden hun hoofdmiddel van bestaan in de exploitatie van caoutchouc, gutta-pertja, en copahu. Het was een Franschman, de heer Truchon, die eenige jaren geleden, den inboorlingen de exploitatie van de caoutchouc leerde. In December gaan de Baniva-Indianen van de Atabapo en de bewoners van San-Fernando naar de bosschen van den Orinoco, boven de Vichada, om de “gomma” in te zamelen, die zij vervolgens aan de voornaamste handelaren van het dorp verkoopen. Dezen verkoopen op hunne beurt de caoutchouc te Bolivar. De vrachtprijs naar deze stad is zeer hoog en bedraagt vijf-en-twintig percent van de waarde der koopwaren bij vaartuigen met een inhoud van driehonderd aroben, en vijftig percent bij kleinere vaartuigen.—Een arobe staat gelijk met vijf-en-twintig pond.—Van de Cassiquiare zou men gemakkelijker Manaos dan Bolivarkunnenbereiken; de vaart op den Orinoco gaat met meer gevaren gepaard dan die op de rio Negro; maar men zou dan met braziliaansch papier worden betaald en de handelaars zouden bij de inwisseling belangrijk daarop verliezen. De hooge vrachtprijs is niet alleen een gevolg van het lange traject, maar ook van de gevaren der reis van wege de watervallen van Maypoures en Atoure, die tusschen San-Fernando en de uitmonding van de Meta liggen.
Volgens de waarnemingen van Lejanne ligt San-Fernando honderd-een-en-vijftig meter boven de zee. De wind waait uit alle hoeken van den horizon en gaat dikwijls tot storm over. Eigenlijk gezegde saizoenen heeft men hier niet. Het dorp is ongezond; bijna voortdurend heerschen er koortsen. Muskieten vindt men er weinig, maar des te meer vampyrs. De landbouw is hoogst gebrekkig en onvolkomen. Sommige bijzonder bevoorrechten bezitten in den omtrek plantages, die hun bananen opleveren; men rekent op de Indianen, om zich van cassave en maniokmeel te voorzien. Het dorp bezit niet meer dan vijf of zes koeien, die vrij in den omtrek loopen te grazen, voor zoo ver er gras te vinden is. Aan alle zijden wordt San-Fernando door het woud omgeven, dat zichvan de Atabapo tot den Orinoco uitstrekt, en slechts hier en daar enkele, open plekken heeft, die met hoog gras en struiken zijn begroeid.
De bewoners die thans in het dorp achtergebleven zijn brengen, naar het schijnt, hun tijd in volstrekte ledigheid door: hunne siësta duurt den ganschen namiddag. Veel tijd wordt aan het bad besteed. Uit onze hut kannen wij de baders gadeslaan, die hun hart ophalen in de zwarte wateren van de Atabapo. Op den tweeden dag na onze aankomst maakten wij eene interessante wandeling in den omtrek van het dorp, waarbij onze aandacht vooral getrokken werd door beeldwerk op granietrotsen tusschen San-Fernando en de Guaviare, blijkbaar het werk van Indianen.
In den namiddag komen drie prauwen, door Baniva-Indianen bemand, te San-Fernando; zij komen van het dorp Samutsida aan de Atabapo en gaan den Orinoco opvaren om caoutchouc in te zamelen. Deze Indianen hebben hunne gezinnen medegebracht. Waarschijnlijk brengt de caoutchouc hun eene aardige winst op: althans zij dragen zeer nette en bijna nieuwe kleederen. De mannen dragen hun hemd los boven hun broek. De vrouwen zijn gedost in japonnen met schreeuwende kleuren; zij dragen gekleurde kousen en stoffen laarsjes met verlakte punten, waarop zij zeer trotsch zijn. In haar ooren prijken ringen van bijzonder groote afmeting. Weldra worden de nieuw aangekomenen door de kooplui in beslag genomen en rijkelijk op rhum onthaald: twee uren na hunne komst zijn de mannen stomdronken.
Den trek der mannen naar alkohol en dien der vrouwen naar sieraden kennende, kostte het ons hoegenaamd geene moeite de Indianen tot ons te lokken. Lejanne maakte bijna aller portret. Wij onthalen de mannen op een weinig rhum en verblijden de vrouwen met roodkoralen halskettingen. Allen waren nu even begeerig om hun portret te laten maken; men zag ons algemeen voor groote heeren aan, die over schatten hadden te beschikken. Na de Baniva-Indianen kwam de beurt aan de inwoners van San-Fernando, die zich mede wilden laten conterfeiten. Wij kunnen onze verzameling nog vermeerderen met afbeeldingen van Pouynavé-Indianen, zoowel mannen als vrouwen, die langs de oevers van de rio Uaupés gevestigd zijn.
Den 23stenDecember hebben wij eindelijk eene equipage gevonden, bestaande uit een schipper en twee roeiers, die, geholpen door Apatoe en François Burban, in staat zullen zijn om de overdekte prauw te besturen en te roeien, welke de heer Mirabal tot onze beschikking heeft gesteld. Deze prauw heeft geene kiel; zij is gemaakt van een hollen boomstam, dien men van een boord of borstwering en van een dak van palmbladen heeft voorzien. De prauw, waarmede wij van Recifal naar San-Fernando gekomen zijn, is niet geschikt voor de vaart op den Orinoco in dit jaargetijde, want voorbij Santa-Barbara zullen wij voortdurend met den wind en eene sterke strooming te worstelen hebben.
De heer Mirabal kan eerst den 27stenvertrekken: wij brengen dus de Kerstdagen te San-Fernando door. De Kerstnacht wordt door een eigenaardig voorval gekenmerkt. De te San-Fernando vertoevende Indianen komen voor onze hut zingen en dansen, onder de telkens herhaalde kreten van:“Vivan los retratistos!” Leven de portretschilders!—Wij geven hun een flesch rhum.
Onder meer dan een opzicht biedt San-Fernando de Atabapo de gelegenheid tot belangrijke waarnemingen en studiën, vooral ook op anthropologisch gebied. Bovendien zou men hier eene rijke verzameling kunnen bijeen brengen van visschen uit de Guaviare, den Orinoco, en de zwarte wateren van de Ynirida en de Atabapo. Voor den botanicus zou de oogst hier niet minder overvloedig zijn.
Den 27stenDecember, des avonds tegen half zes, verscheen Lejanne, vergezeld van den heer Mirabal en van onze geheele equipage. Wij zijn nu ruim voorzien van cassave, suiker, koffie en ook van rhum.
28 December.—Om zeven uur hebben wij onze koffie gebruikt, en zijn wij op weg gegaan. De morgen is donker en mistig. Het bed der rivier is bezaaid met groote rotsblokken in den vorm van bijenkorven, waarop de hooge waterstanden een spoor van slib hebben achtergelaten, die sedert verdroogd en verhard is. Een dier rotsen draagt den naam van Castillo, uit hoofde van hare gelijkenis met een fort; wij gaan op een naburig rotsblok aan wal, ten einde Lejanne gelegenheid te geven, van dit Castillo eene schets te maken. Omstreeks vijf uren bereiken wij den mond van de Mataveni, welke rivier wij opvaren. Wij zullen langs hare oevers de Piaroa-Indianen ontmoeten, die nog geheel in wilden toestand leven, en die ons zeer vermoedelijk beter zullen bevallen dan de half beschaafde en netjes gekleede Indianen, die wij te San-Fernando hebben leeren kennen.
De Mataveni maakt op tweehonderd meters van hare uitmonding plotseling een scherpe bocht, veroorzaakt door groote vooruitspringende rotsen, waarop wij den nacht willen doorbrengen. Juist toen wij bij de rotsen kwamen, zagen wij twee prauwen naderen, met rotting geladen. Deze prauwen worden bestuurd door Indianen, die in het dorp eenige inkoopen hebben gedaan; wij roepen hen toe en noodigen hen uit, bij ons op de rotsen te komen, maar zij houden zich als hoorden zij ons niet. Te San-Fernando heeft men ons reeds gezegd, dat deze Piaroa-Indianen alle aanraking met blanken vermijden.
Onze schipper zegt hun dat de heer Mirabal in eene tweede prauw achter ons volgt. Deze naam werkt als een tooverspreuk, en de beide vaartuituigen zetten onmiddellijk koers naar de rotsen. De twee Piaroas, die zich in de eerste prauw bevinden, komen naar ons toe, drukken ons de hand en vragen zelfs naar den staat onzer gezondheid. Beide mannen zijn slank en rijzig van gestalte en dragen niet zonder zekeren zwier hun hoogst eenvoudig kostuum, bestaande uit eene menigte zwarte koordjes, van haar gevlochten, twaalf tot vijftien duim breed en bij wijze vangordel om de lendenen geknoopt. Een schort van wit katoen, door dien gordel omvat, hangt van voren tot op de knieën, van achteren tot de kuiten. Zoowel van voren als van achteren is dit schort met drie kwasten versierd. Om hunne polsen en beneden hunne knieën dragen zij een koordje; in hunne ooren prijkt een schijfje hout, ongeveer vijftien duim lang en zoo dik als een ganzeveder; aan de achterste punt van dit schijfje of stokje hangt een kwastje van wit katoen, waaraan drie lange tressen van blauw katoen zijn bevestigd, die ieder weder met een wit kwastje versierd zijn. De haren zijn op het voorhoofd kort afgeknipt, maar hangen van achteren langer. Zij zijn behoorlijk gekamd. Een dezer Piaroas heeft op het voorhoofd en op de wangen een streep van zigzaglijnen, gevat tusschen twee rechte strepen, metchicageschilderd. Deze barbaarsche versiering doet echter geen afbreuk aan de zachte uitdrukking zijner groote zwarte oogen; zijn geheele voorkomen teekent veeleer bescheidenheid en schroom dan boosaardigheid.
Ontmoeting met picaris.Ontmoeting met picaris.
Ontmoeting met picaris.
Wij zijn niet enkel hier gekomen om Indianen te zien. Wij hebben te San-Fernando vernomen, dat vlak bij den mond van de rio Mataveni een aantal Indianen begraven liggen, en zeer gaarne zouden wij hunne schedels en beenderen bezitten. Maar waar zijn ze te vinden? Een toeval brengt ons op het rechte spoor. Een der Piaroas geleidt ons, Mirabal en mij, naar het naburige dorp, terwijl Lejanne den anderen beschilderden Indiaan uitteekent. De Piaroas zijn bezig met het braden van eene boa, waarmede zij hun maal zullen doen. Men ontvangt mij aanvankelijk met groote vriendelijkheid; maar het toeval wilde dat ik moest niezen, en eensklaps weken allen die mij omringden terug. De vreesachtigsten trokken zich tot een grooten afstand terug; de moedigsten houden zich den neus dicht. Ik weet dat deze Indianen, die aan tering en borstziekten onderhevig zijn, de blanken beschuldigen—en zeker niet zonder grond—dat zij hun deze ziekten op den hals halen. Men verhaalt mij van kooplieden, die eensklaps door hunne equipage verlaten werden, omdat zij het ongeluk hadden te niezen en te hoesten. Ik vertrouw deze Indianen maar half.—Wij keeren met onzen gids naar ons kamp terug. Onderweg maakt onze Indiaan, die geen woord spaansch verstaat, een gebaar, dat wij zeker allen meermalen door doofstommen hebben zien maken, als zij den dood of den slaap willen aanduiden: hij buigt het hoofd naar rechts, legt het op de vlakke rechterhand, en wijst met de andere naar eene rotsgroep op den berg. Ik begrijp aanstonds dat deze heuvel eene begraafplaats is. Ik spreek met Lejanne af, dat ik morgen, vergezeld van Apatoe, voorgevende op de tapirjacht te gaan, de graven zal gaan opsporen, terwijl hij de dorpsbewoners zal ontvangen, die ons een bezoek zullen komen brengen.
Wij doen ons maal met gekookte en gebakken visch en met bananen in schildpad vet gebakken: het een en ander besproeid met water uit de Mataveni; vervolgens verkwikken wij ons met een kop koffie en een glaasje rhum. Na den maaltijd legeren wij ons rondom het vuur en rooken sigaren, waarvan wij de gaten met onze vingers moeten dichtstoppen. De drie Indianen hebben zich bij ons gevoegd en deelen ons het een en ander omtrent hun stam en hunne taal mede.
Den volgenden morgen, met het opgaan der zon, begeef ik mij op weg, vergezeld van Apatoe; wij marcheeren uren achtereen zonder iets te vinden; wij verwonden onze bloote voeten bij het beklimmen van den rotsigen heuvel, dien wij op het nauwkeurigst onderzoeken. Op den top zien wij eindelijk een soort van hangenden steen, die ons op het hoofd dreigt te vallen: Apatoe zegt tot mij: “Daar moeten wij de lijken vinden.” Eenige minuten later ontdekken wij onder de overhangende rots drie in boomschors gewikkelde voorwerpen: wij snijden de koorden door en zien nu drie fraaie mummies met halskettingen, sieraden en een hangmat. Naast elke mummie staat een aarden pot of kruik, die, zoo als ik later vernam, couria bevatte, opdat de doode zijn dorst zou kunnen lesschen. Apatoe wikkelt onzen schat in een korf of mand, die hij van palmbladeren vervaardigt, en wij keeren naar boord terug.
Meer dan twintig Indianen hebben zich gedurende onze afwezigheid op den oever verzameld en koopen van den heer Mirabal verschillende dingen; bijna al die Indianen lijden aan huidziekten. Lejanne heeft er twee uitgeteekend. Maar eensklaps wordt hunne aandacht getrokken door de zonderlinge lading, die wij aan boord hebben, en die zij met achterdochtige blikken beschouwen. Het wordt hoog tijd om te vertrekken, hetgeen wij dan ook aanstonds doen.
Omstreeks vijf uur bereiken wij eene granietrots aan den linker oever, waarop wij den nacht doorbrengen.
30 December.—Mieren hebben het garneersel van mijn hoed weggevreten, en ook den hoed zelven niet ongeschonden gelaten. Zal hij het tot Bolivar uithouden? Ik hoop het: hij is een oude kameraad, op wien ik gesteld ben. Hij is de Andes overgetrokken, heeft de raudals van de Goyabero getrotseerd, en altijd trouw zijn plicht gedaan door mij voor zonnesteken te behoeden. Hij is niet mooi meer: maar een goed hart is meer waard dan een mooi gezicht.
Tegen twee uren in den namiddag ontmoetten wij, dicht bij den mond van de rio Sipapo, eene prauw met Piaroa-Indianen, van wie wij eene levende iguane-hagedis koopen en een flesch met curare—het vergif waarmede zij hunne pijlen vergiftigen—die Apatoe te midden van hunne bagage ontdekt. Wij beginnen de heuvelreeks te onderscheiden, die den waterval of de stroomversnelling van Maypoures veroorzaakt, en waar wij omstreeks vijf uren aankomen. Wij bevinden ons in een doolhof van rotsige eilandjes; een daarvan is geheel uit zand gevormd, dat door verspreide granietblokken wordt opgehouden. Daar woont een onzer Indianen; zijne hut bestaat uit eenige palmbladen op stokken rustende. Wij laten een eend braden; Lejanne en Apatoe geven devoorkeur aan de iguane, die zij met zout en spaansche peper toebereiden. In het lichaam van de hagedis vinden zij, tot hunne groote blijdschap, niet minder dan drie-en-veertig eieren. Deze eieren zijn langwerpig en zoo groot als duiveneieren; de schaal is minder hard dan die van kippen- of schildpadeieren en laat zich met de hand eenigszins kneden. Gekookt, smaken deze eieren zeer lekker.
31 December.—In den morgen laat ik mij met eene prauw naar eene naburige rots roeien, die omstreeks honderd el boven het water uitsteekt. Niet zonder moeite bereik ik den top, van waar ik de geheele stroomversnelling van Maypoures kan overzien. De rivier, door eene granietbank tegengehouden, heeft zich verschillende doorgangen geopend. Schuimend en kokend stroomt zij, in onstuimige vaart, over reusachtige trappen van graniet, waartusschen geweldige steenblokken oprijzen. Ik sta hier op een uitmuntenden observatiepost: geene enkele bijzonderheid ontgaat mijn blik. Na de plek goed bestudeerd en mijne waarnemingen gedaan te hebben, keer ik naar Lejanne terug, die inmiddels eene schets gemaakt heeft van de rivier boven den val. Wij spreken af dat wij in den namiddag een bezoek zullen gaan afleggen bij de Guahibo-Indianen aan den linker oever.
De Guahibo-Indianen zijn zeer talrijk en worden daarom door hunne naburen ontzien en gevreesd. Hunne huid is donkerder van kleur dan bij de andere indiaansche stammen in het gebied van den Orinoco. Zij wonen langs de oevers van de Vichada en de Meta. Vooral de Guahibos langs de Meta zijn zeer woest en roofzuchtig; in 1878 hebben zij een blanke, die bij de monding van de Meta kampeerde, met zijn geheele gezin vermoord, en dat uitsluitend met het doel om hem te bestelen. Zij maakten zich meester van zijn geweer, dat hij in zijne prauw had achtergelaten, en sloegen hem met de kolf dood. De kooplieden vereenigen zich dan ook altijd tot eene kleine karavaan, wanneer zij bij hen handel komen drijven.
Wij weten dat wij op den linker oever, omstreeks tien kilometers van de rivier verwijderd, een dorp van Guahibo-Indianen zullen aantreffen. In de nabijheid van dit dorp bevinden zich granietachtige heuvelen, samenhangende met de keten welke den waterval van Maypoures vormt, wier kale hellingen versierd zijn met beeldwerk, door de oude Indianen daarin gegriffeld en de maan voorstellende; van daar de naam van Cerro de la Luna, dien men aan deze heuvelen gegeven heeft.
Tegen een uur in den namiddag ga ik met Lejanne op weg. Een onzer Indianen van gisteren zal ons tot gids dienen; nog een tweede gaat met ons mede om onze hangmatten te dragen.
Na een zeer vermoeienden en bezwarenden tocht naderen wij het dorp. Even voor wij het bereiken, zien wij eensklaps twee Indianen, in hunne hangmatten gezeten, welke aan de boomen langs het pad zijn opgehangen. Uit hunne wijde neusgaten vloeien onophoudelijk twee zwarte walgelijk vieze beekjes. Zij komen naar ons toe en spreken tot ons, maar dit spreken gaat zoo ongeloofelijk snel, dat wij in de meening verkeeren dat zij slechts onzamenhangende woorden uitstooten, zonder eigenlijk iets te zeggen. Een kind dat van het dorp komt keert op zijne schreden terug, ongetwijfeld om kennis te geven van onze nadering. Wij laten ons naar de hut van den hoofdman of kapitein brengen. Deze kapitein, een mager man ondanks zijn vooruitstekenden buik, lijdt aan huidziekte; hij ziet er overigens vrij zachtzinnig uit. Hij ontvangt ons zeer vriendelijk, en biedt ons, bij gebrek van cachiri of couria, met water vermengde cassave aan.
De bevolking van dit dorp, waarmede wij spoedig kennis maken, bestaat uitruimeen half dozijn mannen, evenveel vrouwen, en zeven of acht kinderen beneden de zestien jaren. De kleeding der mannen is dezelfde als die der Piaroas. De vrouwen dragen eene soort van hemd zonder mouwen; drie meisjes van veertien tot vijftien jaar hebben niets anders aan dan een lapje katoen, zoo groot als een hand.
Naar het schijnt zijn deze lieden pas versch beschilderd. De mannen zijn over het geheele lichaam met allerlei figuren in roode kleur beschilderd; bij de vrouwen is alleen het gelaat op die wijze uitgemonsterd. Ik zie dat bij alle mannen datzelfde vuile zwarte vocht uit den neus vloeit. Elk oogenblik stoppen zij hunne neusgaten vol met een zeker donkerbruin poeder, in kleur en reuk zeer veel overeenkomende met zeer fijne snuif, en dat zij yopo noemen. Om dit poeder te verkrijgen roosteren zij de groene bladeren van eene zekere plant en maken die vervolgens met behulp van harde schelpen fijn.—De avond valt; de Indianen zijn in het bezit van versche cassave en van gedroogd vleesch: zij staan ons daarvan, in ruil tegen eenige snuisterijen, zooveel af als wij voor ons maal noodig hebben. Na gegeten te hebben, laten wij onze hangmatten aan de boomen ophangen in de nabijheid van de hut van den kapitein.
IX1881.—Het is heden de eerste Januari. Wij wenschen elkander een gelukkig nieuwjaar, maar wij zijn niet feestelijk gestemd, want onwillekeurig denken wij aan onze betrekkingen en vrienden daar ginds, verre, verre weg, die sedert vele maanden niets van ons vernomen hebben, evenmin als wij iets van hen.Lejanne begint zijn dag met het portret te maken van een jong meisje. De vader, wiens toestemming met een stuk van vierrealesis gekocht, slaat met geopenden mond aandachtig den arbeid gade. Hij staat verstomd over de gelijkenis, die dan ook inderdaad treffend is.Bij deze Indianen staan de oogen dikwijls min of meer schuin. Hun romp is forsch en breed gebouwd; hunne beenen zijn mager en staan krom; de wangbeenderen steken vooruit. Maar wanneer zij, naar europeesche wijze gekleed, door onze straten wandelden, zou ieder hen waarschijnlijkvoor bewoners van oostelijk Azië aanzien. Zij gelijken in niets op die fantastische Indianen, wier afbeeldingen ik zoo vaak in geïllustreerde werken heb aangetroffen en die dan ook nergens bestaan dan in de verbeelding van den teekenaar.Bij de Guahibos bestaat de gewoonte, om bij zonsopgang uit hunne hutten te voorschijn te treden, voorzien met eene soort van pansfluit, en dan, op dat instrument blazende, een ommegang om het dorp te houden. Is dit eene hulde aan de zon, en vereeren zij die als hunne godheid?De kapitein brengt mij bij de gebeeldhouwde rotsen. Onder weg bemerk ik dat hij om den hals een stuk rotskristal draagt, dat in de holle tand van een kaaiman is geweest; zulk een halssieraad draagt den naam van guanare. Met behulp van deze guanares trachten de Guahibos hunne gehate naburen, de Piaroas, te betooveren en hun allerlei kwalen en rampen op den hals te halen. Hoe vele geslachten hebben niet aan dit stuk kristal gearbeid, om het aldus als een brillant te bewerken en te slijpen! Welke is wel de waarde van dit voorwerp, dat alleen door de wetenschap en de bekwaamheid van machtige toovenaars tot zoodanigen staat van volkomenheid kan zijn gebracht?Op weg naar het dorp.Op weg naar het dorp.De arme onwetende Indianen vermoeden zelfs niet, dat er voor onze glaswerkers maar een arbeid van weinige uren noodig is om de schoonste scheppingen der natuur op verwonderlijk getrouwe wijze na te bootsen; en evenmin dat deze kristallen, welke in zoo hooge mate hunne verbazing opwekken, op meer dan één punt in de ingewanden der aarde worden aangetroffen. Elk stuk mineraal, dat in zijne gedaante en zijne omtrekken zekere regelmatigheid vertoont, is in hunne schatting het werk van geesten of van toovenaars.Een uur na Lejanne kwam ik te Maypoures. Wij gebruiken het ontbijt en gaan daarop aan boord van onze prauw om de watervallen te passeeren. Bij twee van deze vallen of stroomversnellingen gaat dit zonder bezwaar; bij den derden, den val van Sardinel, moet de bagage worden ontscheept en over land vervoerd. Een uit Brazilië gevluchte neger, Sylvester genaamd, heeft zich hier als veerman neergezet. Hij voert de vaartuigen, die van boven of van beneden komen over den val, en belast zich ook met het vervoer der bagage over land. Wij gaan naar zijne hut om eene overeenkomst met hem te sluiten. Nadat wij het over de voorwaarden eens waren geworden spreken wij hem bij toeval over het curare.—“Mijne vrouw weet daar alles van”, zegt hij. “Zij is de dochter van een toovenaar uit den stam der Piaroas en heeft dikwerf haar vader geholpen om dit vergif te bereiden.”Juist terwijl hij dit zeide trad de vrouw de hut binnen. Wij halen uit onze prauw de kalebas met curare, die wij in den omtrek van San-Fernando gekocht hebben. Volgens haar, is dit niet het “curare fuerte” van de Piaroas. Zij kan daarvan het bewijs leveren, want op den boschrijken heuvel in de nabijheid der hut is de echte curare te vinden.“Volg mij,” zegt zij tot mij.Weldra komen wij bij een braaknotenboom, waarvan de bladeren en de jonge twijgen met roodachtige haren zijn bezet.—Dit is de “curare fuerte”. Professor Planchon, die de door ons medegebrachte exemplaren heeft onderzocht, houdt de bladeren en twijgen voor die van destrygnos toxifera.—Men raspt de schors van deze liano en laat die gedurende eenige uren in het water koken en vervolgens het vocht door eene zeer fijne zeef loopen; het aldus gefiltreerde vocht verdikt zich en wordt daarna uitgeperst. Het aldus verkregen vocht wordt in kalebassen van tien duim in doorsnede bewaard. Men doopt de punten der pijlen eens of meermalen in dit vocht,dat in de kalebassen spoedig opdroogt en dan het voorkomen van drop aanneemt. Dit curare is een zeer sterk vergift. Al de Piaroa-Indianen, wien wij later onze twijgen lieten zien, erkenden daarin aanstonds het echte curare.Sylvester weet ook dat in den omtrek Piaroa-Indianen begraven liggen. Hij wil, natuurlijk tegen betaling, mij behulpzaam zijn om mij hunne geraamten te bezorgen. Morgen, bij het aanbreken van den dag, zullen wij op die expeditie uitgaan. Lejanne zal eene schets maken van den waterval van Sardinel; Mirabal, meer gewoon met Indianen om te gaan, zal voor het vervoer der bagage zorgen.Indiaansche hut.Indiaansche hut.Dit eenmaal afgesproken zijnde, keeren wij naar den anderen oever terug. Onderweg hebben wij met geweldige draaikolken en stroomingen te worstelen. Somwijlen wordt onze kano, als die onweerstaanbare stroomingen haar van ter zijde aanvallen, als eene veer op de golven medegevoerd. De schipper heeft al zijne bekwaamheid en al zijne tegenwoordigheid van geest noodig om te beletten dat het broze vaartuig omkantelt of medegesleept wordt naar den bruisenden waterval van Sardinel. Ter wederzijde liggen groote kaimans op de loer, uitziende naar de visschen en andere dieren, die met den snel voortschietenden stroom worden medegevoerd. Wij brengen onze bagage aan den anderen oever aan land, en vinden daar een Spanjaard, don Pedro genaamd, die na eerst in La Plata, vervolgens in Brazilië te hebben gewoond, zich eindelijk te Atures heeft nedergezet. Hij is op weg naar la Urbana, met een lading maniokmeel, dat hij van de Indianen van de Vichada gekocht heeft. Het was deze don Pedro, die bij de Guahibo-Indianen tien manden maniokmeel betaalde met de stop van een karaf. Maar in onze positie kunnen wij niet kieskeurig zijn: van iedereen kunnen wij nuttige inlichtingen inwinnen.Wij deelen ons maal met dit heerschap, voor wien wij zeer weinig sympathie gevoelen, en bieden hem koffie en sigaren aan. Dan leggen wij ons rustig in onze hangmatten, die heen en weer worden geslingerd door den sterken wind, wiens koude adem ons reeds voor den morgenstond doet ontwaken.2 Januari.—Terwijl de heer Mirabal onze bagage door Indianen laat vervoeren, Lejanne den waterval van Sardinel uitteekent en eenden schiet voor ons middagmaal, ga ik, met Sylvester als gids, eene lange wandeling ondernemen. Eerst tegen vier uren kom ik terug, vermoeid van onzen tocht over naakte rotsen, in de brandende zon. Maar ik acht mijne moeite rijkelijk beloond, want wij brengen een ongeschonden geraamte mede. Ik vond mijne makkers aan den oever beneden denval, bij eene soort van natuurlijke grot, die eene veilige schuilplaats aanbiedt. In de onmiddellijke nabijheid bevindt zich eene kleine inham, waar de prauwen kunnen aanleggen. De kaimans zijn hier nog zeer talrijk. Wee den reiziger, wiens prauw hier omkantelde: hij zou onfeilbaar den dood in de golven vinden.Wij strekken ons op den oever uit, want buiten het water hebben wij van de kaimans niets te duchten. Maar de wind steekt op en waait ons het zand in het gelaat; wij zijn nu wel gedwongen op de rotsen te gaan slapen.3 Januari.—Don Pedro vaart met zijne prauw voor ons uit. Deze zeer lange en zeer smalle prauw komt ons tamelijk gevaarlijk voor: daar de bagage slecht is verdeeld en slordig vastgemaakt, is er groote kans dat het vaartuig kantelt. Don Pedro, zijn stuurman Agapito en de twee Indianen in de prauw deelen onze beduchtheid volstrekt niet. Zij moeten nog een kleinen val passeeren. Daar halen wij hen in. Zij hebben hunne bagage ontladen om de prauw over den val heen te krijgen. Apatoe is van meening dat dit voor ons niet noodig is, en in twee minuten heeft onze geladen prauw den waterval doorsneden. Wij waren zelven aan wal gegaan en konden nu weer in ons vaartuig stappen; maar wij wachten tot ook don Pedro de reis kon hervatten—en dat was zijn geluk.Wij vertrekken te zamen. Het water is zeer woelig: de rivier, bij den waterval tusschen de rotsen saamgeperst, is nog niet tot hare gewone kalmte teruggekeerd, maar klotst en golft en maakt allerlei bewegingen. Onze prauw houdt het midden van den stroom en wordt door de golven gedragen. De Spanjaard is niet geheel zeker van zijn zaak en poogt den rechter oever te bereiken: zijn vaartuig wordt door de branding in de flank gegrepen en slaat op tweehonderd meter van den oever om. Wij hooren om hulp roepen, en zien de schipbreukelingen, die zich aan de omgekeerde prauw vastklemmen en door het woelige water op en neer worden geslingerd. Wij zetten aanstonds koers naar de plek des ongeluks; onze Indianen roeien uit alle macht. Deze vaart tegen stroom is gansch niet zonder gevaar: onze prauw wordt duchtig heen en weer geschud en schept telkens water. Eindelijk komen wij bij de schipbreukelingen. De manden met maniokmeel dansen om ons heen op de golven. Wij nemen don Pedro bij ons aan boord. Apatoe grijpt de omgekantelde kano, keert haar weer om, en laat, door ze heen en weer te wiegelen, het achtergebleven water wegvloeien. Een der Indianen klautert nu in de boot en ledigt haar verder met eene groote kalebas; inmiddels visschen de andere Indianen de manden met meel op, die wij aan land brengen. Kort daarop bereiken de schipbreukelingen behouden den oever. De schipper Agapito is er het ergste aan toe: hij had een kist met messen, bijlen, hakmessen enz. aan boord, die natuurlijk als een steen gezonken is. Het maniokmeel, zorgvuldig in palmbladen gewikkeld, heeft niet geleden.De oever, waar wij aan land zijn gegaan, is zeer steil; het zand is op verschillende plaatsen omgewoeld. De kaimans hebben er diepe in kuilen gegraven; in een daarvan vinden wij vijf-en-veertig eieren. Deze eieren zijn zeer langwerpig van gedaante en grooter dan eendeneieren. Lejanne, met een roeispaan gewapend, slaat al die eieren, waaruit vijf-en-veertig krokodillen te voorschijn moeten komen, stuk; terwijl hij daarmede bezig is, bespeuren wij nabij den oever de wijfjes-krokodil, die onbewegelijk deze slachting van haar aanstaand kroost aanschouwt. Haar onbewegelijk starende oogen hebben eene onbeschrijfelijke uitdrukking van woede en jagen mij eene huivering door de leden. Gelukkig zijn de schipbreukelingen in veiligheid!We slaan tegen den avond ons kamp op op eene groote rots, die met zachte glooiing in de rivier afdaalt. Langs de beide oevers van den Orinoco vindt men van afstand tot afstand dergelijke reusachtige rotsen,lajasgenoemd, waar de reizigers in den regel hun bivak opslaan, bij gebrek aan zandbanken, die, zoo zij minder hard zijn, in dezen tijd des jaars althans weer onder andere opzichten minder geriefelijk zijn. Immers, ge hebt dan voortdurend last van het zand, dat de vrij sterke nachtwind u onophoudelijk in het gezicht waait en waaronder ge bijna bedolven wordt.In den namiddag heeft Lejanne een zwarten ibis geschoten. Dat is een schraal hapje, want als die vogel geplukt is, is hij niet veel grooter dan een fiksche manshand. Daarom gaat Lejanne nu nog eens met Apatoe op de jacht, om te trachten iets voor ons diner te vinden. Zij keeren terug met eene eend en twee agoutis. Terwijl ons diner wordt gereed gemaakt, wordt onze aandacht getrokken door een dof geluid, dat zich met zeer korte tusschenpoozen herhaald, en dat nu eens van de rivier, dan weer van onder de rots schijnt te komen. Onze Indianen meenen dat dit geluid door een visch wordt veroorzaakt; ik zou het er eer voor houden, dat het veroorzaakt wordt door het water, dat in eene onzichtbare spleet van de rots doordringt.4 Januari.—Wij gaan reeds vroegtijdig op weg: omstreeks elf uur zijn we in de onmiddellijke nabijheid van Atures. De loodrechte en zeer hooge linker oever vormt een lange geelachtige, bank, met donkere strepen getijgerd. Midden in de rivier verheft zich een rond eiland, dat aan een versterkt kasteel doet denken, en waarop weleer het klooster der Jezuïeten van Atures stond. Om half twaalf loopen we de dusgenoemde haven binnen, op korten afstand van den eersten val.Terwijl ik eene meteorologische waarneming doe, bespeuren mijne reisgezellen, die onder den lommer der naburige boomen op mij wachten, eene prauw, waarin drie vrouwen gezeten zijn, wier jurken—wel louter toevallig—de drie kleuren vertoonen van de nationale vlag van Venezuela: geel, rood en blauw. Zij stappen in onze nabijheid aan land. Wij reiken haar de hand en groeten haar naar indiaansche wijze. Zij zijn nog jong en zien er niet onaardig uit; het prachtige zwarte hair golft vrij langs nek en schouders. Zij slaan onmiddellijk den weg naar het dorp in;eenige oogenblikken daarna begeven wij ons ook derwaarts. Het pad loopt door eene savane, met granietblokken bezaaid.Geen enkele boom beschermt ons met zijn schaduw tegen de felle zonnestralen op den twee kilometers langen weg, die ons van het dorp scheidt. Dit dorp bestaat uit acht hutten, met inbegrip van de kerk en van de dusgenoemdecasa real. Het eenige wat de kerk van de andere hutten onderscheidt, is de klok die aan een balk voor de deur hangt. De casa real is ter beschikking van de reizigers en gelijkt op alle andere hutten: wanden of muren van pisé en een dak van palmbladeren. Het geheele ameublement bestaat uit krammen, die in den muur geslagen zijn om de hangmatten daaraan vast te maken.Even na onze aankomst krijgt François opnieuw een hevigen aanval van koorts, waaraan hij in den laatsten tijd telkens lijdende is. Wij maken het hem zoo gemakkelijk mogelijk, en begeven ons vervolgens naar den kapitein of hoofdman van het dorp. Deze kapitein is een vrij bejaard man van den stam der Atchagua-Indianen, terwijl de mannen, waaruit zijn pueblo bestaat, Guahibos zijn. Ik weet niet, door welk een samenloop van omstandigheden de Atchagua Agostino hun hoofdman geworden is; zijne moeder behoorde tot den stam der Atchaguas en zijn vader tot dien der Guahibos, maar het kind behoort altijd tot den stam zijner moeder.—De bewoners van Atures zijn katholiek en zoogenaamd beschaafd. Ongelukkig sterven zij langzamerhand uit, en zullen weldra geen voldoend aantal manschappen meer kunnen leveren voor het vervoer der bagage. “Al mijne mannen sterven”, zegt de kapitein op weemoedigen toon. Zijne vrouw is ziek: sedert drie dagen heeft zij decalentura. Ik onderzoek haar en bevind dat zij aan longaandoening lijdt; ik deel den kapitein mede dat ik geneesheer ben en dat ik zijne vrouw zal behandelen. Hij antwoordt, dat hij mij daarvoor zeer dankbaar zal zijn. Toch geloof ik, dat hij liever de hulp zou inroepen van een of anderen indiaanschen toovenaar, want deze arme lieden zijn wel in naam katholiek, maar hebben metterdaad nog een goed deel van hunne vroegere bijgeloovigheid behouden.Men had mij te San-Fernando verteld, dat zich te Atures eenigecuevasof indiaansche knekelhuizen bevinden en dat de kapitein daarvan weet. Ik vraag hem dus, of hij mij zou willen behulpzaam zijn om die cuevas te zien: het is hem bekend, dat er zich op twee verschillende plaatsen bevinden. Wij zouden nog heden de naast bijgelegenen kunnen bezoeken. Vol vreugde neem ik dit voorstel aan, en beloof hem eene goede belooning, als hij mij wil helpen om eenige schedels machtig te worden; ik deel hem tevens mede met welke bedoeling ik dat verzoek doe, waardoor zijne aanvankelijke bezwaren uit den weg worden geruimd.Wij begeven ons aanstonds op weg, vergezeld door den zoon van den kapitein en door Apatoe. Wij gaan door eene savane, steken dan een arm van de rivier over en gaan aan land op een eilandje, dat den naam draagt van Cucurital. Achter eene rij boomen en hoog struikgewas verborgen, ligt een soort van natuurlijke grot, door eene opeenstapeling van geweldige rotsblokken gevormd. Wij klauteren naar den lagen ingang der grot en vinden daar een menigte potten van verschillende vormen, die elk een schedel van een Indiaan bevatten. Andere schedels en beenderen zijn eenvoudig in palmbladeren gewikkeld: zij zijn van de Guahibos afkomstig. Ik leg een vijftiental van de mooiste schedels ter zijde, en neem mij voor met Lejanne terug te keeren om een nieuwen voorraad op te doen.Wij keeren naar het dorp terug en nemen afscheid van elkander, na vooraf de afspraak gemaakt te hebben, dat wij morgen de andere cuevas zullen gaan zien.5 Januari.—Ten zeven uren ’s morgens gaan wij op weg. Wij hebben eene zeer lange en zeer vermoeiende wandeling te doen, eer wij den granietberg bereiken, waarin de cuevas zich bevinden. Daar gekomen, stuiten wij op een schier onoverkomelijk bezwaar. Een zeer steil pad, nauwelijks een el breed en zeer glibberig, voert naar de grotten. Dit pad loopt op eene aanzienlijke hoogte langs den loodrechten bergwand. De minste misstap zou ons in den afgrond doen nederstorten. Met snellen stap loop ik zonder ongeval het pad af en kom aan de eerste grot, waar ik dezelfde voorwerpen vind als op het eiland Cucurital. Van een bezoek aan de tweede grot moet ik afzien. Toen ik mij gereed maakte om terug te keeren, werd ik door eene duizeling overvallen: ik moest gedurende eenige oogenblikken mijne oogen sluiten, en kon eerst toen naar beneden dalen. De kapitein had slechts eens in zijn leven, toen hij nog een kind was, deze grotten bezocht. Den indruk, dien dit tweede bezoek op hem maakte, vatte hij saam in de woorden: “Afschuwelijk! Ik kom hier nooit weer dan dood!”In het dorp teruggekeerd, verneem ik dat de Indianen heden avond zullen dansen. Natuurlijk zullen wij bij dat feest tegenwoordig zijn. Na afloop van het middagmaal begeven wij ons met den heer Mirabal naar de hut, waar het bal gegeven wordt. Het orkest bestaat uit eene mandoline, een halter met holle ballen waarin harde zaadkorrels zijn en dien men op de maat heen en weer beweegt, en eindelijk uit een jongen die beurtelings zingt en fluit. De dames hebben haar mooiste en kleurigste japonnen aangetrokken: maar deze sterk sprekende kleuren hinderen niet bij de kaneelkleurige huid dezer dames, Zij dragen bottines en versieren zich met reusachtige juweelen. De mannen zijn gekleed met een strooien hoed, een linnen broek en een loshangend hemd; zij zijn barrevoets. Daar de heeren in de minderheid zijn, dansen de dames met elkander. Blijkbaar hebben allen buitengewoon veel schik.De kapitein neemt geen deel aan deze wereldsche vermaken, die niet meer aan zijn leeftijd passen. Als een echte patriarch overweegt hij, terwijl zijne onderdanen zich vermaken, de belangen van den kleinen staat, waarvoor hij te zorgenheeft. Het dorpje vormt een vierkant, dat aan de eene zijde open ligt. Langs de hutten loopt eene breede straat, maar het midden van het vierkant is met hoog gras begroeid; welk gras nu is verdord. Het oogenblik is gekomen om het te verbranden. De wind blaast juist naar de open zijde van het vierkant. De daken zijn afgekoeld en door den dauw min of meer bevochtigd: de omstandigheden zijn dus zoo gunstig mogelijk. Met een harsachtigen fakkel gewapend, steekt de kapitein aan de windzijde het gras in brand. De vlammen verspreiden zich met groote snelheid: het is eene prachtige illuminatie, die ons het bal doet vergeten.
1881.—Het is heden de eerste Januari. Wij wenschen elkander een gelukkig nieuwjaar, maar wij zijn niet feestelijk gestemd, want onwillekeurig denken wij aan onze betrekkingen en vrienden daar ginds, verre, verre weg, die sedert vele maanden niets van ons vernomen hebben, evenmin als wij iets van hen.
Lejanne begint zijn dag met het portret te maken van een jong meisje. De vader, wiens toestemming met een stuk van vierrealesis gekocht, slaat met geopenden mond aandachtig den arbeid gade. Hij staat verstomd over de gelijkenis, die dan ook inderdaad treffend is.
Bij deze Indianen staan de oogen dikwijls min of meer schuin. Hun romp is forsch en breed gebouwd; hunne beenen zijn mager en staan krom; de wangbeenderen steken vooruit. Maar wanneer zij, naar europeesche wijze gekleed, door onze straten wandelden, zou ieder hen waarschijnlijkvoor bewoners van oostelijk Azië aanzien. Zij gelijken in niets op die fantastische Indianen, wier afbeeldingen ik zoo vaak in geïllustreerde werken heb aangetroffen en die dan ook nergens bestaan dan in de verbeelding van den teekenaar.
Bij de Guahibos bestaat de gewoonte, om bij zonsopgang uit hunne hutten te voorschijn te treden, voorzien met eene soort van pansfluit, en dan, op dat instrument blazende, een ommegang om het dorp te houden. Is dit eene hulde aan de zon, en vereeren zij die als hunne godheid?
De kapitein brengt mij bij de gebeeldhouwde rotsen. Onder weg bemerk ik dat hij om den hals een stuk rotskristal draagt, dat in de holle tand van een kaaiman is geweest; zulk een halssieraad draagt den naam van guanare. Met behulp van deze guanares trachten de Guahibos hunne gehate naburen, de Piaroas, te betooveren en hun allerlei kwalen en rampen op den hals te halen. Hoe vele geslachten hebben niet aan dit stuk kristal gearbeid, om het aldus als een brillant te bewerken en te slijpen! Welke is wel de waarde van dit voorwerp, dat alleen door de wetenschap en de bekwaamheid van machtige toovenaars tot zoodanigen staat van volkomenheid kan zijn gebracht?
Op weg naar het dorp.Op weg naar het dorp.
Op weg naar het dorp.
De arme onwetende Indianen vermoeden zelfs niet, dat er voor onze glaswerkers maar een arbeid van weinige uren noodig is om de schoonste scheppingen der natuur op verwonderlijk getrouwe wijze na te bootsen; en evenmin dat deze kristallen, welke in zoo hooge mate hunne verbazing opwekken, op meer dan één punt in de ingewanden der aarde worden aangetroffen. Elk stuk mineraal, dat in zijne gedaante en zijne omtrekken zekere regelmatigheid vertoont, is in hunne schatting het werk van geesten of van toovenaars.
Een uur na Lejanne kwam ik te Maypoures. Wij gebruiken het ontbijt en gaan daarop aan boord van onze prauw om de watervallen te passeeren. Bij twee van deze vallen of stroomversnellingen gaat dit zonder bezwaar; bij den derden, den val van Sardinel, moet de bagage worden ontscheept en over land vervoerd. Een uit Brazilië gevluchte neger, Sylvester genaamd, heeft zich hier als veerman neergezet. Hij voert de vaartuigen, die van boven of van beneden komen over den val, en belast zich ook met het vervoer der bagage over land. Wij gaan naar zijne hut om eene overeenkomst met hem te sluiten. Nadat wij het over de voorwaarden eens waren geworden spreken wij hem bij toeval over het curare.—“Mijne vrouw weet daar alles van”, zegt hij. “Zij is de dochter van een toovenaar uit den stam der Piaroas en heeft dikwerf haar vader geholpen om dit vergif te bereiden.”
Juist terwijl hij dit zeide trad de vrouw de hut binnen. Wij halen uit onze prauw de kalebas met curare, die wij in den omtrek van San-Fernando gekocht hebben. Volgens haar, is dit niet het “curare fuerte” van de Piaroas. Zij kan daarvan het bewijs leveren, want op den boschrijken heuvel in de nabijheid der hut is de echte curare te vinden.
“Volg mij,” zegt zij tot mij.
Weldra komen wij bij een braaknotenboom, waarvan de bladeren en de jonge twijgen met roodachtige haren zijn bezet.—Dit is de “curare fuerte”. Professor Planchon, die de door ons medegebrachte exemplaren heeft onderzocht, houdt de bladeren en twijgen voor die van destrygnos toxifera.—Men raspt de schors van deze liano en laat die gedurende eenige uren in het water koken en vervolgens het vocht door eene zeer fijne zeef loopen; het aldus gefiltreerde vocht verdikt zich en wordt daarna uitgeperst. Het aldus verkregen vocht wordt in kalebassen van tien duim in doorsnede bewaard. Men doopt de punten der pijlen eens of meermalen in dit vocht,dat in de kalebassen spoedig opdroogt en dan het voorkomen van drop aanneemt. Dit curare is een zeer sterk vergift. Al de Piaroa-Indianen, wien wij later onze twijgen lieten zien, erkenden daarin aanstonds het echte curare.
Sylvester weet ook dat in den omtrek Piaroa-Indianen begraven liggen. Hij wil, natuurlijk tegen betaling, mij behulpzaam zijn om mij hunne geraamten te bezorgen. Morgen, bij het aanbreken van den dag, zullen wij op die expeditie uitgaan. Lejanne zal eene schets maken van den waterval van Sardinel; Mirabal, meer gewoon met Indianen om te gaan, zal voor het vervoer der bagage zorgen.
Indiaansche hut.Indiaansche hut.
Indiaansche hut.
Dit eenmaal afgesproken zijnde, keeren wij naar den anderen oever terug. Onderweg hebben wij met geweldige draaikolken en stroomingen te worstelen. Somwijlen wordt onze kano, als die onweerstaanbare stroomingen haar van ter zijde aanvallen, als eene veer op de golven medegevoerd. De schipper heeft al zijne bekwaamheid en al zijne tegenwoordigheid van geest noodig om te beletten dat het broze vaartuig omkantelt of medegesleept wordt naar den bruisenden waterval van Sardinel. Ter wederzijde liggen groote kaimans op de loer, uitziende naar de visschen en andere dieren, die met den snel voortschietenden stroom worden medegevoerd. Wij brengen onze bagage aan den anderen oever aan land, en vinden daar een Spanjaard, don Pedro genaamd, die na eerst in La Plata, vervolgens in Brazilië te hebben gewoond, zich eindelijk te Atures heeft nedergezet. Hij is op weg naar la Urbana, met een lading maniokmeel, dat hij van de Indianen van de Vichada gekocht heeft. Het was deze don Pedro, die bij de Guahibo-Indianen tien manden maniokmeel betaalde met de stop van een karaf. Maar in onze positie kunnen wij niet kieskeurig zijn: van iedereen kunnen wij nuttige inlichtingen inwinnen.
Wij deelen ons maal met dit heerschap, voor wien wij zeer weinig sympathie gevoelen, en bieden hem koffie en sigaren aan. Dan leggen wij ons rustig in onze hangmatten, die heen en weer worden geslingerd door den sterken wind, wiens koude adem ons reeds voor den morgenstond doet ontwaken.
2 Januari.—Terwijl de heer Mirabal onze bagage door Indianen laat vervoeren, Lejanne den waterval van Sardinel uitteekent en eenden schiet voor ons middagmaal, ga ik, met Sylvester als gids, eene lange wandeling ondernemen. Eerst tegen vier uren kom ik terug, vermoeid van onzen tocht over naakte rotsen, in de brandende zon. Maar ik acht mijne moeite rijkelijk beloond, want wij brengen een ongeschonden geraamte mede. Ik vond mijne makkers aan den oever beneden denval, bij eene soort van natuurlijke grot, die eene veilige schuilplaats aanbiedt. In de onmiddellijke nabijheid bevindt zich eene kleine inham, waar de prauwen kunnen aanleggen. De kaimans zijn hier nog zeer talrijk. Wee den reiziger, wiens prauw hier omkantelde: hij zou onfeilbaar den dood in de golven vinden.
Wij strekken ons op den oever uit, want buiten het water hebben wij van de kaimans niets te duchten. Maar de wind steekt op en waait ons het zand in het gelaat; wij zijn nu wel gedwongen op de rotsen te gaan slapen.
3 Januari.—Don Pedro vaart met zijne prauw voor ons uit. Deze zeer lange en zeer smalle prauw komt ons tamelijk gevaarlijk voor: daar de bagage slecht is verdeeld en slordig vastgemaakt, is er groote kans dat het vaartuig kantelt. Don Pedro, zijn stuurman Agapito en de twee Indianen in de prauw deelen onze beduchtheid volstrekt niet. Zij moeten nog een kleinen val passeeren. Daar halen wij hen in. Zij hebben hunne bagage ontladen om de prauw over den val heen te krijgen. Apatoe is van meening dat dit voor ons niet noodig is, en in twee minuten heeft onze geladen prauw den waterval doorsneden. Wij waren zelven aan wal gegaan en konden nu weer in ons vaartuig stappen; maar wij wachten tot ook don Pedro de reis kon hervatten—en dat was zijn geluk.
Wij vertrekken te zamen. Het water is zeer woelig: de rivier, bij den waterval tusschen de rotsen saamgeperst, is nog niet tot hare gewone kalmte teruggekeerd, maar klotst en golft en maakt allerlei bewegingen. Onze prauw houdt het midden van den stroom en wordt door de golven gedragen. De Spanjaard is niet geheel zeker van zijn zaak en poogt den rechter oever te bereiken: zijn vaartuig wordt door de branding in de flank gegrepen en slaat op tweehonderd meter van den oever om. Wij hooren om hulp roepen, en zien de schipbreukelingen, die zich aan de omgekeerde prauw vastklemmen en door het woelige water op en neer worden geslingerd. Wij zetten aanstonds koers naar de plek des ongeluks; onze Indianen roeien uit alle macht. Deze vaart tegen stroom is gansch niet zonder gevaar: onze prauw wordt duchtig heen en weer geschud en schept telkens water. Eindelijk komen wij bij de schipbreukelingen. De manden met maniokmeel dansen om ons heen op de golven. Wij nemen don Pedro bij ons aan boord. Apatoe grijpt de omgekantelde kano, keert haar weer om, en laat, door ze heen en weer te wiegelen, het achtergebleven water wegvloeien. Een der Indianen klautert nu in de boot en ledigt haar verder met eene groote kalebas; inmiddels visschen de andere Indianen de manden met meel op, die wij aan land brengen. Kort daarop bereiken de schipbreukelingen behouden den oever. De schipper Agapito is er het ergste aan toe: hij had een kist met messen, bijlen, hakmessen enz. aan boord, die natuurlijk als een steen gezonken is. Het maniokmeel, zorgvuldig in palmbladen gewikkeld, heeft niet geleden.
De oever, waar wij aan land zijn gegaan, is zeer steil; het zand is op verschillende plaatsen omgewoeld. De kaimans hebben er diepe in kuilen gegraven; in een daarvan vinden wij vijf-en-veertig eieren. Deze eieren zijn zeer langwerpig van gedaante en grooter dan eendeneieren. Lejanne, met een roeispaan gewapend, slaat al die eieren, waaruit vijf-en-veertig krokodillen te voorschijn moeten komen, stuk; terwijl hij daarmede bezig is, bespeuren wij nabij den oever de wijfjes-krokodil, die onbewegelijk deze slachting van haar aanstaand kroost aanschouwt. Haar onbewegelijk starende oogen hebben eene onbeschrijfelijke uitdrukking van woede en jagen mij eene huivering door de leden. Gelukkig zijn de schipbreukelingen in veiligheid!
We slaan tegen den avond ons kamp op op eene groote rots, die met zachte glooiing in de rivier afdaalt. Langs de beide oevers van den Orinoco vindt men van afstand tot afstand dergelijke reusachtige rotsen,lajasgenoemd, waar de reizigers in den regel hun bivak opslaan, bij gebrek aan zandbanken, die, zoo zij minder hard zijn, in dezen tijd des jaars althans weer onder andere opzichten minder geriefelijk zijn. Immers, ge hebt dan voortdurend last van het zand, dat de vrij sterke nachtwind u onophoudelijk in het gezicht waait en waaronder ge bijna bedolven wordt.
In den namiddag heeft Lejanne een zwarten ibis geschoten. Dat is een schraal hapje, want als die vogel geplukt is, is hij niet veel grooter dan een fiksche manshand. Daarom gaat Lejanne nu nog eens met Apatoe op de jacht, om te trachten iets voor ons diner te vinden. Zij keeren terug met eene eend en twee agoutis. Terwijl ons diner wordt gereed gemaakt, wordt onze aandacht getrokken door een dof geluid, dat zich met zeer korte tusschenpoozen herhaald, en dat nu eens van de rivier, dan weer van onder de rots schijnt te komen. Onze Indianen meenen dat dit geluid door een visch wordt veroorzaakt; ik zou het er eer voor houden, dat het veroorzaakt wordt door het water, dat in eene onzichtbare spleet van de rots doordringt.
4 Januari.—Wij gaan reeds vroegtijdig op weg: omstreeks elf uur zijn we in de onmiddellijke nabijheid van Atures. De loodrechte en zeer hooge linker oever vormt een lange geelachtige, bank, met donkere strepen getijgerd. Midden in de rivier verheft zich een rond eiland, dat aan een versterkt kasteel doet denken, en waarop weleer het klooster der Jezuïeten van Atures stond. Om half twaalf loopen we de dusgenoemde haven binnen, op korten afstand van den eersten val.
Terwijl ik eene meteorologische waarneming doe, bespeuren mijne reisgezellen, die onder den lommer der naburige boomen op mij wachten, eene prauw, waarin drie vrouwen gezeten zijn, wier jurken—wel louter toevallig—de drie kleuren vertoonen van de nationale vlag van Venezuela: geel, rood en blauw. Zij stappen in onze nabijheid aan land. Wij reiken haar de hand en groeten haar naar indiaansche wijze. Zij zijn nog jong en zien er niet onaardig uit; het prachtige zwarte hair golft vrij langs nek en schouders. Zij slaan onmiddellijk den weg naar het dorp in;eenige oogenblikken daarna begeven wij ons ook derwaarts. Het pad loopt door eene savane, met granietblokken bezaaid.
Geen enkele boom beschermt ons met zijn schaduw tegen de felle zonnestralen op den twee kilometers langen weg, die ons van het dorp scheidt. Dit dorp bestaat uit acht hutten, met inbegrip van de kerk en van de dusgenoemdecasa real. Het eenige wat de kerk van de andere hutten onderscheidt, is de klok die aan een balk voor de deur hangt. De casa real is ter beschikking van de reizigers en gelijkt op alle andere hutten: wanden of muren van pisé en een dak van palmbladeren. Het geheele ameublement bestaat uit krammen, die in den muur geslagen zijn om de hangmatten daaraan vast te maken.
Even na onze aankomst krijgt François opnieuw een hevigen aanval van koorts, waaraan hij in den laatsten tijd telkens lijdende is. Wij maken het hem zoo gemakkelijk mogelijk, en begeven ons vervolgens naar den kapitein of hoofdman van het dorp. Deze kapitein is een vrij bejaard man van den stam der Atchagua-Indianen, terwijl de mannen, waaruit zijn pueblo bestaat, Guahibos zijn. Ik weet niet, door welk een samenloop van omstandigheden de Atchagua Agostino hun hoofdman geworden is; zijne moeder behoorde tot den stam der Atchaguas en zijn vader tot dien der Guahibos, maar het kind behoort altijd tot den stam zijner moeder.—De bewoners van Atures zijn katholiek en zoogenaamd beschaafd. Ongelukkig sterven zij langzamerhand uit, en zullen weldra geen voldoend aantal manschappen meer kunnen leveren voor het vervoer der bagage. “Al mijne mannen sterven”, zegt de kapitein op weemoedigen toon. Zijne vrouw is ziek: sedert drie dagen heeft zij decalentura. Ik onderzoek haar en bevind dat zij aan longaandoening lijdt; ik deel den kapitein mede dat ik geneesheer ben en dat ik zijne vrouw zal behandelen. Hij antwoordt, dat hij mij daarvoor zeer dankbaar zal zijn. Toch geloof ik, dat hij liever de hulp zou inroepen van een of anderen indiaanschen toovenaar, want deze arme lieden zijn wel in naam katholiek, maar hebben metterdaad nog een goed deel van hunne vroegere bijgeloovigheid behouden.
Men had mij te San-Fernando verteld, dat zich te Atures eenigecuevasof indiaansche knekelhuizen bevinden en dat de kapitein daarvan weet. Ik vraag hem dus, of hij mij zou willen behulpzaam zijn om die cuevas te zien: het is hem bekend, dat er zich op twee verschillende plaatsen bevinden. Wij zouden nog heden de naast bijgelegenen kunnen bezoeken. Vol vreugde neem ik dit voorstel aan, en beloof hem eene goede belooning, als hij mij wil helpen om eenige schedels machtig te worden; ik deel hem tevens mede met welke bedoeling ik dat verzoek doe, waardoor zijne aanvankelijke bezwaren uit den weg worden geruimd.
Wij begeven ons aanstonds op weg, vergezeld door den zoon van den kapitein en door Apatoe. Wij gaan door eene savane, steken dan een arm van de rivier over en gaan aan land op een eilandje, dat den naam draagt van Cucurital. Achter eene rij boomen en hoog struikgewas verborgen, ligt een soort van natuurlijke grot, door eene opeenstapeling van geweldige rotsblokken gevormd. Wij klauteren naar den lagen ingang der grot en vinden daar een menigte potten van verschillende vormen, die elk een schedel van een Indiaan bevatten. Andere schedels en beenderen zijn eenvoudig in palmbladeren gewikkeld: zij zijn van de Guahibos afkomstig. Ik leg een vijftiental van de mooiste schedels ter zijde, en neem mij voor met Lejanne terug te keeren om een nieuwen voorraad op te doen.
Wij keeren naar het dorp terug en nemen afscheid van elkander, na vooraf de afspraak gemaakt te hebben, dat wij morgen de andere cuevas zullen gaan zien.
5 Januari.—Ten zeven uren ’s morgens gaan wij op weg. Wij hebben eene zeer lange en zeer vermoeiende wandeling te doen, eer wij den granietberg bereiken, waarin de cuevas zich bevinden. Daar gekomen, stuiten wij op een schier onoverkomelijk bezwaar. Een zeer steil pad, nauwelijks een el breed en zeer glibberig, voert naar de grotten. Dit pad loopt op eene aanzienlijke hoogte langs den loodrechten bergwand. De minste misstap zou ons in den afgrond doen nederstorten. Met snellen stap loop ik zonder ongeval het pad af en kom aan de eerste grot, waar ik dezelfde voorwerpen vind als op het eiland Cucurital. Van een bezoek aan de tweede grot moet ik afzien. Toen ik mij gereed maakte om terug te keeren, werd ik door eene duizeling overvallen: ik moest gedurende eenige oogenblikken mijne oogen sluiten, en kon eerst toen naar beneden dalen. De kapitein had slechts eens in zijn leven, toen hij nog een kind was, deze grotten bezocht. Den indruk, dien dit tweede bezoek op hem maakte, vatte hij saam in de woorden: “Afschuwelijk! Ik kom hier nooit weer dan dood!”
In het dorp teruggekeerd, verneem ik dat de Indianen heden avond zullen dansen. Natuurlijk zullen wij bij dat feest tegenwoordig zijn. Na afloop van het middagmaal begeven wij ons met den heer Mirabal naar de hut, waar het bal gegeven wordt. Het orkest bestaat uit eene mandoline, een halter met holle ballen waarin harde zaadkorrels zijn en dien men op de maat heen en weer beweegt, en eindelijk uit een jongen die beurtelings zingt en fluit. De dames hebben haar mooiste en kleurigste japonnen aangetrokken: maar deze sterk sprekende kleuren hinderen niet bij de kaneelkleurige huid dezer dames, Zij dragen bottines en versieren zich met reusachtige juweelen. De mannen zijn gekleed met een strooien hoed, een linnen broek en een loshangend hemd; zij zijn barrevoets. Daar de heeren in de minderheid zijn, dansen de dames met elkander. Blijkbaar hebben allen buitengewoon veel schik.
De kapitein neemt geen deel aan deze wereldsche vermaken, die niet meer aan zijn leeftijd passen. Als een echte patriarch overweegt hij, terwijl zijne onderdanen zich vermaken, de belangen van den kleinen staat, waarvoor hij te zorgenheeft. Het dorpje vormt een vierkant, dat aan de eene zijde open ligt. Langs de hutten loopt eene breede straat, maar het midden van het vierkant is met hoog gras begroeid; welk gras nu is verdord. Het oogenblik is gekomen om het te verbranden. De wind blaast juist naar de open zijde van het vierkant. De daken zijn afgekoeld en door den dauw min of meer bevochtigd: de omstandigheden zijn dus zoo gunstig mogelijk. Met een harsachtigen fakkel gewapend, steekt de kapitein aan de windzijde het gras in brand. De vlammen verspreiden zich met groote snelheid: het is eene prachtige illuminatie, die ons het bal doet vergeten.